ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2011.296.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 296

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
15 november 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1150/2011 van de Raad van 14 november 2011 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 442/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1151/2011 van de Raad van 14 november 2011 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 442/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

3

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2011 van de Commissie van 14 juli 2011 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden ( 1 )

6

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1153/2011 van de Commissie van 30 augustus 2011 tot wijziging van bijlage I ter bij Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat de technische voorschriften voor de vaccinatie tegen rabiës betreft ( 1 )

13

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1154/2011 van de Commissie van 10 november 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Zgornjesavinjski želodec (BGA))

14

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1155/2011 van de Commissie van 10 november 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Šebreljski želodec (BGA))

16

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1156/2011 van de Commissie van 10 november 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Kočevski gozdni med (BOB))

18

 

*

Verordening (EU) nr. 1157/2011 van de Commissie van 10 november 2011 tot vaststelling van een verbod op de visserij op haring in EU-wateren en internationale wateren van Vb, VIb en VIaN door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

20

 

*

Verordening (EU) nr. 1158/2011 van de Commissie van 11 november 2011 tot vaststelling van een verbod op de visserij op schelvis in gebied IIIa; EU-wateren van deelsectoren 22-32 door vaartuigen die de vlag van Zweden voeren

22

 

*

Verordening (EU) nr. 1159/2011 van de Commissie van 11 november 2011 tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in gebied Noorse wateren van I en II door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

24

 

*

Verordening (EU) nr. 1160/2011 van de Commissie van 14 november 2011 tot verlening en tot weigering van een vergunning voor bepaalde gezondheidsclaims voor levensmiddelen die over ziekterisicobeperking gaan ( 1 )

26

 

*

Verordening (EU) nr. 1161/2011 van de Commissie van 14 november 2011 tot wijziging van Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 953/2009 van de Commissie, wat betreft de lijsten van mineraalverbindingen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd ( 1 )

29

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1162/2011 van de Commissie van 14 november 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

31

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1163/2011 van de Commissie van 14 november 2011 tot wijziging van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2011/12

33

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/90/EU van de Commissie van 14 november 2011 tot wijziging van deel II van bijlage I bij Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanvullende hypothesen voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage ( 1 )

35

 

 

BESLUITEN

 

 

2011/734/EU

 

*

Besluit van de Raad van 12 juli 2011 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

38

 

*

Besluit 2011/735/GBVB van de Raad van 14 november 2011 houdende wijziging van Besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

53

 

*

Uitvoeringsbesluit 2011/736/GBVB van de Raad van 14 november 2011 tot uitvoering van Besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

55

 

 

2011/737/EU, Euratom

 

*

Besluit van de Commissie van 9 november 2011 tot wijziging van haar reglement van orde

58

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/1


VERORDENING (EU) Nr. 1150/2011 VAN DE RAAD

van 14 november 2011

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 442/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 215,

Gezien Besluit 2011/273/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (1),

Gezien het gezamenlijke voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 9 mei 2011 stelde de Raad Verordening (EU) nr. 442/2011 (2) betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië vast.

(2)

Op 2 september 2011 wijzigde (3) de Raad Verordening (EU) nr. 442/2011 teneinde de maatregelen tegen Syrië uit te breiden. Het ging onder meer om een uitbreiding van de criteria voor opname in de lijst die voor de bevriezing van tegoeden en economische middelen waren overeengekomen, en een verbod op de aankoop, de invoer en het vervoer van aardolie uit Syrië. Op 23 september 2011 wijzigde (4) de Raad Verordening (EU) nr. 442/2011 teneinde de maatregelen tegen Syrië nog verder uit te breiden. Het ging onder meer om een verbod op investeringen in de aardoliesector, de toevoeging van nieuwe namen en een verbod op de levering van Syrische bankbiljetten en munten aan de Centrale Bank van Syrië. Op 13 oktober 2011 wijzigde (5) de Raad Verordening (EU) nr. 442/2011 nogmaals, teneinde een entiteit toe te voegen en een afwijking op te nemen waardoor het tijdelijk toegestaan is bevroren tegoeden die deze entiteit na de datum van opname in de lijst heeft ontvangen, te gebruiken voor de financiering van handel met niet in de lijst opgenomen personen en entiteiten.

(3)

Omdat de brute repressie en de schendingen van de mensenrechten door de Syrische regering blijven voortduren, heeft de Raad op 14 november 2011 Besluit 2011/735/GBVB tot wijziging van Besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (6) vastgesteld, dat voorziet in een aanvullende maatregel, namelijk een verbod voor de Europese Investeringsbank om bedragen uit te keren of betalingen te verrichten in het kader van of in verband met bestaande leningsovereenkomsten met Syrië en de schorsing van alle bestaande overeenkomsten inzake de verstrekking van technische bijstand voor projecten in Syrië die ten goede komen aan de Syrische staat.

(4)

Deze maatregel valt onder het toepassingsgebied van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en derhalve is EU-regelgeving noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging ervan, om te garanderen dat de maatregel in alle lidstaten uniform door de marktdeelnemers wordt toegepast.

(5)

Daarnaast voorziet Besluit 2011/735/GBVB in de bijwerking van de informatie in verband met één persoon op de lijst in bijlage I bij Besluit 2011/273/GBVB.

(6)

Verordening (EU) nr. 442/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Om de effectiviteit van de maatregelen waarin deze verordening voorziet te waarborgen, moet deze verordening onmiddellijk in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In Verordening (EU) nr. 442/2011 wordt het volgende artikel ingevoegd:

"Artikel 3 quinquies

De Europese Investeringsbank (EIB):

(a)

mag geen bedragen uitkeren of betalingen verrichten in het kader van of in verband met bestaande leningsovereenkomsten tussen de staat Syrië of een overheidsinstantie daarvan en de EIB;

(b)

schorst alle in Syrië uit te voeren bestaande overeenkomsten inzake de verstrekking van technische bijstand voor projecten die door middel van onder a) bedoelde leningsovereenkomsten worden gefinancierd en die de bedoeling hebben de staat Syrië of een overheidsinstantie daarvan direct of indirect ten goede te komen.".

Artikel 2

Bijlage II bij Verordening (EU) nr. 442/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2011.

Voor de Raad

De voorzitster

C. ASHTON


(1)  PB L 121 van 10.5.2011, blz. 11.

(2)  PB L 121 van 10.5.2011, blz. 1.

(3)  Verordening (EU) nr. 878/2011 (PB L 228 van 3.9.2011, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 950/2011 (PB L 247 van 24.9.2011, blz. 3).

(5)  Verordening (EU) nr. 1011/2011 (PB L 269 van 14.10.2011, blz. 18).

(6)  Zie bladzijde 53 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE

De vermelding betreffende Nizar AL-ASSAAD in bijlage II van Verordening (EU) nr. 442/2011 wordt vervangen door:

 

Naam

Identificatiegegevens

Redenen

Datum van opneming op de lijst

"38.

Nizar Al-Assad

(Image)

Neef van Bashar Al-Assad; voormalig hoofd van de maatschappij "Nizar Oilfield Supplies".

Zeer nauwe banden met belangrijke overheidsfunctionarissen. Financiert de Shabiha in de regio van Latakia.

23.8.2011"


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1151/2011 VAN DE RAAD

van 14 november 2011

tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 442/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 442/2011 van de Raad van 9 mei 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (1), en met name artikel 14, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 9 mei 2011 Verordening (EU) nr. 442/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië vastgesteld.

(2)

Gezien de ernst van de situatie in Syrië en overeenkomstig Uitvoeringsbesluit 2011/736/GBVB van de Raad van 14 november 2011 tot uitvoering van Besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (2) moeten aan de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen, entiteiten en lichamen in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 442/2011 personen worden toegevoegd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening genoemde personen worden toegevoegd aan de lijst in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 442/2011.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 14 november 2011.

Voor de Raad

De voorzitster

C. ASHTON


(1)  PB L 121 van 10.5.2011, blz. 1.

(2)  Zie bladzijde 55 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE

Personen bedoeld in artikel 1

 

Naam

Identificatiegegevens

Redenen

Datum van opneming op de lijst

1.

Generaal-majoor Jumah Al-Ahmad

 

Bevelhebber van de speciale strijdkrachten. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in het hele land.

14.11.2011

2.

Kolonel Lu'ai Al-Ali

 

Hoofd van de militaire inlichtingendienst van Syrië, afdeling Dera'a. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in Dera'a.

14.11.2011

3.

Lt-generaal Ali Abdullah Ayyub

 

Adjunct-chef generale staf (militair en burgerlijk personeel). Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in heel Syrië.

14.11.2011

4.

Lt.-generaal Jasim Al-Furayj

 

Hoofd generale staf. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in heel Syrië.

14.11.2011

5.

Generaal Aws Aslan

Geboren in 1958

Majoor van de Republikeinse Garde. Een van de getrouwen van Mahir Al-Assad en van president Al-Assad. Heeft deel aan het gewelddadig optreden tegen de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

6.

Generaal Ghassan Belal

 

Generaal die het bevel voert over het veiligheidsbureau van de vierde divisie. Adviseur van Mahir Al-Assad en coördinator van de veiligheidsoperaties. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

7.

Abdullah Berri

 

Leidt de milities van de Berri-clan. Verantwoordelijk voor de regeringsgezinde milities die betrokken zijn bij de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Alep.

14.11.2011

8.

George Chaoui

 

Lid van het elektronisch leger van Syrië. Heeft deel aan de gewelddadige onderdrukking van en de aanmoediging tot geweld jegens de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

9.

Generaal-majoor Zuhair Hamad

 

Adjunct-chef van de algemene inlichtingendienst. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden in heel Syrië en voor de intimidatie en foltering van demonstranten.

14.11.2011

10.

Amar Ismael

 

Civiele functionaris - Hoofd van het elektronisch leger van Syrië (inlichtingendienst van de landmacht). Heeft deel aan de gewelddadige onderdrukking van en de aanmoediging tot geweld jegens de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

11.

Mujahed Ismail

 

Lid van het elektronisch leger van Syrië. Heeft deel aan de gewelddadige onderdrukking van en de aanmoediging tot geweld jegens de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

12.

Saqr Khayr Bek

 

Vice-minister van Binnenlandse Zaken. Verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Syrië.

14.11.2011

13.

Generaal-majoor Nazih

 

Adjunct-directeur van de algemene inlichtingendienst. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden in heel Syrië en voor de intimidatie en foltering van demonstranten.

14.11.2011

14.

Kifah Moulhem

 

Bataljoncommandant in de vierde divisie. Verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Dair Al-Zor.

14.11.2011

15.

Generaal-majoor Wajih Mahmud

 

Commandant 18e pantserdivisie. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in Homs

14.11.2011

16.

Bassam Sabbagh

Geboren op 24/08/1959 in Damas. Adres: Kasaa, Anwar Al Attar street, Al Midani building, Damas. Syrisch paspoort nr.o004326765, afgiftedatum 2/11/2008, geldig tot november 2014

Leidt advocatenkantoor Sabbagh en partners (Damas), Advocaat bij de balie van Parijs. Juridisch en financieel adviseur en zaakvoerder van Rami Makhluf en Khaldoun Makhlouf. Partner van Bachar Al-Assad bij de financiering van een vastgoedproject in Lattaquie. Verstrekt financiële bijstand aan het regime.

14.11.2011

17.

Lt.-Generaal Tala Mustafa Tlass

 

Adjunct-chef Generale Staf (Logistiek en bevoorrading). Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in heel Syrië.

14.11.2011

18.

General-majoor Fu'ad Tawil

 

Adjunct-chef inlichtingendienst Syrische luchtmacht. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden in heel Syrië en voor de intimidatie en foltering van demonstranten.

14.11.2011


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/6


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 1152/2011 VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2011

tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (1), en met name artikel 5, lid 1, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 998/2003 zijn de veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren vastgesteld. In het bijzonder werden regels vastgesteld voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten naar een lidstaat en voorziet de verordening in de eventuele vaststelling bij gedelegeerde handeling van preventieve gezondheidsmaatregelen ter bestrijding van andere ziekten dan rabiës die zich door het verkeer van deze dieren kunnen verspreiden. Die maatregelen moeten een wetenschappelijke basis hebben en in verhouding staan tot het risico van de verspreiding van die ziekten als gevolg van dergelijke verplaatsingen.

(2)

Daarnaast bepaalt Verordening (EG) nr. 998/2003 dat gezelschapsdieren vergezeld moeten gaan van een paspoort dat is afgegeven door een door de bevoegde autoriteit aangewezen dierenarts en waarin wordt verklaard, voor zover nodig, dat ten aanzien van het betrokken dier preventieve gezondheidsmaatregelen met betrekking tot andere ziekten dan rabiës zijn uitgevoerd.

(3)

Alveolaire echinokokkose is een parasitaire ziekte die wordt veroorzaakt door de lintworm Echinococcus multilocularis (E. multilocularis). In de gebieden in Europa waar de ziekte endemisch is, verloopt de transmissiecyclus van de parasiet in de regel via in het wild levende dieren, waarbij in het wild levende vleeseters als eindgastheer optreden en verschillende soorten zoogdieren, met name kleine knaagdieren, als tussengastheer; laatstgenoemde raken besmet door het opnemen van eitjes die via de uitwerpselen van eindgastheren in het milieu zijn verspreid.

(4)

Hoewel van secundair belang voor de persistentie van de levenscyclus van de parasiet in een gebied waar deze endemisch is, kunnen honden geïnfecteerd raken door het opeten van besmette knaagdieren. Als potentiële eindgastheren en vanwege het nauwe contact met mensen kunnen honden zowel een infectiebron voor mensen als een bron van besmetting vormen voor het milieu, met inbegrip van parasietenvrije gebieden die door natuurlijke hindernissen tegen de insleep van de parasiet worden beschermd. Er zijn geen meldingen van fretten die als eindgastheer optreden en volgens de huidige gegevens is ook de bijdrage van katten aan de transmissiecyclus twijfelachtig.

(5)

In gebieden waar mensen optreden als atypische tussengastheer, waarin zich het larvale stadium van de lintworm ontwikkelt, worden na een lange incubatieperiode en bij het uitblijven van adequate behandeling ernstige klinische en pathologische verschijnselen waargenomen, waarbij de mortaliteit meer dan 90 % kan bedragen. De toenemende prevalentie van de ziekte bij in het wild levende dieren, en parallel daaraan bij mensen, in bepaalde delen van Europa, baart de gezondheidsautoriteiten van veel lidstaten ernstige zorgen.

(6)

E. multilocularis-infectie komt voor bij dieren op het noordelijk halfrond, waaronder Midden- en Noord-Europa, Azië en Noord-Amerika, maar in bepaalde gebieden van de Europese Unie is de infectie noch bij gedomesticeerde, noch bij in het wild levende potentiële eindgastheren waargenomen, ondanks voortdurende controles van in het wild levende dieren en de onbeperkte toegang van honden.

(7)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in een wetenschappelijk advies betreffende de beoordeling van het risico van insleep van echinokokkose in het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Malta, Zweden en Finland bij het buiten werking stellen van de nationale voorschriften (2), aangegeven dat de grensoverschrijdende verplaatsing van besmette in het wild levende dieren de belangrijkste potentiële insleeproute voor E. multilocularis is, vooral in gebieden zonder effectieve fysieke hindernissen, zoals een open zee. De EFSA acht de epidemiologische rol van honden in gebieden waar E. multilocularis endemisch is, van geringe betekenis voor de levenscyclus van de parasiet.

(8)

De EFSA acht daarentegen het risico dat de transmissiecyclus van E. multilocularis begint in geschikte, in het wild levende tussengastheren in gebieden die daarvoor parasietenvrij waren, niet verwaarloosbaar klein wanneer de parasiet wordt ingesleept door besmette honden, die wormeitjes uitscheiden.

(9)

Volgens de EFSA kan het risico van insleep van E. multilocularis in gebieden die daarvoor parasietenvrij waren, worden verkleind door de behandeling van honden uit gebieden waar de parasiet endemisch is. Teneinde herinfectie te voorkomen, moet een dergelijke behandeling plaatsvinden zo kort mogelijk vóór de binnenkomst in het parasietenvrije gebied plaatsvinden. Om te voorkomen dat via de uitwerpselen alsnog eitjes van E. multilocularis in het parasietenvrije gebied terechtkomen, moet na de behandeling echter een wachttijd van ten minst 24 uur in acht worden genomen.

(10)

Om de werkzaamheden van geneesmiddelen voor E. multilocularis-infectie bij honden te waarborgen, moet voor die geneesmiddelen een vergunning voor het in de handel brengen zijn verleend overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (3) of Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (4), dan wel moet het middel zijn goedgekeurd of toegelaten door de bevoegde autoriteit van het derde land van herkomst van het dier.

(11)

Artikel 16 van Verordening (EG) nr. 998/2003 bepaalt dat Finland, Ierland, Malta, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, wat de controle op echinokokkose betreft, de binnenkomst van gezelschapsdieren op hun grondgebied afhankelijk mogen stellen van de naleving van speciale nationale voorschriften die op de dag van de inwerkingtreding van die verordening van toepassing zijn. Aangezien artikel 16 van die verordening maar tot 31 december 2011 van toepassing is, moeten al voor die datum maatregelen worden vastgesteld om de aanhoudende bescherming van de in dat artikel genoemde lidstaten te verzekeren, die van oordeel zijn dat zij dankzij die speciale voorschriften de insleep van de parasiet op hun grondgebied hebben weten voorkomen.

(12)

De ervaring leert dat een tijdvenster voor behandeling van 24 tot 48 uur, zoals enkele lidstaten volgens nationale regels overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 998/2003 voorschrijven, zeer belastend en soms zelfs onhaalbaar is voor eigenaren van gezelschapsdieren, zeker wanneer de behandeling in het weekend of op een vakantiedag moet worden uitgevoerd of wanneer het vertrek na de behandeling buiten de schuld van de eigenaar is vertraagd.

(13)

Gezien de ervaring van enkele andere lidstaten die volgens nationale regels overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 998/2003 een langer tijdvenster voor behandeling toestaan en toch parasietenvrij zijn gebleven, zou een redelijke vergroting van het tijdvenster voor behandeling tot een periode tussen 24 en 120 uur, het risico van herinfectie van behandelde honden die afkomstig zijn uit een gebied waar de parasiet E. multilocularis endemisch is, waarschijnlijk niet aanzienlijk vergroten.

(14)

De preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van E. multilocularis-infectie bij honden moeten derhalve bestaan uit de gedocumenteerde toediening door een dierenarts van een toegelaten of goedgekeurd geneesmiddel waarvan is gebleken dat het de vormen van E. multilocularis zoals die in de darmen voorkomen, tijdig vernietigt.

(15)

De behandeling moet worden genoteerd in de daarvoor bestemde rubriek van het paspoort als bedoeld in Beschikking 2003/803/EG van de Commissie van 26 november 2003 tot vaststelling van een modelpaspoort voor het intracommunautair verkeer van honden, katten en fretten (5) of van het gezondheidscertificaat als bedoeld in Beschikking 2004/824/EG van de Commissie van 1 december 2004 tot vaststelling van een modelcertificaat voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten uit derde landen naar de Gemeenschap (6).

(16)

Aangezien preventieve gezondheidsmaatregelen belastend zijn, moet de toepassing ervan in verhouding staan tot het risico van de verspreiding van E. multilocularis-infectie via het niet-commerciële verkeer van huishonden. Daarom is het passend dit risico te verkleinen door de in deze verordening bedoelde preventieve gezondheidsmaatregelen toe te passen op het niet-commerciële verkeer van honden die het grondgebied van lidstaten, of delen ervan, binnenkomen waar de besmetting nog niet is waargenomen, namelijk de in bijlage I, deel A, vermelde lidstaten.

(17)

Daarnaast moeten de preventieve gezondheidsmaatregelen gedurende een beperkte periode ook worden toegepast om te voorkomen dat E. multilocularis opnieuw wordt ingesleept in lidstaten, of delen ervan, met een lage prevalentie van de parasiet en waar een verplicht programma voor de uitroeiing ervan bij in het wild levende eindgastheren wordt uitgevoerd, namelijk de in bijlage I, deel B, vermelde lidstaten.

(18)

Bij Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (7), zijn onder andere veterinairrechtelijke voorschriften voor de handel in honden en de invoer van honden uit derde landen vastgesteld. De veterinairrechtelijke voorschriften van de artikelen 10 en 16 van die richtlijn verwijzen naar Verordening (EG) nr. 998/2003. Omwille van de samenhang van de wetgeving van de Unie is het wenselijk dat de programma’s voor de uitroeiing van E. multilocularis-infectie bij in het wild levende eindgastheren worden opgesteld en aan de Commissie worden voorgelegd en met name de in artikel 14, lid 1, van Richtlijn 92/65/EEG bedoelde elementen bevatten.

(19)

Aangezien het verkeer van honden uit een gebied dat vrij is van E. multilocularis een verwaarloosbaar risico voor de verspreiding van de ziekte vormt, moeten de preventieve gezondheidsmaatregelen niet verplicht worden gesteld voor honden uit de in bijlage I, deel A vermelde lidstaten of delen ervan.

(20)

Zweden meldt sinds januari 2011 gevallen van E. multilocularis-infectie bij in het wild levende dieren, terwijl Ierland, Finland en het Verenigd Koninkrijk de Commissie resultaten hebben voorgelegd van controles op de aanwezigheid van E. multilocularis bij in het wild levende potentiële eindgastheren waarmee hun bewering wordt gestaafd dat hun respectieve ecosystemen vrij zijn van de parasiet.

(21)

Malta heeft bewijs overgelegd dat op het eiland geen geschikte potentiële eindgastheren in het wild leven, dat E. multilocularis nooit is waargenomen bij inheemse potentiële eindgastheren en dat het eilandmilieu niet in de levensbehoeften van een significante populatie van potentiële tussengastheren kan voorzien.

(22)

Uit de informatie die door Ierland, Malta, Finland en het Verenigd Koninkrijk is ingediend, blijkt dat deze lidstaten voor hun gehele grondgebied aan een van de voorwaarden voor opname in bijlage I, deel A, voldoen. Bijgevolg moeten zij toestemming krijgen om vanaf 1 januari 2012, wanneer de in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 998/2003 bedoelde overgangsperiode verstrijkt, de in onderhavige verordening bedoelde preventieve gezondheidsmaatregelen toe te passen.

(23)

Volgens het advies van de EFSA van 2006 begint het uitscheiden van besmette eitjes van E. multilocularis niet eerder dan 28 dagen na het opeten van een geïnfecteerde tussengastheer. Daarom moeten in deze verordening de voorwaarden worden vastgesteld waaronder een uitzondering kan worden gemaakt voor honden die na de toepassing van preventieve gezondheidsmaatregelen minder dan 28 dagen verblijven op het grondgebied van de in bijlage I vermelde lidstaten of delen ervan, aangezien deze honden geen risico vormen voor de insleep van de parasiet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

Bij deze verordening worden preventieve gezondheidsmaatregelen vastgesteld voor de bestrijding van E. multilocularis-infectie bij honden bedoeld voor niet-commercieel verkeer naar het grondgebied van lidstaten of delen ervan die zijn vastgesteld op basis van:

a)

de afwezigheid van E. multilocularis bij eindgastheren, of

b)

de uitvoering van een programma voor de uitroeiing van E. multilocularis-infectie bij in het wild levende eindgastheren, volgens een duidelijk omschreven tijdschema.

Artikel 2

Geografische toepassing van preventieve gezondheidsmaatregelen

1.   De in bijlage I vermelde lidstaten passen de in artikel 7 bedoelde preventieve gezondheidsmaatregelen („de preventieve gezondheidsmaatregelen”) toe op honden bedoeld voor niet-commercieel verkeer die hun grondgebied of de in bijlage I vermelde delen ervan binnenkomen.

2.   De in bijlage I, deel A, vermelde lidstaten passen de preventieve gezondheidsmaatregelen niet toe op honden bedoeld voor niet-commercieel verkeer die rechtstreeks afkomstig zijn uit in dat deel vermelde andere lidstaten of delen ervan.

3.   De in bijlage I, deel B, vermelde lidstaten passen de preventieve gezondheidsmaatregelen niet toe op honden bedoeld voor niet-commercieel verkeer die rechtstreeks afkomstig zijn uit in deel A vermelde andere lidstaten of delen ervan.

Artikel 3

Voorwaarden voor de opname van lidstaten of delen ervan in bijlage I, deel A

Lidstaten worden voor hun gehele grondgebied of delen ervan in bijlage I, deel A, opgenomen wanneer zij bij de Commissie een daartoe strekkende aanvraag hebben ingediend die vergezeld gaat van stukken waaruit blijkt dat aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

zij hebben verklaard dat op hun grondgebied, of een deel ervan, geen eindgastheren met E. multilocularis zijn besmet, overeenkomstig de procedure die wordt aanbevolen in artikel 1.4.6, lid 3, van hoofdstuk 1.4 van de Gezondheidscode voor landdieren, Uitgave 2010, Volume 1, van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) en het melden van E. multilocularis-infectie bij gastheerdieren is krachtens nationaal recht verplicht gesteld;

b)

gedurende de vijftien jaar voorafgaand aan de aanvraag, en zonder toepassing van een pathogeenspecifiek monitoringprogramma, is geen enkel geval van E. multilocularis-infectie bij gastheerdieren waargenomen en gedurende de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag werd aan de volgende voorwaarden voldaan:

i)

het melden van E. multilocularis-infectie bij gastheerdieren was krachtens nationaal recht verplicht;

ii)

er werd een systeem voor de vroegtijdige opsporing van E. multilocularis-infectie bij gastheerdieren toegepast;

iii)

er werden passende maatregelen toegepast om de insleep van E. multilocularis via gedomesticeerde eindgastheren te voorkomen;

iv)

de op hun grondgebied in het wild levende gastheerdieren waren niet besmet met E. multilocularis;

c)

gedurende drie perioden van elk twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag is een pathogeenspecifiek monitoringprogramma uitgevoerd dat voldoet aan de eisen van bijlage II en in het kader waarvan geen enkel geval van E. multilocularis-infectie bij in het wild levende gastheerdieren is waargenomen, waarvoor krachtens nationaal recht een meldplicht is ingesteld.

Artikel 4

Voorwaarden voor de opname van lidstaten of delen ervan in bijlage I, deel B

Lidstaten worden voor maximaal vijf monitoringperioden van elk twaalf maanden in bijlage I, deel B, opgenomen wanneer zij bij de Commissie een daartoe strekkende aanvraag hebben ingediend die vergezeld gaat van stukken waaruit blijkt dat:

a)

op hun hele grondgebied of in het in dat deel te vermelden gedeelte ervan een verplicht programma voor de uitroeiing van E. multilocularis-infectie bij in het wild levende eindgastheren is uitgevoerd, overeenkomstig de streepjes van artikel 14, lid 1, van Richtlijn 92/65/EEG;

b)

het melden van E. multilocularis-infectie bij gastheerdieren krachtens nationaal recht verplicht is.

Artikel 5

Verplichtingen van de in bijlage I vermelde lidstaten

1.   De in bijlage I vermelde lidstaten:

a)

hebben het melden van E. multilocularis-infectie bij gastheerdieren krachtens nationaal recht verplicht gesteld;

b)

beschikken over een systeem voor de vroegtijdige opsporing van E. multilocularis-infectie bij gastheerdieren.

2.   De in bijlage I vermelde lidstaten voeren een pathogeenspecifiek monitoringprogramma uit dat wordt opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig bijlage II.

3.   De in bijlage I vermelde lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van elke E. multilocularis-infectie die wordt vastgesteld in monsters die bij in het wild levende potentiële eindgastheren zijn genomen:

a)

in de voorafgaande monitoringperiode van twaalf maanden, in het geval van lidstaten of delen ervan die in bijlage I, deel A, zijn vermeld, of

b)

na de eerste periode van 24 maanden die volgt op het begin van het in artikel 4 bedoelde verplichte programma voor de uitroeiing van E. multilocularis-infectie bij in het wild levende eindgastheren in lidstaten of delen ervan die in bijlage I, deel B, zijn vermeld.

4.   De in bijlage I vermelde lidstaten brengen na afloop van elk van de monitoringperioden van twaalf maanden uiterlijk op 31 mei aan de Commissie verslag uit over de resultaten van de in lid 2 bedoelde pathogeenspecifieke monitoringprogramma’s.

Artikel 6

Voorwaarden voor het schrappen van vermeldingen van lidstaten of delen ervan in bijlage I

De Commissie schrapt de vermelding van lidstaten of delen ervan in de desbetreffende lijst van bijlage I wanneer:

a)

de voorwaarden van artikel 5, lid 1, niet langer van toepassing zijn, of

b)

tijdens de in artikel 5, lid 3, bedoelde monitoringperioden een E. multilocularis-infectie bij in het wild levende eindgastheren is waargenomen, of

c)

het in artikel 5, lid 4, bedoelde verslag niet binnen de in die bepaling genoemde termijn aan de Commissie is verstrekt, of

d)

het in artikel 4 bedoelde uitroeiingsprogramma is beëindigd.

Artikel 7

Preventieve gezondheidsmaatregelen

1.   Honden bedoeld voor niet-commercieel verkeer naar in bijlage I vermelde lidstaten of delen ervan, worden niet later dan 120 en niet eerder dan 24 uur vóór de geplande binnenkomst in die lidstaten of delen ervan behandeld tegen de larvale en volwassen intestinale vormen van E. multilocularis.

2.   De in lid 1 bedoelde behandeling wordt uitgevoerd door een dierenarts en bestaat uit de toediening van een geneesmiddel:

a)

dat de geschikte dosis bevat van

i)

praziquantel, of

ii)

farmacologisch werkzame stoffen waarvan is aangetoond dat zij zelfstandig of in combinatie de belasting van larvale en volwassen intestinale vormen van E. multilocularis in het desbetreffende soort gastheer verminderen;

b)

waarvoor

i)

een vergunning voor het in de handel brengen is verstrekt overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2001/82/EG of artikel 3 van Verordening (EG) nr. 726/2004, of

ii)

een goedkeuring of vergunning is verstrekt door de bevoegde autoriteit van het derde land van herkomst van de hond bedoeld voor niet-commercieel verkeer.

3.   De in lid 1 bedoelde behandeling wordt gecertificeerd door:

a)

de behandelend dierenarts in de daarvoor bestemde rubriek van het modelpaspoort dat is vastgesteld bij Beschikking 2003/803/EG, in het geval van niet-commercieel verkeer van honden binnen de Unie, of

b)

een officiële dierenarts in de daarvoor bestemde rubriek van het model van het gezondheidscertificaat dat is vastgesteld bij Beschikking 2004/824/EG, in het geval van niet-commercieel verkeer van honden uit een derde land.

Artikel 8

Afwijking van preventieve gezondheidsmaatregelen

1.   In afwijking van artikel 7, lid 1, is het niet-commerciële verkeer naar de in bijlage I vermelde lidstaten of delen ervan toegestaan voor honden waarop de preventieve gezondheidsmaatregelen zijn toegepast overeenkomstig:

a)

artikel 7, lid 2, en artikel 7, lid 3, onder a), mits de behandeling ten minste twee keer is toegepast in een periode van maximaal 28 dagen en vervolgens regelmatig, met tussenpozen van maximaal 28 dagen, is herhaald;

b)

artikel 7, leden 2 en 3, mits de behandeling niet minder dan 24 uur vóór het tijdstip van binnenkomst en niet meer dan 28 dagen vóór de datum van voltooiing van de doorvoer is toegepast, in welk geval bedoelde honden een plaats van binnenkomst voor reizigers moeten passeren die door de betreffende lidstaat overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 998/2003 op een lijst is gezet.

2.   De in lid 1 bedoelde afwijking geldt alleen voor het verkeer van honden die binnenkomen in de in bijlage I vermelde lidstaten of delen ervan die:

a)

de Commissie in kennis hebben gesteld van de voorwaarden voor de controle van dit verkeer, en

b)

deze voorwaarden openbaar hebben gemaakt.

Artikel 9

Heroverweging

De Commissie:

a)

heroverweegt deze verordening uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding in het licht van wetenschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot E. multilocularis-infectie bij dieren;

b)

legt de resultaten van deze heroverweging aan het Europees Parlement en de Raad voor.

Bij deze heroverweging wordt met name gekeken naar de evenredigheid en de wetenschappelijke rechtvaardiging van de preventieve gezondheidsmaatregelen.

Artikel 10

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1.

(2)  The EFSA Journal (2006) 441, 1-54 (http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/doc/441.pdf).

(3)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1.

(4)  PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.

(5)  PB L 312 van 27.11.2003, blz. 1.

(6)  PB L 358 van 3.12.2004, blz. 12.

(7)  PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.


BIJLAGE I

DEEL A

Lijst van lidstaten of delen ervan die aan de voorwaarden van artikel 3 voldoen

Iso-code

Lidstaat

Deel van het grondgebied

FI

FINLAND

Hele grondgebied

GB

VERENIGD KONINKRIJK

Hele grondgebied

IE

IERLAND

Hele grondgebied

MT

MALTA

Hele grondgebied


DEEL B

Lijst van lidstaten of delen ervan die aan de voorwaarden van artikel 4 voldoen

Iso-code

Lidstaat

Deel van het grondgebied

 

 

 


BIJLAGE II

Voorschriften voor het pathogeenspecifieke monitoringprogramma als bedoeld in artikel 3, onder c)

1.

Het pathogeenspecifieke monitoringprogramma is zodanig ontworpen dat per epidemiologisch relevante geografische eenheid van de lidstaat of het deel ervan een prevalentie van niet meer dan 1 % kan worden waargenomen, bij een betrouwbaarheidsniveau van ten minste 95 %.

2.

Bij het pathogeenspecifieke monitoringprogramma wordt gebruikgemaakt van een methode voor het trekken van steekproeven, die hetzij op een risicobeoordeling is gebaseerd of representatief is, waarmee in elk deel van de lidstaat de aanwezigheid van E. multilocularis kan worden waargenomen als de parasiet met de in punt 1 bedoelde prevalentie aanwezig is.

3.

Het pathogeenspecifieke monitoringprogramma bestaat uit het doorlopend verzamelen, tijdens de monitoringperiode van twaalf maanden, van monsters van in het wild levende potentiële eindgastheren of, wanneer bewijs bestaat voor de afwezigheid van in het wild levende potentiële eindgastheren in de lidstaat of het deel ervan, van gedomesticeerde potentiële eindgastheren, voor het onderzoeken van:

a)

de darminhoud op aanwezigheid van E. multilocularis, met behulp van de sedimentatie- en teltechniek of een techniek met vergelijkbare gevoeligheid en specificiteit, of

b)

de uitwerpselen op aanwezigheid van soortspecifiek desoxyribonucleïnezuur (DNA) afkomstig van het weefsel of de eitjes van E. multilocularis, met behulp van de polymerase kettingreactie (PCR) of een techniek met vergelijkbare gevoeligheid en specificiteit.


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/13


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 1153/2011 VAN DE COMMISSIE

van 30 augustus 2011

tot wijziging van bijlage I ter bij Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat de technische voorschriften voor de vaccinatie tegen rabiës betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (1), en met name artikel 19 bis, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 998/2003 stelt diergezondheidsvoorschriften vast voor het niet-commerciële verkeer tussen lidstaten van honden, katten en fretten, zoals vermeld in de delen A en B van bijlage I bij die verordening. Zij bepaalt dat die dieren vergezeld moeten gaan van een paspoort waarin wordt verklaard dat aan het betrokken dier een geldig vaccin tegen rabiës overeenkomstig bijlage I ter is toegediend. Verordening (EG) nr. 998/2003 bepaalt ook dat de technische voorschriften voor de vaccinatie tegen rabiës, als vastgesteld in bijlage I ter, door middel van gedelegeerde handelingen kunnen worden gewijzigd.

(2)

Bijlage I ter bij Verordening (EG) nr. 998/2003 bepaalt dat een vaccinatie tegen rabiës alleen als geldig kan worden beschouwd, als onder meer de datum van de vaccinatie niet vroeger is dan de datum van de inbrenging van de microchip, als aangegeven in het paspoort of het diergezondheidscertificaat dat het dier vergezelt. Een dier dat een duidelijk leesbare tatoeage draagt, die vóór 3 juli 2011 is aangebracht, wordt echter ook geacht overeenkomstig die verordening te zijn geïdentificeerd. Voor de duidelijkheid van de wetgeving van de Unie is het daarom nodig dat bijlage I ter bij Verordening (EG) nr. 998/2003 wordt gewijzigd om te bepalen dat een vaccinatie tegen rabiës als geldig kan worden beschouwd, als onder meer de datum van de vaccinatie tegen rabiës niet vroeger is dan de datum van de inbrenging van de microchip of de aanbrenging van de tatoeage.

(3)

Bijlage I ter bij Verordening (EG) nr. 998/2003 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage I ter bij Verordening (EG) nr. 998/2003 wordt punt 2, onder b), vervangen door:

„b)

de onder a) bedoelde datum mag niet vroeger zijn dan de datum van de inbrenging van de microchip of de aanbrenging van de tatoeage die in:

i)

rubriek III.2 of III.5 van het paspoort, of

ii)

de desbetreffende rubriek van het diergezondheidscertificaat dat het dier vergezelt, is aangegeven;”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 augustus 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1.


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1154/2011 VAN DE COMMISSIE

van 10 november 2011

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Zgornjesavinjski želodec (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Slovenië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Zgornjesavinjski želodec” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 november 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 45 van 12.2.2011, blz. 28.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.2.   Vleesproducten (verhit, gepekeld, gerookt, enz.)

SLOVENIË

Zgornjesavinjski želodec (BGA)


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/16


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1155/2011 VAN DE COMMISSIE

van 10 november 2011

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Šebreljski želodec (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Slovenië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Šebreljski želodec” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 november 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 45 van 12.2.2011, blz. 25.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.2.   Vleesproducten (verhit, gepekeld, gerookt, enz.)

SLOVENIË

Šebreljski želodec (BGA)


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1156/2011 VAN DE COMMISSIE

van 10 november 2011

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Kočevski gozdni med (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Slovenië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Kočevski gozdni med” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 november 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 70 van 4.3.2011, blz. 11.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.4.   Andere producten van dierlijke oorsprong (eieren, honing, diverse zuivelproducten met uitzondering van boter, enz.)

SLOVENIË

Kočevski gozdni med (BOB)


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/20


VERORDENING (EU) Nr. 1157/2011 VAN DE COMMISSIE

van 10 november 2011

tot vaststelling van een verbod op de visserij op haring in EU-wateren en internationale wateren van Vb, VIb en VIaN door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 57/2011 van de Raad van 18 januari 2011 tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2011 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2011 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2011 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 november 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 24 van 27.1.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

66/T&Q

Lidstaat

Frankrijk

Bestand

HER/5B6ANB

Soort

Haring (Clupea harengus)

Gebied

EU-wateren en internationale wateren van Vb, VIb en VIaN

Datum

12.10.2011


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/22


VERORDENING (EU) Nr. 1158/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 november 2011

tot vaststelling van een verbod op de visserij op schelvis in gebied IIIa; EU-wateren van deelsectoren 22-32 door vaartuigen die de vlag van Zweden voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 57/2011 van de Raad van 18 januari 2011 tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2011 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2011 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2011 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 november 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 24 van 27.1.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

69/T&Q

Lidstaat

Zweden

Bestand

HAD/3A/BCD

Soort

Schelvis (Melanogrammus aeglefinus)

Gebied

IIIa; EU-wateren van deelsectoren 22-32

Datum

24.10.2011


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/24


VERORDENING (EU) Nr. 1159/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 november 2011

tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in gebied Noorse wateren van I en II door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 57/2011 van de Raad van 18 januari 2011 tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2011 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2011 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2011 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 november 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 24 van 27.1.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

67/T&Q

Lidstaat

Spanje

Bestand

COD/1N2AB.

Soort

Kabeljauw (Gadus morhua)

Gebied

Noorse wateren van I en II

Datum

6.7.2011


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/26


VERORDENING (EU) Nr. 1160/2011 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2011

tot verlening en tot weigering van een vergunning voor bepaalde gezondheidsclaims voor levensmiddelen die over ziekterisicobeperking gaan

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (1), en met name artikel 17, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1924/2006 zijn gezondheidsclaims voor levensmiddelen verboden, tenzij de Commissie daarvoor overeenkomstig die verordening een vergunning heeft verleend en zij zijn opgenomen in een lijst van toegestane claims.

(2)

Verordening (EG) nr. 1924/2006 bepaalt tevens dat aanvragen voor een vergunning voor een gezondheidsclaim door exploitanten van levensmiddelenbedrijven bij de bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat kunnen worden ingediend. De bevoegde nationale autoriteit moet geldige aanvragen doorsturen naar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, hierna „de EFSA” genoemd.

(3)

Na ontvangst van een aanvraag moet de EFSA de andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen en een advies over de desbetreffende gezondheidsclaim uitbrengen.

(4)

De Commissie moet bij haar besluit over de verlening van een vergunning voor gezondheidsclaims rekening houden met het advies van de EFSA.

(5)

Ingevolge een aanvraag van CreaNutrition AG, die werd ingediend overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1924/2006, moest de EFSA advies uitbrengen over een gezondheidsclaim met betrekking tot de effecten van bèta-glucaan van haver op de verlaging van het cholesterolgehalte in het bloed (Vraag nr. EFSA-Q-2008-681) (2). De door de aanvrager voorgestelde claim luidde als volgt: „De opname van bèta-glucaan van haver in een evenwichtige voeding kan het LDL-cholesterolgehalte in het bloed (lagedichtheid-lipoproteïne) en het totale cholesterolgehalte actief verlagen/verminderen”.

(6)

Op grond van de ingediende gegevens concludeerde de EFSA in haar op 8 december 2010 door de Commissie en de lidstaten ontvangen advies dat een oorzakelijk verband was vastgesteld tussen de consumptie van bèta-glucaan van haver en de verlaging van de LDL-cholesterolconcentraties in het bloed. Daarom moet een gezondheidsclaim waarin deze conclusie tot uiting komt, geacht worden te voldoen aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1924/2006 en in de EU-lijst van toegestane claims worden opgenomen.

(7)

Artikel 16, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 bepaalt dat indien een advies luidt dat voor de gezondheidsclaim een vergunning kan worden verleend, in dat advies bepaalde gegevens moeten worden opgenomen. Deze gegevens moeten derhalve in bijlage I bij deze verordening worden opgenomen voor de toegestane claim en moeten — naargelang het geval — de herziene formulering van de claim, specifieke gebruiksvoorwaarden voor de claim en — indien van toepassing — de voorwaarden voor of beperkingen van het gebruik van het levensmiddel en/of een aanvullende vermelding of waarschuwing omvatten, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006 en de adviezen van de EFSA.

(8)

Een van de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006 is ervoor te zorgen dat gezondheidsclaims waarheidsgetrouw, duidelijk en betrouwbaar zijn en de consument zinvol helpen, en de formulering en de presentatie moeten in dat verband in aanmerking worden genomen. Als de formulering van claims dezelfde betekenis voor consumenten heeft als die van een toegestane gezondheidsclaim, doordat deze hetzelfde verband aantonen tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een van de bestanddelen daarvan en de gezondheid moeten deze claims aan dezelfde gebruiksvoorwaarden voldoen die zijn vermeld in de bijlage bij deze verordening.

(9)

Ingevolge een aanvraag van HarlandHall Ltd. (namens de Soya Protein Association, de European Vegetable Protein Federation en de European Natural Soyfood Manufacturers Association), die werd ingediend overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1924/2006, moest de EFSA een advies uitbrengen over een gezondheidsclaim met betrekking tot de effecten van soja-eiwit op de verlaging van de cholesterolconcentraties in het bloed (Vraag nr. EFSA-Q-2009-00672) (3). De door de aanvragers voorgestelde claim luidde als volgt: „Het is aangetoond dat soja-eiwit het bloedcholesterol verlaagt/vermindert; een verlaging van het bloedcholesterol kan het risico van (coronaire) hartziekten verminderen”.

(10)

Op grond van de ingediende gegevens concludeerde de EFSA in haar op 30 juli 2010 door de Commissie en de lidstaten ontvangen advies dat geen oorzakelijk verband was vastgesteld tussen de consumptie van soja-eiwit en het beweerde effect. De claim mag bijgevolg niet worden toegestaan, aangezien hij niet voldoet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1924/2006.

(11)

Ingevolge een aanvraag van Danone France, die werd ingediend overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1924/2006, moest de EFSA advies uitbrengen over een gezondheidsclaim met betrekking tot de effecten van Actimel®, een gefermenteerd melkproduct dat Lactobacillus casei DN-114 001 en yoghurtsymbiose bevat, op de verlaging van de aanwezigheid van Clostridium difficile-toxinen in de darmen (Vraag nr. EFSA-Q-2009-00776) (4). De door de aanvrager voorgestelde claim luidde als volgt: „Gefermenteerde melk die de probiotische Lactobacillus casei DN-114001 en yoghurtsymbiose bevat, vermindert de aanwezigheid van Clostridium difficile-toxinen in de darmen (van gevoelige ouderen). De aanwezigheid van Clostridium difficile-toxinen houdt verband met de incidentie van acute diarree”.

(12)

Op grond van de ingediende gegevens concludeerde de EFSA in haar op 8 december 2010 door de Commissie en de lidstaten ontvangen advies dat de verstrekte informatie ontoereikend is om een oorzakelijk verband vast te stellen tussen de consumptie van Actimel® en de beperking van het risico van C. difficile-diarree door de vermindering van de aanwezigheid van C. difficile-toxinen. De claim mag bijgevolg niet worden toegestaan, aangezien hij niet voldoet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1924/2006.

(13)

Met de opmerkingen van de aanvragers en van het publiek die de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 heeft ontvangen, is rekening gehouden bij het nemen van de in deze verordening vastgestelde maatregelen.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid en het Europees Parlement noch de Raad hebben zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De in bijlage I bij deze verordening vermelde gezondheidsclaim mag voor levensmiddelen op de markt van de Europese Unie worden gebruikt overeenkomstig de in die bijlage beschreven voorwaarden.

2.   De in lid 1 bedoelde gezondheidsclaim wordt opgenomen in de EU-lijst van toegestane claims, als bedoeld in artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1924/2006.

Artikel 2

De in bijlage II bij deze verordening vermelde gezondheidsclaims worden niet opgenomen in de EU-lijst van toegestane claims, als bedoeld in artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1924/2006.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9.

(2)  The EFSA Journal (2010); 8(12):1885.

(3)  The EFSA Journal 2010; 8(7):1688.

(4)  The EFSA Journal 2010 8(12):1903.


BIJLAGE I

TOEGESTANE GEZONDHEIDSCLAIM

Aanvraag — toepasselijke bepalingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006

Aanvrager — adres

Nutriënt, stof, levensmiddel of levensmiddelencategorie

Claim

Voorwaarden voor het gebruik van de claim

Voorwaarden voor en/of beperkingen van het gebruik van het levensmiddel en/of aanvullende vermelding of waarschuwing

Referentie EFSA-advies

Gezondheidsclaim overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a), inzake ziekterisicobeperking

CreaNutrition AG, Business Park, 6301 Zug, Zwitserland

Bèta-glucaan van haver

Het is aangetoond dat bèta-glucaan van haver het bloedcholesterol kan verlagen/verminderen. Een hoog cholesterol-gehalte is een risicofactor bij de ontwikkeling van coronaire hartziekten.

Er moet informatie aan de consument worden verstrekt dat het gunstige effect wordt verkregen bij een dagelijkse inname van 3 g bèta-glucaan van haver.

De claim kan worden gebruikt voor levensmiddelen die ten minste 1g bèta-glucaan van haver per aangegeven portie verstrekken.

 

Q-2008-681


BIJLAGE II

AFGEWEZEN GEZONDHEIDSCLAIMS

Aanvraag — toepasselijke bepalingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006

Nutriënt, stof, levensmiddel of levensmiddelencategorie

Claim

Referentie EFSA-advies

Gezondheidsclaim overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a), inzake ziekterisicobeperking

Soja-eiwit

Het is aangetoond dat soja-eiwit het bloedcholesterol verlaagt/vermindert; een verlaging van het bloedcholesterol kan het risico van (coronaire) hartziekten verminderen.

Q-2009-00672

Gezondheidsclaim overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a), inzake ziekterisicobeperking

ACTIMEL® Lactobacillus casei DN-114 001 plus yoghurtsymbiose

Gefermenteerde melk die de probiotische Lactobacillus casei DN-114 001 en yoghurtsymbiose bevat, vermindert de aanwezigheid van Clostridium difficile-toxinen in de darmen (van gevoelige ouderen). De aanwezigheid van Clostridium difficile-toxinen houdt verband met de incidentie van acute diarree.

Q-2009-00776


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/29


VERORDENING (EU) Nr. 1161/2011 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2011

tot wijziging van Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 953/2009 van de Commissie, wat betreft de lijsten van mineraalverbindingen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (1), en met name artikel 4, lid 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen (2), en met name artikel 3, lid 3,

Gezien Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen (3), en met name artikel 4, lid 3,

Na raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage II bij Richtlijn 2002/46/EG bevat de lijst van verbindingen van vitaminen en mineralen die bij de vervaardiging van voedingssupplementen mogen worden gebruikt. Verordening (EG) nr. 1170/2009 van de Commissie (4) heeft de bijlagen I en II bij Richtlijn 2002/46/EG vervangen. De lijst in bijlage II bij Richtlijn 2002/46/EG, zoals gewijzigd bij die verordening, kan overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn worden gewijzigd volgens de in artikel 13, lid 3, van die richtlijn bedoelde procedure.

(2)

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1925/2006 bevat de lijst van verbindingen van vitaminen en mineralen die aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd.

(3)

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (5) bevat de lijst van stoffen die voor specifieke voedingsdoeleinden aan voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen mogen worden toegevoegd.

(4)

De EFSA heeft nieuwe minerale verbindingen beoordeeld voor gebruik in levensmiddelen. De verbindingen waarvoor de EFSA een positief advies heeft uitgebracht, moeten aan de desbetreffende lijsten worden toegevoegd.

(5)

De belanghebbende partijen zijn via de Adviesgroep voor de voedselketen en de gezondheid van dieren en planten geraadpleegd en hun opmerkingen zijn in aanmerking genomen.

(6)

Richtlijn 2002/46/EG, Verordening (EG) nr. 1925/2006 en Verordening (EG) nr. 953/2009 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid en het Europees Parlement noch de Raad hebben zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Punt B van bijlage II bij Richtlijn 2002/46/EG wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende gegevens worden ingevoegd na „ijzer(II)fosfaat”:

„ammoniumijzer(II)fosfaat

natriumijzer-EDTA”;

b)

de volgende gegevens worden ingevoegd na „natriumzouten van orthofosforzuur”:

„natriumsulfaat

kaliumsulfaat”.

Artikel 2

Punt 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1925/2006 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende gegevens worden ingevoegd na „ijzer(II)sulfaat”:

„ammoniumijzer(II)fosfaat

natriumijzer-EDTA”;

b)

de volgende gegevens worden ingevoerd na „chroom(III)sulfaat en het hexahydraat daarvan”:

„chroompicolinaat”.

Artikel 3

Categorie 2 (Mineralen) van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 953/2009 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende gegevens worden ingevoegd na „ijzer(II)sulfaat”:

„ammoniumijzer(II)fosfaat

x

 

natriumijzer-EDTA

x”

 

b)

de volgende gegevens worden ingevoerd na „chroom(III)sulfaat en het hexahydraat daarvan”:

„chroompicolinaat

x”

 

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51.

(2)  PB L 404 van 30.12.2006, blz. 26.

(3)  PB L 124 van 20.5.2009, blz. 21.

(4)  PB L 314 van 1.12.2009, blz. 36.

(5)  PB L 269 van 14.10.2009, blz. 9.


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1162/2011 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 15 november 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

64,0

AR

40,4

MA

67,1

TR

89,1

ZZ

65,2

0707 00 05

AL

64,0

TR

143,9

ZZ

104,0

0709 90 70

AR

61,1

MA

59,0

TR

129,4

ZZ

83,2

0805 20 10

MA

115,3

ZA

71,4

ZZ

93,4

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

HR

29,1

IL

75,8

MA

79,7

TR

82,5

UY

54,6

ZZ

64,3

0805 50 10

TR

61,0

ZA

59,4

ZZ

60,2

0806 10 10

BR

235,4

EC

65,7

LB

271,1

TR

145,0

US

266,1

ZA

77,5

ZZ

176,8

0808 10 80

CA

86,1

CL

90,0

CN

67,2

NZ

182,1

US

142,4

ZA

142,9

ZZ

118,5

0808 20 50

CL

73,3

CN

46,3

TR

133,1

ZA

73,2

ZZ

81,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/33


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1163/2011 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2011

tot wijziging van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2011/12

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2011/12 zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1137/2011 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2011/12 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 15 november 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 254 van 30.9.2011, blz. 12.

(4)  PB L 292 van 10.11.2011, blz. 10.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 15 november 2011

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

43,24

0,00

1701 11 90 (1)

43,24

1,93

1701 12 10 (1)

43,24

0,00

1701 12 90 (1)

43,24

1,64

1701 91 00 (2)

47,87

3,11

1701 99 10 (2)

47,87

0,00

1701 99 90 (2)

47,87

0,00

1702 90 95 (3)

0,48

0,23


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


RICHTLIJNEN

15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/35


RICHTLIJN 2011/90/EU VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2011

tot wijziging van deel II van bijlage I bij Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanvullende hypothesen voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (1) (de richtlijn consumentenkrediet), en met name artikel 19, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit de ervaring van de lidstaten met de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/48/EG is gebleken dat de hypothesen in deel II van bijlage I bij die richtlijn niet voldoende zijn om het jaarlijkse kostenpercentage op uniforme wijze te berekenen en bovendien niet meer aan de commerciële marktsituatie zijn aangepast.

(2)

Deze hypothesen moeten worden aangevuld met nieuwe hypothesen betreffende normen voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage voor doorlopende kredieten of kredieten die herhaaldelijk volledig moeten worden terugbetaald. Ook moeten normen worden vastgesteld voor het tijdstip van de eerste kredietopneming en de betalingen die de consument moet verrichten.

(3)

Deel II van bijlage I bij Richtlijn 2008/48/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is opgericht bij artikel 25, lid 1, van Richtlijn 2008/48/EG en het Europees Parlement noch de Raad hebben zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel II van bijlage I bij Richtlijn 2008/48/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2013.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 14 november 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66.


BIJLAGE

Deel II van bijlage I bij Richtlijn 2008/48/EG komt als volgt te luiden:

„II.

De aanvullende hypothesen voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage luiden als volgt:

a)

Indien de consument op grond van de kredietovereenkomst vrij kan kiezen hoeveel krediet hij opneemt, wordt verondersteld dat het totale kredietbedrag onmiddellijk volledig wordt opgenomen.

b)

Indien een kredietovereenkomst de consument in het algemeen de vrijheid biedt om te kiezen hoeveel krediet hij opneemt, maar bij de verschillende wijzen van kredietopneming een beperking oplegt met betrekking tot het bedrag en de termijn, wordt verondersteld dat het kredietbedrag op de vroegste datum waarin de overeenkomst voorziet, overeenkomstig deze kredietopnemingsbeperkingen wordt opgenomen.

c)

Indien een kredietovereenkomst mogelijkheden van kredietopneming met verschillende kosten of debetrentevoeten biedt, wordt verondersteld dat het totale kredietbedrag tegen de hoogste kosten en debetrentevoet wordt opgenomen, toegepast op het meest gebruikelijke mechanisme voor kredietopneming waarvan in het kader van dat soort kredietovereenkomst wordt gebruikgemaakt.

d)

In geval van een geoorloofde debetstand op een rekening wordt verondersteld dat het totale kredietbedrag volledig en voor de volledige duur van de kredietovereenkomst wordt opgenomen. Indien de duur van de geoorloofde debetstand onbekend is, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de hypothese dat de duur van het krediet drie maanden bedraagt.

e)

In geval van een andere kredietovereenkomst voor onbepaalde tijd dan een geoorloofde debetstand wordt geacht dat:

i)

het krediet vanaf de datum van de eerste kredietopneming voor een periode van één jaar wordt verstrekt en dat de laatste betaling door de consument het saldo van het kapitaal, de rente en de eventuele overige kosten dekt;

ii)

het kapitaal vanaf één maand na de datum van de eerste kredietopneming door de consument in gelijke maandelijkse termijnen wordt terugbetaald. In gevallen waarin het kapitaal binnen elke betalingstermijn uitsluitend volledig in één betaling moet worden terugbetaald, worden achtereenvolgende kredietopnemingen en terugbetalingen door de consument van het gehele kapitaal geacht over de periode van één jaar plaats te vinden. Rente en overige kosten worden overeenkomstig deze kredietopnemingen en terugbetalingen van kapitaal toegepast zoals in de kredietovereenkomst vastgelegd.

In dit punt wordt onder een kredietovereenkomst voor onbepaalde tijd een doorlopend krediet verstaan, met inbegrip van een krediet dat binnen of na een bepaalde periode volledig moet worden terugbetaald, maar vervolgens, na terugbetaling, weer beschikbaar is om te worden opgenomen.

f)

In geval van andere kredietovereenkomsten dan geoorloofde debetstanden en kredieten voor onbepaalde tijd zoals bedoeld in de hypothesen in de punten d) en e):

i)

indien de datum of het bedrag van een door de consument te verrichten terugbetaling van kapitaal niet kan worden vastgesteld, wordt de terugbetaling geacht te zijn verricht op de vroegste datum en met het laagste bedrag waarin de kredietovereenkomst voorziet;

ii)

indien de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten, niet bekend is, wordt de datum van de eerste kredietopneming geacht de datum te zijn met de kortste tijdspanne tussen deze datum en de datum waarop de consument de eerste betaling moet verrichten.

g)

Wanneer de datum of het bedrag van een door de consument te verrichten betaling op basis van de kredietovereenkomst of op basis van de hypothesen in de punten d), e) of f) niet kan worden vastgesteld, wordt de betaling geacht te zijn verricht overeenkomstig de data en voorwaarden van de schuldeiser en, indien deze onbekend zijn:

i)

wordt de rente samen met de terugbetalingen van kapitaal betaald;

ii)

worden in één bedrag uitgedrukte niet-rentekosten betaald op de datum waarop de kredietovereenkomst wordt gesloten;

iii)

worden in verschillende betalingen uitgedrukte niet-rentekosten in periodieke termijnen betaald, te beginnen op de datum van de eerste terugbetaling van kapitaal, en indien het bedrag van dergelijke betalingen onbekend is, worden deze geacht gelijke bedragen te zijn;

iv)

dekt de laatste betaling het saldo van het kapitaal, de rente en de eventuele overige kosten.

h)

Indien het plafond dat op het krediet van toepassing is, nog niet is overeengekomen, wordt het geacht 1 500 EUR te bedragen.

i)

Indien voor een beperkte termijn of een beperkt bedrag verschillende debetrentevoeten en kosten worden aangeboden, worden de hoogste rentevoet en de hoogste kosten geacht de debetrentevoet en de kosten voor de gehele duur van de kredietovereenkomst te zijn.

j)

Met betrekking tot consumentenkredietovereenkomsten waarvoor een vaste debetrentevoet voor de eerste periode is overeengekomen en waarvoor aan het eind van deze periode een nieuwe debetrentevoet wordt vastgesteld die vervolgens periodiek wordt aangepast volgens een overeengekomen indicator, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de hypothese dat vanaf het eind van de periode met vaste debetrentevoet de debetrentevoet dezelfde is als op het ogenblik van de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, gebaseerd op de waarde van de overeengekomen indicator op dat moment.”.


BESLUITEN

15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/38


BESLUIT VAN DE RAAD

van 12 juli 2011

gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

(herschikking)

(2011/734/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 9, en artikel 136,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Besluit 2010/320/EU van de Raad van 10 mei 2010 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen (1) is diverse malen ingrijpend gewijzigd (2). Aangezien verdere wijzigingen nodig zijn, moet het duidelijkheidshalve worden herschikt.

(2)

Artikel 136, lid 1, onder a) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de mogelijkheid specifieke maatregelen ter versterking van de coördinatie en de bewaking van de begrotingsdiscipline vast te stellen voor de lidstaten die de euro als munt hebben.

(3)

Overeenkomstig artikel 126 VWEU dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden. Daartoe is in datzelfde artikel een buitensporigtekortprocedure vastgelegd. Het stabiliteits- en groeipact, waarvan het correctieve deel bestaat in de tenuitvoerlegging van de buitensporigtekortprocedure, verschaft een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(4)

Op 27 april 2009 heeft de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG) besloten dat er in Griekenland een buitensporig tekort bestaat en krachtens artikel 104, lid 7, VEG en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (3) aanbevelingen gedaan om het buitensporige tekort uiterlijk in 2010 te corrigeren. De Raad heeft voorts 27 oktober 2009 vastgesteld als uiterste datum waarop Griekenland doeltreffende actie moest ondernemen. Op 30 november 2009 heeft de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, VWEU vastgesteld dat Griekenland geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen had gegeven; bijgevolg heeft de Raad op 16 februari 2010 overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU Griekenland aangemaand maatregelen te treffen om het buitensporige tekort uiterlijk in 2012 te corrigeren(hierna „het krachtens artikel 126, lid 9, vastgestelde besluit” te noemen). De Raad heeft voorts 15 mei 2010 vastgesteld als uiterste datum waarop doeltreffende actie moest worden ondernomen.

(5)

Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kan de Raad, indien in overeenstemming met artikel 126, lid 9, VWEU doeltreffende actie is ondernomen en indien zich na de vaststelling van de aanmaning onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën voordoen, op aanbeveling van de Commissie, besluiten een herziene aanmaning overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU vast te stellen.

(6)

In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie, die als uitgangspunt fungeerden voor de eerste aanmaning aan Griekenland, werd voorspeld dat het bbp in 2010 met ¼ % zou krimpen; vanaf 2011 zou er een herstel optreden: verwacht werd dat de economie met 0,7 % zou groeien. In 2010 heeft evenwel een sterkere krimp van het reële bbp plaatsgevonden en verwacht wordt dat deze krimp in 2011 zal aanhouden. Daarna wordt een geleidelijk groeiherstel verwacht. Tegenover deze sterke versombering van het economische scenario staat een even scherpe verslechtering van de vooruitzichten voor de overheidsfinanciën indien het beleid ongewijzigd blijft. Daarbij komt nog dat het feitelijke overheidstekort voor 2009 opwaarts is herzien (van naar schatting 12,7 % van het bbp ten tijde van het krachtens artikel 126, lid 9, vastgestelde besluit tot 13,6 % van het bbp volgens de budgettaire kennisgeving die Griekenland op 1 april 2010 heeft ingediend) (4) tot 15,4 % van het bbp) na de afronding van het onderzoek dat Eurostat samen met de Griekse statistische diensten heeft uitgevoerd (5). Ten slotte heeft de op de markten heersende bezorgdheid omtrent de vooruitzichten voor de overheidsfinanciën tot een forse stijging van de risicopremies op overheidsschulden geleid, waardoor het nog moeilijker is geworden om het overheidstekort en de overheidsschuld onder controle te houden.

(7)

Eind 2009 bedroeg de bruto overheidsschuld 127,1 % van het bbp. Dit is de hoogste schuldquote in de Europese Unie en aanzienlijk meer dan de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp. Teneinde het noodzakelijke en in het licht van de omstandigheden haalbare traject voor de vermindering van het tekort te realiseren, moet de stijgende tendens van de schuld vanaf 2013 worden omgebogen. Naast de blijvend hoge overheidstekorten hebben ook sommige financiële transacties verder tot de stijging van de schuld bijgedragen. Deze factoren hebben het vertrouwen van de markten in het vermogen van de Griekse overheid om de schuldendienst te blijven verzekeren, verder ondermijnd. Griekenland moet dan ook dringend en op een nooit eerder geziene schaal doortastende actie tegen het tekort en andere schuldverhogende factoren ondernemen om de stijgende tendens van de schuldquote om te buigen en zo spoedig mogelijk weer een beroep op marktfinanciering te kunnen doen.

(8)

De zeer ernstige verslechtering van de financiële situatie van de overheid heeft de overige lidstaten van het eurogebied ertoe doen besluiten Griekenland stabiliteitssteun toe te kennen met de bedoeling de financiële stabiliteit in het eurogebied als geheel te vrijwaren; deze steun wordt gecombineerd met multilaterale bijstand van het Internationaal Monetair Fonds. De steun van de lidstaten van het eurogebied neemt de vorm aan van een samenbundeling van bilaterale leningen die door de Commissie worden gecoördineerd. De leninggevers hebben besloten hun steun afhankelijk te stellen van de naleving door Griekenland van dit besluit. Van Griekenland wordt met name verwacht dat het land de in dit besluit gespecificeerde maatregelen uitvoert volgens de kalender die hierin is vastgesteld.

(9)

In juni 2011 werd duidelijk dat, bij ongewijzigd beleid, de tekortdoelstelling voor 2011 gezien de budgettaire ontsporing in 2010 en gezien de uitvoering van de begroting tot mei fors zou worden overschreden, waardoor de algehele geloofwaardigheid van het prorgramma in gevaar zou komen. Daarom moesten bepaalde begrotingsmaatregelen worden geactualiseerd zodat Griekenland de in Besluit 2010/320/EU vastgestelde tekortlimieten voor 2011 en de jaren daarna alsnog zou kunnen halen. Deze maatregelen zijn uitvoerig besproken met de Griekse regering en gezamenlijk goedgekeurd door de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair Fonds.

(10)

In het licht van het bovenstaande blijkt het wenselijk om Besluit 2010/320/EU op een aantal punten te herzien, met behoud van de uiterste termijn voor de correctie van het buitensporige tekort,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Griekenland maakt zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2014 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie.

2.   Met het aanpassingstraject in de richting van de correctie van het buitensporige tekort wordt de verwezenlijking beoogd van een overheidstekort van niet meer dan 18 508 miljoen EUR (8,0 % van het bbp) in 2010, 17 065 miljoen EUR (7,6 % van het bbp) in 2011, 14 916 miljoen EUR (6,5 % van het bbp) in 2012, 11 399 miljoen EUR (4,8 % van het bbp) in 2013 en 6 385 miljoen EUR (2,6 % van het bbp) in 2014. Om dat doel te bereiken, zal over de periode 2009-2014 een verbetering van het structurele saldo met ten minste 10 % van het bbp moeten worden gerealiseerd.

3.   Het in lid 2 bedoelde aanpassingstraject vereist dat de jaarlijkse verandering in de geconsolideerde bruto overheidsschuld niet groter is dan 34 058 miljoen EUR in 2010, 17 365 miljoen EUR in 2011, 15 016 miljoen EUR in 2012, 11 599 miljoen EUR in 2013 en 7 885 miljoen EUR in 2014. Afgaande op de bbp-prognoses van mei 2011 ziet het overeenkomstige traject van de schuldquote er als volgt uit: een schuldquote van niet meer dan 143 % in 2010, 154 % in 2011, 158 % in 2012, 159 % in 2013 en 157 % in 2014.

Artikel 2

1.   Griekenland neemt de volgende maatregelen vóór eind juni 2010:

a)

een wet die een progressieve belastingschaal voor alle inkomstenbronnen en een horizontale uniforme behandeling van het inkomen uit arbeid en kapitaal invoert;

b)

een wet die alle in het belastingstelsel voorkomende vrijstellingen en bepalingen inzake autonome belastingbevoegdheden afschaft, met inbegrip van die betreffende inkomsten uit hoofde van aan ambtenaren betaalde bijzondere vergoedingen;

c)

de annulering van de begrotingskredieten in de reserve voor onvoorziene uitgaven met de bedoeling een besparing van 700 miljoen EUR te realiseren;

d)

de afschaffing van de meeste begrotingskredieten voor de solidariteitstoelage (met uitzondering van een deel ervan dat voor armoedebestrijding is bestemd) met de bedoeling een besparing van 400 miljoen EUR te realiseren;

e)

een verlaging van de hoogste pensioenen met de bedoeling een besparing van 500 miljoen EUR over een volledig jaar te realiseren (350 miljoen EUR in 2010);

f)

een verlaging van de aan ambtenaren betaalde paas-, zomer- en kerstbonussen en toelagen met de bedoeling een besparing van 1 500 miljoen EUR over een volledig jaar te realiseren (1 100 miljoen EUR in 2010);

g)

de afschaffing van de aan gepensioneerden betaalde paas-, zomer- en kerstbonussen (met dien verstande dat degenen die een laag pensioen genieten, worden beschermd) met de bedoeling een besparing van 1 900 miljoen EUR over een volledig jaar te realiseren (1 500 miljoen EUR in 2010);

h)

een verhoging van het btw-tarief, met een opbrengst van ten minste 1 800 miljoen EUR voor een volledig jaar (800 miljoen EUR in 2010);

i)

een verhoging van de accijnsrechten op brandstof, tabak en alcohol, met een opbrengst van ten minste 1 050 miljoen EUR voor een volledig jaar (450 miljoen EUR in 2010);

j)

wetgeving tot omzetting van de dienstenrichtlijn (6);

k)

een wet tot hervorming en vereenvoudiging van de overheidsdiensten op lokaal niveau met de bedoeling de operationele kosten te reduceren;

l)

de oprichting van een taskforce met de bedoeling het absorptiepercentage van de structuur- en cohesiefondsen te verbeteren;

m)

een wet tot vereenvoudiging van de oprichting van nieuwe ondernemingen;

n)

een vermindering van de overheidsinvesteringen met 500 miljoen EUR ten opzichte van de plannen;

o)

het overhevelen van de begrotingskredieten voor de medefinanciering van structurele en cohesiefondsen naar een speciale centrale rekening die voor geen enkel ander doel kan worden aangewend;

p)

de oprichting van een onafhankelijk financiële stabiliteitsfonds dat eventuele kapitaalstekorten kan opvangen en de gezondheid van de financiële sector kan vrijwaren door het verstrekken van kapitaalsteun aan de banken, waar dit nodig blijkt;

q)

het versterkt toezicht op de banken, met meer menselijke middelen, frequentere rapportering en driemaandelijkse stresstests.

2.   Griekenland neemt de volgende maatregelen vóór eind september 2010:

a)

voorbereiding van budgettaire consolidatiemaatregelen ter grootte van ten minste 3,2 % van het bbp (4,3 % van het bbp indien ook met overloopeffecten van in 2010 doorgevoerde maatregelen rekening wordt gehouden), op te nemen in de ontwerpbegroting voor 2011: een vermindering van het intermediaire verbruik van de overheid met ten minste 300 miljoen EUR in vergelijking met 2010 (bovenop de bezuinigingen als gevolg van de hervorming van de overheidsdiensten en van de lokale overheid als bedoeld in dit lid); een bevriezing van de indexering van de pensioenen (met de bedoeling een besparing van 100 miljoen EUR te realiseren); een tijdelijke crisisheffing op zeer winstgevende bedrijven (die in 2011, 2012 en 2013 per jaar ten minste 600 miljoen EUR aan extra inkomsten moet opleveren); het forfaitair belasten van zelfstandigen (met een opbrengst van ten minste 400 miljoen EUR in 2011 en met ten minste 100 miljoen EUR per jaar toenemende opbrengsten in 2012 en 2013); een verbreding van de btw-grondslag door bepaalde, thans vrijgestelde diensten te belasten en door op 30 % van de goederen en diensten het gewone tarief in plaats van het verminderde tarief te heffen (met een opbrengst van 1 miljard EUR); een geleidelijke invoering van een groene belasting op CO2-uitstoot (met een opbrengst van ten minste 300 miljoen EUR in 2011); de tenuitvoerlegging door de regering van de wetgeving tot hervorming van de overheidsdiensten en reorganisatie van de lokale overheid (met de bedoeling de kosten te verminderen met ten minste 500 miljoen EUR in 2011 en met nog eens 500 miljoen EUR per jaar in 2012 en 2013); een vermindering van de binnenlands gefinancierde investeringen (met ten minste 500 miljoen EUR) door prioriteit te geven aan met EU-structuurfondsen gefinancierde investeringsprojecten, het stimuleren van de regularisering van inbreuken op de ruimtelijke ordening (met een opbrengst van ten minste 1 500 miljoen EUR tussen 2011 en 2013, waarvan ten minste 500 miljoen EUR in 2011); de inning van ontvangsten uit hoofde van vergunningen voor kansspelen (ten minste 500 miljoen EUR uit hoofde van toekenningen van vergunningen en 200 miljoen EUR in de vorm van jaarlijkse royalty’s); een verbreding van de grondslag van de onroerendgoedbelasting door de waarde van de onroerende goederen te actualiseren (die ten minste 400 miljoen EUR aan extra inkomsten moet opleveren); een hogere belastingheffing op loon in natura, onder meer door betalingen van autoleasecontracten te belasten (met een extra opbrengst van ten minste 150 miljoen EUR); een hogere belastingheffing op luxegoederen (met een extra opbrengst van ten minste 100 miljoen EUR); een speciale belasting op ongeoorloofde vestigingen (met een opbrengst van ten minste 800 miljoen EUR per jaar) en een vervanging van slechts 20 % van de op pensioen gaande werknemers in de overheidssector (centrale overheid, lokale overheden, sociale-verzekeringsinstellingen, overheidsbedrijven, overheidsagentschappen en andere overheidsinstellingen). Maatregelen die vergelijkbare budgettaire besparingen opleveren kunnen na overleg met de Commissie worden overwogen;

b)

een versterking van de rol en middelen van het General Accounting Office en de invoering van waarborgen tegen mogelijke politieke inmenging bij de gegevensverwerking en het bijhouden van de overheidsrekeningen;

c)

een voorstel tot hervorming van de loonwetgeving in de overheidssector, met onder meer de oprichting van centrale betalingsinstantie voor de uitbetaling van salarissen, de invoering van eenvormige beginselen en een tijdschema voor de vaststelling van een gestroomlijnde en uniforme salaristabel voor ambtenaren welke geldt voor de nationale overheid, de lokale overheden en andere agentschappen;

d)

wetgeving ter verbetering van de efficiëntie van de belastingdiensten en de belastingcontrole;

e)

de start van onafhankelijke evaluaties van centrale overheidsdiensten en van bestaande sociale programma’s;

f)

de bekendmaking van maandelijkse statistieken (op kasbasis) over ontvangsten, uitgaven, financiering en uitgavenachterstanden van de „beschikbare centrale overheid” en haar subentiteiten;

g)

een actieplan met het oog op een betere vergaring en verwerking van gegevens over de overheidssector, met name door de controlemechanismen van de statistische diensten en het General Accounting Office te versterken en door een daadwerkelijke persoonlijke verantwoordelijkheid voor rapportagefouten in te voeren, teneinde de snelle verstrekking van overheidsgegevens van hoge kwaliteit te waarborgen, zoals wordt voorgeschreven bij de Verordeningen (EG) nr. 2223/96 (7), (EG) nr. 264/2000 (8), (EG) nr. 1221/2002 (9), (EG) nr. 501/2004 (10), (EG) nr. 1222/2004 (11), (EG) nr. 1161/2005 (12), (EG) nr. 223/2009 (13) en (EG) nr. 479/2009 (14);

h)

de regelmatige bekendmaking van informatie over de financiële situatie van overheidsbedrijven en andere overheidsentiteiten die niet deel uitmaken van de overheid (met inbegrip van gedetailleerde resultatenrekeningen, balansen en gegevens over de werkgelegenheid en de loonkosten);

i)

de oprichting van een uitgebreid centraal register voor overheidsbedrijven;

j)

een actieplan met een tijdschema voor concrete acties die tot de oprichting van een centrale instantie voor overheidsopdrachten moeten leiden;

k)

een wet tot vaststelling van een bovengrens van 50 miljoen EUR voor de jaarlijkse overheidsbijdrage uit hoofde van de openbaredienstverplichting aan spoorwegexploitanten voor de periode 2011-2013 en ter invoering van het beginsel dat de staat geen extra expliciete of impliciete steun aan spoorwegexploitanten verleent;

l)

een ondernemingsplan voor de Griekse spoorwegen. In het ondernemingsplan wordt gespecificeerd hoe operationele activiteiten winstgevend zullen worden gemaakt, met inbegrip van dekking van de kosten wegens waardevermindering vanaf 2011 door onder meer sluiting van verlieslijdende lijnen, verhoging van tarieven, vermindering van lonen en inkrimping van het personeelsbestand; het ondernemingsplan bevat voorts een gedetailleerde gevoeligheidsanalyse betreffende de implicatie voor de loonkosten van verschillende scenario’s wat het resultaat van een collectieve overeenkomst betreft; het verschaft informatie aangaande verschillende opties met betrekking tot het personeel; en het voorziet in de herstructurering van de holding via onder meer de verkoop van grond en andere activa;

m)

een wet tot hervorming van het systeem voor het voeren van loononderhandelingen in de particuliere sector; de wet dient te voorzien in een vermindering van de loontoeslagen voor overwerk en een grotere flexibiliteit bij het beheer van de arbeidstijd, en het tevens mogelijk te maken lokale territoriale overeenkomsten te sluiten waarin een lagere loonstijging wordt afgesproken dan in de sectorale overeenkomsten;

n)

een hervorming van de wetgeving op het gebied van de bescherming van werkgelegenheid om de periode op proef voor nieuwe banen te verlengen tot één jaar, en om een verhoogd gebruik van tijdelijke arbeidsovereenkomsten en deeltijdarbeid te bevorderen;

o)

een wijziging van de regelgeving met betrekking tot het systeem van scheidsgerechten om iedere partij de mogelijkheid te bieden gebruik te maken van een scheidsgerecht als zij het niet eens is met het voorstel van de bemiddelaar;

p)

een hervorming van de scheidsrechterlijke procedure om ervoor te zorgen dat de procedure in overeenstemming met transparante objectieve criteria verloopt, met een onafhankelijk college van scheidsrechters dat bevoegd is een besluit te nemen zonder overheidsinmenging.

3.   Griekenland neemt de volgende maatregelen vóór eind december 2010:

a)

de definitieve vaststelling van de in lid 2, onder a), genoemde maatregelen;

b)

de tenuitvoerlegging van een wet tot versterking van het begrotingskader. Deze wet dient met name in het volgende te voorzien: de totstandbrenging van een begrotingskader voor de middellange termijn, de opneming in de begroting van een verplichte reserve voor onvoorziene uitgaven ter grootte van 5 % van de totale begrotingskredieten van de ministeries, met uitzondering van de lonen, de pensioenen en de intrestbetalingen, de invoering van sterkere mechanismen voor de controle op de uitgaven en de oprichting van een begrotingsdienst die van het parlement afhangt;

c)

een forse verbetering van het absorptiepercentage van de structuur- en cohesiefondsen;

d)

wetgeving tot vereenvoudiging en versnelling van het proces voor vergunningverlening aan ondernemingen en zelfstandigen en voor de uitoefening van industriële activiteiten;

e)

een wijziging van het institutionele kader van de Griekse mededingingsautoriteit teneinde de onafhankelijkheid ervan te vergroten, redelijke termijnen voor het verrichten van onderzoeken en het uitvaardigen van besluiten vast te stellen, en de autoriteit de bevoegdheid te verlenen klachten te verwerpen;

f)

maatregelen waarmee wordt beoogd bestaande beperkingen op het vrij verrichten van diensten op te heffen;

g)

een decreet dat lokale overheden tot ten minste 2014 verbiedt tekorten te boeken; een vermindering van de overdrachten aan de lokale overheid conform de geplande besparingen en bevoegdheidsoverdrachten;

h)

bekendmaking van tussentijdse langetermijnprognoses van pensioenuitgaven tot 2060 zoals vastgelegd in de wetgevingshervorming van juli 2010 waaronder de voornaamste pensioenregelingen vallen (IKA, met inbegrip van het pensioenstelsel voor ambtenaren, OGA en OAEE);

i)

invoering van een uniform elektronisch receptensysteem; bekendmaking van de volledige prijslijst van de op de markt beschikbare geneesmiddelen; toepassing van de lijst van niet-vergoede geneesmiddelen en van de lijst van receptvrije geneesmiddelen; bekendmaking van de nieuwe lijst van vergoede geneesmiddelen met gebruikmaking van het nieuwe systeem van referentieprijzen; gebruikmaking van de via elektronische recepten en scanning beschikbaar gekomen informatie voor de inning van kortingen van farmaceutische bedrijven; invoering van een bewakingsmechanisme dat een maandelijkse toetsing van de uitgaven voor geneesmiddelen mogelijk maakt; opleggen van eigen bijdragen van 5 EUR voor standaard poliklinische diensten en uitbreiding van eigen bijdragen tot onrechtmatig beroep op spoeddiensten; bekendmaking van gecontroleerde rekeningen van ziekenhuizen en gezondheidscentra; en instelling van een onafhankelijke taskforce van deskundigen op het gebied van het gezondheidszorgbeleid die tot taak heeft tegen eind mei 2011 een gedetailleerd verslag op te stellen met het oog op een algemene hervorming van het gezondheidszorgstelsel teneinde dit stelsel efficiënter en doeltreffender te maken;

j)

verdere vermindering van de beleidsuitgaven met ten minste 5 %, wat besparingen ter waarde van ten minste 100 miljoen EUR oplevert;

k)

verdere reductie van de overdrachten, wat voor de overheid als geheel in besparingen ter waarde van ten minste 100 miljoen EUR resulteert. De begunstigde overheidsentiteiten gaan over tot een dienovereenkomstige vermindering van de uitgaven, zodat er geen accumulatie van betalingsachterstanden ontstaat;

l)

invoering vanaf januari 2011 van inkomensafhankelijke gezinsuitkeringen, wat besparingen ter waarde van ten minste 150 miljoen EUR (ongerekend de desbetreffende administratieve kosten) oplevert;

m)

vermindering van de aankoop van militaire uitrusting (leveringen) met ten minste 500 miljoen EUR in vergelijking met het feitelijke niveau van 2010;

n)

reductie van de uitgaven voor geneesmiddelen met 900 miljoen EUR door de socialeverzekeringsinstellingen als gevolg van een bijkomende verlaging van de geneesmiddelenprijzen en nieuwe aankoopprocedures, en met ten minste 350 miljoen EUR door ziekenhuizen (met inbegrip van uitgaven voor apparatuur);

o)

aanbrengen van wijzigingen in het beheer, de prijszetting en de lonen van overheidsbedrijven, wat besparingen ter waarde van ten minste 800 miljoen EUR oplevert;

p)

verhoging van de verlaagde btw-tarieven van 5,5 tot 6,5 % en van 11 tot 13 %, wat ten minste 880 miljoen EUR oplevert en verlaging van het btw-tarief voor geneesmiddelen en hotelaccommodatie van 11 tot 6,5 %, waarvan de kosten niet hoger mogen oplopen dan 250 miljoen EUR, ongerekend de uit het lagere btw-tarief voor geneesmiddelen voortvloeiende besparingen voor socialeverzekeringsinstellingen en ziekenhuizen;

q)

intensivering van de strijd tegen brandstofsmokkel (ten minste 190 miljoen EUR);

r)

verhoging van de kosten van procesvoering (ten minste 100 miljoen EUR);

s)

tenuitvoerlegging van een actieplan voor een versnelde inning van achterstallige belastingen (ten minste 200 miljoen EUR);

t)

snellere inning van fiscale boeten (ten minste 400 miljoen EUR);

u)

inning van inkomsten die uit het nieuwe kader voor fiscale geschillen en processen voortvloeien (ten minste 300 miljoen EUR);

v)

inkomsten uit hoofde van de verlenging van vervallende telecommunicatievergunningen (ten minste 350 miljoen EUR);

w)

inkomsten uit concessieovereenkomsten (ten minste 250 miljoen EUR);

x)

een herstructureringsplan voor het Atheense vervoersnetwerk (OASA). Doel van het plan is de exploitatieverliezen van het vervoersbedrijf te reduceren en het economisch levensvatbaar te maken. Het plan voorziet onder meer in bezuinigingen op de exploitatiekosten van het bedrijf en tariefverhogingen. Uiterlijk in maart 2011 worden de vereiste maatregelen getroffen;

y)

een wet die de indienstnemingen in de hele overheidssector beperkt tot niet meer dan één indienstneming voor vijf pensioneringen of ontslagen, zonder sectorale uitzonderingen en met inbegrip van het personeel dat van overheidsbedrijven in herstructurering naar overheidsentiteiten wordt overgeheveld;

z)

wetten die de arbeidsmarktinstelling versterken en die bepalen dat: overeenkomsten op ondernemingsniveau prevaleren boven sectorale en beroepsovereenkomsten zonder ongerechtvaardigde beperkingen; collectieve arbeidsovereenkomsten op bedrijfsniveau niet beperkt worden door eisen in verband met de minimumgrootte van ondernemingen; de uitbreiding van sectorale en beroepsovereenkomsten tot partijen die niet bij de onderhandelingen betrokken waren, wordt afgeschaft; de proefperiode voor nieuwe arbeidsplaatsen wordt verlengd; tijdsbeperkingen bij gebruikmaking van uitzendkantoren worden verlengd; belemmeringen bij grotere gebruikmaking van overeenkomsten voor bepaalde duur worden weggenomen; de bepaling die in een hoger uurloon voor deeltijdwerkers voorziet, wordt ingetrokken; en een flexibeler arbeidstijdbeheer, met inbegrip van deeltijdse ploegenarbeid, wordt toegelaten.

4.   Griekenland neemt de volgende maatregelen vóór eind maart 2011:

a)

bekendmaking van uitgebreide langetermijnprognoses van pensioenuitgaven tot 2060 zoals vastgelegd bij de wetgevingshervorming van juli 2010. De prognoses omvatten de aanvullende stelsels en zijn gebaseerd op een uitvoerige reeks gegevens die door de nationale actuariële autoriteit worden verzameld en opgesteld. De prognoses worden door het EU-Comité voor de economische politiek getoetst en gevalideerd;

b)

de regering vereffent de achterstallige betalingen die in 2010 zijn geaccumuleerd en brengt die van de vorige jaren terug;

c)

een plan tot bestrijding van belastingontwijking met kwantitatieve prestatie-indicatoren om belastinginningsdiensten op hun verantwoordelijkheid aan te spreken; wetgeving tot stroomlijning van de procedures voor de beslechting van administratieve belastinggeschillen en van de gerechtelijke beroepsprocedures, alsook de nodige wetten en procedures om ernstige beroepsfouten, corruptie en slecht presteren van belastingambtenaren beter te kunnen aanpakken, onder meer door vervolging in gevallen van plichtsverzuim; publicatie van maandelijkse verslagen van de vijf taskforces ter bestrijding van belastingontwijking, waarin onder meer een reeks voortgangsindicatoren is opgenomen;

d)

een gedetailleerd actieplan met tijdschema voor de volledige uitwerking en invoering van de vereenvoudigde beloningsregeling; opstelling van een personeelsplan voor de middellange termijn voor de periode tot en met 2013 dat in overeenstemming is met de regel van 1 indienstneming voor 5 uitdiensttredingen, waarin ook plannen worden gespecificeerd voor de reallocatie van gekwalificeerd personeel ten behoeve van prioritaire terreinen; bekendmaking van maandelijkse gegevens over het personeelsverloop (indiensttredingen, uitdiensttredingen, overplaatsingen tussen entiteiten) van de diverse overheidsafdelingen;

e)

doorvoering van de grondige hervorming van het gezondheidszorgstelsel waarmee in 2010 een aanvang is gemaakt, met de bedoeling de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg op of onder de 6 % van het bbp te handhaven; maatregelen die besparingen op de uitgaven voor geneesmiddelen ter waarde van ten minste 2 miljard EUR opleveren ten opzichte van het niveau van 2010, waarvan ten minste 1 miljard EUR in 2011 wordt gerealiseerd; verbetering van de boekhoudings- en factureringssystemen van ziekenhuizen door: voltooiing van de invoering in alle ziekenhuizen van dubbele boekhoudsystemen op transactiebasis; gebruikmaking van het uniforme codeersysteem en van een gemeenschappelijk register voor medische benodigdheden; berekening van de voorraden en stromen van medische benodigdheden in alle ziekenhuizen met behulp van het uniforme codeerstelsel voor medische benodigdheden; inning van eigen bijdragen van patiënten in alle voorzieningen van de nationale gezondheidsdienst; en de tijdige facturering van behandelingskosten (niet later dan twee maanden) aan Griekse socialeverzekeringsinstellingen, andere lidstaten en particuliere zorgverzekeraars; en ervoor zorgen dat ten minste 50 % van de hoeveelheid geneesmiddelen die eind 2011 door openbare ziekenhuizen is gebruikt, uit generieke geneesmiddelen en geneesmiddelen waarop geen octrooi rust, bestaat door alle openbare ziekenhuizen ertoe te verplichten farmaceutische producten per werkzame stof aan te kopen;

f)

met het oogmerk om verspilling en wanbeleid in staatsbedrijven tegen te gaan en ten minste 800 miljoen EUR fiscaal te besparen, vaststelling van een besluit dat: primaire beloningen in de publieke sector op bedrijfsniveau met ten minste 10 % verlaagt; secundaire beloningen beperkt tot 10 % van de primaire beloningen; een maximum van 4 000 EUR per maand voor bruto inkomsten vaststelt (12 betalingen per jaar); de tarieven voor stadsvervoer met minstens 30 % verhoogt; acties opstelt die de werkingskosten in de publieke sector met 15 tot 25 % verlagen; en vaststelling van een besluit voor de herstructurering van de OASA;

g)

een nieuw regelgevingskader om de sluiting van concessieovereenkomsten voor regionale luchthavens te faciliteren;

h)

instelling van een onafhankelijke taskforce voor onderwijsbeleid om tot een efficiënter openbaar onderwijs (lager, middelbaar en hoger onderwijs) en een efficiënter gebruik van de middelen te komen;

i)

vaststelling van een wet waarbij overeenkomstig het actieplan een centrale autoriteit voor overheidsopdrachten wordt ingesteld; en ontwikkeling van een IT-platform voor elektronische aanbestedingen en vaststelling van onder meer de volgende tussentijdse ijkpunten in overeenstemming met het actieplan: test van een proefversie, beschikbaarheid van alle functies voor alle opdrachten en geleidelijke invoering van de verplichting om van het elektronisch aanbestedingssysteem gebruik te maken voor het plaatsen van opdrachten voor leveringen, diensten en werken;

5.   Griekenland neemt de volgende maatregelen vóór eind juli 2011:

a)

het voorleggen aan het parlement van een gestroomlijnde en uniforme salaristabel voor ambtenaren welke geldt voor de nationale overheid, de lokale overheden en andere agentschappen, die ingevoerd wordt over een periode van drie jaar, en waarbij de salarissen in overeenstemming zijn met de productiviteit en de vervulde taken;

b)

een personeelsplan voor de middellange termijn tot en met 2015 dat in overeenstemming is met de regel van 1 indienstneming voor 5 uitdiensttredingen (1 voor 10 in 2011). In het plan worden de regels voor tijdelijk personeel, voor de annulering van vacatures en voor de reallocatie van gekwalificeerd personeel ten behoeve van prioritaire terreinen aangescherpt en wordt rekening gehouden met de verlenging van de werkweek in de publieke sector;

c)

een gedetailleerd actieplan met tijdschema voor de volledige uitwerking en invoering van de vereenvoudigde beloningsregeling, dat aansluit bij de lonen in de particuliere sector en leidt tot een verlaging van de totale loonkosten. Het plan berust op de uitkomsten van het verslag van het ministerie van Financiën en van de centrale betalingsinstantie. De wetgeving voor een vereenvoudigde beloningsregeling wordt geleidelijk over een periode van drie jaar ingevoerd. De lonen van de werknemers van de staatsbedrijven stroken met de nieuwe salaristabel voor de publieke sector;

d)

een versterking van de arbeidsinspectie, die over het nodige gekwalificeerde personeel moet beschikken en waarvoor kwantitatieve doelstellingen moeten gelden wat het aantal uit te voeren controles betreft;

e)

een wet ter herziening van de belangrijkste parameters van het pensioenstelsel, om de toename van de overheidsuitgaven inzake pensioenen over de periode 2009-2060 te beperken tot minder dan 2,5 % van het bbp, indien langetermijnprognoses aantonen dat de verwachte toename van de pensioenuitgaven van de overheid dit bedrag zou overstijgen. De nationale actuariële autoriteit gaat door met de indiening van langetermijnprognoses van de pensioenuitgaven tot 2060 in het kader van de vastgestelde hervorming. De prognoses omvatten de belangrijkste aanvullende stelsels (ETEAM, TEADY, MTPY), en berusten op uitvoerige gegevens die de nationale actuariële autoriteit heeft verzameld en opgesteld;

f)

een herziening van de lijst van zware beroepen ter vermindering van de dekking ervan tot maximaal 10 % van de tewerkstelling; de nieuwe lijst van zware en ongezonde beroepen is met ingang van 1 augustus 2011 op alle huidige en toekomstige werknemers van toepassing;

g)

wetgeving tot instelling van een centrale autoriteit voor overheidsopdrachten met de opdracht, de doelstellingen, de bevoegdheden en het tijdschema voor de inwerkingtreding, zoals aangegeven in het actieplan;

h)

aanvullende maatregelen ter bevordering van het gebruik van generieke geneesmiddelen door: elektronische recepten per werkzame stof verplicht te stellen en van minder dure generieke geneesmiddelen wanneer deze beschikbaar zijn; toewijzing van een lager kostendelingspercentage aan generieke geneesmiddelen met een duidelijk lagere prijs dan de referentieprijs (minder dan 60 % van de prijs van merkproducten) op basis van de ervaring van andere EU-lidstaten; vaststelling van de maximumprijs van generieke geneesmiddelen op 60 % van de merkgeneesmiddelen met een soortgelijke werkzame stof;

i)

publicatie van een inventaris van overheidsactiva, waarin onder meer een overzicht van de belangen in beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde ondernemingen en van commercieel interessante onroerende goederen en terreinen wordt gegeven; een algemeen secretariaat voor de ontwikkeling van onroerend goed wordt opgericht met de bedoeling onroerend goed beter te beheren, dit vrij te maken van bezwaringen en gereed te maken voor privatisering;

j)

de budgettaire middellangetermijnstrategie (hierna BMTS genoemd) tot en met 2015, zoals beschreven in bijlage I bij het onderhavige besluit, en de desbetreffende uitvoeringswetten. De BMTS bevat een beschrijving van de permanente budgettaire consolidatiemaatregelen die ervoor zorgen dat de tekortlimieten voor 2011-2015 zoals vastgelegd in het besluit van de Raad, niet worden overschreden en dat de schuldquote een duurzame neerwaartse tendens gaat vertonen;

k)

privatisering van activa ter waarde van ten minste 390 miljoen EUR; vaststelling van een privatiseringsprogramma dat in 2012 ten minste 15 miljard EUR, in 2013 ten minste 22 miljard EUR, in 2014 ten minste 35 miljard EUR en in 2015 ten minste 50 miljard EUR moet opleveren; de opbrengsten uit de privatisering van activa (onroerend goed, concessies en financiële activa) worden aangewend om schulden af te lossen en gaan niet ten koste van de budgettaire consolidatie-inspanningen om te voldoen aan de in artikel 1, lid 2, vastgelegde tekortlimieten;

l)

oprichting van een solide beheerd privatiseringsfonds dat het privatiseringsproces moet versnellen en moet waarborgen dat dit proces onomkeerbaar zal zijn en in goede banen wordt geleid. Het fonds verwerft het juridische eigendomsrecht van de activa die geprivatiseerd moeten worden. Het fonds kan zijn activa niet in pand geven op een manier die het bereiken van zijn doel, namelijk het privatiseren van de activa, in de weg zou staan;

m)

dient wetsvoorstellen in die ertoe strekken om niet-levensvatbare entiteiten te sluiten, samen te voegen of af te slanken;

n)

maatregelen om de uitgaven beter in de hand te houden: een besluit waarin de kwalificaties en verantwoordelijkheden worden gespecificeerd van de rekenplichtigen die in alle vakministeries moeten worden aangesteld en verantwoordelijk zullen zijn voor de uitoefening van een deugdelijke financiële controle;

o)

nieuwe criteria en voorwaarden op basis waarvan socialezekerheidsfondsen contracten sluiten met alle zorgverleners teneinde de beoogde verlaging van de uitgaven te realiseren; geeft de aanzet tot een gezamenlijke inkoop van medische diensten en goederen om middels prijs-volumeafspraken een forse verlaging van de uitgaven met ten minste 25 % ten opzichte van 2010 te realiseren;

p)

bekendmaking van bindende voorschrijfregels voor artsen die zijn vastgesteld op basis van internationale voorschrijfregels, ten behoeve van een kosteneffectief gebruik van geneesmiddelen; bekendmaking en continue bijwerking van de positieve lijst van vergoede geneesmiddelen;

q)

opstelling van een plan voor de reorganisatie en herstructurering van ziekenhuizen op de korte en middellange termijn teneinde bestaande inefficiënties terug te dringen, gebruik te maken van schaal- en toepassingsvoordelen en de kwaliteit van de patiëntenzorg te verbeteren. De ziekenhuiskosten moeten aldus in 2011 met ten minste 10 % worden verminderd en in 2012 met nog eens 5 %.

6.   Griekenland neemt de volgende maatregelen vóór eind september 2011:

a)

een begroting voor 2012 die in overeenstemming is met de BMTS en met het doel de in artikel 1, lid 2, vastgelegde tekortlimieten te halen;

b)

een vermindering van de belastingbelemmeringen voor fusies en overnamen;

c)

een vereenvoudiging van het douaneafhandelingsproces voor uitvoer en invoer;

d)

een verdere verbetering van het absorptiepercentage van de structuur- en cohesiefondsen;

e)

de volledige tenuitvoerlegging van de agenda voor betere regelgeving teneinde de administratieve lasten met 20 % te verminderen (ten opzichte van 2008);

f)

wetgeving die ertoe strekt om niet-levensvatbare entiteiten te sluiten, samen te voegen of af te slanken;

g)

maatregelen ter beperking van aankoop- en derdenkosten bij overheidsbedrijven, actualisering van prijzen, uitbreiding van de activiteiten, en vermindering van personeelskosten door de opstelling en uitvoering van een afvloeiingsplan. Overtollig personeel dat niet kan afvloeien volgens de regel van 1 indienstneming voor 5 uitdiensttredingen (1 voor 10 in 2011), wordt gedwongen te vertrekken of wordt op non-actief gesteld (arbeidsreserve). Deze regel geldt zonder uitzondering voor alle sectoren; hij is ook van toepassing op de overplaatsing van personeel van overheidsbedrijven naar andere overheidsorganen na een onderzoek van de beroepskwalificaties van de betrokkenen door ASEP aan de hand van de gebruikelijke evaluatiecriteria. Personeel dat in de arbeidsreserve wordt geplaatst, ontvangt 60 % van het salaris gedurende maximaal twaalf maanden, waarna ontslag volgt;

h)

een juridisch kader dat een snelle toewijzing van grondgebruik mogelijk maakt en de eigendomsregistratie van overheidsgrond bespoedigt;

i)

een wet ter bevordering van investeringen in de toeristische sector (vakantieresorts en vakantiehuizen) om in combinatie met de wet op het landgebruik een versnelde privatisering mogelijk te maken van grondpercelen die bij het Griekse bureau voor toeristisch onroerend goed (ETA) in beheer zijn;

j)

voltooiing van de functionele evaluatie van bestaande sociale programma’s; beoordeling door de regering van de resultaten van de tweede en laatste fase van de onafhankelijke functionele evaluatie van de centrale overheidsdiensten; wetten en maatregelen om uitvoering te geven aan de praktische aanbevelingen van de eerste fase van de functionele evaluatie van de centrale overheidsdiensten en van de volledige evaluatie van bestaande sociale programma’s;

k)

een grondige herziening van het functioneren van secundaire/aanvullende openbare pensioenfondsen, inclusief welzijnsfondsen en regelingen waarbij een uitkering ineens wordt betaald. De herziening strekt ertoe de pensioenuitgaven te stabiliseren, de budgettaire neutraliteit van deze regelingen te garanderen en de houdbaarheid van het stelsel op de middellange en lange termijn te handhaven. De herziening bewerkstelligt: een verdere vermindering van het aantal bestaande fondsen; het wegwerken van onevenwichtigheden in de fondsen met tekorten; de stabilisatie van de lopende uitgaven op een houdbaar niveau door middel van passende correcties die vanaf 1 januari 2012 moeten worden doorgevoerd; de houdbaarheid op de lange termijn van aanvullende regelingen dankzij een nauw verband tussen bijdragen en uitkeringen;

l)

inventarisatie van de regelingen waarbij de uitkeringen ineens bij pensionering niet in overeenstemming zijn met de betaalde bijdragen, teneinde de uitkeringen uiterlijk eind december 2011 aan te passen;

m)

verdere maatregelen om het systeem van elektronische geneesmiddelenrecepten, diagnosticering en artsenverwijzingen op kosteneffectieve wijze uit te breiden tot alle socialezekerheidsfondsen, gezondheidszorgcentra en ziekenhuizen. In overeenstemming met de EU-voorschriften voor overheidsopdrachten schrijft de regering de nodige aanbestedingsprocedures uit om een alomvattend en uniform informatiesysteem voor de gezondheidszorg (e-gezondheidszorgsysteem) ten uitvoer te leggen;

n)

verdere maatregelen om ervoor te zorgen dat ten minste 30 % van de hoeveelheid geneesmiddelen die door openbare ziekenhuizen wordt gebruikt, bestaat uit generieke geneesmiddelen waarvan de prijs lager ligt dan vergelijkbare merkproducten, en geneesmiddelen waarop geen octrooi rust, met name door alle openbare ziekenhuizen te verplichten farmaceutische producten per werkzame stof aan te kopen;

o)

besluiten om posten voor het personeel van de centrale autoriteit voor overheidsopdrachten te creëren en vast te stellen en om het personeel en de diensten van de autoriteit te organiseren in overeenstemming met de bepalingen van de wet tot instelling van de autoriteit; om de leden van de centrale autoriteit voor overheidsopdrachten te benoemen;

p)

bekendmaking van maandelijkse gegevens over het personeelsverloop (indiensttredingen, uitdiensttredingen, overplaatsingen tussen entiteiten) van de diverse overheidsafdelingen.

7.   Griekenland neemt de volgende maatregelen vóór eind december 2011:

a)

de definitieve vaststelling van de begroting voor 2012;

b)

een versterking van de beheerscapaciteit van alle bemiddelende en beheersinstanties van operationele programma’s in het raam van het nationale strategische referentiekader 2007-2013 en de certificering ervan (ISO 9001:2008 — Kwaliteitsbeheer);

c)

invoering vanaf 2013 van een voor budgetteringsdoeleinden te gebruiken systeem voor de berekening per geval van de ziekenhuiskosten;

d)

wetten om uitvoering te geven aan de praktische aanbevelingen van de eerste fase van de functionele evaluatie van de centrale overheidsdiensten en van de volledige evaluatie van bestaande sociale programma’s; beoordeling van de resultaten van de tweede en laatste fase van de onafhankelijke functionele evaluatie van de centrale overheidsdiensten;

e)

aanvang van de werkzaamheden van de centrale autoriteit voor overheidsopdrachten, die kan beschikken over de middelen die voor haar in het actieplan omschreven opdracht, doelstellingen en bevoegdheden zijn vereist;

f)

evaluatie van de vergoedingen voor medische diensten die zijn uitbesteed aan particuliere dienstverleners teneinde de desbetreffende kosten in 2011 met ten minste 15 % te doen dalen en in 2012 met nog eens 15 %;

g)

maatregelen om het belastingstelsel te vereenvoudigen, de grondslagen te verbreden en de belastingtarieven op begrotingsneutrale wijze te verlagen, zulks met betrekking tot de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de btw;

h)

verdere maatregelen om ervoor te zorgen dat ten minste 50 % van de hoeveelheid geneesmiddelen die door openbare ziekenhuizen wordt gebruikt, bestaat uit generieke geneesmiddelen waarvan de prijs lager ligt dan vergelijkbare merkproducten, en geneesmiddelen waarop geen octrooi rust, met name door alle openbare ziekenhuizen te verplichten farmaceutische producten per werkzame stof aan te kopen.

8.   Griekenland neemt de volgende maatregelen vóór eind maart 2012:

a)

een hervorming van de secundaire/aanvullende pensioenregelingen door fondsen te fuseren en door een aanvang te maken met de berekening van uitkeringen op basis van de nieuwe theoretische toegezegdebijdragenregeling; bevriezing van de nominale aanvullende pensioenen en vermindering van de vervangingsratio’s voor opgebouwde rechten in fondsen met tekorten op basis van een actuariële studie van de nationale autoriteit voor het actuariaat. Ingeval de actuariële studie niet klaar is, worden de vervangingsratio’s met ingang van 1 januari 2012 verminderd om tekorten te vermijden;

b)

berekening van de winstmarges van apotheken als een forfaitair bedrag of een forfaitaire vergoeding in combinatie met een kleine winstmarge, teneinde de totale winstmarge te beperken tot maximaal 15 %, inclusief voor de duurste geneesmiddelen.

Artikel 3

Griekenland verleent zijn volledige medewerking aan de Commissie en verschaft deze onverwijld op gemotiveerd verzoek harerzijds alle gegevens of documenten die nodig zijn voor het toezicht op de naleving van dit besluit.

Artikel 4

1.   Griekenland dient om de drie maanden bij de Raad en de Commissie een verslag in waarin een beschrijving wordt gegeven van de beleidsmaatregelen die zijn genomen om aan dit besluit gevolg te geven.

2.   De krachtens lid 1 in te dienen verslagen bevatten gedetailleerde informatie over het volgende:

a)

de concrete maatregelen die op de verslagdatum zijn uitgevoerd om aan dit besluit gevolg te geven, waaronder ook de gekwantificeerde impact op de begroting;

b)

de concrete maatregelen die na de verslagdatum zijn gepland om aan dit besluit gevolg te geven, alsook het tijdschema voor de tenuitvoerlegging van deze maatregelen en een inschatting van de impact op de begroting;

c)

de maandelijkse uitvoering van de overheidsbegroting;

d)

gegevens voor perioden korter dan een jaar over de begrotingsuitvoering door de sociale zekerheid, de lokale overheid en niet op de begroting opgevoerde fondsen;

e)

de uitgifte en terugbetaling van schuldpapier door de overheid;

f)

informatie over de ontwikkelingen in de permanente en tijdelijke werkgelegenheid in de overheidssector;

g)

nog te betalen overheidsuitgaven, met vermelding van die uitgaven waarvoor de betalingstermijn is verstreken;

h)

de financiële situatie van overheidsbedrijven en andere overheidsentiteiten.

3.   De Commissie en de Raad gaan aan de hand van de verslagen na of Griekenland aan dit besluit gevolg heeft gegeven. In het kader van deze evaluatie kan de Commissie maatregelen aangeven die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat het in dit besluit vastgestelde aanpassingstraject voor de correctie van het buitensporige begrotingstekort wordt gevolgd.

Artikel 5

Besluit 2010/320/EU wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar het ingetrokken besluit gelden als verwijzingen naar het onderhavige besluit en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan.

Artikel 7

Dit besluit is gericht tot de Helleense Republiek.

Gedaan te Brussel, 12 juli 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. SAWICKI


(1)  PB L 145 van 11.6.2010, blz. 6.

(2)  Zie bijlage I.

(3)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(4)  Eurostat News Release nr. 55/2010 van 22 april 2010.

(5)  Eurostat News Release nr. 60/2011 van 26 april 2011.

(6)  Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).

(7)  Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 264/2000 van de Commissie van 3 februari 2000 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad met betrekking tot kortetermijnstatistieken van de overheidsfinanciën (PB L 29 van 4.2.2000, blz. 4).

(9)  Verordening (EG) nr. 1221/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 met betrekking tot niet-financiële kwartaalrekeningen van de overheid (PB L 179 van 9.7.2002, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 501/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende financiële kwartaalrekeningen van de overheid (PB L 81 van 19.3.2004, blz. 1).

(11)  Verordening (EG) nr. 1222/2004 van de Raad van 28 juni 2004 betreffende de berekening en indiening van gegevens over de driemaandelijkse overheidsschuld (PB L 233 van 2.7.2004, blz. 1).

(12)  Verordening (EG) nr. 1161/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 betreffende de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector (PB L 191 van 22.7.2005, blz. 22).

(13)  Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).

(14)  Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1).


BIJLAGE I

Budgettaire middellangetermijnstrategie

(als bedoeld in artikel 2, lid 5, van het onderhavige besluit)

De budgettaire middellangetermijnstrategie (BMTS) tot en met 2015 zal het volgende omvatten:

 

Verlaging van de loonkosten met ten minste 770 miljoen EUR in 2011, en nog eens 600 miljoen EUR in 2012, 448 miljoen EUR in 2013, 306 miljoen EUR in 2014 en 71 miljoen EUR in 2015 door de invoering van natuurlijk verloop dat verder gaat dan de regel van 1 indienstneming voor 5 uitdiensttredingen (1 voor 10 in 2011); verlenging van de werkweek voor werknemers in de publieke sector van 37,5 naar 40 uur en vermindering van de vergoedingen voor overwerk; vermindering van het aantal commissies en raden waarvoor een vergoeding wordt betaald; beperking van de regelingen voor andere aanvullende compensaties, toeslagen en bonussen; vermindering van het aantal contractanten (50 % in 2011 en nog eens 10 % vanaf 2012); tijdelijke bevriezing van de automatische periodieke loonsverhoging; de invoering van een nieuwe salaristabel; de invoering van deeltijdwerk in de publieke sector en van onbetaald verlof; een beperking in het aantal toelatingen tot de militaire en de politieacademie; de overheveling van overtollig personeel naar een arbeidsreserve, waarin het gedurende maximaal twaalf maanden gemiddeld 60 % van het salaris ontvangt, en een verlaging van de vergoeding voor productiviteit met 50 %.

 

Verlaging van de operationele uitgaven van de centrale overheid met ten minste 190 miljoen EUR in 2011, nog eens 92 miljoen EUR in 2012, 161 miljoen EUR in 2013, 323 miljoen EUR in 2014 en 370 miljoen EUR in 2015, door de invoering van elektronische aanbestedingen van alle overheidsopdrachten; rationeler energieverbruik door overheidsdiensten; verlaging van de huurkosten door efficiënter gebruik te maken van overheidsgebouwen; verlaging van alle telecommunicatiekosten; afschaffing van de gratis distributie van kranten; verlaging van de operationele uitgaven in de gewone begroting over de gehele linie; invoering van benchmarks in de overheidsuitgaven nadat het MIS voor de overheidsuitgaven één jaar heeft gewerkt.

 

Verlaging van de kosten van niet op de begroting opgevoerde fondsen en overdrachten aan andere entiteiten met ten minste 540 miljoen EUR in 2011, en nog eens 150 miljoen EUR in 2012, 200 miljoen EUR in 2013, 200 miljoen EUR in 2014 en 150 miljoen EUR in 2015, door een beoordeling van het mandaat, de levensvatbaarheid en de kosten van alle door de publieke sector gesubsidieerde entiteiten alsook door fusie en sluiting van deze entiteiten; fusie/sluiting van en verlaging van subsidies aan onderwijsinstellingen (scholen en instellingen voor hoger onderwijs); verlaging van subsidies aan entiteiten buiten de overheidssector en een actieplan om entiteiten te sluiten, samen te voegen en af te slanken.

 

Besparingen op staatsbedrijven voor ten minste 414 miljoen EUR in 2012 en nog eens 329 miljoen EUR in 2013, 297 miljoen EUR in 2014 en 274 miljoen EUR in 2015 door een verhoging van de ontvangsten van de Griekse Spoorwegen (OSE), het busvervoer (OASA) en andere bedrijven, de tenuitvoerlegging van herstructureringsplannen en privatisering bij Hellenic Defence Systems, Hellenic Aeronautical Industry en Hellenic Horse Racing Corporation; verkoop van bedrijfsactiva die verband houden met niet-kernactiviteiten; verlaging van personeelskosten; verlaging van de operationele kosten en fusie en sluiting van bedrijven.

 

Verlaging van de operationele defensie-uitgaven met ten minste 133 miljoen EUR in 2013 en nog eens 133 miljoen EUR in 2014 en 134 miljoen EUR in 2015, bovenop de verlaging van het bedrag dat gemoeid is met de aankoop van militaire uitrusting (leveringen) met 830 miljoen EUR van 2010 tot en met 2015.

 

Verlaging van de uitgaven aan gezondheidszorg en geneesmiddelen met ten minste 310 miljoen EUR in 2011, en nog eens 697 miljoen EUR in 2012, 349 miljoen EUR in 2013, 303 miljoen EUR in 2014 en 463 miljoen EUR in 2015, door de invoering van een nieuwe „gezondheidskaart” en een daarmee gepaard gaande verlaging van de ziekenhuiskosten; een herevaluatie van het mandaat en de kosten van de niet-ziekenhuisentiteiten waarop het ministerie van Volksgezondheid toezicht houdt; invoering van een centraal aanbestedingssysteem; verlaging van de gemiddelde kosten per behandeling via behandelcombinaties; beperking van de dienstverlening aan niet-verzekerden (poortwachtersfunctie); in rekening brengen van de kosten van dienstverlening aan buitenlanders; operationalisering van een nationale organisatie voor eerstelijnsgezondheidszorg (EOPI); scanning door IKA van met de hand geschreven recepten; uitbreiding van de lijst van geneesmiddelen waarvoor geen recept nodig is; nieuwe prijzen van geneesmiddelen; vaststelling van verzekeringsprijzen per socialezekerheidssector en onverkorte invoering van elektronische recepten.

 

Verlaging van de sociale uitkeringen met ten 1 188 miljoen EUR in 2011, en nog eens 1 230 miljoen EUR in 2012, 1 025 miljoen EUR in 2013, 1 010 miljoen EUR in 2014 en 700 miljoen EUR in 2015 door een aanpassing van de aanvullende pensioenregelingen en daarna een bevriezing tot en met 2015; bevriezing van de basispensioenen; hervorming van het invaliditeitspensioenstelsel; telling van de gepensioneerden en kruiscontroles van persoonsgegevens bij de onverkorte invoering van het socialezekerheidsnummer, en invoering van een bovengrens voor de pensioenen; stroomlijning van de criteria voor gepensioneerden (EKAS); stroomlijning van de uitkeringen en de begunstigden van OEE-OEK en OAED; verlaging van de uitkeringen ineens bij pensionering; kruiscontroles van persoonsgegevens bij de invoering van bovengrenzen voor werknemers die mogen toetreden tot OAED-regelingen; verlaging van het OGA-ouderdomspensioen en van de lagere pensioendrempels van andere socialezekerheidsfondsen en aanscherping van de criteria op basis van de vaste woonplaats; verlaging van de kosten van sociale uitkeringen door een kruiscontrole van de gegevens; gelijktrekken van de regels voor verstrekkingen in verband met de gezondheid — deze worden voor alle socialezekerheidsfondsen hetzelfde; uniforme contracten met particuliere ziekenhuizen en medische centra; herziening van sociale uitkeringen in natura of in geld, die leidt tot de afschaffing van de minst effectieve; verhoging van de bijzondere pensioenbijdrage (Wet 3863/2010) voor gepensioneerden met een pensioen van meer dan 1 700 EUR per maand; verhoging van de bijzondere sociale bijdrage die wordt afgedragen door gepensioneerden die jonger zijn dan zestig jaar en die per maand een pensioen van meer dan 1 700 EUR ontvangen; invoering van een bijzondere gedifferentieerde bijdrage voor aanvullende pensioenen van meer dan 300 EUR per maand en verlaging van de overdrachten naar NAT (pensioenregeling van zeevarenden) en de pensioenregeling van OTE en de bijbehorende verlaging van de pensioenen of verhoging van de bijdragen van de begunstigden.

 

Verlaging van de overdrachten van de centrale overheid aan de decentrale overheden met ten minste 150 miljoen EUR in 2011 en nog eens 355 miljoen EUR in 2012, 345 miljoen EUR in 2013, 350 miljoen EUR in 2014 en 305 miljoen EUR in 2015. Deze verlaging zal in de eerste plaats tot stand komen door bezuinigingen van de decentrale overheden ter grootte van ten minste 150 miljoen EUR in 2011 en nog eens 250 miljoen EUR in 2012, 175 miljoen EUR in 2013, 170 miljoen EUR in 2014 en 160 miljoen EUR in 2015. Daarnaast zullen de decentrale overheden hun eigen inkomsten opvoeren met ten minste 105 miljoen EUR in 2012 en nog eens 170 miljoen EUR in 2013, 130 miljoen EUR in 2014 en 145 miljoen EUR in 2015, door een verhoging van de ontvangsten uit tol, vergoedingen, rechten en andere inkomstenstromen na de samenvoeging van decentrale instanties en door ervoor te zorgen dat de lokalebelastingplicht beter in acht wordt genomen na de invoering van een verplicht lokalebelastingcertificaat.

 

Verlaging van de uitgaven uit de begroting voor publieke investeringen (binnenlands gefinancierde publieke investeringen, investeringsbijdragen) en van administratieve kosten met 950 miljoen EUR in 2011, waarvan 350 miljoen EUR structureel, en nog eens 154 miljoen EUR (administratieve kosten) in 2012.

 

Verhoging van de belastingen met ten minste 2 017 miljoen EUR in 2011, en nog eens 3 678 miljoen EUR in 2012, 156 miljoen EUR in 2013 en 685 miljoen EUR in 2014, door verhoging van de btw voor restaurants en bars van 13 naar 23 % vanaf september 2011; verhoging van de belasting op onroerend goed; verlaging van de belastingvrijstelling voor de inkomstenbelasting tot 8 000 EUR en vaststelling van een progressieve solidariteitsbijdrage; verhoging van de voorheffingen en de heffingen bij zelfstandigen; verlaging van belastingvrijstellingen/-uitgaven; wijzigingen in de belastingregeling voor tabaksproducten, met een versnelde afdracht van de accijnzen, en in de belastingstructuur; accijnzen op frisdranken; accijnzen op aardgas en vloeibaar gas; afschaffing van het belastingvoordeel voor stookolie (voor bedrijven vanaf oktober 2011 en progressief voor huishoudens vanaf oktober 2011 tot oktober 2013); verhoging van de voertuigenbelasting; een crisisbijdrage voor voertuigen, motorfietsen en zwembaden; verhoging van de boeten op illegale bouwwerken en regularisatie van illegale bouwwerken; heffing van belasting op particuliere boten en jachten; een bijzondere heffing op onroerend goed met een hoge waarde; een speciale heffing op rookruimtes.

 

Verbetering van de inachtneming van de belastingplicht, hetgeen in 2013 ten minste 878 miljoen EUR, en in 2014 en 2015 nog eens 975 miljoen EUR en 1 147 miljoen EUR moet opleveren.

 

Verhoging van de sociale bijdragen met ten minste 629 miljoen EUR in 2011 en nog eens 259 miljoen EUR in 2012, 714 miljoen EUR in 2013, 1 139 miljoen EUR in 2014 en 504 miljoen EUR in 2015, door de onverkorte invoering van een enkel formulier voor de betaling van lonen en de afdracht van verzekeringsbijdragen; verhoging van de bijdragen voor begunstigden van OGA en ETAA; oprichting van een solidariteitsfonds voor OAEE-begunstigden; aanpassing van de werkloosheidsbijdrage voor werknemers in de particuliere sector; invoering van een werkloosheidsbijdrage voor zelfstandigen; een bijdrage voor werklozen, betaald door de werknemers in de publieke sector, inclusief de staatsbedrijven, decentrale overheden en andere publieke entiteiten.


BIJLAGE II

Ingetrokken besluit met een overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Besluit 2010/320/EU van de Raad van 10 mei 2010

PB L 145 van 11.6.2010, blz. 6

Besluit 2010/486/EU van de Raad van 7 september 2010

PB L 241 van 14.9.2010, blz. 12

Besluit 2011/57/EU van de Raad van 20 december 2010

PB L 26 van 29.1.2011, blz. 15

Besluit 2011/257/EU van de Raad van 7 maart 2011

PB L 110 van 29.4.2011, blz. 26


BIJLAGE III

Concordantietabel

Besluit 2010/320/EU

Het onderhavige besluit

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2, inleidende zin

Artikel 2, lid 2, inleidende zin

Artikel 2, lid 2, onder a)

Artikel 2, lid 2, onder a)

Artikel 2, lid 2, onder c)

Artikel 2, lid 2, onder b)

Artikel 2, lid 2, onder d)

Artikel 2, lid 2, onder c)

Artikel 2, lid 2, onder e)

Artikel 2, lid 2, onder d)

Artikel 2, lid 2, onder f)

Artikel 2, lid 2, onder e)

Artikel 2, lid 2, onder g)

Artikel 2, lid 2, onder f)

Artikel 2, lid 2, onder h)

Artikel 2, lid 2, onder g)

Artikel 2, lid 2, onder i)

Artikel 2, lid 2, onder h)

Artikel 2, lid 2, onder j)

Artikel 2, lid 2, onder i)

Artikel 2, lid 2, onder k)

Artikel 2, lid 2, onder j)

Artikel 2, lid 2, onder l)

Artikel 2, lid 2, onder k)

Artikel 2, lid 2, onder m)

Artikel 2, lid 2, onder l)

Artikel 2, lid 2, onder n)

Artikel 2, lid 2, onder m)

Artikel 2, lid 2, onder o)

Artikel 2, lid 2, onder n)

Artikel 2, lid 2, onder p)

Artikel 2, lid 2, onder o)

Artikel 2, lid 2, onder q)

Artikel 2, lid 2, onder p)

Artikel 2, lid 3, inleidende zin

Artikel 2, lid 3, inleidende zin

Artikel 2, lid 3, onder a)

Artikel 2, lid 3, onder a)

Artikel 2, lid 3, onder b)

Artikel 2, lid 3, onder b)

Artikel 2, lid 3, onder f)

Artikel 2, lid 3, onder c)

Artikel 2, lid 3, onder i)

Artikel 2, lid 3, onder d)

Artikel 2, lid 3, onder j)

Artikel 2, lid 3, onder e)

Artikel 2, lid 3, onder k)

Artikel 2, lid 3, onder l)

Artikel 2, lid 3, onder f)

Artikel 2, lid 3, onder m)

Artikel 2, lid 3, onder g)

Artikel 2, lid 3, onder n)

Artikel 2, lid 3, onder h)

Artikel 2, lid 3, onder o)

Artikel 2, lid 3, onder i)

Artikel 2, lid 3, onder q)

Artikel 2, lid 3, onder j)

Artikel 2, lid 3, onder r)

Artikel 2, lid 3, onder k)

Artikel 2, lid 3, onder s)

Artikel 2, lid 3, onder l)

Artikel 2, lid 3, onder t)

Artikel 2, lid 3, onder m)

Artikel 2, lid 3, onder u)

Artikel 2, lid 3, onder n)

Artikel 2, lid 3, onder v)

Artikel 2, lid 3, onder o)

Artikel 2, lid 3, onder w)

Artikel 2, lid 3, onder x)

Artikel 2, lid 3, onder p)

Artikel 2, lid 3, onder y

Artikel 2, lid 3, onder q)

Artikel 2, lid 3, onder z)

Artikel 2, lid 3, onder r)

Artikel 2, lid 3, onder aa)

Artikel 2, lid 3, onder s)

Artikel 2, lid 3, onder bb)

Artikel 2, lid 3, onder t)

Artikel 2, lid 3, onder cc)

Artikel 2, lid 3, onder u)

Artikel 2, lid 3, onder dd)

Artikel 2, lid 3, onder v)

Artikel 2, lid 3, onder ee)

Artikel 2, lid 3, onder w)

Artikel 2, lid 3, onder ff)

Artikel 2, lid 3, onder x)

Artikel 2, lid 3, onder gg)

Artikel 2, lid 3, onder y

Artikel 2, lid 3, onder hh)

Artikel 2, lid 3, onder z)

Artikel 2, lid 4, inleidende zin

Artikel 2, lid 4, inleidende zin

Artikel 2, lid 4, onder b)

Artikel 2, lid 4, onder a)

Artikel 2, lid 4, onder c)

Artikel 2, lid 4, onder b)

Artikel 2, lid 4, onder d)

Artikel 2, lid 4, onder e)

Artikel 2, lid 4, onder c)

Artikel 2, lid 4, onder f)

Artikel 2, lid 4, onder d)

Artikel 2, lid 4, onder g)

Artikel 2, lid 4, onder e)

Artikel 2, lid 4, onder h)

Artikel 2, lid 4, onder f)

Artikel 2, lid 4, onder i)

Artikel 2, lid 4, onder g)

Artikel 2, lid 4, onder j)

Artikel 2, lid 4, onder h)

Artikel 2, lid 4, onder k)

Artikel 2, lid 4, onder i)

Artikel 2, lid 4, onder l)

Artikel 2, lid 5, inleidende zin

Artikel 2, lid 5, inleidende zin

Artikel 2, lid 5, onder a)

Artikel 2, lid 5, onder a)

Artikel 2, lid 5, onder b)

Artikel 2, lid 5, onder b) en c)

Artikel 2, lid 5, onder c)

Artikel 2, lid 5, onder d)

Artikel 2, lid 5, onder d)

Artikel 2, lid 5, onder e)

Artikel 2, lid 5, onder e)

Artikel 2, lid 5, onder f)

Artikel 2, lid 5, onder f)

Artikel 2, lid 5, onder g)

Artikel 2, lid 5, onder g)

Artikel 2, lid 5, onder h)

Artikel 2, lid 5, onder h)

Artikel 2, lid 5, onder i)

Artikel 2, lid 5, onder i)

Artikel 2, lid 5, onder j) tot en met q)

Artikel 2, lid 6, inleidende zin

Artikel 2, lid 6, inleidende zin

Artikel 2, lid 6, onder a)

Artikel 2, lid 6, onder a)

Artikel 2, lid 6, onder b)

Artikel 2, lid 6, onder b)

Artikel 2, lid 6, onder c)

Artikel 2, lid 6, onder c)

Artikel 2, lid 6, onder d)

Artikel 2, lid 6, onder d)

Artikel 2, lid 6, onder e)

Artikel 2, lid 6, onder e)

Artikel 2, lid 6, onder f)

Artikel 2, lid 6, onder f) tot en met p)

Artikel 2, lid 7, inleidende zin

Artikel 2, lid 7, inleidende zin

Artikel 2, lid 7, onder a)

Artikel 2, lid 7, onder a)

Artikel 2, lid 7, onder b)

Artikel 2, lid 7, onder b)

Artikel 2, lid 7, onder d)

Artikel 2, lid 7, onder c)

Artikel 2, lid 7, onder e)

Artikel 2, lid 7, onder d)

Artikel 2, lid 7, onder f)

Artikel 2, lid 7, onder e)

Artikel 2, lid 7, onder f) tot en met h)

Artikel 2, lid 8, inleidende zin

Artikel 2, lid 8, inleidende zin

Artikel 2, lid 8, onder a)

Artikel 2, lid 8, onder a)

Artikel 2, lid 8, onder b)

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Bijlagen I, II en III


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/53


BESLUIT 2011/735/GBVB VAN DE RAAD

van 14 november 2011

houdende wijziging van Besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 9 mei 2011 Besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië vastgesteld (1).

(2)

De Europese Raad heeft op 23 oktober 2011 verklaard dat, zolang de burgerbevolking onderdrukt wordt, de EU maatregelen tegen het Syrische regime zal blijven treffen.

(3)

Gelet op de ernst van de situatie in Syrië acht de Raad het noodzakelijk bijkomende beperkende maatregelen vast te stellen.

(4)

De Europese Investeringsbank dient alle betalingen die op grond van of in verband met lopende leningsovereenkomsten met Syrië en lopende overeenkomsten inzake de verstrekking van technische bijstand voor staatsprojecten in Syrië plaatsvinden, op te schorten.

(5)

Voorts moet de informatie over één persoon op de lijst in bijlage I bij Besluit 2011/273/GBVB worden geactualiseerd.

(6)

Besluit 2011/273/GBVB moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In Besluit 2011/273/GBVB wordt het volgende artikel ingevoegd:

"Artikel 2 sexies

Een verbod wordt ingesteld op:

a)

elke vorm van betaling door de Europese Investeringsbank (EIB) die op grond van of in verband met lopende leningsovereenkomsten tussen Syrië en de EIB plaatsvindt;

b)

de verdere uitvoering door de EIB van alle lopende overeenkomsten inzake de verstrekking van technische bijstand voor staatsprojecten in Syrië.".

Artikel 2

In bijlage I bij Besluit 2011/273/GBVB worden de gegevens betreffende Nizar AL-ASSAAD vervangen door de gegevens in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 november 2011.

Voor de Raad

De voorzitster

C. ASHTON


(1)  PB L 121 van 10.5.2011, blz. 11.


BIJLAGE

Persoon bedoeld in artikel 2

 

Naam

Identificatiegegevens

Redenen

Datum van opneming op de lijst

1.

Nizar Al-Assad

(Image)

Neef van Bashar Al-Assad; voormalig hoofd van de maatschappij "Nizar Oilfield Supplies".

Zeer nauwe banden met belangrijke overheidsfunctionarissen. Financiert de Shabiha in de regio van Latakia.

23.8.2011


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/55


UITVOERINGSBESLUIT 2011/736/GBVB VAN DE RAAD

van 14 november 2011

tot uitvoering van Besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name artikel 31, lid 2, Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 9 mei 2011 Besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (1) vastgesteld.

(2)

De Europese Raad heeft op 23 oktober 2011 verklaard dat, zolang de burgerbevolking onderdrukt wordt, de EU maatregelen tegen het Syrische regime zal blijven treffen.

(3)

Gelet op de ernst van de situatie in Syrië acht de Raad het noodzakelijk bijkomende beperkende maatregelen vast te stellen.

(4)

Er moeten bijkomende personen worden toegevoegd aan de in bijlage I bij Besluit 2011/273/GBVB opgenomen lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen.

(5)

Besluit 2011/273/GBVB dient dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij dit besluit genoemde personen worden toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij Besluit 2011/273/GBVB.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 november 2011.

Voor de Raad

De voorzitster

C. ASHTON


(1)  PB L 121 van 10.5.2011, blz. 11.


BIJLAGE

Personen bedoeld in artikel 1

 

Naam

Identificatiegegevens

Redenen

Datum van opneming op de lijst

1.

Generaal-majoor Jumah Al-Ahmad

 

Bevelhebber van de speciale strijdkrachten. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in het hele land.

14.11.2011

2.

Kolonel Lu'ai Al-Ali

 

Hoofd van de militaire inlichtingendienst van Syrië, afdeling Dera'a. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in Dera'a.

14.11.2011

3.

Lt-generaal Ali Abdullah Ayyub

 

Adjunct-chef generale staf (militair en burgerlijk personeel). Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in heel Syrië.

14.11.2011

4.

Lt.-generaal Jasim Al-Furayj

 

Hoofd generale staf. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in heel Syrië.

14.11.2011

5.

Generaal Aws Aslan

Geboren in 1958

Majoor van de Republikeinse Garde. Een van de getrouwen van Mahir Al-Assad en van president Al-Assad. Heeft deel aan het gewelddadig optreden tegen de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

6.

Generaal Ghassan Belal

 

Generaal die het bevel voert over het veiligheidsbureau van de vierde divisie. Adviseur van Mahir Al-Assad en coördinator van de veiligheidsoperaties. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

7.

Abdullah Berri

 

Leidt de milities van de Berri-clan. Verantwoordelijk voor de regeringsgezinde milities die betrokken zijn bij de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Alep.

14.11.2011

8.

George Chaoui

 

Lid van het elektronisch leger van Syrië. Heeft deel aan de gewelddadige onderdrukking van en de aanmoediging tot geweld jegens de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

9.

Generaal-majoor Zuhair Hamad

 

Adjunct-chef van de algemene inlichtingendienst. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden in heel Syrië en voor de intimidatie en foltering van demonstranten.

14.11.2011

10.

Amar Ismael

 

Civiele functionaris - Hoofd van het elektronisch leger van Syrië (inlichtingendienst van de landmacht). Heeft deel aan de gewelddadige onderdrukking van en de aanmoediging tot geweld jegens de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

11.

Mujahed Ismail

 

Lid van het elektronisch leger van Syrië. Heeft deel aan de gewelddadige onderdrukking van en de aanmoediging tot geweld jegens de burgerbevolking in heel Syrië.

14.11.2011

12.

Saqr Khayr Bek

 

Vice-minister van Binnenlandse Zaken. Verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Syrië.

14.11.2011

13.

Generaal-majoor Nazih

 

Adjunct-directeur van de algemene inlichtingendienst. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden in heel Syrië en voor de intimidatie en foltering van demonstranten.

14.11.2011

14.

Kifah Moulhem

 

Bataljoncommandant in de vierde divisie. Verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Dair Al-Zor.

14.11.2011

15.

Generaal-majoor Wajih Mahmud

 

Commandant 18e pantserdivisie. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in Homs

14.11.2011

16.

Bassam Sabbagh

Geboren op 24.8.1959 in Damas. Adres: Kasaa, Anwar Al Attar street, Al Midani building, Damas. Syrisch paspoort nr. 004326765, afgiftedatum 2.11.2008, geldig tot november 2014.

Leidt advocatenkantoor Sabbagh en partners (Damas), Advocaat bij de balie van Parijs. Juridisch en financieel adviseur en zaakvoerder van Rami Makhluf en Khaldoun Makhlouf. Partner van Bachar Al-Assad bij de financiering van een vastgoedproject in Lattaquie. Verstrekt financiële bijstand aan het regime.

14.11.2011

17.

Lt.-Generaal Tala Mustafa Tlass

 

Adjunct-chef Generale Staf (Logistiek en bevoorrading). Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden tegen demonstranten in heel Syrië.

14.11.2011

18.

General-majoor Fu'ad Tawil

 

Adjunct-chef inlichtingendienst Syrische luchtmacht. Verantwoordelijk voor het gewelddadig optreden in heel Syrië en voor de intimidatie en foltering van demonstranten.

14.11.2011


15.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 296/58


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 9 november 2011

tot wijziging van haar reglement van orde

(2011/737/EU, Euratom)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 249,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien haar besluit 2010/138/EU, Euratom van 24 februari 2010 tot wijziging van haar reglement van orde (1),

Gezien het besluit van de voorzitter van de Commissie C(2011)8000 van 27 oktober 2011,

BESLUIT:

Artikel 1

Aan artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie wordt een nieuw punt 5 toegevoegd, dat als volgt luidt:

„5.   Ieder lid van de Commissie dat een schriftelijke procedure op het gebied van de coördinatie van en het toezicht op het economisch en het begrotingsbeleid van de lidstaten, meer bepaald in de eurozone, wil opschorten, richt daartoe een met redenen omkleed verzoek tot de voorzitter; in dat verzoek moeten op basis van een onpartijdige en objectieve evaluatie van het tijdstip, de structuur, de overwegingen of het resultaat van het voorgestelde besluit, de betreffende elementen van het ontwerpbesluit uitdrukkelijk worden aangegeven.

Als de voorzitter de redenen niet gegrond acht en als het verzoek tot opschorting wordt gehandhaafd, kan hij de opschorting weigeren en besluiten dat de schriftelijke procedure wordt voortgezet; in dat geval verzoekt de secretaris-generaal de andere leden van de Commissie om hun standpunt om zich ervan te vergewissen dat het in artikel 250 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde quorum wordt geëerbiedigd. De voorzitter kan eveneens het punt ter goedkeuring op de agenda van de volgende vergadering van de Commissie plaatsen.”.

Artikel 2

Aan artikel 23 van het reglement van orde van de Commissie wordt een nieuw punt 5 bis toegevoegd, dat als volgt luidt:

„5 bis.   Het directoraat-generaal dat met economische en financiële zaken is belast, moet worden geraadpleegd over alle initiatieven betreffende of met een mogelijk effect op de groei, het concurrentievermogen of de economische stabiliteit in de Europese Unie of in de eurozone.”.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 9 november 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 55 van 5.3.2010, blz. 60.