ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2011.283.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 283

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
29 oktober 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2011/708/EU

 

*

Besluit van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen van 16 juni 2011 inzake de ondertekening, namens de Unie, en voorlopige toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen; en inzake de ondertekening, namens de Unie, en voorlopige toepassing van de Aanvullende Overeenkomst tussen ten eerste, de Europese Unie en haar lidstaten, ten tweede, IJsland en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen betreffende de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen

1

Luchtvervoersovereenkomst

3

Aanvullende Overeenkomst tussen ten eerste, de Europese Unie en haar lidstaten, ten tweede, IJsland, en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen, betreffende de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen

16

 

 

2011/709/EU

 

*

Besluit van de Raad van 20 oktober 2011 betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten tussen de Europese Unie en de Verenigde Mexicaanse Staten

25

 

 

2011/710/EU

 

*

Besluit van de Raad van 20 oktober 2011 inzake de sluiting van het memorandum van samenwerking NAT-I-9406 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie

26

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1093/2011 van de Commissie van 28 oktober 2011 betreffende de toepassing van afwijkingen van de oorsprongsregels die zijn vastgesteld in het aan de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, gehechte protocol inzake de definitie van producten van oorsprong

27

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1094/2011 van de Commissie van 28 oktober 2011 tot vaststelling, voor de periode 2011/2012, van de coëfficiënten voor de in de vorm van Scotch whisky uitgevoerde granen

30

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1095/2011 van de Commissie van 28 oktober 2011 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met betrekking tot de drempelvolumes voor de toepassing van de aanvullende rechten voor komkommers, artisjokken, clementines, mandarijnen en sinaasappelen

32

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1096/2011 van de Commissie van 28 oktober 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

34

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/84/EU van de Raad van 20 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 76/768/EEG inzake cosmetische producten met het oog op de aanpassing van bijlage III aan de technische vooruitgang ( 1 )

36

 

 

AANBEVELINGEN

 

 

2011/711/EU

 

*

Aanbeveling van de Commissie van 27 oktober 2011 betreffende de digitalisering en online-toegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring

39

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

29.10.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/1


BESLUIT VAN DE RAAD EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN

van 16 juni 2011

inzake de ondertekening, namens de Unie, en voorlopige toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen; en inzake de ondertekening, namens de Unie, en voorlopige toepassing van de Aanvullende Overeenkomst tussen ten eerste, de Europese Unie en haar lidstaten, ten tweede, IJsland en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen betreffende de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen

(2011/708/EU)

DE RAAD EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie, met name artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 5, en artikel 218, lid 8, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds (1) („de luchtvervoersovereenkomst”), die op 25 en 30 april 2007 door de Verenigde Staten van Amerika en de lidstaten van de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap is ondertekend, zoals gewijzigd bij het protocol tot wijziging van de op 25 en 30 april 2007 ondertekende overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten („het protocol”) (2), dat op 24 juni 2010 door de Verenigde Staten van Amerika en de lidstaten van de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap is ondertekend, voorziet uitdrukkelijk in de toetreding van derde landen tot de luchtvervoersovereenkomst.

(2)

Overeenkomstig artikel 18, lid 5, van de EU-VS-luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, heeft het bij die overeenkomst opgerichte Gemengd Comité een voorstel opgesteld voor de toetreding van IJsland en het Koninkrijk Noorwegen tot de EU-VS-luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol.

(3)

Op 16 november 2010 heeft het Gemengd Comité een voorstel gedaan voor een luchtvervoersovereenkomst tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen („de toetredingsovereenkomst”).

(4)

De Commissie heeft onderhandelingen gevoerd over een Aanvullende Overeenkomst tussen ten eerste, de Europese Unie en haar lidstaten, ten tweede, IJsland en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen („de aanvullende overeenkomst”).

(5)

De toetredingsovereenkomst en de aanvullende overeenkomst moeten worden ondertekend en voorlopig worden toegepast, in afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting ervan,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt machtiging verleend namens de Unie voor de ondertekening van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen en van de Aanvullende Overeenkomst tussen ten eerste, de Europese Unie en haar lidstaten, ten tweede, IJsland en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen betreffende de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen („de aanvullende overeenkomst”), onder voorbehoud van de sluiting van deze overeenkomsten.

De tekst van de toetredingsovereenkomst en die van de aanvullende overeenkomst worden aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt hierbij gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) om de overeenkomst en de aanvullende overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 3

De toetredingsovereenkomst en de aanvullende overeenkomst worden vanaf de datum van ondertekening (3) voorlopig toegepast door de Unie en, voor zover dit is toegestaan uit hoofde van de toepasselijke nationale wetgeving, door de lidstaten en door de andere betrokken partijen, in afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting ervan.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Luxemburg, 16 juni 2011.

De voorzitter

VÖLNER P.


(1)  PB L 134 van 25.5.2007, blz. 4.

(2)  PB L 223 van 25.8.2010, blz. 3.

(3)  De datum van ondertekening van de toetredingsovereenkomst en van de aanvullende overeenkomst wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie door het secretariaat-generaal van de Raad.


VERTALING

LUCHTVERVOERSOVEREENKOMST

Ten eerste,

DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA (hierna de „Verenigde Staten” genoemd),

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK HONGARIJE,

MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en lidstaten van de Europese Unie (hierna de „lidstaten”),

en ten tweede,

DE EUROPESE UNIE,

ten derde,

IJSLAND,

en

ten vierde,

HET KONINKRIJK NOORWEGEN (hierna „Noorwegen”),

VERLANGEND een internationaal luchtvaartstelsel te bevorderen dat gebaseerd is op mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen, met een minimum aan overheidsbemoeienis en -regulering;

VERLANGEND de uitbreiding van de mogelijkheden voor het internationaal luchtvervoer te bevorderen, met name door de ontwikkeling van luchtvervoersnetten, om aan de behoeften van reizigers en vervoerders aan geschikte luchtvervoersdiensten te voldoen;

VERLANGEND de luchtvaartmaatschappijen in staat te stellen reizigers en vervoerders concurrerende prijzen en diensten aan te bieden op open markten;

VERLANGEND alle sectoren van de luchtvervoersindustrie, met inbegrip van het personeel van de luchtvaartmaatschappijen, het voordeel te geven van een geliberaliseerde overeenkomst;

VERLANGEND de hoogste mate van veiligheid en beveiliging in het internationaal luchtvervoer te verzekeren, en opnieuw hun ernstige bezorgdheid uitsprekend over tegen de veiligheid van vliegtuigen gerichte daden of bedreigingen, die de veiligheid van personen of eigendommen in gevaar brengen, de exploitatie van luchtvervoer nadelig beïnvloeden, en het vertrouwen van het publiek in de veiligheid van de burgerluchtvaart ondermijnen;

REKENING HOUDENDE met het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, voor ondertekening opengesteld te Chicago op 7 december 1944;

ERKENNEND dat overheidssubsidies de mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen nadelig kunnen beïnvloeden en de fundamentele doelstellingen van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen;

HET BELANG BEVESTIGEND van de bescherming van het milieu bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van internationaal luchtvaartbeleid;

NOTA NEMEND van het belang van de bescherming van de consument, met inbegrip van de bescherming die wordt verleend door het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, gesloten te Montréal op 28 mei 1999;

VOORNEMENS voort te bouwen op het kader van bestaande overeenkomsten met als doel de toegang tot markten te openen en de voordelen voor consumenten, luchtvaartmaatschappijen, werknemers en gemeenschappen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan zo groot mogelijk te maken;

HET BELANG ERKENNEND van een betere toegang van hun luchtvaartmaatschappijen tot de mondiale kapitaalmarkten teneinde hun concurrentievermogen te versterken en de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst te bevorderen;

VOORNEMENS een wereldwijd precedent te scheppen ter bevordering van de voordelen van liberalisering in deze cruciale economische sector;

ERKENNENDE DAT de Europese Unie de Europese Gemeenschap heeft vervangen en opgevolgd als gevolg van de inwerkingtreding, op 1 december 2009, van het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en dat vanaf die datum alle rechten en plichten van en verwijzingen naar de Europese Gemeenschap in de overeenkomst inzake luchtvervoer die op 25 en 30 april 2007 door de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten is ondertekend, van toepassing zijn op de Europese Unie,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Definitie

Onder „partij” worden verstaan: de Verenigde Staten, de Europese Unie en haar lidstaten, IJsland of Noorwegen.

Artikel 2

Toepassing van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol en de bijlage daarbij

De bepalingen van de door de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten op 25 en 30 april 2007 ondertekende overeenkomst inzake luchtvervoer (hierna „de luchtvervoersovereenkomst”), zoals gewijzigd bij het protocol tot wijziging van de overeenkomst inzake luchtvervoer dat op 24 juni 2010 door de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie en haar lidstaten is ondertekend (hierna „het protocol”), die door verwijzing in deze overeenkomst zijn opgenomen, zijn van toepassing op alle partijen bij deze overeenkomst, onverminderd de bijlage bij deze overeenkomst. De bepalingen van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, zijn van toepassing op IJsland en Noorwegen als waren zij lidstaten van de Europese Unie, zodat IJsland en Noorwegen alle rechten en verplichtingen hebben die de lidstaten uit hoofde van die overeenkomst hebben. De bepalingen van de bijlage bij deze Overeenkomst maken integrerend deel uit van deze Overeenkomst.

Artikel 3

Opzegging van de overeenkomst of beëindiging van de voorlopige toepassing

1.   Zowel de Verenigde Staten als de Europese Unie en haar lidstaten mogen te allen tijde de andere drie partijen via diplomatieke kanalen schriftelijk in kennis stellen van hun besluit om deze overeenkomst op te zeggen of om de bij artikel 5 vastgestelde voorlopige toepassing ervan te beëindigen.

Deze kennisgeving moet tegelijk ook naar de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) worden verzonden. Deze overeenkomst, of de voorlopige toepassing ervan neemt een einde om middernacht GMT aan het einde van het verkeersseizoen van de Internationale Luchtvervoersvereniging (IATA), een jaar na de datum van schriftelijke kennisgeving, tenzij de kennisgeving in onderlinge overeenstemming tussen alle partijen wordt ingetrokken voordat deze termijn is verstreken.

2.   Zowel IJsland als Noorwegen mag te allen tijde de andere partijen via diplomatieke kanalen schriftelijk in kennis stellen van zijn besluit om de overeenkomst op te zeggen of om de bij artikel 5 vastgestelde voorlopige toepassing ervan te beëindigen. Deze kennisgeving moet tegelijk ook naar de ICAO worden verzonden. De overeenkomst of de voorlopige toepassing ervan neemt een einde om middernacht GMT aan het einde van het IATA-verkeersseizoen, een jaar na de datum van schriftelijke kennisgeving, tenzij de kennisgeving in onderlinge overeenstemming tussen de partij die de schriftelijke kennisgeving heeft verricht, de Verenigde Staten en de Europese Unie en haar lidstaten wordt ingetrokken voordat deze termijn is verstreken.

3.   Zowel de Verenigde Staten als de Europese Unie en haar lidstaten mogen te allen tijde IJsland of Noorwegen via diplomatieke kanalen schriftelijk in kennis stellen van hun besluit om deze Overeenkomst op te zeggen of om de voorlopige toepassing ervan te beëindigen, met betrekking tot IJsland en Noorwegen. Deze kennisgeving moet tegelijk ook naar de andere twee partijen bij de Overeenkomst en naar de ICAO worden verzonden. Wat IJsland en Noorwegen betreft, neemt de Overeenkomst of de voorlopige toepassing ervan een einde om middernacht GMT aan het einde van het IATA-verkeersseizoen, een jaar na de datum van schriftelijke kennisgeving, tenzij de kennisgeving in onderlinge overeenstemming tussen de Verenigde Staten, de Europese Unie en haar lidstaten en de partij die de kennisgeving ontvangt, wordt ingetrokken voordat deze termijn is verstreken.

4.   De in dit artikel bedoelde diplomatieke nota’s aan of door de Europese Unie en haar lidstaten worden, naargelang het geval, afgegeven aan of door de Europese Unie.

5.   Onverminderd andere bepalingen van dit artikel neemt deze overeenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, een einde wanneer de luchtvervoersovereenkomst wordt beëindigd.

Artikel 4

Registratie bij de ICAO

Deze overeenkomst en alle wijzigingen daarvan worden door het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie geregistreerd bij de ICAO.

Artikel 5

Voorlopige toepassing

De partijen zijn overeengekomen deze overeenkomst vanaf de datum van ondertekening voorlopig toe te passen, in afwachting van de inwerkingtreding ervan, voor zover dit is toegestaan uit hoofde van de toepasselijke nationale wetgeving. Indien de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, overeenkomstig artikel 23 van de overeenkomst wordt opgezegd, of indien de voorlopige toepassing ervan overeenkomstig artikel 25 wordt beëindigd, of indien de voorlopige toepassing van het protocol overeenkomstig artikel 9 van het protocol wordt beëindigd, wordt tegelijkertijd de voorlopige toepassing van deze overeenkomst beëindigd.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze overeenkomst treedt in werking op de laatste van de volgende data:

1.

de datum van inwerkingtreding van de luchtvervoersovereenkomst, of

2.

de datum van inwerkingtreding van het protocol, of

3.

een maand na de datum van de laatste nota van de tussen de partijen uitgewisselde diplomatieke nota’s waarbij zij bevestigen dat alle nodige procedures voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst zijn voltooid.

De in dit artikel bedoelde diplomatieke nota’s aan of door de Europese Unie en haar lidstaten worden, naar gelang van het geval, afgegeven aan of door de Europese Unie. De diplomatieke nota of nota’s van de Europese Unie en haar lidstaten bevatten mededelingen van elke lidstaat waarin wordt bevestigd dat de voor inwerkingtreding van deze Overeenkomst vereiste procedures zijn voltooid.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

Gedaan te Luxemburg en Oslo, in viervoud, respectievelijk op de zestiende en eenentwintigste juni 2011.

Image

For the United States of America

За Европейския съюз

Por la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l’Union européenne

Per l’Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image

Image

Fyrir Ísland

Image

For Kongeriket Norge

Image

Voor het Koninkrijk België

Pour le Royaume de Belgique

Für das Königreich Belgien

Image

Deze handtekening verbindt eveneens het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Cette signature engage également la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale.

Diese Unterschrift bindet zugleich die Wallonische Region, die Flämische Region und die Region Brüssel-Hauptstadt.

За Репyблика Бългaрия

Image

Za Českou republiku

Image

For Kongeriget Danmark

Image

Für die Bundesrepublik Deutschland

Image

Eesti Vabariigi nimel

Image

Thar cheann Na hÉireann

For Ireland

Image

Για την Ελληνική Δημοκρατία

Image

Por el Reino de España

Image

Pour la République française

Image

Per la Repubblica italiana

Image

Για την Κυπριακή Δημοκρατία

Image

Latvijas Republikas vārdā –

Image

Lietuvos Respublikos vardu

Image

Pour le Grand-Duché de Luxembourg

Image

A Magyar Köztársaság részéről

Image

Għal Malta

Image

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

Image

Für die Republik Österreich

Image

W imieniu Rzeczypospolitej Polskiej

Image

Pela República Portuguesa

Image

Pentru România

Image

Za Republiko Slovenijo

Image

Za Slovenskú republiku

Image

Suomen tasavallan puolesta

För Republiken Finland

Image

För Konungariket Sverige

Image

For the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Image

GEZAMENLIJKE VERKLARING

Vertegenwoordigers van de Verenigde Staten van Amerika, de Europese Unie en haar lidstaten, IJsland en het Koninkrijk Noorwegen hebben bevestigd dat de tekst van de luchtvervoersovereenkomst tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen („de overeenkomst”) authentiek moet worden verklaard in andere talen, ofwel vóór de ondertekening van de Overeenkomst door uitwisseling van brieven, ofwel na de ondertekening van de Overeenkomst door een besluit van het Gemengd Comité.

Deze gezamenlijke verklaring vormt een integrerend deel van de overeenkomst.

BIJLAGE

Specifieke bepalingen met betrekking tot IJsland en Noorwegen

De bepalingen van de luchtvervoersovereenkomst, als gewijzigd bij het protocol en als volgt gewijzigd, zijn van toepassing op alle partijen bij deze overeenkomst. De bepalingen van de luchtvervoersovereenkomst, als gewijzigd bij het protocol, zijn van toepassing op IJsland en Noorwegen als waren zij lidstaten van de Europese Unie, zodat IJsland en Noorwegen, onder de volgende voorwaarden, alle rechten en plichten hebben die de lidstaten uit hoofde van die overeenkomst hebben:

1.

Artikel 1, lid 9, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, wordt gewijzigd in:

„ „Grondgebied”, voor de Verenigde Staten de landgebieden (vasteland en eilanden), binnenwateren en territoriale wateren onder VS-soevereiniteit of -rechtsbevoegdheid, en voor de Europese Unie en haar lidstaten de landgebieden (vasteland en eilanden), binnenwateren en territoriale wateren waar de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte wordt toegepast onder de voorwaarden die in dat verdrag en ieder later instrument zijn neergelegd, met uitzondering van de landgebieden en binnenwateren onder soevereiniteit of jurisdictie van het Vorstendom Liechtenstein; de toepassing van deze overeenkomst op de luchthaven van Gibraltar doet geen afbreuk aan de respectieve rechtsopvattingen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende het geschil inzake de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven is gelegen, noch aan het handhaven van de opschorting van de toepassing op de luchthaven van Gibraltar van de maatregelen van de Europese Unie inzake de luchtvaart, die met ingang van 18 september 2006 tussen de lidstaten van kracht zijn, overeenkomstig de ministeriële verklaring betreffende de luchthaven van Gibraltar, die op 18 september 2006 te Córdoba is aangenomen, en”.

2.

De artikelen 23 tot en met 26 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, zijn niet van toepassing op IJsland en Noorwegen.

3.

De artikelen 9 en 10 van het protocol zijn niet van toepassing op IJsland en Noorwegen.

4.

Aan bijlage 1, deel 1, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, wordt het volgende toegevoegd:

„w.

IJsland: luchtvervoersovereenkomst, ondertekend te Washington op 14 juni 1995; gewijzigd bij een uitwisseling van nota’s op 1 maart 2002; gewijzigd bij een uitwisseling van nota’s op 14 augustus 2006 en 9 maart 2007.

x.

Het Koninkrijk Noorwegen: overeenkomst met betrekking tot luchtvervoersdiensten, tot stand gebracht door uitwisseling van nota’s te Washington op 6 oktober 1945; gewijzigd bij een uitwisseling van nota’s op 6 augustus 1954; gewijzigd bij een uitwisseling van nota’s op 16 juni 1995.”.

5.

Bijlage 1, deel 2, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, wordt gewijzigd in:

„Niettegenstaande deel 1 van deze bijlage blijven voor de gebieden die niet onder de definitie van „grondgebied” in artikel 1 van deze overeenkomst vallen, de onder e) (Denemarken-Verenigde Staten), onder g) (Frankrijk-Verenigde Staten), en onder v) (Verenigd Koninkrijk-Verenigde Staten) en x) (Noorwegen-Verenigde Staten) van genoemd deel vermelde overeenkomsten van toepassing, onder de daarin neergelegde voorwaarden.”.

6.

Bijlage 1, deel 3, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, wordt gewijzigd in:

„Niettegenstaande artikel 3 van deze overeenkomst hebben Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen niet het recht om naar of vanuit punten in de lidstaten vrachtdiensten te verzorgen die geen deel uitmaken van een de Verenigde Staten bestrijkende dienst, behalve naar of vanuit punten in de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, Malta, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Slowaakse Republiek, IJsland en het Koninkrijk Noorwegen.”.

7.

Aan het eind van bijlage 2, artikel 3, van de luchtvervoersovereenkomst wordt de volgende zin toegevoegd:

„Voor IJsland en Noorwegen omvat dit onder meer, maar niet uitsluitend, de artikelen 53, 54 en 55 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de EU-verordeningen ter uitvoering van de artikelen 101, 102 en 105 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals opgenomen in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en alle wijzigingen daarvan.”.

8.

Artikel 21, lid 4, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, is van toepassing op IJsland en Noorwegen voor zover de relevante wetten en regels van de Europese Unie zijn opgenomen in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, overeenkomstig eventuele aanpassingen die daarbij zijn gestipuleerd. IJsland en Noorwegen kunnen de rechten waarin artikel 21, lid 4, onder a) en b), van de luchtvervoersovereenkomst, als gewijzigd bij het protocol, voorziet, enkel doen gelden indien IJsland respectievelijk Noorwegen, met betrekking tot het opleggen van geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen, overeenkomstig de desbetreffende wet- en regelgeving van de Europese Unie, zoals opgenomen in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, onderworpen is aan toezicht dat vergelijkbaar is met het toezicht van artikel 21, lid 4, van de luchtvervoersovereenkomst, als gewijzigd bij het protocol.


AANVULLENDE OVEREENKOMST

tussen ten eerste, de Europese Unie en haar lidstaten, ten tweede, IJsland, en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen, betreffende de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK HONGARIJE,

MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en lidstaten van de Europese Unie (hierna de „lidstaten” genoemd),

en

ten eerste,

DE EUROPESE UNIE,

ten tweede,

IJSLAND,

en

ten derde,

HET KONINKRIJK NOORWEGEN (hierna „Noorwegen”),

EROP WIJZENDE DAT de Europese Commissie namens de Europese Unie en de lidstaten heeft onderhandeld over een overeenkomst inzake luchtvervoer met de Verenigde Staten van Amerika, overeenkomstig het besluit van de Raad waarbij de Commissie werd gemachtigd om onderhandelingen te openen,

EROP WIJZENDE DAT de overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten (hierna „de luchtvervoersovereenkomst” genoemd) op 2 maart 2007 is geparafeerd, op 25 april 2007 te Brussel en op 30 april 2007 te Washington D.C. is ondertekend en voorlopig wordt toegepast sinds 30 maart 2008,

EROP WIJZENDE DAT de luchtvervoersovereenkomst is gewijzigd bij het protocol tot wijziging van de overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie en haar lidstaten (hierna „het protocol” genoemd), dat op 25 maart 2010 is geparafeerd en op 24 juni 2010 te Luxemburg is ondertekend,

EROP WIJZENDE DAT IJsland en Noorwegen, die via de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte volledig zijn geïntegreerd in de eengemaakte Europese luchtvaartmarkt, zijn toegetreden tot de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, via een overeenkomst tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen (hierna „de overeenkomst” genoemd), die op dezelfde datum is ondertekend en waarin de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, is opgenomen,

ERKENNENDE DAT procedures moeten worden vastgesteld volgens dewelke, indien van toepassing, wordt beslist hoe maatregelen uit hoofde van artikel 21, lid 5, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, moeten worden genomen,

ERKENNENDE DAT het bovendien noodzakelijk is om procedurele regelingen vast te stellen voor de deelname van IJsland en Noorwegen aan het bij artikel 18 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, opgericht Gemengd Comité en aan de bij artikel 19 van het de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, voorziene arbitrageprocedures. Deze procedurele regelingen moeten zorgen voor samenwerking, doorstroming van informatie en overleg voorafgaand aan de vergaderingen van het Gemengd Comité, en voor de tenuitvoerlegging van bepaalde bepalingen van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, waaronder deze inzake beveiliging, veiligheid, het verlenen en intrekken van verkeersrechten en overheidssteun,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Kennisgeving

Indien de Europese Unie en haar lidstaten besluiten om de overeenkomst te beëindigen overeenkomstig artikel 3 van de overeenkomst of om de voorlopige toepassing ervan stop te zetten of om kennisgevingen daartoe in te trekken, moet de Commissie, alvorens de Verenigde Staten van Amerika via diplomatieke kanalen daarvan in kennis te stellen, onmiddellijk IJsland en Noorwegen daarvan in kennis stellen. Omgekeerd moeten ook IJsland en/of Noorwegen de Commissie onmiddellijk in kennis stellen van dergelijke besluiten.

Artikel 2

Opschorting van verkeersrechten

Een besluit waarbij luchtvaartmaatschappijen van de andere partij geen toestemming krijgen om extra frequenties te exploiteren of nieuwe markten aan te boren in het kader van de Overeenkomst en waarbij de Verenigde Staten van Amerika daarvan in kennis worden gesteld, of de opheffing van een dergelijk besluit, overeenkomstig artikel 21, lid 5, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, wordt met eenparigheid van stemmen en overeenkomstig de relevante bepalingen van het Verdrag genomen door de Raad, namens de Unie en de lidstaten, en door IJsland en Noorwegen. Vervolgens stelt de voorzitter van de Raad de Verenigde Staten van Amerika in kennis van een dergelijk besluit namens de Europese Unie en de lidstaten, IJsland en Noorwegen.

Artikel 3

Gemengd Comité

1.   De Europese Unie, de lidstaten, IJsland en Noorwegen worden in het bij artikel 18 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, opgerichte Gemengd Comité vertegenwoordigd door vertegenwoordigers van de Commissie, de lidstaten, IJsland en Noorwegen.

2.   Het standpunt van de Europese Unie, de lidstaten, IJsland en Noorwegen in het Gemengd Comité wordt vertolkt door de Commissie, behalve op gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten vallen; in dat geval wordt het standpunt vertolkt door het voorzitterschap van de Raad of door de Commissie, IJsland en Noorwegen.

3.   Het door IJsland en Noorwegen in het Gemengd Comité in te nemen standpunt in zaken die onder de artikelen 14 en 20 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, vallen of in zaken die geen besluit met juridische gevolgen vereisen, wordt vastgesteld door de Commissie in overeenstemming met IJsland en Noorwegen.

4.   Met betrekking tot andere besluiten van het Gemengd Comité over zaken waarop geen verordeningen en richtlijnen van toepassing zijn die in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn opgenomen, wordt het standpunt van IJsland en Noorwegen vastgesteld door IJsland en Noorwegen op voorstel van de Commissie.

5.   Met betrekking tot andere besluiten van het Gemengd Comité over zaken waarop geen verordeningen en richtlijnen van toepassing zijn die in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn opgenomen, wordt het standpunt van IJsland en Noorwegen vastgesteld door IJsland en Noorwegen in overleg met de Commissie.

6.   De Commissie neemt passende maatregelen om te garanderen dat IJsland en Noorwegen volwaardig kunnen deelnemen aan coördinatie-, overleg- of beleidvormingsvergaderingen met de lidstaten en dat IJsland en Noorwegen, ter voorbereiding op vergaderingen van het Gemengd Comité, toegang krijgen tot de relevante informatie.

Artikel 4

Arbitrage

1.   Bij de arbitrageprocedure in het kader van artikel 19 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, worden de Europese Unie, de lidstaten, IJsland en Noorwegen vertegenwoordigd door de Commissie.

2.   Indien nodig neemt de Commissie maatregelen om te garanderen dat IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de voorbereiding en coördinatie van de arbitrageprocedures.

3.   Als de Raad besluit voordelen uit hoofde van artikel 19, lid 7, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, op te schorten, worden IJsland en Noorwegen in kennis gesteld van dit besluit. Omgekeerd stellen ook IJsland en/of Noorwegen de Commissie in kennis van dergelijke besluiten.

4.   Iedere andere krachtens artikel 19 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, te nemen maatregel inzake aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de EU vallen, wordt genomen door de Commissie, met de hulp van een Speciaal Comité van door de Raad benoemde vertegenwoordigers van de lidstaten en van vertegenwoordigers van IJsland en Noorwegen.

Artikel 5

Uitwisseling van informatie

1.   IJsland en Noorwegen stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van elk besluit tot weigering, intrekking, opschorting of beperking van de vergunningen van een luchtvaartmaatschappij van de Verenigde Staten van Amerika dat zij krachtens artikel 4 of 5 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, hebben genomen. Omgekeerd stelt de Commissie IJsland en Noorwegen onmiddellijk in kennis van dergelijke besluiten van de lidstaten. Omgekeerd stelt de Commissie IJsland en Noorwegen onmiddellijk in kennis van dergelijke besluiten van de lidstaten.

2.   IJsland en Noorwegen stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van verzoeken of kennisgevingen die zij uit hoofde van artikel 8 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, hebben gedaan of ontvangen. Omgekeerd stelt de Commissie IJsland en Noorwegen onmiddellijk in kennis van dergelijke verzoeken of kennisgevingen die zijn gedaan of ontvangen door lidstaten.

3.   IJsland en Noorwegen stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van verzoeken of kennisgevingen die zij uit hoofde van artikel 9 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, hebben gedaan of ontvangen. Omgekeerd stelt de Commissie IJsland en Noorwegen onmiddellijk in kennis van dergelijke verzoeken of kennisgevingen die zijn gedaan of ontvangen door lidstaten.

Artikel 6

Overheidssubsidies en -steun

1.   Indien IJsland of Noorwegen van mening is dat een subsidie of steunmaatregel die door een overheidsinstantie op het grondgebied van de Verenigde Staten van Amerika wordt verstrekt of overwogen, de in artikel 14, lid 2, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, vermelde nadelige gevolgen voor de mededinging zal hebben, vestigt het de aandacht van de Commissie op deze kwestie. Indien een lidstaat de Commissie op een dergelijke kwestie heeft gewezen, brengt de Commissie deze kwestie onder de aandacht van IJsland en Noorwegen.

2.   De Commissie, IJsland en Noorwegen mogen contact opnemen met de desbetreffende instantie of vragen om een vergadering van het Gemengd Comité dat is opgericht bij artikel 18 van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol.

3.   De Commissie, IJsland en Noorwegen brengen elkaar onmiddellijk op de hoogte wanneer de Verenigde Staten van Amerika uit hoofde van artikel 14, lid 3, van de luchtvervoersovereenkomst, zoals gewijzigd bij het protocol, contact met hen opnemen.

Artikel 7

Opzegging van de overeenkomst of beëindiging van de voorlopige toepassing

1.   Elke partij mag te allen tijde de andere partij schriftelijk via diplomatieke kanalen in kennis stellen van haar besluit deze aanvullende overeenkomst op te zeggen of de voorlopige toepassing ervan te beëindigen. Deze aanvullende overeenkomst of de voorlopige toepassing ervan neemt een einde om middernacht GMT, zes maanden na de datum van schriftelijke kennisgeving tenzij de kennisgeving in onderlinge overeenstemming tussen de partijen wordt ingetrokken voordat deze termijn is verstreken.

2.   Onverminderd andere bepalingen van dit artikel wordt de aanvullende overeenkomst of de voorlopige toepassing ervan beëindigd wanneer de overeenkomst of de voorlopige toepassing ervan wordt beëindigd.

Artikel 8

Voorlopige toepassing

In afwachting van de inwerkingtreding overeenkomstig artikel 9 komen de partijen overeen om deze aanvullende overeenkomst voorlopig toe te passen, voor zover dit is toegestaan uit hoofde van de toepasselijke nationale wetgeving, vanaf de laatste van de volgende twee data: de datum van de ondertekening van deze aanvullende overeenkomst of de in artikel 5 van de overeenkomst gespecificeerde datum.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze aanvullende overeenkomst treedt in werking, ofwel a) een maand na de datum van de laatste nota in de uitwisseling van diplomatieke nota’s tussen de partijen, waarbij zij bevestigen dat alle nodige procedures voor de inwerkingtreding van deze aanvullende overeenkomst zijn voltooid, ofwel b) op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst, naargelang welke datum later valt.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze aanvullende overeenkomst hebben ondertekend.

Gedaan te Luxemburg en Oslo, in drievoud, respectievelijk op 16 en 21 juni 2011 in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de IJslandse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Noorse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten authentiek zijn.

За Европейския съюз

Por la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image

Image

Fyrir Ísland

Image

For Kongeriket Norge

Image

Voor het Koninkrijk België

Pour le Royaume de Belgique

Für das Königreich Belgien

Image

Deze handtekening verbindt eveneens het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Cette signature engage également la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale.

Diese Unterschrift bindet zugleich die Wallonische Region, die Flämische Region und die Region Brüssel-Hauptstadt.

За Репyблика Бългaрия

Image

Za Českou republiku

Image

For Kongeriget Danmark

Image

Für die Bundesrepublik Deutschland

Image

Eesti Vabariigi nimel

Image

Thar cheann Na hÉireann

For Ireland

Image

Για την Ελληνική Δημοκρατία

Image

Por el Reino de España

Image

Pour la République française

Image

Per la Repubblica italiana

Image

Για την Κυπριακή Δημοκρατία

Image

Latvijas Republikas vārdā –

Image

Lietuvos Respublikos vardu

Image

Pour le Grand-Duché de Luxembourg

Image

A Magyar Köztársaság részéről

Image

Għal Malta

Image

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

Image

Für die Republik Österreich

Image

W imieniu Rzeczypospolitej Polskiej

Image

Pela República Portuguesa

Image

Pentru România

Image

Za Republiko Slovenijo

Image

Za Slovenskú republiku

Image

Suomen tasavallan puolesta

För Republiken Finland

Image

För Konungariket Sverige

Image

For the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Image


29.10.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/25


BESLUIT VAN DE RAAD

van 20 oktober 2011

betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten tussen de Europese Unie en de Verenigde Mexicaanse Staten

(2011/709/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, juncto artikel 218, lid 6, onder a), en lid 8, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft bij besluit van 5 juni 2003 de Commissie gemachtigd met derde landen onderhandelingen te beginnen over de vervanging van sommige bepalingen in bestaande bilaterale overeenkomsten door een overeenkomst op uniaal niveau.

(2)

Overeenkomstig de mechanismen en richtsnoeren in de bijlage bij het besluit van de Raad van 5 juni 2003, heeft de Commissie namens de Unie met de Verenigde Mexicaanse Staten onderhandeld over een overeenkomst inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten (hierna „de overeenkomst”).

(3)

De overeenkomst is namens de Unie ondertekend op 15 december 2010 onder voorbehoud van sluiting ervan op een latere datum, overeenkomstig Besluit 2011/94/EU van de Raad (1).

(4)

Deze overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten tussen de Europese Unie en de Verenigde Mexicaanse Staten („de overeenkomst”) wordt goedgekeurd namens de Unie (2).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd om de persoon(personen) aan te wijzen die bevoegd is(zijn) om de in artikel 7, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving te verrichten.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 20 oktober 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. SAWICKI


(1)  PB L 38 van 12.2.2011, blz. 33.

(2)  De overeenkomst is in PB L 38 van 12.2.2011, blz. 34 samen met het besluit betreffende de ondertekening bekendgemaakt.


29.10.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/26


BESLUIT VAN DE RAAD

van 20 oktober 2011

inzake de sluiting van het memorandum van samenwerking NAT-I-9406 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie

(2011/710/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), artikel 218, lid 7, en artikel 218, lid 8, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft namens de Unie met de Verenigde Staten van Amerika onderhandeld over het memorandum van samenwerking NAT-I-9406 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie (hierna „het memorandum”).

(2)

Het memorandum is ondertekend op 3 maart 2011.

(3)

Het memorandum dient door de Unie te worden goedgekeurd.

(4)

Het is noodzakelijk procedures vast te stellen voor de deelname van de Unie aan het gemengd comité dat bij het memorandum is ingesteld en voor geschillenbeslechting,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het memorandum van samenwerking NAT-I-9406 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie (hierna „het memorandum”) wordt namens de Unie goedgekeurd (1).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de in artikel XII, onder, van het memorandum bedoelde kennisgeving te verrichten (2).

Artikel 3

De Unie wordt in het bij artikel III van het memorandum ingesteld Gemengd Comité vertegenwoordigd door de Commissie, bijgestaan door vertegenwoordigers van de lidstaten.

Artikel 4

1.   Na overleg met het door de Raad aangestelde bijzonder comité bepaalt de Commissie het standpunt dat door de Unie in het gemengd comité in te nemen standpunt, met name met betrekking tot de vaststelling van:

aanvullende bijlagen bij het memorandum en bijbehorende aanhangsels bedoeld in artikel III, onder E, punt 2, van het memorandum;

wijzigingen in de bijlagen bij het memorandum en de bijbehorende aanhangsels als bedoeld in artikel III, onder E, punt 3, van het memorandum.

2.   De Commissie bepaalt het door de Unie in het Gemengd Comité in te nemen standpunt met betrekking tot de opstelling en vaststelling van het reglement van orde van het gemengd comité als voorzien in artikel III, onder C, van het memorandum.

3.   De Commissie kan alle passende maatregelen nemen in het kader van artikel II, onder B, en de artikelen IV, V, VII en VIII van het memorandum.

4.   De Commissie vertegenwoordigt de Unie in het overleg in het kader van artikel XI van het memorandum.

Artikel 5

De Commissie brengt de Raad regelmatig op de hoogte van de uitvoering van het memorandum.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 20 oktober 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. SAWICKI


(1)  Het memorandum is samen met het besluit betreffende de ondertekening ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (PB L 89 van 5.4.2011, blz. 3).

(2)  De datum van inwerkingtreding van het memorandum zal door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.


VERORDENINGEN

29.10.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/27


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1093/2011 VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 2011

betreffende de toepassing van afwijkingen van de oorsprongsregels die zijn vastgesteld in het aan de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, gehechte protocol inzake de definitie van producten van oorsprong

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit 2011/265/EG van de Raad van 16 september 2010 betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (1), en met name artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft bij Besluit 2011/265/EU machtiging verleend voor de ondertekening namens de Europese Unie van de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (2) („de overeenkomst”). Besluit 2011/265/EU bevestigt de voorlopige toepassing van de overeenkomst, onder voorbehoud van latere sluiting, zoals voorzien in artikel 15.10, onder 5, van de overeenkomst. De datum waarop de overeenkomst voorlopig van toepassing is, is vastgesteld op 1 juli 2011.

(2)

Voor een aantal specifieke producten voorziet bijlage II(a) bij het aan de overeenkomst gehechte protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (3) („het protocol”) in afwijkingen van de in bijlage II bij het protocol vastgestelde oorsprongsregels. Voor de afwijkingen gelden echter jaarlijkse contingenten. Daarom moeten voorwaarden worden vastgesteld voor de toepassing van die afwijkingen.

(3)

Overeenkomstig bijlage II(a) bij het protocol moet het bewijs van oorsprong voor bereidingen van surimi (GN-code 1604 20 05) vergezeld gaan van een document waaruit blijkt dat de bereiding van surimi voor ten minste 40 gewichtpercenten van het product uit vis bestaat en dat het hoofdingrediënt voor de surimibasis Alaskakoolvis (theragra Chalcogramma) is.

(4)

Overeenkomstig bijlage II(a) bij het protocol moet het bewijs van oorsprong voor geverfde weefsels met GN-codes 5408 22 en 5408 32 vergezeld gaan van een document waaruit blijkt dat de waarde van het gebruikte ongeverfde weefsel niet meer bedraagt dan 50 % van de prijs af fabriek van het product.

(5)

Aangezien de in bijlage II(a) bij het protocol aangegeven contingenten door de Europese Commissie moeten worden beheerd op basis van de volgorde van aanvaarding van de aangifte, moeten deze worden beheerd overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautaire douanewetboek (4).

(6)

Aangezien de overeenkomst op 1 juli 2011 in werking treedt, dient deze verordening met ingang van dezelfde datum van toepassing te zijn.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De in bijlage II(a) van het aan de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, gehechte protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking („het protocol”) vastgestelde oorsprongsregels zijn van toepassing op de in de bijlage bij deze verordening opgenomen producten.

2.   De in lid 1 bedoelde oorsprongsregels zijn van toepassing in afwijking van de in bijlage II bij het protocol vastgestelde oorsprongsregels, met inachtneming van de in de bijlage vastgestelde contingenten.

Artikel 2

De in deze verordening vastgestelde oorsprongsregels zijn van toepassing onder de volgende voorwaarden:

a)

bij de vrijgave van de producten voor het vrije verkeer in de Unie wordt een door de toegelaten exporteur ondertekende verklaring afgegeven waaruit blijkt dat de betrokken producten aan de voorwaarden voor de afwijking voldoen;

b)

de in punt a) bedoelde verklaring bevat de volgende verklaring in het Engels: „Derogation — Annex II(a) of the Protocol concerning the definition of originating products and methods of administrative cooperation”.

Artikel 3

1.   Een bewijs van oorsprong dat wordt afgegeven voor bereidingen van surimi (GN-code 1604 20 05) moet vergezeld gaan van een document waaruit blijkt dat de bereiding van surimi voor ten minste 40 gewichtpercenten van het product uit vis bestaat en dat het hoofdingrediënt voor de surimibasis Alaskakoolvis (theragra Chalcogramma) is.

2.   Indien nodig moet de betekenis van „hoofdingrediënt”, zoals bedoeld in lid 1, worden geïnterpreteerd door het Douanecomité, overeenkomstig artikel 28 van het protocol.

Artikel 4

1.   Het in artikel 3 bedoelde document omvat ten minste een door de toegelaten exporteur ondertekende verklaring in het Engels waaruit blijkt dat:

a)

de bereiding van surimi voor ten minste 40 gewichtpercenten van het product uit vis bestaat;

b)

het hoofdingrediënt voor de surimibasis Alaskakoolvis (theragra Chalcogramma) is.

2.   In de in lid 1 bedoelde verklaring wordt ook vermeld:

a)

de hoeveelheid gebruikte Alaskakoolvis (theragra Chalcogramma), uitgedrukt in percentage van de voor de vervaardiging van de surimi gebruikte vis,

b)

het land van oorsprong van de Alaskakoolvis.

Artikel 5

Een bewijs van oorsprong dat wordt afgegeven voor geverfde weefsels met GN-codes 5408 22 en 5408 32 moet vergezeld gaan van een document waaruit blijkt dat de waarde van het gebruikte ongeverfde weefsel niet meer bedraagt dan 50 % van de prijs af fabriek van het product.

Artikel 6

Het in artikel 5 bedoelde document moet ten minste bestaan uit een door de toegelaten exporteur ondertekende verklaring in het Engels waaruit blijkt dat de waarde van het gebruikte ongeverfde weefsel niet meer bedraagt dan 50 % van de prijs af fabriek van het product. In de bedoelde verklaring wordt ook het volgende vermeld:

a)

de prijs in euro van de niet van oorsprong zijnde ongeverfde weefels die worden gebruikt voor de vervaardiging van de geverfde weefsels (GN-codes 5408 22 en 5408 32);

b)

de prijs af fabriek van de geverfde weefsels (GN-codes 5408 22 en 5408 32).

Artikel 7

De in de bijlage bij deze verordening vastgestelde contingenten worden door de Commissie beheerd overeenkomstig de artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 8

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 juli 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 1.

(2)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 6.

(3)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 1344.

(4)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


BIJLAGE

Onverminderd de bepalingen voor de uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur wordt de omschrijving van de goederen geacht slechts een indicatieve waarde te hebben, aangezien in het kader van deze bijlage het preferentiestelsel bepaald wordt door de GN-codes die van toepassing zijn op het ogenblik dat deze verordening wordt aangenomen.

Volgnr.

GN-code

Taric-onderverdeling

Omschrijving

Contingentperiode

Omvang van het contingent

(nettogewicht in ton, tenzij anders bepaald)

09.2450

1604 20 05

 

Bereidingen van surimi

1.7.2011-30.6.2012

2 000

1.7.2012-30.6.2013

2 500

Vanaf 1.7.2013:

 

1.7-30.6

3 500

09.2451

1905 90 45

 

Koekjes en biscuits

1.7-30.6

270

09.2452

2402 20

 

Sigaretten, tabak bevattend

1.7-30.6

250

09.2453

5204

 

Naaigarens van katoen, ook indien opgemaakt voor de verkoop in het klein

1.7-30.6

86

09.2454

5205

 

Garens van katoen (andere dan naaigarens), bevattende 85 of meer gewichtspercenten katoen, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

1.7-30.6

2 310

09.2455

5206

 

Garens van katoen (andere dan naaigarens), bevattende minder dan 85 gewichtspercenten katoen, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

1.7-30.6

377

09.2456

5207

 

Garens van katoen (andere dan naaigarens), opgemaakt voor de verkoop in het klein

1.7-30.6

92

09.2457

5408

 

Weefsels van kunstmatige filamentgarens, weefsels vervaardigd van producten bedoeld bij post 5405 daaronder begrepen

1.7-30.6

17 805 290 m2

09.2458

5508

 

Naaigarens van synthetische of van kunstmatige stapelvezels, ook indien opgemaakt voor de verkoop in het klein

1.7-30.6

286

09.2459

5509

 

Garens van synthetische stapelvezels (andere dan naaigarens), niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

1.7-30.6

3 437

09.2460

5510

 

Garens, andere dan naaigarens, van kunstmatige stapelvezels, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

1.7-30.6

1 718

09.2461

5511

 

Garens van synthetische of van kunstmatige stapelvezels (andere dan naaigarens), opgemaakt voor de verkoop in het klein

1.7-30.6

203


29.10.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/30


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1094/2011 VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 2011

tot vaststelling, voor de periode 2011/2012, van de coëfficiënten voor de in de vorm van Scotch whisky uitgevoerde granen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1670/2006 van de Commissie van 10 november 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad wat de vaststelling en de toekenning van aangepaste restituties voor in de vorm van bepaalde alcoholhoudende dranken uitgevoerde granen betreft (2), en met name artikel 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1670/2006 is bepaald dat de hoeveelheden granen waarvoor de restitutie wordt toegekend, de hoeveelheden zijn die onder controle zijn geplaatst en zijn gedistilleerd en waarop een jaarlijks voor elke betrokken lidstaat vast te stellen coëfficiënt is toegepast. Deze coëfficiënt geeft de verhouding weer tussen de in totaal uitgevoerde hoeveelheden en de in totaal in de handel gebrachte hoeveelheden van de betrokken alcoholhoudende drank, en wel op basis van de ontwikkeling van die hoeveelheden tijdens het aantal jaren dat overeenkomt met de gemiddelde rijpingsperiode van die alcoholhoudende drank.

(2)

Volgens de gegevens die het Verenigd Koninkrijk heeft verstrekt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2010, bedroeg de gemiddelde rijpingsperiode van Scotch whisky in 2010 acht jaar.

(3)

Verordening (EU) nr. 1113/2010 van de Commissie van 1 december 2010 tot vaststelling, voor de periode 2010/2011, van de coëfficiënten voor de in de vorm van Scotch whisky uitgevoerde granen (3) heeft niet langer effect aangezien zij betrekking heeft op de coëfficiënten voor de periode 2010/2011. Derhalve dienen de coëfficiënten voor de periode van 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2012 te worden vastgesteld.

(4)

Op grond van artikel 10 van Protocol nr. 3 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte mogen geen restituties worden verleend bij uitvoer naar Liechtenstein, IJsland en Noorwegen. Bovendien heeft de EU in overeenkomsten met sommige derde landen afgesproken geen uitvoerrestituties te verlenen. Bijgevolg dient dit overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1670/2006 in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de coëfficiënt voor de periode 2011/2012,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1670/2006 bedoelde coëfficiënten voor de granen die in het Verenigd Koninkrijk worden gebruikt voor de vervaardiging van Scotch whisky, worden voor de periode van 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2012 vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 312 van 11.11.2006, blz. 33.

(3)  PB L 316 van 2.12.2010, blz. 2.


BIJLAGE

In het Verenigd Koninkrijk toe te passen coëfficiënten

Periode van toepassing

Coëfficiënt voor

de vermoute gerst die wordt gebruikt voor de vervaardiging van malt whisky

de granen die worden gebruikt voor de vervaardiging van grain whisky

Van 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2012

0,296

0,229


29.10.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/32


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1095/2011 VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 2011

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met betrekking tot de drempelvolumes voor de toepassing van de aanvullende rechten voor komkommers, artisjokken, clementines, mandarijnen en sinaasappelen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 143, onder b), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), voorziet in toezicht op de invoer van de in bijlage XVIII daarvan vermelde producten. Voor dit toezicht gelden de uitvoeringsbepalingen die zijn vastgesteld in artikel 308 quinquies van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3).

(2)

Met het oog op de toepassing van artikel 5, lid 4, van de in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde gesloten Overeenkomst inzake de landbouw (4), en op grond van de meest recente beschikbare gegevens over 2008, 2009 en 2010 moeten de drempelvolumes voor de toepassing van de aanvullende rechten voor komkommers, artisjokken, clementines, mandarijnen en sinaasappelen worden aangepast.

(3)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XVIII bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 november 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.

(3)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.

(4)  PB L 336 van 23.12.94, blz. 22.


BIJLAGE

„BIJLAGE XVIII

AANVULLENDE INVOERRECHTEN: TITEL IV, HOOFDSTUK I, SECTIE 2

Onverminderd de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur wordt de tekst van de omschrijving van de goederen als louter indicatief beschouwd. De werkingssfeer van de aanvullende rechten wordt in het kader van deze bijlage bepaald door de draagwijdte van de GN-codes zoals deze bij de vaststelling van de onderhavige verordening bestaan.

Volgnummer

GN-code

Omschrijving

Toepassingsperiode

Drempelvolume (in t)

78.0015

0702 00 00

Tomaten

1 oktober t/m 31 mei

481 762

78.0020

1 juni t/m 30 september

44 251

78.0065

0707 00 05

Komkommers

1 mei t/m 31 oktober

92 229

78.0075

1 november t/m 30 april

55 270

78.0085

0709 90 80

Artisjokken

1 november t/m 30 juni

11 620

78.0100

0709 90 70

Courgettes

1 januari t/m 31 december

57 955

78.0110

0805 10 20

Sinaasappelen

1 december t/m 31 mei

292 760

78.0120

0805 20 10

Clementines

1 november tot eind februari

85 392

78.0130

0805 20 30

0805 20 50

0805 20 70

0805 20 90

Mandarijnen (tangerines en satsuma’s daaronder begrepen); wilkings en soortgelijke kruisingen van citrusvruchten

1 november tot eind februari

99 128

78.0155

0805 50 10

Citroenen

1 juni t/m 31 december

346 366

78.0160

1 januari t/m 31 mei

88 090

78.0170

0806 10 10

Tafeldruiven

21 juli t/m 20 november

80 588

78.0175

0808 10 80

Appelen

1 januari t/m 31 augustus

700 556

78.0180

1 september t/m 31 december

65 039

78.0220

0808 20 50

Peren

1 januari t/m 30 april

229 646

78.0235

1 juli t/m 31 december

35 541

78.0250

0809 10 00

Abrikozen

1 juni t/m 31 juli

5 794

78.0265

0809 20 95

Kersen, andere dan zure kersen

21 mei t/m 10 augustus

30 783

78.0270

0809 30

Perziken, nectarines daaronder begrepen

11 juni t/m 30 september

5 613

78.0280

0809 40 05

Pruimen

11 juni t/m 30 september

10 293”


29.10.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/34


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1096/2011 VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 29 oktober 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

82,9

MA

43,8

MK

71,7

ZZ

66,1

0707 00 05

AL

45,6

EG

151,1

JO

191,6

MK

62,2

TR

150,5

ZZ

120,2

0709 90 70

AR

33,4

TR

140,0

ZZ

86,7

0805 50 10

AR

62,1

CL

76,5

TR

66,9

ZA

79,0

ZZ

71,1

0806 10 10

BR

224,9

CL

71,4

TR

127,6

US

252,5

ZA

67,9

ZZ

148,9

0808 10 80

AR

48,0

BR

86,4

CA

92,8

CL

90,0

CN

82,6

NZ

126,9

US

99,9

ZA

122,3

ZZ

93,6

0808 20 50

CN

52,9

TR

130,3

ZZ

91,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

29.10.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/36


RICHTLIJN 2011/84/EU VAN DE RAAD

van 20 september 2011

tot wijziging van Richtlijn 76/768/EEG inzake cosmetische producten met het oog op de aanpassing van bijlage III aan de technische vooruitgang

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (1), en met name artikel 8, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage III, eerste deel, bij Richtlijn 76/768/EEG zijn al beperkingen en voorwaarden betreffende het gebruik van waterstofperoxide opgenomen.

(2)

Het Wetenschappelijk Comité voor consumentenproducten, dat ingevolge Besluit 2008/721/EG van de Commissie van 5 augustus 2008 tot instelling van een adviesstructuur van wetenschappelijke comités en deskundigen op het gebied van consumentenveiligheid, volksgezondheid en het milieu en tot intrekking van Besluit 2004/210/EG (2) is vervangen door het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (WCCV), heeft verklaard dat een maximale concentratie van 0,1 % waterstofperoxide, aanwezig in mondproducten of vrijkomend uit andere verbindingen of mengsels in deze producten, veilig is. Het gebruik van waterstofperoxide in die concentratie in mondproducten, waaronder tandbleekmiddelen, moet daarom toegestaan blijven.

(3)

Het WCCV is van oordeel dat het gebruik van tandbleekmiddelen waarin tussen 0,1 % en 6 % waterstofperoxide aanwezig is of die verbindingen of mengsels bevatten waaruit dit percentage vrijkomt, veilig kan zijn als aan de volgende voorwaarden is voldaan. Een behoorlijk klinisch onderzoek moet worden uitgevoerd om te garanderen dat er geen sprake is van risicofactoren of ernstige mondaandoeningen, en de blootstelling aan deze producten moet op zodanige wijze wordt beperkt dat wordt verzekerd dat de producten uitsluitend op de voorgeschreven wijze worden gebruikt wat de toepassingsfrequentie en -duur betreft. Aan deze voorwaarden moet zijn voldaan zodat redelijkerwijze voorzienbaar verkeerd gebruik wordt uitgesloten.

(4)

Daarom moeten die producten zodanig worden gereglementeerd dat zij niet rechtstreeks voor de consument beschikbaar zijn. Voor elke gebruikscyclus van die producten dient het eerste gebruik voorbehouden te worden aan beoefenaren der tandheelkunde zoals omschreven in Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (3), of onder hun rechtstreeks toezicht plaats te vinden als een gelijkwaardig veiligheidsniveau gegarandeerd is. De tandheelkundige dient vervolgens die producten alleen ter beschikking te stellen voor de rest van de gebruikscyclus.

(5)

Tandbleekmiddelen met een concentratie van meer dan 0,1 % waterstofperoxide moeten naar behoren worden geëtiketteerd zodat een juist gebruik van deze producten gegarandeerd is. Hiertoe dient de exacte concentratie waterstofperoxide die in mondproducten aanwezig is of uit andere verbindingen en mengsels in die producten vrijkomt, duidelijk in procenten op het etiket te worden vermeld.

(6)

Richtlijn 76/768/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Het Permanent Comité voor cosmetische producten heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Richtlijn 76/768/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 oktober 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 31 oktober 2012.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 september 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. SAWICKI


(1)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 169.

(2)  PB L 241 van 10.9.2008, blz. 21.

(3)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.


BIJLAGE

In bijlage III, eerste deel, bij Richtlijn 76/768/EEG komt rangnummer 12 als volgt te luiden:

Rangnummer

Stoffen

Grenzen

Gebruiksvoorwaarden en waarschuwingen die op het etiket dienen te worden vermeld

Toepassingsgebied en/of gebruik

Maximaal toelaatbare concentratie in het cosmetische eindproduct

Andere beperkingen en eisen

„12

Waterstofperoxide en andere verbindingen of mengsels waaruit waterstofperoxide vrijkomt, zoals ureum-waterstofperoxide en zinkperoxide

a)

Haarverzorgingsmiddelen

a)

12 % H2O2 (40 volumedelen), aanwezig of vrijkomend

 

a) Geschikte handschoenen dragen.

a), b), c), e) Bevat waterstofperoxide.

Oogcontact voorkomen.

Bij toevallig oogcontact onmiddellijk uitwassen.

b)

Middelen voor huidverzorging

b)

4 % H2O2, aanwezig of vrijkomend

 

c)

Nagelverstevigers

c)

2 % H2O2, aanwezig of vrijkomend

 

d)

Mondproducten, met inbegrip van mondspoelmiddelen, tandpasta en tandbleekmiddelen

d)

≤ 0,1 % H2O2, aanwezig of vrijkomend

 

e)

Tandbleekmiddelen

e)

tussen 0,1 % en 6 % H2O2, aanwezig of vrijkomend

e)

Alleen te verkopen aan beoefenaren der tandheelkunde. Voor elke gebruikscyclus, eerste gebruik door beoefenaren der tandheelkunde zoals omschreven in Richtlijn 2005/36/EG (1) of onder hun rechtstreeks toezicht als een gelijkwaardig veiligheidsniveau gewaarborgd is. Vervolgens alleen ter beschikking van de consument te stellen voor de rest van de gebruikscyclus.

Niet gebruiken bij personen onder de 18 jaar.

e) Concentratie van H2O2, aanwezig of vrijkomend, uitgedrukt als percentage.

Niet gebruiken bij personen onder de 18 jaar.

Alleen te verkopen aan beoefenaren der tandheelkunde. Voor elke gebruikscyclus, het eerste gebruik uitsluitend door beoefenaren der tandheelkunde of onder hun rechtstreeks toezicht als een gelijkwaardig veiligheidsniveau gegarandeerd is. Vervolgens alleen ter beschikking van de consument te stellen voor de rest van de gebruikscyclus.


(1)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.”.


AANBEVELINGEN

29.10.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/39


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2011

betreffende de digitalisering en online-toegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring

(2011/711/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Digitale agenda voor Europa wil optimaal gebruikmaken van de informatietechnologieën om de economie te laten groeien, werkgelegenheid te creëren en de levenskwaliteit van Europese burgers te verhogen, als onderdeel van de Europa 2020-strategie. De digitalisering en het behoud van het Europees cultureel geheugen, dat gedrukt materiaal (boeken, tijdschriften en kranten), foto’s, museumvoorwerpen, archiefdocumenten en audiovisueel materiaal (hierna „cultureel materiaal”) omvat, is een van de voornaamste thema’s die in de Digitale agenda aan de orde komen.

(2)

De EU-strategie voor digitalisering en bewaring bouwt voort op de werkzaamheden van de afgelopen jaren in het kader van het digitale bibliotheekinitiatief. De Europese maatregelen op dit gebied, met inbegrip van de ontwikkeling van Europeana, het Europese digitale bibliotheekarchief en museum, werden gesteund door het Europees Parlement en de Raad en meest recent in een resolutie van het Parlement van 5 mei 2010 en de conclusies van de Raad van 10 mei 2010. Het Werkplan voor cultuur 2011-2014 dat door de Raad werd opgezet tijdens zijn bijeenkomst van 18 en 19 november 2010, onderstreept de noodzaak de inspanningen op het gebied van digitalisering te coördineren.

(3)

Op 28 augustus 2006 richtte de Commissie een aanbeveling tot de lidstaten om middels het internet het economisch en cultureel potentieel van het Europees erfgoed te optimaliseren. De verslagen van de lidstaten over de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van 2008 en 2010 laten zien dat vooruitgang is geboekt. De vooruitgang is echter niet gelijk in alle lidstaten en loopt uiteen voor de verschillende punten van de aanbeveling.

(4)

De context voor digitalisering en samenwerking op Europees niveau heeft de afgelopen paar jaar overigens ook een aanzienlijke verandering ondergaan. Nieuwe elementen zijn onder meer de lancering van Europeana in november 2008, de publicatie van het door het Comité van Wijzen opgestelde verslag „The New Renaissance” over het online plaatsen van het Europese culturele erfgoed van 10 januari 2011 en het voorstel van de Commissie voor de richtlijn inzake verweesde werken van 24 mei 2011.

(5)

De aan de lidstaten aanbevolen maatregelen voor digitalisering en het online plaatsen van het Europese culturele erfgoed en de digitale bewaring hiervan, moeten dan ook worden bijgewerkt. In deze context moet de ontwikkeling van gedigitaliseerd materiaal uit bibliotheken, archieven en musea verder worden gestimuleerd om ervoor te zorgen dat Europa zijn positie behoudt als belangrijke internationale speler op het gebied van cultuur en creatieve inhoud en optimaal gebruik maakt van de rijkdom van cultureel materiaal. Zoals werd onderstreept in het door het Comité van Wijzen opgestelde verslag over het online plaatsen van het Europese culturele erfgoed, moet Europa nu overgaan tot actie om de vruchten te kunnen plukken van digitalisering en digitale bewaring. Wanneer de lidstaten hun investeringen op dit gebied niet opvoeren, bestaat het risico dat de culturele en economische voordelen van de digitale verschuiving verwezenlijkt worden op andere continenten en niet in Europa.

(6)

Wanneer dit cultureel materiaal online beschikbaar is, zal het voor de burgers uit heel Europa toegankelijk zijn en kunnen zij het voor vrije tijd, studie of werk gebruiken. Daardoor zal het rijk geschakeerde en meertalige erfgoed van Europa een duidelijk profiel op het internet krijgen en kunnen de Europese culturele instellingen hun opdracht om digitaal toegang te verschaffen tot ons erfgoed en de digitale bewaring ervan voortzetten. Het gedigitaliseerde materiaal kan bovendien voor nieuwe doeleinden worden gebruikt - zowel van commerciële als van niet-commerciële aard - voor toepassingen zoals het ontwikkelen van leer- en educatieve inhoud, documentaires, toepassingen gericht op toerisme, spelletjes, animatiefilms en ontwerpinstrumenten waarbij de auteursrechten en naburige rechten volledig in acht worden genomen.

(7)

Dit zal tevens de creatieve bedrijfstakken, die 3,3 % van het bbp van de EU vertegenwoordigen en 3 % van de werkgelegenheid, belangrijke input verschaffen. Deze industrieën krijgen nu te maken met een digitale overgang die de traditionele modellen op hun kop zet, waardeketens omvormt en nieuwe bedrijfsmodellen vraagt. Digitalisering en uitbreiding van de toegang tot culturele goederen biedt enorme economische mogelijkheden en is een fundamentele voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van de culturele en creatieve capaciteit van Europa en van een sterke aanwezigheid van het Europese bedrijfsleven op dit gebied.

(8)

Digitalisering is een belangrijk middel om een betere toegankelijkheid tot en gebruik van cultureel materiaal te waarborgen. Coördinatie van de activiteiten van de lidstaten om hun cultureel erfgoed te digitaliseren zou meer samenhang brengen in de keuze van het materiaal en overlapping bij de digitalisering voorkomen. Ook zou er zo een minder onzeker klimaat ontstaan voor bedrijven die in technologie voor digitalisering investeren. Overzichten van lopende en geplande digitaliseringsactiviteiten en kwantitatieve taakstellingen voor digitalisering zouden de verwezenlijking van deze doelstellingen dichterbij brengen.

(9)

De kosten van digitalisering van het volledige Europese culturele erfgoed zijn hoog en kunnen niet alleen door de overheid worden gefinancierd. Sponsoring van digitalisering door de particuliere sector of partnerschappen tussen de publieke en de private sector kunnen private organen bij digitalisering betrekken en moeten verder worden gestimuleerd. Om te zorgen voor zo eerlijk en evenwichtig mogelijke partnerschappen, moeten een aantal fundamentele beginselen in acht worden genomen. Zo moet met name een termijn worden bepaald voor het preferentiële gebruik van gedigitaliseerd materiaal. In het Verslag van het Comité van Wijzen over het online plaatsen van het Europese culturele erfgoed werd erop gewezen dat preferentieel gebruik van het in publiek-private partnerschappen gedigitaliseerd materiaal niet langer mag duren dan zeven jaar.

(10)

De EU-structuurfondsen kunnen en worden gebruikt voor de cofinanciering van digitaliseringsactiviteiten als onderdeel van projecten die gevolgen hebben voor de regionale economie. Dit zou echter op meer uitgebreide schaal en meer systematisch moeten gebeuren. Massale digitaliseringsprocessen kunnen door schaalvergroting doelmatiger werken. Het doelmatig gebruik van digitaliseringscapaciteit en waar mogelijk het gezamenlijk gebruik van digitaliseringsapparatuur door culturele instellingen en landen moet dan ook worden aangemoedigd.

(11)

Slechts een deel van het materiaal dat in het bezit is van bibliotheken, archieven en musea behoort tot het publieke domein, hetgeen wil zeggen dat er geen intellectuele-eigendomsrechten (meer) op rusten, terwijl het overige materiaal door intellectuele-eigendomsrechten wordt beschermd. Aangezien intellectuele-eigendomsrechten een belangrijk instrument zijn om de creativiteit te stimuleren, moeten de auteursrechten en naburige rechten bij de digitalisering, beschikbaarstelling en bewaring van het culturele materiaal van Europa volledig in acht worden genomen.

(12)

Op 24 mei 2011 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een richtlijn inzake verweesde werken. Om optimaal te functioneren, moet deze richtlijn snel worden goedgekeurd en uitgevoerd zodat kan worden gezorgd voor een geharmoniseerde aanpak van de kwestie van verweesde werken in de hele EU. Voor de grootschalige digitalisering van werken die uit de handel zijn genomen, moet op vrijwillige basis door de rechthebbenden in de lidstaten een rechtsgrondslag worden ontwikkeld voor licentieregelingen, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een grensoverschrijdende aanpak. De aanpak die is gevolgd bij de door de Commissie gesteunde dialoog tussen de rechthebbenden over boeken en vakbladen die uit de handel zijn, wordt gezien als een model voor verdere dialoog om makkelijker tot overeenkomsten te komen voor de digitalisering van zoveel mogelijk materiaal dat uit de handel is. Deze aanpak resulteerde in een memorandum van overeenstemming dat op 20 september 2011 in Brussel werd ondertekend. Databanken met informatie over rechten die op Europees niveau met elkaar verbonden zijn, kunnen de transactiekosten voor de vereffening van rechten omlaag brengen. Er moet dan ook in nauwe samenwerking met de rechthebbenden aan de invoering van dergelijke mechanismen worden gewerkt.

(13)

Om de toegang tot en het gebruik van publieke-domeininhoud te vergemakkelijken moet ervoor worden gezorgd dat deze, ook in gedigitaliseerde vorm, in het publieke domein blijft. Het gebruik van opvallende watermerken of andere visuele beschermingstekens op kopieën van materiaal uit het publieke domein als eigendomskenmerk of kenmerk van herkomst dient te worden vermeden.

(14)

Europeana, Europa’s digitale bibliotheek, archief en museum, ging op 20 november 2008 van start. De verdere ontwikkeling van Europeana zal in grote mate afhangen van de wijze waarop de lidstaten en hun culturele instellingen deze databanken voorzien van inhoud en onder de aandacht brengen van de burgers. Maatregelen om dit te bereiken dienen te worden aangemoedigd.

(15)

Momenteel biedt Europeana toegang tot meer dan 19 miljoen gedigitaliseerde objecten. Slechts 2 % hiervan is geluids- of audiovisueel materiaal. Door de via Europeana toegankelijke inhoud uit te breiden, met inbegrip van materiaalsoorten die momenteel ondervertegenwoordigd zijn, zal de site aantrekkelijker worden voor gebruikers, zodat uitbreiding moet worden gestimuleerd. Het streven de inhoud voor 2015 uit te breiden tot 30 miljoen objecten is in overeenstemming met het strategisch plan van Europeana en vormt een eerste stap naar digitalisering van het volledige Europese cultuurerfgoed tegen 2025. De beschikbaarheid van alle meesterwerken in het publieke domein (belangrijkste culturele of historische werken en voorwerpen, uitgekozen door de lidstaten zelf) via Europeana betekent een verrijking van de site die zo beantwoordt aan de verwachtingen van de gebruikers. Regelgeving in de lidstaten die ervoor zorgt dat alle met overheidsmiddelen gedigitaliseerde materiaal beschikbaar wordt gesteld via Europeana helpt bij de verdere ontwikkeling van dit platform en creëert een duidelijk kader voor de bijdrage van inhoud door culturele instellingen en de invoering ervan verdient dan ook aanbeveling.

(16)

Digitaal materiaal moet worden beheerd en bewaard anders zouden bestanden wel eens onleesbaar kunnen worden omdat de voor opslag gebruikte hardware en software veroudert, na verloop van tijd in slechtere staat komt te verkeren en opslagapparatuur de hoeveelheid en de inhoud in nieuwe vormen niet aan kan. Ondanks de vooruitgang die in de EU is geboekt wat betreft de bewaring van digitaal materiaal, ontbreekt in verschillende lidstaten nog een duidelijk en algemeen beleid voor de bewaring van digitale inhoud. Het ontbreken van een dergelijk beleid bedreigt de overlevingskansen van gedigitaliseerd materiaal en kan leiden tot het verlies van materiaal dat in digitaal formaat wordt geproduceerd (oorspronkelijk digitaal materiaal). Het ontwikkelen van doeltreffende manieren om digitale inhoud te bewaren, heeft verstrekkende gevolgen die verder reiken dan culturele instellingen. Bewaring van digitale inhoud is relevant voor alle publieke en private organisaties digitaal materiaal moeten of willen bewaren.

(17)

Digitale bewaring brengt ook uitdagingen met zich mee van financiële, organisatorische en technische aard en vergt soms een aanpassing van de wetgeving. Verschillende lidstaten hebben een juridische verplichting voor de producenten van digitaal materiaal ingevoerd om een of meer kopieën van hun materiaal beschikbaar te stellen aan een daartoe aangewezen depotorganisatie of overwegen dit te doen. Het verdient aanbeveling doelmatige bepalingen en praktijken voor wettelijk depot te hanteren omdat zo de administratieve lasten voor zowel inhoudseigenaren als depotorganisaties kunnen worden teruggebracht. Een effectieve samenwerking tussen de lidstaten, die nodig is om sterk uiteenlopende regels voor het deponeren van digitaal materiaal te voorkomen, moet worden gestimuleerd. Web-harvesting is een nieuwe techniek om met het oog op bewaring materiaal van het internet te verzamelen. Daarbij werken daartoe aangewezen instellingen actief aan het verzamelen van materiaal in plaats van te wachten tot dit wordt gedeponeerd, zodat de administratieve belasting voor producenten van digitaal materiaal tot een minimum wordt beperkt, en dit moet derhalve in de nationale wetgeving worden geregeld.

(18)

Wat cinematografische werken betreft, vormt deze aanbeveling voor een aantal aspecten een aanvulling op de Aanbeveling van het Parlement en de Raad van 16 november 2005 over cinematografisch erfgoed en het concurrentievermogen van verwante industriële activiteiten (1),

BEVEELT AAN DAT DE LIDSTATEN:

Digitalisering: organisatie en financiering

1.

hun planning en monitoring van de digitalisering van boeken, tijdschriften, foto’s, museumvoorwerpen, archiefdocumenten en geluids- en audiovisueel materiaal, monumenten en archeologische sites (hierna „cultureel materiaal”) verder ontwikkelen door:

a)

duidelijke kwantitatieve doelstelling te bepalen voor de digitalisering van cultureel materiaal overeenkomstig de algemene bij punt 7 vermelde doelstellingen, met vermelding van de verwachte toename van gedigitaliseerd materiaal dat deel zou kunnen uitmaken van Europeana, en de middelen die hiervoor worden uitgetrokken door de overheden;

b)

een overzicht op te stellen van gedigitaliseerd cultureel materiaal en bij te dragen aan de gezamenlijke inspanningen om een overzicht samen te stellen op Europees niveau met vergelijkbare cijfers;

2.

partnerschappen aanmoedigen tussen culturele instellingen en de privésector om nieuwe manieren te vinden om digitalisering van cultureel materiaal te financieren en innovatief gebruik van het materiaal stimuleren, en er tegelijkertijd voor zorgen dat partnerschappen tussen de publieke en de private sector voor digitalisering eerlijk en evenwichtig zijn, overeenkomstig de in de bijlage vermelde voorwaarden;

3.

zoveel mogelijk gebruikmaken van de EU-structuurfondsen om digitaliseringsactiveiteiten in het kader van regionale innovatiestrategieën voor intelligente specialisatie te co-financieren;

4.

nagaan hoe digitaliseringscapaciteit optimaal kan worden benut en schaalvoordelen verwezenlijken die de digitaliseringsinspanningen van culturele instellingen en grensoverschrijdende samenwerking bundelen, voortbouwend op expertisecentra voor digitalisering in Europa;

Digitalisering en online beschikbaarheid van materiaal in het publiek domein

5.

de toegang tot en het gebruik van gedigitaliseerd cultureel materiaal dat in het publieke domein beschikbaar is verbeteren door:

a)

ervoor te zorgen dat materiaal in het publieke domein ook na digitalisering daar blijft;

b)

de breedst mogelijke toegang te bevorderen tot gedigitaliseerd materiaal in het publieke domein evenals een zo uitgebreid mogelijk hergebruik van materiaal voor zowel niet-commerciële als commerciële doeleinden;

c)

maatregelen te nemen om het gebruik te beperken van opvallende watermerken of andere visuele beschermingsmaatregelen die de bruikbaarheid van het gedigitaliseerd materiaal in het publiek domein verminderen;

Digitalisering en online toegankelijkheid van materiaal waarop auteursrechten rusten

6.

de voorwaarden voor de digitalisering en onlinetoegankelijkheid van materiaal waarop auteursrechten rusten verbeteren door:

a)

snelle en correcte omzetting en tenuitvoerlegging van de bepalingen in de richtlijn inzake verweesde werken wanneer deze is vastgesteld, na raadpleging van de rechthebbenden alvorens de richtlijn wordt vastgesteld om een snelle tenuitvoerlegging te vergemakkelijken; nauw toezicht op de toepassing van de richtlijn wanneer deze eenmaal is vastgesteld;

b)

de voorwaarden te creëren voor een juridisch kader ter ondersteuning van licentieregelingen waarover de rechthebbenden het eens zijn geworden voor de grootschalige digitalisering en grensoverschrijdende toegankelijkheid van werken die uit de handel zijn;

c)

bij te dragen aan de beschikbaarheid van op Europees niveau met elkaar verbonden databases met informatie over rechten, zoals ARROW, en deze te bevorderen;

Europeana

7.

bijdragen aan de verdere ontwikkeling van Europeana door:

a)

culturele instellingen alsmede uitgevers en andere rechtenhouders aan te moedigen hun gedigitaliseerd materiaal via Europa beschikbaar te stellen zodat het platform tegen 2015 rechtstreeks toegang kan verschaffen tot 30 miljoen gedigitaliseerde objecten, met inbegrip van twee miljoen geluids- of audiovisuele objecten;

b)

aan alle overheidsfinanciering voor digitalisering in de toekomst de eis te verbinden dat het gedigitaliseerd materiaal via Europeana beschikbaar moet worden gesteld;

c)

ervoor te zorgen dat al hun meesterwerken in het publieke domein tegen 2015 via Europeana beschikbaar zijn;

d)

nationale inzamelingspunten op te zetten of te versterken die inhoud uit verschillende domeinen in Europeana samenbrengen en bijdragen aan grensoverschrijdende inzamelingspunten in specifieke domeinen of voor specifieke onderwerpen, om wellicht schaalvoordelen te verwezenlijken;

e)

te zorgen voor het gebruik van gemeenschappelijke digitaliseringsnormen die door Europeana zijn vastgesteld in samenwerking met de culturele instellingen om te komen tot interoperabiliteit van het gedigitaliseerd materiaal op Europees niveau, alsmede het systematisch gebruik van permanente identificatiecodes;

f)

ervoor te zorgen dat bestaande door culturele instellingen geformuleerde metadata (beschrijvingen van digitale objecten) kosteloos en in brede kring, beschikbaar zijn voor hergebruik door diensten zoals Europeana en voor innovatieve toepassingen;

g)

een communicatieplan op te stellen om Europeana meer onder de aandacht van het publiek te brengen, met name in scholen, in samenwerking met de culturele instellingen die inhoud leveren aan de site;

Digitale bewaring

8.

nationale strategieën versterken voor de bewaring van digitaal materiaal op lange termijn, actieplannen voor de tenuitvoerlegging van de strategieën en onderlinge uitwisseling van informatie over de strategieën en actieplannen;

9.

duidelijke bepalingen in hun wetgeving opnemen teneinde meervoudig kopiëren en migratie van digitaal cultureel materiaal door publieke instellingen met het oog op bewaring mogelijk te maken, waarbij de EU- en de internationale wetgeving op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten volledig in acht worden genomen;

10.

de nodige regelingen treffen voor het depot van materiaal dat in digitaal formaat is gecreëerd om de bewaring op lange termijn te waarborgen en de doelmatigheid van bestaande depotregelingen verbeteren voor materiaal dat in digitale vorm is gecreëerd door:

a)

ervoor te zorgen dat rechtenhouders werk leveren aan bibliotheken die als wettelijk depot fungeren zonder technische beschermingsmaatregelen, of dergelijke bibliotheken de middelen verschaffen om ervoor te zorgen dat technische beschermingsmaatregelen geen belemmering vormen voor de door bibliotheken genomen maatregelen met het oog op bewaring, waarbij de EU- en de internationale wetgeving op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten volledig in acht worden genomen;

b)

indien van toepassing, te zorgen voor een wettelijke regeling om de overdracht van wettelijk gedeponeerde digitale werken mogelijk te maken van de ene erkende bibliotheek die als inzamelingspunt fungeren naar de andere die ook rechten heeft op deze werken;

c)

de bewaring van webinhoud mogelijk te maken door daartoe aangewezen instellingen met behulp van technieken om materiaal van het internet te verzamelen, zoals web-harvesting, waarbij de EU- en de internationale wetgeving op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten volledig in acht worden genomen;

11.

bij de vaststelling van beleid en procedures voor het deponeren van oorspronkelijk in digitaal formaat gecreëerd materiaal of de aanpassing daarvan rekening houden met de ontwikkelingen in andere lidstaten teneinde te voorkomen dat er sterk uiteenlopende regelingen voor het deponeren ontstaan;

Follow-up van deze aanbeveling

12.

de Commissie 24 maanden na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie en vervolgens om de twee jaar op de hoogte brengen van de maatregelen die zij naar aanleiding van deze aanbeveling hebben genomen.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2011.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Vicevoorzitster


(1)  PB L 323 van 9.12.2005, blz. 57.


BIJLAGE I

PUBLIEK-PRIVATE PARTNERSCHAPPEN VOOR DIGITALISERING

Om snel vooruitgang te kunnen boeken bij de digitalisering van ons cultureel erfgoed moet de overheidsfinanciering voor digitalisering worden aangevuld met particuliere investeringen. De Commissie moedigt dan ook publiek-private partnerschappen voor de digitalisering van cultureel materiaal aan.

Zij verzoekt de lidstaten dergelijke partnerschappen te stimuleren die aan de volgende fundamentele beginselen moeten voldoen:

1.   Inachtneming van intellectuele-eigendomsrechten

Publiek-private partnerschappen voor de digitalisering van collecties in culturele instellingen dienen de EU- en de internationale wetgeving op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten volledig in acht te nemen.

2.   Niet-exclusiviteit

De overeenkomsten voor de digitalisering van materiaal in het publieke domein dienen niet-exclusief te zijn in de zin dat elke andere private partner de mogelijkheid moet hebben hetzelfde materiaal te digitaliseren onder vergelijkbare voorwaarden.

Het kan nodig zijn een periode te bepalen waarin preferentieel commercieel gebruik of preferentiële commerciële exploitatie mogelijk is om de private partner de gelegenheid te bieden zijn investeringen terug te verdienen. Deze periode moet beperkt blijven en zo kort mogelijk zijn om het beginsel in acht te nemen dat materiaal in het publieke domein ook na digitalisering in het publieke domein blijft. De periode van preferentieel gebruik mag niet langer zijn dan 7 jaar.

Overeenkomsten dienen volledig in overeenstemming te zijn met de EU-mededingingsregels.

3.   Transparantie van het proces

Contracten voor de digitalisering van collecties die in het bezit zijn van culturele instellingen dienen te worden gegund na een openbare aanbesteding onder potentiële private partners.

4.   Transparantie van contracten

De inhoud van contracten tussen culturele instellingen en private partners voor de digitalisering van culturele collecties dient openbaar te worden gemaakt.

5.   Toegankelijkheid via Europeana

De toegankelijkheid van het via Europeana gedigitaliseerd materiaal is een voorwaarde voor het sluiten van een publiek-privaat partnerschap.

6.   Voornaamste criteria

De voornaamste criteria voor de evaluatie van voorstellen voor een publiek-privaat partnerschap zijn de volgende:

de totale investeringen van de private partner, rekening houdend met de inspanning die vereist wordt van de publieke partner,

de toegankelijkheid van het gedigitaliseerd materiaal voor het algemene publiek, met inbegrip van toegankelijkheid via Europeana. Partnerschapmodellen waar de eindgebruiker vrije toegang heeft tot het gedigitaliseerd materiaal verdienen de voorkeur boven modellen waar de eindgebruiker tegen betaling toegang krijgt tot het materiaal,

grensoverschrijdende toegang. Partnerschapscontracten moeten resulteren in grensoverschrijdende toegang voor iedereen,

de duur van een eventuele periode van preferentieel commercieel gebruik van het gedigitaliseerd materiaal door de private partner. Deze periode moet zo kort mogelijk worden gehouden,

de geplande digitaliseringskwaliteit en de kwaliteit van de bestanden die aan de culturele instellingen zullen worden verstrekt. De private partner moet culturele instellingen gedigitaliseerde bestanden verstrekken van dezelfde kwaliteit als de bestanden die hij zelf gebruikt,

het gebruik dat de culturele instellingen kunnen maken van het gedigitaliseerd materiaal voor niet-commerciële toepassingen. Dit gebruik moet zo breed mogelijk zijn en mag niet worden beperkt door technische of contractuele restricties,

het tijdsbestek van het digitaliseringsproject.


BIJLAGE II

INDICATIEVE DOELSTELLINGEN VOOR DE MINIMALE BIJDRAGE VAN INHOUD AAN EUROPEANA PER LIDSTAAT

 

Aantal projecten in Europeana per lidstaat (1)

Indicatieve doelstelling 2015 (2)

BELGIË

338 098

759 000

BULGARIJE

38 263

267 000

TSJECHIË

35 490

492 000

DENEMARKEN

67 235

453 000

DUITSLAND

3 160 416

5 496 000

ESTLAND

68 943

90 000

IERLAND

950 554

1 236 000

GRIEKENLAND

211 532

618 000

SPANJE

1 647 539

2 676 000

FRANKRIJK

2 745 833

4 308 000

ITALIË

1 946 040

3 705 000

CYPRUS

53

45 000

LETLAND

30 576

90 000

LITOUWEN

8 824

129 000

LUXEMBURG

47 965

66 000

HONGARIJE

115 621

417 000

MALTA

56 233

73 000

NEDERLAND

1 208 713

1 571 000

OOSTENRIJK

282 039

600 000

POLEN

639 099

1 575 000

PORTUGAL

28 808

528 000

ROEMENIË

35 852

789 000

SLOVENIË

244 652

318 000

SLOWAKIJE

84 858

243 000

FINLAND

795 810

1 035 000

ZWEDEN

1 489 488

1 936 000

VERENIGD KONINKRIJK

944 234

3 939 000


(1)  Oktober 2011. Verder worden objecten bijgedragen door een aantal niet-EU-landen (met name Noorwegen en Zwitserland) of zijn objecten afkomstig van projecten die de hele EU bestrijken en derhalve niet kunnen worden toegeschreven aan een bepaalde lidstaat.

(2)  De indicatieve doelstellingen per lidstaat worden berekend op basis van a) de omvang van de bevolking en b) het bbp, overeenkomstig de algemene doelstelling om tegen 2015 30 miljoen gedigitaliseerde objecten beschikbaar te hebben via Europeana. Voor lidstaten die de indicatieve doelstelling nu al hebben bereikt of dicht in de buurt daarvan komen, is de berekening gebaseerd op het huidige aantal objecten dat zij bijdragen aan Europeana plus 30 %. Alle lidstaten worden verzocht ook aandacht te besteden aan de kwalitatieve aspecten, rekening houdend met de noodzaak alle meesterwerken die tot het publieke domein behoren tegen 2015 via Europeana beschikbaar te stellen.