ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2011.059.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 59

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
4 maart 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 212/2011 van de Commissie van 3 maart 2011 tot verlening van een vergunning voor Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor legkippen (vergunninghouder Lallemand SAS) ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 213/2011 van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van de bijlagen II en V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties ( 1 )

4

 

*

Verordening (EU) nr. 214/2011 van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van de bijlagen I en V bij Verordening (EG) nr. 689/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

8

 

*

Verordening (EU) nr. 215/2011 van de Commissie van 1 maart 2011 tot goedkeuring van niet-minimale wijzigingen van het productdossier voor een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Pecorino Sardo (BOB)]

15

 

*

Verordening (EU) nr. 216/2011 van de Commissie van 1 maart 2011 houdende goedkeuring van niet-minimale wijzigingen van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Chianti Classico (BOB)]

17

 

*

Verordening (EU) nr. 217/2011 van de Commissie van 1 maart 2011 tot goedkeuring van niet-minimale wijzigingen van het productdossier voor een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Robiola di Roccaverano (BOB)]

19

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 218/2011 van de Commissie van 3 maart 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

21

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 219/2011 van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

23

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 220/2011 van de Commissie van 3 maart 2011 tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de 17e bijzondere inschrijving in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 447/2010 geopende openbare inschrijving

25

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/22/EU van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde bispyribac op te nemen als werkzame stof ( 1 )

26

 

*

Richtlijn 2011/23/EU van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde triflumuron op te nemen als werkzame stof ( 1 )

29

 

*

Richtlijn 2011/25/EU van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om bupirimaat als werkzame stof op te nemen en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG ( 1 )

32

 

*

Richtlijn 2011/26/EU van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om diethofencarb als werkzame stof op te nemen en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG ( 1 )

37

 

 

BESLUITEN

 

 

2011/138/EU

 

*

Besluit van de Raad van 28 februari 2011 tot wijziging van Besluit 2010/248/EU houdende aanpassing van de vergoedingen als bedoeld in Besluit 2003/479/EG en Besluit 2007/829/EG betreffende de regeling die van toepassing is op nationale deskundigen en militairen die bij het secretariaat-generaal van de Raad zijn gedetacheerd

41

 

 

2011/139/EU

 

*

Besluit van de Raad van 28 februari 2011 houdende aanpassing van de vergoedingen als bedoeld in Besluit 2007/829/EG betreffende de regeling die van toepassing is op de nationale deskundigen en militairen die bij het secretariaat-generaal van de Raad zijn gedetacheerd

43

 

 

2011/140/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 20 juli 2010 betreffende steunmaatregel C 27/09 (ex N 34/B/09) Begrotingssubsidie voor France Télévisions die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van France Télévisions (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4918)  ( 1 )

44

 

 

2011/141/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 1 maart 2011 tot wijziging van Beschikking 2007/76/EG ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming wat wederzijdse bijstand betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1165)  ( 1 )

63

 

 

2011/142/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 3 maart 2011 tot wijziging van Beschikking 97/80/EG houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 96/16/EG van de Raad betreffende statistische enquêtes inzake melk en zuivelproducten ( 1 )

66

 

 

2011/143/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 3 maart 2011 betreffende de niet-opneming van ethoxyquine in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot wijziging van Beschikking 2008/941/EG van de Commissie (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1265)  ( 1 )

71

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/1


VERORDENING (EU) Nr. 212/2011 VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot verlening van een vergunning voor Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor legkippen (vergunninghouder Lallemand SAS)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een vergunningaanvraag voor Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M ingediend. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten zijn bij die aanvraag verstrekt.

(3)

De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor legkippen in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”.

(4)

Voor het gebruik van Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M is een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor mestkippen bij Verordening (EG) nr. 1200/2005 van de Commissie (2) en voor mestvarkens bij Verordening (EG) nr. 2036/2005 van de Commissie (3), en voor een periode van tien jaar voor zalmachtigen en garnalen bij Verordening (EG) nr. 911/2009 van de Commissie (4) en voor gespeende biggen bij Verordening (EU) nr. 1120/2010 van de Commissie (5).

(5)

Er zijn nieuwe gegevens ingediend ter staving van de aanvraag voor de verlening van een vergunning voor Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M voor legkippen. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 5 oktober 2010 (6) geconcludeerd dat Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden, geen ongunstige effecten voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid en het milieu heeft en dat het gebruik daarvan de legintensiteit van de doelsoorten aanzienlijk verbeterde. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde communautaire referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dit preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „darmflorastabilisatoren” wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  PB L 195 van 27.7.2005, blz. 6.

(3)  PB L 328 van 15.12.2005, blz. 13.

(4)  PB L 257 van 30.9.2009, blz. 10.

(5)  PB L 317 van 3.12.2010, blz. 12.

(6)  EFSA Journal 2010; 8(10):1865.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

CFU/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren

4d1712

Lallemand SAS

Pediococcus acidilactici

CNCM MA 18/5M

 

Samenstelling toevoegingsmiddel

Bereiding van Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M met ten minste 1 × 1010 CFU/g

 

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare cellen van Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M

 

Analysemethoden  (1)

 

Telling: spreidplaatmethode onder gebruikmaking van MSR-agar (EN 15786:2009)

 

Identificatie: pulsed-field gel elektroforese (PFGE)

Legkippen

1 × 109

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagtemperatuur, de houdbaarheid en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming, bril en handschoenen tijdens hantering.

24 maart 2021


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het communautaire referentielaboratorium: www.irmm.jrc.be/crl-feed-additives.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/4


VERORDENING (EU) Nr. 213/2011 VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot wijziging van de bijlagen II en V bij Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (1), en met name artikel 11, tweede alinea, en artikel 26, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Oostenrijk heeft gevraagd tien opleidingsprogramma's in verband met gezondheidszorg in bijlage II bij Richtlijn 2005/36/EG in te voegen. Deze opleidingsprogramma's worden geregeld bij de verordening inzake speciale taken in de gezondheids- en ziekenzorg (Gesundheits- und Krankenpflege-Spezialaufgaben-Verordnung (GuK-SV BGBl II Nr. 452/2005) en de verordening inzake onderwijs- en managementtaken in de gezondheids- en ziekenzorg (Gesundheits- und Krankenpflege-Lehr- und Führungsaufgaben-Verordnung (GuK-LFV BGBl II Nr. 453/2005).

(2)

Aangezien het niveau van deze Oostenrijkse opleidingsprogramma's gelijkwaardig is aan het in artikel 11, onder c) i), van Richtlijn 2005/36/EG vermelde opleidingsniveau, en aangezien deze programma's opleiden tot een vergelijkbare beroepsbekwaamheid en voorbereiden op een vergelijkbaar niveau van verantwoordelijkheden en taken, is de opneming ervan op grond van artikel 11, onder c) ii), in bijlage II bij Richtlijn 2005/36/EG gerechtvaardigd.

(3)

Portugal heeft een met redenen omkleed verzoek ingediend om de opleiding tot specialist in medische oncologie in punt 5.1.3 van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG op te nemen.

(4)

Medische oncologie heeft ten doel een systemische behandeling van kanker te bieden. Als gevolg van de vooruitgang van de wetenschap heeft de behandeling van kankerpatiënten de afgelopen tien jaar ingrijpende veranderingen ondergaan. De opleiding tot specialist in medische oncologie is niet in punt 5.1.3 van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG opgenomen. Medische oncologie heeft zich evenwel in meer dan twee vijfden van de lidstaten tot een volwaardige en afzonderlijke opleiding tot specialist ontwikkeld, hetgeen de opneming ervan in punt 5.1.3 van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG rechtvaardigt.

(5)

De voor automatische erkenning vereiste minimumduur van de opleiding tot specialist in medische oncologie dient vijf jaar te bedragen om te garanderen dat deze opleiding tot specialist van een voldoende hoog niveau is.

(6)

Frankrijk heeft een met redenen omkleed verzoek ingediend om de opleiding tot specialist in klinische genetica in punt 5.1.3 van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG op te nemen.

(7)

Klinische genetica is een medisch specialisme dat inspeelt op de snelle ontwikkeling van de kennis op het gebied van genetica en de gevolgen daarvan voor tal van gespecialiseerde terreinen, zoals oncologie, foetale geneeskunde, kindergeneeskunde en chronische ziekten. Klinische genetica speelt een steeds grotere rol bij de opsporing en preventie van diverse pathologieën. De opleiding tot specialist in klinische genetica is niet in punt 5.1.3 van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG opgenomen. Klinische genetica heeft zich evenwel in meer dan twee vijfden van de lidstaten tot een volwaardige en afzonderlijke opleiding tot specialist ontwikkeld, hetgeen de opneming ervan in punt 5.1.3 van bijlage V bij Richtlijn 2005/36/EG rechtvaardigt.

(8)

De voor automatische erkenning vereiste minimumduur van de opleiding tot specialist in klinische genetica dient vier jaar te bedragen om te garanderen dat deze opleiding tot specialist van een voldoende hoog niveau is.

(9)

Richtlijn 2005/36/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de erkenning van beroepskwalificaties,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen II en V bij Richtlijn 2005/36/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.


BIJLAGE

De bijlagen II en V bij Richtlijn 2005/36/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

In punt 1 van bijlage II wordt onder „Oostenrijk” het volgende toegevoegd:

„—

speciale opleiding kinder- en jeugdzorg („Sonderausbildung in der Kinder- und Jugendlichenpflege”);

speciale opleiding psychiatrische gezondheids- en ziekenzorg („Sonderausbildung in der psychiatrischen Gesundheits- und Krankenpflege”);

speciale opleiding intensieve zorg („Sonderausbildung in der Intensivpflege”);

speciale opleiding intensieve zorg voor kinderen („Sonderausbildung in der Kinderintensivpflege”);

speciale opleiding anesthesiezorg („Sonderausbildung in der Anästhesiepflege”);

speciale opleiding zorg bij nierfunctievervangende therapie („Sonderausbildung in der Pflege bei Nierenersatztherapie”);

speciale opleiding operatiezorg („Sonderausbildung in der Pflege im Operationsbereich”);

speciale opleiding ziekenhuishygiëne („Sonderausbildung in der Krankenhaushygiene”);

speciale opleiding onderwijstaken in de gezondheids- en ziekenzorg („Sonderausbildung für Lehraufgaben in der Gesundheits- und Krankenpflege”);

speciale opleiding managementtaken in de gezondheids- en ziekenzorg („Sonderausbildung für Führungsaufgaben in der Gesundheits- und Krankenpflege”);

overeenkomende met een onderwijs- en studiecyclus met een totale duur van ten minste dertien jaar en zes maanden à veertien jaar, waarvan gedurende ten minste tien jaar algemeen onderwijs, gedurende drie jaar een basisopleiding in een openbare hogeschool voor gezondheids- en ziekenzorg, en gedurende zes à twaalf maanden een speciale opleiding in een gespecialiseerde, onderwijs- of managementtaak wordt gevolgd.”.

2)

In punt 5.1.3 van bijlage V wordt de volgende tabel toegevoegd:

„Land

Medische oncologie

Minimale opleidingsduur: 5 jaar

Klinische genetica

Minimale opleidingsduur: 4 jaar

Benaming

Benaming

Belgique/België/Belgien

Oncologie médicale/ Medische oncologie

 

България

Медицинска онкология

Медицинска генетика

Česká republika

Klinická onkologie

Lékařská genetika

Danmark

 

Klinisk genetik

Deutschland

 

Humangenetik

Eesti

 

Meditsiinigeneetika

Ελλάς

Παθολογική Ογκολογία

 

España

 

 

France

Oncologie

Génétique médicale

Ireland

Medical oncology

Clinical genetics

Italia

Oncologia medica

Genetica medica

Κύπρος

Ακτινοθεραπευτική Ογκολογία

 

Latvija

Onkoloģija ķīmijterapija

Medicīnas ģenētika

Lietuva

Chemoterapinė onkologija

Genetika

Luxembourg

Oncologie médicale

Médecine génétique

Magyarország

Klinikai onkológia

Klinikai genetika

Malta

 

 

Nederland

 

Klinische genetica

Österreich

 

Medizinische Genetik

Polska

Onkologia kliniczna

Genetyka kliniczna

Portugal

Oncologia médica

Genética médica

România

Oncologie medicala

Genetica medicala

Slovenija

Internistična onkologija

Klinična genetika

Slovensko

Klinická onkológia

Lekárska genetica

Suomi/Finland

 

Perinnöllisyyslääketiede/ Medicinsk genetik

Sverige

 

 

United Kingdom

Medical oncology

Clinical genetics”.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/8


VERORDENING (EU) Nr. 214/2011 VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot wijziging van de bijlagen I en V bij Verordening (EG) nr. 689/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 689/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (1), en met name artikel 22, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 689/2008 behelst de uitvoering van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, dat op 11 september 1998 is ondertekend en bij Besluit 2003/106/EG van de Raad (2) namens de Gemeenschap is goedgekeurd.

(2)

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 dient te worden gewijzigd om rekening te houden met regelgevende maatregelen betreffende bepaalde chemische stoffen die zijn genomen krachtens Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (3), Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (4) en Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (5).

(3)

Bijlage V bij Verordening (EG) nr. 689/2008 dient te worden gewijzigd om rekening te houden met besluiten betreffende bepaalde stoffen die zijn vastgesteld op grond van het Verdrag van Stockholm van 14 oktober 2004 inzake persistente organische verontreinigende stoffen, dat op 22 mei 2001 is ondertekend en bij Besluit 2006/507/EG van de Raad (6) namens de Gemeenschap is goedgekeurd en verdere regelgevende maatregelen betreffende deze stoffen op grond van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG (7). Bijlage V moet ook worden gewijzigd in het licht van de regelgevende maatregelen die zijn getroffen om de uitvoer van andere chemische stoffen dan persistente organische verontreinigende stoffen te verbieden.

(4)

De stoffen difenylamine, triazoxide en triflumuron zijn niet opgenomen als werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, met als gevolg dat die werkzame stoffen niet in bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt en bijgevolg aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 moeten worden toegevoegd. Daar nieuwe aanvragen zijn ingediend, waarvoor nieuwe besluiten over de opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG nodig zullen zijn, dienen deze stoffen niet aan de lijst van chemische stoffen in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 te worden toegevoegd, totdat de nieuwe besluiten over de status van deze chemische stoffen zijn vastgesteld.

(5)

De stoffen bifenthrin en metam zijn niet opgenomen als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG; voor zover Richtlijn 98/8/EG betreft, zijn deze stoffen aangewezen en ter kennis gebracht voor evaluatie. Als gevolg daarvan zijn bifenthrin en metam sterk beperkt wat het gebruik als pesticide betreft, omdat het gebruik van beide stoffen bijna geheel is verboden, ondanks het feit dat de lidstaten deze mogen blijven toestaan, totdat een besluit overeenkomstig Richtlijn 98/8/EG is genomen. Bifenthrin en metam moeten daarom worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008. Daar nieuwe aanvragen zijn ingediend, waarvoor nieuwe besluiten over de opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG nodig zullen zijn, dienen deze stoffen niet aan de lijst van chemische stoffen in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 te worden toegevoegd, totdat de nieuwe besluiten over de status van deze chemische stoffen zijn vastgesteld.

(6)

De stof carbosulfan is niet als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, met als gevolg dat carbosulfan niet in bestrijdingsmiddelen mag worden gebruikt en bijgevolg aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 moet worden toegevoegd. De toevoeging van carbosulfan aan deel 2 van bijlage I werd opgeschort als gevolg van een nieuwe aanvraag tot opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG die is ingediend overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (8). Deze nieuwe aanvraag is door de aanvragers ingetrokken, zodat de reden voor de opschorting van de toevoeging aan deel 2 van bijlage I niet langer bestaat. De stof carbosulfan moet derhalve worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(7)

De stof trifluralin is niet als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG met als gevolg dat trifluralin niet in bestrijdingsmiddelen mag worden gebruikt en bijgevolg aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 moet worden toegevoegd. De toevoeging van trifluralin aan deel 2 van bijlage I werd opgeschort als gevolg van de nieuwe aanvraag tot opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, die is ingediend overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 33/2008. Na deze nieuwe aanvraag werd opnieuw besloten trifluralin niet als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG op te nemen, met als gevolg dat het gebruik van trifluralin in bestrijdingsmiddelen verboden blijft en dat de reden voor de opschorting van de toevoeging aan deel 2 van bijlage I niet langer bestaat. De stof trifluralin moet derhalve worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(8)

De stof chloorthal-dimethyl is niet als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen, met als gevolg dat chloorthal-dimethyl niet in bestrijdingsmiddelen mag worden gebruikt en bijgevolg aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 moet worden toegevoegd.

(9)

De stoffen chloordecon, hexabroombifenyl, hexachloorcyclohexanes, lindaan en pentabroomdifenylether worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen waarvoor een uitvoerverbod geldt in deel 1 van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 689/2008. Derhalve behoeven deze stoffen niet langer te worden vermeld in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 en de vermeldingen moeten bijgevolg worden geschrapt.

(10)

De stoffen hexabroombifenyl, hexachloorcyclohexaan (HCH) en lindaan zijn reeds opgenomen in deel 3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008. De toevoeging ervan aan deel 1 van bijlage V bij die verordening moet derhalve leiden tot aanpassing van deel 3 van bijlage I.

(11)

Bij Verordening (EU) nr. 757/2010 van de Commissie van 24 augustus 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen met betrekking tot de bijlagen I en III (9) worden de op grond van het Verdrag van Stockholm genomen besluiten om de stoffen chloordecon, pentachloorbenzeen, hexabroombifenyl, hexachloorcyclohexanes, lindaan, tetrabroomdifenylether, pentabroomdifenylether, hexabroomdifenylether en heptabroomdifenylether toe te voegen aan deel 1 van bijlage A bij het Verdrag van Stockholm ten uitvoer gelegd door de toevoeging van die stoffen aan deel A van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 850/2004. Bijgevolg moeten deze stoffen worden toegevoegd aan deel 1 van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(12)

Verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (10) verbiedt de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en –mengsels vanuit de Europese Unie naar derde landen. Bijgevolg moeten deze stoffen worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen in deel 2 van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 689/2008. Bovendien moet de vermelding voor kwikverbindingen in deel 1 van bijlage I worden aangepast aan het uitvoerverbod van bepaalde kwikverbindingen en de huidige status van kwikverbindingen in Richtlijn 98/8/EG.

(13)

De bijlagen I en V bij Verordening (EG) nr. 689/2008 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Teneinde de lidstaten en de industrie genoeg tijd te geven de nodige maatregelen te nemen om deze verordening ten uitvoer te leggen, moet de toepassing daarvan worden uitgesteld.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

2)

Bijlage V wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 mei 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 204 van 31.7.2008, blz. 1.

(2)  PB L 63 van 6.3.2003, blz. 27.

(3)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(4)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(5)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(6)  PB L 209 van 31.7.2006, blz. 1.

(7)  PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7.

(8)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(9)  PB L 223 van 25.8.2010, blz. 29.

(10)  PB L 304 van 14.11.2008, blz. 75.


BIJLAGE I

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende vermeldingen worden toegevoegd:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Bifenthrin

82657-04-3

 

2916 20 00

p(1)

v

 

Chloorthal-dimethyl +

1861-32-1

217-464-7

2917 39 95

p(1)

v

 

Difenylamine

122-39-4

204-539-4

2921 44 00

p(1)

v

 

Metam

144-54-7

137-42-8

205-632-2

205-239-0

2930 20 00

p(1)

v

 

Triazoxide

72459-58-6

276-668-4

2933 29 90

p(1)

v

 

Triflumuron

64628-44-0

264-980-3

2924 29 98

p(1)

v”

 

b)

de vermelding voor kwikverbindingen wordt vervangen door:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Kwikverbindingen, inclusief anorganische kwikverbindingen, alkylkwikverbindingen, alkyloxyalkyl- en arylkwikverbindingen behalve de in bijlage V opgesomde kwikverbindingen #

62-38-4, 26545-49-3 en andere

200-532-5, 247-783-7 en andere

2852 00 00

p(1)-p(2)

v-v

Zie de PIC-circulaire op www.pic.int/”

c)

de vermelding voor polybroombifenylen wordt vervangen door:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Polybroombifenylen (PBB’s) behalve hexabroombifenyl #

13654-09-6, 27858-07-7 en andere

237-137-2, 248-696-7 en andere

2903 69 90

i(1)

sb

Zie de PIC-circulaire op www.pic.int/”

d)

de volgende vermelding wordt geschrapt:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Chloordecon

143-50-0

205-601-3

2914 70 00

p(2)

sb”

 

e)

de volgende vermelding wordt geschrapt:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Pentabroomdifenyl-ether +

32534-81-9

251-084-2

2909 30 31

i(1)

sb”

 

f)

de volgende vermelding wordt geschrapt:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„HCH (hexachloorcyclo-hexaan) (mengsel van isomeren) #

608-73-1

210-168-9

2903 51 00

p(1)-p(2)

v-sb

Zie de PIC-circulaire op www.pic.int/”

g)

de volgende vermelding wordt geschrapt:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Lindaan (γ-HCH) #

58-89-9

200-401-2

2903 51 00

p(1)-p(2)

v-sb

Zie de PIC-circulaire op www.pic.int/”

2)

Deel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende vermeldingen worden toegevoegd:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Categorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

„Carbosulfan

55285-14-8

259-565-9

2932 99 00

p

v

Chloorthal-dimethyl

1861-32-1

217-464-7

2917 39 95

p

v

Trifluralin

1582-09-8

216-428-8

2921 43 00

p

v”

b)

de volgende vermelding wordt geschrapt:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Categorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

„Pentabroomdifenyl-ether

32534-81-9

251-084-2

2909 30 31

i

sb”

3)

Deel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de vermelding voor HCH (mengsel van isomeren) wordt vervangen door:

Chemische stof

Relevant(e) CAS-nummer(s)

HS-code

Zuivere stof

HS-code

Mengsels, bereidingen die een dergelijke stof bevatten

Categorie

„HCH (mengsel van isomeren) (*)

608-73-1

2903.51

3808.50

Bestrijdingsmiddel”

b)

de vermelding voor lindaan wordt vervangen door:

Chemische stof

Relevant(e) CAS-nummer(s)

HS-code

Zuivere stof

HS-code

Mengsels, bereidingen die een dergelijke stof bevatten

Categorie

„Lindaan (*)

58-89-9

2903.51

3808.50

Bestrijdingsmiddel”

c)

de vermelding voor Polybroombifenylen (PBB's) wordt vervangen door:

Chemische stof

Relevant(e) CAS-nummer(s)

HS-code

Zuivere stof

HS-code

Mengsels, bereidingen die een dergelijke stof bevatten

Categorie

„Polybroombifenylen (PBB’s)

 

 

 

 

(hexa-) (*)

36355-01-8

3824.82

Industriële chemische stof”

(octa-)

27858-07-7

 

 

 

(deca-)

13654-09-6

 

 

 


BIJLAGE II

Bijlage V bij Verordening (EG) nr. 689/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In deel 1 worden de volgende vermeldingen toegevoegd:

Beschrijving van chemische stof/artikel waarvoor een uitvoerverbod geldt

Eventuele bijkomende details (bv. naam van de chemische stof, Einecs-nummer, CAS-nummer, enz.)

 

„Chloordecon

Einecs-nr. 205-601-3

CAS-nr. 143-50-0

GN-code 2914 70 00

 

Pentachloorbenzeen

Einecs-nr. 210-172-5

CAS-nr. 608-93-5

GN-code 2903 69 90

 

Hexabroombifenyl

Einecs-nr. 252-994-2

CAS-nr. 36355-01-8

GN-code 2903 69 90

 

Hexachloorcyclohexanen, inclusief lindaan

Einecs-nrs. 200-401-2, 206-270-8, 206-271-3, 210-168-9

CAS-nrs. 58-89-9, 319-84-6, 319-85-7, 608-73-1

GN-code 2903 51 00

 

Tetrabroomdifenylether

C12H6Br4O

Einecs-nr. 254-787-2 en andere

CAS-nr. 40088-47-9 en andere

GN-code 2909 30 38

 

Pentabroomdifenylether

C12H5Br5O

Einecs-nr. 251-084-2 en andere

CAS-nr. 32534-81-9 en andere

GN-code 2909 30 31

 

Hexabroomdifenylether

C12H4Br6O

Einecs-nr. 253-058-6

CAS-nr. 36483-60-0 en andere

GN-code 2909 30 38

 

Heptabroomdifenylether

C12H3Br7O

Einecs-nr. 273-031-2

CAS-nr. 68928-80-3 en andere

GN-code 2909 30 38”

2)

In deel 2 worden de volgende vermeldingen toegevoegd:

Beschrijving van chemische stof/artikel waarvoor een uitvoerverbod geldt

Eventuele bijkomende details (bv. naam van de chemische stof, Einecs-nummer, CAS-nummer, enz.)

„Metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels met andere stoffen, met inbegrip van kwiklegeringen met een kwikconcentratie van minstens 95 % gewichtsprocent

CAS-nummer 7439-97-6

GN-code 2805 40

Kwikverbindingen met uitzondering van de uitvoer van verbindingen voor onderzoek en ontwikkeling, medische of analysedoeleinden

Cinnabererts, kwik (I) chloride (Hg2Cl2, CAS-nummer 10112-91-1, kwik (II) oxide (HgO, CAS-nummer 21908-53-2); GN-code 2852 00 00”


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/15


VERORDENING (EU) Nr. 215/2011 VAN DE COMMISSIE

van 1 maart 2011

tot goedkeuring van niet-minimale wijzigingen van het productdossier voor een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Pecorino Sardo (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 heeft de Commissie de aanvraag van Italië onderzocht voor de goedkeuring van wijzigingen van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Pecorino Sardo” die bij Verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie (2), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1263/96 van de Commissie (3), is geregistreerd.

(2)

Omdat de betrokken wijzigingen niet minimaal zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 510/2006, heeft de Commissie het wijzigingsverzoek overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (4). Aangezien aan de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006 is meegedeeld, moeten de wijzigingen worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijzigingen van het productdossier met betrekking tot de in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming worden goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOŞ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB L 148 van 21.6.1996, blz. 1.

(3)  PB L 163 van 2.7.1996, blz. 19.

(4)  PB C 162 van 22.6.2010, blz. 7.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

ITALIË

Pecorino Sardo (BOB)


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/17


VERORDENING (EU) Nr. 216/2011 VAN DE COMMISSIE

van 1 maart 2011

houdende goedkeuring van niet-minimale wijzigingen van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Chianti Classico (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 heeft de Commissie de aanvraag van Italië onderzocht voor de goedkeuring van wijzigingen van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming “Chianti Classico” die bij Verordening (EG) nr. 2400/96 van de Commissie (2), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2446/2000 van de Commissie (3), is geregistreerd.

(2)

Aangezien de betrokken wijzigingen niet minimaal zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 510/2006, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (4). Aangezien aan de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006 is meegedeeld, moeten de wijzigingen worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijzigingen van het productdossier met betrekking tot de in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming worden goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOŞ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB L 327 van 18.12.1996, blz. 11.

(3)  PB L 281 van 7.11.2000, blz. 12.

(4)  PB C 163 van 23.6.2010, blz. 16.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.5. –   Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie, enz.)

ITALIË

Chianti Classico (BOB)


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/19


VERORDENING (EU) Nr. 217/2011 VAN DE COMMISSIE

van 1 maart 2011

tot goedkeuring van niet-minimale wijzigingen van het productdossier voor een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Robiola di Roccaverano (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 heeft de Commissie de aanvraag van Italië onderzocht voor de goedkeuring van wijzigingen van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Robiola di Roccaverano” die bij Verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie (2), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1263/96 van de Commissie (3), is geregistreerd.

(2)

Omdat de betrokken wijzigingen niet minimaal zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 510/2006, heeft de Commissie het wijzigingsverzoek overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (4). Aangezien aan de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006 is meegedeeld, moeten de wijzigingen worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijzigingen van het productdossier met betrekking tot de in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming worden goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOŞ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB L 148 van 21.6.1996, blz. 1.

(3)  PB L 163 van 2.7.1996, blz. 19.

(4)  PB C 168 van 26.6.2010, blz. 10.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

ITALIË

Robiola di Roccaverano (BOB)


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/21


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 218/2011 VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 4 maart 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

122,2

MA

45,8

TN

92,7

TR

101,1

ZZ

90,5

0707 00 05

TR

164,7

ZZ

164,7

0709 90 70

MA

31,6

TR

132,7

ZZ

82,2

0805 10 20

EG

55,0

IL

76,8

MA

62,9

TN

42,9

TR

65,9

ZA

37,9

ZZ

56,9

0805 50 10

MA

45,9

TR

53,6

ZZ

49,8

0808 10 80

BR

55,2

CA

126,3

CL

90,0

CN

109,4

MK

54,8

US

112,1

ZZ

91,3

0808 20 50

AR

93,2

CL

84,9

CN

65,8

US

92,6

ZA

103,2

ZZ

87,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/23


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 219/2011 VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2010/11 zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 867/2010 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 199/2011 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2010/11 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 867/2010 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 4 maart 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 259 van 1.10.2010, blz. 3.

(4)  PB L 56 van 1.3.2011, blz. 12.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 4 maart 2011

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

59,32

0,00

1701 11 90 (1)

59,32

0,00

1701 12 10 (1)

59,32

0,00

1701 12 90 (1)

59,32

0,00

1701 91 00 (2)

55,08

0,95

1701 99 10 (2)

55,08

0,00

1701 99 90 (2)

55,08

0,00

1702 90 95 (3)

0,55

0,19


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/25


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 220/2011 VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de 17e bijzondere inschrijving in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 447/2010 geopende openbare inschrijving

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 43, onder j), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 447/2010 van de Commissie (2) is overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1272/2009 van de Commissie van 11 december 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de aankoop en de verkoop van landbouwproducten in het kader van de openbare interventie (3) een openbare inschrijving geopend voor de verkoop van mageremelkpoeder.

(2)

Op grond van artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1272/2009 moet de Commissie op basis van de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen inschrijvingen een minimumverkoopprijs vaststellen of besluiten geen minimumverkoopprijs vast te stellen.

(3)

Op grond van de voor de 17e bijzondere inschrijving ontvangen inschrijvingen moet een minimumverkoopprijs worden vastgesteld.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 17e bijzondere inschrijving in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 447/2010 geopende openbare inschrijving voor de verkoop van mageremelkpoeder, waarvoor de termijn voor de indiening van inschrijvingen op 1 maart 2011 is verstreken, wordt de minimumverkoopprijs vastgesteld op 252,10 EUR per 100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 4 maart 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 126 van 22.5.2010, blz. 19.

(3)  PB L 349 van 29.12.2009, blz. 1.


RICHTLIJNEN

4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/26


RICHTLIJN 2011/22/EU VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde bispyribac op te nemen als werkzame stof

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft Italië op 26 februari 2002 een aanvraag van Bayer CropScience ontvangen om de werkzame stof bispyribac (ook bispyribac-natrium genoemd overeenkomstig de vorm van de werkzame stof in de representatieve formulering waarop het dossier gebaseerd is) in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG op te nemen. Bij Beschikking 2003/305/EG van de Commissie (2) is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel voldoet aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG.

(2)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de menselijke gezondheid en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De als rapporteur aangewezen lidstaat heeft op 1 augustus 2003 een ontwerpevaluatieverslag ingediend.

(3)

Het ontwerpevaluatieverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) intercollegiaal getoetst en op 12 juli 2010 bij de Commissie ingediend in de vorm van de conclusie van de EFSA betreffende de intercollegiale toetsing van de risicobeoordeling van de werkzame stof bispyribac als pesticide (3). Dit verslag is door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 28 januari 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor bispyribac.

(4)

Uit de verschillende analysen is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die bispyribac bevatten in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en artikel 5, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Bispyribac moet daarom in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen om ervoor te zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig die richtlijn.

(5)

Onverminderd die conclusie moet ter bevestiging informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet de aanvrager worden verzocht nadere informatie in te dienen ter bevestiging van de risicobeoordeling inzake de mogelijke grondwaterverontreiniging door de metabolieten M03 (4), M04 (5) en M10 (6).

(6)

Onverminderd de in Richtlijn 91/414/EEG vastgestelde verplichtingen ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande voorlopige toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die bispyribac bevatten, opnieuw te onderzoeken en om ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande voorlopige toelatingen in volwaardige toelatingen omzetten of de voorlopige toelatingen wijzigen of intrekken overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(7)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De lidstaten dienen uiterlijk op 31 januari 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 februari 2012.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

1.   De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die bispyribac als werkzame stof bevatten, vóór 31 januari 2012 wijzigen of intrekken. Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot bispyribac is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende bispyribac in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat bispyribac bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 juli 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als bispyribac de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 januari 2013 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast bispyribac nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 januari 2013 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op 1 augustus 2011.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 112 van 6.5.2003, blz. 10.

(3)  EFSA Journal (2010) 8(1):1692, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance bispyribac (tenzij anders vermeld hebben alle geëvalueerde gegevens betrekking op de variant bispyribac-natrium). doi:10.2903/j.efsa.2010.1692. Online te raadplegen via: www.efsa.europa.eu.

(4)  2-hydroxy-4,6-dimethoxypyrimidine.

(5)  2,4-dihydroxy-6-methoxypyrimidine.

(6)  Natrium 2-hydroxy-6-(4-hydroxy-6-methoxypyrimidin-2-yl)oxybenzoaat.


BIJLAGE

In bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt aan het einde van de tabel de volgende vermelding toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„329

Bispyribac

CAS-nr. 125401-75-4

CIPAC-nr. 748

2,6-bis(4,6-dimethoxypyrimidin-2-yloxy)benzoëzuur

≥ 930 g/kg (onder de benaming bispyribac-natrium)

1 augustus 2011

31 juli 2021

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide in rijst.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over bispyribac, dat op 28 januari 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht schenken aan de bescherming van het grondwater wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in qua bodem en/of klimaat kwetsbare regio’s.

De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten om nadere informatie verzoeken over de mogelijke grondwaterverontreiniging door de metabolieten M03 (2-hydroxy-4,6-dimethoxypyrimidine), M04 (2,4-dihydroxy-6-methoxypyrimidine)en M10 (natrium 2-hydroxy-6-(4-hydroxy-6-methoxypyrimidin-2-yl)oxybenzoaat).

Zij moeten ervoor zorgen dat de aanvrager deze informatie uiterlijk op 31 juli 2013 aan de Commissie verstrekt.”.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stoffen.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/29


RICHTLIJN 2011/23/EU VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde triflumuron op te nemen als werkzame stof

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vermelde werkprogramma vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op de eventuele opneming ervan in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Triflumuron is in die lijst opgenomen. Bij Beschikking 2009/241/EG van de Commissie (4) is besloten om triflumuron niet op te nemen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG.

(2)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever („de aanvrager”) een nieuwe aanvraag ingediend met het oog op de toepassing van de versnelde procedure, als vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(3)

De aanvraag is ingediend bij Italië, dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 tot als rapporteur optredende lidstaat is aangewezen. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als in Beschikking 2009/241/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(4)

Italië heeft de door de aanvrager ingediende nieuwe informatie en gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Het heeft dat verslag op 5 maart 2010 aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie toegezonden.

(5)

De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de andere lidstaten en de aanvrager toegezonden en de naar aanleiding daarvan ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie is het aanvullende verslag door de lidstaten en de EFSA intercollegiaal getoetst. Op 9 december 2010 heeft de EFSA haar conclusie over triflumuron aan de Commissie doen toekomen (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 28 januari 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor triflumuron.

(6)

Het aanvullende verslag van de als rapporteur optredende lidstaat en de nieuwe conclusie van de EFSA gaan voornamelijk over de problemen die tot de niet-opneming hebben geleid. Met name is op grond van de beschikbare informatie niet aangetoond dat de blootstelling van de consumenten aanvaardbaar is wegens een gebrek aan gegevens over de aard en het gehalte van de desbetreffende residuen. Het was immers niet mogelijk om een beoordeling van het acute risico voor de metaboliet M07 (7) uit te voeren, omdat de gegevens ontoereikend waren om voor deze metaboliet een acute referentiedosis te bepalen. Verder ontbraken gegevens voor de vaststelling van een passende residudefinitie en de schatting van het residugehalte in verwerkte fruitproducten.

(7)

De door de aanvrager ingediende nieuwe informatie maakte een beoordeling van de blootstelling van de consumenten mogelijk. De thans beschikbare informatie duidt erop dat de blootstelling van de consumenten aanvaardbaar is.

(8)

Bijgevolg kan op grond van de door de aanvrager verstrekte aanvullende gegevens en informatie worden gesteld dat de specifieke problemen die tot de niet-opneming hadden geleid, uit de weg zijn geruimd. Er zijn geen andere open wetenschappelijke kwesties gerezen.

(9)

Uit de verschillende analysen is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die triflumuron bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Triflumuron moet daarom in bijlage I worden opgenomen om ervoor te zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig die richtlijn.

(10)

Onverminderd die conclusie moet ter bevestiging informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet de aanvrager worden verzocht ter bevestiging informatie te verstrekken over het langetermijnrisico voor vogels, het risico voor ongewervelde waterdieren en het risico voor de ontwikkeling van bijenbroedsels.

(11)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 september 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op 1 april 2011.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)  PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)  PB L 71 van 17.3.2009, blz. 59.

(5)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance triflumuron EFSA Journal 2011; 9(1):1941. [81 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1941. Online te raadplegen via: www.efsa.europa.eu/efsajournal.htm.

(7)  4-trifluoro-methoxyaniline.


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, Identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„328

Triflumuron

CAS-nr.: 64628-44-0

CIPAC-nr.: 548

1-(2-chloorbenzoyl)-3-[4-trifluoromethoxyfenyl]urea

≥ 955 g/kg

Onzuiverheden:

N,N’-bis-[4-(trifluormethoxy)fenyl]urea: niet meer dan 1 g/kg

4-trifluor-methoxyaniline: niet meer dan 5 g/kg

1 april 2011

31 maart 2021

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als insecticide.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over triflumuron, dat op 28 januari 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van het aquatisch milieu;

de bescherming van honingbijen.

De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

Daarom moeten de betrokken lidstaten de aanvrager verzoeken ter bevestiging informatie aan de Commissie te verstrekken over het langetermijnrisico voor vogels, het risico voor ongewervelde waterdieren en het risico voor de ontwikkeling van bijenbroedsels.

Zij zorgen ervoor dat de aanvrager deze informatie uiterlijk op 31 maart 2013 bij de Commissie indient.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/32


RICHTLIJN 2011/25/EU VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om bupirimaat als werkzame stof op te nemen en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie zijn de nadere bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Bupirimaat was in die lijst opgenomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 11 sexies van Verordening (EG) nr. 1490/2002 heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpevaluatieverslag ingetrokken. Derhalve werd Beschikking 2008/934/EG van de Commissie van 5 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (4), goedgekeurd met betrekking tot de niet-opneming van bupirimaat.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever (hierna „de aanvrager” genoemd) een nieuwe aanvraag ingediend voor de versnelde procedure zoals vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(4)

De aanvraag is ingediend bij Nederland, dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 als rapporteur was aangewezen. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/934/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

Nederland heeft de door de aanvrager ingediende aanvullende gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Het heeft dat verslag op 26 november2009 aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie toegezonden. De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de andere lidstaten en de aanvrager toegezonden en de naar aanleiding daarvan ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA haar conclusie over bupirimaat op 20 september 2010 aan de Commissie overgelegd (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 28 januari 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor bupirimaat.

(6)

Uit de verschillende analysen is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die bupirimaat bevatten in het algemeen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Bupirimaat moet derhalve in bijlage I worden opgenomen zodat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(7)

Onverminderd die conclusie moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom dient de aanvrager verzocht te worden nadere informatie te verstrekken ter bevestiging van de bodemaantasting, de kinetische parameters en de adsorptie- en desorptieparameter voor de belangrijke bodemmetaboliet de-ethyl-bupirimaat (DE-B).

(8)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(9)

Onverminderd de verplichtingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die bupirimaat bevatten, opnieuw te onderzoeken zodat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, wordt voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen naargelang van het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(10)

Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die zijn onderzocht in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7), is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, tot problemen kan leiden. Om nog meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op.

(11)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Beschikking 2008/934/EG voorziet in de niet-opneming van bupirimaat en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten, uiterlijk op 31 december 2011. In de bijlage bij die beschikking moet de regel betreffende bupirimaat worden geschrapt.

(13)

Beschikking 2008/934/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

In de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt de regel betreffende bupirimaat geschrapt.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk op 30 november 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 december 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

1.   De lidstaten moeten overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die bupirimaat als werkzame stof bevatten uiterlijk op 30 november 2011 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot bupirimaat is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende bupirimaat in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn, een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat bupirimaat bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 mei 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als bupirimaat de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast bupirimaat nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op 1 juni 2011.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)  PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)  PB L 333 van 11.12.2008, blz. 11.

(5)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance bupirimate. EFSA Journal 2010; 8(10):1786. [82 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1786. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu.

(7)  PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„337

Bupirimaat

CAS-nr.: 41483-43-6

CIPAC-nr.: 261

5-butyl-2-ethylamino-6-methylpyrimidine-4-yl dimethylsulfamaat

≥ 945 g/kg

Onzuiverheden:

Ethirimol: max. 2 g/kg

Tolueen: max. 3 g/kg

1 juni 2011

31 mei 2021

DEEL A

De stof mag alleen worden toegestaan voor gebruik als fungicide.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over bupirimaat (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 28 januari 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van in het water levende organismen. De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten,

de bescherming van het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in qua bodemgesteldheid en/of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden. De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten,

het risico in het veld voor niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen.

De betrokken lidstaten moeten om overlegging van informatie verzoeken ter bevestiging van de resultaten van:

1.

de specificatie van het technische materiaal zoals commercieel vervaardigd met passende analytische gegevens; waaronder informatie over de relevantie van de onzuiverheden,

2.

de gelijkwaardigheid tussen de specificaties van het technische materiaal, zoals commercieel vervaardigd, en die van het in de toxiciteitsdossiers gebruikte testmateriaal,

3.

de kinetische parameters, de bodemaantasting en de adsorptie- en desorptieparameter voor de belangrijke bodemmetaboliet DE-B (de-ethyl-bupirimaat).

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de aanvrager de in de punten 1 en 2 bedoelde gegevens en informatie uiterlijk op 30 november 2011 en de in punt 3 aangegeven informatie uiterlijk op 31 mei 2013 bij de Commissie indient.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/37


RICHTLIJN 2011/26/EU VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om diethofencarb als werkzame stof op te nemen en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie zijn de nadere bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Diethofencarb was in die lijst opgenomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 11 sexies van Verordening (EG) nr. 1490/2002 heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpevaluatieverslag ingetrokken. Derhalve werd Beschikking 2008/934/EG van de Commissie van 5 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (4) goedgekeurd met betrekking tot de niet-opneming van diethofencarb.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever (hierna de aanvrager genoemd) een nieuwe aanvraag ingediend voor toepassing van de versnelde procedure zoals vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(4)

De aanvraag is ingediend bij Frankrijk, dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 als rapporteur was aangewezen. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/934/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

Frankrijk heeft de door de kennisgever ingediende aanvullende gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Het heeft dat verslag op 21 december 2009 aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie toegezonden. De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de andere lidstaten en aan de aanvrager toegezonden en de naar aanleiding daarvan ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA haar conclusie over diethofencarb op 7 september 2010 aan de Commissie overgelegd (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 28 januari 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor diethofencarb.

(6)

Uit de verschillende analyses is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die diethofencarb bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Diethofencarb moet derhalve in bijlage I worden opgenomen om ervoor te zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(7)

Onverminderd die conclusie moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet worden voorgeschreven dat de aanvrager nadere informatie verstrekt ter bevestiging van de mogelijke opname van het metaboliet 6-NO2-DFC in vervolggewassen en de risicobeoordeling voor niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen.

(8)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(9)

Onverminderd de verplichtingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die diethofencarb bevatten, opnieuw te onderzoeken om te garanderen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name artikel 13 en bijlage I, wordt voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(10)

Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, tot problemen kan leiden. Om meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter geen nieuwe verplichtingen op ten opzichte van de tot nu toe vastgestelde richtlijnen tot wijziging van bijlage I.

(11)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Beschikking 2008/934/EG voorziet in de niet-opneming van diethofencarb en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten, uiterlijk op 31 december 2011. De regel betreffende diethofencarb in de bijlage bij die beschikking moet worden geschrapt.

(13)

Beschikking 2008/934/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De regel betreffende diethofencarb in de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt geschrapt.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk op 30 november 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 december 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

1.   De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die diethofencarb als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 november 2011 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot diethofencarb is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende diethofencarb in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn, een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat diethofencarb bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 mei 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als diethofencarb de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken; of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast diethofencarb nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op 1 juni 2011.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)  PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)  PB L 333 van 11.12.2008, blz. 11.

(5)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance diethofencarb. EFSA Journal 2010; 8(9):1721. (55 blz.). doi:10.2903/j.efsa.2010.1721. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu/efsajournal.htm.

(7)  PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaminG

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„331

Diethofencarb

CAS-nr.: 87130-20-9

CIPAC-nr.: 513

isopropyl 3,4-diethoxycarbanilaat

≥ 970 g/kg

Onzuiverheden:

Tolueen: niet meer dan 1 g/kg

1 juni 2011

31 mei 2021

DEEL A

De stof mag alleen worden toegestaan voor gebruik als fungicide.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over diethofencarb (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 28 januari 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algehele evaluatie besteden de lidstaten bijzondere aandacht aan het risico voor in het water levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen en zorgen zij ervoor dat de gebruiksvoorwaarden passende risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten om overlegging van informatie verzoeken ter bevestiging van de resultaten van:

a)

de mogelijke opname van het metaboliet 6-NO2-DFC in vervolggewassen;

b)

de risicobeoordeling voor niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen.

Zij zorgen ervoor dat de aanvrager deze informatie uiterlijk 31 mei 2013 bij de Commissie indient.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof


BESLUITEN

4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/41


BESLUIT VAN DE RAAD

van 28 februari 2011

tot wijziging van Besluit 2010/248/EU houdende aanpassing van de vergoedingen als bedoeld in Besluit 2003/479/EG en Besluit 2007/829/EG betreffende de regeling die van toepassing is op nationale deskundigen en militairen die bij het secretariaat-generaal van de Raad zijn gedetacheerd

(2011/138/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 41, lid 1,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 240, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 15, lid 7, van Besluit 2003/479/EG van de Raad (1) en in artikel 15, lid 6, van Besluit 2007/829/EG van de Raad (2) is bepaald dat de dagvergoeding en de maandelijkse toelage van nationale deskundigen en militairen die bij het secretariaat-generaal van de Raad zijn gedetacheerd eenmaal per jaar en zonder terugwerkende kracht worden aangepast aan de ontwikkeling van de basissalarissen van de ambtenaren van de Unie in Brussel en Luxemburg.

(2)

In Besluit 2010/248/EU van de Raad (3) zijn de percentages toegepast die in Verordening (EU, Euratom) nr. 1296/2009 van de Raad van 23 december 2009 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2009 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (4) zijn vastgesteld, met ingang van 1 mei 2010.

(3)

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 24 november 2010 in zaak C-40/10, artikel 2 en de artikelen 4 tot en met 18 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1296/2009, waarin het percentage voor de jaarlijkse aanpassing van 2009 op + 1,85 % werd vastgesteld, nietig verklaard. Bij Verordening (EU, Euratom) nr. 1190/2010 (5) heeft de Raad Verordening (EU, Euratom) nr. 1296/2009 gewijzigd en heeft hij het percentage van de jaarlijkse aanpassing voor 2009 op + 3,7 % vastgesteld.

(4)

Besluit 2010/248/EU dient dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2010/248/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   In artikel 15, lid 1, van Besluit 2003/479/EG en in artikel 15, lid 1, van Besluit 2007/829/EG worden de bedragen 30,75 EUR en 122,97 EUR vervangen door respectievelijk 31,89 EUR en 127,52 EUR.”.

2)

Artikel 1, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   In artikel 15, lid 2, van Besluit 2003/479/EG en in artikel 15, lid 2, van Besluit 2007/829/EG wordt de tabel vervangen door:

„Afstand tussen de plaats van herkomst en de standplaats

(in km)

Bedrag in EUR

0 - 150

0,00

> 150

81,96

> 300

145,72

> 500

236,81

> 800

382,54

> 1 300

601,13

> 2 000

719,55” ”

3)

Artikel 1, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   In artikel 15, lid 4, van Besluit 2003/479/EG wordt het bedrag 30,75 EUR vervangen door 31,89 EUR.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing vanaf 1 mei 2010.

Gedaan te Brussel, 28 februari 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

FELLEGI T.


(1)  PB L 160 van 28.6.2003, blz. 72.

(2)  PB L 327 van 13.12.2007, blz. 10.

(3)  PB L 110 van 1.5.2010, blz. 31.

(4)  PB L 348 van 29.12.2009, blz. 10.

(5)  PB L 333 van 17.12.2010, blz. 1.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/43


BESLUIT VAN DE RAAD

van 28 februari 2011

houdende aanpassing van de vergoedingen als bedoeld in Besluit 2007/829/EG betreffende de regeling die van toepassing is op de nationale deskundigen en militairen die bij het secretariaat-generaal van de Raad zijn gedetacheerd

(2011/139/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 41, lid 1,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 240, lid 2,

Gezien Besluit 2007/829/EG van de Raad (1), en met name artikel 15, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 15, lid 6, van Besluit 2007/829/EG is bepaald dat de dagvergoeding en de maandelijkse toelage van de nationale deskundigen en militairen die bij het secretariaat-generaal van de Raad zijn gedetacheerd eenmaal per jaar en zonder terugwerkende kracht worden aangepast aan de ontwikkeling van de basissalarissen van de ambtenaren van de Unie in Brussel en Luxemburg.

(2)

De Raad heeft bij Verordening (EU) nr. 1239/2010 van 20 december 2010 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2010 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (2), een aanpassing van 0,1 % van de bezoldigingen en pensioenen van de ambtenaren van de Unie goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2007/829/EG wordt gewijzigd als volgt:

1)

In artikel 15, lid 1, worden de bedragen „31,89 EUR” en „127,52 EUR” vervangen door respectievelijk de bedragen:

„31,92 EUR” en „127,65 EUR”.

2)

De tabel in artikel 15, lid 2, wordt vervangen door:

„Afstand tussen de plaats van herkomst en de standplaats

(in km)

Bedrag in EUR

0-150

0,00

> 150

82,05

> 300

145,86

> 500

237,05

> 800

382,92

> 1 300

601,73

> 2 000

720,27”

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 28 februari 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

FELLEGI T.


(1)  PB L 327 van 13.12.2007, blz. 10.

(2)  PB L 338 van 22.12.2010, blz. 1.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/44


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 20 juli 2010

betreffende steunmaatregel C 27/09 (ex N 34/B/09) Begrotingssubsidie voor France Télévisions die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van France Télévisions

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4918)

(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/140/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben verzocht hun opmerkingen te maken (1), en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij brief van 23 januari 2009 hebben de Franse autoriteiten de Commissie in kennis gesteld van hun voornemen een begrotingstoewijzing ten belope van 450 miljoen EUR aan France Télévisions toe te kennen, welke al in de Franse begrotingswet voor 2009 was opgenomen. De Commissie verzocht bij schrijven van 13 maart 2009 om aanvullende inlichtingen, die Frankrijk bij schrijven van 25 mei 2009 verschafte. In diezelfde brief deelde Frankrijk mee tevens voornemens te zijn een duurzaam, meerjarig mechanisme in te voeren voor de overheidsfinanciering van France Télévisions, dat onder meer een jaarlijkse subsidie zou omvatten.

(2)

Bij brief van 1 september 2009 deelde de Commissie Frankrijk mee dat de voor 2009 goedgekeurde begrotingssubsidie verenigbaar was met de interne markt uit hoofde van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „VWEU”), en stelde zij Frankrijk voorts in kennis van haar besluit de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden ten aanzien van het nieuwe mechanisme van overheidsfinanciering ten behoeve van France Télévisions voor de volgende jaren.

(3)

Frankrijk heeft op 7 oktober 2009 zijn opmerkingen toegezonden.

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de desbetreffende steunmaatregel te maken.

(5)

De Commissie heeft opmerkingen van de belanghebbenden ontvangen. Zij heeft deze voor commentaar doorgezonden aan Frankrijk, dat bij brief van 15 januari 2010 heeft gereageerd.

(6)

Op 23 april, 19 mei en 22 juni 2010 heeft Frankrijk aanvullende gegevens aan de Commissie gezonden.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN HET FINANCIERINGSMECHANISME

(7)

Het meerjarig financieringsmechanisme waarop dit besluit betrekking heeft, moet in de context worden gezien van de financiering van de openbaredienstopdrachten van France Télévisions, die de Commissie in haar besluiten van 10 december 2003 (3), 20 april 2005 (4), 16 juli 2008 (5) en 1 september 2009 (6) heeft onderzocht. Het mechanisme betreft echter een ander soort maatregel dan de maatregelen waarop de besluiten van 2003, 2005 en 2008 betrekking hebben. Met name vormen de begrotingssubsidies, die hieronder nader worden beschreven, een aanvulling op de openbare middelen die aan France Télévisions worden toegekend via de omroepbijdrage („contribution à l’audiovisuel public”, voorheen „redevance” genoemd), ten aanzien waarvan de Commissie op 20 april 2005 een besluit heeft vastgesteld en dat, als bestaande steun, niet door de nieuwe voorschriften wordt gewijzigd. Met deze twee soorten openbare middelen wordt beoogd de kosten van de openbaredienstopdracht van France Télévisions, waarvan de netto-inkomsten uit commerciële bron worden afgetrokken, te dekken.

II.1.   Voornaamste rechtsgronden

(8)

De belangrijkste bepalingen van het nieuwe financieringsmechanisme zijn vervat in Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 betreffende audiovisuele communicatie en de nieuwe openbaredienstopdracht van de televisie. De aangemelde steun maakt deel uit van een bredere in de wet voorziene hervorming van de structuren en diensten van algemeen economisch belang in de openbare audiovisuele sector. Zo wijzigt de wet de bepalingen inzake de openbaredienstopdrachten van France Télévisions, en met name Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie. Deze opdrachten worden nader gepreciseerd in de taakomschrijving en in de overeenkomst betreffende de doelstellingen en middelen van France Télévisions, welke bij de uitvoeringsbepalingen inzake de wet betreffende de vrijheid van communicatie zijn goedgekeurd. Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 bevat voorts financiële bepalingen waarbij enerzijds de belastingwet wordt gewijzigd en anderzijds de opneming van een begrotingstoewijzing ten gunste van France Télévisions in de begrotingswet wordt vastgelegd.

II.2.   Activiteiten en financiering van de begunstigde onderneming France Télévisions

(9)

France Télévisions is een naamloze vennootschap naar Frans recht, die op grond van artikel 44-I van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie is opgericht. Volgens deze gewijzigde wet wordt met France Télévisions één enkele onderneming opgericht, waarin de onderscheiden rechtspersonen van de oorspronkelijk verschillende zenders worden ondergebracht. De onderneming valt onder het economisch en financieel toezicht van de Franse staat. Haar maatschappelijk kapitaal is verdeeld in aandelen op naam die alleen in het bezit van de staat mogen zijn. De raad van bestuur omvat behalve de voorzitter 14 leden met een mandaatsperiode van vijf jaar: twee parlementsleden, waarvan er een door de commissie voor culturele aangelegenheden van de Franse Nationale Assemblee en een door de commissie voor culturele aangelegenheden van de Senaat wordt benoemd, vijf vertegenwoordigers van de staat, vijf personen die door de Conseil Supérieur de l’Audiovisuel worden benoemd en twee personeelsvertegenwoordigers.

(10)

France Télévisions is de grootste groep in de Franse audiovisuele sector. De groep telt circa 11 000 medewerkers en omvat de zenders France 2, France 3, France 4, France 5 en France Ô, die het Europese grondgebied van Frankrijk bestrijken, alsook de onderneming RFO, waaronder de openbare radio- en televisieomroepen vallen die in de overzeese departementen of gebiedsdelen uitzenden. De groep omvat ook een reclamebedrijf, hoewel op dit ogenblik afstoting van die activiteit wordt bestudeerd, en ondernemingen die zich met diversificatieactiviteiten bezighouden. Enkele zenders van France Télévisions hebben een grote aanwezigheid in andere lidstaten, met name in België en Luxemburg.

(11)

De omzet van France Télévisions bedroeg in 2007, het laatste boekjaar vóór de aankondiging van de hervorming van de openbare audiovisuele sector, 2 927 miljard EUR, waarvan 64,2 % afkomstig was van omroepbijdragen, 28,1 % van reclame-inkomsten (reclame en sponsoring) en 7,7 % uit andere bronnen. Tussen 2003 en 2007 bleef het aandeel van de afzonderlijke componenten van de omzet betrekkelijk constant, en fluctueerden de inkomsten uit reclame en sponsoring binnen een marge van 30 % en 28 %. De groep als geheel behaalde van 2003 tot 2007 elk jaar een licht positief nettoresultaat, met een totaalbedrag voor de gehele periode van 99 miljoen EUR.

(12)

Sinds de aankondiging van de hervorming van de openbare audiovisuele sector in januari 2008, waardoor met name de reclame-inkomsten op termijn verdwijnen, is deze ontwikkeling omgekeerd. Het boekjaar 2008 was voor de groep France Télévisions deficitair met een nettotekort van [50-100] (7) miljoen EUR (waarvan [50-100] miljoen EUR voor de openbare dienst), hoofdzakelijk als gevolg van een sterke daling van de reclame-inkomsten die door een buitengewone kapitaalinjectie van 150 miljoen EUR, welke door de Commissie bij haar besluit van 16 juli 2008 was goedgekeurd, niet volledig kon worden opgevangen. In 2009, toen de hervorming van de openbare audiovisuele sector in werking was getreden, werd de daling van de reclame-inkomsten bijna volledig gecompenseerd door de uiteindelijk uitgekeerde begrotingssubsidie van 415 miljoen EUR die de Commissie bij besluit van 1 september 2009 had goedgekeurd, en vertoonde het nettoresultaat van France Télévisions een gering overschot ([10-20] miljoen EUR). De openbaredienstactiviteiten vertoonden echter een klein tekort van [0-5] miljoen EUR, terwijl het positieve resultaat aan de commerciële ondernemingen van de groep viel toe te schrijven.

(13)

Over de activiteiten en het beheer van France Télévisions in de jaren 2004-2008 en de positie van de onderneming vanuit het oogpunt van de hervorming van de openbare audiovisuele sector heeft de Franse Rekenkamer een vrij kritisch rapport opgesteld met de titel „France Télévisions et la nouvelle télévision publique” (France Télévisions en de nieuwe openbare televisie). Het rapport, waarnaar door enkele belanghebbenden in hun opmerkingen wordt verwezen, werd na beraad aangenomen en op 14 oktober 2009, dus na het besluit tot inleiding van de procedure, gepubliceerd. Het geeft aan dat de ruimte voor verbeteringen in het beheer en de resultaten van France Télévisions tot dusverre onbenut is gebleven, en het bevat aanbevelingen voor toekomstige verbeteringen in het kader van de hervorming.

II.3.   De openbaredienstopdrachten van France Télévisions

II.3.1.   Definitie van de openbaredienstopdracht in de wet

(14)

In artikel 43-11 van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 in zijn gewijzigde vorm is de openbaredienstopdracht van France Télévisions vastgelegd, en ten aanzien daarvan wordt bepaald dat de publieke zenders „in het algemeen belang openbaredienstopdrachten vervullen. Zij bieden het publiek in al zijn onderdelen een geheel van programma’s en diensten aan die worden gekenmerkt door hun diversiteit en pluralisme, hun eisen op het gebied van kwaliteit en innovatie, en de inachtneming van de rechten van personen en van de in de grondwet verankerde democratische grondrechten. Zij zorgen voor een gediversifieerd programma-aanbod, dat de gebieden voorlichting/nieuws, cultuur, kennis, amusement en sport omvat. Zij bevorderen de democratische dialoog, de wisselwerking tussen verschillende delen van de bevolking alsook sociale integratie en burgerschap. Zij zetten zich in ten behoeve van sociale cohesie en de culturele verscheidenheid en de strijd tegen discriminatie, en bieden een programma aan dat de diversiteit van de Franse samenleving weerspiegelt. Zij bevorderen de Franse taal en, in voorkomend geval, streektalen en laten de diversiteit van het culturele en taalkundige erfgoed van Frankrijk tot zijn recht komen. Zij dragen bij aan de ontwikkeling en de verspreiding van intellectuele en artistieke scheppingen en van kennis op staatsburgerlijk, economisch, sociaal, wetenschappelijk en technisch gebied en aan de educatie op audiovisueel gebied en op het gebied van de media. Zij bevorderen het leren van vreemde talen. Zij dragen bij tot onderricht op milieugebied en op het gebied van duurzame ontwikkeling. Zij vergemakkelijken de toegang tot de door hen uitgezonden programma’s voor doven en slechthorenden met aangepaste voorzieningen. Zij zien toe op de eerlijkheid, onafhankelijkheid en het pluralisme van de informatieverstrekking en de pluralistische uitdrukking van de gedachten- en opiniestromingen met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling en van de aanbevelingen van de Conseil supérieur de l’Audiovisuel. De overheidsorganen op het gebied van de audiovisuele communicatie dragen, in het kader van de uitvoering van hun opdracht, bij aan audiovisuele activiteiten in het buitenland, aan het prestige van de francofonie en aan de verspreiding van de Franse taal en cultuur in de wereld. Zij zetten zich in voor de ontwikkeling van nieuwe diensten die hun programma-aanbod kunnen verrijken of aanvullen en van nieuwe technieken voor de productie en verspreiding van programma’s en diensten op het gebied van audiovisuele communicatie. Ieder jaar wordt bij het Parlement een verslag over de toepassing van de bepalingen van dit artikel ingediend”.

II.3.2.   Opneming van de openbaredienstverplichtingen in de activiteiten van France Télévisions

(15)

Wat de concrete omzetting van de openbaredienstopdrachten betreft, wordt in artikel 44, punt I, van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 bepaald dat France Télévisions verplicht is televisie-uitzendingen en diensten op het gebied van audiovisuele communicatie te ontwikkelen en te programmeren die aan de in artikel 43-11 gedefinieerde openbaredienstopdrachten en de in artikel 48 van genoemde wet bedoelde voorwaarden voldoen.

(16)

In decreet nr. 2009-796 van 23 juni 2009 is de unieke taakomschrijving van France Télévisions vastgelegd. Hierin wordt het raamwerk van de activiteiten van de zenders van France Télévisions bepaald, met strenge programmeringseisen waardoor de onderneming, in veel gevallen tijdens „prime time”, verplicht is dagelijks culturele uitzendingen en muziekuitzendingen, met name van klassieke muziek, te verzorgen waarbij een verscheidenheid van Europese en regionale orkesten aan bod komt, en toneelstukken of populair-wetenschappelijke programma’s uit te zenden (artikelen 4 tot en met 7 van de taakomschrijving). Daarnaast is France Télévisions verplicht in al haar programma’s de Europese dimensie aan bod te laten komen, met name door reportages over levenswijzen of culturele gewoonten in andere lidstaten en door uitzendingen van religieuze aard waarin de godsdiensten die in Frankrijk het sterkst zijn vertegenwoordigd worden behandeld (artikelen 14 en 15 van de taakomschrijving). Ook moet een breed en evenwichtig kijkerspubliek worden opgebouwd waarin alle doelgroepen zijn vertegenwoordigd (artikel 18).

(17)

Daarnaast sluiten de staat en France Télévisions overeenkomstig artikel 53 van Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie meerjarenovereenkomsten over middelen en doelstellingen met een looptijd van drie tot vijf jaar, waarin met name, met inachtneming van de openbaredienstopdrachten van France Télévisions, het volgende wordt vastgelegd:

de prioritaire zwaartepunten van haar ontwikkeling;

de met het oog op de diversiteit en het vernieuwend karakter van de scheppingen aangegane verbintenissen;

de minimumbedragen die France Télévisions in Europese en oorspronkelijk Franstalige cinematografische en audiovisuele werken moet investeren als percentage van de ontvangsten en in absolute cijfers;

verbintenissen om deelname en burgerschap voor personen met een handicap en de aanpassing van alle televisieprogramma’s voor doven of slechthorenden te waarborgen;

verbintenissen om uitzending van televisieprogramma’s te waarborgen die, dankzij aangepaste voorzieningen, voor blinden of slechtzienden toegankelijk zijn;

de geraamde kosten van haar activiteiten in elk van de desbetreffende jaren en de gehanteerde kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren betreffende de uitvoering en de resultaten;

het bedrag van de aan France Télévisions toe te wijzen openbare middelen, waarbij wordt aangegeven welke middelen hoofdzakelijk voor de uitbreiding van de programmabudgets zijn bestemd;

het geraamde bedrag van de eigen inkomsten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen reclame en sponsoring;

de economische vooruitzichten voor betaaldiensten;

in voorkomend geval, de kans op herstel van het financiële evenwicht.

(18)

De openbaredienstverplichtingen van France Télévisions zijn momenteel opgenomen in de overeenkomst over middelen en doelstellingen 2007-2010 met de titel „France Télévisions, le premier bouquet de chaînes gratuites de l’ère numérique” van 24 april 2007, die door de bevoegde ministers en de voorzitter van de raad van bestuur van France Télévisions is ondertekend. In het hoofdstuk inzake doelstelling I.2 „Bevorderen van de eigen waarden van de publieke dienst” van de overeenkomst zijn doelstellingen vastgelegd, in concrete acties onderverdeeld, die voorzien zijn van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren die op de volgende gebieden moeten worden bereikt:

bevorderen van de toegang van een breder publiek tot culturele programma’s met het oog op de democratisering van de cultuur door de uitzending van minstens één cultureel programma in „prime time”;

het weergeven van het pluralisme in de informatieverstrekking en het publieke debat;

het aanbieden van een grote verscheidenheid aan sporten, waarbij de nadruk ligt op de sporten die op de particuliere zenders het minst aan bod komen;

het weergeven van de diversiteit en het verbeteren van de zichtbaarheid van alle geledingen van de Franse samenleving;

het bevorderen van de verdediging van de Franse en Europese culturele identiteit, het inzicht in de werking van de Unie en haar verworvenheden en het leren van vreemde talen.

(19)

De overeenkomst omvat voorts een meerjarige financiële strategie, die een aanpassingsclausule bevat volgens welke de staat en de groep — naargelang van de ontwikkeling van de reclame-inkomsten — de behoefte aan overheidsmiddelen in onderling overleg zullen vastleggen, waarbij het overschot dat niet voor de vermindering van deze behoefte aan overheidsmiddelen wordt gebruikt, prioritair dient om de uitgaven voor audiovisuele schepping te dekken.

(20)

Na de hervorming is de thans geldende overeenkomst over middelen en doelstellingen met een wijzigingsakte („avenant”) voor de periode 2009-2012 aangevuld. In deze wijzigingsakte, waarvan de financiële bepalingen hieronder nader worden beschreven, worden de identiteitswaarden van de openbaredienstverlening door France Télévisions nog verder versterkt en worden voor een aantal van de in overweging 18 genoemde gebieden nieuwe kwantitatieve indicatoren vastgelegd voor de elk jaar te bereiken resultaten.

II.3.3.   Invoering van nieuwe, innoverende audiovisuele diensten

(21)

In de nieuwe taakomschrijving van France Télévisions is de invoering voorzien van een reeks innoverende diensten ter uitbreiding van het journalistieke aanbod, zoals het online zetten van communicatiediensten, audiovisuele mediadiensten op aanvraag en aanvullingen op de programma-inhoud die haar programma’s verrijken. Ook in de wijzigingsakte bij de overeenkomst over middelen en doelstellingen wordt de invoering van innoverende diensten voorzien, met name video-on-demand die gratis dan wel tegen betaling wordt aangeboden, persoonlijke mobiele televisie, uitzending via internet, mobiele applicaties en regionale of thematische kanalen via internet.

II.3.4.   Externe controle van de openbaredienstverplichtingen, met inbegrip van de invoering van nieuwe diensten

(22)

Overeenkomstig artikel 53 van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 keurt de raad van bestuur van France Télévisions het ontwerp van overeenkomst over middelen en doelstellingen goed, en overlegt hij over de jaarlijkse uitvoering ervan; de resultaten van dit overleg zijn openbaar. Vóór ondertekening worden de overeenkomsten over middelen en doelstellingen alsook de eventuele wijzigingsakten daarbij aan de commissie voor culturele aangelegenheden van de Nationale Assemblee en aan de dienovereenkomstige commissie van de Senaat alsook aan de „Conseil Supérieur de l’Audiovisuel” voorgelegd. De commissies kunnen binnen een termijn van zes weken advies uitbrengen.

(23)

Daarnaast dient de bestuursvoorzitter van France Télévisions jaarlijks bij de commissie voor culturele aangelegenheden van de Nationale Assemblee en aan de dienovereenkomstige commissie van de Senaat een rapport in over de uitvoering van de overeenkomst over middelen en doelstellingen. Bij deze gelegenheid legt hij tevens rekenschap af over de activiteit en de werkzaamheden van de binnen de onderneming opgerichte programma-adviesraad, die uit televisiekijkers bestaat en die tot taak heeft adviezen en aanbevelingen over de programma’s uit te brengen.

(24)

Voorts is met betrekking tot het bij decreet voorgeschreven voorontwerp van de taakomschrijving van 10 tot 24 november 2008 een openbare raadpleging gehouden, waarna ongeveer 15 entiteiten bijdragen hebben ingezonden die tot wijzigingen in de oorspronkelijke tekst hebben geleid; vervolgens heeft de „Conseil supérieur de l’audiovisuel” zijn advies uitbracht. Wat de externe controle op de uitvoering ervan betreft, wordt in artikel 48 van de wet van 30 september 1986 bepaald dat de „Conseil supérieur de l’audiovisuel” bij de commissies voor culturele aangelegenheden van de Franse Nationale Assemblee en van de Senaat een jaarlijks verslag indient. Dit verslag wordt tevens aan het Ministerie van Cultuur en Communicatie toegezonden.

(25)

Deze parlementaire commissies kunnen, net als de „Conseil supérieur de l’audiovisuel”, derden horen. In feite kunnen belanghebbenden hun mening aangaande de openbare audiovisuele sector in deze fora regelmatig onder de aandacht te brengen.

II.4.   Financiële compensatie voor de geleidelijke vermindering en het uiteindelijk verdwijnen van reclameboodschappen

(26)

Met het oog op een vrijere programmering van het publiekeomroepstelsel die minder afhankelijk is van commerciële verplichtingen, is in artikel 53, punt VI van gewijzigde Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie de vermindering en vervolgens het verdwijnen van reclamespots vastgelegd: „De tussen 20.00 uur en 6.00 uur uitgezonden programma’s van de in artikel 44, punt I, genoemde nationale televisiediensten, hun regionale en lokale programma’s uitgezonderd, bevatten geen reclameboodschappen, behalve voor goederen of diensten die onder hun generieke naam worden gepresenteerd. Deze bepaling geldt ook voor programma’s die tussen 6.00 uur en 20.00 uur door deze diensten worden uitgezonden, vanaf de beëindiging van de uitzending via analoge aardse kanalen door de in punt I genoemde televisiediensten in het gehele Europese grondgebied van Frankrijk. Zij geldt niet voor reclamecampagnes van algemeen belang”.

(27)

De uitzending via analoge aardse kanalen door de televisiediensten wordt uiterlijk op 30 november 2011 beëindigd. Afgezien van reclame voor goederen en diensten zonder aanduiding van het handelsmerk zijn afwijkingen voor de uitzending van reclameboodschappen vastgelegd voor de overzeese departementen en gebiedsdelen en Nieuw-Caledonië, aangezien daar geen duidelijk te ontvangen particulier televisieaanbod via aardse kanalen aanwezig is.

(28)

In artikel 53 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie is bepaald dat de staat France Télévisions financiële compensatie verleent voor de vermindering en het vervolgens verdwijnen van reclamespots in het kader van de toepassing van de wet, overeenkomstig de in iedere begrotingswet vastgelegde voorwaarden. Hiertoe heeft de Franse staat binnen de rubriek „Media” van de algemene begroting een nieuw programma toegevoegd onder de naam „Bijdrage aan de financiering van de openbare audiovisuele sector”. Ter indicatie: de Franse autoriteiten ramen dat het aandeel van de overheidssubsidie dat de opbrengst van de omroepbijdragen aanvult in 2010 circa 460 miljoen EUR, in 2011 circa 500 miljoen EUR en in 2012 circa 650 miljoen EUR zal bedragen.

(29)

Frankrijk verklaart dat de overheidsfinanciering die uit de begrotingssubsidie voortvloeit elk jaar zal worden bepaald op basis van de kosten van de door France Télévisions verrichte openbaredienstopdrachten, vermeerderd met de opbrengst van de omroepbijdragen en verminderd met de inkomsten uit commerciële activiteiten die blijven bestaan. In dit verband hebben de Franse autoriteiten een prognose van de kosten en ontvangsten van de openbare dienst van France Télévisions toegezonden, die is opgesteld op basis van het businessplan 2009-2012. Deze prognose wordt hieronder samengevat.

Tabel 1

Prognose van de kosten en inkomsten van de openbare dienst van France Télévisions 2010-2012

(miljoen EUR)

 

2010

2011

2012

 

Begroting

Begrotingsprognose

Begrotingsprognose

A. Openbare middelen

[2 500-3 000]

[2 500-3 000]

[2 500-3 000]

B. Overige inkomsten (reclame, sponsoring, enz.)

[300-600]

[300-600]

[300-600]

C. Brutokosten van de openbare dienst

[3 500-3 000]

[3 500-3 000]

[3 500-3 000]

D. Nettokosten van de openbare dienst (C + B)

[3 000-2 500]

[3 000-2 500]

[3 000-2 500]

Verschil nettokosten van de openbare dienst — openbare middelen (D + A)

[– 50-50]

[– 50-50]

[– 50-50]

Bron: Opmerkingen van Frankrijk van 15 januari 2010.

(30)

Uit bovenstaande tabel blijkt een verwacht tekort dat overeenkomt met de niet-gedekte nettokosten van de openbare dienst van France Télévisions in 2010 en 2011. Naar wordt verwacht zal dit tekort in 2012 gedeeltelijk zijn vervangen door een gering overschot van [30-50] miljoen EUR, dat wil zeggen [0-5] % van de nettokosten van de openbare dienst. Het voor 2012 verwachte overschot — in zoverre het ook werkelijk wordt bereikt, wat veronderstelt dat de inkomsten en de kosten zich precies zo ontwikkelen als voorzien — is lager dan het verwachte gecumuleerde tekort voor 2010 en 2011. Overeenkomstig de lopende overeenkomst over middelen en doelstellingen moeten overschotten die niet ter vermindering van de behoefte aan overheidsmiddelen worden aangewend, in de eerste plaats aan de bevordering van audiovisuele schepping worden besteed. Aangezien dit „scheppen” normaal gesproken voor de programmering is bestemd, mogen met eventuele overschotten geen commerciële activiteiten worden gefinancierd.

(31)

Er zij op gewezen dat het in hoofdstuk V van de wijzigingsakte bij de thans geldende overeenkomst over middelen en doelstellingen vervatte businessplan 2009-2012 in de plaats komt van de financiële bepalingen van de overeenkomst van april 2007, rekening houdend met de in het kader van de hervorming ingevoerde nieuwe regels en de financiële gevolgen ervan. Volgens het businessplan zullen de algemene brutokosten van de openbaredienstverlening in de periode 2010-2012 dalen, door een vermindering van de exploitatiekosten ten opzichte van de aanvankelijke overeenkomst, een daling van de uitzendkosten en de benutting van de synergetische effecten van de gemeenschappelijke onderneming, ondanks het feit dat de hervorming nieuwe kostenelementen met zich brengt.

(32)

Wat de inkomsten betreft zullen de geplande overheidsmiddelen onvoldoende toenemen om de rekeningen voor de periode 2010-2012 geheel in evenwicht te brengen; zij blijven, zoals uit tabel 1 valt af te lezen, lager dan de brutokosten van de openbare dienst, zodat het financiële evenwicht in de prognoses elk jaar afhangt van de commerciële inkomsten. Daarom wordt in het businessplan aangegeven dat het in het belang van de onderneming en de staat is dit evenwicht sneller te bereiken dan voorzien, en wordt, gezien de positieve of negatieve risico’s, de noodzaak van een nauwgezette en regelmatige controle benadrukt.

II.5.   Maximumniveau van de overheidsmiddelen

(33)

In artikel 44 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie is voorts bepaald: „Overheidsmiddelen die aan organen van de openbare audiovisuele sector worden toegewezen als compensatie voor hun openbaredienstverplichtingen mogen het bedrag van de kosten die in verband met de nakoming van die verplichtingen worden gemaakt, niet overschrijden”. Deze bepaling vloeit voort uit de door Frankrijk aangegane verbintenis om het beginsel dat overcompensatie van openbaredienstverplichtingen moet worden voorkomen, uitdrukkelijk in de wet op te nemen in het kader van de procedure die heeft geleid tot het verenigbaarheidsbesluit van de Commissie van 20 april 2005 betreffende het gebruik van de omroepbijdragen (8).

(34)

Met het oog op de inachtneming van deze verbintenis werd in artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 inzake de financiële betrekkingen tussen de staat en de organen van de publieke sector van de audiovisuele communicatie, de formulering van artikel 53 van de wet van 30 september 1986 overgenomen, waarin wordt bepaald dat met de directe en indirecte ontvangsten uit de openbaredienstopdracht rekening moet worden gehouden en dat de kosten in verband met de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen afzonderlijk moeten worden geboekt. In artikel 3 van het decreet wordt bepaald dat France Télévisions en haar dochterondernemingen bij al hun commerciële activiteiten de marktvoorwaarden in acht moeten nemen en dat door een externe firma jaarlijks een verslag over de nakoming van deze verplichting moet worden ingediend bij de bevoegde minister, de Nationale Assemblee en de Senaat.

(35)

De Commissie heeft de verslagen over de uitvoering van de artikelen 2 en 3 van het decreet voor de boekjaren 2007 en 2008 (de verslagen overeenkomstig artikel 3 van het decreet zijn gecertificeerd, wat 2007 betreft door de accountantskantoren PriceWaterhouseCoopers en KPMG en voor 2008 door het consultantsbureau Rise Conseil) alsook het ontwerp-verslag uit hoofde van artikel 2 voor het jaar 2009 ontvangen en onderzocht.

II.6.   Nieuwe heffingen in het kader van de hervorming van de openbare audiovisuele sector

(36)

Bij Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 werd ook de belastingwet gewijzigd met de invoering van een nieuwe belasting op reclame en elektronische communicatie.

II.6.1.   Belasting op reclameboodschappen

(37)

Boek I, deel 1, titel II van de „Code général des impôts” (algemeen wetboek van belastingen) bevat thans een hoofdstuk VII septies, waarin wordt bepaald dat iedere in Frankrijk gevestigde aanbieder van televisieomroepdiensten belasting moet betalen. De belasting wordt vastgelegd op basis van het bedrag, btw niet meegerekend, dat door adverteerders voor de uitzending van hun reclamespots wordt betaald aan de desbetreffende belastingplichtigen of makers van reclameboodschappen, verminderd met de overeenkomstig artikel 302 bis KC van de belastingwet betaalde bedragen, die televisieomroepen en -zenders, die voor ondersteuning door het „Centre National de la Cinématographie” in aanmerking komen, voor de uitzending van audiovisuele werken moeten betalen. Op deze bedragen wordt een forfaitaire verlaging van 4 % toegepast. De belasting wordt berekend door een percentage van 3 % toe te passen op het gedeelte van het bedrag van de jaarlijkse betalingen (btw niet meegerekend) van iedere televisiedienst dat een bedrag van 11 miljoen EUR overschrijdt.

(38)

Voor televisiediensten die niet via analoge aardse kanalen worden uitgezonden bedraagt dit percentage echter 1,5 % in 2009, 2 % in 2010 en 2,5 % in 2011. Bij wijze van overgangsmaatregel zal voor alle belastingplichtigen, tot het jaar waarin in Europees Frankrijk de uitzending via analoge aardse kanalen wordt stopgezet, het percentage maximaal 50 % bedragen van de stijging ten opzichte van 2008 van de heffingsgrondslag voor het kalenderjaar waarvoor de belasting verschuldigd is. De belasting kan in ieder geval niet minder dan 1,5 % van de heffingsgrondslag bedragen. Voor aanbieders van televisieomroepdiensten waarvan het dagelijkse aantal kijkers buiten Europees Frankrijk meer dan 90 % van het totale kijkerspubliek bedraagt, wordt echter het voor de berekening van de belasting in aanmerking te nemen bedrag verminderd met de bedragen die zijn betaald voor de uitzending van voor de Europese of mondiale markt bestemde reclameboodschappen, vermenigvuldigd met de jaarlijkse kijkcijfers die buiten Europees Frankrijk zijn behaald.

II.6.2.   Belasting op elektronische communicatie

(39)

In titel II van het eerste deel van boek I van de „Code général des impôts” is nu een hoofdstuk VII octies opgenomen, waarin een belasting wordt ingesteld die moet worden betaald door iedere aanbieder van elektronische communicatie die zijn diensten in Frankrijk verricht en die reeds voorwerp is geweest van een voorafgaande aangifte bij de Franse regelgevende autoriteit voor elektronische communicatie. De belasting wordt berekend op basis van het bedrag (btw niet meegerekend) van de abonnementen en andere bedragen die door gebruikers zijn betaald voor de diensten op het gebied van elektronische communicatie welke door de aanbieders van elektronische communicatie worden geleverd, verminderd met het bedrag van de afschrijvingen die in de loop van het afgesloten boekjaar zijn geboekt uit hoofde van het jaar waarin de belasting verschuldigd is geworden, voor zover deze betrekking hebben op materieel en uitrusting die na de inwerkingtreding van de wet door de providers zijn aangekocht voor de elektronische communicatienetwerken en -infrastructuur op het nationale grondgebied en waarvan de afschrijvingsperiode ten minste gelijk is aan tien jaar. De belasting wordt berekend door toepassing van een percentage van 0,9 % op het gedeelte van de heffingsgrondslag dat de 5 miljoen EUR overschrijdt.

III.   REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE

(40)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure stelde de Commissie dat de compensatie die vanaf 2010 is voorgenomen, staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU zou kunnen zijn waarvan de verenigbaarheid met de interne markt moet worden onderzocht in het licht van artikel 106, lid 2, VWEU, overeenkomstig de voor de openbare omroep geldende beginselen en regels.

(41)

Ten aanzien van de aanwezigheid van een openbare dienst met duidelijk in een officieel besluit vastgelegde taken die is onderworpen aan een adequaat controlemechanisme ten aanzien waarvan geen twijfels bestaan, concludeerde de Commissie, zoals zij ook in haar besluiten van december 2003, april 2005, juli 2008 en september 2009 heeft gedaan, dat de openbaredienstopdrachten van France Télévisions duidelijk zijn vastgelegd in officiële besluiten die door de Franse staat zijn opgesteld of onderschreven, overeenkomstig bepalingen die een onafhankelijk toezicht op France Télévisions voorschrijven.

(42)

Wat echter de evenredigheid van de financiële compensatie betreft die Frankrijk voornemens is te verlenen ten aanzien van de nettokosten van de openbare dienst, overigens rekening houdend met de gevolgen van de steun, uitte de Commissie haar twijfels over twee kwesties:

enerzijds over het risico van overcompensatie van de nettokosten van de openbare dienst voor 2012 en, waarschijnlijk, voor 2010 en 2011, terwijl de Commissie voor deze jaren niet over even gedetailleerde gegevens beschikte als die welke door de Franse autoriteiten voor 2009 zijn verstrekt, en

anderzijds de mogelijkheid dat er een bestemmingsverband bestaat tussen de inkomsten uit de belasting op reclame en elektronische communicatie en de aan France Télévisions uit te keren steun en, indien zou komen vast te staan dat een dergelijk verband bestaat, over de negatieve gevolgen hiervan en de verenigbaarheid ervan met het Verdrag, met name in het kader van een afweging van de gevolgen van de hervorming van de financiering van France Télévisions voor de mededinging, welke afweging ontbrak.

(43)

Voorts wees de Commissie de Franse autoriteiten erop dat zij op 2 juli 2009 haar goedkeuring had gehecht aan de Mededeling betreffende de toepassing van de regels inzake staatssteun op de publieke omroep (9) (hierna: „de omroepmededeling”), die vanaf het tijdstip van publicatie op de aangemelde steun van toepassing was en verzocht de Franse autoriteiten in hun opmerkingen met deze herziene mededeling rekening te houden.

IV.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(44)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 benadrukt de „Société des auteurs et compositeurs dramatiques” (SACD) het belang van de verplichtingen die op France Télévisions rusten om de schepping van audiovisueel erfgoed te ondersteunen. Volgens de vereniging was dit belang eind 2008 versterkt door een interprofessionnele overeenkomst, die in een nog op te stellen overeenkomst inzake doelstellingen zou worden opgenomen. In 2010 zal France Télévisions 19 % van de omzet zoals opgenomen in de heffingsgrondslag van 2009 aan de schepping van audiovisueel erfgoed moeten besteden, een aandeel dat in 2012 tot 20 % zal worden verhoogd (420 miljoen EUR). Het dienovereenkomstige aandeel van TF1 bedraagt daarentegen maximaal 12,5 %, en dat van M6 en de digitale aardse televisiezenders niet meer dan 11 %. De aandacht voor film zal eveneens toenemen, met jaarlijks gemiddeld meer dan 1,2 % tot 2012. De afschaffing van reclame zou gepaard gaan met een stijging van de programmakosten op het gebied van werken van eigen, niet ingevoerde, productie, hetgeen getuigt van het streven naar een kwalitatief hoogwaardige, innoverende openbare dienst.

(45)

De „Fédération Française des Télécommunications et des Communications Électroniques” (FFTCE) stelt in haar opmerkingen van 30 oktober 2009 dat de afschaffing van reclame als zodanig niet aan de openbaredienstopdracht van France Télévisions bijdraagt. De onderneming Iliad, die geen lid is van de FFTCE, heeft zich bij dit standpunt aangesloten. Aangezien reclame geen vast onderdeel uitmaakt van de openbaredienstopdracht, zou iedere subsidie die uitsluitend is bedoeld als compensatie voor gederfde inkomsten zonder dat rekening wordt gehouden met de feitelijke opdracht, zonder meer moet worden beschouwd als staatssteun die een inbreuk op artikel 106, lid 2, en artikel 107, VWEU, vormt. Deze compensatie is bedoeld om de met de openbare dienst samenhangende kosten dekken, die gescheiden moeten worden geboekt. De hoogte van de subsidie is echter kennelijk voor de komende jaren vastgesteld op basis van de raming van de gederfde reclame-inkomsten, wat de concurrentie met particuliere omroepen in een moeilijk marktklimaat ernstig schaadt. Terwijl de totale reclameomzet van France Télévisions in een zwakke markt ongetwijfeld minder dan 500 miljoen EUR zou hebben bedragen, hebben de Franse autoriteiten zich ertoe verbonden in 2009 de onderneming louter voor de stopzetting van de reclame na 20.00 uur 450 miljoen EUR te betalen. Ook in de toekomst zouden de uitgekeerde subsidies veel meer bedragen dan de reclame-inkomsten die de onderneming zonder de hervorming zou hebben gehad.

(46)

Wat de dienst van algemeen economisch belang betreft, voegt de FFTCE hier nog aan toe dat de verplichtingen die France Télévisions als lid van de Europese Unie van Radiotelevisie (ERU) uit hoofde van de statuten van die Unie heeft, al bestonden en zonder de in de Franse wetgeving vervatte verplichtingen ook zouden gelden. De — overigens vaag geformuleerde — beperkingen die door de wet worden opgelegd zouden niet wezenlijk verschillen van de beperkingen die uit de statuten van de ERU voortvloeien en waaraan ook TF1 en Canal + als leden zijn onderworpen, zodat verlening van een compenserende subsidie op grond van de wet als staatssteun moet worden beschouwd.

(47)

Tot slot is de FFTCE van mening dat de nieuwe belasting op de omzet van aanbieders van elektronische communicatie die met de hervorming van de openbare audiovisuele sector is ingevoerd, voor de financiering van France Télévisions wordt gebruikt. Afgezien van het feit dat in de verklaringen werd bevestigd dat er van een bestemmingsverband sprake is, varieert het bedrag van de subsidie door veranderingen in de heffingsgrondslag en het belastingtarief. De invoering van een dergelijke belasting vormt een inbreuk op artikel 12 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (10) omdat de lidstaten aan de aanbieders alleen de daarin vastgelegde omzetbelasting mogen opleggen.

(48)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 stelt de „Association des chaînes privées” dat het inefficiënte beheer van France Télévisions, waarvan de Rekenkamer talrijke voorbeelden heeft gegeven, het inflatoire effect op de markt voor programmaproductie en de verwerving van rechten verergert. Aangezien er geen analytische boekhouding is, zorgt het gebrek aan kostenbeheersing voor onzekerheden ten aanzien van de bepaling van de te financieren kosten van de openbaredienstopdracht en bestaat er een ernstig gevaar van overcompensatie. Er is een groot aantal aanwijzingen dat de nieuwe belasting voor France Télévisions bestemd is en dat de opneming ervan in de staatsbegroting slechts tot doel heeft deze aan de controle van de Commissie onttrekken. Aldus worden de concurrenten van France Télévisions ertoe verplicht de steun te financieren, wat tot concurrentievervalsing leidt die door de onvoldoende differentiatie tussen de programma’s van de diverse gevestigde zenders nog wordt verergerd.

(49)

De Europese Radio-unie (UER) stelt in haar opmerkingen van 2 november 2009 dat iedere meerjarenraming van de kosten en ontvangsten van de publieke omroep die door Frankrijk wordt voorgelegd per definitie toekomstgericht is. Met de ramingen wordt gezorgd voor een duidelijk financieel perspectief op lange termijn waarover een aanbieder moet beschikken om de continuïteit van de dienst in volledige onafhankelijkheid te kunnen waarborgen. De correctie van eventuele afwijkingen van de ramingen moet door ex-post mechanismen worden gewaarborgd. Het besluit van de Commissie moet betrekking hebben op de parameters voor de berekening vooraf en op deze mechanismen, zonder het daadwerkelijke bedrag van de toekomstige compensatie te beperken door alleen de geraamde kosten en ontvangsten te valideren; de Commissie zou anders de jaarlijkse bedragen van een steunregeling vaststellen en controleren, in plaats van de regeling zelf. Voorts heeft de UER haar bezorgdheid geuit over het feit dat de Commissie tracht het geraamde bedrag van de efficiëntieverbeteringen en synergieën voor de komende jaren te becijferen, aangezien de efficiëntie waarmee een dienst van algemeen economisch belang wordt verricht overeenkomstig artikel 106, lid 2, VWEU niet onder de controlebevoegdheid van de Commissie valt.

(50)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 verklaart de „Association of Commercial TV in Europe” (ACT) verheugd te zijn over het besluit van Frankrijk om de reclame op de publieke omroep aanzienlijk te verminderen. Volgens ACT is aan twee in het Altmark-arrest (11) genoemde voorwaarden niet voldaan en vormt de voorgenomen bijdrage uit de begroting dus steun. Niettemin is ACT van mening dat indien het systeem van financiering van de steun door middel van een belasting op de reclame-inkomsten van de concurrenten als conform het EU-recht wordt beschouwd, de voordelen van terugtrekking uit de reclamemarkt veel minder groot zouden zijn, terwijl een dergelijk systeem in bepaalde opzichten tot meer distorsies zou kunnen leiden dan de traditionele duale systemen van financiering uit openbare en commerciële bron.

(51)

ACT is van oordeel dat de openbaredienstverplichtingen van France Télévisions sinds 1994 niet wezenlijk zijn veranderd en grotendeels dezelfde zijn gebleven als die van andere particuliere omroepen. Daarnaast zijn de ramingen van de compensatie van het verlies aan reclame-inkomsten tot 2012 te betalen bedragen vaag en houden zij geen rekening met de vermindering van de daarmee samenhangende investeringskosten, noch met de mogelijke daling van de kosten van een minder aan de eisen van adverteerders onderworpen programmering, noch met de verwachte synergieën. Het mechanisme van aanpassing van de overheidsinkomsten en de reclame-inkomsten aan de kosten, waarin de overeenkomst over middelen en doelstellingen voorziet, moet worden gecontroleerd, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de schommelingen van de inkomsten uit commerciële bron, omdat de Commissie anders niet over betrouwbare informatie zou beschikken om de daadwerkelijke kosten van de verleende dienst te bepalen of eventueel vast te stellen dat er van overcompensatie sprake is. Deze verificatie zou worden verricht zonder dat de onderneming over een analytische boekhouding beschikt, zoals de Rekenkamer heeft vastgesteld.

(52)

Tot slot is de ACT van oordeel dat de steun in feite wordt gefinancierd door de nieuwe belasting die met de hervorming is ingevoerd en dat met de op audiovisuele reclame geheven belasting in Frankrijk een model voor de financiering van de publieke omroep door de concurrenten is ingevoerd dat in andere landen is afgeschaft. Echter, het steunmechanisme houdt juist de middelen van France Télévisions in stand, ondanks het feit dat steeds duidelijker zou blijken dat de adverteerders hun vraag niet volledig naar de concurrerende zenders verleggen. Bovendien zou zo’n mechanisme de toegangsdrempels tot de Franse markt verhogen.

(53)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 stelt France Télévisions dat het aangemelde mechanisme haar geen enkel economisch voordeel ten opzichte van haar concurrenten verschaft. Weliswaar wordt het verlies aan reclame-inkomsten gecompenseerd, maar daartegenover heeft de staat de onderneming een beperking opgelegd die voor geen enkele particuliere marktdeelnemer geldt: stopzetting van de reclame. Wanneer deze stopzetting een feit is zal iedere concurrentiedistorsie op deze markt verdwijnen, terwijl ook de druk op de concurrenten ten aanzien van sponsoring, gezien de geringe aanwezigheid daarvan, eveneens te verwaarlozen zal zijn. Wat de aankoop van zogenoemde audiovisuele „premiumrechten” betreft zou France Télévisions over geen enkele exclusiviteitsovereenkomst met de grote Amerikaanse aanbieders beschikken, terwijl TF1 96 van de 100 hoogste kijkcijfers, en in 2008 18 van de 20 hoogste kijkcijfers zou hebben gehad. Voorts moet France Télévisions investeren in audiovisuele schepping met kwaliteitseisen die onverenigbaar zijn met de door de commerciële zenders beoogde kijkcijfers. Op het gebied van de verkoop van programmarechten heeft de onderneming slechts een marginale aanwezigheid.

(54)

France Télévisions vindt bovendien dat, aangezien het bedrag dat jaarlijks aan haar wordt toegewezen allereerst, nauwkeurig en objectief van de kosten van haar verplichtingen zal afhangen, met een correctie achteraf in geval van een afwijking ten opzichte van de werkelijke kosten, het mechanisme aan de in het arrest-Altmark genoemde tweede voorwaarde voldoet. Aan de vierde in dit arrest genoemde voorwaarde zou eveneens zijn voldaan, aangezien de synergieën die in het verleden niet geheel konden worden benut, met de vernieuwing van de juridische structuur en de statuten, in het vervolg wel volledig zouden worden benut; de vierde voorwaarde vereist namelijk niet dat de dienst tegen zo laag mogelijke kosten moet worden verricht, maar dat de kosten overeenkomen met de kosten van een gemiddelde, goed geleide onderneming.

(55)

Wat de voorwaarden voor verenigbaarheid van het aangemelde mechanisme met de interne markt betreft, stelt France Télévisions dat, aangezien het mechanisme gedurende een groot jaren van kracht zal zijn, de nettokosten van de openbare dienst niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld om de Commissie in staat te stellen overcompensatie door controle vooraf uit te sluiten. Hoewel gelet op de indicatieve ramingen voor 2010 tot 2012 niet valt uit te sluiten dat een redelijke winst wordt gemaakt of een reserve van maximaal 10 % van de jaarlijkse uitgaven aan de openbare dienst wordt gevormd, zullen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarin een controle achteraf wordt voorgeschreven in ieder geval een evenredige financiering kunnen waarborgen. Aangezien echter schommelingen van de programmakosten van redactionele keuzen afhangen, is France Télévisions van oordeel dat zij alleen verplicht is de door de wet opgelegde openbaredienstverplichtingen te vervullen en dat het Frankrijk vrijstaat de inhoud daarvan te bepalen. Uit deze verplichtingen vloeit overigens ook een kijkcijferverplichting voort, die met de stopzetting van de reclamespots niet is verminderd. In tegendeel: er moeten juist meer programma’s worden aangekocht.

(56)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 stelt „Métropole Télévisions” (M6) dat het geplande financieringsmechanisme staatssteun vormt in de zin van artikel 107, VWEU, met name omdat aan de tweede en de vierde voorwaarde van het arrest-Altmark niet is voldaan: een compensatie die gebaseerd is op een raming van gederfde reclame-inkomsten, welke naar hun aard — en in de praktijk — fluctueren, kan immers niet worden geacht gebaseerd te zijn op objectieve en transparante parameters voor de berekening van de kosten van de openbare dienst. Bovendien is de berekeningsgrondslag niet die van de kosten van een gemiddelde, goed geleide onderneming, maar die van France Télévisions, een onderneming die volgens talrijke aanwijzingen inefficiënt wordt beheerd, wat voor de samenleving hogere kosten van de openbare dienst met zich brengt.

(57)

Wat de verenigbaarheid met de interne markt betreft, is M6 van oordeel dat het beoogde financieringsmechanisme onwettig is omdat het op structurele wijze overcompensatie van de kosten van de openbare dienst in de hand werkt. Overeenkomstig Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie van 16 november 2006 betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven en de financiële doorzichtigheid binnen bepaalde ondernemingen (12) moet Frankrijk de kosten en opbrengsten van de dienst van algemeen belang op grond van consequent toegepaste beginselen inzake kostprijsadministratie, correct toerekenen. Zoals de Rekenkamer heeft opgemerkt, zou France Télévisions niet over dit soort boekhoudinstrumenten beschikken. Er is dus geen enkel objectief element dat als basis voor de berekening van het bedrag van de compensatie zou kunnen dienen. Aangezien de uitkering wordt berekend op basis van de reclame-inkomsten, die geen deel uitmaken van de openbaredienstopdracht en bij de berekening van de kosten daarvan niet in aanmerking mogen worden genomen, zou dit onvermijdelijk tot overcompensatie leiden. Ook het feit dat de ramingen van de gederfde inkomsten willekeurig zijn en een kostenanalyse ontbreekt maakt overcompensatie onvermijdelijk.

(58)

Het feit dat de nieuwe belasting in het financieringsinstrument wordt betrokken versterkt het negatieve effect van de steun op de markten voor de verwerving van audiovisuele rechten — waar het slechte beheer van France Télévisions, door overheidssubsidies beschermd, de kosten van de concurrenten opdrijft — en op de reclameactiviteit, die France Télévisions naar het gebied van sponsoring zal verleggen, zonder dat M6, dat een ander kijkersprofiel heeft, het door France Télévisions achtergelaten vacuüm kan opvullen. Derhalve zou alleen financiering achteraf gerechtvaardigd zijn. Het mechanisme zou dus structureel onwettig zijn, door het ontbreken van onafhankelijke controlevoorzieningen achteraf waardoor overcompensatie daadwerkelijk kan worden voorkomen op basis van reële cijfers. Volgens M6 worden deze controles in Frankrijk niet doeltreffend uitgevoerd.

(59)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 plaatst Télévision Française 1 (TF1) de hervorming van de financiering van France Télévisions in de context van structurele veranderingen op de reclamemarkt, waar internet snel groeit. Zo maakte in 2008 de televisie slechts circa 11 % uit van de 33 miljard EUR aan reclame-uitgaven van adverteerders. Tussen januari en september 2009 is de reclameomzet van de digitale aardse televisiezenders met circa 60 % gestegen, tegenover een daling van ongeveer 8 % bij de drie gevestigde particuliere zenders. In 2008 beliepen de door TF1 betaalde belastingen en heffingen 60 % van het bedrijfsresultaat. Meerjarige contracten voor de verwerving van rechten, de prijsinflatie en de rigide kosten, waaronder de programmakosten, als gevolg van de verplichtingen inzake de productie en uitzending van Franse en Europese werken, maken echter 30 % van de totale daling uit, waardoor TF1 naar eigen zeggen nauwelijks nog manoeuvreerruimte heeft. Door de invoering van de nieuwe audiovisuele belasting zouden de concurrentieverstoringen op de markt nog verder worden versterkt.

(60)

De potentiële verlegging van de vraag van adverteerders naar TF1 is de officiële doelstelling van de belasting op audiovisuele reclame. In feite is in 2009 de verwachte verschuiving van 350 miljoen EUR aan reclameomzet naar de drie etherkanalen uitgebleven, hun reclameomzet is bovendien 450 miljoen EUR onder de ramingen gebleven. Bovendien zou de omvang van deze verlegging hoe dan ook beperkt zijn door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die, als omgezet EU-recht, de tijd die per zenduur aan reclame mag worden besteed tot ten hoogste 12 minuten beperken, mits het daggemiddelde van zes minuten per uur niet wordt overschreden.

(61)

Volgens TF1 is de belasting in twee opzichten staatssteun: ten eerste omdat France Télévisions na 30 november 2011 (op deze datum moet zij stoppen met het uitzenden van reclamespots, op de inkomsten waaruit de heffingsgrondslag is gebaseerd) geen belasting meer hoeft te betalen en ten tweede omdat de opbrengst van deze belasting voor France Télévisions is bestemd, aangezien uit talrijke verklaringen van regeringsleden en parlementsleden tijdens debatten over het wetsontwerp blijkt dat de belasting voor de financiering van de steun is bestemd. Nog afgezien van de vraag of de steun zelf rechtmatig is, zou de belastingregeling inzake de financiering ervan bij de beoordeling van de steun in aanmerking moeten worden genomen.

(62)

TF1 meent dat het aan soortgelijke verplichtingen is onderworpen als France Télévisions, waarvan de programma’s zich nauwelijks van de zijne onderscheiden. Hoewel TF1 positief oordeelt over de herziening van de overeenkomst over middelen en doelstellingen en van de taakomschrijving, na de hervorming van de openbare audiovisuele sector, is de zender, zich baserend op het advies van de Rekenkamer, van oordeel dat het aanbod van de publieke omroep onvoldoende geïndividualiseerd is en onderstreept hij dat de kwantitatieve omroepverplichtingen in de voormalige taakomschrijvingen 10 % van de programmaschema’s uitmaakten.

(63)

Voorts is volgens TF1 de kostenbeheersing en de kwaliteit van het beheer van France Télévisions eveneens ontoereikend, waardoor de openbare dienst niet tegen de laagste kosten voor de gemeenschap wordt geleverd en een risico van overcompensatie met zich brengt. De Commissie moet in dit verband dan ook een onderzoek instellen naar de groei van de winst uit de commerciële activiteiten, de synergieën die sinds 2009 uit de oprichting van één onderneming, France Télévisions, moeten zijn voortgevloeid en de afname van de druk op de kosten van programmaschema’s door een geringere afhankelijkheid van de adverteerders.

V.   OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK

(64)

In de opmerkingen die de Franse autoriteiten op 7 oktober 2009 aan de Commissie hebben toegezonden en naderhand hebben toegelicht over de toepassing van artikel 106, lid 2, VWEU, verwijzen zij met name naar de twijfels die de Commissie heeft geuit over de evenredigheid van de overheidsfinanciering en het risico van overcompensatie enerzijds en over het in aanmerking nemen van de door de hervorming van de openbare audiovisuele sector ingevoerde nieuwe belasting anderzijds, met het oog op de beoordeling van de verenigbaarheid van de aangemelde maatregel met de interne markt.

V.1.   Evenredigheid van de financiering en controle achteraf van het risico van overcompensatie

(65)

Frankrijk verduidelijkt dat het bij de aangemelde maatregel niet om compensatie voor de derving van reclame-inkomsten van de groep France Télévisions gaat, alhoewel hier in de geraamde bedragen die ter indicatie zijn overgelegd rekening mee is gehouden, maar om een financiering waarmee de kosten van de uitvoering van de openbaredienstopdracht moeten worden gedekt. Verwacht wordt dat de financieringsbehoeften zullen evolueren naargelang van de veranderingen inzake de programmakosten, fluctuaties van de reclame-inkomsten en de uitzendmiddelen.

(66)

Frankrijk wijst erop dat voor een validering vooraf van de afwezigheid van eventuele risico’s van overcompensatie moet worden nagegaan of er wetgevende en bestuursrechtelijke controlemechanismen bestaan, overeenkomstig de jurisprudentie en de besluitvormingspraktijk van de Commissie, en niet aan de hand van geraamde indicatieve subsidie- en kostenbedragen. De indicatieve bedragen worden ter illustratie gegeven, in het licht van het door de toezichthouders en France Télévisions goedgekeurde businessplan. De methode voor de berekening van de subsidie berust niet op de raming van de daling van de reclame-inkomsten van France Télévisions. De berekening zal veeleer gebaseerd zijn op een algemene formule, zodat het gecombineerde bedrag van de bijdrage aan de openbare audiovisuele sector en de begrotingstoewijzing, in overeenstemming met de verplichtingen van Frankrijk en de op grond van wetgevende en bestuursrechtelijke in het leven geroepen mechanismen voor controle achteraf, elk jaar evenredig is met de kosten van de openbaredienstopdracht van France Télévisions, verminderd met de reclame-inkomsten.

(67)

Voorts wijst Frankrijk erop dat een aantal van de nieuwe, innoverende audiovisuele diensten die in de omroepmededeling worden genoemd, al in de nieuwe taakomschrijving van France Télévisions en in de gewijzigde overeenkomst over doelstellingen en middelen zijn vastgelegd en dat ten aanzien hiervan de bovengenoemde regelmatige controles en voorafgaand overleg reeds hebben plaatsgevonden en ook in de toekomst zullen plaatsvinden. Frankrijk is van oordeel dat alle belangrijke nieuwe diensten in de toekomst in de overeenkomst over middelen en doelstellingen moeten worden behandeld, waarop dezelfde controles worden toegepast.

(68)

Gelet op het feit dat de omroepmededeling na de inleiding van deze procedure in werking is getreden, verbindt Frankrijk zich er verder toe, het mechanisme voor financiële controle achteraf zodanig aan te passen dat het voldoet aan de nieuwe regels inzake financiële controle die in de mededeling zijn vervat. Zo zal artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 worden gewijzigd, met als doel:

erop toe te zien dat het verslag over de gescheiden boekhouding dat moet worden opgesteld om de afwezigheid van overcompensatie te controleren, net als het in artikel 3 voorgeschreven verslag door een externe firma wordt gecontroleerd en aan de voor communicatie verantwoordelijke minister en aan de Nationale Assemblee en de Senaat wordt toegezonden, nadat de keuze van de externe firma aan de minister voor communicatie is voorgelegd;

het functionele mechanisme te verbeteren dat dient om eventuele overcompensatie of kruissubsidie die aan de hand van deze gescheiden boekhouding aan het licht zou komen en die noch met artikel 53 van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie, noch met de omroepmededeling van de Commissie verenigbaar is, daadwerkelijk terug te vorderen.

(69)

Ook verplichten de Franse autoriteiten zich ertoe om, met het oog op een betere informatieverstrekking aan de Commissie, gedurende de eerste jaren van de hervorming die met Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 werd ingeluid, voor de jaren 2010 tot en met 2013 aan de Commissie voor te leggen:

de verslagen overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van bovengenoemd, gewijzigd decreet, en wel uiterlijk zes maanden nadat de algemene vergaderingen de rekeningen hebben goedgekeurd, met inbegrip van de gegevens over de ontwikkeling van de marktaandelen in de reclamesector sinds 2007;

de openbare documenten over de follow-up van de uitvoering van de openbaredienstopdracht door France Télévisions, dat wil zeggen het jaarlijks verslag van de „Conseil supérieur de l’audiovisuel” over de afzonderlijke zenders (overeenkomstig artikel 18 van wet nr. 86-1067 van 30 september 1986) en het verslag van de door de parlementaire commissies (commissies voor culturele zaken en financiën van de Nationale Assemblee en de Senaat) gehouden hoorzittingen van de bestuursvoorzitter van France Télévisions betreffende de jaarlijkse uitvoering van de overeenkomst over middelen en doelstellingen (zoals bepaald in artikel 53 van genoemde wet).

V.2.   Inaanmerkingneming van de met de hervorming van de openbare audiovisuele sector ingevoerde nieuwe belasting

(70)

Frankrijk stelt dat het in zijn aanmelding geen rekening heeft gehouden met de nieuwe belasting op reclame en elektronische communicatie. Weliswaar is deze belasting bij dezelfde wet ingevoerd als die welke de hervorming regelt, maar zij zou buiten het bestek van de aangemelde maatregel vallen.

(71)

Frankrijk verduidelijkt dat openbare verklaringen die zijn afgelegd vóór de stemming over de wet waarnaar in het besluit tot inleiding van de procedure wordt verwezen en die later door de bepalingen van deze wet zijn weerlegd, niet volstaan om, op grond van het EU-recht, te concluderen dat er sprake is van een dwingend bestemmingsverband tussen de belasting en de financiering van de steun. Volgens het Franse recht wordt deze belasting geheven ten behoeve van de algemene staatsbegroting, dragen zij bij tot de financiering van het geheel van openbare uitgaven en beantwoorden zij aan het universaliteitsbeginsel en het beginsel van budgettaire eenheid, die deel uitmaken van het geheel van grondwettelijke voorschriften op het gebied van de openbare financiën. Krachtens artikel 36 van de wet van 1 augustus 2001 betreffende de begrotingswetten kan de volledige of gedeeltelijke toewijzing van overheidsmiddelen aan een rechtspersoon alleen plaatsvinden indien hiertoe een uitdrukkelijke bepaling in de begrotingswet is opgenomen, hetgeen hier niet het geval is.

(72)

Frankrijk onderstreept voorts dat er geen plannen zijn om een bestemmingsverband tussen genoemde belasting en de financiering van France Télévisions vast te leggen. Frankrijk licht toe dat, indien een dergelijke verandering van de regeling zou worden overwogen, het overeenkomstig de bepalingen van artikel 108, lid 3, VWEU een nieuwe aanmelding bij de Commissie zou indienen.

VI.   BEOORDELING VAN DE STEUNMAATREGEL

VI.1.   De vraag of sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU

(73)

In artikel 107, lid 1, VWEU wordt bepaald: „Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”. Deze toepassingsvoorwaarden worden hieronder behandeld.

VI.1.1.   Staatsmiddelen

(74)

De begrotingstoewijzingen waarop deze aanmelding betrekking heeft worden jaarlijks in de wet tot vaststelling van de begroting van de Franse staat vastgelegd. Het gaat derhalve om maatregelen waarmee overheidsmiddelen zijn gemoeid.

VI.1.2.   Selectief economisch voordeel

(75)

Het subsidiemechanisme ter aanvulling van de overheidsmiddelen die aan France Télévisions ter beschikking worden gesteld is selectief omdat France Télévisions er de enige begunstigde van is. De jaarlijkse begrotingssubsidie voor exploitatiekosten, waarmee met name wordt beoogd de voortzetting van de activiteiten van de onderneming mogelijk te maken, beschermt de onderneming tegen de derving van reclame-inkomsten waarmee tot dusverre de uitgaven en investeringen van France Télévisions ten dele werden gefinancierd. Hierdoor kan France Télévisions een kijkdichtheid bereiken die zonder de begrotingssubsidie niet mogelijk was geweest. De onderneming ontvangt aldus een economisch voordeel dat zij anders, of, omdat het een subsidie betreft, onder de marktvoorwaarden die voor haar concurrenten van de particuliere sector gelden, niet had kunnen verkrijgen.

(76)

De Commissie merkt voorts op dat Frankrijk geen opmerkingen heeft gemaakt waarmee het in het besluit tot inleiding van de procedure vervatte oordeel wordt betwist dat de beoogde toewijzingen niet aan alle criteria van het arrest-Altmark zouden voldoen en de onderneming derhalve een economisch voordeel zouden verschaffen dat staatssteun inhoudt (13). Daarnaast merkt zij op dat, ongeacht de ontwikkelingen in beheer en resultaten van France Télévisions in de komende jaren, haar standpunt dat aan de vierde voorwaarde niet is voldaan op dit moment wordt gestaafd door het verslag van de Franse Rekenkamer over France Télévisions, dat in oktober 2009 na het besluit tot inleiding van de procedure werd gepubliceerd.

(77)

Kortom, uit het voorgaande vloeit voort dat de alleen voor de groep France Télévisions bestemde begrotingssubsidies uit de financiële middelen van de Franse staat, deze onderneming een selectief voordeel verschaffen.

VI.1.3.   Vervalsing van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten

(78)

France Télévisions is actief op het gebied van de productie en de uitzending van programma’s die zij commercieel exploiteert, met name door tegen betaling reclamespots voor adverteerders en gesponsorde programma’s uit te zenden, haar zendrechten door te verkopen of dit soort rechten aan te kopen. Deze commerciële activiteiten worden uitgeoefend in concurrentie met andere zenders zoals TF1, M6 en Canal+, met name in Frankrijk, waar de groep France Télévisions volgens de Franse autoriteiten de grootste audiovisuele groep is. In 2010 lag het marktaandeel van France Télévisions rond 10 %, waarmee de groep nog de derde aanbieder op de Franse markt zou zijn.

(79)

Tot het tijdstip waarop de commerciële reclame wordt stopgezet, eind 2011, zal France Télévisions, zij het met beperkingen ten aanzien van de uitzendslots voor reclameboodschappen, actief blijven op de Franse markt voor commerciële televisiereclame en met de andere zenders concurreren. Ook na 2011 zal France Télévisions, in concurrentie met andere in Frankrijk actieve omroepen, aan adverteerders haar diensten op het gebied van reclame voor producten onder hun generieke naam evenals voor gesponsorde uitzendingen kunnen aanbieden. Ook al zullen de concurrenten van France Télévisions ten volle van de vrijwel volledige terugtrekking van France Télévisions uit de reclamemarkt kunnen profiteren, toch zal France Télévisions op deze markt aanwezig blijven. Ten opzichte van de volumen en marktaandelen van de vaste concurrenten in 2007 en op basis van de ramingen van de reclameontvangsten en sponsoring van France Télévisions die door de Franse autoriteiten zijn overgelegd, zou France Télévisions in 2012 namelijk nog 3,3 % van de markt in handen hebben, tegenover meer dan 50 % voor TF1 en 20 % voor M6.

(80)

France Télévisions zal een kijkdichtheid kunnen bereiken die zonder de begrotingstoewijzing in kwestie niet haalbaar zou zijn; dit kan ongunstige gevolgen hebben voor de kijkcijfers van de overige omroepen en dus voor hun commerciële activiteiten, wat tot vervalsing van de concurrentievoorwaarden zou leiden. In ieder geval zal France Télévisions ook op de markten voor de aankoop en verkoop van mediarechten actief blijven en, dankzij de genoemde steun, haar onderhandelingsmacht kunnen behouden. Dat de investeringen in de programmering dankzij de begrotingstoewijzingen gehandhaafd blijven, beïnvloedt derhalve de mate waarin France Télévisions op deze markten als koper of verkoper kan optreden.

(81)

Uit het bovenstaande vloeit voort dat de begrotingstoewijzingen die alleen aan de groep France Télévisions zijn toegekend uit de begrotingsmiddelen van de Franse staat de concurrentie op het gebied van de commerciële omroep in Frankrijk en in zekere mate ook in andere lidstaten waar de programma’s van France Télévisions worden uitgezonden, vervalsen of op zijn minst dreigen te vervalsen.

(82)

De markten voor de verkoop en aankoop van audiovisuele programma’s en zendrechten waarop France Télévisions actief is hebben een internationale dimensie zelfs wanneer bij de verwerving een territoriale begrenzing geldt, die over het algemeen tot één lidstaat beperkt is. Daarnaast worden de programma’s die France Télévisions dankzij de staatssteun kan blijven uitzenden, ook in andere lidstaten, zoals België en Luxemburg, ontvangen. France Télévisions zendt ook via internet programma’s uit, die buiten Frankrijk toegankelijk zijn.

(83)

Derhalve kunnen de voorgenomen begrotingssubsidies de concurrentie vervalsen en het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden.

VI.1.4.   Conclusie betreffende de aanwezigheid van staatssteun

(84)

Gelet op het voorgaande vormen de begrotingssubsidies die Frankrijk voornemens is aan France Télévisions uit te keren staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, die op zijn verenigbaarheid met de interne markt moet worden getoetst.

VI.2.   Verenigbaarheid overeenkomstig artikel 106, lid 2, VWEU

(85)

Artikel 106, lid 2, VWEU bepaalt: „De ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels van de Verdragen, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie”.

(86)

In haar omroepmededeling zet de Commissie de beginselen uiteen die zij bij de toepassing van artikel 107 en van artikel 106, lid 2, VWEU op overheidsfinanciering voor openbare omroepen heeft gevolgd. Zo heeft de beoordeling van de Commissie betrekking op twee aspecten:

de aanwezigheid van een duidelijke en precieze definitie, in een formeel besluit, van de openbaredienstopdracht, met inbegrip van het berichten van belangrijke nieuwe diensten en de aanwezigheid van doeltreffende controles door een van de omroep onafhankelijk orgaan;

de transparantie en evenredigheid van de financiering door de overheid van de voor deze opdracht vereiste compensatie zonder dat deze de nettokosten van de openbaredienstopdracht overschrijdt, en die eveneens aan een doeltreffende controle wordt onderwerpen.

VI.2.1.   Duidelijke en precieze omschrijving in een formeel besluit van de openbaredienstopdracht, die aan doeltreffende controle wordt onderworpen

(87)

Zoals hierboven reeds is aangegeven, heeft de Commissie in haar besluit tot inleiding van de procedure, om de daarin uiteengezette redenen, geen twijfels geuit over de deugdelijkheid van de definitie en het mandaat van de openbaredienstopdracht dat France Télévisions door formele besluiten is verleend, noch ten aanzien van de deugdelijkheid van de externe controle, waarmee zoals hierboven is aangeduid wordt nagegaan of France Télévisions haar opdracht naar behoren vervult. De Commissie was dan ook van mening dat de relevante bepalingen van gewijzigde Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 (artikelen 43-11, 44, 48 en 53) en van de decreten of formele besluiten waarbij deze ten uitvoer worden gelegd, met name betreffende de taakomschrijving (decreet nr. 2009-796 van 23 juni 2009) en de overeenkomst over middelen en doelstellingen, in overeenstemming waren met de uitvoeringsbepalingen van artikel 106, lid 2, VWEU betreffende de beoordeling van steun aan publieke omroepdiensten welke in de omroepmededeling zijn vastgelegd.

(88)

Deze conclusie stemde overeen met de conclusies waartoe de Commissie, op grond van de toen geldende mededeling, in haar besluiten van 2003 en 2005 betreffende France 2 en France 3 en in haar besluiten van 2008 en 2009 betreffende France Télévisions reeds was gekomen.

(89)

Ten overvloede moeten de overwegend algemene opmerkingen van een aantal belanghebbenden worden onderzocht die de gelijkenis tussen de programmering van de openbare zenders en die van de concurrenten in grote lijnen bevestigen; dit wordt feitelijk tegengesproken door andere partijen en verandert niets aan deze beoordeling.

(90)

In gewijzigde Wet nr. 86-1067 inzake de vrijheid van communicatie worden de openbaredienstverplichtingen van France Télévisions in brede, kwalitatieve zin maar toch nauwkeurig vastgelegd. Volgens deze bepalingen moet France Télévisions zich op een breed publiek richten met een gediversifieerd programma-aanbod, dat, met inachtneming van het pluralisme, de democratische, sociale, burgerrechtelijke en culturele behoeften van de samenleving dekt. Het feit dat sommige concurrenten zich, wegens hun lidmaatschap van de ERU, aan de statuten van deze organisatie moeten houden zoals door de FFTCE wordt onderstreept, belet niet dat in officiële Franse besluiten specifieke openbaredienstverplichtingen zijn vastgelegd, die in tegenstelling tot de verplichtingen die uit het lidmaatschap van de ERU voortvloeien, alleen voor France Télévisions gelden.

(91)

Overigens zijn de verplichtingen van France Télévisions voor zover nodig, ook opgenomen in de taakomschrijving en in de overeenkomst over middelen en doelstellingen, vergezeld van nauwkeurige en gekwantificeerde indicatoren, iets wat voor haar concurrent niet geldt. De overheidsmiddelen die aan France Télévisions ter beschikking worden gesteld zijn bedoeld om de doelstellingen te verwezenlijken en de in het algemeen belang vastgelegde openbaredienstopdrachten na te komen, terwijl de toekenning van particuliere middelen aan de concurrerende zenders louter uit winstbejag geschiedt. Evenzo impliceert het feit dat de aanbieders bij de uitoefening van hun activiteiten op grond van voorschriften of vrijwillig onderschreven richtsnoeren aan beperkingen zijn gebonden niet, dat het aanbod van publieke en particuliere omroepen feitelijk uniform is. Deze in de wet vastgelegde openbaredienstverplichtingen worden bovendien, anders dan die welke uit het lidmaatschap van de ERU voortvloeien, regelmatig aan externe controles, en met name parlementaire controles, onderworpen.

(92)

Daarnaast wijst de SACD erop dat France Télévisions zich, in vergelijking met haar concurrenten die aanzienlijk minder verplichtingen hebben, sterker inzet voor het scheppen van films en audiovisuele werken in de Franse taal. In de opmerkingen van SACD wordt weliswaar niet uiteengezet of geïllustreerd waarom eventueel uit andere lidstaten geïmporteerde, niet-Franse werken van geringere kwaliteit zouden zijn dan die welke door France Télévisions zullen worden gefinancierd. Desondanks houdt de dwingende verplichting om, zowel in absolute termen als ten opzichte van de concurrenten, een groter aantal Franse producties tot stand te brengen nauw verband met de sociale en culturele behoeften van de Franse samenleving, waaraan de programmering van France Télévisions uit hoofde van haar verplichtingen inzake het verrichten van diensten van algemeen belang moet voldoen.

(93)

Gelet op de door Frankrijk verstrekte informatie moet deze positieve beoordeling van de definitie van en de controle op de openbaredienstopdracht van France Télévisions worden uitgebreid naar de mechanismen voor de invoering van belangrijke nieuwe audiovisuele diensten in de zin van de omroepmededeling die na het besluit tot inleiding van deze procedure van kracht is geworden. Deze diensten, waarmee het programma-aanbod naar andere media of formats wordt doorgegeven, zijn opgenomen in de taakomschrijving en in de overeenkomst over middelen en doelstellingen van France Télévisions, waarin overigens de in de wet vastgelegde opdracht van algemeen economisch belang wordt toegelicht en omgezet. Deze documenten worden, zoals hierboven is aangegeven, bij decreet goedgekeurd, zodat zowel op de reeds geplande nieuwe diensten als op de eventueel toekomstige diensten dezelfde specifieke procedures voor raadpleging vooraf en de jaarlijkse controle op de uitvoering van genoemde opdrachten van toepassing zijn.

(94)

Kortom, zowel de definitie van de openbaredienstopdracht van France Télévisions als de controlemechanismen die daarop betrekking hebben zijn in overeenstemming met de in de omroepmededeling vervatte regels en beginselen welke op hun beurt op de jurisprudentie van de Europese rechtscolleges zijn gebaseerd.

VI.2.2.   Evenredigheid en transparantie van de overheidsfinanciering

(95)

Het is de bedoeling dat het door Frankrijk aangemelde financieringsmechanisme, waaronder de jaarlijkse subsidie ter compensatie van de afname en de uiteindelijke afschaffing van de reclameboodschappen valt, langdurig blijft bestaan en dus ook na de wettelijk voor de afschaffing van reclamespots vastgelegde datum (november 2011) van kracht blijft.

(96)

De jaarlijkse overheidsfinanciering zal bestaan uit, enerzijds, toewijzing van een deel van de inkomsten uit de omroepbijdragen (voorheen „redevance” genoemd) en, anderzijds, de jaarlijkse subsidie overeenkomstig wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009. Aan de reeds bestaande, door de Commissie in haar besluit van 20 april 2005 goedgekeurde steun, die door het voorgenomen mechanisme niet wordt gewijzigd, wordt dus een begrotingssubsidie toegevoegd waarvan het bedrag ieder jaar in de begrotingswet voor het lopende begrotingsjaar zal worden vastgelegd. In zijn opmerkingen geeft Frankrijk aan dat het bedrag van de jaarlijkse subsidie voor het begin van elk begrotingsjaar op basis van de verwachte nettokosten van de openbare omroep vooraf wordt vastgesteld.

(97)

Dit blijkt ook uit de ramingen die de Franse autoriteiten aan de Commissie hebben overgelegd als antwoord op de twijfels die zij in het besluit tot inleiding van de procedure had geuit. De Commissie merkt op dat volgens de Franse autoriteiten de prognoses in het businessplan louter indicatief van aard zijn en is het ermee eens dat het voor een onderneming die met een openbaredienstopdracht is belast en die daarvoor meerjarige uitgaven moet doen, nuttig is daartoe over een financieel kader te kunnen beschikken dat is opgenomen in het businessplan zoals vervat in de wijzigingsakte bij de overeenkomst over middelen en doelstellingen. Niettemin blijft het indicatieve totaal van de overheidsmiddelen dat daarin is opgenomen, hoewel het om een lager bedrag gaat, in overeenstemming met de verwachte brutokosten voor het verrichten van deze dienst voor de periode tussen 2010 en 2012.

(98)

Rekening houdende met de relatieve voorspelbaarheid van de brutokosten, die minder volatiel zijn dan de inkomsten uit commerciële activiteiten op basis waarvan de nettokosten worden bepaald, bevestigen de indicatieve cijfers van het businessplan a priori het argument van Frankrijk betreffende het doorslaggevende karakter van het criterium van de nettokosten van de openbare dienst voor de vaststelling van het jaarlijkse subsidiebedrag in de toekomst. Derhalve vormt de verplichting tot financiële compensatie door de staat, die bij Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 is ingevoerd, het ontstaansfeit van de aangemelde begrotingssubsidie zonder het bedrag daarvan afhankelijk te stellen van een mogelijke raming van de omvang van de door de afschaffing van de reclame gederfde reclame-inkomsten.

(99)

Deze aanpak lijkt objectief gezien gerechtvaardigd omdat het vaststellen van het bedrag van de subsidie, ten opzichte van de reclame-inkomsten die zouden zijn verworven indien de reclame niet wettelijk was afgeschaft, bijvoorbeeld door het bedrag vast te stellen op het niveau van de inkomsten voordat de hervorming werd aangekondigd en toegepast, eventueel aangepast aan de ontwikkeling van de markt voor televisiereclame, door het duurzame karakter van de subsidie steeds willekeuriger zou worden. Indien het bedrag van de subsidie aldus ten opzichte van hypothetische inkomsten zou worden berekend, zou een sterkere daling van de brutokosten van de openbare dienst dan voorzien, bijvoorbeeld als gevolg van toekomstige synergieën bij de oprichting van France Télévisions als één enkele onderneming, een risico van overcompensatie met overheidsmiddelen kunnen inhouden.

(100)

De wijze van berekening van de jaarlijkse subsidie aan de hand van de kosten van de openbare dienst, minus de netto-inkomsten uit de commerciële activiteiten die blijven bestaan, strookt overigens met de verbintenis van Frankrijk welke thans is omgezet in artikel 44 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie en artikel 2 van het decreet inzake de financiële betrekkingen tussen de staat en de organen van de publieke audiovisuele sector, in die zin dat de overheidsmiddelen die aan France Télévisions worden toegewezen, de nettokosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen die ten laste van de onderneming komen niet overschrijden. Zoals de Franse autoriteiten in herinnering brengen, zijn deze verbintenis en de bovengenoemde bepalingen volledig van toepassing op de aangemelde begrotingssubsidie en op het mechanisme inzake de jaarlijkse overheidsfinanciering waarvan de subsidie voortaan integrerend deel zal uitmaken.

(101)

Daarom lijkt de wijze van berekening van de jaarlijkse subsidie aan de hand van de nettokosten van de openbare dienst (waarop de netto-inkomsten uit commerciële activiteiten die zullen blijven bestaan in mindering worden gebracht) evenredig in de zin van de omroepmededeling van de Commissie.

(102)

In dit verband kunnen de opmerkingen van belanghebbenden die het tegendeel beweren deze conclusie niet ontkrachten:

de opmerkingen van de FFTCE, namelijk dat een compensatie voor gederfde reclame-inkomsten die geen deel uitmaken van de openbaredienstopdracht, niet onder de financiering van die opdracht valt, kunnen niet worden aanvaard, evenmin als de opmerkingen van M6 over de fluctuerende en derhalve onnauwkeurige aard van de ramingen van de gederfde inkomsten uit commerciële activiteiten; het jaarlijkse bedrag van de subsidie moet vooraf worden vastgesteld op basis van de nettokosten van de openbare dienst van France Télévisions, en de ramingen van het bedrag die door Frankrijk voor 2010, 2011 en 2012 zijn verstrekt zijn overigens louter indicatief;

de argumentatie van M6, volgens welke de afwezigheid van een analytische boekhouding bij France Télévisions, die door de Franse Rekenkamer werd gemeld, structureel tot overcompensatie zou leiden omdat de subsidie gebaseerd zou zijn op niet-objectieve kostencomponenten is, net als de opmerkingen van TF1 over de overcompensatie van ongecontroleerde of slecht beheerde kosten, ongegrond; ten eerste noemde de Rekenkamer in oktober 2009 de afwezigheid van beheersinstrumenten die, op het niveau van de groep France Télévisions, de instrumenten voor de analytische boekhouding van de dochterondernemingen samenvoegen, en niet het ontbreken van genoemde beheersinstrumenten; er bestaat voor iedere onderneming van de groep France Télévisions een analytische boekhouding;

ten tweede gaat het bij het onderzoek inzake de verenigbaarheid van de compensatie met de interne markt, in tegenstelling tot het onderzoek naar het bestaan van een economisch voordeel voor France Télévisions, niet om de vraag welke kosten het verrichten van de dienst van algemeen belang met zich zou kunnen meebrengen voor een gemiddelde, goed geleide onderneming in de bewuste sector, maar om de vraag welke kosten France Télévisions daadwerkelijk zal maken, de inkomstendaling in de toekomst meegerekend; zoals hierboven is aangetoond zal het totaalbedrag aan overheidsmiddelen dat aan France Télévisions zal worden uitgekeerd a priori lager zijn dan de kosten die voor het verrichten van de openbare dienst worden gemaakt, en dit bedrag zal zodanig worden vastgesteld dat er, na aftrek van de netto commerciële inkomsten, geen sprake is van overcompensatie.

(103)

Deze opmerkingen, die met betrekking tot de vaststelling vooraf van het jaarlijkse subsidiebedrag ongegrond zijn, houden bovendien geen rekening met het bestaan van mechanismen voor de controle achteraf. Zoals hieronder wordt aangetoond, wordt de jaarlijkse voorafgaande vaststelling van de hoogte van de subsidie voor het begrotingsjaar overeenkomstig de begrotingswet gevolgd door een controle achteraf, die eventueel tot terugvordering kan leiden.

(104)

In de omroepmededeling is bepaald dat de lidstaten zorgen voor passende mechanismen om te garanderen dat geen overcompensatie plaatsvindt; daartoe zorgen zij voor een regelmatige en daadwerkelijke controle op het gebruik van de overheidsmiddelen. De doeltreffendheid van de controles zoals aangegeven in de mededeling moet voortvloeien uit de door een onafhankelijke instantie te verrichten regelmatige controles, tezamen met mechanismen voor de terugbetaling van eventuele overcompensatie of de juiste toewijzing, in het volgende begrotingsjaar, van eventuele reserves die niet meer bedragen dan 10 % van de jaarlijkse kosten van de openbare dienst, enerzijds, of van vermeende kruissubsidiëring, anderzijds.

(105)

In artikel 44 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 is bepaald: „Overheidsmiddelen die aan organen van de openbare audiovisuele sector worden toegewezen voor de vervulling van hun openbaredienstverplichtingen mogen het bedrag van de kosten die in verband met de vervulling van die verplichtingen worden gemaakt, niet overschrijden”. Deze bepaling vloeit voort uit de door Frankrijk aangegane verbintenis om het beginsel van niet-overcompensatie van openbaredienstverplichtingen dat is ingevoerd in het kader van de procedure welke tot het verenigbaarheidsbesluit van de Commissie van 20 april 2005 betreffende het gebruik van de omroepbijdragen heeft geleid, uitdrukkelijk in de wet op te nemen (14).

(106)

Artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 inzake de financiële betrekkingen tussen de staat en de organen van de publieke sector van de audiovisuele communicatie bevat dezelfde formulering als artikel 53 van de wet van 30 september 1986; hierin wordt bepaald dat met „de directe en indirecte inkomsten van de openbaredienstopdracht” rekening moet worden gehouden en dat de kosten van de openbaredienstopdracht door middel van gescheiden rekeningen worden vastgesteld. In artikel 3 van het decreet wordt bepaald dat France Télévisions en haar dochterondernemingen bij al hun commerciële activiteiten de normale marktvoorwaarden in acht moeten nemen en dat door een externe firma een jaarlijks verslag over de nakoming van deze verplichting moet worden opgesteld dat bij de bevoegde minister, de Nationale Assemblee en de Senaat wordt ingediend. Laatstgenoemde bepaling behoort eveneens tot de door Frankrijk gedane toezeggingen die de Commissie heeft opgenomen in haar besluit van 20 april 2005, dat in overweging 7 wordt genoemd.

(107)

Het Gerecht van de Unie heeft geoordeeld dat zowel de bepalingen inzake het beginsel dat overcompensatie moet worden voorkomen als de bepalingen betreffende controle en verificatie van de voorwaarden die door France Télévisions op haar commerciële activiteiten worden toegepast, volledig tegemoet komen aan de bezwaren die de Commissie heeft geuit in het kader van de procedure die tot het besluit van 20 april 2005 (15) heeft geleid. Voorts bevestigde het Gerecht de passendheid van de controles achteraf op de inachtneming van deze verbintenissen (16).

(108)

De Commissie heeft de verslagen over de uitvoering van de artikelen 2 en 3 van het decreet voor de boekjaren 2007 en 2008 (de verslagen overeenkomstig artikel 3 van het decreet zijn, wat 2007 betreft, gecertificeerd door de accountantskantoren PriceWaterhouseCoopers en KPMG en voor 2008 door het consultantsbureau Rise Conseil) alsook het ontwerp-verslag uit hoofde van artikel 2 voor 2009 ontvangen en onderzocht. Volgens de conclusies van deze verslagen bedroegen de aan de groep France Télévisions toegekende overheidsmiddelen niet hoger waren dan de nettokosten van de openbaredienstverplichtingen waarmee France Télévisions is belast en heeft de onderneming bij al haar commerciële activiteiten de normale marktvoorwaarden in acht genomen. Hierdoor wordt derhalve eventuele kruissubsidiëring tussen commerciële activiteiten en activiteiten in het kader van de openbare dienst uitgesloten. De verslagen laten voorts zien dat de kosten en middelen van de openbaredienstopdracht van de verschillende zenders van France Télévisions in tegenstelling tot wat met name M6 beweert, wel degelijk met de bestaande boekhoudinstrumenten kunnen worden vastgesteld.

(109)

De controle achteraf van de overeenkomstig decreet nr. 2007-958 uitgetrokken overheidsmiddelen worden op de aangemelde begrotingssubsidie toegepast. Sedert de invoering van deze controle is het totaalbedrag van de aan France Télévisions toegewezen overheidsmiddelen niet voldoende geweest om de nettokosten van de nakoming van de openbaredienstverplichtingen te dekken, zodat van eventuele overcompensatie geen sprake was. Wat de in het businessplan vervatte en in tabel 1 opgenomen kosten- en inkomstenramingen op de middellange termijn betreft, wordt voor 2012 met een gering overschot rekening gehouden dat, indien het zou worden bevestigd en niet nodig zou zijn om de voor 2010 en 2011 verwachte tekorten aan te vullen, normaal gesproken met voorrang voor uitgaven ten behoeve van audiovisuele producties zou worden bestemd.

(110)

In ieder geval verplicht Frankrijk zich ertoe om artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 aan te passen aan de in 2009 door de omroepmededeling ingevoerde vernieuwingen, om teneinde:

erop toe te zien dat het jaarlijks verslag over de gescheiden boekhouding, net als het in artikel 3 voorgeschreven verslag, door een externe instantie wordt gecontroleerd, en aan de Nationale Assemblee en de Senaat wordt toegezonden nadat de keuze van deze externe instantie ter goedkeuring is voorgelegd aan de minister voor Communicatie;

het functionele mechanisme te verbeteren dat dient om eventuele overcompensatie of kruissubsidie die aan de hand van deze gescheiden boekhouding aan het licht zou komen en die noch met artikel 53 van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie noch met de omroepmededeling verenigbaar is, daadwerkelijk terug te vorderen.

(111)

Frankrijk lijkt derhalve over passende mechanismen te beschikken om regelmatige en doeltreffende controle op het gebruik van de overheidsmiddelen uit te oefenen en, zoals in de omroepmededeling is bepaald, overcompensatie en kruissubsidiëring te voorkomen.

(112)

Gezien het bovenstaande moet ervan worden uitgegaan dat de mogelijke beperkingen van de concurrentie als gevolg van de aanwezigheid van France Télévisions op de commerciële markten waarop de onderneming na de voltooiing van de hervorming nog actief zal zijn, uiteindelijk zeer gering zullen zijn. Deze aanwezigheid zal waarschijnlijk zeer bescheiden zijn en het valt te verwachten dat de hervorming ertoe leidt dat de vraag naar reclame op televisie, zij het gedeeltelijk, naar de concurrenten van France Télévisions wordt verlegd.

(113)

Zoals valt te lezen in een brief die door zeven particuliere televisie- en radiozenders openbaar is gemaakt, zal de volledige doorvoering van de hervorming totdat de reclamespots bij France Télévisions zijn verdwenen: „de media van de particuliere sector de veerkracht geven die zij nodig hebben”, terwijl de handhaving van reclame: „voor alle Franse media zeer schadelijke gevolgen zou hebben en de economische vooruitzichten van de betrokkenen aanmerkelijk zou veranderen…” (17).

(114)

Met andere woorden, de gedeeltelijke terugtrekking van France Télévisions en de heroriëntatie van de structuur van haar inkomsten (uit commerciële activiteiten of overheidsmiddelen) naar de uitzending van programma’s die aan haar taakopdracht van algemeen belang beantwoorden, zonder rechtstreekse financiële compensatie voor de kijkdichtheid, vermindert de potentiële concurrentiebeperkingen op de markten waar France Télévisions actief is. Deze terugtrekking creëert een ruimte die zou kunnen worden ingenomen door nieuwe aanbieders of door marktdeelnemers met een geringe aanwezigheid op de reclamemarkt en zou de concurrentie mettertijd een nieuwe impuls geven.

(115)

Op grond van de bovenstaande gegevens en de door Frankrijk aangegane verbintenissen kan worden geconcludeerd dat de overheidsfinanciering tot doel zal hebben France Télévisions in de gelegenheid te stellen de door de onderneming voor de vervulling van haar verplichtingen gemaakte nettokosten te dekken, en dat deze financiering tot die kosten beperkt moet blijven en onderworpen zal blijven aan controles achteraf die aan de criteria van de omroepmededeling voldoen. Aangezien France Télévisions bovendien haar aanwezigheid op concurrerende markten nog verder zal beperken, zal de voorgenomen steun de ontwikkeling van het handelsverkeer niet beïnvloeden in een mate die strijdig is met het belang van de Unie, zodat aan de voorwaarden van artikel 106, lid 2, VWEU is voldaan.

(116)

Frankrijk verbindt zich er daarnaast toe, tot 2013, dat wil zeggen tot de voltooiing van de hervorming van de openbare audiovisuele sector, jaarlijks aan de Commissie verslag uit te brengen, zodat de aspecten van de uitvoering van de hervorming die met het oog op de staatssteunregels het belangrijkst zijn, namelijk de jaarlijkse compensatie en de mechanismen voor controle achteraf, de voorwaarden die door France Télévisions op haar commerciële activiteiten worden toegepast, de ontwikkeling van de positie van de onderneming op deze markt en de uitvoering van de overeenkomst over middelen en doelstellingen, gevolgd kunnen worden.

(117)

Gelet op de omvang van de hervorming, van de vernieuwingen ten aanzien van de financiering van de openbare opdracht van France Télévisions, de gevolgen ervan voor de ontwikkeling van de kosten en inkomsten van France Télévisions alsook het onzekere economische klimaat van de markten, dat gevolgen heeft voor de inkomsten uit commerciële activiteiten van France Télévisions en haar concurrenten, biedt deze verplichting de Commissie de mogelijkheid de uitvoering van de hervorming en de nakoming van de door Frankrijk in het kader van deze procedure aangegane verplichtingen van zeer nabij te volgen.

(118)

In haar besluit tot inleiding van de procedure had de Commissie twijfels geuit over het eventuele bestaan van een bestemmingsverband tussen de toewijzing van de ontvangsten uit de nieuwe belasting op reclame en elektronische communicatie en de subsidie die vanaf 2010 jaarlijks aan France Télévisions wordt betaald. Indien een dergelijk verband zou kunnen worden vastgesteld, zou deze heffing als integrerend onderdeel van de steun moet worden beschouwd en op zijn verenigbaarheid met de interne markt moeten worden getoetst. Hoewel het bestaan van een bestemmingsverband, gezien de datum waarop Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 betreffende de openbare audiovisuele sector van kracht werd, voor 2009 kon worden uitgesloten, geven de verklaringen van de hoogste Franse autoriteiten voor de daaropvolgende jaren nog steeds aanleiding tot twijfel.

(119)

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie, die in het arrest van 22 december 2008 in de prejudiciële zaak Régie Networks (C-333/07) (punt 99) is bevestigd, blijkt dat „om een heffing als een integrerend onderdeel van een steunmaatregel te kunnen aanmerken er krachtens de relevante nationale regeling een dwingend bestemmingsverband moet bestaan tussen de betrokken heffing en steun, in die zin dat de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd en een rechtstreekse invloed heeft op de omvang ervan, en bijgevolg op de beoordeling van de verenigbaarheid van deze steun met de gemeenschappelijke markt” (18). Beide toepassingsvoorwaarden waaraan volgens het Hof moet worden voldaan, te weten de relevante nationale regeling en de rechtstreekse invloed op de omvang van de steun, worden hieronder behandeld.

(120)

Overeenkomstig de Franse wetgeving en krachtens artikel 36 van de wet van 1 augustus 2001 betreffende de begrotingswetten kan de toewijzing van ten behoeve van de staat ingesteld middelen aan een andere rechtspersoon alleen voorvloeien uit een bepaling in de begrotingswet. In de begrotingswet moet derhalve uitdrukkelijk zijn voorgeschreven dat de opbrengst van de bij Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 ingevoerde heffing op reclame en elektronische communicatie geheel of gedeeltelijk voor de financiering van France Télévisions wordt gebruikt. Deze bepaling is tot nog toe niet vastgesteld. Frankrijk heeft zich ertoe verbonden om, overeenkomstig de bepalingen van artikel 108, lid 3, VWEU, ieder voornemen tot wijziging van de regeling bij de Commissie te zullen aanmelden. Onder deze voorwaarden kan uit hoofde van het nationaal recht geen dwingend bestemmingsverband tussen de aangemelde steun en de nieuwe heffing in de zin van de jurisprudentie van het Hof van Justitie worden vastgesteld.

(121)

Bovendien lijkt het doorslaggevende criterium voor het bepalen van de hoogte van de jaarlijkse begrotingssubsidie, tezamen met het voorgenomen bedrag van de aan de publieke audiovisuele sector toe te wijzen middelen, het bedrag te zijn van de nettokosten van de openbare opdracht van France Télévisions en niet dat van de opbrengst van de nieuwe belasting. De verwachte kosten van de openbaredienstopdracht worden echter overeenkomstig artikel 53 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie in de vorm van voorafgaande ramingen in de overeenkomst over middelen en doelstellingen opgenomen, en de in het ontwerp van begrotingswet opgenomen jaarlijkse begrotingssubsidie wordt dienovereenkomstig aan de verwachte nettokosten aangepast; eventuele afwijkingen van de werkelijke waarden ten opzichte van de ramingen moeten worden vastgesteld en, indien nodig, achteraf in het kader van het verslag overeenkomstig artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 inzake de financiële betrekkingen tussen de staat en de organen van de openbare sector van de audiovisuele communicatie, gecorrigeerd worden. Aangezien de kosten onafhankelijk van de opbrengst van de geïnde belasting worden gemaakt, kan de belastingopbrengst geen rechtstreekse invloed op het bedrag van de steun hebben. Ook zijn de aanvankelijk door de Franse regering vastgestelde heffingspercentages in de door het parlement goedgekeurde definitieve versie van de wet kennelijk verlaagd, zonder dat dit tot een dienovereenkomstige, evenredige verlaging van de subsidie voor France Télévisions heeft geleid.

(122)

Gelet op het voorgaande maakt de bij Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 ingevoerde heffing op reclame en elektronische communicatie geen deel uit van de steun en mag deze derhalve, in tegenstelling tot wat sommige belanghebbenden (ACT, FFTCE, Association des Chaînes Privées, M6 en TF1) beweren, niet bij het onderzoek naar de verenigbaarheid met de interne markt worden betrokken.

(123)

Deze conclusie doet geen afbreuk aan de verenigbaarheid van genoemde heffing en de daarop betrekking hebbende specifieke bepalingen — als onderscheiden maatregelen — met het recht van de Unie, en met name, wat de belasting op elektronische communicatie betreft, in het licht van de vragen die zijn onderzocht in het kader van inbreukprocedure nr. 2009/5061, van Richtlijn 2002/20/EG of van Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (19).

(124)

De Commissie neemt voorts nota van het feit dat Frankrijk heeft verklaard dat de betrokken heffing niet onder de in het kader van deze procedure onderzochte aanmelding valt.

VII.   CONCLUSIE

(125)

Gezien het bovenstaande komt de Commissie tot de slotsom dat de jaarlijkse begrotingssubsidie ten behoeve van France Télévisions, die op de hierboven beschreven wijze is uitgevoerd, op grond van artikel 106, lid 2, VWEU verenigbaar met de interne markt kan worden verklaard overeenkomstig de voor de publieke omroepdiensten geldende beginselen en regels,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De staatssteun die Frankrijk voornemens is aan France Télévisions te verlenen in de vorm van een jaarlijkse begrotingssubsidie overeenkomstig artikel 53, punt VI, van gewijzigde Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie van 30 september 1986, is op grond van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verenigbaar met de interne markt.

De tenuitvoerlegging van deze steun wordt derhalve goedgekeurd.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.

Gedaan te Brussel, 20 juli 2010.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Vicevoorzitter


(1)  PB C 237 van 2.10.2009, blz. 9.

(2)  Vgl. voetnoot 1.

(3)  Beschikking 2004/838/EG van de Commissie (PB L 361 van 8.12.2004, blz. 21).

(4)  Besluit C(2005) 1166 definitief (PB C 235 van 30.9.2005).

(5)  Besluit C(2008) 3506 definitief (PB C 242 van 23.9.2008).

(6)  Besluit 2009/C 237/06 (PB C 237 van 2.10.2009, blz. 9).

(7)  Bedrijfsgeheim.

(8)  Zie Besluit C(2005) 1166 definitief, overwegingen 65-72.

(9)  PB C 257 van 27.10.2009, blz. 1.

(10)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.

(11)  Arrest van het Hof van Justitie van 24 juli 2003, zaak C-280/00, Altmark Trans, Jurispr. 2003, blz. I-7747, punten 88-93.

(12)  PB L 318 van 17.11.2006, blz. 17.

(13)  Zie besluit tot inleiding van de procedure, punten 68-75.

(14)  Zie Besluit C(2005) 1166 definitief, overwegingen 65-72.

(15)  Arrest van 11 maart 2009 in zaak T-354/05, TF1/Commissie, Jurispr. 2009, blz. II-00471, punten 205-209.

(16)  Zie in dit verband het arrest van 1 juli 2010 in gevoegde zaken T-568/08 en T-573/08, M6 en TF1/Commissie, met name punt 115 e.v. (nog niet gepubliceerd).

(17)  Brief van de bestuursvoorzitters van TF1, M6, Canal +, Next Radio TV, NRJ, RTL en Locales TV aan de president van de Franse Republiek van 21 juni 2010, op 24 juni 2010 gepubliceerd op: http://www.latribune.fr/technos-medias/publicite/20100623trib0a00523461/france-televisions-les-medias-prives-insistent-pour-mettre-fin-a-la-publicite-.html.

(18)  Arrest van 22 december 2008, Jurispr. 1999, blz. I-10807. Zie ook arrest van 15 juni 2006, Air Liquide Industries Belgium, C-393/04 en C 41/05, Jurispr. 2006, blz. I-5293, punt 46.

(19)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/63


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 1 maart 2011

tot wijziging van Beschikking 2007/76/EG ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming wat wederzijdse bijstand betreft

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1165)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/141/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming („verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming”) (1), en met name artikel 6, lid 4, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 7, artikel 9, lid 4, artikel 10, lid 3, artikel 12, lid 6, artikel 13, lid 5, en artikel 15, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2006 heeft de Commissie Beschikking 2007/76/EG ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming wat wederzijdse bijstand betreft (2) vastgesteld.

(2)

Bij Beschikking 2008/282/EG van de Commissie (3) is Beschikking 2007/76/EG gewijzigd om de beginselen voor de kennisgeving van handhavingsmaatregelen, de informatie die na een waarschuwingskennisgeving in kennisgevingen moet worden verstrekt, alsmede de coördinatie van het markttoezicht en de handhavingsactiviteiten vast te stellen.

(3)

De voorschriften van Beschikking 2007/76/EG met betrekking tot de verwijdering van informatie uit de in artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2006/2004 bedoelde databank en met betrekking tot de periodieke kennisgevingen moeten op basis van de opgedane ervaring met het netwerk voor samenwerking op handhavingsgebied worden herzien.

(4)

Het is tevens wenselijk de regels betreffende de verplichtingen van de als coördinator optredende bevoegde autoriteit, de deelname aan gecoördineerde handhavingsactiviteiten en de in het kader van dergelijke activiteiten minimaal te verstrekken informatie, te verduidelijken.

(5)

Beschikking 2007/76/EG (4) moet in overeenstemming worden gebracht met advies nr. 6/2007 van de bij artikel 29 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad ingestelde Groep voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens (5) en het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) (6).

(6)

Beschikking 2007/76/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2006/2004 opgerichte comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Beschikking 2007/76/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1.

(2)  PB L 32 van 6.2.2007, blz. 192.

(3)  PB L 89 van 1.4.2008, blz. 26.

(4)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(5)  Advies nr. 6/2007 over de gegevensbeschermingsaspecten van het systeem voor samenwerking op het gebied van de consumentenbescherming (CPCS) 01910/2007/NL, WP 139, aangenomen op 21 september 2007.

(6)  Advies van de EDPS, ref. 2010-0692.


BIJLAGE

De bijlage bij Beschikking 2007/76/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Punt 2.1.3 komt als volgt te luiden:

„2.1.3

Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, brengt de aangezochte instantie uiterlijk binnen veertien dagen nadat het verzoek via het verbindingsbureau is ontvangen een antwoord uit waarin alle beschikbare informatie en de genomen of geplande onderzoeks- en handhavingsmaatregelen (m.i.v. de termijnen) zijn opgenomen. De aangezochte instantie stelt de verzoekende instantie op gezette tijden, maar ten minste om de drie maanden, van deze maatregelen op de hoogte totdat:

a)

relevante informatie naar de verzoekende instantie is gestuurd aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of er een intracommunautaire inbreuk heeft plaatsgehad dan wel of er een redelijk vermoeden bestaat dat een dergelijke inbreuk kan plaatshebben, of

b)

de intracommunautaire inbreuk is beëindigd dan wel het verzoek ongegrond is gebleken.”.

2)

Aan punt 2.1.5 worden de volgende alinea’s toegevoegd:

„Zodra een bevoegde autoriteit ontdekt dat een verzoek om wederzijdse bijstand overeenkomstig de artikelen 6, 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 2006/2004 onjuiste gegevens bevat die niet op een andere manier gecorrigeerd kunnen worden, verzoekt zij de Commissie om de informatie zo snel als technisch mogelijk, en in ieder geval binnen zeven dagen na het verzoek tot verwijdering, uit de databank te verwijderen.

Alle overige informatie met betrekking tot verzoeken om wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2006/2004 wordt vijf jaar na afsluiting van de zaak uit de databank verwijderd.”.

3)

Aan punt 2.2.2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Gegronde waarschuwingen worden vijf jaar nadat zij zijn uitgebracht uit de databank verwijderd.”.

4)

De titel van hoofdstuk 4 komt als volgt te luiden:

„4.   HOOFDSTUK 4 — TOEGANG TOT UITGEWISSELDE INFORMATIE EN GEGEVENSBESCHERMING”.

5)

De volgende punten 4.3 en 4.4 worden ingevoegd:

„4.3.   Toegang van de Commissie tot de gegevens

De toegang van de Commissie tot de gegevens reikt niet verder dan krachtens Verordening (EG) nr. 2006/2004 is voorgeschreven. Dit omvat de toegang tot waarschuwingen overeenkomstig artikel 7, lid 1, kennisgevingen overeenkomstig artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 6, en informatie met betrekking tot de coördinatie van het markttoezicht en de handhavingsactiviteiten overeenkomstig artikel 9 en tot voorwaarden overeenkomstig artikel 15, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2006/2004.

4.4.   Gevoelige gegevens

De verwerking door bevoegde autoriteiten van persoonsgegevens die betrekking hebben op ras, etniciteit, politieke opvattingen, religie, lidmaatschap van een vakvereniging, gezondheid of het seksuele leven is verboden, tenzij het niet mogelijk is op andere wijze aan de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2006/2004 te voldoen en de verwerking van dergelijke gegevens krachtens Richtlijn 95/46/EG is toegestaan.

Het gebruik door bevoegde autoriteiten van persoonsgegevens die betrekking hebben op strafbare feiten, verdenkingen en veiligheidsmaatregelen blijft beperkt tot de specifieke doeleinden van wederzijdse bijstand, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 2006/2004.”.

6)

Hoofdstuk 6 komt als volgt te luiden:

„6.   HOOFDSTUK 6 — COÖRDINATIE VAN HET MARKTTOEZICHT EN DE HANDHAVINGSACTIVITEITEN

6.1.   Bij de toepassing van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2006/2004 kunnen de instanties die zijn overeengekomen hun handhavingsactiviteiten te coördineren, alle maatregelen vaststellen die nodig zijn voor een goede coördinatie, en zij voeren deze naar beste vermogen uit.

6.2.   Een bevoegde autoriteit kan, na overleg met de uitnodigende instantie, weigeren gehoor te geven aan een uitnodiging tot deelname aan gecoördineerde handhavingsactiviteiten, indien:

a)

er met betrekking tot dezelfde intracommunautaire inbreuken en tegen dezelfde verkopers of leveranciers al gerechtelijke procedures zijn ingeleid voor de gerechtelijke autoriteiten in de lidstaat van de aangezochte of de verzoekende instantie of indien die gerechtelijke autoriteiten al een definitieve uitspraak hebben gedaan;

b)

zij op basis van het nodige onderzoek van mening is dat zij niet bij de intracommunautaire inbreuk betrokken is.

Een bevoegde autoriteit die besluit een uitnodiging tot deelname aan gecoördineerde handhavingsactiviteiten te weigeren, moet dit besluit met redenen omkleden.

Dit punt laat de toepassing van de artikelen 6 en 8 van Verordening (EG) nr. 2006/2004 onverlet.

6.3.   Om te voldoen aan hun verplichting uit hoofde van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2006/2004, kunnen de betrokken bevoegde autoriteiten besluiten dat een van hen de handhavingsactie zal coördineren. Rekening houdend met de specifieke aspecten van ieder geval, duiden de bevoegde autoriteiten in beginsel als coördinatieautoriteit de autoriteit aan van de plaats waar de handelaar gevestigd is of zijn voornaamste activiteitencentrum heeft, of waar zich het grootste aantal getroffen consumenten bevindt.

6.4.   De Commissie zal een faciliterende rol spelen bij de coördinatie van activiteiten uit hoofde van artikel 9, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 2006/2004 indien zij daartoe wordt uitgenodigd.

6.5.   De overeenkomstig punt 6.3 als coördinatieautoriteit aangeduide bevoegde autoriteit is ten minste verantwoordelijk voor:

a)

het op passende wijze beheren van de communicatie tussen de instanties die aan de gecoördineerde activiteiten deelnemen;

b)

in voorkomend geval, het opstellen van een beknopt verslag na afronding van de gecoördineerde activiteit;

c)

het zo snel als technische mogelijk afsluiten van de gecoördineerde handhavingsactiviteit in de databank, in ieder geval binnen zeven dagen nadat het laatste verzoek om wederzijdse bijstand, afgegeven tussen twee aan gecoördineerde handhavingsactiviteiten deelnemende bevoegde autoriteiten, door de verzoekende instantie in kwestie is afgesloten.

De verplichtingen van de coördinatieautoriteit hebben geen invloed op de voorschriften voor de te verstrekken informatie die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en de daarbij behorende uitvoeringsbepalingen voor de overige deelnemende bevoegde autoriteiten gelden.

6.6.   In aanvulling op de uit hoofde van de artikelen 6, 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 2006/2004 voor wederzijdse bijstand te verstrekken informatie, verstrekt een bevoegde autoriteit die ertoe besluit andere instanties uit te nodigen tot coördinatie van de handhavingsactiviteiten ten minste de volgende informatie:

a)

de gegevens van de bevoegde autoriteit die uitnodigt tot coördinatie van de handhavingsactiviteiten;

b)

de naam van de verkoper of leverancier;

c)

de naam van het product of de dienst;

d)

de classificatiecode;

e)

het betrokken advertentie- of verkoopmedium;

f)

de rechtsgrond;

g)

een korte samenvatting van de inbreuk;

h)

een samenvatting van de doelstellingen van de gecoördineerde activiteiten.”.


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/66


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

tot wijziging van Beschikking 97/80/EG houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 96/16/EG van de Raad betreffende statistische enquêtes inzake melk en zuivelproducten

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/142/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 96/16/EG van de Raad van 19 maart 1996 betreffende statistische enquêtes inzake melk en zuivelproducten (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ervaring met de toepassing van Beschikking 97/80/EG van de Commissie van 18 december 1996 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 96/16/EG betreffende statistische enquêtes inzake melk en zuivelproducten (2) heeft geleerd dat het noodzakelijk is een gedetailleerdere indeling van de grootste zuivelondernemingen in te voeren.

(2)

Beschikking 97/80/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de landbouwstatistiek,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Beschikking 97/80/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 78 van 28.3.1996, blz. 27.

(2)  PB L 24 van 25.1.1997, blz. 26.


BIJLAGE

In bijlage II bij Beschikking 97/80/EG worden de tabellen D, E, F, G.1, G.2, G.3, G.4 en G.5 vervangen door:

„TABEL D

Verdeling van de ondernemingen  (1) naar jaarlijks opgehaalde hoeveelheid melk

Land …

Stand per 31 december …

Opgehaalde hoeveelheid in t/jaar

Aantal ondernemingen

Opgehaalde hoeveelheid

(1 000 t)

5 000 en minder

5 001 tot 20 000

20 001 tot 50 000

50 001 tot 100 000

100 001 tot 300 000

300 001 tot 400 000

400 001 tot 500 000

500 001 tot 750 000

750 001 tot 1 000 000

meer dan 1 000 000

Totaal


TABEL E

Verdeling van de ophaalcentra  (2) naar jaarlijks opgehaalde hoeveelheid melk

Land …

Stand per 31 december …

Opgehaalde hoeveelheid in t/jaar

Aantal

Opgehaalde hoeveelheid

(1 000 t)

1 000 en minder

1 001 tot 5 000

5 001 tot 20 000

20 001 tot 50 000

50 001 tot 100 000

meer dan 100 000

Totaal


TABEL F

Verdeling van de ondernemingen  (3) naar behandelde hoeveelheid melk

Land …

Stand per 31 december …

Behandelde hoeveelheid in t/jaar

Aantal ondernemingen

Hoeveelheid

(1 000 t)

5 000 en minder

5 001 tot 20 000

20 001 tot 50 000

50 001 tot 100 000

100 001 tot 300 000

300 001 tot 400 000

400 001 tot 500 000

500 001 tot 750 000

750 001 tot 1 000 000

meer dan 1 000 000

Totaal


TABEL G.1

Verdeling van de ondernemingen  (4) naar omvang van de jaarlijkse productie van enkele groepen zuivelproducten

Land …

Stand per 31 december …

Groepen producten: VERSE PRODUCTEN (1)

Verkregen producten in t/jaar

Aantal ondernemingen

Jaarlijkse productie

(1 000 t)

1 000 en minder

1 001 tot 10 000

10 001 tot 30 000

30 001 tot 50 000

50 001 tot 100 000

100 001 tot 150 000

150 001 tot 200 000

200 001 tot 250 000

meer dan 250 000

Totaal


TABEL G.2

Verdeling van de ondernemingen  (5) naar omvang van de jaarlijkse productie van enkele groepen zuivelproducten

Land …

Stand per 31 december …

Groepen producten: CONSUMPTIEMELK (11)

Verkregen producten in t/jaar

Aantal ondernemingen

Jaarlijkse productie

(1 000 t)

1 000 en minder

1 001 tot 10 000

10 001 tot 30 000

30 001 tot 100 000

100 001 tot 150 000

150 001 tot 200 000

200 001 tot 250 000

meer dan 250 000

Totaal


TABEL G.3

Verdeling van de ondernemingen  (6) naar omvang van de jaarlijkse productie van enkele groepen zuivelproducten

Land …

Stand per 31 december …

Groepen producten: ZUIVELPRODUCTEN IN POEDERVORM (22)

Verkregen producten in t/jaar

Aantal ondernemingen

Jaarlijkse productie

(1 000 t)

1 000 en minder

1 001 tot 5 000

5 001 tot 20 000

20 001 tot 25 000

meer dan 25 000

Totaal


TABEL G.4

Verdeling van de ondernemingen  (7) naar omvang van de jaarlijkse productie van enkele groepen zuivelproducten

Land …

Stand per 31 december …

Groepen producten: BOTER (23)

Verkregen producten in t/jaar

Aantal ondernemingen

Jaarlijkse productie

(1 000 t)

100 en minder

101 tot 1 000

1 001 tot 5 000

5 001 tot 10 000

10 001 tot 15 000

15 001 tot 20 000

20 001 tot 25 000

meer dan 25 000

Totaal


TABEL G.5

Verdeling van de ondernemingen  (8) naar omvang van de jaarlijkse productie van enkele groepen zuivelproducten

Land …

Stand per 31 december …

Groepen producten: KAAS (alle soorten) (24)

Verkregen producten in t/jaar

Aantal ondernemingen

Jaarlijkse productie

(1 000 t)

100 en minder

101 tot 1 000

1 001 tot 4 000

4 001 tot 10 000

10 001 tot 15 000

15 001 tot 20 000

20 001 tot 25 000

meer dan 25 000

Totaal


(1)  Als bedoeld in artikel 2, eerste alinea, punt 1, van Richtlijn 96/16/EG

(2)  Als bedoeld in artikel 2, eerste alinea, punt 1, van Richtlijn 96/16/EG

(3)  Als bedoeld in artikel 2, eerste alinea, punt 1, van Richtlijn 96/16/EG

(4)  Als bedoeld in artikel 2, eerste alinea, punt 1, van Richtlijn 96/16/EG

(5)  Als bedoeld in artikel 2, eerste alinea, punt 1, van Richtlijn 96/16/EG

(6)  Als bedoeld in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 96/16/EG

(7)  Als bedoeld in artikel 2, eerste alinea, punt 1, van Richtlijn 96/16/EG

(8)  Als bedoeld in artikel 2, eerste alinea, punt 1, van Richtlijn 96/16/EG”


4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/71


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 3 maart 2011

betreffende de niet-opneming van ethoxyquine in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot wijziging van Beschikking 2008/941/EG van de Commissie

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1265)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/143/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 8, lid 2, vierde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 1112/2002 (2) en (EG) nr. 2229/2004 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde werkprogramma vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht voor eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Ethoxyquine was in die lijst opgenomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 24 sexies van Verordening (EG) nr. 2229/2004 heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpevaluatieverslag ingetrokken. Derhalve werd Beschikking 2008/941/EG van de Commissie van 8 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (4), goedgekeurd met betrekking tot de niet-opneming van ethoxyquine.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever (hierna de aanvrager genoemd) een nieuwe aanvraag ingediend voor toepassing van de versnelde procedure zoals vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(4)

De aanvraag is ingediend bij Duitsland, dat bij Verordening (EG) nr. 2229/2004 als rapporteur was aangewezen. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/941/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

Duitsland heeft de door de aanvrager verstrekte nadere gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Het heeft dat verslag op 16 oktober 2009 aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie toegezonden. De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de andere lidstaten en de aanvrager toegezonden en de naar aanleiding daarvan ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA haar conclusie over ethoxyquine op 20 augustus 2010 aan de Commissie overgelegd (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 28 januari 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor ethoxyquine.

(6)

Bij de evaluatie van deze werkzame stof is een aantal problemen vastgesteld. Het was met name niet mogelijk een betrouwbare evaluatie van de blootstelling van de consument, de toediener en de werknemer uit te voeren vanwege de beperkte toxicologische gegevens, die onvoldoende werden geacht om de aanvaardbare dagelijkse dosis (ADI), de acute referentiedosis (ARfD) en een aanvaardbaar niveau van blootstelling van de toediener (AOEL) vast te stellen. Daarnaast waren onvoldoende gegevens ingediend om een residudefinitie voor ethoxyquine en de metabolieten ervan vast te stellen. Verder ontbraken gegevens om een conclusie te trekken over de mogelijke genotoxische werking en de ecotoxiciteit van een onzuiverheid in de technische specificaties, die om redenen van vertrouwelijkheid onzuiverheid 7 wordt genoemd. Tot slot waren er onvoldoende gegevens beschikbaar om de risico’s voor het milieu en voor niet tot de doelsoorten behorende organismen te beoordelen. Derhalve kon op basis van de beschikbare informatie niet worden geconcludeerd dat ethoxyquine voldeed aan de criteria voor opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG.

(7)

De Commissie heeft de aanvrager verzocht zijn opmerkingen over de resultaten van de intercollegiale toetsing in te dienen. Bovendien heeft de Commissie de aanvrager overeenkomstig artikel 21, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 verzocht zijn opmerkingen over het ontwerpevaluatieverslag in te dienen. De aanvrager heeft zijn opmerkingen ingediend en deze zijn zorgvuldig onderzocht.

(8)

Ondanks de door de aanvrager aangevoerde argumenten blijven de hierboven vermelde problemen echter bestaan en de evaluaties op basis van de verstrekte en tijdens de vergaderingen van deskundigen van de EFSA beoordeelde gegevens hebben niet aangetoond dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die ethoxyquine bevatten, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden in het algemeen aan de eisen van artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG voldoen.

(9)

Ethoxyquine mag daarom niet in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG worden opgenomen.

(10)

Dit besluit laat overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG en hoofdstuk II van Verordening (EG) nr. 33/2008 de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor ethoxyquine in te dienen onverlet.

(11)

Duidelijkheidshalve moet in de bijlage bij Beschikking 2008/941/EG de regel betreffende ethoxyquine worden geschrapt.

(12)

Beschikking 2008/941/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Ethoxyquine wordt niet als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen.

Artikel 2

De lidstaten dragen er zorg voor dat:

a)

toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die ethoxyquine bevatten, uiterlijk op 3 september 2011 worden ingetrokken;

b)

met ingang van de datum van bekendmaking van dit besluit geen toelatingen voor ethoxyquine bevattende gewasbeschermingsmiddelen worden verleend of verlengd.

Artikel 3

Eventuele door de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Richtlijn 91/414/EEG toegestane termijnen lopen zo snel mogelijk en uiterlijk op 3 september 2012 af.

Artikel 4

In de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt de regel betreffende „ethoxyquine” geschrapt.

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 3 maart 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 168 van 27.6.2002, blz. 14.

(3)  PB L 379 van 24.12.2004, blz. 13.

(4)  PB L 335 van 13.12.2008, blz. 91.

(5)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance ethoxyquin. EFSA Journal 2010; 8(9):1710. (38 blz.). doi:10.2903/j.efsa.2010.1710. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu/efsajournal.htm.