ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.339.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 339

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
22 december 2010


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1210/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie

1

 

*

Verordening (EU) nr. 1211/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld

6

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

22.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/1


VERORDENING (EU) Nr. 1210/2010 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 december 2010

betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 133,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (3) hebben de kredietinstellingen en, binnen de grenzen van hun betalingsactiviteit, de overige betalingsdienstaanbieders, en iedere andere instelling die deelneemt aan de verwerking en verstrekking aan het publiek van biljetten en muntstukken, de verplichting om alle ontvangen eurobankbiljetten en -muntstukken op hun echtheid te controleren voordat ze opnieuw in omloop worden gebracht, en te zorgen voor het detecteren van vervalsingen.

(2)

In Aanbeveling 2005/504/EG van de Commissie van 27 mei 2005 betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie (4) zijn aanbevolen werkwijzen beschreven voor de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie. Omdat er geen verplicht gemeenschappelijk kader voor de echtheidscontrole van munten bestaat, lopen de werkwijzen in de lidstaten uiteen, waardoor de munt niet dezelfde bescherming geniet in de gehele eurozone.

(3)

Om in de gehele eurozone een doeltreffende en eenvormige echtheidscontrole van euromunten te bereiken, moeten er derhalve bindende voorschriften voor de toepassing van gemeenschappelijke procedures voor de echtheidscontrole van in omloop zijnde euromunten worden ingevoerd, alsmede voor de toepassing van mechanismen voor het toezicht op die procedures door de nationale autoriteiten.

(4)

Bij de echtheidscontrole moeten ook echte euromunten die voor circulatie ongeschikt zijn, worden geïdentificeerd. Wanneer dergelijke munten in omloop blijven, kunnen zij moeilijker wordt gebruikt, vooral in muntautomaten, en kan er bij de gebruikers verwarring ontstaan over de echtheid van die munten. Ongeschikte munten moeten uit de omloop worden genomen. Er zijn bijgevolg gemeenschappelijke, voor de lidstaten bindende voorschriften nodig voor de behandeling en de vergoeding van deze voor circulatie ongeschikte euromunten.

(5)

Om de toepassing van de echtheidscontroleprocedures te coördineren, moeten de test- en opleidingsvereisten voor de echtheidscontrole van munten en de specificaties voor de controle van voor circulatie ongeschikte euromunten en andere praktische uitvoeringsbepalingen nader worden vastgesteld door het Europees Technisch en Wetenschappelijk Centrum (ETWC), dat is opgericht bij Besluit 2005/37/EG van de Commissie (5), na raadpleging van de deskundigengroep vervalsing, waarvan sprake in dat besluit.

(6)

Om een geleidelijke aanpassing van hun lopende regels en werkwijzen aan deze verordening mogelijk te maken, moeten de lidstaten in een overgangsperiode die loopt tot 31 december 2014, kunnen afwijken van het type muntsorteermachines dat voor de echtheidscontrole van euromunten te gebruiken is, en het aantal machines dat jaarlijks dient te worden gecontroleerd, kunnen bepalen.

(7)

Elke nationale autoriteit die euromunten behandelt die ongeschikt voor circulatie zijn, moet op grond van deze verordening behandelingskosten in rekening kunnen brengen om te voldoen aan de kosten die verband houden met het proces. Er moeten geen behandelingskosten worden aangerekend op kleine hoeveelheden voor circulatie ongeschikte euromunten die worden ingeleverd. De lidstaten moeten personen die nauw met de overheid samenwerken om valse of ongeschikte munten uit de omloop te nemen, vrijstelling van behandelingskosten kunnen verlenen. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om zakken of dozen met vermengde valse en ongeschikte munten zonder toeslag te aanvaarden als dat in het openbaar belang is.

(8)

Elke lidstaat dient de sancties voor overtredingen vast te leggen met het oog op een gelijkwaardige echtheidscontrole en behandeling van euromunten die voor circulatie ongeschikt zijn, in heel de eurozone.

(9)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk te komen tot een doeltreffende en eenvormige echtheidscontrole van euromunten in de gehele eurozone, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt wegens de verschillen tussen de nationale praktijken en derhalve beter op uniaal niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te bereiken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt procedures vast voor de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „echtheidscontrole van euromunten”: het proces waarbij geverifieerd wordt of euromunten echt zijn en geschikt zijn voor circulatie;

b)   „voor circulatie ongeschikte euromunten”: echte euromunten die bij de echtheidscontrole geweigerd zijn of euromunten waarvan het uiterlijk aanzienlijk veranderd is;

c)   „aangewezen nationale autoriteit”: het nationale analysecentrum voor munten of een andere autoriteit die door de betrokken lidstaat is aangewezen;

d)   „instellingen”: de instellingen in de zin van artikel 6, lid 1, alinea 1, van Verordening (EG) nr. 1338/2001, met uitzondering van degene die bij het derde gedachtestreepje worden vermeld;

e)   „deskundigengroep vervalsing”: de deskundigen op het gebied van valsmunterij waarvan sprake is in Besluit 2005/37/EG.

HOOFDSTUK II

ECHTHEIDSCONTROLE VAN EUROMUNTEN

Artikel 3

Echtheidscontrole van euromunten

1.   De instellingen zorgen ervoor dat alle ontvangen euromunten op hun echtheid worden gecontroleerd voordat ze opnieuw in omloop worden gebracht. Om die verplichting na te komen, werken zij:

a)

met muntsorteermachines die op de in artikel 5, lid 2, bedoelde lijst van muntsorteermachines staan; of

b)

met personeel dat een opleiding volgens de door de lidstaten bepaalde modaliteiten gekregen heeft.

2.   Na de echtheidscontrole worden alle euromunten waarvan vermoed wordt dat ze vals zijn en voor circulatie ongeschikte euromunten bij de aangewezen nationale autoriteit ingeleverd.

3.   Voor valse euromunten die overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1338/2001 bij de aangewezen nationale autoriteiten worden ingeleverd, worden geen behandelingskosten of andere vergoedingen in rekening gebracht. Op voor circulatie ongeschikte euromunten, is hoofdstuk III van deze verordening van toepassing.

Artikel 4

Vereisten voor tests en muntsorteermachines

1.   Voor de uitvoering van artikel 3, lid 1, onder a), gebruiken de instellingen enkel de types muntsorteermachines die bij de aangewezen nationale autoriteit of het ETWC een bevredigende detectietest ondergaan hebben en zich op het ogenblik van aankoop op de webpagina waarvan sprake in artikel 5, lid 2, bevinden. De instellingen zien erop toe dat de machines regelmatig opnieuw afgesteld worden om hun sorterend vermogen te behouden, met inachtneming van de wijzigingen die aan de lijst van artikel 5, lid 2, worden aangebracht. De detectietest controleert of een muntsorteermachine in staat is om de bekende typen valse euromunten, en bij dezelfde gelegenheid de euromunten die voor circulatie ongeschikt zijn en alle andere op munten lijkende voorwerpen die niet aan de specificaties van echte euromunten voldoen, te weigeren.

2.   Voor een overgangsperiode die loopt tot 31 december 2014, kunnen de lidstaten op specifieke punten van de eerste zin van lid 1 afwijken, voor muntsorteermachines die op 11 januari 2011 in gebruik waren en in staat gebleken zijn om valse euromunten, euromunten die voor circulatie ongeschikt zijn en andere voorwerpen die er als munten uitzien die niet aan de specificaties van echte euromunten voldoen, te ontdekken, ook als die machines niet op de lijst van artikel 5, lid 2, staan. Deze afwijkingen worden na raadpleging van de deskundigengroep vervalsing vastgesteld.

Artikel 5

Afstelling van muntsorteermachines

1.   Om de producenten van muntsorteermachines in staat te stellen alle specificaties te verkrijgen die nodig zijn voor de afstelling van hun machines met het oog op de detectie van valse euromunten, mogen tests overeenkomstig artikel 4 worden uitgevoerd bij de aangewezen nationale autoriteit, het ETWC of, na een bilaterale overeenkomst, bij de producent. Voor een muntsorteermachine die de test met goed gevolg doorstaan heeft, wordt een voor de producent van de machine bestemde samenvatting van het verslag van de detectietest opgesteld, waarvan het ETWC een exemplaar ontvangt.

2.   De Commissie publiceert op haar website een geconsolideerde lijst van alle muntsorteermachines waarvoor het ETWC een positieve en geldige samenvatting van het verslag van de detectietest heeft ontvangen of opgesteld.

Artikel 6

Controle door de lidstaten

1.   De lidstaten richten de in dit artikel bepaalde controles in.

2.   De lidstaten verrichten jaarlijks controles ter plaatse bij de instellingen om aan de hand van detectietests de correcte werking van een representatief aantal van de muntsorteermachines die in gebruik zijn, na te gaan. Als er van het personeel van de instellingen verwacht wordt dat het de echtheid van de euromunten die terug in de omloop moeten gebracht worden, manueel controleert, moeten ze van de betreffende instellingen de waarborg krijgen dat hun personeel daar terdege voor opgeleid is.

3.   In elke lidstaat wordt jaarlijks een zodanig aantal muntsorteermachines gecontroleerd dat de hoeveelheid euromunten die in dat jaar door die machines wordt verwerkt, ten minste 25 % bedraagt van de totale gecumuleerde nettohoeveelheid euromunten die door de betrokken lidstaat sedert de invoering van euromunten tot het einde van het voorafgaande jaar is uitgegeven. Het aantal te controleren machines wordt berekend op basis van de hoeveelheid van de drie hoogste denominaties van euromunten die voor de omloop bestemd zijn. De lidstaten zorgen ervoor dat de muntsorteermachines beurtelings gecontroleerd worden.

4.   Als het aantal jaarlijks te controleren muntsorteermachines bij toepassing van lid 3 hoger ligt dan het aantal machines dat in een bepaalde lidstaat in gebruik is, worden jaarlijks alle muntsorteermachines gecontroleerd die in die lidstaat in gebruik zijn.

5.   In een overgangsperiode die loopt tot 31 december 2014, kunnen de lidstaten na bekendmaking aan de Commissie besluiten dat er elk jaar een zodanig aantal muntsorteermachines te controleren is dat de omvang aan euromunten die ze dat jaar verwerken, minstens 10 % van de totale gecumuleerde nettohoeveelheid aan munten bedraagt die de desbetreffende lidstaat sinds de invoering van euromunten en tot het einde van het voorafgaand jaar uitgegeven heeft.

6.   In het kader van de jaarlijkse controles controleren de lidstaten het vermogen van de instellingen om euromunten op hun echtheid te controleren voorts aan de hand van:

a)

het bestaan van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen die onderrichtingen voor het gebruik van automatische muntsorteerapparatuur of het manueel sorteren verstrekken, naar gelang van het geval;

b)

de aanstelling van geschikt personeel;

c)

het bestaan van een schriftelijk onderhoudsplan dat ervoor moet zorgen dat de muntsorteermachines op een passend niveau blijven presteren;

d)

het bestaan van schriftelijk vastgelegde procedures voor het inleveren van valse euromunten, euromunten die voor circulatie ongeschikt zijn en andere op munten lijkende voorwerpen die niet aan de specificaties van echte euromunten beantwoorden bij de aangewezen nationale autoriteit; en

e)

het bestaan van interne controleprocedures die vorm en frequentie van de controles beschrijven die de instellingen moeten uitvoeren om te zorgen dat hun sorteercentra en personeel de in dit lid neergelegde onderrichtingen opvolgen.

7.   Als een lidstaat een inbreuk op deze verordening vaststelt, neemt de desbetreffende instelling de nodige maatregelen om te zorgen dat de inbreuk onmiddellijk hersteld wordt.

Artikel 7

Technische bepalingen

De Commissie ziet erop toe dat het ETWC, binnen een redelijke termijn en na raadpleging van de deskundigengroep vervalsing, de technische specificaties voor de detectietest en andere praktische uitvoeringsbepalingen vaststelt, zoals opleidingsmethoden, de geldigheidsduur van de samenvatting van het verslag van een detectietest, de gegevens die de lijst van artikel 5, lid 2, moet bevatten, onderrichtingen voor controles, tests en onderzoek door de lidstaten, regels voor de rechtzettingsprocedure bij onregelmatigheden, alsmede de relevante drempels voor de aanvaarding van echte euromunten.

HOOFDSTUK III

BEHANDELING VAN VOOR CIRCULATIE ONGESCHIKTE EUROMUNTEN

Artikel 8

Uit de omloop nemen en vergoeding van voor circulatie ongeschikte euromunten

1.   De lidstaten nemen voor circulatie ongeschikte euromunten uit de omloop.

2.   De lidstaten vergoeden of vervangen euromunten die na langdurige circulatie of door toevallige beschadiging ongeschikt zijn geworden of tijdens de echtheidscontrole afgekeurd zijn. Onverminderd de vergoeding van munten die voor liefdadigheidsdoeleinden worden verzameld, zoals munten die in fonteinen worden gegooid, kunnen de lidstaten weigeren voor circulatie ongeschikte euromunten te vergoeden wanneer die opzettelijk zijn veranderd of een bewerking ondergaan hebben waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat ze de munt verandert.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat voor circulatie ongeschikte euromunten die uit de omloop zijn genomen, door blijvende fysieke vervorming worden vernietigd, zodat die munten niet opnieuw in omloop kunnen worden gebracht of ter vergoeding kunnen worden ingeleverd.

Artikel 9

Behandelingsvergoedingen

1.   Op de vergoeding of vervangingswaarde van ingeleverde voor circulatie ongeschikte euromunten kan er een behandelingsvergoeding van 5 % van de nominale waarde van deze munten in mindering gebracht worden. Indien de volledige zak of doos overeenkomstig artikel 11, lid 2, wordt gecontroleerd, kan er bovenop de behandelingsvergoeding een extra vergoeding van 15 % van de nominale waarde van de ingeleverde euromunten in rekening gebracht worden.

2.   De lidstaten kunnen voorzien in algemene of gedeeltelijke vrijstellingen van behandelingsvergoeding in gevallen waarin de natuurlijke of rechtspersoon die de euromunten inlevert, nauw en regelmatig met de aangewezen nationale autoriteit samenwerkt bij het uit de omloop nemen van valse euromunten en voor circulatie ongeschikte euromunten, of als vrijstelling het openbaar belang dient.

3.   Vervoerskosten en aanverwante kosten worden gedragen door de natuurlijke of rechtspersoon die de euromunten inlevert.

4.   Onverminderd de in lid 2 bedoelde vrijstelling wordt per natuurlijke of rechtspersoon die euromunten inlevert, een maximumhoeveelheid van een kilogram voor circulatie ongeschikte euromunten per denominatie, van de behandelingsvergoeding vrijgesteld. Als de grens overschreden wordt, kan er voor alle afgegeven munten een vergoeding aangerekend worden.

5.   Als een bepaalde levering munten bevat die met chemische of andere gevaarlijke stoffen bewerkt zijn zodat redelijkerwijze aan te nemen valt dat hun behandeling een gezondheidsrisico voor het personeel inhoudt, worden de kosten van lid 1 met een verdere toeslag verhoogd die 20 % van de nominale waarde van de ingeleverde euromunten bedraagt.

Artikel 10

Verpakking van voor circulatie ongeschikte euromunten

1.   De natuurlijke of rechtspersoon die euromunten inlevert, sorteert de ter vergoeding of vervanging ingeleverde euromunten als volgt per denominatie in standaardzakken of -dozen:

a)

de zakken of dozen bevatten:

i)

500 munten van elk van de denominaties 2 EUR en 1 EUR,

ii)

1 000 munten van elk van de denominaties 0,50 EUR, 0,20 EUR en 0,10 EUR,

iii)

2 000 munten van elk van de denominaties 0,05 EUR, 0,02 EUR en 0,01 EUR,

iv)

voor kleinere hoeveelheden, 100 munten van elke denominatie;

b)

op elke zak of doos worden duidelijk de identificatiegegevens van de inleverende natuurlijke of rechtspersoon, de waarde en denominatie van de inhoud, het gewicht, de verpakkingsdatum en het nummer van de zak of doos vermeld; de inleverende natuurlijke of rechtspersoon verstrekt een verpakkingslijst met een overzicht van de ingeleverde zakken of dozen; in geval van munten die met chemische of gevaarlijke stoffen bewerkt zijn, moeten de gewone ingepakte hoeveelheden van een schriftelijke verklaring vergezeld gaan die duidelijk aangeeft welke stoffen er juist gebruikt zijn;

c)

wanneer de totale hoeveelheid voor circulatie ongeschikte euromunten kleiner is dan de onder a) genoemde vereisten, worden deze euromunten per denominatie gesorteerd en mogen zij in niet-standaardverpakkingen worden ingeleverd.

2.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten andersluidende verpakkingsvereisten die op 11 januari 2011 in hun nationale voorschriften zijn opgenomen, handhaven.

Artikel 11

Controles van voor circulatie ongeschikte euromunten

1.   De lidstaten kunnen de ingeleverde voor circulatie ongeschikte euromunten als volgt controleren:

a)

de aangegeven hoeveelheid wordt gecontroleerd door elke zak of doos te wegen;

b)

de echtheid en het uiterlijk worden gecontroleerd aan de hand van een steekproef van ten minste 10 % van de ingeleverde hoeveelheid.

2.   Wanneer anomalieën bij de in lid 1 bedoelde controles, of afwijkingen van artikel 10 worden vastgesteld, wordt de volledige zak of doos gecontroleerd.

3.   De lidstaten kunnen euromunten weigeren als de ontvangst of behandeling gevaar voor de gezondheid van het behandelend personeel inhoudt, of als een afgifte niet aan de voorschriften voor verpakking en opschrift voldoet.

De lidstaten kunnen maatregelen treffen tegen natuurlijke en rechtspersonen die in alinea 1 bedoelde munten afgeven.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Verslaglegging, communicatie en evaluatie

1.   De lidstaten dienen jaarlijks bij de Commissie een verslag in over hun werkzaamheden op het gebied van echtheidscontrole van euromunten. Daarin wordt informatie verstrekt over het aantal controles dat op grond van artikel 6, lid 2, is verricht en het aantal geteste muntsorteermachines, de testresultaten, de hoeveelheid euromunten die door die machines zijn verwerkt, het aantal euromunten dat geanalyseerd is waarvan vermoed wordt dat ze vals zijn en het aantal voor circulatie ongeschikte euromunten dat vergoed is, alsmede informatie over de in artikel 4, lid 2, of artikel 6, lid 5, bedoelde afwijkingen.

2.   Om de lidstaten in staat te stellen om de naleving van de verordening door de instellingen na te gaan, voorzien deze hun op aanvraag minstens elk jaar van op zijn minst de volgende gegevens:

a)

types en aantal van de muntsorteermachines die in gebruik zijn;

b)

waar zich elke muntsorteermachine bevindt; en

c)

voor elke muntsorteermachine het aantal behandelde munten per jaar en per denominatie, op zijn minst voor de drie hoogste denominaties.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat op de daarvoor bestemde internetpagina’s en in daarvoor bestemde publicaties informatie wordt verstrekt over de autoriteiten die zijn aangewezen voor de vergoeding of vervanging van munten, en over bijzonderheden als verpakkingsvoorschriften en kosten.

4.   Na onderzoek van de ingekomen verslagen van de lidstaten legt de Commissie het Economisch en Financieel Comité een jaarlijks verslag over de ontwikkelingen en bevindingen op het gebied van echtheidscontrole van euromunten en voor circulatie ongeschikte euromunten voor.

5.   De Commissie brengt bij het Europees Parlement en de Raad tegen 30 juni 2014 verslag uit over de werking en de resultaten van deze verordening. Haar verslag gaat zo nodig vergezeld van voorstellen van wetgeving tot verdere uitvoering of wijziging van deze verordening, vooral voor de artikelen 6 en 8.

Artikel 13

Sancties

De lidstaten leggen de voorschriften betreffende de sancties op inbreuken op deze verordening vast en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat ze toegepast worden. De vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012, met uitzondering van hoofdstuk III, dat vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening van toepassing is.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 15 december 2010.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

O. CHASTEL


(1)  PB C 284 van 25.11.2009, blz. 6.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 7 september 2010 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 29 november 2010.

(3)  PB L 181 van 4.7.2001, blz. 6.

(4)  PB L 184 van 15.7.2005, blz. 60.

(5)  PB L 19 van 21.1.2005, blz. 73.


22.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/6


VERORDENING (EU) Nr. 1211/2010 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 december 2010

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De lijsten van derde landen en gebieden in de bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad (2) moeten in overeenstemming zijn en blijven met de criteria die zijn vastgesteld in overweging 5 van die verordening. Derde landen of gebieden waarvan de situatie ten aanzien van die criteria is gewijzigd, moeten van de ene naar de andere bijlage worden overgebracht.

(2)

De visumplicht is niet langer gerechtvaardigd voor de inwoners van Taiwan, met name omdat het gebied geen risico van illegale immigratie of een bedreiging voor de openbare orde van de Unie vormt en gelet op de externe betrekkingen, overeenkomstig de criteria die zijn vastgesteld in overweging 5 van Verordening (EG) nr. 539/2001. Bijgevolg moet de verwijzing naar dit gebied naar bijlage II van die verordening worden overgebracht. De visumliberalisering geldt verder alleen voor houders van door Taiwan afgegeven paspoorten waarop een identiteitskaartnummer staat vermeld.

(3)

De verwijzing naar de Noordelijke Marianen moet worden geschrapt uit bijlage I bij Verordening (EG) nr. 539/2001, omdat de inwoners van dit gebied, als houders van een Amerikaans paspoort, onderdanen zijn van de Verenigde Staten, een derde land dat in bijlage II bij die verordening is opgenomen.

(4)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (3), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder B, van Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst (4).

(5)

Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (5), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder B en C, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (6).

(6)

Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het door de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein ondertekende Protocol betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder B en C, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/261/EG van de Raad (7).

(7)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (8). Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(8)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (9). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vastelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(9)

Wat Cyprus betreft, vormt deze verordening een handeling die op het Schengenacquis voortbouwt of anderszins daaraan is gerelateerd in de zin van artikel 3, lid 1, van de Toetredingsakte van 2003.

(10)

Deze verordening vormt een handeling die op het Schengenacquis voortbouwt, of anderszins daaraan is gerelateerd in de zin van artikel 4, lid 1, van de Toetredingsakte van 2005,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 539/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

in deel 1 wordt de verwijzing naar de Noordelijke Marianen geschrapt;

b)

in deel 2 wordt de verwijzing naar Taiwan geschrapt.

2)

In bijlage II wordt het volgende toegevoegd:

„4.

TERRITORIALE ENTITEITEN EN AUTORITEITEN DIE DOOR TEN MINSTE ÉÉN LIDSTAAT NIET ALS STAAT WORDEN ERKEND:

Taiwan (10)

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 15 december 2010.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

O. CHASTEL


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 november 2010 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 25 november 2010.

(2)  PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1.

(3)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(4)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.

(5)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(6)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1.

(7)  PB L 83 van 26.3.2008, blz. 3.

(8)  PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43.

(9)  PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20.

(10)  De visumvrijstelling geldt alleen voor houders van door Taiwan afgegeven paspoorten waarop een identiteitskaartnummer staat vermeld.”.