ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.295.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 295

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
12 november 2010


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van Richtlijn 2004/67/EG van de Raad ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen ( 1 )

23

 

*

Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG ( 1 )

35

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2010/669/EU

 

*

Besluit van de Raad van 27 september 2010 betreffende het standpunt van de Europese Unie in de Gezamenlijke Raad Cariforum-EU opgericht bij de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de wijziging van bijlage IV bij de overeenkomst tot opname van de verbintenissen van het Gemenebest van de Bahama’s

51

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

12.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/1


VERORDENING (EU) Nr. 994/2010 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 oktober 2010

betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van Richtlijn 2004/67/EG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aardgas („gas”) is een essentieel onderdeel van de energievoorziening binnen de Europese Unie, maakt een vierde uit van de primaire energievoorziening binnen de Unie, draagt voornamelijk bij tot de elektriciteits- en warmteopwekking en is een belangrijke grondstof voor de industrie en brandstof voor het vervoer.

(2)

Het gasverbruik in Europa is de afgelopen tien jaar snel toegenomen. Aangezien de interne productie afneemt, is de gasinvoer nog sneller gestegen en is de afhankelijkheid van invoer dus groter geworden, wat het aspect van de gasleveringszekerheid steeds belangrijker heeft gemaakt. Bovendien bevinden sommige lidstaten zich wegens het ontbreken van infrastructuurconnecties met de rest van de Unie op een „gaseiland”.

(3)

Gezien het belang van gas in de energiemix in de Unie heeft deze verordening tot doel de gasgebruikers te laten inzien dat alle mogelijke maatregelen worden genomen om de continuïteit van hun levering te waarborgen, in het bijzonder in het geval van moeilijke klimaatomstandigheden en van verstoring van de gaslevering. Het is duidelijk dat deze doelstellingen moeten worden bereikt door middel van de meest kosteneffectieve maatregelen, teneinde het relatieve concurrentievermogen van deze brandstof ten opzichte van andere brandstoffen niet negatief te beïnvloeden.

(4)

Bij Richtlijn 2004/67/EG van de Raad (3) is voor het eerst op Gemeenschapsniveau een rechtskader ingesteld om de gasleveringszekerheid te waarborgen en bij te dragen tot de goede werking van de interne gasmarkt, in het geval van een verstoring van die levering. In het kader van de richtlijn is de Groep coördinatie gas opgericht, die nuttig is geweest bij de uitwisseling van informatie en voor het definiëren van gemeenschappelijke acties tussen de lidstaten, de Commissie, de gassector en de desbetreffende afnemers. Het Netwerk van correspondenten inzake energiezekerheid, dat krachtens de Europese Raad van december 2006 is opgericht, heeft de capaciteit vergroot om informatie te verzamelen en heeft vroegtijdige waarschuwingen in het geval van potentiële bedreigingen voor de energievoorzieningszekerheid mogelijk gemaakt. De nieuwe door het Europees Parlement en de Raad in juli 2009 vastgestelde wetgeving betreffende de interne energiemarkt is een belangrijke stap om de interne energiemarkt te voltooien en heeft als expliciete doelstelling de energievoorzieningszekerheid binnen de Unie te verbeteren.

(5)

In het kader van de huidige op Unieniveau vastgestelde bepalingen op het gebied van de gasleveringszekerheid beschikken de lidstaten echter nog steeds over een grote bewegingsmarge bij hun keuze van maatregelen. Wanneer de continuïteit van de levering aan een bepaalde lidstaat bedreigd wordt, ontstaat het risico dat unilateraal door die lidstaat getroffen maatregelen de goede werking van de interne gasmarkt en de gaslevering aan afnemers in het gedrang brengen. De recente ervaring heeft aangetoond dat dit risico reëel is. Om een goede werking van de interne gasmarkt mogelijk te maken, ook in het geval de gaslevering tekortschiet, is het noodzakelijk een solidair en gecoördineerd antwoord op leveringscrisissen te garanderen, zowel wat preventieve actie als reactiemaatregelen op concrete verstoringen van de levering betreft.

(6)

In sommige regio’s van de Unie wordt laagcalorisch gas geleverd. Dat gas kan vanwege zijn eigenschappen niet in voor hoogcalorisch gas ontworpen apparaten worden gebruikt. Hoogcalorisch gas kan echter wel in voor laagcalorisch gas ontworpen apparaten worden gebruikt, mits het eerst in laagcalorisch gas wordt omgezet, bijvoorbeeld door toevoeging van stikstof. De specifieke kenmerken van laagcalorisch gas moeten op nationaal en regionaal niveau worden bezien en er moet rekening mee worden gehouden bij de risico-evaluatie en bij de preventieve actieplannen en noodplannen op nationaal en regionaal niveau.

(7)

De diversificatie van de gasroutes en -bronnen voor levering aan de Unie is van cruciaal belang voor de verbetering van de voorzieningszekerheid van de Unie als geheel en van de afzonderlijke lidstaten. Voorzieningszekerheid hangt in de toekomst af van de ontwikkeling van de brandstofmix, de ontwikkeling van de productie in de Unie en in derde landen waaruit de Unie gas betrekt, de investeringen in opslagcapaciteit en in de diversificatie van leveringsroutes en -bronnen binnen en buiten de Unie, inclusief faciliteiten voor vloeibaar gas (LNG). In deze context moet bijzondere aandacht worden geschonken aan prioritaire acties inzake infrastructuurleveringen zoals die in de mededeling van de Commissie van 13 november 2008, getiteld „Tweede strategische toetsing van het energiebeleid — Een EU-actieplan inzake energiezekerheid en -solidariteit” zijn aangeduid, zoals de zuidelijke gascorridor (Nabucco en de gaskoppeling Turkije-Griekenland-Italië), gediversifieerde en adequate LNG-levering, effectieve interconnectie van de Baltische regio, de mediterrane energiering en adequate noord-zuidverbindingen voor gas in Midden- en Zuidoost-Europa.

(8)

Om de gevolgen van mogelijke crises als gevolg van de onderbreking van de gaslevering af te zwakken, zouden de lidstaten diversificatie van energiebronnen, aanvoerroutes en leveringsbronnen moeten stimuleren.

(9)

Een ernstige verstoring van de gaslevering binnen de Unie kan een effect hebben op alle lidstaten, de Unie in haar geheel en partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap (4), ondertekend te Athene op 25 oktober 2005. Het kan eveneens resulteren in grote schade voor het geheel van de economie van de Unie. Een verstoring van de gaslevering kan ook ernstige sociale effecten hebben, met name voor kwetsbare gebruikersgroepen.

(10)

Bepaalde afnemers, zoals onder meer huishoudens en afnemers die essentiële sociale diensten leveren, zoals gezondheidszorg en kinderopvang, onderwijsactiviteiten en andere sociale en welzijnsdiensten alsook diensten die onmisbaar zijn voor het functioneren van een lidstaat, zijn in het bijzonder kwetsbaar en zouden bescherming nodig kunnen hebben. Een brede definitie van dergelijke beschermde afnemers zou niet in strijd moeten zijn met Europese solidariteitsmechanismen.

(11)

In het Verslag over de toepassing van de Europese veiligheidsstrategie, zoals goedgekeurd door de Europese Raad te Brussel in december 2008 wordt gewezen op de toenemende afhankelijkheid van de Unie van ingevoerde energie, wordt dit aspect als een aanzienlijk nieuw risico voor de continuïteit van de energievoorziening binnen de Unie omschreven en wordt de leveringszekerheid één van de nieuwe uitdagingen genoemd. De interne gasmarkt is een centraal element om de veiligstelling van de energievoorziening binnen de Unie te verbeteren en de blootstelling van afzonderlijke lidstaten aan de schadelijke effecten van verstoringen van de levering te verminderen.

(12)

Voor een goed functionerende interne gasmarkt is het van essentieel belang dat maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering de mededinging en de goede werking van de interne gasmarkt niet onnodig verstoren.

(13)

Het uitvallen van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur, het zogenaamde N–1-principe, is een realistisch scenario. Wanneer het uitvallen van een dergelijke infrastructuur als toetssteen wordt genomen voor wat de lidstaten moeten kunnen compenseren, levert dat een goed startpunt op voor een analyse van de gasleveringszekerheid in elke lidstaat.

(14)

Een toereikende en gediversifieerde gasinfrastructuur binnen afzonderlijke lidstaten en over het geheel van de Unie, waaronder met name begrepen nieuwe gasinfrastructuren om bestaande geïsoleerde stelsels die „gaseilanden” vormen met hun buurlanden te verbinden, is essentieel om verstoring van de levering tegen te gaan. Gemeenschappelijke minimumcriteria met het oog op de continuïteit van de gaslevering moeten een gelijk speelveld voor die continuïteit waarborgen, terwijl tegelijkertijd ook rekening wordt gehouden met specifieke nationale of regionale omstandigheden, en moeten een krachtige aansporing leveren om de vereiste infrastructuur aan te leggen en de voorbereiding op crisissituaties te verbeteren. Maatregelen aan de vraagzijde, zoals brandstofomschakeling, kunnen een belangrijke rol spelen bij het veiligstellen van de energielevering wanneer zij voldoende snel kunnen worden toegepast en in het geval van een verstoring van de levering de vraag afdoende kunnen drukken. Doeltreffend energiegebruik moet verder worden bevorderd, met name wanneer er maatregelen aan de vraagzijde nodig zijn. Er moet de nodige aandacht worden besteed aan het milieueffect van de voorgestelde maatregelen aan vraag- en aanbodzijde en de voorkeur dient, voor zover mogelijk, uit te gaan naar maatregelen met het geringste milieueffect, terwijl ook rekening wordt gehouden met leveringszekerheidsaspecten.

(15)

Investeringen in nieuwe gasinfrastructuur moeten sterk worden bevorderd en mogen pas worden verricht nadat er overeenkomstig de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie een adequate milieueffectbeoordeling is opgemaakt. Dergelijke nieuwe infrastructuren moeten erop gericht zijn de leveringszekerheid te verbeteren en te waarborgen dat de interne gasmarkt naar behoren kan functioneren. De investeringen dienen in beginsel door de bedrijven te worden gedaan en te stoelen op economische prikkels. Er moet terdege rekening worden gehouden met de noodzaak de opname van uit hernieuwbare energiebronnen gewonnen gas in de gasnetinfrastructuur te stimuleren. Wanneer een investering in infrastructuur een grensoverschrijdend karakter heeft, moeten het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators („het Agentschap”), opgericht krachtens Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad (5), en het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas („ENTSB voor gas”), opgericht bij Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (6), binnen hun respectieve bevoegdheidsgebieden nauw bij de zaak worden betrokken opdat beter met de grensoverschrijdende effecten rekening wordt gehouden. Er zij aan herinnerd dat het Agentschap volgens Verordening (EG) nr. 713/2009 adviezen mag uitbrengen of aanbevelingen mag geven inzake grensoverschrijdende kwesties die binnen zijn bevoegdheidsgebieden vallen. Het Agentschap en het ENTSB voor gas spelen samen met andere markdeelnemers een belangrijke rol bij het opzetten en implementeren van het Uniebrede tienjaren netwerkontwikkelingsplan, in het kader waarvan onder meer de prognoses voor de Europese leveringstoereikendheid worden beoordeeld en dat, voor wat de grensoverschrijdende interconnecties betreft, onder meer moet uitgaan van de redelijke behoeften van de diverse netgebruikers.

(16)

Als een van de noodzakelijke fasen in het proces met het oog op de naleving van de infrastructuurnorm moeten de bevoegde instanties of de lidstaten ervoor zorgen dat de markt wordt onderzocht.

(17)

Bij de uitvoering van de in deze verordening genoemde taken moeten de bevoegde instanties in voorkomend geval nauw samenwerken met andere relevante nationale instanties, en met name de nationale regulerende instanties, onverminderd hun bevoegdheden krachtens Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (7).

(18)

Wanneer nieuwe grensoverschrijdende interconnecties nodig zijn of bestaande interconnecties moeten worden uitgebreid, moet in een vroeg stadium nauw worden samengewerkt tussen de betrokken lidstaten, de bevoegde instanties en de nationale regulerende instanties, indien deze niet de bevoegde instanties zijn.

(19)

Er zijn verschillende bronnen van financiering door de Unie beschikbaar om de lidstaten te ondersteunen bij de financiering van de vereiste investeringen in maatregelen met betrekking tot productie, infrastructuur en energie-efficiëntie op regionaal en lokaal niveau, met name leningen en garanties van de Europese Investeringsbank of financiering uit de middelen van de regionale, structuur- en cohesiefondsen. Om de energieleveringszekerheid te versterken, kunnen de Europese Investeringsbank, alsook externe instrumenten van de Unie zoals het Europees nabuurschap- en partnerinstrument, het instrument voor pretoetredingssteun en het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, tevens acties in derde landen financieren.

(20)

Deze verordening moet het voor aardgasbedrijven en -gebruikers mogelijk maken om in het geval van verstoringen zolang mogelijk op marktmechanismen te vertrouwen. Zij moet ook voorzien in mechanismen ter reactie op noodsituaties, die moeten worden gebruikt wanneer de markten alleen niet langer in staat zijn adequaat op een onderbreking van de levering te reageren. Zelfs in noodsituaties moet, om de effecten van een verstoring van de levering te matigen, voorrang worden gegeven aan op de markt gebaseerde instrumenten.

(21)

Na de inwerkingtreding van het nieuwe pakket wetgeving betreffende de interne markt voor energie, vastgesteld in juli 2009, zullen nieuwe bepalingen gelden voor de gassector, waarbij de lidstaten, de nationale regulerende instanties, de transmissiesysteembeheerders en het Agentschap duidelijke rollen en verantwoordelijkheden krijgen, en waardoor tegelijk de transparantie van de markt wordt verbeterd, wat ten goede zal komen aan de goede werking van die markt, de leveringszekerheid en de bescherming van afnemers.

(22)

Voltooiing van de interne gasmarkt en daadwerkelijke mededinging binnen die markt biedt de Unie en alle lidstaten het hoogst mogelijke niveau van leveringszekerheid, op voorwaarde dat die markt ten volle zijn rol kan spelen in het geval van een verstoring van de levering die haar weerslag doet gevoelen op een deel van de Unie, wat ook de oorzaak is van die verstoring. Te dien einde is een alomvattende en effectieve gemeenschappelijke aanpak op het gebied van de leveringszekerheid vereist, en in het bijzonder transparantie, solidariteit en niet-discriminerend beleid dat verenigbaar is met de werking van de interne markt en dat marktdistorsies en ondermijning van de marktreactie op een verstoring van de levering voorkomt.

(23)

De gasleveringszekerheid is een gemeenschappelijke taak van aardgasbedrijven, de lidstaten, met name via hun bevoegde instanties, en de Commissie, elk binnen hun respectieve bevoegdheidsgebieden. In voorkomend geval moeten de nationale regulerende instanties, wanneer dat niet de bevoegde instanties zijn, binnen hun bevoegdheidsgebieden eveneens bijdragen aan de gasleveringszekerheid, zoals bepaald in Richtlijn 2009/73/EG. Bovendien kunnen ook afnemers die gas voor elektriciteitsopwekking gebruiken een belangrijke rol hebben bij de gasleveringszekerheid dankzij hun vermogen om op een crisis te reageren met maatregelen aan de vraagzijde die het evenwicht tussen vraag en aanbod rechtstreeks beïnvloeden, zoals contracten met een afschakelbaarheidsclausule en brandstofomschakeling.

(24)

Een nauwkeurige omschrijving van de rollen en de verantwoordelijkheden van de aardgasbedrijven en bevoegde instanties is derhalve cruciaal om een goede werking van de interne gasmarkt te waarborgen, met name bij verstoringen van de levering en in crisissituaties. De rollen en de verantwoordelijkheden moeten zo worden vastgesteld dat een benadering op drie niveaus wordt gewaarborgd, waarbij allereerst de betrokken aardgasbedrijven en het bedrijfsleven worden ingeschakeld, vervolgens de lidstaten op nationaal dan wel regionaal niveau, en dan de Unie. Bij een aanvoercrisis moeten marktdeelnemers voldoende gelegenheid krijgen om met op de markt gebaseerde maatregelen op de situatie te reageren. Indien de reacties van de marktdeelnemers niet volstaan, moeten de lidstaten en hun bevoegde instanties maatregelen nemen om de gevolgen van de aanvoercrisis op te heffen of af te zwakken. Alleen als deze maatregelen onvoldoende zijn, moeten maatregelen op regionaal niveau of op het niveau van de Unie worden genomen om de gevolgen van de aanvoercrisis op te heffen of af te zwakken. Er moet zo veel mogelijk naar regionale oplossingen worden gestreefd.

(25)

In een geest van solidariteit moet voor de uitvoering van deze verordening een brede regionale samenwerking van onder meer overheidsinstanties en aardgasbedrijven tot stand worden gebracht, teneinde zo veel mogelijk profijt te trekken uit de coördinatie van maatregelen om voor de betrokken partijen de aangemerkte risico’s zoveel mogelijk te beperken en de meest kosteneffectieve maatregelen te nemen.

(26)

Rekening houdend met de openbaredienstverplichtingen en met de maatregelen in verband met de bescherming van de afnemer als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2009/73/EG, moeten er afdoende geharmoniseerde normen voor de leveringszekerheid worden vastgesteld, die minimaal volstaan om een antwoord te bieden op een situatie als die van januari 2009 en die rekening houden met de verschillen tussen de lidstaten. De normen voor de leveringszekerheid moeten stabiel zijn, zodat zij de nodige rechtszekerheid bieden, moeten duidelijk worden gedefinieerd en mogen geen onredelijke en onevenredige belasting inhouden voor de aardgasbedrijven, inclusief nieuwe marktdeelnemers en kleine ondernemingen, noch voor de eindgebruikers. Deze normen moeten ook zorgen voor gelijke toegang voor aardgasbedrijven van de Unie tot nationale afnemers. De maatregelen die nodig zijn om aan de leveringsnorm te voldoen kunnen onder meer bestaan in aanvullende opslagcapaciteit en opslagvolumen, aanvullende buffercapaciteit, leveringscontracten, contracten met een afschakelbaarheidsclausule en andere maatregelen met een soortgelijk effect, alsook in de nodige technische maatregelen om de gasleveringszekerheid te garanderen.

(27)

Het is essentieel voor een goede werking van de gasmarkt dat aardgasbedrijven tijdig de nodige investeringen doen voor de inheemse productie en infrastructuur, zoals interconnecties, met name de interconnecties die toegang bieden tot het gasnet in de Unie, apparatuur die fysieke bidirectionele gasstromen in pijpleidingen mogelijk maakt, alsmede opslagfaciliteiten en LNG-hervergassingsinstallaties, en dat zij daarbij rekening houden met mogelijke verstoringen van de levering zoals die van januari 2009. Wanneer de Commissie in verband met instrumenten van de Unie ramingen opmaakt van de financiële behoeften voor gasinfrastructuur, moet zij in voorkomend geval prioriteit geven aan infrastructuurprojecten die de integratie van de interne gasmarkt en de leveringszekerheid bevorderen.

(28)

Transmissiesysteembeheerders moeten niet worden belet om rekening te houden met de situatie waarin het scheppen van de fysieke mogelijkheid om gas op grensoverschrijdende interconnectoren met derde landen in twee richtingen te vervoeren („bidirectionele capaciteit”) kan bijdragen tot verbetering van de leveringszekerheid, met name in het geval van derde landen die voor de doorvoerstromen tussen twee lidstaten zorgen.

(29)

Het is belangrijk dat de gaslevering in stand wordt gehouden, met name voor huishoudelijke gebruikers en een beperkt aantal extra afnemers, met name afnemers die belangrijke, door de betrokken lidstaten nader te omschrijven maatschappelijke diensten verzorgen, wanneer de markt niet langer voor die levering kan zorgen. Het is essentieel dat de in crisissituaties te nemen maatregelen reeds vooraf worden omschreven en dat die maatregelen veiligheidsvoorschriften in acht nemen, ook wanneer beschermde afnemers op hetzelfde distributienet zijn aangesloten als andere afnemers. Dergelijke maatregelen kunnen onder meer bestaan in evenredige vermindering van de oorspronkelijk gereserveerde capaciteit wanneer de toegangscapaciteit tot infrastructuur om technische redenen verminderd is.

(30)

Bevoegde instanties worden geacht zich strikt aan hun noodplan te houden. In werkelijk gerechtvaardigde uitzonderlijke omstandigheden mogen zij maatregelen nemen die van die plannen afwijken.

(31)

Er bestaat een brede keuze aan instrumenten om te voldoen aan leveringszekerheidsverplichtingen. Deze instrumenten moeten worden gebruikt in nationale, regionale en Uniecontexten, naargelang het geval, om te waarborgen dat zij een consistent en kosteneffectief resultaat opleveren.

(32)

De leveringszekerheidsaspecten bij de langetermijnplanning van investeringen in afdoende grensoverschrijdende capaciteit en andere infrastructuur, waardoor de capaciteit van het systeem wordt gewaarborgd om op lange termijn de leveringszekerheid te garanderen en een antwoord te bieden op een redelijke vraag, wordt behandeld in Richtlijn 2009/73/EG. Om aan de normen inzake leveringszekerheid te kunnen voldoen, is wellicht een overgangsperiode vereist waarin de nodige investeringen kunnen worden gedaan. Het Uniebrede tienjaren netwerkontwikkelingsplan dat is opgesteld door het ENTSB voor gas en waarop wordt toegezien door het Agentschap, is een fundamenteel instrument om vast te stellen welke investeringen op Unieniveau nodig zijn, onder meer om de infrastructuurvoorschriften van deze verordening te implementeren.

(33)

Het ENTSB voor gas en het Agentschap moeten, als leden van de Groep coördinatie gas, binnen hun bevoegdheidsgebieden ten volle worden betrokken bij het proces van samenwerking en raadpleging op Unieniveau.

(34)

De Groep coördinatie gas is het belangrijkste orgaan dat door de Commissie in het kader van de opstelling van de preventieve actieplannen en noodplannen moet worden geraadpleegd. Er zij aan herinnerd dat het ENTSB voor gas en het Agentschap lid zijn van de Groep coördinatie gas en dus in die context zullen worden geraadpleegd.

(35)

Om het hoogste niveau van paraatheid bij verstoring van de levering te waarborgen, moeten de bevoegde instanties, na raadpleging van de aardgasbedrijven, noodplannen opstellen. Die plannen mogen niet in strijd zijn met andere plannen op nationaal, regionaal of Unieniveau. Hun inhoud moet gebaseerd zijn op de in bestaande plannen omschreven beste praktijken en moet een duidelijke omschrijving omvatten van de rollen en verantwoordelijkheden van alle betrokken aardgasbedrijven en bevoegde instanties. Wanneer mogelijk en noodzakelijk moeten gezamenlijke noodplannen op regionaal niveau worden opgesteld.

(36)

Om de solidariteit tussen de lidstaten in het geval van een noodsituatie op Unieniveau te versterken en met name om lidstaten te ondersteunen die over minder gunstige geografische of geologische omstandigheden beschikken, moeten de lidstaten solidariteitsmaatregelen uitwerken. Aardgasbedrijven moeten maatregelen bedenken zoals commerciële overeenkomsten, die onder meer verhoging van de gasuitvoer of snellere vrijgave van gas uit opslagfaciliteiten kunnen betreffen. Het is belangrijk dat aardgasbedrijven worden aangemoedigd tot het onderling sluiten van overeenkomsten. De maatregelen in het kader van het noodplan moeten mechanismen behelzen die in voorkomend geval voor eerlijke en billijke compensatie van aardgasbedrijven zorgen. Solidariteitsmaatregelen kunnen met name geschikt zijn tussen lidstaten waarvoor de Commissie aanbeveelt gezamenlijke preventieve actieplannen of noodplannen op regionaal niveau uit te werken.

(37)

In de context van deze verordening heeft de Commissie een belangrijke rol te spelen in noodsituaties op zowel op het niveau van de Unie als op regionaal niveau.

(38)

Waar nodig moet de Europese solidariteit ook de vorm aannemen van door de Unie en haar lidstaten verstrekte bijstand inzake civiele bescherming. Dergelijke bijstand moet worden vergemakkelijkt en gecoördineerd in het kader van het communautaire mechanisme voor civiele bescherming dat bij Beschikking 2007/779/EG, Euratom van de Raad (8) is ingevoerd.

(39)

De soevereine rechten van de lidstaten op hun eigen energiebronnen worden door deze verordening niet aangetast.

(40)

Bij Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (9) is een procedure vastgesteld om binnen de Unie de veiligheid van Europese infrastructuren die als kritiek zijn aangemerkt, inclusief bepaalde gasinfrastructuren, te verbeteren. Samen met deze verordening draagt Richtlijn 2008/114/EG bij tot de invoering van een alomvattende aanpak voor de continuïteit van de energievoorziening binnen de Unie.

(41)

Noodplannen moeten op gezette tijden worden geactualiseerd en moeten bekend worden gemaakt. Zij moeten worden onderworpen aan collegiale toetsing en moeten worden getest.

(42)

De Groep coördinatie gas moet de Commissie bij noodsituaties in de Unie advies verlenen om de coördinatie van maatregelen betreffende de leveringszekerheid te vergemakkelijken. Deze groep moet ook toezien op de adequaatheid en geschiktheid van de krachtens deze verordening te treffen maatregelen.

(43)

Deze verordening heeft tot doel aardgasbedrijven en bevoegde instanties van de lidstaten in staat te stellen ervoor te zorgen dat de interne gasmarkt in het geval van een verstoring van de levering zo lang mogelijk doeltreffend blijft werken, tot het moment dat de bevoegde instanties, in gevallen waarin de markt niet langer aan de gasvraag kan voldoen, moeten optreden. Dergelijke uitzonderlijke maatregelen moeten volledig in overeenstemming zijn met de rechtshandelingen van de Unie en moeten bij de Commissie worden aangemeld.

(44)

Aangezien gasleveringen uit derde landen cruciaal zijn voor de gasvoorzieningszekerheid binnen de Unie, moet de Commissie de acties ten aanzien van derde landen coördineren en daarbij regelingen uitwerken met de derde landen die leveren en doorvoeren, om crisissituaties aan te pakken en een stabiele gasstroom naar de Unie te waarborgen. De Commissie moet gemachtigd worden een taakgroep op te zetten om in crisissituaties in overleg met de betrokken derde landen de gasstromen naar de Unie te monitoren en om, wanneer er een crisis ontstaat ten gevolge van moeilijkheden in een derde land, een rol als bemiddelaar en facilitator te spelen.

(45)

Het is van belang dat de voorwaarden voor de aanvoer uit derde landen de mededinging niet verstoren en in overeenstemming zijn met de regels van de interne markt.

(46)

Indien op grond van betrouwbare gegevens kan worden aangenomen dat een situatie buiten de Unie de leveringszekerheid van een of meer lidstaten bedreigt en mogelijkerwijs een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing tussen de Unie en een derde land in werking stelt, moet de Commissie onverwijld de Groep coördinatie gas inlichten en moet de Unie passende maatregelen nemen om te trachten de situatie te normaliseren.

(47)

In februari 2009 heeft de Raad geconcludeerd dat de transparantie en betrouwbaarheid moeten worden versterkt door een afdoende uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de lidstaten inzake energierelaties met derde landen, inclusief regelingen voor de levering op lange termijn, waarbij commercieel gevoelige informatie wordt beschermd.

(48)

Hoewel het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie regels bevatten, met name met betrekking tot de mededinging, die van toepassing zijn op diensten van algemeen economisch belang, voor zover de toepassing van die regels geen belemmering vormt voor het verlenen van die diensten, genieten lidstaten een ruime discretionaire bevoegdheid om openbaredienstverplichtingen vast te stellen, te doen verrichten en te organiseren.

(49)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het veiligstellen van de gasvoorziening binnen de Unie, niet voldoende door de lidstaten alleen kan worden verwezenlijkt en derhalve, gezien de omvang en de gevolgen van de verstoring, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(50)

Richtlijn 2004/67/EG moet worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden bepalingen vastgesteld die erop gericht zijn de gasleveringszekerheid te waarborgen door de goede en continue werking van de interne markt voor aardgas („gas”) te verzekeren, door toe te staan dat er buitengewone maatregelen kunnen worden vastgesteld die moeten worden uitgevoerd wanneer de markt de gevraagde hoeveelheid gas niet meer kan leveren en door te zorgen voor een duidelijke omschrijving en toewijzing van verantwoordelijkheden aan aardgasbedrijven, de lidstaten en de Unie met betrekking tot zowel preventieve acties als reacties op concrete verstoringen van de levering. Deze verordening voorziet tevens in transparante mechanismen voor de coördinatie, in een geest van solidariteit, van de planning voor en de reactie op een noodsituatie op lidstaat niveau, op regionaal niveau en op Unieniveau.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities van Richtlijn 2009/73/EG, Verordening (EG) nr. 713/2009 en Verordening (EG) nr. 715/2009 van toepassing.

Daarnaast gelden de volgende definities:

1.

„beschermde afnemers”, alle huishoudelijke, op een gasdistributienet aangesloten afnemers en daarnaast, als de betrokken lidstaat dat zo beslist, eventueel ook:

a)

kleine en middelgrote ondernemingen, op voorwaarde dat zij zijn aangesloten op het gasdistributienet en essentiële sociale diensten, op voorwaarde dat zij zijn aangesloten op een gasdistributie- of transmissienet en dat al deze extra afnemers samen niet meer dan 20 % van het eindgebruik van gas vertegenwoordigen, en/of

b)

stadsverwarmingsinstallaties voor zover zij verwarming leveren aan huishoudelijke afnemers en aan de onder a) bedoelde afnemers, op voorwaarde dat deze installaties niet kunnen worden omgeschakeld op andere brandstoffen en aangesloten zijn op een gasdistributie of -transmissienet.

Zodra mogelijk en uiterlijk op 3 december 2011 delen de lidstaten aan de Commissie mee of zij voornemens zijn het bepaalde onder a) en/of b) in hun definitie van beschermde afnemers op te nemen;

2.

„bevoegde instantie”, de nationale regeringsinstantie of de nationale regulerende instantie die door elke lidstaat is aangewezen als zijnde verantwoordelijk voor het waarborgen van de uitvoering van de in deze verordening vervatte maatregelen. Dit belet de lidstaat niet om de bevoegde instantie toe te staan specifieke in deze verordening genoemde taken te laten uitvoeren door andere entiteiten. Deze taken worden dan uitgevoerd onder het toezicht van de bevoegde instantie en worden gespecificeerd in de in artikel 4 bedoelde plannen.

Artikel 3

Verantwoordelijkheid voor de gasleveringszekerheid

1.   De gasleveringszekerheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van de aardgasbedrijven, de lidstaten, met name via hun bevoegde instanties, en de Commissie, elk binnen hun respectieve activiteitenterreinen en bevoegdheidsgebieden. Deze gedeelde verantwoordelijkheid vraagt van hen een hoog niveau van onderlinge samenwerking.

2.   Zodra mogelijk en uiterlijk op 3 december 2011 wijst elke lidstaat een bevoegde instantie aan die verantwoordelijk is voor het waarborgen van de uitvoering van de in deze verordening vervatte maatregelen. In voorkomend geval voeren de nationale entiteiten die momenteel verantwoordelijk zijn voor de gasleveringszekerheid de maatregelen uit die de bevoegde instantie krachtens deze verordening moeten uitvoeren, totdat de bevoegde instantie formeel is aangewezen. Deze maatregelen zijn onder meer het verrichten van de in artikel 9 bedoelde risico-evaluatie en het, op basis van die risico-evaluatie, opstellen van een preventief actieplan en een noodplan en de regelmatige monitoring van de gasleveringszekerheid op nationaal niveau. Bevoegde instanties werken met elkaar samen om verstoringen van de levering te trachten voorkomen en de schade bij een dergelijk voorval te beperken. Niets belet de lidstaten om uitvoeringswetgeving vast te stellen indien dat noodzakelijk is om aan de voorschriften van deze verordening te voldoen.

3.   Elke lidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van de naam van de bevoegde instantie nadat die is aangewezen en, in voorkomend geval, van de namen van de voor de gasleveringszekerheid verantwoordelijke nationale entiteiten die als voorlopige bevoegde instantie optreden, als bedoeld in lid 2. Elke lidstaat maakt deze aanwijzingen bekend.

4.   Bij de uitvoering van de maatregelen van deze verordening stelt de bevoegde instantie de rol en de verantwoordelijkheden zo vast dat een benadering op drie niveaus wordt gewaarborgd, waarbij allereerst de betrokken aardgasbedrijven en het bedrijfsleven worden ingeschakeld, vervolgens de lidstaten op nationaal dan wel regionaal niveau, en dan de Unie.

5.   De Commissie coördineert in voorkomend geval de acties van de bevoegde instanties op regionaal en Unieniveau, overeenkomstig deze verordening, onder meer via de in artikel 12 bedoelde Groep coördinatie gas of de in artikel 11, lid 4, bedoelde crisismanagementgroep, met name in het geval van een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau zoals gedefinieerd in artikel 11, lid 1.

6.   De in de preventieplannen en de noodplannen opgenomen maatregelen om de leveringszekerheid te waarborgen zijn duidelijk omschreven, transparant, evenredig, niet-discriminerend en verifieerbaar, verstoren niet op onnodige wijze de mededinging en de goede werking van de interne gasmarkt en brengen de gasleveringszekerheid van andere lidstaten of de Unie in haar geheel niet in gevaar.

Artikel 4

Instelling van preventieve actieplannen en noodplannen

1.   Na raadpleging van de aardgasbedrijven, de relevante organisaties die de belangen van de huishoudelijke afnemers en industriële gasafnemers vertegenwoordigen, en de nationale regulerende instantie, wanneer dat niet de bevoegde instantie is, stelt de bevoegde instantie van elke lidstaat, onverminderd lid 3, op nationaal niveau de volgende plannen op:

a)

een preventief actieplan, dat de maatregelen omvat die nodig zijn om de geïdentificeerde risico’s te beperken, overeenkomstig de ingevolge artikel 9 verrichte risico-evaluatie; en

b)

een noodplan, dat de maatregelen omvat om de effecten van een verstoring van de gaslevering weg te nemen of te beperken, overeenkomstig artikel 10.

2.   Voordat zij een preventief actieplan en een noodplan op nationaal niveau vaststellen, wisselen de bevoegde instanties uiterlijk op 3 juni 2012 hun ontwerppreventieve actieplannen en -noodplannen uit en raadplegen zij elkaar op het passende regionale niveau, alsook de Commissie, teneinde ervoor te zorgen dat hun ontwerpplannen en maatregelen niet in strijd zijn met de preventieve actieplannen en noodplannen van een andere lidstaat en dat zij voldoen aan deze verordening en andere bepalingen van het Unierecht. Deze raadplegingen vinden vooral plaats tussen aan elkaar grenzende lidstaten, met name tussen geïsoleerde stelsels die gaseilanden vormen en de aangrenzende lidstaten, en kunnen mogelijk plaatsvinden tussen lidstaten genoemd in de indicatieve lijst van bijlage IV.

3.   Op grond van de in lid 2 bedoelde raadplegingen en van mogelijke aanbevelingen van de Commissie kunnen de betrokken bevoegde instanties besluiten om naast de op nationaal niveau opgestelde plannen ook gezamenlijke preventieve actieplannen op regionaal niveau („gezamenlijke preventieve actieplannen”) en gezamenlijke noodplannen op regionaal niveau („gezamenlijke noodplannen”) op te stellen. In het geval van gezamenlijke plannen streven de bevoegde instanties in voorkomend geval ernaar overeenkomsten te sluiten met het oog op de uitvoering van de regionale samenwerking. Indien noodzakelijk worden deze overeenkomsten formeel bekrachtigd door de lidstaten.

4.   Bij de opstelling van het preventieve actieplan en het noodplan op nationaal en/of regionaal niveau houdt de bevoegde instantie naar behoren rekening met de noodzaak van een voortdurend veilige exploitatie van het gassysteem, en zet zij in die plannen de technische beperkingen die het functioneren van het gassysteem beïnvloeden uiteen, waarbij zij onder meer vermeldt welke technische en veiligheidsredenen kunnen leiden tot beperking van de gasstromen in een noodsituatie.

5.   Uiterlijk op 3 december 2012 worden de preventieve actieplannen en de noodplannen, alsook, indien van toepassing, de gezamenlijke plannen, vastgesteld en bekendgemaakt. Deze plannen worden onverwijld aan de Commissie meegedeeld. De Commissie stelt de Groep coördinatie gas in kennis. De bevoegde instanties zorgen voor regelmatige monitoring van de uitvoering van deze plannen.

6.   Binnen drie maanden nadat de bevoegde instanties de in lid 5 bedoelde plannen hebben meegedeeld:

a)

beoordeelt de Commissie deze plannen overeenkomstig punt b). Te dien einde raadpleegt de Commissie de Groep coördinatie gas en houdt zij naar behoren rekening met het advies van die groep. De Commissie doet verslag van haar beoordeling van de plannen aan de Groep coördinatie gas; en

b)

indien de Commissie op grond van deze raadplegingen:

i)

oordeelt dat een preventief actieplan of een noodplan niet volstaat om de in de risico-evaluatie aangemerkte risico’s te beperken, kan zij de bevoegde instanties of de bevoegde instanties aanbevelen het betrokken plan te wijzigen;

ii)

van mening is dat een preventief actieplan of een noodplan in strijd is met de risicoscenario’s of de plannen van andere bevoegde instanties, of dat het niet in overeenstemming is met deze verordening of andere bepalingen van de rechtshandelingen van de Unie, verzoekt zij om een herziening van het betrokken plan;

iii)

van oordeel is dat het preventieve actieplan de gasleveringszekerheid van andere lidstaten of van de Unie in haar geheel in gevaar brengt, besluit zij de bevoegde instantie op te dragen het preventieve actieplan te herzien en kan zij specifieke aanbevelingen doen met het oog op de wijziging ervan. De Commissie motiveert haar besluit uitvoerig.

7.   Binnen een termijn van vier maanden na kennisgeving van het in lid 6, onder b), ii), bedoelde verzoek van de Commissie, wijzigt de betrokken bevoegde instantie haar preventieve actieplan of noodplan en brengt zij dit gewijzigde plan ter kennis van de Commissie, of zet zij voor de Commissie uiteen waarom zij het niet eens is met het verzoek. In dat laatste geval kan de Commissie binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van het antwoord van de bevoegde instantie haar verzoek wijzigen of intrekken of de betrokken bevoegde instanties en, indien de Commissie dat noodzakelijk acht, de Groep coördinatie gas, bijeenroepen om de kwestie te bespreken. De Commissie motiveert haar verzoek tot wijziging van het plan uitvoerig. De bevoegde instantie houdt volledig rekening met het standpunt van de Commissie. Indien het uiteindelijke besluit van de bevoegde instantie afwijkt van het standpunt van de Commissie, maakt de bevoegde instantie binnen twee maanden na ontvangst van het standpunt van de Commissie, haar besluit en het standpunt van de Commissie openbaar, alsook de redenen die ten grondslag liggen aan haar besluit. Indien van toepassing maakt de bevoegde instantie het gewijzigde plan onverwijld openbaar.

8.   Binnen een termijn van drie maanden na kennisgeving van het in lid 6, onder b), iii), bedoelde besluit van de Commissie, wijzigt de betrokken bevoegde instantie haar preventieve actieplan en brengt zij dit gewijzigde plan ter kennis van de Commissie, of zet zij voor de Commissie uiteen waarom zij het niet eens is met het verzoek. In dat laatste geval kan de Commissie binnen een termijn van twee maanden besluiten haar verzoek te wijzigen of in te trekken. Wanneer de Commissie haar verzoek handhaaft, wijzigt de betrokken bevoegde instantie het plan binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van het besluit van de Commissie, daarbij zoveel mogelijk rekening houdend met de in lid 6, onder b), iii), bedoelde aanbeveling van de Commissie, en stelt zij het gewijzigde plan ter kennis van de Commissie.

De Commissie stelt de Groep coördinatie gas in kennis en houdt naar behoren rekening met de aanbevelingen van die groep bij het opstellen van haar advies over het gewijzigde plan, dat uiterlijk twee maanden na kennisgeving door de bevoegde instantie moet worden uitgebracht. De betrokken bevoegde instantie houdt zo veel mogelijk rekening met het advies van de Commissie en stelt binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van dat advies het resulterende gewijzigde plan vast en maakt dat bekend.

9.   Het vertrouwelijke karakter van commercieel gevoelige informatie wordt bewaard.

Artikel 5

Inhoud van de nationale en gezamenlijke preventieve actieplannen

1.   De nationale en gezamenlijke preventieve actieplannen omvatten:

a)

de resultaten van de in artikel 9 omschreven risico-evaluatie;

b)

de maatregelen, volumen, capaciteiten en tijd die nodig zijn om aan de infrastructuur- en leveringsnormen van de artikelen 6 en 8 te voldoen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de mate waarin maatregelen aan de vraagzijde op afdoende en tijdige wijze een verstoring van de gaslevering als bedoeld in artikel 6, lid 2, kunnen ondervangen, de bepaling van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur van gemeenschappelijk belang in geval van toepassing van artikel 6, lid 3, en elke verhoogde leveringsnorm krachtens artikel 8, lid 2;

c)

de aan aardgasbedrijven en andere relevante entiteiten opgelegde verplichtingen, onder meer met betrekking tot de veilige exploitatie van het gassysteem;

d)

de andere preventieve maatregelen, zoals de noodzaak de interconnecties tussen aan elkaar grenzende lidstaten te verbeteren en de mogelijkheid om in voorkomend geval de aanvoerroutes en -bronnen van gas te diversifiëren, om een antwoord te bieden op de aangemerkte risico’s en de gaslevering aan alle afnemers voor zover mogelijk in stand te houden;

e)

in voorkomend geval, de mechanismen waarvan gebruik wordt gemaakt voor samenwerking met andere lidstaten bij het opstellen en uitvoeren van gezamenlijke preventieve actieplannen en gezamenlijke noodplannen als bedoeld in artikel 4, lid 3;

f)

informatie over bestaande en toekomstige interconnecties, waaronder interconnecties die toegang bieden tot het gasnet van de Unie, grensoverschrijdende gasstromen, toegang tot opslagfaciliteiten over de landsgrenzen heen en de fysieke capaciteit om gas in beide richtingen te vervoeren („bidirectionele capaciteit”), met name in het geval van een noodsituatie;

g)

informatie over alle openbaredienstverplichtingen die betrekking hebben op de gasleveringszekerheid.

2.   De nationale en gezamenlijke preventieve actieplannen, met name de acties om te voldoen aan de in artikel 6 omschreven infrastructuurnorm, houden rekening met het Uniebrede tienjaren netwerkontwikkelingsplan dat door het ENTSB voor gas wordt uitgewerkt, overeenkomstig artikel 8, lid 10, van Verordening (EG) nr. 715/2009.

3.   De nationale en gezamenlijke preventieve actieplannen worden in de eerste plaats gebaseerd op marktmaatregelen en zij houden rekening met de economische gevolgen, de doeltreffendheid en efficiëntie van de maatregelen, de effecten op de werking van de interne energiemarkt en de gevolgen voor het milieu en voor afnemers; zij leggen de aardgasbedrijven geen buitensporige lasten op en hebben ook geen negatieve gevolgen voor de werking van de interne gasmarkt.

4.   De nationale en gezamenlijke preventieve actieplannen worden om de twee jaar geactualiseerd, tenzij de omstandigheden frequentere actualisering nodig maken, en weerspiegelen de geactualiseerde risico-evaluatie. De raadpleging tussen bevoegde instanties als bedoeld in artikel 4, lid 2, vindt plaats voordat het geactualiseerde plan wordt vastgesteld.

Artikel 6

Infrastructuurnorm

1.   De lidstaten of, indien een lidstaat dat zo beslist, de bevoegde instantie, waarborgen dat de noodzakelijke maatregelen worden genomen opdat uiterlijk op 3 december 2014, in het geval van het uitvallen van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur, de capaciteit van de resterende infrastructuur, bepaald volgens de N–1-formule als neergelegd in punt 2 van bijlage I, in staat is om, onverminderd lid 2 van dit artikel, te voldoen aan de totale gasvraag van het berekende gebied gedurende een dag van uitzonderlijk hoge vraag die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de 20 jaar. Dit laat, wanneer dat passend en noodzakelijk is, de verantwoordelijkheid van systeembeheerders om de overeenkomstige investeringen te verrichten en de verplichtingen van de transmissiesysteembeheerders als neergelegd in Richtlijn 2009/73/EG en Verordening (EG) nr. 715/2009, onverlet.

2.   Aan de in lid 1 bedoelde verplichting ervoor te zorgen dat de resterende infrastructuur voldoende capaciteit heeft om in de totale gasvraag te voorzien wordt ook geacht te zijn voldaan wanneer de bevoegde instantie in het preventieve actieplan aantoont dat een verstoring van de levering op voldoende en tijdige wijze kan worden ondervangen door passende, op de markt gebaseerde maatregelen aan de vraagzijde. Daarvoor wordt de in punt 4 van bijlage I neergelegde formule gebruikt.

3.   Wanneer dat volgens de in artikel 9 bedoelde risico-evaluatie passend is, kunnen de bevoegde instanties besluiten dat aan de verplichting van lid 1 van dit artikel op regionaal niveau in plaats van op nationaal niveau wordt voldaan. In dat geval worden gezamenlijke preventieve actieplannen overeenkomstig artikel 4, lid 3, ingesteld. Punt 5 van bijlage I is van toepassing.

4.   Na raadpleging van de relevante aardgasbedrijven brengt elke bevoegde instantie bij de Commissie onverwijld verslag uit over elke niet-naleving van de in lid 1 genoemde verplichtingen en stelt zij de Commissie in kennis van de redenen van die niet-naleving.

5.   De transmissiesysteembeheerders zorgen voor permanente bidirectionele capaciteit om zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 3 december 2013 op alle grensoverschrijdende interconnecties tussen lidstaten gas in beide richtingen te kunnen vervoeren, behalve:

a)

in gevallen zoals aansluitingen op productiefaciliteiten, LNG-faciliteiten en distributienetten, of

b)

wanneer er een vrijstelling overeenkomstig artikel 7 is verleend.

Uiterlijk op 3 december 2013 passen de transmissiesysteembeheerders de werking van de transmissiesystemen gedeeltelijk of geheel aan om op grensoverschrijdende interconnecties fysieke gasstromen in beide richtingen mogelijk te maken.

6.   Wanneer een bepaalde grensoverschrijdende interconnectie al bidirectioneel is of de bidirectionaliteit ervan in aanleg is, wordt de verplichting van de eerste alinea van lid 5, voor die interconnectie geacht te zijn nagekomen, tenzij een of meer lidstaten om redenen van leveringszekerheid om capaciteitsuitbreiding verzoeken. Op dergelijke verzoeken tot capaciteitsuitbreiding is de procedure van artikel 7 van toepassing.

7.   De lidstaten of, indien een lidstaat dit zo beslist, de bevoegde instantie waarborgen dat als een eerste stap de markt altijd op een transparante, gedetailleerde en niet-discriminerende wijze zal worden onderzocht, om te beoordelen of de markt de investering in infrastructuur die nodig is om te voldoen aan de verplichtingen van de leden 1 en 5, nodig heeft.

8.   De nationale regulerende instanties houden rekening met de op efficiënte wijze gemaakte kosten om te voldoen aan de verplichtingen krachtens lid 1 en de kosten van permanente bidirectionele capaciteit om gas in beide richtingen te vervoeren, zodat zij voor passende stimulansen zorgen wanneer zij op transparante en gedetailleerde wijze de tarieven of methoden vaststellen of goedkeuren overeenkomstig artikel 41, lid 8, van Richtlijn 2009/73/EG en artikel 13 van Verordening (EG) nr. 715/2009. Wanneer investeringen om bidirectionele capaciteit mogelijk te maken niet nodig zijn voor de markt en wanneer er voor deze investeringen in meer dan één lidstaat dan wel in één lidstaat ten behoeve van andere lidstaten kosten worden gemaakt, beslissen de nationale regulerende instanties van alle betrokken lidstaten gezamenlijk over de kostentoewijzing alvorens enige investeringsbeslissing wordt genomen. Bij de kostentoewijzing wordt in het bijzonder rekening gehouden met de mate waarin de infrastructuurinvesteringen de leveringszekerheid van de betrokken lidstaten verhogen. Artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 713/2009 is van toepassing.

9.   De bevoegde instantie waarborgt dat nieuwe transmissie-infrastructuur bijdraagt tot de leveringszekerheid via de totstandbrenging van een goed verbonden net, in voorkomend geval ook dankzij een toereikend aantal grensoverschrijdende entry- en exitpunten, naargelang van de marktvraag en de aangemerkte risico’s. In voorkomend geval beoordeelt de bevoegde instantie in de risico-evaluatie waar er interne knelpunten zijn en of de nationale entrycapaciteit en infrastructuur, met name de transmissienetten, in staat zijn de nationale gasstromen aan te passen aan het scenario van het uitvallen van de in de risico-evaluatie geïdentificeerde grootste afzonderlijke gasinfrastructuur.

10.   Bij wijze van uitzondering op lid 1 van dit artikel zijn Luxemburg, Slovenië en Zweden niet gehouden aan de in dit lid genoemde verplichtingen, maar streven zij ernaar hieraan te voldoen wanneer zij de gaslevering van beschermde afnemers overeenkomstig artikel 8 waarborgen. Deze uitzondering geldt:

a)

in het geval van Luxemburg: zolang als het ten minste twee interconnectoren met andere lidstaten, ten minste twee verschillende aanvoerbronnen en geen gasopslagfaciliteiten of LNG-faciliteit op zijn grondgebied heeft;

b)

in het geval van Slovenië: zolang als zij ten minste twee interconnectoren met andere lidstaten, ten minste twee verschillende aanvoerbronnen en geen gasopslagfaciliteiten of LNG-faciliteit op haar grondgebied heeft;

c)

in het geval van Zweden: zolang als het geen gasdoorvoer naar andere lidstaten op zijn grondgebied heeft, een jaarlijks bruto binnenlands gasverbruik van minder dan 2 Mtoe heeft en zijn totale primaire energieverbruik voor minder dan 5 % uit gas bestaat.

Deze drie lidstaten zorgen op transparante, gedetailleerde en niet-discriminerende wijze voor regelmatige marktonderzoeken voor infrastructuurinvesteringen en maken de resultaten van die onderzoeken bekend.

De in de eerste alinea genoemde lidstaten stellen de Commissie in kennis van elke verandering met betrekking tot de in die alinea genoemde voorwaarden. De in de eerste alinea genoemde uitzondering is niet langer van toepassing wanneer ten minste één van de in de eerste alinea genoemde voorwaarden niet langer is vervuld.

Uiterlijk op 3 december 2018 doet elk van de in de eerste alinea genoemde lidstaten de Commissie een verslag toekomen waarin zij de situatie met betrekking tot de in de eerste alinea genoemde voorwaarden en de prognoses ten aanzien van de naleving van de verplichtingen van lid 1 van dit artikel beschrijven, waarbij zij rekening houden met de economische impact van naleving van de infrastructuurnorm, de resultaten van het marktonderzoek en de ontwikkeling van de gasmarkt en van gasinfrastructuurprojecten in de regio. Op basis van het verslag kan de Commissie, indien de in de eerste alinea van dit lid genoemde voorwaarden nog steeds zijn vervuld, beslissen dat de in de eerste alinea genoemde uitzondering nog vier jaar blijft gelden. In het geval van een positief besluit wordt de in deze alinea omschreven procedure na vier jaar herhaald.

Artikel 7

Procedure voor het instellen van bidirectionele capaciteit of voor het aanvragen van vrijstelling

1.   Na overleg met alle andere betrokken transmissiesysteembeheerders dienen de transmissiesysteembeheerders uiterlijk op 3 maart 2012 bij hun lidstaten — of, indien de lidstaten dat zo hebben beslist, bij hun bevoegde instanties of hun regulerende instanties (in dit artikel gezamenlijk „de betrokken instanties” genoemd) — voor elke grensoverschrijdende interconnectie tussen lidstaten, met uitzondering van die welke krachtens artikel 6, lid 5, onder a), zijn vrijgesteld en uitgezonderd gevallen waarin bidirectionele capaciteit reeds bestaat of in aanleg is en er geen verzoek is ingediend door een of meer lidstaten om de capaciteit uit te breiden om redenen van leveringszekerheid:

a)

een voorstel voor capaciteit in de tegengestelde richting („reverse flow-capaciteit”) in, of

b)

een verzoek tot vrijstelling van de bidirectionele capaciteitsverplichting.

2.   Het in lid 1 bedoelde voorstel voor reverse flow-capaciteit of verzoek tot vrijstelling stoelt op een beoordeling van de marktvraag, ramingen van vraag en aanbod, technische haalbaarheid, kosten van reverse flow-capaciteit, met inbegrip van de bijbehorende versterking van het transmissiesysteem, en de voordelen voor de leveringszekerheid, waarbij in voorkomend geval ook rekening wordt gehouden met de mogelijke bijdrage die reverse flow-capaciteit, samen met andere mogelijke maatregelen, kan leveren aan de naleving van de in artikel 6 genoemde infrastructuurnorm door de lidstaten die van de reverse flow-capaciteit profiteren.

3.   De betrokken instantie die het voorstel of het verzoek tot vrijstelling ontvangt, stelt de instanties van andere lidstaten die volgens de risico-evaluatie baat zouden kunnen hebben bij de reverse flow-capaciteit en de Commissie onverwijld in kennis van het voorstel of het verzoek tot vrijstelling. De betrokken instantie geeft deze instanties en de Commissie de mogelijkheid om advies uit te brengen binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van die kennisgeving.

4.   Binnen twee maanden na het verstrijken van de in lid 3 bedoelde termijn neemt de betrokken instantie op basis van de in lid 2 bedoelde criteria en de overeenkomstig artikel 9 verrichte risico-evaluatie, en zoveel mogelijk rekening houdend met de overeenkomstig lid 3 van dit artikel ontvangen adviezen, en rekening houdend met andere, niet strikt economische aspecten zoals de gasleveringszekerheid en de bijdrage aan de interne gasmarkt, een van de volgende maatregelen:

a)

zij verleent vrijstelling indien reverse flow-capaciteit geen significante verbetering van de leveringszekerheid van lidstaten of regio’s oplevert of indien de investeringskosten niet in verhouding staan tot de verwachte voordelen voor de leveringszekerheid; ofwel

b)

zij aanvaardt het voorstel voor reverse flow-capaciteit, of

c)

zij verzoekt de transmissiesysteembeheerder zijn voorstel te wijzigen.

De betrokken instantie stelt de Commissie onverwijld in kennis van haar besluit, en doet die kennisgeving vergezeld gaan van alle relevante informatie waaruit de redenen voor het besluit blijken, waaronder de overeenkomstig lid 3 van dit artikel ontvangen adviezen. De betrokken instanties streven ernaar te waarborgen dat van elkaar afhankelijke besluiten met betrekking tot dezelfde interconnecties of geïnterconnecteerde pijpleidingen, niet met elkaar in tegenspraak zijn.

5.   Binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van die kennisgeving kan de Commissie, wanneer er discrepanties zijn tussen het besluit van de betrokken instantie en de adviezen van andere betrokken instanties die bij de kwestie betrokken zijn, de betrokken instantie verzoeken haar besluit te wijzigen. Deze termijn kan met één maand worden verlengd indien de Commissie aanvullende informatie verzoekt. Elk verzoek van de Commissie tot wijziging van het besluit van de betrokken instantie wordt ingediend op grond van de in lid 2 en in lid 4, onder a), genoemde criteria en elementen, waarbij rekening wordt gehouden met de redenen die aan het besluit van de betrokken instantie ten grondslag liggen. De betrokken instantie voldoet aan het verzoek door haar besluit binnen een termijn van vier weken aan te passen. Indien de Commissie binnen deze termijn van twee maanden niet heeft gehandeld, wordt zij geacht geen bezwaren te hebben tegen het besluit van de betrokken instantie.

6.   Wanneer uit de resultaten van de overeenkomstig artikel 9 verrichte risico-evaluatie blijkt dat er aanvullende reverse flow-capaciteit benodigd is, wordt de procedure van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel op verzoek van een transmissiesysteembeheerder, een betrokken instantie of de Commissie herhaald.

7.   De Commissie en de betrokken instantie nemen te allen tijde de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie in acht.

Artikel 8

Leveringsnorm

1.   De bevoegde instantie verplicht bepaalde, door haar geïdentificeerde aardgasbedrijven ertoe de nodige maatregelen te nemen om de gaslevering aan de beschermde afnemers van de lidstaat te waarborgen in de volgende gevallen:

a)

extreme temperaturen gedurende een zeven dagen durende piekperiode die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de 20 jaar;

b)

een ten minste dertig dagen durende periode van uitzonderlijk hoge gasvraag die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de 20 jaar; en

c)

een periode van ten minste dertig dagen in het geval van het uitvallen van de grootste afzonderlijke infrastructuur onder gemiddelde winterse omstandigheden.

De bevoegde instantie identificeert de in de eerste alinea bedoelde aardgasbedrijven uiterlijk op 3 juni 2012.

2.   Een verhoogde leveringsnorm die verder gaat dan dertig dagen voor de in lid 1, onder b) en c), genoemde perioden of elke andere aanvullende verplichting die om redenen van leveringszekerheid wordt opgelegd, is gebaseerd op de in artikel 9 bedoelde risico-evaluatie, komt tot uiting in het preventieve actieplan en:

a)

voldoet aan artikel 3, lid 6;

b)

veroorzaakt geen onnodige verstoring van de mededinging of belemmering van de werking van de interne gasmarkt;

c)

heeft geen negatieve gevolgen voor het vermogen van andere lidstaten om hun beschermde afnemers overeenkomstig dit artikel te beleveren in het geval van een noodsituatie op nationaal, Unie- of regionaal niveau; en

d)

voldoet aan de criteria van artikel 11, lid 5, ingeval van een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau.

In de geest van solidariteit bepaalt de bevoegde instantie in het preventieve actieplan en de noodplannen hoe verhoogde leveringsnormen of aanvullende verplichtingen voor aardgasbedrijven tijdelijk kunnen worden verlaagd in het geval van een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau.

3.   Na de door de bevoegde instantie overeenkomstig de leden 1 en 2 gedefinieerde perioden of onder moeilijker omstandigheden dan die welke zijn omschreven in lid 1, spannen de bevoegde instantie en de aardgasbedrijven zich in om de gaslevering, met name voor beschermde afnemers, zo goed mogelijk in stand te houden.

4.   De aan aardgasbedrijven opgelegde verplichtingen om te voldoen aan de leveringsnormen als bedoeld in dit artikel, zijn niet-discriminerend en leggen geen buitensporige lasten op aan deze bedrijven.

5.   De aardgasbedrijven mogen deze verplichtingen in voorkomend geval op regionaal of Unieniveau nakomen. De bevoegde instantie eist niet dat aan de in dit artikel genoemde normen wordt voldaan via infrastructuur die uitsluitend op haar grondgebied gevestigd is.

6.   De bevoegde instantie ziet erop toe dat voorwaarden voor de levering aan beschermde afnemers geen afbreuk doen aan de goede werking van de interne gasmarkt en dat de desbetreffende tarieven de marktwaarde van de leveringen weerspiegelen.

Artikel 9

Risico-evaluatie

1.   Uiterlijk op 3 december 2011 maakt elke bevoegde instantie op basis van de volgende gemeenschappelijke elementen een volledige evaluatie op van de risico’s voor de gasleveringszekerheid in haar lidstaat, door:

a)

gebruik te maken van de in de artikelen 6 en 8 neergelegde normen, waarbij de berekening van de N–1-formule, de gebruikte aannamen, ook die voor de berekening van de N–1-formule op regionaal niveau, en de voor die berekening noodzakelijke gegevens, worden getoond;

b)

alle relevante nationale en regionale omstandigheden in aanmerking te nemen, met name de omvang van de markt, de netconfiguratie, de werkelijke stromen, daaronder begrepen de uitstroom van de betrokken lidstaat, de mogelijkheid van fysieke gasstromen in beide richtingen, met inbegrip van de mogelijke behoefte aan dienovereenkomstige versterking van het transmissiesysteem, de aanwezigheid van productie en opslag en de rol van gas in de energiemix, met name met betrekking tot stadsverwarming, elektriciteitsopwekking en voor de werking van de industrie, en overwegingen in verband met de veiligheid en de kwaliteit van het gas;

c)

het doorlopen van verscheidene scenario’s van uitzonderlijk hoge gasvraag of verstoring van de levering, zoals het uitvallen van belangrijke transmissie-infrastructuur, opslagfaciliteiten of LNG-terminals en verstoring van de levering door leveranciers uit derde landen, daarbij rekening houdend met historische gegevens, waarschijnlijkheid, jaargetijde, frequentie en duur van dergelijke voorvallen en, in voorkomend geval, geopolitieke risico’s, alsook het evalueren van de waarschijnlijke gevolgen van die scenario’s;

d)

het identificeren van de interactie en correlatie met de in andere lidstaten bestaande risico’s, waaronder onder meer die met betrekking tot interconnecties, grensoverschrijdende leveringen, grensoverschrijdende toegang tot opslagfaciliteiten en bidirectionele capaciteit;

e)

de maximale interconnectiecapaciteit van elk entry- en exitpunt aan de grens in aanmerking te nemen.

2.   Wanneer artikel 4, lid 3, wordt toegepast, verrichten de betrokken bevoegde instanties ook een gezamenlijke risico-evaluatie op regionaal niveau.

3.   De aardgasbedrijven, de industriële gasafnemers, de relevante organisaties die de belangen van de huishoudelijke en industriële gasafnemers vertegenwoordigen, alsook de lidstaten en de nationale regulerende instantie, wanneer dat niet de bevoegde instantie is, werken samen met de bevoegde instantie en verstrekken haar desgevraagd alle voor de risico-evaluatie benodigde informatie.

4.   De risico-evaluatie wordt voor het eerst uiterlijk 18 maanden na de vaststelling van de in artikel 4 bedoelde preventieve actieplannen en noodplannen en vervolgens om de twee jaar vóór 30 september van dat jaar geactualiseerd, tenzij de omstandigheden frequentere actualisering vereisen. De risico-evaluatie houdt rekening met de voortgang met betrekking tot de investeringen die nodig zijn om aan de in artikel 6 gedefinieerde infrastructuurnorm te voldoen, alsook met specifieke nationale moeilijkheden die bij de uitvoering van nieuwe alternatieve oplossingen zijn opgetreden.

5.   De risico-evaluatie en de geactualiseerde versies daarvan worden onverwijld ter beschikking van de Commissie gesteld.

Artikel 10

Noodplannen en crisisniveaus

1.   In de nationale of gezamenlijke noodplannen:

a)

wordt uitgegaan van de in lid 3 omschreven crisisniveaus;

b)

worden de rol en de verantwoordelijkheden van aardgasbedrijven en industriële gasafnemers omschreven, waaronder betroffen elektriciteitsproducenten, rekening houdend met de mate waarin zij getroffen worden door eventuele verstoringen van de gaslevering, alsmede hun interactie met de bevoegde instanties en in voorkomend geval met de nationale regulerende instanties op elk van de in lid 3 gedefinieerde crisisniveaus;

c)

worden de rol en de verantwoordelijkheden omschreven van de bevoegde instanties en van de andere entiteiten die taken uitvoeren als bedoeld in artikel 2, lid 2, op elk van de in lid 3 van dit artikel gedefinieerde crisisniveaus;

d)

wordt ervoor gezorgd dat aardgasbedrijven en industriële gasafnemers voldoende gelegenheid krijgen om op elk crisisniveau te reageren;

e)

worden in voorkomend geval de maatregelen en acties benoemd die moeten worden genomen om de mogelijke impact van verstoringen van de gaslevering voor stadsverwarming en voor de productie van elektriciteit uit gas te matigen;

f)

worden gedetailleerde procedures en maatregelen omschreven die moeten worden gevolgd voor elk crisisniveau, inclusief de desbetreffende schema’s inzake informatiestromen;

g)

wordt een crisismanager of -team aangewezen en wordt de rol daarvan omschreven;

h)

wordt de bijdrage omschreven van met name de in bijlage II aangemerkte op de markt gebaseerde maatregelen om een antwoord te bieden op de situatie bij alarmniveau en om de problemen te matigen op het noodsituatieniveau;

i)

wordt de bijdrage omschreven van met name de in bijlage III aangemerkte niet op de markt gebaseerde maatregelen die zijn gepland voor of ten uitvoer worden gelegd op het noodsituatieniveau, wordt beoordeeld in welke mate niet op de markt gebaseerde maatregelen vereist zijn om een antwoord te bieden op de crisis, worden hun effecten ingeschat en wordt de procedure vastgesteld om dergelijke maatregelen ten uitvoer te leggen, met dien verstande dat niet op de markt gebaseerde maatregelen alleen worden gebruikt indien op de markt gebaseerde mechanismen niet langer volstaan om de levering aan met name de beschermde afnemers te waarborgen;

j)

worden, voor elk crisisniveau, de mechanismen omschreven voor de samenwerking met andere lidstaten;

k)

worden de rapportageverplichtingen voor de aardgasbedrijven in het alarm- en noodsituatieniveau nader omschreven;

l)

wordt een lijst van vooraf gedefinieerde acties opgesteld om in het geval van een noodsituatie gas beschikbaar te stellen, inclusief commerciële overeenkomsten tussen de bij dergelijke acties betrokken partijen en in voorkomend geval de compensatiemechanismen voor aardgasbedrijven, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het vertrouwelijke karakter van gevoelige gegevens. Dergelijke acties kunnen onder meer grensoverschrijdende overeenkomsten tussen lidstaten en/of aardgasbedrijven omvatten.

2.   De nationale en gezamenlijke noodplannen worden om de twee jaar geactualiseerd, tenzij de omstandigheden frequentere actualisering nodig maken, en weerspiegelen de geactualiseerde risico-evaluatie. De raadpleging tussen bevoegde instanties als bedoeld in artikel 4, lid 2, vindt plaats voordat de geactualiseerde plannen worden vastgesteld.

3.   De drie voornaamste crisisniveaus zijn:

a)

niveau van vroegtijdige waarschuwing (vroegtijdige waarschuwing): wanneer er concrete, ernstige en betrouwbare informatie is, die aangeeft dat er een gebeurtenis op til kan zijn welke de leveringssituatie waarschijnlijk aanzienlijk zal doen verslechteren en waarschijnlijk tot het ontstaan van een alarm- of een noodsituatieniveau zal leiden; het niveau van vroegtijdige waarschuwing kan worden ingegeven door het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing;

b)

alarmniveau (alarm): wanneer zich een verstoring van de levering of een uitzonderlijk hoge gasvraag voordoet welke de leveringssituatie aanzienlijk doet verslechteren, maar de markt nog in staat is om die verstoring op te vangen zonder toevlucht te hoeven nemen tot niet op de markt gebaseerde maatregelen;

c)

noodsituatieniveau (noodsituatie): wanneer zich een uitzonderlijk hoge gasvraag voordoet of een significante verstoring of een andere significante verslechtering van de levering, en wanneer alle relevante op de markt gebaseerde maatregelen zijn toegepast maar de gaslevering niet volstaat om aan de resterende gasvraag te voldoen en er dus naast die op de markt gebaseerde maatregelen ook niet op de markt gebaseerde maatregelen moeten worden genomen, met name om de gaslevering aan beschermde afnemers als bedoeld in artikel 8 veilig te stellen.

4.   De nationale en gezamenlijke noodplannen waarborgen dat in het geval van een noodsituatie de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2009 gehandhaafd blijft voor zover dat technisch en vanuit veiligheidsoogpunt mogelijk is. De plannen zijn in overeenstemming met artikel 3, lid 6, van deze verordening en voeren geen maatregelen in die de stroom van gas over de grenzen heen onnodig beperkt.

5.   Wanneer de bevoegde instantie één van de in lid 3 bedoelde crisisniveaus afkondigt, stelt zij de Commissie daar onmiddellijk van op de hoogte en verstrekt zij haar alle nodige informatie, met name over acties die zij wil ondernemen. In het geval van een noodsituatie die kan resulteren in een oproep tot bijstand van de Unie en de lidstaten, stelt de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat het Waarnemings- en informatiecentrum voor civiele bescherming van de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

6.   Wanneer de bevoegde instantie een noodsituatie afkondigt, volgt zij de vooraf omschreven maatregelen uit als neergelegd in het noodplan en stelt zij de Commissie onmiddellijk op de hoogte, met name van de acties die zij wil ondernemen overeenkomstig lid 1. In uitzonderlijke gerechtvaardigde gevallen kan de bevoegde instantie acties ondernemen die van het noodplan afwijken. De bevoegde instantie stelt de Commissie onmiddellijk op de hoogte van dergelijke acties en motiveert die acties.

7.   De lidstaten en met name de bevoegde instanties zorgen ervoor dat:

a)

er geen maatregelen worden genomen die de gasstroom binnen de interne markt op enig moment onnodig beperken;

b)

er geen maatregelen worden genomen die de gasleveringssituatie in een andere lidstaat ernstig in gevaar zouden kunnen brengen; en

c)

de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2009 gehandhaafd blijft voor zover dat technisch en vanuit een veiligheidsoogpunt mogelijk is, overeenkomstig het noodplan.

8.   De Commissie verifieert zo spoedig mogelijk maar in elk geval binnen vijf dagen na de ontvangst van de in lid 5 bedoelde informatie van de bevoegde instantie, of de afkondiging van een noodsituatie overeenkomstig lid 3, onder c), gerechtvaardigd is en of de genomen maatregelen zo dicht mogelijk aansluiten bij de in het noodplan vermelde acties en geen onevenredige belasting veroorzaken voor aardgasbedrijven en in overeenstemming zijn met lid 7. De Commissie kan op verzoek van een bevoegde instantie of aardgasbedrijven dan wel op eigen initiatief de bevoegde instantie verzoeken de maatregelen te wijzigen wanneer die in strijd zijn met de in lid 7 en de eerste zinsnede van dit lid genoemde voorwaarden. De Commissie kan de bevoegde instantie eveneens verzoeken de afkondiging van de noodsituatie op te heffen wanneer die, naar het oordeel van de Commissie, overeenkomstig lid 3, onder c), niet langer gerechtvaardigd is.

Binnen drie dagen na kennisgeving van het verzoek van de Commissie wijzigt de bevoegde instantie de maatregelen en stelt zij de Commissie daarvan in kennis, of zet zij voor de Commissie de redenen uiteen waarom zij het niet eens is met het verzoek. In dat geval kan de Commissie binnen een termijn van drie dagen haar verzoek wijzigen of intrekken of de betrokken bevoegde instantie of, in voorkomend geval, de betrokken bevoegde instanties en, indien de Commissie dat noodzakelijk acht, de Groep coördinatie gas, bijeenroepen om de kwestie te bespreken. De Commissie motiveert haar verzoek tot wijziging van de actie uitvoerig. De bevoegde instantie houdt volledig rekening met het standpunt van de Commissie. Indien het uiteindelijke besluit van de bevoegde instantie afwijkt van het standpunt van de Commissie, maakt de bevoegde instantie de redenen bekend die ten grondslag liggen aan haar besluit.

Artikel 11

Reactie op een noodsituatie op regionaal of Unieniveau

1.   Op verzoek van een bevoegde instantie die een noodsituatie heeft afgekondigd en na verificatie overeenkomstig artikel 10, lid 8, kan de Commissie een noodsituatie afkondigen op Unieniveau of, voor een specifieke geografische regio, op regioniveau. Op verzoek van ten minste twee bevoegde instanties die een noodsituatie hebben afgekondigd en na verificatie overeenkomstig artikel 10, lid 8, en indien de redenen voor het afkondigen van die noodsituaties met elkaar samenhangen, kondigt de Commissie naargelang van het geval een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau af. In alle gevallen wint de Commissie met gebruikmaking van de communicatiemiddelen die, gegeven de situatie, het geschiktst zijn de standpunten van de andere bevoegde instanties in en houdt zij naar behoren rekening met alle door hen verstrekte informatie. Indien de Commissie oordeelt dat de achterliggende redenen voor het bestaan van een noodsituatie op Unieniveau of een noodsituatie op regionaal niveau niet langer aanwezig zijn, kondigt zij het einde van de noodsituatie op Unie- of op regionaal niveau af. In alle gevallen motiveert de Commissie haar besluit en stelt zij de Raad van haar besluit in kennis.

2.   Zodra zij een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau afkondigt, roept de Commissie de Groep coördinatie gas bijeen. Gedurende de noodsituatie op Unie- of regionaal niveau kan de Commissie op verzoek van ten minste drie lidstaten de deelname aan de Groep coördinatie gas voor een gehele vergadering of een deel daarvan beperken tot de vertegenwoordigers van de lidstaten en de bevoegde instanties.

3.   Bij een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau als bedoeld in lid 1 coördineert de Commissie de acties van de bevoegde instanties, waarbij zij ten volle rekening houdt met informatie afkomstig van de Groep coördinatie gas en met de resultaten van de raadpleging van die groep. De Commissie zal met name:

a)

de uitwisseling van informatie waarborgen;

b)

de samenhang en effectiviteit waarborgen van de op lidstaat- en regionaal niveau ondernomen acties in relatie met het Unieniveau;

c)

de acties ten opzichte van derde landen coördineren.

4.   De Commissie kan een crisismanagementgroep bijeenbrengen, bestaande uit de in artikel 10, lid 1, onder g), bedoelde crisismanagers van de lidstaten die geraakt worden door de noodsituatie. De Commissie kan in overleg met de crisismanagers andere relevante belanghebbenden uitnodigen om deel te nemen. De Commissie ziet erop toe dat de Groep coördinatie gas regelmatig wordt geïnformeerd over de werkzaamheden van de crisismanagementgroep.

5.   De lidstaten en met name de bevoegde instanties zorgen ervoor dat:

a)

er geen maatregelen worden genomen die de gasstroom binnen de interne markt, en met name de gasstroom naar de getroffen markten, op enig moment onnodig beperken;

b)

er geen maatregelen worden genomen die de gasleveringssituatie in een andere lidstaat ernstig in gevaar zouden kunnen brengen; en

c)

de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2009 gehandhaafd blijft voor zover dat technisch en vanuit een veiligheidsoogpunt mogelijk is, overeenkomstig het noodplan.

6.   Indien de Commissie op verzoek van een bevoegde instantie of van een aardgasbedrijf dan wel op eigen initiatief oordeelt dat in een noodsituatie op regionaal of Unieniveau een door een lidstaat of een bevoegde instantie ondernomen actie of een gedraging van een aardgasbedrijf in strijd is met lid 5, verzoekt zij de lidstaat of de bevoegde instantie haar actie te wijzigen of actie te ondernemen om naleving van lid 5 te waarborgen, en vermeldt zij om welke redenen zij van oordeel is dat de lidstaat of de bevoegde instantie dat moet doen. Er wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak van een voortdurend veilige exploitatie van het gassysteem.

Binnen drie dagen na kennisgeving van het verzoek van de Commissie wijzigt de lidstaat of de bevoegde instantie haar actie en stelt zij de Commissie daarvan in kennis, of zet zij voor de Commissie uiteen waarom zij het niet eens is met het verzoek. In een dergelijk geval kan de Commissie binnen een termijn van drie dagen haar verzoek wijzigen of intrekken of de lidstaat of betrokken bevoegde instantie en, indien de Commissie dat noodzakelijk acht, de Groep coördinatie gas, bijeenroepen om de kwestie te bespreken. De Commissie motiveert haar verzoek tot wijziging van de actie uitvoerig. De lidstaat of de bevoegde instantie houdt volledig rekening met het standpunt van de Commissie. Indien het definitieve besluit van de bevoegde instantie of de lidstaat afwijkt van het standpunt van de Commissie, maakt de bevoegde instantie of de lidstaat de redenen hiervoor bekend.

7.   Na de Groep coördinatie gas te hebben geraadpleegd, stelt de Commissie een permanente reservelijst op voor een taakgroep bestaande uit deskundigen uit het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van de Commissie. Deze taakgroep kan indien nodig buiten de Unie worden ingezet en monitort de gasstromen naar de Unie en rapporteert daarover, in samenwerking met de derde landen die leveren en doorvoeren.

8.   De bevoegde instantie verstrekt het Waarnemings- en informatiecentrum voor civiele bescherming van de Commissie alle nodige informatie over de behoefte aan bijstand. Het Waarnemings- en informatiecentrum voor civiele bescherming evalueert de algemene situatie en brengt advies uit over de bijstand die moet worden gegeven aan de meest getroffen lidstaten, en wanneer passend aan derde landen.

Artikel 12

Groep coördinatie gas

1.   Er wordt een Groep coördinatie gas opgericht om de coördinatie van maatregelen betreffende de gasleveringszekerheid te vergemakkelijken. Deze groep bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, en met name van hun bevoegde instanties, alsook van het Agentschap, het ENTSB voor gas en representatieve organen van het betrokken bedrijfsleven en van de relevante afnemers. De Commissie neemt in overleg met de lidstaten een besluit over de samenstelling van de groep, waarbij zij erop toeziet dat deze volledig representatief is. De Commissie zit de groep voor. De groep stelt zijn reglement van orde op.

2.   Overeenkomstig deze verordening wordt de Groep coördinatie gas door de Commissie geraadpleegd en staat zij de Commissie met name bij op het gebied van de volgende kwesties:

a)

de gasleveringszekerheid, op elk moment en meer in het bijzonder in het geval van een noodsituatie;

b)

alle informatie die relevant is voor de gasleveringszekerheid op nationaal, regionaal en Unieniveau;

c)

de beste praktijken en mogelijke richtsnoeren voor alle betrokken partijen;

d)

het niveau van de leveringszekerheid, toetsstenen en evaluatiemethodologieën;

e)

nationale, regionale en Uniescenario’s en het testen van de niveaus van paraatheid;

f)

de beoordeling van de preventieve actieplannen en noodplannen en de uitvoering van de in die plannen opgenomen maatregelen;

g)

de coördinatie van maatregelen om een antwoord te bieden op een noodsituatie binnen de Unie, met derde landen die partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap en met andere derde landen;

h)

de bijstand die de meest getroffen landen nodig hebben.

3.   De Commissie roept de Groep coördinatie gas op gezette tijden bijeen en deelt de van de bevoegde instanties ontvangen informatie met die groep, waarbij zij de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie in acht neemt.

Artikel 13

Informatie-uitwisseling

1.   Indien lidstaten bestaande openbaredienstverplichtingen hebben die verband houden met de gasleveringszekerheid, maken zij die uiterlijk op 3 januari 2011 bekend. Ook latere actualiseringen of aanvullende openbaredienstverplichtingen die verband houden met de gasleveringszekerheid worden bekendgemaakt zodra zij door de lidstaten zijn vastgesteld.

2.   Gedurende een noodsituatie stellen de betrokken aardgasbedrijven aan de bevoegde instantie dagelijks met name de volgende informatie ter beschikking:

a)

de dagelijkse gasvraag en prognoses voor de levering voor de volgende drie dagen;

b)

de dagelijkse gasstroom (in miljoen m3 per dag) op alle grensoverschrijdende entry- en exitpunten, alsook op alle punten die een productiefaciliteit, een opslagfaciliteit of een LNG-terminal met het net verbinden;

c)

de periode, uitgedrukt in dagen, gedurende welke de gaslevering aan beschermde afnemers naar verwachting kan worden gewaarborgd.

3.   In het geval van een noodsituatie op Unie- of regionaal niveau is de Commissie gemachtigd de bevoegde instantie te verzoeken om haar onverwijld de volgende informatie te verstrekken:

a)

de in lid 2 bedoelde informatie;

b)

informatie over de maatregelen die de bevoegde instantie voornemens is te nemen of reeds ten uitvoer heeft gelegd om de noodsituatie te matigen, alsmede informatie over de doeltreffendheid van die maatregelen;

c)

de gedane verzoeken om extra maatregelen door andere bevoegde instanties;

d)

de maatregelen die ten uitvoer zijn gelegd op verzoek van andere bevoegde instanties.

4.   De bevoegde instanties en de Commissie waarborgen de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie.

5.   Na een noodsituatie verstrekt de bevoegde instantie de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk zes weken na opheffing van de noodsituatie een gedetailleerde evaluatie van de noodsituatie en van de doeltreffendheid van de ten uitvoer gelegde maatregelen, inclusief een evaluatie van de economische effecten van de noodsituatie, de effecten op de elektriciteitssector en de bijstand die gegeven is aan en/of ontvangen is van de Unie en de lidstaten. Die evaluatie wordt ter beschikking van de Groep coördinatie gas gesteld en wordt meegenomen in de herzieningen van de preventieve actieplannen en de noodplannen.

De Commissie analyseert de evaluaties van de bevoegde instanties en legt haar bevindingen in gebundelde vorm aan de lidstaten, het Europees Parlement en de Groep coördinatie gas voor.

6.   Om de Commissie in staat te stellen om de situatie van de leveringszekerheid op Unieniveau in te schatten:

a)

delen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 3 december 2011 de bestaande met derde landen gesloten intergouvernementele overeenkomsten mee die een effect hebben op de ontwikkeling van de gasinfrastructuur en -levering; wanneer zij met derde landen nieuwe intergouvernementele overeenkomsten sluiten die een dergelijk effect hebben, zullen de lidstaten de Commissie informeren;

b)

voor bestaande contracten uiterlijk op 3 december 2011, alsook voor nieuwe contracten of wijzigingen in bestaande contracten, stellen aardgasbedrijven de betreffende bevoegde instantie in kennis van de volgende gegevens met betrekking tot de contracten met een looptijd van meer dan één jaar die zijn gesloten met leveranciers uit derde landen:

i)

looptijd van het contract;

ii)

gecontracteerde totale volumen, op jaarbasis, en het gemiddelde volume per maand;

iii)

in het geval van een alarm- of een noodsituatie, de gecontracteerde dagelijkse volumen;

iv)

de contractuele leveringspunten.

De bevoegde instantie deelt deze gegevens in gebundelde vorm aan de Commissie mee. In het geval van sluiting van nieuwe contracten of van wijzigingen in bestaande contracten wordt de hele set gegevens opnieuw regelmatig in gebundelde vorm doorgegeven. De bevoegde instantie en de Commissie waarborgen de vertrouwelijkheid van de informatie.

Artikel 14

Monitoring door de Commissie

De Commissie verricht voortdurende monitoring en brengt continu verslag uit over maatregelen met betrekking tot de gasleveringszekerheid, met name door middel van een jaarlijkse evaluatie van de verslagen als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 2009/73/EG en van de informatie over de uitvoering van artikel 11 en artikel 52, lid 1, van die richtlijn, alsook van de informatie, zodra die beschikbaar is, in de risico-evaluatie en de preventieve actieplannen en noodplannen die overeenkomstig deze verordening moeten worden ingesteld.

Uiterlijk op 3 december 2014 doet de Commissie op basis van de in artikel 4, lid 6, bedoelde verslag en na raadpleging van de Groep coördinatie gas het volgende:

a)

zij trekt conclusies in verband met middelen om de leveringszekerheid op Unieniveau te verbeteren, evalueert de haalbaarheid van het verrichten van risico-evaluaties en het opstellen van preventieve actieplannen en noodplannen op Unieniveau en brengt aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van deze verordening, onder meer over de vorderingen die ten aanzien van de marktinterconnectiviteit zijn gemaakt; en

b)

zij brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de algehele samenhang van de preventieve actieplannen en noodplannen van de lidstaten, alsook over de mate waarin deze bijdragen aan solidariteit en paraatheid vanuit een Unieperspectief.

Dit verslag omvat, waar passend, aanbevelingen voor de verbetering van deze verordening.

Artikel 15

Intrekking

Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de termijnen voor omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/67/EG, wordt deze richtlijn ingetrokken met ingang van 2 december 2010, met uitzondering van artikel 4, leden 1 en 2 van die richtlijn, die van toepassing blijven totdat de betrokken lidstaat beschermde afnemers heeft gedefinieerd overeenkomstig artikel 2, lid 1, van deze verordening en de aardgasbedrijven heeft geïdentificeerd overeenkomstig artikel 8, lid 1, van deze verordening.

Onverminderd de eerste alinea van dit artikel, is artikel 4, leden 1 en 2, van Richtlijn 2004/67/EG niet van toepassing na 3 juni 2012.

Artikel 16

Derogatie

Deze verordening is niet van toepassing op Malta en Cyprus zolang er op hun grondgebied geen gas wordt geleverd. Voor Malta en Cyprus gelden de in artikel 2, punt 1, tweede alinea, artikel 3, lid 2, artikel 4, leden 2 en 5, artikel 6, leden 1 en 5, artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 1, en artikel 13, lid 6, onder a) en b), als volgt:

a)

voor artikel 2, tweede alinea, punt 1, artikel 3, lid 2, artikel 9, lid 1, en artikel 13, lid 6, onder a) en b): 12 maanden,

b)

voor artikel 4, lid 2, en artikel 8, lid 1: 18 maanden,

c)

voor artikel 4, lid 5: 24 maanden,

d)

voor artikel 6, lid 5: 36 maanden,

e)

voor artikel 6, lid 1: 48 maanden,

vanaf de dag waarop voor de eerste maal gas wordt geleverd op hun respectieve grondgebied.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6, lid 8, artikel 10, lid 4, eerste zin, artikel 10, lid 7, onder c), en artikel 11, lid 5, onder c), zijn van toepassing met ingang van 3 maart 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 20 oktober 2010.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

O. CHASTEL


(1)  Advies van 20 januari 2010 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 21 september 2010 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 oktober 2010.

(3)  PB L 127 van 29.4.2004, blz. 92.

(4)  PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.

(5)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1.

(6)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36.

(7)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94.

(8)  PB L 314 van 1.12.2007, blz. 9.

(9)  PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75.


BIJLAGE I

BEREKENING VAN DE N–1-FORMULE

1.   Definitie van de N–1-formule

De N–1-formule geeft de technische capaciteit van de gasinfrastructuur weer om te voorzien in de totale gasvraag in een berekend gebied in het geval van het uitvallen van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur gedurende een dag met uitzonderlijk hoge gasvraag met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de 20 jaar.

Gasinfrastructuur omvat het gastransmissienet en de met het berekende gebied verbonden productie-, LNG- en opslagfaciliteiten.

De technische capaciteit (1) van alle resterende beschikbare gasinfrastructuur in het geval van het uitvallen van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur moet minimaal gelijk zijn aan de som van de totale dagelijkse vraag naar gas in het berekende gebied gedurende een dag met uitzonderlijk hoge gasvraag met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de 20 jaar.

De uitkomst van de N–1-formule, zoals hieronder berekend, moet ten minste gelijk zijn aan 100 %.

2.   Berekeningsmethode voor de N–1-formule

Formula, N – 1 ≥ 100 %

3.   Definities van de parameters van de N–1-formule:

Met „berekend gebied” wordt het door de bevoegde instantie vastgestelde geografische gebied bedoeld waarvoor de N–1-formule berekend wordt.

Definitie met betrekking tot de vraagzijde

Dmax— de totale dagelijkse gasvraag (in miljoen m3 per dag) in het berekend gebied gedurende een dag met uitzonderlijk hoge gasvraag met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de 20 jaar.

Definities met betrekking tot de aanbodzijde

EPm— de technische capaciteit van andere entrypunten (in miljoen m3 per dag) dan de onder Pm, Sm en LNGm vallende productie-, LNG- en opslagfaciliteiten: de som van de technische capaciteit van alle entrypunten op de grens die gas aan het berekend gebied kunnen leveren.

Pm— maximale technische productiecapaciteit (in miljoen m3 per dag): de som van de maximale technische dagelijkse productiecapaciteit van alle gasproductiefaciliteiten die op de entrypunten in het berekend gebied kan worden geleverd.

Sm— maximale technische onttrekkingscapaciteit uit opslag (in miljoen m3 per dag): de som van de maximale technische dagelijkse onttrekkingscapaciteit uit alle opslagfaciliteiten die op de entrypunten in het berekend gebied kan worden geleverd, rekening houdend met hun respectieve fysieke eigenschappen.

LNGm— maximale technische capaciteit van de LNG-faciliteiten (in miljoen m3 per dag): de som van de maximaal mogelijke technische dagelijkse uitzendcapaciteit van alle LNG-faciliteiten in het berekend gebied, rekening houdend met kritische elementen als het ontladen, bijbehorende diensten, tijdelijke opslag en hervergassing van LNG alsook de technische uitzendcapaciteit aan het systeem.

Im— technische capaciteit van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur (in miljoen m3 per dag) met de grootste capaciteit voor om het berekend gebied te beleveren. Wanneer meerdere gasinfrastructuren met een gemeenschappelijke upstream- of downstream gasinfrastructuur zijn verbonden en niet afzonderlijk kunnen worden geëxploiteerd, worden zij als één gasinfrastructuur beschouwd.

4.   Berekening van de N–1-formule met gebruikmaking van vraagzijdemaatregelen

Formula, N – 1 ≥ 100 %

Definitie met betrekking tot de vraagzijde

Deff: het deel (in miljoen m3 per dag) van Dmax dat in het geval van verstoring van de levering voldoende en tijdig kan worden gedekt met op de markt gebaseerde maatregelen aan de vraagzijde, overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder b), en artikel 6, lid 2.

5.   Berekening van de N–1-formule op regionaal niveau

Het in punt 3 bedoelde berekend gebied wordt in voorkomend geval uitgebreid tot het passende regionale niveau, zoals bepaald door de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten. Voor de berekening van de N–1-formule op regionaal niveau wordt uitgegaan van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur van gemeenschappelijk belang. De grootste afzonderlijke gasinfrastructuur van gemeenschappelijk belang voor een regio is de grootste gasinfrastructuur in de regio die direct of indirect bijdraagt aan de gaslevering aan de lidstaten van die regio en wordt gedefinieerd in het gezamenlijke preventieve actieplan.

De regionale N–1-berekening kan de nationale N–1-berekening slechts vervangen indien de grootste gasinfrastructuur van gemeenschappelijk belang volgens de gezamenlijke risico-evaluatie van groot belang is voor de gaslevering aan alle betrokken lidstaten.


(1)  Overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 18, van Verordening (EG) nr. 715/2009 houdt „technische capaciteit” de maximale vaste capaciteit in die de transmissiesysteembeheerder aan de netgebruikers kan aanbieden, rekening houdend met de systeemintegriteit en de operationele eisen van het transmissienet.


BIJLAGE II

LIJST VAN OP DE MARKT GEBASEERDE MAATREGELEN MET BETREKKING TOT DE GASLEVERINGSZEKERHEID

Bij het uitwerken van het preventieve actieplan en het noodplan houdt de bevoegde instantie rekening met de in deze bijlage opgenomen indicatieve en niet-uitputtende lijst van maatregelen. De bevoegde instantie houdt bij de uitwerking van de preventieve actieplannen en de noodplannen terdege rekening met de milieueffecten van de voorgestelde maatregelen en geeft daarbij voor zover mogelijk de voorkeur aan maatregelen met het geringste milieueffect, waarbij zij rekening houdt met de aspecten in verband met de leveringszekerheid.

Maatregelen aan de aanbodzijde:

verhoging van de productieflexibiliteit,

verhoging van de invoerflexibiliteit,

bevordering van de opname van uit hernieuwbare energiebronnen gewonnen gas in de gasnetwerkinfrastructuur,

commerciële opslag van gas — onttrekkingscapaciteit en opgeslagen gasvolume,

capaciteit van de LNG-terminals en maximale uitzendcapaciteit,

civersificatie van gasleveranciers en gasroutes,

reverse flows,

gecoördineerde dispatching door de transmissiesysteembeheerders,

gebruik van lange en korte termijn contracten,

investeringen in infrastructuur, waaronder bidirectionele capaciteit,

contractuele regelingen om de gasleveringszekerheid te waarborgen.

Maatregelen aan de vraagzijde:

gebruik van contracten met een afschakelbaarheidsclausule,

mogelijkheid tot brandstofomschakeling, met inbegrip van het gebruik van alternatieve back-upbrandstoffen in industriële bedrijven en elektriciteitscentrales,

vrijwillige afschakeling van bedrijven,

vergroten van de efficiëntie,

verhoogd gebruik van hernieuwbare energiebronnen.


BIJLAGE III

LIJST VAN NIET OP DE MARKT GEBASEERDE MAATREGELEN MET BETREKKING TOT DE GASLEVERINGSZEKERHEID

Bij het uitwerken van het preventieve actieplan en het noodplan overweegt de bevoegde instantie uitsluitend in het geval van een noodsituatie de volgende indicatieve en niet-uitputtende lijst van maatregelen.

Maatregelen aan de aanbodzijde:

gebruik van strategische gasopslag,

gedwongen gebruik van voorraden van alternatieve brandstoffen (bv. in lijn met Richtlijn 2009/119/EG van de Raad van 14 september 2009 houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden (1)),

gedwongen gebruik van elektriciteit die wordt opgewekt met andere bronnen dan gas,

gedwongen opvoering van de gasproductieniveaus,

gedwongen onttrekking uit opslag.

Maatregelen aan de vraagzijde:

verschillende opeenvolgende mogelijkheden voor verplichte reductie van de vraag, zoals:

gedwongen brandstofomschakeling,

gedwongen gebruik van contracten met een afschakelbaarheidsclausule, wanneer die niet volledig als onderdeel van marktmaatregelen worden gebruikt,

gedwongen afschakeling van bedrijven.


(1)  PB L 265 van 9.10.2009, blz. 9.


BIJLAGE IV

REGIONALE SAMENWERKING

Overeenkomstig artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en zoals onderstreept in artikel 6 van Richtlijn 2009/73/EG en artikel 12 van Verordening (EG) nr. 715/2009, is regionale samenwerking een uitingsvorm van het solidariteitsbeginsel en vormt zij eveneens een concept dat aan deze verordening ten grondslag ligt. Regionale samenwerking is vooral nodig voor de instelling van de risico-evaluatie (artikel 9), de preventieve actieplannen en noodplannen (artikelen 4, 5 en 10), de infrastructuur- en leveringsnormen (artikelen 6 en 8) en de bepalingen inzake de wijze waarop op noodsituaties op regionaal en Unieniveau (artikel 11) wordt gereageerd.

De regionale samenwerking op grond van deze verordening is gebaseerd op bestaande regionale samenwerking, waarbij aardgasbedrijven, de lidstaten en nationale regulerende instanties zijn betrokken, om onder meer de leveringszekerheid en de integratie van de interne energiemarkt te verzekeren, zoals het geval is bij de drie regionale gasmarkten in het kader van het Gas Regional Initiative (GRI), het Gasplatform, de Groep op hoog niveau van het Baltische energiemarktinterconnectieplan, de Coördinatiegroep voorzieningszekerheid van de Energiegemeenschap. De specifieke eisen met betrekking tot de leveringszekerheid zullen echter waarschijnlijk het ontstaan van nieuwe samenwerkingskaders stimuleren, terwijl bestaande samenwerkingsgebieden zullen moeten worden aangepast om een zo groot mogelijke efficiency te bereiken.

In het licht van de in toenemende mate onderling vertakte en afhankelijke markten en de verwezenlijking van de interne markt voor gas kan samenwerking bijvoorbeeld tussen onder meer de volgende lidstaten, inclusief delen van aan elkaar grenzende lidstaten, een stimulans betekenen voor hun individuele en collectieve gasleveringszekerheid:

Polen en de drie Oostzeestaten (Estland, Letland en Litouwen),

het Iberisch schiereiland (Spanje en Portugal) en Frankrijk,

Ierland en het Verenigd Koninkrijk,

Bulgarije, Griekenland en Roemenië,

Denemarken en Zweden,

Slovenië, Italië, Oostenrijk, Hongarije en Roemenië,

Polen en Duitsland,

Frankrijk, Duitsland, België, Nederland en Luxemburg,

Duitsland, de Tsjechische Republiek en Slowakije,

overige.

Indien dat nodig en passend is, kan de onderlinge regionale samenwerking tussen de lidstaten worden uitgebreid ter versterking van de samenwerking met naburige landen, vooral als het „gaseilanden” betreft, en dan met name met het oog op de verbetering van de interconnecties. De lidstaten kunnen ook deel uitmaken van verschillende samenwerkingsverbanden.


12.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/23


VERORDENING (EU) Nr. 995/2010 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 oktober 2010

tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité voor de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bossen bieden een grote variëteit aan ecologische, economische en sociale voordelen, waaronder hout, andere bosproducten en milieudiensten die van essentieel belang zijn voor de mensheid, zoals handhaving van de biodiversiteit en de functies van het ecosysteem en bescherming van het klimaatsysteem.

(2)

Als gevolg van de wereldwijde, groeiende vraag naar hout en houtproducten en de institutionele en bestuurlijke tekortkomingen die kenmerkend zijn voor de bosbouwsector in een aantal houtproducerende landen, krijgen de illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel een steeds verontrustender karakter.

(3)

Illegale houtkap is een zeer ernstig probleem van groot internationaal belang. Het vormt een belangrijke bedreiging voor de bossen, want het draagt bij tot de ontbossing en aantasting van de bossen, die verantwoordelijk zijn voor 20 % van de wereldwijde CO2-emissies. Illegale houtkap bedreigt de biodiversiteit en ondermijnt duurzaam bosbeheer en duurzame bosontwikkeling, met inbegrip van de commerciële levensvatbaarheid van marktdeelnemers die volgens de geldende wetgeving opereren. Het draagt ook bij tot woestijnvorming en bodemerosie en kan extreme weersomstandigheden en overstromingen verergeren. Bovendien heeft illegale houtkap ook sociale, politieke en economische implicaties die vaak de ontwikkeling van goed bestuur ondermijnen, en een bedreiging vormen voor lokale gemeenschappen die voor hun overleven van het bos afhankelijk zijn, en kan het in verband worden gebracht met gewapende conflicten. Het aanpakken van het probleem van de illegale houtkap in het kader van deze verordening levert naar verwachting op een kosteneffectieve wijze een belangrijke bijdrage aan de EU-inspanningen tot tempering van de klimaatverandering en moet worden gezien als een aanvulling op de activiteiten en toezeggingen van de Unie in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

(4)

In Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002, tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (3) worden de volgende prioritaire acties vastgesteld: bestudering van de mogelijkheden om actieve maatregelen te nemen ter voorkoming en bestrijding van de handel in illegaal gekapt hout, en continuering van de actieve deelname van de Unie en de lidstaten in de uitvoering van de mondiale en regionale resoluties en overeenkomsten over kwesties die verband houden met bossen.

(5)

In de mededeling van de Commissie van 21 mei 2003, getiteld „Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT): voorstel voor een EU-actieplan”, is een pakket maatregelen voorgesteld ter ondersteuning van de internationale inspanningen om het probleem van de illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel uit de wereld te helpen in de context van de algemene inspanningen van de Unie om te streven naar een duurzaam bosbeheer.

(6)

Het Europees Parlement en de Raad hebben onderkend dat de Unie moet bijdragen tot de wereldwijde inspanningen om het probleem van de illegale houtkap aan te pakken, en zij hebben die mededeling derhalve verwelkomd.

(7)

In overeenstemming met het doel van die mededeling, namelijk ervoor zorgen dat alleen houtproducten die overeenkomstig de nationale wetgeving van het houtproducerende land zijn geproduceerd, de Unie binnen kunnen komen, voert de Unie met houtproducerende landen („partnerlanden”) onderhandelingen over vrijwillige partnerschapsovereenkomsten („FLEGT VPA’s”) die de partijen juridisch verplichten een vergunningenstelsel in te voeren en de handel in hout en houtproducten waarop die FLEGT VPA’s betrekking hebben, te reguleren.

(8)

Gezien de grote schaal en de urgentie van het probleem, moet de bestrijding van de illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel actief worden gesteund, moet het FLEGT VPA-initiatief worden aangevuld en versterkt, en moet een grotere synergie tot stand worden gebracht tussen beleid dat erop gericht is de bossen in stand te houden en beleid dat streeft naar een hoog niveau van milieubescherming, onder meer door de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit te bestrijden.

(9)

De inspanningen van de landen die met de Unie in het kader van FLEGT een VPA hebben gesloten, en de in de VPA’s vervatte beginselen, met name ten aanzien van de definitie van het begrip legaal geproduceerd hout, moeten worden erkend en landen moeten meer worden aangemoedigd in het kader van FLEGT een VPA te sluiten. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat in het kader van het FLEGT-vergunningenstelsel alleen overeenkomstig de betrokken nationale wetgeving gekapt hout en houtproducten afkomstig van dit hout naar de Unie worden uitgevoerd. Daartoe moet hout dat is verwerkt in de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (4) genoemde producten van oorsprong uit de in bijlage I bij die verordening genoemde partnerlanden worden beschouwd als legaal gekapt, op voorwaarde dat zij aan die verordening en de bepalingen ter uitvoering daarvan voldoen.

(10)

Er moet rekening worden gehouden met het feit dat de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) van de bij die overeenkomst aangesloten partijen eist dat zij alleen een Cites-uitvoervergunning afgeven wanneer een soort die in de Cites-lijst is opgenomen, met name overeenkomstig de wetgeving van het uitvoerende land is verzameld. Derhalve moet hout, opgenomen in de lijsten in de bijlage A, B of C bij Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (5) als legaal gekapt worden beschouwd, op voorwaarde dat het aan die verordening en de bepalingen ter uitvoering daarvan voldoet.

(11)

Ermee rekening houdend dat het gebruik van gerecycleerd hout en houtproducten moet worden aangemoedigd en dat het tot een onevenredige last voor marktdeelnemers zou leiden wanneer dergelijke producten ook onder deze verordening zouden vallen, moeten gebruikt hout en houtproducten die hun levenscyclus hebben voltooid, en die anders als afval zouden worden verwijderd, worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening.

(12)

Een van de maatregelen van deze verordening moet het voor het eerst op de interne markt brengen van illegaal gekapt hout of producten van dergelijk hout verbieden. Rekening houdend met de complexiteit van illegale houtkap, en met de onderliggende factoren en de effecten daarvan, moeten specifieke maatregelen worden genomen, zoals die welke beogen het gedrag van de marktdeelnemers te beïnvloeden.

(13)

In de context van het FLEGT-actieplan kunnen de Commissie en, waar nodig, de lidstaten studies en onderzoek verrichten en steunen naar de mate waarin illegale houtkap plaatsvindt en de aard van de illegale houtkap in de verschillende landen en deze informatie voor het publiek toegankelijk maken, alsmede de praktische begeleiding van marktdeelnemers steunen inzake de geldende wetgeving in de houtproducerende landen.

(14)

Bij gebreke van een internationaal overeengekomen definitie van illegale houtkap moet op grond van de wetgeving van het land waar het hout is gekapt, met inbegrip van administratieve bepalingen alsmede de implementatie in dat land van de relevante internationale overeenkomsten waarbij dat land is aangesloten, worden bepaald wat onder illegale houtkap wordt verstaan.

(15)

Veel houtproducten ondergaan talrijke processen voordat en nadat zij voor de eerste maal op de interne markt zijn gebracht. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, moeten enkel de marktdeelnemers die hout en houtproducten voor de eerste maal op de interne markt brengen zich houden aan het stelsel van zorgvuldigheidseisen, terwijl een handelaar in de distributieketen moet worden verplicht om basisinformatie te verstrekken over de leverancier en de koper zodat het hout en de houtproducten kunnen worden getraceerd.

(16)

Uitgaande van een stelselmatige aanpak, moeten marktdeelnemers die hout of houtproducten voor de eerste maal op de interne markt aanbieden, passende stappen nemen om zich ervan te vergewissen dat er geen illegaal gekapt hout en producten van dergelijk hout op de interne markt worden aangeboden. Daartoe moeten marktdeelnemers de nodige zorgvuldigheid betrachten om door middel van een stelsel van maatregelen en procedures het risico te minimaliseren dat zij illegaal gekapt hout en producten daarvan op de interne markt brengen.

(17)

Het stelsel van zorgvuldigheidseisen omvat drie elementen die inherent zijn aan risicobeheer: toegang tot informatie, risicobeoordeling en beperking van het onderkende risico. Het stelsel van zorgvuldigheidseisen moet toegang bieden tot informatie over de bronnen en leveranciers van hout en houtproducten die voor het eerst op de interne markt worden gebracht, waaronder relevante informatie zoals naleving van de toepasselijke wetgeving, het land van herkomst, de soorten en de hoeveelheid, en in voorkomend geval de subnationale regio en de kapconcessie. Op grond van deze informatie dienen marktdeelnemers een risicobeoordeling te verrichten. Wanneer een risico is onderkend, dienen de marktdeelnemers dit risico te beperken op een wijze die evenredig is met het onderkende risico, om te voorkomen dat illegaal gekapt hout en producten daarvan op de interne markt worden gebracht.

(18)

Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, moet van marktdeelnemers die reeds gebruikmaken van systemen of procedures die voldoen aan de eisen van deze verordening, niet worden verlangd nieuwe systemen op te zetten.

(19)

Om goede praktijken in de bosbouwsector te erkennen, mogen certificering of andere regelingen van derde partijen die controle op de naleving van de geldende wetgeving omvatten, worden gebruikt in de risicobeoordelingsprocedure.

(20)

De houtsector is van groot belang voor de economie van de Unie. Organisaties van marktdeelnemers zijn belangrijke actoren in de sector, aangezien zij de belangen van de marktdeelnemers op grote schaal vertegenwoordigen en contact onderhouden met veel verschillende belanghebbenden. Die organisaties beschikken ook over de deskundigheid en de capaciteit om de toepasselijke wetgeving te analyseren en het naleven ervan door hun leden te vergemakkelijken, maar mogen die competenties niet gebruiken om de markt te domineren. Om de uitvoering van deze verordening te vergemakkelijken en tot de ontwikkeling van goede praktijken bij te dragen, moet erkenning worden verleend aan organisaties die stelsels van zorgvuldigheidseisen hebben opgesteld die de voorschriften van deze verordening naleven. Erkenning en de intrekking van erkenning van toezichthoudende organisaties moeten op een eerlijke en transparante wijze geschieden. Er moet een lijst van dergelijke erkende organisaties worden bekendgemaakt om de marktdeelnemers in staat te stellen van dergelijke organisaties gebruik te maken.

(21)

De bevoegde autoriteiten moeten met regelmatige tussenpozen controles uitvoeren op de toezichthoudende organisaties om na te gaan of zij daadwerkelijk voldoen aan de verplichtingen krachtens deze verordening. Bovendien moeten de bevoegde autoriteiten zich inspannen om controles uit te voeren als zij beschikken over relevante informatie, met inbegrip van door derden geuite bezwaren.

(22)

De bevoegde autoriteiten moeten erop toezien dat de marktdeelnemers daadwerkelijk de in deze verordening neergelegde verplichtingen vervullen. Daartoe moeten de bevoegde autoriteiten officiële controles uitvoeren, eventueel in overeenstemming met een plan, die ook controles kunnen omvatten in de gebouwen van marktdeelnemers en controles ter plaatse en moeten zij kunnen eisen dat marktdeelnemers waar nodig corrigerende maatregelen nemen. Bovendien moeten de bevoegde autoriteiten zich inspannen om controles uit te voeren als zij beschikken over relevante informatie, met inbegrip van door derden geuite bezwaren.

(23)

De bevoegde autoriteiten moeten een register van de controles bijhouden en de relevante informatie moet toegankelijk worden gemaakt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (6).

(24)

Gezien het internationale karakter van illegale houtkap, moeten de bevoegde autoriteiten onderling en met de overheidsdiensten van derde landen en met de Commissie samenwerken.

(25)

Om het marktdeelnemers die hout of houtproducten op de interne markt aanbieden gemakkelijker te maken te voldoen aan de voorschriften van deze verordening, mogen lidstaten, waar nodig bijgestaan door de Commissie, met het oog op de situatie van kleine en middelgrote bedrijven, technische en andere bijstand verlenen aan marktdeelnemers en de uitwisseling van informatie faciliteren. Deze bijstand ontslaat marktdeelnemers niet van hun plicht om de nodige zorgvuldigheid te betrachten.

(26)

Handelaren en toezichthoudende organisaties moeten afzien van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstelling van deze verordening in gevaar kunnen brengen.

(27)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat overtredingen van deze verordening, onder andere door marktdeelnemers, handelaren en toezichthoudende organisaties, met doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende straffen worden bestraft. In nationale regelgeving mag worden bepaald dat, nadat er doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende straffen zijn toegepast wegens overtredingen van het verbod om illegaal gekapt hout of producten van dergelijk hout op de interne markt aan te bieden, dergelijk hout of houtproducten niet noodzakelijkerwijs vernietigd hoeven te worden maar in plaats daarvan voor het algemeen belang mogen worden gebruikt of aangewend.

(28)

Om aan de doelstelling van deze verordening te voldoen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om, overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot procedures voor de erkenning en de intrekking van erkenningen van toezichthoudende organisaties, met betrekking tot risicobeoordelingscriteria die nodig kunnen zijn ter aanvulling van die waarin deze verordening voorziet en met betrekking tot de lijst van hout en houtproducten waarop deze verordening van toepassing is. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer van deskundigen.

(29)

Om te zorgen voor uniforme omstandigheden voor uitvoering, moeten er uitvoeringsbevoegdheden worden verleend aan de Commissie om gedetailleerde voorschriften goed te keuren ten aanzien van de frequentie en de aard van de controles door de bevoegde autoriteiten op de toezichthoudende organisaties en op de stelsels van zorgvuldigheidseisen behalve ten aanzien van verdere relevante risicobeoordelingscriteria. Overeenkomstig artikel 291 van de VWEU worden de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren, vooraf volgens de gewone wetgevingsprocedure bij verordening vastgelegd. In afwachting van de vaststelling van die nieuwe verordening blijft Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie (7) verleende uitvoeringsbevoegdheden van toepassing, met uitzondering van de regelgevingsprocedure met toetsing, die niet van toepassing is.

(30)

Marktdeelnemers en de bevoegde autoriteiten moeten een redelijke termijn krijgen om zich voor te bereiden om aan de eisen van deze verordening te voldoen.

(31)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, te weten de bestrijding van illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege haar reikwijdte, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de verplichtingen vastgesteld van marktdeelnemers die voor de eerste maal hout en houtproducten op de interne markt brengen, alsmede de verplichtingen van handelaren.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)   „hout en houtproducten”: het hout en de houtproducten die in de bijlage worden genoemd, met uitzondering van houtproducten of bestanddelen van dergelijke producten die vervaardigd zijn van hout of houtproducten die hun levenscyclus hebben voltooid en anders zouden worden verwijderd als afval, als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen (8);

b)   „op de markt brengen”: het op enigerlei wijze, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, voor de eerste maal leveren van hout of houtproducten op de interne markt met het oog op distributie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit, hetzij tegen betaling hetzij kosteloos. Hieronder wordt ook verstaan het leveren door middel van communicatie op afstand als bedoeld in Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (9). De levering op de interne markt van houtproducten die zijn afgeleid van hout of houtproducten die reeds op de interne markt zijn gebracht, geldt niet als „op de markt brengen”;

c)   „marktdeelnemer”: een natuurlijke of rechtspersoon die hout of houtproducten op de markt brengt;

d)   „handelaar”: een natuurlijke of rechtspersoon die in het kader van een handelsactiviteit op de interne markt hout of houtproducten koopt of verkoopt die reeds op de interne markt zijn gebracht;

e)   „land waar het hout is gekapt”: het land of gebied waar het hout of het in de houtproducten verwerkte hout is gekapt;

f)   „legaal gekapt”: gekapt overeenkomstig de toepasselijke wetgeving in het land waar het hout is gekapt;

g)   „illegaal gekapt”: gekapt in strijd met de toepasselijke wetgeving in het land waar het hout is gekapt;

h)   „toepasselijke wetgeving”: de wetgeving die van kracht is in het land waar het hout is gekapt en die betrekking heeft op de volgende aangelegenheden:

rechten tot houtkap binnen in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte grenzen,

betalingen voor houtkaprechten en hout, inclusief heffingen in verband met houtkap,

houtkap, met inbegrip van milieu- en boswetgeving, daarin opgenomen bosbeheer en het behoud van biologische diversiteit indien rechtstreeks verband houdend met de houtkap,

door houtkap geschonden wettelijke rechten van derden betreffende grondgebruik en grondbezit, alsmede

handel en douane, voor zover van toepassing op de bosbouwsector.

Artikel 3

Status van hout en houtproducten die onder FLEGT en Cites vallen

Het hout dat is verwerkt in houtproducten genoemd in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 2173/2005 en die van oorsprong uit de in bijlage I bij die verordening genoemde partnerlanden zijn en die aan die verordening en de bepalingen ter uitvoering daarvan voldoen, wordt voor de toepassing van deze verordening beschouwd als legaal gekapt.

Hout van de in de bijlagen A, B of C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten, dat aan die verordening en de bepalingen ter uitvoering daarvan voldoet, wordt voor de toepassing van deze verordening als legaal gekapt beschouwd.

Artikel 4

Verplichtingen van de marktdeelnemers

1.   Het op de markt brengen van illegaal gewonnen hout of producten van dergelijk hout is verboden.

2.   De marktdeelnemers betrachten zorgvuldigheid wanneer zij hout of houtproducten op de markt brengen. Daartoe passen zij een geheel van procedures en maatregelen toe, hierna „stelsel van zorgvuldigheidseisen” genoemd, dat in artikel 6 wordt omschreven.

3.   Iedere marktdeelnemer handhaaft en evalueert op gezette tijden het zorgvuldigheidsstelsel dat hij gebruikt, behalve wanneer de marktdeelnemer gebruik maakt van een zorgvuldigheidsstelsel dat is ingevoerd door een toezichthoudende organisatie als bedoeld in artikel 8. Bestaande stelsels van toezicht uit hoofde van nationale wetgeving en vrijwillige mechanismen voor doorlopende controle in de gehele toeleveringsketen, die voldoen aan de voorwaarden in deze verordening, kunnen als basis dienen voor het stelsel van zorgvuldigheidseisen.

Artikel 5

Verplichte traceerbaarheid

De handelaren moeten in elk stadium van de distributieketen kunnen aangeven:

a)

welke marktdeelnemers of interne handelaren het hout en de houtproducten hebben geleverd; alsmede,

b)

indien van toepassing, aan welke handelaren zij het hout en de houtproducten hebben geleverd.

De handelaren bewaren de in de eerste alinea bedoelde gegevens gedurende ten minste vijf jaar en doen die gegevens toekomen aan de bevoegde autoriteiten op verzoek daarvan.

Artikel 6

Stelsels van zorgvuldigheidseisen

1.   Het in artikel 4, lid 2, bedoelde stelsel van zorgvuldigheidseisen behelst de volgende elementen:

a)

maatregelen en procedures om toegang te bieden tot de volgende informatie over de partij hout en houtproducten van de marktdeelnemer die op de markt worden gebracht:

beschrijving, met inbegrip van de handelsnaam en het type product alsmede de gebruikelijke benaming van de boomsoort en, indien van toepassing, de volledige wetenschappelijke benaming daarvan,

land waar het hout is gekapt en, indien van toepassing:

i)

het subnationale gebied waar het hout is gekapt; alsmede

ii)

de kapconcessie,

hoeveelheid (uitgedrukt in omvang, gewicht of aantal eenheden),

naam en adres van de persoon die het hout aan de marktdeelnemer heeft geleverd,

naam en adres van de handelaar aan wie het hout of de producten daarvan zijn geleverd,

documenten of andere informatie waaruit blijkt dat het hout of de houtproducten in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving zijn;

b)

risicobeoordelingsprocedures die de marktdeelnemer in staat stellen om het risico dat illegaal gekapt hout of houtproducten van dergelijk hout op de markt worden gebracht, te analyseren en in te schatten.

In dergelijke procedures wordt rekening gehouden met de informatie onder a), alsook de relevante risicobeoordelingscriteria, waaronder:

verzekering van de naleving van de geldende wetgeving, die certificering kan omvatten of andere door derde partijen gecontroleerde regelingen die de naleving van geldende wetgeving betreffen,

prevalentie van illegale kap van specifieke boomsoorten,

prevalentie van illegale kap of praktijken in het land en/of het subnationale gebied waar het hout gekapt is, inclusief de inachtneming van de prevalentie van gewapende conflicten,

sancties op de in- of uitvoer van hout, opgelegd door de Veiligheidsraad van de VN of de Raad van Europa,

de complexiteit van de toeleveringsketen van hout en houtproducten;

c)

behalve wanneer het bij onder b) bedoelde risicobeoordelingsprocedures onderkende risico verwaarloosbaar is, risicobeperkingsprocedures welke bestaan in een geheel van maatregelen en procedures die in verhouding staan tot dat risico en die toereikend zijn om het effectief te minimaliseren, in voorkomend geval door het verlangen van bijkomende informatie of bescheiden en/of door het verlangen van controles door derden. Dergelijke risicobeperkingsprocedures zijn niet van toepassing indien het onderkende risico verwaarloosbaar is.

2.   Nadere regels om de uniforme uitvoering van lid 1, behalve wat betreft verdere relevante risicobeoordelingscriteria zoals bedoeld in lid 1, onder b), tweede zin, van dit artikel te waarborgen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure in artikel 18, lid 2. Deze regels worden uiterlijk 3 juni 2012 vastgesteld.

3.   Rekening houdend met marktontwikkelingen en bij de toepassing van deze verordening opgedane ervaring, zoals die in het bijzonder is vastgesteld dankzij de in artikel 13 bedoelde uitwisseling van informatie en de in artikel 20, lid 3, bedoelde rapportage, mag de Commissie overeenkomstig artikel 290 van de VWEU, gedelegeerde handelingen vaststellen met betrekking tot verdere relevante risicobeoordelingscriteria die nodig kunnen zijn ter aanvulling van die als bedoeld in lid 1, onder b), tweede zin, van dit artikel om de doelmatigheid van het stelsel van zorgvuldigheidseisen te waarborgen.

Op de in dit lid genoemde gedelegeerde handelingen zijn de procedures van de artikelen 15, 16 en 17 van toepassing.

Artikel 7

Bevoegde autoriteiten

1.   Elke lidstaat wijst een of meer voor de uitvoering van deze verordening bevoegde autoriteiten aan.

De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 3 juni 2011 de naam en het adres van de bevoegde autoriteiten mee. De lidstaten stellen de Commissie ook in kennis van elke wijziging van de naam of het adres van de bevoegde autoriteiten.

2.   De Commissie maakt een lijst van de bevoegde autoriteiten toegankelijk voor het publiek, onder meer op het internet. De lijst wordt regelmatig bijgewerkt.

Artikel 8

Toezichthoudende organisaties

1.   Een toezichthoudende organisatie moet:

a)

een stelsel van zorgvuldigheidseisen als uiteengezet in artikel 6 in stand houden en op gezette tijden evalueren en marktdeelnemers het recht verlenen daarvan gebruik te maken;

b)

toezien op het correcte gebruik van haar stelsel van zorgvuldigheidseisen door die marktdeelnemers;

c)

passende maatregelen nemen indien een marktdeelnemer nalaat naar behoren gebruik te maken van haar stelsel van zorgvuldigheidseisen, waaronder het verwittigen van de bevoegde autoriteiten in geval van aanzienlijke of herhaalde nalatigheid van de marktdeelnemer.

2.   Een organisatie kan een aanvraag tot erkenning als toezichthoudende organisatie indienen mits zij de volgende vereisten vervult:

a)

zij heeft rechtspersoonlijkheid en is legaal in de Unie gevestigd;

b)

zij beschikt over de nodige expertise en bevoegdheid om de in lid 1 bedoelde taken te vervullen; alsmede

c)

zij draagt er zorg voor dat zij haar taken zonder enig belangenconflict verricht.

3.   Een aanvrager die aan de in lid 2 gestelde eisen voldoet, wordt door de Commissie na raadpleging van de betrokken lidsta(a)t(en) erkend als toezichthoudende organisatie.

Het besluit tot erkenning van een toezichthoudende organisatie moet door de Commissie ter kennis worden gebracht aan de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten.

4.   De bevoegde autoriteiten voeren op gezette tijden controles uit om na te gaan of de toezichthoudende organisaties die binnen het rechtsgebied van de bevoegde autoriteiten werkzaam zijn, nog altijd de in lid 1 genoemde taken vervullen en de in lid 2 genoemde eisen naleven. Controles mogen ook worden uitgevoerd wanneer de bevoegde autoriteit beschikt over relevante informatie, met inbegrip van concrete aanwijzingen van derden, of wanneer de toezichthoudende organisatie heeft geconstateerd dat marktdeelnemers tekortschieten bij de tenuitvoerlegging van het door een toezichthoudende organisatie ingevoerde stelsel van zorgvuldigheidseisen. Een verslag van de controles wordt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG toegankelijk gemaakt.

5.   Indien een bevoegde autoriteit bepaalt dat een toezichthoudende organisatie niet langer de in lid 1 genoemde functies vervult of de in lid 2 genoemde eisen naleeft, stelt zij de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

6.   De Commissie trekt de erkenning van een toezichthoudende organisatie in, met name op grond van de uit hoofde van lid 5 verstrekte informatie, wanneer zij heeft vastgesteld dat de toezichthoudende organisatie niet langer de in lid 1 genoemde taken vervult of de in lid 2 genoemde eisen naleeft. Vóór de intrekking van de erkenning van een toezichthoudende organisatie door de Commissie worden de betrokken lidstaten hierover geïnformeerd.

Het besluit tot intrekking van de erkenning van een toezichthoudende organisatie moet door de Commissie ter kennis worden gebracht aan de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten.

7.   Teneinde de procedureregels voor de erkenning en de intrekking van erkenningen van toezichthoudende organisaties aan te vullen en, indien de ervaring dit vereist, te wijzigen, mag de Commissie overeenkomstig artikel 290 van de VWEU, gedelegeerde handelingen vaststellen, waarbij zij er zorg voor draagt dat de erkenning en de intrekking van een erkenning op eerlijke en transparante wijze geschieden.

Op de in dit lid genoemde gedelegeerde handelingen zijn de procedures van de artikelen 15, 16 en 17 van toepassing. Deze handelingen worden uiterlijk 3 maart 2012 vastgesteld.

8.   Nadere regels voor de frequentie en de aard van de in lid 4 bedoelde controles die nodig zijn om het effectieve toezicht op toezichthoudende organisaties en de uniforme uitvoering van dat lid te waarborgen, worden aangenomen volgens de regelgevingsprocedure in artikel 18, lid 2. Deze regels worden uiterlijk 3 juni 2012 vastgesteld.

Artikel 9

Lijst van toezichthoudende organisaties

De Commissie maakt de lijst van toezichthoudende organisaties bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie, reeks C, en op haar website. De lijst wordt regelmatig bijgewerkt.

Artikel 10

Controle van marktdeelnemers

1.   De bevoegde autoriteiten voeren controles uit om na te gaan of de marktdeelnemers aan de in de artikelen 4 en 6 vastgestelde eisen voldoen.

2.   De in lid 1 bedoelde controles worden uitgevoerd volgens een periodiek bijgewerkt plan uitgaande van een risicobenadering. Bovendien mogen er controles worden uitgevoerd wanneer een bevoegde autoriteit beschikt over relevante informatie, met inbegrip van concrete aanwijzingen van derden, betreffende de naleving van deze verordening door een marktdeelnemer.

3.   De in lid 1 bedoelde controles kunnen onder meer betrekking hebben op:

a)

onderzoek naar het stelsel van zorgvuldigheidseisen, met inbegrip van de risico-evaluatie en de procedures tot vermindering van de risico’s;

b)

onderzoek van documentatie en gegevens die het behoorlijk functioneren van het stelsel van zorgvuldigheidseisen en de procedures aantonen;

c)

controles ter plaatse, met inbegrip van audits ter plaatse.

4.   De marktdeelnemers moeten alle assistentie verlenen die nodig is om het verrichten van de in lid 1 bedoelde controles te vergemakkelijken, met name wat betreft de toegang tot bedrijfsruimten en het overleggen van documentatie of gegevens.

5.   Onverminderd artikel 19 kunnen de bevoegde autoriteiten, indien er naar aanleiding van de in lid 1 genoemde controles tekortkomingen zijn vastgesteld, een kennisgeving van door de marktdeelnemer te nemen corrigerende maatregelen afgeven. Bovendien kunnen de lidstaten, afhankelijk van de ernst van de vastgestelde tekortkomingen, onmiddellijke maatregelen nemen, zoals:

a)

de inbeslagname van hout en houtproducten;

b)

een verbod om hout en houtproducten te verhandelen.

Artikel 11

Registratie van de controles

1.   De bevoegde autoriteiten registreren de in artikel 10, lid 1, bedoelde controles, waarbij zij met name de aard en de resultaten van de controles aangeven, alsmede eventuele corrigerende maatregelen waarvan kennis wordt gegeven uit hoofde van artikel 10, lid 5. De gegevens van alle controles worden ten minste vijf jaar bewaard.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens worden toegankelijk gemaakt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG.

Artikel 12

Samenwerking

1.   De bevoegde autoriteiten werken met elkaar, met de overheden van derde landen en met de Commissie samen om de naleving van deze verordening te garanderen.

2.   De bevoegde autoriteiten wisselen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en met de Commissie informatie uit over ernstige tekortkomingen die door middel van de in artikel 8, lid 4, en artikel 10, lid 1, bedoelde controles aan het licht zijn gekomen en over de typen sancties die overeenkomstig artikel 19 zijn opgelegd.

Artikel 13

Verlenen van technische bijstand en advies, en informatie-uitwisseling

1.   Onverminderd de verplichting van de marktdeelnemer om zorgvuldigheid te betrachten overeenkomstig artikel 4, lid 2, mogen de lidstaten, waar nodig bijgestaan door de Commissie, technische en andere bijstand verstrekken en adviezen geven aan de marktdeelnemers, daarbij ook rekening houdend met de situatie van de kleine en middelgrote ondernemingen, om het voor hen gemakkelijker te maken de eisen van onderhavige verordening te respecteren, in het bijzonder bij de uitvoering van het stelsel van zorgvuldigheidseisen overeenkomstig artikel 6.

2.   De lidstaten mogen, waar nodig bijgestaan door de Commissie, de uitwisseling en verspreiding van relevante informatie over illegale houtkap vergemakkelijken, met name om de marktdeelnemers bij te staan bij de risicobeoordeling als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), en over de beste praktijken betreffende de tenuitvoerlegging van deze verordening.

3.   De bijstand wordt op zodanige wijze verleend dat de verantwoordelijkheden van de bevoegde autoriteiten hierdoor niet worden aangetast en hun onafhankelijkheid bij het toezicht op de naleving van de richtlijn gehandhaafd blijft.

Artikel 14

Wijzigingen van de bijlage

Teneinde rekening te houden, enerzijds, met bij de toepassing van deze verordening opgedane ervaring, in het bijzonder als vastgesteld door middel van de in artikel 20, leden 3 en 4, bedoelde rapportage, en door middel van de in artikel 13 genoemde uitwisseling van informatie en, anderzijds, met de ontwikkelingen betreffende de technische kenmerken, de eindgebruikers en de productieprocessen van hout en houtproducten, mag de Commissie overeenkomstig artikel 290 van de VWEU, gedelegeerde handelingen vaststellen tot wijziging en aanvulling van de in de bijlage vastgestelde lijst van hout en houtproducten. Deze handelingen brengen geen voor de marktdeelnemers onevenredige belasting met zich.

Op de in dit artikel genoemde gedelegeerde handelingen zijn de procedures van de artikelen 15, 16 en 17 van toepassing.

Artikel 15

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid tot vaststelling van de gedelegeerde handelingen bedoeld in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 7, en artikel 14, wordt aan de Commissie verleend voor een periode van zeven jaar met ingang van 2 december 2010. De Commissie stelt over de gedelegeerde handelingen uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van een periode van drie jaar na de datum van toepassing van deze verordening een verslag op. De delegatie van bevoegdheden wordt automatisch met dezelfde periode verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad die bevoegdheid intrekt overeenkomstig artikel 16.

2.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft gesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

3.   De aan de Commissie toegekende bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, is onderworpen aan de voorwaarden die worden gesteld in de artikelen 16 en 17.

Artikel 16

Intrekking van de delegatie

1.   De delegatie van bevoegdheden bedoeld in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 7, en artikel 14, kan door het Europees Parlement of de Raad te allen tijde worden ingetrokken.

2.   De instelling die een interne procedure is begonnen om te besluiten of zij de delegatie van de bevoegdheden wenst in te trekken, streeft ernaar de andere instelling en de Commissie hiervan binnen een redelijke tijd voordat het definitieve besluit wordt genomen op de hoogte te brengen en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden kunnen worden ingetrokken en de eventuele redenen voor een intrekking.

3.   Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in dat besluit worden vermeld. Het besluit treedt onmiddellijk of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld in werking. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 17

Bezwaren tegen gedelegeerde handelingen

1.   Het Europees Parlement of de Raad kunnen binnen twee maanden na de datum van kennisgeving bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met twee maanden verlengd.

2.   Indien noch het Europees Parlement noch de Raad bij het verstrijken van deze termijn bezwaar hebben aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, wordt deze bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij in werking op de daarin vermelde datum.

De gedelegeerde handeling kan worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en vóór het verstrijken van de betrokken periode in werking treden indien het Europees Parlement en de Raad beide de Commissie hebben doen weten geen bezwaar te zullen aantekenen.

3.   Indien het Europees Parlement of de Raad bezwaar aantekent tegen een gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De instelling die bezwaar aantekent tegen de gedelegeerde handeling, geeft aan om welke redenen zij dit doet.

Artikel 18

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT-Comité) dat is ingesteld uit hoofde van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2173/2005.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bepaalde termijn wordt vastgelegd op drie maanden.

Artikel 19

Sancties

1.   De lidstaten stellen regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn bij inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat ze worden uitgevoerd.

2.   De administratieve sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en kunnen onder andere omvatten:

a)

boetes die evenredig zijn aan de milieuschade, aan de waarde van het betrokken hout of de betrokken houtproducten en aan de belastingderving en economische nadelen die het gevolg zijn van de inbreuk; het niveau van deze boetes wordt zo berekend dat wordt gewaarborgd dat aan de verantwoordelijke personen de economische voordelen die zij aan hun ernstige inbreuken te danken hebben, effectief worden ontnomen, onverminderd hun legitieme recht een beroep uit te oefenen; bij herhaling van een ernstige inbreuk worden de boetes geleidelijk verhoogd;

b)

de inbeslagname van het betrokken hout en de betrokken houtproducten;

c)

onmiddellijke schorsing van de vergunning tot uitoefening van commerciële activiteiten.

3.   De lidstaten stellen de Commissie van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

Artikel 20

Rapportage

1.   Vanaf 3 maart 2013 dienen de lidstaten om de twee jaar uiterlijk op 30 april bij de Commissie een verslag in over de toepassing van deze verordening in de voorgaande twee jaar.

2.   Op basis van deze verslagen stelt de Commissie om de twee jaar een verslag op dat aan het Europees Parlement en de Raad moet worden voorgelegd. Bij de opstelling van dit verslag moet de Commissie rekening houden met de voortgang die geboekt is bij de afsluiting en uitvoering van de FLEGT-VPA’s overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2173/2005 en de bijdrage daarvan tot het minimaliseren van de aanwezigheid op de interne markt van illegaal gekapt hout en producten van dergelijk hout.

3.   Uiterlijk 3 december 2015, en daarna om de zes jaar, evalueert de Commissie de werking en de doeltreffendheid van deze verordening op basis van de rapportage en de ervaringen met de toepassing en de effectiviteit ervan, met inbegrip van het verhinderen dat illegaal gekapt hout en producten van dergelijk hout op de markt worden gebracht. Zij let daarbij met name op de administratieve gevolgen voor het midden- en kleinbedrijf en de onder de werkingssfeer vallende producten. De verslagen kunnen indien nodig vergezeld gaan van passende wetgevingsvoorstellen.

4.   Het eerste van de in lid 3 bedoelde verslagen bevat een evaluatie van de huidige economische en handelssituatie van de Unie met betrekking tot de in hoofdstuk 49 van de gecombineerde nomenclatuur opgesomde producten, waarbij met name rekening wordt gehouden met het concurrentievermogen van de relevante sectoren, teneinde te bepalen of zij worden opgenomen op de lijst van hout en houtproducten, opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag bevat tevens een beoordeling van de doelmatigheid van het verbod om illegaal gekapt hout en producten van dergelijk hout op de markt te brengen, als bepaald in artikel 4, lid 1, alsmede van de stelsels van zorgvuldigheidseisen als bedoeld in artikel 6.

Artikel 21

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij wordt van toepassing op 3 maart 2013. Artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 1, en artikel 8, leden 7 en 8, worden echter van toepassing op 2 december 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 20 oktober 2010.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

O. CHASTEL


(1)  PB C 318 van 23.12.2009, blz. 88.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 22 april 2009 (PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 145), standpunt van de Raad in eerste lezing van 1 maart 2010 (PB C 114 E van 4.5.2010, blz. 17) en standpunt van het Europees Parlement van 7 juli 2010 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(4)  PB L 347 van 30.12.2005, blz. 1.

(5)  PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1.

(6)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(9)  PB L 144 van 4.6.1997, blz. 19.


BIJLAGE

Hout en houtproducten, zoals vastgesteld in de in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87  (1) van de Raad vastgestelde gecombineerde nomenclatuur waarvoor het bepaalde in deze verordening geldt

4401 Brandhout, in de vorm van ronde of andere blokken, rijshout, takkenbossen en dergelijke; hout in plakjes, spanen of kleine stukjes; zaagsel, resten en afval, van hout, ook indien geperst tot blokken, briketten, pellets of dergelijke vormen

4403 Hout, onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd

4406 Houten dwarsliggers en wisselhouten

4407 Hout, overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of met vingerlasverbinding, met een dikte van meer dan 6 mm

4408 Fineerplaten (die verkregen door het snijden van gelaagd hout daaronder begrepen), platen voor de vervaardiging van triplex- en multiplexhout of voor ander op dergelijke wijze gelaagd hout, alsmede ander hout, overlangs gezaagd, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd, met verbinding aan de randen of in de lengte verbonden, met een dikte van niet meer dan 6 mm

4409 Hout (niet-ineengezette plankjes voor parketvloeren daaronder begrepen), waarvan ten minste één zijde over de gehele lengte of uiteinde is geprofileerd (geploegd, van sponningen voorzien, afgerond met V-verbinding of dergelijke), ook indien geschaafd, geschuurd of met stuikverbinding

4410 Spaanplaat, zogenoemde oriented strand board (OSB) en dergelijke plaat (bijvoorbeeld zogenoemde waferboard), van hout of van andere houtachtige stoffen, ook indien samengeperst met harsen of met andere organische bindmiddelen

4411 Vezelplaat van houtvezels of van andere houtachtige vezels, ook indien gebonden met harsen of met andere organische bindmiddelen

4412 Triplex- en multiplexhout, met fineer bekleed hout en op dergelijke wijze gelaagd hout

4413 00 00 Verdicht hout, in blokken, in planken, in stroken of in profielen

4414 00 Houten lijsten voor schilderijen, voor foto’s, voor spiegels en dergelijke

4415 Pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen van hout; kabelhaspels van hout; laadborden, laadkisten en andere laadplateaus van hout; opzetranden voor laadborden, van hout;

(Niet verpakkingsmateriaal dat uitsluitend wordt gebruikt als verpakkingsmateriaal om een ander op de markt gebracht product te ondersteunen, beschermen of dragen.)

4416 00 00 Vaten, kuipen, tobben en ander kuiperswerk, alsmede delen daarvan, van hout, duighout daaronder begrepen

4418 Schrijn- en timmerwerk voor bouwwerken, daaronder begrepen panelen met cellenstructuur, ineengezette panelen voor vloerbedekking en dakspanen („shingles” en „shakes”)

houtpulp en papier van de hoofdstukken 47 en 48 van de gecombineerde nomenclatuur, met uitzondering van producten op basis van bamboe en door terugwinning (uit resten en afval) verkregen producten

9403 30, 9403 40, 9403 50 00, 9403 60 en 9403 90 30 Houten meubels

9406 00 20 Geprefabriceerde bouwwerken


(1)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).


12.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/35


VERORDENING (EU) Nr. 996/2010 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 20 oktober 2010

inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Gezien het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om te garanderen dat de veiligheid van de burgerluchtvaart in Europa van hoog niveau is, moeten alle nodige maatregelen worden genomen om het aantal ongevallen en incidenten te doen afnemen, zodat de burgers vertrouwen in de luchtvaart kunnen hebben.

(2)

Snelle veiligheidsonderzoeken van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart verbeteren de veiligheid van de luchtvaart en helpen herhaling van ongevallen en incidenten te voorkomen.

(3)

Melding, analyse en verspreiding van de bevindingen van veiligheidsincidenten zijn van fundamenteel belang voor de verbetering van de veiligheid in de luchtvaart. Daarom moet de Commissie vóór 31 december 2011 een voorstel tot herziening van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2003 inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart (4) indienen.

(4)

Veiligheidsonderzoeken mogen alleen tot doel hebben in de toekomst ongevallen en incidenten te voorkomen, zonder schuld of aansprakelijkheid vast te stellen.

(5)

Voorts moet rekening worden gehouden met het op 7 december 1944 in Chicago ondertekende Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart („het Verdrag van Chicago”), dat voorziet in de uitvoering van maatregelen die nodig zijn om het veilig gebruik van luchtvaartuigen te verzekeren; met name moet rekening worden gehouden met bijlage 13 bij het Verdrag van Chicago en de latere wijzigingen daarvan, waarin internationale normen en aanbevolen werkwijzen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de luchtvaart worden vastgesteld en de betekenis van de daarin gebruikte begrippen „staat van registratie”, „staat van exploitatie”, „staat van ontwerp”, „staat van vervaardiging” en „staat van het ongeval of incident” wordt vastgelegd.

(6)

Volgens de in bijlage 13 bij het Verdrag van Chicago genoemde internationale normen en aanbevolen werkwijzen moet het onderzoek van ongevallen en ernstige incidenten worden uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de staat waar het ongeval of het ernstige incident plaatsvond, of van de staat van registratie als niet onomstotelijk vastgesteld kan worden dat de plaats van het ongeval of het ernstige incident op het grondgebied van enige staat ligt. Een staat kan de uitvoering van het onderzoek delegeren aan een andere staat of om bijstand verzoeken. Veiligheidsonderzoeken in de Unie dienen op overeenkomstige wijze verricht te worden.

(7)

De lessen die zijn geleerd bij de uitvoering van Richtlijn 94/56/EG van de Raad van 21 november 1994 houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (5), moeten worden gebruikt om de systemen voor onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart in de Unie efficiënter te maken.

(8)

Daarbij moet rekening worden gehouden met de wijzigingen die het institutionele en het regelgevingskader voor de veiligheid van de burgerluchtvaart in de Unie sinds de vaststelling van Richtlijn 94/56/EG hebben ondergaan, en, in het bijzonder, met de oprichting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart („EASA”). Aangezien de veiligheid van de luchtvaart steeds meer op het niveau van de Unie wordt geregeld, moet ook rekening worden gehouden met de EU-dimensie van veiligheidsaanbevelingen.

(9)

Het EASA voert namens de lidstaten de taken van het land van ontwerp, vervaardiging of registratie uit wanneer deze betrekking hebben op de goedkeuring van ontwerpen, zoals gespecificeerd in het Verdrag van Chicago en de bijlage daarbij. Het EASA moet derhalve overeenkomstig bijlage 13 van het Verdrag van Chicago worden verzocht om deel te nemen aan een veiligheidsonderzoek om binnen de grenzen van zijn bevoegdheden bij te dragen tot de efficiëntie van dat onderzoek en de veiligheid van het ontwerp van het luchtvaartuig te garanderen, zonder de onafhankelijke status van het onderzoek in gevaar te brengen. Ook de nationale burgerluchtvaartautoriteiten moet worden verzocht deel te nemen aan veiligheidsonderzoeken.

(10)

Gezien hun veiligheidsverantwoordelijkheden moeten personen die door het EASA en de nationale burgerluchtvaartautoriteiten zijn aangewezen, toegang hebben tot informatie die van belang is om de doeltreffendheid van de veiligheidseisen te beoordelen.

(11)

Om ongevallen en incidenten in de luchtvaart beter te kunnen voorkomen moet het EASA in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ook deelnemen aan de uitwisseling en analyse van gegevens in het kader van de systemen voor de melding van voorvallen overeenkomstig Richtlijn 2003/42/EG, waarbij belangenconflicten vermeden moeten worden. Deze gegevens moeten adequaat worden beschermd tegen onrechtmatig gebruik of onrechtmatige openbaarmaking.

(12)

Erkend wordt dat de deelneming van het EASA en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten aan de uitwisseling en analyse van informatie die onder Richtlijn 2003/42/EG valt, bij veiligheidsonderzoeken benut kan worden door online-toegang tot de relevante met veiligheid verband houdende informatie in het centrale register voor informatie over voorvallen in de burgerluchtvaart.

(13)

Het toepassingsgebied van de veiligheidsonderzoeken moet worden bepaald door de lessen die uit deze onderzoeken kunnen worden getrokken met het oog op de verbetering van de veiligheid van de luchtvaart, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de behoefte aan kostenefficiënte benutting van de onderzoeksmiddelen in de Unie.

(14)

Om belangenconflicten en eventuele externe inmenging bij de vaststelling van de oorzaken van de onderzochte voorvallen te voorkomen, moeten veiligheidsonderzoeken van ongevallen en incidenten door of onder toezicht van een onafhankelijke instantie voor veiligheidsonderzoek worden uitgevoerd.

(15)

De veiligheidsonderzoeksinstanties vormen de spil van het veiligheidsonderzoekproces. Hun werk is van doorslaggevend belang voor het vaststellen van de oorzaken van een ongeval of ernstig incident. Het is dan ook van wezenlijk belang dat zij hun onderzoek volstrekt onafhankelijk kunnen verrichten en dat zij over de financiële en personele middelen beschikken om een goed en doelmatig onderzoek in te stellen.

(16)

De capaciteit van de veiligheidsonderzoeksinstanties van de lidstaten moet worden versterkt; bovendien is samenwerking tussen deze instanties noodzakelijk om het onderzoek en de preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart in de Unie efficiënter te maken.

(17)

De coördinerende rol van de veiligheidsonderzoeksinstanties moet worden erkend en versterkt in een Europese context om echte toegevoegde waarde voor de luchtvaartveiligheid te scheppen door voort te bouwen op de al bestaande samenwerking tussen deze instanties en de in de lidstaten beschikbare onderzoeksmiddelen, die zo kostenefficiënt mogelijk moeten worden aangewend. Deze erkenning en versterking kan het best worden verwezenlijkt door een Europees netwerk van instanties voor veiligheidsonderzoek in de burgerluchtvaart („het netwerk”) met een duidelijk omschreven functie en taken.

(18)

Het netwerk moet zijn coördinerende activiteiten op transparante en onafhankelijke wijze uitvoeren en moet actief worden gesteund door de Unie.

(19)

De doelstellingen van deze verordening kunnen beter worden verwezenlijkt via samenwerking met derde landen, die toestemming kunnen krijgen om als waarnemers deel te nemen aan de werkzaamheden van het netwerk.

(20)

Daar het van wezenlijk belang is te zorgen voor duidelijke rechten voor het veiligheidsonderzoek, dienen de lidstaten, met inachtneming van de geldende wetgeving ten aanzien van de bevoegdheden van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het gerechtelijk onderzoek, en, in voorkomend geval, in nauwe samenwerking met deze autoriteiten, ervoor te zorgen dat de veiligheidsonderzoekinstanties hun taak onder zo goed mogelijke omstandigheden kunnen vervullen in het belang van de burgerluchtvaart. De veiligheidsonderzoeksinstanties moeten daarom onmiddellijk onbeperkte toegang tot de plaats van het ongeval krijgen en over alle middelen kunnen beschikken die nodig zijn om aan de eisen van een veiligheidsonderzoek te voldoen, zonder dat evenwel de doelstellingen van een gerechtelijk onderzoek in gevaar worden gebracht.

(21)

Efficiënt veiligheidsonderzoek is alleen mogelijk als belangrijk bewijsmateriaal goed wordt bewaard.

(22)

Het systeem voor veiligheid van de burgerluchtvaart is gebaseerd op feedback en lessen die zijn getrokken uit ongevallen en incidenten; een en ander vereist strikte toepassing van de geldende regels inzake vertrouwelijkheid teneinde te garanderen dat deze waardevolle bronnen van informatie ook in de toekomst beschikbaar zijn; in deze context moet gevoelige veiligheidsinformatie op adequate wijze worden beschermd.

(23)

Bij een ongeval zijn verschillende openbare belangen aan de orde, zoals de preventie van toekomstige ongevallen en een behoorlijke rechtsbedeling. Deze belangen overstijgen de individuele belangen van de betrokken partijen alsook het specifieke voorval. Om het algemene openbaar belang te beschermen is een juist evenwicht nodig tussen alle belangen.

(24)

In de burgerluchtvaart moet ook gezorgd worden voor een niet-bestraffend klimaat dat spontane melding van voorvallen bevordert en zo bijdraagt tot de ontwikkeling van een „cultuur van billijkheid”.

(25)

De informatie die een persoon in het kader van een veiligheidsonderzoek verstrekt mag niet tegen die persoon worden gebruikt, met volledige inachtneming van de grondwettelijke beginselen en het nationale recht.

(26)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben het aantal gevallen waarin besloten kan worden tot openbaarmaking van in een veiligheidsonderzoek verkregen informatie te beperken, zonder dat dit ten kosten mag gaan van de soepele werking van het justitiële stelsel.

(27)

Om ongevallen en incidenten te voorkomen, is het van belang dat relevante informatie, in het bijzonder verslagen en aanbevelingen voor de veiligheid die worden gedaan op grond van veiligheidsonderzoek, zo snel mogelijk bekend worden gemaakt.

(28)

De veiligheidsaanbevelingen die voortvloeien uit onderzoeken van ongevallen of ernstige incidenten dan wel andere bronnen, zoals veiligheidsstudies, moeten altijd in aanmerking worden genomen door de bevoegde instanties en in voorkomend geval in maatregelen omgezet worden om ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart afdoende te voorkomen.

(29)

Vooruitgang in het onderzoek zowel bij de positiebepaling van luchtvaartuigen in realtime als bij de toegang tot gegevens in de vluchtrecorders zonder dat zij fysiek voorhanden hoeven te zijn, moet worden bevorderd om de middelen waarover de onderzoekers beschikken om de oorzaken van een ongeval te achterhalen, te verbeteren en meer capaciteit te hebben om te voorkomen dat incidenten zich herhalen. Dit zou een belangrijke vooruitgang op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart zijn.

(30)

Uit ervaring is gebleken dat het soms moeilijk is snel betrouwbare lijsten te krijgen van personen die zich aan boord van een luchtvaartuig bevinden, maar tevens dat het belangrijk is een termijn vast te leggen vanaf welke bij de luchtvaartmaatschappij een lijst kan worden opgevraagd. Bovendien moeten de gegevens op die lijsten worden beschermd tegen onrechtmatig gebruik of onrechtmatige openbaarmaking. Tevens moet informatie beschikbaar zijn over de gevaarlijke goederen aan boord van een bij een ongeval betrokken vliegtuig, om de risico’s voor veiligheidsonderzoekers op de plaats van het voorval zo klein mogelijk te maken.

(31)

Het is moeilijk om snel de juiste contactpersoon te vinden, die moet worden gewaarschuwd dat een passagier bij een vliegtuigongeval aan boord is. Passagiers moeten derhalve de mogelijkheid krijgen om een contactpersoon aan te wijzen.

(32)

De bijstand aan slachtoffers van luchtvaartongevallen en hun familieleden moet adequaat worden omschreven.

(33)

De wijze waarop een ongeval en de gevolgen ervan door lidstaten en luchtvaartmaatschappijen worden afgehandeld, is doorslaggevend. De lidstaten moeten hiervoor een noodplan hebben dat met name voorziet in snelle hulpverlening op de luchthaven en het verlenen van bijstand aan de slachtoffers van burgerluchtvaartongevallen en hun familieleden. Luchtvaartmaatschappijen moeten ook een plan hebben voor bijstand aan de slachtoffers van ongevallen in de burgerluchtvaart en hun familieleden. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de ondersteuning van en communicatie met slachtoffers en hun familieleden en hun verenigingen.

(34)

De in de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie vastgelegde voorschriften betreffende gegevens, gegevensverwerking en de bescherming van personen moeten volledig worden nageleefd bij de toepassing van onderhavige verordening.

(35)

Het moet in het bijzonder mogelijk zijn om boeten op te leggen aan personen die in strijd met deze verordening informatie openbaar maken die krachtens deze verordening beschermd is; die de activiteiten van een veiligheidsonderzoeksinstantie hinderen door de onderzoekers te beletten hun taken uit te voeren of door te weigeren nuttige opnames, belangrijke informatie en documenten te verstrekken of door deze te verbergen, te wijzigen of te vernietigen; of die weten dat een ongeval of ernstig incident heeft plaatsgevonden, maar dit niet aan de bevoegde instanties hebben gemeld.

(36)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van onderzoek inzake de veiligheid in de burgerluchtvaart, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de Europese werkingssfeer en gevolgen van deze verordening, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat onderhavige verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(37)

Richtlijn 94/56/EG dient derhalve te worden ingetrokken.

(38)

De ministeriële verklaring over de luchthaven van Gibraltar waarover op 18 september 2006 te Cordoba een akkoord is bereikt tijdens de eerste ministeriële bijeenkomst van het Forum voor dialoog over Gibraltar, zal de op 2 december 1987 te Londen afgelegde gemeenschappelijke verklaring over de luchthaven van Gibraltar vervangen, en de volledige naleving ervan zal als de naleving van de verklaring van 1987 worden beschouwd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze verordening is erop gericht de veiligheid van de luchtvaart te verbeteren door te garanderen dat de efficiëntie, de snelle uitvoering en kwaliteit van Europese veiligheidsonderzoeken in de burgerluchtvaart van hoog niveau zijn, hetgeen uitsluitend tot doel heeft toekomstige ongevallen en incidenten te voorkomen, zonder schuld of aansprakelijkheid vast te stellen, onder meer door de instelling van een Europees netwerk van veiligheidsonderzoeksinstanties in de burgerluchtvaart. De verordening bevat ook regels betreffende de tijdige beschikbaarheid van informatie over alle personen en gevaarlijke goederen aan boord van een luchtvaartuig dat betrokken is bij een ongeval. Ook heeft zij ten doel de bijstand aan slachtoffers van luchtvaartongevallen en hun familieleden te verbeteren.

2.   De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar laat de respectieve rechtsopvattingen van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende het geschil inzake de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven gelegen is, onverlet.

Artikel 2

Definities

Met het oog op de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „ongeval”: een met het gebruik van een luchtvaartuig verband houdend voorval dat, in het geval van een bemand luchtvaartuig, plaatsvindt tussen het tijdstip waarop een persoon zich aan boord begeeft met het voornemen een vlucht uit te voeren en het tijdstip waarop alle personen die zich met dit voornemen aan boord hebben begeven, zijn uitgestapt, of, in het geval van een onbemand luchtvaartuig, tussen het tijdstip waarop het luchtvaartuig klaar is om zich in beweging te zetten met het oog op het uitvoeren van een vlucht tot het tijdstip waarop het tot stilstand komt na het beëindigen van een vlucht en de hoofdaandrijving is stopgezet, waarbij:

zich in het luchtvaartuig bevond,

direct in contact is gekomen met een onderdeel van het luchtvaartuig, inclusief onderdelen die van het luchtvaartuig zijn losgeraakt, of

direct is blootgesteld aan de uitlaatstroom van de reactoren,

behalve wanneer de letsels een natuurlijke oorzaak hebben, door de persoon zelf of door anderen zijn toegebracht, of wanneer de letsels verstekelingen treffen die zich buiten de normale voor de passagiers en de bemanning bedoelde ruimten ophouden; of

2.   „geaccrediteerde vertegenwoordiger”: een persoon die op basis van zijn of haar kwalificaties door een land is aangewezen om deel te nemen aan een door een ander land uitgevoerd veiligheidsonderzoek; een door een lidstaat aangewezen geaccrediteerde vertegenwoordiger is afkomstig van een veiligheidsonderzoeksinstantie;

3.   „adviseur”: een persoon die op basis van zijn kwalificaties door een land is aangewezen om de geaccrediteerde vertegenwoordiger van dat land bij te staan in een veiligheidsonderzoek;

4.   „oorzaken”: handelingen, verzuimen, gebeurtenissen, omstandigheden of een combinatie daarvan die tot het ongeval of incident hebben geleid; de identificatie van ongevallen betekent niet dat de schuld of de administratieve, burgerrechtelijke of strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt vastgesteld;

5.   „dodelijk letsel”: een door een bij een ongeval betrokken persoon opgelopen letsel dat binnen 30 dagen na het tijdstip van het ongeval de dood tot gevolg heeft;

6.   „vluchtrecorder”: elk soort registratietoestel dat in het luchtvaartuig is geïnstalleerd om veiligheidsonderzoeken van ongevallen of incidenten te vergemakkelijken;

7.   „incident”: een voorval, met uitzondering van een ongeval, dat verband houdt met de activiteiten van een luchtvaartuig en dat de veilige exploitatie van dat luchtvaartuig in gevaar brengt of kan brengen;

8.   „internationale normen en aanbevolen werkwijzen”: internationale normen en aanbevolen werkwijzen voor onderzoek van luchtvaartongevallen en -incidenten die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 37 van het Verdrag van Chicago;

9.   „aangewezen onderzoeker”: de persoon die op grond van zijn kwalificaties met de organisatie en de uitvoering van en het toezicht op een veiligheidsonderzoek is belast;

10.   „exploitant”: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een of meer luchtvaartuigen exploiteert of voornemens is te exploiteren;

11.   „betrokken persoon”: de eigenaar, een bemanningslid of de exploitant van het luchtvaartuig dat betrokken is bij een ongeval of ernstig incident, een persoon die betrokken is bij het onderhoud, het ontwerp of de vervaardiging van dat luchtvaartuig of de opleiding van de bemanning ervan, een persoon die betrokken is bij het verlenen van luchtverkeersleidings-, vluchtinformatie- of luchthavendiensten en die diensten voor het luchtvaartuig heeft geleverd, personeelsleden van de nationale burgerluchtvaartautoriteit, of personeel van het EASA;

12.   „voorlopig verslag”: de mededeling waarin gegevens die in de eerste fasen van het onderzoek zijn verkregen, onmiddellijk worden bekendgemaakt;

13.   „familieleden”: de directe familie en/of naaste verwanten en/of andere personen die nauwe banden hebben met het slachtoffer van een ongeval, zoals gedefinieerd in het nationale recht van het slachtoffer;

14.   „veiligheidsonderzoek”: de met het oog op de preventie van ongevallen en incidenten door een veiligheidsonderzoeksinstantie verrichte handelingen, zoals het verzamelen en analyseren van informatie, het trekken van conclusies, met inbegrip van het bepalen van oorzaken en/of bijdragende factoren en, zo nodig, het opstellen van veiligheidsaanbevelingen;

15.   „veiligheidsaanbeveling”: een voorstel van een veiligheidsonderzoeksinstantie, gebaseerd op informatie uit een veiligheidsonderzoek of uit andere bronnen, zoals veiligheidsstudies, dat is opgesteld ter voorkoming van ongevallen en incidenten;

16.   „ernstig incident”: een incident in omstandigheden die zeer waarschijnlijk tot een ongeval zouden hebben geleid dat verband houdt met het gebruik van een luchtvaartuig en dat, in het geval van een bemand luchtvaartuig, plaatsvindt tussen het tijdstip waarop een persoon zich aan boord begeeft met het voornemen een vlucht uit te voeren en het tijdstip waarop alle personen die zich met dit voornemen aan boord hebben begeven, zijn uitgestapt, of, in het geval van een onbemand luchtvaartuig, tussen het tijdstip waarop het luchtvaartuig klaar is om zich in beweging te zetten met het oog op het uitvoeren van een vlucht tot het tijdstip waarop het tot stilstand komt na het beëindigen van een vlucht en de hoofdaandrijving is stopgezet. In de bijlage wordt een lijst met voorbeelden van ernstige incidenten gegeven;

17.   „ernstig letsel”: een door een bij een ongeval betrokken persoon opgelopen letsel dat:

Artikel 3

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op veiligheidsonderzoeken van ongevallen en ernstige incidenten:

a)

die hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de lidstaten waarop de Verdragen van toepassing zijn, overeenkomstig de internationale verplichtingen van de lidstaten;

b)

waarbij luchtvaartuigen betrokken zijn die geregistreerd zijn in een lidstaat of geëxploiteerd worden door een in een lidstaat gevestigde onderneming, en die hebben plaatsgevonden buiten het grondgebied van de lidstaten waarop de Verdragen van toepassing zijn, voor zover het onderzoek niet wordt gevoerd door een ander land;

c)

waarbij een lidstaat overeenkomstig internationale normen en aanbevolen werkwijzen gemachtigd is om een geaccrediteerde vertegenwoordiger aan te wijzen om deel te nemen als land van registratie, land van exploitatie, land van ontwerp, land van vervaardiging of land dat informatie, faciliteiten of deskundigen ter beschikking stelt op verzoek van het land dat het onderzoek voert;

d)

waarbij een lidstaat die een bijzonder belang heeft bij het onderzoek omdat burgers van die lidstaat gedood of ernstig gewond zijn, van het land dat het onderzoek uitvoert toestemming krijgt om een deskundige aan te wijzen.

2.   Deze verordening is ook van toepassing op vraagstukken betreffende de tijdige beschikbaarheid van informatie over alle personen en gevaarlijke goederen aan boord van een luchtvaartuig dat betrokken is bij een ongeval, en betreffende bijstand aan slachtoffers van luchtvaartongevallen en hun familieleden.

3.   Deze verordening is niet van toepassing op veiligheidsonderzoeken naar ongevallen en ernstige incidenten met een luchtvaartuig dat militaire, douane-, politie- of soortgelijke activiteiten uitvoert, tenzij de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 4, en de nationale wetgeving, anders beschikt.

Artikel 4

Instantie voor veiligheidsonderzoek in de burgerluchtvaart

1.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat veiligheidsonderzoeken, zonder externe inmenging, worden uitgevoerd door een permanente nationale instantie voor onderzoek naar de veiligheid van de burgerluchtvaart (hierna „veiligheidsonderzoeksinstantie”) die in staat is zelfstandig een volledig veiligheidsonderzoek te verrichten, hetzij alleen hetzij in overleg met andere veiligheidsonderzoekinstanties.

2.   Deze veiligheidsonderzoeksinstantie is functioneel onafhankelijk, met name van de luchtvaartautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor luchtwaardigheid, certificering, vluchtuitvoering, onderhoud, afgifte van vergunningen, luchtverkeersleiding of luchthavenexploitatie, en in het algemeen van elke andere partij of entiteit waarvan de belangen of de taakstelling strijdig zou kunnen zijn met de taken die aan de instantie zijn toevertrouwd of de objectiviteit van die taken zouden kunnen beïnvloeden.

3.   Bij de uitvoering van het veiligheidsonderzoek vraagt noch aanvaardt de veiligheidsonderzoeksinstantie instructies van wie dan ook, en heeft zij onbeperkte bevoegdheid over de uitvoering van de veiligheidsonderzoeken.

4.   De aan de onderzoeksinstantie toevertrouwde taken kunnen worden uitgebreid tot het verzamelen en analyseren van gegevens met betrekking tot luchtvaartveiligheid, met name voor preventiedoeleinden, voor zover deze activiteiten geen afbreuk doen aan haar onafhankelijkheid en geen regelgevende, bestuurlijke of normgevende verantwoordelijkheden meebrengen.

5.   Op nationaal niveau wordt jaarlijks een overzicht van de veiligheid in de luchtvaart gepubliceerd om het publiek van het algemene veiligheidsniveau in kennis te stellen. In dit overzicht mogen de bronnen van vertrouwelijke informatie niet worden onthuld.

6.   De veiligheidsonderzoeksinstantie krijgt van de desbetreffende lidstaat de middelen die zij nodig heeft om haar bevoegdheden onafhankelijk uit te oefenen en moet in staat zijn voldoende middelen te verkrijgen om dit te doen. Met name:

a)

moet het hoofd van de veiligheidsonderzoeksinstantie en/of, in geval van een voor meerdere vervoerstakken bevoegde instantie, het hoofd van de afdeling luchtvaart over de nodige ervaring en bekwaamheid op het gebied van burgerluchtvaartveiligheid beschikken om zich overeenkomstig deze verordening en de nationale wetgeving van zijn taak te kwijten;

b)

moeten haar onderzoekers een status krijgen die hun de nodige garanties op onafhankelijkheid biedt;

c)

moet zij beschikken over ten minste één beschikbare onderzoeker die bij een ernstig ongeval met een luchtvaartuig de taak van aangewezen onderzoeker kan vervullen;

d)

moet de veiligheidsonderzoeksinstantie een budget krijgen dat haar in staat stelt haar opdracht te vervullen;

e)

moet de veiligheidsonderzoeksinstantie, rechtstreeks of via de in artikel 6 vermelde samenwerking, of via een regeling met andere nationale instanties, de beschikking hebben over gekwalificeerd personeel en adequate faciliteiten, waaronder kantoren en loodsen voor de opslag en het onderzoek van luchtvaartuigen, hun inhoud en wrakstukken.

Artikel 5

Onderzoeksverplichting

1.   Met betrekking tot elk ongeval of ernstig incident met andere luchtvaartuigen dan die welke in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (6) zijn gespecificeerd, wordt een veiligheidsonderzoek uitgevoerd in de lidstaat op het grondgebied waarvan het ongeval of het ernstig incident zich heeft voorgedaan.

2.   Wanneer een ander luchtvaartuig dan de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 216/2008 vermelde, dat is geregistreerd in een lidstaat, betrokken raakt bij een ongeval of ernstig incident waarvan niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de plaats ervan op het grondgebied van een lidstaat ligt, dan wordt een veiligheidsonderzoek uitgevoerd door de veiligheidsonderzoekinstantie van de lidstaat van registratie.

3.   Het toepassingsgebied van de in de leden 1, 2 en 4 vermelde veiligheidsonderzoeken en de te volgen procedure bij het uitvoeren van dergelijke onderzoeken worden vastgesteld door de instantie voor veiligheidsonderzoek, rekening houdende met de lessen die het uit dergelijke onderzoeken verwacht te trekken met het oog op de verbetering van de veiligheid van de luchtvaart, ook met betrekking tot luchtvaartuigen met een maximale startmassa van 2 250 kg of minder.

4.   Veiligheidsonderzoeksinstanties mogen, overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten, beslissen andere dan de in de leden 1 en 2 bedoelde incidenten en ongevallen of ernstige incidenten met andere types luchtvaartuigen te onderzoeken als zij verwachten daar veiligheidslessen uit te kunnen trekken.

5.   Met de in de leden 1, 2 en 4 bedoelde veiligheidsonderzoeken wordt geenszins beoogd schuld of aansprakelijkheid vast te stellen. Ze zijn onafhankelijk en staan los van eventuele juridische of administratieve procedures voor het vaststellen van schuld of aansprakelijkheid en laten het resultaat van dergelijke procedures onverlet.

Artikel 6

Samenwerking tussen veiligheidsonderzoeksinstanties

1.   Een veiligheidsonderzoeksinstantie van een lidstaat kan om bijstand vragen van veiligheidsonderzoeksinstanties van andere lidstaten. Indien een veiligheidsonderzoeksinstantie een verzoek om bijstand inwilligt, wordt deze bijstand, voor zover mogelijk, kosteloos verleend.

2.   Een veiligheidsonderzoeksinstantie mag, met wederzijdse instemming, een onderzoek van een ongeval of ernstig incident uitbesteden aan een andere veiligheidsonderzoeksinstantie en moet het onderzoeksproces van deze instantie vergemakkelijken.

Artikel 7

Europees netwerk van instanties die onderzoek doen naar de veiligheid van de burgerluchtvaart

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun veiligheidsonderzoeksinstanties een Europees netwerk van instanties oprichten die onderzoek doen naar de veiligheid van de burgerluchtvaart („het netwerk” genoemd), dat bestaat uit de hoofden van de veiligheidsonderzoeksinstantie in elke lidstaat, of zijn vertegenwoordiger en/of, in geval van een voor meerdere vervoerstakken bevoegde instantie, het hoofd van de afdeling luchtvaart of zijn vertegenwoordiger, met inbegrip van een voorzitter die uit hun midden wordt gekozen voor een periode van drie jaar.

De voorzitter stelt in nauw overleg met de leden van het netwerk het jaarlijkse werkprogramma van het netwerk op, dat moet voldoen aan de in de leden 2 en 3 uiteengezette doelstellingen en verantwoordelijkheden. De Commissie zendt het werkprogramma toe aan het Europees Parlement en de Raad. De voorzitter stelt tevens de agenda van de vergaderingen van het netwerk op.

2.   Het netwerk is bestemd om de kwaliteit van de door de veiligheidsonderzoeksinstanties verrichte onderzoeken te verbeteren en de onafhankelijkheid ervan te vergroten. Het moet in het bijzonder strenge normen voor de onderzoeksmethoden en de opleiding van de onderzoekers bevorderen.

3.   Ter verwezenlijking van de in lid 2 genoemde doelstellingen is het netwerk met name verantwoordelijk voor:

a)

het voorbereiden van voorstellen en het adviseren van de instellingen van de Unie over alle aspecten die verband houden met de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het Europese beleid en de regels van veiligheidsonderzoeken en de preventie van ongevallen en incidenten;

b)

het bevorderen van de uitwisseling van informatie die nuttig is voor de verbetering van de luchtvaartveiligheid, en het actief bevorderen van een gestructureerde samenwerking tussen de veiligheidsonderzoeksinstanties van de Commissie, het EASA en de nationale burgerluchtvaartautoriteiten;

c)

in voorkomend geval, het coördineren en organiseren van wederzijdse beoordelingen, desbetreffende opleidingsactiviteiten en programma’s voor het ontwikkelen van de vaardigheden van de onderzoekers;

d)

het bevorderen van beste praktijken op het gebied van veiligheidsonderzoek met het oog op de ontwikkeling van een gemeenschappelijke werkwijze van de Unie inzake veiligheidsonderzoek en de opstelling van een inventaris van dergelijke praktijken;

e)

het vergroten van de onderzoekscapaciteit van de veiligheidsonderzoeksinstanties, met name door het ontwikkelen en beheren van een kader voor het delen van middelen;

f)

het verlenen van passende bijstand op verzoek van de veiligheidsonderzoeksinstanties met het oog op de toepassing van artikel 6, onder meer het verstrekken van een lijst van de in andere lidstaten beschikbare onderzoekers, uitrusting en capaciteiten die kunnen worden gebruikt door de instantie die een onderzoek uitvoert;

g)

het toegang verlenen tot informatie in de in artikel 18 bedoelde databank, en het analyseren van de daarin vervatte veiligheidsaanbevelingen teneinde belangrijke, voor de gehele Unie relevante, veiligheidsaanbevelingen vast te stellen.

4.   De Commissie houdt het Europees Parlement en de Raad regelmatig op de hoogte van de activiteiten van het netwerk. Het Europees Parlement wordt ook in kennis gesteld als de Raad of de Commissie verzoeken indienen bij het netwerk.

5.   De leden van het netwerk mogen geen instructies van enige entiteit vragen of aanvaarden die de onafhankelijke status van de veiligheidsonderzoeken kunnen beïnvloeden.

6.   Het EASA wordt, in voorkomend geval, als waarnemer uitgenodigd bij de vergaderingen van het netwerk. Het netwerk mag ook waarnemers van veiligheidsonderzoeksinstanties van derde landen en deskundigen ter zake uitnodigen om deel te nemen aan zijn vergaderingen.

7.   De Commissie wordt nauw betrokken bij de werkzaamheden van het netwerk, en krijgt de nodige steun van het netwerk met betrekking tot relevante aspecten van de ontwikkeling van het beleid en de regels van de Unie inzake onderzoek en preventie van ongevallen in de burgerluchtvaart. De Commissie verstrekt het netwerk de nodige steun, waaronder, maar niet uitsluitend, bijstand bij de voorbereiding en organisatie van de vergaderingen, alsook bij de publicatie van een jaarverslag over de activiteiten van het netwerk. De Commissie legt de jaarverslagen voor aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 8

Deelname van het EASA en de nationale burgerluchtvaartautoriteiten aan veiligheidsonderzoeken

1.   Veiligheidsonderzoeksinstanties nodigen, wanneer is voldaan aan de eis dat er geen sprake is van een belangenconflict, het EASA en de nationale burgerluchtvaartautoriteiten van de betrokken lidstaten, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, uit om een vertegenwoordiger aan te wijzen die:

a)

in de hoedanigheid van adviseur van de aangewezen onderzoeker, deelneemt aan alle veiligheidsonderzoeken uit hoofde van artikel 5, lid 1 en lid 2, die op het grondgebied van een lidstaat of op de in artikel 5, lid 2, genoemde plaats worden uitgevoerd onder controle en ter beoordeling van de aangewezen onderzoeker;

b)

in de hoedanigheid van op grond van deze verordening aangewezen adviseur de vertegenwoordiger(s) van de lidstaten bijstaat bij alle veiligheidsonderzoeken die worden uitgevoerd in een derde land waarbij een veiligheidsonderzoeksinstantie wordt uitgenodigd om een geaccrediteerde vertegenwoordiger aan te wijzen overeenkomstig de internationale normen en aanbevolen werkwijzen voor het onderzoek van luchtvaartongevallen en -incidenten onder toezicht van de geaccrediteerde vertegenwoordiger.

2.   De in lid 1 bedoelde deelnemers zijn met name gemachtigd:

a)

de plaats van het ongeval te bezoeken en de wrakstukken te onderzoeken;

b)

vragen te suggereren en informatie te verkrijgen van getuigen;

c)

kopieën te krijgen van alle relevante documenten en relevante feitelijke informatie te verkrijgen;

d)

deel te nemen aan het uitlezen van informatiedragers met opnamen, behalve cockpitstemrecorders en beeldrecorders;

e)

deel te nemen aan onderzoeksactiviteiten op andere plaatsen dan die van het ongeval, zoals onderzoeken, tests en simulaties van onderdelen, technische briefings en vergaderingen over de voortgang van onderzoeken, behalve als deze betrekking hebben op de vaststelling van de oorzaken of op de opstelling van veiligheidsaanbevelingen.

3.   Het EASA en de nationale burgerluchtvaartautoriteiten steunen het onderzoek waaraan zij deelnemen door de gevraagde informatie, adviseurs en apparatuur te leveren aan de veiligheidsonderzoeksinstantie die bevoegd is.

Artikel 9

Meldingsplicht voor ongevallen en ernstige incidenten

1.   Alle betrokken personen die weten dat zich een ongeval of een ernstig incident heeft voorgedaan, stellen de bevoegde veiligheidsonderzoeksinstantie van de lidstaat op wiens grondgebied het ongeval of incident heeft plaatsgevonden daarvan onverwijld in kennis.

2.   De veiligheidsonderzoeksinstantie stelt de Commissie, het EASA, de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), de betrokken lidstaten en derde staten overeenkomstig de internationale normen en aanbevolen werkwijzen in kennis van alle ongevallen en ernstige incidenten die haar zijn gemeld.

Artikel 10

Deelname van de lidstaten aan de veiligheidsonderzoeken

1.   Bij melding van een ongeval of een ernstig incident door een andere lidstaat of een ander land, delen de lidstaten die het land van registratie zijn, dan wel het land van exploitatie, het land van ontwerp of het land van vervaardiging, aan de lidstaat of het derde land op het grondgebied waarvan het ongeval of het ernstig incident zich heeft voorgedaan, zo spoedig mogelijk mee of zij voornemens zijn om overeenkomstig internationale normen en aanbevolen werkwijzen een geaccrediteerde vertegenwoordiger aan te wijzen. Indien een geaccrediteerde vertegenwoordiger wordt aangewezen, worden tevens zijn naam en contactgegevens, alsook de verwachte datum van aankomst, indien hij voornemens is naar het land van kennisgeving te reizen, medegedeeld.

2.   Geaccrediteerde vertegenwoordigers van het land van ontwerp worden aangewezen door de veiligheidsonderzoeksinstantie van de lidstaat op het territorium waarvan de hoofdvestiging van de certificaathouder voor het typeontwerp van het luchtvaartuig of de motor zich bevindt.

Artikel 11

Status van de onderzoekers

1.   Wanneer een aangewezen onderzoeker door een veiligheidsonderzoeksinstantie wordt aangesteld, heeft hij, onverminderd een eventueel gerechtelijk onderzoek, de bevoegdheid om alle nodige maatregelen te treffen om aan de eisen van zijn veiligheidsonderzoek te voldoen.

2.   Onverminderd eventuele vertrouwelijkheidsverplichtingen uit hoofde van de rechtshandelingen van de Unie of de nationale wetgeving, hebben aangewezen onderzoekers met name het recht:

a)

op onmiddellijke, onbeperkte en ongehinderde toegang tot de plaats van het ongeval of incident en tot het toestel, de inhoud ervan of de wrakstukken;

b)

onmiddellijk aanwijzingen te verzamelen en onder toezicht wrakstukken of onderdelen mee te nemen voor onderzoek of analyse;

c)

op onmiddellijke toegang tot en controle over de vluchtrecorders, de inhoud ervan en alle andere relevante geregistreerde gegevens;

d)

om een volledige autopsie van de lichamen van de dodelijk gewonde personen te verzoeken en hieraan bij te dragen, en onmiddellijk toegang te krijgen tot de resultaten van die onderzoeken of van tests van genomen monsters;

e)

om te verzoeken dat de personen die betrokken zijn bij de exploitatie van het luchtvaartuig of de tests op monsters die zijn genomen van deze personen, medisch worden onderzocht, en om onmiddellijk toegang te hebben tot de resultaten van die onderzoeken of tests;

f)

getuigen op te roepen, deze te ondervragen en hen te verzoeken informatie of bewijsstukken te verstrekken die relevant zijn voor het veiligheidsonderzoek;

g)

op vrije toegang tot alle relevante informatie of gegevens die in het bezit zijn van de eigenaar, de certificaathouder voor het typeontwerp, de voor het onderhoud verantwoordelijke organisatie, de opleidingsorganisatie, de exploitant of de constructeur van het luchtvaartuig, de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de burgerluchtvaart, het EASA, de verleners van navigatiediensten of de luchthavenexploitanten.

3.   De overeenkomstig lid 2 aan de aangewezen onderzoeker toegekende rechten worden uitgebreid tot zijn deskundigen en adviseurs, alsmede tot de gemachtigde vertegenwoordigers, hun deskundigen en adviseurs, in de mate die nodig is om hen in staat te stellen effectief deel te nemen aan het veiligheidsonderzoek, onverminderd de rechten van de onderzoekers en deskundigen die zijn aangewezen door de instantie die bevoegd is voor het gerechtelijk onderzoek.

4.   Allen die deelnemen aan veiligheidsonderzoeken voeren hun taken onafhankelijk uit, en vragen noch aanvaarden instructies van anderen, met uitzondering van de aangewezen onderzoeker of de geaccrediteerde vertegenwoordiger.

Artikel 12

Coördinatie van onderzoeken

1.   Wanneer tevens een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld, wordt de aangewezen onderzoeker hiervan in kennis gesteld. In dat geval zorgt de aangewezen onderzoeker voor traceerbaarheid en voor de verzekerde bewaring van de vluchtrecorders en van al het materieel bewijs. De gerechtelijke instantie kan een van haar medewerkers opdragen de vluchtrecorders of het materieel bewijs te begeleiden tot de plaats waar ze worden uitgelezen of behandeld. Als het onderzoek of de analyse van dit materieel bewijs leidt tot aanpassing, wijziging of vernietiging ervan, is, zonder dat de nationale wetgeving wordt aangetast, voorafgaande toestemming van de gerechtelijke instanties vereist. Indien die toestemming niet overeenkomstig de in lid 3 bedoelde eerder gemaakte afspraken binnen een redelijke termijn en uiterlijk binnen twee weken na het verzoek wordt verleend, vormt dit voor de aangewezen onderzoeker geen beletsel om tot het onderzoek of de analyse over te gaan. Indien de gerechtelijke instantie beslag mag leggen op bewijsmateriaal, dan mag de aangewezen onderzoeker dit materiaal onmiddellijk zonder beperkingen opvragen en gebruiken.

2.   Als in de loop van het veiligheidsonderzoek bekend of vermoed wordt dat het ongeval of ernstig incident mede te wijten was aan een wederrechtelijke daad naar nationaal recht, zoals de nationale wetgeving inzake het onderzoek van ongevallen, stelt de aangewezen onderzoeker de bevoegde instanties daar onmiddellijk van in kennis. Overeenkomstig artikel 14 wordt de relevante informatie die tijdens het veiligheidsonderzoek is verzameld, onmiddellijk ter kennis van deze instanties gebracht en mag relevant materiaal ook aan hen worden overgedragen, indien zij daarom verzoeken. Dit laat het recht van de veiligheidsonderzoeksinstantie om het veiligheidsonderzoek voort te zetten, in samenwerking met de instanties waaraan de controle over de plaats van het ongeval mogelijkerwijs is overgedragen, onverlet.

3.   De lidstaten zien erop toe dat de veiligheidsonderzoeksinstanties en andere instanties die naar verwachting bij activiteiten rond het veiligheidsonderzoek betrokken zullen worden, zoals gerechtelijke instanties, burgerluchtvaartautoriteiten, opsporings- en reddingsautoriteiten, op basis van eerder gemaakte afspraken samenwerken.

Deze afspraken nemen de onafhankelijkheid van de veiligheidsonderzoeksinstantie in acht en maken het mogelijk dat het technisch onderzoek zorgvuldig en efficiënt verloopt. De eerder gemaakte afspraken betreffen onder meer de volgende onderwerpen:

a)

toegang tot de plaats van het ongeval;

b)

bewaring van en toegang tot bewijsmateriaal;

c)

initiële en voortdurende debriefings over de stand van elk van de procedures;

d)

uitwisseling van informatie;

e)

juist gebruik van veiligheidsinformatie;

f)

geschillenbeslechting.

De lidstaten delen deze afspraken mede aan de Commissie, die ze ter informatie doorzendt naar de voorzitter van het netwerk, het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 13

Bewaring van bewijsmateriaal

1.   De lidstaat op het grondgebied waarvan het ongeval of het ernstig incident zich heeft voorgedaan, is verantwoordelijk voor de veilige behandeling van alle bewijs en voor het nemen van de nodige maatregelen om de bewijsstukken te beschermen en het luchtvaartuig, de inhoud ervan en de wrakstukken veilig te bewaren zolang dit voor het veiligheidsonderzoek noodzakelijk is. Het beschermen van bewijsstukken omvat het bewaren, met fotografische of andere middelen, van alle bewijsstukken die verplaatst, gewist, verloren of vernietigd zouden kunnen worden. Veilige bewaring omvat het beschermen tegen verdere beschadiging, toegang door onbevoegden, diefstal en slijtage.

2.   In afwachting van de aankomst van de veiligheidsonderzoekers mag niemand de staat van de plaats van het ongeval wijzigen, monsters nemen, het luchtvaartuig, de inhoud of de wrakstukken ervan verplaatsen, verwijderen of er monsters van nemen, behalve als dit nodig is om veiligheidsredenen, om bijstand te verlenen aan gewonden of met de uitdrukkelijke toestemming van de instanties die de plaats beheren en, waar mogelijk, in overleg met de veiligheidsonderzoeksinstantie.

3.   Alle betrokkenen nemen alle nodige maatregelen om documenten, materiaal en opgeslagen gegevens met betrekking tot het voorval te bewaren, met name om te voorkomen dat opnames van gesprekken en alarmsignalen na de vlucht worden gewist.

Artikel 14

Bescherming van gevoelige veiligheidsinformatie

1.   De volgende geregistreerde gegevens mogen niet openbaar worden gemaakt, noch gebruikt voor andere doeleinden dan het veiligheidsonderzoek:

a)

alle verklaringen die personen tijdens het veiligheidsonderzoek hebben afgelegd tegenover de veiligheidsonderzoeksinstantie;

b)

opgeslagen gegevens die de identiteit onthullen van personen die in het kader van het veiligheidsonderzoek zijn gehoord;

c)

bijzonder gevoelige of persoonlijke informatie die door de veiligheidsonderzoeksinstantie is verzameld, zoals informatie over de gezondheid van personen;

d)

materiaal dat tijdens de loop van het onderzoek is opgesteld, zoals nota’s, voorbereidende documenten en standpunten van de onderzoekers, meningen die tijdens de analyse van de informatie zijn uitgedrukt, inclusief gegevens van vluchtrecorders;

e)

informatie en bewijsmateriaal van onderzoekers uit andere lidstaten of derde landen, overeenkomstig internationale normen en aanbevolen werkwijzen, indien die veiligheidsonderzoeksinstantie daarom verzoekt;

f)

ontwerpversies van het voorlopige of definitieve verslag of tussentijdse verklaringen;

g)

stem- en beeldopnamen uit de cockpit en transcripties daarvan, alsook stemopnamen van luchtverkeersleidingseenheden, zodat voor het veiligheidsonderzoek niet relevante informatie, met name over het privéleven, terdege wordt beschermd, onverminderd lid 3.

2.   De volgende geregistreerde gegevens mogen niet openbaar worden gemaakt of gebruikt voor andere doeleinden dan het veiligheidsonderzoek, noch voor andere doeleinden dan die welke gericht zijn op de verbetering van de luchtvaartveiligheid:

a)

alle communicatie tussen personen die bij de exploitatie van het luchtvaartuig betrokken zijn geweest;

b)

geschreven of elektronische opnamen en transcripties van opnamen van luchtverkeersleidingseenheden, inclusief verslagen en resultaten voor interne doeleinden;

c)

begeleidende brieven bij de verzending van veiligheidsaanbevelingen van de veiligheidsonderzoeksinstantie naar de geadresseerde, indien de veiligheidsonderzoeksinstantie die de aanbeveling uitvaardigt, daarom verzoekt;

d)

meldingen van voorvallen in het kader van Richtlijn 2003/42/EG.

De opnamen van de vluchtrecorder mogen niet openbaar worden gemaakt, noch worden gebruikt voor andere doeleinden dan het veiligheidsonderzoek, luchtwaardigheids- of onderhoudsdoeleinden, behalve wanneer deze opnamen niet-identificeerbaar worden gemaakt of openbaar worden gemaakt volgens beveiligde procedures.

3.   Onverminderd de leden 1 en 2 kan de gerechtelijke instantie of de instantie die bevoegd is voor het nemen van een besluit over de openbaarmaking van opnamen volgens de nationale wetgeving echter beslissen dat de openbaarmaking van de in de leden 1 en 2 vermelde gegevens om andere wettelijke redenen zwaarder weegt dan de negatieve binnenlandse en internationale gevolgen die deze openbaarmaking kan hebben voor het onderzoek in kwestie of een toekomstig veiligheidsonderzoek. De lidstaten kunnen, overeenkomstig de rechtshandelingen van de Unie, het aantal gevallen waarin tot openbaarmaking besloten kan worden, beperken.

Toezending van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens aan een andere lidstaat voor andere doeleinden dan een veiligheidsonderzoek en, wat lid 2 betreft, voor andere doeleinden dan verbetering van de veiligheid van de luchtvaart, kan geschieden voor zover de nationale wetgeving van de met elkaar communicerende lidstaten dat toestaat. De autoriteiten van de ontvangende lidstaat mogen deze gegevens alleen in overeenstemming met hun nationale wetgeving verwerken of openbaar maken, na raadpleging van de toezendende lidstaat.

4.   Alleen gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de in lid 3 genoemde doeleinden mogen openbaar worden gemaakt.

Artikel 15

Mededeling van informatie

1.   De personeelsleden van de veiligheidsonderzoeksinstantie die de leiding heeft en alle anderen die verzocht worden deel te nemen aan of een bijdrage te leveren tot het veiligheidsonderzoek, zijn gebonden door de toepasselijke regels van het beroepsgeheim krachtens de toepasselijke wetgeving, ook wat betreft de anonimiteit van de personen die betrokken zijn bij een ongeval of incident.

2.   Onverminderd de in de artikelen 16 en 17 vastgestelde verplichtingen, deelt de veiligheidsonderzoeksinstantie die de leiding heeft, informatie die zij voor de preventie van ongevallen of ernstige incidenten relevant acht, mee aan personen die verantwoordelijk zijn voor de productie of het onderhoud van luchtvaartuigen of luchtvaartuigapparatuur en aan personen of juridische entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de exploitatie van luchtvaartuigen of voor de opleiding van personeel.

3.   Onverminderd de in de artikelen 16 en 17 vastgestelde verplichtingen, verstrekken de veiligheidsonderzoeksinstantie die de leiding heeft en de geaccrediteerde vertegenwoordiger(s), bedoeld in artikel 8, aan het EASA en de nationale burgerluchtvaartautoriteiten relevante feitelijke informatie die tijdens het veiligheidsonderzoek is vergaard, behalve de in artikel 14, lid 1, bedoelde informatie of informatie die een belangenconflict veroorzaakt. De informatie die het EASA en de burgerluchtvaartautoriteiten ontvangen, wordt beschermd overeenkomstig artikel 14 en de toepasselijke rechtshandelingen van de Unie en nationale wetgeving.

4.   De veiligheidsonderzoeksinstantie die de leiding heeft, is gemachtigd slachtoffers, hun familieleden en slachtofferverenigingen te informeren, en informatie over de feitelijke vaststellingen en de procedures van het veiligheidsonderzoek en eventuele voorlopige verslagen of conclusies en/of veiligheidsaanbevelingen openbaar te maken, voor zover dit de doelstellingen van het veiligheidsonderzoek niet in het gedrang brengt en volledig strookt met de toepasselijke wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens.

5.   Alvorens zij de in lid 4 bedoelde informatie openbaar maakt, verstrekt de veiligheidsonderzoeksinstantie die de leiding heeft deze informatie aan de slachtoffers en hun familieleden of aan hun verenigingen op een wijze die niet ingaat tegen de doelstellingen van het veiligheidsonderzoek.

Artikel 16

Onderzoeksverslag

1.   Elk onderzoek van een ongeval wordt afgesloten met een verslag in een bij de aard en de ernst van het ongeval of ernstig incident passende vorm. In het verslag wordt vermeld dat veiligheidsonderzoeken alleen tot doel hebben in de toekomst ongevallen en incidenten te voorkomen, zonder schuld of aansprakelijkheid vast te stellen. Het verslag bevat, zo nodig, veiligheidsaanbevelingen.

2.   Het verslag beschermt de anonimiteit van alle bij het ongeval of ernstig incident betrokken personen.

3.   Wanneer in het kader van een veiligheidsonderzoek vóór de voltooiing ervan verslagen worden opgesteld, kan de veiligheidsonderzoeksinstantie de betrokken instanties, inclusief het EASA, en via hen de betrokken certificaathouder voor het typeontwerp, de fabrikant en de exploitant, om opmerkingen verzoeken alvorens de verslagen te publiceren. De geraadpleegde instanties zijn gebonden aan de toepasselijke regels van het beroepsgeheim wat de inhoud van deze raadpleging betreft.

4.   Alvorens het definitieve verslag te publiceren, verzoekt de veiligheidsonderzoeksinstantie de betrokken instanties, inclusief het EASA, en via hen de betrokken certificaathouder voor het typeontwerp, de fabrikant en de exploitant om opmerkingen. De geraadpleegde instanties zijn wat de inhoud van deze raadpleging betreft gebonden aan het toepasselijke beroepsgeheim. Bij het verzoeken om opmerkingen volgt de veiligheidsonderzoeksinstantie de internationale normen en aanbevolen werkwijzen.

5.   De onder artikel 14 vallende informatie wordt alleen in een verslag opgenomen indien zij relevant is voor de analyse van het ongeval of het ernstig incident. Informatie of delen van de informatie die niet relevant zijn voor de analyse, worden niet openbaar gemaakt.

6.   De veiligheidsonderzoekinstantie maakt het eindverslag zo snel mogelijk, en indien mogelijk binnen twaalf maanden na het tijdstip van het ongeval of ernstig incident, openbaar.

7.   Als het eindverslag niet binnen twaalf maanden openbaar kan worden gemaakt, publiceert de veiligheidsonderzoeksinstantie minstens een keer per jaar, op de verjaardag van het ongeval of ernstig incident, een tussentijdse verklaring waarin nader wordt ingegaan op de voortgang van het onderzoek en eventuele veiligheidskwesties die aan het licht zijn gekomen.

8.   De veiligheidsonderzoeksinstantie verstuurt zo snel mogelijk een kopie van deze eindverslagen en de veiligheidsaanbevelingen naar:

a)

de veiligheidsonderzoeksinstanties en burgerluchtvaartautoriteiten van de betrokken staten en de ICAO, overeenkomstig de internationale normen en aanbevolen werkwijzen;

b)

de in het verslag genoemde adressaten van de veiligheidsaanbevelingen;

c)

de Commissie en het EASA, behalve als de verslagen met elektronische middelen openbaar worden gemaakt; in dat geval volstaat de veiligheidsonderzoeksinstantie met een kennisgeving aan de genoemde instanties en adressaten.

Artikel 17

Veiligheidsaanbevelingen

1.   In elke fase van het veiligheidsonderzoek beveelt de veiligheidsonderzoeksinstantie na raadpleging van de relevante partijen de betrokken instanties, waaronder ook die in andere lidstaten of derde landen, in een gedateerde brief aan welke preventieve maatregelen zij onmiddellijk noodzakelijk acht ter verbetering van de luchtvaartveiligheid.

2.   Een veiligheidsonderzoeksinstantie kan ook veiligheidsaanbevelingen uitvaardigen op basis van studies of analysen van een reeks onderzoeken of andere activiteiten overeenkomstig artikel 4, lid 4.

3.   Een veiligheidsaanbeveling vormt in geen geval een vermoeden van schuld of aansprakelijkheid voor een ongeval, een ernstig incident of een incident.

Artikel 18

Follow-up van veiligheidsaanbevelingen en databank van veiligheidsaanbevelingen

1.   Wanneer een veiligheidsonderzoeksinstantie een veiligheidsaanbeveling uitvaardigt, doet de adressaat van de aanbeveling binnen 90 dagen na ontvangst van de toezendingsbrief kennisgeving van de ontvangst ervan, alsook van de genomen of voorgenomen maatregelen en, indien nodig, van de tijd die voor het uitvoeren van die maatregelen vereist is en, wanneer geen maatregelen worden genomen, van de redenen daarvoor.

2.   Binnen 60 dagen na ontvangst van het antwoord deelt de veiligheidsonderzoeksinstantie de adressaat mee of zij al dan niet genoegen neemt met het antwoord en waarom wanneer zij van mening verschillen over het besluit om geen maatregelen te nemen.

3.   Elke veiligheidsonderzoeksinstantie past procedures toe om de antwoorden op een uitgevaardigde veiligheidsaanbeveling te registreren.

4.   Elke entiteit die veiligheidsaanbevelingen ontvangt, inclusief de autoriteiten die op het niveau van de lidstaten en de Unie verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de burgerluchtvaart, passen procedures toe om de voortgang te volgen van de maatregelen die in reactie op de veiligheidsaanbeveling zijn genomen.

5.   De veiligheidsonderzoeksinstanties slaan alle overeenkomstig artikel 17, leden 1 en 2, uitgevaardigde veiligheidsaanbevelingen en de antwoorden daarop op in het centrale register dat is opgezet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1321/2007 van de Commissie van 12 november 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen om overeenkomstig Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad uitgewisselde informatie over voorvallen in de burgerluchtvaart op te nemen in een centraal register (7). De veiligheidsonderzoeksinstanties slaan ook alle veiligheidsaanbevelingen die zij van derde landen ontvangen, op in het centrale register.

Artikel 19

Meldingen van voorvallen

1.   Het EASA en de bevoegde instanties van de lidstaten werken samen door op gezette tijden onder Richtlijn 2003/42/EG vallende informatie uit te wisselen en te analyseren. Deze samenwerking heeft ook betrekking op onlinetoegang van aangewezen personen tot informatie in het krachtens Verordening (EG) nr. 1321/2007 opgezette centrale register, met inbegrip van informatie waarmee het luchtvaartuig waarover een voorvalverslag is opgesteld, te identificeren is, zoals, indien beschikbaar, het serie- en registratienummer ervan. Deze toegang heeft niet betrekking op informatie waarmee de exploitant van het luchtvaartuig waarover een voorvalverslag is opgesteld, te identificeren is.

2.   Het EASA en de in lid 1 bedoelde instanties van de lidstaten zorgen ervoor dat deze informatie vertrouwelijk blijft, overeenkomstig de toepasselijk wetgeving, en beperken het gebruik ervan tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te voldoen aan hun verplichtingen op veiligheidsgebied. Deze informatie mag uitsluitend worden gebruikt om veiligheidstrends te onderkennen die de grondslag kunnen vormen voor anonieme veiligheidsaanbevelingen of luchtwaardigheidsinstructies en niet om schuld of aansprakelijkheid vast te stellen.

Artikel 20

Informatie over personen en gevaarlijke goederen aan boord

1.   Luchtvaartmaatschappijen van de Unie die vluchten uitvoeren naar of vanaf, en luchtvaartmaatschappijen van derden landen die vluchten uitvoeren vanaf een luchthaven op het grondgebied van de lidstaten waarop de Verdragen van toepassing zijn, passen procedures toe die het mogelijk maken om:

a)

zo snel mogelijk en in elk geval binnen twee uur ervan kennis te geven dat zich met dit vliegtuig een ongeval heeft voorgedaan, en een gevalideerde lijst voor te leggen met de best mogelijke informatie over alle personen aan boord; en

b)

onmiddellijk na de melding van een ongeval met een luchtvaartuig, de lijst voor te leggen van de gevaarlijke goederen aan boord.

2.   De in lid 1 bedoelde lijsten worden ter beschikking gesteld van de veiligheidsonderzoeksinstantie die de leiding heeft, de autoriteit die door elke lidstaat is aangewezen om contacten te onderhouden met de familieleden van de personen die zich aan boord van het luchtvaartuig bevonden, en, indien nodig, de medische eenheden die deze informatie nodig kunnen hebben voor de behandeling van slachtoffers.

3.   Teneinde de familieleden van de passagiers snel op de hoogte te kunnen stellen van de aanwezigheid van hun naasten in het verongelukte vliegtuig stellen de luchtvaartmaatschappijen aan de reizigers voor om de naam en adresgegevens van een persoon die bij een ongeval moet worden gewaarschuwd, op te geven. Deze informatie mag door de luchtvaartmaatschappijen alleen worden gebruikt bij een ongeval; zij mag niet aan derden worden doorgegeven noch voor commerciële doeleinden worden gebruikt.

4.   De naam van een persoon aan boord wordt niet openbaar gemaakt voordat de familieleden van die persoon door de bevoegde instanties op de hoogte zijn gebracht. De in lid 1, onder a), bedoelde lijsten blijven vertrouwelijk overeenkomstig de rechtshandelingen van de Unie en het nationale recht en de naam van elke persoon die op deze lijsten staan, wordt daarom alleen openbaar gemaakt indien de familieleden van de betreffende personen aan boord daartegen geen bezwaar hebben gemaakt.

Artikel 21

Bijstand aan slachtoffers van luchtvaartongevallen en hun familieleden

1.   Om te zorgen dat op EU-niveau op een meer omvattende en geharmoniseerde wijze op dergelijke voorvallen wordt gereageerd, stelt elke lidstaat op nationaal niveau een noodplan voor burgerluchtvaartongevallen op. Dit noodplan heeft ook betrekking op bijstand aan de slachtoffers van ongevallen in de burgerluchtvaart en hun familieleden.

2.   De lidstaten zien erop toe dat alle, op hun grondgebied geregistreerde luchtvaartmaatschappijen over een plan voor bijstand aan de slachtoffers van burgerluchtvaartongevallen en hun familieleden beschikken. Deze plannen moeten met name voorzien in psychologische bijstand aan de slachtoffers van burgerluchtvaartongevallen en hun familieleden en de luchtvaartmaatschappij helpen om te gaan met een ernstig ongeval. De lidstaten controleren de plannen voor bijstand van de op hun grondgebied gevestigde luchtvaartmaatschappijen. De lidstaten sporen ook luchtvaartmaatschappijen van derde landen die in de Unie actief zijn aan om een plan voor bijstand aan de slachtoffers van burgerluchtvaartongevallen en hun familieleden vast te stellen.

3.   Wanneer zich een ongeval voordoet, wijst de lidstaat die met het onderzoek belast is of de lidstaat waar de luchtvaartmaatschappij waarvan het luchtvaartuig is verongelukt, geregistreerd is, of de lidstaat die een groot aantal burgers aan boord heeft, een referent aan die als aanspreek- en informatiepunt fungeert voor de slachtoffers en hun familieleden.

4.   Lidstaten of derde landen die een bijzonder belang hebben bij een ongeval dat op het grondgebied van de lidstaten waarop de Verdragen van toepassing zijn, heeft plaatsgevonden, omdat burgers van die lidstaten of derde landen omgekomen of ernstig gewond zijn bij dat ongeval, mogen een deskundige aanwijzen die het recht heeft:

a)

de plaats van het ongeval te bezoeken;

b)

toegang te krijgen tot de relevante feitelijke informatie die door de veiligheidsonderzoeksinstantie die de leiding heeft, is goedgekeurd om openbaar te worden gemaakt, en tot informatie over de voortgang van het onderzoek;

c)

een kopie van het eindverslag te ontvangen.

5.   Een krachtens lid 4 aangewezen deskundige mag, mits voldaan wordt aan de toepasselijke wetgeving, bijstand verlenen bij de identificatie van de slachtoffers en deelnemen aan vergaderingen met de overlevenden van zijn land.

6.   Ook luchtvaartmaatschappijen van derde landen moeten op grond van artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 785/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de verzekeringseisen voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen (8), voldoen aan de in die verordening genoemde verzekeringsverplichtingen.

Artikel 22

Toegang tot documenten en bescherming van persoonsgegevens

1.   Deze verordening geldt onverminderd Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (9).

2.   Deze verordening is van toepassing onverminderd Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (10) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (11).

Artikel 23

Sancties

De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn bij inbreuken op deze verordening. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 24

Wijziging van de verordening

Deze verordening wordt uiterlijk op 3 december 2014 herzien. Indien de Commissie van mening is dat deze verordening moet worden gewijzigd, dan verzoekt zij het netwerk om een voorafgaand advies uit te brengen, dat ook wordt toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, de lidstaten en het EASA.

Artikel 25

Intrekkingen

Richtlijn 94/56/EG wordt ingetrokken.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 20 oktober 2010.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

O. CHASTEL


(1)  Advies van 27 mei 2010 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 132 van 21.5.2010, blz. 1.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 21 september 2010 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 oktober 2010.

(4)  PB L 167 van 4.7.2003, blz. 23.

(5)  PB L 319 van 12.12.1994, blz. 14.

(6)  PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.

(7)  PB L 294 van 13.11.2007, blz. 3.

(8)  PB L 138 van 30.4.2004, blz. 1.

(9)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(10)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(11)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


BIJLAGE

Lijst van voorbeelden van ernstige incidenten

De in deze lijst opgenomen incidenten zijn typische voorbeelden van incidenten die waarschijnlijk ernstig zijn. Deze lijst is niet uitputtend en dient alleen als richtsnoer voor het definiëren van een „ernstig incident”.

een bijna-botsing die een ontwijkingsmanoeuvre vereist om een botsing of een onveilige situatie te voorkomen;

een maar net voorkomen „controlled flight into terrain”;

voortijdig afgebroken opstijgen van een gesloten of bezette startbaan, een rijbaan (met uitzondering van toegestane bewegingen door helikopters) of een niet toegewezen startbaan;

opstijgen vanaf een gesloten of bezette startbaan, een rijbaan (met uitzondering van toegestane bewegingen door helikopters) of een niet toegewezen startbaan;

een landing of poging tot landing op een gesloten of bezette baan, een rijbaan (met uitzondering van toegestane bewegingen door helikopters) of een niet toegewezen startbaan;

het duidelijk onder de verwachte prestaties blijven tijdens het opstijgen of in de eerste fase van het stijgen;

brand of rook in de passagiersruimte of in laadruimten, of brand in de motoren, zelfs indien dergelijke branden worden geblust met blusvoorzieningen;

voorvallen die het voor noodgevallen bedoelde gebruik van zuurstof door de bemanning vereisen;

structurele gebreken van het luchtvaartuig of motorweigering, inclusief niet-beheerste panne van turbinemotoren, die niet als ongeval worden geclassificeerd;

meervoudige storingen in een of meer boordsystemen waardoor de besturing van het vliegtuig ernstig wordt bemoeilijkt;

een situatie tijdens de vlucht waarin een bemanningslid niet in staat is te functioneren;

brandstofvoorraad waardoor de piloot verplicht is een noodsituatie uit te roepen;

betreding van start- en landingsbanen van ernstklasse A overeenkomstig het „Manual on the Prevention of Runway Incursions (ICAO-document 9870)” dat informatie over de indeling in ernstklassen bevat;

incidenten bij het opstijgen of landen. Incidenten zoals te kort binnenkomen, te ver binnenkomen of lateraal van de start- of landingsbaan afraken;

systeemdefecten, weersomstandigheden, het vliegen buiten de goedgekeurde vluchtzone of andere gebeurtenissen die het besturen van het vliegtuig hadden kunnen bemoeilijken;

het uitvallen van meer dan een systeem in een redundantiesysteem dat verplicht is voor vluchtleiding en navigatie.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

12.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/51


BESLUIT VAN DE RAAD

van 27 september 2010

betreffende het standpunt van de Europese Unie in de Gezamenlijke Raad Cariforum-EU opgericht bij de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de wijziging van bijlage IV bij de overeenkomst tot opname van de verbintenissen van het Gemenebest van de Bahama’s

(2010/669/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1), hierna „de overeenkomst” genoemd, is op 15 oktober 2008 ondertekend en wordt vanaf 29 december 2008 voorlopig toegepast.

(2)

Volgens artikel 63 van de overeenkomst zouden de onderhandelingen over de lijst van verbintenissen van het Gemenebest van de Bahama’s inzake diensten en investeringen uiterlijk zes maanden na de ondertekening van de overeenkomst worden afgesloten.

(3)

Deze onderhandelingen zijn op 25 januari 2010 naar tevredenheid afgesloten.

(4)

De resultaten van die onderhandelingen moeten worden vastgelegd in een besluit van de bij de overeenkomst opgerichte Gezamenlijke Raad Cariforum-EU.

(5)

Derhalve moet de Unie in de Gezamenlijke Raad Cariforum-EU het standpunt innemen dat is opgenomen in het ontwerp-besluit dat aan dit besluit is gehecht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Enig artikel

Het standpunt van de Europese Unie in de Gezamenlijke Raad Cariforum-EU opgericht bij de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de wijziging van bijlage IV bij de overeenkomst zal gebaseerd zijn op het ontwerp-besluit van de Gezamenlijke Raad Cariforum-EU dat aan dit besluit is gehecht. Formele, niet-inhoudelijke wijzigingen in dit ontwerp-besluit zijn evenwel mogelijk zonder dat dit besluit moet worden gewijzigd.

Gedaan te Brussel, 27 september 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

K. PEETERS


(1)  PB L 289 van 30.10.2008, blz. 3.


BIJLAGE

ONTWERP

BESLUIT Nr. …/2010 VAN DE GEZAMENLIJKE RAAD CARIFORUM-EU

van

met betrekking tot de wijziging van bijlage IV bij de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, tot opname van de verbintenissen van het Gemenebest van de Bahama’s

DE GEZAMENLIJKE RAAD CARIFORUM-EU,

Gezien de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, hierna „de overeenkomst” genoemd, ondertekend te Bridgetown, Barbados, op 15 oktober 2008, en met name artikel 229, lid 1, en artikel 229, lid 4, tweede volzin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De overeenkomst is op 15 oktober 2008 ondertekend en wordt vanaf 29 december 2008 voorlopig toegepast.

(2)

Volgens artikel 63 van de overeenkomst zouden de onderhandelingen over de lijst van verbintenissen van het Gemenebest van de Bahama’s inzake diensten en investeringen uiterlijk zes maanden na de ondertekening van de overeenkomst worden afgesloten.

(3)

Die onderhandelingen zijn op 25 januari 2010 naar tevredenheid afgesloten; er werd overeengekomen dat de lijst van verbintenissen van de Bahama’s door middel van een besluit van de Gezamenlijke Raad Cariforum-EU in de overeenkomst wordt opgenomen.

(4)

De bijlagen IV E en IV F bij de overeenkomst moeten derhalve in dier voege worden gewijzigd dat de verbintenissen van het Gemenebest van de Bahama’s inzake diensten en investeringen erin worden opgenomen, dat de uitsluiting van de Bahama’s in punt 3 van bijlage IV E en in punt 6 van bijlage IV F wordt opgeheven en dat wordt voorzien in de voorlopige toepassing van deze wijzigingen tot de inwerkingtreding van de overeenkomst,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Bijlage IV bij de overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

a)

bijlage IV E wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt 3 wordt vervangen door:

„3.

Deze lijst omvat alle Cariforum-staten, behalve Haïti, tenzij anders vermeld. Behoudens voorbehouden, beperkingen of uitsluitingen die op alle sectoren van toepassing zijn, zijn de subsectoren van A, B, C en D die niet in de lijst zijn opgenomen, open in alle overeenkomstsluitende Cariforum-staten, zonder beperkingen inzake markttoegang of nationale behandeling. Cariforum-staten die niet onder de subsectoren in deze lijst zijn opgenomen, zijn behoudens voorbehouden, beperkingen of uitsluitingen die op alle sectoren van toepassing zijn, open zonder beperkingen inzake markttoegang of nationale behandeling in deze subsectoren. Alle voorbehouden, beperkingen of uitsluitingen in deze bijlage die voor alle Cariforum-staten gelden en daarin met „CAF” zijn aangegeven, zijn niet op de Bahama’s van toepassing.”;

ii)

na de lijst wordt het aanhangsel bij bijlage IV E: de Bahama’s, zoals opgenomen in bijlage I bij deze overeenkomst, toegevoegd;

b)

bijlage IV F wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt 6 wordt vervangen door:

„6.

Deze lijst omvat alle Cariforum-staten, behalve Haïti, tenzij anders vermeld.”;

ii)

na de lijst wordt het aanhangsel bij bijlage IV F: de Bahama’s, zoals opgenomen in bijlage II bij deze overeenkomst, toegevoegd.

2.   Alle overige bepalingen in de punten 1 tot en met 9 van bijlage IV E en in de punten 1 tot en met 11 van bijlage IV F zijn van toepassing op de Bahama’s.

Artikel 2

1.   Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

2.   Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot de inwerkingtreding van de overeenkomst worden de wijzigingen van bijlage IV E en bijlage IV F voorlopig toegepast.

Gedaan volgens de schriftelijke procedure overeenkomstig artikel 11, lid 3, van bijlage I bij Besluit nr. 1/2010 van de Gezamenlijke Raad Cariforum-EU van 17 mei 2010.

BIJLAGE I

„Aanhangsel bij bijlage IV E: de Bahama’s

Sector of subsector

Beschrijving van voorbehouden, beperkingen of uitsluitingen

ALLE SECTOREN

Deviezencontrole

1.

Op grond van de deviezenwet (Exchange Control Regulations Act) en de financiële reglementen (Financial Regulations) moeten ingezetenen aan de centrale bank toestemming vragen voor het voeren van een rekening in vreemde valuta of in Bahamadollar en voor de verwerving van activa in vreemde valuta. Niet-ingezetenen hebben het recht een rekening in vreemde valuta te voeren.

2.

Ingezeten rechtspersonen kunnen toestemming krijgen een rekening in vreemde valuta te voeren wanneer zij aan rechtstreekse verplichtingen in die valuta moeten voldoen. Zowel niet-ingezeten rechtspersonen als buitenlanders kunnen toestemming krijgen een rekening in Bahamadollar te voeren wanneer zij regelmatig terugkerende uitgaven in Bahamadollar hebben.

3.

Bij alle aanvragen om toestemming voor een van bovengenoemde rekeningen moet worden voldaan aan de eisen die in het nationale investeringsbeleid van de Bahama’s (National Investment Policy — NIP) zijn vastgelegd met betrekking tot de sectoren en activiteiten waarvoor buitenlandse investeringen zijn toegestaan.

4.

Voor de toepassing van de bepalingen inzake deviezencontrole wordt onder „ingezetene” verstaan een staatsburger van de Bahama’s of een rechtspersoon in buitenlandse of binnenlandse handen die een vergunning heeft om transacties met andere ingezetenen aan te gaan. Een niet-ingezetene is een buitenlander of een rechtspersoon die geen vergunning heeft om transacties met ingezetenen aan te gaan, ongeacht of die buitenlander of die rechtspersoon fysiek in de Bahama’s aanwezig is.

Grondbezit

Buitenlandse natuurlijke en rechtspersonen die onroerend goed voor commerciële doeleinden willen verwerven, moeten daarvoor een vergunning aanvragen bij de investeringscommissie (Investments Board). Buitenlandse natuurlijke en rechtspersonen die voor welk doel dan ook een perceel van meer dan twee acres (± 0,8 ha) willen kopen, moeten daarvoor een vergunning aanvragen bij de investeringscommissie.

Investeringen

De Bahama’s verbieden de exploratie, exploitatie en verwerking van radioactieve materialen, de opwerking van splijtstoffen, de opwekking van kernenergie, het transport en de opslag van kernafval, het gebruik en de verwerking van splijtstoffen en de regulering van toepassingen ervan voor andere doeleinden, alsook de productie van zwaar water.

Investeringen door buitenlanders, met een kapitaalwaarde van 250 000 USD of meer, worden door de National Economic Council (NEC) goedgekeurd op basis van het nationale investeringsbeleid, waarbij een onderzoek naar de economische behoeften en baten wordt uitgevoerd. Tot de belangrijkste criteria van het nationale investeringsbeleid behoren het scheppen van werkgelegenheid, de ontwikkeling van vaardigheden, regionale ontwikkeling, plaatselijke behoeften en milieueffecten. Op grond van het nationale investeringsbeleid is ook voor joint ventures tussen Bahamaanse en buitenlandse investeerders toestemming van de NEC op basis van een onderzoek naar de economische behoeften en baten nodig.

A.   

LANDBOUW, JACHT, BOSBOUW

Landbouw en jacht

(ISIC rev. 3.1: 01)

Geen.

Bosbouw en de exploitatie van bossen

(ISIC rev. 3.1: 02)

Geen.

B.

VISSERIJ

(ISIC rev. 3.1: 05)

Alle vaartuigen die binnen de exclusieve economische zone vissen, moeten volledig in handen zijn van Bahamaanse natuurlijke of rechtspersonen, zoals is bepaald in de wet inzake de visbestanden (Fisheries Resource (Jurisdiction and Conservation) Act).

C.

WINNING VAN DELFSTOFFEN

Bepaalde activiteiten in de kleinschalige mijnbouw kunnen aan Bahamaanse onderdanen zijn voorbehouden.

De Bahama’s behouden zich het recht voor om goedkeuring te verlenen voor particuliere of publieke exploratie, winning, verwerking, invoer en uitvoer van mineralen.

De Bahama’s behouden zich het recht voor op prospectie en exploratie in de exclusieve economische zone, op het continentaal plat en in de zeebodem.

Winning van steen- en bruinkool; winning van turf

(ISIC rev. 3.1: 10)

Geen.

Winning van aardolie en aardgas

(ISIC rev. 3.1: 11)

Geen.

Winning van metaalertsen

(ISIC rev. 3.1: 13)

Geen.

Overige winning van delfstoffen

(ISIC rev. 3.1: 14)

Geen.

D.   

INDUSTRIE

Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken

(ISIC rev. 3.1: 15)

Geen.

Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout en van kurk, exclusief meubelen; vervaardiging van artikelen van riet en van vlechtwerk

(ISIC rev. 3.1: 20)

De Bahama’s behouden zich het recht voor om beperkingen op kleinschalige investeringen in deze sector in te stellen of te handhaven.

Vervaardiging van geraffineerde aardolieproducten

(ISIC rev. 3.1: 232)

Geen.

Vervaardiging van chemische producten andere dan springstoffen

(ISIC rev. 3.1: 24 behalve vervaardiging van springstoffen)

Geen.

Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen

(ISIC rev. 3.1: 29)

De Bahama’s behouden zich het recht voor om maatregelen inzake investeringen in de productie van wapens en munitie in te stellen of te handhaven.

Vervaardiging van meubelen; vervaardiging, n.e.g.

(ISIC rev. 3.1: 36)

De Bahama’s behouden zich het recht voor om beperkingen op kleinschalige investeringen in deze sector in te stellen of te handhaven.

E.   

PRODUCTIE, TRANSMISSIE EN DISTRIBUTIE VOOR EIGEN REKENING VAN ELEKTRICITEIT, GAS, STOOM EN WARM WATER

Productie van elektriciteit; transmissie en distributie van elektriciteit voor eigen rekening

(deel van ISIC rev. 3.1: 4010) (1)

Niet geconsolideerd.

Productie en distributie van gas; distributie voor eigen rekening van gasvormige brandstoffen via leidingen

(deel van ISIC rev. 3.1: 4020) (2)

Niet geconsolideerd.

Productie van stoom en warm water; distributie voor eigen rekening van stoom en warm water

(deel van ISIC rev. 3.1: 4030) (3)

Niet geconsolideerd.

BIJLAGE II

„Aanhangsel bij Bijlage IV F: de Bahama’s

Sector of subsector

Beperkingen inzake markttoegang

Beperkingen inzake nationale behandeling

A.   HORIZONTALE VERBINTENISSEN

 

Alle vormen van dienstverlening: deviezencontrole

1.

Op grond van de deviezenwet (Exchange Control Regulations Act) en de financiële reglementen (Financial Regulations) moeten ingezetenen aan de centrale bank toestemming vragen voor het voeren van een rekening in vreemde valuta of in Bahamadollar en voor de verwerving van activa in vreemde valuta. Niet-ingezetenen hebben het recht een rekening in vreemde valuta te voeren.

2.

Ingezeten rechtspersonen kunnen toestemming krijgen een rekening in vreemde valuta te voeren wanneer zij aan rechtstreekse verplichtingen in vreemde valuta moeten voldoen. Zowel niet-ingezeten rechtspersonen als buitenlanders kunnen toestemming krijgen een rekening in Bahamadollar te voeren wanneer zij steeds terugkerende uitgaven in Bahamadollar hebben.

3.

Bij alle aanvragen om toestemming voor een van bovengenoemde rekeningen moet worden voldaan aan de eisen die in het nationale investeringsbeleid van de Bahama’s (National Investment Policy — NIP) zijn vastgelegd met betrekking tot de sectoren en activiteiten waarvoor buitenlandse investeringen zijn toegestaan.

4.

Voor de toepassing van de bepalingen inzake deviezencontrole wordt onder „ingezetene” verstaan een staatsburger van de Bahama’s of een rechtspersoon in buitenlandse of binnenlandse handen die een vergunning heeft om transacties met andere ingezetenen aan te gaan. Een niet-ingezetene is een buitenlander of een rechtspersoon die geen vergunning heeft om transacties met ingezetenen aan te gaan, ongeacht of die buitenlander of die rechtspersoon fysiek in de Bahama’s aanwezig is.

Alle vormen van dienstverlening: subsidies, fiscale stimuleringsmaatregelen, (studie)beurzen en andere vormen van nationale financiële ondersteuning kunnen tot staatsburgers van de Bahama’s of ondernemingen in Bahamaanse handen worden beperkt.

Vorm van dienstverlening 3: investeringen door buitenlanders, met een kapitaalwaarde van 250 000 USD of meer, worden door de National Economic Council (NEC) goedgekeurd op basis van het nationale investeringsbeleid, waarbij een onderzoek naar de economische behoeften en baten wordt uitgevoerd. Tot de belangrijkste criteria van het nationale investeringsbeleid behoren het scheppen van werkgelegenheid, de ontwikkeling van vaardigheden, regionale ontwikkeling, plaatselijke behoeften en milieueffecten. Op grond van het nationale investeringsbeleid is ook voor joint ventures tussen Bahamaanse en buitenlandse investeerders toestemming van de NEC op basis van een onderzoek naar de economische behoeften en baten nodig.

Vorm van dienstverlening 3: Bahamaanse staatsburgers en ondernemingen die volledig in Bahamaanse handen zijn, hoeven geen onroerendgoedbelasting te betalen op onroerend goed op de Family Islands.

Vorm van dienstverlening 3: buitenlandse natuurlijke en rechtspersonen die onroerend goed voor commerciële doeleinden willen verwerven, moeten daarvoor een vergunning aanvragen bij de investeringscommissie (Investments Board). Buitenlandse natuurlijke en rechtspersonen die voor welk doel dan ook een perceel van meer dan vijf acres (± 2 ha) willen kopen, moeten daarvoor een vergunning aanvragen bij de investeringscommissie.

Vorm van dienstverlening 3: dienstverleners die een commerciële aanwezigheid vestigen om eenmalig een dienst te verrichten waarna zij de commerciële aanwezigheid weer opheffen, moeten bij de aanvang van het contract 1 % van de waarde ervan als vergunningskosten betalen.

Vorm van dienstverlening 4: niet geconsolideerd, behalve voor stafpersoneel (zakelijke bezoekers, managers en specialisten) en afgestudeerde stagiairs die plaatselijk niet beschikbaar zijn. Op grond van de immigratieregelgeving (Immigration Act and Regulations) moeten buitenlanders die in de Bahama’s willen werken vóór binnenkomst in het land over een werkvergunning beschikken. De situatie op de arbeidsmarkt is bepalend bij de beslissing of aan een buitenlander een werkvergunning wordt verleend.

 

B.   SECTORSPECIFIEKE VERBINTENISSEN

1.   ZAKELIJKE DIENSTEN

A.   

VRIJE BEROEPEN

a)   

Rechtskundige diensten

Juridische documentatie en certificering (CPC 86130)

 

1)

Geen, behalve dat een nationaliteitsvereiste geldt voor rechtskundige diensten in verband met het interne recht.

1)

Geen.

2)

Geen, behalve dat een nationaliteitsvereiste geldt voor rechtskundige diensten in verband met het interne recht.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

Advies in het nationale recht van de dienstverlener (CPC 86119)

 

1)

Geen, behalve dat een nationaliteitsvereiste geldt voor rechtskundige diensten in verband met het interne recht.

1)

Geen.

2)

Geen, behalve dat een nationaliteitsvereiste geldt voor rechtskundige diensten in verband met het interne recht.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

b)   

Accountants, audits en boekhouders

Accountants en audits (CPC 8621)

 

1)

Niet geconsolideerd.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen, behalve dat voor diensten aan Bahamaanse rechtspersonen gebruik moet worden gemaakt van accountants met een Bahamaanse vergunning.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

c)   

Belastingconsulenten (CPC 863)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen, behalve dat voor diensten aan Bahamaanse rechtspersonen gebruik moet worden gemaakt van belastingconsulenten met een Bahamaanse vergunning.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

d)   

Architecten (CPC 8671)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

e)   

Ingenieurs (CPC 86724, 86725)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

f)   

Ingenieurs: geïntegreerde diensten (CPC 8673)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

g)   

Stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten

Landschapsarchitecten (CPC 86742)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

h)   

Artsen en tandartsen (CPC 9312)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

Neurochirurgen

 

1)

Niet geconsolideerd.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

Epidemiologische diensten (CPC 931**)

 

1)

Niet geconsolideerd.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

CAT-scandiensten (CPC 931**)

 

1)

Niet geconsolideerd.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

i)   

Dierenartsen (CPC 932)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

j)   

Verloskundigen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten en paramedisch personeel (CPC 93191)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

B.   

DIENSTEN IN VERBAND MET COMPUTERS

a)   

Computeradviesbureaus (CPC 841)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd voor diensten in verband met de installatie van huiscomputers.

Geen voor ondernemingen.

3)

Niet geconsolideerd voor diensten in verband met de installatie van huiscomputers.

Geen voor ondernemingen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen. Onderzoek naar de economische behoefte voor DC’s.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

b)   

Diensten in verband met de installatie van software (CPC 842)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd voor diensten in verband met de installatie van huiscomputers.

Joint ventures met Bahamaanse ondernemingen zijn toegestaan voor computerinstallaties bij bedrijven. Geen na 2013.

3)

Niet geconsolideerd voor diensten in verband met de installatie van huiscomputers.

4)

Geen.

4)

Geen.

c)   

Gegevensverwerking (CPC 843)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen. Onderzoek naar de economische behoefte voor DC’s.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

d)   

Databanken (CPC 844)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen. Onderzoek naar de economische behoefte voor DC’s.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

e)   

Andere (CPC 849)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd voor kantoortoestellen voor thuisgebruik.

Voor toestellen voor bedrijfsgebruik wordt een onderzoek naar de economische behoefte op basis van het soort dienst uitgevoerd.

3)

Niet geconsolideerd voor kantoortoestellen voor thuisgebruik.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen. Onderzoek naar de economische behoefte voor DC’s.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

C.   

SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK

a)   

Speur- en ontwikkelingswerk op het gebied van de natuur- en ingenieurswetenschappen (CPC 851)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen. Voor DC’s en BVB’s wordt een onderzoek naar de economische behoefte uitgevoerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

b)   

Speur- en ontwikkelingswerk op het gebied van de maatschappij- en geesteswetenschappen (CPC 852)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

c)   

Interdisciplinair speur- en ontwikkelingswerk (CPC 853)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

E.   

VERHUUR/LEASE ZONDER BEDIENINGSPERSONEEL

b)   

Luchtvaartuigen (CPC 83104)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

c)   

Andere vervoermiddelen (CPC 83102)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

d)   

Andere machines en werktuigen (CPC 83106, 83107, 83108, 83109)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

F.   

ANDERE ZAKELIJKE DIENSTEN

a)   

Reclame (CPC 871)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

b)   

Markt- en opinieonderzoek (CPC 864)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

c)   

Advies op het gebied van bedrijfsbeheer (CPC 865)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

d)   

Diensten in verband met advies op het gebied van bedrijfsbeheer (CPC 866)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

e)   

Technische testen en toetsen (CPC 8676)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

f)   

Diensten in verband met landbouw, jacht en bosbouw (CPC 881)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

g)   

Diensten in verband met visserij (CPC 882)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

h)   

Diensten in verband met mijnbouw (CPC 883, 5115)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd.

i)   

Diensten in verband met de industrie

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

k)   

Arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening (CPC 872)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

l)   

Opsporing en beveiliging (CPC 873)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

m)   

Diensten in verband met aanverwante wetenschappelijke en technische adviezen (CPC 86753)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

n)   

Onderhoud en reparatie van uitrusting

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd, behalve voor joint ventures.

3)

Niet geconsolideerd, behalve voor joint ventures.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

o)   

Reiniging van gebouwen (CPC 874)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

p)   

Fotografie (CPC 87501-87507)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

q)   

Verpakkingsdiensten (CPC 876)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

r)   

Uitgeverijen en drukkerijen voor een vast bedrag of op contractbasis (CPC 88442)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

s)   

Organisatie van congressen (CPC 87909**)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

t)   

Andere (CPC 87905)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

2.   COMMUNICATIE

B.   

KOERIERSDIENSTEN (CPC 7512)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen. Onderzoek naar de economische behoefte voor DC’s.

4)

Geen.

C.   

TELECOMMUNICATIE (voor publiek en particulier gebruik)

a)

Spraaktelefonie (CPC 7521)

b)

Pakketgeschakelde datatransmissie (CPC 7523)

c)

Circuitgeschakelde datatransmissie (CPC 7523**)

d)

Telex (CPC 7523**)

e)

Telegraaf (CPC 7522)

1.

Geen.

2.

Geen.

3.

Niet geconsolideerd. Geen na 2013.

4.

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

1.

Geen.

2.

Geen.

3.

Niet geconsolideerd. Geen na 2013.

4.

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

f)

Fax (CPC 7521, 7529)

g)

Particuliere huurlijnen (CPC 7522, 7523)

h)

Elektronische post (CPC 7523)

i)

Voicemail (CPC 7523)

j)

Online-informatie en databanken (CPC 7523)

k)

Elektronische gegevensuitwisseling (CPC 7523)

l)

Geavanceerde/extra faxdiensten, waaronder „opslaan en doorzenden” en „opslaan en opzoeken”

m)

Code- en protocolconversie

n)

Online-informatie en/of gegevensverwerking (met inbegrip van de verwerking van transacties) (CPC 843)

 

 

o)

Andere:

 

Internet en internettoegang (behalve spraak) (CPC 75260)

 

Diensten voor persoonlijke communicatie (behalve mobiele datadiensten, semafoondiensten en trunked-radiosystemen)

 

Telecommunicatieapparatuur: verkoop, verhuur, onderhoud, aansluiting, reparatie en advies (CPC 75410, 75450)

 

Trunked-radiosystemen

 

Semafoon (CPC 75291)

 

Teleconferenties (CPC 75292)

 

Internationale transmissie van spraak, gegevens en video, voor ondernemingen die bij informatieverwerking in vrije zones betrokken zijn

 

Transmissie van video (via satelliet) (CPC 75241**)

 

Aansluitingen en interconnectie (CPC 7543 en 7525)

 

 

3.   BOUWNIJVERHEID EN CIVIELTECHNISCHE DIENSTEN IN VERBAND DAARMEE

A.   

ALGEMENE BOUWKUNDIGE WERKEN: GEBOUWEN

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd, behalve voor gespecialiseerde bouw.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

B.   

ALGEMENE BOUWKUNDIGE WERKEN: CIVIELTECHNISCHE WERKEN (CPC 5131, 5132, 5133, 51340, 51350, 51360, 51371, 51372, 51390)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd, behalve voor gespecialiseerde bouw.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

C.   

INSTALLATIE EN ASSEMBLAGE (CPC 514, 516)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

D.   

AFWERKING VAN GEBOUWEN (CPC 517)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

E.   

ANDERE (CPC 511, 515, 518)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4.   HANDEL

A.   

HANDELSBEMIDDELING (CPC 621)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen. DC’s en BVB’s moeten een vergunning hebben.

B.   

GROOTHANDEL (CPC 622)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

C.   

DETAILHANDEL (CPC 631, 632, 6111, 6113)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

Verkoop, onderhoud en reparatie van motorfietsen en skimotoren; verkoop van delen en toebehoren daarvan (CPC 612) (behalve onderhoud en reparatie van motorfietsen CPC 61220)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

Detailhandel in motorbrandstoffen (CPC 61300)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

D.   

FRANCHISING (CPC 8929)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

5.   ONDERWIJS

a)   

Basisonderwijs (CPC 921)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

b)   

Voortgezet onderwijs (CPC 922)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Niet geconsolideerd.

3)

Niet geconsolideerd.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

c)   

Hoger onderwijs (CPC 923)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

d)   

Volwasseneneducatie

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

e)   

Ander onderwijs (CPC 929)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

6.   MILIEUDIENSTEN

A.   

AFVALWATERINZAMELING EN -BEHANDELING (CPC 9401)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.

2)

Geen.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

Afval- en afvalwaterbeheer (CPC 9401**)

 

1)

Niet geconsolideerd.

1)

Niet geconsolideerd.

2)

Geen.

2)

Niet geconsolideerd.

3)

Geen.

3)

Geen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

4)

Niet geconsolideerd, behalve zoals vermeld in de horizontale verbintenissen.

B.   

AFVALVERZAMELING EN -VERWERKING (CPC 9402)

 

1)

Geen.

1)

Geen.

2)

Geen.