ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2011.090.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 90

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
6 april 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2011/213/EU

 

*

Besluit van de Raad van 9 maart 2011 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Japan betreffende samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie

1

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Japan op het gebied van wetenschap en technologie

2

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 327/2011 van de Commissie van 30 maart 2011 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de eisen inzake ecologisch ontwerp voor door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW ( 1 )

8

 

*

Verordening (EU) nr. 328/2011 van de Commissie van 5 april 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, wat statistieken over doodsoorzaken betreft ( 1 )

22

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 329/2011 van de Commissie van 5 april 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

25

 

 

BESLUITEN

 

 

2011/214/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 1 april 2011 tot wijziging van de bijlagen II en IV bij Richtlijn 2009/158/EG van de Raad tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2068)  ( 1 )

27

 

 

2011/215/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 4 april 2011 ter uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft het overladen in de grensinspectiepost van binnenkomst van zendingen producten, bestemd voor invoer in de Unie of voor derde landen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2067)  ( 1 )

50

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

 

2011/216/EU

 

*

Besluit nr. 1/2011 van het Gemengd Landbouwcomité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten van 31 maart 2011 betreffende de wijziging van bijlage 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten

53

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

6.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 9 maart 2011

betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Japan betreffende samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie

(2011/213/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 186, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), punt v),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft namens de Europese Gemeenschap onderhandeld over een overeenkomst betreffende samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie met de regering van Japan.

(2)

Die overeenkomst is door de vertegenwoordigers van de partijen op 30 november 2009 te Brussel ondertekend, onder voorbehoud van sluiting ervan op een latere datum.

(3)

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is de Europese Unie in de plaats getreden van de Gemeenschap waarvan zij de opvolgster is.

(4)

De overeenkomst moet namens de Unie worden gesloten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Japan betreffende samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie wordt namens de Unie goedgekeurd.

De tekst van de Overeenkomst is gehecht aan dit besluit.

Artikel 2

De Commissie stelt het standpunt van de Unie dat in het bij artikel 6, lid 1, van de overeenkomst ingestelde Gemengd Comité met betrekking tot wijzigingen van de overeenkomst overeenkomstig artikel 13, lid 5, van de overeenkomst moet worden ingenomen, vast.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 13, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving en doet de volgende kennisgeving aan de regering van Japan:

„Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is de Europese Unie in de plaats getreden van de Europese Gemeenschap waarvan zij de opvolgster is en met ingang van die datum oefent zij alle rechten van de Europese Gemeenschap uit en neemt zij al haar verplichtingen over. Derhalve dienen alle verwijzingen in de tekst van de overeenkomst naar „de Europese Gemeenschap” waar passend gelezen te worden als „de Europese Unie”.”

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

CSÉFALVAY Z.


OVEREENKOMST

tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Japan op het gebied van wetenschap en technologie

DE EUROPESE GEMEENSCHAP (hierna „de Gemeenschap” genoemd)

en

DE REGERING VAN JAPAN;

WENSENDE de bestaande nauwe en vriendschappelijke betrekkingen tussen Japan en de Gemeenschap verder te bevorderen en zich bewust van de snelle uitbreiding van de wetenschappelijke kennis en de positieve bijdrage ervan tot de bevordering van bilaterale en internationale samenwerking;

WENSENDE het terrein van wetenschappelijke en technologische samenwerking op een aantal gebieden van gemeenschappelijk belang te verbreden door het opzetten van een productief partnerschap voor vreedzame doeleinden en wederzijds voordeel;

GELOVENDE dat deze samenwerking en de toepassing van de resultaten van deze samenwerking zullen bijdragen tot de economische en sociale ontwikkeling van Japan en de Gemeenschap;

VERLANGENDE een formeel kader in te stellen voor de uitvoering van de algemene samenwerkingsactiviteiten die de samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie tussen de partijen zullen versterken,

ZIJN OVEREENGEKOMEN HETGEEN VOLGT:

Artikel 1

1.   De partijen bevorderen, ontwikkelen en vergemakkelijken in het kader van deze overeenkomst samenwerkingsactiviteiten op wetenschappelijk en technologisch gebied voor vreedzame doeleinden.

2.   De samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst worden uitgevoerd op basis van de volgende beginselen:

a)

wederzijdse en billijke bijdragen en voordelen;

b)

wederkerige toegang tot programma’s en -projecten voor onderzoek en ontwikkeling en faciliteiten voor gastonderzoekers;

c)

tijdige uitwisseling van informatie die van invloed kan zijn op de samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst;

d)

bevordering van een kennismaatschappij ten voordele van de economische en sociale ontwikkeling van Japan en de Gemeenschap.

Artikel 2

1.   De samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst bestaan uit directe samenwerkingsactiviteiten en indirecte samenwerkingsactiviteiten.

2.   Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)   „de partijen”: de regering van Japan en de Gemeenschap;

b)   „directe samenwerkingsactiviteiten”: samenwerkingsactiviteiten tussen de partijen of hun instanties;

c)   „indirecte samenwerkingsactiviteiten”: samenwerkingsactiviteiten tussen personen van Japan en de Gemeenschap die in het kader van programma’s en projecten voor onderzoek en ontwikkeling worden uitgevoerd;

d)   „programma’s en projecten voor onderzoek en ontwikkeling”: het door de Gemeenschap beheerde Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling of de door de regering van Japan, haar instanties of officiële instellingen beheerde programma’s en projecten voor onderzoek en ontwikkeling met het competitieve financieringssysteem;

e)   „personen”:

i)

met betrekking tot Japan, alle staatsburgers van Japan of alle krachtens de nationale wetten van Japan opgerichte rechtspersonen, en

ii)

met betrekking tot de Gemeenschap, alle staatsburgers van de lidstaten van de Gemeenschap of alle krachtens de nationale wetten van de lidstaten van de Gemeenschap of het communautaire recht opgerichte rechtspersonen;

f)   „instanties”:

i)

met betrekking tot Japan, de overheidsinstanties van Japan, en

ii)

met betrekking tot de Gemeenschap, de Commissie;

g)   „officiële instellingen”: officiële instellingen waarvan de begroting en het beheersplan door de bevoegde ministers van de Japanse regering zijn goedgekeurd en waarvan de programma’s en projecten voor onderzoek en ontwikkeling op basis van het competitieve financieringssysteem met hun instemming in die programma’s en projecten voor indirecte samenwerkingsactiviteiten zijn opgenomen;

h)   „intellectueel eigendom”: hetgeen hieronder verstaan wordt in artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor intellectuele eigendom, gedaan te Stockholm op 14 juli 1967.

Artikel 3

1.   Directe samenwerkingsactiviteiten kunnen de volgende vorm aannemen:

a)

bijeenkomsten in verschillende vormen, zoals bijeenkomsten van deskundigen, om te discussiëren en informatie uit te wisselen over wetenschappelijke en technologische aspecten van algemene of specifieke thema’s en om projecten en programma’s voor onderzoek en ontwikkeling vast te stellen waarvan de uitvoering in samenwerkingverband nuttig kan zijn;

b)

uitwisseling van informatie over activiteiten, beleidslijnen, werkmethoden en wet- en regelgeving betreffende onderzoek en ontwikkeling;

c)

bezoeken en uitwisselingen van wetenschappers, technisch personeel of andere deskundigen in verband met algemene of specifieke thema’s;

d)

uitvoering van alle andere vormen van samenwerkingsactiviteiten als door het in artikel 6 van deze overeenkomst genoemd Gemengd Comité voor wetenschappelijke en technologische samenwerking kunnen worden vastgesteld, voorgesteld en aangenomen.

2.   In het kader van de ontwikkeling van indirecte samenwerkingsactiviteiten kan elke persoon van een partij overeenkomstig de wet- en regelgeving van de andere partij en behoudens de bijlagen I en II van deze overeenkomst deelnemen aan programma’s en projecten voor onderzoek en ontwikkeling die door de andere partij, haar instanties of officiële instellingen worden beheerd.

Artikel 4

De nadere regels en procedures voor elke samenwerkingsactiviteit in het kader van deze overeenkomst kunnen door de bij die samenwerkingsactiviteiten betrokken partijen, hun instanties of officiële instellingen worden aangenomen.

Artikel 5

Met betrekking tot de directe samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst kan elke partij of haar instanties, met instemming van de andere partij of haar instanties, in voorkomend geval de deelname toestaan van onderzoekers en organisaties uit alle sectoren van het onderzoeksbestel inclusief de marktsector.

Artikel 6

1.   Voor de effectieve uitvoering van deze overeenkomst richten de partijen een Gemengd Comité voor wetenschappelijke en technologische samenwerking op (hierna „het Gemengd Comité” genoemd). Het Gemengd Comité wordt gezamenlijk voorgezeten door ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken van Japan en van de Commissie.

2.   Het Gemengd Comité heeft de volgende taken:

a)

uitwisselen van informatie en zienswijzen over wetenschappelijke en technologische beleidskwesties;

b)

vaststellen, voorstellen en aannemen van de samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst;

c)

evalueren en bespreken van de resultaten van de samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst;

d)

adviseren en aanmoedigen van de partijen met betrekking tot de uitvoering van deze overeenkomst;

e)

regelmatig evalueren van de wederkerige toegang tot de programma’s en projecten voor onderzoek en ontwikkeling en regelingen voor gastonderzoekers en onderzoeken van concrete maatregelen om die toegang te verbeteren en om de toepassing van het in artikel 1 van deze overeenkomst vermelde wederkerigheidsbeginsel te verzekeren.

3.   De besluiten van het Gemengd Comité komen in gemeenschappelijk overleg tot stand.

4.   Het Gemengd Comité vergadert op wederzijds geschikte tijden, bij voorkeur ten minste eenmaal om de twee jaar.

5.   De regering van Japan en de Gemeenschap treedt afwisselend als gastheer op voor vergaderingen van het Gemengd Comité.

6.   De reis- en verblijfkosten van deelnemers aan vergaderingen van het Gemengd Comité worden gedragen door de partij waarop deze betrekking hebben. Alle andere kosten in verband met de vergaderingen van het Gemengd Comité worden gedragen door de gastpartij.

7.   Het Gemengd Comité stelt zijn reglement van orde vast.

8.   Het Gemengd Comité kan langs diplomatieke kanalen beslissingen nemen wanneer het niet vergadert.

Artikel 7

Deze overeenkomst wordt uitgevoerd onder voorbehoud van de beschikbaarheid van gereserveerde middelen en de toepasselijke wet- en regelgeving van elke partij.

Artikel 8

1.   Niet eigendomsrechtelijk beschermde wetenschappelijke en technologische informatie die voortkomt uit directe samenwerkingsactiviteiten kan door elke partij langs de gebruikelijke kanalen en overeenkomstig de normale procedures van de deelnemende instanties publiek worden gemaakt.

2.   Rechten van intellectueel eigendom en geheime informatie voortvloeiend uit, gecreëerd in de loop van of verkregen via de samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage II van deze overeenkomst.

Artikel 9

Elke partij spant zich tot het uiterste in om, in het kader van haar wet- en regelgeving, aan de personen die de samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze overeenkomst uitvoeren alle mogelijke faciliteiten toe te kennen om het vrije verkeer en verblijf van aan deze samenwerkingsovereenkomsten deelnemende onderzoekers en het binnen en buiten haar grondgebied brengen van materialen, gegevens en apparatuur bestemd voor gebruik bij deze samenwerkingsactiviteiten te vergemakkelijken.

Artikel 10

De bepalingen van deze overeenkomst doen geen afbreuk aan rechten en verplichtingen op grond van bestaande en toekomstige overeenkomsten voor samenwerking tussen de partijen of tussen de regering van Japan en de regering van een lidstaat van de Gemeenschap.

Artikel 11

Alle zaken of geschillen in verband met de interpretatie of uitvoering van deze overeenkomst worden door de partijen in onderling overleg geregeld.

Artikel 12

De bijlagen I en II van deze overeenkomst maken integrerend deel uit van deze overeenkomst.

Artikel 13

1.   Deze overeenkomst treedt in werking op de datum waarop de partijen diplomatieke nota’s uitwisselen waarin zij elkaar ervan in kennis stellen dat hun respectieve voor de inwerkingtreding van de overeenkomst noodzakelijke interne procedures zijn voltooid.

2.   Deze overeenkomst blijft van kracht gedurende vijf jaar en blijft daarna van kracht tenzij de ene partij aan het einde van de eerste periode van vijf jaar of op enig moment daarna de overeenkomst opzegt door de andere partij ten minste zes maanden van te voren schriftelijk in kennis te stellen van haar voornemen om deze overeenkomst op te zeggen.

3.   De opzegging van deze overeenkomst heeft geen invloed op de uitvoering van de samenwerkingsactiviteiten die in het kader van deze overeenkomst zijn ondernomen en op het moment van de opzegging van deze overeenkomst niet volledig zijn uitgevoerd, noch op specifieke rechten en verplichtingen die zijn ontstaan met inachtneming van bijlage II van deze overeenkomst.

4.   Elke partij kan het effect van deze overeenkomst en activiteiten in het kader van deze overeenkomst om de vijf jaar evalueren en de partij die dit doet stelt de andere partij van de resultaten van de evaluatie in kennis. Elke partij spant zich tot het uiterste in om de door de andere partij uitgevoerde evaluatie te vergemakkelijken.

5.   Deze overeenkomst kan in onderling overleg tussen de partijen worden gewijzigd door middel van de uitwisseling van diplomatieke nota’s. Wijzigingen treden in werking onder dezelfde voorwaarden als vermeld in lid 1, tenzij door de partijen anders is overeengekomen.

Deze overeenkomst en de daarbij behorende bijlagen I en II zijn opgesteld in twee exemplaren in de Japanse, Bulgaarse, Tsjechische, Deense, Nederlandse, Engelse, Estse, Finse, Franse, Duitse, Griekse, Hongaarse, Italiaanse, Letse, Litouwse, Maltese, Poolse, Portugese, Roemeense, Slowaakse, Sloveense, Spaanse en Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Bij interpretatieverschillen hebben de Japanse en Engelse tekst voorrang op de teksten in de andere talen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door onderscheidenlijk de Europese Gemeenschap en de Regering van Japan, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

Gedaan te Brussel de dertigste november 2009.

Voor de Europese Gemeenschap

Image

Voor de Regering van Japan

Image

BIJLAGE I

VOORWAARDEN BETREFFENDE DE DEELNAME VAN PERSONEN AAN PROGRAMMA’S EN PROJECTEN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING

I.

Als binnen het raam van deze overeenkomst een partij, haar instanties of officiële instellingen met een persoon van de andere partij een contract voor programma’s en projecten voor onderzoek en ontwikkeling sluit, poogt de andere partij desgevraagd alle redelijke en mogelijke bijstand te verstrekken die voor de eerste partij, haar instanties of officiële instellingen nodig of nuttig kan zijn voor de vlotte uitvoering van dit contract.

II.

Personen van Japan kunnen deelnemen aan het door de Gemeenschap beheerde Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling. Deze deelname van personen van Japan dient in overeenstemming te zijn met de regels voor deelname, verspreiding en uitvoering van het Kaderprogramma.

III.

Personen van de Gemeenschap kunnen aan in competitie gefinancierde door de regering van Japan, haar instanties of officiële instellingen beheerde programma’s en projecten voor onderzoek en ontwikkeling deelnemen die betrekking hebben op vergelijkbare wetenschappelijke en technologische gebieden als die van het Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling. Deze deelname van personen van de Gemeenschap dient in overeenstemming te zijn met de wet- en regelgeving van Japan en de relevante regels voor deelname, verspreiding en uitvoering van het specifieke programma of project.

BIJLAGE II

RECHTEN VAN INTELLECTUEEL EIGENDOM EN GEHEIME INFORMATIE

I.   Rechten van intellectueel eigendom van de partijen bij directe samenwerkingsactiviteiten

1.

De volgende regels zijn van toepassing op uit directe samenwerkingsactiviteiten voortvloeiende rechten van intellectueel eigendom, met uitzondering van auteursrechten en gerelateerde rechten als bedoeld in onderstaand lid 3:

a)

De partij of haar instanties die het intellectuele eigendom genereren, zijn eigenaar van de rechten van intellectueel eigendom. Als het intellectuele eigendom gezamenlijk is gegenereerd, overleggen de partijen of hun instanties om een akkoord te bereiken over het eigendom of de toewijzing van de rechten van intellectueel eigendom rekening houdend met het respectieve aandeel in de werkzaamheden van de partijen of hun instanties.

b)

De partij of haar instanties die de rechten van intellectueel eigendom bezitten, verlenen aan de andere partij of haar instanties een licentie om deze rechten te gebruiken voor het uitvoeren van alle directe samenwerkingsactiviteiten indien dit nodig is om de andere partij of haar instanties in staat te stellen hun eigen werkzaamheden voor het specifiek project in het kader van deze overeenkomst uit te voeren. Bij octrooien en gebruiksmodellen wordt deze licentie verleend vrij van royalty’s. De verlening van een licentie om gebruik te maken van rechten van intellectueel eigendom uit hoofde van dit punt is onderworpen aan de toepasselijke wet- en regelgeving van elke partij en de voorwaarden waarover de partijen of hun instanties voor de start van het project een akkoord dienen te bereiken.

2.

De partij of haar instanties die de in de loop van directe samenwerkingsactiviteiten gecreëerde rechten van intellectueel eigendom bezitten, verlenen een licentie voor het gebruik van die rechten aan de andere partij of haar instanties voor het uitvoeren van alle directe samenwerkingsactiviteiten indien dit nodig is om de andere partij of haar instanties in staat te stellen hun eigen werkzaamheden voor het specifieke project in het kader van deze overeenkomst uit te voeren. De verlening van een licentie voor het gebruiken van rechten van intellectueel eigendom uit hoofde van dit lid is onderworpen aan de toepasselijke wet- en regelgeving van elke partij en de voorwaarden waarover de partijen of hun instanties voor de start van het project een akkoord dienen te bereiken.

3.

De volgende regels zijn van toepassing op auteursrechten en gerelateerde rechten van de partijen of hun instanties:

a)

Als een partij of haar instanties door middel van tijdschriften, artikelen, rapporten, boeken, videobanden en digitale opslagapparatuur wetenschappelijke en technische gegevens, informatie en resultaten publiceert die voortkomen uit directe samenwerkingsactiviteiten, spant de partij zich tot het uiterste in om voor de andere partij in alle landen waar auteursrechtelijke bescherming voorhanden is niet-exclusieve, onherroepelijke, auteursrechtenvrije licenties te verkrijgen om deze werken te vertalen, te reproduceren, te bewerken, over te dragen en publiek te verspreiden.

b)

Op alle publiek verspreide kopieën van een auteursrechtelijk beschermd werk als bedoeld in a) dient de naam van de auteurs van het werk te worden vermeld tenzij de auteurs daar expliciet van afzien. Tevens moet op een duidelijk zichtbare plaats worden verwezen naar de medewerking en de steun van de partijen.

II.   Geheime informatie bij directe samenwerkingsactiviteiten

De volgende regels zijn van toepassing op geheime informatie van de partijen of hun instanties:

1.

Bij het doorgeven aan de andere partij of haar instanties van informatie die nodig is voor het uitvoeren van directe samenwerkingsactiviteiten geeft elke partij aan welke informatie zij niet openbaar gemaakt wil zien.

2.

De partij of haar instanties die geheime informatie ontvangen, mogen op eigen verantwoordelijkheid deze geheime informatie doorgeven aan haar instanties of personen die binnen die instanties werkzaam zijn en personen die bij die instanties elders werkzaam zijn indien dit nodig is om die instanties of personen in staat te stellen hun eigen werkzaamheden voor het specifiek project in het kader van deze overeenkomst uit te voeren.

3.

Met voorafgaande schriftelijke toestemming van een partij of haar instanties die geheime informatie verstrekken, kan de andere partij of haar instanties deze geheime informatie op grotere schaal verspreiden dan krachtens lid 2 is toegestaan. De partijen of hun instanties werken samen procedures uit voor het aanvragen en verkrijgen van voorafgaande schriftelijke toestemming voor deze verspreiding op grotere schaal; elke partij verleent deze instemming in de mate waarin dit door haar wet- en regelgeving is toegestaan.

4.

Informatie die wordt verkregen via uit hoofde van deze overeenkomst georganiseerde seminars, andere vergaderingen, detachering van personeel en gebruik van faciliteiten blijft vertrouwelijk als de ontvanger van die geheime of andere vertrouwelijke of bevoorrechte informatie van het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie op de hoogte is gebracht toen die informatie werd doorgegeven overeenkomstig bovenstaand lid 1 en wordt behandeld als aangegeven in de bovenstaande leden 2 en 3.

5.

Indien een partij vaststelt dat zij niet in staat zal zijn, of redelijkerwijs verwacht kan worden dat zij niet in staat zal zijn de beperkingen en voorwaarden in de bovenstaande leden 2, 3 en 4 na te leven, stelt zij de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis. De partijen overleggen vervolgens om een passende gedragslijn te bepalen.

III.   Rechten van intellectueel eigendom van personen bij indirecte samenwerkingsactiviteiten

Elke partij verzekert dat de rechten van intellectueel eigendom van personen van de andere partij die deelnemen aan door haar, haar instanties of officiële instellingen beheerde programma’s en projecten voor onderzoek en ontwikkeling en de gerelateerde rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze deelname verenigbaar zijn met de internationale overeenkomsten die bindend zijn voor de regering van Japan en de Gemeenschap of al haar lidstaten, inclusief de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van het intellectuele eigendom in bijlage 1C van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie alsmede de Akte van Parijs van 24 juli 1971 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst en de Akte van Stockholm van 14 juli 1967 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van het industriële eigendom.


VERORDENINGEN

6.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/8


VERORDENING (EU) Nr. 327/2011 VAN DE COMMISSIE

van 30 maart 2011

tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de eisen inzake ecologisch ontwerp voor door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Geizen Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (1), en met name op artikel 15, lid 1,

Na raadpleging van het Overlegforum inzake ecologisch ontwerp,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Richtlijn 2009/125/EG dient de Commissie eisen inzake ecologisch ontwerp vast te stellen voor energiegerelateerde producten die een significant verkoop- en handelsvolume vertegenwoordigen, een aanzienlijk milieueffect hebben en een significant potentieel voor verbetering bieden met betrekking tot het milieueffect zonder dat dit buitensporige kosten meebrengt.

(2)

In artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2009/125/EG is bepaald dat de Commissie, overeenkomstig de in artikel 19, lid 3, bepaalde procedure en de in artikel 15, lid 2, bedoelde criteria, en na raadpleging van het Overlegforum, te gepasten tijde een uitvoeringsmaatregel zal vaststellen voor producten die elektromotorsystemen gebruiken.

(3)

Door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW zijn een belangrijk onderdeel van diverse gasbehandelingsproducten. Eisen inzake de minimale energie-efficiëntie voor elektromotoren zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 640/2009 van de Commissie van 22 juli 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende eisen inzake ecologisch ontwerp voor elektromotoren (2), waaronder elektromotoren uitgerust met snelheidsvariatoren. Zij zijn ook van toepassing op motoren die deel uitmaken van een motorventilatorsysteem. Veel ventilatoren die onder deze verordening vallen, worden evenwel gebruikt in combinatie met motoren die niet onder Verordening (EG) nr. 640/2009 vallen.

(4)

Het totale elektriciteitsverbruik van door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW is 344 TWh per jaar en zal oplopen tot 560 TWh in 2020 als de huidige markttendensen in de Unie zich voortzetten. Het potentieel voor kosteneffectieve verbetering door ontwerp bedraagt ongeveer 34 TWh per jaar in 2020, wat overeenstemt met 16 Mt CO2-emissies. Ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW zijn dan ook een product waarvoor eisen inzake ecologisch ontwerp moeten worden opgesteld.

(5)

Veel ventilatoren zijn geïntegreerd in andere producten en worden niet afzonderlijk in de handel gebracht of in gebruik genomen in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2009/125/EG en van Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (3). Om het kosteneffectieve energiebesparende potentieel maximaal te verwezenlijken en de handhaving van de maatregel te bevorderen, moeten de bepalingen van deze verordening ook van toepassing zijn op ventilatoren met een vermogen tussen 125 W en 500 kW die in andere producten zijn geïntegreerd.

(6)

Veel ventilatoren maken deel uit van ventilatiesystemen in gebouwen. In de nationale wetgeving op basis van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen (4) kunnen nieuwe, strengere energie-efficiëntievereisten voor dergelijke ventilatiesystemen worden vastgesteld aan de hand van de in deze verordening bepaalde berekenings- en meetmethoden voor de efficiëntie van ventilatoren.

(7)

De Commissie heeft in een voorbereidende studie de technische, milieutechnische en economische aspecten van ventilatoren geanalyseerd. De studie is opgezet samen met belanghebbenden en betrokken partijen uit de Europese Unie en uit derde landen; de resultaten zijn openbaar gemaakt. Verdere werkzaamheden en overleg hebben aangetoond dat de werkingssfeer verder kan worden verruimd behoudens uitzonderingen voor specifieke toepassingen waarvoor deze eisen niet geschikt zouden zijn.

(8)

Uit de voorbereidende studie is gebleken dat door motoren aangedreven ventilatoren met een ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW in grote hoeveelheden in de handel worden gebracht in de Europese Unie; van al hun levenscyclusfasen heeft de gebruiksfase het grootste effect op het milieu.

(9)

Uit de voorbereidende studie blijkt dat het elektriciteitsverbruik tijdens het gebruik de enige belangrijke parameter voor het ecologische ontwerp van de producten is, zoals vermeld in Richtlijn 2009/125/EG.

(10)

De energie-efficiëntie van door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW moet worden verbeterd door niet aan eigendomsrechten gebonden kosteneffectieve technologieën toe te passen die de totale gecombineerde kosten van de aankoop en het gebruik van deze ventilatoren kunnen doen dalen.

(11)

Eisen inzake ecologisch ontwerp moeten de eisen inzake energie-efficiëntie van door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW in de hele Europese Unie harmoniseren en aldus bijdragen tot de werking van de interne markt en de verbetering van de milieuprestaties van deze producten.

(12)

Kleine ventilatoren die (indirect) worden aangedreven door een elektrische motor met een vermogen tussen 125 W en 3 kW en die voornamelijk voor andere doeleinden worden gebruikt, vallen niet onder het toepassingsgebied. Zo valt een kleine ventilator voor de koeling van de elektrische motor van een kettingzaag niet onder het toepassingsgebied, zelfs indien het vermogen van de motor van de kettingzaag (die ook de ventilator aandrijft) zelf meer dan 125 W bedraagt.

(13)

De fabrikanten moeten de nodige tijd krijgen om het ontwerp van hun producten en hun productielijnen aan te passen. De timing moet zodanig zijn dat negatieve effecten op de functies van door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW worden vermeden en dat rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de kosten van de fabrikanten, in het bijzonder het mkb, terwijl er tegelijk voor wordt gezorgd dat de doelstellingen van deze verordening tijdig worden verwezenlijkt.

(14)

Deze verordening zal maximaal vier jaar na de inwerkingtreding ervan worden herzien. Dit herzieningsproces kan eerder van start gaan indien aan de Commissie wordt aangetoond dat dit gerechtvaardigd is. Bij de herziening dient de vaststelling van technologieonafhankelijke vereisten te worden beoordeeld, alsmede het mogelijke gebruik van snelheidsvariatoren, het aantal en het toepassingsgebied van de noodzakelijke vrijstellingen en de opname van ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen onder 125 W.

(15)

De energie-efficiëntie van door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW moet worden gemeten met behulp van betrouwbare, nauwkeurige en herhaalbare meetmethoden die beantwoorden aan de erkende stand van de techniek, met inbegrip van, voor zover beschikbaar, geharmoniseerde normen die door Europese normaliseringsinstanties zijn opgesteld, zoals opgesomd in bijlage I bij Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (5).

(16)

Deze verordening moet leiden tot een betere marktpenetratie van technologieën die het milieueffect van door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW tijdens hun volledige levenscyclus verbeteren, waardoor tegen 2020 naar schatting jaarlijks 34 TWh aan elektriciteit kan worden bespaard, in vergelijking met de situatie waarin geen maatregelen zouden worden genomen.

(17)

Overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2009/125/EG moeten passende procedures voor overeenstemmingsbeoordeling in deze verordening worden gespecificeerd.

(18)

Om controles op de naleving te vergemakkelijken, moeten de fabrikanten worden verzocht informatie te verstrekken in de in de bijlagen IV en V bij Richtlijn 2009/125/EG vermelde technische documenten.

(19)

Om het milieueffect van door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW verder te beperken, moeten fabrikanten relevante informatie verstrekken over demontage, recycling of verwijdering aan het eind van de levensduur van dergelijke ventilatoren.

(20)

Er moeten benchmarks worden geïdentificeerd voor ventilatortypen met hoge energie-efficiëntie die nu reeds beschikbaar zijn. Dit zal ertoe bijdragen dat informatie op ruime schaal beschikbaar en gemakkelijk toegankelijk is, in het bijzonder voor het mkb en zeer kleine bedrijven, hetgeen de integratie van de beste ontwerptechnologieën en de ontwikkeling van meer efficiënte producten ter vermindering van het energieverbruik zal vergemakkelijken.

(21)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is opgericht bij artikel 19, lid 1, van Richtlijn 2009/125/EG,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

1.   Bij deze verordening worden eisen inzake ecologisch ontwerp vastgesteld voor het op de markt brengen of in bedrijf nemen van ventilatoren, daarin begrepen ventilatoren die geïntegreerd zijn in andere energiegerelateerde producten die onder Richtlijn 2009/125/EG vallen.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op ventilatoren die geïntegreerd zijn in:

i)

producten met een enkele elektrische motor van 3 kW of minder, waarbij de ventilator is vastgemaakt aan dezelfde drijfas als die voor de hoofdfunctie;

ii)

droogmachines en was-droogcombinaties ≤ 3 kW maximaal elektrisch ingangsvermogen;

iii)

afzuigkappen < 280 W totaal maximaal elektrisch ingangsvermogen voor de ventilator(en).

3.   Deze verordening is niet van toepassing op ventilatoren die:

a)

specifiek zijn ontworpen om te werken op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen, zoals gedefinieerd in Richtlijn 94/9/EG van het Europees Parlement en de Raad (6);

b)

uitsluitend zijn ontworpen voor een korte bedrijfscyclus in noodgevallen, met betrekking tot brandveiligheidseisen die worden vermeld in Richtlijn 89/106/EG van de Raad (7);

c)

specifiek zijn ontworpen om te functioneren:

i)

a)

bij bedrijfstemperaturen van het verplaatste gas van meer dan 100 °C;

b)

bij een omgevingstemperatuur voor de aandrijfmotor van de ventilator, indien de motor zich buiten de gasstroom bevindt, van meer dan 65 °C;

ii)

bij een jaarlijkse gemiddelde temperatuur van het verplaatste gas en/of omgevingstemperatuur voor de motor, indien deze zich buiten de gasstroom bevindt, van minder dan – 40 °C;

iii)

met een toevoerspanning van > 1 000 V wisselstroom of > 1 500 V gelijkstroom;

iv)

in toxische, zeer corrosieve of brandbare omgevingen of in omgevingen met schurende stoffen;

d)

vóór 1 januari 2015 op de markt zijn gebracht ter vervanging van identieke ventilatoren, die geïntegreerd zijn in producten die vóór 1 januari 2013 op de markt zijn gebracht;

met dien verstande dat op de verpakking, bij de productinformatie en in de technische documentatie met betrekking tot a), b) en c), duidelijk moet worden aangegeven dat de ventilator enkel mag worden gebruikt voor het doel waarvoor hij is ontworpen en met betrekking tot d) de producten moeten worden aangegeven waarvoor de ventilator is bedoeld.

Artikel 2

Definities

Naast de in Richtlijn 2009/125/EG gegeven definities, wordt in deze verordening verstaan onder:

1.   „ventilator”: een machine met draaiende bladen die wordt gebruikt om een continue stroom van gas, meestal lucht, in stand te houden die door de machine gaat, met een arbeid per eenheid massa van niet meer dan 25 kJ/kg en die:

is ontworpen om te worden gebruikt of uitgerust met een elektromotor met een ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW (≥ 125 W en ≤ 500 kW) voor de aandrijving van de waaier op het optimale energie-efficiëntiepunt;

een axiale ventilator, een centrifugale ventilator, een kruisstroomventilator of een ventilator met gemengde stroom;

al dan niet uitgerust met een motor in de handel wordt gebracht of in bedrijf wordt genomen;

2.   „waaier”: het deel van de ventilator dat energie aan de gasstroom afstaat; wordt ook ventilatorwiel genoemd;

3.   „axiale ventilator”: een ventilator die het gas stuwt in de asrichting van de draaias van een of meer waaiers, met een tangentiële wervelbeweging die door de draaiende waaier(s) wordt veroorzaakt. De axiale ventilator kan al dan niet uitgerust zijn met een cilindrische behuizing, richtvinnen aan de inlaat of de uitlaat, of een paneel of ring met opening;

4.   „richtvinnen aan de inlaat”: vóór de rotor geplaatste vinnen die de gasstroom naar de waaier leiden; ze kunnen al dan niet verstelbaar zijn;

5.   „richtvinnen aan de uitlaat”: achter de waaier geplaatste vinnen die de gasstroom weg leiden van de waaier; ze kunnen al dan niet verstelbaar zijn;

6.   „paneel met opening”: een paneel met een opening waarin de ventilator gemonteerd is en waarmee men hem aan andere structuren kan bevestigen;

7.   „ring met opening”: een ring met een opening waarin de ventilator gemonteerd is en waarmee men hem aan andere structuren kan bevestigen;

8.   „centrifugale ventilator”: een ventilator waarin het gas de waaier(s) in een voornamelijk axiale richting bereikt en in een richting haaks op de as verlaat. De waaier kan een of twee inlaten hebben en wel of niet in een behuizing gemonteerd zijn;

9.   „centrifugale ventilator met radiale schoepen”: een centrifugale ventilator waarvan de uitgaande richting van de schoepen van de waaier(s) aan de omtrek radiaal is tegenover de draairichting;

10.   „centrifugale ventilator met voorwaarts gebogen schoepen”: een centrifugale ventilator waarvan de uitgaande richting van de schoepen van de waaier(s) aan de omtrek voorwaarts is tegenover de draairichting;

11.   „centrifugale ventilator met achterwaarts gebogen schoepen zonder behuizing”: een centrifugale ventilator waarvan de uitgaande richting van de schoepen van de waaier(s) aan de omtrek achterwaarts is tegenover de draairichting en die geen behuizing heeft;

12.   „behuizing”: een kast rond de waaier die de gasstroom naar, door en weg van de waaier leidt;

13.   „centrifugale ventilator met achterwaarts gebogen schoepen met behuizing”: een centrifugale ventilator waarvan de uitgaande richting van de schoepen van de waaier(s) aan de omtrek achterwaarts is tegenover de draairichting en die een behuizing heeft;

14.   „kruisstroomventilator”: een ventilator waarin het pad van het gas door de waaier een richting volgt die voornamelijk haaks staat op zijn as, zowel wanneer ze de waaier bereikt als wanneer ze hem langs de omtrek verlaat;

15.   „ventilator met gemengde stroom”: een ventilator waarin het pad van het gas door de waaier het midden houdt tussen het pad van centrifugale en axiale ventilatoren;

16.   „korte bedrijfscyclus”: het bedrijf van een motor met constante belasting, niet lang genoeg om een temperatuurevenwicht te bereiken;

17.   „verluchtingsventilator”: een ventilator die niet wordt gebruikt in de volgende energiegerelateerde producten:

droogmachines en was-droogcombinaties > 3 kW maximaal elektrisch ingangsvermogen;

eenheden binnenshuis van huishoudelijke airconditioningproducten en huishoudelijke airconditioningsystemen binnenshuis, met ≤ 12 kW maximaal airco-uitgangsvermogen;

informatietechnologieproducten;

18.   „specifieke verhouding”: de isentrope druk gemeten bij de ventilatoruitlaat, gedeeld door de isentrope druk bij de ventilatorinlaat, op het optimale energie-efficiëntiepunt van de ventilator.

Artikel 3

Eisen inzake ecologisch ontwerp

1.   De eisen inzake ecologisch ontwerp voor ventilatoren worden vermeld in bijlage I.

2.   Elke energie-efficiëntie-eis voor ventilatorenvervat in bijlage I, sectie 2, is van toepassing overeenkomstig het volgende tijdschema:

a)   eerste fase: vanaf 1 januari 2013 moeten verluchtingsventilatoren minstens het nagestreefde energie-efficiëntieniveau hebben dat is bepaald in bijlage I, sectie 2, tabel 1;

b)   tweede fase: vanaf 1 januari 2015 moeten alle ventilatoren minstens het nagestreefde energie-efficiëntieniveau hebben dat is bepaald in bijlage I, sectie 2, tabel 2;

3.   De productinformatie-eisen voor ventilatoren en hoe de informatie moet worden vermeld, worden uiteengezet in bijlage I, sectie 3. Deze eisen zijn van toepassing vanaf 1 januari 2013.

4.   De in bijlage I, sectie 2, bepaalde energie-efficiëntie-eisen voor ventilatoren zijn niet van toepassing op ventilatoren die ontworpen zijn om te worden gebruikt:

a)

met een optimale energie-efficiëntie bij 8 000 omwentelingen per minuut of meer;

b)

in toepassingen met een specifieke verhouding van meer dan 1.11;

c)

bij het vervoer van niet-gasvormige substanties in toepassingen van industriële processen.

5.   Voor ventilatoren met dubbele functie, d.w.z. zowel onder normale omstandigheden als voor een korte bedrijfscyclus in noodgevallen, worden in het kader van de brandveiligheidseisen van Richtlijn 89/106/EG de in sectie 2 van bijlage I bepaalde waarden van de toepasselijke efficiëntieniveaus verminderd met 10 % voor tabel 1 en met 5 % voor tabel 2.

6.   De naleving van de eisen inzake ecologisch ontwerp wordt gemeten en berekend overeenkomstig de voorschriften van bijlage II.

Artikel 4

Overeenstemmingsbeoordeling

De in artikel 8 van Richtlijn 2009/125/EG vastgestelde procedure voor overeenstemmingsbeoordeling bestaat uit de in bijlage IV bij die richtlijn beschreven interne ontwerpcontrole of het in bijlage V bij die richtlijn beschreven beheersysteem.

Artikel 5

Controleprocedure voor markttoezicht

Bij het verrichten van de in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2009/125/EG bedoelde controles met het oog op markttoezicht passen de autoriteiten van de lidstaten de in bijlage III bij deze verordening uiteengezette controleprocedure toe.

Artikel 6

Indicatieve benchmarks

De indicatieve benchmarks voor de beste in de handel verkrijgbare ventilatoren op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening worden beschreven in bijlage IV.

Artikel 7

Herziening

De Commissie herziet deze verordening uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding ervan en legt de resultaten van deze herziening voor aan het Overlegforum ecologisch ontwerp. Bij de herziening wordt met name onderzocht of het haalbaar is het aantal ventilatortypen te beperken om de mededinging te versterken op grond van de energie-efficiëntie voor ventilatoren die een vergelijkbare functie kunnen dienen. Voorts zal bij de herziening worden nagegaan of het toepassingsgebied van de vrijstellingen kan worden beperkt, met toepassing van toleranties voor ventilatoren met een dubbele functie.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 maart 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.

(2)  PB L 191 van 23.7.2009, blz. 26.

(3)  PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.

(4)  PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.

(5)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.

(6)  PB L 100 van 19.4.1994, blz. 1.

(7)  PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12.


BIJLAGE I

EISEN INZAKE ECOLOGISCH ONTWERP VOOR VENTILATOREN

1.   Definities met het oog op de toepassing van bijlage I

1)   „meetcategorie”: een test, meting of gebruiksopstelling die de inlaat- en uitlaatvoorwaarden van de geteste ventilator bepaalt;

2)   „meetcategorie A”: een opstelling waarin de ventilator met vrije inlaat en uitlaat wordt gemeten;

3)   „meetcategorie B”: een opstelling waarin de ventilator wordt gemeten met de inlaat vrij en met de uitlaat aangesloten op een kanaal;

4)   „meetcategorie C”: een opstelling waarin de ventilator wordt gemeten met de inlaat aangesloten op een kanaal en met de uitlaat vrij;

5)   „meetcategorie D”: een opstelling waarin de ventilator wordt gemeten met de inlaat en de uitlaat aangesloten op een kanaal;

6)   „efficiëntiecategorie”: de energievorm van het uitgaande gas van de ventilator die wordt gebruikt om de energie-efficiëntie van de ventilator te bepalen; dit kan zowel de statische efficiëntie als de totale efficiëntie zijn, waarbij:

7)   „statische efficiëntie”: de energie-efficiëntie van een ventilator, gebaseerd op de meting van de statische ventilatordruk (psf);

8)   „statische ventilatordruk” (psf): de totale druk van de ventilator (pf) min de met de Mach-factor gecorrigeerde dynamische druk van de ventilator;

9)   „isentrope druk”: de gemeten druk op een punt in een gasstroom, wanneer die door een isentropisch proces tot stilstand komt;

10)   „dynamische druk”: de druk die wordt berekend op basis van de massastroom, de gemiddelde dichtheid van het gas bij de uitlaat van de ventilator en de oppervlakte van de ventilatoruitlaat;

11)   „Mach-factor”: een correctiefactor die wordt toegepast op de dynamische druk op een punt dat wordt gedefinieerd als de isentrope druk min de druk ten opzichte van de nuldruk, uitgeoefend op een punt dat in rusttoestand verkeert tegenover het omgevende gas, en gedeeld door de dynamische druk;

12)   „totale efficiëntie”: de energie-efficiëntie van een ventilator, gebaseerd op de meting van de totale ventilatordruk (pf);

13)   „totale ventilatordruk” (pf): het verschil tussen de isentrope druk bij de uitlaat van de ventilator en de isentrope druk bij de inlaat van de ventilator;

14)   „efficiëntiegraad”: een parameter in de berekening van de nagestreefde energie-efficiëntie van een ventilator met een specifiek elektrisch ingangsvermogen op zijn optimale energie-efficiëntiepunt (uitgedrukt als parameter „N” in de berekening van de energie-efficiëntie van de ventilator);

15)   „nagestreefde energie-efficiëntie” ηdoel: de minimale energie-efficiëntie die een ventilator moet bereiken om aan de vereisten te voldoen; dit is gebaseerd op het elektrisch ingangsvermogen van de ventilator op zijn optimale energie-efficiëntiepunt, waarbij ηdoel het resultaat is van de toepasselijke vergelijking in sectie 3 van bijlage II, met gebruik van de toepasselijke integer N van de efficiëntiegraad (bijlage I, sectie 2, tabellen 1 en 2) en het elektrisch ingangsvermogen Pe(d) van de ventilator, uitgedrukt in kW, op zijn optimale efficiëntiepunt in de toepasselijke formule voor de energie-efficiëntie;

16)   „snelheidsvariator” (VSD): een elektronische vermogensomzetter die is geïntegreerd in de motor en de ventilator (of er als één systeem mee functioneert), die het aan de elektromotor geleverde vermogen continu laat variëren om het mechanische vermogen van de motor te regelen volgens het koppel of het toerental van de door de motor aangedreven toepassing, met uitsluiting van variabele spanningsregelaars, waarin alleen de voedingsspanning van de motor varieert;

17)   „algemene efficiëntie”: de „statische efficiëntie” of de „totale efficiëntie”, naargelang het geval.

2.   Energie-efficiëntie-eisen voor ventilatoren

De minimale energie-efficiëntie-eisen voor ventilatoren worden uiteengezet in de tabellen 1 en 2.

Tabel 1

Minimale eisen inzake energie-efficiëntie voor ventilatoren vanaf 1 januari 2013

Ventilatortypen

Meetcategorie

(A-D)

Efficiëntiecategorie

(statisch of totaal)

Vermogensbereik P in kW

Nagestreefde energie-efficiëntie

Efficiëntiegraad

(N)

Axiale ventilator

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 2,74 · ln(P) – 6,33 + N

36

10 < P ≤ 500

ηdoel = 0,78 · ln(P) – 1,88 + N

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 2,74 · ln(P) – 6,33 + N

50

10 < P ≤ 500

ηdoel = 0,78 · ln(P) – 1,88 + N

Centrifugale ventilator met voorwaarts gebogen schoepen en centrifugale ventilator met radiale schoepen

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 2,74 · ln(P) – 6,33 + N

37

10 < P ≤ 500

ηdoel = 0,78 · ln(P) – 1,88 + N

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 2,74 · ln(P) – 6,33 + N

42

10 < P ≤ 500

ηdoel = 0,78 · ln(P) – 1,88 + N

Centrifugale ventilator met achterwaarts gebogen schoepen zonder behuizing

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

58

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

Centrifugale ventilator met achterwaarts gebogen schoepen met behuizing

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

58

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

61

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

Ventilator met gemengde stroom

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

47

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

58

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

Kruisstroom-ventilator

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 1,14 · ln(P) – 2,6 + N

13

10 < P ≤ 500

ηdoel = N


Tabel 2

Minimale eisen inzake energie-efficiëntie voor ventilatoren vanaf 1 januari 2015

Ventilatortypen

Meetcategorie

(A-D)

Efficiëntiecategorie

(statisch of totaal)

Vermogensbereik P in kW

Nagestreefde energie-efficiëntie

Efficiëntiegraad

(N)

Axiale ventilator

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 2,74 · ln(P) – 6,33 + N

40

10 < P ≤ 500

ηdoel = 0,78 · ln(P) – 1,88 + N

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 2,74 · ln(P) – 6,33 + N

58

10 < P ≤ 500

ηdoel = 0,78 · ln(P) – 1,88 + N

Centrifugale ventilator met voorwaarts gebogen schoepen en centrifugale ventilator met radiale schoepen

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 2,74 · ln(P) – 6,33 + N

44

10 < P ≤ 500

ηdoel = 0,78 · ln(P) – 1,88 + N

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 2,74 · ln(P) – 6,33 + N

49

10 < P ≤ 500

ηdoel = 0,78 · ln(P) – 1,88 + N

Centrifugale ventilator met achterwaarts gebogen schoepen zonder behuizing

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

62

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

Centrifugale ventilator met achterwaarts gebogen schoepen met behuizing

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

61

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

64

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

Ventilator met gemengde stroom

A, C

statisch

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

50

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

62

10 < P ≤ 500

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

Kruisstroom-ventilator

B, D

totaal

0,125 ≤ P ≤ 10

ηdoel = 1,14 · ln(P) – 2,6 + N

21

10 < P ≤ 500

ηdoel = N

3.   Productinformatie-eisen voor ventilatoren

1.

De in punten 2.1) tot en met 2.14) vermelde informatie over ventilatoren moet zichtbaar worden vermeld op:

a)

de technische documentatie van ventilatoren;

b)

vrij toegankelijke websites van ventilatorenfabrikanten.

2.

De volgende informatie moet worden vermeld:

1)

totale efficiëntie (η), afgerond tot op één cijfer na de komma;

2)

meetcategorie die is gebruikt om de energie-efficiëntie te bepalen (A-D);

3)

efficiëntiecategorie (statisch of totaal);

4)

efficiëntiegraad bij het optimale energie-efficiëntiepunt;

5)

of bij de berekening van de ventilatorefficiëntie is uitgegaan van het gebruik van een snelheidsvariator en, zo ja, of de snelheidsvariator is geïntegreerd in de ventilator of samen met de ventilator moet worden geïnstalleerd;

6)

fabricagejaar;

7)

naam of handelsmerk van de fabrikant, handelsregisternummer en vestigingsplaats van de fabrikant;

8)

modelnummer van het product;

9)

het nominale ingangsvermogen van de motor (kW), de massastroom en de druk bij optimale energie-efficiëntie;

10)

omwentelingen per minuut bij het optimale energie-efficiëntiepunt;

11)

de „specifieke verhouding”;

12)

informatie ter bevordering van de demontage, recycling of verwijdering aan het eind van de levensduur;

13)

informatie betreffende de installatie, het gebruik en het onderhoud van de ventilator met het oog op een minimale impact op het milieu en een optimale levensverwachting;

14)

beschrijving van aanvullende elementen die worden gebruikt om de energie-efficiëntie van de ventilator te bepalen, zoals leidingen, die niet in de meetcategorie worden beschreven en niet bij de ventilator worden geleverd.

3.

De informatie in de technische documentatie moet in de in punten 2.1) tot en met 2.14) vermelde volgorde worden vermeld. De informatie hoeft niet exact volgens de bewoordingen in de lijst te worden vermeld. Ze mag ook worden weergegeven met behulp van grafieken, cijfers of symbolen.

4.

De in de punten 2.1), 2.2), 2.3), 2.4) en 2.5) vermelde informatie moet op duurzame wijze worden aangebracht op of in de nabijheid van het typeplaatje van de ventilator, waarbij voor punt 2.5) een van de volgende bewoordingen moet worden gebruikt om aan te geven wat van toepassing is:

„een snelheidsvariator moet samen met deze ventilator worden geïnstalleerd”;

„een snelheidsvariator is geïntegreerd in de ventilator”;

5.

In de handleiding moeten de fabrikanten informatie verstrekken over de specifieke voorzorgen die moeten worden genomen bij de assemblage, de installatie of het onderhoud van ventilatoren. Indien in het kader van punt 2.5) van de productinformatie-eisen een snelheidsvariator moet worden geïntegreerd in de ventilator, moet de fabrikant in detail de kenmerken daarvan meedelen om het optimale gebruik na assemblage te garanderen.


BIJLAGE II

METINGEN EN BEREKENINGEN

1.   Definities voor de toepassing van bijlage II

1)   „debiet van het isentrope inlaatvolume” (q): het volume gas dat door de ventilator gaat per tijdseenheid (in m3/s). Het wordt berekend op basis van de door de ventilator verplaatste gasmassa (in kg/s), gedeeld door de gasdichtheid bij de inlaat van de ventilator (in kg/m3);

2)   „samendrukbaarheidsfactor”: een dimensieloze grootheid die de mate van samendrukbaarheid beschrijft die de gasstroom tijdens de test ondergaat. De factor wordt berekend als een verhouding van de mechanische arbeid die de ventilator op het gas uitoefent tegenover dezelfde arbeid op een onsamendrukbare vloeistof met gelijke stroommassa, inlaatdichtheid en drukverhouding, waarbij de ventilatordruk als „totale druk” (kp) of „statische druk” (kps) wordt beschouwd;

3)   kps: de samendrukbaarheidscoëfficiënt voor de berekening van het statische gasvermogen van een ventilator;

4)   kp: de samendrukbaarheidscoëfficiënt voor de berekening van het totale gasvermogen van een ventilator;

5)   „definitieve montage”: een voltooide of ter plekke gemonteerde ventilator met alle elementen om elektrische energie om te zetten in gasvermogen, zonder toevoeging van bijkomende onderdelen of componenten;

6)   „niet-definitieve montage”: een montage van ventilatoronderdelen, met ten minste de waaier, die een of meer extern geleverde componenten nodig heeft om elektrische energie te kunnen omzetten in gasvermogen;

7)   „directe aandrijving”: een aandrijfmechanisme van een ventilator waarbij de waaier op de motoras is gemonteerd, ofwel direct ofwel met een coaxiale koppeling, en waarbij de waaiersnelheid gelijk is aan de draaisnelheid van de motor;

8)   „transmissie”: een aandrijfmechanisme van een ventilator zonder „directe aandrijving” zoals hierboven gedefinieerd. Dit kan een aandrijving met riem, tandwielkast of slipkoppeling zijn;

9)   „laagefficiënte aandrijving”: een transmissie met een riem waarvan de breedte minder dan driemaal de hoogte is, of een andere vorm van transmissie die geen „hoog efficiënte aandrijving” is;

10)   „hoogefficiënte aandrijving”: een transmissie met een riem waarvan de breedte ten minste driemaal de hoogte is, een tandriem of een transmissie met tandwielen.

2.   Meetmethode

Met het oog op de naleving, en de controle daarop, van de eisen van deze verordening dienen metingen en berekeningen te worden uitgevoerd aan de hand van een betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare methode, die beantwoordt aan de algemeen erkende stand van de techniek op dit gebied en waarvan de resultaten zeer betrouwbaar zijn, inclusief de methoden die zijn uiteengezet in de documenten waarvan de referentienummers met het oog daarop zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   Berekeningsmethode

De methodologie voor het berekenen van de energie-efficiëntie van een specifieke ventilator is gebaseerd op de verhouding van het gasvermogen tot het elektrisch ingangsvermogen van de motor, waarbij het gasvermogen van de ventilator het product is van het gasvolumedebiet en het drukverschil over de ventilator. De druk is de statische druk of de totale druk, die de som is van de statische en dynamische druk afhankelijk van de meet- en efficiëntiecategorie.

3.1.

Wanneer de ventilator als „definitieve montage” wordt geleverd, dienen het gasvermogen en het elektrische ingangsvermogen van de ventilator bij het optimale energie-efficiëntiepunt te worden gemeten:

a)

wanneer geen snelheidsvariator is geïntegreerd in de ventilator, dient de algemene efficiëntie te worden berekend met behulp van de volgende vergelijking:

ηe = Pu(s) / Pe

waarbij:

 

ηe de algemene efficiëntie is;

 

Pu(s) het gasvermogen van de ventilator is, bepaald volgens 3.3, wanneer deze bij zijn optimale energie-efficiëntiepunt werkt;

 

Pe het vermogen is dat wordt gemeten op de netingangsaansluitingen van de motor van de ventilator wanneer deze bij zijn optimale energie-efficiëntiepunt werkt;

b)

wanneer een snelheidsvariator is geïntegreerd in de ventilator, dient de algemene efficiëntie te worden berekend met behulp van de volgende vergelijking:

ηe = (Pu(s) / Ped) · Cc

waarbij:

 

ηe de algemene efficiëntie is;

 

Pu(s) het gasvermogen van de ventilator is, bepaald volgens 3.3, wanneer deze op zijn optimale energie-efficiëntiepunt werkt;

 

Ped het vermogen is dat wordt gemeten op de netingangsaansluitingen van de snelheidsvariator van de ventilator wanneer deze bij zijn optimale energie-efficiëntiepunt werkt;

 

Cc een deellastcompensatiefactor is, die als volgt wordt berekend:

voor een motor met een snelheidsvariator en Ped ≥ 5 kW, dan Cc = 1,04

voor een motor met een snelheidsvariator en Ped < 5 kW, dan Cc = – 0,03 ln(Ped) + 1,088.

3.2.

Wanneer de ventilator als „niet-definitieve montage” wordt geleverd, wordt de algemene efficiëntie van de ventilator berekend bij het optimale energie-efficiëntiepunt van de waaier met behulp van de volgende vergelijking:

ηe = ηr · ηm · ηT · Cm · Cc

waarbij:

 

ηe de algemene efficiëntie is;

 

ηr de efficiëntie van de ventilatorwaaier is volgens Pu(s) / Pa

waarbij:

 

Pu(s) het gasvermogen van de ventilator is, bepaald bij het optimale energie-efficiëntiepunt voor de waaier en volgens punt 3.3 hieronder;

 

Pa het vermogen van de ventilatoras is bij het optimale energie-efficiëntiepunt van de waaier;

 

ηm de nominale motorefficiëntie is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 640/2009, waar van toepassing. Indien de motor niet onder Verordening (EG) nr.640/2009 valt of er geen motor wordt meegeleverd, wordt een standaard ηm voor de motor berekend op grond van de volgende waarden:

als het aanbevolen elektrische ingangsvermogen „Pe” ≥ 0,75 kW,

ηm = 0,000278*(x3) – 0,019247*(x2) + 0,104395*x + 0,809761

waarbij x = Lg (Pe)

en Pe overeenkomt met de definitie in 3.1.a);

als het aanbevolen elektrische ingangsvermogen „Pe” < 0,75 kW,

ηm = 0,1462*ln(Pe) + 0,8381

en Pe overeenkomt met de definitie in 3.1.a), waarbij het elektrische ingangsvermogen Pe dat door de fabrikant wordt aanbevolen voldoende moet zijn voor de ventilator om zijn optimale energie-efficiëntiepunt te bereiken, rekening houdend met verliezen van transmissiesystemen indien van toepassing;

 

ηT de efficiëntie van het aandrijfmechanisme is waarvoor de volgende standaardwaarden moeten worden gebruikt:

voor directe aandrijving ηT = 1,0;

als de transmissie een laagefficiënte aandrijving is volgens de definitie in 1.9) en

Pa ≥ 5 kW, ηT = 0,96 of

1 kW < Pa < 5 kW, ηT = 0,0175 * Pa + 0,8725 of

Pa < 1 kW, ηT = 0,89

als de transmissie een hoogefficiënte aandrijving is volgens de definitie in 1.10) en

Pa ≥ 5 kW, ηT = 0,98 of

1 kW < Pa < 5 kW, ηT = 0,01 * Pa + 0,93 of

Pa < 1 kW, ηT = 0,94

 

Cm de compensatiefactor is voor de overeenstemming van componenten = 0,9;

 

Cc de deellastcompensatiefactor is:

voor een motor zonder snelheidsvariator Cc = 1,0

voor een motor met een snelheidsvariator en Ped ≥ 5 kW, dan Cc = 1,04

voor een motor met een snelheidsvariator en Ped < 5 kW, dan Cc = – 0,03 ln(Ped) + 1,088.

3.3.

Het gasvermogen van de ventilator, Pu(s) (kW), wordt berekend volgens de meetcategorietestmethode die door de leverancier van de ventilator is gekozen:

a)

wanneer de ventilator is gemeten volgens meetcategorie A, wordt het statische gasvermogen van de ventilator Pus gebruikt met behulp van de vergelijking Pus = q · psf · kps;

b)

wanneer de ventilator is gemeten volgens meetcategorie B, wordt het gasvermogen van de ventilator Pu gebruikt met behulp van de vergelijking Pu = q · pf · kp;

c)

wanneer de ventilator is gemeten volgens meetcategorie C, wordt het statische gasvermogen van de ventilator Pus gebruikt met behulp van de vergelijking Pus = q · psf · kps;

d)

wanneer de ventilator is gemeten volgens meetcategorie D, wordt het gasvermogen van de ventilator Pu gebruikt met behulp van de vergelijking Pu = q · pf · kp.

4.   Methodologie voor het berekenen van de nagestreefde energie-efficiëntie

De nagestreefde of doelenergie-efficiëntie is de energie-efficiëntie die een ventilator van een bepaald ventilatortype moet bereiken om aan de eisen die in deze verordening zijn uiteengezet, te voldoen (uitgedrukt in procentpunten). De doelenergie-efficiëntie wordt berekend aan de hand van efficiëntieformules die het elektrische ingangsvermogen, Pe(d) en de minimale efficiëntiegraad omvatten, zoals gedefinieerd in bijlage I. Het volledige vermogensbereik is vervat in twee formules: één voor ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen van 0,125 kW tot en met 10 kW en een andere voor ventilatoren met een vermogen van meer dan 10 kW tot en met 500 kW.

Er zijn drie reeksen ventilatortypen waarvoor energie-efficiëntieformules zijn ontwikkeld die de verschillende kenmerken van diverse ventilatortypen weerspiegelen:

4.1.

De nagestreefde energie-efficiëntie voor axiale ventilatoren, centrifugale ventilatoren met voorwaarts gebogen schoepen en centrifugale ventilatoren met radiale schoepen (axiale ventilator binnenin) wordt berekend met behulp van de volgende vergelijkingen:

Vermogensbereik P van 0,125 kW tot en met 10 kW

Vermogensbereik P van 10 kW tot en met 500 kW

ηdoel = 2,74 · ln(P) – 6,33 + N

ηdoel = 0,78 · ln(P) – 1,88 + N

waarbij het ingangsvermogen P het elektrische ingangsvermogen Pe(d) is en N de integer van de vereiste energie-efficiëntiegraad.

4.2.

De nagestreefde energie-efficiëntie voor centrifugale ventilatoren met achterwaarts gebogen schoepen zonder behuizing, centrifugale ventilatoren met achterwaarts gebogen schoepen met behuizing en ventilatoren met gemengde stroom wordt berekend met behulp van de volgende vergelijkingen:

Vermogensbereik P van 0,125 kW tot en met 10 kW

Vermogensbereik P van 10 kW tot en met 500 kW

ηdoel = 4,56 · ln(P) – 10,5 + N

ηdoel = 1,1 · ln(P) – 2,6 + N

waarbij het ingangsvermogen P het elektrische ingangsvermogen Pe(d) is en N de integer van de vereiste energie-efficiëntiegraad.

4.3.

De nagestreefde energie-efficiëntie voor kruisstroomventilatoren wordt berekend met behulp van de volgende vergelijkingen:

Vermogensbereik P van 0,125 kW tot en met 10 kW

Vermogensbereik P van 10 kW tot en met 500 kW

ηdoel = 1,14 · ln(P) – 2,6 + N

ηdoel = N

waarbij het ingangsvermogen P het elektrische ingangsvermogen Pe(d) is en N de integer van de vereiste energie-efficiëntiegraad.

5.   Toepassing van de nagestreefde energie-efficiëntie

De algemene efficiëntie van de ventilator ηe, berekend volgens de geschikte methode in sectie 3 van bijlage II, moet groter of gelijk zijn aan de doelwaarde ηdoel die door de efficiëntiegraad is ingesteld om aan de minimale energie-efficiëntie-eisen te voldoen.


BIJLAGE III

CONTROLEPROCEDURE VOOR MARKTTOEZICHT

Bij het uitvoeren van het in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2009/125/EG bedoelde markttoezicht passen de autoriteiten van de lidstaten de volgende procedure toe voor het controleren van de naleving van de in bijlage I bedoelde eisen.

1.

De autoriteiten van de lidstaat testen één exemplaar.

2.

Het model wordt als conform aan de voorschriften van deze verordening beschouwd indien de totale efficiëntie van de ventilator (ηe) minstens gelijk is aan de doelenergie-efficiëntie*0,9, berekend met behulp van de formules in bijlage II (sectie 3) en de toepasselijke efficiëntiegraden van bijlage I.

3.

Als het in punt 2 voorgeschreven resultaat niet wordt bereikt:

worden modellen waarvan er minder dan vijf per jaar worden vervaardigd, geacht niet aan deze verordening te voldoen;

bij modellen waarvan er vijf of meer per jaar worden vervaardigd, test de markttoezichtsautoriteit drie willekeurige andere exemplaren.

4.

Het model wordt als conform aan de voorschriften van deze verordening beschouwd indien het gemiddelde van de totale efficiëntie (ηe) van de in punt 3 vermelde drie exemplaren minstens gelijk is aan de doelenergie-efficiëntie*0,9, berekend met behulp van de formules in bijlage II (sectie 3) en de toepasselijke efficiëntiegraden van bijlage I.

5.

Als de in punt 4 vermelde resultaten niet worden bereikt, voldoet het model niet aan deze verordening.


BIJLAGE IV

DE IN ARTIKEL 6 BEDOELDE INDICATIEVE BENCHMARKS

De beste in de handel beschikbare technologie voor ventilatoren op het ogenblik van de vaststelling van deze verordening wordt aangegeven in tabel 1. Deze benchmarks zijn mogelijk niet altijd bereikbaar in alle toepassingen of voor het volledige vermogensbereik waarop deze verordening van toepassing is.

Tabel 1

Indicatieve benchmarks voor ventilatoren

Ventilatortypen

Meetcategorie (A-D)

Efficiëntiecategorie

(statisch of totaal)

Efficiëntiegraad

Axiale ventilator

A, C

statisch

65

B, D

totaal

75

Centrifugale ventilator met voorwaarts gebogen schoepen en centrifugale ventilator met radiale schoepen

A, C

statisch

62

B, D

totaal

65

Centrifugale ventilator met achterwaarts gebogen schoepen zonder behuizing

A, C

statisch

70

Centrifugale ventilator met achterwaarts gebogen schoepen met behuizing

A, C

statisch

72

B, D

totaal

75

Ventilator met gemengde stroom

A, C

statisch

61

B, D

totaal

65

Kruisstroom-ventilator

B, D

totaal

32


6.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/22


VERORDENING (EU) Nr. 328/2011 VAN DE COMMISSIE

van 5 april 2011

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, wat statistieken over doodsoorzaken betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk (1), en met name artikel 9, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1338/2008 stelt een gemeenschappelijk kader vast voor de systematische productie van Europese statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk.

(2)

Ingevolge artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1338/2008 moeten uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld om de te verstrekken gegevens en metagegevens over de onder bijlage III bij die verordening vallende doodsoorzaken te specificeren en de referentieperioden en frequentie voor de verstrekking van deze gegevens vast te stellen.

(3)

Vertrouwelijke gegevens die de lidstaten aan de Commissie (Eurostat) zenden, moeten worden behandeld overeenkomstig het beginsel van statistische geheimhouding, zoals neergelegd in Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek (2), en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (3).

(4)

Overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1338/2008 is een kosten-batenanalyse uitgevoerd en geëvalueerd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

De Europese statistieken over „doodsoorzaken” hebben betrekking op alle geregistreerde sterfgevallen en doodgeboorten in elke lidstaat, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „sterfgeval”: het blijvend verdwijnen van alle tekenen van leven op enig moment nadat een persoon levend is geboren (postnatale uitval van vitale functies zonder mogelijkheid tot reanimatie). Doodgeboorten vallen niet onder deze definitie;

b)   „doodgeboorte”: foetale sterfte, d.w.z. overlijden vóór de volledige uitdrijving of extractie van een foetus uit de moeder, ongeacht de zwangerschapsduur. Het overlijden blijkt uit het feit dat de foetus, nadat hij aldus van de moeder is gescheiden, niet ademt noch enig ander teken van leven, zoals hartslag, pulseren van de navelstreng of manifeste beweging van willekeurige spieren, vertoont;

c)   „zwangerschapsduur”: de duur van de zwangerschap, gemeten vanaf de eerste dag van de laatste normale menstruatie. De zwangerschapsduur wordt uitgedrukt in voltooide dagen of voltooide weken;

d)   „neonataal sterfgeval”: overlijden van levendgeborenen tijdens de eerste 28 voltooide levensdagen (dagen 0-27);

e)   „pariteit”: het aantal keren dat een vrouw eerder is bevallen, met inbegrip van doodgeboorten (0, 1, 2, 3 of meer);

f)   „andere sterfgevallen”: sterfgevallen die na de neonatale periode (vanaf de 28e voltooide levensdag) plaatsvinden;

g)   „onderliggende doodsoorzaak”: de ziekte of het letsel dat aanleiding heeft gegeven tot de reeks van gebeurtenissen die rechtstreeks tot de dood hebben geleid, of de omstandigheden van het ongeval of geweld waarin het fatale letsel werd veroorzaakt;

h)   „ingezetene”: een persoon die een „gewoonlijke ingezetene” is op de plaats waar hij doorgaans zijn dagelijkse rustperiode doorbrengt, afgezien van tijdelijke afwezigheid in verband met recreatie, vakantie, vrienden- en familiebezoek, zakenreizen, medische behandelingen of bedevaarten.

Alleen de volgende personen worden als gewoonlijke ingezetenen van het betrokken geografische gebied beschouwd:

i)

degenen die voor de referentiedatum ten minste twaalf maanden onafgebroken in hun gewoonlijke verblijfplaats hebben gewoond, of

ii)

degenen die zich in de twaalf maanden voor de referentiedatum in hun gewoonlijke verblijfplaats hebben gevestigd met het voornemen daar ten minste een jaar te blijven.

Indien de onder i) en ii) omschreven omstandigheden niet kunnen worden vastgesteld, wordt onder „gewoonlijke verblijfplaats” de wettelijke of geregistreerde woonplaats verstaan.

Artikel 3

Vereiste gegevens

De lidstaten zenden de Commissie (Eurostat) de in de bijlage vermelde lijst van variabelen. Zo mogelijk worden ook statistieken opgenomen over sterfgevallen van ingezetenen die in het buitenland plaatsvinden.

Voor doodgeboorten wordt ten minste een van de volgende drie rapportagecriteria toegepast, in onderstaande volgorde: 1) geboortegewicht, 2) zwangerschapsduur en 3) kruin-hiellengte. De gegevensverzameling is beperkt tot de volgende groepen:

a)

een geboortegewicht tussen 500 g en 999 g, of indien het geboortegewichtcriterium niet wordt toegepast een zwangerschapsduur tussen 22 en 27 voltooide weken, of indien geen van beide criteria wordt toegepast een kruin-hiellengte tussen 25 en 34 cm (variabele 9), en

b)

een geboortegewicht van ten minste 1 000 g, of indien het geboortegewichtcriterium niet wordt toegepast een zwangerschapsduur van meer dan 27 voltooide weken, of indien geen van beide criteria wordt toegepast een kruin-hiellengte van ten minste 35 cm (variabele 10).

Artikel 4

Referentieperiode

De referentieperiode is het kalenderjaar.

De lidstaten zenden de in deze verordening gespecificeerde gegevens binnen 24 maanden na het eind van het referentiejaar naar de Commissie (Eurostat).

Het eerste referentiejaar is 2011.

Artikel 5

Metagegevens

De lidstaten zenden de Commissie (Eurostat) relevante informatie, met inbegrip van informatie over nationale verschillen in definities, dekking van gegevens, gebruikte revisies en updates van de Internationale classificatie van ziekten (ICD) en geautomatiseerde coderingssystemen, alsook informatie over de selectie en wijziging van de onderliggende doodsoorzaak.

Artikel 6

Verstrekking van gegevens en metagegevens aan de Commissie (Eurostat)

De lidstaten verstrekken de in deze verordening verlangde geaggregeerde gegevens of microgegevens (voltooid, gevalideerd en goedgekeurd) en metagegevens volgens een door de Commissie (Eurostat) gespecificeerde uitwisselingsstandaard. De gegevens en metagegevens worden via het centrale punt voor gegevenstoezending bij Eurostat ingediend.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 april 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 354 van 31.12.2008, blz. 70.

(2)  PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.

(3)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


BIJLAGE

Lijst van naar de Commissie (Eurostat) te zenden variabelen

Variabelen

Ingezetenen

In het rapporterende land overleden niet-ingezetenen

Doodgeboorten

Neonatale sterfgevallen

Andere sterfgevallen

Doodgeboorten

Neonatale sterfgevallen

Andere sterfgevallen

1)

Jaar van overlijden (datum waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden)

C

C

C

C

C

C

2)

Geslacht

V

C

C

V

C

C

3)

Onderliggende doodsoorzaak ICD (4 cijfers)

V

C

C

V

C

C

4)

Leeftijd (0 dagen, 1, 2, 3, 4, 5, 6 dagen, 7-27 dagen, 28-365 dagen, 1 jaar, 2, 3, 4, 5-9, […] 85-89, […] 105+)

X

C

C

X

C

C

5)

Land waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden

V

C

C

V

C

C

6)

Regio waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden (NUTS 2)

V

C (1)

C (1)

V

C

C

7)

Regio van ingezetenschap (NUTS 2)/Regio van ingezetenschap van de moeder (NUTS 2)

V

C

C

V

V

V

8)

Land van ingezetenschap/Land van ingezetenschap van de moeder

X

X

X

V

C

C

9)

Doodgeboorten, eerste groep

geboortegewicht tussen 500 g en 999 g, of indien het geboortegewichtcriterium niet wordt toegepast:

zwangerschapsduur tussen 22 en 27 voltooide weken, of indien geen van beide criteria wordt toegepast:

kruin-hiellengte tussen 25 en 34 cm

V

X

X

V

X

X

10)

Doodgeboorten, tweede groep

geboortegewicht van ten minste 1 000 g, of indien het geboortegewichtcriterium niet wordt toegepast:

zwangerschapsduur van meer dan 27 voltooide weken, of indien geen van beide criteria wordt toegepast:

kruin-hiellengte van ten minste 35 cm

V

X

X

V

X

X

11)

Leeftijd van de moeder naar leeftijdsgroep (jonger dan 15 jaar, vervolgens leeftijdsgroepen van vijf jaren tot en met 49 jaar, en 50 jaar en ouder)

V

V

X

V

V

X

12)

Pariteit

V

V

X

V

V

X

N.B.: C = verplicht; V = vrijwillig; X = niet van toepassing.


(1)  Vrijwillig voor ingezetenen die in het buitenland overlijden.


6.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/25


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 329/2011 VAN DE COMMISSIE

van 5 april 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 6 april 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 april 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

61,9

JO

71,2

MA

51,5

TN

104,8

TR

92,5

ZZ

76,4

0707 00 05

EG

158,2

TR

144,9

ZZ

151,6

0709 90 70

MA

85,6

TR

123,5

ZA

28,9

ZZ

79,3

0805 10 20

EG

63,1

IL

76,5

MA

53,1

TN

47,6

TR

73,3

US

49,1

ZZ

60,5

0805 50 10

TR

52,7

ZZ

52,7

0808 10 80

AR

96,2

BR

81,9

CA

107,4

CL

90,7

CN

104,9

MK

50,2

US

165,6

UY

76,4

ZA

83,9

ZZ

95,2

0808 20 50

AR

96,4

CL

106,2

CN

67,7

US

174,8

ZA

102,3

ZZ

109,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

6.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/27


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 1 april 2011

tot wijziging van de bijlagen II en IV bij Richtlijn 2009/158/EG van de Raad tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2068)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/214/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/158/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (1), en met name artikel 34,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2009/158/EG van de Raad worden veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld voor het handelsverkeer in de Unie en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren. Bijlage II bij die richtlijn bevat de regels voor de erkenning van inrichtingen voor het handelsverkeer van die producten in de Unie. De hoofdstukken II, III en IV van die bijlage bevatten de voorschriften voor de voorzieningen in en de werking van inrichtingen, programma’s voor gezondheidscontrole en de criteria voor schorsing of intrekking van de erkenning van een inrichting; deze voorschriften omvatten tests op bepaalde micro-organismen, Salmonella en Mycoplasma, die moeten worden uitgevoerd in inrichtingen die voor het handelsverkeer binnen de Unie zijn erkend.

(2)

Uit de ervaring met de toepassing van de voorschriften voor de voorzieningen in en de werking van inrichtingen van hoofdstuk II van bijlage II bij Richtlijn 2009/158/EG is gebleken dat die voorschriften aan de huidige praktijken in de sector moeten worden aangepast, met name wat het leggedrag van de verschillende soorten pluimvee betreft.

(3)

Daarnaast moeten de hoofdstukken III en IV van bijlage II bij Richtlijn 2009/158/EG worden gewijzigd in verband met de wetenschappelijke vooruitgang in de diagnosemethoden voor Mycoplasma overeenkomstig hoofdstuk 2.3.5 van het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines van de Werelddiergezondheidsorganisatie en wijzigingen in de nomenclatuur van Salmonella volgens het samenwerkingscentrum voor referentie en onderzoek op het gebied van Salmonella van de Wereldgezondheidsorganisatie in het White-Kauffmann-Le Minor-schema voor antigene formules van salmonellaserovars overeenkomstig hoofdstuk 2.3.11 van het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines van de Werelddiergezondheidsorganisatie.

(4)

Bijlage III bij Richtlijn 2009/158/EG bevat de voorschriften voor het inenten van pluimvee. Die bijlage moet worden gewijzigd om daar specifieke voorschriften voor inenting tegen salmonella in op te nemen.

(5)

Ook moeten sommige verwijzingen naar inenting tegen aviaire influenza in de modellen van veterinaire certificaten in bijlage IV bij Richtlijn 2009/158/EG worden gewijzigd.

(6)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (2) bevat voorschriften om adequate en doeltreffende maatregelen te treffen voor de opsporing en bestrijding van salmonella en andere zoönoseverwekkers. Volgens die verordening moeten koppels en beslagen van oorsprong van bepaalde in bijlage I bij die verordening genoemde diersoorten op bepaalde zoönoses en zoönoseverwekkers worden onderzocht voordat de levende dieren of broedeieren uit het levensmiddelenbedrijf van herkomst worden verzonden De data en de resultaten van de tests worden opgenomen in de desbetreffende veterinaire certificaten zoals bepaald bij de wetgeving van de Unie, waaronder Richtlijn 2009/158/EG.

(7)

Bijlage IV bij Richtlijn 2009/158/EG bevat de modellen van veterinaire certificaten voor het handelsverkeer in pluimvee en broedeieren binnen de Unie.

(8)

Verordening (EG) nr. 584/2008 van de Commissie van 20 juni 2008 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een communautaire doelstelling voor het verminderen van de prevalentie van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium bij kalkoenen bepaalt dat de testvoorschriften vanaf 1 januari 2010 ook gelden voor koppels kalkoenen (3), zodat de desbetreffende veterinaire certificaten in bijlage IV bij Richtlijn 2009/158/EG dienovereenkomstig gewijzigd moeten worden.

(9)

De bijlagen II, III en IV bij Richtlijn 2009/158/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen II, III, en IV bij Richtlijn 2009/158/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 1 april 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 74.

(2)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(3)  PB L 162 van 21.6.2008, blz. 3.


BIJLAGE

De bijlagen II, III en IV bij Richtlijn 2009/158/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk II wordt als volgt gewijzigd:

i)

de tekst onder A, punt 2, onder e), komt als volgt te luiden:

„e)

De eieren moeten:

i)

geregeld worden verzameld, ten minste eenmaal per dag en zo spoedig mogelijk na het leggen;

ii)

zo spoedig mogelijk gereinigd en ontsmet worden, tenzij zij op een broederij in dezelfde lidstaat worden ontsmet;

iii)

in een nieuwe of een schone, ontsmette verpakking worden verpakt.”;

ii)

de tekst onder B, punt 2, onder e), eerste streepje, komt als volgt te luiden:

„—

de eieren, tussen aankomst en inleggen of op het tijdstip van verzending voor het handelsverkeer binnen de Unie of de uitvoer naar een derde land, tenzij zij al op het vermeerderingsbedrijf van oorsprong zijn ontsmet,”;

b)

de hoofdstukken III en IV komen als volgt te luiden:

„HOOFDSTUK III

PROGRAMMA VOOR GEZONDHEIDSCONTROLE

De programma’s voor gezondheidscontrole op ziekten moeten, onverminderd de hygiënische maatregelen en de artikelen 16 en 17, ten minste voorzien in controlevoorschriften voor de onder A tot en met D aangegeven besmettingen en pluimveesoorten.

A.   Besmetting met Salmonella Pullorum (1), Salmonella Gallinarum (2) en Salmonella arizonae  (3)

1.   Betrokken soorten

a)

Voor Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum: kippen, kalkoenen, parelhoenders, kwartels, fazanten, patrijzen en eenden.

b)

Voor Salmonella arizonae: kalkoenen.

2.   Gezondheidscontroleprogramma

a)

De besmetting wordt vastgesteld via serologisch en/of bacteriologisch onderzoek (4).

b)

De voor het onderzoek vereiste bemonstering heeft naargelang van het geval betrekking op bloed, niet-uitgekomen embryo’s (in de schaal gestorven embryo’s), zwakke kuikens, meconium, postmortemweefsel, met name lever, milt, eierstok/eileider en de ileocaecale overgang (5).

c)

Voor feces-/meconiummonsters en darmmonsters moet directe verrijking in seleniet-cysteïnebouillon worden toegepast. Indien in de monsters een minimale competitieve flora wordt verwacht (bv. bij in de schaal gestorven embryo’s) kan gebruik worden gemaakt van niet-selectieve voorverrijking gevold door selectieve verrijking in Rappaport-Vassiliadis-sojabouillon (RVS) of Müller-Kauffmann-tetrathionaat-novobiocinebouillon (MKTTn) (6)  (7).

d)

Wanneer er bij een koppel bloedmonsters worden genomen om via serologisch onderzoek Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum of Salmonella arizonae op te sporen, moeten de prevalentie van de besmetting in de lidstaat en de eerdere incidentie ervan in de inrichting in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het aantal te nemen monsters. Er moet echter altijd een statistisch valide aantal monsters worden genomen voor serologisch en/of bacteriologisch onderzoek ter opsporing van besmetting.

e)

Een koppel moet in de loop van elke legperiode worden gecontroleerd op het moment dat het meest geschikt is voor het opsporen van de desbetreffende ziekte.

f)

Er mogen geen monsters voor bacteriologisch onderzoek worden genomen van pluimvee dat of eieren die in de twee à drie weken voorafgaande aan het onderzoek met antimicrobiële geneesmiddelen zijn behandeld.

g)

Met de detectiemethoden moeten de serologische reacties op besmetting met Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum kunnen worden onderscheiden van serologische reacties op Salmonella Enteritidis-vaccin, ingeval dit vaccin is gebruikt (8). In geval van serologische bewaking mag dus niet met dit vaccin worden ingeënt. Is wel ingeënt, dan moet bacteriologisch onderzoek plaatsvinden, mits met de gebruikte bevestigingsmethode levende vaccinstammen van veldstammen kunnen worden onderscheiden.

B.   Besmetting met Mycoplasma gallisepticum en Mycoplasma meleagridis

1.   Betrokken soorten

a)

Voor Mycoplasma gallisepticum: kippen en kalkoenen.

b)

Voor Mycoplasma meleagridis: kalkoenen.

2.   Gezondheidscontroleprogramma

a)

De besmetting wordt vastgesteld aan de hand van gevalideerd serologisch en/of bacteriologisch onderzoek en/of moleculaire tests. De aanwezigheid van laesies op de luchtzakwand bij eendagskuikens van kippen en kalkoenen duidt op besmetting met Mycoplasma en moet worden onderzocht.

b)

De voor het onderzoek op Mycoplasma vereiste bemonstering heeft naar gelang van het geval betrekking op bloed, eendagskuikens van kippen en kalkoenen, sperma of swabs van de trachea, de choanae, de cloaca of de luchtzakken; met name moeten monsters van de eileider en de penis van kalkoenen worden genomen ter opsporing van Mycoplasma meleagridis.

c)

Bij de onderzoeken ter opsporing van Mycoplasma gallisepticum of Mycoplasma meleagridis wordt gebruikgemaakt van een representatief monster zodat in de opfok- en de legperiode, namelijk juist vóór het begin van de leg en vervolgens om de drie maanden, permanente controle op besmetting kan worden uitgeoefend.

C.   Resultaten en te nemen maatregelen

Het resultaat van de controle wordt als negatief aangemerkt indien geen enkel dier positief reageert. Is er wel een positieve reactie, dan wordt het koppel van besmetting verdacht en moeten de maatregelen van hoofdstuk IV erop worden toegepast.

D.   Indien een pluimveebedrijf meer dan een afzonderlijke productie-eenheid heeft, kan de bevoegde veterinaire instantie voor de gezonde productie-eenheden van een bedrijf waar de besmetting aanwezig is, afwijken van de maatregelen voor het opnieuw verlenen van goedkeuring zoals vermeld in hoofdstuk IV, punt 3, onder b), mits de bevoegde dierenarts heeft bevestigd dat de structuur en de omvang van deze productie-eenheden, alsmede de aldaar uitgevoerde verrichtingen van zodanige aard zijn dat deze productie-eenheden, op het vlak van huisvesting, verzorging en voederen, volledig apart staan zodat de betrokken ziekte zich niet van de ene productie-eenheid naar de andere kan verspreiden.

HOOFDSTUK IV

CRITERIA VOOR SCHORSING OF INTREKKING VAN DE ERKENNING VAN EEN INRICHTING

1.

De erkenning van een inrichting wordt geschorst:

a)

wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van hoofdstuk II;

b)

totdat een adequaat onderzoek naar de ziekte is ingesteld,

indien:

wordt vermoed dat de inrichting met aviaire influenza of met de ziekte van Newcastle is besmet,

in de inrichting pluimvee of broedeieren zijn binnengebracht die afkomstig zijn van een inrichting waarbij een besmetting door aviaire influenza of de ziekte van Newcastle vermoed wordt of bevestigd is,

geconstateerd is dat tussen de inrichting en een haard van aviaire influenza of van de ziekte van Newcastle contacten hebben plaatsgevonden waardoor de besmetting kan zijn overgebracht;

c)

totdat nieuwe onderzoeken zijn verricht, indien de resultaten van de controles die overeenkomstig de hoofdstukken II en III zijn uitgevoerd in verband met een mogelijke besmetting met Salmonella Pullorum Salmonella Gallinarum, Salmonella arizonae, Mycoplasma gallisepticum of Mycoplasma meleagridis, aanleiding geven tot het vermoeden van een haard;

d)

totdat de door de officiële dierenarts gevraagde maatregelen zijn uitgevoerd, indien is geconstateerd dat de inrichting niet voldoet aan de in hoofdstuk I, punt 1, onder a), b) en c), vastgestelde eisen.

2.

De erkenning van een inrichting wordt ingetrokken indien:

a)

wordt bevestigd dat de inrichting met aviaire influenza of met de ziekte van Newcastle is besmet;

b)

een besmettingshaard met Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum, Salmonella arizonae, Mycoplasma gallisepticum of Mycoplasma meleagridis bij een nieuw onderzoek wordt bevestigd;

c)

de maatregelen om te voldoen aan het bepaalde in hoofdstuk I, punt 1, onder a), b) en c), na een nieuwe aanmaning van de officiële dierenarts aan de voor de inrichting verantwoordelijke persoon nog steeds niet zijn uitgevoerd.

3.

Voorwaarden voor het opnieuw verlenen van de erkenning:

a)

wanneer de erkenning ingetrokken is wegens het uitbreken van aviaire influenza of de ziekte van Newcastle, kan de erkenning opnieuw worden verleend 21 dagen nadat reiniging en ontsmetting hebben plaatsgevonden, indien er is geruimd;

b)

wanneer de erkenning is ingetrokken wegens het uitbreken van:

Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum of Salmonella arizonae, kan de erkenning opnieuw worden verleend nadat de inrichting negatief is bevonden bij twee controles die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht nadat het koppel is geruimd en na ontsmetting van de inrichting, waarvan de doeltreffendheid is aangetoond met geschikte tests op droge oppervlakken;

Mycoplasma gallisepticum of Mycoplasma meleagridis, kan de erkenning opnieuw worden verleend nadat het hele koppel negatief is bevonden bij twee controles die met een tussenpoos van ten minste 60 dagen zijn verricht, dan wel nadat de inrichting negatief is bevonden bij twee controles die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht na ontsmetting nadat het hele besmette koppel is geruimd.”.

2)

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1 komt als volgt te luiden:

„1.

Bij inenting van pluimvee of koppels die broedeieren produceren, moet voor het gebruikte vaccin door de bevoegde autoriteit van een van de lidstaten een vergunning voor het in de handel brengen zijn afgegeven.”;

b)

het volgende punt 3 wordt toegevoegd:

„3.

Ten aanzien van inenting tegen ongeacht welk salmonellaserotype moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a)

de salmonella-inentingsprogramma’s mogen niet van invloed zijn op de serologische opsporing in het kader van veldonderzoek of leiden tot fout-positieve testresultaten;

b)

in het kader van nationale bestrijdingsprogramma’s mogen geen levende salmonellavaccins worden gebruikt:

i)

bij fok- of gebruikspluimvee gedurende het voortplantings-, respectievelijk legstadium, tenzij is aangetoond dat het gebruik van de vaccins veilig is en zij voor dat doel zijn toegelaten overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad (9);

ii)

als de fabrikant geen geschikte methode biedt om veldstammen van salmonella bacteriologisch van vaccinstammen te onderscheiden.

3)

Bijlage IV komt als volgt te luiden:

„BIJLAGE IV

VETERINAIRE CERTIFICATEN VOOR HET HANDELSVERKEER BINNEN DE UNIE

(Modellen 1 tot en met 6)

MODEL 1

Image

Image

Image

MODEL 2

Image

Image

Image

MODEL 3

Image

Image

Image

MODEL 4

Image

Image

Image

MODEL 5

Image

Image

Image

MODEL 6

Image

Image


(1)  Met Salmonella Pullorum wordt bedoeld Salmonella enterica subspecies enterica serovar Gallinarum biochemische variant (biovar) Pullorum.

(2)  Met Salmonella Gallinarum wordt bedoeld Salmonella enterica subspecies enterica serovar Gallinarum biochemische variant (biovar) Gallinarum.

(3)  Met Salmonella arizonae wordt bedoeld Salmonella enterica subspecies arizonae serogroep K (O18) arizonae.

(4)  Bij serologisch onderzoek bij andere vogelsoorten dan kippen kan zich soms een onaanvaardbaar hoog percentage fout-positieve reacties voordoen.

(5)  Milieumonsters zijn in de regel niet geschikt om Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum op betrouwbare wijze op te sporen.

(6)  Direct uitplaten van aseptisch afgenomen weefsels op een minimaal selectieve agar, zoals MacConkey-agar, kan ook zinvol zijn voor de diagnose.

(7)  Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum groeien niet goed in het gemodificeerde semisolide Rappaport-Vassiliadis-medium (MRSV) dat voor de bewaking van zoönotische Salmonella spp. in de Unie wordt gebruikt.

(8)  Er bestaat op dit moment geen test die een onderscheid kan maken tussen de reactie op besmetting met Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum en inenting tegen dit serotype.

(9)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1.”.


6.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/50


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 4 april 2011

ter uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft het overladen in de grensinspectiepost van binnenkomst van zendingen producten, bestemd voor invoer in de Unie of voor derde landen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2067)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/215/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (1), en met name artikel 9, lid 2, en artikel 11, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 97/78/EG bepaalt dat door de lidstaten veterinaire controles overeenkomstig die richtlijn moeten worden uitgevoerd op producten van dierlijke oorsprong en bepaalde plantaardige producten die uit derde landen in de Unie worden binnengebracht. Zij bepaalt ook dat de lidstaten erop moeten toezien dat zendingen van dergelijke producten de Unie via een grensinspectiepost binnenkomen.

(2)

Artikel 9 van Richtlijn 97/78/EG voorziet in de procedures die in de grensinspectiepost van binnenkomst moeten worden uitgevoerd bij zendingen die voor invoer in de Unie via een andere grensinspectiepost bestemd zijn maar die in de grensinspectiepost van binnenkomst worden overgeladen in het douanegebied van dezelfde haven of luchthaven in de Unie.

(3)

Artikel 11 van Richtlijn 97/78/EG betreft zendingen die afkomstig zijn uit een derde land en die in de grensinspectiepost van aankomst in het douanegebied van dezelfde haven of luchthaven in de Unie worden overgeladen maar die bestemd zijn om verder te worden vervoerd naar een ander derde land via het grondgebied van de Unie via een andere grensinspectiepost of direct naar een derde land zonder dat zij in een andere grensinspectiepost worden binnengebracht.

(4)

Bovendien voorzien de artikelen 9 en 11 van Richtlijn 97/78/EG in een aantal afwijkingen van de algemene voorschriften inzake de in de grensinspectiepost van binnenkomst uitgevoerde veterinaire controles. Die afwijkingen hebben een verschillende werkingssfeer en houden verband met de eindbestemming van de zendingen en de duur van de opslag van de zendingen tijdens het overlaadproces in de grensinspectiepost van aankomst.

(5)

Die duur wordt bepaald onder verwijzing naar een minimum- en een maximumperiode voor een dergelijke opslag, die moeten worden bepaald overeenkomstig de in Richtlijn 97/78/EG bedoelde procedure.

(6)

Beschikking 2000/25/EG van de Commissie van 16 december 1999 houdende vaststelling van de nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 9 van Richtlijn 97/78/EG van de Raad betreffende de overlading van producten in een inspectiepost aan de grens voor zendingen die uiteindelijk bestemd zijn voor invoer in de Europese Gemeenschap, en tot wijziging van Beschikking 93/14/EEG van de Commissie (2) stelt thans de minimum- en maximumperioden vast die gelden wanneer de zendingen zijn bestemd voor invoer in de Unie via een andere grensinspectiepost die is gelegen op hetzelfde grondgebied of op het grondgebied van een andere lidstaat.

(7)

Beschikking 2000/25/EG is niet helemaal duidelijk wat betreft de werkingssfeer van de voorschriften betreffende zendingen die in het douanegebied van dezelfde haven of luchthaven van het ene vliegtuig op het andere of van het ene schip op het andere worden overgeladen voor doorvoer naar een derde land zonder verdere tussenstop op het grondgebied van de Unie of via het grondgebied van de Unie. Daarom moeten in dit besluit voorschriften worden vastgesteld om de reeds in Beschikking 2000/25/EG vastgestelde bepalingen te verduidelijken, inclusief voorschriften over de relevante minimumperioden.

(8)

Om de volks- en de diergezondheid te vrijwaren, moet de officiële dierenarts in de grensinspectiepost van binnenkomst passende informatie over de onder de artikelen 9 en 11 van Richtlijn 97/78/EG vallende zendingen ontvangen. Daarom moeten voorschriften worden vastgesteld inzake de informatie die door de voor de lading verantwoordelijke persoon bij aankomst van de zending in de grensinspectiepost moet worden verstrekt.

(9)

De minimumperiode waarna veterinaire controles moeten worden uitgevoerd op zendingen die in dezelfde haven van het ene schip op het andere worden overgeladen en die bestemd zijn voor invoer of doorvoer naar derde landen, als bedoeld in de artikelen 9 en 11 van Richtlijn 97/78/EG, bedraagt zeven dagen.

(10)

Bij zendingen die van het ene schip op het andere worden overgeladen in dezelfde haven in de grensinspectiepost van aankomst en die direct bestemd zijn voor een derde land zonder verdere tussenstop op het grondgebied van de Unie, nemen de risico’s voor de dier- en de volksgezondheid in de Unie af, aangezien het contact van de zendingen met het grondgebied van de Unie beperkt is. In dergelijke gevallen kan het dienstig zijn om de in de artikelen 9 en 11 van Richtlijn 97/78/EG bedoelde minimumperiode te verlengen.

(11)

Voor die verlenging moeten door de lidstaat van de grensinspectiepost van aankomst passende garanties worden gesteld. Die lidstaat moet er met name voor zorgen dat wordt verhinderd dat dergelijke zendingen naar een andere haven in de Unie worden gebracht, en dat zij direct naar een derde land worden verzonden. Bovendien moet die lidstaat de Commissie en de andere lidstaten passende informatie over die garanties verstrekken, waaronder informatie over het monitoringsysteem om ervoor te zorgen dat de perioden en de regelingen voor het verder vervoer naar een specifieke bestemming, als aangegeven in de kennisgeving van de zending, worden nageleefd.

(12)

Verder is het van belang dat wordt aangegeven dat de zendingen na het verstrijken van de in dit besluit vastgestelde maximumperioden moeten worden onderworpen aan alle in Richtlijn 97/78/EG vastgestelde veterinaire controles.

(13)

Voor de duidelijkheid en de samenhang van de wetgeving van de Unie moet Beschikking 2000/25/EG worden ingetrokken en door dit besluit worden vervangen.

(14)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wanneer zendingen in een grensinspectiepost voor overlading worden aangeboden, stelt de voor de lading verantwoordelijke persoon de officiële dierenarts in de grensinspectiepost in kennis van het volgende:

a)

het geschatte tijdstip van het lossen van de zending;

b)

de grensinspectiepost van bestemming in de Unie in geval van invoer of doorvoer door de Unie of het derde land van bestemming in geval van directe doorvoer naar een derde land;

c)

de exacte locatie van de zending, als zij niet direct in het vliegtuig of het schip voor verzending naar de verdere bestemming wordt geladen;

d)

het geschatte tijdstip van het laden van de zending in het vliegtuig of het schip voor verzending naar de verdere bestemming.

Die kennisgeving wordt gedaan bij aankomst van de zending in de grenscontrolepost en met behulp van een door de bevoegde autoriteit vastgesteld middel.

Artikel 2

1.   De in artikel 9, lid 1, onder b), i), van Richtlijn 97/78/EG bedoelde minimumperiode bedraagt:

a)

12 uur voor een luchthaven;

b)

zeven dagen voor een haven.

2.   De in artikel 9, lid 1, onder b), i), van Richtlijn 97/78/EG bedoelde maximumperiode bedraagt:

a)

48 uur voor een luchthaven;

b)

20 dagen voor een haven.

Artikel 3

1.   Voor de toepassing van artikel 11 van Richtlijn 97/78/EG bedraagt de in artikel 9, lid 1, onder a), van die richtlijn bedoelde minimumperiode:

a)

12 uur voor een luchthaven;

b)

zeven dagen voor een haven.

2.   Voor de toepassing van artikel 11, lid 1, van Richtlijn 97/78/EG en artikel 11, lid 2, onder b), tweede streepje, van die richtlijn kunnen de lidstaten de in lid 1, onder b), van dit artikel vastgestelde minimumperiode verlengen tot 14 dagen, mits:

a)

de zendingen afkomstig zijn van een derde land en bestemd zijn voor een ander derde land zonder verdere tussenstop op de grondgebieden, vermeld in bijlage I bij Richtlijn 97/78/EG;

b)

de zendingen in de grensinspectiepost in het douanegebied van dezelfde haven in de Unie van het ene schip op het andere worden overgeladen;

c)

de betrokken lidstaat de Commissie en de andere lidstaten in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid een gedetailleerde rechtvaardiging verstrekt, waarin wordt aangegeven dat alle nodige maatregelen zijn genomen om te verhinderen dat dergelijke zendingen naar een andere haven in de Unie worden gebracht in plaats van direct te worden overgeladen op een schip dat een derde land als bestemming heeft.

Die maatregelen omvatten een monitoringsysteem om ervoor te zorgen dat de perioden en de regelingen inzake de verdere bestemming, als aangegeven in de in artikel 1 bedoelde kennisgeving, worden nageleefd.

Artikel 4

Wanneer de in artikel 2, lid 2, vastgestelde maximumperiode is verstreken, wordt de zending in de grensinspectiepost van binnenkomst onderworpen aan de in artikel 4 van Richtlijn 97/78/EG bedoelde overeenstemmings- en materiële controles.

Artikel 5

Beschikking 2000/25/EG wordt ingetrokken.

Artikel 6

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 mei 2011.

Artikel 7

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 4 april 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.

(2)  PB L 9 van 13.1.2000, blz. 27.


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

6.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/53


BESLUIT Nr. 1/2011 VAN HET GEMENGD LANDBOUWCOMITÉ DAT IS OPGERICHT BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT INZAKE DE HANDEL IN LANDBOUWPRODUCTEN

van 31 maart 2011

betreffende de wijziging van bijlage 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten

(2011/216/EU)

HET GEMENGD LANDBOUWCOMITÉ,

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (1), hierna „de overeenkomst” genoemd, en met name artikel 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De overeenkomst is op 1 juni 2002 in werking getreden.

(2)

Bijlage 3 bij de overeenkomst heeft betrekking op tariefconcessies voor kaas en is met name gericht op de geleidelijke liberalisering van de handel in kaas in de eerste vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst.

(3)

De Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat hebben afgesproken om in de overeenkomst een nieuwe bijlage 12 op te nemen die betrekking heeft op de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen; hiervoor is coherentie in de specificaties van met name kaas vereist.

(4)

Bijgevolg moet bijlage 3 worden herzien om rekening te houden met de volledige liberalisering van de bilaterale handel in kaas sinds 1 juni 2007 en met de bescherming van geografische aanduidingen conform de nieuwe bijlage 12,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, en de aanhangsels van die bijlage, worden vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de vaststelling ervan door het Gemengd Comité.

Gedaan te Brussel, 31 maart 2011.

Voor het Gemengd Landbouwcomité

De voorzitter en hoofd van de delegatie van Zwitserland

Jacques CHAVAZ

Het hoofd van de EU-delegatie

Nicolas VERLET

De secretaris van het Comité

Chantal MOSER


(1)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 132.


BIJLAGE

„BIJLAGE 3

1.

Sinds 1 juni 2007 is de bilaterale handel in alle producten van tariefcode 0406 van het geharmoniseerde systeem als gevolg van de afschaffing van alle tarieven en contingenten volledig geliberaliseerd.

2.

De Europese Unie past geen restituties toe bij uitvoer van kaas naar Zwitserland. Zwitserland kent geen uitvoersubsidies (1) toe voor naar de Europese Unie uitgevoerde kaas.

3.

Voor producten van GN-code 0406 die van oorsprong zijn uit de Europese Unie of uit Zwitserland en tussen deze partijen worden verhandeld, hoeft geen invoervergunning te worden voorgelegd.

4.

De Europese Unie en Zwitserland zorgen ervoor dat de voordelen die zij aan elkaar toestaan, niet in het gedrang worden gebracht door andere maatregelen die betrekking hebben op de invoer of de uitvoer.

5.

Als zich bij een van de partijen een verstoring van de prijzen en/of de invoer voordoet, vindt op verzoek van een van de partijen zo spoedig mogelijk overleg plaats in het bij artikel 6 van de overeenkomst ingestelde comité om een passende oplossing te vinden. In dit verband komen de partijen overeen regelmatig informatie over prijzen en andere nuttige inlichtingen over de markt van de lokaal geproduceerde en de ingevoerde kaas uit te wisselen.


(1)  De basisbedragen die als grondslag voor de afschaffing van de uitvoersubsidies zijn gebruikt, zijn in onderling overleg door de partijen berekend op basis van het verschil tussen de institutionele melkprijzen die waarschijnlijk op het ogenblik van de inwerkingtreding van de overeenkomst van toepassing waren — inclusief een supplement voor tot kaas verwerkte melk — en zijn verkregen op basis van de hoeveelheid melk die voor de bereiding van de betrokken kazen nodig was, verminderd (uitgezonderd voor kaas waarvoor tariefcontingenten golden) met het bedrag waarmee de Gemeenschap de douanerechten verlaagde.”