ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.322.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 322

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
8 december 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Kennisgeving betreffende de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het programma Jeugd in actie en het actieprogramma op het gebied van een leven lang leren (2007-2013)

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1137/2010 van de Raad van 7 december 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 147/2003 betreffende een aantal beperkende maatregelen ten aanzien van Somalië

2

 

*

Verordening (EU) nr. 1138/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot 140e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa‘ida-netwerk en de Taliban

4

 

*

Verordening (EU) nr. 1139/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot 141e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban

6

 

*

Verordening (EU) nr. 1140/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot vaststelling van de verdeling, voor het verkoopseizoen 2010/2011, van 5000 ton korte vlasvezels en hennepvezels in de vorm van gegarandeerde nationale hoeveelheden over Denemarken, Griekenland, Ierland, Italië en Luxemburg

9

 

*

Verordening (EU) nr. 1141/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot vaststelling van de procedure voor de verlenging van de opneming van een tweede groep werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot opstelling van de lijst van die stoffen ( 1 )

10

 

*

Verordening (EU) nr. 1142/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1266/2007 wat betreft de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen betreffende de voorwaarden waaronder bepaalde dieren worden vrijgesteld van het verplaatsingsverbod overeenkomstig Richtlijn 2000/75/EG van de Raad ( 1 )

20

 

*

Verordening (EU) nr. 1143/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1251/2008 wat betreft de geldigheidsduur van de overgangsbepalingen voor bepaalde waterdieren voor sierdoeleinden, bestemd voor gesloten siervoorzieningen ( 1 )

22

 

*

Verordening (EU) nr. 1144/2010 van de Commissie van 3 december 2010 tot vaststelling van een verbod op de visserij op lom in het gebied EG-wateren en internationale wateren van V, VI en VII door vaartuigen die de vlag van het Verenigd Koninkrijk voeren

24

 

*

Verordening (EU) nr. 1145/2010 van de Commissie van 3 december 2010 tot vaststelling van een verbod op de visserij op lom in het gebied EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

26

 

*

Verordening (EU) nr. 1146/2010 van de Commissie van 3 december 2010 tot vaststelling van een verbod op de visserij op schol in gebied VIII, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

28

 

*

Verordening (EU) nr. 1147/2010 van de Commissie van 3 december 2010 tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in het gebied NAFO 3M door vaartuigen die de vlag van Estland voeren

30

 

*

Verordening (EU) nr. 1148/2010 van de Commissie van 3 december 2010 tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in het gebied NAFO 3M door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

32

 

*

Verordening (EU) nr. 1149/2010 van de Commissie van 3 december 2010 tot vaststelling van een verbod op de visserij op zwarte haarstaartvis in gebied V, VI, VII en XII (wateren van de Gemeenschap en wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van derde landen vallen) door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

34

 

 

Verordening (EU) nr. 1150/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

36

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2010/90/EU van de Commissie van 7 december 2010 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde pyridaben op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG ( 1 )

38

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/757/EU

 

*

Besluit van de Raad van 18 november 2010 tot aanwijzing van de Culturele hoofdstad van Europa voor het jaar 2015 in België

42

 

 

2010/758/EU

 

*

Besluit van de Raad van 2 december 2010 betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Bulgarije

43

 

 

2010/759/EU

 

*

Besluit van de Raad van 2 december 2010 betreffende het onderwerpen van 4-methylmethcathinone (mephedrone) aan controlemaatregelen

44

 

 

2010/760/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 6 december 2010 waarbij vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor goederen die zijn bestemd om gratis te worden verstrekt aan of ter beschikking te worden gesteld van de slachtoffers van de overstromingen in het voorjaar van 2010 in Hongarije (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 8482)

46

 

 

2010/761/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 7 december 2010 tot wijziging van de bijlagen I en II bij Besluit 2010/221/EU wat betreft de door Hongarije en het Verenigd Koninkrijk goedgekeurde nationale maatregelen voor voorjaarsviremie van de karper (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 8617)  ( 1 )

47

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Richtlijn 2010/89/EU van de Commissie van 6 november 2010 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om quinmerac op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG (PB L 320 van 7.12.2010)

50

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/1


Kennisgeving betreffende de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het programma Jeugd in actie en het actieprogramma op het gebied van een leven lang leren (2007-2013)

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het programma Jeugd in actie en het actieprogramma op het gebied van een leven lang leren (2007-2013) (1), die op 15 februari 2010 te Brussel is ondertekend, zal krachtens artikel 5, tweede alinea, van de overeenkomst voorlopig worden toegepast met ingang van 1 januari 2011.


(1)  PB L 87 van 7.4.2010, blz. 9.


VERORDENINGEN

8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/2


VERORDENING (EU) Nr. 1137/2010 VAN DE RAAD

van 7 december 2010

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 147/2003 betreffende een aantal beperkende maatregelen ten aanzien van Somalië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 215, lid 1,

Gezien Besluit 2010/231/GBVB van de Raad van 26 april 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Somalië (1),

Gezien het gezamenlijke voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 147/2003 (2) van de Raad is een algemeen verbod ingesteld op het verstrekken van technisch advies, bijstand, opleiding, financiering of financiële bijstand in verband met militaire activiteiten aan personen, entiteiten of lichamen in Somalië.

(2)

In punt 7 van Resolutie 1907 (2009) roept de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de lidstaten op alle vracht van of naar Somalië te inspecteren, indien zij vermoeden dat de vracht goederen bevat die verboden zijn op grond van punt 5 of 6 van die resolutie of het algemene en volledige wapenembargo betreffende Somalië, zulks met het oog op de strikte tenuitvoerlegging van die bepalingen.

(3)

Overeenkomstig Besluit 2010/231/GBVB van de Raad dient bepaalde vracht van en naar Somalië te worden geïnspecteerd en, in het geval van vliegtuigen en schepen, voor de aankomst of het vertrek aanvullende aangifte te worden gedaan van alle goederen die de Unie binnenkomen of verlaten. Die aangifte moet worden gedaan overeenkomstig de bepalingen inzake summiere aangiften bij binnenkomst en bij uitgang van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3).

(4)

Deze maatregel valt onder het toepassingsgebied van het Verdrag en derhalve is, om te garanderen dat hij door economische subjecten in alle lidstaten uniform wordt toegepast, EU-wetgeving noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging ervan.

(5)

Verordening (EG) nr. 147/2003 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het volgende artikel wordt ingevoegd in Verordening (EG) nr. 147/2003:

„Artikel 3 bis

1.   Met het oog op de strikte toepassing van de artikelen 1 en 3 van Besluit 2010/231/GBVB van de Raad van 26 april 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Somalië (4) geldt betreffende alle goederen van of naar Somalië die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten de verplichting voor aankomst of vertrek aangifte te doen aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.

2.   De voorschriften betreffende de verplichting voor aankomst of vertrek aangifte te doen, met name wat betreft de persoon die de aangifte doet, de in acht te nemen termijnen en de te verstrekken gegevens, zijn die welke zijn vastgesteld in de bepalingen inzake summiere aangiften bij binnenkomst en bij uitgang en inzake douaneaangiften, opgenomen in Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (5) en in Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (6).

3.   De persoon die de in lid 2 bedoelde aangifte doet, verklaart voorts of de goederen onder de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen (7) vallen en geeft, indien voor de uitvoer van die goederen een vrijstelling nodig is, nadere bijzonderheden over de verleende uitvoervergunning.

4.   Tot en met 31 december 2010 kunnen summiere aangiften bij binnenkomst en bij uitgang en de in dit artikel bedoelde vereiste aanvullende gegevens schriftelijk worden ingediend door middel van handels-, haven- of vervoersdocumenten, op voorwaarde dat deze de vereiste bijzonderheden bevatten.

5.   Met ingang van 1 januari 2011 worden de in artikel 3 bedoelde vereiste aanvullende gegevens al naar het geval schriftelijk dan wel middels een douaneaangifte verstrekt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

D. REYNDERS


(1)  PB L 105 van 27.4.2010, blz. 17.

(2)  PB L 24 van 29.1.2003, blz. 2.

(3)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(4)  PB L 105 van 27.4.2010, blz. 17.

(5)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(6)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.

(7)  PB C 69 van 18.3.2010, blz.19.”.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/4


VERORDENING (EU) Nr. 1138/2010 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2010

tot 140e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa‘ida-netwerk en de Taliban

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa‘ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 quater, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren. Bij Verordening (EG) nr. 246/2006 van de Commissie (2) werd Sanabel Relief Agency Limited (Sanabel) toegevoegd aan bijlage I.

(2)

Op 29 september 2010 verklaarde het Gerecht Verordening (EG) nr. 881/2002 nietig voor zover zij Sanabel betreft (3), omdat de rechten van de verdediging, het recht op rechterlijke controle, en het eigendomsrecht niet waren gerespecteerd.

(3)

Na ontvangst van de motivering van het VN-Sanctiecomité inzake Al-Qa‘ida en de Taliban, stelde de Commissie Sanabal daarvan in augustus 2009 in kennis. In juli 2010 stelde de Commissie een van het Sanctiecomité pas ontvangen, daarmee verband houdende motivering eveneens ter kennis van Sanabel. Sanabel diende zijn opmerkingen over deze motiveringen in.

(4)

Momenteel komt Sanabel voor op de door het VN-Sanctiecomité inzake Al-Qa‘ida en de Taliban opgestelde lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen worden bevroren.

(5)

Krachtens artikel 7 quater, lid 3, van Verordening (EG) nr. 881/2002, na nauwgezet onderzoek van de door Sanabel ingediende opmerkingen, en gezien de preventieve aard van de bevriezing van tegoeden en economische middelen, is de Commissie van oordeel dat het opnemen van Sanabel op de lijst gerechtvaardigd is vanwege de banden die Sanabel onderhoudt met de Taliban, Usama bin Laden of het Al-Qa‘ida-netwerk.

(6)

In het licht hiervan dient het besluit tot plaatsing op de lijst van Sanabel te worden vervangen door een nieuw besluit waarmee de opname van Sanabel in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt bevestigd.

(7)

Dit nieuwe besluit dient van toepassing te zijn met ingang van 11 februari 2006, gezien het preventieve karakter en de doelstellingen van het bevriezen van tegoeden en economische middelen op grond van Verordening (EG) nr. 881/2002 en gezien de noodzaak tot bescherming van de legitieme belangen van de economische operatoren, die uitgingen van de wettigheid van het besluit van 2006.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité voor de herziening van de lijsten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 881/2002,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 december 2010.

Zij is van toepassing met ingang van 11 februari 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.

(2)  PB L 40 van 11.2.2006, blz. 13.

(3)  Zaak T-136/06 (arrest in de gevoegde zaken T-135/06 tot T-138/06).


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt als volgt gewijzigd:

De volgende vermelding van de lijst van „Rechtspersonen, groepen en entiteiten” wordt bevestigd:

„Sanabel Relief Agency Limited (ook bekend als a) Sanabel Relief Agency, b) Sanabel L’il-Igatha, c) SRA, d) Sara, e) Al-Rahama Relief Foundation Limited). Adres: a) 63 South Rd, Sparkbrook, Birmingham B 111 EX, Verenigd Koninkrijk, b) 1011 Stockport Rd, Levenshulme, Manchester M9 2TB, Verenigd Koninkrijk, c) P.O. Box 50, Manchester M19 25P, Verenigd Koninkrijk, d) 98 Gresham Road, Middlesbrough, Verenigd Koninkrijk, e) 54 Anson Road, London NW2 6AD, Verenigd Koninkrijk. Overige informatie: a) „charity number”: 1083469, b) registratienummer: 3713110. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 7.2.2006.”


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/6


VERORDENING (EU) Nr. 1139/2010 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2010

tot 141e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren. Bij Verordening (EG) nr. 246/2006 (2) werden Ghunia Abdrabbah, Al-Bashir Mohammed Al-Faqih en Tahir Nasuf toegevoegd aan bijlage I. Dit geschiedde op grond van het besluit van het Sanctiecomité van de Verenigde Naties, dat werd ingesteld bij Resolutie 1267 (1999) van de Veiligheidsraad inzake het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban en daarmede verband houdende personen en entiteiten, om de betrokkenen aan de geconsolideerde lijst toe te voegen.

(2)

Op 29 september 2010 verklaarde het Gerecht (3) Verordening (EG) nr. 881/2002 nietig voor zover zij Ghunia Abdrabbah, Al-Bashir Mohammed Al-Faqih en Tahir Nasuf betreft, omdat de rechten van de verdediging, het recht op rechterlijke controle, en het eigendomsrecht niet waren gerespecteerd.

(3)

De Commissie stelde Ghunia Abdrabbah, Al-Bashir Mohammed Al-Faqih en Tahir Nasuf in kennis van de motivering, respectievelijk op 22 september 2009, 7 augustus 2009 en 11 augustus 2009, nadat de genoemde rechtszaak was begonnen. Dit betekent dat de door het Gerecht aangemerkte tekortkoming is verholpen.

(4)

In het licht hiervan dient het besluit tot plaatsing op de lijst van Ghunia Abdrabbah, Al-Bashir Mohammed Al-Faqih en Tahir Nasuf te worden vervangen door een nieuw besluit krachtens artikel 7 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 881/2002, ten einde het besluit van het Sanctiecomité van de Verenigde Naties te respecteren en rekening te houden met de doelstellingen van de bevriezing van tegoeden en economische middelen op grond van Verordening (EG) nr. 881/2002.

(5)

Dit nieuwe besluit dient van toepassing te zijn met ingang van 11 februari 2006, gezien het preventieve karakter en de doelstellingen van het bevriezen van tegoeden en economische middelen op grond van Verordening (EG) nr. 881/2002 en gezien de noodzaak tot bescherming van de legitieme belangen van de economische operatoren, die uitgingen van de wettigheid van het besluit van 2006.

(6)

Ghunia Abdrabbah, Al-Bashir Mohammed Al-Faqih en Tahir Nasuf werden reeds in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen te maken bij de motivering die hun werd medegedeeld, overeenkomstig de artikelen 7 bis, lid 3, en 7 quater, lid 3, van Verordening (EG) nr. 881/2002. De Commissie heeft deze opmerkingen medegedeeld aan het Sanctiecomité en voert momenteel een toetsing uit van haar besluit tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen de betrokkenen, overeenkomstig de procedure van artikel 7 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 881/2002. De resultaten van de toetsing zullen aan Ghunia Abdrabbah, Al-Bashir Mohammed Al-Faqih en Tahir Nasuf worden medegedeeld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 11 februari 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.

(2)  PB L 40 van 11.2.2006, blz. 13.

(3)  Gevoegde zaken T-135/06 tot T-138/06.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt als volgt gewijzigd:

De volgende vermeldingen van de lijst „Natuurlijke personen” worden bevestigd:

(a)

Ghuma Abd'rabbah (ook bekend als a) Ghunia Abdurabba, b) Ghoma Abdrabba, c) Abd'rabbah, d) Abu Jamil, e) Ghunia Abdrabba). Adres: Birmingham, Verenigd Koninkrijk. Geboortedatum: 2.9.1957. Geboorteplaats: Benghazi, Libië. Nationaliteit: Brits. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 7.2.2006.

(b)

Abd Al-Rahman Al-Faqih (ook bekend als a) Mohammed Albashir, b) Muhammad Al-Bashir, c) Bashir Mohammed Ibrahim Al-Faqi, d) Al-Basher Mohammed, e) Abu Mohammed, f) Mohammed Ismail, g) Abu Abd Al Rahman, h) Abd Al Rahman Al-Khatab, i) Mustafa, j) Mahmud, k) Abu Khalid). Adres: Birmingham, Verenigd Koninkrijk. Geboortedatum: 15.12.1959. Geboorteplaats: Libië. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 7.2.2006.

(c)

Tahir Nasuf (ook bekend als a) Tahir Mustafa Nasuf, b) Tahar Nasoof, c) Taher Nasuf, d) Al-Qa'qa, e) Abu Salima El Libi, f) Abu Rida, g) Tahir Moustafa Nasuf, h) Tahir Moustafa Mohamed Nasuf). Adres: Manchester, Verenigd Koninkrijk. Geboortedatum: a) 4.11.1961, b) 11.4.1961. Geboorteplaats: Tripoli, Libië. Nationaliteit: Libisch. Paspoort nr.: RP0178772 (Libisch paspoortnummer). Nationaal identificatienummer: PW548083D (Brits nationaal verzekeringsnummer). Overige informatie: woonachtig in het Verenigd Koninkrijk (situatie januari 2009). Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 7.2.2006.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/9


VERORDENING (EU) Nr. 1140/2010 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2010

tot vaststelling van de verdeling, voor het verkoopseizoen 2010/2011, van 5 000 ton korte vlasvezels en hennepvezels in de vorm van gegarandeerde nationale hoeveelheden over Denemarken, Griekenland, Ierland, Italië en Luxemburg

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 95 juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 507/2008 van de Commissie van 6 juni 2008 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1673/2000 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en -hennep (2) dient de in artikel 94, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 voor het verkoopseizoen 2010/2011 bedoelde verdeling van 5 000 ton korte vlasvezels en hennepvezels in de vorm van gegarandeerde nationale hoeveelheden te worden uitgevoerd vóór 16 november van het lopende verkoopseizoen.

(2)

In dat verband heeft Denemarken de Commissie in kennis gesteld van de oppervlakten die vallen onder een aankoop-verkoopcontract, een verwerkingsverbintenis of een contract voor loonverwerking, en van een schatting van de opbrengsten aan stro en vezels van vlas en hennep.

(3)

In Italië, Griekenland, Ierland en Luxemburg daarentegen zullen in het verkoopseizoen 2010/2011 geen vlas- en hennepvezels worden geproduceerd.

(4)

Uit de meegedeelde schattingen van de opbrengsten blijkt dat de totale productie in de vijf betrokken lidstaten onder de hun toegewezen totale hoeveelheid van 5 000 ton zal blijven, zodat de gegarandeerde nationale hoeveelheden moeten worden vastgesteld zoals hierna is aangegeven.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het verkoopseizoen 2010/2011 wordt de in artikel 94, lid 1 bis, juncto bijlage XI, punt A.II, onder b), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde verdeling in de vorm van gegarandeerde nationale hoeveelheden vastgesteld als volgt:

Denemarken

84 ton;

Griekenland

0 ton;

Ierland

0 ton;

Italië

0 ton;

Luxemburg

0 ton.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 16 november 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 149 van 7.6.2008, blz. 38.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/10


VERORDENING (EU) Nr. 1141/2010 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2010

tot vaststelling van de procedure voor de verlenging van de opneming van een tweede groep werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot opstelling van de lijst van die stoffen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat de opneming van een werkzame stof op verzoek kan worden verlengd.

(2)

De Commissie heeft van verscheidene producenten brieven ontvangen met het verzoek om verlenging van de opneming van werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, waarvan de opnemingstermijn in 2011 en 2012 verstrijkt.

(3)

Er moet worden voorzien in een procedure voor de indiening en de beoordeling van de aanvragen om verlenging van de opneming van die werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG.

(4)

Er moeten termijnen voor de verschillende stappen van die procedure worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat zij snel worden uitgevoerd.

(5)

De producenten die de opneming van de onder deze verordening vallende werkzame stoffen wensen te verlengen, moeten bij de desbetreffende rapporterende lidstaat een aanvraag indienen.

(6)

Wanneer twee of meer aanvragen voor dezelfde werkzame stof zijn ingediend en aan de eisen voldoen, moeten de rapporterende lidstaten de bijgewerkte contactgegevens van elke aanvrager aan de andere aanvragers meedelen om de indiening van gezamenlijke dossiers te vergemakkelijken en zo mogelijk doublures van onderzoeken te vermijden waarbij gewervelde dieren zijn betrokken.

(7)

Met het oog op de doeltreffendheid van de verlengingsprocedures moeten de rapporterende lidstaten vóór de indiening van de dossiers een vergadering beleggen om de laatste stand van de kennis in verband met de werkzame stof te bespreken en na te gaan of de voor de eerste opneming ingediende dossiers moeten worden bijgewerkt en hoe dat, zo nodig, moet geschieden.

(8)

De voor de verlenging ingediende dossiers moeten voor de werkzame stof relevante nieuwe gegevens en nieuwe risicobeoordelingen omvatten om rekening te kunnen houden met eventuele wijzigingen in de te verstrekken gegevens en eventuele wijzigingen in de wetenschappelijke en technische kennis sinds de werkzame stof voor het eerst werd opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, zoals aangegeven in de door de Commissie gepubliceerde richtsnoeren en de desbetreffende adviezen van het Wetenschappelijk Comité voor planten van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA). De ingediende toepassingen moeten representatief zijn voor het gebruik van de werkzame stof. De aanvrager moet op grond van de ingediende gegevens aantonen dat voor een of meer preparaten aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG zal worden voldaan.

(9)

De aanvragers moeten een afzonderlijke lijst verstrekken van onderzoeken naar gewervelde dieren die tezamen met het dossier zullen worden ingediend en de rapporterende lidstaten moeten deze lijsten op verzoek ter beschikking stellen ter bevordering van vroegtijdige discussies over de uitwisseling van gegevens over gewervelde dieren om doublures van onderzoeken naar gewervelde dieren te vermijden.

(10)

Bij de evaluaties moet rekening worden gehouden met de door derde partijen binnen de relevante termijn ingediende technische of wetenschappelijke informatie over een werkzame stof, met name over de mogelijk gevaarlijke uitwerkingen daarvan. De aanvragers moeten in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen over deze informatie te maken.

(11)

De door de rapporterende lidstaten opgestelde beoordelingsverslagen in verband met de verlenging van de opneming kunnen zo nodig op verzoek van de Commissie worden onderworpen aan een door de EFSA georganiseerde toetsing door deskundigen voordat zij bij het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid worden ingediend.

(12)

De voorschriften inzake gegevensbescherming van artikel 13 van Richtlijn 91/414/EEG zijn bedoeld als stimulans voor de aanvragers om de krachtens de bijlagen II en III bij die richtlijn vereiste gedetailleerde onderzoeken te verzamelen. De gegevensbescherming mag echter niet kunstmatig worden uitgebreid door het overleggen van nieuwe onderzoeken die niet nodig zijn om een besluit te nemen over de verlenging van de opneming van een werkzame stof. Daartoe moeten de aanvragers worden verplicht om uitdrukkelijk aan te geven welke onderzoeken nieuw zijn in vergelijking met het oorspronkelijke dossier dat is gebruikt voor de eerste opneming van de stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG en om hun aanvraag te motiveren.

(13)

In het licht van de bijzondere situatie waarbij delen van de verlengingsprocedure nog plaatsvinden in het kader van Richtlijn 91/414/EEG, terwijl de besluiten over de verlengingen worden genomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (2), worden de aanvragers aangemoedigd om, wat de vorm van de bijwerkingsverklaring en de vorm en de inhoud van het dossier betreft, bijzondere aandacht te besteden aan de door de Commissie gepubliceerde richtsnoeren.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze verordening stelt de procedure vast voor de verlenging van de opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de in bijlage I bij deze verordening vermelde werkzame stoffen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)   „producent”: de persoon die de werkzame stof zelf produceert of de productie daarvan uitbesteedt aan een andere partij of een persoon die door de producent is aangewezen als zijn enige vertegenwoordiger voor de naleving van deze verordening;

b)   „aanvrager”: een producent die een aanvraag indient voor de verlenging van de opneming van een werkzame stof, bedoeld in kolom A van bijlage I;

c)   „rapporterende lidstaat”: de lidstaat die een werkzame stof evalueert, als vermeld in kolom B van bijlage I voor de respectieve werkzame stof;

d)   „mederapporterende lidstaat”: een lidstaat die meewerkt aan de door de rapporterende lidstaat uitgevoerde evaluatie, als vermeld in kolom C van bijlage I voor de respectieve werkzame stof;

e)   „opneming”: opneming van een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG;

f)   „verlenging”: verlenging van de opneming van een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG.

Artikel 3

Coördinerende autoriteit van de lidstaat

Elke lidstaat wijst een autoriteit aan, hierna „de coördinerende autoriteit” genoemd, die coördineert en zorgt voor de contacten met de aanvragers, de andere lidstaten, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, hierna „EFSA” genoemd, overeenkomstig deze verordening. Elke lidstaat deelt de naam en de contactgegevens van zijn coördinerende autoriteit en eventuele wijzigingen aan de Commissie mee.

De Commissie publiceert een lijst met de namen en de contactgegevens van de coördinerende autoriteiten van de lidstaten. Zij werkt deze lijst bij op grond van de aan haar meegedeelde wijzigingen.

Artikel 4

Indiening van aanvragen

1.   Een producent die de opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van een in kolom A van bijlage I bij deze verordening bedoelde werkzame stof of varianten daarvan wil verlengen, dient uiterlijk op 28 maart 2011 voor elke werkzame stof afzonderlijk een aanvraag bij de rapporterende lidstaat en de mederapporterende lidstaat in.

2.   Bij de indiening van een aanvraag kan de aanvrager overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG verzoeken bepaalde delen van de informatie vertrouwelijk te behandelen. Hij dient deze delen van de aanvraag afzonderlijk in met een opgave van de redenen voor het verzoek om die delen vertrouwelijk te behandelen.

Tegelijkertijd dient de aanvrager verzoeken om gegevensbescherming in overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 91/414/EEG.

3.   De aanvrager stuurt een kopie van de aanvraag, zonder de in artikel 5, lid 2, bedoelde bijwerkingsverklaring, naar de Commissie en de EFSA.

4.   Wanneer verscheidene producenten de opneming van dezelfde werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG willen verlengen, kan een gezamenlijke aanvraag door een gezamenlijke vertegenwoordiger worden ingediend.

5.   Zo nodig wordt bij indiening van een aanvraag een vergoeding, als bedoeld in artikel 19, betaald.

Artikel 5

Vorm en inhoud van de aanvraag

1.   Er wordt een aanvraag ingediend in de vorm die in bijlage II is vastgesteld.

2.   In de aanvraag worden de delen van de voor de eerste opneming van de werkzame stof ingediende dossiers aangegeven die met nieuwe informatie moeten worden bijgewerkt.

Hierna wordt dat deel van de aanvraag „de bijwerkingsverklaring” genoemd.

3.   In de bijwerkingsverklaring wordt de nieuwe informatie vermeld die de aanvrager voornemens is in te dienen en wordt aangetoond dat deze informatie nodig is wegens de gegevensvereisten of criteria die op het tijdstip van de eerste opneming van de werkzame stof niet van toepassing waren of wegens veranderingen in de representatieve toepassingen of omdat de aanvraag betrekking heeft op een gewijzigde verlenging.

De bijwerkingsverklaring bevat een afzonderlijke lijst van de nieuwe onderzoeken die de aanvrager voornemens is in verband met gewervelde dieren in te dienen.

4.   Op verzoek van een belanghebbende partij stelt de rapporterende lidstaat de door de aanvrager verstrekte informatie, als bedoeld in lid 3, ter beschikking.

Artikel 6

Controle van de aanvraag

1.   Binnen één maand na ontvangst van de aanvraag controleert de rapporterende lidstaat of de aanvraag voldoet aan de eisen van de artikelen 4 en 5.

2.   Wanneer de rapporterende lidstaat van oordeel is dat de aanvraag voldoet aan de eisen van de artikelen 4 en 5, stelt hij binnen de in lid 1 vastgestelde termijn van één maand, de aanvrager, de Commissie en de EFSA in kennis van de datum van ontvangst en het feit dat de aanvraag aan de eisen voldoet.

3.   Wanneer de rapporterende lidstaat van oordeel is dat de aanvraag niet voldoet aan de eisen van de artikelen 4 en 5, stelt hij binnen de in lid 1 vastgestelde termijn van één maand, de aanvrager in kennis van de datum van ontvangst en geeft hij aan aan welke eisen niet is voldaan. Tegelijkertijd wordt de aanvrager een termijn van 14 dagen gegeven om zijn aanvraag in overeenstemming te brengen met de eisen. Die termijn verlengt de in lid 1 vastgestelde termijn van één maand. Wanneer aan het einde van de termijn om de aanvraag in overeenstemming te brengen met de eisen de rapporterende lidstaat van oordeel is dat de aanvraag voldoet aan de eisen van de artikelen 4 en 5, is lid 2 van toepassing.

Wanneer aan het einde van de termijn om de aanvraag in overeenstemming te brengen met de eisen de rapporterende lidstaat van oordeel is dat de aanvraag nog niet voldoet aan de eisen van de artikelen 4 en 5, stelt hij onder opgave van redenen de aanvrager, de Commissie en de EFSA hiervan onmiddellijk in kennis.

Bij ontvangst van de mededeling van de rapporterende lidstaat besluit de Commissie, rekening houdend met het standpunt van de rapporterende lidstaat, of de aanvraag aan de eisen van de artikelen 4 en 5 voldoet en stelt zij de rapporterende lidstaat, de andere lidstaten en de EFSA in kennis van haar besluit. De rapporterende lidstaat stelt de aanvrager onmiddellijk in kennis van dat besluit.

4.   Wanneer voor een werkzame stof geen aanvraag aan de eisen van de artikelen 4 en 5 voldoet, wordt de werkzame stof overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG uit bijlage I bij die richtlijn verwijderd. Er wordt voorzien in de niet-opneming daarvan en de intrekking van de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen welke die werkzame stof bevatten.

5.   Wanneer twee of meer aanvragen voor dezelfde werkzame stof afzonderlijk zijn ingediend en elke aanvraag naar het oordeel van de rapporterende lidstaat aan de eisen van de artikelen 4 en 5 voldoet, deelt de rapporterende lidstaat de contactgegevens van elke aanvrager aan de andere aanvragers mee.

6.   De Commissie maakt voor elke werkzame stof de namen en de adressen bekend van de aanvragers wier aanvragen naar haar oordeel aan de eisen van de artikelen 4 en 5 voldoen.

Artikel 7

Contacten vóór de indiening

Wanneer een aanvraag aan de eisen van de artikelen 4 en 5 voldoet, kan de aanvrager verzoeken om een bijeenkomst met de rapporterende lidstaat en de mederapporterende lidstaat om de bijwerkingsverklaring te bespreken. Als om dergelijke contacten wordt gevraagd, vinden deze plaats vóór de indiening van de aanvullende dossiers, als vastgesteld in artikel 9.

Artikel 8

Toegang tot de aanvraag

Op verzoek stelt de rapporterende lidstaat de aanvraag ter beschikking van belanghebbende partijen, met uitzondering van informatie waarvoor is verzocht om een vertrouwelijke behandeling, die is gerechtvaardigd overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG.

Artikel 9

Indiening van aanvullende dossiers

1.   Wanneer de rapporterende lidstaat de aanvrager overeenkomstig artikel 6, lid 2, ervan in kennis heeft gesteld dat zijn aanvraag aan de eisen van de artikelen 4 en 5 voldoet, dient de aanvrager bij de rapporterende lidstaat en de mederapporterende lidstaat een aanvullend beknopt dossier en een aanvullend volledig dossier in, hierna „de aanvullende dossiers” genoemd. De aanvullende dossiers worden toegevoegd aan de voor de eerste opneming ingediende dossiers met latere bijwerkingen, hierna „de oorspronkelijke dossiers” genoemd.

2.   De inhoud van de aanvullende dossiers moet voldoen aan artikel 10.

3.   De aanvullende dossiers worden ingediend vóór de in kolom D van bijlage I voor de respectieve werkzame stof vastgestelde datum.

4.   Op verzoek van de EFSA of een lidstaat stelt de aanvrager de oorspronkelijke dossiers ter beschikking, wanneer deze toegang daartoe heeft.

5.   Wanneer meer dan één aanvrager om verlenging voor dezelfde werkzame stof vraagt, nemen die aanvragers alle redelijke stappen om hun dossiers gezamenlijk in te dienen. Wanneer de dossiers niet gezamenlijk door alle betrokken aanvragers worden ingediend, worden de redenen daarvoor in de dossiers opgegeven. Voor elk onderzoek waarbij gewervelde dieren zijn betrokken, verstrekken de betrokken aanvragers nadere bijzonderheden over de pogingen om doublures bij de uitvoering van de proeven te vermijden en rechtvaardigen zij zo nodig de noodzaak van de uitvoering van een onderzoek in duplo.

Artikel 10

Inhoud van de aanvullende dossiers

1.   Het aanvullende beknopte dossier omvat:

a)

een kopie van de aanvraag; wanneer een andere aanvrager zich bij de aanvrager aansluit, de naam en het adres van die aanvrager en van de gezamenlijke vertegenwoordiger, als bedoeld in artikel 4, lid 4; wanneer de aanvrager wordt vervangen door een andere aanvrager, de naam en het adres van die aanvrager;

b)

informatie over één of meer representatieve toepassingen van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat op een veel voorkomende teelt, waaruit blijkt dat aan de opnemingseisen van artikel 5, leden 1 en 2, van Richtlijn 91/414/EEG is voldaan; wanneer de ingediende informatie geen betrekking heeft op een veel voorkomende teelt, wordt een rechtvaardiging verstrekt;

c)

gegevens en risicobeoordelingen die geen deel uitmaakten van de oorspronkelijke dossiers en die nodig zijn om de veranderingen aan te geven in:

i)

de eisen uit hoofde van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG,

ii)

de wetenschappelijke en technische kennis sinds de eerste opneming van de desbetreffende werkzame stof of

iii)

representatieve toepassingen;

d)

voor elk punt van de eisen voor de werkzame stof, als vastgesteld in bijlage II bij Richtlijn 91/414/EEG, waarvoor nieuwe gegevens nodig zijn in de zin van punt c), de samenvattingen en resultaten van proeven en onderzoeken, de naam van de eigenaar en de persoon of instelling die deze hebben uitgevoerd en de reden waarom elke proef of elk onderzoek nodig is in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis of met het oog op een gewijzigde verlenging;

e)

voor elk punt van de eisen voor het gewasbeschermingsmiddel, als vastgesteld in bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG, waarvoor nieuwe gegevens nodig zijn in de zin van punt c), de samenvattingen en resultaten van proeven en onderzoeken, de naam van de eigenaar en de persoon of instelling die deze proeven en onderzoeken hebben uitgevoerd, voor een of meer gewasbeschermingsmiddelen die representatief zijn voor de ondersteunde toepassingen, en de reden waarom elke proef of elk onderzoek nodig is in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis of met het oog op een gewijzigde verlenging van de werkzame stof;

f)

voor elke proef of elk onderzoek waarbij gewervelde dieren betrokken zijn, een beschrijving van de genomen stappen om dierproeven en doublures van proeven en onderzoeken op gewervelde dieren te voorkomen;

g)

indien van toepassing, een kopie van een aanvraag voor maximumresidugehalten, als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (3);

h)

een beoordeling van alle ingediende informatie;

i)

een controlelijst waaruit blijkt dat de in lid 3 bedoelde aanvullende dossiers volledig zijn, onder vermelding van de gegevens die nieuw zijn.

2.   De in lid 1, onder b), bedoelde toepassingen omvatten zo nodig de voor de eerste opneming geëvalueerde toepassingen. Ten minste één onder b) bedoeld gewasbeschermingsmiddel bevat geen andere werkzame stof, wanneer een dergelijk middel voor een representatieve toepassing bestaat.

3.   De volledige aanvullende dossiers bevatten de volledige tekst van elk verslag over de proeven en onderzoeken, als bedoeld in lid 1, onder d) en e).

Artikel 11

Controle van de aanvullende dossiers

1.   Binnen één maand na ontvangst van de aanvullende dossiers controleert de rapporterende lidstaat of de aanvullende dossiers zijn ingediend vóór de in kolom D van bijlage I voor de respectieve werkzame stof vastgestelde datum en of zij alle in artikel 10, leden 1 en 3, genoemde elementen bevatten, onder gebruikmaking van de in artikel 10, lid 1, onder i), bedoelde controlelijst.

2.   Wanneer de aanvullende dossiers vóór de van toepassing zijnde datum zijn ingediend en alle in artikel 10, leden 1 en 3, genoemde elementen bevatten, stelt de rapporterende lidstaat de aanvrager, de Commissie en de EFSA binnen de in lid 1 vastgestelde termijn in kennis van de datum van ontvangst en van het feit dat de dossiers als volledig worden beschouwd.

De rapporterende lidstaat begint dan met de beoordeling van de werkzame stof.

3.   Wanneer de aanvullende dossiers niet vóór de van toepassing zijnde datum zijn ingediend of niet alle in artikel 10, leden 1 en 3, genoemde elementen bevatten, stelt de rapporterende lidstaat de aanvrager binnen de in lid 1 vastgestelde termijn in kennis van de datum van ontvangst en geeft hij aan welke elementen ontbreken. Tegelijkertijd wordt de aanvrager een termijn van 14 dagen gegeven om zijn dossier in overeenstemming te brengen met de eisen. Die termijn verlengt de in lid 1 vastgestelde termijn van één maand.

Wanneer aan het einde van de termijn om de aanvullende dossiers in overeenstemming te brengen met de eisen de dossiers alle in artikel 10, leden 1 en 3, genoemde elementen bevatten, is lid 2 van toepassing.

Wanneer aan het einde van de termijn om de aanvullende dossiers in overeenstemming te brengen met de eisen, de dossiers nog niet alle in artikel 10, leden 1 en 3, genoemde elementen bevatten, stelt de rapporterende lidstaat de aanvrager, de Commissie en de EFSA er onmiddellijk van in kennis dat de aanvraag wordt afgewezen onder opgave van de redenen voor dit besluit.

4.   Wanneer voor een werkzame stof geen aanvullende dossiers die aan de eisen van artikel 10, leden 1 en 3, voldoen overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG vóór de van toepassing zijnde datum zijn ingediend, wordt de werkzame stof uit bijlage I bij die richtlijn verwijderd. Er wordt voorzien in de niet-opneming daarvan en de intrekking van de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen welke die werkzame stof bevatten.

Artikel 12

Intrekking van de aanvraag en vervanging van de aanvrager

1.   Een aanvrager kan zijn aanvraag intrekken door de rapporterende lidstaat daarvan in kennis te stellen. In dat geval stelt de aanvrager tegelijkertijd de mederapporterende lidstaat, de Commissie, de EFSA en andere aanvragers die een aanvraag voor dezelfde werkzame stof hebben ingediend, in kennis van de intrekking.

2.   Een aanvrager kan worden vervangen door een andere producent ten aanzien van al zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze verordening door de rapporterende lidstaat hiervan in kennis te stellen via een gezamenlijke verklaring van de aanvrager en de andere producent. In dat geval stellen de aanvrager en de andere producent tegelijkertijd de mederapporterende lidstaat, de Commissie, de EFSA en andere aanvragers die een aanvraag voor dezelfde werkzame stof hebben ingediend, in kennis van de vervanging.

3.   Wanneer een aanvrager zijn aanvraag intrekt en wanneer geen andere aanvraag is ingediend voor dezelfde werkzame stof die voldoet aan de eisen van de artikelen 4, 5, 9 en 10, wordt de werkzame stof verwijderd uit bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Er wordt voorzien in de niet-opneming daarvan en de intrekking van de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen welke die werkzame stof bevatten.

4.   Lid 3 is niet van toepassing wanneer verscheidene aanvragers hun dossiers gezamenlijk hebben ingediend en niet al deze aanvragers hun aanvraag hebben ingetrokken. In dit geval wordt de procedure voor de verlenging van de opneming van de werkzame stof voortgezet op grond van de ingediende dossiers.

Artikel 13

Indiening van informatie door derden

Een persoon of een lidstaat die informatie wenst in te dienen die aan de beoordeling kan bijdragen, met name betreffende de mogelijk gevaarlijke uitwerkingen van de werkzame stof of de residuen daarvan op de gezondheid van mens of dier en het milieu, dient die informatie bij de rapporterende lidstaat in vóór de voor de respectieve werkzame stof in kolom D van bijlage I vastgestelde datum.

De rapporterende lidstaat deelt de ontvangen informatie onverwijld mee aan de mederapporterende lidstaat, de EFSA en de aanvrager. De aanvrager kan zijn opmerkingen over de ingediende informatie uiterlijk twee maanden na ontvangst aan de rapporterende lidstaat en de andere betrokken partijen toezenden.

Artikel 14

Beoordeling door de rapporterende lidstaat en de mederapporterende lidstaat

1.   Binnen elf maanden nadat de aanvrager ervan in kennis is gesteld dat de aanvullende dossiers als volledig worden beschouwd overeenkomstig artikel 11, lid 2, stelt de rapporterende lidstaat na raadpleging van de mederapporterende lidstaat een verslag op en dient dit met een kopie aan de EFSA bij de Commissie in. In dit verslag wordt beoordeeld of verwacht kan worden dat de werkzame stof blijft voldoen aan de opnemingseisen, als vastgesteld in artikel 5, leden 1 en 2, van Richtlijn 91/414/EEG. Het verslag wordt hierna „het beoordelingsverslag over de verlenging” genoemd.

Het beoordelingsverslag over de verlenging bevat ook het volgende:

a)

een aanbeveling over de verlenging van de opneming;

b)

zo nodig, een suggestie voor vast te stellen maximumresidugehalten;

c)

een conclusie over welke in de aanvullende dossiers opgenomen nieuwe onderzoeken relevant voor de beoordeling zijn;

d)

een aanbeveling over de delen van het verslag waarover een raadpleging van deskundigen moet worden georganiseerd overeenkomstig artikel 16, lid 2;

e)

de punten waarover de mederapporterende lidstaat het niet met de beoordeling van de rapporterende lidstaat eens was, indien van toepassing.

2.   Bij de beoordeling houdt de rapporterende lidstaat rekening met de aanvullende dossiers, de door derden ingediende informatie, de opmerkingen over de van de aanvrager ontvangen informatie en, indien van toepassing, de oorspronkelijke dossiers.

3.   Indien de rapporterende lidstaat nadere informatie nodig heeft, stelt hij een termijn vast waarbinnen de aanvrager die informatie moet verstrekken. Die termijn mag niet leiden tot een verlenging van de in lid 1 vastgestelde termijn van elf maanden.

4.   De rapporterende lidstaat kan de EFSA raadplegen en verzoeken om aanvullende technische of wetenschappelijke informatie van andere lidstaten. Die raadplegingen en verzoeken mogen niet leiden tot een verlenging van de in lid 1 vastgestelde termijn van elf maanden.

5.   Informatie die door de aanvrager wordt verstrekt zonder dat hij daarom is verzocht, of na het verstrijken van de termijn voor de indiening van de informatie overeenkomstig lid 3, eerste alinea, mag niet in beschouwing worden genomen, tenzij zij is ingediend overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 91/414/EEG.

6.   Bij de indiening van het beoordelingsverslag over de verlenging bij de Commissie verzoekt de rapporterende lidstaat de aanvrager om het aanvullende beknopte dossier in te dienen, dat is bijgewerkt met de nadere informatie waarom de rapporterende lidstaat overeenkomstig lid 3 heeft verzocht of die overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 91/414/EEG bij de EFSA, de andere lidstaten en, op verzoek, bij de Commissie is ingediend.

Artikel 15

Opmerkingen over het beoordelingsverslag over de verlenging en toegang tot dat verslag en de aanvullende beknopte dossiers

1.   Na ontvangst van het beoordelingsverslag over de verlenging deelt de EFSA dit onmiddellijk voor eventuele opmerkingen aan de aanvrager en de lidstaten mee. Deze opmerkingen moeten binnen twee maanden worden meegedeeld aan de EFSA die deze opmerkingen, waaronder de hare, verzamelt en aan de Commissie overlegt.

2.   Op verzoek stelt de EFSA het beoordelingsverslag over de verlenging ter beschikking van belanghebbende partijen, met uitzondering van informatie waarvoor is verzocht om een vertrouwelijke behandeling, die is gerechtvaardigd overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG.

3.   De EFSA maakt het aanvullende beknopte dossier bekend, met uitzondering van de delen waarvoor is verzocht om een vertrouwelijke behandeling, die is gerechtvaardigd overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG.

Artikel 16

Evaluatie van het beoordelingsverslag over de verlenging

1.   De Commissie onderzoekt onverwijld het beoordelingsverslag over de verlenging en de ontvangen opmerkingen overeenkomstig artikel 15, lid 1.

2.   De Commissie kan de EFSA raadplegen en haar verzoeken om een conclusie over de volledige risicobeoordeling of specifieke punten daarvan. Deze raadpleging kan een verzoek om de organisatie van overleg met deskundigen omvatten. De EFSA maakt gebruik van de op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening beschikbare richtsnoeren.

De EFSA dient haar conclusie uiterlijk zes maanden na ontvangst van het verzoek in.

Wanneer lid 3 van toepassing is, wordt die termijn verlengd met de in de eerste en de tweede alinea van dat lid bedoelde termijnen.

3.   Wanneer de EFSA van oordeel is dat nadere informatie of gegevens van de aanvrager nodig zijn voor het inwilligen van een verzoek van de Commissie overeenkomstig lid 2, stelt zij in overleg met de rapporterende lidstaat een termijn van maximaal één maand vast waarbinnen de aanvrager deze informatie moet verstrekken. Zij stelt tegelijkertijd de Commissie en de lidstaten daarvan in kennis. De aanvrager deelt de gevraagde informatie mee aan de EFSA, de rapporterende lidstaat en de mederapporterende lidstaat.

De rapporterende lidstaat evalueert de ontvangen informatie binnen twee maanden na ontvangst daarvan en legt zijn evaluatie aan de EFSA voor.

4.   Informatie die door de aanvrager wordt verstrekt zonder dat hij daarom is verzocht, of na het verstrijken van de termijn voor de indiening van de informatie overeenkomstig lid 3, eerste alinea, mag niet in beschouwing worden genomen, tenzij zij is ingediend overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 91/414/EEG.

Artikel 17

Evaluatieverslag en indiening van ontwerpbesluiten

1.   De Commissie stelt een evaluatieverslag op, hierna „het evaluatieverslag” genoemd, rekening houdend met het door de rapporterende lidstaat ingediende beoordelingsverslag over de verlenging, de in artikel 15, lid 1, bedoelde opmerkingen en, indien van toepassing, de conclusie van de EFSA.

De aanvrager krijgt de mogelijkheid om binnen een door de Commissie vastgestelde termijn opmerkingen over het ontwerpevaluatieverslag in te dienen.

De Commissie legt aan het in artikel 19, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde comité het ontwerpevaluatieverslag voor binnen zes maanden na ontvangst van de in artikel 15, lid 1, bedoelde opmerkingen of, wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 2, de EFSA heeft geraadpleegd, na ontvangst van de conclusie van de EFSA.

2.   Op grond van het evaluatieverslag en rekening houdend met de opmerkingen die door de aanvrager zijn ingediend binnen de door de Commissie overeenkomstig lid 1, tweede alinea vastgestelde termijn, dient de Commissie bij het comité de volgende stukken in:

a)

een ontwerpbesluit tot verlenging van de opneming van de desbetreffende werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, waarin zo nodig de voorwaarden en beperkingen, waaronder de termijn voor die opneming zijn aangegeven; of

b)

een ontwerpbesluit tot verwijdering van de werkzame stof uit bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG en tot vaststelling van de niet-opneming en de intrekking van de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen welke die werkzame stof bevatten.

3.   De in lid 2 bedoelde ontwerpbesluiten worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 19, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG.

Artikel 18

Toegang tot het evaluatieverslag

De Commissie maakt het evaluatieverslag bekend, met uitzondering van de delen waarvoor is verzocht om een vertrouwelijke behandeling, die is gerechtvaardigd overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG.

Artikel 19

Vergoedingen en heffingen

1.   Lidstaten kunnen de kosten veroorzaakt door werkzaamheden die zij binnen de werkingssfeer van deze verordening uitvoeren, via vergoedingen of heffingen terugvorderen.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde vergoedingen of heffingen:

a)

op transparante wijze worden vastgesteld; en

b)

overeenstemmen met de daadwerkelijke totale kosten van de verrichte werkzaamheden, tenzij het algemeen belang is gediend met een verlaging van de vergoedingen of heffingen.

De vergoedingen of heffingen kunnen bestaan uit een lijst met vaste heffingen die gebaseerd zijn op de gemiddelde kosten van de in lid 1 bedoelde werkzaamheden.

Artikel 20

Andere belastingen, heffingen of vergoedingen

Artikel 19 laat de rechten van de lidstaten onverlet om in overeenstemming met het Verdrag andere belastingen, heffingen of vergoedingen met betrekking tot de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van en de controle op werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen te handhaven of in te voeren dan de in artikel 19 bedoelde vergoeding.

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(3)  PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.


BIJLAGE I

Lijst van werkzame stoffen, als bedoeld in artikel 1, en de rapporterende lidstaten (RLS), de mederapporterende lidstaten (MRLS) en de einddata voor de indiening van de dossiers

Kolom A

 

Kolom B

Kolom C

Kolom D

Stof

Nieuwe RLS

MRLS

Uiterste termijn voor de indiening van het dossier

2,4-D

2012

EL

PL

29 februari 2012

Amitrool

2011

FR

HU

29 februari 2012

Esfenvaleraat

2011

UK

PT

29 februari 2012

Flumioxazine

2012

CZ

FR

29 februari 2012

Lambda-cyhalothrine

2011

SE

ES

29 februari 2012

Acibenzolar-S-methyl

2011

FR

ES

29 februari 2012

Bentazon

2011

NL

DE

29 februari 2012

Cyclanilide

2011

AT

EL

29 februari 2012

Fenhexamid

2011

UK

IT

29 februari 2012

IJzer(III)fosfaat

2011

DE

PL

29 februari 2012

Pymetrozine

2011

DE

BE

29 februari 2012

Flupyrsulfuron-methyl

2011

FR

DK

31 mei 2012

Diquat

2011

UK

SE

31 mei 2012

Glyfosaat

2012

DE

SK

31 mei 2012

Iprovalicarb

2012

IE

IT

31 mei 2012

Paecilomyces fumosoroseus

2011

BE

NL

31 mei 2012

Thiabendazool

2011

ES

NL

31 mei 2012

Pyridaat

2011

AT

LV

31 mei 2012

Sulfosulfuron

2012

SE

IE

31 mei 2012

Pyraflufen-ethyl

2011

NL

LT

31 mei 2012

Prosulfuron

2012

FR

SK

31 mei 2012

Thifensulfuron-methyl

2012

UK

AT

31 augustus 2012

Cinidon-ethyl

2012

HU

UK

31 augustus 2012

Cyhalofop-butyl

2012

IT

AT

31 augustus 2012

Florasulam

2012

PL

BE

31 augustus 2012

Metalaxyl-M

2012

BE

EL

31 augustus 2012

Picolinafen

2012

DE

LV

31 augustus 2012

Isoproturon

2012

DE

CZ

31 augustus 2012

Metsulfuronmethyl

2011

SI

SE

31 augustus 2012

Triasulfuron

2011

FR

DK

31 augustus 2012

Famoxadone

2012

UK

FI

31 augustus 2012


BIJLAGE II

Vorm van de aanvraag, als bedoeld in artikel 5, lid 1

De door de aanvrager ondertekende aanvraag wordt schriftelijk ingediend en per aangetekende brief toegestuurd naar de in kolom B van bijlage I vermelde rapporterende lidstaat en de in kolom C van bijlage I vermelde mederapporterende lidstaat.

Een kopie van de aanvraag zonder de bijwerkingsverklaring wordt toegestuurd aan de Commissie, DG Gezondheid en consumenten, Eenheid E3, 1049 Brussel, BELGIË, en aan de EFSA, European Food Safety Authority, Largo N. Palli 5/A, 43121 Parma, ITALIË.

De aanvraag wordt ingediend overeenkomstig het volgende model.

MODEL

1.   Informatie over de aanvrager

1.1.

Naam en adres van de aanvrager, met vermelding van de naam van de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de aanvraag en de nakoming van de verdere uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen:

1.2.1.

 

a)

Telefoonnr.:

b)

Faxnr.:

c)

E-mailadres:

1.2.2.

 

a)

Contactpersoon:

b)

Andere contactpersoon:

2.   Identificatiegegevens

2.1.

Gebruikelijke benaming (voorgesteld of goedgekeurd als ISO-naam), in voorkomend geval onder vermelding van de door de fabrikant geproduceerde varianten daarvan zoals zouten, esters of aminen.

2.2.

Chemische benaming (IUPAC- en CAS-nomenclatuur).

2.3.

CAS-, CIPAC- en EEG-nummers (indien beschikbaar).

2.4.

Empirische formule of structuurformule, moleculaire massa.

2.5.

Specificatie van de zuiverheid van de werkzame stof in g/kg die zoveel mogelijk identiek moet zijn aan of reeds zijn goedgekeurd als gelijkwaardig met die welke is opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG.

2.6.

Indeling en etikettering van de werkzame stof overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (1) (gezondheids- en milieueffecten).

Een bijwerkingsverklaring, als bedoeld in artikel 5, lid 2, wordt als bijlage bij de aanvraag gevoegd.

De aanvrager bevestigt dat de bovenstaande informatie, ingediend op … (datum) juist is.

Handtekening (van de persoon die bevoegd is om voor de in punt 1.1 vermelde aanvrager op te treden).


(1)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/20


VERORDENING (EU) Nr. 1142/2010 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2010

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1266/2007 wat betreft de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen betreffende de voorwaarden waaronder bepaalde dieren worden vrijgesteld van het verplaatsingsverbod overeenkomstig Richtlijn 2000/75/EG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/75/EG van de Raad van 20 november 2000 tot vaststelling van specifieke bepalingen inzake de bestrijding en uitroeiing van bluetongue (1), en met name artikel 9, lid 1, onder c), de artikelen 11 en 12, en artikel 19, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1266/2007 van de Commissie van 26 oktober 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Richtlijn 2000/75/EG van de Raad wat betreft verplaatsingen van bepaalde dieren van vatbare soorten in verband met bluetongue (2) voorziet in bepalingen inzake bestrijding, monitoring, surveillance en beperkingen op de verplaatsingen van die dieren, in verband met bluetongue, binnen en uit de beperkingsgebieden.

(2)

Artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1266/2007 bevat voorwaarden voor de vrijstelling van het verplaatsingsverbod als bedoeld in Richtlijn 2000/75/EG. Overeenkomstig artikel 8, lid 1, van die verordening worden verplaatsingen van dieren en sperma, eicellen en embryo’s daarvan van een bedrijf of spermawinnings- of opslagcentrum dat is gelegen in een beperkingsgebied, naar een ander bedrijf of spermawinnings- of opslagcentrum vrijgesteld van het krachtens Richtlijn 2000/75/EG ingestelde verbod, mits de dieren en sperma, eicellen en embryo’s daarvan voldoen aan de voorwaarden van bijlage III bij die verordening of aan andere adequate diergezondheidsgaranties op grond van een positieve uitkomst van een risicobeoordeling van de maatregelen tegen de verspreiding van het bluetonguevirus en ter bescherming tegen vectoren, die vóór de verplaatsing van de dieren door de bevoegde autoriteit van de plaats van herkomst worden voorgeschreven en door de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming worden goedgekeurd.

(3)

Artikel 9 bis van Verordening (EG) nr. 1266/2007 bepaalt dat in afwijking van de voorwaarden van bijlage III bij die verordening de lidstaten van bestemming op basis van de resultaten van een risicobeoordeling waarin rekening wordt gehouden met de entomologische en epidemiologische omstandigheden waaronder de dieren worden binnengebracht, tot en met 31 december 2010 mogen eisen dat bij de verplaatsing van dieren die onder de uitzondering van artikel 8, lid 1, van die verordening vallen, aan aanvullende voorwaarden wordt voldaan. Die aanvullende voorwaarden zijn dat de dieren jonger moeten zijn dan 90 dagen, dat zij sinds hun geboorte afgeschermd moeten zijn tegen vectoren en dat zij aan bepaalde in bijlage III bij die verordening bedoelde tests moeten zijn onderworpen.

(4)

Vijftien lidstaten en Noorwegen hebben de Commissie ervan in kennis gesteld dat zij die overgangsmaatregel hebben toegepast. De resultaten van de uitgevoerde risicobeoordelingen, die voor het publiek toegankelijk zijn op de website van de Commissie, wijzen uit dat de introductie van bluetongue in die lidstaten en Noorwegen als gevolg van verplaatsingen van dieren uit beperkingsgebieden grote negatieve gevolgen kan hebben.

(5)

De algehele ziektesituatie met betrekking tot bluetongue is sinds 2008 aanzienlijk verbeterd. In sommige delen van de Unie is het virus echter nog steeds aanwezig.

(6)

Omwille van een geharmoniseerde tenuitvoerlegging hebben de lidstaten om specifieke criteria verzocht voor de „vectorbestendige inrichting”, die een belangrijke vereiste is voor een aantal van de voorwaarden van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1266/2007 en die beoogt dieren te beschermen tegen vectoren. Op dit ogenblik werkt de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) aan een definitie van een vectorbestendige inrichting of faciliteit. De resultaten van deze werkzaamheden zullen door de Commissie worden meegenomen in de vaststelling van criteria voor de vectorbestendige inrichting als bedoeld in bijlage III bij de verordening.

(7)

Hangende de vaststelling van de criteria voor een vectorbestendige inrichting dient de geldigheidsduur van de in artikel 9 bis van Verordening (EG) nr. 1266/2007 bedoelde overgangsmaatregelen met nog een zes maanden te worden verlengd.

(8)

Verordening (EG) nr. 1266/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 9 bis, lid 1, inleidende zin, van Verordening (EG) nr. 1266/2007 wordt „31 december 2010” vervangen door „30 juni 2011”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 74.

(2)  PB L 283 van 27.10.2007, blz. 37.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/22


VERORDENING (EU) Nr. 1143/2010 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2010

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1251/2008 wat betreft de geldigheidsduur van de overgangsbepalingen voor bepaalde waterdieren voor sierdoeleinden, bestemd voor gesloten siervoorzieningen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (1), en met name artikel 17, lid 2, de artikelen 22 en 25 en artikel 61, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1251/2008 van de Commissie van 12 december 2008 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad wat betreft de voorwaarden en certificeringsvoorschriften voor het in de handel brengen en de invoer in de Gemeenschap van aquacultuurdieren en producten daarvan en tot vaststelling van een lijst van vectorsoorten (2) stelt de diergezondheidsvoorwaarden en de certificeringsvoorschriften vast voor de invoer in de Unie van waterdieren voor sierdoeleinden die bestemd zijn voor gesloten siervoorzieningen.

(2)

Artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1251/2008 bepaalt dat siervissen van soorten die vatbaar zijn voor een of meer van de in deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG vermelde ziekten en die bestemd zijn voor gesloten siervisvoorzieningen, slechts in de Unie mogen worden ingevoerd uit de in bijlage III bij die verordening vermelde derde landen, grondgebieden, gebieden of compartimenten. Epizoötisch ulceratief syndroom (EUS) is in deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG opgenomen als een exotische ziekte van bepaalde vatbare vissoorten.

(3)

Artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1251/2008 bepaalt dat gedurende een overgangsperiode tot en met 31 december 2010 de lidstaten de invoer mogen toestaan van waterdieren voor sierdoeleinden van voor EUS vatbare soorten die uitsluitend bestemd zijn voor gesloten siervisvoorzieningen uit derde landen of grondgebieden die lid zijn van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE).

(4)

Deel II.2 van het model van het diergezondheidscertificaat voor waterdieren voor sierdoeleinden die bestemd zijn voor gesloten voorzieningen, als vastgesteld in deel B van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1251/2008, stelt bepaalde invoervoorschriften met betrekking tot EUS vast. Artikel 20, lid 5, tweede alinea, van die verordening bepaalt dat die voorschriften niet van toepassing zijn tijdens vorenbedoelde overgangsperiode.

(5)

Er zijn thans verdere onderzoeken nodig om de risico's in verband met de invoer in de Unie van dergelijke waterdieren voor sierdoeleinden nauwkeuriger te beoordelen. Om het handelsverkeer in die dieren niet te onderbreken, moet de geldigheidsduur van de thans in artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1251/2008 vastgestelde overgangsmaatregelen tot en met 31 december 2012 worden verlengd.

(6)

Bovendien zijn bepaalde andere overgangsbepalingen, vastgesteld in artikel 20 van die verordening, niet langer van toepassing. Voor de beknoptheid en de duidelijkheid van de wetgeving van de Unie moeten die bepalingen worden geschrapt.

(7)

Verordening (EG) nr. 1251/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In Verordening (EG) nr. 1251/2008 wordt artikel 20 vervangen door:

„Artikel 20

Gedurende een overgangsperiode tot en met 31 december 2012 mogen de lidstaten de invoer toestaan van waterdieren voor sierdoeleinden van voor het epizoötisch ulceratief syndroom (EUS) vatbare soorten die uitsluitend bestemd zijn voor gesloten siervisvoorzieningen uit derde landen of grondgebieden die lid zijn van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE).

Tijdens die overgangsperiode zijn de voorschriften betreffende EUS, die zijn vastgesteld in deel II.2 van het model van het diergezondheidscertificaat van deel B van bijlage IV, niet van toepassing op waterdieren voor sierdoeleinden die uitsluitend bestemd zijn voor gesloten siervisvoorzieningen.”

Artikel 2

In opmerking (3) bij deel II.2 van het model van het diergezondheidscertificaat, vastgesteld in deel B van bijlage IV, wordt de datum „1 januari 2011” vervangen door „1 januari 2013”.

Voor een overgangsperiode tot en met 31 december 2012 mogen zendingen van waterdieren voor sierdoeleinden, die vergezeld gaan van diergezondheidscertificaten die zijn afgegeven overeenkomstig deel B van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 vóór de bij deze verordening aangebrachte wijzigingen, verder worden ingevoerd in of doorgevoerd door de Unie.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14.

(2)  PB L 337 van 16.12.2008, blz. 41.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/24


VERORDENING (EU) Nr. 1144/2010 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2010

tot vaststelling van een verbod op de visserij op lom in het gebied EG-wateren en internationale wateren van V, VI en VII door vaartuigen die de vlag van het Verenigd Koninkrijk voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 53/2010 van de Raad van 14 januari 2010 tot vaststelling, voor 2010, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de EU en, voor vaartuigen van de EU, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2010 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2010 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2010 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 21 van 26.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

23/T&Q

Lidstaat

VERENIGD KONINKRIJK/GBR

Bestand

USK/567EI.

Soort

Lom (Brosme brosme)

Gebied

EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII

Datum

21.5.2010


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/26


VERORDENING (EU) Nr. 1145/2010 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2010

tot vaststelling van een verbod op de visserij op lom in het gebied EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 53/2010 van de Raad van 14 januari 2010 tot vaststelling, voor 2010, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de EU en, voor vaartuigen van de EU, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2010 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2010 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2010 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 21 van 26.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

22/T&Q

Lidstaat

Spanje

Bestand

USK/567EI.

Soort

Lom (Brosme brosme)

Gebied

EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII

Datum

27.6.2010


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/28


VERORDENING (EU) Nr. 1146/2010 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2010

tot vaststelling van een verbod op de visserij op schol in gebied VIII, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 53/2010 van de Raad van 14 januari 2010 tot vaststelling, voor 2010, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de EU en, voor vaartuigen van de EU, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2010 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2010 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2010 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 21 van 26.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

24/T&Q

Lidstaat

Spanje

Bestand

PLE/8/3411

Soort

Schol (Pleuronectes platessa)

Gebied

VIII, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1

Datum

27.6.2010


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/30


VERORDENING (EU) Nr. 1147/2010 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2010

tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in het gebied NAFO 3M door vaartuigen die de vlag van Estland voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 53/2010 van de Raad van 14 januari 2010 tot vaststelling, voor 2010, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Europese Unie en, voor vaartuigen van de Europese Unie, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2010 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2010 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2010 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 21 van 26.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

28/T&Q

Lidstaat

Estland

Bestand

COD/N3M.

Soort

Kabeljauw (Gadus morhua)

Gebied

NAFO 3M

Datum

1.8.2010


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/32


VERORDENING (EU) Nr. 1148/2010 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2010

tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in het gebied NAFO 3M door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 53/2010 van de Raad van 14 januari 2010 tot vaststelling, voor 2010, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de EU en, voor vaartuigen van de EU, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2010 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2010 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2010 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 21 van 26.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

48/T&Q

Lidstaat

Spanje

Bestand

COD/N3M.

Soort

Kabeljauw (Gadus morhua)

Gebied

NAFO 3M

Datum

7.10.2010


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/34


VERORDENING (EU) Nr. 1149/2010 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2010

tot vaststelling van een verbod op de visserij op zwarte haarstaartvis in gebied V, VI, VII en XII (wateren van de Gemeenschap en wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van derde landen vallen) door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1359/2008 van de Raad van 28 november 2008 tot vaststelling, voor 2009 en 2010, van de vangstmogelijkheden voor vaartuigen van de Gemeenschap voor bepaalde bestanden van diepzeevissen (2) zijn quota voor 2009 en 2010 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2010 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2010 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 352 van 31.12.2008, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

25/T&Q

Lidstaat

Spanje

Bestand

BSF/56712-

Soort

Zwarte haarstaartvis (Aphanopus carbo)

Gebied

V, VI, VII en XII (wateren van de Gemeenschap en wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van derde landen vallen)

Datum

27.6.2010


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/36


VERORDENING (EU) Nr. 1150/2010 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 8 december 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

63,0

MA

88,9

MK

66,1

TR

139,6

ZZ

89,4

0707 00 05

EG

145,5

TR

89,1

ZZ

117,3

0709 90 70

MA

87,7

TR

81,1

ZZ

84,4

0805 10 20

AR

50,8

BR

57,8

MA

57,1

TR

50,8

ZA

51,6

ZW

48,4

ZZ

52,8

0805 20 10

MA

68,5

ZZ

68,5

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

IL

72,2

TR

68,8

ZZ

70,5

0805 50 10

AR

45,9

TR

52,3

UY

57,1

ZZ

51,8

0808 10 80

AR

74,9

AU

187,9

BR

50,3

CA

100,0

CL

84,2

CN

95,3

MK

26,7

NZ

99,2

US

116,9

ZA

113,0

ZZ

94,8

0808 20 50

CN

84,3

US

125,5

ZA

143,3

ZZ

117,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/38


RICHTLIJN 2010/90/EU VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2010

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde pyridaben op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1) , en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie zijn de nadere bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Pyridaben was in die lijst opgenomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 11 sexies van Verordening (EG) nr. 1490/2002 heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG ingetrokken binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpevaluatieverslag. Derhalve werd Beschikking 2008/934/EG van de Commissie van 5 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (4) goedgekeurd met betrekking tot de niet-opneming van pyridaben.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever („de kennisgever”) een nieuwe aanvraag ingediend met het oog op toepassing van de versnelde procedure, als vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(4)

De aanvraag is ingediend bij Nederland, dat bij Verordening (EG) nr. 451/2000 als rapporterende lidstaat was aangewezen. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie voor de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/934/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

Nederland heeft de door de kennisgever ingediende aanvullende gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Het heeft dat verslag op 15 juni 2009 aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie toegezonden. De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de andere lidstaten en de kennisgever toegezonden en de naar aanleiding daarvan ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA haar conclusie over pyridaben (6) op 28 mei 2010 aan de Commissie overgelegd. Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullend verslag en de conclusie van de EFSA werden door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 28 oktober 2010 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor pyridaben.

(6)

Uit de verschillende analyses is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die pyridaben bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Pyridaben moet derhalve in bijlage I worden opgenomen zodat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(7)

Onverminderd die conclusie moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet de aanvrager worden verplicht nadere informatie te verstrekken ter bevestiging van de resultaten van de risicobeoordeling op basis van de meest recente wetenschappelijke kennis omtrent de blootstelling aan de door fotolyse in water ontstane metabolieten W-1 en B-3, het langetermijnrisico voor zoogdieren en de beoordeling van in vetstoffen oplosbare residuen.

(8)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(9)

Onverminderd de verplichtingen zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die pyridaben bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen naargelang het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(10)

Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op.

(11)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Beschikking 2008/934/EG voorziet in de niet-opneming van pyridaben en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten uiterlijk op 31 december 2011. De regel betreffende pyridaben in de bijlage bij die beschikking moet worden geschrapt.

(13)

Daarom dient Beschikking 2008/934/EG dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(14)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De regel betreffende pyridaben in de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt geschrapt.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk 31 oktober 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 november 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

1.   De lidstaten dienen, zo nodig, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die pyridaben als werkzame stof bevatten, uiterlijk 1 november 2011 te wijzigen of in te trekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot pyridaben is voldaan – met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof – en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende pyridaben in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat pyridaben bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk 30 april 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als pyridaben de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk 30 april 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken; of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast pyridaben nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk 30 april 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op 1 mei 2011.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)  PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)  PB L 333 van 11.12.2008, blz. 11.

(5)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance pyridaben. EFSA Journal 2010; 8(6):1632. [70 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1632. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(7)  PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„318

Pyridaben

CAS-nr.: 96489-71-3

CIPAC-nr.: 583

2-tert-butyl-5-(4-tert-butylbenzylthio)-4-chloorpyrididazine-3(2H)-on

> 980 g/kg

1 mei 2011

30 april 2021

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als insecticide en acaricide.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over pyridaben dat op 28 oktober 2010 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de veiligheid van de toedieners en ervoor zorgen dat de gebruiksvoorwaarden indien nodig de toepassing van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven,

het risico voor in het water levende organismen en zoogdieren,

het risico voor niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen, met inbegrip van honingbijen.

De toelatingsvoorwaarden moeten risicobeperkende maatregelen omvatten en er moeten zo nodig monitoringprogramma's worden opgezet om de daadwerkelijke blootstelling van honingbijen aan pyridaben in gebieden die extensief door deze bijen voor het fourageren of door bijenhouders worden gebruikt zo nodig te verifiëren.

De betrokken lidstaten moeten verzoeken om overlegging van bevestigende informatie over:

de risico's voor het watercompartiment als gevolg van de blootstelling aan de door fotolyse in water ontstane metabolieten W-1 en B-3,

het mogelijke langetermijnrisico voor zoogdieren,

de beoordeling van in vetstoffen oplosbare residuen.

Zij moeten ervoor zorgen dat de aanvrager deze bevestigende ze informatie uiterlijk 30 april 2013 aan de Commissie verstrekt.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BESLUITEN

8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/42


BESLUIT VAN DE RAAD

van 18 november 2010

tot aanwijzing van de Culturele hoofdstad van Europa voor het jaar 2015 in België

(2010/757/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit nr. 1622/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement „Culturele hoofdstad van Europa” voor de periode 2007 tot 2019 (1), en met name artikel 9, lid 3,

Gezien de aanbeveling van de Commissie,

Gezien de verslagen van de selectiejury van februari 2010 over de selectieprocedure van de Culturele hoofdstad van Europa in België,

Overwegende hetgeen volgt:

Aan de in artikel 4 van Besluit nr. 1622/2006/EG bedoelde criteria is volledig voldaan,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bergen wordt aangewezen als „Culturele hoofdstad van Europa 2015” in België.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 18 november 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

F. LAANAN


(1)  PB L 304 van 3.11.2006, blz. 1.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/43


BESLUIT VAN DE RAAD

van 2 december 2010

betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Bulgarije

(2010/758/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (1), en met name artikel 25,

Gezien Besluit 2008/616/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 betreffende de uitvoering van Besluit 2008/615/JBZ (2), en met name artikel 20 en hoofdstuk 4 van de bijlage erbij,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens het Protocol betreffende de overgangsbepalingen dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden de rechtsgevolgen van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie die vastgesteld zijn vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon gehandhaafd zolang deze handelingen niet krachtens de Verdragen zijn ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd.

(2)

Artikel 25 van Besluit 2008/615/JBZ is derhalve van toepassing en de Raad besluit met eenparigheid van stemmen of de lidstaten de bepalingen van hoofdstuk 6 van dat besluit hebben toegepast.

(3)

In artikel 20 van Besluit 2008/616/JBZ is bepaald dat de Raad het in artikel 25, lid 2, van Besluit 2008/615/JBZ bedoelde besluit neemt op basis van een evaluatieverslag, dat is opgesteld aan de hand van een vragenlijst. Wat de automatische uitwisseling van gegevens overeenkomstig hoofdstuk 2 van Besluit 2008/615/JBZ betreft, dient het evaluatieverslag gebaseerd te zijn op een evaluatiebezoek en een proefrun.

(4)

Overeenkomstig hoofdstuk 4, onder punt 1.1, van de bijlage bij Besluit 2008/616/JBZ dient de door de betrokken Raadsgroep opgestelde vragenlijst betrekking te hebben op elke vorm van geautomatiseerde uitwisseling van gegevens, en de vragenlijst dient door een lidstaat te worden beantwoord zodra deze lidstaat van oordeel is dat hij aan de voorwaarden voor het uitwisselen van gegevens in een bepaalde gegevenscategorie voldoet.

(5)

Bulgarije heeft de vragenlijst over gegevensbescherming en de vragenlijst over de uitwisseling van dactyloscopische gegevens ingevuld.

(6)

Bulgarije heeft met Oostenrijk een geslaagde proefrun uitgevoerd.

(7)

Er is een evaluatiebezoek aan Bulgarije gebracht en het Oostenrijks/Spaanse evaluatieteam heeft daarover een verslag opgesteld en dat toegezonden aan de betrokken Raadsgroep.

(8)

Er is een algemeen evaluatieverslag aan de Raad voorgelegd, waarin de resultaten van de vragenlijst, het evaluatiebezoek en de proefrun betreffende de uitwisseling van dactyloscopische gegevens zijn samengevat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Met het oog op de automatische bevraging van dactyloscopische gegevens heeft Bulgarije de algemene bepalingen betreffende gegevensbescherming van hoofdstuk 6 van Besluit 2008/615/JBZ volledig uitgevoerd en is het gerechtigd met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit persoonsgegevens te ontvangen en te verstrekken overeenkomstig artikel 9 van dat besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

M. WATHELET


(1)  PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.

(2)  PB L 210 van 6.8.2008, blz. 12.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/44


BESLUIT VAN DE RAAD

van 2 december 2010

betreffende het onderwerpen van 4-methylmethcathinone (mephedrone) aan controlemaatregelen

(2010/759/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit 2005/387/JBZ van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen (1), en met name artikel 8, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 6 van Besluit 2005/387/JBZ werd tijdens een bijzondere vergadering van het uitgebreide wetenschappelijk comité van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving een risicobeoordelingsverslag over 4-methylmethcathinone (mephedrone) opgesteld, dat vervolgens op 3 augustus 2010 door de Commissie werd ontvangen.

(2)

Mephedrone is een synthetisch cathinon dat hoofdzakelijk in Azië legaal wordt geproduceerd en verdeeld, terwijl de eindverpakking in Europa schijnt te gebeuren. Mephedrone wordt meestal als poeder verkocht maar ook in capsule- of tabletvorm. Het is in de handel verkrijgbaar op het internet, in headshops en bij straatdealers. Op het internet wordt mephedrone dikwijls als „plantenvoeding”, „badzout” of „onderzoekschemicaliën” te koop aangeboden. Zeer zelden wordt het als „legale drug” (niet verboden psychoactieve stof) verkocht en doorgaans wordt niet verwezen naar, noch concrete informatie gegeven over de mogelijke psychoactieve werking ervan.

(3)

De specifieke werking van mephedrone is moeilijk te beoordelen omdat het hoofdzakelijk samen met alcohol en andere stimulerende middelen wordt gebruikt. Mephedrone wordt geacht soortgelijke fysische effecten te hebben als andere stimulerende drugs, in het bijzonder ecstasy (MDMA). De relatief korte werkingsduur, die tot herhaalde toediening leidt, heeft de stof dan weer gemeen met cocaïne. Er zijn aanwijzingen dat de stof als alternatief voor illegale stimulerende middelen kan worden gebruikt, dat zij een grote kans op misbruik geeft en dat zij tot verslaving kan leiden. Diepgaandere studies zijn nodig om het verslavingspotentieel van deze drug nader te onderzoeken.

(4)

In de Unie werden twee incidenten met dodelijke afloop gemeld waarbij mephedrone de enige doodsoorzaak blijkt te zijn. Daarnaast zijn er nog eens ten minste 37 sterfgevallen waarbij mephedrone werd gevonden in post mortem genomen monsters.

(5)

Tweeëntwintig lidstaten hebben melding gemaakt van inbeslagnamen van mephedrone in poeder- of tabletvorm. Er is weinig informatie die wijst op een mogelijke grootschalige verwerking of distributie van mephedrone en op betrokkenheid van de georganiseerde criminaliteit. Er zijn aanwijzingen dat, daar waar mephedrone aan controle onderworpen is, de drug op de illegale markt beschikbaar blijft.

(6)

Mephedrone heeft geen bewezen of erkende medische waarde of gebruik in de Unie en er zijn geen aanwijzingen dat het andere legitieme gebruiksdoeleinden heeft.

(7)

Mephedrone wordt momenteel niet aan een evaluatie onderworpen en dat is ook in het kader van het VN-systeem niet gebeurd. Elf lidstaten onderwerpen mephedrone aan controle op grond van de drugswetgeving in het kader van hun verplichtingen uit hoofde van het VN-Verdrag van 1971 inzake psychotrope stoffen. Twee lidstaten onderwerpen mephedrone aan controlemaatregelen krachtens hun geneesmiddelenwetgeving.

(8)

In de risicobeoordeling is slechts weinig wetenschappelijk bewijs gevonden en wordt erop gewezen dat verdere studies over de algemene gezondheids- en sociale risico’s van mephedrone nodig zijn. Wegens de stimulerende eigenschappen, de mogelijkheid om bij gebruikers verslaving teweeg te brengen, de potentiële aantrekkingskracht, het risico voor de gezondheid, het ontbreken van medische voordelen en derhalve de noodzaak om het voorzorgsbeginsel toe te passen, moet mephedrone echter aan controle worden onderworpen.

(9)

Aangezien elf lidstaten mephedrone al controleren, kan een controle in de hele Unie problemen in grensoverschrijdende rechtshandhaving en justitiële samenwerking helpen vermijden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De lidstaten treffen overeenkomstig hun nationale wetgeving de noodzakelijke maatregelen om 4-methylmethcathinone (mephedrone) te onderwerpen aan de controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties waarin is voorzien door de wetgeving van de lidstaten in overeenstemming met hun verplichtingen uit hoofde van het VN-Verdrag van 1971 inzake psychotrope stoffen.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

M. WATHELET


(1)  PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/46


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2010

waarbij vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor goederen die zijn bestemd om gratis te worden verstrekt aan of ter beschikking te worden gesteld van de slachtoffers van de overstromingen in het voorjaar van 2010 in Hongarije

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 8482)

(Slechts de tekst in de Hongaarse taal is authentiek)

(2010/760/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (1), en met name artikel 76,

Gezien het verzoek van de Hongaarse regering van 2 juni 2010 om vrijstelling van rechten bij invoer voor goederen die zijn bestemd om gratis ter beschikking te worden gesteld van de slachtoffers van de overstromingen in het voorjaar van 2010 in Hongarije,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een overstroming is een ramp in de zin van hoofdstuk XVII C van Verordening (EG) nr. 1186/2009; het is daarom gerechtvaardigd om vrijstelling van rechten bij invoer toe te staan voor goederen die aan de voorwaarden van de artikelen 74 tot en met 80 van die verordening voldoen.

(2)

Opdat de Commissie goed zicht zou hebben op de bestemming die aan de met vrijstelling ingevoerde goederen is gegeven, dient de Hongaarse regering haar mee te delen welke maatregelen zij heeft genomen om te voorkomen dat aan die goederen een andere dan de beoogde bestemming wordt gegeven.

(3)

Aan de Commissie dient ook te worden meegedeeld hoeveel en welk soort goederen zijn ingevoerd.

(4)

De overige lidstaten zijn in overeenstemming met artikel 76 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 geraadpleegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt vrijstelling van rechten bij invoer in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 verleend voor goederen die door overheidsorganen of organisaties die door de bevoegde Hongaarse autoriteiten zijn erkend, voor het vrije verkeer worden ingevoerd om gratis te worden verstrekt aan de slachtoffers van de overstromingen in het voorjaar van 2010 in Hongarije dan wel gratis te hunner beschikking te worden gesteld terwijl ze eigendom blijven van die organisaties.

2.   Er wordt ook vrijstelling van rechten verleend voor goederen die door hulporganisaties voor het vrije verkeer worden ingevoerd om in hun eigen behoeften te voorzien gedurende hun inzet.

Artikel 2

De Hongaarse regering deelt de Commissie uiterlijk op 31 januari 2011 de lijst van de in artikel 1, lid 1, bedoelde erkende organisaties mee.

Artikel 3

De Hongaarse regering doet de Commissie uiterlijk op 31 januari 2011 een volledige kennisgeving van het soort en de hoeveelheid goederen die krachtens artikel 1 met vrijstelling van rechten zijn ingevoerd, uitgesplitst naar hoofdcategorie.

Artikel 4

De Hongaarse regering deelt de Commissie uiterlijk op 31 januari 2011 de maatregelen mee die zij heeft genomen om de naleving van de artikelen 78, 79 en 80 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 te garanderen.

Artikel 5

Artikel 1 van dit besluit is van toepassing op goederen die worden ingevoerd tussen 1 mei 2010 en 31 december 2010.

Artikel 6

Dit besluit is gericht tot de Republiek Hongarije.

Gedaan te Brussel, 6 december 2010.

Voor de Commissie

Algirdas ŠEMETA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 324 van 10.12.2009, blz. 23.


8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/47


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2010

tot wijziging van de bijlagen I en II bij Besluit 2010/221/EU wat betreft de door Hongarije en het Verenigd Koninkrijk goedgekeurde nationale maatregelen voor voorjaarsviremie van de karper

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 8617)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/761/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (1), en met name artikel 43, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Besluit 2010/221/EU van de Commissie van 15 april 2010 tot goedkeuring van nationale maatregelen ter beperking van het effect van bepaalde ziekten bij aquacultuurdieren of wilde waterdieren overeenkomstig artikel 43 van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad (2) staat bepaalde lidstaten toe beperkingen inzake het in de handel brengen en de invoer van zendingen van die dieren toe te staan om het binnenbrengen van bepaalde ziekten, waaronder voorjaarsviremie van de karper (SVC), te voorkomen, mits de lidstaten hebben aangetoond dat zij of bepaalde afgebakende gebieden vrij zijn van de ziekte in kwestie („ziektevrije gebieden”) of dat zij een uitroeiingsprogramma hebben vastgesteld om die gebieden ziektevrij te maken.

(2)

Bijlage I bij Besluit 2010/221/EU bevat een lijst van de ziektevrije gebieden en bijlage II een lijst van de gebieden met goedgekeurde uitroeiingsprogramma's.

(3)

In bijlage II bij Besluit 2010/221/EU is Groot-Brittannië thans opgenomen als een gebied van het Verenigd Koninkrijk met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor SVC. Die lidstaat heeft nu informatie verstrekt waaruit blijkt dat zijn uitroeiingsprogramma met succes is uitgevoerd en dat Groot-Brittannië als vrij van SVC moet worden beschouwd en moet worden opgenomen in bijlage I in plaats van bijlage II bij dat besluit wat die ziekte betreft.

(4)

Hongarije heeft bij de Commissie aanvragen ingediend voor de goedkeuring van nationale maatregelen wat SVC betreft. Hongarije heeft de laatste twee jaar ook een doelgerichte surveillance van SVC uitgevoerd, waaruit is gebleken dat zijn gehele grondgebied vrij van SVC is. Hongarije moet daarom in bijlage I bij Besluit 2010/221/EU worden opgenomen als vrij van SVC.

(5)

De bijlagen I en II bij Besluit 2010/221/EU moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Besluit 2010/221/EU worden vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 7 december 2010.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14.

(2)  PB L 98 van 20.4.2010, blz. 7.


BIJLAGE

De bijlagen I en II bij Besluit 2010/221/EU worden vervangen door:

BIJLAGE I

Lidstaten en gebieden die worden beschouwd als vrij van de in de tabel vermelde ziekten en die nationale maatregelen mogen nemen ter voorkoming van het binnenbrengen van die ziekten overeenkomstig artikel 43, lid 2, van Richtlijn 2006/88/EG

Ziekte

Lidstaat

Code

Geografische afbakening van het gebied met goedgekeurde nationale maatregelen

Voorjaarsviremie van de karper (SVC)

Denemarken

DK

Het hele grondgebied

Ierland

IE

Het hele grondgebied

Hongarije

HU

Het hele grondgebied

Finland

FI

Het hele grondgebied

Zweden

SE

Het hele grondgebied

Verenigd Koninkrijk

UK

Het hele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk; de grondgebieden van Guernsey, Jersey en het eiland Man

Bacterial kidney disease (BKD)

Ierland

IE

Het hele grondgebied

Verenigd Koninkrijk

UK

Het grondgebied van Noord-Ierland; de grondgebieden van Jersey en het eiland Man

Infectieuze pancreatische necrose (IPN)

Finland

FI

De continentale delen van het grondgebied

Zweden

SE

De continentale delen van het grondgebied

Verenigd Koninkrijk

UK

Het grondgebied van het eiland Man

Besmetting met Gyrodactylus salaris (GS)

Ierland

IE

Het hele grondgebied

Finland

FI

De stroomgebieden van de Tenojoki en de Näätämönjoki; de stroomgebieden van de Paatsjoki, de Luttojoki, en de Uutuanjoki worden als buffergebied aangemerkt

Verenigd Koninkrijk

UK

Het hele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk; de grondgebieden van Guernsey, Jersey en het eiland Man

BIJLAGE II

Lidstaten en gebieden met uitroeiingsprogramma's wat betreft bepaalde ziekten bij aquacultuurdieren, die nationale maatregelen mogen nemen ter bestrijding van die ziekten overeenkomstig artikel 43, lid 2, van Richtlijn 2006/88/EG

Ziekte

Lidstaat

Code

Geografische afbakening van het gebied met goedgekeurde nationale maatregelen

Bacterial kidney disease (BKD)

Finland

FI

De continentale delen van het grondgebied

Zweden

SE

De continentale delen van het grondgebied

Verenigd Koninkrijk

UK

Het grondgebied van Groot-Brittannië

Infectieuze pancreatische necrose (IPN)

Zweden

SE

De kustgebieden van het grondgebied


Rectificaties

8.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/50


Rectificatie van Richtlijn 2010/89/EU van de Commissie van 6 november 2010 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om quinmerac op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG

( Publicatieblad van de Europese Unie L 320 van 7 december 2010 )

In de inhoudsopgave, op bladzijde 3 in de titel en op bladzijde 5, in de slotformule:

in plaats van:

„6 november 2010”,

te lezen:

„6 december 2010”.