ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2011.158.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 158

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
16 juni 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 566/2011 van de Commissie van 8 juni 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie wat de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 567/2011 van de Commissie van 14 juni 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Porchetta di Ariccia (BGA))

25

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 568/2011 van de Commissie van 14 juni 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Miód drahimski (BGA))

27

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 569/2011 van de Commissie van 15 juni 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

29

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 570/2011 van de Commissie van 15 juni 2011 tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

31

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 571/2011 van de Commissie van 15 juni 2011 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 16 juni 2011

33

 

 

BESLUITEN

 

 

2011/341/GBVB

 

*

Besluit Atalanta/2/2011 van het Politiek en Veiligheidscomité van 15 juni 2011 tot benoeming van de operationeel commandant van de Europese Unie voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta)

36

 

 

2011/342/EU

 

*

Besluit van de Europese Centrale Bank van 9 mei 2011 tot wijziging van Besluit ECB/2004/3 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank (ECB/2011/6)

37

 

 

IV   Handelingen die vóór 1 december 2009 zijn aangenomen krachtens het EG-Verdrag, het EU-Verdrag en het Euratom-Verdrag

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 341/09/COL van 23 juli 2009 inzake de aangemelde regeling betreffende belastingvoordelen voor bepaalde coöperatieve ondernemingen (Noorwegen)

39

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) nr. 446/2011 van de Commissie van 10 mei 2011 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde vetalcoholen en mengsels daarvan, van oorsprong uit India, Indonesië en Maleisië (PB L 122 van 11.5.2011)

54

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/1


VERORDENING (EU) Nr. 566/2011 VAN DE COMMISSIE

van 8 juni 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie wat de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (1), en met name artikel 4, lid 4, artikel 5, lid 3, en artikel 8,

Gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (2), en met name artikel 39, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 715/2007 zijn gemeenschappelijke technische voorschriften vastgesteld voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen (hierna „voertuigen” genoemd) en vervangingsonderdelen wat emissies betreft, alsook regels inzake overeenstemming tijdens het gebruik, duurzaamheid van systemen voor verontreinigingsbeheersing, boorddiagnosesystemen (OBD-systemen), meting van het brandstofverbruik en toegankelijkheid van reparatie- en onderhoudsinformatie.

(2)

Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (3) bepaalt dat de Commissie de nieuwe testprocedure voor de door lichte bedrijfsvoertuigen uitgestoten deeltjesmassa en deeltjesaantallen moet invoeren.

(3)

Richtlijn 76/756/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (4) schrijft om veiligheidsredenen het gebruik van dagrijlichten voor. Het effect van die lichten, die tijdens het gebruik van het voertuig permanent zijn ingeschakeld, moet op gepaste wijze tot uitdrukking komen in de gemeten emissies van verontreinigende stoffen en kooldioxiden (CO2-emissies).

(4)

Gezien het risico van manipulatie en volledige uitval van dieseldeeltjesfilters (DPF’s), moeten deze filters worden bewaakt, ongeacht of de van toepassing zijnde OBD-grenswaarden worden overschreden.

(5)

Omdat de bewaking van elektrische circuits permanent is, moet zij worden vrijgesteld van de meldverplichting ingevolge de voor het OBD-systeem geldende voorschriften inzake de verhouding van de prestaties tijdens het gebruik (in-use-performance-ratio).

(6)

Aangezien zich maar weinig rijsituaties voordoen waarin de bewakingsfuncties van het laaddrukregelsysteem of de bewakingsfuncties die een koude start vereisen, kunnen worden toegepast, moeten daarvoor bijzondere prestatievoorschriften worden vastgesteld.

(7)

De statistische voorwaarden waaronder de naleving van de voorschriften inzake de verhouding van de prestaties tijdens het gebruik automatisch wordt beoordeeld, moeten worden geharmoniseerd.

(8)

Wanneer manipulatie van het „selective catalytic reduction”-systeem (SCR-systeem) wordt geconstateerd door middel van rechtstreekse bewaking van de emissies van stikstofoxiden (NOx-emissies), moet nader worden gedefinieerd onder welke voorwaarden het systeem tot aansporing van de bestuurder wordt geactiveerd.

(9)

De registratie van de activering van het aansporingssysteem voor de bestuurder moet worden verduidelijkt in verband met een mogelijk toekomstig gebruik van deze informatie bij technische keuringen.

(10)

De beveiliging van de emissiebeheersingscomputer tegen manipulatie moet openstaan voor technische verbeteringen als gevolg van innovatie.

(11)

De registratie en melding van de desbetreffende gegevens zijn een wezenlijk bestanddeel van een verplicht OBD-bewakingssysteem en daarvoor dient geen vrijstelling te worden verleend op grond van gestelde gebreken, met name niet stelselmatig wanneer de fabrikant voor bepaalde normen inzake communicatie binnen en buiten het voertuig opteert.

(12)

Om op de markt voor reparatie- en onderhoudsinformatiediensten een effectieve concurrentie te waarborgen en duidelijk te maken dat de betrokken informatie ook informatie omvat die aan andere onafhankelijke marktdeelnemers dan reparateurs moet worden verstrekt, teneinde ervoor te zorgen dat de onafhankelijke reparatie- en onderhoudsmarkt integraal met erkende dealers kan concurreren, ongeacht of de voertuigfabrikant die informatie rechtstreeks aan erkende dealers en reparateurs verstrekt, moet nader worden toegelicht welke gedetailleerde informatie krachtens Verordening (EG) nr. 715/2007 moet worden verstrekt.

(13)

Gelet op het evenredigheidsbeginsel en hoewel voertuigfabrikanten er niet toe moeten worden gedwongen om slechts voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 715/2007 en de uitvoeringshandelingen daarvan bij derden gegevens over wijzigingen van individuele voertuigen te verzamelen, moeten ter wille van een concurrerende reparatie- en onderhoudsmarkt onafhankelijke markdeelnemers in dezelfde mate updates van de gegevens over voertuigonderdelen ontvangen als erkende dealers en reparateurs.

(14)

Arbeidseenheden zijn belangrijke technische reparatie- en onderhoudsinformatie voor onafhankelijke marktdeelnemers. Door duidelijk aan te geven dat arbeidseenheden onder artikel 6 van Verordening (EG) nr. 715/2007 vallen, zal de marktdeelnemers naar verwachting commerciële zekerheid worden geboden.

(15)

Wanneer voertuigfabrikanten bepalen dat reparatie- en onderhoudsgegevens niet langer op papier in het voertuig worden bijgehouden — zodat de eigenaar van het voertuig deze ook voor onafhankelijke reparateurs toegankelijk kan maken om er de uitgevoerde reparatie- en onderhoudswerkzaamheden in op te nemen — maar in een centrale gegevensbank van de voertuigfabrikant, moeten deze gegevens met toestemming van de eigenaar van het voertuig ook toegankelijk zijn voor de onafhankelijke reparateur opdat deze een compleet rapport van de uitgevoerde reparatie- en onderhoudswerkzaamheden kan blijven produceren en de eigenaar van het voertuig in één document een bewijs van al die werkzaamheden kan verstrekken.

(16)

Er is meer flexibiliteit nodig wat de herprogrammering van voertuigregeleenheden en de uitwisseling van gegevens tussen voertuigfabrikanten en onafhankelijke markdeelnemers betreft, om ruimte te bieden voor innovaties en kosten te besparen.

(17)

Er moet worden gewaarborgd dat voertuigen die zijn goedgekeurd krachtens het desbetreffende reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) dat, wat de emissiegerelateerde voorschriften betreft, gelijkwaardig is met de Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 692/2008, en die voldoen aan de voorschriften van die verordeningen wat de toegang tot informatie betreft, zonder administratieve rompslomp overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 worden goedgekeurd.

(18)

Aangezien er momenteel geen gemeenschappelijke gestructureerde procedure bestaat voor de uitwisseling van gegevens over voertuigonderdelen tussen voertuigfabrikanten en onafhankelijke marktdeelnemers, is het wenselijk voor die gegevensuitwisseling beginselen op te stellen. Een toekomstige gemeenschappelijke gestructureerde procedure inzake het gestandaardiseerde format van de uitgewisselde gegevens moet formeel door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) worden uitgewerkt, waarbij in het aan CEN verleende mandaat niet van tevoren wordt vermeld hoe gedetailleerd die norm zal zijn. In de werkzaamheden van het CEN moeten met name de belangen en behoeften van zowel voertuigfabrikanten als onafhankelijke marktdeelnemers tot uitdrukking komen en tevens oplossingen worden onderzocht zoals open gegevensformats, beschreven door een aantal goed gedefinieerde metagegevens, om de bestaande IT-infrastructuur gemakkelijker te kunnen aanpassen.

(19)

De Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 692/2008 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(20)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Technisch Comité motorvoertuigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 715/2007 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 komt als volgt te luiden:

„2.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat:

a)

een duidelijke identificatie van het voertuig;

b)

servicehandboeken, inclusief reparatie- en onderhoudsgegevens;

c)

technische handleidingen;

d)

informatie over onderdelen en diagnose (zoals de theoretische minimale en maximale meetwaarden);

e)

bedradingsschema’s;

f)

de diagnostische foutcodes (met inbegrip van de eigen codes van de fabrikant);

g)

het identificatienummer van de softwarekalibratie dat op een voertuigtype van toepassing is;

h)

over en door middel van eigen instrumenten en apparatuur verstrekte informatie;

i)

informatie over gegevensregistratie en bidirectionele bewaking en testgegevens; en

j)

standaard arbeidseenheden of tijdvakken voor reparatie- en onderhoudstaken, indien deze rechtstreeks of via een derde ter beschikking van erkende dealers en reparateurs van de fabrikant worden gesteld.”;

b)

het volgende lid 8 wordt toegevoegd:

„8.   Indien de reparatie- en onderhoudsgegevens van een voertuig in een door of namens de voertuigfabrikant beheerde centrale gegevensbank worden opgeslagen, hebben onafhankelijke reparateurs die zijn erkend en geautoriseerd overeenkomstig punt 2.2 van bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (5), kosteloos en onder dezelfde voorwaarden als erkende dealers of reparateurs toegang tot deze gegevens om informatie over uitgevoerde reparatie- en onderhoudswerkzaamheden te kunnen invoeren.

2)

In artikel 7, komt lid 2 als volgt te luiden:

„2.   De fabrikanten stellen de reparatie- en onderhoudsinformatie, met inbegrip van transactiediensten zoals herprogrammering of technische bijstand, op uur-, dag-, maand- of jaarbasis ter beschikking, waarbij de vergoeding voor toegang tot die informatie varieert naargelang de periode waarvoor toegang wordt verleend. Behalve tijdgerelateerde toegang kunnen de fabrikanten transactiegerelateerde toegang aanbieden, waarvoor vergoedingen per transactie in rekening worden gebracht, die niet zijn gerelateerd aan de tijd waarvoor toegang wordt verleend. Wanneer door de fabrikanten beide toegangssystemen worden aangeboden, kiezen de onafhankelijke reparateurs een voorkeursysteem, hetzij tijdgerelateerd, hetzij transactiegerelateerd.”.

3)

In bijlage I worden de noten 1 en 2 van tabel 1 en de noten 1, 2 en 5 van tabel 2 geschrapt.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 692/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt het volgende punt 33 toegevoegd:

„33.   „koude start”: een motorkoelmiddeltemperatuur (of gelijkwaardige temperatuur) bij het starten van de motor van 35 °C of minder en maximaal 7 K hoger dan de omgevingstemperatuur (indien bekend) bij het starten van de motor.”.

2)

In artikel 6, lid 1, worden de volgende vierde en vijfde alinea toegevoegd:

„Aan de relevante voorschriften wordt geacht te zijn voldaan indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de voorschriften van artikel 13 zijn nageleefd;

b)

het voertuig is goedgekeurd krachtens VN/ECE-Reglement nr. 83, wijzigingenreeks 06, VN/ECE-Reglement nr. 101, wijzigingenreeks 01, en, bij voertuigen met compressieontsteking, krachtens VN/ECE-Reglement nr. 24, deel III, wijzigingenreeks 03.

In het in de vierde alinea bedoelde geval is artikel 14 ook van toepassing.”.

3)

In artikel 10, lid 1, worden de volgende derde en vierde alinea toegevoegd:

„Aan de relevante voorschriften wordt geacht te zijn voldaan indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de voorschriften van artikel 13 zijn nageleefd;

b)

de vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing zijn goedgekeurd krachtens VN/ECE-Reglement nr. 103.

In het in de derde alinea bedoelde geval is artikel 14 ook van toepassing.”.

4)

In artikel 13, komt lid 9 als volgt te luiden:

„9.   Het forum Toegang tot voertuiginformatie (hierna „het forum” genoemd) wordt hierbij ingesteld.

Het forum onderzoekt of toegang tot informatie invloed heeft op de vorderingen die op het gebied van diefstalbeveiliging zijn gemaakt en doet aanbevelingen om de voorschriften over de toegang tot informatie te verbeteren. Het forum verstrekt de Commissie met name advies over de invoering van een procedure voor goedkeuring en autorisatie van onafhankelijke marktdeelnemers door geaccrediteerde organisaties om toegang te krijgen tot informatie over de beveiliging van het voertuig.

De Commissie kan beslissen de besprekingen en bevindingen van het forum vertrouwelijk te behandelen.”.

5)

De bijlagen I, III, IV, VIII, IX, XI, XII, XIV, XVI en XVIII worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

6)

Bijlage II wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juni 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.

(2)  PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(3)  PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1.

(4)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 1.

(5)  PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1.”


BIJLAGE I

Wijzigingen van enkele bijlagen bij Verordening (EG) nr. 692/2008

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 2.3.1 komt als volgt te luiden:

„2.3.1.

Voertuigen met een emissiebeheersingscomputer moeten zodanig zijn uitgerust dat niet door de fabrikant toegestane modificaties worden verhinderd. De fabrikant moet modificaties toestaan die noodzakelijk zijn voor diagnose, service, keuring, latere aanpassing of reparatie van het voertuig. Herprogrammeerbare computercodes of bedrijfsparameters moeten bestand zijn tegen manipulatie en een beschermingsniveau bieden dat ten minste even hoog is als de bepalingen in ISO 15031-7 van 15 maart 2001 (SAE J2186 van oktober 1996). Verwijderbare geheugenchips met kalibratiegegevens moeten zijn ingekapseld, in een verzegelde behuizing zijn ondergebracht of met elektronische algoritmen zijn beschermd en moeten alleen met behulp van speciale gereedschappen en procedures kunnen worden vervangen. Alleen eigenschappen die rechtstreeks met de kalibratie van emissies of met diefstalbeveiliging te maken hebben, mogen op deze manier worden beveiligd.”;

b)

figuur I.2.4 wordt vervangen door de volgende figuur:

Figuur I.2.4

Testvoorschriften voor typegoedkeuring en uitbreidingen

 

Voertuigen met elektrischeontstekingsmotor, inclusief hybriden

Voertuigen met compressieontstekingsmotor, inclusief hybriden

Monofuel

Bifuel (1)

Flexfuel (1)

Flexfuel

Monofuel

Referentiebrandstof

Benzine (E5)

Lpg

Aardgas/biomethaan

Waterstof

Benzine (E5)

Benzine (E5)

Benzine (E5)

Benzine (E5)

Diesel (B5)

Diesel (B5)

Lpg

Aardgas/biomethaan

Waterstof

Ethanol (E85)

Biodiesel

Verontreinigende gassen

(test van type 1)

ja

ja

ja

 

ja

(beide brandstoffen)

ja

(beide brandstoffen)

ja

(alleen benzine) (2)

ja

(beide brandstoffen)

ja

(alleen B5) (2)

ja

Deeltjesmassa en deeltjesaantal

(test van type 1)

ja

 

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine) (2)

ja

(beide brandstoffen)

ja

(alleen B5) (2)

ja

Emissies bij stationair draaien

(test van type 2)

ja

ja

ja

 

ja

(beide brandstoffen)

ja

(beide brandstoffen)

ja

(alleen benzine) (2)

ja

(beide brandstoffen)

Carteremissies

(test van type 3)

ja

ja

ja

 

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine) (2)

ja

(benzine)

Verdampingsemissies

(test van type 4)

ja

 

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine) (2)

ja

(benzine)

Duurzaamheid

(test van type 5)

ja

ja

ja

 

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine) (2)

ja

(benzine)

ja

(alleen B5) (2)

ja

Emissies bij lage temperatuur

(test van type 6)

ja

 

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine)

ja

(alleen benzine) (2)

ja

(beide brandstoffen) (3)

 

 

Overeenstemming tijdens het gebruik

ja

ja

ja

 

ja

(beide brandstoffen)

ja

(beide brandstoffen)

ja

(alleen benzine) (2)

ja

(beide brandstoffen)

ja

(alleen B5) (2)

ja

OBD

ja

ja

ja

 

ja

ja

ja

ja

ja

ja

CO2-emissies en brandstofverbruik

ja

ja

ja

 

ja

(beide brandstoffen)

ja

(beide brandstoffen)

ja

(alleen benzine)

ja

(beide brandstoffen)

ja

(alleen B5) (2)

ja

Rookopaciteit

 

ja

(alleen B5) (2)

ja

c)

in aanhangsel 3 komt punt 3.4.8 als volgt te luiden:

„3.4.8.

Elektrisch bereik van het voertuig: … km (overeenkomstig bijlage 9 bij VN/ECE-Reglement nr. 101)”;

d)

in aanhangsel 4 komt punt 3.2 als volgt te luiden:

„3.2.

Voorwaarden voor toegang (bv. toegangsduur, prijs van de toegang per uur, dag, maand, jaar en transactie) tot de in punt 3.1 bedoelde websites: …”;

e)

in aanhangsel 6 wordt aan de legenda van tabel 1 het volgende toegevoegd:

„Emissienorm „Euro 5b”= alle Euro 5-emissievoorschriften, inclusief herziene meetprocedure voor deeltjes, deeltjesaantalnorm en emissietest bij lage temperaturen van flexfuelvoertuigen met biobrandstof.

Emissienorm „Euro 6b”= alle Euro 6-emissievoorschriften, inclusief herziene meetprocedure voor deeltjes, deeltjesaantalnorm en emissietest bij lage temperaturen van flexfuelvoertuigen met biobrandstof.

OBD-norm „Euro 5”= de OBD-basisvoorschriften van Euro 5, exclusief in-use performance ratio (IUPR), NOx-bewaking voor benzinevoertuigen en aangescherpte PM-drempelwaarden voor diesel.

OBD-norm „Euro 6”= alle OBD-voorschriften van Euro 6.”.

2)

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 3.1 komt als volgt te luiden:

„3.1.

De technische voorschriften zijn die van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 83, met de in de punten 3.2 tot en met 3.12 beschreven uitzonderingen. Vanaf de in de tweede zin van artikel 10, lid 6, van Verordening (EG) nr. 715/2007 genoemde data worden de deeltjesmassa (PM) en het deeltjesaantal (P) bepaald volgens de emissietestprocedure in punt 6 van bijlage 4a bij VN/ECE-Reglement nr. 83, wijzigingenreeks 05, supplement 07, met behulp van de in punt 4.4, respectievelijk punt 4.5 van die bijlage beschreven testapparatuur.”;

b)

in punt 3.4 wordt het volgende toegevoegd:

„Voor ethanol (E75) (C1 H2,61 O0,329)

d = 0,886 g/l”;

c)

de tabel in punt 3.8 komt als volgt te luiden:

„Brandstof

X

Benzine (E5)

13,4

Diesel (B5)

13,5

Lpg

11,9

Aardgas/biomethaan

9,5

Ethanol (E85)

12,5

Ethanol (E75)

12,7”

d)

in punt 3.10 wordt het volgende toegevoegd:

„QTHC = 0,886 in het geval van ethanol (E75)”;

e)

het volgende punt 3.14 wordt toegevoegd:

„3.14.

Vanaf de in artikel 2 van Richtlijn 2008/89/EG van de Commissie (4) genoemde data moeten de dagrijlichten van het voertuig zoals gedefinieerd in punt 2 van VN/ECE-Reglement nr. 48 (5), tijdens de testcyclus worden ingeschakeld. Het geteste voertuig moet zijn uitgerust met het dagrijlichtsysteem met het hoogste elektrische-energieverbruik van alle dagrijlichtsystemen die de fabrikant monteert op voertuigen van de groep die wordt vertegenwoordigd door het voertuig waarvoor typegoedkeuring is verleend. De fabrikant moet de typegoedkeuringsinstanties ter zake dienende technische documentatie verstrekken.

3)

In bijlage IV komt punt 2.2 van aanhangsel 1 als volgt te luiden:

„2.2.

De atoomverhoudingen in punt 5.3.7.3 worden gelezen als volgt:

 

Hcv = atoomverhouding waterstof/koolstof

voor benzine (E5): 1,89

voor lpg: 2,53

voor aardgas/biomethaan: 4,0

voor ethanol (E85): 2,74

voor ethanol (E75): 2,61

 

Ocv = atoomverhouding zuurstof/koolstof

voor benzine (E5): 0,016

voor lpg: 0,0

voor aardgas/biomethaan: 0,0

voor ethanol (E85): 0,39

voor ethanol (E75): 0,329”.

4)

In bijlage VIII komt punt 2.3 als volgt te luiden:

„2.3.

De in punt 5.3.5.2 van VN/ECE-Reglement nr. 83 bedoelde grenswaarden hebben betrekking op de grenswaarden in tabel 4 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2007.”.

5)

Aan het einde van bijlage IX, deel B, wordt de tekst „De specificatie van deze referentiebrandstof moet worden ontwikkeld vóór de data in artikel 10, lid 6, van Verordening (EG) nr. 715/2007” vervangen door de volgende tabel:

„Parameter

Eenheid

Grenswaarden (6)

Testmethode (7)

Minimum

Maximum

Research-octaangetal, RON

 

95

EN ISO 5164

Motoroctaangetal, MON

 

85

EN ISO 5163

Dichtheid bij 15 °C

kg/m3

rapport

EN ISO 12185

Dampspanning

kPa

50

60

EN ISO 13016-1 (DVPE)

Zwavelgehalte (8)  (9)

mg/kg

10

EN ISO 20846

EN ISO 20884

Oxidatiestabiliteit

minuten

360

EN ISO 7536

Hoeveelheid aanwezige gom (met solvent gewassen)

mg/100 ml

4

EN ISO 6246

Uiterlijk: vast te stellen bij omgevingstemperatuur of bij 15 °C (de hoogste temperatuur is van toepassing)

 

klaar en helder, zichtbaar vrij van zwevende of bezonken verontreinigende stoffen

visuele inspectie

Ethanol en hogere alcoholen (12)

vol. %

70

80

EN 1601

EN 13132

EN 14517

Hogere alcoholen (C3-C8)

vol. %

2

 

Methanol

 

0,5

 

Benzine (10)

vol. %

balans

EN 228

Fosfor

mg/l

0,30 (11)

ASTM D 3231

EN 15487

Watergehalte

vol. %

0,3

ASTM E 1064

EN 15489

Hoeveelheid anorganische chloriden

mg/l

1

ISO 6227 — EN 15492

pHe

 

6,50

9

ASTM D 6423

EN 15490

Koperstripcorrosie (3 uur bij 50 °C)

rating

klasse 1

 

EN ISO 2160

Zuurgraad (als azijnzuur CH3COOH)

massa %

 

0,005

ASTM D 1613

EN 15491

mg/l

 

40

Koolstof-waterstofverhouding

 

rapport

 

Koolstof-zuurstofverhouding

 

rapport

 

6)

Bijlage XI wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende punt 2.14 wordt toegevoegd:

„2.14.

In afwijking van punt 3.3.5 van bijlage 11 bij VN/ECE-Reglement nr. 83 moet, met ingang van 1 september 2011, een deeltjesvanger die als afzonderlijke eenheid is gemonteerd of in een gecombineerde emissiebeheersingsvoorziening is geïntegreerd, altijd ten minste op volledige uitval of verwijdering worden gecontroleerd, als dat tot overschrijding van de toepasselijke emissiegrenswaarden heeft geleid. De deeltjesvanger moet ook worden gecontroleerd op elke storing die ertoe kan leiden dat de toepasselijke OBD-grenswaarden worden overschreden.”;

b)

punt 3.3 komt als volgt te luiden:

„3.3.

De goedkeuringsinstantie accepteert geen verzoeken in verband met gebreken waarbij een diagnostische bewakingsfunctie of de verplichte registratie en melding van gegevens over een bewakingsfunctie volledig ontbreekt.”;

c)

aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de punten 3.1.7 en 3.1.8 komen als volgt te luiden:

„3.1.7.

De fabrikant toont tegenover de goedkeuringsinstantie en, op verzoek, tegenover de Commissie aan dat alle bewakingsfuncties die overeenkomstig punt 3.6 van dit aanhangsel door het OBD-systeem moeten worden gemeld, aan deze statistische voorwaarden voldoen, zulks uiterlijk 18 maanden nadat het eerste voertuigtype met IUPR binnen een OBD-familie in de handel is gebracht en vervolgens om de 18 maanden. Daartoe moet voor OBD-families met meer dan 1 000 registraties in de Unie, die tijdens de bemonsteringsperiode worden bemonsterd, de in bijlage II beschreven procedure worden toegepast, onverminderd punt 3.1.9 van dit aanhangsel.

Behalve de voorschriften van bijlage II en ongeacht het resultaat van de in punt 2 van bijlage II beschreven verificatie, past de instantie die de goedkeuring heeft verleend, de in aanhangsel 1 van bijlage II beschreven controle van de overeenstemming tijdens het gebruik voor IUPR toe in een passend aantal willekeurig bepaalde gevallen. „In een passend aantal willekeurig bepaalde gevallen” wil zeggen dat deze maatregel een afschrikkingseffect heeft op niet-naleving van de voorschriften van punt 3 van deze bijlage of op het verstrekken van gemanipuleerde, valse of niet-representatieve gegevens voor de verificatie. Als geen bijzondere omstandigheden gelden en geen bijzondere omstandigheden door de typegoedkeuringsinstanties kunnen worden aangetoond, wordt de aselecte toepassing van de controle van de overeenstemming tijdens het gebruik op 5 % van de OBD-families waarvoor typegoedkeuring is verleend, toereikend geacht voor de naleving van dit voorschrift. Daartoe kunnen de typegoedkeuringsinstanties regelingen treffen met de fabrikant om dubbele tests van een bepaalde OBD-familie te beperken, zolang deze regelingen geen afbreuk doen aan het afschrikkingseffect van de controle van de overeenstemming tijdens het gebruik door de typegoedinstantie zelf op niet-naleving van de voorschriften van punt 3 van deze bijlage. Gegevens die in het kader van monitoringtestprogramma’s van de lidstaten zijn verzameld, mogen voor de controles van de overeenstemming tijdens het gebruik worden aangewend. Op verzoek verstrekken de typegoedkeuringsinstanties de Commissie en andere typegoedkeuringsinstanties gegevens over de uitgevoerde verificaties en aselecte controles van de overeenstemming tijdens het gebruik, inclusief over de toegepaste methoden om te bepalen in welke gevallen de aselecte controle van de overeenstemming wordt uitgevoerd.

3.1.8.

Voor de volledige voertuigsteekproef moet de fabrikant de desbetreffende instanties alle gegevens over de prestaties tijdens het gebruik verstrekken die overeenkomstig punt 3.6 van dit aanhangsel door het OBD-systeem moeten worden gemeld, samen met een identificatie van het geteste voertuig en de toegepaste methoden voor de selectie van de geteste voertuigen uit het voertuigenpark. Op verzoek stelt de typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring verleent, deze gegevens en de resultaten van de statistische evaluatie ter beschikking van de Commissie en andere goedkeuringsinstanties.”;

ii)

het volgende punt 3.1.10 wordt toegevoegd:

„3.1.10.

Niet-naleving van de voorschriften van punt 3.1.6, vastgesteld aan de hand van de in punt 3.1.7 of 3.1.9 beschreven tests, wordt beschouwd als een inbreuk waarvoor de in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 715/2007 genoemde sancties gelden. Dit belet niet dat dergelijke sancties ook kunnen worden getroffen bij andere inbreuken op andere bepalingen van Verordening (EG) nr. 715/2007 of van deze verordening, waarin niet uitdrukkelijk naar artikel 13 van Verordening (EG) nr. 715/2007 wordt verwezen.”;

iii)

in punt 3.3.2 worden de volgende punten e) en f) toegevoegd:

„e)

onverminderd de voorschriften inzake de verhoging van de noemers van andere bewakingsfuncties, worden de noemers van de bewakingsfuncties van de volgende onderdelen slechts verhoogd indien de rijcyclus met een koude start werd aangevat:

i)

vloeistoftemperatuursensoren (voor olie, motorkoelmiddel, brandstof, SCR-reagens);

ii)

schoneluchttemperatuursensoren (omgevingslucht, inlaatlucht, vullucht, inlaatspruitstuk);

iii)

uitlaattemperatuursensoren (uitlaatgasrecirculatie/koeling, uitlaatgasturbodrukvulling, katalysator);

f)

de noemers van de bewakingsfuncties van het laaddrukregelsysteem worden verhoogd indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

i)

de algemene voorwaarden voor de noemer zijn vervuld;

ii)

het laaddrukregelsysteem is ten minste 15 seconden actief;”;

iv)

punt 3.6.2 komt als volgt te luiden:

„3.6.2.

Voor specifieke onderdelen of systemen met meervoudige bewakingsfuncties die volgens dit punt moeten worden gemeld (de zuurstofsensor van cilinderrij 1 kan bijvoorbeeld meerdere bewakingsfuncties hebben voor sensorrespons of andere sensorkenmerken), volgt het OBD-systeem afzonderlijk de tellers en noemers voor elke specifieke bewakingsfunctie, behalve die voor kortsluiting of storingen in een open circuit, en meldt het alleen de overeenkomstige teller en noemer voor de specifieke bewakingsfunctie met de laagste getalverhouding. Als twee of meer specifieke bewakingsfuncties een identieke verhouding hebben, worden voor het specifieke onderdeel de overeenkomstige teller en noemer voor de specifieke bewakingsfunctie met de hoogste noemer gemeld.”.

7)

Bijlage XII wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 2.3 komt als volgt te luiden:

„2.3.

Punt 5.2.4 van VN/ECE-Reglement nr. 101 wordt als volgt gelezen:

1.

dichtheid: gemeten bij de testbrandstof overeenkomstig ISO 3675 of een equivalente methode. Voor benzine, diesel, biodiesel en ethanol (E85 en E75) wordt de bij 15 °C gemeten dichtheid gebruikt; voor lpg en aardgas/biomethaan wordt de volgende referentiedichtheid gebruikt:

 

0,538 kg/l voor lpg,

 

0,654 kg/m3 voor aardgas (3);

2.

waterstof-koolstof-zuurstofverhouding: er worden vaste waarden gebruikt, namelijk:

 

C1H1,89O0,016 voor benzine,

 

C1H1,86O0,005 voor diesel,

 

C1H2,525 voor lpg (liquefied petroleum gas),

 

CH4 voor aardgas en biomethaan,

 

C1H2,74O0,385 voor ethanol (E85),

 

C1 H2,61 O0,329 voor ethanol (E75).”;

b)

het volgende punt 3.5 wordt toegevoegd:

„3.5.

Tijdens de testcyclus die wordt uitgevoerd om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van het voertuig te bepalen, is punt 3.14 van bijlage III van toepassing.”.

8)

Bijlage XIV wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 2.1 wordt het volgende toegevoegd:

„Informatie over alle voertuigonderdelen waarmee het voertuig, aangeduid door het voertuigidentificatienummer (VIN) en door aanvullende criteria zoals wielbasis, motorvermogen, uitrustingsniveau of opties, door de voertuigfabrikant is uitgerust en die kunnen worden vervangen door reserveonderdelen die door de voertuigfabrikant aan zijn erkende reparateurs of dealers of aan derden worden aangeboden met verwijzing naar de originele onderdeelnummers, moet ter beschikking worden gesteld in een gegevensbank die voor onafhankelijke marktdeelnemers gemakkelijk toegankelijk is.

Deze gegevensbank moet het VIN, de originele onderdeelnummers, de originele benaming van de onderdelen, geldigheidsattributen (datum begin en einde geldigheid), montagekenmerken en eventueel structurele eigenschappen omvatten.

De informatie in de gegevensbanken moet geregeld worden geüpdatet. De updates moeten met name alle modificaties van individuele voertuigen sinds hun productie omvatten, als deze informatie voor erkende dealers beschikbaar is.”;

b)

de punten 2.2 en 2.3 komen als volgt te luiden:

„2.2.

Toegang tot door erkende dealers en reparatiebedrijven gebruikte beveiligingskenmerken van het voertuig wordt aan onafhankelijke marktdeelnemers verleend met behulp van beveiligingstechnologie die voldoet aan de volgende voorschriften:

i)

bij de uitwisseling van gegevens worden vertrouwelijkheid, integriteit en beveiliging tegen replay gewaarborgd;

ii)

de norm https//ssl-tls (RFC4346) wordt toegepast;

iii)

voor de wederzijdse authenticatie van onafhankelijke marktdeelnemers en fabrikanten wordt gebruikgemaakt van beveiligingscertificaten overeenkomstig ISO 20828;

iv)

de privésleutel van de onafhankelijke marktdeelnemer wordt met veilige hardware beveiligd.

Het bij artikel 13, lid 9, ingestelde forum Toegang tot voertuiginformatie zal de parameters vaststellen om volgens de stand van de techniek aan deze voorschriften te voldoen.

De onafhankelijke marktdeelnemer wordt hiertoe goedgekeurd en geautoriseerd op basis van documenten waaruit blijkt dat hij legitieme handelsactiviteiten verricht en niet veroordeeld is voor relevante criminele activiteiten.

2.3.

Herprogrammering van besturingseenheden van voertuigen die na 31 augustus 2010 zijn gefabriceerd, geschiedt overeenkomstig ISO 22900 of SAE J2534, ongeacht de datum van typegoedkeuring. Voor de validering van de compatibiliteit van de fabrikantspecifieke toepassing en de voertuigcommunicatie-interfaces (VCI’s) overeenkomstig ISO 22900 of SAE J2534, biedt de fabrikant hetzij een validering aan van onafhankelijk ontwikkelde VCI’s, hetzij de informatie, inclusief het uitlenen van speciale hardware, die een VCI-fabrikant nodig heeft om een dergelijke validering zelf uit te voeren. De voorwaarden van artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 715/2007 zijn van toepassing op vergoedingen voor die validering of voor die informatie en hardware.

Voor voertuigen die vóór 1 september 2010 zijn gefabriceerd, mag de fabrikant hetzij volledige herprogrammering aanbieden overeenkomstig ISO 22900 of SAE J2534, hetzij herprogrammering via de verkoop of lease van zijn eigen instrument. In het laatste geval moeten onafhankelijke marktdeelnemers op niet-discriminerende, prompte en evenredige wijze toegang krijgen en moet het instrument gebruiksklaar worden verstrekt. Op vergoedingen voor de toegang tot deze instrumenten is artikel 7 van Verordening (EG) nr. 715/2007 van toepassing.”;

c)

punt 2.8 komt als volgt te luiden:

„2.8.

Voor de toegang per uur, dag, maand, jaar en transactie tot hun websites met reparatie- en onderhoudsinformatie stellen de fabrikanten vergoedingen vast die redelijk en evenredig zijn.”.

9)

Bijlage XVI wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 6.2 wordt het volgende toegevoegd:

„Voor de toepassing van dit punt wordt deze situatie geacht zich voor te doen als de toepasselijke, met 1,5 vermenigvuldigde NOx-emissiegrenswaarde in tabel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2007 wordt overschreden. Voor een voertuig dat krachtens de tussentijdse OBD-grenswaarden van Euro 6 in punt 2.3.2 van bijlage XI bij deze verordening is goedgekeurd, wordt deze situatie geacht zich voor te doen als de toepasselijke NOx-emissiegrenswaarde in tabel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2007 met 100 mg of meer wordt overschreden. Tijdens de test die dient om aan te tonen dat deze voorschriften worden nageleefd, mogen de NOx-emissies niet meer dan 20 % hoger liggen dan de in de eerste en tweede zin genoemde waarden.”;

b)

punt 7.1 komt als volgt te luiden:

„7.1.

Wanneer naar dit punt wordt verwezen, worden niet-uitwisbare parameteridentificatoren (PID’s) opgeslagen die de oorzaak van de activering van het aansporingssysteem en de door het voertuig tijdens die activering afgelegde afstand aangeven. In het voertuig blijft gedurende ten minste 800 dagen of 30 000 km een record van de PID’s opgeslagen. De PID’s worden via de seriële poort van een standaarddiagnoseconnector beschikbaar gesteld op verzoek van een generisch scanapparaat overeenkomstig punt 6.5.3.1 van aanhangsel 1 van bijlage 11 bij VN/ECE-Reglement nr. 83 en van punt 2.5 van aanhangsel 1 van bijlage XI bij deze verordening. Vanaf de in artikel 17 vermelde data wordt de in de PID opgeslagen informatie gelinkt aan de periode van gecumuleerd gebruik van het voertuig waarin de activering is opgetreden, met een nauwkeurigheid van ten minste 300 dagen of 10 000 km.”.

10)

In bijlage XVIII komt punt 3.4.8 als volgt te luiden:

„3.4.8.

Elektrisch bereik van het voertuig: … km (overeenkomstig bijlage 9 bij VN/ECE-Reglement nr. 101)”.


(1)  Wanneer een bifuelvoertuig met een flexfuelvoertuig wordt gecombineerd, zijn beide testvoorschriften van toepassing.

(2)  Deze bepaling is tijdelijk, andere voorschriften voor biodiesel en waterstof zullen later worden voorgesteld.

(3)  Test op benzine alleen vóór de data in artikel 10, lid 6, van Verordening (EG) nr. 715/2007. Na deze data wordt de test met beide brandstoffen uitgevoerd. Er moet gebruik worden gemaakt van de in bijlage IX, deel B, genoemde testreferentiebrandsstof E75.”;

(4)  PB L 257 van 25.9.2008, blz. 14.

(5)  PB L 135 van 23.5.2008, blz. 1.”.

(6)  De in de specificaties vermelde waarden zijn „werkelijke waarden”. De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van ISO 4259, Petroleum products — Determination and application of precision data in relation to methods of test, terwijl bij het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul. Bij het vaststellen van een maximum- en minimumwaarde bedroeg het minimumverschil 4R (R = reproduceerbaarheid). Hoewel deze procedure om technische redenen is ingevoerd, moet de fabrikant van een brandstof er toch naar streven een nulwaarde te verkrijgen indien de vastgestelde maximumwaarde 2R bedraagt, en de gemiddelde waarde te verkrijgen ingeval maximum- en minimumgrenswaarden zijn opgegeven. Indien moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificatievoorschriften voldoet, wordt ISO 4259 toegepast.

(7)  Bij geschillen worden de in EN ISO 4259 beschreven procedures voor het oplossen van geschillen en de interpretatie van de resultaten op basis van de precisie van de testmethode gebruikt.

(8)  Bij nationale geschillen over het zwavelgehalte wordt een beroep gedaan op hetzij EN ISO 20846, hetzij EN ISO 20884 cf. de verwijzing in de nationale bijlage bij EN 228.

(9)  Het eigenlijke zwavelgehalte van de voor de test van type 6 gebruikte brandstof rapporteren.

(10)  Het gehalte aan loodvrije benzine kan worden bepaald als 100 min de som van het percentage water en alcoholen.

(11)  Fosfor-, ijzer-, mangaan- of loodhoudende verbindingen mogen niet opzettelijk aan deze referentiebrandstof worden toegevoegd.

(12)  Ethanol die aan de specificatie van EN 15376 voldoet, is de enige zuurstofhoudende verbinding die opzettelijk aan de referentiebrandstof mag worden toegevoegd.”.


BIJLAGE II

BIJLAGE II

OVEREENSTEMMING TIJDENS HET GEBRUIK

1.   INLEIDING

1.1.   Deze bijlage bevat de voorschriften voor de overeenstemming tijdens het gebruik met betrekking tot uitlaatemissies en OBD (met inbegrip van IUPRM) van voertuigen die krachtens deze verordening zijn goedgekeurd.

2.   VERIFICATIE VAN DE OVEREENSTEMMING TIJDENS HET GEBRUIK

2.1.   De verificatie van de overeenstemming tijdens het gebruik door de goedkeuringsinstantie geschiedt op basis van alle relevante informatie waarover de fabrikant beschikt, volgens dezelfde procedures als die voor de overeenstemming van de productie, zoals beschreven in artikel 12, leden 1 en 2, van Richtlijn 2007/46/EG en in de punten 1 en 2 van bijlage X bij die richtlijn. De door de fabrikant verstrekte controlerapporten over in gebruik zijnde voertuigen kunnen worden aangevuld door informatie uit monitoringtests door de goedkeuringsinstantie en de lidstaten.

2.2.   De procedure om de overeenstemming tijdens het gebruik te controleren, wordt geïllustreerd door de in punt 9 van aanhangsel 2 van deze bijlage bedoelde figuur en door figuur 4/2 van aanhangsel 4 van VN/ECE-Reglement nr. 83 (alleen voor uitlaatemissies). De procedure voor de controle van de overeenstemming tijdens het gebruik wordt beschreven in aanhangsel 3 van deze bijlage.

2.3.   Als onderdeel van de informatie die wordt verstrekt voor de controle van de overeenstemming tijdens het gebruik, rapporteert de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie en op haar verzoek over garantieclaims, reparaties onder garantie en bij het onderhoud geregistreerde OBD-fouten; hij doet dat in een format dat bij de typegoedkeuring is overeengekomen. De informatie beschrijft nauwkeurig de frequentie en de aard van de fouten in emissiegerelateerde onderdelen en systemen. De rapporten worden gedurende de in artikel 9, lid 4, van deze verordening gedefinieerde periode ten minste één keer per jaar ingediend voor elk voertuigmodel.

2.4.   Parameters die een in gebruik zijnde voertuigfamilie met betrekking tot uitlaatemissies karakteriseren

Een in gebruik zijnde voertuigfamilie kan worden gekarakteriseerd aan de hand van fundamentele ontwerpparameters die alle voertuigen van dezelfde familie gemeenschappelijk hebben. Bijgevolg kunnen voertuigtypen die de volgende parameters gemeen hebben of waarvoor de parameters binnen de toegestane marges vallen, beschouwd worden als voertuigen die tot dezelfde in gebruik zijnde voertuigfamilie behoren:

2.4.1.

verbrandingsproces (tweetakt-, viertakt-, draaizuigercyclus);

2.4.2.

aantal cilinders;

2.4.3.

opstelling van de cilinders (in lijn, in V, stervormig, horizontaal tegenover elkaar liggend, anders). De hoek of richting van de cilinders vormt geen criterium;

2.4.4.

wijze van brandstoftoevoer naar de motor (bv. indirecte of directe inspuiting);

2.4.5.

type koelsysteem (lucht, water, olie);

2.4.6.

aanzuigsysteem (natuurlijke aanzuiging, drukvulling);

2.4.7.

brandstof waarvoor de motor is ontworpen (benzine, diesel, aardgas, lpg enz.); bifuelvoertuigen mogen worden gegroepeerd met voertuigen die uitsluitend op een van die twee brandstoffen kunnen rijden;

2.4.8.

type katalysator (drieweg, lean NOx-filter, SCR, lean NOx-katalysator of andere);

2.4.9.

type deeltjesvanger (met of zonder);

2.4.10.

uitlaatgasrecirculatie (met of zonder, gekoeld of niet); en

2.4.11.

cilinderinhoud van de grootste motor van de familie min 30 %.

2.5.   Informatievoorschriften

Een verificatie van de overeenstemming tijdens het gebruik wordt uitgevoerd door de goedkeuringsinstantie op basis van door de fabrikant verstrekte informatie. Met name de volgende informatie moet worden verstrekt:

2.5.1.

naam en adres van de fabrikant;

2.5.2.

naam, adres, telefoon- en fax en e-mailadres van zijn gemachtigde vertegenwoordiger in de gebieden waarvoor de door de fabrikant verstrekte informatie geldt;

2.5.3.

naam van de voertuigmodellen waarop de informatie van de fabrikant betrekking heeft;

2.5.4.

in voorkomend geval, de lijst van voertuigtypen waarop de informatie van de fabrikant betrekking heeft, d.w.z. voor uitlaatemissies de in gebruik zijnde voertuigfamilie overeenkomstig punt 2.4 en voor OBD en IUPRM de OBD-familie overeenkomstig aanhangsel 2 van bijlage XI;

2.5.5.

de voertuigidentificatienummers (VIN-codes) van deze voertuigtypen binnen de familie (VIN-prefix);

2.5.6.

de typegoedkeuringsnummers die op deze voertuigtypen van de familie van toepassing zijn, in voorkomend geval met inbegrip van de nummers van alle uitbreidingen en correcties achteraf/terugroepingen (substantiële wijzigingen);

2.5.7.

nadere gegevens over de uitbreidingen van de typegoedkeuringen en de correcties achteraf/terugroepingen van de voertuigen waarop de informatie van de fabrikant betrekking heeft (indien de goedkeuringsinstantie daarom verzoekt);

2.5.8.

de periode waarin de informatie van de fabrikant is vergaard;

2.5.9.

de voertuigfabricageperiode waarop de informatie van de fabrikant betrekking heeft (bv. voertuigen die in de loop van het kalenderjaar 2007 zijn gefabriceerd);

2.5.10.

de procedure die de fabrikant toepast om de overeenstemming tijdens het gebruik te controleren, met inbegrip van:

i)

de methode om de voertuigen te traceren;

ii)

de criteria op basis waarvan voertuigen voor de steekproef worden geselecteerd c.q. uit de steekproef worden geweerd;

iii)

in het programma toegepaste testtypen en -procedures;

iv)

de aanvaardings-/verwerpingscriteria van de fabrikant met betrekking tot de familie;

v)

het (de) geografische gebied(en) waar de fabrikant zijn informatie heeft vergaard;

vi)

de steekproefgrootte en het toegepaste schema voor de monsterneming;

2.5.11.

de resultaten van de procedure die de fabrikant toepast om de overeenstemming tijdens het gebruik te controleren, met inbegrip van:

i)

de identificatie van de bij het programma betrokken voertuigen (getest of niet), met inbegrip van:

naam van het model;

voertuigidentificatienummer (VIN);

voertuigregistratienummer;

fabricagedatum;

gebied waar het voertuig wordt gebruikt (indien bekend);

gemonteerde banden (alleen voor uitlaatemissies);

ii)

de reden(en) waarom een voertuig uit de steekproef is geweerd;

iii)

de onderhoudsbeurten waaraan ieder voertuig in de steekproef is onderworpen (met inbegrip van eventuele substantiële wijzigingen);

iv)

de reparaties die ieder voertuig in de steekproef heeft ondergaan (voor zover bekend);

v)

de testgegevens, met inbegrip van:

datum van de test/download;

plaats van de test/download;

kilometerstand van het voertuig;

vi)

testgegevens alleen voor uitlaatemissies:

specificaties van de in de test gebruikte brandstof (bv. referentiebrandstof of in de handel verkrijgbare brandstof);

testomstandigheden (temperatuur, vochtigheidsgraad, traagheidsmassa van de rollenbank);

instelling van de rollenbank (bv. instelling van het vermogen);

testresultaten (voor ten minste drie verschillende voertuigen per familie);

vii)

testgegevens alleen voor IUPRM:

alle uit het voertuig gedownloade voorgeschreven gegevens;

de verhouding van de prestaties tijdens het gebruik (IUPRM) van elke bewakingsfunctie waarover gerapporteerd moet worden;

2.5.12.

register van meldingen van het OBD-systeem;

2.5.13.

voor IUPRM-monsterneming:

het gemiddelde van de verhoudingen van de prestaties tijdens het gebruik (IUPRM) van alle geselecteerde voertuigen voor elke bewakingsfunctie overeenkomstig de punten 3.1.4 en 3.1.5 van aanhangsel 1 van bijlage XI;

het percentage geselecteerde voertuigen met een IUPRM gelijk aan of groter dan de minimumwaarde die van toepassing is op de bewakingsfunctie overeenkomstig de punten 3.1.4 en 3.1.5 van aanhangsel 1 van bijlage XI.

3.   SELECTIE VAN VOERTUIGEN MET BETREKKING TOT DE OVEREENSTEMMING TIJDENS HET GEBRUIK

3.1.   De fabrikant moet voldoende informatie verzamelen om te garanderen dat de prestaties tijdens het gebruik kunnen worden beoordeeld in de normale gebruiksomstandigheden. De steekproef van de fabrikant wordt genomen uit ten minste twee lidstaten met sterk verschillende gebruiksomstandigheden (tenzij de voertuigen slechts in één lidstaat worden verkocht). Bij de keuze van de lidstaten wordt rekening gehouden met factoren zoals verschillen in brandstof, omgeving, gemiddelde snelheid op de weg en de verhouding tussen stadsverkeer en snelwegverkeer.

Voor IUPRM-tests van OBD-systemen worden alleen voertuigen die voldoen aan de criteria van aanhangsel 1, punt 2.2.1, in de steekproef opgenomen.

3.2.   De fabrikant kan voertuigen selecteren uit een lidstaat die bijzonder representatief wordt geacht. De fabrikant toont in dat geval tegenover de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, aan dat de selectie representatief is (bv. doordat de markt in kwestie goed is voor de grootste jaarlijkse verkoop van een voertuigfamilie in de Unie. Wanneer voor een familie meer dan één monsterreeks moet worden getest overeenkomstig punt 3.5, moeten de voertuigen in de tweede en de derde monsterreeks andere werkingsomstandigheden weerspiegelen dan de voertuigen die voor de eerste monsterreeks werden geselecteerd.

3.3.   De installatie waar de emissietests plaatsvinden, hoeft niet op dezelfde markt of in dezelfde regio te zijn gevestigd als waar de voertuigen zijn geselecteerd.

3.4.   De tests van de overeenstemming tijdens het gebruik met betrekking tot uitlaatemissies worden permanent door de fabrikant uitgevoerd overeenkomstig de productiecyclus van toepasselijke voertuigtypen binnen een bepaalde in gebruik zijnde voertuigfamilie. De periode tussen het begin van twee controles van de overeenstemming tijdens het gebruik mag niet meer dan 18 maanden bedragen. In het geval van voertuigtypen waarvoor de typegoedkeuring is uitgebreid zonder dat een emissietest nodig was, kan deze periode tot 24 maanden worden verlengd.

3.5.   Steekproefgrootte

3.5.1.

Bij de toepassing van de in aanhangsel 2 gedefinieerde statistische procedure (d.w.z. voor uitlaatemissies) hangt het aantal monsterreeksen af van het jaarlijkse verkoopvolume van een in gebruik zijnde familie in de Unie, zoals aangegeven in de volgende tabel:

Registraties in de EU

per kalenderjaar (voor uitlaatemissietests)

voor voertuigen van een OBD-familie met IUPR tijdens de monsternemingsperiode

Aantal monsterreeksen

tot en met 100 000

1

100 001 tot en met 200 000

2

meer dan 300 000

3

3.5.2.

Voor IUPR wordt het vereiste aantal monsterreeksen beschreven in de tabel in punt 3.5.1; dit aantal is gebaseerd op het aantal voertuigen van een OBD-familie die met IUPR zijn goedgekeurd (aan monsterneming zijn onderworpen).

Voor de eerste monsternemingsperiode van een OBD-familie worden alle voertuigtypen binnen de familie die met IUPR zijn goedgekeurd, geacht aan monsterneming te zijn onderworpen. Voor de volgende monsternemingsperioden worden alleen voertuigtypen die niet eerder zijn getest of die vallen onder emissiegoedkeuringen die sinds de vorige monsternemingsperiode zijn uitgebreid, geacht aan monsterneming te zijn onderworpen.

Voor families met minder dan 5 000 registraties in de Europese Unie die zijn onderworpen aan monsterneming gedurende de monsternemingsperiode, bedraagt het aantal voertuigen in een monsterreeks ten minste zes. Voor alle overige families bedraagt het aantal voertuigen in een monsterreeks ten minste vijftien.

Elke monsterreeks moet in voldoende mate overeenkomen met het verkooppatroon, dat wil zeggen dat ten minste de voertuigtypen waarvan grote hoeveelheden worden verkocht (≥ 20 % van het totaal voor de familie), vertegenwoordigd moeten zijn.

4.   Op basis van de in punt 2 bedoelde verificatie neemt de goedkeuringsinstantie een van de volgende besluiten:

a)

zij besluit dat de overeenstemming tijdens het gebruik van een voertuigtype, in gebruik zijnde voertuigfamilie of OBD-voertuigfamilie voldoende is en onderneemt geen verdere actie;

b)

zij besluit dat de door de fabrikant verstrekte gegevens niet volstaan om tot een besluit te komen en verzoekt de fabrikant om aanvullende informatie of testgegevens;

c)

zij besluit dat, op basis van de gegevens van de monitoringtestprogramma’s van de goedkeuringsinstantie of de lidstaten, de door de fabrikant verstrekte gegevens niet volstaan om tot een besluit te komen en verzoekt de fabrikant om aanvullende informatie of testgegevens;

d)

zij besluit dat de overeenstemming tijdens het gebruik van een voertuigtype dat tot een in gebruik zijnde voertuigfamilie behoort, of van een OBD-familie onvoldoende is en laat dat voertuigtype of die OBD-familie testen overeenkomstig aanhangsel 1.

Als uit de IUPRM-verificatie blijkt dat voor de voertuigen in een monsterreeks aan de testcriteria van aanhangsel 1, punt 6.1.2, onder a) of b), wordt voldaan, moet de typegoedkeuringsinstantie verdere actie ondernemen zoals beschreven in dit punt, onder d).

4.1.   Wanneer tests van type 1 nodig worden geacht om te controleren of de prestaties van systemen voor emissiebeheersing tijdens het gebruik voldoen aan de voorschriften, worden dergelijke tests uitgevoerd volgens een testprocedure die voldoet aan de in aanhangsel 2 gedefinieerde statistische criteria.

4.2.   De goedkeuringsinstantie kiest in samenwerking met de fabrikant een reeks voertuigen die voldoende kilometers hebben gereden en die onder normale omstandigheden redelijk bedrijfszeker zijn. De fabrikant wordt geraadpleegd over de keuze van de voertuigen in deze steekproef en mag de confirmatieve controles van de voertuigen bijwonen.

4.3.   De fabrikant mag onder toezicht van de typegoedkeuringsinstantie controles, zelfs destructieve, uitvoeren op voertuigen met emissieniveaus die de grenswaarden overschrijden, om na te gaan of er eventueel niet aan de fabrikant te wijten oorzaken van de verslechtering zijn (bv. gebruik van loodhoudende benzine vóór de testdatum). Wanneer de resultaten van de controles dergelijke oorzaken bevestigen, worden die testresultaten van de controle van de overeenstemming uitgesloten.

Aanhangsel 1

Controle van de overeenstemming tijdens het gebruik

1.   INLEIDING

1.1.

In dit aanhangsel worden de in punt 4 bedoelde criteria voor de selectie van de testvoertuigen en de procedures voor de controle van de overeenstemming tijdens het gebruik beschreven.

2.   SELECTIECRITERIA

De criteria voor de aanvaarding van een geselecteerd voertuig worden voor uitlaatemissies gedefinieerd in de punten 2.1 tot en met 2.8, en voor IUPRM in de punten 2.1 tot en met 2.5.

2.1.

Het voertuig behoort tot een voertuigtype waarvoor krachtens deze verordening typegoedkeuring is verleend en dat vergezeld gaat van een certificaat van overeenstemming overeenkomstig Richtlijn 2007/46/EG. Voor het controleren van IUPRM is het voertuig goedgekeurd volgens OBD-norm Euro 5+, Euro 6– plus IUPR of later. Het voertuig is ingeschreven en gebruikt in de Unie.

2.2.

Het voertuig is ten minste 15 000 km of zes maanden in gebruik (de limiet die het laatst wordt bereikt, is van toepassing) en is nog geen 100 000 km of vijf jaar in gebruik (de limiet die het eerst wordt bereikt, is van toepassing).

2.2.1.

Voor het controleren van IUPRM omvat de steekproef alleen voertuigen:

a)

waarvoor voldoende gegevens over de voertuigwerking zijn verzameld voor de te testen bewakingsfunctie.

Voor bewakingsfuncties die aan de verhouding van de prestaties tijdens het gebruik van bewakingsfuncties moeten voldoen en die overeenkomstig punt 3.6.1 van aanhangsel 1 van bijlage XI gegevens over deze verhouding moeten bijhouden en rapporteren, wordt onder „voldoende gegevens over de werking van het voertuig” verstaan dat de noemer aan de hieronder genoemde criteria voldoet. De noemer, zoals gedefinieerd in de punten 3.3 en 3.5 van aanhangsel 1 van bijlage XI, voor de te testen bewakingsfunctie moet ten minste een van de volgende waarden hebben:

i)

75 voor bewakingsfuncties van het verdampingssysteem en van het secundaire luchtsysteem en voor bewakingsfuncties die een noemer gebruiken die overeenkomstig punt 3.3.2, onder a), b) of c), van aanhangsel 1 van bijlage XI is verhoogd (bv. bewakingsfuncties van de koude start en van het airconditioningsysteem), of

ii)

25 voor bewakingsfuncties van het deeltjesfilter en van de oxidatiekatalysator die een noemer gebruiken die overeenkomstig punt 3.3.2, onder d), van aanhangsel 1 van bijlage XI is verhoogd, of

iii)

150 voor bewakingsfuncties van de katalysator, zuurstofsensor, EGR, VVT en alle andere onderdelen;

b)

die niet zijn gemanipuleerd en niet zijn uitgerust met toegevoegde of gewijzigde onderdelen die ertoe leiden dat het OBD-systeem niet aan de voorschriften van bijlage XI voldoet.

2.3.

Uit het onderhoudsrecord blijkt dat het voertuig in goede staat van onderhoud verkeert, d.w.z. dat de door de fabrikant aanbevolen onderhoudsbeurten zijn uitgevoerd.

2.4.

Het voertuig mag geen tekenen van verkeerd gebruik vertonen (bv. wedstrijden, overbelasting, verkeerde brandstof of andere vormen van verkeerd gebruik) of andere factoren (bv. manipulatie) die gevolgen kunnen hebben voor de emissies. Er wordt rekening gehouden met de in de computer opgeslagen foutcodes en kilometerstand. Een voertuig wordt niet geselecteerd voor tests indien uit de computergegevens blijkt dat het voertuig is gebruikt nadat een foutcode was opgeslagen en er niet betrekkelijk snel een reparatie is uitgevoerd.

2.5.

De motor en het voertuig hebben geen ongeoorloofde grote reparaties ondergaan.

2.6.

Het loodgehalte en het zwavelgehalte van een brandstofmonster uit de brandstoftank van het voertuig voldoen aan de toepasselijke normen van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) en er zijn geen aanwijzingen voor het gebruik van verkeerde brandstof. De controles mogen in de uitlaat gebeuren.

2.7.

Er zijn geen aanwijzingen voor problemen die de veiligheid van het laboratoriumpersoneel in gevaar zouden kunnen brengen.

2.8.

Alle onderdelen van het systeem tegen verontreiniging van het voertuig voldoen aan de voorschriften van de toepasselijke typegoedkeuring.

3.   DIAGNOSE EN ONDERHOUD

Alle voor de tests geaccepteerde voertuigen worden onderworpen aan een diagnose en krijgen indien nodig een normaal onderhoud voordat de uitlaatemissies worden gemeten, overeenkomstig de procedure van de punten 3.1 tot en met 3.7.

3.1.

Het luchtfilter, alle aandrijfriemen, alle vloeistofniveaus, de radiatordop, alle vacuümslangen en de elektrische bedrading verbonden aan het antiverontreinigingssysteem worden op integriteit gecontroleerd; de ontsteking, de brandstofdosering en de onderdelen van het systeem voor verontreinigingsbeheersing worden op onjuiste afstelling en/of manipulatie gecontroleerd. Alle anomalieën worden genoteerd.

3.2.

De juiste werking van het OBD-systeem wordt gecontroleerd. Alle in het geheugen van het OBD-systeem opgeslagen storingsmeldingen worden genoteerd en de nodige reparaties worden verricht. Indien de storingsindicator van het OBD-systeem gedurende een voorconditioneringscyclus een storing aangeeft, mag de fout worden opgespoord en hersteld. Het is toegestaan de test opnieuw uit te voeren en de resultaten van het herstelde voertuig te gebruiken.

3.3.

Het ontstekingssysteem wordt gecontroleerd en defecte onderdelen, bv. bougies, kabels enz., worden vervangen.

3.4.

De compressie wordt gecontroleerd. Bij onbevredigend resultaat wordt het voertuig afgewezen.

3.5.

De motorparameters worden aan de specificaties van de fabrikant getoetst en zo nodig bijgesteld.

3.6.

Indien het voertuig minder dan 800 km verwijderd is van een geplande onderhoudsbeurt, wordt die onderhoudsbeurt overeenkomstig de instructies van de fabrikant uitgevoerd. Ongeacht de stand van de kilometerteller mogen op verzoek van de fabrikant het olie- en het luchtfilter worden vervangen.

3.7.

Als het voertuig wordt geaccepteerd, wordt de brandstof vervangen door de geschikte referentiebrandstof voor de emissietest, tenzij de fabrikant instemt met het gebruik van brandstof van handelskwaliteit.

4.   TESTS TIJDENS HET GEBRUIK

4.1.

Wanneer het nodig wordt geacht voertuigen te controleren, worden emissietests overeenkomstig bijlage III uitgevoerd op voorgeconditioneerde voertuigen die zijn geselecteerd volgens de voorschriften van de punten 2 en 3 van dit aanhangsel. Deze test omvat alleen de meting van het aantal uitgestoten deeltjes voor voertuigen die overeenkomstig de Euro 6-emissienormen zijn goedgekeurd in de categorieën W, X en Y zoals gedefinieerd in tabel 1 in aanhangsel 6 van bijlage 1. Voorconditioneringscycli naast de in punt 5.3 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 83 genoemde, zijn alleen toegestaan als zij representatief zijn voor normaal rijden.

4.2.

Bij voertuigen met OBD-systeem mag worden nagegaan of de storingsindicatie enz. tijdens het gebruik goed werkt met betrekking tot de emissieniveaus (bv. de grenzen voor de activering van de storingsindicator zoals gedefinieerd in bijlage XI) voor de specificatie waarvoor de typegoedkeuring is verleend.

4.3.

Het OBD-systeem mag worden gecontroleerd, bijvoorbeeld op emissieniveaus boven de toepasselijke grenswaarden die niet tot activering van de storingsindicator leiden, op stelselmatige onterechte activering van de storingsindicator en op defecte of slecht functionerende onderdelen van het OBD-systeem.

4.4.

Indien een onderdeel of een systeem buiten de op het typegoedkeuringscertificaat en/of in het informatiepakket voor het betrokken voertuigtype vermelde specificaties functioneert en deze afwijking niet is toegestaan op grond van artikel 13, lid 1 of 2, van Richtlijn 2007/46/EG, terwijl het OBD-systeem geen storing meldt, wordt het onderdeel of het systeem niet vóór de emissietest vervangen, tenzij wordt vastgesteld dat het onderdeel of het systeem zo gemanipuleerd is dat het OBD-systeem de optredende storing niet detecteert.

5.   EVALUATIE VAN DE RESULTATEN VAN DE EMISSIETEST

5.1.

De testresultaten worden onderworpen aan de evaluatieprocedure overeenkomstig aanhangsel 2.

5.2.

De testresultaten worden niet vermenigvuldigd met verslechteringsfactoren.

6.   CORRIGERENDE MAATREGELEN

6.1.

De goedkeuringsinstantie verzoekt de fabrikant een plan van corrigerende maatregelen voor te leggen om een einde te maken aan de niet-naleving van de voorschriften indien:

6.1.1.

Voor uitlaatemissies, meer dan één voertuig een grote vervuiler blijkt:

a)

die aan de voorwaarden van aanhangsel 4, punt 3.2.3, van VN/ECE-Reglement nr. 83 voldoet, terwijl de goedkeuringsinstantie en de fabrikant het erover eens zijn dat de overmatige emissie aan dezelfde oorzaak te wijten is, of

b)

die aan de voorwaarden van aanhangsel 4, punt 3.2.4, van VN/ECE-Reglement nr. 83 voldoet, terwijl de goedkeuringsinstantie heeft vastgesteld dat de overmatige emissie aan dezelfde oorzaak te wijten is;

6.1.2.

Voor IUPRM van een bepaalde bewakingsfunctie M, aan de volgende statistische voorwaarden wordt voldaan in een steekproef van een omvang die overeenkomstig punt 3.5 van deze bijlage is vastgesteld:

a)

voor voertuigen die overeenkomstig punt 3.1.5. van aanhangsel 1 van bijlage XI voor een verhouding van 0,1 zijn gecertificeerd, tonen de uit de voertuigen verkregen gegevens ten minste voor één bewakingsfunctie M in de steekproef aan dat de gemiddelde verhouding van de prestaties tijdens het gebruik van de steekproef minder dan 0,1 bedraagt, of dat de verhouding van de prestaties tijdens het gebruik van 66 % of meer van de voertuigen in de steekproef minder dan 0,1 bedraagt;

b)

voor voertuigen die overeenkomstig punt 3.1.4. van aanhangsel 1 van bijlage XI voor de volledige verhoudingen zijn gecertificeerd, tonen de uit de voertuigen verkregen gegevens ten minste voor één bewakingsfunctie M in de steekproef aan dat de gemiddelde verhouding van de prestaties tijdens het gebruik van de steekproef minder dan de waarde Testmin(M) bedraagt, of dat de verhouding van de prestaties tijdens het gebruik van 66 % of meer van de voertuigen in de steekproef minder dan Testmin(M) bedraagt;

De waarde van Testmin(M) bedraagt:

i)

0,230 als voor de bewakingsfunctie M een verhouding tijdens het gebruik van 0,26 vereist is;

ii)

0,460 als voor de bewakingsfunctie M een verhouding tijdens het gebruik van 0,52 vereist is;

iii)

0,297 als voor de bewakingsfunctie M een verhouding tijdens het gebruik van 0,336 vereist is;

overeenkomstig punt 3.1.4. van aanhangsel 1 van bijlage XI.

6.2.

Het plan van corrigerende maatregelen wordt uiterlijk 60 werkdagen na de in punt 6.1 genoemde kennisgevingsdatum bij de typegoedkeuringsinstantie ingediend. Deze deelt binnen 30 werkdagen mee of zij het plan van corrigerende maatregelen goedkeurt of verwerpt. Aan de fabrikant wordt evenwel een verlenging van deze termijn toegekend indien hij tot tevredenheid van de bevoegde goedkeuringsinstantie kan aantonen dat meer tijd voor het onderzoek van de afwijkingen nodig is om een plan van corrigerende maatregelen te kunnen voorleggen.

6.3.

De corrigerende maatregelen hebben betrekking op alle voertuigen die waarschijnlijk hetzelfde defect vertonen. Beoordeeld moet worden of de typegoedkeuringsdocumenten moeten worden gewijzigd.

6.4.

De fabrikant verstrekt een kopie van alle correspondentie met betrekking tot het plan van corrigerende maatregelen. Ook houdt hij gegevens bij van de terugroepcampagne en verstrekt hij regelmatig voortgangsverslagen aan de goedkeuringsinstantie.

6.5.

Het plan van corrigerende maatregelen omvat de voorschriften van de punten 6.5.1 tot en met 6.5.11. De fabrikant kent het plan van corrigerende maatregelen een unieke identificatienaam of een uniek identificatienummer toe.

6.5.1.

Een beschrijving van elk voertuigtype waarop het plan van corrigerende maatregelen betrekking heeft.

6.5.2.

Een beschrijving van de specifieke modificaties, aanpassingen, reparaties, correcties, bijstellingen of andere wijzigingen die moeten worden uitgevoerd om de voertuigen weer in overeenstemming te brengen met de voorschriften, inclusief een kort overzicht van de gegevens en technische studies waarop de fabrikant zich baseert om te bepalen welke specifieke maatregelen moeten worden genomen om de niet-overeenstemming te corrigeren.

6.5.3.

Een beschrijving van de manier waarop de fabrikant de voertuigeigenaren op de hoogte wil stellen.

6.5.4.

Indien van toepassing, een beschrijving van de juiste wijze van onderhoud of gebruik die de fabrikant als voorwaarde stelt om voor reparatie in het kader van het plan van corrigerende maatregelen in aanmerking te komen, alsmede een uiteenzetting van de redenen van de fabrikant om een dergelijke voorwaarde te stellen. Voorwaarden ten aanzien van het onderhoud of het gebruik mogen alleen worden gesteld indien er een aantoonbaar verband bestaat met de niet-overeenstemming en de corrigerende maatregelen.

6.5.5.

Een beschrijving van de procedure die door de voertuigeigenaar moet worden gevolgd om de niet-overeenstemming te laten corrigeren. Deze beschrijving behelst ook een datum met ingang waarvan de corrigerende maatregelen kunnen worden genomen, de geschatte tijd die de garage nodig heeft om de reparatie uit te voeren en de plaats waar dat kan gebeuren. De reparatie wordt snel uitgevoerd binnen een redelijke termijn na aanbieding van het voertuig.

6.5.6.

Een kopie van de informatie die aan de voertuigeigenaar wordt verstrekt.

6.5.7.

Een korte beschrijving van het systeem dat de fabrikant zal toepassen om de levering van onderdelen of systemen te waarborgen die nodig zijn om de corrigerende maatregelen uit te voeren. Vermeld wordt wanneer er een voldoende grote voorraad beschikbaar zal zijn om de campagne van start te laten gaan.

6.5.8.

Een kopie van alle instructies die worden gegeven aan degenen die met de uitvoering van de reparatie worden belast.

6.5.9.

Een beschrijving van het effect van de voorgestelde corrigerende maatregelen op de emissies, het brandstofverbruik, het rijgedrag en de veiligheid van elk voertuigtype waarop het plan van corrigerende maatregelen betrekking heeft, vergezeld van gegevens en technische studies ter staving van deze conclusies.

6.5.10.

Alle overige informatie, rapporten of gegevens die de typegoedkeuringsinstantie redelijkerwijs noodzakelijk kan achten voor de evaluatie van het plan van corrigerende maatregelen.

6.5.11.

Indien het plan van corrigerende maatregelen een terugroepactie omvat, wordt bij de typegoedkeuringsinstantie een beschrijving van de methode voor de registratie van de reparaties ingediend. Indien een label wordt gebruikt, wordt hiervan een model overgelegd.

6.6.

Van de fabrikant kan worden verlangd dat hij degelijk opgezette en noodzakelijke tests verricht op onderdelen en voertuigen waarop de voorgestelde wijziging, reparatie of modificatie is uitgevoerd teneinde de effectiviteit van die wijziging, reparatie of modificatie aan te tonen.

6.7.

De fabrikant is verantwoordelijk voor de registratie van elk teruggeroepen en gerepareerd voertuig en van de garage die de reparatie heeft uitgevoerd. De typegoedkeuringsinstantie heeft op verzoek inzage in deze gegevens gedurende een termijn van vijf jaar na de uitvoering van het plan van corrigerende maatregelen.

6.8.

De reparaties en modificaties of toevoegingen van nieuwe onderdelen worden vermeld op een certificaat dat de fabrikant aan de eigenaar van het voertuig verstrekt.

Aanhangsel 2

Statistische procedure voor tests van de overeenstemming tijdens het gebruik met betrekking tot uitlaatemissies

1.

Dit is de procedure die wordt gevolgd om na te gaan of bij de test van type 1 aan de voorschriften betreffende de overeenstemming tijdens het gebruik is voldaan. De in aanhangsel 4 van VN/ECE-Reglement nr. 83 beschreven statistische methode is van toepassing, met de in de punten 2 tot en met 9 van dit aanhangsel beschreven uitzonderingen.

2.

Noot 1 is niet van toepassing.

3.

Punt 3.2 wordt als volgt gelezen:

Een voertuig wordt een grote vervuiler genoemd als aan de voorwaarden van punt 3.2.2 is voldaan.

4.

Punt 3.2.1 is niet van toepassing.

5.

In punt 3.2.2 wordt de verwijzing naar rij B van de tabel in punt 5.3.1.4 gelezen als een verwijzing naar bijlage I, tabel 1, bij Verordening (EG) nr. 715/2007 voor Euro 5-voertuigen en naar bijlage I, tabel 2, bij Verordening (EG) nr. 715/2007 voor Euro 6-voertuigen.

6.

In de punten 3.2.3.2.1 en 3.2.4.2 wordt de verwijzing naar aanhangsel 3, punt 6, gelezen als een verwijzing naar bijlage II, aanhangsel 1, punt 6, bij deze verordening.

7.

In de noten 2 en 3 wordt de verwijzing naar rij A van de tabel in punt 5.3.1.4 gelezen als een verwijzing naar bijlage I, tabel 1, bij Verordening (EG) nr. 715/2007 voor Euro 5-voertuigen en naar bijlage I, tabel 2, bij Verordening (EG) nr. 715/2007 voor Euro 6-voertuigen.

8.

In punt 4.2 wordt de verwijzing naar punt 5.3.1.4 gelezen als een verwijzing naar bijlage I, tabel 1, bij Verordening (EG) nr. 715/2007 voor Euro 5-voertuigen en naar bijlage I, tabel 2, bij Verordening (EG) nr. 715/2007 voor Euro 6-voertuigen.

9.

Figuur 4/1 wordt vervangen door de volgende figuur:

Figuur 4/1

Image

Aanhangsel 3

Verantwoordelijkheid voor de overeenstemming tijdens het gebruik

1.

De procedure voor de controle van de overeenstemming tijdens het gebruik is afgebeeld in figuur 1.

2.

De fabrikant bundelt alle informatie die nodig is om aan de voorschriften van deze bijlage te voldoen. De goedkeuringsinstantie kan ook rekening houden met informatie van monitoringprogramma’s.

3.

De goedkeuringsinstantie voert alle procedures en tests uit die nodig zijn om ervoor te zorgen dat aan de voorschriften betreffende de overeenstemming tijdens het gebruik is voldaan (fasen 2 tot en met 4).

4.

In geval van tegenstrijdigheden of onenigheid bij de beoordeling van de verstrekte informatie vraagt de goedkeuringsinstantie om opheldering aan de technische dienst die de typegoedkeuringstest heeft uitgevoerd.

5.

De fabrikant stelt een plan van corrigerende maatregelen op en voert dat uit. Dat plan moet door de goedkeuringsinstantie worden goedgekeurd alvorens het wordt uitgevoerd (fase 5).

Figuur 1

Illustratie van de procedure voor de controle van de overeenstemming tijdens het gebruik

Image


(1)  PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58.


16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/25


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 567/2011 VAN DE COMMISSIE

van 14 juni 2011

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Porchetta di Ariccia (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Porchetta di Ariccia” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juni 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOŞ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 256 van 23.9.2010, blz. 10.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.2.   Vleesproducten (verhit, gepekeld, gerookt, enz.)

ITALIË

Porchetta di Ariccia (BGA)


16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/27


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 568/2011 VAN DE COMMISSIE

van 14 juni 2011

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Miód drahimski (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Polen ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Miód drahimski” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juni 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOŞ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 248 van 15.9.2010, blz. 8.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.4.   Andere producten van dierlijke oorsprong (eieren, honing, diverse zuivelproducten met uitzondering van boter, enz.)

POLEN

Miód drahimski (BGA)


16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/29


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 569/2011 VAN DE COMMISSIE

van 15 juni 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 16 juni 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 juni 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

90,3

MK

31,8

TR

93,0

ZZ

71,7

0707 00 05

TR

112,2

ZZ

112,2

0709 90 70

TR

117,4

ZZ

117,4

0805 50 10

AR

74,7

CL

79,9

TR

63,4

ZA

98,2

ZZ

79,1

0808 10 80

AR

107,8

BR

74,6

CL

95,6

CN

99,6

NZ

114,6

US

178,7

UY

57,7

ZA

99,5

ZZ

103,5

0809 10 00

TR

166,5

ZZ

166,5

0809 20 95

TR

409,3

XS

175,4

ZZ

292,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 570/2011 VAN DE COMMISSIE

van 15 juni 2011

tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2010/11 zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 867/2010 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 565/2011 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2010/11 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 867/2010 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 16 juni 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 juni 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 259 van 1.10.2010, blz. 3.

(4)  PB L 156 van 15.6.2011, blz. 3.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 16 juni 2011

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

47,19

0,00

1701 11 90 (1)

47,19

0,75

1701 12 10 (1)

47,19

0,00

1701 12 90 (1)

47,19

0,45

1701 91 00 (2)

48,59

2,89

1701 99 10 (2)

48,59

0,00

1701 99 90 (2)

48,59

0,00

1702 90 95 (3)

0,49

0,22


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/33


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 571/2011 VAN DE COMMISSIE

van 15 juni 2011

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 16 juni 2011

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EU) nr. 642/2010 van de Commissie van 20 juli 2010 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00, 1001 90 91, ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002, ex 1005 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, en ex 1007 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, gelijk is aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs voor de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 136, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat voor de berekening van het in lid 1 van dat artikel bedoelde invoerrecht regelmatig representatieve cif-invoerprijzen voor de betrokken producten worden vastgesteld.

(3)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 is de prijs die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00, 1001 90 91, ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002 00, 1005 10 90, 1005 90 00 en 1007 00 90, de dagelijkse representatieve cif-invoerprijs die wordt bepaald volgens de methode van artikel 5 van die verordening.

(4)

Er dienen invoerrechten te worden vastgesteld voor de periode vanaf 16 juni 2011, die van toepassing zullen zijn totdat een nieuwe vaststelling in werking treedt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 16 juni 2011, worden in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgesteld op basis van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 16 juni 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 juni 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 187 van 21.7.2010, blz. 5.


BIJLAGE I

Vanaf 16 juni 2011 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(EUR/t)

1001 10 00

HARDE TARWE van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

ZACHTE TARWE, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed

0,00

1002 00 00

ROGGE

0,00

1005 10 90

MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden

0,00

1005 90 00

MAÏS, andere dan zaaigoed (2)

0,00

1007 00 90

GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

0,00


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Unie worden aangevoerd, komt de importeur op grond van artikel 2, lid 4, van Verordening (EU) nr. 642/2010 in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t als de loshaven aan de Middellandse Zee of de Zwarte Zee ligt,

2 EUR/t als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t als aan de in artikel 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten

31.5.2011-14.6.2011

1.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

(EUR/t)

 

Zachte tarwe (1)

Maïs

Harde tarwe van hoge kwaliteit

Harde tarwe van gemiddelde kwaliteit (2)

Harde tarwe van lage kwaliteit (3)

Gerst

Beurs

Minnéapolis

Chicago

Notering

270,51

205,35

Fob-prijs VSA

338,30

328,30

308,30

172,34

Golfpremie

16,15

Grote-Merenpremie

92,13

2.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

Vrachtkosten: Golf van Mexico–Rotterdam:

17,78 EUR/t

Vrachtkosten: Grote Meren–Rotterdam:

47,92 EUR/t


(1)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(2)  Korting van 10 EUR/t (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(3)  Korting van 30 EUR/t (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).


BESLUITEN

16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/36


BESLUIT ATALANTA/2/2011 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ

van 15 juni 2011

tot benoeming van de operationeel commandant van de Europese Unie voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta)

(2011/341/GBVB)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 38,

Gezien Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB van de Raad van 10 november 2008 inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (1) (Atalanta), en met name artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 6 van Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB heeft de Raad het Politiek en Veiligheidscomité gemachtigd besluiten te nemen inzake de benoeming van de operationeel commandant van de EU.

(2)

Het Verenigd Koninkrijk heeft voorgesteld dat viceadmiraal Duncan POTTS generaal-majoor Buster HOWES vervangt als operationeel commandant van de EU.

(3)

Het Militair Comité van de Europese Unie spreekt zijn steun uit voor dit voorstel.

(4)

Overeenkomstig artikel 5 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en uitvoering van besluiten en acties van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Viceadmiraal Duncan POTTS wordt benoemd tot operationeel commandant van de Europese Unie voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op 1 augustus 2011.

Gedaan te Brussel, 15 juni 2011.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

O. SKOOG


(1)  PB L 301 van 12.11.2008, blz. 33.


16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/37


BESLUIT VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 9 mei 2011

tot wijziging van Besluit ECB/2004/3 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank

(ECB/2011/6)

(2011/342/EU)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid op artikel 12.3,

Gezien Besluit ECB/2004/2 van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het Reglement van orde van de Europese Centrale Bank (1), inzonderheid artikel 23,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 127, lid 6 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, kan de Raad aan de Europese Centrale Bank (ECB) specifieke taken opdragen betreffende het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen. De Raad heeft deze optie uitgeoefend en aan de ECB, op grond van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1096/2010 van de Raad van 17 november 2010 tot toewijzing aan de Europese Centrale Bank van specifieke taken betreffende de werking van het Europees Comité voor systeemrisico's (2), de taak opgedragen te zorgen voor het secretariaat van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) en het ESRB hierbij analytische, statistische, logistieke en administratieve ondersteuning te verlenen. In deze context zal de ECB ook documenten opstellen en onder zich houden betreffende haar met het ESRB verband houdende activiteiten en betreffende beleid of besluiten dienaangaande die als ECB-documenten zullen worden gekwalificeerd in de zin van Besluit ECB/2004/3 van 4 maart 2004 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank (3).

(2)

Terwijl het secretariaat van het ESRB, op grond van artikel 7, lid 1 van Verordening (EU) nr. 1096/2010, erop toeziet dat Besluit ECB/2004/3 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank wordt toegepast, welk besluit de voorwaarden en beperkingen vastlegt waaronder het ESRB toegang moet verlenen tot documenten van het ESRB, dient de ECB Besluit ECB/2004/3 aan te passen om uitdrukking te geven aan het feit dat de ECB documenten zal opstellen en onder zich houden betreffende haar met het ESRB verband houdende activiteiten en betreffende beleid of besluiten dienaangaande die als ECB-documenten zullen worden gekwalificeerd in de zin van Besluit ECB/2004/3.

(3)

Het is nodig te verzekeren dat de ECB de toegang kan weigeren tot documenten aangaande haar activiteiten en beleid of besluiten op grond van artikel 127, lid 5 en 6 van het Verdrag die zij opstelt of onder zich houdt op het gebied van financiële stabiliteit, met inbegrip van die in verband met haar ondersteuning aan het ESRB, indien openbaarmaking ervan de bescherming van het openbaar belang betreffende de stabiliteit van het financiële stelsel in de Unie zou ondermijnen.

(4)

Wijzigingen van Besluit ECB/2004/3 zijn ook noodzakelijk om veranderingen in terminologie en een hernummering van artikelen weer te geven na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit ECB/2004/3 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt a) wordt het volgende streepje toegevoegd:

„—

de stabiliteit van het financiële stelsel in de Unie of in een lidstaat;”;

b)

het woord „Gemeenschap” wordt vervangen door „Unie”.

2.

In artikel 4, lid 4, wordt de volgende zin toegevoegd:

„Op verzoeken voor toegang tot documenten van het Europees Comité voor systeemrisico's is Besluit ESRB/2011/5 van het Europees Comité voor systeemrisico's van 3 juni 2011 inzake toegang van het publiek tot documenten van het Europees Comité voor systeemrisico's (4), vastgesteld op basis van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1096/2010 van de Raad van 17 november 2010 tot toewijzing aan de Europese Centrale Bank van specifieke taken betreffende de werking van het Europees Comité voor systeemrisico's (5), van toepassing.

3.

In artikel 8 worden de verwijzingen naar artikel 230 vervangen door verwijzingen naar artikel 263 en verwijzingen naar artikel 195 door verwijzingen naar artikel 228 van het Verdrag.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op 18 juni 2011.

Gedaan te Frankfurt am Main, 9 mei 2011.

De president van de ECB

Jean-Claude TRICHET


(1)  PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33.

(2)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 162.

(3)  PB L 80 van 18.3.2004, blz. 42.

(4)  PB C 176 van 16.6.2011, blz. 3.

(5)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 162.”.


IV Handelingen die vóór 1 december 2009 zijn aangenomen krachtens het EG-Verdrag, het EU-Verdrag en het Euratom-Verdrag

16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/39


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 341/09/COL

van 23 juli 2009

inzake de aangemelde regeling betreffende belastingvoordelen voor bepaalde coöperatieve ondernemingen (Noorwegen)

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (1),

GEZIEN de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2), en met name de artikelen 61 tot en met 63 en Protocol nr. 26,

GEZIEN de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (3), en met name artikel 24,

GEZIEN artikel 1, lid 2, van deel I en de artikelen 4, lid 4, 6 en 7, lid 5, van deel II van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst (4),

GEZIEN de richtsnoeren van de Autoriteit voor de toepassing en uitlegging van de artikelen 61 en 62 van de EER-overeenkomst, (5) en met name op het hoofdstuk over de toepassing van de staatssteunregels op maatregelen die verband houden met belastingen op ondernemingen,

GEZIEN het Besluit nr. 195/04/COL van de Autoriteit van 14 juli 2004 betreffende de uitvoeringsbepalingen als bedoeld in artikel 27 van deel II van Protocol nr. 3 (6),

GEZIEN Besluit nr. 719/07/COL van 19 december 2007 tot inleiding van de procedure van artikel 1, lid 2, van deel I van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst met betrekking tot de aangemelde regeling betreffende belastingvoordelen voor bepaalde coöperatieve ondernemingen,

NA de belanghebbenden te hebben uitgenodigd hun opmerkingen (7) kenbaar te maken, en gezien hun opmerkingen,

OVERWEGENDE HETGEEN VOLGT:

I.   FEITEN

1.   PROCEDURE

Bij brief van 28 juni 2007 van het Noorse ministerie van Bestuurszaken en Hervormingen, door de Autoriteit ontvangen en geregistreerd op 29 juni 2007 (feit nr. 427327) en bij brief van 22 juni 2007 van het Noorse ministerie van Financiën, door de Autoriteit ontvangen en geregistreerd op 4 juli 2007 (feit nr. 428135), deden de Noorse autoriteiten krachtens artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst aanmelding van de voorgestelde wijzigingen van de belastingregels voor coöperatieve ondernemingen als vervat in hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet.

Na correspondentie met de Noorse autoriteiten (8) stelde de Autoriteit de Noorse autoriteiten bij brief van 19 december 2007 in kennis van haar besluit om de procedure van artikel 1, lid 2, van deel I van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst in te leiden met betrekking tot de aangemelde regeling betreffende belastingvoordelen voor bepaalde coöperatieve ondernemingen. Bij brief van 20 februari 2008 (feit nr. 465882) dienden de Noorse autoriteiten opmerkingen in naar aanleiding van het besluit nr. 719/07COL om de formele onderzoeksprocedure in te leiden.

Besluit nr. 719/07/COL werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en het EER-supplement daarbij (9). De Autoriteit nodigde belanghebbende partijen uit om hun opmerkingen over het besluit in te dienen.

De Autoriteit ontving opmerkingen van diverse belanghebbende partijen (10). Bij brief van 23 mei 2008 (feit nr. 478026) stuurde de Autoriteit deze door aan de Noorse autoriteiten, die de gelegenheid werd geboden om te reageren, maar besloten om verder geen opmerkingen in te dienen.

2.   BESCHRIJVING VAN DE VOORGESTELDE MAATREGEL

2.1.   ACHTERGROND

In 1992 voerden de Noorse autoriteiten een speciale fiscale aftrekregeling voor bepaalde coöperatieve ondernemingen in. Volgens deze regeling kregen bepaalde coöperaties in de landbouw, de bosbouw en de visserij, alsmede consumentencoöperaties, het recht op belastingaftrek op basis van toevoegingen aan het eigen vermogen. Andere coöperatievormen vielen niet onder de regeling. De aftrek was beperkt tot maximaal 15 % van het nettojaarinkomen en mocht alleen gebeuren op het deel van de inkomsten dat afkomstig was van het zakelijke verkeer met de leden van de coöperatie. Een maximale belastingaftrek zou leiden tot een verlaging van de vennootschapsbelasting van het normale tarief van 28 % tot 23,8 %. Doel van de regeling was de coöperaties een belastingvoordeel toe te kennen, omdat het de opvatting was dat de coöperaties moeilijker eigen vermogen kunnen aantrekken dan andere ondernemingen (11).

Met ingang van het fiscale jaar 2005 werd de regeling afgeschaft. In de Rijksbegroting 2007 stelden de Noorse autoriteiten echter voor om de regeling in enigszins gewijzigde vorm weer in te voeren (12). Om die reden werd de maatregel aangemeld bij de Autoriteit.

2.2.   DOEL VAN DE REGELING

Volgens de kennisgeving moeten coöperaties worden gesteund vanwege het publieke belang van het in stand houden van ondernemingen die zijn gefundeerd op beginselen als democratie, zelfhulp, verantwoordelijkheid, gelijkheid en solidariteit als alternatief voor vennootschappen met een beperkte aansprakelijkheid en soortgelijke vennootschappen. Om het publieke, immateriële belang van het in stand houden van coöperaties als alternatief voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en soortgelijke vennootschappen te beschermen, bestaat er derhalve een noodzaak om coöperaties te compenseren voor het nadeel dat zij ondervinden ten opzichte van andere ondernemingen. Doel van de aangemelde regeling is volgens de kennisgeving dat enkele van de door de coöperaties ondervonden nadelen met betrekking tot het aantrekken van eigen vermogen worden gecompenseerd.

2.3.   DE VOORGESTELDE MAATREGEL

De aangemelde maatregel is vastgelegd in een nieuw hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet, waarin wordt bepaald dat coöperaties recht kunnen hebben op belastingaftrek. De tekst luidt als volgt:

„[…] aftrek kan worden verleend voor toevoegingen aan het collectief eigen vermogen tot maximaal 15 % van het inkomen. De aftrek mag alleen gebeuren op de inkomsten die afkomstig zijn van het zakelijke verkeer met de leden. Het zakelijke verkeer met de leden en gelijkwaardig zakelijk verkeer moeten in de boekhouding worden vermeld en moeten worden onderbouwd.”. (13)

Volgens de Noorse autoriteiten verwijst de term „collectief eigen vermogen” niet naar een post op de balans van de coöperatie, maar betreft het hier een zuiver fiscale uitdrukking. Hieruit volgt dat het collectief eigen vermogen kan bestaan uit ingehouden kapitaal, uit bonusfondsen, dat wil zeggen bonussen van leden die in de coöperatie worden gehouden in de vorm van een „reserve voor latere betalingen” (14) en uit geïndividualiseerde fondsen in de vorm van een bonus die is overgemaakt naar de kapitaalrekeningen van de leden in de coöperatie (15).

„Gelijkwaardig zakelijk verkeer” wordt in paragraaf 3 van hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet gedefinieerd als aankopen door verkooporganisaties van vissers van leden van andere verkooporganisaties van vissers, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, aankopen door een landbouwcoöperatie van een overeenkomstige coöperatie met het oog op het reguleren van de markt, en aankopen die worden opgelegd door overheidsinstanties (16).

Uit de voorgestelde maatregel volgt dat een belastingaftrek over het algemeen alleen wordt verleend met betrekking tot inkomsten die afkomstig zijn van het zakelijke verkeer met de leden van de coöperatie. Er wordt derhalve geen aftrek toegestaan op inkomsten die afkomstig zijn van het zakelijke verkeer met anderen. Zoals in het ontwerphoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet wordt verklaard, moet het mogelijk zijn om op basis van de boekhouding van de coöperatie de omvang van het zakelijke verkeer met leden en gelijkwaardig zakelijk verkeer te bepalen. Daarom zijn afzonderlijke boekhoudingen voor het zakelijke verkeer met de leden en voor het zakelijke verkeer met derde partijen van essentieel belang. De coöperatie moet de cijfers voor het zakelijke verkeer met de leden en gelijkwaardig zakelijk verkeer kunnen onderbouwen.

In de kennisgeving raamden de Noorse autoriteiten het verlies aan belastinginkomsten als gevolg van de regeling op tussen de 35 en 40 miljoen NOK (circa 4 à 5 miljoen EUR) over het fiscale jaar 2007.

2.4.   BEGUNSTIGDEN

De regeling zal van toepassing zijn op de coöperaties die worden genoemd in de paragrafen 2 en 4 tot en met 6 van het voorgestelde hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet. Uit deze bepalingen volgt dat voornamelijk bepaalde consumentencoöperaties en coöperaties die actief zijn in de landbouw, de bosbouw en visserij door de aangemelde regeling worden omvat.

Met betrekking tot de consumentencoöperaties volgt uit paragraaf 2.a van het voorgestelde hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet dat alleen consumentencoöperaties waarvan meer dan 50 % van de normale omzet afkomstig is uit het zakelijke verkeer met de leden kunnen profiteren van de aangemelde regeling.

Daarnaast kunnen ook coöperatieve hypotheekbanken die onder de Wet op de coöperatieve hypotheekbanken vallen (17) van de belastingaftrek profiteren. Dit vormt een uitbreiding van de regeling ten opzichte van de regeling die tot 2005 van kracht was, zie ook hoofdstuk I-2.1 hierboven.

Andere coöperaties dan de coöperaties die uitdrukkelijk worden genoemd in hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet vallen niet onder de regeling. Volgens de Noorse autoriteiten is de keuze van de in aanmerking komende coöperaties gebaseerd op de veronderstelling dat er een sterke noodzaak bestaat om compensatie voor extra kosten te geven in de sectoren waarop de aangemelde regeling betrekking heeft. De coöperaties in sectoren die niet onder de regeling vallen, zijn volgens de Noorse autoriteiten over het algemeen kleinere ondernemingen met weinig economische activiteiten of niet-economische activiteiten.

2.5.   DEFINITIE VAN COÖPERATIES IN HET NOORSE RECHT

Een coöperatie wordt in hoofdstuk 1(2) van de Noorse Wet op de coöperaties (18) gedefinieerd als een onderneming

„die als hoofddoel heeft om de economische belangen van haar leden te bevorderen via de leden die als kopers, leveranciers of op andere, vergelijkbare wijze in de vennootschap deelnemen, wanneer

1.

de winst, afgezien van een normale winstmarge op het geïnvesteerde kapitaal, hetzij in de vennootschap wordt gehouden, hetzij onder de leden wordt verdeeld op basis van hun aandeel in het zakelijke verkeer met de groep, en

2.

geen van de leden persoonlijk aansprakelijk is voor de schulden van de groep, hetzij voor de gehele schuld, hetzij voor delen die samen de totale schuld vormt.”. (19)

Bovendien volgt uit hoofdstuk 3(2) van de Wet op de coöperaties dat de leden van een coöperatie niet verplicht zijn om kapitaal aan de coöperatie bij te dragen, tenzij het individuele lid zich hiertoe schriftelijk heeft verbonden bij de inschrijving voor het lidmaatschap of in een afzonderlijke overeenkomst. Deze eis wordt alleen buiten werking gesteld indien in de statuten van de coöperatie wordt bepaald dat leden verplicht zijn een lidmaatschapsbijdrage te betalen. Daarnaast volgt uit dezelfde bepaling dat elke verplichting om kapitaal bij te dragen beperkt moet zijn, hetzij tot een bepaald bedrag, hetzij op enige andere wijze.

2.6.   DE COÖPERATIEVE BEWEGING IN NOORWEGEN (20)

Er zijn ongeveer vierduizend coöperaties in Noorwegen, die bij elkaar meer dan twee miljoen leden hebben. De coöperaties zijn hoofdzakelijk actief in de landbouw, de visserij, de woningbouw en de consumentensector, maar ook op andere terreinen van de economie, zoals verzekeringen, vervoer, energievoorziening, gezondheidszorg, media enz.

De Federatie van Noorse landbouwcoöperaties omvat veertien nationale organisaties die actief zijn op gebieden als de verwerking en de aan- en verkoop van landbouwproducten en goederen die ten behoeve van agrarische productie worden gebruikt (meststoffen, machines enz.), fok- en teeltactiviteiten, kredieten en verzekeringen. De landbouwcoöperaties hebben meer dan vijftigduizend individuele leden (boeren) en circa 19 000 werknemers, en de jaarlijkse omzet bedraagt 58 miljard NOK (circa 6 miljard EUR). De landbouwcoöperaties zijn eigenaars van enkele van de bekendste Noorse merken als TINE (zuivelproducten), Gilde (rood vlees) en Prior (eieren en gevogelte). De belangrijkste doelstellingen van de landbouwcoöperaties zijn om kanalen te bieden voor de verwerking en het in de handel brengen van landbouwproducten en om goede voorwaarden te verkrijgen met betrekking tot de toegang tot kapitaal en inputs voor de productie op elk landbouwbedrijf.

Volgens de Noorse Wet inzake rauwe vis (21) hebben de Noorse coöperatieve verkooporganisaties een exclusief recht op het in eerste instantie in de handel brengen van vis en schaaldieren, met uitzondering van gekweekte vis. Er zijn zes coöperatieve verkooporganisaties actief in deze sector. Het werkterrein van elke organisatie is gerelateerd aan een geografisch gebied en/of aan de soort. De coöperatieve verkooporganisaties zijn eigendom van de vissers zelf. Behalve een functie bij het in de handel brengen van vis en schaaldieren hebben de verkooporganisaties ook een controlefunctie met betrekking tot de bescherming van mariene hulpbronnen. De waarde van de in eerste instantie in de handel gebrachte vis en schaaldieren bedraagt circa 6 miljard NOK (ongeveer 620 miljoen EUR). Van alle vis en schaaldieren wordt 90 % uitgevoerd.

Coop NKL BA is de centrale organisatie van de Noorse consumentencoöperaties. Coop is een levensmiddelenketen met circa 1,1 miljoen individuele leden die is georganiseerd in 140 coöperaties. Coop heeft meer dan 1 350 winkels met een jaarlijkse omzet van in totaal circa 34 miljard NOK (circa 3,6 miljard EUR) en ongeveer 22 000 werknemers. Het marktaandeel in de markt voor levensmiddelen is 24 %. Coop is ook actief in de voedselverwerking en werkt met andere Scandinavische coöperatieve verkooporganisaties samen op het gebied van verkoop en verwerking. De consumentencoöperaties hebben als belangrijkste doelstellingen om de leden deugdelijke en nuttige goederen en diensten te verstrekken en tegelijkertijd te functioneren als een belangenorganisatie voor de leden in consumentenzaken.

De Noorse Federatie van coöperatieve woningbouwverenigingen is een nationale ledenorganisatie die 86 coöperatieve woningbouwverenigingen vertegenwoordigt; de Federatie telt 772 000 individuele leden en 378 000 woningeenheden van bijna 5 100 aangesloten woningcorporaties. Coöperatieve woningbouwverenigingen variëren in omvang, waarbij het aantal leden uiteen kan lopen van 100 tot 190 000. Woningbouwcorporaties beheren een belangrijk deel van de woningen in de steden; in Oslo is het marktaandeel bijna 40 %, terwijl het nationale gemiddelde 15 % is. De belangrijkste doelstellingen zijn het waarborgen van goede en geschikte woningen voor de leden en het streven naar goede en stabiele omstandigheden voor coöperatieve huisvesting.

2.7.   NOORSE REGELS INZAKE VENNOOTSCHAPSBELASTING EN DE POSITIE VAN COÖPERATIES

Het algemene tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt in Noorwegen op dit moment 28 %. De belasting wordt geheven op het netto belastbaar inkomen van ondernemingen. De belasting is ook van toepassing wanneer het inkomen wordt toegevoegd aan het eigen vermogen van de onderneming. Het Noorse Hooggerechtshof heeft echter geconcludeerd dat de inbreng van aandelenkapitaal geen belastbaar inkomen van de ontvangende onderneming vormt (22). De reden is dat de bijdragen geacht worden al eerder te zijn belast als inkomen van de bijdrager. Terwijl een onderneming dus 28 % belasting moet betalen op aandelenkapitaal dat is gefinancierd uit het eigen inkomen, wordt er geen belasting betaald over de inbreng van aandelenkapitaal door aandeelhouders of het publiek. Hieruit volgt dat ondernemingen die zijn georganiseerd als vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid enz. hun eigen vermogen kunnen verhogen door middel van de ontvangst van niet-belastbaar aandelenkapitaal van hun aandeelhouders of het publiek.

Coöperaties hebben deze mogelijkheid echter niet. Volgens de Noorse Wet op de coöperaties kunnen zij geen aandelen uitgeven aan het publiek of andere kapitaalcertificaten of effecten uitgeven. Voorts wordt ervan uitgegaan dat het beginsel van open lidmaatschap de omvang van de kapitaalbijdragen die coöperaties van hun leden vragen beperkt.

Volgens de kennisgeving zien de Noorse autoriteiten de verplichtingen en beperkingen die aan de coöperaties zijn opgelegd als essentieel en inherent aan de coöperatieve beginselen. Daarom zijn de Noorse autoriteiten van mening dat het opheffen van deze beperkingen een schending van fundamentele coöperatieve beginselen zou inhouden. De Noorse autoriteiten wijzen erop dat de Noorse Wet op de coöperaties op dit punt strikter zijn dan de wetgeving inzake coöperaties in andere Europese landen. Als voorbeeld verwijzen de Noorse autoriteiten naar artikel 64 van de EG-verordening betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (23), waarin wordt bepaald dat de Europese Coöperatieve Vennootschap effecten mag uitgeven, met uitzondering van aandelen, waarop kan worden ingeschreven door leden en niet-leden. Desondanks beschouwen de Noorse autoriteiten de beperkingen die coöperaties worden opgelegd in Noorwegen als noodzakelijk.

3.   GRONDEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE

Bij Besluit nr. 719/07/COL besloot de Autoriteit de formele onderzoeksprocedure in te leiden ten aanzien van de aangemelde maatregel. In het inleidingsbesluit was het voorlopige oordeel van de Autoriteit dat de regeling staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst vormde.

In de eerste plaats oordeelde de Autoriteit dat de voorgestelde belastingaftrek voor coöperaties de coöperaties een voordeel verschafte. In de tweede plaats oordeelde de Autoriteit dat het belastingvoordeel voor coöperaties selectief was en betwijfelde zij dat de maatregel was gerechtvaardigd door de aard of de opzet van het Noorse belastingstelsel. Aangezien de regeling de door de in aanmerking komende coöperaties verschuldigde vennootschapsbelasting zou verminderen, betwijfelde de Autoriteit dat de regeling de mededinging niet vervalste of dreigde te vervalsen. Tot slot betwijfelde de Autoriteit dat de maatregel op grond van een van de afwijkingen van artikel 61 van de EER-overeenkomst verenigbaar met de staatssteunregels van de EER-overeenkomst kon worden geacht.

4.   OPMERKINGEN VAN DE NOORSE AUTORITEITEN

De Noorse autoriteiten betogen dat de voorgestelde belastingaftrek de coöperaties geen voordeel verschaft. Enerzijds zijn de Noorse autoriteiten van mening dat de belastingaftrek moet worden beschouwd als „onderdeel van een afspraak waarbij de belastingregeling een betaling door de overheid aan coöperatieve ondernemingen vormt voor de aanpassing aan het huidige wettelijk kader voor coöperaties (24)”. De overheid waarborgt daarmee de coöperatieve vorm als alternatief voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, hetgeen wordt gezien als een immaterieel voordeel in het publieke belang. Anderzijds stellen de Noorse autoriteiten dat de belastingaftrek moet worden beschouwd als een compensatie voor de extra kosten die coöperaties moeten maken als gevolg van de beperkingen die aan coöperaties zijn opgelegd bij het aantrekken van eigen vermogen, die als een structureel nadeel voor coöperaties worden gezien. De Noorse autoriteiten verklaren dat zij ervan uitgaan dat de maatregel in kwestie slechts het fundamentele nadeel van coöperaties bij het aantrekken van eigen vermogen compenseert en tegengaat.

Met betrekking tot beide argumenten stellen de Noorse autoriteiten dat de regeling in overeenstemming is met het beginsel van de tegen marktvoorwaarden handelende investeerder. Het argument lijkt te zijn gebaseerd op de opvatting dat de in het kader van de regeling verleende steun de extra kosten van het als coöperatie functioneren en het publieke nut van het beschermen van de coöperatieve vorm niet zal overschrijden.

Voorts beweren de Noorse autoriteiten dat het gebruik van een fiscale maatregel de toepassing van het beginsel van de tegen marktvoorwaarden handelende investeerder niet belemmert, aangezien de vorm waarin de overheid de steun verkiest te geven irrelevant dient te zijn.

Uit de praktijk van de Europese gerechtshoven en de Commissie volgt dat het feit dat een maatregel een door een onderneming geleden nadeel compenseert niet impliceert dat de maatregel niet kan worden beschouwd als een maatregel die de onderneming een voordeel verschaft. Volgens de Noorse autoriteiten is deze praktijk niet van toepassing op het onderhavige geval. Alle vennootschappen met een beperkte aansprakelijkheid hebben de mogelijkheid om hun aandelenkapitaal te verhogen door bijdragen aan het eigen vermogen te ontvangen, die niet-belastbaar inkomen van de onderneming vormen. De regeling vormt slechts een compensatie voor het nadeel en brengt de coöperaties op gelijke voet met andere ondernemingen. De Noorse autoriteiten voeren voorts aan dat het onderhavige geval kan worden onderscheiden van het besluit van de Commissie in de zaak-OTE  (25), aangezien het belastingvoordeel en de extra kosten ten gevolge van de verplichting in het onderhavige geval tegelijkertijd optreden. De Noorse autoriteiten lezen punt 101 van de beschikking in de zaak-OTE als een indicatie dat dit belangrijk kan zijn voor het aanmerken van de maatregel als staatssteun.

Met betrekking tot de selectiviteit van de maatregel stellen de Noorse autoriteiten dat de regeling ertoe leidt dat coöperaties worden behandeld alsof het eigen vermogen is gefinancierd door aandeelhouders. Het belastingvoordeel stelt de ontvangende coöperatie in staat eenzelfde bedrag aan het eigen vermogen toe te voegen zonder dat daarover belasting hoeft te worden betaald, alsof de coöperatie eenzelfde bedrag aan aandelenkapitaal zou hebben ontvangen. Volgens de Noorse autoriteiten wordt de algemene regel met betrekking tot de inbreng van eigen vermogen daarmee van toepassing gemaakt op de coöperaties.

Voorts beweren de Noorse autoriteiten dat de aangemelde regeling in overeenstemming is met de staatssteunregels van de EER en de beginselen die zijn neergelegd in de mededeling van de Commissie over de bevordering van coöperatieve vennootschappen (26). De Noorse autoriteiten verwijzen in het bijzonder naar punt 3.2.6 van de mededeling van de Commissie, waarin wordt verklaard dat een specifieke fiscale behandeling van coöperaties kan worden verwelkomd.

Tot slot voeren de Noorse autoriteiten aan, met betrekking tot het vervalsen van de mededinging, dat de regeling slechts een bestaande vervalsing ten nadele van de coöperaties tegengaat en derhalve verondersteld kan worden de efficiëntie van de betrokken markten te verbeteren.

5.   OPMERKINGEN VAN DERDE PARTIJEN

Na de bekendmaking van Besluit nr. 719/07/COL om de formele onderzoeksprocedure in te leiden met betrekking tot de aangemelde steun aan bepaalde coöperatieve ondernemingen heeft de Autoriteit opmerkingen van een aantal derde partijen ontvangen.

De opmerkingen van de Franse regering hebben in essentie betrekking op het bijzondere karakter van coöperaties en de Franse regering benadrukt dat de aangemelde regeling slechts bedoeld is om coöperaties te compenseren voor de structurele nadelen die zij ondervinden.

Cooperatives Europe vertegenwoordigt coöperaties uit heel Europa en heeft als doel het steunen en ontwikkelen van coöperatieve ondernemingen. In de eerste plaats verwijst de organisatie naar de specifieke identiteit van de coöperatie, die erkend wordt door de communautaire autoriteiten. Cooperatives Europe is van mening dat de specifieke regelingen waarvan coöperaties profiteren niet mogen worden vergeleken met de regelingen die van toepassing zijn op andere ondernemingsvormen, omdat de regelingen een praktische vertaling van de coöperatieve beginselen vormen. Voorts voert Cooperatives Europe aan dat specifieke belastingregelingen voor coöperaties niet het doel of het effect hebben dat ze de mededinging vervalsen, maar dat ze zijn ontworpen om rekening te houden met de beperkingen die inherent zijn aan de coöperatieve vorm en om deze op een evenredige wijze te compenseren. Volgens Cooperatives Europe is de regeling gerechtvaardigd door het beginsel van gelijkheid, omdat coöperaties bepaalde nadelen ondervinden, onder meer bij de toegang tot kapitaal. Cooperatives Europe is van mening dat coöperaties zijn onderworpen aan een autonome wettelijke regeling waarin rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken. Betoogd wordt dat als een specifiek voor coöperaties ontworpen belastingregeling in overeenstemming is met de opzet van het rechtsstelsel van de lidstaat, een gevolg is van de wijze waarop coöperaties operationeel functioneren gelet op de coöperatieve beginselen en waarden, en evenredig is aan de beperkingen die deze wijze van functioneren oplegt, deze niet kan worden beschouwd als staatssteun of een voordeel, maar eenvoudigweg een regeling is die voortvloeit uit een functioneringsopzet die verschilt van die van andere ondernemingsvormen en is gerechtvaardigd door het beginsel van gelijke behandeling van verschillende ondernemingsvormen. Tot slot voert Cooperatives Europe aan dat de regeling de coöperaties compenseert voor de nadelen die zij ondervinden en dat de regeling daarmee de opzet van het coöperatieve systeem en het recht van coöperaties om op gelijke voet te concurreren erkent.

Kooperativa Förbundet, een Zweedse organisatie voor consumentencoöperaties, steunt de door Cooperatives Europe ingediende argumenten.

Confcooperative — Confederazione Cooperative Italiane is een organisatie voor Italiaanse coöperaties. De organisatie benadrukt het doel van wederkerigheid van coöperaties en onderstreept, erop wijzend dat de Noorse wetgeving overeenkomt met die van andere lidstaten die de door coöperaties ondervonden nadelen proberen te verminderen, in het bijzonder die met betrekking tot het aantrekken van kapitaal, dat elk surplus dat resulteert uit de bijdragen van de leden aan de coöperatie het eigendom van die leden blijft en derhalve niet kan worden belast bij de coöperatie.

Legacoop — Lega Nazionale delle Cooperative e Mutue is een organisatie voor Italiaanse coöperaties in alle sectoren. Legacoop betoogt dat het surplus van coöperaties kan worden gekenschetst als bonussen waar de leden van de coöperatie tijdelijk van afzien. De organisatie is van mening dat de regeling in overeenstemming is met het burgerlijk recht en het fiscale recht met betrekking tot Europese coöperaties en dat de regeling zal bijdragen aan het verminderen van de nadelen die coöperaties ondervinden bij het aantrekken van kapitaal.

Coop de France is een organisatie voor Franse coöperaties in de landbouwsector. De organisatie wijst op het Europees wettelijk kader, waarin de specifieke rol van coöperaties wordt erkend, ongeacht in welke sector van de economie ze actief zijn, en waarin instrumenten zijn ontwikkeld die de coöperaties rechtszekerheid geven. Voorts stelt de organisatie dat de regeling geen staatssteun vormt, maar de coöperaties slechts compenseert voor de structurele nadelen die inherent zijn aan hun rechtsvorm. Bovendien stelt de organisatie dat de regeling past binnen de opzet van het systeem en derhalve niet selectief is. Dit is vooral gebaseerd op het argument dat het kapitaal van de coöperaties ondeelbaar is en uit niet-uitgekeerde winsten van de leden bestaat. Ook Coop de France wijst op de moeilijkheden waarmee coöperaties te kampen hebben bij het aantrekken van kapitaal, gezien de onmogelijkheid om aandelen uit te geven, het beperkte aantal potentiële leden vanwege de doelstelling van de coöperatie en de onmogelijkheid voor coöperaties om gebruik te maken van financiële instrumenten.

Landbrugsrådet is een Deense organisatie voor coöperaties in de landbouwsector. De organisatie betoogt dat de regeling een gelijk en eerlijk speelveld voor de verschillende ondernemingsvormen creëert door de coöperatieve aard en beginselen te respecteren. De regeling bevoordeelt coöperaties niet, maar compenseert een structureel nadeel.

CECOP-CICOPA-Europe vertegenwoordigt de industriële en dienstencoöperaties. De organisatie betoogt dat de specifieke regelingen waarvan coöperaties profiteren niet mogen worden vergeleken met de regelingen die van toepassing zijn op andere ondernemingsvormen omdat ze zijn gebaseerd op de coöperatieve beginselen. Voorts betoogt de organisatie dat wanneer de Autoriteit de situatie van coöperaties vergelijkt met die van andere ondernemingen, ze een hiërarchie tussen de verschillende rechtsvormen lijkt in te stellen, waarbij de regeling voor coöperaties als een uitzondering wordt gezien. Dit is niet in overeenstemming met het EG-Verdrag of de verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese Naamloze Vennootschap. De organisatie, onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie over coöperaties, voert aan dat de aangemelde regeling rekening houdt met de beperkingen die inherent zijn aan de coöperatieve rechtsvorm en deze op evenredige wijze compenseert.

De Algemene Confederatie van landbouwcoöperaties in de Europese Unie (COGECA) vertegenwoordigt de algemene economische belangen van coöperaties in de landbouw, de agrovoedingssector, de bosbouw en de visserij in Europa. De organisatie wijst op de fundamentele rol die coöperaties in deze sectoren spelen, welke rol door veel EU-lidstaten wordt erkend, en op het feit dat coöperaties het doel van zorg voor de gemeenschap (duurzame ontwikkeling) hebben verankerd in hun statuten. De organisatie verklaart dat ze vreest dat een uniforme behandeling van coöperaties en andere ondernemingen op het gebied van belastingen er mogelijk toe zal leiden dat coöperaties ander rechtsvormen zullen aannemen en dat de toegang tot de markt voor landbouwers als gevolg daarvan moeilijker zal worden.

CCAE Confederación de Cooperativas Agrarias de España, een Spaanse organisatie voor landbouwcoöperaties, steunt de argumenten van de COGECA, Coop de France en Cooperatives Europe.

Groupement National de la Coopération is een organisatie van de coöperatieve beweging in Frankrijk. De organisatie betoogt dat de gunstige fiscale behandeling van coöperaties in Frankrijk en andere Europese landen ten doel heeft om voor eerlijke concurrentie tussen coöperaties en andere ondernemingen te zorgen en de mededinging niet vervalst. De organisatie wijst op de onderscheidende kenmerken van coöperaties en onderstreept dat coöperaties, om te kunnen bestaan en zich te kunnen ontwikkelen, een bepaald wettelijk en fiscaal kader nodig hebben waarin rekening wordt gehouden met hun specifieke aard en de omstandigheden waarin ze hun activiteiten ontplooien. De organisatie schaart zich achter de opvatting van de Noorse autoriteiten dat de regeling de coöperaties geen voordeel verschaft en stelt dat de regeling de mededinging niet zal vervalsen omdat er voor verschillende ondernemingsvormen met verschillende kenmerken geen identieke regels kunnen gelden. Op grond hiervan benadrukt de organisatie dat de steun niet onevenredig is.

De Noorse Permanente Commissie voor coöperatieaangelegenheden is een organisatie voor Noorse coöperaties. De organisatie begint haar betoog met de opmerking dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen coöperaties en andere wettige ondernemingsvormen, namelijk dat de verhouding tussen een coöperatie en haar leden anders is dan die tussen een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en haar aandeelhouders. Dit dient ook gevolgen te hebben voor de belastingmaatregelen die aan coöperaties worden opgelegd.

De organisatie stelt in de eerste plaats dat de maatregel geen staatssteun vormt omdat de maatregel is gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het belastingstelsel. In dit verband merkt de organisatie op dat coöperaties hun eigen vermogen opbouwen door geen bonussen aan haar leden uit te keren. Normaliter moet een surplus worden uitgekeerd aan de leden van de coöperatie, omdat het in feite een prijscorrectie a posteriori is, die niet aan de coöperatie, maar aan de leden toebehoort. Een uitkering van het surplus aan de leden is voor de coöperatie aftrekbaar van de belastingen. Als het surplus niet wordt uitgekeerd, vormt het feitelijk een bijdrage van de leden aan het eigen vermogen van de coöperatie. Het past dus in de opzet van het stelsel dat het surplus is vrijgesteld van belasting, ongeacht of het wordt toegevoegd aan het eigen vermogen of wordt uitgekeerd aan de leden. Bovendien is het onderliggende beginsel dat een bedrag geen twee keer belast mag worden van toepassing. Zoals particuliere deelnemingen zijn vrijgesteld van belastingbetaling voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid omdat de aandeelhouder er al belasting over heeft betaald, moet de bijdrage van een lid van een coöperatie aan het eigen vermogen van de coöperatie zijn vrijgesteld van belastingbetaling door de coöperatie omdat het lid er al belasting over heeft betaald. Op grond hiervan is de organisatie van mening dat de regeling niet moet worden beoordeeld in het kader van de inkomstenbelasting voor ondernemingen, maar dat het wettelijk kader de regels met betrekking tot de bijdragen van aandeelhouders aan het eigen vermogen moet zijn.

In de tweede plaats betoogt de organisatie dat de maatregel niet tot een voordeel leidt, aangezien de coöperaties door de maatregel slechts gecompenseerd worden voor structurele nadelen die inherent zijn aan hun rechtsvorm. Onder verwijzing naar het inleidingsbesluit betoogt de organisatie voorts dat het niet relevant is of de structurele nadelen worden gecompenseerd door andere elementen van de Noorse regels voor coöperaties, maar dat de juridische toets moet zijn of het specifieke nadeel dat men met de maatregel tracht te compenseren wordt gecompenseerd door andere maatregelen.

In de derde plaats beweert de organisatie dat de maatregel niet selectief is, aangezien de verschillende behandeling van coöperaties en andere ondernemingen op het gebied van belastingen voortvloeit uit de verschillen met betrekking tot het ondernemingsrecht. Omdat de onderzochte belastingmaatregel slechts van toepassing is op entiteiten die zijn georganiseerd als een coöperatie, heeft de maatregel betrekking op een rechtsvorm die voor iedereen toegankelijk is. De maatregel is derhalve niet selectief.

II.   BEOORDELING

1.   TOEPASSINGSGEBIED VAN HET BESLUIT

Zoals in paragraaf I-2.4 hierboven is uiteengezet, zijn de potentiële begunstigden van de regeling voornamelijk coöperaties die actief zijn in de landbouw, de visserij en de bosbouw, bepaalde consumentencoöperaties en coöperatieve hypotheekbanken.

In artikel 8 van de EER-overeenkomst wordt het toepassingsgebied van de overeenkomst omschreven. In artikel 8, lid 3, wordt het volgende bepaald:

„Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst slechts van toepassing op:

a)

de producten vallende onder de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen, met uitzondering van de in Protocol nr. 2 vermelde producten;

b)

de in Protocol nr. 3 opgenomen producten, behoudens de in dat protocol vervatte specifieke regelingen.”.

Op grond hiervan vallen de landbouw en visserij grotendeels buiten het toepassingsgebied van de staatssteunregels van de EER-overeenkomst.

Dit besluit is daarom van toepassing op de voorgestelde belastingverlichting voor coöperaties, maar heeft geen betrekking op coöperaties die actief zijn in de landbouw en de visserij voor zover de activiteiten van deze coöperaties buiten het toepassingsgebied van de staatssteunregels van de EER-overeenkomst vallen.

2.   DE AANWEZIGHEID VAN STAATSSTEUN

2.1.   INLEIDING

Artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst luidt als volgt:

„Behoudens de afwijkingen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, de EVA-staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt.”.

De Autoriteit herinnert eraan dat als algemene regel geldt dat het belastingstelsel van een EVA-lidstaat op zichzelf niet binnen het toepassingsgebied van de EER-overeenkomst valt. Het is aan elke EVA-lidstaat om op basis van zijn eigen beleidskeuzen een belastingstelsel te ontwerpen en toe te passen. De toepassing van een belastingmaatregel, zoals een vennootschapsbelastingaftrek voor bepaalde coöperatieve ondernemingen, kan echter consequenties hebben die de belastingmaatregel binnen het toepassingsgebied van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst doen vallen. Volgens de vaste rechtspraak (27) maakt artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst geen onderscheid naar de oorzaken of doeleinden van maatregelen van overheidswege, maar ziet het naar hun gevolgen.

2.2.   AANWEZIGHEID VAN STAATSMIDDELEN

Om staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst te vormen, moet de steunmaatregel door de staat worden toegekend of met staatsmiddelen worden bekostigd.

De Autoriteit herinnert eraan dat het begrip steun volgens de vaste rechtspraak een algemenere strekking heeft dan het begrip subsidie, omdat het niet alleen positieve prestaties omvat, zoals de subsidies zelf, maar ook overheidsmaatregelen die, in verschillende vormen, lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor, zonder nog subsidies in de strikte zin van het woord te zijn, van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden (28).

Volgens de aangemelde regeling zullen de in hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet genoemde coöperaties recht hebben op een speciale vorm van belastingaftrek. Deze coöperaties kunnen toevoegingen aan hun eigen vermogen van hun inkomen aftrekken. De belastingaftrek impliceert dat de door de coöperaties die onder de regeling vallen te betalen belasting wordt verminderd. De maatregel brengt een verlies van belastinginkomsten voor de Noorse overheid met zich mee, die door de Noorse autoriteiten wordt geraamd op 35 tot 40 miljoen NOK (circa 4 à 5 miljoen EUR) over het fiscale jaar 2007. Volgens de vaste rechtspraak vormt een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, een steunmaatregel van de staat of steun bekostigd met staatsmiddelen (29). Dientengevolge is de Autoriteit van oordeel dat de aangemelde regeling wordt bekostigd met staatsmiddelen.

2.3.   BEGUNSTIGING VAN BEPAALDE ONDERNEMINGEN OF BEPAALDE PRODUCTIES

2.3.1.    Selectiviteit

In de eerste plaats moet de steunmaatregel selectief zijn in de zin dat de maatregel „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” begunstigt.

De coöperaties die in aanmerking komen voor de regeling zijn ondernemingen als bedoeld in de staatssteunregels van de EER-overeenkomst. Volgens de vaste rechtspraak omvat het begrip onderneming elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (30).

Om uit te maken of de betrokken maatregel selectief is, dient te worden onderzocht of de maatregel in de context van een bepaald rechtsstelsel een voordeel verschaft aan bepaalde ondernemingen ten opzichte van andere ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (31).

De Autoriteit zal deze elementen hierna onderzoeken in verband met de belastingaftrek ten gunste van bepaalde coöperatieve ondernemingen als bedoeld in hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet.

Om uit te maken of een maatregel selectief is dient de Autoriteit te beginnen met het vaststellen en onderzoeken van de gebruikelijke of „normale” werking van het van toepassing zijnde belastingstelsel, dat het relevante referentiekader vormt (32).

In Noorwegen zijn coöperaties onderworpen aan de algemeen van toepassing zijnde vennootschapsbelasting. Het doel van de vennootschapsbelasting is het belasten van de winst (het netto-inkomen) van ondernemingen. Volgens het voorgestelde hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet hebben bepaalde consumentencoöperaties, coöperaties die actief zijn in de landbouw, de bosbouw en de visserij en coöperatieve hypotheekbanken het recht op een belastingaftrek die kan oplopen tot 15 % van hun inkomsten uit het zakelijke verkeer met hun leden. De belastinggrondslag van deze ondernemingen wordt derhalve versmald, en daarmee ook de vennootschapsbelasting die ze betalen. Deze belastingregel wijkt af van de normale regels betreffende de vennootschapsbelasting die ondernemingen in Noorwegen moeten betalen.

In de kennisgeving betogen de Noorse autoriteiten dat het relevante referentiestelsel in het onderhavige geval het algemene kader voor het aantrekken van kapitaal is. De Autoriteit is een andere mening toegedaan. Aangezien de belastingvrijstelling voor bepaalde coöperatieve ondernemingen een afwijking van de algemeen van toepassing zijnde vennootschapsbelasting vormt, is de Autoriteit van mening dat het relevante referentiestelsel in het licht waarvan de aangemelde maatregel moet worden beoordeeld het vennootschapsbelastingstelsel is. De vennootschapsbelasting vormt derhalve het relevante referentiestelsel in het licht waarvan de afwijking moet worden beoordeeld.

Vervolgens dient de Autoriteit te beoordelen of een nationale maatregel binnen het kader van een bepaalde rechtsregeling (in dit geval de vennootschapsbelasting) bepaalde ondernemingen of bepaalde producties in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst kan begunstigen ten opzichte van andere ondernemingen die zich, gelet op de doelstelling van de betrokken maatregel, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (33).

Dientengevolge dient de Autoriteit te beoordelen en te bepalen of een begunstiging door de belastingmaatregel in kwestie mogelijk selectief is door aan te tonen dat de maatregel een afwijking is van de gebruikelijke regeling voor zover de maatregel onderscheid maakt tussen marktdeelnemers die zich, gelet op de doelstelling van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (34).

Op grond van de hierboven genoemde jurisprudentie dient de Autoriteit derhalve te beoordelen of de aftrek van 15 % van het inkomen van de coöperaties dat afkomstig is van het zakelijke verkeer met hun leden bepaalde coöperaties begunstigt in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst ten opzichte van andere ondernemingen die zich, gelet op de doelstelling van de betrokken regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.

Zoals hierboven is opgemerkt, is het doel van de vennootschapsbelasting het belasten van de winst van ondernemingen.

In dit verband is de Autoriteit zich bewust van de specifieke aard van coöperaties. De Autoriteit merkt in het bijzonder op dat in de mededeling van de Commissie over coöperaties het volgende wordt verklaard: „Coöperaties werken in het belang van hun leden, die tegelijk hun gebruikers zijn; ze worden niet in het belang van externe investeerders beheerd. De leden krijgen winst uitgekeerd in verhouding tot hun transacties met de coöperatie. De reserves en activa zijn in gemeenschappelijke handen, niet-verdeelbaar en alleen te gebruiken in het algemeen belang van de leden. Aangezien er over het algemeen sterke en belangrijke persoonlijke banden tussen de leden zijn, worden nieuwe leden pas na goedkeuring toegelaten, waarbij het stemrecht niet noodzakelijk evenredig is met het eigendomsbelang (één stem per lid). Wanneer een lid ontslag neemt, krijgt hij zijn aandeel terugbetaald en wordt dit afgetrokken van het kapitaal (35).”.

In de eerste plaats wordt een zuivere coöperatie dus gekenmerkt door een specifieke relatie met de leden van de coöperatie, dat wil zeggen dat de leden actief betrokken zijn bij het beheer van de activiteiten van de coöperatie en dat er een hoge mate van interactie tussen de leden en de coöperatie bestaat, die verder gaat dan een zuiver commerciële relatie. In de tweede plaats zijn de activa van de coöperatie in gemeenschappelijke handen van de leden en worden de winsten uitsluitend onder de leden van de coöperatie verdeeld in verhouding tot hun transacties met de coöperatie.

Op basis van de hierboven beschreven beginselen sluit de Autoriteit niet uit dat zuiver wederkerige coöperaties en andere ondernemingen kunnen worden geacht zich niet in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie te bevinden waar het de doelstelling van belasting van ondernemingswinsten betreft.

In het onderhavige geval lijkt het er echter op dat het zuiver wederkerige karakter van enkele van de coöperaties die onder de aangemelde regeling vallen twijfelachtig is. Een groot deel van de transacties van bepaalde coöperaties die onder de regeling vallen houdt geen verband met het zakelijke verkeer met de leden, maar met zakelijk verkeer met andere klanten. In dit verband wijst de Autoriteit op de beperking van hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet, die inhoudt dat alleen consumentencoöperaties waarvan meer dan 50 % van de omzet afkomstig is van het zakelijke verkeer met de leden kunnen profiteren van de aangemelde regeling. De Autoriteit is van mening dat dergelijke overwegend wederkerige coöperaties sterk verschillen van het zuivere-coöperatiemodel dat wordt beschreven in de mededeling van de Commissie over coöperaties.

Bovendien heeft de regeling alleen betrekking op de coöperaties die in het ontwerphoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet worden genoemd, namelijk bepaalde consumentencoöperaties, coöperaties die actief zijn in de landbouw, de visserij en de bosbouw en coöperatieve hypotheekbanken. Alleen deze coöperaties hebben recht op een aftrek van maximaal 15 % van hun inkomen dat afkomstig is van het zakelijke verkeer met hun leden. Dientengevolge wordt het belastingvoordeel in kwestie verleend vanwege de rechtsvorm van coöperatie van de onderneming en de sectoren waarin die onderneming haar activiteiten ontplooit. Het is derhalve duidelijk dat de maatregel selectief is ten opzichte van andere, vergelijkbare marktdeelnemers.

De Autoriteit is van mening dat hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet, door de winsten van bepaalde coöperaties die afkomstig zijn van het zakelijke verkeer met hun leden anders te belasten, afhankelijk van de sector waarin ze actief zijn, onderscheid maakt tussen marktdeelnemers die zich, gelet op de doelstelling van het vennootschapsbelastingstelsel, te weten het belasten van winsten, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.

Volgens de vaste rechtspraak ziet het begrip staatssteun niet op overheidsmaatregelen die tussen ondernemingen differentiëren, en derhalve a priori selectieve maatregelen zijn, wanneer deze differentiatie het gevolg is van de aard of de opzet van het lastenstelsel waarbinnen zij plaatsvinden (36). In de jurisprudentie van het EVA-Hof en de gerechtshoven van de Gemeenschap is bepaald dat een specifieke belastingmaatregel die dient om de ondernemingen van een bepaalde bedrijfstak geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van de lasten die voortvloeien uit de normale toepassing van het algemene stelsel, kan worden gerechtvaardigd door de interne opzet van het belastingstelsel indien de maatregel hiermee in overeenstemming is (37).

De Autoriteit dient derhalve uit te maken of de differentiatie tussen bepaalde coöperaties en andere ondernemingen toch niet selectief is omdat deze differentiatie het gevolg is van de aard of de opzet van het lastenstelsel waarbinnen zij plaatsvindt. De Autoriteit dient derhalve uit te maken of de differentiatie rechtstreeks voortvloeit uit de fundamentele of leidende beginselen van dat stelsel (38).

Uit de jurisprudentie volgt dat het aan de EER-lidstaat die de differentiatie heeft ingevoerd is om te bewijzen dat deze is gerechtvaardigd door de aard of de opzet van het desbetreffende stelsel (39). De Noorse autoriteiten betogen dat de belastingaftrek die van toepassing is op bepaalde coöperaties gerechtvaardigd is door de aard of de opzet van het stelsel omdat de regeling inhoudt dat het Noorse systeem voor de financiering van ondernemingskapitaal door middel van de ontvangst van niet-belastbare kapitaalinbreng ook voor coöperaties toegankelijk wordt gemaakt. Met andere woorden: de regeling is gericht op het compenseren van een nadeel voor de coöperaties dat inherent is aan hun rechtsvorm.

In de opvatting van de Autoriteit kan de door de Noorse autoriteiten aangevoerde rechtvaardiging dat de vennootschapsbelastingaftrek moet worden beschouwd als compensatie voor de extra kosten die coöperaties moeten maken als gevolg van de moeilijke toegang van coöperaties tot kapitaal, in het onderhavige geval niet worden geacht binnen de opzet van het vennootschapsbelastingstelsel te passen. Vennootschapsbelasting wordt geheven over het inkomen van een onderneming dat afkomstig is uit het normale zakelijke verkeer, terwijl aandeleninbreng en andere vormen van inbreng van eigen vermogen in de Noorse belastingwetgeving niet als inkomen worden aangemerkt. (40) Zelfs als de door de Noorse autoriteiten nagestreefde doelstelling lovenswaardig is, lijkt deze niet rechtstreeks voort te vloeien uit de fundamentele of leidende beginselen van het stelsel waarin de maatregel wordt genomen, namelijk het belastingstelsel. De Autoriteit herinnert eraan dat het doel van overheidsmaatregelen volgens de vaste rechtspraak onvoldoende reden is om die maatregelen zonder meer uit te sluiten van kwalificering als staatssteun voor de toepassing van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst (41).

Bovendien merkt de Autoriteit op dat in het onderhavige geval de aangemelde regeling niet bedoeld is om te worden toegepast op alle coöperaties, die in principe dezelfde door de Noorse autoriteiten genoemde structurele nadelen zouden moeten ondervinden. Integendeel, de regeling heeft alleen betrekking op coöperaties die actief zijn in de sectoren die uitdrukkelijk in het ontwerphoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet worden genoemd. De Noorse autoriteiten hebben geen argumenten overgelegd waaruit blijkt dat de begrenzing van de regeling tot deze coöperaties in overeenstemming is met de aard en de opzet van het belastingstelsel. In de voorbereidende documenten voor hoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet wordt slechts opgemerkt dat de coöperaties die onder de regeling vallen de traditionele coöperatieve sectoren vertegenwoordigen (42), een overweging die niet relevant is in het kader van de vennootschapsbelasting. Voorts is de begrenzing volgens de Noorse autoriteiten gebaseerd op de aanname dat de coöperaties die onder de regeling vallen meer steun nodig hebben dan coöperaties in andere sectoren. De Noorse autoriteiten hebben geen enkele objectieve informatie die deze aanname onderbouwt, noch enige andere onderbouwde rechtvaardiging voor deze differentiatie overgelegd.

In overeenstemming met de vaste rechtspraak (43) is de Autoriteit van mening dat de noodzaak om rekening te houden met bepaalde voorwaarden (in dit geval de specifieke kenmerken van coöperaties als organisaties), hoe legitiem deze ook mogen zijn, geen rechtvaardiging kan vormen voor het uitsluiten van selectieve maatregelen, zelfs specifieke selectieve maatregelen, van het toepassingsgebied van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst, omdat het hoe dan ook nuttig kan zijn om rekening te houden met de gegeven doelstellingen wanneer de verenigbaarheid van de staatssteunmaatregel wordt beoordeeld op grond van artikel 61, lid 3, van de EER-overeenkomst.

Als aanvullend punt verwijst de Autoriteit naar de opmerkingen van de Noorse Permanente Commissie voor coöperatieaangelegenheden en de stelling dat een belastingvrijstelling voor coöperaties kan worden gerechtvaardigd op grond van het argument van dubbele belastingheffing en dientengevolge binnen de aard en de opzet van het vennootschapsbelastingstelsel valt. Op basis van de informatie waarover zij beschikt kan de Autoriteit niet uitsluiten dat zich situaties kunnen voordoen waarin het kapitaal noch bij de coöperatie, noch bij de leden wordt belast.

Bovendien is de Autoriteit met betrekking tot het onderhavige geval, en gezien de afwezigheid van overtuigende argumenten voor het tegendeel, van mening dat de toepassing van een gunstige fiscale behandeling op alleen bepaalde coöperaties, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging voor deze differentiatie wordt verstrekt, niet in overeenstemming met de opzet van het belastingstelsel kan worden geacht (44). Zelfs als het toepassingsgebied van de belastingmaatregel wordt bepaald aan de hand van objectieve criteria, blijft het feit dat de maatregel selectief van aard is (45).

Tegen deze achtergrond is de Autoriteit van oordeel dat de belastingaftrek voor bepaalde coöperaties afwijkt van het gewone vennootschapsbelastingregime en niet lijkt te worden gerechtvaardigd door de aard of de opzet van het stelsel, en derhalve als selectief moet worden beschouwd (46).

2.3.2.    Voordeel

In de tweede plaats dient de Autoriteit, om te bepalen of de coöperaties die onder de regeling vallen een voordeel ontvangen, te beoordelen of de maatregel de begunstigden verlost van lasten die normaliter op het budget van hun onderneming drukken. De Autoriteit is van mening dat de vraag of de regeling de coöperaties die onder de regeling vallen een voordeel verschaft moet worden bezien in het licht van het vennootschapsbelastingstelsel, dat zowel van toepassing is op naar winst strevende ondernemingen als op coöperaties, met inbegrip van coöperaties die niet onder de regeling vallen.

Volgens de aangemelde regeling hebben bepaalde coöperaties recht op een aftrek van maximaal 15 % van hun inkomen dat afkomstig is van het zakelijke verkeer met hun leden. De belastinggrondslag van deze ondernemingen wordt derhalve versmald, waardoor ze ook minder vennootschapsbelasting betalen. Als gevolg hiervan verlost de maatregel deze coöperaties van lasten die normaliter op hun budget drukken. Deze belastingregel wijkt af van de normale regels betreffende de vennootschapsbelasting die ondernemingen in Noorwegen moeten betalen.

De Noorse autoriteiten en verschillende derde partijen hebben naar aanleiding van het inleidingsbesluit opmerkingen ingediend met de strekking dat de voorgestelde belastingaftrek de coöperaties geen voordeel verschaft. Ten eerste is de regeling volgens de Noorse autoriteiten in overeenstemming met het beginsel van de tegen marktvoorwaarden handelende investeerder en moet de regeling worden beschouwd als een betaling aan de coöperaties voor het in stand houden van hun rechtsvorm, die van publiek belang is. Ten tweede is de belastingaftrek een compensatie voor de extra kosten die coöperaties moeten maken als gevolg van de aan hen opgelegde restricties, in het bijzonder ten aanzien van de toegang tot aandelenkapitaal, en leidt de maatregel niet tot overcompensatie.

In de eerste plaats, met betrekking tot het beginsel van de volgens marktvoorwaarden handelende investeerder, lijkt deze argumentatie te zijn gebaseerd op de opvatting dat de in het kader van de regeling verleende steun niet hoger zal zijn dan de extra kosten die het gevolg zijn van het als coöperatie functioneren (overcompensatie) of dan het publieke nut van het beschermen van de coöperatieve vorm. De Noorse autoriteiten betogen dat het beginsel van de volgens marktvoorwaarden handelende investeerder van toepassing is wanneer de overheid immateriële voordelen in het publieke belang verwerft tegen marktprijzen, althans wanneer het immateriële voordeel voor de overheid volledig extern is aan de belangen van de betrokken onderneming (47).

De Autoriteit is van mening dat er verschillende redenen zijn om te concluderen dat het beginsel van de volgens marktvoorwaarden handelende investeerder in het onderhavige geval niet van toepassing is. Om te beginnen is de Autoriteit het niet eens met het standpunt van de Noorse autoriteiten dat de rechtsvorm van coöperatie geen enkel voordeel voor een onderneming met zich meebrengt. In dit verband verwijst de Autoriteit naar de mededeling van de Commissie over coöperaties, waarin de Commissie onder andere verklaart dat het coöperatieve model „de economische invloed van het midden- en kleinbedrijf (mkb) op de markt [kan] helpen opbouwen of vergroten (48)”.

Voorts is de Autoriteit van mening dat het immateriële voordeel dat de overheid wenst te „verwerven” in het onderhavige geval bestaat uit de instandhouding van de coöperatieve sector in Noorwegen onder de huidige omstandigheden met betrekking tot de beperkingen op de toegang tot aandelenkapitaal. De Autoriteit is van mening dat het onmogelijk is om het beginsel van de volgens marktvoorwaarden handelende investeerder op dit geval toe te passen, om de eenvoudige reden dat geen enkele particuliere investeerder ooit een transactie zou kunnen verrichten die vergelijkbaar is met de transactie die de Noorse autoriteiten voorstellen. In dit geval treedt de overheid niet op als een tegen marktvoorwaarden handelende investeerder of onderneming. Integendeel, de overheid vervult zijn soevereine en administratieve functies, waarvan het opleggen van belastingen een van de belangrijkste is. Om die reden ziet de Autoriteit niet in hoe het beginsel van de volgens marktvoorwaarden handelende investeerder van toepassing kan zijn.

De Noorse autoriteiten hebben ook betoogd dat de regeling niet tot overcompensatie leidt en dat de verleende steun het publieke nut van het in stand houden van de coöperaties niet overschrijdt. De Autoriteit merkt op dat de Noorse autoriteiten in dit verband geen cijfers of andere informatie hebben overgelegd, maar slechts hebben verklaard dat zij aannemen dat dit het geval is. De Autoriteit kan dit argument daarom niet aanvaarden.

In de tweede plaats zal de Autoriteit onderzoeken of kan worden geconcludeerd dat de regeling geen voordeel verschaft aan de coöperaties die onder de regeling vallen omdat de steun wordt verleend om de coöperaties te compenseren voor structurele nadelen. In de jurisprudentie is erkend dat structurele nadelen in bepaalde specifieke situaties kunnen worden gecompenseerd door steunmaatregelen (49). De compensatie van een nadeel wordt in sommige situaties geacht geen voordeel te vormen, met name wanneer voormalige staatsmonopolisten bij het openstellen van de markt voor concurrentie worden geherstructureerd en omgevormd tot marktspelers. Deze precedenten hebben betrekking op een feitelijke situatie die verschilt van de situatie die in het onderhavige geval van toepassing is. Bovendien lijkt noch de jurisprudentie van de communautaire gerechtshoven, noch de praktijk van de Commissie het argument te steunen dat een maatregel als de aangemelde regeling de onderneming in kwestie geen voordeel verschaft omdat de maatregel slechts een door de onderneming ondervonden „nadeel” compenseert (50).

Tegen deze achtergrond concludeert de Autoriteit dat het voorgestelde belastingvoordeel de coöperatieve ondernemingen die onder de regeling vallen een voordeel verschaft.

2.4.   VERVALSING VAN DE MEDEDINGING EN ONGUNSTIGE INVLOED OP HET HANDELSVERKEER TUSSEN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN

Wat betreft de criteria van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst met betrekking tot steun die de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt, volgt uit de jurisprudentie dat niet hoeft te worden vastgesteld of sprake is van een werkelijke beïnvloeding van de handel tussen lidstaten en een daadwerkelijke vervalsing van de mededinging, maar dat enkel dient te worden onderzocht of die steunmaatregelen dat handelsverkeer ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging kunnen vervalsen (51).

De Noorse autoriteiten betogen dat de regeling ten doel heeft om het bestaande concurrentienadeel voor coöperaties bij de toegang tot eigen vermogen teniet te doen. Op grond hiervan stellen ze dat de regeling de mededinging niet vervalst of dreigt te vervalsen. De Autoriteit merkt op dat het gevolg van de regeling is dat de vennootschapsbelasting van de coöperaties die onder de regeling vallen wordt verminderd ten opzichte van die van andere ondernemingen. Daardoor wordt de concurrentiepositie van deze coöperaties versterkt. Het feit dat de coöperaties onderworpen zijn aan bepaalde beperkingen krachtens de Noorse wetgeving, die niet worden opgelegd aan, onder meer, vennootschappen met een beperkte aansprakelijkheid, kan in dit verband niet doorslaggevend zijn.

Wanneer overheidssteun de positie van een onderneming versterkt ten opzichte van andere ondernemingen die concurreren in het handelsverkeer binnen de EER, moet worden geconcludeerd dat het handelsverkeer door die steun ongunstig wordt beïnvloed. Omgekeerd hoeft de ontvangende onderneming zelf niet betrokken te zijn bij dit handelsverkeer (52). De voorgestelde belastingaftrek versterkt de positie van de coöperaties ten opzichte van hun op andere wijze georganiseerde concurrenten. De belastingaftrek is van toepassing op alle belangrijke coöperatievormen, en ten minste enkele daarvan zijn ook actief in markten binnen de EER. In dit verband merkt de Autoriteit op dat de consumentencoöperatie Coop NKL BA in de Noorse markt voor levensmiddelen een marktaandeel van 24 % heeft. Bovendien werkt Coop NKL BA op het gebied van inkoop en verwerking samen met de andere Scandinavische coöperatieve retailorganisaties.

Op grond hiervan concludeert de Autoriteit dat de aangemelde regeling de mededinging kan vervalsen en het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst ongunstig kan beïnvloeden.

2.5.   DE MEDEDELING VAN DE COMMISSIE OVER COÖPERATIES

De Noorse autoriteiten lijken te betogen dat de aangemelde regeling geen staatssteun vormt omdat de regeling in overeenstemming is met de beginselen die zijn neergelegd in de mededeling van de Commissie over coöperaties. De Noorse autoriteiten verwijzen in het bijzonder naar punt 3.2.6 van de mededeling van de Commissie, waarin de Commissie onder meer verklaart dat een specifieke fiscale behandeling van coöperaties kan worden verwelkomd. Dit punt luidt als volgt:

„Sommige lidstaten (zoals België, Italië en Portugal) vinden dat de beperkingen die inherent zijn aan de coöperatieve bedrijfsvorm een speciale fiscale behandeling rechtvaardigen. Een coöperatie is bijvoorbeeld niet beursgenoteerd, waardoor de aandelen niet in ruime kring kunnen worden gekocht en het vrijwel onmogelijk is om een vermogenswinst te realiseren. De aandelen worden ook a pari terugbetaald (geen speculatieve waarde) en het rendement (dividend) is meestal beperkt, wat nieuwe leden kan afschrikken. Bovendien gelden voor coöperaties vaak strenge reserve-eisen. Een aangepaste fiscale behandeling kan een oplossing zijn, maar de regels voor coöperaties moeten altijd zo worden opgesteld dat de bescherming of voordelen voor een bepaald type entiteit evenredig zijn met de wettelijke beperkingen, de sociale meerwaarde of de inherente beperkingen van de bedrijfsvorm, en mogen niet tot oneerlijke concurrentie leiden. Voorts mogen eventuele andere voordelen niet leiden tot oneigenlijk gebruik van de coöperatieve bedrijfsvorm om gegronde eisen qua informatieverstrekking of bedrijfsbestuur te omzeilen. De Commissie verzoekt de lidstaten een aangepaste en evenredige fiscale behandeling voor het eigen vermogen en de reserves van coöperaties te overwegen, die echter niet tot concurrentievervalsing mag leiden […].”.

De Autoriteit merkt echter op dat in punt 3.2.7 van de mededeling van de Commissie het volgende wordt verklaard: „Coöperaties met economische activiteiten worden beschouwd als ondernemingen in de zin van de artikelen 81, 82, 86, 87 en 88 van het EG-Verdrag. Ze vallen daardoor volledig onder de Europese regels voor mededinging en staatssteun, evenals de uitzonderingen, drempels en de-minimisregels.”.

Op grond hiervan is de Autoriteit van mening dat hoewel de specifieke kenmerken van coöperaties in aanmerking moeten worden genomen bij het onderzoeken van dit geval, er geen beroep kan worden gedaan op de mededeling van de Commissie, gelezen als geheel, om te betogen dat de staatssteun aan coöperaties buiten het toepassingsgebied van de staatssteunregels van de EER-overeenkomst valt.

De Autoriteit oordeelt daarom dat de mededeling van de Commissie over coöperaties, gelezen als geheel, geen wijziging nodig maakt van de conclusie dat de voorgestelde belastingmaatregel de coöperaties die onder de regeling vallen een voordeel verschaft.

2.6.   CONCLUSIE MET BETREKKING TOT DE AANWEZIGHEID VAN STAATSSTEUN

Op grond van de hierboven uiteengezette overwegingen is de Autoriteit tot de conclusie gekomen dat de aangemelde regeling betreffende belastingvoordelen voor bepaalde coöperatieve ondernemingen staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst vormt.

3.   PROCEDURELE EISEN

Krachtens artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol nr. 3 „wordt de Toezichthoudende Autoriteit van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken […]. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.”.

De Noorse autoriteiten meldden de voorgestelde regeling betreffende belastingvoordelen voor bepaalde coöperatieve ondernemingen aan bij brieven van 28 juni 2007 en 16 oktober 2007 en hebben de regeling niet ten uitvoer gelegd hangende de eindbeslissing van de Autoriteit.

De Autoriteit kan derhalve concluderen dat de Noorse autoriteiten aan hun verplichtingen krachtens artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol nr. 3 hebben voldaan.

4.   VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN

De Autoriteit merkt op dat de Noorse autoriteiten noch in de kennisgeving van de regeling, noch in hun opmerkingen naar aanleiding van het inleidingsbesluit van de Autoriteit argumenten met betrekking tot de verenigbaarheid van de steun hebben overgelegd. De Autoriteit heeft de verenigbaarheid van de aangemelde maatregel met artikel 61 van de EER-overeenkomst evenwel toch beoordeeld op basis van de tot haar beschikking staande informatie.

De Autoriteit is van mening dat geen van de in artikel 61, lid 2, van de EER-overeenkomst genoemde afwijkingen op het voorliggende geval van toepassing is.

Wat betreft de toepassing van artikel 61, lid 3, van de EER-overeenkomst, kan niet worden geoordeeld dat het belastingvoordeel voor coöperaties binnen het toepassingsgebied van artikel 61, lid 3, onder a), valt, aangezien geen van de Noorse regio’s voldoet aan de voorwaarden van deze bepaling, die een abnormaal lage levensstandaard of een ernstig gebrek aan werkgelegenheid vereist. Ook lijkt de regeling niet de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de Noorse economie op te heffen, zoals vereist is om te worden aangemerkt als verenigbaar op grond van artikel 61, lid 3, onder b).

Op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst kan een steunmaatregel verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst worden geacht wanneer deze de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën vergemakkelijkt, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De Autoriteit merkt op dat de maatregel niet beperkt is tot de regio’s die onderdeel zijn van de Noorse regionalesteunkaart en evenmin valt onder enige van de bestaande richtsnoeren inzake staatssteun met betrekking tot de verenigbaarheid met de EER-overeenkomst op grond van artikel 61, lid 3, onder c).

Aangezien geen enkele richtsnoer rechtstreeks op de aangemelde regeling van toepassing is, zal de Autoriteit de verenigbaarheid van de regeling rechtstreeks op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst beoordelen (53). De uitzonderingen van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst moeten strikt worden uitgelegd (54). Het zogeheten „beginsel van de compenserende rechtvaardiging” is bekrachtigd door het Europees Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak-Philip Morris  (55).

Bij het toetsen van de verenigbaarheid van staatssteun komt het in wezen aan op het afwegen van de negatieve effecten van de steun op de mededinging tegen de positieve effecten voor het gemeenschappelijk belang (56). Om als verenigbaar met artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst te kunnen worden verklaard, moet een staatssteunregeling:

gericht zijn op een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang,

goed genoeg zijn ontworpen om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te kunnen verwezenlijken, en in dat opzicht een geschikt instrument zijn, dat een stimulerend effect heeft en evenredig is,

de mededinging en het handelsverkeer in de EER niet zodanig vervalsen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad (57).

De Autoriteit dient te beoordelen of de doelstelling die met de maatregel wordt nagestreefd noodzakelijk is, in overeenstemming is met het gemeenschappelijk belang, en indien dit het geval is, de minst vervalsende methode is om die doelstelling te verwezenlijken.

De Noorse autoriteiten hebben betoogd dat het uiteindelijke doel van de aangemelde regeling het in stand houden van de coöperatieve vorm is. De Noorse autoriteiten stellen dat het vergemakkelijken van de toegang tot eigen vermogen voor de coöperaties van essentieel belang is om deze doelstelling te verwezenlijken.

De Autoriteit erkent dat coöperaties bepaalde specifieke kenmerken hebben, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie over coöperaties. De Commissie verklaart in de mededeling dat het bevorderen van het coöperatieve model in beginsel kan leiden tot een efficiëntere werking van de economie en positieve sociale effecten kan hebben. De Commissie lijkt in de mededeling aan te geven dat, gezien deze positieve sociale effecten en de positieve effecten op het gebied van de brede rechtvaardigheid en coördinatie die het coöperatieve model geacht wordt teweeg te brengen, en die anders niet beschikbaar zouden zijn in de markt, de instandhouding van het coöperatieve model kan worden gezien als een doelstelling van algemeen belang. Bovendien wordt nadrukkelijk gewezen op de potentiële rol van het coöperatieve model als middel om de economische invloed van het midden- en kleinbedrijf (mkb) op de markt te helpen opbouwen of vergroten, diensten te leveren die naar winst strevende ondernemingen niet zouden aanbieden en bij te dragen aan de ontwikkeling van een kennismaatschappij (58). Daarbij dient echter te worden bedacht dat de definitie van een coöperatie in de mededeling van de Commissie relatief strikt is, aangezien de mededeling voornamelijk betrekking lijkt te hebben op zuiver wederkerige coöperaties (59).

Op grond hiervan is de Autoriteit van oordeel dat de regeling is gericht op een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang voor zover de regeling is gericht op zuiver wederkerige coöperaties.

De tweede stap is dat de Autoriteit dient te beoordelen of de steunmaatregel goed genoeg is ontworpen om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te kunnen verwezenlijken, in dit geval het in stand houden van de coöperatieve vorm door de toegang tot eigen vermogen van de coöperaties te vergemakkelijken.

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen zuiver wederkerige en niet-zuiver wederkerige coöperaties, waarbij moet worden opgemerkt dat wederkerigheid het belangrijkste kenmerk van coöperaties is. Hoe meer een coöperatie wordt gekenmerkt door wederkerigheid, hoe meer die coöperatie kan worden beschouwd als verschillend van naar winst strevende ondernemingen. De doelstelling van gemeenschappelijk belang van het in stand houden van coöperaties als omschreven in de mededeling van de Commissie over coöperaties kan derhalve het best worden verwezenlijkt door steun te verlenen aan coöperaties die werkelijk wederkerig zijn.

Wat betreft het begrip wederkerigheid betwijfelt de Autoriteit of het voor een coöperatie, om als wederkerig in de zin van de mededeling van de Commissie over coöperaties te worden beschouwd, voldoende is dat de coöperatie hoofdzakelijk zakelijk verkeer met haar leden heeft. De Autoriteit is van mening dat de kwalificatie van een coöperatie als werkelijk wederkerig mede afhankelijk is van een aantal factoren, zoals de frequentie van de contacten tussen de coöperatie en haar leden, de actieve betrokkenheid van de leden bij het beheer van de coöperatie, de actieve betrokkenheid van de leden bij het bestuur en de besluitvorming van de coöperatie, de omstandigheid dat het lidmaatschap van de coöperatie niet-automatisch is, maar dient te worden aangevraagd en door de bestaande leden moet worden goedgekeurd, de omstandigheid dat een groot deel van de bonussen die aan de leden worden uitgekeerd in verhouding staat tot de winst, de omstandigheid dat een groot deel van de voordelen voor de leden wordt gereserveerd in vergelijking met de voordelen voor klanten die geen leden zijn enz. In de opvatting van de Autoriteit moeten deze en vergelijkbare criteria in aanmerking worden genomen bij het beantwoorden van de vraag of een coöperatie werkelijk wederkerig is.

De Autoriteit merkt op dat enkele coöperaties die onder de onderhavige regeling komen te vallen zuiver wederkerige coöperaties zijn, terwijl andere grotendeels wederkerige coöperaties zijn. Wat betreft de consumentencoöperaties wordt in het ontwerphoofdstuk 10-50 van de Noorse Belastingwet verklaard dat alleen zuiver wederkerige coöperaties onder de regeling vallen (60). In het onderhavige geval lijkt het er derhalve op dat het zuiver wederkerige karakter van enkele van de coöperaties die onder de aangemelde regeling vallen twijfelachtig is. Zo houdt een groot deel van de transacties van bepaalde coöperaties die onder de regeling vallen geen verband met het zakelijke verkeer met de leden, maar met zakelijk verkeer met andere klanten. Voorts zal de actieve betrokkenheid van de leden bij het beheer van de activiteiten en het bestuur van de coöperatie door de omvang van enkele coöperaties die onder de regeling vallen beperkt zijn. Bovendien lijkt het lidmaatschap in hoge mate automatisch te zijn, althans waar het consumenten- en woningbouwcoöperaties betreft. Vandaar dat de regeling naar het oordeel van de Autoriteit niet alleen is ontworpen voor coöperaties met een sterk wederkerig karakter.

Bovendien moet in het kader van de beoordeling of de regeling goed genoeg is ontworpen om de doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken worden vastgesteld of de op de verwezenlijking van deze doelstelling gerichte activiteit extra kosten met zich meebrengt die door de steun worden gecompenseerd. De Autoriteit merkt op dat de Noorse autoriteiten geen gegevens hebben overgelegd die de Autoriteit in staat stellen om de kosten die een onderneming moet maken om de coöperatieve vorm aan te nemen direct of indirect te kwantificeren. De Autoriteit kan daarom ook onmogelijk beoordelen of de steun noodzakelijk en evenredig aan de nagestreefde doelstelling is.

Anderzijds merkt de Autoriteit in positieve zin op dat de voorgestelde belastingaftrek volgens de kennisgeving slechts zal worden verleend met betrekking tot inkomen dat afkomstig is van het zakelijke verkeer met leden en gelijkwaardig zakelijk verkeer. Bovendien wordt in de aangemelde regeling als voorwaarde voor het ontvangen van steun in het kader van de regeling gesteld dat er aparte boekhoudingen worden gevoerd van het zakelijke verkeer met de leden en het zakelijke verkeer met anderen.

Desalniettemin betwijfelt de Autoriteit, om de hierboven genoemde redenen, of de aangemelde regeling goed genoeg is ontworpen om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te kunnen verwezenlijken, te weten het in stand houden van de coöperatieve vorm, en met name van zuiver wederkerige coöperaties, door de toegang tot eigen vermogen voor deze coöperaties te vergemakkelijken.

Tot slot moet worden beoordeeld of het potentieel om de mededinging te vervalsen en het handelsverkeer in de Europese Economische Ruimte negatief te beïnvloeden van een zodanige aard is dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

Met betrekking tot de mogelijke vervalsing van de mededinging en de mogelijke negatieve beïnvloeding van het handelsverkeer merkt de Autoriteit op dat de regeling moet worden aangemerkt als steun voor de bedrijfsvoering, aangezien de regeling de begunstigden verlost van lasten die door ondernemingen normaliter worden gedragen bij de gewone uitvoering van hun commerciële activiteiten, in dit geval lasten in verband met de vennootschapsbelasting.

Steun voor de bedrijfsvoering kan slechts bij uitzondering worden beschouwd als verenigbaar met de EER-overeenkomst, namelijk indien deze steun de verwezenlijking van een doelstelling van gemeenschappelijk belang dichterbij brengt die anders niet zou kunnen worden verwezenlijkt. De Autoriteit betwijfelt of de door de Noorse autoriteiten nagestreefde doelstelling van het in stand houden van het coöperatieve ondernemingsmodel door de toegang van coöperaties tot eigen vermogen te vergemakkelijken niet kan worden verwezenlijkt door middel van andere, meer evenredige maatregelen. De Autoriteit benadrukt het feit dat enkele van de coöperaties die onder de regeling vallen grote ondernemingen zijn die in sterk concurrerende markten binnen de EER actief zijn.

Zoals hierboven is opgemerkt, is de Autoriteit van oordeel dat de regeling is gericht op een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang, althans voor zover de regeling is gericht op zuiver wederkerige coöperaties. Het lijkt er echter op dat het zuiver wederkerige karakter van enkele van de coöperaties die onder de regeling vallen geen gegeven is. Om die reden is de Autoriteit van oordeel dat de steun niet kan worden beschouwd als goed gericht. Voorts bevindt de Autoriteit zich niet in een positie om te beoordelen of de steun noodzakelijk en evenredig aan de nagestreefde doelstelling is.

Op grond van het bovenstaande oordeelt de Autoriteit dat, ook al kan de doelstelling van de regeling worden beschouwd als een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang, de Noorse autoriteiten niet hebben aangetoond dat de positieve effecten van de steun zullen opwegen tegen de negatieve effecten ervan. De regeling kan derhalve niet worden beschouwd als verenigbaar met artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst.

5.   CONCLUSIE

Op grond van de voorgaande beoordeling oordeelt de Autoriteit dat de aangemelde belastingvrijstelling voor bepaalde coöperatieve ondernemingen staatssteun vormt die onverenigbaar is met de staatssteunregels van de EER-overeenkomst.

De Autoriteit wenst te benadrukken dat het voorliggende besluit, als uiteengezet in paragraaf II-1 hierboven, niet van toepassing is op coöperaties die actief zijn in de landbouw en de visserij voor zover de activiteiten van deze coöperaties buiten het toepassingsgebied van de staatssteunregels van de EER-overeenkomst vallen,

BESLUIT:

Artikel 1

De geplande regeling betreffende belastingvrijstellingen voor bepaalde coöperatieve ondernemingen vormt staatssteun die onverenigbaar is met de werking van de EER-overeenkomst in de zin van artikel 61 van de EER-overeenkomst.

Artikel 2

De aangemelde regeling mag niet ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Noorwegen.

Artikel 4

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2009.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Per SANDERUD

Voorzitter

Kristján A. STEFÁNSSON

Lid van het College


(1)  Hierna „de Autoriteit” genoemd.

(2)  Hierna „de EER-overeenkomst” genoemd.

(3)  Hierna „de Toezichtovereenkomst” genoemd.

(4)  Hierna „Protocol nr. 3” genoemd.

(5)  Richtsnoeren voor de toepassing en uitlegging van de artikelen 61 en 62 van de EER-overeenkomst en artikel 1 van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst, aangenomen en uitgevaardigd door de Autoriteit op 19 januari 1994, bekendgemaakt in PB L 231 van 3.9.1994, blz. 1 en EER-supplement nr. 32 van 3.9.1994, hierna „de richtsnoeren staatssteun” genoemd.

(6)  Besluit nr. 195/04/COL van 14 juli 2004, bekendgemaakt in PB L 139 van 25.5.2006, blz. 37, en EER-supplement nr. 26 van 25.5.2006, blz. 1, als gewijzigd. De geactualiseerde versie van de richtsnoeren staatssteun is gepubliceerd op de website van de Autoriteit: http://www.eftasurv.int/stateaid/legal-framework/stateaid-guidelines/

(7)  Bekendgemaakt in PB C 96 van 17.4.2008, blz. 27, en EER-supplement nr. 20 van 17.4.2008, blz. 44.

(8)  Voor meer gedetailleerde informatie over de correspondentie tussen de Autoriteit en de Noorse autoriteiten wordt verwezen naar het besluit van de Autoriteit om de formele onderzoeksprocedure in te leiden, Besluit nr. 719/07/COL, bekendgemaakt in PB C 96 van 17.4.2008, blz. 27, en EER-supplement nr. 20 van 17.4.2008, blz. 44.

(9)  Zie voetnoot 8 voor de verwijzing naar het PB-nummer.

(10)  Paragraaf I-5 hieronder.

(11)  Punt 12.2 van het voorstel van de Noorse regering van 29 september 2006 (Ot.prp. nr. 1 (2006-2007) Skatte- og avgiftsopplegget 2007 — lovendringer).

(12)  Ot.prp. nr. 1 (2006-2007) Skatte- og avgiftsopplegget 2007 — lovendringer.

(13)  Niet-officiële vertaling door de Autoriteit. De oorspronkelijke Noorse tekst luidt als volgt: „[…] I tillegg kan det gis fradrag for avsetning til felleseid andelskapital med inntil 15 prosent av inntekten. Fradrag gis bare i inntekt av omsetning med medlemmene. Omsetning med medlemmene og likestilt omsetning må fremgå av regnskapet og kunne legitimeres.”.

(14)  Paragraaf 28 van de Noorse Wet inzake coöperatieve ondernemingen.

(15)  Paragraaf 29 van de Noorse Wet inzake coöperatieve ondernemingen.

(16)  De Noorse autoriteiten hebben verklaard dat deze bepaling alleen relevant is voor coöperaties waarvan de activiteiten buiten het toepassingsgebied van de EER-overeenkomst vallen, zie ook de brief van 6 juli 2009 van de Noorse autoriteiten (feit nr. 523765), blz. 3. Op basis hiervan zal de Autoriteit geen analyse maken van het begrip „gelijkwaardig zakelijk verkeer”.

(17)  Lov 6. juni 2003 No 38 Lov om bustadbyggjelag (bustadbyggjelagslova).

(18)  Lov 29. juni 2007 No 8l Lov om samvirkeforetak (samvirkelova).

(19)  Vertaling van de website van het Noorse Coöperatiecentrum: www.samvirke.org.

(20)  De informatie in deze paragraaf is grotendeels gebaseerd op de website van het Noorse Coöperatiecentrum, een informatie-, documentatie- en adviescentrum met betrekking tot coöperaties, dat eigendom is van de belangrijkste coöperatieve organisaties van Noorwegen: www.samvirke.org.

(21)  Lov 14. desember 1951 No 3 om omsetning av råfisk (Råfiskloven), zie met name ook hoofdstuk 3.

(22)  Rt. 1917, blz. 627 en Rt. 1927, blz. 869.

(23)  Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE), (PB L 207 van 18.8.2003, blz. 1).

(24)  Brief van 20 februari 2008 van de Noorse autoriteiten (feit nr. 465882), blz. 2.

(25)  Beschikking van de Commissie in zaak C 2/2006 OTE.

(26)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de bevordering van coöperatieve vennootschappen in Europa, COM(2004)18 van 23 februari 2004, hierna „de mededeling van de Commissie over coöperaties” genoemd.

(27)  Zaak E-6/98 Noorwegen/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, 1999, Verslag van het EVA-Hof, blz. 76, punt 34; gevoegde zaken E-5/04, E-6/04 en E-7/04 Fesil en Finnfjord, PIL en anderen en Noorwegen/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, 2005, Verslag van het EVA-Hof, blz. 121, punt 76; zaak 173/73 Italië/Commissie, Jurisprudentie 1974, blz. 709, rechtsoverweging 13; en zaak C-241/94 Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1996, blz. I-4551, punt 20.

(28)  Zie met name zaak C-143/99 Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke, Jurispr. 2001, blz. I-8365, punt 38; zaak C-501/00 Spanje/Commissie, Jurispr. 2004, blz. I-6717, punt 90; en zaak C-66/02 Italië/Commissie, Jurispr. 2005, blz. I-10901, punt 77.

(29)  Zie hiervoor zaak C-387/92 Banco Exterior de España, Jurispr. 1994, blz. I-877, punt 14; en zaak C-222/04 Cassa di Risparmio di Firenze en anderen, Jurispr. 2006, blz. I-289, punt 132.

(30)  Zaak C-222/04 Cassa di Risparmio di Firenze en anderen, Jurispr. 2006, blz. I-289, punt 107 en volgende, en de hier aangehaalde jurisprudentie.

(31)  Zaak C-487/06 P, British Aggregates Association/Commissie, punt 82 en volgende; zaak C-409/00 Spanje/Commissie, Jurispr. 2003, blz. I-1487, punt 47; gevoegde zaken C-428/06 tot en met C-434/06 UGT-Rioja en anderen, nog niet bekendgemaakt, punt 46.

(32)  Zaken T-211/04 en T-215/04 Regering van Gibraltar/Commissie, nog niet bekendgemaakt, punt 143.

(33)  Zaak C-75/97 België/Commissie, Jurispr. 1999, blz. I-3671, punten 28-31.

(34)  Zaken T-211/04 en T-215/04, Regering van Gibraltar/Commissie, nog niet bekendgemaakt, punt 143 met verdere verwijzingen.

(35)  Punt 1.1 van de mededeling van de Commissie over coöperaties.

(36)  Zaak 173/73 Italië/Commissie, Jurisprudentie 1974, blz. 709, rechtsoverweging 33; zaak C-143/99 Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke, Jurispr. 2001, blz. I-8365, punt 42.

(37)  Zaak E-6/98 Noorwegen/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, hierboven genoemd, punt 38; gevoegde zaken E-5/04, E-6/04 en E-7/04 Fesil en Finnfjord, PIL en anderen en Noorwegen/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, hierboven genoemd, punten 84 en 85; gevoegde zaken T-127/99, T-129/99 en T-148/99 Territorio Histórico de Alava et a/Commissie, Jurispr. 2002, blz. II-1275, punt 163; zaak C-143/99 Adria-Wien Pipeline, Jurispr. 2001, blz. I-8365, punt 42; zaak T-308/00 Salzgitter/Commissie, Jurispr. 2004, blz. II-1933, punt 42; zaak C-172/03 Wolfgang Heiser, Jurispr. 2005, blz. I-1627, punt 43.

(38)  Zaken T-211/04 en T-215/04 regering van Gibraltar/Commissie, nog niet bekendgemaakt, punt 144 met verdere verwijzingen.

(39)  Zaak C-159/01 Nederland/Commissie, Jurispr. 2004, blz. I-4461, punten 43 tot en met 47.

(40)  Zie paragraaf I-2.3 hierboven.

(41)  Zaak C-241/94 Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1996, blz. I-4551, punt 21, en zaak C-342/96 Spanje/Commissie, Jurispr. 1999, blz. I-2459, punt 23.

(42)  Ot.prp. nr. 1 (2006-2007) Skatte- og avgiftsopplegget 2007 - lovendringer.

(43)  Zaak C-487/06 P, British Aggregates Association/Commissie, punt 92.

(44)  In dit verband verwijst de Autoriteit naar de beschikking van de Commissie in de zaak met betrekking tot een Deense regeling voor compensatie voor CO2-belasting, zaak C 41/2006 (ex N 318/2004), nog niet bekendgemaakt, waarin de Commissie verklaart dat de regeling in kwestie geldt voor slechts enkele van de ondernemingen die zich in de feitelijke situatie bevinden die de regeling volgens de Deense autoriteiten zou moeten rechtzetten. De Commissie ziet dit als een afwijking van de algemene opzet die volgens de Deense autoriteiten van toepassing zou moeten zijn en concludeert dat de regeling derhalve niet in overeenstemming met deze opzet is.

(45)  Gevoegde zaken T-92/00 en T-103/00, Territorio Histórico de Álava - Diputación Foral de Álava en anderen/Commissie, Jurispr. 2002, blz. II-1385, punt 58.

(46)  Zaak C-222/04, Cassa di Risparmio di Firenze, Jurispr. 2006, blz. I-289, punten 134 tot en met 138; zaak C-148/04 Unicredito Italiano, Jurispr. 2005, blz. I-11137, punten 48 en 49.

(47)  De Noorse autoriteiten verwijzen naar de conclusie van advocaat-generaal Fennelly in zaak 251/97 Franse Republiek/Commissie om hun argumentatie te rechtvaardigen. Volgens deze argumentatie, die de Franse autoriteiten in deze zaak naar voren hebben gebracht, is het in essentie mogelijk om te betogen dat wanneer de overheid in het algemene publieke belang goederen of diensten of meer immateriële voordelen verwerft tegen marktprijzen, er geen enkel steunelement is, of dat er sprake is van steun die althans potentieel verenigbaar is. Zie punt 20 van het advies. De advocaat-generaal volgde de argumentatie van de Franse autoriteiten echter niet in deze zaak.

(48)  Punt 2.1.1 van de mededeling van de Commissie over coöperaties.

(49)  Zaak T-157/01 Danske Busvognmænd/Commissie, Jurispr. 2004, blz. II-917.

(50)  Zaak 30/59 Gezamenlijke Steenkolenmijnen, Jurispr. 1961, blz. 3, 29-30; zaak C-173/73 Italië/Commissie, Jurisprudentie 1974, blz. 709, rechtsoverwegingen 12 en 13; zaak C-241/94 Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1996, blz. I-4551, punten 25 en 35; zaak C-251/97 Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1999, blz. I-6639, punten 41, 46 en 47, en de beschikkingen van de Commissie in zaak C 2/2006 OTE, punt 92.

(51)  Zaak C-372/97 Italië/Commissie, Jurispr. 2004, blz. I-3679, punt 44; zaak C-66/02 Italië/Commissie, punt 111, en zaak C-148/04 Unicredito Italiano, Jurispr. 2005, blz. I-11137, punt 54.

(52)  Zaak C-66/02 Italië/Commissie, hierboven genoemd, punten 115 en 117, en zaak C-148/04 Unicredito Italiano, hierboven genoemd, punten 56 en 58.

(53)  Zaak T-288/97, Regione Autonoma Friuli Venezia Giulia/Commissie, Jurispr. 2001, blz. II-1169, punt 72.

(54)  Zaak C-301/96 Duitsland/Commissie, Jurispr. 2003, blz. I-9919, punten 66 en 105.

(55)  Zaak 730/79 Philip Morris/Commissie, Jurispr. 1980, blz. I-2671.

(56)  Zie het Actieplan Staatssteun van de Commissie, van 7 juni 2005, COM(2005) 107, punt 11.

(57)  Zie de beschikking van de Commissie van 24 januari 2007, C(2006) 6630, in zaak N 270/06, punt 67.

(58)  Punt 2.1.1 van de mededeling van de Commissie over coöperaties.

(59)  Paragraaf II-2.3.1 hierboven.

(60)  Deze voorwaarde is niet van toepassing op andere coöperaties, en de Autoriteit beschikt niet over informatie over de vraag of niet-grotendeels wederkerige coöperaties in andere sectoren onder de regeling komen te vallen.


Rectificaties

16.6.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/54


Rectificatie van Verordening (EU) nr. 446/2011 van de Commissie van 10 mei 2011 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde vetalcoholen en mengsels daarvan, van oorsprong uit India, Indonesië en Maleisië

( Publicatieblad van de Europese Unie L 122 van 11 mei 2011 )

Bladzijde 61, artikel 1, lid 2:

in plaats van:

„VVF Limited, Sion (East), Mumbai”,

te lezen:

„VVF Ltd., Taloja, Maharashtra”.