ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2011.051.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 51

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
25 februari 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2011/126/EU

 

*

Besluit van de Raad van 21 februari 2011 inzake de ondertekening en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse Economische en Monetaire Unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 176/2011 van de Commissie van 24 februari 2011 inzake de informatie die moet worden verstrekt vóór de vaststelling en wijziging van een functioneel luchtruimblok ( 1 )

2

 

*

Verordening (EU) nr. 177/2011 van de Commissie van 24 februari 2011 houdende opschorting van de douanerechten bij invoer van bepaalde granen voor het verkoopseizoen 2010/2011

8

 

*

Verordening (EU) nr. 178/2011 van de Commissie van 24 februari 2011 tot 145e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban

10

 

 

Verordening (EU) nr. 179/2011 van de Commissie van 24 februari 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

12

 

 

Verordening (EU) nr. 180/2011 van de Commissie van 24 februari 2011 tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

14

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/14/EU van de Commissie van 24 februari 2011 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde profoxydim op te nemen als werkzame stof ( 1 )

16

 

 

BESLUITEN

 

 

2011/127/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 24 februari 2011 tot wijziging van Beschikking 2007/697/EG waarbij een door Ierland gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt toegestaan (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1032)

19

 

 

2011/128/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 24 februari 2011 tot wijziging van Beschikking 2007/863/EG tot verlening van een door het Verenigd Koninkrijk voor Noord-Ierland gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1033)

21

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) nr. 177/2010 van de Commissie van 2 maart 2010 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 52 van 3.3.2010)

23

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 februari 2011

inzake de ondertekening en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse Economische en Monetaire Unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten

(2011/126/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, juncto artikel 218, lid 6, onder a), en artikel 218, lid 8, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft de Commissie op 5 juni 2003 gemachtigd met derde landen te onderhandelen over de vervanging van sommige bepalingen in bestaande bilaterale overeenkomsten door een communautaire overeenkomst.

(2)

Overeenkomstig de mechanismen en richtsnoeren in de bijlage bij het besluit van de Raad waarbij de Commissie werd gemachtigd om met derde landen te onderhandelen over de vervanging van sommige bepalingen in bestaande bilaterale overeenkomsten door een communautaire overeenkomst, heeft de Commissie namens de Europese Gemeenschap met de West-Afrikaanse Economische en Monetaire Unie onderhandeld over een overeenkomst inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten.

(3)

Onder voorbehoud van eventuele sluiting op een later tijdstip is deze overeenkomst op 30 november 2009 namens de Gemeenschap ondertekend overeenkomstig Besluit 2010/144/EG van de Raad (1).

(4)

Door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is de Europese Unie in de plaats getreden van de Europese Gemeenschap, waarvan zij de opvolgster is.

(5)

Deze overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de West-Afrikaanse Economische en Monetaire Unie inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten („de overeenkomst”) wordt namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 9, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving en doet de volgende kennisgeving:

„Door de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is de Europese Unie in de plaats getreden van de Europese Gemeenschap, die door de Europese Unie is opgevolgd. Vanaf die datum oefent de Europese Unie alle rechten van de Europese Gemeenschap uit en treedt zij in alle verplichtingen van de Europese Gemeenschap. Derhalve dienen alle verwijzingen in de tekst van de overeenkomst naar „de Europese Gemeenschap” in voorkomend geval gelezen te worden als „de Europese Unie”.”

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

MARTONYI J.


(1)  PB L 56 van 6.3.2010, blz. 15.


VERORDENINGEN

25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/2


VERORDENING (EU) Nr. 176/2011 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2011

inzake de informatie die moet worden verstrekt vóór de vaststelling en wijziging van een functioneel luchtruimblok

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim (de luchtvaartnavigatiedienstenverordening) (1), en met name artikel 9 bis, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De functionele luchtruimblokken zijn van cruciaal belang om de samenwerking tussen lidstaten te vergroten, teneinde de prestaties te verbeteren en synergieën tot stand te brengen. Daartoe en om de interface tussen de functionele luchtruimblokken in het gemeenschappelijke Europese luchtruim te optimaliseren, dienen de betrokken lidstaten met elkaar en, indien van toepassing, met derde landen samen te werken.

(2)

Bij het vaststellen van een functioneel luchtruimblok moeten de lidstaten voldoen aan de voorschriften van artikel 9 bis van Verordening (EG) nr. 550/2004.

(3)

Lidstaten die een functioneel luchtruimblok vaststellen, moeten informatie verstrekken aan de Commissie, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), de andere lidstaten en andere belanghebbende partijen en hen de kans geven opmerkingen te maken. De lidstaten hoeven echter geen gerubriceerde informatie, bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke informatie te verstrekken.

(4)

De informatie die in het kader van deze verordening moet worden verstrekt, moet beantwoorden aan de doelstellingen van de functionele luchtruimblokken en de lidstaten helpen bij het streven naar samenhang met andere maatregelen van het gemeenschappelijk Europees luchtruim.

(5)

Om de informatieverstrekking en gedachtewisseling te vergemakkelijken, moet duidelijk worden uiteengezet welke aan de lidstaten, de Commissie, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart en andere belanghebbenden partijen te verstrekken informatie als „passend” wordt beschouwd, en moeten de procedures voor deze informatie-uitwisseling worden vastgesteld.

(6)

De betrokken lidstaten moeten met name samen één set informatie en bewijsstukken per functioneel luchtruimblok verstrekken.

(7)

De vaststelling van een functioneel luchtruimblok dient te worden beschouwd als het juridische proces op grond waarvan lidstaten de samenwerking tussen hun respectieve luchtruimblokken moeten verbeteren. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om uiterlijk op 4 december 2012 aan dit vereiste te voldoen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 550/2004.

(8)

De vaststelling van de wijziging van een functioneel luchtruimblok dient voor alle lidstaten op basis van dezelfde criteria te gebeuren en moet worden beperkt tot wijzigingen die aanzienlijke gevolgen hebben voor het functioneel luchtruimblok en/of de aangrenzende functionele luchtruimblokken of lidstaten.

(9)

Overeenkomstig artikel 13 bis van Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad (2) zorgen de lidstaten en de Commissie voor passende coördinatie met het EASA, teneinde te garanderen dat alle veiligheidsaspecten bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim goed worden geregeld.

(10)

Overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004 heeft deze verordening geen gevolgen voor het veiligheids- of defensiebeleid van de lidstaten, noch voor de vertrouwelijkheidskwesties die daarmee verband houden.

(11)

Overeenkomstig artikel 83 van het Verdrag van Chicago moeten lidstaten die een functioneel luchtruimblok vaststellen de overeenkomsten of regelingen voor het functioneel luchtruimblok en eventuele latere wijzigingen daarvan bij de ICAO registreren.

(12)

De vaststelling van functionele luchtruimblokken die gevolgen hebben voor de grenzen van ICAO-vluchtinformatiegebieden of voor de faciliteiten of diensten die binnen die grenzen worden verleend, blijven onderworpen aan de ICAO-planning voor luchtvaartnavigatie en aan de procedure voor het wijzigen van ICAO-luchtvaartnavigatieplannen.

(13)

Bij het vaststellen van een functioneel luchtruimblok moeten de lidstaten hun veiligheidsverantwoordelijkheden effectief vervullen. Ze moeten aantonen en garanderen dat het functioneel luchtruimblok veilig zal worden opgericht en beheerd en moeten de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten in kennis stellen van de onderdelen van het veiligheidsbeheer die verband houden met de vaststelling van het functioneel luchtruimblok, waarbij ze bijzondere aandacht moeten besteden aan hun respectieve rollen en verantwoordelijkheden op veiligheidsgebied.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Single Sky Comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp en toepassingsgebied

In deze verordening worden de eisen vastgesteld met betrekking tot:

1.

de informatie die de betrokken lidstaten aan de Commissie, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), de andere lidstaten en de belanghebbende partijen moeten verstrekken alvorens een functioneel luchtruimblok vast te stellen of te wijzigen;

2.

de procedures voor het verstrekken van de informatie en de opmerkingen van de onder 1 bedoelde partijen, alvorens de kennisgeving van het functioneel luchtruimblok aan de Commissie wordt gedaan.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 549/2004.

Daarnaast gelden de volgende definities:

1.   onder „betrokken lidstaten” wordt verstaan: de lidstaten die met elkaar zijn overeengekomen om een functioneel luchtruimblok op te richten krachtens Verordening (EG) nr. 550/2004;

2.   onder „belanghebbende partijen” wordt verstaan: de derde landen die grenzen aan een functioneel luchtruimblok, relevante luchtruimgebruikers of groepen van luchtruimgebruikers en organen die het personeel vertegenwoordigen, alsook verleners van luchtvaartnavigatiediensten die grenzen aan die in het functioneel luchtruimblok.

Artikel 3

Bewijs van naleving

De betrokken lidstaten verstrekken samen de in de bijlage bij deze verordening uiteengezette informatie om aan te tonen dat ze voldoen aan de eisen van artikel 9 bis van Verordening (EG) nr. 550/2004.

Artikel 4

Procedure voor het uitwisselen van informatie voor nieuwe functionele luchtruimblokken

1.   De betrokken lidstaten moeten de in de bijlage uiteengezette informatie uiterlijk op 24 juni 2012 aan de Commissie verstrekken. Uiterlijk één week na ontvangst van de informatie legt de Commissie ze voor aan het EASA, de andere lidstaten en de belanghebbende partijen, zodat deze opmerkingen kunnen maken.

2.   Deze opmerkingen moeten uiterlijk twee maanden na ontvangst van de informatie bij de Commissie worden ingediend. De Commissie deelt de ontvangen opmerkingen en haar eigen opmerkingen onmiddellijk mee aan de betrokken lidstaten.

3.   De betrokken lidstaten nemen de opmerkingen in overweging alvorens hun functioneel luchtruimblok vast te stellen.

Artikel 5

Wijziging van een vastgesteld functioneel luchtruimblok

1.   Met het oog op de toepassing van deze verordening wordt een vastgesteld functioneel luchtruimblok als gewijzigd beschouwd als een voorgestelde wijziging leidt tot wijzigingen van de vastgestelde afmetingen van het functioneel luchtruimblok.

2.   Minstens zes maanden vóór een wijziging wordt doorgevoerd, stellen de betrokken lidstaten samen de Commissie in kennis van de voorgenomen wijzigingen en verstrekken zij informatie ter ondersteuning van die wijzigingen, waarbij zij — indien nodig — de informatie die verstrekt is voor de vaststelling van het functioneel luchtruimblok actualiseren. Uiterlijk één week na ontvangst van de informatie legt de Commissie ze voor aan het EASA, de andere lidstaten en de belanghebbende partijen, zodat deze opmerkingen kunnen maken.

3.   Deze opmerkingen moeten uiterlijk twee maanden na ontvangst van de informatie bij de Commissie worden ingediend. De Commissie deelt de ontvangen opmerkingen en haar eigen opmerkingen onmiddellijk mee aan de betrokken lidstaten.

4.   De betrokken lidstaten nemen de opmerkingen in overweging alvorens hun functioneel luchtruimblok te wijzigen.

Artikel 6

Reeds vastgestelde functionele luchtruimblokken

De betrokken lidstaten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening al een functioneel luchtruimblok hebben vastgesteld, zien erop toe dat de in de bijlage uiteengezette vereiste informatie uiterlijk op 24 juni 2012 bij de Commissie wordt ingediend, voor zover deze niet reeds is ingediend in het kader van hun kennisgeving.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 10.

(2)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.


BIJLAGE

TE VERSTREKKEN INFORMATIE

DEEL I

Algemene informatie

1.

De betrokken lidstaten moeten de volgende informatie verstrekken:

a)

de contactpersoon voor het functioneel luchtruimblok;

b)

de vastgestelde afmetingen van het functioneel luchtruimblok;

c)

de gezamenlijk aangewezen verleners van luchtverkeersdiensten en meteorologische diensten, voor zover van toepassing, en hun respectieve bevoegdheidsdomeinen;

d)

de verleners van luchtverkeersdiensten die diensten verlenen zonder certificaat, overeenkomstig artikel 7, lid 5, van Verordening (EG) nr. 550/2004, en hun respectieve bevoegdheidsdomeinen.

2.

De betrokken lidstaten verstrekken de volgende informatie over de regelingen voor de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok:

a)

kopieën van de documenten waaruit blijkt dat de betrokken lidstaten zijn overeengekomen het functioneel luchtruimblok vast te stellen;

b)

informatie over de regelingen tussen de nationale toezichthoudende autoriteiten in het functioneel luchtruimblok;

c)

informatie over de regelingen tussen de verleners van luchtverkeersdiensten in het functioneel luchtruimblok;

d)

informatie over regelingen tussen bevoegde civiele en militaire autoriteiten met betrekking tot hun betrokkenheid bij de structuren voor het beheer van het functioneel luchtruimblok.

3.

De betrokken lidstaten mogen verwijzen naar informatie die zij reeds aan de Commissie hebben verstrekt in het kader van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim.

DEEL II

Eisen van artikel 9 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 550/2004

De betrokken lidstaten moeten informatie verstrekken, inclusief ondersteunende documenten, over de eisen van artikel 9 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 550/2004.

1.   Veiligheid in het functioneel luchtruimblok

De volgende informatie moet worden verstrekt met betrekking tot de veiligheid in het functioneel luchtruimblok:

a)

het gemeenschappelijk veiligheidsbeleid of de plannen om een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid vast te stellen;

b)

een beschrijving van de regelingen voor onderzoek naar ongevallen en incidenten en de plannen voor het verzamelen, analyseren en uitwisselen van informatie;

c)

een beschrijving van de manier waarop de veiligheid wordt beheerd, teneinde te voorkomen dat de veiligheid in het functioneel luchtruimblok erop achteruit gaat;

d)

een beschrijving van de regelingen voor de vaststelling en toewijzing van de verantwoordelijkheden en interfaces met betrekking tot het vaststellen van veiligheiddoelen, veiligheidstoezicht en de begeleidende handhavingsmaatregelen in verband met het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten in het functioneel luchtruimblok;

e)

documentatie en/of verklaringen dat de veiligheidsbeoordeling, inclusief gevarenidentificatie, risicobeoordeling en mitigatie, is uitgevoerd alvorens operationele wijzigingen door te voeren die voortvloeien uit de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok.

2.   Optimaal gebruik van het luchtruim, rekening houdende met luchtverkeersstromen

De betrokken lidstaten moeten de volgende informatie verstrekken aan de Commissie:

a)

een beschrijving van de betrekkingen met de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/20042004 van het Europees Parlement en de Raad (1) bedoelde relevante netwerkfuncties voor het beheer van het luchtverkeer en de luchtverkeerstromen, inclusief de coördinatie, regelingen en procedures die het mogelijk maken het luchtruim optimaal te benutten;

b)

met betrekking tot het beheer van het luchtverkeer in het functioneel luchtruimblok dat niet onder de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004 bedoelde netwerkfuncties valt, moet de volgende informatie worden verstrekt:

de regelingen voor geïntegreerd beheer van het luchtruim;

de bepalingen voor het delen van gegevens inzake het beheer van het luchtruim;

de regelingen voor effectieve coöperatieve besluitvorming;

c)

met betrekking tot realtime-coördinatie in het functionele luchtruimblok:

een beschrijving van de manier waarop grensoverschrijdende activiteiten worden beheerd wanneer de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok leidt tot de creatie van nieuwe gebieden.

3.   Samenhang met het Europese routenetwerk

De betrokken lidstaten moeten informatie verstrekken waaruit blijkt dat het routeontwerp en de tenuitvoerlegging van het functioneel luchtruimblok samenhangend zijn met de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004 vastgestelde procedure voor algemene coördinatie, ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het Europese routenetwerk, en voltooid zijn op basis van deze procedure.

De betrokken lidstaten mogen verwijzen naar informatie die zij reeds aan de Commissie hebben verstrekt in het kader van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim.

4.   Totale toegevoegde waarde, op basis van kosten-batenanalyses

De betrokken lidstaten moeten verklaringen afleggen waaruit blijkt dat:

a)

de kosten-batenanalyse is uitgevoerd volgens de standaardnormen in de sector, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van contantewaardeberekeningen;

b)

de kosten-batenanalyse een geconsolideerd beeld geeft van het effect van de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok op de civiele en militaire luchtruimgebruikers;

c)

de kosten-batenanalyse aantoont dat de totale financiële resultaten (netto contante waarde en/of intern rendement) van de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok positief zijn;

d)

het functioneel luchtruimblok bijdraagt tot een vermindering van het effect van de luchtvaart op het milieu;

e)

de waarden voor kosten en baten, de bronnen waarop deze waarden gebaseerd zijn en de aannemingen voor het opstellen van de kosten-batenanalyse gedocumenteerd zijn;

f)

de belangrijkste belanghebbenden zijn geraadpleegd en feedback hebben gegeven over de geraamde kosten en baten voor hun eigen activiteiten.

5.   Zorgen voor vlotte en flexibele overdracht van verantwoordelijkheden voor luchtverkeersleiding tussen eenheden die luchtverkeersdiensten verlenen

De betrokken lidstaten moeten informatie verstrekken waaruit blijkt dat de overdracht van verantwoordelijkheden voor luchtverkeersleiding vlot en flexibel gebeurt in het functioneel luchtruimblok. Dit omvat de volgende informatie over de wijzigingen ten gevolge van de vaststelling of wijziging van het functioneel luchtruimblok:

a)

een beschrijving van de regelingen voor grensoverschrijdende verlening van luchtverkeersdiensten;

b)

de regelingen die zijn gesloten om de coördinatieprocedures tussen de betrokken verleners van luchtverkeersdiensten in het functioneel luchtruimblok te verbeteren, en geplande initiatieven ter verbetering van de coördinatie;

c)

een beschrijving van de regelingen die zijn gesloten om de coördinatieprocedures tussen de betrokken civiele en militaire verleners van luchtverkeersdiensten te verbeteren en geplande initiatieven ter verbetering van de coördinatie, die in de lijn liggen van het concept van flexibel gebruik van het luchtruim;

d)

een beschrijving van de regelingen die zijn gesloten om de coördinatieprocedures met de betrokken aangrenzende verleners van luchtverkeersdiensten te verbeteren, en geplande initiatieven ter verbetering van de coördinatie.

6.   De verenigbaarheid tussen de verschillende luchtruimconfiguraties garanderen door onder andere de bestaande vluchtinformatiegebieden te optimaliseren

De betrokken lidstaten moeten informatie verstrekken over de beschikbare plannen om de organisatie en classificatie van verschillende luchtruimconfiguraties in het functioneel luchtruimblok te harmoniseren. Deze plannen omvatten:

a)

de beginselen voor de classificatie en organisatie van het luchtruim in het functioneel luchtruimblok;

b)

de wijzigingen van de luchtruimconfiguratie die voortvloeien uit de harmonisering in het functioneel luchtruimblok.

7.   Regionale overeenkomsten met de ICAO

De betrokken lidstaten verstrekken de lijst van bestaande regionale overeenkomsten die in overeenstemming met het bij bijlage 11 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart vastgestelde kader zijn gesloten en die relevant zijn voor de vaststelling en werking van het functioneel luchtruimblok.

8.   Bestaande regionale overeenkomsten

De betrokken lidstaten verstrekken een lijst van de bestaande overeenkomsten die door een of meer betrokken lidstaten zijn gesloten, inclusief met derde landen, en die relevant zijn voor de vaststelling en werking van het functioneel luchtruimblok.

9.   Prestatiedoelstellingen voor de hele Europese Unie

9.1.

De betrokken lidstaten verstrekken informatie over de regelingen die zijn gesloten om de samenhang met de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 549/2004 vastgestelde prestatiedoelstellingen voor de hele Europese Unie te vergemakkelijken.

9.2.

De betrokken lidstaten mogen verwijzen naar informatie die zij al aan de Commissie hebben verstrekt in het kader van de toepassing van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 691/2010 (2).


(1)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 20.

(2)  PB L 201 van 3.8.2010, blz. 1.


25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/8


VERORDENING (EU) Nr. 177/2011 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2011

houdende opschorting van de douanerechten bij invoer van bepaalde granen voor het verkoopseizoen 2010/2011

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 187 juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Sinds het begin van het verkoopseizoen 2010/2011 zijn de wereldmarktprijzen voor granen uitermate snel gestegen, sneller dan tijdens de vorige prijsexplosie in het verkoopseizoen 2007/2008. Ook de wereldmarktprijzen voor zachte tarwe zijn sinds juli 2010 met 65 % omhooggegaan. Sedertdien hebben de graanprijzen op de markt van de Unie dezelfde trend gevolgd. De prijs van zachte tarwe op de markt van de Unie steeg met meer dan 90 % en heeft zich gestabiliseerd op circa 280 EURO/ton. De prijzen van de andere granen op de markt van de Unie maakten dezelfde beweging; zo bedraagt de prijs van in Rouen afgeleverde gerst en in Bordeaux afgeleverde maïs meer dan 215 EURO/ton. De prijsontwikkeling op de wereldgraanmarkt is hoofdzakelijk toe te schrijven aan het feit dat de productie achterblijft op de vraag.

(2)

De prognoses over de wereldgraanmarkt voor het einde van het verkoopseizoen 2010/2011 doen vermoeden dat de hoge prijzen zullen aanhouden: de wereldvoorraden aan het einde van het verkoopseizoen 2010/2011 worden geraamd op 342 miljoen ton, wat een daling met 62 miljoen ton betekent tegenover aan het einde van het verkoopseizoen 2009/2010.

(3)

Het bij Verordening (EG) nr. 1067/2008 van de Commissie (2) geopende contingent voor de invoer tegen verlaagde rechten van zachte tarwe van gemiddelde en lage kwaliteit en het bij Verordening (EG) nr. 2305/2003 van de Commissie (3) geopende contingent voor de invoer tegen verlaagde rechten van veevoedergerst zijn in 2010 zeer weinig benut, respectievelijk voor 13 % en 5 %. Temeer daar de traditionele leveranciers van de Unie — Rusland en Oekraïne — uitvoerbeperkende maatregelen hebben genomen, wordt verwacht dat een dergelijke onderbenutting in 2011 zal voortduren.

(4)

Door de tot het einde van het verkoopseizoen 2010/2011 aanhoudend hoge wereldmarktprijzen en de verwachte onderbenutting van de contingenten voor de invoer tegen verlaagde rechten in 2011 riskeert de bevoorrading van de markt van de Unie in de laatste maanden van het verkoopseizoen 2010/2011 te worden verstoord. Tegen deze achtergrond lijkt het, ter wille van de instandhouding van de invoerstromen die bijdragen tot het evenwicht van de markt van de Unie, passend de douanerechten voor de respectievelijk bij de Verordeningen (EG) nr. 1067/2008 en (EG) nr. 2305/2003 geopende tariefcontingenten voor de invoer van zachte tarwe van gemiddelde en lage kwaliteit en van veevoedergerst, op te schorten tot het einde van het verkoopseizoen 2010/2011, d.w.z. tot 30 juni 2011.

(5)

Marktdeelnemers mogen evenwel niet worden benadeeld in gevallen waarin de granen reeds onderweg zijn om in de Unie te worden ingevoerd. Met het oog hierop moet rekening worden gehouden met de voor het vervoer vereiste tijd en moeten de marktdeelnemers de gelegenheid krijgen om alle producten waarvan het rechtstreekse vervoer naar de Unie uiterlijk op 30 juni 2011 is begonnen, in het vrije verkeer te brengen in het kader van de bij de onderhavige verordening vastgestelde regeling tot opschorting van de douanerechten. Verder moet worden bepaald welk bewijsstuk moet worden overgelegd om het vervoer, met de Unie als rechtstreekse bestemming, en de datum waarop dat vervoer is begonnen, aan te tonen.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De toepassing van douanerechten bij invoer op de producten van GN-code 1001 90 99 van een andere dan van hoge kwaliteit als gedefinieerd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 642/2010 van de Commissie (4) en van GN-code 1003 00, wordt in het verkoopseizoen 2010/2011 opgeschort voor alle invoer in het kader van de bij de Verordeningen (EG) nr. 1067/2008 en (EG) nr. 2305/2003 geopende tariefcontingenten voor de invoer tegen verlaagde rechten.

2.   Wanneer de in lid 1 bedoelde granen rechtstreeks naar de Unie worden vervoerd en dat vervoer uiterlijk op 30 juni 2011 begint, blijft de opschorting van de douanerechten op grond van de onderhavige verordening van toepassing voor het in het vrije verkeer brengen van de desbetreffende producten.

Als bewijs voor het rechtstreekse vervoer naar de Unie en voor de datum waarop dat vervoer is begonnen, geldt, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, het origineel van het vervoersdocument.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing tot en met 30 juni 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 290 van 31.10.2008, blz. 3.

(3)  PB L 342 van 30.12.2003, blz. 7.

(4)  PB L 187 van 21.7.2010, blz. 5.


25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/10


VERORDENING (EU) Nr. 178/2011 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2011

tot 145e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren.

(2)

Het Sanctiecomité van de VN-Veiligheidsraad heeft op 8 februari 2011 besloten twee natuurlijke personen toe te voegen aan de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen moeten worden bevroren.

(3)

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 dient derhalve dienovereenkomstig te worden bijgewerkt.

(4)

Ter wille van de effectiviteit van de maatregelen waarin zij voorziet, dient de verordening onmiddellijk in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Directeur, hoofd van de Dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid


(1)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt als volgt gewijzigd:

De volgende vermeldingen worden toegevoegd aan de lijst „Natuurlijke personen”:

a)

„Khalil Ahmed Haqqani (ook bekend als a) Khalil Al-Rahman Haqqani, b) Khalil ur Rahman Haqqani, c) Khaleel Haqqani). Titel: Haji. Adres: a) Peshawar, Pakistan; b) bij de Dergey Manday madrasa in de gemeente Dergey Manday, nabij Miram Shah, Noord-Waziristan, federaal bestuurde stamgebieden, Pakistan; c) gemeente Kayla nabij Miram Shah, Noord-Waziristan, federaal bestuurde stamgebieden, Pakistan; d) gemeente Sarana Zadran, provincie Paktia, Afghanistan. Geboortedatum: a) 1.1.1966, b) tussen 1958 en 1964. Nationaliteit: Afghaans. Overige informatie: a) eminent lid van het Haqqani-netwerk, dat opereert vanuit Noord-Waziristan in de federaal bestuurde stamgebieden van Pakistan; b) ondernam eerder bedelreizen naar Dubai, Verenigde Arabische Emiraten; c) broer van Jalaluddin Haqqani en oom van Sirajuddin Jallaloudine Haqqani. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 9.2.2011.”,

b)

„Said Jan ‘Abd Al-Salam (ook bekend als a) Sa’id Jan ‘Abd-al-Salam, b) Dilawar Khan Zain Khan, c) Qazi ‘Abdallah, d) Qazi Abdullah, e) Ibrahim Walid, f) Qasi Sa’id Jan, g) Said Jhan, h) Farhan Khan, i) Aziz Cairo, j) Nangiali). Geboortedatum: a) 5.2.1981, b) 1.1.1972. Nationaliteit: Afghaans. Paspoortnummer: a) OR801168 (Afghaans paspoort op naam van Said Jan ‘Abd al-Salam, afgegeven op 28.2.2006, vervalt op 27.2.2011), b) 4117921 (Pakistaans paspoort op naam van Dilawar Khan Zain Khan, afgegeven op 9.9.2008, vervalt op 9.9.2013). Nationaal identificatienummer: 281020505755 (Koeweits burgerlijk identificatienummer op naam van Said Jan ‘Abd al-Salam). Overige informatie: leidde rond 2005 een „basistrainingkamp” voor Al-Qa’ida in Pakistan. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 9.2.2011.”


25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/12


VERORDENING (EU) Nr. 179/2011 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 25 februari 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

122,2

MA

66,9

TN

115,9

TR

111,8

ZZ

104,2

0707 00 05

MK

140,7

TR

180,1

ZZ

160,4

0709 90 70

MA

42,6

TR

120,1

ZZ

81,4

0805 10 20

EG

57,8

IL

78,3

MA

55,5

TN

45,5

TR

62,1

ZZ

59,8

0805 20 10

IL

152,4

MA

100,8

US

107,8

ZZ

120,3

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

CN

70,2

EG

51,1

IL

130,4

JM

74,2

MA

107,1

PK

34,8

TR

68,3

ZZ

76,6

0805 50 10

EG

68,7

MA

57,3

TR

51,0

ZZ

59,0

0808 10 80

CA

91,7

CN

84,1

MK

50,2

US

140,1

ZZ

91,5

0808 20 50

AR

120,7

CL

125,8

CN

49,6

US

115,8

ZA

107,7

ZZ

103,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/14


VERORDENING (EU) Nr. 180/2011 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2011

tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2010/11 zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 867/2010 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 164/2011 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2010/11 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 867/2010 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 25 februari 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 259 van 1.10.2010, blz. 3.

(4)  PB L 47 van 22.2.2011, blz. 16.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 25 februari 2011

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

54,96

0,00

1701 11 90 (1)

54,96

0,00

1701 12 10 (1)

54,96

0,00

1701 12 90 (1)

54,96

0,00

1701 91 00 (2)

51,19

2,11

1701 99 10 (2)

51,19

0,00

1701 99 90 (2)

51,19

0,00

1702 90 95 (3)

0,51

0,21


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


RICHTLIJNEN

25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/16


RICHTLIJN 2011/14/EU VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2011

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde profoxydim op te nemen als werkzame stof

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Spanje heeft op 2 april 1998 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van BASF SE een aanvraag ontvangen tot opneming van de werkzame stof profoxydim in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 1999/43/EG van de Commissie (2) is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel voldoet aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG.

(2)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De als rapporteur aangewezen lidstaat heeft op 28 maart 2001 een ontwerpevaluatieverslag ingediend.

(3)

Het ontwerpevaluatieverslag over profoxydim is door de lidstaten en de Commissie bestudeerd in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. Het onderzoek is op 23 november 2010 afgesloten met het evaluatieverslag van de Commissie over profoxydim.

(4)

Uit de verschillende analyses is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die profoxydim bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Profoxydim moet derhalve in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen om ervoor te zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn.

(5)

Onverminderd de in Richtlijn 91/414/EEG vastgestelde verplichtingen als gevolg van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande voorlopige toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die profoxydim bevatten, opnieuw te bestuderen en om ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande voorlopige toelatingen in volwaardige toelatingen omzetten of de voorlopige toelatingen wijzigen of intrekken overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en de beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(6)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De lidstaten dienen uiterlijk 31 januari 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 februari 2012.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

1.   Zo nodig moeten de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die profoxydim als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 31 januari 2012 wijzigen of intrekken. Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot profoxydim is voldaan — met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof — en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten — op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende profoxydim in bijlage I bij die richtlijn — overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat profoxydim bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 juli 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als profoxydim de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating — zo nodig — uiterlijk op 31 januari 2013 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast profoxydim nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating — zo nodig — uiterlijk op 31 januari 2013 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op 1 augustus 2011.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 14 van 19.1.1999, blz. 30.


BIJLAGE

In bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt aan het einde van de tabel de volgende vermelding toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„330

Profoxydim

CAS-nr. 139001-49-3

CIPAC-nr. 621

2-[(1 E / Z)-[(2 R S)–2-(4–chloorfenoxy) propoxyimino] butyl]–3–hydroxy–5-[(3 R S; 3 S R)–tetrahydro–2 H–thiopyran–3–yl] cyclohex–2-enon

≥ 940 g/kg

1 augustus 2011

31 juli 2021

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide in rijst.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over profoxydim, dat op 28 januari 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht schenken aan:

de bescherming van het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt toegepast in qua bodemgesteldheid en/of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden;

het risico op lange termijn voor niet tot de doelsoorten behorende organismen.

De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van werkzame stoffen.


BESLUITEN

25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/19


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2011

tot wijziging van Beschikking 2007/697/EG waarbij een door Ierland gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt toegestaan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1032)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2011/127/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (1), en met name bijlage III, punt 2, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Wanneer een lidstaat voornemens is per hectare jaarlijks een andere hoeveelheid dierlijke mest op of in de bodem te brengen dan in bijlage III, punt 2, tweede alinea, eerste zin en onder a), van Richtlijn 91/676/EEG is bepaald, moet deze hoeveelheid zodanig worden vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het bereiken van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde doelstellingen, en moet deze hoeveelheid worden gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria, zoals, in het onderhavige geval, lange groeiperioden en gewassen met een hoge stikstofopname.

(2)

Op 22 oktober 2007 heeft de Commissie Beschikking 2007/697/EG waarbij een door Ierland gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt toegestaan (2) goedgekeurd, waardoor Ierland toestemming heeft gekregen om op landbouwbedrijven met ten minste 80 % grasland een maximaal 250 kg stikstof bevattende hoeveelheid uit dierlijke mest per hectare per jaar op of in de bodem te brengen.

(3)

De bij Beschikking 2007/697/EG verleende afwijking betrof ongeveer 5 000 landbouwbedrijven in Ierland, wat neerkomt op ongeveer 2,7 % van het totale aantal rundvee- en schapenhouderijen, 10 % van het totale aantal stuks graasvee en 4,2 % van het totale nettolandbouwoppervlak. Beschikking 2007/697/EG verstrijkt op 17 juli 2010.

(4)

Op 12 mei 2010 heeft Ierland bij de Commissie een verzoek om verlenging van de afwijking ingediend. Dat verzoek bevatte een motivatie op basis van de objectieve criteria als uiteengezet in bijlage III, punt 2, derde alinea, van Richtlijn 91/676/EEG.

(5)

Ierland heeft voor de periode van juli 2010 tot en met december 2013 een nieuw actieprogramma goedgekeurd dat van toepassing is op het hele grondgebied van Ierland en waarin de maatregelen van het actieprogramma voor de periode tot en met 30 juni 2010 grotendeels worden voortgezet.

(6)

Uit het vierde verslag over de uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG in Ierland over de periode 2004-2007 blijkt over het algemeen dat de waterkwaliteit stabiel is of verbetert. Op 2 % van de grondwatermonitoringlocaties was sprake van een gemiddelde nitraatconcentratie van meer dan 50 mg/l, en op 74 % van de locaties was sprake van waarden van minder dan 25 mg/l. Op 97 % van de rivierwatermonitoringlocaties was sprake van een gemiddelde nitraatconcentratie van minder dan 25 mg/l, en op geen enkele locatie bedroeg de waarde meer dan 50 mg/l. Van de meren is 93 % aangemerkt als oligotroof of mesotroof en 7 % als eutroof of hypertroof.

(7)

De veebestanden zijn in de periode 2004-2007 verder afgenomen, voor runderen met ongeveer 4 %, voor schapen met 19 %, voor varkens met 4 % en voor pluimvee met 7 % (3). Het jaarlijkse gebruik van organische stikstof uit dierlijke mest is met 5 % en dat van minerale stikstof met 17 % gedaald. Het totale landbouwareaal is met 3 % gedaald tot 4,28 miljoen hectare, en de oppervlakte grasland maakt nog steeds meer dan 90 % van het landbouwareaal uit.

(8)

Uit de wetenschappelijke informatie waarnaar wordt verwezen in het verzoek om verlenging van de afwijking, alsmede uit de maatregelen waartoe Ierland zich heeft verbonden in het actieprogramma voor de periode van juli 2010 tot en met december 2013, kan worden geconcludeerd dat dat land nog steeds voldoet aan de in Richtlijn 91/676/EEG vastgestelde voorwaarden voor de afwijking, zoals lange groeiperioden en gewassen met hoge stikstofopname, en dat de afwijking geen afbreuk doet aan het verwezenlijken van de doelstellingen van die richtlijn.

(9)

Om ervoor te zorgen dat de betrokken graslandbedrijven van een afwijking kunnen blijven profiteren, moet de toepassingsperiode van Beschikking 2007/697/EG worden verlengd tot en met 31 december 2013.

(10)

De in Beschikking 2007/697/EG vastgestelde uiterste data voor de rapportage aan de Commissie moeten echter worden aangepast om de administratieve last te vereenvoudigen door Ierland toe te staan één enkele uiterste datum voor alle rapportageverplichtingen vast te stellen.

(11)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG ingestelde Nitraatcomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2007/697/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

De door Ierland bij brief van 18 oktober 2006 gevraagde afwijking en de bij brief van 12 mei 2010 gevraagde verlenging, waarmee wordt beoogd een grotere hoeveelheid dierlijke mest toe te staan dan in bijlage III, punt 2, tweede alinea, eerste zin en onder a), van Richtlijn 91/676/EEG is bepaald, worden onder de in deze beschikking neergelegde voorwaarden toegestaan.”.

2)

Artikel 8, lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Deze kaarten worden ieder jaar in juni bij de Commissie ingediend.”.

3)

Artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

Toepassing

Deze beschikking is van toepassing in de context van het Ierse actieprogramma, zoals uitgevoerd in de European Communities (Good Agricultural Practice for the Protection of Waters) Regulations 2010 (Statutory Instrument Number 610 of 2010).

Zij verstrijkt op 31 december 2013.”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot Ierland.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2011.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

(2)  PB L 284 van 30.10.2007, blz. 27.

(3)  Referentieperiode voor pluimvee: 2003-2005.


25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/21


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2011

tot wijziging van Beschikking 2007/863/EG tot verlening van een door het Verenigd Koninkrijk voor Noord-Ierland gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1033)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2011/128/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (1), en met name bijlage III, punt 2, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Wanneer een lidstaat voornemens is per hectare jaarlijks een andere hoeveelheid dierlijke mest op of in de bodem te brengen dan in bijlage III, punt 2, tweede alinea, eerste zin en onder a), van Richtlijn 91/676/EEG is bepaald, moet deze hoeveelheid zodanig worden vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het bereiken van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde doelstellingen, en moet deze hoeveelheid worden gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria, zoals, in het onderhavige geval, lange groeiperiodes en gewassen met een hoge stikstofopname.

(2)

Op 14 december 2007 heeft de Commissie Beschikking 2007/863/EG vastgesteld waarbij een door het Verenigd Koninkrijk voor Noord-Ierland gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt toegestaan (2), waardoor Ierland toestemming heeft gekregen om op landbouwbedrijven met ten minste 80 % grasland een maximaal 250 kg stikstof bevattende hoeveelheid dierlijke mest per hectare per jaar op of in de bodem te brengen.

(3)

De bij Beschikking 2007/863/EG verleende afwijking had in 2009 betrekking op bij benadering 150 landbouwbedrijven in Noord-Ierland, hetgeen met bij benadering 0,6 % van het totale aantal bedrijven en 1 % van het totale nettolandbouwoppervlak overeenstemt. Beschikking 2007/863/EG verstrijkt op 31 december 2010.

(4)

Op 23 september 2010 heeft het Verenigd Koninkrijk voor de regio Noord-Ierland bij de Commissie een verzoek om verlenging van de afwijking ingediend. Dat verzoek bevatte een motivatie op basis van de objectieve criteria als uiteengezet in bijlage III, punt 2, derde alinea, van Richtlijn 91/676/EEG.

(5)

Het Verenigd Koninkrijk heeft voor de regio Noord-Ierland voor de periode van januari 2011 tot en met december 2014 een nieuw actieprogramma vastgesteld dat van toepassing is op het hele grondgebied van Noord-Ierland en waarin de maatregelen van het actieprogramma voor de periode tot en met 31 december 2010 grotendeels worden voortgezet.

(6)

De nitraatconcentraties in het Noord-Ierse zoete oppervlaktewater blijven relatief laag, met voor 99,7 % van de meetstations gemiddelde nitraatconcentraties kleiner dan 25 mg NO3/l in 2008. Tussen 2005 en 2008 registreerden de meetstations voor het zoete oppervlaktewater over het algemeen stabiele of afnemende gemiddelde nitraatconcentraties, inclusief in stroomgebieden met het grootste percentage landbouwbedrijven waaraan een afwijking is toegestaan. Voor het grondwater zijn de gemiddelde nitraatconcentraties in 2008 voor 91,9 % van de meetstations kleiner dan 25 mg NO3/l en registreerden deze vergelijkbare stabiele of neerwaartse trends als voor het oppervlaktewater.

(7)

De veebestanden zijn in Noord-Ierland tijdens de periode 2006-2010 voor schapen met ongeveer 12,5 %, voor pluimvee met 11,5 % en voor runderen met 4,7 % afgenomen, en voor varkens met 9,8 % toegenomen. De Noord-Ierse landbouw blijft een overwegend op grassen gebaseerd systeem.

(8)

De tijdens de periode 2006-2010 op landbouwbedrijven in Noord-Ierland geproduceerde hoeveelheid stikstofmest is met 6,4 % afgenomen, terwijl het percentage op- of ingebrachte veemest per hectare land met 4,7 % is afgenomen. Het voor het op- of inbrengen van mest beschikbare landbouwoppervlak is met 1,7 % gedaald. De stikstofmest in Noord-Ierland is in de eerste plaats van runderen, en vervolgens van schapen, pluimvee en varkens afkomstig. De daling van de totale hoeveelheid stikstofmest is grotendeels toe te schrijven aan de achteruitgang in de sector runderen, en binnen die sector is de voornaamste aanjager van verandering de verminderde aantallen vleeskoeien en hun jongen.

(9)

Uit de wetenschappelijke informatie waarnaar wordt verwezen in het verzoek om verlenging van de afwijking alsmede uit de maatregelen waartoe het Verenigd Koninkrijk zich voor de regio Noord-Ierland in het actieprogramma voor de periode van januari 2011 tot en met december 2014 heeft verbonden, kan worden geconcludeerd dat dit land nog steeds voldoet aan de in Richtlijn 91/676/EEG vastgestelde voorwaarden voor de afwijking, zoals lange groeiperiodes en gewassen met hoge stikstofopname, en dat de afwijking geen afbreuk doet aan het verwezenlijken van de doelstellingen van die richtlijn.

(10)

Om ervoor te zorgen dat de betrokken graslandbedrijven een afwijking kunnen blijven genieten, moet de toepassingsperiode van Beschikking 2007/863/EG worden verlengd tot en met 31 december 2014.

(11)

De in Beschikking 2007/863/EG vastgestelde uiterste data voor de rapportage aan de Commissie moeten echter worden aangepast om de administratieve last te vereenvoudigen door het Verenigd Koninkrijk voor de regio Noord-Ierland toe te staan één enkele uiterste datum voor alle rapportageverplichtingen vast te stellen.

(12)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG ingestelde Nitraatcomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2007/863/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

De door het Verenigd Koninkrijk bij brief van 10 augustus 2007 voor Noord-Ierland gevraagde afwijking en de bij brief van 23 september 2010 gevraagde verlenging, waarmee wordt beoogd een grotere hoeveelheid dierlijke mest toe te staan dan in bijlage III, punt 2, tweede alinea, eerste zin en onder a), van Richtlijn 91/676/EEG is bepaald, worden onder de in deze beschikking neergelegde voorwaarden toegestaan.”.

2)

Artikel 8, lid 1, laatste zin wordt vervangen door:

„Deze kaarten worden ieder jaar in juni bij de Commissie ingediend.”.

3.

Artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

Toepassing

Deze beschikking is van toepassing in de context van de Nitrates Action Programme Regulation (Northern Ireland) 2010.

Zij verstrijkt op 31 december 2014.”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2011.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

(2)  PB L 337 van 21.12.2007, blz. 122.


Rectificaties

25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 51/23


Rectificatie van Verordening (EU) nr. 177/2010 van de Commissie van 2 maart 2010 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

( Publicatieblad van de Europese Unie L 52 van 3 maart 2010 )

Bladzijde 29, artikel 1, punt 1, artikel 313, lid 2, onder b):

in plaats van:

„in de zin van artikel 799 van deze verordening”,

te lezen:

„in de zin van artikel 799”.

Bladzijde 29, artikel 1, punt 1, artikel 313, lid 2, onder c):

in plaats van:

„in de zin van artikel 799 van deze verordening”,

te lezen:

„in de zin van artikel 799”.

Bladzijde 29, artikel 1, punt 1, artikel 313, lid 3, onder a):

in plaats van:

„(…) opgesteld vervoersbescheid plaatsvindt;”,

te lezen:

„(…) opgesteld vervoersbescheid heeft plaatsgevonden,”.

Bladzijde 29, artikel 1, punt 2, artikel 313 bis:

in plaats van:

„(…) in een zich in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen haven”,

te lezen:

„(…) in een in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen haven”.

Bladzijde 29, artikel 1, punt 2, artikel 313 ter, lid 2, onder d):

in plaats van:

„zich ertoe verbinden, dat op de routen van de lijndiensten geen havens worden aangedaan in gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap of in een vrije zone van controletype I (…)”,

te lezen:

„zich ertoe verbinden, dat op de routen van de lijndiensten geen havens worden aangedaan in gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap noch een vrije zone van controletype I (…)”.

Bladzijde 30, artikel 1, punt 3, artikel 313 quinquies, lid 2:

in plaats van:

„(…) douaneautoriteit binnen de termijn van een werkdag (…)”,

te lezen:

„(…) douaneautoriteit binnen een werkdag (…)”.

Bladzijde 30, artikel 1, punt 3, artikel 313 septies, lid 1:

in plaats van:

„De douaneautoriteiten mogen van de (…)”,

te lezen:

„De douaneautoriteiten kunnen van de (…)”.

Bladzijde 30, artikel 1, punt 5, artikel 324 sexies, lid 4, onder c):

in plaats van:

„(…) De douaneautoriteiten mogen de overlegging (…)”,

te lezen:

„(…) De douaneautoriteiten kunnen de overlegging (…)”.

Bladzijde 30, artikel 1, punt 5, artikel 324 sexies, lid 4, onder d):

in plaats van:

„(…) De douaneautoriteiten mogen de overlegging (…)”,

te lezen:

„(…) De douaneautoriteiten kunnen de overlegging (…)”.

Bladzijde 31, artikel 1, punt 6, onder b):

in plaats van:

„Type/lengte: an ..5”,

te lezen:

„Type/lengte: n ..5”.