ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.297.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 297

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
13 november 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

Reglement nr. 37 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van gloeilampen die bestemd zijn voor gebruik in goedgekeurde lichtunits van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

1

 

*

Wijziging van Reglement nr. 13 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen van de categorieën M, N en O wat het remsysteem betreft

183

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

13.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/1


Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van het VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op:

http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html

Reglement nr. 37 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van gloeilampen die bestemd zijn voor gebruik in goedgekeurde lichtunits van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

Bevat de volledige geldige tekst tot en met:

Supplement 34 op wijzigingenreeks 03 — Datum van inwerkingtreding: 19 augustus 2010

INHOUD

REGLEMENT

1.

Toepassingsgebied

2.

Administratieve bepalingen

2.1.

Definities

2.2.

Goedkeuringsaanvraag

2.3.

Opschriften

2.4.

Goedkeuring

3.

Technische voorschriften

3.1.

Definities

3.2.

Algemene specificaties

3.3.

Fabricage

3.4.

Tests

3.5.

Positie en afmetingen van de gloeidraad

3.6.

Kleur

3.7.

Uv straling

3.8.

Waarneming voor de kleur selectief geel

3.9.

Controle van de optische kwaliteit

3.10.

Standaardgloeilampen

4.

Conformiteit van de productie

5.

Sancties bij non-conformiteit van de productie

6.

Definitieve stopzetting van de productie

7.

Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de administratieve instanties

8.

Overgangsbepalingen

BIJLAGEN

Bijlage 1 —

Databladen voor gloeilampen

Bijlage 2 —

Mededeling betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een type gloeilamp krachtens Reglement nr. 37

Bijlage 3 —

Voorbeeld van de opstelling van het goedkeuringsmerk

Bijlage 4 —

Lichtmiddelpunt en vormen van gloeidraden

Bijlage 5 —

Controle van de kleur van gloeilampen

Bijlage 6 —

Minimumvoorschriften voor de kwaliteitscontroleprocedures van de fabrikant

Bijlage 7 —

Bemonsterings- en overeenstemmingsniveaus voor de testgegevens van de fabrikant

Bijlage 8 —

Minimumvoorschriften voor steekproeven door de administratieve instantie

Bijlage 9 —

Controle van de naleving van de voorschriften door middel van steekproeven

Bijlage 10 —

Vertaling van de termen die in de afbeeldingen in bijlage 1 worden gebruikt

1.   TOEPASSINGSGEBIED

Dit reglement is van toepassing op de gloeilampen die zijn opgenomen in bijlage 1 en bestemd zijn voor gebruik in goedgekeurde lichtunits van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan.

2.   ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

2.1.   Definities

2.1.1.   Definitie van „categorie”

De term „categorie” wordt in dit reglement gebruikt om een verschillend basisontwerp van gestandaardiseerde gloeilampen te beschrijven. Elke categorie heeft een specifieke aanduiding, zoals bijvoorbeeld: H4, P21W, T4W, PY21Wof RR10W

2.1.2.   Definitie van „type”

Gloeilampen van verschillende „typen” (1) zijn gloeilampen binnen dezelfde categorie die van elkaar verschillen op essentiële punten zoals:

2.1.2.1.

handelsnaam of -merk (Gloeilampen met dezelfde handelsnaam of van hetzelfde merk, maar geproduceerd door verschillende fabrikanten, worden beschouwd als verschillende typen. Gloeilampen die door dezelfde fabrikant zijn geproduceerd en alleen verschillen van handelsnaam of –merk, mogen worden beschouwd als zijnde van hetzelfde type.);

2.1.2.2.

ontwerp van het lampglas en/of de lampvoet, voor zover deze verschillen de optische resultaten beïnvloeden;

2.1.2.3.

nominale spanning;

2.1.2.4.

halogeen.

2.2.   Goedkeuringsaanvraag

2.2.1.

De goedkeuringsaanvraag moet door de houder van de handelsnaam of het merk of door zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger worden ingediend.

2.2.2.

Elke goedkeuringsaanvraag moet vergezeld gaan van (zie ook punt 2.4.2):

2.2.2.1.

tekeningen in drievoud met voldoende details om het type te kunnen identificeren;

2.2.2.2.

een korte technische beschrijving;

2.2.2.3.

vijf monsters van elke kleur waarvoor een aanvraag is ingediend.

2.2.3.

Bij een type gloeilamp waarvan alleen de handelsnaam of het merk verschilt van een reeds goedgekeurd type, kan worden volstaan met het verstrekken van:

2.2.3.1.

een verklaring van de fabrikant dat het verstrekte type (behalve wat de handelsnaam of het merk betreft) identiek is aan een reeds goedgekeurd type en is vervaardigd door dezelfde fabrikant, met vermelding van de goedkeuringscode;

2.2.3.2.

twee monsters met de nieuwe handelsnaam of het nieuwe merk.

2.2.4.

Voordat typegoedkeuring wordt verleend, moet de bevoegde instantie nagaan of er afdoende maatregelen zijn genomen om een doeltreffende controle van de conformiteit van de productie te waarborgen.

2.3.   Opschriften

2.3.1.

Bij gloeilampen die ter goedkeuring worden ingediend, moet de voet of het glas van de lamp voorzien zijn van (2):

2.3.1.1.

de handelsnaam of het merk van de aanvrager;

2.3.1.2.

de nominale spanning. Op gloeilampen waarvoor alleen een 12 V-type gestandaardiseerd is en waarvan de maximaal toegestane glasdiameter 7,5 mm niet overschrijdt, hoeft de nominale spanning niet te worden vermeld;

2.3.1.3.

de internationale aanduiding van de relevante categorie. Wanneer de maximaal toegestane glasdiameter van het gloeilamptype 7,5 mm niet overschrijdt, hoeft de letter W (voor de wattage) van deze aanduiding niet te worden aangebracht;

2.3.1.4.

het nominale vermogen (bij lampen met dubbele gloeidraad eerst de gloeidraad met hoge wattage en vervolgens die met lage wattage); het hoeft niet afzonderlijk te worden vermeld als het deel uitmaakt van de internationale aanduiding van de relevante gloeilampcategorie;

2.3.1.5.

voldoende plaats voor het aanbrengen van het goedkeuringsmerk.

2.3.2.

De in punt 2.3.1.5 bedoelde plaats moet worden aangegeven op de tekeningen die de goedkeuringsaanvraag vergezellen.

2.3.3.

Op halogeengloeilampen die voldoen aan de voorschriften van punt 3.7, moet de letter U worden aangebracht.

2.3.4.

Andere opschriften dan die van de punten 2.3.1 en 2.4.3 mogen worden aangebracht, op voorwaarde dat zij de lichteigenschappen niet ongunstig beïnvloeden.

2.4.   Goedkeuring

2.4.1.

Als alle overeenkomstig punt 2.2.2.3 of 2.2.3.2 ingediende monsters van een type gloeilamp voldoen aan de voorschriften van dit reglement, wordt goedkeuring verleend.

2.4.2.

Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringscode toegekend. Het eerste teken (momenteel 2 voor wijzigingenreeks 02 die op 27 oktober 1983 in werking is getreden, en wijzigingenreeks 03 die op 1 juni 1984 in werking is getreden, maar geen wijziging van het goedkeuringsnummer vereist) geeft de wijzigingenreeks aan met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Daarna volgt een identificatiecode van maximaal twee tekens. Alleen de Arabische cijfers en de hoofdletters van voetnoot (3) mogen worden gebruikt. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag dezelfde code niet aan een ander type gloeilamp toekennen. Van de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een type gloeilamp krachtens dit reglement wordt aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2 en van een door de aanvrager ter goedkeuring verstrekte tekening in maximumformaat A4 (210 × 297 mm) en op een schaal van ten minste 2:1. Op verzoek van de aanvrager kan aan de gloeilamp die wit licht uitstraalt en de gloeilamp die selectief geel licht uitstraalt (zie punt 2.1.2.3) dezelfde goedkeuringscode worden toegekend.

2.4.3.

Op elke gloeilamp die conform is met een krachtens dit reglement goedgekeurd type, wordt op de in punt 2.3.1.5 bedoelde plaats behalve de in punt 2.3.1 voorgeschreven opschriften, een internationaal goedkeuringsmerk aangebracht. Dit merk bestaat uit:

2.4.3.1.

een afgeknotte cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (4) ;

2.4.3.2.

de goedkeuringscode, dicht bij de afgeknotte cirkel.

2.4.4.

Indien de aanvrager voor meerdere handelsnamen of merken dezelfde goedkeuringscode heeft gekregen, volstaat een ervan om aan de voorschriften van punt 2.3.1.1 te voldoen.

2.4.5.

De in de punten 2.3.1 en 2.4.4 gespecificeerde markeringen en opschriften moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.

2.4.6.

In bijlage 3 wordt een voorbeeld gegeven van de opstelling van het goedkeuringsmerk.

3.   TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

3.1.   Definities

3.1.1.   „nominale spanning”: de op de gloeilamp aangegeven spanning (in volts);

3.1.2.   „nominaal vermogen”: het op de gloeilamp aangegeven vermogen (in watts), dat in de internationale aanduiding van de relevante categorie kan worden opgenomen;

3.1.3.   „testspanning”: de spanning bij de aansluitpunten van de gloeilamp, waarop de elektrische en fotometrische eigenschappen van de gloeilamp zijn afgestemd en waarmee ze moeten worden getest.

3.1.4.   „objectieve waarden”: de te bereiken waarden, binnen de aangegeven toleranties, wanneer de gloeilamp wordt voorzien van stroom met de testspanning;

3.1.5.   „standaardgloeilamp (referentiegloeilamp)”: een wit, ambergeel of rood licht uitstralende gloeilamp met beperkte toleranties qua afmetingen, die wordt gebruikt voor de fotometrische tests van verlichtings en lichtsignaalinrichtingen. Voor standaardgloeilampen wordt per categorie slechts één nominale spanning aangegeven;

3.1.6.   „referentielichtstroom”: de aangegeven lichtstroom van een standaardgloeilamp waaraan de optische eigenschappen van een verlichtingsinrichting worden gerelateerd;

3.1.7.   „meetlichtstroom”: de voorgeschreven waarde van de lichtstroom voor het testen van een gloeilamp in een standaardkoplamp volgens punt 3.9;

3.1.8.   „referentieas”: een as die wordt bepaald ten opzichte van de lampvoet en waaraan bepaalde afmetingen van de gloeilamp worden gerelateerd;

3.1.9.   „referentievlak”: een vlak dat wordt bepaald ten opzichte van de lampvoet en waaraan bepaalde afmetingen van de gloeilamp worden gerelateerd.

3.2.   Algemene specificaties

3.2.1.

Elk ingediend monster moet voldoen aan de relevante voorschriften van dit reglement.

3.2.2.

Gloeilampen moeten zo zijn ontworpen dat zij bij normaal gebruik goed functioneren en blijven functioneren. Zij mogen geen ontwerp of fabricagefouten vertonen.

3.3.   Fabricage

3.3.1.

Gloeilampglazen mogen geen krassen of vlekken vertonen die hun efficiëntie en optische prestaties nadelig kunnen beïnvloeden.

3.3.2.

Gloeilampen moeten worden voorzien van een standaardvoet die voldoet aan de databladen voor lampvoeten van IEC publicatie 60061, derde uitgave, zoals aangegeven op de databladen van bijlage 1.

3.3.3.

De lampvoet moet sterk zijn en stevig aan het lampglas zijn bevestigd.

3.3.4.

Om na te gaan of gloeilamprn voldoen aan de voorschriften van de punten 3.3.1 tot en met 3.3.3 wordt een visuele controle verricht, worden de afmetingen gecontroleerd en worden de gloeilampen zo nodig bij wijze van test gemonteerd.

3.4.   Tests

3.4.1.

Gloeilampen moeten eerst ongeveer één uur lang bij hun testspanning hebben gebrand. Bij lampen met dubbele gloeidraad moet elke gloeidraad afzonderlijk hebben gebrand.

3.4.2.

Bij gloeilampen met gecoat lampglas, die de in punt 3.4.1 aangegeven tijd al hebben gebrand, moet het glasoppervlak zachtjes worden afgeveegd met een katoenen doek die in een mengsel van 70 vol. % n-heptaan en 30 vol. % toluol is gedrenkt. Na ongeveer vijf minuten wordt het oppervlak met het blote oog gecontroleerd. Het mag geen zichtbare wijzigingen vertonen.

3.4.3.

Voor het meten van de positie en afmetingen van de gloeidraad worden de gloeilampen voorzien van stroom met 90 tot 100 % van de testspanning.

3.4.4.

Tenzij anders voorgeschreven worden elektrische en fotometrische metingen met de testspanning verricht.

3.4.5.

Elektrische metingen worden verricht met instrumenten van ten minste klasse 0,2.

3.4.6.

De op de databladen voor gloeilampen in bijlage 1 aangegeven lichtstroom (in lumina) geldt voor gloeilampen die wit licht uitstralen, tenzij daar een bijzondere kleur wordt vermeld.

Als selectief geel is toegestaan, moet de lichtstroom van de gloeilamp met selectief geel buitenglas ten minste 85 % bedragen van de aangegeven lichtstroom van de relevante gloeilamp die wit licht uitstraalt.

3.5.   Positie en afmetingen van de gloeidraad

3.5.1.

De geometrische vormen van de gloeidraad moeten in principe overeenstemmen met die op de databladen voor gloeilampen in bijlage 1.

3.5.2.

Bij rechte gloeidraden wordt de correcte positie en vorm gecontroleerd zoals aangegeven op de relevante databladen.

3.5.3.

Als op de databladen voor gloeilampen de gloeidraad in ten minste één aanzicht als punt is afgebeeld, wordt de positie van het lichtmiddelpunt bepaald overeenkomstig bijlage 4.

3.5.4.

De lengte van een rechte gloeidraad wordt bepaald door de uiteinden ervan, gedefinieerd — tenzij anders aangegeven op het relevante datablad — als de toppen van de eerste en de laatste winding van de gloeidraad, gezien in een projectie loodrecht op de referentieas van de gloeilamp. Voor een dergelijke top geldt dat de hoek gevormd door de benen niet meer dan 90° mag zijn. Bij dubbelspiraalgloeidraden moeten de toppen van de secundaire windingen in aanmerking worden genomen.

3.5.4.1.

Bij axiale gloeidraden wordt de uiterste positie van die toppen bepaald door de gloeilamp om haar referentieas te draaien. De lengte wordt dan gemeten in een richting evenwijdig aan de referentieas.

3.5.4.2.

Bij dwarse gloeidraden wordt de as van de gloeidraad loodrecht op de projectierichting geplaatst. De lengte wordt dan gemeten in een richting loodrecht op de referentieas.

3.6.   Kleur

3.6.1.

De kleur van het door de gloeilamp uitgestraalde licht moet wit zijn, tenzij anders aangegeven op het relevante datablad.

3.6.2.

De definities van de kleur van het uitgestraalde licht in Reglement nr. 48 en de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, zijn van toepassing op dit reglement.

3.6.3.

De kleur van het uitgestraalde licht wordt gemeten volgens de methode van bijlage 5. Elke gemeten waarde moet binnen de voorgeschreven toleranties liggen (5). Bij gloeilampen die wit licht uitstralen, mogen de gemeten waarden in de x en/of y richting niet meer dan 0,020 eenheden afwijken van een willekeurig punt op de zwartestralerkromme (IEC publicatie 15.2 Colorimetry, 1986). Gloeilampen voor gebruik in kleine lichtsignaalinrichtingen moeten voldoen aan de voorschriften van punt 2.4.2 van IEC publicatie 60809, uitgave 2, vijfde wijziging.

3.7.   Uv straling

De UV straling van een halogeenlamp moet zo zijn dat:

Formula

Formula

waarbij:

Ee(λ)

(W/nm)

de spectrale distributie is van de stralingsflux;

V(λ)

(1)

de spectrale lichtefficiëntie is;

km = 683

(lm/W)

het fotometrische stralingsequivalent is.

λ

(nm)

de golflengte is.

Deze waarde wordt berekend met intervallen van vijf nanometer.

3.8.   Waarneming voor de kleur selectief geel

Overeenkomstig punt 3.6 kan krachtens dit reglement goedkeuring worden verleend voor een gloeilamp die zowel wit als selectief geel licht uitstraalt. Artikel 3 van de overeenkomst waaraan dit reglement is gehecht, belet de overeenkomstsluitende partijen echter niet om op door hen geregistreerde voertuigen gloeilampen te verbieden die wit dan wel selectief geel licht uitstralen.

3.9.   Controle van de optische kwaliteit

(alleen voor gloeilampen van de categorieën R2, H4 en HS1)

3.9.1.

Deze controle van de optische kwaliteit wordt uitgevoerd bij een zodanige spanning dat de meetlichtstroom wordt verkregen; de voorschriften van punt 3.4.6 moeten hierbij worden nageleefd.

3.9.2.

Voor 12 V gloeilampen die wit licht uitstralen:

het monster waarmee de voorschriften voor de standaardgloeilamp het best worden nageleefd, wordt getest in een standaardkoplamp zoals bedoeld in punt 3.9.5 en er wordt nagegaan of deze combinatie voldoet aan de lichtverdelingsvoorschriften voor dimlicht van het relevante reglement.

3.9.3.

Voor 6 V en 24 V gloeilampen die wit licht uitstralen:

het monster dat de waarden voor de nominale afmetingen het dichtst benadert, wordt getest in een standaardkoplamp zoals bedoeld in punt 3.9.5 en er wordt nagegaan of deze combinatie voldoet aan de lichtverdelingsvoorschriften voor dimlicht van het relevante reglement. Afwijkingen van hoogstens 10 % van de minimumwaarden zijn toegestaan.

3.9.4.

Gloeilampen die selectief geel licht uitstralen, worden eveneens op de in de punten 3.9.2 en 3.9.3 beschreven wijze getest in een standaardkoplamp zoals bedoeld in punt 3.9.5, om na te gaan of de verlichtingssterkte bij 12 V gloeilampen ten minste 85 % en bij 6 V en 24 V gloeilampen ten minste 77 % bedraagt van de minimumwaarden in de lichtverdelingsvoorschriften voor dimlicht van het relevante reglement. De grenswaarden voor de maximale verlichtingssterkte blijven ongewijzigd.

Bij gloeilampen met een selectief geel lampglas wordt deze test achterwege gelaten, als ook goedkeuring wordt verleend voor hetzelfde type gloeilamp dat wit licht uitstraalt.

3.9.5.

Een koplamp wordt als standaardkoplamp beschouwd indien zij:

3.9.5.1.

voldoet aan de relevante goedkeuringsvoorwaarden;

3.9.5.2.

een effectieve diameter heeft van ten minste 160 mm;

3.9.5.3.

met een standaardgloeilamp op de verschillende punten en in de verschillende zones die voor het desbetreffende koplamptype zijn voorgeschreven, een verlichtingssterkte produceert van:

3.9.5.3.1.

niet meer dan 90 % van de maximumgrenswaarden en

3.9.5.3.2.

niet minder dan 120 % van de minimumgrenswaarden die voor het desbetreffende koplamptype zijn voorgeschreven.

3.10.   Standaardgloeilampen

Extra voorschriften voor standaard of referentiegloeilampen worden gegeven op de relevante databladen van bijlage 1.

Het lampglas van standaard of referentiegloeilampen die wit licht uitstralen, mag de trichromatische CIE coördinaten van een lichtbron met een kleurtemperatuur van 2 856 K niet met meer dan 0,010 eenheden in x en/of y richting wijzigen.

Bij standaard of referentiegloeilampen die ambergeel of rood licht uitstralen, mogen temperatuurveranderingen van het lampglas de lichtstroom niet zodanig beïnvloeden dat de fotometrische metingen van de lichtsignaalinrichtingen daardoor worden bemoeilijkt.

4.   CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

4.1.

Krachtens dit reglement goedgekeurde gloeilampen moeten zodanig worden vervaardigd dat zij conform zijn met het goedgekeurde type doordat ze voldoen aan de technische en markeringsvoorschriften van punt 3 en van de bijlagen 1, 3 en 4.

4.2.

Om na te gaan of aan de voorschriften van punt 4.1 is voldaan, moeten passende controles van de productie worden uitgevoerd.

4.3.

De houder van de goedkeuring moet met name:

4.3.1.

ervoor zorgen dat er procedures bestaan om de kwaliteit van de producten daadwerkelijk te controleren,

4.3.2.

toegang hebben tot de apparatuur die nodig is om de conformiteit met elk goedgekeurd type te controleren,

4.3.3.

ervoor zorgen dat de testresultaten worden geregistreerd en dat de desbetreffende documenten beschikbaar blijven gedurende een periode die in overleg met de administratieve instantie wordt vastgesteld,

4.3.4.

de resultaten van elk type test volgens de criteria van bijlage 7 analyseren om de stabiliteit van de producteigenschappen, rekening houdend met de bij industriële productie toegestane variaties, te verifiëren en te garanderen,

4.3.5.

erop toezien dat voor elk type gloeilamp ten minste de in bijlage 6 voorgeschreven tests worden uitgevoerd,

4.3.6.

ervoor zorgen dat, als bij het desbetreffende type test monsters niet conform blijken te zijn, er nieuwe monsters worden genomen en een nieuwe test wordt uitgevoerd. Alle nodige stappen moeten worden genomen om de conformiteit van de desbetreffende productie te herstellen.

4.4.

De bevoegde instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, mag op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste conformiteitscontrolemethoden verifiëren.

4.4.1.

Bij elke inspectie moeten de tijdens de tests en productiecontroles geregistreerde gegevens aan de bezoekende inspecteur worden verstrekt.

4.4.2.

De inspecteur mag willekeurig monsters nemen die in het laboratorium van de fabrikant zullen worden getest. Het minimumaantal monsters kan worden bepaald op basis van de resultaten van de controles die de fabrikant zelf heeft uitgevoerd.

4.4.3.

Als het kwaliteitsniveau niet bevredigend lijkt of als het nodig blijkt de geldigheid van de overeenkomstig punt 4.4.2 uitgevoerde tests te controleren, selecteert de inspecteur monsters die worden toegezonden aan de technische dienst die de typegoedkeuringstests heeft uitgevoerd.

4.4.4.

De bevoegde instantie mag alle in dit reglement voorgeschreven tests uitvoeren. Wanneer de bevoegde instantie beslist steekproeven te nemen, zijn de criteria van de bijlagen 8 en 9 van toepassing.

4.4.5.

Normaliter vinden de door de bevoegde instantie toegestane inspecties om de twee jaar plaats. Indien bij een van deze inspecties negatieve resultaten aan het licht komen, moet de bevoegde instantie ervoor zorgen dat alle nodige maatregelen worden genomen om de conformiteit van de productie zo snel mogelijk te herstellen.

5.   SANCTIES BIJ NON CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

5.1.

De krachtens dit reglement voor een gloeilamp verleende goedkeuring kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften is voldaan of indien een gloeilamp met het goedkeuringsmerk niet conform is met het goedgekeurde type.

5.2.

Als een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder door haar verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

6.   DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd type gloeilamp definitief stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

7.   NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE ADMINISTRATIEVE INSTANTIES

De partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn en van de administratieve instanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring en de definitieve stopzetting van de productie moeten worden toegezonden.

8.   OVERGANGSBEPALINGEN

8.1.

Goedkeuringen die krachtens de vorige wijzigingenreeks zijn verleend, blijven geldig, behalve dat wat de conformiteit van de productie betreft de huidige productie van gloeilampen moet voldoen aan de voorschriften van de recentste wijzigingenreeks, 12 maanden na de datum van inwerkingtreding ervan (6).

8.2.

De overeenkomst tussen de oude en de nieuwe benamingen is aangegeven in de volgende tabel:

Oude benaming

Nieuwe benaming in wijzigingenreeks 03

P25-1

P21W

P25-2

P21/5W

R19/5

R5W

R19/10

R10W

C11

C5W

C15

C21W

T8/4

T4W

W10/5

W5W

W10/3

W3W

8.3.

Vanaf 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van supplement 28 op wijzigingenreeks 03 van Reglement nr. 37 mogen er in lichten voor typegoedkeuringsdoeleinden geen gloeilampen van de categorieën R2, S1 en C21W worden gebruikt.

8.4

De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen echter goedkeuring blijven verlenen voor lichten waarin gloeilampen van de categorieën R2, S1 en C21W worden gebruikt, op voorwaarde dat die lichten bedoeld zijn om als vervangingsonderdeel op in gebruik zijnde voertuigen te worden gemonteerd.


(1)  Een selectief geel lampglas of een extra, selectief geel buitenglas dat alleen bedoeld is om de kleur, maar niet de andere eigenschappen van een wit licht uitstralende gloeilamp te veranderen, houdt geen wijziging van het type gloeilamp in.

(2)  In het tweede geval mogen de lichteigenschappen daardoor niet ongunstig worden beïnvloed.

(3)  0 1 2 3 4 5 6 7 8 9

A B C D E F G H J K L M N P R S T U V W X Y Z.

(4)  1 voor Duitsland, 2 voor Frankrijk, 3 voor Italië, 4 voor Nederland, 5 voor Zweden, 6 voor België, 7 voor Hongarije, 8 voor Tsjechië, 9 voor Spanje, 10 voor Servië, 11 voor het Verenigd Koninkrijk, 12 voor Oostenrijk, 13 voor Luxemburg, 14 voor Zwitserland, 15 (niet gebruikt), 16 voor Noorwegen, 17 voor Finland, 18 voor Denemarken, 19 voor Roemenië, 20 voor Polen, 21 voor Portugal, 22 voor de Russische Federatie, 23 voor Griekenland, 24 voor Ierland, 25 voor Kroatië, 26 voor Slovenië, 27 voor Slowakije, 28 voor Belarus, 29 voor Estland, 30 (niet gebruikt), 31 voor Bosnië en Herzegovina, 32 voor Letland, 33 (niet gebruikt), 34 voor Bulgarije, 35 (niet gebruikt), 36 voor Litouwen, 37 voor Turkije, 38 (niet gebruikt), 39 voor Azerbeidzjan, 40 voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, 41 (niet gebruikt), 42 voor de Europese Gemeenschap (goedkeuring wordt verleend door de lidstaten door middel van hun respectieve ECE-symbool), 43 voor Japan, 44 (niet gebruikt), 45 voor Australië, 46 voor Oekraïne, 47 voor Zuid-Afrika, 48 voor Nieuw-Zeeland, 49 voor Cyprus, 50 voor Malta, 51 voor de Republiek Korea, 52 voor Maleisië, 53 voor Thailand, 54 en 55 (niet gebruikt), 56 voor Montenegro, 57 (niet gebruikt) en 58 voor Tunesië. De daaropvolgende nummers zullen worden toegekend aan andere landen in de chronologische volgorde waarin zij de Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen worden gemonteerd of gebruikt en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende goedkeuringen ratificeren of tot deze overeenkomst toetreden. De aldus toegekende nummers zullen door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties aan de overeenkomstsluitende partijen worden meegedeeld.

(5)  Voor de conformiteit van de productie alleen wat de kleuren ambergeel en rood betreft, moet ten minste 80 % van de meetresultaten binnen de voorgeschreven toleranties liggen.

(6)  De gewijzigde tekst van dit punt is ingevoerd bij supplement 14 op wijzigingenreeks 03. Dit supplement is op 3 september 1997 in werking getreden en is ook opgenomen in de nieuwe punten 2.3.3 en 3.7 en op de nieuwe databladen HIR1 en PY27/7W in bijlage 1.


BIJLAGE 1

DATABLADEN  (1) VOOR GLOEILAMPEN

Lijst van de categorieën gloeilampen in groepen en de nummers van de desbetreffende databladen:

Groep 1

Zonder algemene beperkingen:

Categorie

Datablad nr.

H1

H1/1 t/m 3

H3

H3/1 t/m 4

H4

H4/1 t/m 5

H7

H7/1 t/m 4

H8

H8/1 t/m 4

H8B

H8/1 t/m 4

H9 (3)

H9/1 t/m 4

H9B (3)

H9/1 t/m 4

H10

H10/1 t/m 3

H11

H11/1 t/m 4

H11B

H11/1 t/m 4

H12

H12/1 t/m 3

H13

H13/1 t/m 4

H13A

H13/1 t/m 4

H14

H14/1 t/m 4

H15

H15/1 t/m 5

H16

H16/1 t/m 4

H21W (2)

H21W/1 t/m 2

H27W/1

H27W/1 t/m 3

H27W/2

H27W/1 t/m 3

HB3

HB3/1 t/m 4

HB3A

HB3/1 t/m 4

HB4

HB4/1 t/m 4

HB4A

HB4/1 t/m 4

HIR1 (3)

HIR1/1 t/m 3

HIR2

HIR2/1 t/m 3

HS1

HS1/1 t/m 5

HS2

HS2/1 t/m 3

HS5

HS5/1 t/m 4

HS5A (5)

HS5A/1 t/m 3

HS6 (4)

HS6/1 t/m 4

PSX24W (2)

P24W/1 t/m 3

PSX26W (2)

PSX26W1 t/m 3

PX24W (2)

P24W/1 t/m 3

S2

S1/S2/1 t/m 2

S3

S3/1

Groep 2

Alleen voor gebruik in signaallichten, hoeklichten, achteruitrijlichten en achterkentekenplaatverlichting:

Categorie

Datablad nr.

C5W

C5W/1

H6W

H6W/1

H10W/1

H10W/1 t/m 2

HY6W

H6W/1

HY10W

H10W/1 t/m 2

HY21W

H21W/1 t/m 2

P13W

P13W/1 t/m 3

P19W

P19W/1 t/m 3

P21W

P21W/1 t/m 2

P21/4W

P21/4W/1 (P21/5W/2 t/m 3)

P21/5W

P21/5W/1 t/m 3

P24W

P24W/1 t/m 3

P27W

P27W/1 t/m 2

P27/7W

P27/7W/1 t/m 3

PC16W

PC16W/1 t/m 3

PCR16W

PC16W/1 t/m 3

PCY16W

PC16W/1 t/m 3

PR19W

P19W/1 t/m 3

PR21W

PR21W/1 (P21W/2)

PR21/4W

PR21/4W/1 (P21/5W/2 t/m 3)

PR21/5W

PR21/5W/1 (P21/5W/2 t/m 3)

PR24W

P24W/1 t/m 3

PR27/7W

PR27/7W/1 (P27/7W/2 t/m 3)

PS19W

P19W/1 t/m 3

PS24W

P24W/1 t/m 3

PSR19W

P19W/1 t/m 3

PSR24W

P24W/1 t/m 3

PSY19W

P19W/1 t/m 3

PSY24W

P24W/1 t/m 3

PY19W

P19W/1 t/m 3

PY21W

PY21W/1 (P21W/2)

PY24W

P24W/1 t/m 3

PY27/7W

PY27/7W/1 (P27/7W/2 t/m 3)

R5W

R5W/1

R10W

R10W/1

RR5W

R5W/1

RR10W

R10W/1

RY10W

R10W/1

T1.4W

T1.4W/1

T4W

T4W/1

W2.3W

W2.3W/1

W3W

W3W/1

W5W

W5W/1

W15/5W

W15/5W/1 t/m 3

W16W

W16W/1

W21W

W21W/1 t/m 2

W21/5W

W21/5W/1 t/m 3

WP21W

WP21W/1 t/m 2

WPY21W

WP21W/1 t/m 2

WR5W

W5W/1

WR21/5W

WR21/5W/1 (W21/5W/2 t/m 3)

WY2.3W

WY2.3W/1

WY5W

W5W/1

WY21W

WY21W/1 t/m 2

Groep 3

Alleen voor vervanging (zie de overgangsbepalingen van de punten 8.3 en 8.4):

Categorie

Datablad nr.

C21W

C21W/1 t/m 2

R2

R2/1 t/m 3

S1

S1/S2/1 t/m 2

Lijst van de databladen voor gloeilampen en de volgorde ervan in deze bijlage:

Datablad nr.

 

C5W/1

 

C21W/1 t/m 2

 

H1/1 t/m 3

 

H3/1 t/m 4

 

H4/1 t/m 5

 

H7/1 t/m 4

 

H8/1 t/m 4

 

H9/1 t/m 4

 

H10/1 t/m 3

 

H11/1 t/m 4

 

H12/1 t/m 3

 

H13/1 t/m 4

 

H14/1 t/m 4

 

H15/1 t/m 5

 

H16/1 t/m 4

 

H6W/1

 

H10W/1 t/m 2

 

H21W/1 t/m 2

 

H27W/1 t/m 3

 

HB3/1 t/m 4

 

HB4/1 t/m 4

 

HIR1/1 t/m 3

 

HIR2/1 t/m 3

 

HS1/1 t/m 5

 

HS2/1 t/m 3

 

HS5/1 t/m 4

 

HS5A/1 t/m 3

 

HS6/1 t/m 4

 

P13W/1 t/m 3

 

P19W/1 t/m 3

 

P21W/1 t/m 2

 

P21/4W/1

 

P21/5W/1 t/m 3

 

P24W/1 t/m 3

 

P27W/1 t/m 2

 

P27/7W/1 t/m 3

 

PC16W/1 t/m 3

 

PR21W/1

 

PR21/4W/1

 

PR21/5W/1

 

PR27/7W/1

 

PSX26W/1 t/m 3

 

PY21W/1

 

PY27/7W/1

 

R2/1 t/m 3

 

R5W/1

 

R10W/1

 

S1/S2/1 t/m 2

 

S3/1

 

T1.4W/1

 

T4W/1

 

W2.3W/1

 

W3W/1

 

W5W/1

 

W15/5W/1 t/m 3

 

W16W/1

 

W21W/1 t/m 2

 

W21/5W/1 t/m 3

 

WP21W/1 t/m 2

 

WR21/5W/1

 

WY2.3W/1

 

WY21W/1 t/m 2

CATEGORIE C5W — Datablad C5W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

b (6)

34,0

35,0

36,0

35,0 ± 0,5

f (7)  (8)

7,5 (9)

 

15 (10)

9 ± 1,5

Lampvoet SV8.5 overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-81-4)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

6

12

24

12

Watt

5

5

Testspanning

Volt

6,75

13,5

28,0

13,5

Objectieve waarden

Watt

5,5 max.

7,7 max.

5,5 max.

Lichtstroom

45 ± 20 %

 

Referentielichtstroom: 45 lm bij ongeveer 13,5 V

CATEGORIE C21W — Datablad C21W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

GLOEILAMP ALLEEN VOOR ACHTERUITRIJLICHT

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

b (11)

40,0

41,0

42,0

41,0 ± 0,5

f (12)

7,5

 

10,5

8 ± 1,0

Lampvoet SV8.5 overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-81-4)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

21

21

Testspanning

Volt

13,5

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 26,5

max. 26,5

Lichtstroom

460 ± 15 %

 

Referentielichtstroom: 460 lm bij ongeveer 13,5 V

CATEGORIE C21W — Datablad C21W/2

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het midden van de gloeilamp in lengterichting.

Image

12 V

a

h

k

gloeilampen uit serieproductie

4,0 + d

14,5

2,0

standaardgloeilamp

2,0 + d

14,5

0,5

d= nominale diameter van de gloeidraad volgens fabrieksopgave.

Testmethode en voorschriften

1.

De gloeilamp wordt in een fitting geplaatst die op zodanige wijze 360° om de referentieas kan draaien dat het vooraanzicht te zien is op het scherm waarop het beeld van de gloeidraad wordt geprojecteerd. Het referentievlak op het scherm moet samenvallen met het midden van de gloeilamp. De gezochte middenas op het scherm moet overeenkomen met het midden van de gloeilamp in lengterichting.

2.

Vooraanzicht

2.1.

De projectie van de gloeidraad moet volledig binnen de rechthoek vallen wanneer de gloeilamp 360° wordt gedraaid.

2.2.

Het midden van de gloeidraad mag van de gezochte middenas niet meer afwijken dan afstand „k”.

CATEGORIE H1 — Datablad H1/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIE H1 — Datablad H1/2

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

6 V

12 V

24 V

12 V

e (14)  (18)

25,0 (17)

25,0 ± 0,15

f (14)  (18)

4,5 ± 1,0

5,0 ± 0,5

5,5 ± 1,0

5,0 + 0,50 / – 0,00

g (15)  (16)

0,5 d ± 0,5 d

0,5 d ± 0,25 d

h1

 (17)

0 ± 0,20 (13)

h2

 (17)

0 ± 0,25 (13)

ε

45° ± 12°

45° ± 3°

Lampvoet P14.5s overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-46-2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

6

12

24

12

Watt

55

70

55

Testspanning

Volt

6,3

13,2

28,0

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 63

max. 68

max. 84

max. 68

Lichtstroom ± %

1 350

1 550

1 900

 

15

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

1 150

13,2 V

1 550

CATEGORIE H1 — Datablad H1/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

a1

a2

b1

b2

c1

c2

6 V

1,4 d

1,9 d

0,25

6

3,5

12 V

6

4,5

24 V

7

4,5

d= diameter van de gloeidraad.

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad H1/1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

Het begin van de gloeidraad, zoals gedefineerd in voetnoot 10 op datablad H1/2, moet tussen de lijnen Z1 en Z2 liggen.

CATEGORIE H3 — Datablad H3/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIE H3 — Datablad H3/2

Image

CATEGORIE H3 — Datablad H3/3

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

6 V

12 V

24 V

12 V

e

18,0 (19)

18,0

f (21)

min. 3,0

min. 4,0

5,0 ± 0,50

k

0 (19)

0 ± 0,20

h1, h3

0 (19)

0 ± 0,15 (20)

h2, h4

0 (19)

0 ± 0,25 (20)

Lampvoet PK22s overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-47-4)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

6

12

24

12

Watt

55

70

55

Testspanning

Volt

6,3

13,2

28,0

13,2

Objectieve waarden

Watt

63 max.

68 max.

84 max.

68 max.

Lichtstroom ± %

1 050

1 450

1 750

 

15

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

1 100

13,2 V

1 450

CATEGORIE H3 — Datablad H3/4

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

a

c

k

g

6 V

1,8 d

1,6 d

1,0

2,0

12 V

2,8

24 V

2,9

d= diameter van de gloeidraad

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

Het midden van de gloeidraad moet binnen afmeting k liggen.

CATEGORIE H4 — Datablad H4/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekening

Image

Figuur 2

Figuur 3

Maximumomtrek van de lamp (4)

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de steunpunten van de drie nokken van de lampvoetring.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de cirkel met diameter „M”.

(3)

De kleur van het uitgestraalde licht moet wit of selectief geel zijn.

(4)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 2 aangegeven omtrek niet overschrijden. Bij gebruik van een selectief geel buitenglas mogen het lampglas en de steunen de in figuur 3 aangegeven omtrek echter niet overschrijden.

(5)

De zwarting moet ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas. Zij moet ook de afscherming omvatten, wanneer deze wordt gezien in een richting loodrecht op de referentieas.

CATEGORIE H4 — Datablad H4/2

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

24 V

12 V

e

28,5 + 0,35 / – 0,25

29,0 ± 0,35

28,5 + 0,20 / – 0,00

p

28,95

29,25

28,95

α

max. 40°

max.40°

Lampvoet P43t overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-39-6)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12 (22)

24 (22)

12 (22)

Watt

60

55

75

70

60

55

Testspanning

Volt

13,2

28,0

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 75

max. 68

max. 85

max. 80

max. 75

max. 68

Lichtstroom ± %

1 650

1 000

1 900

1 200

 

15

 

Meetlichtstroom lm (23)

750

800

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

1 250

750

13,2 V

1 650

1 000

CATEGORIE H4 — Datablad H4/3

Positie van de afscherming

Image

De tekening houdt geen verplichtingen in voor het ontwerp van de afscherming

Positie van de gloeidraden

Image

CATEGORIE H4 — Datablad H4/4

Tabel met de afmetingen (in mm) op de tekeningen van datablad H4/3

Referentie (24)

Afmetingen (25)

Tolerantie

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

24 V

12 V

24 V

12 V

24 V

12 V

a/26

0,8

± 0,35

± 0,20

a/23,5

0,8

± 0,60

± 0,20

b1/29,5

30,0

0

± 0,30

± 0,35

± 0,20

b1/33

b1/29,5 mv

b1/30,0 mv

± 0,30

± 0,35

± 0,15

b2/29,5

30,0

0

± 0,30

± 0,35

± 0,20

b2/33

b1/29,5 mv

b2/30,0 mv

± 0,30

± 0,35

± 0,15

c/29,5

30,0

0,6

0,75

± 0,35

± 0,20

c/33

c/29,5 mv

c/30,0 mv

± 0,35

± 0,15

d

min. 0,1

e (31)

28,5

29,0

+ 0,35

– 0,25

± 0,35

+ 0,20

– 0,00

f (29)  (30)  (31)

1,7

2,0

+ 0,50

– 0,30

± 0,40

+ 0,30

– 0,10

g/26

0

± 0,50

± 0,30

g/23,5

0

± 0,70

± 0,30

h/29,5

30,0

0

± 0,50

± 0,30

h/33

h/29,5 mv

h/30,0 mv

± 0,35

± 0,20

lR (29)  (32)

4,5

5,25

± 0,80

± 0,40

lC (29)  (30)

5,5

5,25

± 0,50

± 0,80

± 0,35

p/33

Naargelang de vorm van de afscherming

q/33

(p + q) / 2

± 0,60

± 0,30

CATEGORIE H4 — Datablad H4/5

Nadere uitleg bij datablad H4/3

De volgende afmetingen worden gemeten in drie richtingen:

(1)

voor de afmetingen a, b1, c, d, e, f, lR en lC

(2)

voor de afmetingen g, h, p en q;

(3)

voor afmeting b2.

De afmetingen p en q worden gemeten in een vlak evenwijdig aan en op een afstand van 33 mm van het referentievlak.

De afmetingen b1, b2, c en h worden gemeten in een vlak evenwijdig aan en op een afstand van 29,5 (30,0 mm voor 24 V-gloeilampen), respectievelijk 33 mm van het referentievlak.

De afmetingen a en g worden gemeten in een vlak evenwijdig aan en op een afstand van 26,0, respectievelijk 23,5 mm van het referentievlak.

Opmerking: Voor de meetmethode: zie aanhangsel E van IEC-publicatie 60809.

CATEGORIE H7 — Datablad H7/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekening

Image

Figuur 2

Maximumomtrek van de lamp (5)

Image

Figuur 3

Definitie van de referentieas (2)

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de punten op het oppervlak van de fitting waarop de drie steunnokken van de lampvoetring zullen rusten.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en gaat door het snijpunt van de twee loodlijnen zoals aangegeven in figuur 3.

(3)

De kleur van het uitgestraalde licht moet wit of selectief geel zijn.

(4)

Opmerkingen over de diameter van de gloeidraad

a)

Er gelden geen echte beperkingen voor de diameter, maar het doel voor toekomstige ontwikkelingen is dmax = 1,3 mm voor 12 V-gloeilampen en dmax = 1,7 voor 24 V-gloeilampen.

b)

Bij eenzelfde fabrikant moet de ontwerpdiameter van een standaard- of referentiegloeilamp en die van een gloeilamp uit serieproductie dezelfde zijn.

(5)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 2 aangegeven omtrek niet overschrijden. De omtreklijn is concentrisch met de referentieas.

CATEGORIE H7 — Datablad H7/2

Figuur 4

Zone zonder optische vervorming (6) en zwarte bovenkant (7)

Image

Figuur 5

Metaalvrije zone (8)

Image

Figuur 6

Toegestane afwijking van de as van de gloeidraad (9)

(alleen bij standaardgloeilampen)

Image

Figuur 7

Excentriciteit van het lampglas

Image

(6)

Het lampglas moet binnen de hoeken γ1 and γ2 vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2.

(7)

De zwarting moet ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan. Zij moet zich ook minstens uitstrekken tot een vlak evenwijdig aan het referentievlak waar γ3 door het buitenoppervlak van het lampglas loopt (aanzicht B op datablad H7/1).

(8)

Het interne ontwerp van de lamp moet zo zijn dat strooilicht en reflecties alleen voorkomen boven de gloeidraad zelf, gezien vanuit horizontale richting (aanzicht A in figuur 1 op datablad H7/1).

In de gearceerde zones van figuur 5 mogen zich geen andere metalen delen bevinden dan windingen van de gloeidraad.

CATEGORIE H7 — Datablad H7/3

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

24 V

12 V

e (33)

25,0 (34)

25,0 ± 0,1

f (33)

4,1 (34)

4,9 (34)

4,1 ± 0,1

g (36)

min. 0,5

wordt bestudeerd

h1 (35)

0 (34)

0 ± 0,10

h2 (35)

0 (34)

0 ± 0,15

γ1

min. 40°

min. 40°

γ2

min. 50°

50° min.

γ3

min. 30°

min. 30°

Lampvoet PX26d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-5-6)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

24

12

Watt

55

70

55

Testspanning

Volt

13,2

28,0

13,2

Objectieve waarden

Watt

58 max.

75 max.

58 max.

Lichtstroom

1 500 ± 10 %

1 750 ± 10 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

1 100

13,2 V

1 500

CATEGORIE H7 — Datablad H7/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Afmetingen in mm

Image

 

a1

a2

b1

b2

c1

c2

12 V

d + 0,30

d + 0,50

0,2

4,6

4,0

24 V

d + 0,60

d + 1,00

0,25

5,9

4,4

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad H7/1, figuur 1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 9 op datablad H7/3, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

CATEGORIEËN H8 EN H8B — Datablad H8/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekeningen

Image

Figuur 2

Maximumomtrek van de lamp (3)

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de onderkant van de afgeschuinde invoerflens van de lampvoet.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de lampvoet die een diameter van 19 mm heeft.

(3)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 2 aangegeven omtrek niet overschrijden. De omtreklijn is concentrisch met de referentieas.

(4)

De kleur van het uitgestraalde licht moet wit of selectief geel zijn.

(5)

Opmerkingen over de diameter van de gloeidraad

a)

Er gelden geen echte beperkingen voor de diameter, maar het doel voor toekomstige ontwikkelingen is dmax = 1,2 mm.

b)

Bij eenzelfde fabrikant moet de ontwerpdiameter van een standaard- of referentiegloeilamp en die van een gloeilamp uit serieproductie dezelfde zijn.

CATEGORIEËN H8 EN H8B — Datablad H8/2

Figuur 3

Zone zonder optische vervorming (6) en zwarte bovenkant (7)

Image

Figuur 4

Metaalvrije zone (8)

Image

Figuur 5

Toegestane afwijking van de as van de gloeidraad (9)

(alleen bij standaardgloeilampen)

Image

Figuur 6

Excentriciteit van het lampglas (10)

Image

(6)

Het lampglas moet binnen de hoeken γ1 and γ2 vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2.

(7)

De zwarting moet ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan. Zij moet zich ook minstens uitstrekken tot een vlak dat evenwijdig is aan het referentievlak waar γ3 door het buitenoppervlak van het lampglas loopt (aanzicht B op datablad H8/1).

(8)

Het interne ontwerp van de lamp moet zo zijn dat strooilicht en reflecties alleen voorkomen boven de gloeidraad zelf, gezien vanuit horizontale richting (aanzicht A in figuur 1 op datablad H8/1). In de gearceerde zones van figuur 4 mogen zich geen andere metalen delen bevinden dan windingen van de gloeidraad.

(9)

De afwijking van de gloeidraad ten opzichte van de referentieas wordt alleen gemeten in de kijkrichtingen A en B zoals aangegeven in figuur 1 op datablad H8/1. De meetpunten zijn de snijpunten van de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) met de as van de gloeidraad.

(10)

De afwijking van de gloeidraad ten opzichte van de as van het lampglas, gemeten in twee vlakken die evenwijdig zijn aan het referentievlak, op de plaats waar de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) door de as van de gloeidraad loopt.

CATEGORIEËN H8 EN H8B — Datablad H8/3

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

12 V

e (37)

25,0 (38)

25,0 ± 0,1

f (37)

3,7 (38)

3,7 ± 0,1

g

min. 0,5

wordt bestudeerd

h1

0 (38)

0 ± 0,1

h2

0 (38)

0 ± 0,15

γ1

min. 50°

min. 50°

γ2

min. 40°

min. 40°

γ3

min. 30°

min. 30°

Lamp-voet:

H8:

PGJ19-1

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-110-2)

H8B:

PGJY19-1

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-146-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

35

35

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 43

max. 43

Lichtstroom

800 ± 15 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

600

13,2 V

800

CATEGORIEËN H8 EN H8B — Datablad H8/4

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

a1

a2

b1

b2

c1

c2

d + 0,50

d + 0,70

0,25

4,6

3,5

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad H8/1, figuur 1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 11 op datablad H8/3, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

CATEGORIEËN H9 EN H9B — Datablad H9/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekeningen

Image

Figuur 2

Maximumomtrek van de lamp (3)

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de onderkant van de afgeschuinde invoerflens van de lampvoet.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de lampvoet die een diameter van 19 mm heeft.

(3)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 2 aangegeven omtrek niet overschrijden. De omtreklijn is concentrisch met de referentieas.

(4)

Opmerkingen over de diameter van de gloeidraad

a)

Er gelden geen echte beperkingen voor de diameter, maar het doel voor toekomstige ontwikkelingen is dmax = 1,4 mm.

b)

Bij eenzelfde fabrikant moet de ontwerpdiameter van een standaard- of referentiegloeilamp en die van een gloeilamp uit serieproductie dezelfde zijn.

CATEGORIEËN H9 EN H9B — Datablad H9/2

Figuur 3

Zone zonder optische vervorming (5)

Image

Figuur 4

Metaalvrije zone (6)

Image

Figuur 5

Toegestane afwijking van de as van de gloeidraad (7)

(alleen voor standaardgloeilampen)

Image

Figuur 6

Excentriciteit van het lampglas (8)

Image

(5)

Het lampglas moet binnen de hoeken γ1 and γ2 vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2.

(6)

Het interne ontwerp van de lamp moet zo zijn dat strooilicht en reflecties alleen voorkomen boven de gloeidraad zelf, gezien vanuit horizontale richting (aanzicht A in figuur 1 op datablad H9/1). In de gearceerde zones van figuur 4 mogen zich geen andere metalen delen bevinden dan windingen van de gloeidraad.

(7)

De afwijking van de gloeidraad ten opzichte van de referentieas wordt alleen gemeten in de kijkrichtingen A en B zoals aangegeven in figuur 1 op datablad H9/1. De meetpunten zijn de snijpunten van de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) met de as van de gloeidraad.

(8)

De afwijking van de gloeidraad ten opzichte van de as van het lampglas, gemeten in twee vlakken die evenwijdig zijn aan het referentievlak, op de plaats waar de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) door de as van de gloeidraad loopt.

CATEGORIEËN H9 EN H9B — Datablad H9/3

Afmetingen in mm

Toleranties

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

12 V

e (39)  (40)

25

 (41)

± 0,10

f (39)  (40)

4,8

 (41)

± 0,10

g (39)

0,7

± 0,5

± 0,30

h1

0

 (41)

± 0,10 (42)

h2

0

 (41)

± 0,15 (42)

γ1

min. 50°

γ2

min. 40°

Lamp-voet:

H9:

PGJ19-5

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-110-2)

H9B:

PGJY19-5

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-146-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarde

Volt

12

12

Watt

65

65

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 73

max. 73

Lichtstroom

2 100 ± 10 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

1 500

13,2 V

2 100

CATEGORIEËN H9 EN H9B — Datablad H9/4

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

a1

a2

b1

b2

c1

c2

d + 0,4

d + 0,7

0,25

5,7

4,6

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad H9/1, figuur 1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 10 op datablad H9/3, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

CATEGORIE H10 — Datablad H10/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIE H10 — Datablad H10/2

Afmetingen in mm (43)

Tolerantie

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

e (44)  (45)

28,9

 (46)

± 0,16

f (47) (13)

5,2

 (46)

± 0,16

h1, h2

0

 (46)

± 0,15 (47)

γ1

min. 50°

γ2

min. 52°

γ3

45°

± 5°

± 5°

Lampvoet PY20d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-31-2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

42

42

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waard

Watt

max. 50

max. 50

Lichtstroom

850 ± 15 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

600

13,2 V

850

CATEGORIE H10 — Datablad H10/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

a1

a2

b1

b2

c1

c2

12 V

1,4 d

1,8 d

0,25

6,1

4,9

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad H10/1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 10 op datablad H10/2, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

CATEGORIEËN H11 EN H11B — Datablad H11/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekeningen

Image

Figuur 2

Maximumomtrek van de lamp (3)

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de onderkant van de afgeschuinde invoerflens van de lampvoet.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de lampvoet die een diameter van 19 mm heeft.

(3)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 2 aangegeven omtrek niet overschrijden. De omtreklijn is concentrisch met de referentieas.

(4)

De kleur van het uitgestraalde licht moet wit of selectief geel zijn.

(5)

Opmerkingen over de diameter van de gloeidraad

a)

Er gelden geen echte beperkingen voor de diameter, maar het doel voor toekomstige ontwikkelingen is dmax = 1,4 mm.

b)

Bij eenzelfde fabrikant moet de ontwerpdiameter van een standaard- of referentiegloeilamp en die van een gloeilamp uit serieproductie dezelfde zijn.

CATEGORIEËN H11 EN H11B — Datablad H11/2

Figuur 3

Zone zonder optische vervorming (6) en zwarte bovenkant (7)

Image

Figuur 4

Metaalvrije zone (8)

Image

Figuur 5

Toegestane afwijking van de as van de gloeidraad (9)

(alleen voor standaardgloeilampen)

Image

Figuur 6

Excentriciteit van het lampglas (10)

Image

(6)

Het lampglas moet binnen de hoeken γ1 and γ2 vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2.

(7)

De zwarting moet ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan. Zij moet zich ook minstens uitstrekken tot een vlak dat evenwijdig is aan het referentievlak waar γ3 door het buitenoppervlak van het lampglas loopt (aanzicht B op datablad H11/1).

(8)

Het interne ontwerp van de lamp moet zo zijn dat strooilicht en reflecties alleen voorkomen boven de gloeidraad zelf, gezien vanuit horizontale richting (aanzicht A in figuur 1 op datablad H11/1). In de gearceerde zones van figuur 4 mogen zich geen andere metalen delen bevinden dan windingen van de gloeidraad.

(9)

De afwijking van de gloeidraad ten opzichte van de referentieas wordt alleen gemeten in de kijkrichtingen A en B zoals aangegeven in figuur 1 op datablad H11/1. De meetpunten zijn de snijpunten van de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) met de as van de gloeidraad.

(10)

De excentriciteit van de as van het lampglas ten opzichte van de as van de gloeidraad, gemeten in twee vlakken die evenwijdig zijn aan het referentievlak, op de plaats waar de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) door de as van de gloeidraad loopt.

CATEGORIEËN H11 EN H11B — Datablad H11/3

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

24 V

12 V

e (49)

25,0 (50)

25,0 ± 0,1

f (13)

4,5

5,3 (14)

4,5 ± 0,1

g

min. 0,5

wordt bestudeerd

h1

0 (15)

0 ± 0,1

h2

0 (16)

0 ± 0,15

γ1

min. 50°

min. 50°

γ2

min. 40°

min. 40°

γ3

min. 30°

min. 30°

Lamp-voet:

H11:

PGJ19-2

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-110-2)

H11B:

PGJY19-2

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-146-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

24

12

Watt

55

70

55

Testspanning

Volt

13,2

28,0

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 62

max. 80

max. 62

Lichtstroom

1 350 ± 10 %

1 600 ± 10 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

1 000

13,2 V

1 350

CATEGORIEËN H11 EN H11B — Datablad H11/4

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

a1

a2

b1

b2

c1

c2

12 V

d + 0,3

d + 0,5

0,2

5,0

4,0

24 V

d + 0,6

d + 1,0

0,25

6,3

4,6

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad H11/1, figuur 1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 11 op datablad H11/3, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

CATEGORIE H12 — Datablad H12/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIE H12 — Datablad H12/1

Afmetingen in mm (51)

Tolerantie

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

e (52)  (53)

31,5

 (54)

± 0,16

f (52)  (53)

5,5

min. 4,8

± 0,16

h1, h2, h3, h4

0

 (54)

± 0,15 (55)

k

0

 (54)

± 0,15 (56)

γ1

min. 50°

γ2

min. 52°

γ3

45°

± 5°

± 5°

Lampvoet PZ20d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-31-2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

53

53

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 61

max. 61

Lichtstroom

1 050 ± 15 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

775

13,2 V

1 050

CATEGORIE H12 — Datablad H12/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

a1

a2

b1

b2

c

1,6 d

1,3 d

0,30

0,30

2,8

d= diameter van de gloeidraad

Voor de kijkrichtingen A, B en C: zie datablad H12/1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

Het midden van de gloeidraad moet binnen de afmetingen b1 en b2 liggen.

CATEGORIEËN H13 EN H13A — Datablad H13/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekening

Image

CATEGORIEËN H13 EN H13A — Datablad H13/1

Figuur 2

Definitie van de referentieas (2)

Image

Figuur 4

Afwijking van het lampglas (8)

Image

Figuur 3

Onvervormde zone (6) en ondoorzichtige coating (7)

Image

Figuur 5

Blokkering van het licht bij de lampvoet (9)

Image

(6)

Het lampglas moet axiaal en cilindrisch binnen de hoeken β en δ vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken β1 en δ2 en hoeft niet te worden geverifieerd in het door de ondoorzichtige coating bestreken gebied.

(7)

De ondoorzichtige coating moet ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan. Hij moet zich ook minstens uitstrekken tot een vlak dat evenwijdig is aan het referentievlak waar γ door het buitenoppervlak van het lampglas loopt (aanzicht B op datablad H13/1).

(8)

De ondoorzichtige coating moet ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan. Hij moet zich ook minstens uitstrekken tot een vlak dat evenwijdig is aan het referentievlak waar γ door het buitenoppervlak van het lampglas loopt (aanzicht B op datablad H13/1).

(9)

Aan het uiteinde van het lampglas bij de lampvoet moet het licht in alle richtingen rond de referentieas worden geblokkeerd tot aan hoek θ.

CATEGORIEËN H13 EN H13A — Datablad H13/3

Figuur 6

Positie en afmetingen van gloeidraden (10) (11) (12) (13) (14)

Image

CATEGORIEËN H13 EN H13A — Datablad H13/4

Afmetingen in mm

Tolerantie

Gloeilampen uit serieproductie

v

d1 (13) (58)

max. 1,8

d2 (13) (58)

max. 1,8

e (57)

29,45

± 0,20

± 0,10

f1 (57)

4,6

± 0,50

± 0,25

f2 (57)

4,6

± 0,50

± 0,25

g (8) (58)

0,5 d1

± 0,40

± 0,20

h (8)

0

± 0,30

± 0,15

j (10)

2,5

± 0,20

± 0,10

k (10)

2,0

± 0,20

± 0,10

m (11)

0

± 0,20

± 0,13

n (11)

0

± 0,20

± 0,13

p (10)

0

± 0,08

± 0,08

β

min. 42°

δ

min. 52°

γ

43°

+ 0° / – 5°

+ 0° / – 5°

θ (9)

41°

± 4°

± 4°

Lamp-voet:

H13:

P26.4t

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-128-3)

H13A:

PJ26.4t

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN (59)

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

55

60

55

60

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 68

max. 75

max. 68

max. 75

Lichtstroom

1 100 ± 15 %

1 700 ± 15 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

800

1 200

13,2 V

1 100

1 700

CATEGORIE H14 — Datablad H14/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekening

Image

Figuur 2

Maximumomtrek van de lamp (3)

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de punten op het oppervlak van de fitting waarop de drie nokken van de lampvoetring zullen rusten.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de lampvoetring met diameter „M”.

(3)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 2 aangegeven omtrek niet overschrijden. De omtreklijn is concentrisch met de referentieas.

CATEGORIE H14 — Datablad H14/2

Figuur 3

Zone zonder optische vervorming (4) en zwarte bovenkant (5)

Image

Figuur 4

Excentriciteit van het lampglas

Image

Figuur 5

Afwijking van de as van de gloeidraad (7)

(alleen voor standaardgloeilampen)

Image

(4)

Het lampglas moet binnen de hoeken γ1 and γ2 vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2 en hoeft niet te worden geverifieerd in het door de zwarting bestreken gebied.

(5)

De zwarting moet ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan. Zij moet zich ook minstens uitstrekken tot een vlak dat evenwijdig is aan het referentievlak waar γ3 door het buitenoppervlak van het lampglas loopt (aanzicht B op datablad H14/1).

(6)

De excentriciteit van de as van het lampglas ten opzichte van de as van de gloeidraad van het dimlicht wordt gemeten in twee vlakken die evenwijdig zijn aan het referentievlak, op de plaats waar de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) door de as van de gloeidraad van het dimlicht loopt.

(7)

De afwijking van de gloeidraden ten opzichte van de referentieas wordt alleen gemeten in de kijkrichtingen A, B en C zoals aangegeven in figuur 1 op datablad H14/1. De meetpunten zijn de snijpunten van de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) met de as van de gloeidraden.

CATEGORIE H14 — Datablad H14/3

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilampen

e (60)

26,15

 (62)

± 0,1

f1 (60)  (61)

5,3

 (62)

± 0,1

f2 (60)  (61)

5,0

 (62)

± 0,1

g

0,3 min.

 

 

h1

0

 (62)

± 0,1

h2

0

 (62)

± 0,15

h3

0

 (62)

± 0,15

h4

0

 (62)

± 0,15

i

2,7

 

j

2,5

 (62)

± 0,1

γ1

55° min.

γ2

52° min.

γ3

43°

0 / – 5°

0 / – 5°

Lampvoet P38t overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-133-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

55

60

55

60

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 6868 max.

max. 68

max. 68

max. 75

Lichtstroom

1 150 ± 15 %

1 750 ± 15 %

 

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

860

1 300

13,2 V

1 150

1 750

CATEGORIE H14 — Datablad H14/4

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraden juist gepositioneerd zijn ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

a1

a2

b1

b2

c1

c2

c3

i

k

d1 + 0,5

1,6 * d2

0,2

5,8

5,1

5,75

2,7

0,15

d1 is de diameter van de gloeidraad van het dimlicht en d2 is de diameter van de gloeidraad van het grootlicht.

Opmerkingen over de diameter van de gloeidraden:

a)

Er gelden geen echte beperkingen voor de diameter, maar het doel voor toekomstige ontwikkelingen is d1max = 1,6 mm en d2max = 1,6 mm.

b)

Bij eenzelfde fabrikant moet de ontwerpdiameter van standaardgloeilampen en gloeilampen uit serieproductie dezelfde zijn.

De positie van de gloeidraden wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A, B en C zoals aangegeven in figuur 1 op datablad H14/1.

De gloeidraad van het dimlicht moet volledig in rechthoek A liggen en die van het grootlicht volledig in rechthoek B.

De uiteinden van de gloeidraad van het dimlicht zoals gedefinieerd in voetnoot 8 op datablad H14/3, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

CATEGORIE H15 — Datablad H15/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekening

Figuur 3

Maximumomtrek van de lamp (3)

Image

Figuur 2

Definitie van de referentieas (2)

Image

Figuur 4

Zone zonder optische vervorming (4)

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de punten waarop de fitting de drie nokken van de lampvoetring aan de inplugkant raakt. Het is bedoeld om als intern referentievlak te worden gebruikt.

Het hulpreferentievlak is het vlak gevormd door de punten op het oppervlak van de fitting waarop de drie steunnokken van de lampvoetring zullen rusten. Het is bedoeld om als extern referentievlak te worden gebruikt.

Voor de lampvoet moet het (interne) referentievlak worden gebruikt, maar voor bepaalde toepassingen mag in plaats daarvan het (externe) hulpreferentievlak worden gebruikt.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en gaat door het snijpunt van de twee loodlijnen zoals aangegeven in figuur 2 op datablad H15/1.

(3)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 3 aangegeven omtrek niet overschrijden. De omtreklijn is concentrisch met de referentieas.

(4)

Het lampglas moet binnen de hoeken γ1 and γ2 vrij zijn van optische vervorming, zoals aangegeven in figuur 4. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2.

CATEGORIE H15 — Datablad H15/2

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

 

12 V

24 V

12 V

e

30,0 + 0,35 / – 0,25

30,0 + 0,35 / – 0,25

30,0 + 0,20 / – 0,15

γ1

min. 50°

min. 50°

min. 50°

γ2

min. 50°

min. 50°

min. 50°

r

Voor details: zie het datablad van de lampvoet

Lampvoet PGJ23t-1 overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-155-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12 (63)

24 (63)

12 (63)

 

Watt

15

55

20

60

15

55

Testspanning

Volt

13,2

28,0

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 19

max. 64

max. 24

max. 73

max. 19

max. 64

 

Licht-stroom

260

1 350

300

1 500

 

 

 

± 10 %

 

 

Referentielichtstroom bij ongeveer 12 V

 

1 000

Referentielichtstroom bij ongeveer 13,2 V

 

1 350

Referentielichtstroom bij ongeveer 13,5 V

290

 

CATEGORIE H15 — Datablad H15/3

Position of the shield

Image

Position of the filaments

Image

CATEGORIE H15 — Datablad H15/4

Tabel met de afmetingen (in mm) op de tekeningen van datablad H15/3

Referentie (64)

Afmetingen (65)

Tolerantie

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

24 V

12 V

24 V

12 V

24 V

12 V

24 V

a/24,0

a/24,5

1,8

± 0,35

± 0,20

a/26,0

1,8

± 0,35

± 0,20

b1/31,0

0

± 0,30

± 0,15

b1/33,5

b1/34,0

b1/31,0 mv

± 0,30

± 0,15

b2/31,0

0

± 0,30

± 0,15

b2/33,5

b2/34,0

b2/31,0 mv

± 0,30

± 0,15

c1/31,0

0

± 0,30

± 0,50

± 0,15

± 0,25

c1/33,5

c1/34,0

c1/31,0 mv

± 0,30

± 0,50

± 0,15

± 0,25

c2/33,5

c2/34,0

1,1

± 0,30

± 0,50

± 0,15

± 0,25

d

min. 0,1

f (68)  (69)  (70)

2,7

± 0,30

± 0,40

+ 0,20

– 0,10

+ 0,25

– 0,15

g/24,0

g/24,5

0

± 0,50

± 0,70

± 0,25

± 0,35

g/26,0

0

± 0,50

± 0,70

± 0,25

± 0,35

h/31,0

0

± 0,50

± 0,60

± 0,25

± 0,30

h/33,5

h/34,0

h/31,0 mv

± 0,30

± 0,40

± 0,15

± 0,20

lR  (68)  (71)

4,2

4,6

± 0,40

± 0,60

± 0,20

± 0,30

lC  (68)  (69)

4,4

5,4

± 0,40

± 0,60

± 0,20

± 0,30

p/33,5

p/34,0

Naargelang de vorm van de afscherming

q/33,5

q/34,0

p/33,5

p/34,0

± 1,20

± 0,60

CATEGORIE H15 — Datablad H15/5

Nadere uitleg bij datablad H15/3

De volgende afmetingen worden gemeten in vier richtingen:

1)

voor de afmetingen a, c1, c2, d, e, f, lR en lC;

2)

voor de afmetingen g, h, p en q;

3)

voor afmeting b1;

4)

voor afmeting b2.

De afmetingen b1, b2, c1 en h worden gemeten in een vlak evenwijdig aan het referentievlak op een afstand van 31,0, respectievelijk 33,5 mm (34,0 mm voor 24 V-typen).

De afmetingen c2, p en q worden gemeten in een vlak evenwijdig aan het referentievlak op een afstand van 33,5 mm (34,0 mm voor 24 V-typen).

De afmetingen a en g worden gemeten in een vlak evenwijdig aan het referentievlak op een afstand van 24,0 mm (24,5 mm voor 24 V-typen), respectievelijk 26,0 mm.

CATEGORIE H16 — Datablad H16/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Categorie H16

Figuur 1

Hoofdtekening

Image

Figuur 2

Maximumomtrek van de lamp (3)

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de onderkant van de afgeschuinde invoerflens van de lampvoet.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de lampvoet die een diameter van 19 mm heeft.

(3)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 2 aangegeven omtrek niet overschrijden. De omtreklijn is concentrisch met de referentieas.

(4)

Het uitgestraalde licht moet wit of selectief geel zijn.

(5)

Opmerkingen over de diameter van de gloeidraad

Er gelden geen echte beperkingen voor de diameter, maar het doel voor toekomstige ontwikkelingen is dmax = 0,9 mm.

Bij eenzelfde fabrikant moet de ontwerpdiameter van een standaard- of referentiegloeilamp en die van een gloeilamp uit serieproductie dezelfde zijn.

CATEGORIE H16 — Datablad H16/2

Figuur 3

Zone zonder optische vervorming (6) en zwarte bovenkant (7)

Image

Figuur 4

Metaalvrije zone (8)

Image

Figuur 5

Toegestane afwijking van de as van de gloeidraad (9)

(alleen voor standaardgloeilampen)

Image

Figuur 6

Excentriciteit van het lampglas (10)

Image

(6)

Het lampglas moet binnen de hoeken γ1 and γ2 vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2.

(7)

De zwarting moet minstens tot hoek γ3 gaan en ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan.

(8)

Het interne ontwerp van de lamp moet zo zijn dat strooilicht en reflecties alleen voorkomen boven de gloeidraad zelf, gezien vanuit horizontale richting (aanzicht A in figuur 1 op datablad H16/1). In de gearceerde zones van figuur 4 mogen zich geen andere metalen delen bevinden dan windingen van de gloeidraad.

(9)

De afwijking van de gloeidraad ten opzichte van de referentieas wordt alleen gemeten in de kijkrichtingen A en B zoals aangegeven in figuur 1 op datablad H16/1. De meetpunten zijn de snijpunten van de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) met de as van de gloeidraad.

(10)

De afwijking van de gloeidraad ten opzichte van de as van het lampglas, gemeten in twee vlakken die evenwijdig zijn aan het referentievlak, op de plaats waar de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) door de as van de gloeidraad loopt.

CATEGORIE H16 — Datablad H16/3

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

12 V

e (74)

25,0 (75)

25,0 ± 0,1

f (74)

3,2 (75)

3,2 ± 0,1

g

min. 0,5

wordt bestudeerd

h1

0 (75)

0 ± 0,1

h2

0 (75)

0 ± 0,15

γ1

min. 50°

min. 50°

γ2

min. 40°

min. 40°

γ3

min. 30°

min. 30°

Lamp-voet: H16: PGJ19-3 overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-110-2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

19

19

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

22 max.

22 max.

Lichtstroom

500 + 10 % / – 15 %

 

Referentielichtstroom: 500 lm bij ongeveer 13,2 V

Referentielichtstroom: 550 lm bij ongeveer 13,5 V

CATEGORIE H16 — Datablad H16/4

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

a1

a2

b1

b2

c1

c2

d + 0,50

d + 0,70

0,25

3,6

2,6

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad H16/1, figuur 1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 11 op datablad H16/3, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

CATEGORIEËN H6W EN HY6W — Datablad H6W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

e

14,25

15,0

15,75

15,0 ± 0,25

Zijdelingse afwijking (1)

 

 

0,75

max. 0,4

β

82,5°

90°

97,5°

90° ± 5°

γ1, γ2 (2)

30°

 

 

min. 30°

Lamp-voet:

H6W:

BAX9s

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-8-1)

HY6W:

BAZ9s

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-150-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

6

6

Test-spanning

Volt

13,5

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 7,35

max. 7,35

Lichtstroom

H6W

125 ± 12 %

 

HY6W

75 ± 17 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer 13,5 V

Wit: 125 lm

Ambergeel: 75 lm

(1)

Maximale zijdelingse afwijking van het midden van de gloeidraad ten opzichte van twee loodrecht op elkaar staande vlakken die beide de referentieas bevatten en waarvan er een as X-X omvat.

(2)

In het gebied tussen de buitenste benen van de hoeken γ1 en γ2 mag het lampglas geen zones met optische vervorming hebben en moet zijn krommingsstraal ten minste 50 % van zijn werkelijke diameter bedragen.

(3)

Over de hele lengte van de lampvoet mogen geen uitsteeksels of lassen de toegestane maximumdiameter van de lampvoet overschrijden.

(4)

Het door gloeilampen uit serieproductie uitgestraalde licht moet wit zijn voor categorie H6W en ambergeel voor categorie HY6W.

(5)

Het door standaardgloeilampen uitgestraalde licht moet wit zijn voor categorie H6W en ambergeel of wit voor categorie HY6W.

CATEGORIEËN H10W/1 EN HY10W — Datablad H10W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

e

14,25

15,0

15,75

15,0 ± 0,25

Zijdelingse afwijking (1)

 

 

0,75

max. 0,4

β

82,5°

90°

97,5°

90° ± 5°

γ1, γ2 (2)

30°

 

 

min. 30°

Lamp-voet:

H10W/1:

BAU9s

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-150A-1)

HY10W:

BAUZ9s

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-150B-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

10

10

Test-spanning

Volt

13,5

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 12

max. 12

Lichtstroom

H10W/1

200 ± 12 %

 

HY10W

120 ± 17 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer 13,5 V

Wit: 200 lm

Ambergeel: 120 lm

(1)

Maximale zijdelingse afwijking van het midden van de gloeidraad ten opzichte van twee loodrecht op elkaar staande vlakken die beide de referentieas bevatten en waarvan er een as X-X omvat.

(2)

In het gebied tussen de buitenste benen van de hoeken γ1 en γ2 mag het lampglas geen zones met optische vervorming hebben en moet zijn krommingsstraal ten minste 50 % van zijn werkelijke diameter bedragen.

(3)

Over de hele lengte van de lampvoet mogen geen uitsteeksels of lassen de toegestane maximumdiameter van de lampvoet overschrijden.

(4)

Het door gloeilampen uit serieproductie uitgestraalde licht moet wit zijn voor categorie H6W en ambergeel voor categorie HY6W.

(5)

Het door standaardgloeilampen uitgestraalde licht moet wit zijn voor categorie H6W en ambergeel of wit voor categorie HY6W.

CATEGORIEËN H21W EN HY21W — Datablad H21W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

e

 

20,0 (1)

 

20,0 ± 0,25

f

12 V

 

 

3,8

3,8 + 0/ – 1

24 V

 

 

4,5

 

Zijdelingse afwijking (2)

 

 

(3)

0,0 ± 0,15 (4)

β

82,5°

90°

97,5°

90° ± 5°

γ1, γ2 (5)

45°

 

 

45° min.

Lamp-voet:

H21W:

BAY9s

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-9-1)

HY21W:

BAW9s

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-149-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

24

12

Watt

21

21

21

Test-spanning

Volt

13,5

28,0

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 26,25

max. 29,4

max. 26,25

Lichtstroom

H21W

600 ± 12 %

600 ± 15 %

 

HY21W

300 ± 17 %

300 ± 20 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

Wit: 415 lm

13,2 V

Wit: 560 lm

13,5 V

Wit: 600 lm

Ambergeel: 300 lm

(1)

Te controleren door middel van een „boxsysteem” (zie datablad H21W/2).

(2)

Maximale zijdelingse afwijking van het midden van de gloeidraad ten opzichte van twee loodrecht op elkaar staande vlakken die beide de referentieas bevatten en waarvan er een as X-X omvat.

(3)

De zijdelingse afwijking ten opzichte van het vlak dat loodrecht staat op as X-X, wordt gemeten in de positie die is beschreven in punt 1 van de testprocedure op datablad H21W/2.

(4)

In het gebied tussen de buitenste benen van de hoeken γ1 en γ2 mag het lampglas geen zones met optische vervorming hebben en moet zijn krommingsstraal ten minste 50 % van zijn werkelijke diameter bedragen.

(5)

Het door standaardgloeilampen uitgestraalde licht moet wit zijn voor categorie H10W/1 en ambergeel of wit voor categorie HY10W.

(6)

Het door standaardgloeilampen uitgestraalde licht moet wit zijn voor categorie H21W en ambergeel of wit voor categorie HY21W.

CATEGORIEËN H21W EN HY21W — Datablad H21W/2

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak en hij een as heeft die, met een tolerantie van ± 7,5°, loodrecht staat op het vlak dat het midden van de referentienok en de referentieas doorsnijdt.

Image

Referentie

a

b

h

k

Afmeting

d + 1,0

d + 1,0

f + 1,2

0,50

d

=

werkelijke diameter van de gloeidraad

f

=

werkelijke lengte van de gloeidraad

Testprocedures en -voorschriften

1.   De gloeilamp wordt in een fitting geplaatst die om zijn eigen as kan draaien en die ofwel een schaalverdeling heeft, ofwel vaste instellingen die overeenkomen met de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing. De fitting wordt dan zodanig gedraaid dat er een aanzicht op het einde van de gloeidraad wordt verkregen op het scherm waarop het beeld van de gloeidraad wordt geprojecteerd. Het aanzicht van het einde van de gloeidraad moet worden verkregen binnen de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing.

2.   Zijaanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden wordt geplaatst, met de referentieas verticaal en met een aanzicht op het einde van de gloeidraad, moet de projectie van de gloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „b”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt.

3.   Vooraanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden en de referentieas verticaal wordt geplaatst en wordt bekeken in een richting loodrecht op de as van de gloeidraad:

3.1.

moet de projectie van de gloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „h”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt;

3.2.

mag het midden van de gloeidraad niet meer dan afstand „k” van de referentieas afwijken.

CATEGORIEËN H27W/1 EN H27W/2 — Datablad H27W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

CATEGORIE H27W/1

Image

Categorie H27W/2

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de onderkant van de afgeschuinde invoerflens van de lampvoet.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de 13,10 mm-diameter van de lampvoet.

(3)

Het lampglas en de steunen mogen de omtrek van een theoretische cilinder rond de referentieas niet overschrijden.

(4)

De zwarting moet de hele bovenkant van het lampglas bestrijken, inclusief het cilindrische gedeelte ervan tot aan het snijpunt met γ1.

CATEGORIEËN H27W/1 EN H27W/2 — Datablad H27W/2

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

e

31,75 (77)

31,75 ± 0,25

f (79)

max. 4,8

4,2 ± 0,20

k

0 (77)

0,0 ± 0,25

h1, h2, h3, h4 (78)

0 (77)

0,0 ± 0,25

γ1 (76)

nom. 38°

nom. 38°

γ2 (76)

nom. 44°

nom. 44°

Lampvoet:

H27W/1:

PG13

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-107- 4)

H27W/2:

PGJ13

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

27

27

Testspanning

Volt

13,5

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 31

max. 31

Lichtstroom

477 ± 15 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

350 lm

13,2 V

450 lm

13,5 V

477 lm

CATEGORIEËN H27W/1 EN H27W/2 — Datablad H27W/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Afmetingen in mm

Image

Referentie

a

c

k

g

Afmetingen

d + 1,2

d + 1,0

0,5

2,4

d= werkelijke diameter van de gloeidraad

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

Het midden van de gloeidraad moet binnen afmeting k liggen.

CATEGORIEËN HB3 EN HB3A — Datablad HB3/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIEËN HB3 EN HB3A — Datablad HB3/2

Zone zonder optische vervorming (7)

Image

Positie en afmetingen van de gloeidraad

Image

(6)

De kleur van het uitgestraalde licht moet wit of selectief geel zijn.

(7)

Het buitenoppervlak van het lampglas moet axiaal binnen de hoeken γ1 en γ2 vrij zijn van optische vervorming.

CATEGORIEËN HB3 EN HB3A — Datablad HB3/3

Afmetingen in mm (84)

Toleranties

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

e (81)  (83)

31,5

 (82)

± 0,16

f (81)  (83)

5,1

 (82)

± 0,16

h1, h2

0

 (82)

± 0,15 (80)

h3

0

 (82)

± 0,08 (80)

1

min. 45°

2

min. 52°

Lampvoet P20d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-31-2) (85)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

60

60

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 73

max. 73

Lichtstroom

1 860 ± 12 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

1 300

13,2 V

1 860

CATEGORIEËN HB3 EN HB3A — Datablad HB3/4

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

p

q

r

s

t

u

v

12 V

1,3 d

1,6 d

3,0

2,9

0,9

0,4

0,7

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad HB3/1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

Het begin van de gloeidraad, zoals gedefinieerd in voetnoot 11 op datablad HB3/3, moet binnen volume „B” liggen en het uiteinde van de gloeidraad binnen volume „C”.

Volume „A” impliceert geen voorschriften met betrekking tot het midden van de gloeidraad.

CATEGORIEËN HB4 EN HB4A — Datablad HB4/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIEËN HB4 EN HB4A — Datablad HB4/2

Zone zonder optische vervorming (7) en zwarte bovenkant (8)

Image

Excentriciteit van het lampglas

Image

Positie en afmetingen van de gloeidraad

Image

(6)

De kleur van het uitgestraalde licht moet wit of selectief geel zijn.

(7)

Het buitenoppervlak van het lampglas moet axiaal en cilindrisch binnen de hoeken γ1 en γ2 vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2 en hoeft niet te worden geverifieerd in het door de zwarting bestreken gebied.

(8)

De zwarting moet minstens tot hoek γ3 gaan en ten minste doorlopen tot het onvervormde gedeelte van het lampglas dat is bepaald door hoek γ1.

CATEGORIEËN HB4 EN HB4A — Datablad HB4/3

Afmetingen in mm (91)

Toleranties

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

e (88)  (90)

31,5

 (89)

± 0,16

f (88)  (90)

5,1

 (89)

± 0,16

h1, h2

0

 (89)

± 0,15 (87)

h3

0

 (89)

± 0,08 (87)

g (88)

0,75

± 0,5

± 0,3

γ1

min. 50°

γ2

min. 52°

γ3

45°

± 5°

± 5°

Lampvoet P22d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-32-2) (92)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

51

51

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 62

max. 62

Lichtstroom

1 095 ± 15 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

825

13,2 V

1 095

CATEGORIEËN HB4 EN HB4A — Datablad HB4/4

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

p

q

r

s

t

u

v

12 V

1,3 d

1,6 d

3,0

2,9

0,9

0,4

0,7

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt aleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad HB4/1.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

Het begin van de gloeidraad, zoals gedefinieerd in voetnoot 12 op datablad HB4/3, moet binnen volume „B” liggen en het uiteinde van de gloeidraad binnen volume „C”.

Volume „A” impliceert geen voorschriften met betrekking tot het midden van de gloeidraad.

CATEGORIE HIR1 — Datablad HIR1/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIE HIR1 — Datablad HIR1/2

Afmetingen in mm (98)

Toleranties

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

e (95)  (97)

29

 (96)

± 0,16

f (95)  (97)

5,1

 (96)

± 0,16

g (95)

0

+ 0,7 / – 0,0

+ 0,4 / – 0,0

h1, h2

0

 (96)

± 0,15 (94)

d

max. 1,6

 

 

γ1

min. 50°

γ2

min. 50°

Lampvoet PX20d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-31-2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

65

65

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 73

max. 73

Lichtstroom

2 500 ± 15 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

1 840

13,2 V

2 500

CATEGORIE HIR1 — Datablad HIR1/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

a1

a2

b1

b2

c1

c2

12 V

d + 0,4

d + 0,8

0,35

6,1

5,2

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad HIR1/1.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 10 op datablad HIR1/2, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

CATEGORIE HIR2 — Datablad HIR2/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIE HIR2 — Datablad HIR2/2

Afmetingen in mm (103)

Toleranties

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

e (100)  (102)

28,7

 (101)

± 0,16

f (100)  (102)

5,3

 (101)

± 0,16

g (100)

0

+ 0,7 / – 0,0

+ 0,4 / – 0,0

h1, h2

0

 (101)

± 0,15 (99)

d

max. 1,6

γ1

min. 50°

γ2

min. 50°

Lampvoet PX22d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-32-2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

55

55

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 63

max. 63

Lichtstroom

1 875 ± 15 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

1 355

13,2 V

1 875

CATEGORIE HIR2 — Datablad HIR2/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

a1

a2

b1

b2

c1

c2

12 V

d + 0,4

d + 0,8

0,35

6,6

5,7

d= diameter van de gloeidraad

De positie van de gloeidraad wordt alleen gecontroleerd in de richtingen A en B zoals aangegeven op datablad HIR2/1.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 10 op datablad HIR2/2, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

CATEGORIE HS1 — Datablad HS1/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekening

Image

Maximumomtrek van de lamp (4)

Figuur 2

Figuur 3

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de steunpunten van de drie nokken van de lampvoetring.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de cirkel met diameter „M”.

(3)

De kleur van het uitgestraalde licht moet wit of selectief geel zijn.

(4)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 2 aangegeven omtrek niet overschrijden. Bij gebruik van een selectief geel buitenglas mogen het lampglas en de steunen de in figuur 3 aangegeven omtrek echter niet overschrijden.

(5)

De zwarting moet ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas. Zij moet ook de afscherming omvatten, wanneer deze wordt gezien in een richting loodrecht op de referentieas.

CATEGORIE HS1 — Datablad HS1/2

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

6 V

12 V

12 V

e

28,5 + 0,45 / – 0,25

28,5 + 0,20 / – 0,00

p

28,95

28,95

a

max. 40°

max. 40°

Lampvoet PX43t overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-34-2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

6 (104)

12 (104)

12 (104)

Watt

35

35

35

35

35

35

Testspanning

Volt

6,3

13,2

13,2

Volt

Watt ± %

35

35

35

35

35

35

5

5

Lichtstroom ± %

700

440

825

525

 

15

 

Meetlichtstroom (105) lm

 

450

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

700

450

13,2 V

825

525

CATEGORIE HS1 — Datablad HS1/3

Positie van de afscherming

Image

Positie van de gloeidraden

Image

CATEGORIE HS1 — Datablad HS1/4

Tabel met de afmetingen (in mm) op de tekeningen van datablad HS1/3

Referentie (106)

Afmetingen (107)

Tolerantie

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

6 V

12 V

6 V

12 V

6 V

12 V

12 V

a/26

0,8

± 0,35

± 0,20

a/25

0,8

± 0,55

± 0,20

b1/29,5

0

± 0,35

± 0,20

b1/33

b1/29,5 mv

± 0,35

± 0,15

b2/29,5

0

± 0,35

± 0,20

b2/33

b2/29,5 mv

± 0,35

± 0,15

c/29,5

0,6

± 0,35

± 0,20

c/31

c/29,5 mv

± 0,30

± 0,15

d

min. 0,1 / max. 1,5

e (113)

28,5

+ 0,45 / – 0,25

+ 0,20 / – 0,00

f (111)  (112)  (113)

1,7

+ 0,50 / – 0,30

+ 0,30 / – 0,10

g/26

0

± 0,50

± 0,30

g/25

0

± 0,70

± 0,30

h/29,5

0

± 0,50

± 0,30

h/31

h/29,5 mv

± 0,30

± 0,20

lR  (111)  (114)

3,5

4,0

± 0,80

± 0,40

lC  (111)  (112)

3,3

4,5

± 0,80

± 0,35

p/33

Naargelang de vorm van de afscherming

q/33

(p + q) / 2

± 0,60

± 0,30

CATEGORIE HS1 — Datablad HS1/5

Nadere uitleg bij datablad HS1/3

De volgende afmetingen worden gemeten in drie richtingen:

(1)

voor de afmetingen a, b1, c, d, e, f, lR en lC;

(2)

voor de afmetingen g, h, p en q

(3)

voor afmeting b2.

De afmetingen p en q worden gemeten in een vlak evenwijdig aan en op een afstand van 33 mm van het referentievlak.

De afmetingen b1 en b2 worden gemeten in een vlak evenwijdig aan en op een afstand van 29,5, respectievelijk 33 mm van het referentievlak.

De afmetingen a en g worden gemeten in een vlak evenwijdig aan en op een afstand van 25,0, respectievelijk 26,0 mm van het referentievlak.

De afmetingen c en h worden gemeten in een vlak evenwijdig aan en op een afstand van 29,5, respectievelijk 31 mm van het referentievlak.

Opmerking: Voor de meetmethode: zie aanhangsel E van IEC-publicatie 60809.

CATEGORIE HS2 — Datablad HS2/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIE HS2 — Datablad HS2/2

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

e

 

11,0 (5)

 

11,0 ± 0,15

f (116)

6 V

1,5

2,5

3,0

2,5 ± 0,15

12 V

2,0

3,0

4,0

 

h1, h2

 

(5)

 

0 ± 0,15

α (2)

 

 

40°

 

β (3)

75°

90°

105°

90° ± 5°

γ (4)

15°

 

 

min. 15°

γ (4)

40°

 

 

min. 40°

Lampvoet PX13.5s overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-35-2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

6

12

6

Watt

15

15

Testspanning

Volt

6,75

13,5

6,75

Objectieve waarden

Watt

15 ± 6 %

15 ± 6 %

Lichtstroom

320 ± 15 %

 

Referentielichtstroom: 320 lm bij ongeveer 6,75 V

CATEGORIE HS2 — Datablad HS2/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

Reference

a1

a2

b1

b2

c1 (6 V)

c1 (12 V)

c2

Dimension

d + 1,0

d + 1,4

0,25

0,25

4,0

4,5

1,75

d= werkelijke diameter van de gloeidraad

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

Het begin van de gloeidraad moet tussen de lijnen Z1 en Z2 liggen.

CATEGORIE HS5 — Datablad HS5/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

GLOEILAMP VOOR MOTORFIETSEN

Figuur 1

Hoofdtekening

Image

Figuur 2

Zone zonder optische vervorming (4) en zwarte bovenkant (5)

Image

(1)

Het referentievlak is het binnenoppervlak tussen de drie insteeksleuven.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de lampvoet die een diameter van 23 mm heeft.

(3)

Het lampglas en de steunen mogen de in figuur 1 aangegeven omtrek niet overschrijden. De omtreklijn is concentrisch met de referentieas.

(4)

Het lampglas moet binnen de hoeken γ1 and γ2 vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2.

(5)

De zwarting moet minstens tot hoek γ3 gaan en ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan.

CATEGORIE HS5 — Datablad HS5/2

Figuur 3

Positie en afmetingen van de gloeidraad

Aanzicht B van de gloeidraad van het grootlicht

Image

Aanzicht A van de gloeidraad van het dimlicht

Image

Bovenaanzicht van de gloeidraad van het grootlicht

Image

Bovenaanzicht van de gloeidraad van het dimlicht

Image

CATEGORIE HS5 — Datablad HS5/3

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

12 V

e

26

 (117)

± 0,15

lC  (118)

4,6

± 0,3

k

0

± 0,2

h1, h3

0

± 0,15

h2, h4

0

± 0,20

lR  (118)

4,6

± 0,3

j

0

± 0,2

g1, g3

0

± 0,30

g2, g4

2,5

± 0,40

γ1

min. 50°

γ2

min. 23°

γ3

min. 50°

Lampvoet P23t overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-138- 2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Spanning

V

12

12

Wattage

W

35

30

35

30

Testspanning

V

13,2

13,2

Objectieve waarden

Wattage

W

max. 40

max. 37

max. 40

max. 37

Lichtstroom

lm

620

515

 

 

± %

15

15

 

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

460

380

13,2 V

620

515

CATEGORIE HS5 — Datablad HS5/4

Voorschrift voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of:

a)

de gloeidraad van het dimlicht juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak, en of

b)

de gloeidraad van het grootlicht juist gepositioneerd is ten opzichte van de gloeidraad van het dimlicht.

Afmetingen in millimeters

Zijaanzicht

Image

Referentie

a

b

c

d

v

Afmetingen

d1 + 0,6

d1 + 0,8

d2 + 1,2

d2 + 1,6

2,5

d1

=

diameter van de gloeidraad van het dimlicht

d2

=

diameter van de gloeidraad van het grootlicht

Vooraanzicht

Image

Referentie

h

k

Afmetingen

6,0

0,5

De gloeidraden moeten zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

Het midden van de gloeidraad moet binnen afmeting k liggen.

CATEGORIE HS5A Datablad HS5A/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

GLOEILAMP VOOR MOTORFIETSEN

Figuur 1

Hoofdtekening

Image

Figuur 2

Zone zonder optische vervorming (4) en zwarte bovenkant (5)

Image

(1)

Het referentievlak is het binnenoppervlak tussen de drie insteeksleuven.

(2)

De referentieas staat loodrecht op het referentievlak en loopt door het middelpunt van de lampvoet die een diameter van 23 mm heeft.

(3)

Glass bulb and supports shall not exceed the envelope as indicated in figure 1. The envelope is concentric to the reference axis.

(4)

Het lampglas moet binnen de hoeken γ1 and γ2 vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken γ1 en γ2.

(5)

De zwarting moet minstens tot hoek γ3 gaan en ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan.

CATEGORIE HS5A Datablad HS5A/2

Figuur 3

Positie en afmetingen van de gloeidraad

Image

CATEGORIE HS5A Datablad HS5A/3

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

12 V

12 V

e

26

lC  (119)

4,6

± 0,5

± 0,3

k

0

± 0,4

± 0,2

h1, h3

0

± 0,3

± 0,15

h2, h4

0

± 0,4

± 0,2

lR  (119)

4,6

± 0,5

± 0,3

j

0

± 0,6

± 0,3

g1, g3

0

± 0,6

± 0,3

g2, g4

2,5

± 0,4

± 0,2

γ1

min. 50°

γ2

min. 23°

γ3

min. 50°

Lampvoet PX23t overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-138A-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Spanning

V

12 (120)

12 (120)

Wattage

W

45

40

45

40

Testspanning

V

13,2

13,2

Objectieve waarden

Wattage

W

max. 50

max. 45

max. 50

max. 45

Lichtstroom

lm

750

640

 

 

± %

15

15

 

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

550 lm

470 lm

13,2 V

750 lm

640 lm

CATEGORIE HS6 — Datablad HS6/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekeningen

Image

CATEGORIE HS6 — Datablad HS6/2

Figuur 2

Definitie van de referentieas (9)

Image

Figuur 4

Afwijking van het lampglas (8)

Image

Figuur 3

Onvervormde zone (6) en ondoorzichtige coating (7)

Image

Figuur 5

Blokkering van het licht bij de lampvoet (9)

Image

(6)

Het lampglas moet axiaal en cilindrisch binnen de hoeken β en δ vrij zijn van optische vervorming. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken β en δ en hoeft niet te worden geverifieerd in het door de ondoorzichtige coating bestreken gebied.

(7)

De ondoorzichtige coating moet ten minste doorlopen tot het cilindrische gedeelte van het lampglas over de hele bovenomtrek ervan. Zij moet zich ook minstens uitstrekken tot een vlak dat evenwijdig is aan het referentievlak waar γ door het buitenoppervlak van het lampglas loopt, zoals aangegeven in figuur 3 (aanzicht B op datablad HS6/1).

(8)

De afwijking van de gloeidraad van het dimlicht ten opzichte van de as van het lampglas, wordt gemeten in twee vlakken die evenwijdig zijn aan het referentievlak, op de plaats waar de projectie van de buitenkant van de buitenste windingen (de winding het dichtst bij en die het verst van het referentievlak) door de as van de gloeidraad van het dimlicht loopt.

(9)

Aan het uiteinde van het lampglas bij de lampvoet moet het licht in alle richtingen rond de referentieas worden geblokkeerd tot aan hoek θ.

CATEGORIE HS6 — Datablad HS6/3

Figuur 6

Positie en afmetingen van gloeidraden (10) (11) (12) (13) (14)

Image

CATEGORIE HS6 — Datablad HS6/4

Afmetingen in mm

Tolerantie

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

d1 (13) (121)

max. 1,4

d2 (13) (122)

max. 1,4

e (121)

29,45

± 0,20

± 0,10

f1 (121)

4,4

± 0,50

± 0,25

f2 (121)

4,4

± 0,50

± 0,25

g (8) (122)

0,5 d1

± 0,50

± 0,30

h (8)

0

± 0,40

± 0,20

j (10)

2,5

± 0,30

± 0,20

k (10)

2,0

± 0,20

± 0,10

m (11)

0

± 0,24

± 0,20

n (11)

0

± 0,24

± 0,20

p (10)

0

± 0,30

± 0,20

β

min. 42°

δ

min. 52°

γ

43°

+ 0° / – 5°

+ 0° / – 5°

(9)

41°

± 4°

± 4°

Lamp-voet

:

PX26.4t overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-128-3)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN 18 (122)

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

40

35

40

35

Testspanning

Volt

13,2

13,2

Objectieve waarden

Watt

max. 45

max. 40

max. 45

max. 40

Lichtstroom

900 ± 15 %

600 ± 15 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

630 / 420

13,2 V

900 / 600

CATEGORIE P13W — Datablad P13W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Figuur 1

Hoofdtekening

Image

Figuur 2

Metaalvrije zone (3)

Image

(1)

Het referentievlak is het vlak gevormd door de raakpunten van de lampvoetfitting.

(2)

Er gelden geen echte beperkingen voor de diameter, maar het doel is dmax = 1,0 mm.

(3)

In de gearceerde zones van figuur 2 mogen zich geen andere ondoorzichtige delen bevinden dan windingen van de gloeidraadspiraal. Dit geldt voor de hele omtrek van het lampglas binnen de hoeken α1 en α2.

CATEGORIE P13W — Datablad P13W/2

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

e (125)

25,0 (124)

25,0 ± 0,25

f (125)

4,3 (124)

4,3 ± 0,25

α1  (126)

min. 30,0°

min. 30,0°

α2  (126)

min. 58,0°

min. 58,0°

Lampvoet PG18.5d-1 overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-147-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Spanning

V

12

12

Wattage

W

13

13

Testspanning

V

13,5

13,5

Objectieve waarden

Wattage

W

max. 19

max. 19

Lichtstroom

lm

250

 

±

+ 15 % / – 20 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer 13,5V

250 lm

CATEGORIE P13W — Datablad P13W/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

p

q

u1, u2

r, s

t, v

Gloeilampen uit serieproductie

1,7

1,9

0,3

2,6

0,9

Standaardgloeilampen

1,5

1,7

0,25

2,45

0,6

De positie van de gloeidraad wordt gecontroleerd in twee loodrecht op elkaar staande vlakken, waarvan er een door de stroomtoevoerdraden loopt.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 4 op datablad P13W/2, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

CATEGORIEËN P19W, PY19W, PR19W, PS19W, PSY19W EN PSR19W — Datablad P19W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIEËN P19W, PY19W, PR19W, PS19W, PSY19W EN PSR19W — Datablad P19W/2

Afmetingen in mm (127)

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

α (131)

e (128)  (129)

 

24,0

 

24,0

f (128)  (129)

 

4,0

 

4,0 ± 0,2

α (130)

58°

 

 

min. 58°

P19W Lampvoet PGU20-1

PY19W Lampvoet PGU20-2

PR19W Lampvoet PGU20-5

PS19W Lampvoet PG20-1

PSY19W Lampvoet PG20-2

PSR19W Lampvoet PG20-5

overeenkomstig IEC-publicatie 60061

(datablad 7004-127-2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

19

19

Testspanning

Volt

13,5

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 20

max. 20

Lichtstroom

P19W

PS19W

350 ± 15 %

 

PY19W

PSY19W

215 ± 20 %

 

PR19W

PSR19W

80 ± 20 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer 13,5 V

Wit: 350 lm

Ambergeel: 215 lm

Rood: 80 lm

 

CATEGORIEËN P19W, PY19W, PR19W, PS19W, PSY19W EN PSR19W — Datablad P19W/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

a1

a2

b1, b2

c1

c2

Gloeilampen uit serieproductie

2,9

3,9

0,5

5,2

3,8

Standaardgloeilampen

1,5

1,7

0,25

4,7

3,8

De positie van de gloeidraad wordt gecontroleerd in twee loodrecht op elkaar staande vlakken, waarvan er een door de stroomtoevoerdraden loopt.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 6 op datablad P19W/2, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

CATEGORIE P21W — Datablad P21W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

e

6,12 V

 

31,8 (3)

 

31,8 ± 0,3

24 V

30,8

31,8

32,8

 

f

12 V

5,5

6,0

7,0

6,0 ± 0,5

6 V

 

 

7,0

 

Zijdelingse afwijking (1)

6,12 V

 

 

(3)

max. 0,3

24 V

 

 

1,5

 

β

75°

90°

105°

90° ± 5°

Lampvoet BA15s overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 700411A-9) (2)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarde

Volt

6

12

24

12

Watt

21

21

Testspanning

Volt

6,75

13,5

28,0

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 27,6

max. 26,5

max. 29,7

max. 26,5

Lichtstroom

460 ± 15 %

 

Referentielichtstroom: 460 lm bij ongeveer 13,5 V

(1)

Maximale zijdelingse afwijking van het midden van de gloeidraad ten opzichte van twee loodrecht op elkaar staande vlakken die beide de referentieas bevatten en waarvan er een de as van de lampvoetnokken omvat.

(2)

Gloeilampen met lampvoet BA15d mogen voor bijzondere doeleinden worden gebruikt en hebben dezelfde afmetingen.

(3)

Te controleren door middel van een „boxsysteem” (zie datablad P21W/2).

(4)

In dit aanzicht mag de gloeidraad van het 24 V-type recht of V-vormig zijn. Dit moet in de goedkeuringsaanvraag worden vermeld. Bij een rechte gloeidraad gelden voor de projectie op het scherm de voorschriften van datablad P21W/2. Bij een V-vormige gloeidraad moeten de uiteinden ervan zich op dezelfde afstand, met een tolerantie van ± 3 mm, van het referentievlak bevinden.

CATEGORIE P21W — Datablad P21W/2

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of de gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak en hij een as heeft die, met een tolerantie van ± 15°, loodrecht staat op het vlak dat het midden van de lamvoetnokken (P21W) of van de referentienok (PY21W en PR21W) en de referentieas doorsnijdt.

Zijaanzicht

Vooraanzicht

Image


Referentie

a

b

h

k

Afmeting

3,5

3,0

9,0

1,0

Testprocedures en -voorschriften

1.   De gloeilamp wordt in een fitting geplaatst die om zijn eigen as kan draaien en die ofwel een schaalverdeling heeft, ofwel vaste instellingen die overeenkomen met de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing. De fitting wordt dan zodanig gedraaid dat er een aanzicht op het einde van de gloeidraad wordt verkregen op het scherm waarop het beeld van de gloeidraad wordt geprojecteerd. Het aanzicht van het einde van de gloeidraad moet worden verkregen binnen de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing.

2.   Zijaanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden wordt geplaatst, met de referentieas verticaal en met een aanzicht op het einde van de gloeidraad, moet de projectie van de gloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „b”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt.

3.   Vooraanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden en de referentieas verticaal wordt geplaatst en wordt bekeken in een richting loodrecht op de as van de gloeidraad:

3.1.

moet de projectie van de gloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „h”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt.

3.2.

mag het midden van de gloeidraad niet meer dan afstand „k” van de referentieas afwijken.

CATEGORIE P21/4W — Datablad P21/4W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

e

 

31,8 (1)

 

31,8 ± 0,3

f

 

 

7,0

7,0 + 0 / – 2

Zijdelingse afwijking

 

 

(1)

max. 0,3 (2)

x, y

(1)

2,8 ± 0,5

β

75° (1)

90° (1)

105° (1)

90° ± 5°

Lampvoet BAZ15d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-11C-3)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

24

12

Watt

21

4

21

4

21 / 4

Testspanning

Volt

13,5

28,0

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 26,5

max. 5,5

max. 29,7

max. 8,8

max. 26,5/5,5

Lichtstroom ± %

440

15

440

20

 

15

20

15

20

 

Referentielichtstroom: 440 en 15 lm bij ongeveer 13,5 V

(1)

Te controleren door middel van een „boxsysteem” 3/ op basis van de hierboven aangegeven afmetingen en toleranties. „x” en „y” hebben betrekking op de hoofdgloeidraad (hoge wattage) en niet op de referentieas. Er worden mogelijkheden bestudeerd om de nauwkeurigheid bij het positioneren van de gloeidraad en van de combinatie lampvoet/fitting te vergroten.

(2)

Maximale zijdelingse afwijking van het midden van de hoofdgloeidraad ten opzichte van twee loodrecht op elkaar staande vlakken die beide de referentieas bevatten en waarvan er een de as van de referentienok omvat.

(3)

Het „boxsysteem” is hetzelfde als bij gloeilamp P21/5W.

CATEGORIE P21/5W — Datablad P21/5W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

e

6,12 V

 

31,8 (1)

 

31,8 ± 0,3

24 V

30,8

31,8

32,8

 

f

6,12 V

 

 

7,0

7,0 + 0 / – 2

Zijdelingse afwijking (2)

6,12 V

 

 

(1)

max. 0,3

24 V

 

 

1,5

 

x, y

6,12 V

 

(1)

 

2,8 ± 0,3

x

24 V (3)

–1,0

0

1,0

 

y

24 V (3)

1,8

2,8

3,8

 

β

 

75°

90°

105°

90° ± 5°

Lampvoet BAY15d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-11B-7)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

6

12

24

12

Watt

21

5

21

5

21

5

21 / 5

Testspanning

Volt

6,75

13,5

28,0

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 27,6

max. 6,6

max. 26,5

max. 6,6

max. 29,7

max. 11,0

max. 26,5 en 6,6

Lichtstroom ± %

440

35

440

35

440

40

 

15

20

15

20

15

20

 

Referentielichtstroom: 440 en 35 lm bij ongeveer 13,5 V

Voor de voetnoten: zie datablad P21/5W/2.

CATEGORIE P21/5W — Datablad P21/5W/2

Opmerkingen

(1)

Deze afmetingen moeten worden gecontroleerd door middel van een „boxsysteem” (zie de databladen P21/5W/2 en P21/5W/3). „x” en „y” hebben betrekking op de hoofdgloeidraad (hoge wattage) en niet op de referentieas.

(2)

Maximale zijdelingse afwijking van het midden van de hoofdgloeidraad (hoge wattage) ten opzichte van twee loodrecht op elkaar staande vlakken die beide de referentieas bevatten en waarvan er een de as van de referentienok omvat.

(3)

In dit aanzicht mogen de gloeidraden van het 24 V-type recht of V-vormig zijn. Dit moet in de goedkeuringsaanvraag worden vermeld. Als de gloeidraden recht zijn, zijn de voorschriften voor de projectie op het scherm van toepassing. Zijn ze V-vormig, moeten de uiteinden van elke gloeidraad zich op dezelfde afstand, met een tolerantie van ± 3 mm, van het referentievlak bevinden.

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of:

a)

de hoofdgloeidraad (hoge wattage) juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak en hij een as heeft die, met een tolerantie van ± 15°, loodrecht staat op het vlak dat het midden van de lampvoetnokken en de referentieas doorsnijdt , en of:

b)

de secundaire gloeidraad (lage wattage) juist gepositioneerd is ten opzichte van de hoofdgloeidraad (hoge wattage).

Testprocedure en -voorschriften

1.   De gloeilamp wordt in een fitting geplaatst die om zijn eigen as kan draaien en die ofwel een schaalverdeling heeft, ofwel vaste instellingen die overeenkomen met de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing (15°). De fitting wordt dan zodanig gedraaid dat er een aanzicht van het einde van de hoofdgloeidraad wordt verkregen op het scherm waarop het beeld van de gloeidraad wordt geprojecteerd. Het aanzicht van het einde van de gloeidraad moet worden verkregen binnen de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing.

2.   Zijaanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden wordt geplaatst en met de referentieas verticaal, de referentienok rechts en een aanzicht op het einde van de hoofdgloeidraad:

2.1.

moet de projectie van de hoofdgloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „b”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt;

2.2.

moet de projectie van de secundaire gloeidraad volledig vallen:

2.2.1.

binnen een rechthoek met breedte „c” en hoogte „d”, waarvan het middelpunt zich op afstand „v” rechts van en afstand „u” boven het theoretische midden van de hoofdgloeidraad bevindt;

2.2.2.

boven een raaklijn met de bovenste rand van de projectie van de hoofdgloeidraad en oplopend van links naar rechts onder een hoek van 25°;

2.2.3.

rechts van de projectie van de hoofdgloeidraad.

3.   Vooraanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden en de referentieas verticaal wordt geplaatst en wordt bekeken in een richting loodrecht op de as van de hoofdgloeidraad:

3.1.

moet de projectie van de hoofdgloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „h”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt;

3.2.

mag het midden van de hoofdgloeidraad niet meer dan afstand „k” van de referentieas afwijken;

3.3.

mag het midden van de as van de secundaire gloeidraad niet meer dan ± 2 mm ( ± 0,4 mm voor standaardgloeilampen) afwijken van de referentieas.

CATEGORIE P21/5W — Datablad P21/5W/3

(Afmetingen in mm)

Zijaanzicht

Image

Referentie

a

b

c

d

u

v

Afmeting

3,5

3,0

4,8

2,8

Vooraanzicht

Image

Referentie

a

h

k

Afmeting

3,5

9,0

1,0

CATEGORIEËN P24W, PX24W, PY24W, PR24W, PS24W, PSX24W, PSY24W en PSR24W — Datablad P24W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIEËN P24W, PX24W, PY24W, PR24W, PS24W, PSX24W, PSY24W en PSR24W — Datablad P24W/2

Afmetingen in mm (132)

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 (136)

e (133)  (134)

 

24,0

 

24,0

f (133)  (134)

P24W, PY24W, PR24W, PS24W, PSY24W, PSR24W

 

4,0

 

4,0

PX24W, PSX24W

 

4,2

 

4,2

α (135)

58,0°

 

 

min. 58,0°

P24W

Lampvoet PGU20-3

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-127-2)

PX24W

Lampvoet PGU20-7

PY24W

Lampvoet PGU20-4

PR24W

Lampvoet PGU20-6

PS24W

Lampvoet PG20-3

PSX24W

Lampvoet PG20-7

PSY24W

Lampvoet PG20-4

PSR24W

Lampvoet PG20-6

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

24

24

Testspanning

Volt

13,5

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 25

max. 25

Lichtstroom

P24W PS24W

500 + 10 / – 20 %

 

PX24W PSX24W

500 + 10 / – 15 %

 

PY24W PSY24W

300 + 15 / – 25 %

 

PR24W PSR24W

115 + 15 / – 25 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

12 V

Wit: 345 lm

13,2 V

Wit: 465 lm

13,5 V

Wit: 500 lm

Ambergeel: 300 lm

Rood: 115 lm

CATEGORIEËN P24W, PX24W, PY24W, PR24W, PS24W, PSX24W, PSY24W en PSR24W — Datablad P24W/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

P24W, PY24W, PR24W, PS24W, PSY24W, PSR24W

a1

a2

b1, b2

c1

c2

Gloeilampen uit serieproductie

2,9

3,9

0,5

5,2

3,8

Standaardgloeilampen

1,5

1,7

0,25

4,7

3,8


PX24W, PSX24W

a1

a2

b1, b2

c1

c2

Gloeilampen uit serieproductie

1,9

1,9

0,35

5,0

4,0

Standaardgloeilampen

1,5

1,5

0,25

4,7

4,0

De positie van de gloeidraad wordt gecontroleerd in twee loodrecht op elkaar staande vlakken, waarvan er een door de stroomtoevoerdraden loopt.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 6 op datablad P24W/2, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

CATEGORIE P27W — Datablad P27W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

e

 

27,9 (3)

 

27,9 ± 0,3

f

 

 

9,9

9,9 + 0 / – 2

Zijdelingse afwijking (2)

 

 

(3)

0,0 ± 0,4

β

75° (3)

90°

105° (3)

90° ± 5°

Lampvoet W2.5x16d overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-104-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

27

27

Testspanning

Volt

13,5

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 32,1

max. 32,1

Lichtstroom

475 ± 15 %

 

Referentielichtstroom: 475 lm bij ongeveer 13,5 V

(1)

De referentieas wordt bepaald ten opzichte van de referentie-insteeksleuven en staat loodrecht op het referentievlak.

(2)

Maximale zijdelingse afwijking van het midden van de gloeidraad ten opzichte van twee loodrecht op elkaar staande vlakken die beide de referentieas bevatten en waarvan er een de as door de referentie-insteeksleuven omvat.

(3)

Te controleren door middel van een „boxsysteem” (zie datablad P27W/2).

CATEGORIE P27W — Datablad P27W/2

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak en hij een as heeft die, met een tolerantie van ± 15°, loodrecht staat op het vlak dat het midden van de insteeksleuven en de referentieas doorsnijdt.

Image

Referentie

a

b

h

k

Afmeting

3,5

3,0

11,9

1,0

Testprocedures en -voorschriften

1.   De gloeilamp wordt in een fitting geplaatst die om zijn eigen as kan draaien en die ofwel een schaalverdeling heeft, ofwel vaste instellingen die overeenkomen met de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing. De fitting wordt dan zodanig gedraaid dat er een aanzicht op het einde van de gloeidraad wordt verkregen op het scherm waarop het beeld van de gloeidraad wordt geprojecteerd. Het aanzicht van het einde van de gloeidraad moet worden verkregen binnen de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing.

2.   Zijaanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden wordt geplaatst, met de referentieas verticaal en met een aanzicht op het einde van de gloeidraad, moet de projectie van de gloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „b”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt.

3.   Vooraanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden en de referentieas verticaal wordt geplaatst en wordt bekeken in een richting loodrecht op de as van de gloeidraad:

3.1.

moet de projectie van de gloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „h”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt.

3.2.

mag het midden van de gloeidraad niet meer dan afstand „k” van de referentieas afwijken.

CATEGORIE P27/7W — Datablad P27/7W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 

e

 

27,9 (3)

 

27,9 ± 0,3

f

 

 

9,9

9,9 + 0 / – 2

Zijdelingse afwijking (2)

 

 

(3)

0,0 ± 0,4

x (4)

 

5,1 (3)

 

5,1 ± 0,5

y (4)

 

0,0 (3)

 

0,0 ± 0,5

β

75° (3)

90°

105° (3)

90° ± 5°

Lampvoet W2.5x16q overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-104-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

27

7

27

7

Testspanning

Volt

13,5

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 32,1

max. 8,5

max. 32,1

max. 8,5

Lichtstroom

475 ± 15 %

36 ± 15 %

 

Referentielichtstroom: 475 en 36 lm bij ongeveer 13,5 V

(1)

De referentieas wordt bepaald ten opzichte van de referentie-insteeksleuven en staat loodrecht op het referentievlak.

(2)

Maximale zijdelingse afwijking van het midden van de hoofdgloeidraad (hoge wattage) ten opzichte van twee loodrecht op elkaar staande vlakken die beide de referentieas bevatten en waarvan er een de as door de referentie-insteeksleuven omvat.

(3)

Te controleren door middel van een „boxsysteem” (zie databladen P27/7W/2 en 3).

(4)

„x” en „y” geven de afwijking van de as van de secundaire gloeidraad (lage wattage) ten opzichte van de as van de hoofdgloeidraad (hoge wattage) aan.

CATEGORIE P27/7W — Datablad P27/7W/2

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of:

a)

de hoofdgloeidraad (hoge wattage) juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak en hij een as heeft die, met een tolerantie van ± 15°, loodrecht staat op het vlak dat het midden van de lampvoetnokken en de referentieas doorsnijdt, en of:

b)

de secundaire gloeidraad (lage wattage) juist gepositioneerd is ten opzichte van de hoofdgloeidraad (hoge wattage).

Testprocedure en -voorschriften

1.   De gloeilamp wordt in een fitting geplaatst die om zijn eigen as kan draaien en die ofwel een schaalverdeling heeft, ofwel vaste instellingen die overeenkomen met de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing. De fitting wordt dan zodanig gedraaid dat er een aanzicht van het einde van de hoofdgloeidraad wordt verkregen op het scherm waarop het beeld van de gloeidraad wordt geprojecteerd. Het aanzicht van het einde van de gloeidraad moet worden verkregen binnen de tolerantiegrenzen voor de hoekverplaatsing.

2.   Zijaanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden wordt geplaatst en met de referentieas verticaal, de referentie-insteeksleuf rechts en een aanzicht op het einde van de hoofdgloeidraad:

2.1.

moet de projectie van de hoofdgloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „b”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt;

2.2.

moet de projectie van de hoofdgloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met breedte „c” en hoogte „d”, waarvan het middelpunt zich op een afstand „u” boven de theoretische plaats van het midden van de hoofdgloeidraad bevindt.

3.   Vooraanzicht

Wanneer de gloeilamp met de lampvoet naar beneden en de referentieas verticaal wordt geplaatst en wordt bekeken in een richting loodrecht op de as van de hoofdgloeidraad:

3.1.

moet de projectie van de hoofdgloeidraad volledig vallen binnen een rechthoek met hoogte „a” en breedte „h”, waarvan het middelpunt zich op de theoretische plaats van het midden van de gloeidraad bevindt;

3.2.

mag het midden van de hoofdgloeidraad niet meer dan afstand „k” van de referentieas afwijken;

3.3.

mag het midden van de as van de secundaire gloeidraad niet meer dan ± 2 mm ( ± 0,4 mm voor standaardgloeilampen) afwijken van de referentieas.

CATEGORIE P27/7W — Datablad P27/7W/3

Zijaanzicht

Image

Referentie

a

b

c

d

u

Afmetingen

3,5

3,0

4,8

5,1

Vooraanzicht

Image

Referentie

a

h

k

Afmetingen

3,5

11,9

1,0

CATEGORIEËN PC16W, PCY16W EN PCR16W — Datablad PC16W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

CATEGORIEËN PC16W, PCY16W EN PCR16W — Datablad PC16W/2

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 (140)

e (137)  (138)

 

18,5

 

18,5

f (137)  (138)

 

4,0

 

4,0 ± 0,2

α (139)

54°

 

 

min. 54°

PC16W

Lampvoet PU20d-1

overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-157-1)

PCY16W

Lampvoet PU20d-2

PCR16W

Lampvoet PU20d-7

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

12

Watt

16

16

Testspanning

Volt

13,5

13,5

Objectieve waarden

Watt

max. 17

max. 17

Lichtstroom

PC16W

300 ± 15 %

 

PCY16W

180 ± 20 %

 

PCR16W

70 ± 20 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer

13,5 V

Wit: 300 lm

Ambergeel: 180 lm

Rood: 70 lm

CATEGORIEËN PC16W, PCY16W EN PCR16W — Datablad PC16W/3

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test wordt vastgesteld of een gloeilamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Image

 

a1

a2

b1, b2

c1

c2

Gloeilampen uit serieproductie

2,9

3,9

0,5

5,2

3,8

Standaardgloeilampen

1,5

1,7

0,25

4,7

3,8

De positie van de gloeidraad wordt gecontroleerd in twee loodrecht op elkaar staande vlakken, waarvan er een door de stroomtoevoerdraden loopt.

De uiteinden van de gloeidraad zoals gedefinieerd in voetnoot 5 op datablad PC16W/2, moeten tussen de lijnen Z1 en Z2, respectievelijk Z3 en Z4 liggen.

De gloeidraad moet zich volledig binnen de aangegeven grenzen bevinden.

CATEGORIE PR21W — Datablad PR21W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

(4)

e

12 V

 

31,8 (3)

 

31,8 ± 0,3

24 V

30,8

31,8

32,8

 

f

12 V

5,5

6,0

7,0

6,0 ± 0,5

Zijdelingse afwijking (1)

12 V

 

 

(3)

max. 0,3

24 V

 

 

1,5

 

β

75°

90°

105°

90° ± 5°

Lampvoet BAW15s overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-11E-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Nominale waarden

Volt

12

24

12

Watt

21

21

Testspanning

Volt

13,5

28,0

 

Objectieve waarden

Watt

max. 26,5

max. 29,7

max. 26,5

Lichtstroom

110 ± 20 %

 

Referentielichtstroom bij ongeveer 13,5 V:

Wit: 460 lm

Rood: 110 lm

 

(1)

Maximale zijdelingse afwijking van het midden van de gloeidraad ten opzichte van twee loodrecht op elkaar staande vlakken die beide de referentieas bevatten en waarvan er een de as van de referentienok omvat.

(2)

Het door lampen uit serieproductie uitgestraalde licht moet rood zijn (zie ook voetnoot 4).

(3)

Te controleren door middel van een „boxsysteem” (zie datablad P21W/2).

(4)

Het door standaardgloeilampen uitgestraalde licht moet wit of rood zijn.

(5)

In dit aanzicht mag de gloeidraad van het 24 V-type recht of V-vormig zijn. Dit moet in de goedkeuringsaanvraag worden vermeld. Bij een rechte gloeidraad gelden voor de projectie op het scherm de voorschriften van datablad P21W/2. Bij een V-vormige gloeidraad moeten de uiteinden ervan zich op dezelfde afstand, met een tolerantie van ± 3 mm, van het referentievlak bevinden.

CATEGORIE PR21/4W — Datablad PR21/4W/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de gloeilamp.

Image

Afmetingen in mm

Gloeilampen uit serieproductie (145)

Standaardgloeilamp

min.

nom.

max.

 (146)

e

 

31,8 (141)

 

31,8 ± 0,3

f

 

 

7,0

7,0 + 0 / – 2

Zijdelingse afwijking

 

 

 (141)