ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2011.176.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 176

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
5 juli 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2011/392/EU

 

*

Besluit van de Raad van 13 mei 2011 betreffende de sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko tot vaststelling van een regeling inzake de beslechting van geschillen

1

Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko tot vaststelling van een regeling inzake de beslechting van geschillen

2

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 647/2011 van de Commissie van 4 juli 2011 tot rectificatie van de Sloveense versie van Verordening (EU) nr. 258/2010 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van guarpitmeel van oorsprong of verzonden uit India wegens de risico's van verontreiniging met pentachloorfenol en dioxinen, en tot intrekking van Beschikking 2008/352/EG ( 1 )

17

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 648/2011 van de Commissie van 4 juli 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1266/2007 wat betreft de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen betreffende de voorwaarden waaronder bepaalde dieren worden vrijgesteld van het verplaatsingsverbod overeenkomstig Richtlijn 2000/75/EG van de Raad ( 1 )

18

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 649/2011 van de Commissie van 4 juli 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

20

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 650/2011 van de Commissie van 4 juli 2011 tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

22

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten

24

 

 

BESLUITEN

 

 

2011/393/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 8 maart 2011 betreffende maatregel C 18/10 (ex NN 20/10) die de Franse Republiek ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van luchtvaarttoeleveranciers (Aero 2008-garantie) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1378)  ( 1 )

37

 

 

2011/394/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 1 juli 2011 tot wijziging van Beschikking 2009/821/EG wat betreft de lijsten van grensinspectieposten en veterinaire eenheden in Traces (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4594)  ( 1 )

45

 

 

2011/395/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 1 juli 2011 tot intrekking van Beschikking 2006/241/EG houdende beschermende maatregelen ten aanzien van producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten uitgezonderd, van oorsprong uit Madagaskar (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4642)  ( 1 )

50

 

 

2011/396/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 4 juli 2011 tot erkenning van een laboratorium in Japan voor het uitvoeren van serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins te controleren (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4595)  ( 1 )

51

 

 

2011/397/EU

 

*

Besluit van de Europese Centrale Bank van 21 juni 2011 inzake de procedures t.a.v. milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie voor de productie van eurobankbiljetten (ECB/2011/8)

52

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 13 mei 2011

betreffende de sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko tot vaststelling van een regeling inzake de beslechting van geschillen

(2011/392/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), v),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 24 februari 2006 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen met de partners in het Middellandse Zeegebied te openen met het oog op de invoering van een regeling inzake de beslechting van geschillen in verband met handelsbepalingen.

(2)

Deze onderhandelingen werden door de Commissie gevoerd in overleg met het overeenkomstig artikel 207 van het Verdrag aangewezen comité en binnen het bestek van de door de Raad vastgestelde onderhandelingsrichtsnoeren.

(3)

Deze onderhandelingen zijn afgesloten en op 9 december 2009 is een Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko tot vaststelling van een regeling inzake de beslechting van geschillen geparafeerd (hierna „de overeenkomst” genoemd).

(4)

De overeenkomst is namens de Unie ondertekend op 13 december 2010.

(5)

De overeenkomst dient te worden gesloten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko tot vaststelling van een regeling inzake de beslechting van geschillen wordt namens de Unie goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter verricht namens de Unie de in artikel 23 van de overeenkomst bedoelde kennisgeving (1).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

MARTONYI J.


(1)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst wordt door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.


OVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko tot vaststelling van een regeling inzake de beslechting van geschillen

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” genoemd,

enerzijds, en

HET KONINKRIJK MAROKKO, hierna „Marokko” genoemd,

anderzijds,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OMTRENT HETGEEN VOLGT:

HOOFDSTUK I

DOEL EN WERKINGSSFEER

Artikel 1

Doel

Het doel van deze overeenkomst is handelsgeschillen tussen de partijen te vermijden en te beslechten en waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

Artikel 2

Toepassing van de overeenkomst

1.   Deze overeenkomst is van toepassing op alle geschillen over beweerde schendingen van de bepalingen van titel II (met uitzondering van artikel 24) van de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (hierna „de associatieovereenkomst” genoemd) (1) of van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de Protocollen nr. 1, nr. 2 en nr. 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds. De procedures van deze overeenkomst zijn van toepassing wanneer de Associatieraad er niet in is geslaagd een geschil dat krachtens artikel 86 van de associatieovereenkomst aan hem is voorgelegd, binnen 60 dagen te beslechten.

2.   Op geschillen over de toepassing en interpretatie van de overige bepalingen van de associatieovereenkomst is artikel 86 van de associatieovereenkomst van toepassing.

3.   Voor de toepassing van lid 1 wordt een geschil geacht te zijn opgelost wanneer de Associatieraad een besluit als bedoeld in artikel 86, lid 2, van de associatieovereenkomst heeft genomen, of wanneer hij verklaard heeft dat er geen geschil meer is.

HOOFDSTUK II

OVERLEG EN BEMIDDELING

Artikel 3

Overleg

1.   De partijen streven ernaar elk geschil over de interpretatie en toepassing van de in artikel 2 bedoelde bepalingen op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren om tot een snelle, billijke en onderling overeengekomen oplossing te komen. Bij dit overleg bespreken de partijen ook de gevolgen die de beweerde inbreuk op hun handel zou hebben.

2.   Een partij verzoekt de andere partij schriftelijk om overleg, met kopie aan het Subcomité industrie, handel en diensten, waarbij zij aangeeft om welke maatregel het gaat en welke bepalingen van de in artikel 2 bedoelde overeenkomsten volgens haar zijn geschonden.

3.   Het overleg wordt binnen 40 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de partij waartegen de klacht gericht is. Het overleg wordt 60 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Het overleg, en in het bijzonder alle tijdens deze procedure door de partijen verstrekte informatie en ingenomen standpunten, is vertrouwelijk en doet geen afbreuk aan de rechten van de partijen in latere procedures.

4.   Overleg over dringende gevallen, zoals over bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, vindt plaats binnen 15 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek en wordt 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek geacht te zijn afgesloten.

5.   Indien de partij waartoe het verzoek om overleg gericht is niet binnen 20 werkdagen na de datum van ontvangst reageert, indien het overleg niet binnen de in lid 3 of 4 genoemde termijnen plaatsvindt of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel overeenkomstig artikel 5.

Artikel 4

Bemiddeling

1.   Indien overleg niet tot een onderling overeengekomen oplossing leidt, kunnen de partijen overeenkomen een beroep te doen op een bemiddelaar. Verzoeken om bemiddeling moeten schriftelijk bij de partij waartegen de klacht gericht is en het Subcomité industrie, handel en diensten worden ingediend, onder vermelding van de maatregelen waarover overleg is gevoerd en het onderling overeengekomen mandaat van de bemiddelaar. Elke partij verbindt zich ertoe verzoeken om bemiddeling in welwillende overweging te nemen.

2.   Tenzij de partijen binnen 10 werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek om bemiddeling overeenstemming bereiken over een bemiddelaar, wijzen de voorzitters van het Subcomité industrie, handel en diensten of hun vertegenwoordiger door loting uit de personen die op de in artikel 19 bedoelde lijst zijn opgenomen een bemiddelaar aan die geen onderdaan van een van de partijen is. De loting vindt binnen 15 werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek om bemiddeling plaats. De bemiddelaar roept de partijen uiterlijk 30 dagen na zijn aanwijzing bijeen. Hij ontvangt de stukken van elk van de partijen uiterlijk 15 dagen voor de vergadering en kan de partijen of deskundigen of technisch adviseurs zo nodig om aanvullende informatie verzoeken. Alle op deze manier verkregen informatie moet voor commentaar aan beide partijen worden voorgelegd. De bemiddelaar brengt uiterlijk 45 dagen na zijn aanwijzing advies uit.

3.   Het advies van de bemiddelaar kan een of meer aanbevelingen omvatten over de wijze waarop het geschil in overeenstemming met de in artikel 2 bedoelde bepalingen kan worden opgelost. Het advies van de bemiddelaar is niet bindend.

4.   De partijen kunnen overeenkomen de in lid 2 genoemde termijnen te wijzigen. Voorts kan de bemiddelaar op verzoek van een van de partijen besluiten deze termijnen te wijzigen wegens buitengewone moeilijkheden die de betrokken partij ondervindt of wegens de complexiteit van de aangelegenheid.

5.   De bemiddelingsprocedure, en in het bijzonder het advies van de bemiddelaar en alle tijdens de procedure door de partijen verstrekte informatie en ingenomen standpunten, zijn vertrouwelijk en doen geen afbreuk aan de rechten van de partijen in latere procedures.

6.   Indien de partijen hierover overeenstemming bereiken, mag de bemiddelingsprocedure tijdens de arbitrageprocedure worden voortgezet.

7.   Een bemiddelaar mag alleen om de in de punten 18 tot en met 21 van het reglement van orde vermelde redenen en overeenkomstig de daarin vastgestelde procedures worden vervangen.

HOOFDSTUK III

PROCEDURES VOOR DE BESLECHTING VAN GESCHILLEN

AFDELING I

Arbitrageprocedure

Artikel 5

Inleiding van de arbitrageprocedure

1.   Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 3 bedoelde overleg of de in artikel 4 bedoelde bemiddeling op te lossen, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

2.   Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk ingediend bij de partij waartegen de klacht gericht is en bij het Subcomité industrie, handel en diensten. De klagende partij vermeldt in haar verzoek de specifieke maatregel die in het geding is en legt uit waarom die maatregel een inbreuk op de in artikel 2 bedoelde bepalingen is. Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt uiterlijk 18 maanden na de datum van ontvangst van het verzoek om overleg gedaan, onverminderd de rechten van de klagende partij om later een verzoek om nieuw overleg over dezelfde aangelegenheid in te dienen.

Artikel 6

Instelling van het arbitragepanel

1.   Een arbitragepanel bestaat uit drie scheidsrechters.

2.   De partijen voeren binnen tien werkdagen na de datum waarop de partij waartegen de klacht gericht is het verzoek om instelling van een arbitragepanel ontvangt, overleg over de samenstelling van het arbitragepanel.

3.   Wanneer de partijen binnen de in lid 2 genoemde termijn geen overeenstemming bereiken over de samenstelling van het arbitragepanel, kan elk van de partijen de voorzitters van het Subcomité industrie, handel en diensten of hun vertegenwoordiger verzoeken alle drie panelleden door loting aan te wijzen uit de in artikel 19 bedoelde lijst, te weten één lid uit de personen die door de klagende partij zijn voorgesteld, één lid uit de personen die door de partij waartegen de klacht gericht is, zijn voorgesteld en één lid uit de personen die door de partijen zijn aangewezen om als voorzitter te fungeren. Wanneer de partijen het over een of meer leden van het arbitragepanel eens zijn, worden alleen de overige leden volgens deze procedure geselecteerd.

4.   De voorzitters van het Subcomité industrie, handel en diensten of hun vertegenwoordiger wijzen binnen vijf werkdagen na het in lid 3 bedoelde verzoek de scheidsrechters aan.

5.   De datum van instelling van het arbitragepanel is de datum waarop de drie scheidsrechters worden aangewezen.

6.   De scheidsrechters mogen alleen om de in de punten 18 tot en met 21 van het reglement van orde vermelde redenen en overeenkomstig de daarin vastgestelde procedures worden vervangen.

Artikel 7

Tussentijds panelverslag

Het arbitragepanel legt uiterlijk 120 dagen na zijn instelling een tussentijds verslag aan de partijen voor, waarin wordt ingegaan op de vastgestelde feiten en de toepasselijkheid van de relevante bepalingen en een onderbouwing van de bevindingen en aanbevelingen van het panel wordt gegeven. De partijen kunnen binnen 15 dagen nadat het verslag aan hen is voorgelegd het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van het tussentijdse verslag te heroverwegen. In de definitieve uitspraak van het panel worden de in de tussentijdse fase naar voren gebrachte argumenten besproken.

Artikel 8

Uitspraak van het arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen 150 dagen na zijn instelling mede aan de partijen en aan het Subcomité industrie, handel en diensten. Wanneer het van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het Subcomité industrie, handel en diensten hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn werk denkt te kunnen voltooien. In geen geval mag de uitspraak later dan 180 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel worden medegedeeld.

2.   In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, stelt het arbitragepanel alles in het werk om binnen 75 dagen na zijn instelling uitspraak te doen. De uitspraak mag in geen geval later dan 90 dagen na de instelling worden gedaan. Het arbitragepanel doet binnen tien dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak over de vraag of het een zaak dringend acht.

3.   Op verzoek van beide partijen schort het arbitragepanel te allen tijde zijn werkzaamheden op gedurende een door de partijen overeengekomen periode, die echter niet meer dan twaalf maanden mag bedragen, en op verzoek van de klagende partij hervat het zijn werkzaamheden aan het einde van deze overeengekomen periode. Indien de klagende partij niet voor het verstrijken van de overeengekomen periode van schorsing het arbitragepanel verzoekt zijn werkzaamheden te hervatten, wordt de procedure beëindigd. De schorsing en beëindiging van de werkzaamheden van het arbitragepanel doen geen afbreuk aan de rechten van de partijen in andere procedures over dezelfde aangelegenheid.

AFDELING II

Naleving

Artikel 9

Naleving van de uitspraak van het arbitragepanel

Elk van beide partijen neemt alle noodzakelijke maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven; zij streven ernaar overeenstemming te bereiken over de termijn waarbinnen zij de uitspraak zullen naleven.

Artikel 10

Redelijke termijn voor naleving

1.   Indien onmiddellijke naleving niet mogelijk is, stelt de partij waartegen de klacht gericht is uiterlijk 30 dagen nadat zij de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel heeft ontvangen, de klagende partij en het Subcomité industrie, handel en diensten in kennis van de tijd die zij nodig heeft om de uitspraak na te leven (hierna „redelijke termijn” genoemd).

2.   Indien de partijen het niet eens zijn over een redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, verzoekt de klagende partij binnen 20 dagen nadat zij de kennisgeving overeenkomstig lid 1 van de partij waartegen de klacht gericht is, heeft ontvangen, het arbitragepanel schriftelijk om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het Subcomité industrie, handel en diensten. Het arbitragepanel legt zijn uitspraak binnen 30 dagen na indiening van het verzoek voor aan de partijen en aan het Subcomité industrie, handel en diensten.

3.   De partijen kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen.

Artikel 11

Onderzoek van de maatregelen die zijn getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven

1.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de andere partij en het Subcomité industrie, handel en diensten voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven.

2.   Wanneer er tussen de partijen onenigheid bestaat over de vraag of een maatregel waarvan overeenkomstig lid 1 is kennisgegeven daadwerkelijk bestaat dan wel of een dergelijke maatregel in overeenstemming is met de in artikel 2 bedoelde bepalingen, kan de klagende partij het arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek wordt aangegeven om welke specifieke maatregel het gaat en wordt uitgelegd waarom deze niet in overeenstemming is met de in artikel 2 bedoelde bepalingen. Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen 90 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede. In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, deelt het arbitragepanel zijn uitspraak binnen 45 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede.

Artikel 12

Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving

1.   Indien de partij waartegen de klacht gericht is niet voor afloop van de redelijke termijn kennisgeeft van een maatregel die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, of indien het arbitragepanel oordeelt dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 11, lid 1, is kennis gegeven, niet in overeenstemming is met de verplichtingen van de partij uit hoofde van de in artikel 2 bedoelde bepalingen, biedt de partij waartegen de klacht gericht is de klagende partij, op haar verzoek, een tijdelijke compensatie aan.

2.   Indien de partijen niet binnen 30 dagen na het eind van de redelijke termijn of de in artikel 11 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven niet in overeenstemming is met de in artikel 2 bedoelde bepalingen, overeenstemming over compensatie bereiken, is de klagende partij gerechtigd om, na de andere partij en het Subcomité industrie, handel en diensten hiervan in kennis te hebben gesteld, de verplichtingen uit hoofde van de in artikel 2 bedoelde bepalingen op te schorten in een mate die evenredig is met de mate waarin de schending de voordelen voor de klagende partij tenietdoet of beperkt. De klagende partij mag de opschorting 10 werkdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de partij waartegen de klacht gericht is toepassen, tenzij de partij waartegen de klacht gericht is overeenkomstig lid 3 een verzoek om arbitrage heeft ingediend.

3.   Indien de partij waartegen de klacht gericht is van oordeel is dat de mate van opschorting niet evenredig is met de mate waarin de schending de voordelen voor de andere partij tenietdoet of beperkt, kan zij het arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt voor het verstrijken van de in lid 2 bedoelde periode van 10 werkdagen medegedeeld aan de andere partij en aan het Subcomité industrie, handel en diensten. Het arbitragepanel wint zo nodig advies in bij deskundigen en deelt zijn uitspraak over de mate van opschorting van de verplichtingen binnen 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede aan de partijen en aan het institutionele orgaan dat verantwoordelijk is voor handelsaangelegenheden. De verplichtingen worden niet opgeschort voordat het arbitragepanel zijn uitspraak heeft medegedeeld en de eventuele opschorting moet in overeenstemming zijn met de uitspraak van het arbitragepanel.

4.   De opschorting van verplichtingen is van tijdelijke aard en wordt slechts toegepast totdat de maatregel waarvan is vastgesteld dat deze niet in overeenstemming is met de in artikel 2 bedoelde bepalingen, is ingetrokken of zodanig is gewijzigd dat hij overeenkomstig artikel 13 met artikel 2 in overeenstemming is gebracht, of totdat de partijen zijn overeengekomen hun geschil bij te leggen.

Artikel 13

Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na de opschorting van verplichtingen

1.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de andere partij en het Subcomité industrie, handel en diensten in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven en verzoekt in die kennisgeving om beëindiging van de opschorting van verplichtingen door de klagende partij.

2.   Indien de partijen niet binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving overeenstemming bereiken over de verenigbaarheid van de maatregel waarvan is kennisgegeven met de in artikel 2 bedoelde bepalingen, verzoekt de klagende partij het arbitragepanel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het Subcomité industrie, handel en diensten. Het arbitragepanel deelt de partijen en het Subcomité industrie, handel en diensten binnen 45 dagen na de indiening van het verzoek zijn uitspraak mede. Indien het arbitragepanel oordeelt dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak na te leven in overeenstemming is met de in artikel 2 bedoelde bepalingen, wordt de opschorting van verplichtingen beëindigd.

AFDELING III

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 14

Onderling overeengekomen oplossing

De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor een onder deze overeenkomst vallend geschil overeenkomen. Zij stellen het Subcomité industrie, handel en diensten en het arbitragepanel van die oplossing in kennis. Na kennisgeving van de onderling overeengekomen oplossing beëindigt het panel zijn werkzaamheden en wordt de procedure beëindigd.

Artikel 15

Reglement van orde

1.   Op de procedures voor de beslechting van geschillen in het kader van hoofdstuk III van deze overeenkomst is het aan deze overeenkomst gehechte reglement van orde van toepassing.

2.   De vergaderingen van het arbitragepanel zijn overeenkomstig het reglement van orde openbaar, tenzij de partijen anders overeenkomen.

Artikel 16

Inlichtingen en technisch advies

Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief de inlichtingen inwinnen die het nuttig acht voor de arbitrageprocedure. Het arbitragepanel heeft in het bijzonder het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Voordat het deskundigen kiest, raadpleegt het de partijen. Alle op deze manier verkregen informatie moet voor commentaar aan beide partijen worden voorgelegd. Tenzij de partijen anders overeenkomen, kunnen op het grondgebied van de partijen gevestigde belanghebbende natuurlijke of rechtspersonen overeenkomstig het reglement van orde schriftelijke mededelingen bij de arbitragepanels indienen. Deze mededelingen mogen uitsluitend de feitelijke aspecten van het geschil betreffen en niet de rechtsoverwegingen.

Artikel 17

Interpretatieregels

Arbitragepanels leggen de in artikel 2 bedoelde bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van internationaal publiekrecht, met inbegrip van die in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Uitspraken van een arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen uit hoofde van de in artikel 2 bedoelde bepalingen niet verruimen of beperken.

Artikel 18

Besluiten en uitspraken van het arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel stelt alles in het werk om elk besluit bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een besluit te komen, wordt een besluit bij meerderheid van stemmen genomen. In geen geval worden echter afwijkende meningen van scheidsrechters gepubliceerd.

2.   De uitspraken van het arbitragepanel zijn bindend voor de partijen en scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke of rechtspersonen. De uitspraak vermeldt de vastgestelde feiten en de toepasselijkheid van de desbetreffende bepalingen van de in artikel 2 bedoelde overeenkomsten en geeft een onderbouwing van de bevindingen en conclusies. Het Subcomité industrie, handel en diensten maakt de volledige uitspraak van het arbitragepanel openbaar, tenzij het besluit dat niet te doen met het oog op de vertrouwelijkheid van bepaalde zakelijke informatie.

HOOFDSTUK IV

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 19

Lijsten van scheidsrechters

1.   Het Subcomité industrie, handel en diensten stelt uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst op van ten minste 15 personen die bereid en geschikt zijn om als scheidsrechter op te treden. Elk van beide partijen stelt ten minste vijf personen voor die als scheidsrechter kunnen optreden. De twee partijen kiezen voorts ten minste vijf personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die als voorzitter van het arbitragepanel kunnen fungeren. Het Subcomité industrie, handel en diensten ziet erop toe dat de lijst te allen tijde uit dit aantal personen blijft bestaan.

2.   De scheidsrechters hebben gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het recht en de internationale handel. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies aan van enige organisatie of regering, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen en houden zich aan de aan deze overeenkomst gehechte gedragscode.

3.   Het Subcomité industrie, handel en diensten kan aanvullende lijsten van ten minste 15 personen met sectorale expertise op specifieke onder de in artikel 2 bedoelde overeenkomsten vallende onderwerpen vaststellen. Elk van beide partijen stelt ten minste vijf personen voor die als scheidsrechter kunnen optreden. De twee partijen kiezen voorts ten minste vijf personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die als voorzitter van het arbitragepanel kunnen fungeren. Wanneer de selectieprocedure van artikel 6, lid 2, wordt toegepast, kunnen de voorzitters van het Subcomité industrie, handel en diensten met instemming van beide partijen van een sectorale lijst gebruikmaken.

Artikel 20

Relatie tot WTO-verplichtingen

1.   Wanneer een partij een geschil over een verplichting uit hoofde van de WTO-overeenkomst wenst te beslechten, volgt zij de desbetreffende regels en procedures van de WTO-overeenkomst, die van toepassing zijn niettegenstaande deze overeenkomst.

2.   Wanneer een partij een geschil over een onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst, zoals gedefinieerd in artikel 2, vallende verplichting wenst te beslechten, volgt zij de regels en procedures van deze overeenkomst.

3.   Wanneer een partij een geschil wenst te beslechten over een verplichting die onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst, zoals gedefinieerd in artikel 2, valt en die in wezen gelijkwaardig is aan een verplichting uit hoofde van de WTO-overeenkomst, volgt zij, tenzij de partijen anders overeenkomen, de desbetreffende regels en procedures van de WTO-overeenkomst, die van toepassing zijn niettegenstaande deze overeenkomst.

4.   Zodra een procedure voor geschillenbeslechting is ingeleid, wordt gebruikgemaakt van het overeenkomstig bovenstaande leden gekozen forum, met uitsluiting van het andere forum, tenzij het gekozen forum zich onbevoegd verklaart.

5.   Geen enkele bepaling van deze overeenkomst belet een partij een schorsing van verplichtingen die door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO is toegestaan, ten uitvoer te leggen. Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomst worden gedaan om een partij te beletten verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst op te schorten.

Artikel 21

Termijnen

1.   Tenzij anders is bepaald, worden alle in deze overeenkomst vastgestelde termijnen, met inbegrip van die waarbinnen arbitragepanels hun uitspraken moeten mededelen, gerekend in kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop het desbetreffende besluit wordt genomen of het desbetreffende feit plaatsvindt.

2.   De partijen kunnen in onderling overleg alle in deze overeenkomst vermelde termijnen wijzigen. De partijen verbinden zich ertoe verzoeken om verlenging van termijnen die worden gedaan omdat een partij bij de naleving van de procedures van deze overeenkomst moeilijkheden ondervindt, in welwillende overweging te nemen. Op verzoek van een partij kan het arbitragepanel de procedurele termijnen wijzigen, waarbij het rekening houdt met het verschillende ontwikkelingsniveau van de partijen.

Artikel 22

Evaluatie en wijziging van de overeenkomst

1.   Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst en de bijlagen daarbij kan de Associatieraad te allen tijde de toepassing ervan evalueren teneinde te beslissen of de overeenkomst en de bijlagen daarbij moeten worden gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken.

2.   Bij deze evaluatie kan de Associatieraad overwegen een gemeenschappelijke beroepsinstantie voor verschillende Euro-mediterrane overeenkomsten op te richten.

3.   De Associatieraad kan besluiten deze overeenkomst en de bijlagen daarbij te wijzigen.

Artikel 23

Inwerkingtreding

De partijen keuren deze overeenkomst overeenkomstig hun eigen procedures goed. De overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de partijen elkaar ervan in kennis stellen dat de in dit artikel bedoelde procedures zijn afgerond.

Gedaan te Brussel, de dertiende december tweeduizend tien, in tweevoud, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Arabische taal, zijnde elk van deze teksten gelijkelijk authentiek.

За Европейския съюз

Por la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image

Image

За Кралство Мароко

Por el Reino de Marruecos

Za Marocké království

For Kongeriget Marokko

Für das Königreich Marokko

Maroko Kuningriigi nimel

Για το Βασίλειο του Μαρόκου

For the Kingdom of Morocco

Pour le Royaume du Maroc

Per il Regno del Marocco

Marokas Karalistes vārdā –

Maroko Karalystės vardu

A Marokkói Királyság részéről

Għar-Renju tal-Marokk

Voor het Koninkrijk Marokko

W imieniu Królestwa Maroka

Pelo Reino de Marrocos

Pentru Regatul Maroc

Za Marocké kráľovstvo

Za Kraljevino Maroko

Marokon kuningaskunnan puolesta

För Konungariket Marocko

Image

Image


(1)  Deze overeenkomst laat artikel 34 van het Protocol betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking onverlet.

BIJLAGEN

BIJLAGE I:

REGLEMENT VAN ORDE VOOR ARBITRAGE

BIJLAGE II:

GEDRAGSCODE VOOR LEDEN VAN ARBITRAGEPANELS EN BEMIDDELAARS

BIJLAGE I

REGLEMENT VAN ORDE VOOR ARBITRAGE

Algemene bepalingen

1.

In deze overeenkomst en in dit reglement van orde wordt verstaan onder:

„adviseur” een persoon die door een partij is aangesteld om haar in verband met de procedure van het arbitragepanel te adviseren of bij te staan;

„klagende partij” een partij die krachtens artikel 5 van deze overeenkomst om de instelling van een arbitragepanel verzoekt;

„partij waartegen de klacht gericht is” de partij die waarvan wordt beweerd dat zij de in artikel 2 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen schendt;

„arbitragepanel” een krachtens artikel 6 van deze overeenkomst ingesteld panel;

„vertegenwoordiger van een partij” een werknemer van of een persoon aangewezen door een ministerie, een overheidsdienst of een ander overheidsorgaan van een partij;

„dag” een kalenderdag, tenzij anders is bepaald.

2.

Tenzij anders wordt overeengekomen, is de partij waartegen de klacht gericht is belast met de logistieke organisatie van geschillenbeslechtingsprocedures, in het bijzonder met de organisatie van de hoorzittingen. De Europese Unie neemt echter de kosten van alle organisatorische aspecten van overleg, bemiddeling en arbitrage voor haar rekening, met uitzondering van de bezoldiging en de vergoeding van de onkosten van bemiddelaars en scheidsrechters, die worden gedeeld.

Kennisgevingen

3.

Alle verzoeken, mededelingen, schriftelijke stukken en andere documenten worden door de partijen en het arbitragepanel per e-mail verzonden; op dezelfde dag wordt een kopie daarvan per fax, aangetekende post of koeriersdienst verzonden, dan wel tegen ontvangstbewijs afgegeven, of ingediend met een ander telecommunicatiemiddel waarbij de verzending wordt geregistreerd. Een bericht dat per e-mail en per fax is verzonden, wordt geacht te zijn ontvangen op de datum van verzending, tenzij kan worden aangetoond dat dit niet het geval is.

4.

Van alle schriftelijke stukken die een partij indient, verstrekt zij een elektronische kopie aan de andere partij en aan elk van de scheidsrechters. Er wordt ook een papieren kopie van het document verstrekt.

5.

Alle kennisgevingen worden respectievelijk gericht aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van Marokko en het directoraat-generaal Handel van de Europese Commissie.

6.

Kleine verschrijvingen in verzoeken, mededelingen, schriftelijke stukken of andere documenten in verband met de procedure van het arbitragepanel kunnen worden verbeterd door de indiening van een nieuw document waarin de wijzigingen duidelijk zijn aangegeven.

7.

Indien de laatste dag waarop een document kan worden ingediend, valt op een officiële feest- of rustdag van Marokko of van de Unie, mag het document op de volgende werkdag worden ingediend. Elk jaar zenden de partijen elkaar op de eerste maandag in december een lijst van hun officiële feest- en rustdagen in het daaropvolgende jaar. Op officiële feest- of rustdagen worden geen documenten, kennisgevingen of verzoeken van welke aard dan ook geacht te zijn ontvangen. Bovendien wordt voor de berekening van alle termijnen in deze overeenkomst die in werkdagen zijn uitgedrukt, uitsluitend rekening gehouden met de werkdagen die beide partijen gemeenschappelijk hebben.

8.

Afhankelijk van het voorwerp van de bepalingen waarop het geschil betrekking heeft, wordt van alle verzoeken en kennisgevingen die overeenkomstig deze overeenkomst aan het Subcomité industrie, handel en diensten worden gezonden, een kopie gestuurd naar de relevante andere krachtens de associatieovereenkomst opgerichte subcomités.

Aanvang van de arbitrage

9.

a)

Indien leden van het arbitragepanel uit hoofde van artikel 6 van deze overeenkomst of punt 19, 20 of 49 van dit reglement van orde door loting worden aangewezen, vindt de loting in aanwezigheid van vertegenwoordigers van beide partijen plaats.

b)

Tenzij de partijen anders overeenkomen, vergaderen zij binnen zeven werkdagen na de datum van instelling van het arbitragepanel met dat panel om te beslissen over aangelegenheden die de partijen of het arbitragepanel passend achten, met inbegrip van de aan de scheidsrechters verschuldigde bezoldigingen en onkostenvergoedingen, die aan de WTO-normen moeten beantwoorden. De leden van het arbitragepanel en de vertegenwoordigers van de partijen mogen per telefoon of per videoconferentie aan deze vergadering deelnemen.

10.

a)

Tenzij de partijen binnen vijf werkdagen na de datum van selectie van de scheidsrechters anders overeenkomen, luidt het mandaat van het arbitragepanel als volgt:

„in het licht van de desbetreffende bepalingen van de in artikel 2 van de overeenkomst betreffende geschillenbeslechting bedoelde overeenkomsten de in het verzoek om instelling van het arbitragepanel beschreven aangelegenheid onderzoeken, zich uitspreken over de verenigbaarheid van de maatregel in kwestie met de in artikel 2 van de overeenkomst betreffende geschillenbeslechting bedoelde bepalingen en een uitspraak doen overeenkomstig artikel 8 van de overeenkomst betreffende geschillenbeslechting.”.

b)

De partijen stellen het arbitragepanel binnen vijf werkdagen in kennis van de overeengekomen taakomschrijving.

Eerste stukken

11.

Uiterlijk 20 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel dient de klagende partij haar eerste schriftelijke stuk in. Uiterlijk 20 dagen na de datum van indiening van het eerste schriftelijke stuk dient de partij waartegen de klacht gericht is haar verweerschrift in.

Werkwijze van arbitragepanels

12.

De voorzitter van het arbitragepanel zit alle vergaderingen van het panel voor. Een arbitragepanel kan aan de voorzitter de bevoegdheid tot het nemen van administratieve en procedurele besluiten overdragen.

13.

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, kan het arbitragepanel bij zijn werkzaamheden alle mogelijke middelen gebruiken, waaronder telefoon-, fax- en computerverbindingen.

14.

Hoewel alleen scheidsrechters aan de beraadslagingen van het arbitragepanel mogen deelnemen, kan het panel toestaan dat assistenten van het panel de beraadslagingen bijwonen.

15.

Het opstellen van uitspraken is een exclusieve bevoegdheid van het arbitragepanel, die niet mag worden overgedragen.

16.

Wanneer zich een procedureel vraagstuk voordoet dat niet in de bepalingen van deze overeenkomst en de bijlagen daarbij is geregeld, kan het arbitragepanel na overleg met de partijen een geschikte procedure vaststellen die in overeenstemming is met die bepalingen.

17.

Wanneer het arbitragepanel van oordeel is dat een procedurele termijn moet worden gewijzigd of een andere procedurele of administratieve aanpassing nodig is, stelt het de partijen schriftelijk in kennis van de redenen voor de wijziging of aanpassing onder vermelding van de vereiste termijn of aanpassing. Het arbitragepanel kan een dergelijke wijziging of aanpassing na overleg met de partijen goedkeuren. De termijnen van artikel 8, lid 2, van deze overeenkomst kunnen niet worden gewijzigd.

Vervanging

18.

Indien een scheidsrechter niet aan de procedure kan deelnemen, zich terugtrekt of moet worden vervangen, wordt overeenkomstig artikel 6, lid 3, een vervanger aangewezen.

19.

Wanneer een partij van oordeel is dat een scheidsrechter de gedragscode schendt en om die reden moet worden vervangen, deelt zij dit de andere partij mede binnen 15 dagen nadat zij kennis heeft genomen van de omstandigheden die een wezenlijke schending van de gedragscode door de scheidsrechter inhouden.

Wanneer een partij van oordeel is dat de gedragscode wordt geschonden door een scheidsrechter die niet de voorzitter is, voeren de partijen overleg en indien zij tot overeenstemming komen, wordt de scheidsrechter vervangen en wordt overeenkomstig artikel 6, lid 3, van deze overeenkomst een vervanger aangewezen.

Indien de partijen het niet eens worden over de vraag of een scheidsrechter moet worden vervangen, kan een partij verzoeken de aangelegenheid aan de voorzitter van het arbitragepanel voor te leggen, wiens beslissing definitief is.

Indien de voorzitter van oordeel is dat een scheidsrechter de gedragscode schendt, wijst hij of zij door loting een nieuwe scheidsrechter aan uit de personen die zijn opgenomen op de in artikel 19, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde lijst waarop de oorspronkelijke scheidsrechter stond. Indien de oorspronkelijke scheidsrechter krachtens artikel 6, lid 2, van deze overeenkomst door de partijen was gekozen, wordt de vervanger door loting aangewezen uit de lijst van personen die overeenkomstig artikel 19, lid 1, van deze overeenkomst zijn voorgesteld door de klagende partij en de partij waartegen de klacht gericht is. De nieuwe scheidsrechter wordt binnen vijf werkdagen na de indiening van het verzoek bij de voorzitter van het arbitragepanel aangewezen.

20.

Wanneer een partij van oordeel is dat de voorzitter van het arbitragepanel de gedragscode schendt, voeren de partijen overleg en indien zij tot overeenstemming komen, wordt de voorzitter vervangen en wordt overeenkomstig artikel 6, lid 3, van deze overeenkomst een vervanger aangewezen.

Indien de partijen het niet eens worden over de vraag of de voorzitter moet worden vervangen, kan een partij verzoeken de aangelegenheid voor te leggen aan een van de resterende personen op de in artikel 19, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde lijst van personen die als voorzitter kunnen optreden. Deze persoon wordt door loting aangewezen door de voorzitters van het Subcomité industrie, handel en diensten of hun vertegenwoordiger. De beslissing van deze persoon over de noodzaak tot vervanging van de voorzitter is definitief.

Indien deze persoon beslist dat de oorspronkelijke voorzitter de gedragscode schendt, wijst hij of zij door loting een nieuwe voorzitter aan uit de resterende personen op de in artikel 19, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde lijst van personen die als voorzitter kunnen optreden. De nieuwe voorzitter wordt binnen vijf werkdagen na de indiening van het in dit punt bedoelde verzoek aangewezen.

21.

De procedure van het arbitragepanel wordt geschorst gedurende de termijn die nodig is om de procedures van de punten 18, 19 en 20 te doorlopen.

Hoorzittingen

22.

De voorzitter stelt in overleg met de partijen en de overige leden van het arbitragepanel de datum en het tijdstip van de hoorzitting vast en zendt de partijen hiervan een schriftelijke bevestiging. Indien de hoorzitting openstaat voor het publiek, wordt deze informatie openbaar gemaakt door de partij die belast is met de logistieke organisatie van de procedure. Tenzij een van de partijen hier bezwaar tegen heeft, kan het arbitragepanel besluiten geen hoorzitting bijeen te roepen.

23.

Tenzij de partijen anders overeenkomen, wordt de hoorzitting in Brussel gehouden als Marokko de klagende partij is en in Rabat als de Unie de klagende partij is.

24.

Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het arbitragepanel één aanvullende hoorzitting bijeenroepen. Voor de procedures van artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 2, artikel 12, lid 3, en artikel 13, lid 2, van deze overeenkomst wordt geen aanvullende hoorzitting bijeengeroepen.

25.

Gedurende de hoorzittingen zijn alle scheidsrechters aanwezig.

26.

De volgende personen kunnen een hoorzitting bijwonen, ongeacht of de procedure openstaat voor het publiek:

a)

vertegenwoordigers van de partijen;

b)

adviseurs van de partijen;

c)

administratief personeel, tolken, vertalers en rechtbankverslaggevers;

d)

assistenten van scheidsrechters.

Alleen vertegenwoordigers en adviseurs van de partijen mogen het woord tot het arbitragepanel richten.

27.

Uiterlijk vijf werkdagen voor de datum van een hoorzitting verstrekt elk van beide partijen het arbitragepanel een lijst met de namen van de personen die namens die partij pleidooien of uiteenzettingen op de hoorzitting zullen houden en van andere vertegenwoordigers of adviseurs die de hoorzitting zullen bijwonen.

28.

De hoorzittingen van het arbitragepanel staan open voor het publiek, tenzij de partijen anders besluiten. Indien de partijen besluiten dat de hoorzitting niet openstaat voor het publiek, kan een deel van de zitting evenwel voor het publiek openstaan indien het arbitragepanel op verzoek van de partijen daartoe besluit. Het arbitragepanel komt echter in besloten zitting bijeen wanneer de stukken en pleidooien van een partij vertrouwelijke zakelijke informatie bevatten.

29.

Het arbitragepanel leidt de hoorzitting op de volgende wijze:

 

Pleidooi

a)

pleidooi van de klagende partij;

b)

pleidooi van de partij waartegen de klacht gericht is.

 

Weerlegging

a)

pleidooi van de klagende partij;

b)

repliek van de partij waartegen de klacht gericht is.

30.

Het arbitragepanel kan op elk moment van de hoorzitting vragen aan een van beide partijen stellen.

31.

Het arbitragepanel laat een proces-verbaal van elke hoorzitting opmaken, dat zo spoedig mogelijk aan de partijen wordt verstrekt.

32.

Binnen tien werkdagen na de datum van de hoorzitting kan elke partij een aanvullend schriftelijk stuk indienen over alle aspecten die tijdens de hoorzitting aan de orde zijn gekomen.

Schriftelijke vragen

33.

Het arbitragepanel kan op elk moment van de procedure schriftelijke vragen aan een partij of aan beide partijen stellen. Beide partijen ontvangen een kopie van de vragen van het arbitragepanel.

34.

Ook verstrekt een partij de andere partij een kopie van haar schriftelijke antwoord op de vragen van het arbitragepanel. Elk van beide partijen wordt in de gelegenheid gesteld binnen vijf werkdagen na de datum van ontvangst schriftelijke opmerkingen over het antwoord van de andere partij te maken.

Vertrouwelijkheid

35.

Wanneer een hoorzitting van het arbitragepanel overeenkomstig punt 28 niet openbaar is, respecteren de partijen de vertrouwelijkheid van de zitting. Informatie die door de andere partij aan het arbitragepanel is verstrekt en als vertrouwelijk is aangemerkt, wordt door beide partijen vertrouwelijk behandeld. Wanneer een partij het arbitragepanel een vertrouwelijke versie van haar schriftelijke stukken verstrekt, dient zij op verzoek van de andere partij uiterlijk 15 dagen na de datum van het verzoek of, indien dit later is, na de datum van indiening van het stuk, tevens een niet-vertrouwelijke samenvatting van het stuk in, die openbaar mag worden gemaakt. Geen enkele bepaling van dit reglement van orde belet een partij haar eigen standpunten openbaar te maken.

Eenzijdige contacten

36.

Het arbitragepanel heeft geen ontmoetingen of contacten met een partij in afwezigheid van de andere partij.

37.

Een lid van het arbitragepanel mag geen aspecten van de inhoud van de procedure met een partij of met beide partijen bespreken in afwezigheid van de andere scheidsrechters.

Bijdragen van amici curiae

38.

Tenzij de partijen binnen vijf dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel anders overeenkomen, kan het arbitragepanel ongevraagde schriftelijke bijdragen in ontvangst nemen, op voorwaarde dat zij binnen tien dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel worden ingediend, beknopt zijn, met inbegrip van eventuele bijlagen in ieder geval niet meer dan 15 getypte bladzijden tellen en direct van belang zijn voor de feitelijke vraag die door het arbitragepanel wordt onderzocht.

39.

Deze bijdragen bevatten een beschrijving van de natuurlijke of rechtspersoon die de bijdrage indient, met inbegrip van de aard van zijn activiteiten en zijn financieringsbron, alsook nadere gegevens over het belang dat die persoon bij de arbitrageprocedure heeft. De bijdragen zijn gesteld in de talen die de partijen overeenkomstig de punten 42 en 43 van dit reglement van orde hebben gekozen.

40.

Het arbitragepanel vermeldt in zijn uitspraak alle bijdragen die het overeenkomstig bovenstaande voorschriften heeft ontvangen. Het arbitragepanel is niet verplicht in zijn uitspraak op de in de bijdragen naar voren gebrachte argumenten in te gaan. Alle bijdragen die het arbitragepanel overeenkomstig dit punt heeft ontvangen, worden aan de partijen verstrekt om hen in de gelegenheid te stellen hierover opmerkingen te maken.

Dringende gevallen

41.

In dringende gevallen, zoals bedoeld in deze overeenkomst, kan het arbitragepanel de in dit reglement van orde vastgestelde termijnen zo nodig in overleg met de partijen aanpassen; in dat geval stelt het de partijen daarvan in kennis.

Vertaling en vertolking

42.

Tijdens het in artikel 6, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde overleg, en uiterlijk op de in punt 9, onder b), van dit reglement van orde bedoelde vergadering, proberen de partijen tot overeenstemming te komen over een gemeenschappelijke werktaal voor de procedures van het arbitragepanel.

43.

Indien de partijen niet tot overeenstemming komen over een gemeenschappelijke werktaal, verstrekt elke partij voor eigen rekening een vertaling van haar schriftelijke stukken in de door de andere partij gekozen taal.

44.

De partij waartegen de klacht gericht is, zorgt voor de vertolking van de pleidooien naar de door de partijen gekozen talen.

45.

Uitspraken van het arbitragepanel worden gedaan in de door de partijen gekozen taal of talen.

46.

Elke partij kan opmerkingen maken over een overeenkomstig dit reglement van orde gemaakte vertaling van een document.

Berekening van termijnen

47.

Wanneer de partijen een document ingevolge de toepassing van punt 7 van dit reglement van orde niet op dezelfde datum ontvangen, worden termijnen die ingaan vanaf de datum van ontvangst van dat document, vanaf de laatste datum van ontvangst berekend.

Andere procedures

48.

Dit reglement van orde is ook van toepassing op de procedures van artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 2, artikel 12, lid 3, en artikel 13, lid 2, van deze overeenkomst. De in dit reglement van orde vermelde termijnen voor de vaststelling van een uitspraak door het arbitragepanel worden in dat geval vervangen door de bijzondere termijnen die in die andere procedures zijn vastgesteld.

49.

Indien het oorspronkelijke panel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen voor de procedures van artikel 10, lid 2, artikel 11, lid 2, artikel 12, lid 3, en artikel 13, lid 2, van deze overeenkomst, is de procedure van artikel 6 van deze overeenkomst van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak wordt in dat geval met 15 dagen verlengd.

BIJLAGE II

GEDRAGSCODE VOOR LEDEN VAN ARBITRAGEPANELS EN BEMIDDELAARS

Definities

1.

In deze gedragscode wordt verstaan onder:

a)   „lid” of „scheidsrechter”: een lid van een op grond van artikel 6 van deze overeenkomst daadwerkelijk ingesteld arbitragepanel;

b)   „bemiddelaar”: een persoon die overeenkomstig artikel 4 van deze overeenkomst een bemiddeling verricht;

c)   „kandidaat”: een persoon wiens naam voorkomt op de in artikel 19 van deze overeenkomst bedoelde lijst van scheidsrechters en wiens selectie als lid van een arbitragepanel overeenkomstig artikel 6 van deze overeenkomst wordt overwogen;

d)   „assistent”: een persoon die in het kader van het mandaat van een lid, voor dat lid onderzoek verricht of ondersteunende taken uitvoert;

e)   „procedure”: tenzij anders gespecificeerd, een procedure van een arbitragepanel uit hoofde van deze overeenkomst;

f)   „personeel”: met betrekking tot een lid, andere personen dan assistenten die onder zijn leiding en toezicht werkzaam zijn.

Verantwoordelijkheden in het kader van de procedure

2.

Elke kandidaat en elk lid vermijdt laakbaar gedrag en de schijn van laakbaar gedrag, is onafhankelijk en onpartijdig, vermijdt directe en indirecte belangenconflicten en neemt bij zijn gedrag de hoogste normen in acht, teneinde de integriteit en onpartijdigheid van de regeling inzake geschillenbeslechting te garanderen. Voormalige leden leven de verplichtingen in de punten 15 tot en met 18 van deze gedragscode na.

Verplichtingen inzake openbaarmaking

3.

Voorafgaand aan de bevestiging van hun aanstelling tot lid van het arbitragepanel op grond van deze overeenkomst geven kandidaten opening van zaken over alle belangen, relaties of aangelegenheden die van invloed kunnen zijn op hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij tijdens de procedure de schijn van laakbaar gedrag of partijdigheid zouden kunnen wekken. Daartoe stellen kandidaten alles in het werk wat redelijkerwijs in hun vermogen ligt om na te gaan of er sprake is van dergelijke belangen, relaties of aangelegenheden.

4.

Een kandidaat of lid meldt feitelijke of mogelijke schendingen van deze gedragscode uitsluitend bij het Subcomité industrie, handel en diensten, zodat ze door de partijen kunnen worden beoordeeld.

5.

Na hun aanwijzing blijven leden alles in het werk stellen wat redelijkerwijs in hun vermogen ligt om na te gaan of er sprake is van de in punt 3 van deze gedragscode bedoelde belangen, relaties of aangelegenheden en maken zij deze in voorkomend geval openbaar. Op grond van de verplichting tot openbaarmaking zijn leden voortdurend gehouden dergelijke belangen, relaties en aangelegenheden openbaar te maken wanneer deze zich tijdens de procedure voordoen. Leden maken dergelijke belangen, relaties en aangelegenheden openbaar door het Subcomité industrie, handel en diensten er schriftelijk van in kennis te stellen, zodat ze door de partijen kunnen worden beoordeeld.

Taken van leden

6.

Na hun aanwijzing zetten leden zich gedurende de hele procedure in om hun taken nauwgezet, snel en billijk te vervullen.

7.

Leden onderzoeken uitsluitend vragen die in de procedure aan de orde worden gesteld en voor de uitspraak noodzakelijk zijn en dragen deze taak niet aan een andere persoon over.

8.

Leden nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de punten 2, 3, 4, 5, 16, 17 en 18 van deze gedragscode door hun assistenten en personeel worden gekend en nageleefd.

9.

Leden onthouden zich van eenzijdige contacten in verband met de procedure.

Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van leden

10.

Leden zijn onafhankelijk en onpartijdig, vermijden de schijn van laakbaar gedrag of partijdigheid en laten zich niet leiden door eigenbelang, druk van buitenaf, politieke overwegingen, publieke protesten, trouw aan een partij of vrees voor kritiek.

11.

Leden mogen noch direct noch indirect verplichtingen aangaan of voordelen accepteren die op welke wijze dan ook de goede uitoefening van hun taken verstoren of lijken te verstoren.

12.

Leden gebruiken hun positie als lid van het arbitragepanel niet om persoonlijke of particuliere belangen te dienen en onthouden zich van handelingen die de indruk kunnen wekken dat anderen in een bijzondere positie verkeren waardoor zij invloed op hen kunnen uitoefenen.

13.

Leden laten hun gedrag of oordeel niet beïnvloeden door financiële, zakelijke, professionele, familiale of sociale relaties of verantwoordelijkheden.

14.

Leden gaan geen relaties aan en verwerven geen financiële belangen wanneer daardoor hun onpartijdigheid in het gedrang kan komen of wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daardoor de schijn van laakbaar gedrag of partijdigheid wordt gewekt.

Verplichtingen van voormalige leden

15.

Voormalige leden onthouden zich van handelingen die de schijn kunnen wekken dat zij bij de uitoefening van hun taken niet onpartijdig waren of voordeel hebben gehad van het besluit of de uitspraak van het arbitragepanel.

Vertrouwelijkheid

16.

Leden of voormalige leden mogen op geen enkel moment niet-openbare informatie over of verkregen tijdens een procedure openbaar maken of gebruiken, behalve voor de doeleinden van die procedure, en mogen deze informatie in geen geval openbaar maken of gebruiken om persoonlijk voordeel te behalen, anderen een voordeel te schenken of het belang van anderen in negatieve zin te beïnvloeden.

17.

Leden mogen uitspraken van het arbitragepanel of delen daarvan niet openbaar maken voordat zij overeenkomstig deze overeenkomst bekend worden gemaakt.

18.

Leden of voormalige leden mogen op geen enkel moment informatie over de beraadslagingen van het arbitragepanel of over de standpunten van de leden openbaar maken.

Uitgaven

19.

Leden houden de aan de procedure bestede tijd en de hiervoor gedane uitgaven bij en overleggen hiervan een eindafrekening.

Bemiddelaars

20.

De in deze gedragscode beschreven voorschriften voor leden of voormalige leden zijn van overeenkomstige toepassing op bemiddelaars.


VERORDENINGEN

5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/17


VERORDENING (EU) Nr. 647/2011 VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2011

tot rectificatie van de Sloveense versie van Verordening (EU) nr. 258/2010 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van guarpitmeel van oorsprong of verzonden uit India wegens de risico's van verontreiniging met pentachloorfenol en dioxinen, en tot intrekking van Beschikking 2008/352/EG

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name artikel 53, lid 1, onder b), ii),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 25 maart 2010 heeft de Commissie Verordening (EU) nr. 258/2010 (2) tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van guarpitmeel en tot intrekking van Beschikking 2008/352/EG vastgesteld. In de Sloveense taalversie van die verordening zijn de woorden „exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven” verkeerd vertaald en daarom moet die taalversie worden gerectificeerd. Met de overige taalversies zijn er geen problemen.

(2)

Verordening (EU) nr. 258/2010 moet derhalve dienovereenkomstig worden gerectificeerd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze rectificatieverordening betreft alleen de Sloveense taalversie.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(2)  PB L 80 van 26.3.2010, blz. 28.


5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 648/2011 VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1266/2007 wat betreft de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen betreffende de voorwaarden waaronder bepaalde dieren worden vrijgesteld van het verplaatsingsverbod overeenkomstig Richtlijn 2000/75/EG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/75/EG van de Raad van 20 november 2000 tot vaststelling van specifieke bepalingen inzake de bestrijding en uitroeiing van bluetongue (1), en met name artikel 9, lid 1, onder c), de artikelen 11 en 12 en artikel 19, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1266/2007 van de Commissie van 26 oktober 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Richtlijn 2000/75/EG van de Raad wat betreft de bestrijding, monitoring, surveillance en beperkingen op de verplaatsingen van bepaalde dieren van vatbare soorten in verband met bluetongue (2) voorziet in bepalingen inzake bestrijding, monitoring, surveillance en beperkingen op de verplaatsingen van die dieren, in verband met bluetongue, binnen en uit de beperkingsgebieden.

(2)

Artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1266/2007 bevat voorwaarden voor de vrijstelling van het verplaatsingsverbod als bedoeld in Richtlijn 2000/75/EG. Overeenkomstig artikel 8, lid 1, van die verordening worden verplaatsingen van dieren en sperma, eicellen en embryo’s daarvan van een bedrijf of spermawinnings- of opslagcentrum dat is gelegen in een beperkingsgebied, naar een ander bedrijf of spermawinnings- of opslagcentrum, vrijgesteld van het krachtens Richtlijn 2000/75/EG ingestelde verbod, mits de dieren en sperma, eicellen en embryo’s daarvan voldoen aan de voorwaarden van bijlage III bij die verordening of aan andere adequate diergezondheidsgaranties op grond van een positieve uitkomst van een risicobeoordeling van de maatregelen tegen de verspreiding van het bluetonguevirus en ter bescherming tegen vectoren, die vóór de verplaatsing van de dieren door de bevoegde autoriteit van de plaats van herkomst worden voorgeschreven en door de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming worden goedgekeurd.

(3)

Artikel 9 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1266/2007 bepaalt dat bij wijze van overgang en in afwijking van de voorwaarden van bijlage III bij die verordening de lidstaten van bestemming op basis van de resultaten van een risicobeoordeling waarin rekening wordt gehouden met de entomologische en epidemiologische omstandigheden waaronder de dieren worden binnengebracht, mogen eisen dat bij de verplaatsing van dieren die onder de uitzondering van artikel 8, lid 1, van die verordening vallen, aan aanvullende voorwaarden wordt voldaan. Die aanvullende voorwaarden zijn dat de dieren jonger moeten zijn dan 90 dagen, dat zij sinds hun geboorte afgeschermd moeten zijn tegen vectoren en dat zij aan bepaalde in bijlage III bij die verordening bedoelde tests moeten zijn onderworpen.

(4)

Verordening (EG) nr. 1266/2007, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1142/2010 (3), verlengt de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen van artikel 9 bis van Verordening (EG) nr. 1266/2007 met zes maanden, tot en met 30 juni 2011. Ten tijde van de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1142/2010 werd verwacht dat nieuwe criteria voor vectorbestendige inrichtingen zouden worden vastgesteld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1266/2007 zodat deze overgangsmaatregelen niet meer noodzakelijk zouden zijn. Deze geplande wijziging van bijlage III bij die verordening heeft echter nog niet plaatsgevonden.

(5)

Bijgevolg moet de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen zoals vastgesteld in artikel 9 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1266/2007 met nog een jaar worden verlengd, tot de wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1266/2007 betreffende vectorbestendige inrichtingen worden vastgesteld.

(6)

Verordening (EG) nr. 1266/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 9 bis, lid 1, inleidende zin, van Verordening (EG) nr. 1266/2007 wordt „30 juni 2011” vervangen door „30 juni 2012”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 74.

(2)  PB L 283 van 27.10.2007, blz. 37.

(3)  PB L 322 van 8.12.2010, blz. 20.


5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/20


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 649/2011 VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 5 juli 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

49,0

AR

26,0

EC

26,0

MK

31,8

TR

53,0

US

26,0

ZZ

35,3

0707 00 05

TR

95,0

ZZ

95,0

0709 90 70

EC

28,8

TR

112,4

ZZ

70,6

0805 50 10

AR

62,6

BR

42,9

CL

88,7

TR

68,0

UY

56,9

ZA

71,8

ZZ

65,2

0808 10 80

AR

123,5

BR

80,4

CL

88,6

CN

91,2

NZ

112,3

US

132,1

UY

61,9

ZA

78,7

ZZ

96,1

0808 20 50

AR

79,1

AU

65,1

CL

113,0

CN

53,5

NZ

161,1

ZA

88,4

ZZ

93,4

0809 10 00

AR

89,7

TR

276,6

XS

152,4

ZZ

172,9

0809 20 95

TR

295,1

ZZ

295,1

0809 30

TR

179,1

XS

55,8

ZZ

117,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/22


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 650/2011 VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2011

tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2010/11 zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 867/2010 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 646/2011 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2010/11 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 867/2010 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 5 juli 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 259 van 1.10.2010, blz. 3.

(4)  PB L 175 van 2.7.2011, blz. 8.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 5 juli 2011

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

50,36

0,00

1701 11 90 (1)

50,36

0,00

1701 12 10 (1)

50,36

0,00

1701 12 90 (1)

50,36

0,00

1701 91 00 (2)

53,10

1,54

1701 99 10 (2)

53,10

0,00

1701 99 90 (2)

53,10

0,00

1702 90 95 (3)

0,53

0,20


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


RICHTLIJNEN

5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/24


RICHTLIJN 2011/64/EU VAN DE RAAD

van 21 juni 2011

betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten

(codificatie)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 92/79/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op sigaretten (1), Richtlijn 92/80/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de onderlinge aanpassing van de belastingen op andere tabaksfabrikaten dan sigaretten (2) en Richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten (3) zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijnen te worden overgegaan door deze in één tekst samen te brengen.

(2)

De wetgeving van de Unie betreffende de belasting van tabaksproducten dient te zorgen voor de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van gezondheidsbescherming, zoals vereist bij artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en rekening gehouden met het feit dat tabaksproducten de gezondheid ernstig kunnen schaden en dat de Unie partij is bij de kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik. De bestaande situatie voor elk van de verschillende soorten tabaksfabrikaten dient in aanmerking te worden genomen.

(3)

Een van de doelstellingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie is de instandhouding van een economische unie waarvan de kenmerken analoog zijn aan die van een binnenlandse markt, waarin gezonde mededinging bestaat. De verwezenlijking van dit doel met betrekking tot de sector tabaksfabrikaten veronderstelt dat de in de lidstaten op het verbruik van producten van deze sector geheven belasting zodanig wordt toegepast dat de mededingingsvoorwaarden niet worden vervalst en het vrije verkeer van deze producten binnen de Unie niet wordt belemmerd.

(4)

De verschillende soorten tabaksfabrikaten die zich van elkaar onderscheiden door hun eigenschappen en door hun gebruiksdoeleinden, moeten worden gedefinieerd.

(5)

Een onderscheid dient te worden aangebracht tussen tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak.

(6)

Tabaksrolletjes die als zodanig, na een eenvoudige behandeling met de hand, kunnen worden gerookt, dienen ter wille van een uniforme belasting van die producten eveneens als sigaret te worden beschouwd.

(7)

Het begrip „fabrikant” dient te worden omschreven als de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die daadwerkelijk de tabaksfabrikaten vervaardigt en die de maximumkleinhandelsprijs bepaalt voor elk van de lidstaten waar de betrokken producten tot verbruik worden uitgeslagen.

(8)

In het belang van een uniforme en billijke belastingheffing moet de definitie van sigaretten, sigaren en cigarillo’s en van andere vormen van rooktabak worden vastgesteld zodat tabaksrolletjes die op grond van hun lengte als twee of meer sigaretten kunnen worden beschouwd, voor accijnsdoeleinden worden behandeld als twee of meer sigaretten, een sigaarsoort die in veel opzichten lijkt op een sigaret, voor accijnsdoeleinden wordt beschouwd als een sigaret, rooktabak die in veel opzichten lijkt op tabak van fijne snede die bedoeld is voor het rollen van sigaretten, voor accijnsdoeleinden als tabak van fijne snede wordt beschouwd, en tabaksafval duidelijk wordt gedefinieerd. Gezien de economische moeilijkheden die een onmiddellijke toepassing voor de betrokken Duitse en Hongaarse marktdeelnemers zou kunnen veroorzaken, verdient het aanbeveling Duitsland en Hongarije te machtigen de toepassing van de definitie van sigaren en cigarillo’s uit te stellen tot uiterlijk 1 januari 2015.

(9)

Wat de accijnzen betreft, moet de harmonisatie van de structuren in het bijzonder tot gevolg hebben dat de concurrentieverhoudingen tussen de verschillende categorieën tabaksfabrikaten die tot een zelfde groep behoren, niet worden vervalst door de invloed van de belastingheffing en dat zodoende de openstelling van de nationale markten van de lidstaten wordt verwezenlijkt.

(10)

De eisen inzake de mededinging impliceren een regeling waarbij de prijzen voor alle groepen tabaksfabrikaten vrij tot stand worden gebracht.

(11)

De structuur van de accijns op sigaretten moet, naast een per eenheid product bepaald specifiek deel, een evenredig deel omvatten dat is gebaseerd op de kleinhandelsprijs inclusief alle belastingen. Aangezien de omzetbelasting op sigaretten dezelfde werking heeft als een ad-valoremaccijns, dient daarmee bij de vaststelling van de verhouding van het specifieke deel van de accijns en de totale belasting rekening te worden gehouden.

(12)

Onverminderd de gemengde belastingstructuur van het specifieke deel en het maximale percentage van de totale belastingdruk dat het kan uitmaken, moeten de lidstaten effectieve middelen krijgen om een specifieke accijns of een minimumaccijns op sigaretten te heffen, teneinde te garanderen dat ten minste een zekere minimumbelastingdruk van toepassing is binnen de Unie.

(13)

Voor de goede werking van de interne markt is het vereist minimumaccijnzen voor alle categorieën tabaksfabrikaten vast te stellen.

(14)

Wat sigaretten betreft, dient een neutraal mededingingsklimaat voor de fabrikanten te worden gewaarborgd, dient de fragmentering van de tabaksmarkten te worden teruggedrongen en dient meer gewicht te worden gegeven aan gezondheidsdoelstellingen. Dit ad-valorumminimum dient derhalve te worden gerelateerd aan de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs en het nominale minimum moet van toepassing worden op alle sigaretten. Om dezelfde redenen moet de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs ook dienen als maatstaf voor het bepalen van het aandeel van het specifieke accijnsrecht in de totale belastingdruk.

(15)

Wat de prijzen en de accijnzen betreft, met name voor sigaretten, die veruit de belangrijkste categorie van tabaksproducten zijn, en voor tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten, bestaan er nog altijd aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten die de werking van de interne markt kunnen verstoren. Een zekere mate van convergentie van de door de lidstaten toegepaste belastingtarieven zou de fraude en de smokkel in de Unie helpen terugdringen.

(16)

Een dergelijke convergentie zou tevens een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens helpen garanderen. De belastingdruk speelt een belangrijke rol in de prijs van een tabaksproduct, die op zijn beurt het rookgedrag van de consument beïnvloedt. Fraude en smokkel ondergraven het fiscaal gestuurde prijsniveau in het bijzonder van sigaretten en van tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten, zodat de verwezenlijking van de doelstellingen van het tabakontmoedigingsbeleid en de gezondheidsbescherming in het gedrang komt.

(17)

Wat andere producten dan sigaretten betreft, dient een geharmoniseerd belastingeffect te worden bewerkstelligd voor alle producten die tot een zelfde groep tabaksfabrikaten behoren. De vaststelling van een totale minimumaccijns uitgedrukt als een percentage dan wel als een bedrag per kilogram of per aantal stuks, is het meest geschikt voor de werking van de interne markt.

(18)

Wat tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten betreft, moet het ad-valoremminimum in de Unie zodanig worden opgezet dat het bereikte effect vergelijkbaar is met het bij sigaretten bereikte effect en moet hiertoe de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs als maatstaf worden genomen.

(19)

De minima voor tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten en de minima voor sigaretten moeten nader tot elkaar worden gebracht, teneinde meer rekening te houden met de concurrentieverhouding die volgens de waargenomen consumptiepatronen tussen beide producten bestaat, en met het feit dat beide even schadelijk zijn.

(20)

Portugal moet de mogelijkheid krijgen om op in de ultraperifere gebieden van de Azoren en Madeira verbruikte sigaretten die zijn vervaardigd door kleine producenten een verlaagd tarief toe te passen.

(21)

Overgangsperioden zouden de lidstaten in staat moeten stellen zich soepel aan te passen aan de totale accijnstarieven en daardoor neveneffecten te vermijden.

(22)

Om het economische en sociale evenwicht van Corsica niet in gevaar te brengen is het nodig en gerechtvaardigd om te voorzien in een fiscale uitzonderingsmaatregel, tot en met 31 december 2015, op grond waarvan Frankrijk een lager accijnstarief dan het nationale accijnstarief kan toepassen op sigaretten en andere tabaksfabrikaten die op Corsica tot verbruik worden aangegeven. Tegen die tijd dient de accijnsregeling voor de op Corsica tot verbruik uitgeslagen tabaksfabrikaten volledig aangepast te zijn aan die welke in continentaal Frankrijk geldt. Om een te bruuske overgang te vermijden, is het evenwel opportuun om de accijns op sigaretten en tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten op Corsica stapsgewijze te verhogen.

(23)

Waar de meeste lidstaten voor bepaalde tabaksfabrikaten naar gelang van het gebruik vrijstelling of belastingteruggaaf verlenen, dienen in deze richtlijn de vrijstellingen of teruggaven voor bijzondere vormen van gebruik te worden vastgesteld.

(24)

Er dient te worden voorzien in een procedure om op gezette tijden de bij deze richtlijn bepaalde tarieven of bedragen te bezien aan de hand van een verslag van de Commissie waarin rekening is gehouden met alle relevante factoren.

(25)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ONDERWERP

Artikel 1

In deze richtlijn worden algemene beginselen vastgesteld voor de harmonisatie van de structuur en de tarieven van de accijns welke de lidstaten op tabaksfabrikaten heffen.

HOOFDSTUK 2

DEFINITIES

Artikel 2

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder tabaksfabrikaten:

a)

sigaretten;

b)

sigaren en cigarillo’s;

c)

rooktabak:

i)

tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten;

ii)

andere soorten rooktabak.

2.   Met sigaretten en rooktabak worden gelijkgesteld, de producten die geheel of gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan, maar die aan de overige criteria van artikel 3, respectievelijk artikel 5, lid 1, voldoen.

In afwijking van de eerste alinea worden producten die geen tabak bevatten, niet als tabaksfabrikaten beschouwd wanneer zij uitsluitend voor medische doeleinden dienen.

3.   Onverminderd de reeds vastgestelde bepalingen van de Unie, doen de in lid 2 van dit artikel en de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde definities geen afbreuk aan de vaststelling van de systemen noch aan die van de hoogte van belasting die van toepassing zijn op de verschillende in deze artikelen genoemde groepen producten.

Artikel 3

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder sigaretten:

a)

tabaksrolletjes die geschikt zijn om als zodanig te worden gerookt en die geen sigaren of cigarillo’s zijn in de zin van artikel 4, lid 1;

b)

tabaksrolletjes die door middel van een eenvoudige niet-industriële handeling in een huls van sigarettenpapier worden geschoven;

c)

tabaksrolletjes die door middel van een eenvoudige niet-industriële handeling met sigarettenpapier worden omhuld.

2.   Een tabaksrolletje als bedoeld in lid 1 wordt voor de toepassing van de accijns als twee sigaretten beschouwd wanneer het, zonder filter of mondstuk, meer dan 8 cm doch niet meer dan 11 cm lang is, en als drie sigaretten wanneer het, zonder filter of mondstuk, meer dan 11 cm doch niet meer dan 14 cm lang is enzovoort.

Artikel 4

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn worden de volgende producten als sigaren of cigarillo’s beschouwd, indien zij geschikt zijn om en, gelet op hun kenmerken en de normale verwachtingen van de consument, uitsluitend bestemd zijn om als zodanig te worden gerookt:

a)

tabaksrolletjes met een dekblad van natuurtabak;

b)

tabaksrolletjes bestaande uit een gebroken melange, met een dekblad van gereconstitueerde tabak dat de normale kleur heeft van een sigaar en het product volledig omhult, in voorkomend geval met inbegrip van het filter, doch zonder het mondstuk (voor sigaren met mondstuk), en waarvan het gewicht per stuk, zonder filter of mondstuk, niet minder dan 2,3 g en niet meer dan 10 g bedraagt en de omtrek over ten minste een derde van de lengte 34 mm of meer bedraagt.

2.   In afwijking van lid 1 mogen Duitsland en Hongarije de volgende alinea blijven toepassen tot en met 31 december 2014.

Als sigaren of cigarillo’s worden beschouwd de volgende producten, indien zij geschikt zijn om als zodanig te worden gerookt:

a)

volledig uit natuurtabak bestaande tabaksrolletjes;

b)

tabaksrolletjes met een dekblad van natuurtabak;

c)

tabaksrolletjes bestaande uit een gebroken melange, met een dekblad dat de normale kleur heeft van een sigaar en dat het product volledig omhult, in voorkomend geval met inbegrip van het filter, doch zonder het mondstuk (voor sigaren met mondstuk) en een omblad, beide van gereconstitueerde tabak, waarvan het gewicht per stuk, zonder filter of mondstuk, niet minder dan 1,2 g bedraagt en het dekblad schuin gewikkeld is volgens een lijn die met de lengteas van het rolletje een scherpe hoek van ten minste 30o maakt;

d)

tabaksrolletjes bestaande uit een gebroken melange, met een dekblad dat de normale kleur heeft van een sigaar, van gereconstitueerde tabak, dat het product volledig omhult, in voorkomend geval met inbegrip van het filter, doch zonder het mondstuk (voor sigaren met mondstuk) en waarvan het gewicht per stuk, zonder filter of mondstuk, niet minder dan 2,3 g bedraagt en de omtrek over ten minste een derde van de lengte 34 mm of meer bedraagt.

3.   Met sigaren en cigarillo’s worden gelijkgesteld producten die gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan, maar die aan de overige criteria van lid 1 voldoen.

Artikel 5

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder rooktabak:

a)

gesneden of op andere wijze versnipperde, gesponnen of tot flakes geperste tabak die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt;

b)

tabaksafval, verpakt voor verkoop aan de consument, dat niet onder artikel 3 en artikel 4, lid 1, valt en dat geschikt is om te worden gerookt. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder tabaksafval verstaan de resten van tabaksbladeren en bijproducten die uit de verwerking van tabak of de vervaardiging van tabaksproducten ontstaan.

2.   Als tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten wordt beschouwd, rooktabak die voor meer dan 25 gewichtsprocenten tabaksdeeltjes met een snijbreedte van minder dan 1,5 mm bevat.

Voorts mogen de lidstaten als tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten beschouwen, rooktabak die voor meer dan 25 gewichtsprocenten tabaksdeeltjes met een snijbreedte van meer dan 1,5 mm of meer bevat en die verkocht is of bestemd is om te worden verkocht voor het rollen van sigaretten.

Artikel 6

Als fabrikant wordt beschouwd, de in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die tabak verwerkt tot voor verkoop in de kleinhandel gerede producten.

HOOFDSTUK 3

BEPALINGEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP SIGARETTEN

Artikel 7

1.   Op in de Unie vervaardigde en op uit derde landen ingevoerde sigaretten wordt een ad-valoremaccijns geheven die berekend is over de maximumkleinhandelsprijs, met inbegrip van de douanerechten, alsmede een specifieke accijns welke berekend wordt per eenheid product.

In afwijking van de eerste alinea kan elke lidstaat de douanerechten uitsluiten van de berekeningsgrondslag voor de ad-valoremaccijns op sigaretten.

2.   Het heffingspercentage van de ad-valoremaccijns en het bedrag van de specifieke accijns moeten voor alle sigaretten dezelfde zijn.

3.   In het definitieve stadium van de harmonisatie van de structuren wordt in alle lidstaten voor sigaretten dezelfde verhouding tussen de specifieke accijns en de som van de ad-valoremaccijns en de omzetbelasting tot stand gebracht, zodat de kleinhandelsprijzen een juiste afspiegeling vormen van het verschil in de verkoopprijzen der fabrikanten.

4.   Zo nodig kan voor de accijns op sigaretten een minimumaccijnsbedrag worden vastgesteld, op voorwaarde dat de gemengde belastingstructuur en de bandbreedte voor het specifieke deel van de accijns overeenkomstig artikel 8 strikt worden geëerbiedigd.

Artikel 8

1.   Het percentage van het specifieke deel van de accijns op sigaretten ten opzichte van de totale belastingdruk wordt vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs.

2.   De gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs is gelijk aan de op basis van de kleinhandelsprijs inclusief alle belastingen berekende totale waarde van alle tot verbruik uitgeslagen sigaretten, gedeeld door de totale hoeveelheid tot verbruik uitgeslagen sigaretten. Deze prijs wordt uiterlijk op 1 maart van elk jaar bepaald op basis van de gegevens in verband met alle tot verbruik uitgeslagen hoeveelheden van het voorgaande kalenderjaar.

3.   Tot en met 31 december 2013 mag het specifieke deel van de accijns niet lager zijn dan 5 % noch hoger dan 76,5 % van de totale belastingdruk die resulteert uit de samenstelling van:

a)

de specifieke accijns;

b)

de ad-valoremaccijns en de belasting op de toegevoegde waarde (btw) die worden geheven op de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs.

4.   Vanaf 1 januari 2014 mag het specifieke deel van de accijns op sigaretten niet lager zijn dan 7,5 % noch hoger dan 76,5 % van de totale belastingdruk die resulteert uit de samenstelling van:

a)

de specifieke accijns;

b)

de ad-valoremaccijns en de btw die worden geheven op de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs.

5.   Wanneer de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van sigaretten in een lidstaat verandert en het specifieke deel van de accijns, uitgedrukt als percentage van de totale belastingdruk, hierdoor minder dan 5 % of 7,5 %, al naargelang het geval, dan wel meer dan 76,5 % van de totale belastingdruk gaat bedragen, mag de betrokken lidstaat, in afwijking van de leden 3 en 4, wachten met het aanpassen van het bedrag van de specifieke accijns tot uiterlijk 1 januari van het tweede jaar volgende op dat waarin de verandering zich heeft voorgedaan.

6.   Onverminderd de leden 3, 4 en 5 van dit artikel en artikel 7, lid 1, tweede alinea, kunnen de lidstaten een minimumaccijns op sigaretten heffen.

Artikel 9

1.   De lidstaten passen op sigaretten minimumverbruiksbelastingen toe volgens de in dit hoofdstuk vervatte bepalingen.

2.   Lid 1 is van toepassing op de overeenkomstig dit hoofdstuk op sigaretten geheven belastingen, bestaande uit:

a)

een specifieke accijns per eenheid product,

b)

een over de maximumkleinhandelsprijs berekende ad-valoremaccijns,

c)

een aan de kleinhandelsprijs evenredige btw.

Artikel 10

1.   De totale accijns (specifiek recht en ad-valoremaccijns exclusief btw) op sigaretten bedraagt ten minste 57 % van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van de tot verbruik uitgeslagen sigaretten. Ongeacht de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs bedraagt die accijns niet minder dan 64 EUR per 1 000 sigaretten.

Lidstaten die een accijns heffen van ten minste 101 EUR per 1 000 sigaretten op basis van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs behoeven niet te voldoen aan het in de eerste alinea bedoelde minimum van 57 %.

2.   Met ingang van 1 januari 2014 bedraagt de totale accijns ten minste 60 % van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van tot verbruik uitgeslagen sigaretten. Ongeacht de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs bedraagt die accijns niet minder dan 90 EUR per 1 000 sigaretten.

Lidstaten die een accijns heffen van ten minste 115 EUR per 1 000 sigaretten op basis van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs behoeven niet te voldoen aan het in de eerste alinea bedoelde minimum van 60 %.

Aan Bulgarije, Estland, Griekenland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen en Roemenië wordt een overgangsperiode tot en met 31 december 2017 toegestaan om te voldoen aan de voorschriften van de eerste en tweede alinea.

3.   De lidstaten verhogen geleidelijk de accijns om op de in lid 2 genoemde data aan de in dat lid bedoelde minima te voldoen.

Artikel 11

1.   Wanneer de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van sigaretten in een lidstaat verandert, waardoor de totale accijns onder het in de eerste zin van lid 1en in de eerste zin van lid 2 van artikel 10 bepaalde minimum daalt, kan de betrokken lidstaat wachten met het aanpassen van de accijns tot uiterlijk 1 januari van het tweede jaar volgende op het jaar waarin de verandering zich heeft voorgedaan.

2.   Indien een lidstaat het btw-tarief voor sigaretten verhoogt, kan de totale accijns worden verlaagd met een bedrag dat, uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs, gelijk is aan de verhoging van het btw-tarief, eveneens uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs, zelfs indien een dergelijke aanpassing tot gevolg heeft dat de totale accijns daalt onder het in de eerste zin van lid 1 en in de eerste zin van lid 2 van artikel 10 bepaalde minimum, uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs.

De lidstaat verhoogt die accijns evenwel opnieuw tot die minima uiterlijk op 1 januari van het tweede jaar volgende op het jaar waarin de accijns werd verlaagd.

Artikel 12

1.   Portugal mag op in de ultraperifere gebieden van de Azoren en Madeira verbruikte sigaretten die worden vervaardigd door kleine producenten met een jaarlijkse productie van ten hoogste 500 t elk, een verlaagd tarief toepassen dat ten hoogste 50 % lager mag zijn dan het in artikel 10 bepaalde tarief.

2.   In afwijking van artikel 10 kan Frankrijk van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015 een lager accijnstarief blijven toepassen op sigaretten die in de departementen van Corsica tot verbruik worden uitgeslagen voor een jaarlijks quotum van maximaal 1 200 t. Dit verlaagde tarief wordt als volgt vastgesteld:

a)

tot en met 31 december 2012: ten minste 44 % van de prijs voor sigaretten uit de in die departementen meest gevraagde prijsklasse;

b)

vanaf 1 januari 2013: ten minste 50 % van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van tot verbruik uitgeslagen sigaretten. Ongeacht de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs bedraagt die accijns niet minder dan 88 EUR per 1 000 sigaretten;

c)

vanaf 1 januari 2015: ten minste 57 % van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van tot verbruik uitgeslagen sigaretten. Ongeacht de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs bedraagt die accijns niet minder dan 90 EUR per 1 000 sigaretten.

HOOFDSTUK 4

BEPALINGEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP ANDERE TABAKSFABRIKATEN DAN SIGARETTEN

Artikel 13

In iedere lidstaat wordt op de volgende groepen in de Unie vervaardigde of uit derde landen ingevoerde tabaksfabrikaten een minimumaccijns geheven als bepaald in artikel 14:

a)

sigaren en cigarillo’s,

b)

tabak van fijne snede, bestemd voor het rollen van sigaretten;

c)

andere rooktabak.

Artikel 14

1.   De lidstaten passen een accijns toe en kunnen daarbij kiezen uit:

a)

een ad-valoremaccijns, berekend over de vrij door de in de Unie gevestigde fabrikanten of de importeurs van fabrikaten uit derde landen vastgestelde maximumkleinhandelsprijs van elk product, overeenkomstig artikel 15; of

b)

een specifieke accijns, uitgedrukt als bedrag per kilogram of eventueel per aantal stuks voor sigaren en cigarillo’s; of

c)

een combinatie van een ad-valorem- en een specifiek deel.

De lidstaten mogen een minimumaccijnsbedrag vaststellen voor de gevallen waarin de accijns ad valorem of gemengd is.

2.   De totale accijns (specifiek recht en/of ad-valoremaccijns exclusief btw), uitgedrukt als percentage of als een bedrag per kilogram of per aantallen stuks, moet ten minste gelijk zijn aan de minimumtarieven of -bedragen:

a)   voor sigaren of cigarillo’s: 5 % van de kleinhandelsprijs, inclusief alle belastingen, of 12 EUR per 1 000 stuks of per kilogram;

b)   voor tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten: 40 % van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van tot verbruik uitgeslagen tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten, of 40 EUR per kilogram;

c)   voor andere rooktabak: 20 % van de kleinhandelsprijs, inclusief alle belastingen, of 22 EUR per kilogram.

Met ingang van 1 januari 2013 bedraagt de totale accijns op rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten ten minste 43 % van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van tot verbruik uitgeslagen rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten, of ten minste 47 EUR per kilogram.

Met ingang van 1 januari 2015 bedraagt de totale accijns op rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten ten minste 46 % van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van tot verbruik uitgeslagen rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten, of ten minste 54 EUR per kilogram.

Met ingang van 1 januari 2018 bedraagt de totale accijns op rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten ten minste 48 % van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van tot verbruik uitgeslagen rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten, of ten minste 60 EUR per kilogram.

Met ingang van 1 januari 2020 bedraagt de totale accijns op rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten ten minste 50 % van de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs van tot verbruik uitgeslagen rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten, of ten minste 60 EUR per kilogram.

De gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs is gelijk aan de op basis van de kleinhandelsprijs inclusief alle belastingen berekende totale waarde van de tot verbruik uitgeslagen rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten, gedeeld door de totale hoeveelheid tot verbruik uitgeslagen rooktabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten. Deze prijs wordt uiterlijk op 1 maart van elk jaar bepaald op basis van de gegevens in verband met alle tot verbruik uitgeslagen hoeveelheden van het voorgaande kalenderjaar.

3.   De in de leden 1 en 2 bepaalde tarieven of bedragen gelden voor alle producten van de betrokken groep tabaksfabrikaten, zonder onderscheid binnen de groep naar kwaliteit, presentatie, oorsprong van de producten, gebruikte grondstoffen, kenmerken van de ondernemingen of enig ander criterium.

4.   In afwijking van de leden 1 en 2 kan Frankrijk van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015 een lager accijnstarief dan het nationale accijnstarief blijven toepassen op andere tabaksfabrikaten dan sigaretten die in de departementen van Corsica tot verbruik worden uitgeslagen. Dit verlaagde tarief wordt als volgt vastgesteld:

a)   sigaren en cigarillo’s: ten minste 10 % van de kleinhandelsprijs inclusief alle belastingen;

b)   tabak van fijne snede, bestemd voor het rollen van sigaretten:

i)

tot en met 31 december 2012: ten minste 27 % van de kleinhandelsprijs inclusief alle belastingen;

ii)

vanaf 1 januari 2013: ten minste 30 % van de kleinhandelsprijs inclusief alle belastingen;

iii)

vanaf 1 januari 2015: ten minste 35 % van de kleinhandelsprijs inclusief alle belastingen;

c)   andere soorten rooktabak: ten minste 22 % van de kleinhandelsprijs inclusief alle belastingen.

HOOFDSTUK 5

VASTSTELLING VAN DE MAXIMUMKLEINHANDELSPRIJS VAN TABAKSFABRIKATEN, HEFFING VAN DE ACCIJNS, VRIJSTELLINGEN EN TERUGGAVEN

Artikel 15

1.   De fabrikanten of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers of gemachtigden in de Unie, alsmede de importeurs van fabrikaten uit derde landen stellen vrijelijk de maximumkleinhandelsprijs vast van elk van hun producten voor iedere lidstaat waar deze tot verbruik worden uitgeslagen.

De bepaling van de eerste alinea mag echter geen beletsel vormen voor de toepassing van de wettelijke regelingen van de lidstaten inzake prijzencontrole of de inachtneming van de vastgestelde prijzen, voor zover deze verenigbaar zijn met de voorschriften van de Unie.

2.   Ter vereenvoudiging van de accijnsheffing kunnen de lidstaten voor elke groep tabaksfabrikanten een schaal voor de kleinhandelsprijzen vaststellen, mits die schaal voldoende uitgebreid en gedifferentieerd is om de verscheidenheid van de producten uit de Unie metterdaad te dekken.

Elke schaal geldt voor alle producten van de groep tabaksfabrikaten waarop zij betrekking heeft, zonder onderscheid naar kwaliteit, presentatie, oorsprong van de producten of van de gebruikte grondstoffen, kenmerken van de ondernemingen of enig ander criterium.

Artikel 16

1.   Uiterlijk in het eindstadium van de harmonisatie van de accijns wordt de wijze van heffing van de accijns geharmoniseerd. Gedurende de voorgaande etappe wordt de accijns in beginsel geheven door middel van fiscale merktekens. Indien de lidstaten de accijns heffen door middel van fiscale merktekens, zijn zij verplicht deze merktekens verkrijgbaar te stellen voor de fabrikanten en handelaren van de andere lidstaten. Indien zij de accijns op een andere wijze heffen, zien de lidstaten erop toe dat hieruit geen enkele administratieve of technische belemmering voor het handelsverkeer tussen de lidstaat voortvloeit.

2.   Importeurs in de Unie en fabrikanten van tabaksfabrikaten zijn onderworpen aan de in lid 1 bedoelde regeling inzake de wijze van heffing en betaling van de accijns.

Artikel 17

Van de accijns kunnen worden vrijgesteld of teruggaaf van de reeds voldane accijns kan worden verkregen voor:

a)

gedenatureerde tabaksfabrikaten die voor industriële of tuinbouwkundige doeleinden worden gebruikt;

b)

tabaksfabrikaten die onder overheidstoezicht worden vernietigd;

c)

tabaksfabrikaten die uitsluitend zijn bestemd voor wetenschappelijke proefnemingen en voor tests in verband met de kwaliteit van de producten;

d)

tabaksfabrikaten die door de producent opnieuw worden be- of verwerkt.

De lidstaten bepalen voor bovenbedoelde vrijstellingen of teruggaven aan welke voorwaarden en formaliteiten moet worden voldaan.

HOOFDSTUK 6

SLOTBEPALINGEN

Artikel 18

1.   De Commissie publiceert jaarlijks de waarde van de euro in nationale valuta’s met het oog op de vaststelling van de bedragen van de totale accijns.

De voor deze omrekening toe te passen wisselkoersen zijn de in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte koersen van de eerste werkdag van oktober. Zij worden toegepast vanaf 1 januari van het volgende kalenderjaar.

2.   De lidstaten kunnen bij de in lid 1 bedoelde jaarlijkse aanpassing de geldende bedragen van de accijns onveranderd laten, indien de omrekening van de in euro uitgedrukte bedragen van de accijns een verhoging van de in nationale valuta uitgedrukte accijns geeft van minder dan 5 %, of minder dan 5 EUR indien dit bedrag lager is.

Artikel 19

1.   Om de vier jaar legt de Commissie de Raad een verslag en, in voorkomend geval, een voorstel voor over de bij deze richtlijn vastgestelde accijnstarieven en de structuur van de accijns.

In het verslag van de Commissie wordt rekening gehouden met de goede werking van de interne markt, de werkelijke waarde van de accijnstarieven en de doelstellingen van het Verdrag in het algemeen.

2.   Het in lid 1 genoemde verslag wordt hoofdzakelijk opgesteld aan de hand van de door de lidstaten verstrekte informatie.

3.   De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 43 van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad (5) een lijst van voor het verslag vereiste statistische gegevens vast, met uitsluiting van gegevens over individuele natuurlijke personen of juridische entiteiten. Behalve voor de lidstaten direct beschikbare gegevens bevat de lijst alleen gegevens waarvan het verzamelen en ordenen niet een te zware administratieve last op de lidstaten legt.

4.   De Commissie publiceert de gegevens niet, noch verspreidt zij deze anderszins indien dit zou leiden tot de onthulling van een commercieel, industrieel of beroepsgeheim.

Artikel 20

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 21

De Richtlijnen 92/79/EEG, 92/80/EEG en 95/59/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage I, deel A, genoemde richtlijnen, worden ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 22

Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2011.

Artikel 23

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

FAZEKAS S.


(1)  PB L 316 van 31.10.1992, blz. 8.

(2)  PB L 316 van 31.10.1992, blz. 10.

(3)  PB L 291 van 6.12.1995, blz. 40.

(4)  Zie bijlage I, deel A.

(5)  PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12.


BIJLAGE I

DEEL A

Ingetrokken richtlijnen met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 21)

Richtlijn 92/79/EEG van de Raad

(PB L 316 van 31.10.1992, blz. 8)

 

Richtlijn 1999/81/EG van de Raad

(PB L 211 van 11.8.1999, blz. 47)

uitsluitend artikel 1

Richtlijn 2002/10/EG van de Raad

(PB L 46 van 16.2.2002, blz. 26)

uitsluitend artikel 1

Richtlijn 2003/117/EG van de Raad

PB L 333 van 20.12.2003, blz. 49)

uitsluitend artikel 1

Richtlijn 2010/12/EU van de Raad

(PB L 50 van 27.2.2010, blz. 1)

uitsluitend artikel 1

Richtlijn 92/80/EEG van de Raad

(PB L 316 van 31.10.1992, blz. 10)

 

Richtlijn 1999/81/EG van de Raad

(PB L 211 van 11.8.1999, blz. 47)

uitsluitend artikel 2

Richtlijn 2002/10/EG van de Raad

(PB L 46 van 16.2.2002, blz. 26)

uitsluitend artikel 2

Richtlijn 2003/117/EG van de Raad

(PB L 333 van 20.12.2003, blz. 49)

uitsluitend artikel 2

Richtlijn 2010/12/EU van de Raad

(PB L 50 van 27.2.2010, blz. 1)

uitsluitend artikel 2

Richtlijn 95/59/EG van de Raad

(PB L 291 van 6.12.1995, blz. 40)

 

Richtlijn 1999/81/EG van de Raad

(PB L 211 van 11.8.1999, blz. 47)

uitsluitend artikel 3

Richtlijn 2002/10/EG van de Raad

(PB L 46 van 16.2.2002, blz. 26)

uitsluitend artikel 3

Richtlijn 2010/12/EU van de Raad

(PB L 50 van 27.2.2010, blz. 1)

uitsluitend artikel 3

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 21)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

92/79/EEG

31 december 1992

92/80/EEG

31 december 1992

95/59/EG

1999/81/EG

1 januari 1999

1 januari 1999

2002/10/EG

1 juli 2002 (1)

2003/117/EG

1 januari 2004

2010/12/EU

31 december 2010

1 januari 2011


(1)  In afwijking van de in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2002/10/EG vastgestelde data:

a)

wordt de Bondsrepubliek Duitsland gemachtigd de bepalingen om aan artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2002/10/EG te voldoen, uiterlijk op 1 januari 2008 in werking te doen treden;

b)

worden het Koninkrijk Spanje en de Helleense Republiek gemachtigd de bepalingen om aan artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2002/10/EG te voldoen (in verband met artikel 2, lid 1, tweede zin, van Richtlijn 92/79/EEG), uiterlijk op 1 januari 2008 in werking te doen treden.


BIJLAGE II

Concordantietabel

Richtlijn 92/79/EEG

Richtlijn 92/80/EEG

Richtlijn 95/59/EG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1, leden 1 en 2

Artikel 1

Artikel 1, lid 3

Artikel 2, lid 1, aanhef

Artikel 2, lid 1, aanhef

Artikel 2, lid 1, onder a) en b)

Artikel 2, lid 1, onder a) en b)

Artikel 2, lid 1, onder c), eerste streepje

Artikel 2, lid 1, onder c), i)

Artikel 2, lid 1, onder c), tweede streepje

Artikel 2, lid 1, onder c), ii)

Artikel 2, lid 1, slot

Artikel 2, lid 2

Artikel 7, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 3

Artikel 4, lid 1, eerste alinea

Artikel 3, lid 1

Artikel 4, lid 1, tweede alinea

Artikel 4, lid 2

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 7, lid 1

Artikel 4, lid 3

Artikel 5, aanhef

Artikel 5, lid 1, aanhef

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 1, onder a)

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 1, onder b)

Artikel 6, eerste alinea

Artikel 5, lid 2, eerste alinea

Artikel 6, tweede alinea

Artikel 5, lid 2, tweede alinea

Artikel 9, lid 1, eerste alinea

Artikel 6

Artikel 8, lid 1

Artikel 7, lid 1, eerste alinea

Artikel 16, lid 6

Artikel 7, lid 1, tweede alinea

Artikel 8, leden 2, 3 en 4

Artikel 7, leden 2, 3 en 4

Artikel 16, leden 1 t/m 5

Artikel 8, leden 1 t/m 5

Artikel 16, lid 7

Artikel 8, lid 6

Artikel 1

Artikel 9

Artikel 2, leden 1 en 2

Artikel 10, leden 1 en 2

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 4

Artikel 10, lid 3

Artikel 2 bis

Artikel 11

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 12, lid 1

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 12, lid 2

Artikel 1

Artikel 13

Artikel 2

Artikel 3, lid 1, eerste en tweede alinea

Artikel 14, lid 1

Artikel 3, lid 1, derde alinea, aanhef

Artikel 14, lid 2, eerste alinea, aanhef

Artikel 3, lid 1, derde alinea, eerste, tweede en derde streepje

Artikel 3, lid 1, vierde en vijfde alinea

Artikel 3, lid 1, zesde alinea, aanhef

Artikel 3, lid 1, zesde alinea, onder a), b) en c)

Artikel 14, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en c)

Artikel 3, lid 1, zevende alinea

Artikel 3, lid 1, achtste alinea

Artikel 3, lid 1, negende alinea

Artikel 14, lid 2, tweede alinea

Artikel 3, lid 1, tiende alinea

Artikel 14, lid 2, derde alinea

Artikel 3, lid 1, elfde alinea

Artikel 14, lid 2, vierde alinea

Artikel 3, lid 1, twaalfde alinea

Artikel 14, lid 2, vijfde alinea

Artikel 3, lid 1, dertiende alinea

Artikel 14, lid 2, zesde alinea

Artikel 3, lid 1, veertiende alinea

Artikel 3, lid 2

Artikel 14, lid 3

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 14, lid 4

Artikel 9, lid 1, tweede alinea

Artikel 15, lid 1, eerste alinea

Artikel 9, lid 1, derde alinea

Artikel 15, lid 1, tweede alinea

Artikel 9, lid 2, eerste zin

Artikel 15, lid 2, eerste alinea

Artikel 9, lid 2, tweede zin

Artikel 15, lid 2, tweede alinea

Artikel 10

Artikel 16

Artikel 11

Artikel 17

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 2, lid 5

Artikel 5, lid 1

Artikel 18, lid 1

Artikel 2, lid 6

Artikel 5, lid 2

Artikel 18, lid 2

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 19

Artikel 5, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 6, lid 2

Artikel 18

Artikel 20

Artikel 19, lid 1

Artikel 21, eerste alinea

Artikel 19, lid 2

Artikel 21, tweede alinea

Artikel 20

Artikel 22

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 21

Artikel 23

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage I

Bijlage II


BESLUITEN

5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/37


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2011

betreffende maatregel C 18/10 (ex NN 20/10) die de Franse Republiek ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van luchtvaarttoeleveranciers („Aero 2008”-garantie)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1378)

(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/393/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1),

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Op 17 oktober 2008 heeft de Commissie ambtshalve de procedure ingeleid ten aanzien van de door COFACE aan de luchtvaarttoeleveranciers verleende garantie voor het wisselkoersrisico (hierna de maatregel of de Aero 2008-garantie genoemd) (CP 294/08).

(2)

Op 4 november 2008, 15 mei 2009 en 30 september 2009 werd Frankrijk om aanvullende inlichtingen verzocht. Frankrijk heeft hierop respectievelijk op 8 december 2008, 18 juni 2009 en 30 oktober 2009 geantwoord. Alle antwoorden werden op dezelfde dag geregistreerd.

(3)

Op 17 december 2009 vond een bijeenkomst plaats tussen de diensten van de Commissie en de Franse autoriteiten. Na deze bijeenkomst heeft Frankrijk op 22 februari 2010 aanvullende inlichtingen verstrekt.

(4)

Bij brief van 20 juli 2010 heeft de Commissie Frankrijk in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden ten aanzien van deze steunmaatregel.

(5)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken maatregel te maken.

(6)

De Commissie heeft van de belanghebbenden geen opmerkingen ter zake ontvangen.

(7)

Op 20 september 2010 heeft Frankrijk zijn opmerkingen aan de Commissie toegezonden.

(8)

Bij brief van 15 november 2010 heeft de Commissie Frankrijk om aanvullende inlichtingen verzocht. Frankrijk heeft hierop gereageerd bij brief van 15 december 2010, die dezelfde dag door de diensten van de Commissie werd geregistreerd.

(9)

Frankrijk heeft aanvullende inlichtingen verstrekt bij brief van 31 januari 2011, die op dezelfde dag door de diensten van de Commissie werd geregistreerd.

II.   BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL

II.1.   Rechtsgrondslag

(10)

De Franse autoriteiten hebben aangegeven dat de artikelen L 432-1, L 432-2, R 442-1 en R442-8-4 van de verzekeringswet de rechtsgrondslag van de maatregel vormen.

II.2.   Begunstigden

(11)

De potentiële begunstigden van de maatregel zijn de toeleveranciers van de luchtvaartsector van de tweede rang of lager (3).

(12)

Er geldt geen bovengrens wat betreft de grootte van de begunstigde ondernemingen. Toeleveranciers waarin een vliegtuigfabrikant een participatie van meer dan 25 % heeft, komen niet in aanmerking.

(13)

Ondernemingen in moeilijkheden komen evenmin in aanmerking voor de betrokken maatregel.

(14)

De maatregel geldt voor toeleveranciers die actief zijn in Frankrijk, met inbegrip van ondernemingen met een hoofdkantoor of vestiging in Frankrijk die aan buiten Frankrijk gevestigde vliegtuigbouwers leveren. Toeleveranciers die geen vestiging in Frankrijk hebben en leveren aan een buiten Frankrijk gevestigde vliegtuigbouwer, komen evenwel niet voor de maatregel in aanmerking.

(15)

Volgens de door Frankrijk verstrekte informatie zijn de begunstigden van deze regeling momenteel de ondernemingen AD Industrie, Aerofonctions, Axon Cable en Exameca. Dit zijn in Frankrijk gevestigde luchtvaarttoeleveranciers waaraan COFACE eind 2008 een garantie voor de dekking van het wisselkoersrisico heeft verleend.

II.3.   Economische context

(16)

Volgens Frankrijk zijn vliegtuigfabrikanten steeds meer van hun toeleveranciers gaan eisen dat die hun offertes in dollars („dollar” of „USD”) indienen. In het geval van een zwakke dollar leveren deze toeleveringscontracten op middellange of lange termijn problemen op voor Franse en andere toeleveranciers die het merendeel van hun kosten binnen de eurozone maken.

(17)

Frankrijk heeft aangegeven dat een aantal luchtvaartondernemingen moeilijkheden ondervindt om een garantie voor de dekking van het EUR/USD-wisselkoersrisico af te sluiten die voldoet aan hun behoeften. Hoewel producten voor de dekking van wisselkoersrisico’s gangbaar zijn op de financiële markten, zijn de aangeboden garanties niet altijd aangepast aan de specifieke behoeften van bepaalde ondernemingen. Met name zijn de banken volgens de Franse autoriteiten meestal slechts gedurende maximaal twee jaar bereid de schommelingen tussen de EUR en de USD te dekken.

II.4.   Beschrijving van de maatregel

(18)

De Aero 2008-garantie is een mechanisme om het risico van schommelingen van de wisselkoers tussen USD en EUR te dekken. De toeleveranciers in de luchtvaartsector die contracten in dollar hebben gesloten, maken winst bij een sterke dollar, maar boeken verlies bij een zwakke dollar. Deze garantie biedt hun bescherming tegen de verliezen die zij lijden in het geval van een zwakke dollar, maar ook de mogelijkheid in zekere mate te profiteren van een sterke dollar.

(19)

De betrokken maatregel wordt beheerd door COFACE. COFACE is een van de belangrijkste Franse exportkredietverzekeraars en maakt sinds 2002 deel uit van de Natixis-groep. Natixis is een dochteronderneming van de BPCE-groep, die is ontstaan uit de fusie in 2009 van Banque Populaire en Caisse d’Épargne.

(20)

Het totale te financieren bedrag is beperkt tot het wisselkoersrisico voor leveringen tot maximaal 500 miljoen EUR. Tot op heden werd slechts voor een klein gedeelte (ongeveer 10 miljoen EUR) van het maximumbedrag daadwerkelijk een garantie verleend. Geïnteresseerde ondernemingen kunnen tot 15 december 2012 een aanvraag voor de garantie indienen.

(21)

Een luchtvaarttoeleverancier die een beroep wil doen op de Aero 2008-garantie moet de wisselkoersgarantie aanvragen en aantonen dat deze betrekking heeft op in dollars gefactureerde leveringen. Daarna ontvangt de toeleverancier een aanbod dat een omzetbedrag in USD en een „gegarandeerde” USD-wisselkoers omvat; de „Commission des garanties” stelt deze twee parameters vast op basis van de oorspronkelijke aanvraag van de toeleverancier. De te verzekeren bedragen zijn beperkt tot een fractie van alle contracten die de verzekerde in USD heeft gesloten. Het aanbod geldt voor een periode van maximaal 5 jaar. De toeleverancier kan het voorstel van COFACE aanvaarden of weigeren. Het gegarandeerde totaalbedrag kan niet meer worden gewijzigd nadat de door COFACE aangeboden garantie formeel werd goedgekeurd.

(22)

In het geval van een zwakke dollar ten opzichte van de gegarandeerde wisselkoers, ontvangt de verzekerde onderneming van COFACE een compensatie ten belope van 100 % van het koersverlies dat werd geleden. In het geval van een sterke dollar moeten de ondernemingen COFACE vergoeden met het oog op de winstdeling. De verzekerde kan voor 25 % of voor 50 % deelnemen aan de bij de herziening van de wisselkoers vastgestelde koerswinst. Vervolgens wordt de door de onderneming aan COFACE te betalen compensatie op basis van deze herziene wisselkoers berekend. Er bestaan twee vormen van winstdeling:

variant 1: de herziene koers is gelijk aan de initiële gegarandeerde koers min het verschil tussen de initiële gegarandeerde koers en de wisselkoers op de verrekeningsdag (die gelijk is aan de dagelijkse referentiewisselkoers („fixing”) van de ECB) ten belope van het gegarandeerde winstdelingspercentage,

variant 2: hierbij gelden dezelfde voorwaarden als voor variant 1, maar de winstdeling (d.w.z. het verschil tussen de initiële gegarandeerde koers en de wisselkoers op de verrekeningsdag) is begrensd tot 15 cent.

(23)

De toeleveranciers die een beroep doen op de wisselkoersgarantie betalen minder in het geval van een sterke USD dan ze zouden ontvangen bij een vergelijkbaar zwakke USD. Door de winstdeling kunnen de toeleveranciers in zekere mate profiteren van een sterke USD. Doordat een deel van de verkregen winst bij een sterke dollar wordt afgestaan is het daarentegen mogelijk de kosten voor de verzekeringspremie die noodzakelijk is in het geval van een zwakke dollar, te reduceren.

(24)

De door de toeleveranciers in het kader van de Aero 2008-garantie te betalen premies worden bij de sluiting van het contract vastgesteld en gefactureerd. De verzekerden hebben de keuze tussen een onmiddellijke of een gefaseerde betaling. De toeleveranciers die voor deze laatste mogelijkheid kiezen, betalen 25 % van de premie bij de sluiting van het contract en het restbedrag voor elk verzekerd jaar op 31 januari van dat jaar. In dat geval wordt een rentetarief gelijk aan de twaalfmaands EURIBOR-rentevoet vermeerderd met 60 basispunten in rekening gebracht om het met de betaling van de premie verbonden kredietrisico te dekken (4). Van de vier ondernemingen die de garantie hebben afgesloten, hebben er twee voor een gefaseerde betaling gekozen, namelijk AD Industrie en Exameca.

(25)

De toeleveranciers moeten de facturen van de in USD betaalde bedragen als bewijs voorleggen.

(26)

Volgens de Franse autoriteiten voert COFACE alle transacties in het kader van Aero 2008 uit voor rekening van de Franse staat. Daarvoor gebruikt COFACE een speciale bankrekening van de Franse staat. Hoewel deze rekening op naam van de Franse staat staat, heeft COFACE er toch toegang toe voor het verrichten van financiële transacties, zoals de koop van opties. De door de begunstigden betaalde premies worden direct op deze rekening gestort. Dat betekent dat COFACE als zodanig geen enkel risico draagt, aangezien zij de maatregel voor rekening van de staat beheert. Het financiële risico van deze maatregel is dus ten laste van de Franse staat.

(27)

De door COFACE in rekening gebrachte premie wordt per geval berekend. Volgens Frankrijk weerspiegelen de premies de marktprijs van de onderliggende dekkingsinstrumenten voor het wisselkoersrisico. De door COFACE namens en voor rekening van de Franse staat gekochte financiële instrumenten dekken op het moment dat de garantie aan de toeleverancier wordt aangeboden, het volledige eigen wisselkoersrisico voor de totale looptijd van de garantie.

(28)

In het geval van een sterke dollar moet de toeleverancier een deel van het verschil tussen de gegarandeerde koers en de referentiekoers op de vervaldag aan COFACE terugbetalen. In geval van wanbetaling door de verzekerde zal COFACE, namens de staat, haar contractuele verplichting tot betaling van de garantie moeten nakomen. De derde partij die in dat geval een betalingsbelofte had gekocht, ontvangt een bedrag uit de bankrekening van de Franse staat dat mogelijk niet of niet volledig door de toeleverancier zal worden terugbetaald.

(29)

Wanneer er sprake is van een gefaseerde betaling van de premie door de toeleverancier, kan de Franse staat eveneens verliezen lijden indien het restbedrag van de premies niet in de loop van het verzekerde jaar wordt afgelost.

(30)

De maatregel werd in het najaar van 2008 ingevoerd. Elf ondernemingen hebben COFACE om een formeel aanbod verzocht; vier ondernemingen hebben dit aangenomen. Twee ondernemingen hebben het oorspronkelijk gevraagde bedrag vervolgens verlaagd. Al deze aanbiedingen werden in november en december 2008 aanvaard. Volgens de door de Franse autoriteiten verstrekte informatie werd in 2009 of 2010 geen enkele aanbieding aanvaard.

(31)

Van de vier garanties gelden er twee tot eind 2013 (d.w.z. met een looptijd van 5 jaar), is de derde eind 2010 verstreken (met een looptijd van 2 jaar) en is de vierde in 2009 verstreken (d.w.z. na één jaar). De tot 2013 lopende garanties hebben betrekking op jaarlijkse leveringstranches. De potentieel betrokken leveringen belopen in totaal ongeveer 19 miljoen USD. Daar sommige toeleveranciers slechts een deel van hun leveringen wilden verzekeren, hebben de garanties betrekking op ongeveer 12 miljoen USD. Drie van de vier toeleveranciers hebben een garantie voor leveringen van minder dan 2,8 miljoen USD elk ontvangen. Axon Cable behoudt een „deelname” van 25 % in de „winst” in het geval van een sterke USD, terwijl de andere toeleveranciers 50 % van de „winst” behouden.

(32)

Onderstaande tabel werd door Frankrijk tijdens de bijeenkomst in december 2009 verstrekt. Ze bevat een overzicht van de betrokken toeleveranciers, de voor elk jaar toegekende garanties en de gegarandeerde jaarlijkse wisselkoers. AD Industrie en Axon Cable hebben het door Coface aangeboden totale bedrag niet aanvaard.

 

AD Industrie

Aerofonctions

Axon Cable

Exameca

2009

0,264 miljoen USD/[…] (5)

0,256 miljoen USD/[…]

2010

2 miljoen USD/[…]

0,384 miljoen USD/[…]

2,712 miljoen USD/[…]

2011

2 miljoen USD/[…]

0,205 miljoen USD/[…]

2012

2 miljoen USD/[…]

0,511 miljoen USD/[…]

2013

2 miljoen USD/[…]

0,511 miljoen USD/[…]

TOTAAL

8 miljoen USD

0,264 miljoen USD

1,866 miljoen USD

2,712 miljoen USD

Door COFACE aangeboden maximumbedrag

12,7 miljoen USD

0,264 miljoen USD

3,74 miljoen USD

2,712 miljoen USD

Premies

2,54 %

2,48 %

1,35 %

2,55 %

Winstdeling

50 %

50 %

25 %

50 %

II.5.   Redenen voor de inleiding van de formele onderzoekprocedure

(33)

Het besluit tot inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU werd genomen omdat de Commissie betwijfelde dat er geen sprake was van staatssteun en dat de onderzochte steun verenigbaar was met de staatssteunregels.

(34)

Ten eerste betwijfelde de Commissie dat de door de begunstigde ondernemingen betaalde premies overeenstemden met de marktprijs. Meer in het bijzonder meende de Commissie dat de Franse autoriteiten niet hebben aangetoond dat deze premies de volgende kostenelementen dekten: de administratiekosten van COFACE voor het beheer van de garantie, de kans op wanbetaling door de toeleverancier, het kredietrisico in het geval van een gefaseerde betaling van de premies, en een winstmarge. Derhalve kon niet worden uitgesloten dat een selectief economisch voordeel werd verleend aan de toeleveranciers die een dergelijke garantie hadden afgesloten. Aangezien de Aero 2008-maatregel kan worden geacht ten laste van Frankrijk te vallen, kon niet worden uitgesloten dat hij staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, zou inhouden.

(35)

Ten tweede betwijfelde de Commissie dat er sprake was van marktfalen met betrekking tot de instrumenten voor de dekking van schommelingen van de EUR/USD-wisselkoers op korte en langere termijn waarmee kmo’s en grote ondernemingen te maken krijgen.

(36)

Ten derde betwijfelde de Commissie dat er sprake was van een stimulerend effect aangezien de toeleveranciers, zelfs indien hun aanvraag dateert van na de ondertekening van het contract, een beroep op de wisselkoersgarantie kunnen doen.

(37)

Ten vierde stelde de Commissie zich vragen bij de evenredigheid van de maatregel, omdat deze niet beperkt is tot de ondernemingen die bewezen hebben moeilijkheden te ondervinden om een wisselkoersgarantie bij hun banken te verkrijgen.

(38)

Ten vijfde betwijfelde de Commissie dat de positieve gevolgen van deze steunmaatregel de negatieve gevolgen ervan kunnen compenseren, zodat de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

III.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(39)

De Commissie heeft geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen.

IV.   OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK

(40)

Volgens Frankrijk weerspiegelen de in het kader van Aero 2008 in rekening gebrachte premies de marktwaarde van de verleende wisselkoersverzekering en vormt de betrokken maatregel derhalve geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

(41)

De Franse autoriteiten hebben de Commissie een gedetailleerde beschrijving verstrekt van de berekeningsmethode voor de in het kader van Aero 2008 aangerekende premies.

(42)

Frankrijk heeft informatie verstrekt aan de hand waarvan de precieze marktwaarde van de voor de toekenning van de garantie noodzakelijke financiële producten kan worden vastgesteld. Deze garantie bestaat uit financiële instrumenten die tezamen het betalingsprofiel ervan weergeven: EUR/USD-termijnaankopen, koop en verkoop van EUR/USD-opties.

(43)

De marktwaarde van deze financiële instrumenten wordt berekend aan de hand van de software-gegevens van Bloomberg, een van de mondiale leiders op het gebied van financiële informatie. Frankrijk heeft uittreksels van de Bloomberg-software verstrekt voor alle financiële instrumenten die deel uitmaken van de aan de vier toeleveranciers verleende garanties in het kader van Aero 2008.

(44)

In de aldus vastgestelde markttarieven zit een winstmarge vervat voor de financiële instellingen bij wie COFACE deze instrumenten koopt. Volgens de door Frankrijk verstrekte informatie moet bij de door de banken aangeboden wisselkoersverzekeringen over het algemeen geen premie worden betaald, aangezien de banksector zijn inkomsten genereert uit de gegarandeerde wisselkoersen en de optieprijzen. De betrokken winstmarges zijn per definitie vervat in de prijzen van de financiële producten waaruit de garanties voor de toeleveranciers zijn samengesteld, en zijn dus door de door COFACE aangerekende premies gedekt. Bovendien wordt de gegarandeerde termijnkoers steeds op een hoger niveau vastgesteld dan de maximale koers op de termijnmarkt van het jaar waarin de koers door COFACE wordt bepaald.

(45)

Om de extra administratiekosten in verband met het beheer van de maatregel door COFACE te dekken, is in de premie een marge van 40 basispunten opgenomen. Deze marge vertegenwoordigt 17 % tot 32 % (6) van het totale premiebedrag dat de vier ondernemingen die de Aero 2008-garantie afgesloten hebben, wordt aangerekend.

(46)

De Franse autoriteiten hebben eveneens in detail toegelicht hoe het risico van wanbetaling door de toeleverancier in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de premies. Zoals reeds in overweging 28 is aangegeven, kan wanbetaling door de toeleverancier in het geval van een sterke dollar leiden tot een financieel verlies voor de Franse staat.

(47)

Het wanbetalingsrisico van de toeleverancier wordt door COFACE vastgesteld op basis van het Franse ratingsysteem voor ondernemingen, Score@rating, dat COFACE in 2002 heeft ingevoerd en berust op zijn 20-jarige ervaring met de rating van ondernemingen. COFACE kreeg, met zijn systeem Score@rating, van de Bankcommissie de status van externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) voor zijn ratingactiviteiten in Frankrijk. Deze vergunning werd overeenkomstig de Bazel II-voorschriften afgeleverd. Onderstaande tabel geeft de concordantie tussen de verschillende erkende ratingsystemen weer (7):

EKBI

COFACE

Banque de France

Fitch

Moody’s

S & P

Risico- gewicht

Mapping volgens Bazel

1

10 tot 9

3++ tot 3+

AAA tot AA-

Aaa tot Aa3

AAA tot AA-

20 %

2

8

3

A+ tot A-

A1 tot A3

A+ tot A–

50 %

3

7 tot 6

4+

BBB+ tot BBB–

Baa1 tot Baa3

BBB+ tot BBB–

100 %

Beoordeling Langetermijnrisico

4

5 tot 4

4 tot 5+

BB+ tot BB–

Ba1 tot Ba3

BB+ tot BB–

100 %

5

3

5 tot 6

B+ tot B–

B1 tot B3

B+ tot B–

150 %

6

2 tot 1

8 tot 9

CCC+ en lager

Caa1 en lager

CCC+ en lager

150 %

(48)

Score@rating geeft een risicobeoordeling waarbij de kans op wanbetaling in tranches wordt opgedeeld. Geanalyseerd wordt het risico op het wettelijk in gebreke blijven van de onderneming, of de niet-betaling in dezelfde mate van ernstigheid. Met elk beoordelingscijfer, op een schaal van 1 tot 10, komt een gemiddeld wanbetalingspercentage na één jaar overeen. Onderstaande tabel bevat de wanbetalingspercentages na één jaar die overeenkomen met de verschillende Score@rating-cijfers (8):

 

Zeer hoog risico

Middelhoog risico

Laag risico

Score@rating

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

Wanbetalingspercentage na één jaar

25 %

10 %

4 %

2 %

1,3 %

0,7 %

0,4 %

0,15 %

0,05 %

0 %

(49)

Om het risico van wanbetaling door de verzekerde in het geval van een sterke dollar te ondervangen, moet COFACE zich naar rato van het wanbetalingspercentage indekken met financiële instrumenten (9). Met behulp van de Bloomberg-software kan de prijs worden berekend van de noodzakelijke instrumenten voor de dekking van het kredietrisico op de dag van de notering van een garantie. De premie wordt derhalve gecorrigeerd op basis van het volgens het Score @rating-systeem vastgestelde wanbetalingsrisico en de kosten van de instrumenten die noodzakelijk zijn om dit risico te dekken.

(50)

De in de overwegingen 40 t/m 49 beschreven elementen vormen de basis waarop de in het kader van de Aero 2008-garantie te betalen premies worden vastgesteld. De Franse autoriteiten hebben nauwkeurige informatie verschaft over de samenstelling van de premies die de vier toeleveranciers die de garantie hebben afgesloten, worden aangerekend. Dit wordt in onderstaande tabel weergegeven:

 

Axon Cable

Exameca

Ad Industrie

Aerofonction

Datum van notering

5.12.2008

11.12.2008

14.11.2008

21.10.2008

COFACE-note bij notering

[…]

[…]

[…]

[…]

Startjaar

2009

2010

2010

2009

Eindjaar

2013

2010

2013

2009

Winstdeling

25 %

50 %

50 %

50 %

Winstdeling beperkt tot 15 cent

ja

ja

ja

neen

Betalingstermijn

drie maanden

twee maanden

drie maanden

drie maanden

Totaalbedrag in USD

1 865 000

2 712 000

8 000 000

264 000

Marktprijs van de garantie

[…]

[…]

[…]

[…]

Kredietrisico

[…]

[…]

[…]

[…]

Marge voor administratiekosten

0,40 %

0,40 %

0,40 %

0,40 %

TOTAAL

1,26 %

2,43 %

2,43 %

2,29 %

Premie COFACE

1,35 %

2,55 %

2,54 %

2,48 %

Verschil in verband met het uitvoeringsrisico (10)

0,09 %

0,12 %

0,11 %

0,19 %

(51)

Volgens de Franse autoriteiten zorgt deze premiestructuur ervoor dat de garantie minder aantrekkelijk is dan de door de banksector aangeboden producten. De aan de Aero 2008-garantie gekoppelde voorwaarden zijn dus niet gunstiger dan de marktvoorwaarden en de premies weerspiegelen wel degelijk de marktwaarde van de financiële producten die nodig zijn voor de verlening van de garantie, met inbegrip van een winstmarge, de administratiekosten van COFACE en de waarde van het wanbetalingsrisico van de toeleveranciers. Frankrijk stelt dus dat de maatregel geen selectief economisch voordeel inhoudt en derhalve geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt.

(52)

Frankrijk heeft tevens aangegeven dat van de elf ondernemingen die een aanbod van COFACE hebben ontvangen, er zeven het aanbod hebben afgewezen. Volgens de door de Franse autoriteiten verstrekte inlichtingen hebben twee van de betrokken ondernemingen verklaard dat de bankvoorwaarden gunstiger waren (er diende met name geen premie te worden betaald) en waren de door COFACE aangeboden voorwaarden volgens twee andere ondernemingen niet interessant (met name onaantrekkelijke gegarandeerde wisselkoersen). Eén onderneming gaf aan dat de betalingsvoorwaarden niet verenigbaar waren met de aangeboden garantie, een andere dat zij haar contract uiteindelijk in euro had kunnen sluiten en een derde dat, aan het eind van de geldigheidstermijn van de garantiebelofte, de onderhandelingen met de koper waren afgesprongen.

V.   BEOORDELING VAN DE MAATREGEL

(53)

Een maatregel vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU wanneer hij aan vier voorwaarden voldoet: de maatregel wordt door de staat toegekend of met staatsmiddelen bekostigd, hij begunstigt bepaalde ondernemingen of bepaalde producties, hij vervalst de mededinging of dreigt te vervalsen en hij kan het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden.

(54)

Zoals reeds in overweging 34 is vermeld, berustte het besluit om de formele onderzoekprocedure in te leiden in de eerste plaats op twijfels over de vraag of de door de begunstigde ondernemingen betaalde premies overeenkwamen met de marktprijs. Meer in het bijzonder meende de Commissie dat de Franse autoriteiten niet hadden aangetoond dat deze premies de volgende kostenelementen omvatten: de administratiekosten van COFACE voor het beheer van de garantie, de kans op wanbetaling door de toeleverancier, het kredietrisico in het geval van een gefaseerde betaling van de premies en een winstmarge. Derhalve kon niet worden uitgesloten dat een selectief economisch voordeel werd verleend aan de toeleveranciers die de garantie hadden afgesloten.

(55)

De diensten van de Commissie hebben de door de Franse autoriteiten na de inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU, verstrekte informatie geanalyseerd om na te gaan of de maatregel in overeenstemming is met het beginsel van een particuliere investeerder die handelt volgens marktvoorwaarden, dat wil zeggen of de door COFACE aangeboden voorwaarden overeenstemmen met de door particuliere ondernemingen aangeboden marktvoorwaarden.

(56)

De Commissie merkt allereerst op dat de Franse autoriteiten zich ertoe hebben verbonden ervoor te zorgen dat COFACE het premietarief op basis van de in deel IV beschreven methode (11) berekent voor alle ondernemingen die de garantie aanvragen.

(57)

De Commissie stelt vast dat op de markten soortgelijke producten beschikbaar zijn als die welke door COFACE worden aangeboden.

(58)

Vervolgens is de Commissie nagegaan of de door COFACE voor de garantie aangerekende marktprijs conform de marktprijzen van de particuliere ondernemingen is.

(59)

De Commissie is van mening dat de prijs van de voor de toekenning van de garantie noodzakelijke financiële instrumenten daadwerkelijk overeenkomt met de marktprijs, zoals blijkt uit de door Frankrijk overgelegde uittreksels van de Bloomberg-software, en dat deze nauwkeurig weerspiegeld wordt in de premies die COFACE in rekening brengt.

(60)

Bovendien is in de marktprijs van deze financiële producten een winstmarge vervat voor de financiële instellingen bij dewelke COFACE de betrokken instrumenten heeft gekocht.

(61)

De Franse autoriteiten hebben tevens aangetoond dat een extra marge van 40 procentpunten in rekening wordt gebracht om de administratiekosten van COFACE te dekken. Zoals in overweging 45 is aangegeven, maakt deze marge een aanzienlijk deel uit van de waarde van de aangerekende premies. Volgens de Commissie behelzen deze premies dus daadwerkelijk een winstmarge en een marge om de administratiekosten van COFACE te dekken, waardoor de bij de inleiding van de formele onderzoekprocedure geformuleerde twijfels kunnen worden weggenomen. De Commissie merkt op dat een dergelijke extra marge niet wordt verlangd door de particuliere banken, die zich beperken tot de marge die is vervat in de prijs volgens de Bloomberg-gegevensbank. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat deze marge overeenstemt met de marktprijs. De Commissie is ook van oordeel dat Frankrijk heeft kunnen aantonen dat de kans op wanbetaling door de toeleverancier (12) op correcte wijze in aanmerking werd genomen bij de vaststelling van de aangerekende premiebedragen. COFACE moet zich immers afdekken voor het risico van wanbetaling door:

de koop van een put EUR/USD tegen een uitoefenprijs die gelijk is aan de gegarandeerde termijnkoers voor (1–% winstdeling) × het gegarandeerde dollarbedrag;

de koop van een put EUR/USD tegen een uitoefenprijs die gelijk is aan de gegarandeerde termijnkoers min 15 cent voor de winstdeling × het gegarandeerde dollarbedrag wanneer er sprake is van een gelimiteerde winstdeling.

(62)

De waarde van het kredietrisico voor een bepaald jaar komt dus overeen met het product van de optieprijs vermenigvuldigd met de kans op wanbetaling in dat bepaalde jaar. Deze kans op wanbetaling wordt, zoals in de overwegingen 47 en 48 is beschreven, vastgesteld op basis van een internationaal erkend ratingsysteem dat door COFACE en haar klanten in het kader van hun commerciële transacties wordt gebruikt. De Commissie is van oordeel dat het gebruik door COFACE van haar eigen ratings in plaats van externe ratings, gerechtvaardigd is wegens de efficiëntiewinst die daaruit voortvloeit.

(63)

Op basis van de door de Franse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie en hun verbintenissen als bedoeld in overweging 56 van dit besluit, concludeert de Commissie dat de COFACE-prijs voor de Aero 2008-garanties in overeenstemming is met de door de particuliere ondernemingen aangeboden marktvoorwaarden.

(64)

De werking van de Aero 2008-garantie wordt derhalve verenigbaar geacht met het beginsel van de investeerder die handelt in een markteconomie. Bijgevolg werd aan de toeleveranciers die een dergelijke garantie hebben afgesloten, geen economisch voordeel verschaft.

(65)

Derhalve is het niet nodig de andere twijfels te analyseren die ten grondslag lagen aan de inleiding van de formele onderzoekprocedure. Aangezien een selectief economisch voordeel een noodzakelijke voorwaarde is om aan te tonen dat er sprake is van staatssteun, kan worden geconcludeerd dat de Aero 2008-garantie geen staatssteunmaatregel vormt.

(66)

Wat de door COFACE gehanteerde voorwaarden bij een gefaseerde betaling van de premies betreft, meent de Commissie evenwel dat de toegepaste rentevoet, dat wil zeggen de twaalfmaands EURIBOR-rentevoet, met een opslag van 60 basispunten, niet conform de marktpraktijken kan worden geacht. De opslag van 60 basispunten is met name een vaste premie die niet wordt gecorrigeerd volgens het wanbetalingsrisico van de toeleverancier of het niveau van de gestelde zekerheden. Aangezien Frankrijk hiervoor geen bijzondere redenen heeft aangegeven, past de Commissie voor de vaststelling van het referentiepercentage de methode toe die beschreven is in de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (13) (hierna de „mededeling inzake de referentiepercentages” genoemd). Bij brief van 31 januari 2011 hebben de Franse autoriteiten zich ertoe verbonden ervoor te zorgen dat het verschil tussen de premies die voortvloeien uit de toepassing van de COFACE-rentevoet en die welke werden vastgesteld op basis van de in de mededeling inzake de referentiepercentages opgenomen referentiepercentages, steeds onder het de-minimisplafond zullen blijven en alle bepalingen van Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (14) in acht te nemen.

(67)

Op basis van deze verbintenis kan de Commissie derhalve concluderen dat de aangerekende rente in het geval van een gefaseerde betaling niet voldoet aan alle voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU en bijgevolg geen staatssteunmaatregel vormt.

VI.   CONCLUSIE

(68)

Gelet op bovenstaande overwegingen meent de Commissie dat de Aero 2008-garantie geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De door de Franse Republiek ten uitvoer gelegde maatregel ten gunste van de toeleveranciers in de luchtvaartindustrie („Aero 2008”-garantie) is geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2011.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Vicevoorzitter


(1)  PB C 268 van 2.10.2010, blz. 4.

(2)  Vgl. voetnoot 1.

(3)  Deze maatregel heeft dus geen betrekking op de „Tier 1”- en „super Tier 1”-toeleveranciers, die als partners de risico’s delen met de vliegtuigfabrikanten.

(4)  Deze informatie heeft Frankrijk in zijn opmerkingen van 20 september 2010 verstrekt.

(5)  Zakengeheim.

(6)  Dit verschil vloeit voort uit het feit dat de marge voor de administratiekosten vaststaat, terwijl de andere kostenelementen van de premie variabel zijn, afhankelijk van het risico voor de onderneming en de kosten van de noodzakelijke dekkingsinstrumenten.

(7)  Bron: website van COFACE: http://www.coface.fr/CofacePortal/ShowBinary/BEA%20Repository/FR_fr_FR/pages/home/wwd/i/_docs/Score@rating.pdf.

(8)  Idem.

(9)  Het betreft de koop van een put EUR/USD tegen een uitoefenprijs die gelijk is aan de gegarandeerde termijnkoers voor (1–% van de winstdeling) × het gegarandeerde dollarbedrag en de koop van een put EUR/USD tegen een uitoefenprijs gelijk aan de gegarandeerde termijnkoers min 15 cent voor de winstdeling × het gegarandeerde dollarbedrag wanneer het gaat om een gelimiteerde winstdeling.

(10)  Dit betreft een premie om de volatiliteit van de markt tussen de datum van afsluiting van het contract en de marktvoorwaarden op de dag van notering te dekken; zij bedraagt tussen 9 en 19 basispunten afhankelijk van de marktvoorwaarden op de dag van notering.

(11)  Brief van de Franse autoriteiten van 20 september 2010.

(12)  In het geval van vergoeding door COFACE (bij een zwakke dollar), moet COFACE de niet-betalende onderneming geen compensatie betalen; wanneer de onderneming daarentegen in het kader van de garantie een terugbetaling moet verrichten, leidt wanbetaling door de onderneming tot een verlies voor de staat ten belope van dit bedrag.

(13)  PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6.

(14)  PB L 379 van 28.12.2006, blz. 5.


5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/45


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 1 juli 2011

tot wijziging van Beschikking 2009/821/EG wat betreft de lijsten van grensinspectieposten en veterinaire eenheden in Traces

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4594)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/394/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 20, leden 1 en 3,

Gezien Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (2), en met name artikel 6, lid 4, tweede alinea, tweede zin,

Gezien Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (3), en met name artikel 6, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2009/821/EG van de Commissie van 28 september 2009 tot opstelling van een lijst van erkende grensinspectieposten, tot vaststelling van bepaalde voorschriften voor door veterinaire deskundigen van de Commissie uitgevoerde inspecties en tot vaststelling van de veterinaire eenheden in Traces (4) is een lijst van overeenkomstig de Richtlijnen 91/496/EEG en 97/78/EG erkende grensinspectieposten vastgesteld. Die lijst is in bijlage I bij die beschikking opgenomen.

(2)

Duitsland heeft meegedeeld dat de grensinspectiepost in de haven van Rostock per 31 maart 2011 is gesloten. De vermelding voor die grensinspectiepost moet daarom worden geschrapt van de lijst in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(3)

Op grond van door Spanje verstrekte informatie moet de schorsing van de erkenning van de grensinspectiepost op de luchthaven van Almería worden opgeheven. De vermelding voor die grensinspectiepost moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Voorts heeft Spanje meegedeeld dat voor de grensinspectiepost in de haven van Vigo het inspectiecentrum „Pantalán 3” moet worden geschrapt en de benaming van het inspectiecentrum „Vieirasa” moet worden veranderd in „Puerto Vieira” in de vermeldingen voor die grensinspectiepost in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(4)

Op grond van door Frankrijk verstrekte informatie moeten bepaalde categorieën producten van dierlijke oorsprong die momenteel in de erkende grensinspectiepost in de haven van Brest gecontroleerd kunnen worden, worden toegevoegd aan de vermeldingen voor die grensinspectiepost in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(5)

Op grond van door Italië verstrekte informatie moeten de grensinspectieposten in de haven en op de luchthaven van Reggio Calabria, in de haven van Olbia en op de luchthavens van Rimini en Palermo worden geschrapt. Voorts heeft Italië meegedeeld dat slechts een beperkt aantal soorten levende dieren worden toegelaten in de grensinspectiepost op de luchthaven van Bologna-Borgo Panigale. De lijst van de grensinspectieposten voor Italië moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Op grond van door Hongarije verstrekte informatie moet de benaming van de grensinspectiepost op de luchthaven van Boedapest worden veranderd in „Budapest-Liszt Ferenc Nemzetközi Repülőtér”.

(7)

Nederland heeft meegedeeld dat slechts circusdieren worden toegelaten in het inspectiecentrum „MHS Live” in de grensinspectiepost op de luchthaven van Maastricht. De vermelding voor die grensinspectiepost moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Op grond van door Oostenrijk verstrekte informatie moet de grensinspectiepost van de luchthaven van Linz worden erkend voor alle hoefdieren.

(9)

Op grond van door Portugal verstrekte informatie moeten de vermeldingen voor de grensinspectieposten in de havens van Peniche en Setúbal worden geschrapt van de lijst van vermeldingen voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(10)

Bij bijlage II bij Beschikking 2009/821/EG wordt de lijst van centrale, regionale en lokale eenheden in het geïntegreerd veterinair computersysteem (Traces) vastgesteld.

(11)

Op grond van door Duitsland, Ierland, Frankrijk en Oostenrijk verstrekte informatie moeten aan de in bijlage II bij Beschikking 2009/821/EG voor die lidstaten vastgestelde lijst van centrale, regionale en lokale eenheden in Traces bepaalde veranderingen worden aangebracht.

(12)

Beschikking 2009/821/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Beschikking 2009/821/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 1 juli 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(2)  PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56.

(3)  PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.

(4)  PB L 296 van 12.11.2009, blz. 1.


BIJLAGE

De bijlagen I en II bij Beschikking 2009/821/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

in het deel betreffende Duitsland wordt de vermelding voor de haven van Rostock geschrapt;

b)

het deel betreffende Spanje wordt als volgt gewijzigd:

i)

de vermelding voor de luchthaven van Almería wordt vervangen door:

„Almería

ES LEI 4

A

 

HC(2), NHC(2)

O”

ii)

de vermelding voor de luchthaven van Vigo wordt vervangen door:

„Vigo

ES VGO 1

P

T.C. Guixar

HC,

NHC-T(FR),

NHC-NT

 

Frioya

HC-T(FR)(2)(3)

 

Frigalsa

HC-T(FR)(2)(3)

 

Pescanova

HC-T(FR)(2)(3)

 

Puerto Vieira

HC-T(FR)(3)

 

Fandicosta

HC-T(FR)(2)(3)

 

Frig. Morrazo

HC-T(FR)(3)”

 

c)

In het deel betreffende Frankrijk wordt de vermelding voor de haven van Brest vervangen door:

„Brest

FR BES 1

P

 

HC(1)(2), NHC”

 

d)

het deel betreffende Italië wordt als volgt gewijzigd:

i)

de volgende vermeldingen worden geschrapt:

„Olbia

IT OLB 1

P

 

HC-T(FR)(3)”

 

„Palermo (*)

IT PMO 4

A

 

HC-T (*)”

 

„Reggio Calabria(*)

IT REG 1

P

 

HC (*), NHC (*)”

 

„Reggio Calabria(*)

IT REG 4

A

 

HC (*), NHC (*)”

 

„Rimini

IT PMO 4

A

 

HC(2) (*), NHC(2) (*)”

 

ii)

de vermelding voor de luchthaven van Bologna-Borgo Panigale wordt vervangen door:

„Bologna-Borgo Panigale

IT BLQ 4

A

 

HC(2), NHC(2)

O(14)”

e)

in het deel betreffende Hongarije wordt de vermelding voor de luchthaven van Boedapest vervangen door:

„Budapest-Liszt Ferenc Nemzetközi Repülőtér

HU BUD 4

A

 

HC(2),

NHC-T(CH)(2),

NHC-NT(2)

O”

f)

in het deel betreffende Nederland wordt de vermelding voor de luchthaven van Maastricht vervangen door:

„Maastricht

NL MST 4

A

MHS Products

HC(2), NHC(2)

 

MHS Live

 

U, E, O(14)”

g)

in het deel betreffende Oostenrijk wordt de vermelding voor de luchthaven van Linz vervangen door:

„Linz

AT LNZ 4

A

 

HC(2), NHC(2)

U, E, O”

h)

in het deel betreffende Portugal worden de vermeldingen voor de havens van Peniche en Setúbal geschrapt.

2)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

het deel betreffende Duitsland wordt als volgt gewijzigd:

i)

de vermelding voor de lokale eenheid „DE47103 WOLFENBÜTTEL, LANDKREIS U. STADT SALZGITTER” wordt vervangen door:

„DE47103

WOLFENBÜTTEL, LANDKREIS”

ii)

de vermelding voor de lokale eenheid „DE16203 GOSLAR, LANDKREIS” wordt vervangen door:

„DE16203

GOSLAR, LANDKREIS U. SALZGITTER, STADT”.

b)

het deel betreffende Ierland wordt als volgt gewijzigd:

i)

de vermeldingen voor de volgende lokale eenheden worden geschrapt:

„IE01100

LAOIS;

IE01800

MONAGHAN;

IE02400

WESTMEATH”

ii)

de vermelding voor de lokale eenheid „IE00900 KILDARE” wordt vervangen door:

„IE00900

KILDARE/DUBLIN/LAOIS/WEST WICKLOW”;

iii)

de vermelding voor de lokale eenheid „IE00200 CAVAN” wordt vervangen door:

„IE00200

CAVAN/MONAGHAN”

iv)

de vermelding voor de lokale eenheid „IE01900 OFFALY” wordt vervangen door:

„IE01900

OFFALY/WESTMEATH”

c)

in het deel betreffende Frankrijk wordt de vermelding voor de volgende lokale eenheid geschrapt:

„FR16400

PYRÉNÉES-ATLANTIQUES (BAYONNE)”

d)

het deel betreffende Oostenrijk wordt als volgt gewijzigd:

i)

de volgende vermeldingen voor lokale eenheden worden toegevoegd aan de vermeldingen voor de regionale eenheid „AT00100 BURGENLAND”:

„AT00109

MAG. D. FREISTADT EISENSTADT;

AT00110

STADTGEMEINDE RUST”

ii)

de vermelding voor de lokale eenheid „AT00413 VOEÖCKLABRUCK” wordt vervangen door:

„AT00413

VOECKLABRUCK”.


5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/50


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 1 juli 2011

tot intrekking van Beschikking 2006/241/EG houdende beschermende maatregelen ten aanzien van producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten uitgezonderd, van oorsprong uit Madagaskar

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4642)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/395/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (1), en met name artikel 22, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2006/241/EG van de Commissie van 24 maart 2006 houdende beschermende maatregelen ten aanzien van producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten uitgezonderd, van oorsprong uit Madagaskar (2), is de invoer in de Unie van producten van dierlijke oorsprong, met uitzondering van visserijproducten, slakken en guano, van oorsprong uit Madagaskar, verboden.

(2)

Verschillende rechtshandelingen van de Unie regelen de invoer van producten van dierlijke oorsprong, zoals Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (3) en Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (4).

(3)

De huidige EU-wetgeving inzake de invoer van producten van dierlijke oorsprong garandeert dat enkel producten van dierlijke oorsprong die aan deze wetgeving voldoen van Madagaskar in de Unie mogen worden ingevoerd.

(4)

Bijgevolg is Beschikking 2006/241/EG niet meer noodzakelijk en moet die beschikking worden ingetrokken.

(5)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2006/241/EG wordt ingetrokken.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 1 juli 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.

(2)  PB L 88 van 25.3.2006, blz. 63.

(3)  PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(4)  PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.


5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/51


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2011

tot erkenning van een laboratorium in Japan voor het uitvoeren van serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins te controleren

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4595)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/396/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Beschikking 2000/258/EG van de Raad van 20 maart 2000 houdende aanwijzing van een specifiek instituut dat verantwoordelijk is voor de vaststelling van de criteria die nodig zijn voor de normalisatie van de serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins te controleren (1), en met name artikel 3, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2000/258/EG is het Agence nationale de sécurité sanitaire de l’alimentation, de l’environnement et du travail (ANSES) in Nancy, Frankrijk (het voormalige Agence française de sécurité sanitaire des aliments, AFSSA) aangewezen als specifiek instituut dat verantwoordelijk is voor de vaststelling van de criteria die nodig zijn voor de normalisatie van de serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins te controleren.

(2)

Volgens deze beschikking moet het ANSES ook de beoordeling van laboratoria in derde landen die hebben aangevraagd om serologische tests uit te voeren om de doelmatigheid van antirabiësvaccins te controleren, documenteren.

(3)

De bevoegde autoriteit van Japan heeft een aanvraag ingediend voor de erkenning van een laboratorium in dat derde land om deze serologische tests uit te voeren. Deze aanvraag wordt ondersteund door een gunstig verslag van het ANSES van 4 februari 2011 over de beoordeling van dat laboratorium.

(4)

Dat laboratorium moet daarom worden erkend voor het uitvoeren van serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins bij honden, katten en fretten te controleren.

(5)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Beschikking 2000/258/EG wordt het volgende laboratorium erkend voor het uitvoeren van serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins bij honden, katten en fretten te controleren:

Laboratory Department, Animal Quarantine Service

Ministry of Agriculture, forestry and fisheries

11-1, Haramachi, Isogo-ku

Yokohama

Kanagawa 235-0008

JAPAN

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 augustus 2011.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 79 van 30.3.2000, blz. 40.


5.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 176/52


BESLUIT VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 21 juni 2011

inzake de procedures t.a.v. milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie voor de productie van eurobankbiljetten

(ECB/2011/8)

(2011/397/EU)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid artikel 128, lid 1,

Gezien de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 16,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 128, lid 1 van het Verdrag en artikel 16 van de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna de „ESCB-statuten”) bepalen dat de Europese Centrale Bank (ECB) het alleenrecht heeft machtiging te geven tot de uitgifte van eurobankbiljetten binnen de Unie. Dit recht omvat de bevoegdheid tot het nemen van maatregelen ter bescherming van de integriteit van eurobankbiljetten als betaalmiddel.

(2)

Het milieubeleid van de Unie is gebaseerd op het beginsel van milieu-integratie, zoals neergelegd in artikel 11 van het Verdrag, dat zegt dat de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling. Met inachtneming van dit beginsel bevordert het Eurosysteem goed milieubeheer op basis van de ISO 14000 normenreeksen.

(3)

Volgens artikel 9 van het Verdrag houdt de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden onder andere rekening met de eisen in verband met de bescherming van de volksgezondheid. Met inachtneming van dit beginsel is het vermijden en minimaliseren van risico’s voor de gezondheid en veiligheid van het grote publiek en van de bij de productie van eurobankbiljetten of van grondstoffen voor eurobankbiljetten betrokken werknemers van het grootste belang voor het Eurosysteem. Het Eurosysteem ondersteunt een goed gezondheids- en veiligheidsbeheer overeenkomstig het beleid van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (1) en de OHSAS 18000 normenreeksen.

(4)

Om deze redenen dienen procedures te worden opgezet voor milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie om te verzekeren dat alleen producenten die voldoen aan minimale milieu- en gezondheids- en veiligheidsvereisten worden geaccrediteerd om een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten uit te voeren.

(5)

Teneinde de milieuprestaties en de prestaties t.a.v. gezondheid en veiligheid van de geaccrediteerde producenten van eurobankbiljetten en grondstoffen voor eurobankbiljetten zo goed mogelijk te monitoren, dient de ECB van die producenten regelmatig gegevens te verzamelen betreffende het effect van hun productie van eurobankbiljetten en grondstoffen voor eurobankbiljetten op het milieu en op de gezondheid en veiligheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden de volgende definities:

a)   „NCB”: de nationale centrale bank van een lidstaat die de euro als munt heeft;

b)   „grondstoffen voor eurobankbiljetten”: papier, inkt, folie en draad voor de productie van eurobankbiljetten;

c)   „productielocatie”: gebouwen die een producent gebruikt, dan wel voornemens is te gebruiken voor een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten of grondstoffen voor eurobankbiljetten;

d)   „producent”: een entiteit die betrokken is bij een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten, of daarbij betrokken wenst te worden;

e)   „milieuaccreditatie”: de door de ECB aan een producent verleende status waarvan de reikwijdte wordt uiteengezet in artikel 3, die bevestigt dat zijn productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten voldoet aan de in hoofdstuk II uiteengezette vereisten;

f)   „gezondheids- en veiligheidsaccreditatie”: de door de ECB aan een producent verleende status waarvan de reikwijdte wordt uiteengezet in artikel 4, die bevestigt dat zijn productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten voldoet aan de in hoofdstuk III uiteengezette vereisten;

g)   „geaccrediteerde producent”: een producent aan wie milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie zijn verleend;

h)   „certificeringsautoriteit”: een onafhankelijke certificeringsautoriteit die de milieuzorgsystemen of gezondheids- en veiligheidsbeheersystemen van de producenten beoordeelt en geaccrediteerd is te verklaren dat een producent voldoet aan de vereisten van de ISO 14000 of OHSAS 18000 normenreeksen;

i)   „productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten”: de productie van eurobankbiljetten of grondstoffen voor eurobankbiljetten;

j)   „ECB-werkdag”: een dag van maandag tot vrijdag, met uitzondering van officiële ECB-feestdagen;

k)   „drukplaatvervaardiging”: het maken van drukplaten voor offset- of plaatdruktechnologieën die gebruikt worden voor de productie van eurobankbiljetten;

l)   „individuele productie”: productie bestaande uit meerdere partijen gemaakt van dezelfde grondstoffen van dezelfde leveranciers, waarbij de samenstelling in alle opzichten homogeen is, en geen nieuwe stoffen worden geïntroduceerd, noch dezelfde stoffen in concentratievariaties boven de apart door de ECB aangegeven grenswaarden.

Artikel 2

Algemene beginselen

1.   Een producent mag een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten alleen uitvoeren indien de ECB hem milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie voor die activiteit verleent.

2.   De vereisten van de ECB voor milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie zijn minimumvereisten. Producenten kunnen strengere milieu- en/of gezondheids- en veiligheidsnormen vaststellen en toepassen, maar de ECB beoordeelt alleen of de producent voldoet aan de in dit besluit neergelegde vereisten.

3.   De directie is bevoegd alle besluiten te nemen met betrekking tot de milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie van een producent, rekening houdend met het standpunt van het Comité Bankbiljetten, en stelt de Raad van bestuur daarvan in kennis.

4.   Een geaccrediteerde producent mag alleen een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten uitvoeren op productielocaties waarvoor: a) milieuaccreditatie; en b) gezondheids- en veiligheidsaccreditatie zijn verleend, niettegenstaande een andere krachtens een andere rechtshandeling van de ECB verleende accreditatie.

5.   De producent draagt alle in verband met de toepassing van dit besluit gemaakte kosten en daarmee verband houdende verliezen.

6.   Technische details van de vereisten waaraan producenten moeten voldoen om milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie te verkrijgen, worden door de ECB apart vastgelegd.

Artikel 3

Milieuaccreditatie

1.   De in hoofdstuk II uiteengezette procedure is van toepassing op accreditatie op basis van de ISO 14000 normenreeksen betreffende milieuzorgsystemen. Een producent mag alleen een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten uitvoeren, indien de ECB hem voor die activiteit milieuaccreditatie heeft verleend.

2.   Een producent kan milieuaccreditatie worden verleend voor een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten mits hij voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a)

de producent voldoet aan de ISO 14001 norm op een specifieke productielocatie voor een specifieke productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten en de certificeringsautoriteit heeft een daartoe strekkend certificaat afgegeven;

b)

de productielocatie bevindt zich in een lidstaat, indien de producent een drukkerij is;

c)

de productielocatie bevindt zich in een lidstaat, of in een lidstaat van de Europese Vrijhandelsassociatie, indien de producent geen drukkerij is.

3.   De directie kan van geval tot geval vrijstelling verlenen van het locatievereiste in lid 2, onder b) en c), rekening houdend met het standpunt van het Comité Bankbiljetten. De Raad van bestuur wordt van een dergelijk besluit onverwijld in kennis gesteld. De directie houdt zich aan elk besluit van de Raad van bestuur in dit verband.

4.   Milieuaccreditatie wordt aan een producent voor drie jaar verleend, behoudens een besluit krachtens artikel 13 of 14.

5.   Voorafgaande schriftelijke toestemming van de ECB is vereist indien een milieugeaccrediteerde producent de productie van eurobankbiljetten of grondstoffen voor eurobankbiljetten naar een andere productielocatie wil verleggen of aan een derde wil uitbesteden, waaronder dochter- en zusterondernemingen van de producent.

Artikel 4

Gezondheids- en veiligheidsaccreditatie

1.   De in hoofdstuk III uiteengezette procedure is van toepassing op accreditatie op basis van de OHSAS 18001 norm betreffende gezondheids- en veiligheidsbeheersystemen. Een producent mag alleen een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten uitvoeren indien de ECB hem voor die activiteit gezondheids- en veiligheidsaccreditatie heeft verleend.

2.   Een producent kan gezondheids- en veiligheidsaccreditatie worden verleend voor een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten mits hij voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a)

de producent voldoet aan de OHSAS 18001 norm op een specifieke productielocatie voor een specifieke productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten en de certificeringsautoriteit heeft een daartoe strekkend certificaat afgegeven;

b)

de productielocatie bevindt zich in een lidstaat, indien de producent een drukkerij is;

c)

de productielocatie bevindt zich in een lidstaat, of in een lidstaat van de Europese Vrijhandelsassociatie, indien de producent geen drukkerij is.

3.   De directie kan van geval tot geval vrijstelling verlenen van het locatievereiste in lid 2, onder b) en c), rekening houdend met het standpunt van het Comité Bankbiljetten. De Raad van bestuur wordt van dergelijke besluiten onverwijld in kennis gesteld. De directie houdt zich aan elk besluit van de Raad van bestuur in dit verband.

4.   Gezondheids- en veiligheidsaccreditatie wordt aan een producent voor drie jaar verleend, behoudens een besluit krachtens artikel 13 of 14.

5.   Voorafgaande schriftelijke toestemming van de ECB is vereist indien een producent met gezondheids- en veiligheidsaccreditatie de productie van eurobankbiljetten of grondstoffen voor eurobankbiljetten naar een andere productielocatie wil verleggen of aan een derde wil uitbesteden, waaronder dochter- en zusterondernemingen van de producent.

HOOFDSTUK II

PROCEDURE VOOR MILIEUACCREDITATIE

Artikel 5

Inleidend verzoek

1.   Een producent die een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten wil uitvoeren, dient een schriftelijk verzoek in bij de ECB om de procedure voor milieuaccreditatie te starten. Het inleidend verzoek gaat vergezeld van:

a)

een specificatie van de productielocatie en waar die zich bevindt;

b)

een kopie van het ISO 14001 certificaat voor de aangegeven locatie;

c)

een samenvatting in het Engels van het meest recente jaarlijkse, door de certificeringsautoriteit afgegeven auditrapport;

d)

een jaarverslag in het Engels dat de prestaties beschrijft van het interne milieuzorgsysteem van de producent, middels een door de ECB verstrekt modelformulier.

2.   De ECB controleert of de door de producent in het inleidende verzoek verstrekte documentatie volledig is. Ze stelt de producent binnen 30 ECB-werkdagen na ontvangst van het inleidende verzoek in kennis van het beoordelingsresultaat. De ECB kan deze tijdslimiet één keer verlengen, waarvan zij de producent schriftelijk in kennis stelt. In de beoordelingsfase kan de ECB de producent met betrekking tot de in lid 1 opgesomde vereisten om aanvullende informatie verzoeken. Indien de ECB om aanvullende informatie verzoekt, stelt zij de producent binnen 20 ECB-werkdagen na ontvangst van de aanvullende informatie in kennis van het beoordelingsresultaat.

3.   De ECB wijst het inleidende verzoek af en stelt de producent binnen de in lid 2 aangegeven termijnen schriftelijk in kennis van haar besluit daartoe onder vermelding van de redenen, indien een van de volgende omstandigheden van toepassing is:

a)

de producent heeft de in lid 1 vereiste informatie niet verstrekt;

b)

de producent heeft de door de ECB overeenkomstig lid 2 verzochte informatie niet binnen een overeen te komen redelijke periode verstrekt;

c)

de milieuaccreditatie van de producent is ingetrokken en de in het intrekkingsbesluit vermelde periode waarin het verboden is een nieuwe aanvraag in te dienen, is niet verstreken;

d)

de plaats waar de productielocatie zich bevindt, voldoet niet aan de in artikel 3, lid 2, onder b) of c), vastgelegde vereisten.

Artikel 6

Milieuaccreditatie

1.   Indien de beoordeling door de ECB van het inleidende verzoek op grond van artikel 5, lid 2, positief is, wordt de producent milieuaccreditatie verleend.

2.   Het besluit van de ECB waarbij de producent milieuaccreditatie wordt verleend, vermeldt duidelijk:

a)

de naam van de producent;

b)

de productielocatie waarvoor milieuaccreditatie wordt verleend en het precieze adres;

c)

de einddatum van de milieuaccreditatie;

d)

eventuele specifieke voorwaarden inzake de punten b) en c).

3.   Milieuaccreditatie wordt een producent verleend voor een vernieuwbare periode van drie jaar. Indien de milieugeaccrediteerde producent een hernieuwde aanvraag voor milieuaccreditatie indient vóór de einddatum van een dergelijke accreditatie, blijft zijn milieuaccreditatie geldig tot de ECB een besluit heeft genomen op grond van lid 1.

4.   Indien de ECB het verzoek om milieuaccreditatie verwerpt, kan de producent de in artikel 15 vastgelegde beroepsprocedure starten.

HOOFDSTUK III

PROCEDURE VOOR GEZONDHEIDS- EN VEILIGHEIDSACCREDITATIE

Artikel 7

Inleidend verzoek

1.   Een producent die een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten wil uitvoeren, dient een schriftelijk verzoek in bij de ECB om de procedure voor gezondheids- en veiligheidsaccreditatie te starten. Dit inleidend verzoek gaat vergezeld van:

a)

een specificatie van de productielocatie en waar die zich bevindt;

b)

een kopie van het OHSAS 18001 certificaat voor de aangegeven locatie;

c)

een samenvatting in het Engels van het meest recente jaarlijkse, door de certificeringsautoriteit afgegeven auditrapport;

d)

een jaarverslag in het Engels dat de prestaties beschrijft van het interne gezondheids- en veiligheidsbeheersysteem van de producent, middels een door de ECB verstrekt modelformulier.

2.   De ECB controleert of de door de producent in het inleidende verzoek verstrekte documentatie volledig is. Ze stelt de producent binnen 30 ECB-werkdagen na ontvangst van het inleidende verzoek in kennis van het beoordelingsresultaat. De ECB kan deze tijdslimiet één keer verlengen, waarvan zij de producent schriftelijk in kennis stelt. In de beoordelingsfase kan de ECB de producent met betrekking tot de in lid 1 opgesomde vereisten om aanvullende informatie verzoeken. Indien de ECB om aanvullende informatie verzoekt, stelt zij de producent binnen 20 ECB-werkdagen na ontvangst van de aanvullende informatie in kennis van het beoordelingsresultaat.

3.   De ECB wijst het inleidende verzoek af en stelt de producent binnen de in lid 2 aangegeven termijnen schriftelijk in kennis van haar besluit daartoe onder vermelding van de redenen, indien een van de volgende omstandigheden van toepassing is:

a)

de producent heeft de in lid 1 vereiste informatie niet verstrekt;

b)

de producent heeft de door de ECB overeenkomstig lid 2 verzochte informatie niet binnen een overeen te komen redelijke periode verstrekt;

c)

de gezondheids- en veiligheidsaccreditatie van de producent is ingetrokken en de in het intrekkingsbesluit vermelde periode waarin het verboden is een nieuwe aanvraag in te dienen, is niet verstreken;

d)

de plaats waar de productielocatie zich bevindt, voldoet niet aan de in artikel 4, lid 2, onder b) of c), vastgelegde vereisten.

Artikel 8

Gezondheids- en veiligheidsaccreditatie

1.   Indien de beoordeling door de ECB van het inleidende verzoek op grond van artikel 7, lid 2, positief is, wordt de producent gezondheids- en veiligheidsaccreditatie verleend.

2.   Het besluit van de ECB waarbij de producent gezondheids- en veiligheidsaccreditatie wordt verleend, vermeldt duidelijk:

a)

de naam van de producent;

b)

de productielocatie waarvoor gezondheids- en veiligheidsaccreditatie wordt verleend en het precieze adres;

c)

de einddatum van de gezondheids- en veiligheidsaccreditatie;

d)

eventuele specifieke voorwaarden inzake de punten b) en c).

3.   Gezondheids- en veiligheidsaccreditatie wordt een producent verleend voor een vernieuwbare periode van drie jaar. Indien de producent met gezondheids- en veiligheidsaccreditatie een hernieuwde aanvraag voor gezondheids- en veiligheidsaccreditatie indient vóór de einddatum van een dergelijke accreditatie, blijft zijn gezondheids- en veiligheidsaccreditatie geldig tot de ECB een besluit heeft genomen op grond van lid 1.

4.   Indien de ECB het verzoek om gezondheids- en veiligheidsaccreditatie verwerpt, kan de producent de in artikel 15 vastgelegde beroepsprocedure starten.

HOOFDSTUK IV

DOORLOPENDE VERPLICHTINGEN

Artikel 9

Doorlopende verplichtingen van geaccrediteerde producenten

1.   Een geaccrediteerde producent informeert de ECB schriftelijk en onverwijld inzake het volgende:

a)

het starten van een procedure voor de liquidatie of reorganisatie van de producent of een overeenkomstige procedure;

b)

de benoeming van een vereffenaar, curator, bewindvoerder of soortgelijke functionaris in verband met de producent;

c)

enig voornemen om een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten waarvoor de producent milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie heeft, uit te besteden of daarbij derden te betrekken;

d)

elke verandering die optreedt nadat milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie zijn verleend, en die de naleving van de vereisten voor milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie beïnvloedt of kan beïnvloeden;

e)

een wijziging in de zeggenschap over de geaccrediteerde producent ingevolge een wijziging in de eigendomsstructuur of anderszins.

2.   Een geaccrediteerde producent verstrekt de ECB inzake de betrokken productielocatie het volgende:

a)

een afschrift van de certificaten inzake zijn milieuzorgsysteem en gezondheids- en veiligheidsbeheersysteem, telkens wanneer het certificaat bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), en artikel 4, lid 2, onder a), wordt vernieuwd;

b)

voor elk kalenderjaar en binnen vier maanden na het einde van het jaar, de in het Engels vertaalde samenvattingen van de meest recente externe controlerapporten inzake milieu en gezondheid en veiligheid afgegeven door de desbetreffende certificeringsautoriteiten;

c)

voor elk kalenderjaar en binnen vier maanden na het einde van het jaar, in het Engels opgestelde jaarverslagen betreffende de prestatie van zijn milieuzorgsysteem en gezondheids- en veiligheidsbeheersysteem middels de in artikel 5, lid 1, onder d), en artikel 7, lid 1, onder d), bedoelde modelformulieren;

d)

voor elk kalenderjaar en binnen vier maanden na het einde van het jaar, algemene informatie en milieugegevens betreffende jaarlijks verbruik en emissies door productieactiviteiten t.a.v. eurobankbiljetten zoals vastgesteld door de door de ECB verstrekte ECB-milieuvragenlijst.

3.   Indien de geaccrediteerde producent een drukkerij is, verricht hij tevens het volgende:

a)

hij laat analyses uitvoeren betreffende de chemische stoffen vermeld op de in artikel 10, lid 1, bedoelde lijst door de laboratoria aangegeven op de in artikel 10, lid 2, bedoelde lijst. Deze analyses worden uitgevoerd aan voltooide eurobankbiljetten volgens standaard werkprocedures die ten minste eenmaal voor elke individuele productie apart worden vastgelegd en daarnaast telkens wanneer de geaccrediteerde producent het aangewezen acht te controleren of aan de acceptatiegrenzen voor chemische stoffen wordt voldaan. De geaccrediteerde producent rapporteert over elke individuele monsteranalyse aan de ECB middels het door de ECB verstrekte modelformulier voor analyserapporten;

b)

hij rapporteert voor elk kalenderjaar en binnen vier maanden na het einde van het jaar over de prestaties van de laboratoria die de in punt a) bedoelde analyses hebben uitgevoerd middels het door de ECB verstrekte modelformulier voor prestatierapporten;

c)

hij sluit leveringscontracten met leveranciers van grondstoffen voor eurobankbiljetten, met daarin voor leveranciers van grondstoffen voor eurobankbiljetten de verplichting te garanderen dat eventuele chemische stoffen in door hen geproduceerde grondstoffen voor eurobankbiljetten, na de analyse van voltooide eurobankbiljetten op grond van lid 3, onder a), de in artikel 10, lid 1, bedoelde acceptatiegrenzen niet overschrijden. Om aan dit vereiste te voldoen, verschaft de geaccrediteerde producent alle relevante documenten aan de leveranciers van grondstoffen voor eurobankbiljetten. Leveranciers van grondstoffen voor eurobankbiljetten mogen de laboratoria vermeld op de in artikel 10, lid 2, bedoelde lijst, gebruiken om hun eigen analyses te laten uitvoeren;

d)

hij verzekert dat een bedrijf voor drukplaatvervaardiging waaraan de producent werk uitbesteedt, voor de betreffende productielocaties over geldige ISO 14001 en OHSAS 18001 certificaten beschikt.

4.   Een geaccrediteerde producent betracht vertrouwelijkheid ten aanzien van de technische details betreffende de milieu-, gezondheids- en veiligheidsvereisten bedoeld in artikel 2, lid 6.

Artikel 10

Voortdurende verplichtingen van de ECB

1.   De ECB stelt een lijst op van te analyseren chemische stoffen en hun acceptatiegrenzen. Onverminderd artikel 19, heeft overschrijding van deze acceptatiegrenzen, ook in de gevallen voorzien in artikel 9, lid 3, onder c), geen effect op de gezondheids- en veiligheidsaccreditatie van een producent.

2.   De ECB houdt een lijst van laboratoria bij die gebruikt kunnen worden om de aanwezigheid en concentratie van chemische stoffen op de in lid 1 bedoelde lijst te analyseren. De toe te passen analysemethodes worden apart vastgelegd.

3.   De ECB informeert geaccrediteerde producenten van herzieningen van de in lid 1 en 2 bedoelde lijsten.

HOOFDSTUK V

GEVOLGEN VAN NON-CONFORMITEIT

Artikel 11

Non-conformiteit

Indien de geaccrediteerde producent niet voldoet aan een van de in artikel 9 vastgelegde verplichtingen of indien de aan de ECB volgens artikel 9, lid 2, onder b), c) en d), en artikel 9, lid 3, onder a) en b), verschafte informatie onvolledig is, vormt dat een geval van non-conformiteit door de producent met de vereisten voor milieuaccreditatie of gezondheids- en veiligheidsaccreditatie.

Artikel 12

Schriftelijke constatering

1.   In een geval van non-conformiteit zoals bedoeld in artikel 11, stuurt de ECB een schriftelijke constatering aan de betrokken geaccrediteerde producent, waarbij een uiterste termijn wordt vastgesteld ter bijsturing van de non-conformiteit.

2.   De schriftelijke constatering vermeldt dat: a) indien de non-conformiteit niet is bijgestuurd binnen de in lid 1 bedoelde uiterste termijn; of b) indien er een tweede geval van non-conformiteit optreedt binnen de in lid 1 bedoelde uiterste termijn, de ECB een besluit neemt uit hoofde van artikel 13.

Artikel 13

Opschorting van de milieuaccreditatie of gezondheids- en veiligheidsaccreditatie met betrekking tot nieuwe opdrachten

1.   Indien binnen de in artikel 12, lid 1, bedoelde uiterste termijn hetzij de non-conformiteit niet is bijgestuurd of een tweede geval van non-conformiteit optreedt, maar de geaccrediteerde producent redelijkerwijs aannemelijk kan maken dat de non-conformiteit bijgestuurd kan worden, besluit de ECB als volgt:

a)

in overleg met de geaccrediteerde producent wordt voor de geaccrediteerde producent een uiterste termijn vastgesteld ter bijsturing van de non-conformiteit;

b)

de accreditatie van de geaccrediteerde producent wordt opgeschort wat betreft het aanvaarden van nieuwe opdrachten voor de betreffende productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten, waaronder deelname aan inschrijvingsprocedures met betrekking tot een productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten, totdat de onder a) bedoelde uiterste termijn is verstreken of, indien de non-conformiteit binnen deze uiterste termijn is bijgestuurd, tot de non-conformiteit is bijgestuurd.

2.   Echter, indien de geaccrediteerde producent niet redelijkerwijs aannemelijk kan maken dat de in lid 1 bedoelde non-conformiteit kan worden bijgestuurd, neemt de ECB een besluit uit hoofde van artikel 14.

Artikel 14

Intrekking van de milieuaccreditatie of gezondheids- en veiligheidsaccreditatie

1.   De ECB trekt de milieuaccreditatie of gezondheids- en veiligheidsaccreditatie van een geaccrediteerde producent in: a) indien de geaccrediteerde producent niet in staat is de non-conformiteit binnen de in artikel 13, lid 1, onder a) bedoelde uiterste termijn bij te sturen; of b) uit hoofde van artikel 13, lid 2.

2.   In het intrekkingsbesluit vermeldt de ECB de datum vanaf wanneer de producent opnieuw accreditatie kan aanvragen.

Artikel 15

Beroepsprocedure

1.   Indien de ECB een van de volgende besluiten neemt:

a)

afwijzing van een verzoek tot opstarten van de procedure inzake de milieuaccreditatie of gezondheids- en veiligheidsaccreditatie;

b)

weigering van milieuaccreditatie of gezondheids- en veiligheidsaccreditatie;

c)

een besluit ingevolge de artikelen 12 tot en met 14,

kan de producent of geaccrediteerde producent binnen 30 ECB-werkdagen na van een dergelijk besluit in kennis te zijn gesteld, een schriftelijk verzoek indienen bij de Raad van bestuur om het besluit te herzien. De producent of geaccrediteerde producent onderbouwt zijn verzoek en voegt alle aanvullende informatie bij.

2.   Indien de producent of geaccrediteerde producent dit expliciet, met opgaaf van redenen, verzoekt, kan de Raad van bestuur de toepassing van het te herziene besluit opschorten.

3.   De Raad van bestuur herziet het besluit en stelt de producent of geaccrediteerde producent binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek schriftelijk in kennis van zijn met redenen omkleed besluit.

4.   De toepassing van de leden 1 tot en met 3 doet geen afbreuk aan eventuele rechten op grond van de artikelen 263 en 265 van het Verdrag.

HOOFDSTUK VI

MILIEUPRESTATIES

Artikel 16

Informatie betreffende de milieuprestaties van de geaccrediteerde producent

Om de milieuprestaties van geaccrediteerde producenten beter te kunnen beoordelen, kan de ECB specifieke informatie of verduidelijking van geaccrediteerde producenten verlangen met betrekking tot de in artikel 9, lid 2, onder d), bedoelde ECB-milieuvragenlijst verschafte gegevens. Indien nodig, kan de ECB een bijeenkomst verlangen met de geaccrediteerde producent in de gebouwen van de ECB. Met de toestemming van de geaccrediteerde producent en conform alle ten aanzien van de geaccrediteerde producent van kracht zijnde veiligheidsvereisten, kan de ECB ook besluiten een bezoek aan de locatie te brengen. De geaccrediteerde producent kan de ECB ook uitnodigen voor een bezoek aan de locatie om de in de ECB-milieuvragenlijst verstrekte gegevens te verduidelijken.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

ECB-accreditatieregister

1.   De ECB houdt een register bij van milieuaccreditaties en gezondheids- en veiligheidsaccreditaties:

a)

dat een lijst bevat van de producenten aan wie milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie zijn verleend en van de desbetreffende productielocaties;

b)

dat met betrekking tot elke productielocatie de productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten vermeldt waarvoor milieuaccreditatie en gezondheids- en veiligheidsaccreditatie zijn verleend;

c)

waarin het aflopen van milieuaccreditaties en gezondheids- en veiligheidsaccreditaties wordt aangetekend.

2.   Indien de ECB een besluit neemt op grond van artikel 13, wordt de duur van de opschorting geregistreerd.

3.   Indien de ECB een besluit neemt op grond van artikel 14, wordt de naam van de producent uit het register geschrapt.

4.   De ECB stelt een lijst van in het register opgenomen geaccrediteerde producenten en bijwerkingen daarvan beschikbaar aan NCB’s en geaccrediteerde producenten.

Artikel 18

Jaarverslag

1.   Op basis van de door de geaccrediteerde producenten verschafte informatie, stelt de ECB een jaarverslag samen betreffende het milieueffect van de productieactiviteit t.a.v. eurobankbiljetten en de effecten ervan op gezondheid en veiligheid.

2.   De ECB maakt aan het publiek informatie bekend betreffende de algemene effecten op milieu en gezondheid en veiligheid van productieactiviteiten t.a.v. eurobankbiljetten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (2).

Artikel 19

Overgangsbepaling

Met ingang van de productie van eurobankbiljetten in 2016, verklaren NCB’s gedrukte eurobankbiljetten met chemische stoffen die de in artikel 10, lid 1, bedoelde acceptatiegrenzen overschrijden, niet langer geldig.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing vanaf de productie van eurobankbiljetten in 2013.

Gedaan te Frankfurt am Main, 21 juni 2011.

De president van de ECB

Jean-Claude TRICHET


(1)  Beschikbaar op http://osha.europa.eu.

(2)  PB L 264 van 25.9.2006, blz. 13.