ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.317.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 317

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
3 december 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1116/2010 van de Commissie van 2 december 2010 tot vaststelling, voor de periode 2010/2011, van de coëfficiënten voor de in de vorm van Irish whiskey uitgevoerde granen

1

 

*

Verordening (EU) nr. 1117/2010 van de Commissie van 2 december 2010 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline als toevoegingsmiddel voor diervoeders voor gespeende biggen (vergunninghouder Vetagro SpA) ( 1 )

3

 

*

Verordening (EU) nr. 1118/2010 van de Commissie van 2 december 2010 tot verlening van een vergunning voor diclazuril als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen (vergunninghouder Janssen Pharmaceutica NV) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2340/1999 ( 1 )

5

 

*

Verordening (EU) nr. 1119/2010 van de Commissie van 2 december 2010 tot verlening van een vergunning voor Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor melkkoeien en paarden en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1520/2007 (vergunninghouder Prosol SpA) ( 1 )

9

 

*

Verordening (EU) nr. 1120/2010 van de Commissie van 2 december 2010 tot verlening van een vergunning voor Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gespeende biggen (vergunninghouder Lallemand SAS) ( 1 )

12

 

*

Verordening (EU) nr. 1121/2010 van de Commissie van 2 december 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Edam Holland (BGA)]

14

 

*

Verordening (EU) nr. 1122/2010 van de Commissie van 2 december 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Gouda Holland (BGA)]

22

 

 

Verordening (EU) nr. 1123/2010 van de Commissie van 2 december 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

30

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2010/85/EU van de Commissie van 2 december 2010 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om zinkfosfide op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/941/EG ( 1 )

32

 

*

Richtlijn 2010/86/EU van de Commissie van 2 december 2010 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om haloxyfop-P op te nemen als werkzame stof ( 1 )

36

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/737/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 2 december 2010 tot vaststelling van klassen van materiaalgedrag bij brand voor bepaalde voor de bouw bestemde producten wat staalplaten met polyestercoating en plastisolcoating betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 389)  ( 1 )

39

 

 

2010/738/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 2 december 2010 tot vaststelling van klassen van materiaalgedrag bij brand voor bepaalde voor de bouw bestemde producten wat vezelversterkte gipsproducten betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 392)  ( 1 )

42

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Montenegro inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde gegevens (PB L 260 van 2.10.2010)

44

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/1


VERORDENING (EU) Nr. 1116/2010 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot vaststelling, voor de periode 2010/2011, van de coëfficiënten voor de in de vorm van Irish whiskey uitgevoerde granen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1)

Gezien Verordening (EG) nr. 1670/2006 van de Commissie van 10 november 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad wat de vaststelling en de toekenning van aangepaste restituties voor in de vorm van bepaalde alcoholhoudende dranken uitgevoerde granen betreft (2), en met name artikel 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1670/2006 is bepaald dat de hoeveelheden granen waarvoor de restitutie wordt toegekend, de hoeveelheden zijn die onder controle zijn geplaatst en die zijn gedistilleerd en waarop een jaarlijks voor elke betrokken lidstaat vast te stellen coëfficiënt is toegepast. Deze coëfficiënt geeft de verhouding weer tussen de in totaal uitgevoerde hoeveelheden en de in totaal in de handel gebrachte hoeveelheden van de betrokken alcoholhoudende drank, en wel op basis van de ontwikkeling van die hoeveelheden tijdens het aantal jaren dat overeenkomt met de gemiddelde rijpingsperiode van die alcoholhoudende drank.

(2)

Volgens de gegevens die Ierland heeft verstrekt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2009, bedroeg de gemiddelde rijpingsperiode van Irish whiskey in 2009 vijf jaar.

(3)

Derhalve dienen de coëfficiënten voor de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011 te worden vastgesteld.

(4)

Op grond van artikel 10 van Protocol 3 van de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte mogen geen restituties worden verleend bij uitvoer naar Liechtenstein, IJsland en Noorwegen. Bovendien heeft de Europese Unie in overeenkomsten met sommige derde landen afgesproken geen uitvoerrestituties te verlenen. Bijgevolg dient daar overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1670/2006 rekening mee te worden gehouden bij de berekening van de coëfficiënten voor de periode 2010/2011.

(5)

Verordening (EU) nr. 81/2010 van de Commissie van 28 januari 2010 tot vaststelling, voor de periode 2009/2010, van de coëfficiënten voor de in de vorm van Irish whiskey uitgevoerde granen (3) heeft geen effect meer, aangezien die verordening betrekking heeft op de in het jaar 2009/2010 toepasselijke coëfficiënten. Ter wille van de rechtszekerheid en de duidelijkheid moet die verordening worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1670/2006 bedoelde coëfficiënten voor de granen die in Ierland worden gebruikt voor de vervaardiging van Irish whiskey, worden voor de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011 vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Verordening (EU) nr. 81/2010 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 312 van 11.11.2006, blz. 33.

(3)  PB L 25 van 29.1.2010, blz. 10.


BIJLAGE

In Ierland toe te passen coëfficiënten

Periode van toepassing

Coëfficiënt voor

de gerst die wordt gebruikt voor de vervaardiging van Irish whiskey, categorie B (1)

de granen die worden gebruikt voor de vervaardiging van Irish whiskey, categorie A

Van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011

0,030

0,102


(1)  Inclusief de vermoute gerst.


3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/3


VERORDENING (EU) Nr. 1117/2010 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline als toevoegingsmiddel voor diervoeders voor gespeende biggen (vergunninghouder Vetagro SpA)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag voor een vergunning voor het in de bijlage bij deze verordening opgenomen preparaat ingediend. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten zijn bij de aanvraag verstrekt.

(3)

De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor een preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline als toevoegingsmiddel voor diervoeders voor gespeende biggen in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 25 mei 2010 (2) geconcludeerd dat het in de bijlage genoemde preparaat, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden, geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu heeft en dat dit toevoegingsmiddel de groeisnelheid kan vergroten en de voederconversie van de doelsoorten kan verbeteren. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde communautaire referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van het preparaat blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „andere zoötechnische toevoegingsmiddelen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  EFSA Journal (2010); 8(6):1633.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere vermeldingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: andere zoötechnische toevoegingsmiddelen (verbetering van zoötechnische parameters)

4d 3

Vetagro S.p.A.

Bereiding van beschermd citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline

 

Samenstelling toevoegingsmiddel

Bereiding van beschermde microparels, bevattende citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline met minimaal:

 

citroenzuur: 25 g/100 g

 

thymol: 1,7 g/100 g

 

sorbinezuur: 16,7/100 g

 

vanilline: 1 g/100 g

 

Karakterisering van de werkzame stof

 

citroenzuur C6H8O7 (zuiverheid ≥ 99,5 %)

2-hydroxy-1,2,3-propaantricarboxylzuur, CAS-nummer 77-92-9 watervrij

 

sorbinezuur C6H8O2 (zuiverheid ≥ 99,5 %)

2,4-hexadieenzuur, CAS-nummer 110-44-1

 

thymol (zuiverheid ≥ 98 %)

5-methyl-2-(1-methylethyl)fenol, CAS-nummer 89-83-8)

 

vanilline (zuiverheid ≥ 99,5 %)

4-hydroxy-3-methoxybenzaldehyde, CAS-nummer 121-33-5)

 

Analysemethoden  (1)

Bepaling van sorbinezuur en thymol in diervoeders: reversed-phase hogedrukvloeistofchromatografie met ultraviolet/diode-arraydetectie (RP-HPLC-UV/DAD). Bepaling van citroenzuur in het toevoegingsmiddel en de voormengsels: (RP-HPLC-UV/DAD). Bepaling van citroenzuur in diervoeder: enzymatische bepaling van citroenzuurgehalte— NADH (gereduceerde vorm van nicotinamide-adenine-dinucleotide) spectrometrische methode.

Biggen (gespeend)

1 000

1.

Voor biggen (gespeend) tot 35 kg.

2.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming, bril en handschoenen tijdens hantering.

23 december 2020.


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het communautaire referentielaboratorium: www.irmm.jrc.be/crl-feed-additives


3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/5


VERORDENING (EU) Nr. 1118/2010 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot verlening van een vergunning voor diclazuril als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen (vergunninghouder Janssen Pharmaceutica NV) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2340/1999

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Voor diclazuril, CAS-nummer 101831-37-2, is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG bij Verordening (EG) nr. 2430/1999 van de Commissie (3) een vergunning voor tien jaar verleend als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen tot 16 weken oud en kalkoenen tot 12 weken oud. Vervolgens is dat toevoegingsmiddel overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het Communautair repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van diclazuril als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, waarbij is verzocht om indeling van dat toevoegingsmiddel in de categorie „coccidiostatica en histomonostatica”. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten zijn bij de aanvraag verstrekt.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 23 juni 2010 geconcludeerd dat diclazuril onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu heeft en dat het toevoegingsmiddel coccidiose bij mestkippen doeltreffend kan bestrijden (4). Er wordt geconcludeerd dat geen veiligheidsproblemen zullen rijzen, mits passende beschermingsmaatregelen worden genomen. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde communautaire referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van diclazuril blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van het preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

Als gevolg van de verlening van een nieuwe vergunning krachtens Verordening (EG) nr. 1831/2003 moeten de bepalingen over diclazuril voor mestkippen in Verordening (EG) nr. 2430/1999 worden geschrapt.

(7)

Aangezien de voorwaarden van de vergunning niet om veiligheidsredenen worden gewijzigd, moet worden voorzien in een overgangsperiode om de bestaande voorraden van de voormengsels en mengvoeders op te maken.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „coccidiostatica en histomonostatica”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2430/1999 worden de gegevens onder het registratienummer van toevoegingsmiddel E 771 betreffende diclazuril voor mestkippen geschrapt.

Artikel 3

Voormengsels en mengvoeders die diclazuril bevatten en zijn geëtiketteerd overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG mogen verder in de handel worden gebracht en gebruikt totdat de voorraden zijn uitgeput.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1.

(3)  PB L 296 van 17.11.1999, blz. 3.

(4)  EFSA Journal 2010; 8(7):1663.


BIJLAGE

Identificatie-nummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel (handelsnaam)

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere vermeldingen

Einde van de vergunningsperiode

Maximumgehalte aan residuen (MRL) in de desbetreffende levensmiddelen van dierlijke oorsprong

mg werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Coccidiostatica en histomonostatica

5 1 771

Janssen Pharmaceutica NV

Diclazuril 0,5 g/100 g

(Clinacox 0,5 %)

Samenstelling toevoegingsmiddel

diclazuril: 0,50 g/100 g

eiwitarm sojameel: 99,25 g/100 g

polyvidone K 30: 0,20 g/100 g

natriumhydroxide: 0,05 g/100 g

Karakterisering van de werkzame stof

Diclazuril, C17H9Cl3N4O2,

(±)-4-chloorfenyl[2,6-dichloor4-

(2,3,4,5-tetrahydro-3,5-dioxo-1,2,4-triazine-2-yl)fenyl]acetonitriel,

CAS-nummer: 101831-37-2

Productiegebonden onzuiverheden:

afbraakproduct (R064318): ≤ 0,1 %

andere onzuiverheden (T001434, R066891, R068610, R070156, R070016):

< 0,5 % elk afzonderlijk

Totaal onzuiverheden: ≤ 1,5 %

Analysemethode  (1)

Voor de bepaling van diclazuril in diervoeders: reversed-phase hogedrukvloeistofchromatografie (HPLC) met ultravioletdetectie bij 280 nm (Verordening (EG) nr. 152/2009)

Voor de bepaling van diclazuril in pluimveeweefsels: HPLC gekoppeld aan een triple quadrupool massaspectrometer (MS/MS) onder gebruikmaking van één precursorion en twee productionen.

Mestkippen

1

1

1.

Het toevoegingsmiddel moet worden opgenomen in mengvoeder in de vorm van een voormengsel.

2.

Diclazuril mag niet worden gemengd met andere coccidiostatica.

3.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming, bril en handschoenen tijdens hantering.

4.

De vergunninghouder moet de monitoring van resistentie bij bacteriën en Eimeria spp. na het in de handel brengen, plannen en uitvoeren.

23 december 2020

1 500 μg diclazuril/kg natte lever

1 000 μg diclazuril/kg natte nieren

500 μg diclazuril/kg natte spier

500 μg diclazuril/kg natte huid/vet


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het communautaire referentielaboratorium: www.irmm.jrc.be/crl-feed-additives


3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/9


VERORDENING (EU) Nr. 1119/2010 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot verlening van een vergunning voor Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor melkkoeien en paarden en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1520/2007 (vergunninghouder Prosol SpA)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Voor het preparaat van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 is bij Verordening (EG) nr. 896/2009 van de Commissie (3) een vergunning voor tien jaar als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor zeugen verleend. Overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG is voor het gebruik van het preparaat een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor gespeende biggen bij Verordening (EG) nr. 1200/2005 van de Commissie (4), voor mestrunderen bij Verordening (EG) nr. 492/2006 van de Commissie (5) en voor melkkoeien bij Verordening (EG) nr. 1520/2007 van de Commissie (6). Vervolgens is dat toevoegingsmiddel overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het Communautair repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor melkkoeien en overeenkomstig artikel 7 van die verordening voor een nieuwe toepassing voor paarden, waarbij is verzocht om indeling van dat toevoegingsmiddel in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten zijn bij de aanvraag verstrekt.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 22 juni 2010 (7) betreffende het gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor melkkoeien geconcludeerd dat Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden, geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu heeft en dat het de melkproductie bij melkkoeien kan vergroten. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde communautaire referentielaboratorium was ingediend.

(5)

De EFSA heeft in haar advies van 22 juni 2010 (8) betreffende het gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor paarden geconcludeerd dat het gebruik van dat preparaat de klaarblijkelijke vezelvertering bij de doelsoorten kan verbeteren.

(6)

Uit de beoordeling van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

Als gevolg van de verlening van een nieuwe vergunning krachtens Verordening (EG) nr. 1831/2003 moeten de bepalingen over Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 in Verordening (EG) nr. 1520/2007 worden geschrapt.

(8)

Aangezien de voorwaarden van de vergunning niet om veiligheidsredenen worden gewijzigd, moet worden voorzien in een overgangsperiode om de bestaande voorraden van de voormengsels en mengvoeders op te maken.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „darmflorastabilisatoren”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

In Verordening (EG) nr. 1520/2007 worden artikel 1 en bijlage I geschrapt.

Artikel 3

Voormengsels en mengvoeders die Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 bevatten en zijn geëtiketteerd overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG mogen verder in de handel worden gebracht en gebruikt totdat de voorraden zijn uitgeput.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1.

(3)  PB L 256 van 29.9.2009, blz. 6.

(4)  PB L 195 van 27.7.2005, blz. 6.

(5)  PB L 89 van 28.3.2006, blz. 6.

(6)  PB L 335 van 20.12.2007, blz. 17.

(7)  EFSA Journal 2010; 8(7):1662.

(8)  EFSA Journal 2010; 8(7):1659.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere vermeldingen

Einde van de vergunningsperiode

CFU/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren

4b1710

Prosol S.p.A.

Saccharomyces cerevisiae

MUCL 39885

Samenstelling toevoegingsmiddel

Bereiding van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 met ten minste 1 × 109 CFU/g

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare cellen van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885

Analysemethoden  (1)

Telling: gietplaatmethode onder gebruikmaking van chlooramfenicol-glucosegistextractagar

Identificatie: polymerasekettingreactie (pcr)-methode.

Melkkoeien

2 × 109

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagtempera-tuur, de houdbaarheid en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Voor de veiligheid: gebruik van bril en handschoenen tijdens hantering.

23 december 2020.

Paarden

3 × 109


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het communautaire referentielaboratorium: www.irmm.jrc.be/crl-feed-additives


3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/12


VERORDENING (EU) Nr. 1120/2010 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot verlening van een vergunning voor Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gespeende biggen (vergunninghouder Lallemand SAS)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag voor een vergunning voor het in de bijlage bij deze verordening opgenomen preparaat ingediend. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten zijn bij die aanvraag verstrekt.

(3)

De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gespeende biggen in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”.

(4)

Voor het gebruik van Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M is een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor mestkippen bij Verordening (EG) nr. 1200/2005 van de Commissie (2) en voor mestvarkens bij Verordening (EG) nr. 2036/2005 van de Commissie (3), en voor zalmachtigen en garnalen bij Verordening (EG) nr. 911/2009 van de Commissie (4) voor tien jaar.

(5)

Er zijn nieuwe gegevens ingediend ter staving van een aanvraag voor de verlening van een vergunning voor het preparaat voor gespeende biggen. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 23 juni 2010 (5) geconcludeerd dat Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden, geen ongunstige effecten voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid en het milieu heeft en dat het gebruik daarvan de groeiprestaties of het voederrendement bij de doelsoorten aanzienlijk kan verbeteren. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde communautaire referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „darmflorastabilisatoren”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  PB L 195 van 27.7.2005, blz. 6.

(3)  PB L 328 van 15.12.2005, blz. 13.

(4)  PB L 257 van 30.9.2009, blz. 10.

(5)  EFSA Journal 2010; 8(7):1660.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere vermeldingen

Einde van de vergunningsperiode

CFU/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren

4d1712

Lallemand SAS

Pediococcus acidilactici

CNCM MA 18/5M

 

Samenstelling toevoegingsmiddel

Bereiding van Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M met ten minste 1 × 1010 CFU/g toevoegingsmiddel

 

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare cellen van Pediococcus acidilactici CNCM MA 18/5M

 

Analysemethoden  (1)

 

Telling: spreidplaatmethode onder gebruikmaking van MRS-agar (EN 15786:2009)

 

Identificatie: pulsed-field gel elektroforese (PFGE)

Biggen (gespeend)

1 × 109

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagtemperatuur, de houdbaarheid en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Voor biggen (gespeend) tot 35 kg.

3.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming, bril en handschoenen tijdens hantering.

23 december 2020


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het communautaire referentielaboratorium: www.irmm.jrc.be/crl-feed-additives


3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/14


VERORDENING (EU) Nr. 1121/2010 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Edam Holland (BGA)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 5, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 en artikel 17, lid 2, van diezelfde verordening is de door Nederland ingediende aanvraag tot inschrijving van de benaming „Edam Holland” in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Duitsland, Finland, Oostenrijk, Slowakije, Tsjechië, de regeringen van Australië, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten van Amerika alsmede Dairy Australia, Dairy Companies Association of New Zealand, de National Milk Producers Federation en de U.S. Dairy Export Council hebben krachtens artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 510/2006 bezwaar tegen de registratie aangetekend. De bezwaren werden ontvankelijk verklaard op basis van artikel 7, lid 3, van die verordening, behalve de bezwaren van Australië en Dairy Australia, die onontvankelijk werden verklaard omdat zij niet binnen de termijn binnenkwamen.

(3)

De bezwaarschriften betroffen niet-naleving van de voorwaarden van artikel 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006, met name de benaming en haar gebruik, de specificiteit en faam van het product, de afbakening van het geografische gebied alsook beperkingen ten aanzien van de herkomst van grondstoffen. In de bezwaarschriften werd tevens gesteld dat de registratie in strijd zou zijn met artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 510/2006, schade zou toebrengen aan bestaande namen of handelsmerken of aan bestaande producten die ten minste vijf jaar legaal op de markt waren vóór de in artikel 6, lid 2, bedoelde datum van bekendmaking en dat de voor registratie voorgestelde naam een soortnaam is.

(4)

Bij schrijven van 21 oktober 2008 heeft de Commissie Nederland en de opposanten verzocht om in overeenstemming met hun interne procedures onderling tot een overeenkomst te komen.

(5)

Aangezien er binnen de vastgestelde termijn geen overeenkomst met de opposanten is bereikt, moet de Commissie een besluit nemen volgens de in artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 bedoelde procedure.

(6)

Wat de vermeende niet-naleving van artikel 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 betreft, hebben de bevoegde nationale autoriteiten met betrekking tot de benaming, het geografische gebied, de specificiteit van het product, het verband tussen de kenmerken van het product en het geografische gebied, de faam en de beperkingen ten aanzien van de oorsprong van grondstoffen, het bewijs geleverd dat deze elementen aanwezig waren en bovendien werd geen kennelijke fout vastgesteld. Er moet op worden gewezen dat „Holland” niet de naam is van de betrokken lidstaat en dat „Edam Holland” wordt beschouwd als een traditionele geografische aanduiding als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006. Bijgevolg is in dit verband voldaan aan de vereisten van artikel 2, lid 1, onder b), van de genoemde verordening, aangezien het betrokken geografische gebied wordt afgebakend onder verwijzing naar het verband en de basiselementen van de specificiteit van het product. De specificiteit van Edam Holland is het gevolg van een combinatie van factoren die verband houden met het geografische gebied: onder meer de kwaliteit van de melk (hoog vet- en eiwitgehalte), aminozuren uit β-caseïne en γ-glutamyl peptide, het gebruik om te laten grazen op weiden, het gebruik van kalverstremsel, de natuurlijke rijping alsook het vakmanschap van de landbouwers en de kaasproducenten.

(7)

Wat bezwaren vanwege niet-naleving van artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 510/2006 betreft, heeft Nederland informatie ingediend betreffende het onderscheid tussen het product dat de geregistreerde naam „Noord-Hollandse Edammer” draagt en dat waarvoor de naam „Edam Holland” is aangevraagd. In de bezwaarschriften werd niet aangetoond dat er consumenten zouden kunnen worden misleid of dat de producenten op een ongelijke manier zouden worden behandeld.

(8)

Het lijkt erop dat de opposanten niet naar de volledige benaming „Edam Holland” verwezen toen zij beweerden dat de registratie het voortbestaan van benamingen, handelsmerken of producten in gevaar zou brengen en dat de voorgestelde naam een soortnaam is, maar slechts naar een element ervan, namelijk „Edam”. De bescherming wordt evenwel verleend aan de term „Edam Holland” in zijn geheel. Krachtens artikel 13, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 mag de term „Edam” blijven gebruikt worden, mits de in de rechtsorde van de Unie geldende beginselen en voorschriften in acht worden genomen. Ter verduidelijking zijn het productdossier en de samenvatting dienovereenkomstig aangepast.

(9)

Gelet op het voorgaande komt de benaming „Edam Holland” in aanmerking voor inschrijving in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen”.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor beschermde geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in bijlage I bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Onverminderd de eerste alinea mag de benaming „Edam” blijven gebruikt worden op het grondgebied van de Unie, mits de in haar rechtsorde geldende beginselen en voorschriften in acht worden genomen.

Artikel 2

De geconsolideerde samenvatting met de belangrijkste gegevens uit het productdossier is opgenomen in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 57 van 1.3.2008, blz. 39.


BIJLAGE I

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

NEDERLAND

Edam Holland (BGA)


BIJLAGE II

SAMENVATTING

VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD

inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen

„EDAM HOLLAND”

EG-nummer: NL-PGI-0005-0329-27.11.2003

BOB ( ) BGA (X)

Deze samenvatting bevat de belangrijkste gegevens uit het productdossier ter informatie.

1.   Bevoegde dienst van de lidstaat

Naam

:

Hoofdproductschap Akkerbouw

Adres

:

Postbus 29739 - 2502 LS 's-Gravenhage

Tel.

:

+31-70-3708708

Fax

:

+31-70-3708444

E-mail

:

plw@hpa.agro.nl

2.   Groepering

Naam

:

Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO)

Adres

:

Postbus 165 - 2700 AD Zoetermeer

Tel.

:

+ 31-79-3430300

Fax

:

+31-79-3430320

E-mail

:

info@nzo.nl

Samenstelling

:

Producenten/verwerkers (X) Anderen ( )

3.   Productcategorie

Categorie 1.3

Kaas

4.   Productdossier

(samenvatting van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 voorgeschreven gegevens)

4.1.   Naam

„Edam Holland”

4.2.   Beschrijving

Edam Holland is natuurgerijpte kaas van het halfharde type. De kaas wordt in Nederland geproduceerd uit van Nederlandse melkveehouders afkomstige koemelk en gerijpt tot een consumentgereed product in Nederlandse rijpingskamers.

Samenstelling

Edam Holland wordt bereid uit één of meer van de volgende grondstoffen:

melk, room, geheel of gedeeltelijk ontroomde koemelk (uitsluitend koemelk) van Nederlandse melkveehouderijbedrijven.

Specifieke kenmerken

De vorm van de kaas is een bol met een vlakke boven- en onderkant dan wel een brood- of blokvorm. De specificaties zijn weergegeven in de tabel.

Type

Gewicht

Vet in droge stof

Vocht

(max.)

Zout in droge stof

(max.)

Baby Edam Holland

max. 1,5 kg

40,0 – 44,0 %

46,5 %

5,4 %

Edam Holland (bol)

1,5 – 2,5 kg

40,0 – 44,0 %

45,5 %

5,0 %

Edam Holland Bros

1,5 – 2,5 kg

40,0 – 44,0 %

47,5 %

5,3 %

Edam Holland Stip

1,5 – 2,5 kg

40,0 – 44,0 %

45,5 %

6,0 %

Edam Holland (blok)

max. 20 kg

40,0 – 44,0 %

46,0 %

4,6 %

Edam Holland (groot brood)

4 – 5 kg

40,0 – 44,0 %

46,0 %

4,6 %

Edam Holland (klein brood)

2 – 3 kg

40,0 – 44,0 %

47,0 %

4,8 %

Het vochtgehalte geldt op 12 dagen na de eerste dag van bereiding behalve voor „Baby Edam Holland” waar het geldt op 5 dagen na de eerste dag van bereiding.

De overige specifieke kenmerken zijn:

Smaak: mild tot pikant, afhankelijk van de leeftijd en het type.

Doorsnede: moet gelijkmatig van kleur zijn met enkele kleine ronde openingen. Bros Edam Holland heeft zeer vele kleine openingen. Het zuivel is ivoorkleurig tot geel.

Korst: de korst van de kaas is goed gesloten, glad, droog, schoon en vrij van schimmelgroei. De korst is ontstaan door drogen tijdens de rijping.

Consistentie: het zuivel van jonge Edam Holland moet voldoende stevig en snijdbaar zijn. Naarmate de kaas verder is gerijpt neemt de stevigheid toe en wordt de structuur korter. Brosse Edam Holland dient voldoende stevig en bros te zijn;

Rijpingstijd: ten minste 28 dagen („Baby Edam Holland” ten minste 21 dagen).

„Edam Holland” is een natuurgerijpte kaas. Rijping in folie is niet toegestaan voor „Edam Holland”.

Rijpingstemperatuur: ten minste 12 °C.

Leeftijd: de consumptieleeftijd varieert van minimaal 28 dagen („Baby Edam Holland”) na productie tot meer dan een jaar.

Bijzondere kwaliteitseisen

Melk, room of gedeeltelijk ontroomde melk hebben bij ontvangst en bewaring door de bereider van kaas geen of een niet pasteuriserende warmtebehandeling ondergaan.

Room en al dan niet geheel of gedeeltelijk ontroomde melk dienen onmiddellijk voor de bereiding tot „Edam Holland” een pasteuriserende warmtebehandeling te ondergaan zodanig dat wordt voldaan aan de volgende eisen:

fosfatase activiteit is niet aantoonbaar, tenzij peroxidase-activiteit niet aantoonbaar is;

de zuurtegraad, in geval van room berekend op het vetvrije product, bedraagt ten hoogste 20 mmol NaOH per liter, tenzij het gehalte aan lactaten ten hoogste 200 mg per 100 g vetvrije stof bedraagt;

coli-achtige micro-organismen zijn in 0,1 ml niet aantoonbaar.

Alle grondstoffen moeten onmiddellijk voor de verwerking tot „Edam Holland” op dusdanige wijze worden gepasteuriseerd dat het gehalte aan ongedenatureerde wei-eiwitten niet of slechts in geringe mate afwijkt van dat van de ongepasteuriseerde grondstof van overigens gelijke aard en hoedanigheid.

Er mogen bij de bereiding van „Edam Holland” slechts niet genetisch gemodificeerde cultures van melkzuurvormende en aromavormende micro-organismen worden toegevoegd. Deze cultures bestaan uit voor „Edam Holland” geschikte mesofiele zuurselbacteriën: Lactococcus en Leuconostoc varianten van het type L of LD, eventueel in combinatie met thermofiele Lactobacillus en/of Lactococcus soorten. De beschikbare zuursels spelen een zeer belangrijke rol in het rijpingsproces en het ontstaan van de typerende smaak en aroma.

Stremsel: Er wordt voor de bereiding van „Edam Holland” uitsluitend gebruik gemaakt van kalverstremsel. Alleen in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien een dierziekte hiertoe noodzaakt, kan het nodig zijn om uit te wijken naar andere typen stremsels. Het toegepaste stremsel moet dan voldoen aan de vereisten van het Warenwetbesluit Zuivel.

Het nitrietgehalte van „Edam Holland” bedraagt ten hoogste 2 mg per kg kaas, berekend als nitriet ion.

4.3.   Geografisch gebied

Het geografische gebied waarop de aanvraag betrekking heeft is Holland, zijnde het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

4.4.   Bewijs van de oorsprong

Op elke „Edam Holland” kaaseenheid wordt voor het persen van de wrongel een merk gelegd dat is gemaakt van caseïne (zie figuur). Op dit merk staat, behoudens de benaming „Edam Holland”, een voor elke kaas unieke combinatie van cijfers en letters (alfabetisch en numeriek oplopend).

Image

Het Nederlandse Zuivelcontrole-instituut COKZ houdt van deze unieke nummers een register bij waarin ook alle keuringsgegevens (incl. plaats en tijd) worden vastgelegd. De aanduiding is voor de consument herkenbaar. Verificatie kan door een keuringsinstantie plaatsvinden via het caseïnemerk en het COKZ-register.

4.5.   Werkwijze voor het verkrijgen van het product

„Edam Holland” kaas wordt geproduceerd uit melk die op in Nederland gevestigde veehouderijbedrijven wordt gewonnen. De melk wordt op de boerderij gekoeld tot maximaal 6 °C en opgeslagen in een koeltank op de boerderij. Binnen 72 uur wordt de melk naar de kaasfabriek getransporteerd. Bij ontvangst op de kaasfabriek wordt de melk óf direct verwerkt óf gethermiseerd (een niet-pasteuriserende, lichte warmtebehandeling) en gedurende korte tijd gekoeld opgeslagen en vervolgens verwerkt tot kaasmelk.

De melk wordt hiertoe gestandaardiseerd op het vetgehalte waarbij de vet/eiwitverhouding zodanig wordt ingesteld dat in de uiteindelijke kaas een vetgehalte wordt bereikt van tussen de 40 en 44 % vet in de droge stof. De kaasmelk wordt gepasteuriseerd op een temperatuur van ten minste 72 °C gedurende 15 seconden. Stremming van de kaasmelk geschiedt op een temperatuur van ± 30 °C. De daarbij optredende splitsing en coagulatie van de melkeiwitten is typerend voor Edam Holland.

De door de coagulatie ontstane wrongel wordt afgescheiden van de wei en zodanig bewerkt en gewassen dat vochtgehalte en pH de gewenste waarden bereiken.

Deze wrongel wordt in vaten geperst en daarmee in de juiste vorm en op het gewenste gewicht gebracht. De dan ontstane „kaas” wordt gedompeld in het pekelbad.

Edam Holland wordt uitsluitend op natuurlijke wijze gerijpt. Dat wil zeggen dat aan de lucht wordt gerijpt, waarbij de kaas regelmatig wordt gekeerd en gecontroleerd. Bij de rijping vindt een droge korstontwikkeling plaats. Tijd en temperatuur zijn belangrijk om de enzymmatige en verouderingsprocessen voldoende gelegenheid te geven de kaas te laten worden tot die fysische en organoleptische kwaliteit die „Edam Holland” zo typeert. De rijping van „Edam Holland” kan tot langer dan een jaar duren, afhankelijk van het gewenste smaaktype.

Versnijden en voorverpakken van Edam Holland kan zowel binnen als buiten Nederland plaatsvinden op voorwaarde dat hierbij door de voorverpakker een sluitend administratief controlesysteem wordt gehanteerd waardoor tracering naar de unieke combinatie van cijfers en letters op het controlemerk van de versneden Edam Holland gewaarborgd is en de herkomst voor de consument gegarandeerd blijft.

4.6.   Verband

De geografische component van deze productbenaming is „Holland”. Zoals algemeen bekend is „Holland” een equivalent van de meer officiële benaming „Nederland”. In de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden (van 17e-19e eeuw) was Holland de invloedrijkste van de zeven provincies.

Historische ontwikkeling

„Edam Holland” is een exponent van de Nederlandse kaascultuur die zich vanaf de middeleeuwen ontwikkelde en al in de 17e eeuw (de Gouden Eeuw) tot volle wasdom was gekomen.

De ligging van Nederland (overwegend onder zeeniveau), het klimaat (zeeklimaat) en de samenstelling van de grassen (overwegend klei- en zandgronden) zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor het uitermate geschikt zijn van de melk voor het bereiden van een kwalitatief goede en smaakvolle kaas.

De kwaliteit van de melk wordt geborgd door een combinatie van toepassing van kwaliteitsborgingssystemen op de melkveehouderijbedrijven en de toepassing van een intensief kwaliteitsbeoordelingssysteem (elke levering melk wordt op verschillende kwaliteitsparameters onderzocht en beoordeeld). Daarnaast is er sprake van een gesloten koelketen voorafgaand aan de verwerking van de melk, waarbij de melk gekoeld (max. 6 °C) op de boerderij wordt opgeslagen en in geïsoleerde tankauto's naar de fabriek getransporteerd. Bovendien dragen de relatief korte transportafstanden bij aan het behoud van de kwaliteit.

Van productie op de boerderij, via lokale fabrieken is Edam Holland uitgegroeid tot een nationaal geproduceerd product met een wereldwijde reputatie en vormt een belangrijke, stabiele component in het tot waarde brengen van boerderijmelk. In het begin van de twintigste eeuw zijn nationale wettelijke regels voor Edammer kaas ingevoerd en is de benaming Edam Holland in de Landbouwkwaliteitsbeschikking kaasproducten vastgelegd.

Het imago van Edam Holland bij de Europese consument

Op basis van een grootschalig onderzoek uitgevoerd in zes Europese landen is vastgesteld dat Nederland door de Europese consument wordt beschouwd als de belangrijkste producent van Edam (en Gouda).

Edam Holland (en Gouda Holland) staan symbool voor het Nederlandse culturele erfgoed. De Europese consument beleeft de kaassoorten Edam Holland (en Gouda Holland) als merken. Edam Holland (en Gouda Holland) zijn synoniemen voor Nederlandse kwaliteitsproducten. Uit marktonderzoek (representatieve steekproef van 1 250 respondenten/lidstaat met een betrouwbaarheid van 97,5 %) in de zes voor de consumptie van Edam (en Gouda) belangrijke lidstaten blijkt dat:

er een sterke associatie bestaat tussen Edam en Nederland;

Edam Holland meer gewild is dan Edam geproduceerd buiten Nederland;

bijna de helft van de consumenten in de onderzochte lidstaten denkt dat alle Edam in Nederland wordt geproduceerd;

Edam uit Holland significant hoger scoort op de variabelen: „excellente kwaliteit”, „traditioneel bereid” en „het originele product”.

De Nederlandse industrie en overheid hebben gedurende eeuwen allerlei maatregelen en wetten gerealiseerd om de kwaliteit van Edam Holland (en Gouda Holland) op een zeer hoog peil te houden. Daarnaast heeft de Nederlandse Zuivelindustrie substantiële investeringen gedaan om deze hoge kwaliteitseisen gerealiseerd te krijgen en om markten te openen, te bewerken en te onderhouden. Zo is er vanaf 1950 meer dan 1,4 miljard NLG (635 miljoen EUR) geïnvesteerd in reclame, voorlichting en promotie in Europa (de investeringen in Nederland niet meegerekend).

4.7.   Controlestructuur

Naam

:

Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ)

Adres

:

Kastanjelaan 7, 3833 AN LEUSDEN

Tel.

:

+31-33-4965696

Fax

:

+31-33-4965666

E-mail

:

productcontrole@cokz.nl

4.8.   Etikettering

„Edam Holland” is een door de Europese Unie Beschermde Geografische Aanduiding (BGA).

Deze aanduiding moet op de hele kazen prominent worden weergegeven op het vloei-etiket dat wordt aangebracht op de platte zijde van de kaas en/of op een banderol rond de kaas. Dit is niet verplicht indien de kaas conform 4.5 versneden en voorverpakt in de handel wordt gebracht; dan wordt „Edam Holland” aangebracht op de voorverpakking.

Op de verpakking moet een duidelijk onderscheidend merkteken worden aangebracht zodat de consument in staat is om „Edam Holland” te herkennen in de schappen. Via naamgeving, het gebruik van een eigen identiteit (logo is in ontwikkeling) en het BGA-logo van de EU moet de consument duidelijk gemaakt worden dat Edam Holland een ander product is dan andere Edammer kazen.


3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/22


VERORDENING (EU) Nr. 1122/2010 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Gouda Holland (BGA)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 5, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 en artikel 17, lid 2, van diezelfde verordening is de door Nederland ingediende aanvraag tot inschrijving van de benaming „Gouda Holland” in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië en de regeringen van Australië, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten van Amerika alsmede Dairy Australia, Dairy Companies Association of New Zealand, de National Milk Producers Federation en de U.S. Diary Export Council hebben krachtens artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 510/2006 bezwaar tegen de registratie aangetekend. Deze bezwaren werd ontvankelijk verklaard op grond van artikel 7, lid 3, van die verordening.

(3)

De bezwaarschriften betroffen niet-naleving van de voorwaarden van artikel 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006, met name de benaming en haar gebruik, de specificiteit en faam van het product, de afbakening van het geografische gebied alsook beperkingen ten aanzien van de herkomst van grondstoffen. In de bezwaarschriften werd tevens gesteld dat de registratie in strijd zou zijn met artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 510/2006, schade zou toebrengen aan bestaande namen of handelsmerken of aan bestaande producten die ten minste vijf jaar legaal op de markt waren vóór de in artikel 6, lid 2, bedoelde datum van bekendmaking en dat de voor registratie voorgestelde naam een soortnaam is.

(4)

Bij schrijven van 4 november 2008 heeft de Commissie Nederland en de opposanten verzocht om in overeenstemming met hun interne procedures onderling tot een overeenkomst te komen.

(5)

Aangezien er binnen de vastgestelde termijn geen overeenkomst met de opposanten is bereikt, met uitzondering van een overeenkomst tussen Nederland en Frankrijk, moet de Commissie een besluit nemen volgens de in artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 bedoelde procedure.

(6)

Wat de vermeende niet-naleving van artikel 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 betreft, hebben de bevoegde nationale autoriteiten met betrekking tot de benaming, het geografische gebied, de specificiteit van het product, het verband tussen de kenmerken van het product en het geografische gebied, de faam en de beperkingen ten aanzien van de oorsprong van grondstoffen, het bewijs geleverd dat deze elementen aanwezig waren en bovendien werd geen kennelijke fout vastgesteld. Er moet op worden gewezen dat „Holland” niet de naam is van de betrokken lidstaat en dat „Gouda Holland” wordt beschouwd als een traditionele geografische aanduiding als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006. In dit verband is voldaan aan de vereisten van artikel 2, lid 1, onder b), van de genoemde verordening, aangezien het betrokken geografische gebied wordt afgebakend onder verwijzing naar het verband en de basiselementen van de specificiteit van het product. De specificiteit van Gouda Holland is het gevolg van een combinatie van factoren die verband houden met het geografische gebied: onder meer de kwaliteit van de melk (hoog vet- en eiwitgehalte), aminozuren uit β-caseïne en γ- glutamyl peptide, het gebruik om te laten grazen op weiden, het gebruik van kalverstremsel, de natuurlijke rijping alsook het vakmanschap van de landbouwers en de kaasproducenten.

(7)

Wat bezwaren vanwege niet-naleving van artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 510/2006 betreft, heeft Nederland informatie ingediend betreffende het onderscheid tussen het product dat de geregistreerde naam „Noord-Hollandse Gouda” draagt en dat waarvoor de naam „Gouda Holland” is aangevraagd. In de bezwaarschriften werd niet aangetoond dat er consumenten zouden kunnen worden misleid of dat de producenten op een ongelijke manier zouden worden behandeld.

(8)

Het lijkt erop dat de opposanten niet naar de volledige benaming „Gouda Holland” verwezen toen zij beweerden dat de registratie het voortbestaan van benamingen, handelsmerken of producten in gevaar zou brengen en dat de voorgestelde naam een soortnaam is, maar slechts naar een element ervan, namelijk „Gouda”. De bescherming wordt evenwel verleend aan de term „Gouda Holland” in zijn geheel. Krachtens artikel 13, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 mag de term „Gouda” blijven gebruikt worden, mits de in de rechtsorde van de Unie geldende beginselen en voorschriften in acht worden genomen. Ter verduidelijking zijn het productdossier en de samenvatting dienovereenkomstig aangepast.

(9)

Gelet op het voorgaande komt de benaming „Gouda Holland” in aanmerking voor inschrijving in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen”.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor beschermde geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in bijlage I bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Onverminderd de eerste alinea mag de benaming „Gouda” blijven gebruikt worden op het grondgebied van de Unie, mits de in haar rechtsorde geldende beginselen en voorschriften in acht worden genomen.

Artikel 2

De geconsolideerde samenvatting met de belangrijkste gegevens uit het productdossier is opgenomen in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 61 van 6.3.2008, blz. 15.


BIJLAGE I

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

NEDERLAND

Gouda Holland (BGA)


BIJLAGE II

SAMENVATTING

VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD

inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen

„GOUDA HOLLAND”

EG-nummer: NL-PGI-0005-0328-27.11.2003

BOB ( ) BGA (X)

Deze samenvatting bevat de belangrijkste gegevens uit het productdossier ter informatie.

1.   Bevoegde dienst van de lidstaat

Naam

:

Hoofdproductschap Akkerbouw

Adres

:

Postbus 29739 - 2502 LS 's-Gravenhage

Tel.

:

+31-70-3708708

Fax

:

+31-70-3708444

E-mail

:

plw@hpa.agro.nl

2.   Groepering

Naam

:

Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO)

Adres

:

Postbus 165 - 2700 AD Zoetermeer

Tel.

:

+31-79-3430300

Fax

:

+31-79-3430320

E-mail

:

info@nzo.nl

Samenstelling

:

Producenten/verwerkers (X) Anderen ( )

3.   Productcategorie

Categorie 1.3.

Kaas

4.   Productdossier

(samenvatting van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 voorgeschreven gegevens)

4.1.   Naam

„Gouda Holland”

4.2.   Beschrijving

Gouda Holland is een volvette (48 % +), natuurgerijpte kaas van het halfharde type.

De kaas wordt in Nederland geproduceerd uit van Nederlandse melkveehouders afkomstige koemelk en gerijpt tot een consumentgereed product in Nederlandse rijpingskamers.

Samenstelling

Gouda Holland wordt bereid uit één of meer van de volgende grondstoffen:

melk, room, geheel of gedeeltelijk ontroomde koemelk (uitsluitend koemelk) van Nederlandse melkveehouderijbedrijven.

Specifieke kenmerken

De vorm van de kaas is platcilindrisch dan wel blok- of broodvorm met een gewicht van 2,5 tot 20 kg. Onder een platcilindrische vorm wordt verstaan een vorm waarvan de bolle zijkant vloeiend overgaat in de vlakke boven- en onderkant en waarvan de hoogte eenvierde tot eenderde van de middellijn bedraagt.

Het vetgehalte is minimaal 48,0 % en maximaal 52,0 % in de droge stof. Het vochtgehalte bedraagt (maximaal) op 12 dagen na de eerste dag van bereiding 42,5 % en het zoutgehalte in de droge stof is maximaal 4,0 %. De overige specifieke kenmerken zijn:

Smaak: geurig, aangenaam en mild tot pittig, afhankelijk van de leeftijd. Komijn mag worden toegevoegd.

Doorsnede: na het doorsnijden van de kaas is ogenvorming zichtbaar, al dan niet gelijkmatig verdeeld. Het zuivel is ivoorkleurig tot geel.

Korst: de korst van de kaas is goed gesloten, glad, droog, schoon en vrij van schimmelgroei. De korst is ontstaan door drogen tijdens de rijping.

Consistentie: het zuivel is iets zacht tot smedig op 4-weekse leeftijd. Naarmate de kaas verder is gerijpt neemt de stevigheid toe en wordt de structuur korter. De kaas is goed snijdbaar.

Rijpingstijd: ten minste 28 dagen. Gouda Holland is een natuurgerijpte kaas. Rijping in folie is niet toegestaan voor Gouda Holland.

Rijpingstemperatuur: ten minste 12 °C.

Leeftijd: de consumptieleeftijd varieert van minimaal 28 dagen na productie tot ouder dan een jaar.

Bijzondere kwaliteitseisen

Melk, room of gedeeltelijk ontroomde melk hebben bij ontvangst en bewaring door de bereider van kaas geen of een niet pasteuriserende warmtebehandeling ondergaan.

Room en al dan niet geheel of gedeeltelijk ontroomde melk dienen onmiddellijk voor de bereiding tot Gouda Holland een pasteuriserende warmtebehandeling te ondergaan zodanig dat wordt voldaan aan de volgende eisen:

fosfatase activiteit is niet aantoonbaar, tenzij peroxidase-activiteit niet aantoonbaar is;

de zuurtegraad, in geval van room berekend op het vetvrije product, bedraagt ten hoogste 20 mmol NaOH per liter, tenzij het gehalte aan lactaten ten hoogste 200 mg per 100 g vetvrije stof bedraagt;

coli-achtige micro-organismen zijn in 0,1 ml niet aantoonbaar.

Alle grondstoffen moeten onmiddellijk voor de verwerking tot Gouda Holland op dusdanige wijze worden gepasteuriseerd dat het gehalte aan ongedenatureerde wei-eiwitten niet of slechts in geringe mate afwijkt van dat van de ongepasteuriseerde grondstof van overigens gelijke aard en hoedanigheid. Er mogen bij de bereiding van Gouda Holland slechts niet genetisch gemodificeerde cultures van melkzuurvormende en aromavormende micro-organismen worden toegevoegd. Deze cultures bestaan uit voor Gouda Holland geschikte mesofiele zuurselbacteriën: Lactococcus en Leuconostoc varianten van het type L of LD, eventueel in combinatie met thermofiele Lactobacillus en/of Lactococcus soorten. De beschikbare zuursels staan onder bescherming. Het gebruik is verplicht voor de bereiding van Gouda Holland.

Stremsel: voor de bereiding van Gouda Holland wordt uitsluitend gebruik gemaakt van kalverstremsel. Alleen in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien een dierziekte hiertoe noodzaakt, kan het nodig zijn om uit te wijken naar andere typen stremsels. Het toegepaste stremsel moet dan voldoen aan de vereisten van het Warenwetbesluit Zuivel.

Het nitrietgehalte van Gouda Holland bedraagt ten hoogste 2 mg per kg kaas, berekend als nitriet ion.

4.3.   Geografisch gebied

Het geografische gebied waarop de aanvraag betrekking heeft is Holland, zijnde het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

4.4.   Bewijs van de oorsprong

Op elke Gouda Holland kaaseenheid wordt vóór het persen van de wrongel een merk gelegd dat is gemaakt van caseïne (zie figuur). Op dit merk staat, behoudens de benaming Gouda Holland, een voor elke kaas unieke combinatie van cijfers en letters (alfabetisch en numeriek oplopend).

Image

Het Nederlandse Zuivelcontrole-instituut COKZ houdt van deze unieke nummers een register bij waarin ook alle keuringsgegevens (incl. plaats en tijd) worden vastgelegd. De aanduiding is voor de consument herkenbaar. Verificatie kan door een keuringsinstantie plaatsvinden via het caseïnemerk en het COKZ-register.

4.5.   Werkwijze voor het verkrijgen van het product

Gouda Holland kaas wordt geproduceerd uit melk die op in Nederland gevestigde veehouderijbedrijven wordt gewonnen. De melk wordt op de boerderij gekoeld tot maximaal 6 °C en opgeslagen in een koeltank op de boerderij. Binnen 72 uur wordt de melk naar de kaasfabriek getransporteerd. Bij ontvangst op de kaasfabriek wordt de melk óf direct verwerkt óf gethermiseerd (een niet-pasteuriserende, lichte warmtebehandeling) en gedurende korte tijd gekoeld opgeslagen en vervolgens verwerkt tot kaasmelk.

De melk wordt hiertoe gestandaardiseerd op het vetgehalte waarbij de vet/eiwitverhouding zodanig wordt ingesteld dat in de uiteindelijke kaas een vetgehalte wordt bereikt van tussen de 48 en 52 % vet in de droge stof. De kaasmelk wordt gepasteuriseerd op een temperatuur van ten minste 72 °C gedurende 15 seconden. Stremming van de kaasmelk geschiedt op een temperatuur van ± 30 °C. De daarbij optredende splitsing en coagulatie van de melkeiwitten is typerend voor Gouda Holland.

De door de coagulatie ontstane wrongel wordt afgescheiden van de wei en zodanig bewerkt en gewassen dat vochtgehalte en pH de gewenste waarden bereiken.

Deze wrongel wordt in vaten geperst en daarmee in de juiste vorm en op het gewenste gewicht gebracht. De dan ontstane „kaas” wordt gedompeld in het pekelbad.

Gouda Holland wordt uitsluitend op natuurlijke wijze gerijpt. Dat wil zeggen dat aan de lucht wordt gerijpt, waarbij de kaas regelmatig wordt gekeerd en gecontroleerd. Bij de rijping vindt een droge korstontwikkeling plaats. Tijd en temperatuur zijn belangrijk om de enzymmatige en verouderingsprocessen voldoende gelegenheid te geven de kaas te laten worden tot die fysische en organoleptische kwaliteit die Gouda Holland zo typeert.

De rijping van Gouda Holland kan tot langer dan een jaar duren, afhankelijk van het gewenste smaaktype.

Versnijden en voorverpakken van Gouda Holland kan zowel binnen als buiten Nederland plaatsvinden op voorwaarde dat hierbij door de voorverpakker een sluitend administratief controlesysteem wordt gehanteerd waardoor tracering naar de unieke combinatie van cijfers en letters op het controlemerk van de versneden Gouda Holland gewaarborgd is en de herkomst voor de consument gegarandeerd blijft.

4.6.   Verband

De geografische component van deze productbenaming is „Holland”. Zoals algemeen bekend is „Holland” een equivalent van de meer officiële benaming „Nederland”. In de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden (van 17e-19e eeuw) was Holland de invloedrijkste van de zeven provincies.

De ligging van Nederland (overwegend onder zeeniveau), het klimaat (zeeklimaat) en de samenstelling van de grassen (overwegend klei- en zandgronden) zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor het uitermate geschikt zijn van de melk voor het bereiden van een kwalitatief goede en smaakvolle kaas. De kwaliteit van de melk wordt geborgd door een combinatie van toepassing van kwaliteitsborgingssystemen op de melkveehouderijbedrijven en de toepassing van een intensief kwaliteitsbeoordelingssysteem (elke levering melk wordt op verschillende kwaliteitsparameters onderzocht en beoordeeld). Daarnaast is er sprake van een gesloten koelketen voorafgaand aan de verwerking van de melk, waarbij de melk gekoeld (max. 6 °C) op de boerderij wordt opgeslagen en in geïsoleerde tankauto's naar de fabriek getransporteerd. Bovendien dragen de relatief korte transportafstanden bij aan het behoud van de kwaliteit.

Historische ontwikkeling

Gouda Holland is een exponent van de Nederlandse kaascultuur die zich vanaf de middeleeuwen ontwikkelde en al in de 17e eeuw (de Gouden Eeuw) tot volle wasdom was gekomen.

De kaas die in Gouda werd verhandeld kreeg vanaf de 18e eeuw de aanduiding Goudse kaas. Later werd de aanduiding Gouda verbonden aan alle platcilindrische volvette kaas die in Holland werd geproduceerd.

Van productie op de boerderij, via lokale fabrieken is Gouda Holland uitgegroeid tot een nationaal geproduceerd product met een wereldwijde reputatie en vormt een belangrijke, stabiele component in het tot waarde brengen van boerderijmelk. In het begin van de twintigste eeuw zijn nationale wettelijke regels voor Goudse kaas ingevoerd en is de benaming Gouda Holland in de Landbouwkwaliteitsbeschikking kaasproducten vastgelegd.

Het imago van Gouda Holland bij de Europese consument

Op basis van een grootschalig onderzoek uitgevoerd in zes Europese landen is vastgesteld dat Nederland door de Europese consument wordt beschouwd als de belangrijkste producent van Gouda en Edam. Gouda Holland (en Edam Holland) staan symbool voor het Nederlandse culturele erfgoed. De Europese consument beleeft de kaassoorten Gouda Holland (en Edam Holland) als merken. Uit marktonderzoek (representatieve steekproef van 1 250 respondenten/lidstaat met een betrouwbaarheid van 97,5 %) in de zes voor de consumptie van Gouda (en Edam) belangrijkste lidstaten blijkt dat:

er een sterke associatie bestaat tussen Gouda en Nederland;

Gouda Holland meer gewild is dan Gouda geproduceerd buiten Nederland;

bijna de helft van de consumenten in de onderzochte lidstaten denkt dat alle Gouda in Nederland geproduceerd wordt;

Gouda uit Holland significant hoger scoort op de variabelen: „excellente kwaliteit”, „traditioneel bereid” en „het originele product”.

Gouda Holland (en Edam Holland) zijn synoniemen voor Nederlandse kwaliteitsproducten. De Nederlandse industrie en overheid hebben gedurende eeuwen allerlei maatregelen en wetten gerealiseerd om de kwaliteit van Gouda Holland (en Edam Holland) op een zeer hoog peil te houden. Daarnaast heeft de Nederlandse Zuivelindustrie substantiële investeringen gedaan om deze hoge kwaliteitseisen gerealiseerd te krijgen en om markten te openen, te bewerken en te onderhouden. Zo is er vanaf 1950 meer dan 1,4 miljard NLG (635 miljoen EUR) geïnvesteerd in reclame, voorlichting en promotie in Europa (de investeringen in Nederland niet meegerekend).

4.7.   Controlestructuur

Naam

:

Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ)

Adres

:

Kastanjelaan 7, 3833 AN LEUSDEN

Tel.

:

+31-33-4965696

Fax

:

+31-33-4965666

E-mail

:

productcontrole@cokz.nl

4.8.   Etikettering

„Gouda Holland”, een door de Europese Unie Beschermde Geografische Aanduiding (BGA).

Deze aanduiding moet op de hele kazen prominent worden weergegeven op het vloei-etiket dat wordt aangebracht op de platte zijde van de kaas en/of op een banderol rond de kaas.

Dit is niet verplicht indien de kaas conform 4.5 versneden en voorverpakt in de handel wordt gebracht; dan wordt „Gouda Holland” aangebracht op de voorverpakking.

Op de verpakking moet een duidelijk onderscheidend merkteken worden aangebracht zodat de consument in staat is om Gouda Holland te herkennen in de schappen. Via de benaming „Gouda Holland”, het gebruik van een eigen identiteit en het BGA-symbool van de EU moet de consument duidelijk gemaakt worden dat Gouda Holland een ander product is dan de andere „Gouda kazen”.


3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/30


VERORDENING (EU) Nr. 1123/2010 VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 3 december 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

64,0

MA

96,2

MK

68,6

TR

131,8

ZZ

90,2

0707 00 05

EG

145,5

JO

182,1

TR

76,2

ZZ

134,6

0709 90 70

MA

86,7

TR

146,6

ZZ

116,7

0805 10 20

BR

57,8

MA

56,2

TR

54,8

ZA

52,0

ZW

43,6

ZZ

52,9

0805 20 10

MA

73,7

ZZ

73,7

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

HR

60,9

IL

72,8

TR

66,6

ZZ

66,8

0805 50 10

AR

45,9

TR

57,2

UY

57,1

ZZ

53,4

0808 10 80

AR

74,9

AU

164,5

BR

50,3

CA

65,9

CL

84,2

CN

86,4

CO

50,3

MK

26,7

NZ

99,4

US

113,6

ZA

125,5

ZZ

85,6

0808 20 50

CN

105,3

US

112,9

ZZ

109,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/32


RICHTLIJN 2010/85/EU VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om zinkfosfide op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/941/EG

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 1112/2002 (2) en (EG) nr. 2229/2004 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde werkprogramma vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht voor eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Zinkfosfide is in die lijst opgenomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 24 sexies van Verordening (EG) nr. 2229/2004 heeft de aanvrager zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpevaluatieverslag ingetrokken. Bijgevolg is bij Beschikking 2008/941/EG van de Commissie van 8 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (4), zinkfosfide niet opgenomen.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever (de „aanvrager”) een nieuwe aanvraag ingediend om toepassing van de versnelde procedure zoals vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(4)

De aanvraag is ingediend bij Duitsland, dat bij Verordening (EG) nr. 2229/2004 als rapporterende lidstaat was aangewezen. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als in Beschikking 2008/941/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

Duitsland heeft de door de aanvrager verstrekte nadere gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Op 20 juli 2009 heeft Duitsland dat verslag bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (de „Autoriteit”) en bij de Commissie ingediend. De Autoriteit heeft het aanvullende verslag aan de overige lidstaten en aan de aanvrager voor commentaar meegedeeld en heeft de ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de Autoriteit op 2 juli 2010 haar conclusie over zinkfosfide aan de Commissie doen toekomen (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de Autoriteit zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 28 oktober 2010 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor zinkfosfide.

(6)

Uit de verschillende analysen is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die zinkfosfide bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Zinkfosfide moet derhalve in bijlage I worden opgenomen om ervoor te zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig de bepalingen van die richtlijn.

(7)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(8)

Onverminderd de verplichtingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die zinkfosfide bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(9)

Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, problemen kan opleveren. Om meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op.

(10)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Beschikking 2008/941/EG betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten, voorziet in de niet-opneming van zinkfosfide en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die die stof bevatten, uiterlijk op 31 december 2011. In de bijlage bij die beschikking moet de regel betreffende zinkfosfide worden geschrapt.

(12)

Beschikking 2008/941/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

In de bijlage bij Beschikking 2008/941/EG wordt de regel betreffende zinkfosfide geschrapt.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk op 31 oktober 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 november 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

1.   Overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG moeten de lidstaten zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die zinkfosfide als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 1 november 2011 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot zinkfosfide is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende zinkfosfide in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat zinkfosfide bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 30 april 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als zinkfosfide de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 30 april 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast zinkfosfide nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 30 april 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op 1 mei 2011.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 168 van 27.6.2002, blz. 14.

(3)  PB L 379 van 24.12.2004, blz. 13.

(4)  PB L 335 van 13.12.2008, blz. 91.

(5)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance zinc phosphide. EFSA Journal 2010; 8(7):1671. [48 blz.].doi:10.2903/j.efsa.2010.1671. Online beschikbaar op www.efsa.europa.eu

(7)  PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„319

Zinkfosfide

CAS-nr.: 1314-84-7

CIPAC-nr.: 69

Trizinkdifosfide

≥ 800 g/kg

1 mei 2011

30 april 2021

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als rodenticide in de vorm van gebruiksklaar aas, geplaatst in aasstations of op specifieke locaties.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen van bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over zinkfosfide dat op 28 oktober 2010 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van niet tot de doelsoorten behorende organismen. Indien nodig moeten risicobeperkende maatregelen worden genomen om met name te vermijden dat aas wordt verspreid wanneer maar een deel ervan is geconsumeerd.”.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/36


RICHTLIJN 2010/86/EU VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om haloxyfop-P op te nemen als werkzame stof

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 703/2001 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de tweede fase van het in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde werkprogramma vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht voor eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Haloxyfop-R is in die lijst opgenomen. Bij Beschikking 2007/437/EG (4) van de Commissie is besloten om haloxyfop-R niet op te nemen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG.

(2)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever („de aanvrager”) een nieuwe aanvraag ingediend om toepassing van de versnelde procedure zoals vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(3)

De aanvraag is ingediend bij Denemarken, dat bij Verordening (EG) nr. 451/2000 als rapporterende lidstaat was aangewezen. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als in Beschikking 2007/437/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008. In die aanvraag wordt in plaats van de eerder gebruikte term „haloxyfop-R” de ISO-benaming „haloxyfop-P” gebruikt om te verwijzen naar de werkzame stof.

(4)

Denemarken heeft de door de aanvrager verstrekte nieuwe informatie en gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Op 3 april 2009 heeft Denemarken dat verslag aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid („de Autoriteit”) en aan de Commissie meegedeeld. De Autoriteit heeft het aanvullende verslag aan de overige lidstaten en aan de aanvrager voor commentaar meegedeeld en heeft de ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de Autoriteit op 9 oktober 2009 haar conclusie over haloxyfop-P aan de Commissie doen toekomen (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de Autoriteit zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 28 oktober 2010 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor haloxyfop-P.

(5)

Het aanvullende verslag van de rapporterende lidstaat en de nieuwe conclusie van de Autoriteit hadden betrekking op de problemen die tot de niet-opneming hadden geleid, zoals met name de potentiële verontreiniging van grondwater – en eventueel drinkwater – door een aantal metabolieten en het risico voor zoogdieren.

(6)

Uit de door de aanvrager verstrekte nieuwe gegevens blijkt echter dat de metabolieten in kwestie niet toxicologisch of biologisch relevant zijn en dat zij uit ecotoxicologisch oogpunt weinig risico opleveren.

(7)

Bijgevolg kan op grond van de door de aanvrager verstrekte aanvullende gegevens en informatie worden gesteld dat de specifieke problemen die tot niet-opneming hebben geleid, uit de weg zijn geruimd. Er zijn geen andere open wetenschappelijke kwesties gerezen.

(8)

Uit de verschillende analysen is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die haloxyfop-P bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Haloxyfop-P moet derhalve in bijlage I worden opgenomen om ervoor te zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(9)

Onverminderd die conclusie moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Er dient dan ook te worden geëist dat de aanvrager informatie verstrekt die de beoordeling van de blootstelling van het grondwater met betrekking tot de werkzame stof en haar bodemmetabolieten DE-535 fenol, DE-535 pyridinol en DE-535 pyridinone bevestigt.

(10)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 juni 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2011.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)  PB L 98 van 7.4.2001, blz. 6.

(4)  PB L 163 van 23.6.2007, blz. 22.

(5)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance haloxyfop-P (haloxyfop-R) EFSA Journal 2009; 7(11): 1348. [102 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2009.1348. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„314

Haloxyfop-P

CAS-nr.:

Zuur: 95977-29-0

Ester: 72619-32-0

CIPAC-nr.:

Zuur: 526

Ester: 526.201

Zuur: (R)-2-[4-(3-chloor-5-trifluormethyl-2-pyridyloxy)fenoxy] propionzuur

Ester: Methyl (R)-2-{4-[3-chloor-5-(trifluormethyl)-2-pyridyloxy]fenoxy} propionaat

≥ 940 g/kg

(Haloxyfop-P-methylester)

1 januari 2011

31 december 2020

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen van bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over haloxyfop-P dat op 28 oktober 2010 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de veiligheid van de toediener: de gebruiksvoorwaarden moeten het gebruik van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven;

de bescherming van in het water levende organismen: de toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten (bv. toereikende bufferzones);

de veiligheid van de consument wat de aanwezigheid van de metabolieten DE-535 pyridinol en DE-535 pyridinone in het grondwater betreft.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de aanvrager uiterlijk op 31 december 2012 informatie verstrekt die de beoordeling van de blootstelling van het grondwater met betrekking tot de werkzame stof en haar bodemmetabolieten DE-535 fenol, DE-535 pyridinol en DE-535 pyridinone bevestigt.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BESLUITEN

3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/39


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot vaststelling van klassen van materiaalgedrag bij brand voor bepaalde voor de bouw bestemde producten wat staalplaten met polyestercoating en plastisolcoating betreft

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 389)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/737/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (1), en met name artikel 20, lid 2, onder a),

Na raadpleging van het Permanent Comité voor de bouw,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Richtlijn 89/106/EEG kan het met het oog op de op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau uiteenlopende beschermingsniveaus voor bouwwerken nodig zijn om in de basisdocumenten voor ieder fundamenteel voorschrift klassen vast te stellen voor het gedrag van producten. Deze documenten zijn in de vorm van een mededeling van de Commissie betreffende de basisdocumenten van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (2) gepubliceerd.

(2)

Met betrekking tot het fundamentele voorschrift „brandveiligheid” noemt basisdocument nr. 2 een aantal onderling samenhangende maatregelen die tezamen de brandveiligheidsstrategie bepalen, die in de lidstaten op verschillende wijze kan worden uitgewerkt.

(3)

Een van die maatregelen die in basisdocument nr. 2 worden genoemd, is het beperken van het ontstaan en de verspreiding van brand en rook op een bepaalde plaats door de kans dat voor de bouw bestemde producten bijdragen tot de volledige ontwikkeling van een brand te verkleinen.

(4)

Het niveau van die beperking kan slechts worden uitgedrukt als een bepaald materiaalgedrag bij brand van de producten in hun uiteindelijke toepassing.

(5)

Als geharmoniseerde oplossing is bij Beschikking 2000/147/EG van de Commissie van 8 februari 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad wat de indeling van voor de bouw bestemde producten in klassen van materiaalgedrag bij brand betreft (3) een systeem van klassen vastgesteld.

(6)

Voor staalplaten met polyestercoating en plastisolcoating moet de klassenindeling van Beschikking 2000/147/EG worden toegepast.

(7)

Het materiaalgedrag bij brand van veel voor de bouw bestemde producten en/of materialen die zijn opgenomen in de klassenindeling van Beschikking 2000/147/EG is duidelijk vastgesteld en is bij de voor brand bevoegde regelgevende instanties in de lidstaten voldoende bekend, zodat zij op dit specifieke gedragskenmerk niet hoeven te worden getest,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De voor de bouw bestemde producten en/of materialen die aan alle eisen van het gedragskenmerk „materiaalgedrag bij brand” voldoen zonder verdere tests te moeten ondergaan, zijn vermeld in de bijlage.

Artikel 2

De specifieke klassen die overeenkomstig de bij Beschikking 2000/147/EG vastgestelde indeling naar materiaalgedrag bij brand voor de verschillende voor de bouw bestemde producten en/of materialen gelden, zijn in de bijlage bij dit besluit opgenomen.

Artikel 3

De producten worden, waar nodig, beoordeeld ten aanzien van de uiteindelijke toepassing ervan.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

Antonio TAJANI

Vicevoorzitter


(1)  PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12.

(2)  PB C 62 van 28.2.1994, blz. 1.

(3)  PB L 50 van 23.2.2000, blz. 14.


BIJLAGE

In de tabellen in deze bijlage zijn de voor de bouw bestemde producten en/of materialen opgenomen die aan alle voorschriften voor het gedragskenmerk „materiaalgedrag bij brand” voldoen en niet hoeven te worden getest.

Tabel 1

Klassen van materiaalgedrag bij brand voor staalplaten met polyestercoating voor eenlaags gebruik (zonder achterliggende isolatie)

Product

Nominale dikte „t” van de metallisch beklede staalplaat

(mm)

Profiel

Klasse (1)

Metallisch beklede staalplaat, geprofileerd of vlak, met een nominale dikte t (mm), waarvan het aan brand blootgestelde oppervlak is gecoat met een polyestercoating met een nominale dikte van maximaal 25 μm, overeenkomstig het desbetreffende onderdeel van EN 14782 en EN 10169, indien de coating een massa van niet meer dan 70 g/m2 en een PCS van niet meer dan 1,0 MJ/m2 heeft.

Het niet aan brand blootgestelde oppervlak van de staalplaat mag organisch gecoat zijn, mits deze coating een dikte van niet meer dan 15 μm en een PCS van niet meer dan 0,7 MJ/m2 heeft.

0,40 ≤ t ≤ 1,50

Vlak of geprofileerd (2)

A1

Gebruikte symbolen: PCS = calorische bovenwaarde.


Tabel 2

Klassen van materiaalgedrag bij brand voor staalplaten met plastisolcoating

Product (3)

Nominale dikte „t” van de metallisch beklede staalplaat

(mm)

Montagegegevens

Klasse (4)

Metallisch beklede staalplaat, geprofileerd of vlak, met een nominale dikte t (mm), waarvan het aan brand blootgestelde oppervlak is gecoat met een plastisolcoating met een nominale dikte van maximaal 200 μm, een coatingmassa van niet meer dan 300 g/m2 en een PCS van niet meer dan 0,7 MJ/m2.

Het niet aan brand blootgestelde oppervlak van de staalplaat mag organisch gecoat zijn, mits deze coating een dikte van niet meer dan 15 μm en een PCS van niet meer dan 0,7 MJ/m2 heeft.

0,55 ≤ t ≤ 1,00

Vlak of geprofileerd product voor eenlaags gebruik (zonder achterliggende isolatie) of met achterliggende minerale wol als onderdeel van een (eventueel tweelaagse) constructie. Indien het product geprofileerd is, mag het geprofileerde (gegolfde) oppervlak niet meer dan tweemaal zo groot zijn als het totale (bekledings)oppervlak van het product.

De minerale wol moet ten minste tot klasse A2-s1,d0 behoren. De minerale wol moet ten minste 100 mm dik zijn, tenzij het materiaal dat zich (eventueel) onmiddellijk achter de minerale wol bevindt (met inbegrip van de eventuele dampwerende laag) ten minste tot klasse A2-s1,d0 behoort.

De ondersteunende structuur moet ten minste tot klasse A2-s1,d0 behoren.

C-s3,d0

Gebruikte symbolen: PCS = calorische bovenwaarde.


(1)  De klasse is vastgesteld in tabel 1 van de bijlage bij Beschikking 2000/147/EG.

(2)  Het geprofileerde (gegolfde) oppervlak mag niet meer dan tweemaal zo groot zijn als het totale (bekledings)oppervlak van het product.

Gebruikte symbolen: PCS = calorische bovenwaarde.

(3)  De tolerantie met betrekking tot de nominale dikte moet voldoen aan de desbetreffende voorwaarden in EN 14782 en EN 14783.

(4)  De klasse is vastgesteld in tabel 1 van de bijlage bij Beschikking 2000/147/EG.

Gebruikte symbolen: PCS = calorische bovenwaarde.


3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/42


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 2 december 2010

tot vaststelling van klassen van materiaalgedrag bij brand voor bepaalde voor de bouw bestemde producten wat vezelversterkte gipsproducten betreft

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 392)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/738/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (1), en met name artikel 20, lid 2, onder a),

Na raadpleging van het Permanent Comité voor de bouw,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Richtlijn 89/106/EEG kan het met het oog op de op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau uiteenlopende beschermingsniveaus voor bouwwerken nodig zijn om in de basisdocumenten voor ieder fundamenteel voorschrift klassen vast te stellen voor het gedrag van producten. Deze documenten zijn in de vorm van een mededeling van de Commissie betreffende de basisdocumenten van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (2) gepubliceerd.

(2)

Met betrekking tot het fundamentele voorschrift „brandveiligheid” noemt basisdocument nr. 2 een aantal onderling samenhangende maatregelen die tezamen de brandveiligheidsstrategie vaststellen, die in de lidstaten op verschillende wijze kan worden uitgewerkt.

(3)

Een van die maatregelen die in basisdocument nr. 2 worden genoemd, is het beperken van het ontstaan en de verspreiding van brand en rook op een bepaalde plaats door de kans dat voor de bouw bestemde producten bijdragen tot de volledige ontwikkeling van een brand te verkleinen.

(4)

Het niveau van die beperking kan slechts worden uitgedrukt als een bepaald materiaalgedrag bij brand van de producten in hun uiteindelijke toepassing.

(5)

Als geharmoniseerde oplossing is bij Beschikking 2000/147/EG van de Commissie van 8 februari 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad wat de indeling van voor de bouw bestemde producten in klassen van materiaalgedrag bij brand betreft (3) een systeem van klassen vastgesteld.

(6)

Voor vezelversterkte gipsproducten moet de klassenindeling van Beschikking 2000/147/EG worden toegepast.

(7)

Het materiaalgedrag bij brand van veel voor de bouw bestemde producten en/of materialen die zijn opgenomen in de klassenindeling van Beschikking 2000/147/EG is duidelijk vastgesteld en is bij de voor brand bevoegde regelgevende instanties in de lidstaten voldoende bekend, zodat zij op dit specifieke gedragskenmerk niet hoeven te worden getest,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De voor de bouw bestemde producten en/of materialen die aan alle eisen van het gedragskenmerk „materiaalgedrag bij brand” voldoen zonder verdere tests te moeten ondergaan, zijn vermeld in de bijlage.

Artikel 2

De specifieke klassen die overeenkomstig de bij Beschikking 2000/147/EG vastgestelde indeling naar materiaalgedrag bij brand voor de verschillende voor de bouw bestemde producten en/of materialen gelden, zijn in de bijlage bij dit besluit opgenomen.

Artikel 3

De producten worden, waar nodig, beoordeeld ten aanzien van de uiteindelijke toepassing ervan.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 december 2010.

Voor de Commissie

Antonio TAJANI

Vicevoorzitter


(1)  PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12.

(2)  PB C 62 van 28.2.1994, blz. 1.

(3)  PB L 50 van 23.2.2000, blz. 14.


BIJLAGE

In de tabel in deze bijlage zijn de voor de bouw bestemde producten en/of materialen opgenomen die aan alle voorschriften voor het gedragskenmerk „materiaalgedrag bij brand” voldoen en niet hoeven te worden getest.

Tabel

Klassen van materiaalgedrag bij brand voor met sisal- of jutevezels versterkte gipsproducten

Product

Productbeschrijving

Minimale dichtheid

(kg/m3)

Klasse (1)

Vezelversterkte gipsproducten

Product overeenkomstig EN 13815, gietstuk van met water gemengd gips dat is versterkt met niet meer dan 2,5 massaprocent gelijkmatig verdeelde sisal- of jutevezels.

1 000

A1


(1)  De klasse is vastgesteld in tabel 1 van de bijlage bij Beschikking 2000/147/EG.


Rectificaties

3.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/44


Rectificatie van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Montenegro inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde gegevens

( Publicatieblad van de Europese Unie L 260 van 2 oktober 2010 )

Bladzijde 5, slotformule:

in plaats van:

Voor Montenegro

de minister van Buitenlandse Zaken

Voor de Europese Unie

de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid”,

te lezen:

Voor de Europese Unie

Voor Montenegro