ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.285.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 285

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
30 oktober 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2010/655/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 oktober 2010 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 973/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 tot tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief bij invoer van bepaalde industrieproducten in de autonome regio’s de Azoren en Madeira

4

 

*

Verordening (EU) nr. 974/2010 van de Commissie van 29 oktober 2010 tot vaststelling van de bij de berekening van de financieringskosten van de interventies in de vorm van de aankoop, opslag en afzet van de voorraden toe te passen rentevoeten voor het boekjaar 2011 van het ELGF

9

 

*

Verordening (EU) nr. 975/2010 van de Commissie van 29 oktober 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Śliwka szydłowska (BGA))

11

 

*

Verordening (EU) nr. 976/2010 van de Commissie van 29 oktober 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Hessischer Apfelwein (BGA))

13

 

*

Verordening (EU) nr. 977/2010 van de Commissie van 29 oktober 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Obwarzanek krakowski (BGA))

15

 

*

Verordening (EU) nr. 978/2010 van de Commissie van 29 oktober 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (龙口粉丝 (Longkou Fen Si) (BGA))

17

 

*

Verordening (EU) nr. 979/2010 van de Commissie van 29 oktober 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Porc de Franche-Comté (BGA))

19

 

*

Verordening (EU) nr. 980/2010 van de Commissie van 28 oktober 2010 tot vaststelling van een verbod op de visserij op tong in gebied VIIIa en VIIIb door vaartuigen die de vlag van België voeren

21

 

 

Verordening (EU) nr. 981/2010 van de Commissie van 29 oktober 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

23

 

 

Verordening (EU) nr. 982/2010 van de Commissie van 29 oktober 2010 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 november 2010

25

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2010/656/GBVB van de Raad van 29 oktober 2010 tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust

28

 

 

2010/657/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 28 oktober 2010 betreffende de financiering van noodmaatregelen inzake rabiës in Noordoost-Italië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 7379)

33

 

 

2010/658/EU

 

*

Besluit van de Europese Centrale Bank van 26 oktober 2010 met betrekking tot overgangsbepalingen voor de toepassing van reserveverplichtingen door de Europese Centrale Bank na de invoering van de euro in Estland (ECB/2010/18)

37

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 oktober 2010

betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging

(2010/655/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 196, lid 2, en artikel 218, lid 6, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie is partij bij de Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging, die bij Besluit 93/550/EEG van de Raad (2) (hierna „de Overeenkomst van Lissabon” genoemd) is goedgekeurd.

(2)

Vanwege een politiek geschil over de grenzen in de westelijke Sahara hebben Spanje en Marokko de Overeenkomst van Lissabon niet bekrachtigd. Dit geschil is thans opgelost dankzij het aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Lissabon, waarbij artikel 3, onder c), van die overeenkomst wordt gewijzigd.

(3)

Na de vaststelling van het besluit van de Raad betreffende de ondertekening, namens de Europese Gemeenschap, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging op 12 december 2008, is het aanvullend protocol op 25 maart 2009 namens de Gemeenschap ondertekend.

(4)

Het aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Lissabon staat open voor bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de partijen.

(5)

Het is derhalve dienstig dat de Unie het aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Lissabon tegen verontreiniging sluit.

(6)

De Europese Unie en de lidstaten die partij zijn bij de Overeenkomst van Lissabon dienen ernaar te streven om hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het aanvullend protocol zoveel mogelijk gelijktijdig neer te leggen.

(7)

Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 heeft de Europese Unie de regering van Portugal meegedeeld dat de Europese Unie in de plaats is getreden van de Europese Gemeenschap waarvan zij de opvolgster is,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging wordt namens de Europese Unie goedgekeurd.

De tekst van het aanvullend protocol is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

1.   De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die bevoegd is (zijn) om overeenkomstig artikel 3, lid 1, van het aanvullend protocol namens de Europese Unie de goedkeuringsakte neer te leggen bij de regering van Portugal, die als depositaris optreedt, en aldus tot uiting te brengen dat de Unie ermee instemt door het protocol gebonden te zijn.

2.   De Unie en de lidstaten die partij zijn bij de Overeenkomst van Lissabon streven ernaar om hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het aanvullend protocol zoveel mogelijk gelijktijdig neer te leggen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

De datum van inwerkingtreding van het aanvullend protocol wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Gedaan te Luxemburg, 19 oktober 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

D. REYNDERS


(1)  Goedkeuring van 9 maart 2010 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB L 267 van 28.10.1993, blz. 20.


VERTALING

AANVULLEND PROTOCOL

betreffende de Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging

De Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Koninkrijk Marokko en de Europese Gemeenschap, hierna te noemen „de partijen”,

ZICH BEWUST VAN de noodzaak het milieu in het algemeen en het mariene milieu in het bijzonder te beschermen,

ERKENNEND DAT de verontreiniging van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan door olie en andere schadelijke stoffen het mariene milieu kan bedreigen en de belangen van de kuststaten kan schaden,

REKENING HOUDEND MET de noodzaak de spoedige inwerkingtreding te bevorderen van de op 17 oktober 1990 te Lissabon ondertekende Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging, hierna de „Overeenkomst van Lissabon” genoemd,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OMTRENT HETGEEN VOLGT:

Artikel 1

Wijziging van de Overeenkomst van Lissabon

Artikel 3, onder c), van de op 17 oktober 1990 te Lissabon ondertekende Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging („Overeenkomst van Lissabon”) wordt als volgt gewijzigd:

„c)

in het zuiden door de zuidgrens van de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een van de overeenkomstsluitende staten vallen.”.

Artikel 2

Verband tussen de Overeenkomst van Lissabon en het aanvullend protocol

Bij dit protocol wordt de Overeenkomst van Lissabon volgens de bepalingen van artikel 1 gewijzigd, waarbij de partijen bij het protocol de overeenkomst en het aanvullend protocol samen als één tekst interpreteren en toepassen.

Artikel 3

Instemming tot gebondenheid en inwerkingtreding

1.   Dit protocol wordt ter bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring aan de partijen voorgelegd. De respectieve akten worden bij de regering van de Portugese Republiek nedergelegd.

2.   Dit protocol treedt in werking op de datum van ontvangst door de regering van de Portugese Republiek van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

3.   De partijen kunnen niet tot uiting brengen dat zij door dit protocol gebonden zijn, indien zij niet eerder of gelijktijdig, volgens de bepalingen van artikel 22, tot uiting hebben gebracht dat zij ermee instemmen door de Overeenkomst van Lissabon gebonden te zijn.

4.   Na de inwerkingtreding van dit protocol houdt toetreding tot de Overeenkomst van Lissabon, volgens de procedure van de artikelen 23 en 24, altijd ook de instemming door dit protocol gebonden te zijn in, waarbij de partijen zijn gebonden door de Overeenkomst van Lissabon zoals gewijzigd bij artikel 1 van dit protocol.

Ten blijke waarvan de ondergetekende gemachtigden dit protocol hebben ondertekend.

Gedaan te Lissabon, op twintig mei 2008, in de Arabische, de Spaanse, de Franse en de Portugese taal, zijnde de Franse tekst authentiek in geval van verschil.

VOOR DE PORTUGESE REPUBLIEK

VOOR HET KONKRIJK SPANJE

VOOR DE FRANSE REPUBLIEK

VOOR HET KONINKRIJK MAROKKO

VOOR DE EUROPESE GEMEENSCHAP


VERORDENINGEN

30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/4


VERORDENING (EU) Nr. 973/2010 VAN DE RAAD

van 25 oktober 2010

tot tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief bij invoer van bepaalde industrieproducten in de autonome regio’s de Azoren en Madeira

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 349,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In augustus en december 2007 hebben de regionale overheden van de Azoren en Madeira, met de steun van de Portugese overheid, overeenkomstig artikel 299, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, verzocht om de autonome schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor een aantal producten. Zij motiveerden hun verzoek met het argument dat het bedrijfsleven in de Azoren en Madeira, door de afgelegen ligging van die eilanden, op het gebied van de handel ernstig benadeeld is, hetgeen weer ongunstige gevolgen heeft voor de demografische, sociale en economische ontwikkeling en de werkgelegenheid.

(2)

De plaatselijke economie van de Azoren en Madeira is in hoge mate afhankelijk van het nationale en internationale toerisme, een tamelijk onstabiele bron van inkomsten, omdat die afhankelijk is van factoren waarop de plaatselijke autoriteiten en de Portugese overheid nauwelijks enige invloed hebben. Dit heeft als gevolg dat de economische ontwikkeling van de Azoren en Madeira met ernstige beperkingen heeft te kampen. Daarom moeten die economische sectoren worden gesteund die minder afhankelijk zijn van het toerisme om schommelingen in de toeristensector op te vangen en aldus de lokale werkgelegenheid te stabiliseren.

(3)

Verordening (EEG) nr. 1657/93 van de Raad van 24 juni 1993 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor een aantal industrieproducten bestemd voor de bevoorrading van de vrije zones van de Azoren en van Madeira (3) heeft niet de gewenste resultaten gehad in de laatste jaren voordat deze verordening op 31 december 2008 verstreek. Dit is naar alle waarschijnlijkheid te wijten aan het feit dat de schorsingen waarin die verordening voorzag beperkt waren tot de vrije zones van de Azoren en Madeira en daarom in de laatste jaren voor het verstrijken van de verordening niet meer werden benut. Het is daarom dienstig nieuwe schorsingen vast te stellen die niet beperkt zijn tot bedrijven in de vrije zones, maar die alle soorten bedrijven in deze regio’s ten goede kunnen komen. Daarom dienen de visserij-, de landbouw-, de industrie- en de dienstensector voor de schorsingen in aanmerking te komen.

(4)

Om ervoor te zorgen dat de in deze verordening voorziene schorsingen een economische weerslag hebben, moet zij ook betrekking hebben op eindproducten voor gebruik in de landbouw, de handel en door de industrie alsmede op grondstoffen, en onderdelen voor landbouwdoeleinden, industriële verwerking of onderhoud.

(5)

Om investeerders een perspectief op lange termijn te bieden en bedrijven in staat te stellen een niveau van industriële en commerciële activiteit te bereiken dat bijdraagt tot de stabilisatie van het economisch en sociaal klimaat in de betrokken regio’s, moeten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde goederen volledig worden geschorst voor een periode van tien jaar vanaf 1 november 2010.

(6)

Om ervoor te zorgen dat slechts bedrijven die op de Azoren en Madeira zijn gevestigd van deze tariefmaatregelen kunnen genieten, moeten de schorsingen afhankelijk zijn van de bijzondere bestemming van de producten overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (4) en Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (5).

(7)

Voor een doelmatige toepassing van de schorsingen moeten de autoriteiten van de Azoren en Madeira de nodige uitvoeringsmaatregelen vaststellen en de Commissie daarvan in kennis stellen.

(8)

De Commissie moet, zo nodig, tijdelijke maatregelen kunnen vaststellen om een speculatieve handelsverlegging tegen te gaan totdat de Raad dit probleem definitief oplost.

(9)

Wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur kunnen geen aanleiding geven tot wezenlijke wijzigingen in de schorsing van de rechten. De Commissie moet derhalve gemachtigd worden om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, teneinde de nodige wijzigingen en technische aanpassingen aan te brengen in de lijst van goederen waarop een schorsing van toepassing is,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Van 1 november 2010 tot en met 2 november 2020 worden de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief volledig geschorst die van toepassing zijn bij invoer van de in bijlage I vermelde eindproducten voor gebruik in de landbouw, in de handel en door de industrie in de autonome regio’s de Azoren en Madeira.

Deze goederen worden overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2913/92 en Verordening (EEG) nr. 2454/93 ten minste 24 maanden na het in het vrije verkeer brengen gebruikt door in de autonome regio’s de Azoren en Madeira gevestigde bedrijven.

Artikel 2

Van 1 november 2010 tot en met 2 november 2020 worden de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief die van toepassing zijn bij invoer in de autonome regio’s de Azoren en Madeira van de in bijlage II vermelde grondstoffen en onderdelen die voor landbouwdoeleinden, industriële verwerking of onderhoud worden gebruikt, volledig geschorst.

Artikel 3

De bevoegde autoriteiten van de Azoren en Madeira nemen de nodige maatregelen om de naleving van de artikelen 1 en 2 te waarborgen.

Zij stellen de Commissie vóór 30 april 2011 van dergelijke maatregelen in kennis.

Artikel 4

De in de artikelen 1 en 2 bedoelde schorsing van rechten is afhankelijk van de voorwaarde dat de goederen een bijzondere bestemming krijgen overeenkomstig de artikelen 21 en 82 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en is onderworpen aan de controles als bedoeld in de artikelen 291 tot en met 300 van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 5

1.   Wanneer de Commissie redenen heeft om aan te nemen dat de bij deze verordening ingestelde schorsing voor een bepaald product tot een verlegging van het handelsverkeer heeft geleid, kan zij de betrokken schorsing overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 2, tijdelijk intrekken voor een periode van ten hoogste twaalf maanden. Voor de invoerrechten op producten waarvoor de schorsing tijdelijk is ingetrokken, wordt zekerheid gesteld; deze producten mogen eerst na zekerheidstelling in de autonome regio’s de Azoren en Madeira in het vrije verkeer worden gebracht.

2.   Wanneer de Raad, op voorstel van de Commissie, binnen de periode van twaalf maanden besluit de schorsing definitief in te trekken, worden de bedragen waarvoor zekerheid is gesteld definitief ingevorderd.

3.   Indien binnen twaalf maanden geen definitief besluit overeenkomstig lid 2 is genomen, wordt de zekerheid vrijgegeven.

Artikel 6

Indien nodig kan de Commissie, bij gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 7 en onder de voorwaarden van de artikelen 8 en 9, in de bijlagen I en II de wijzigingen en technische aanpassingen aanbrengen die noodzakelijk zijn ingevolge wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur.

Artikel 7

1.   De bevoegdheid om de in artikel 6 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.

2.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij de Raad daarvan in kennis.

3.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie verleend onder de voorwaarden van de artikelen 8 en 9.

Artikel 8

1.   De in artikel 6 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan door de Raad worden ingetrokken.

2.   Indien de Raad een interne procedure is begonnen om te besluiten of hij de bevoegdheidsdelegatie wenst in te trekken, brengt hij de Commissie hiervan binnen een redelijke termijn voordat een definitief besluit wordt genomen, op de hoogte en geeft daarbij aan welke gedelegeerde bevoegdheden mogelijk worden ingetrokken en waarom.

3.   Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheden. Het besluit treedt onmiddellijk of op een in dat besluit bepaalde latere datum in werking. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 9

1.   De Raad kan tegen een gedelegeerde handeling bezwaar aantekenen binnen een termijn van drie maanden na de datum van kennisgeving.

2.   Indien de Raad bij het verstrijken van deze termijn geen bezwaar tegen de gedelegeerde handeling heeft aangetekend, of indien hij de Commissie vóór die datum meedeelt dat hij heeft besloten geen bezwaar aan te tekenen, wordt de gedelegeerde handeling bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij op de daarin vastgestelde datum in werking.

3.   Indien de Raad bezwaar aantekent tegen de vastgestelde gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De Raad motiveert zijn bezwaar tegen de gedelegeerde handeling.

Artikel 10

De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, de mogelijke bezwaren die daartegen worden gemaakt of de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.

Artikel 11

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité douanewetboek.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (6) van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde periode is drie maanden.

Artikel 12

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 november 2010, met uitzondering van de artikelen 6 tot en met 10 die van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 25 oktober 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

S. VANACKERE


(1)  Adviezen van 1 januari 2010 en 7 september 2010 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van 17 december 2009 (PB C 225 van 22.9.2010, blz. 59).

(3)  PB L 158 van 30.6.1993, blz. 1.

(4)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(5)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.

(6)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


BIJLAGE I

Eindproducten voor gebruik in de landbouw, de handel of door de industrie

GN-code (1)

 

4016 94 00

 

4415 10 10

 

5608

 

6203 31 00

 

6203 39 19

 

6204 11 00

 

6205 90 80

 

6506 99

 

7309 00 59

 

7310 10 00

 

7310 29 10

 

7311 00

 

7321 81 90

 

7323 93 90

 

7326 20 80

 

7612 90 98

 

8405 10 00

 

8412 29 89

 

8412 80 80

 

8413 81 00

 

8413 82 00

 

8414 40 90

 

8414 60 00

 

8414 80 80

 

8415 10 90

 

8415 82 00

 

8418 30 20

 

8418 50

 

8422 30 00

 

8423 89 00

 

8424 30 90

 

8427 20 11

 

8440 10 90

 

8442 50 23

 

8442 50 29

 

8450 11 90

 

8450 12 00

 

8450 20 00

 

8451 21 90

 

8451 29 00

 

8451 80 80

 

8452 10 19

 

8452 29 00

 

8458 11 80

 

8464 90

 

8465 10 90

 

8465 92 00

 

8465 93 00

 

8465 99 90

 

8467 11 10

 

8467 19 00

 

8467 22 30

 

8467 22 90

 

8479 89 97

 

8501 10 91

 

8501 20 00

 

8501 61 20

 

8501 64 00

 

8502 39

 

8504 32 80

 

8504 33 00

 

8504 40 90

 

8510 30 00

 

8515 19 00

 

8515 39 13

 

8515 80 91

 

8516 29 99

 

8516 80 80

 

8518 30 95

 

8523 21 00

 

8526 91 80

 

8531 10 95

 

8543 20 00

 

8543 70 30

 

8543 70 90

 

8546 90 90

 

9008 10 00

 

9011 80 00

 

9014 80 00

 

9015 80 11

 

9015 80 19

 

9015 80 91

 

9015 80 93

 

9015 80 99

 

9016 00 10

 

9017 30 10

 

9020 00 00

 

9023 00 10

 

9023 00 80

 

9024 10

 

9024 80

 

9025 19 20

 

9025 80 40

 

9025 80 80

 

9027 10 10

 

9030 31 00

 

9032 10 20

 

9032 10 81

 

9032 89 00

 

9107 00 00

 

9201 90 00

 

9202 90 30

 

9506 91 90

 

9506 99 90

 

9507 10 00

 

9507 20 90

 

9507 30 00

 

9507 90 00


(1)  Op 1 januari 2009 toepasselijke GN-codes vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1031/2008 van de Commissie van 19 september 2008 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 291 van 31.10.2008, blz. 1).


BIJLAGE II

Grondstoffen en onderdelen die voor landbouwdoeleinden, industriële verwerking of onderhoud worden gebruikt

GN-code (1)

 

3102 40 10

 

3105 20 10

 

4008 29 00

 

4009 42 00

 

4010 12 00

 

4015 90 00

 

4016 93 00

 

4016 99 97

 

5401 10 90

 

5407 42 00

 

5407 72 00

 

5601 21 90

 

5608

 

5806 32 90

 

5901 90 00

 

5905 00 90

 

6217 90 00

 

6406 20 90

 

7303 00 90

 

7315 12 00

 

7315 89 00

 

7318 14 91

 

7318 15 69

 

7318 15 90

 

7318 16 91

 

7318 19 00

 

7318 22 00

 

7320 20 89

 

7323 99 99

 

7324 90 00

 

7326 90 98

 

7412 20 00

 

7415 21 00

 

7415 29 00

 

7415 33 00

 

7419 91 00

 

7606 11 91

 

7606 11 93

 

7606 11 99

 

7616 10 00

 

7907 00

 

8207 90 99

 

8302 42 00

 

8302 49 00

 

8308 90 00

 

8406 90 90

 

8409 91 00

 

8409 99 00

 

8411 99 00

 

8412 90 40

 

8413 30 80

 

8413 70 89

 

8414 90 00

 

8415 90 00

 

8421 23 00

 

8421 29 00

 

8421 31 00

 

8421 99 00

 

8440 90 00

 

8442 40 00

 

8450 90 00

 

8451 90 00

 

8452 90 00

 

8478 90 00

 

8481 20 10

 

8481 30 99

 

8481 40

 

8481 80 99

 

8482 10 90

 

8482 80 00

 

8483 40 90

 

8483 60 80

 

8484 10 00

 

8503 00 99

 

8509 90 00

 

8511 80 00

 

8511 90 00

 

8513 90 00

 

8514 90 00

 

8529 10 31

 

8529 10 39

 

8529 10 80

 

8529 10 95

 

8529 90 65

 

8529 90 97

 

8531 90 85

 

8539 31 90

 

8543 70 90

 

8544 20 00

 

8544 42 90

 

8544 49 93

 

9005 90 00

 

9011 90 90

 

9014 90 00

 

9015 90 00

 

9024 90 00

 

9029 20 31

 

9209 91 00

 

9209 92 00

 

9209 94 00

 

9506 70 90


(1)  Op 1 januari 2009 toepasselijke GN-codes vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1031/2008 van de Commissie van 19 september 2008 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 291 van 31.10.2008, blz. 1).


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/9


VERORDENING (EU) Nr. 974/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2010

tot vaststelling van de bij de berekening van de financieringskosten van de interventies in de vorm van de aankoop, opslag en afzet van de voorraden toe te passen rentevoeten voor het boekjaar 2011 van het ELGF

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (1), en met name artikel 3, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 884/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de financiering van de maatregelen voor interventie in de vorm van openbare opslag door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en de boeking van de verrichtingen in verband met openbare opslag door de betaalorganen van de lidstaten (2) is bepaald dat de uitgaven voor de financieringskosten voor de middelen die door de lidstaten worden verschaft voor de aankoop van producten, volgens de in bijlage IV bij die verordening opgenomen voorschriften worden vastgesteld.

(2)

Krachtens bijlage IV, punt I.1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 884/2006 wordt voor de berekening van de bedragen van de betrokken financieringskosten door de Commissie aan het begin van elk boekjaar een voor de Unie uniforme rentevoet vastgesteld. Deze rentevoet komt overeen met het gemiddelde van de in de zes maanden vóór de mededeling van de lidstaten zoals bedoeld in punt I.1 van die bijlage IV geconstateerde driemaands en twaalfmaands Euribor-rentevoeten waaraan een gewicht van respectievelijk een derde en twee derde is toegekend. Deze rentevoet moet aan het begin van elk boekjaar van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) worden vastgesteld.

(3)

Wanneer de door een lidstaat meegedeelde rentevoet echter lager ligt dan de voor de Unie vastgestelde uniforme rentevoet, wordt voor dat land overeenkomstig bijlage IV punt I.2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 884/2006 een rentevoet vastgesteld op het niveau van de meegedeelde rentevoet.

(4)

Voorts wordt, overeenkomstig bijlage IV, punt I.2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 884/2006, als een lidstaat geen mededeling doet in de vorm en binnen de termijn die in punt I.2, eerste alinea, van de genoemde bijlage IV zijn vermeld, de door die lidstaat betaalde rentevoet geacht nul te zijn. Als een lidstaat verklaart dat hij geen enkele rentelast heeft gedragen omdat tijdens de referentieperiode geen landbouwproducten in openbare interventie waren opgeslagen, geldt voor deze lidstaat de door de Commissie vastgestelde uniforme rentevoet. Luxemburg, Malta en Portugal hebben verklaard geen enkele rentelast te hebben gedragen omdat tijdens de referentieperiode geen landbouwproducten in openbare interventie waren opgeslagen.

(5)

De rentevoeten voor het boekjaar 2011 van het ELGF dienen met inachtneming van deze verschillende elementen te worden vastgesteld aan de hand van de door de lidstaten aan de Commissie meegedeelde gegevens.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de landbouwfondsen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de uitgaven voor de financieringskosten voor de middelen die door de lidstaten worden verschaft voor de aankoop van interventieproducten ten laste van het boekjaar 2011 van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), worden de op grond van artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 884/2006 in bijlage IV bij die verordening bedoelde rentevoeten vastgesteld op:

a)

0,0 % voor de specifieke rentevoet voor Cyprus, Estland en Letland;

b)

0,2 % voor de specifieke rentevoet voor Bulgarije;

c)

0,3 % voor de specifieke rentevoet voor Zweden;

d)

0,4 % voor de specifieke rentevoet voor Duitsland, Ierland en Finland;

e)

0,5 % voor de specifieke rentevoet voor Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk;

f)

0,6 % voor de specifieke rentevoet voor Italië;

g)

0,7 % voor de specifieke rentevoet voor Griekenland;

h)

1,0 % voor de specifieke rentevoet voor België;

i)

1,1 % voor de uniforme rentevoet voor de Unie die van toepassing is op de overige lidstaten.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.

(2)  PB L 171 van 23.6.2006, blz. 35.


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/11


VERORDENING (EU) Nr. 975/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Śliwka szydłowska (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Polen ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Śliwka szydłowska” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 42 van 19.2.2010, blz. 3.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

POLEN

Śliwka szydłowska (BGA)


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/13


VERORDENING (EU) Nr. 976/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Hessischer Apfelwein (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Duitsland ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Hessischer Apfelwein” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 41 van 18.2.2010, blz. 13.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.8.   Andere in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten (specerijen, enz.)

DUITSLAND

Hessischer Apfelwein (BGA)


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/15


VERORDENING (EU) Nr. 977/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Obwarzanek krakowski (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Polen ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Obwarzanek krakowski” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 38 van 16.2.2010, blz. 8. De Duitse versie is gerectificeerd in PB C 226 van 21.8.2010, blz. 17.


BIJLAGE

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 510/2006 genoemde levensmiddelen:

Categorie 2.4.   Brood, gebak, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren

POLEN

Obwarzanek krakowski (BGA)


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/17


VERORDENING (EU) Nr. 978/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Image (Longkou Fen Si) (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door China ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „

Image

” (Longkou Fen Si) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 44 van 20.2.2010, blz. 18.


BIJLAGE

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 510/2006 genoemde levensmiddelen:

Categorie 2.7.   Deegwaren

CHINA

Image (Longkou Fen Si) (BGA)


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/19


VERORDENING (EU) Nr. 979/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Porc de Franche-Comté (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Frankrijk ingediende aanvraag tot registratie van de naam „Porc de Franche-Comté” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 38 van 16.2.2010, blz. 13.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.1.   Vers vlees (en verse slachtafvallen)

FRANKRIJK

Porc de Franche-Comté (BGA)


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/21


VERORDENING (EU) Nr. 980/2010 VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 2010

tot vaststelling van een verbod op de visserij op tong in gebied VIIIa en VIIIb door vaartuigen die de vlag van België voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 53/2010 van de Raad van 14 januari 2010 tot vaststelling, voor 2010, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de EU en, voor vaartuigen van de EU, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2010 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2010 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2010 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 21 van 26.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

33/T&Q

Lidstaat

België

Bestand

SOL/8AB.

Soort

Tong (Solea solea)

Gebied

VIIIa en VIIIb

Datum

1.9.2010


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/23


VERORDENING (EU) Nr. 981/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 30 oktober 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AR

51,6

MA

77,4

MK

61,0

TR

77,0

ZZ

66,8

0707 00 05

EG

140,6

JO

158,2

MK

59,4

TR

156,9

ZZ

128,8

0709 90 70

TR

140,9

ZZ

140,9

0805 50 10

AR

57,9

BR

68,9

CL

70,8

TR

80,5

UY

61,0

ZA

76,3

ZZ

69,2

0806 10 10

BR

223,2

TR

136,2

US

219,0

ZA

62,8

ZZ

160,3

0808 10 80

AR

75,7

AU

224,0

BR

82,6

CL

112,1

CN

69,0

MK

26,7

NZ

101,2

ZA

70,4

ZZ

95,2

0808 20 50

CN

67,5

ZZ

67,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/25


VERORDENING (EU) Nr. 982/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2010

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 november 2010

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EU) nr. 642/2010 van de Commissie van 20 juli 2010 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00, 1001 90 91, ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002, ex 1005 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, en ex 1007 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, gelijk is aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs voor de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 136, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat voor de berekening van het in lid 1 van dat artikel bedoelde invoerrecht regelmatig representatieve cif-invoerprijzen voor de betrokken producten worden vastgesteld.

(3)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 is de prijs die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00, 1001 90 91, ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002 00, 1005 10 90, 1005 90 00 en 1007 00 90, de dagelijkse representatieve cif-invoerprijs die wordt bepaald volgens de methode van artikel 5 van die verordening.

(4)

Er dienen invoerrechten te worden vastgesteld voor de periode vanaf 1 november 2010, die van toepassing zullen zijn totdat een nieuwe vaststelling in werking treedt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 1 november 2010, worden in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgesteld op basis van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 november 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 187 van 21.7.2010, blz. 5.


BIJLAGE I

Vanaf 1 november 2010 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(EUR/t)

1001 10 00

HARDE TARWE van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

ZACHTE TARWE, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed

0,00

1002 00 00

ROGGE

0,00

1005 10 90

MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden

0,00

1005 90 00

MAÏS, andere dan zaaigoed (2)

0,00

1007 00 90

GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

0,00


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Unie worden aangevoerd, komt de importeur op grond van artikel 2, lid 4, van Verordening (EU) nr. 642/2010 in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t als de loshaven aan de Middellandse Zee of de Zwarte Zee ligt,

2 EUR/t als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t als aan de in artikel 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten

15.10.2010-28.10.2010

1.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

(EUR/t)

 

Zachte tarwe (1)

Maïs

Harde tarwe van hoge kwaliteit

Harde tarwe van gemiddelde kwaliteit (2)

Harde tarwe van lage kwaliteit (3)

Gerst

Beurs

Minnéapolis

Chicago

Notering

210,36

160,02

Fob-prijs VSA

196,36

186,36

166,36

113,41

Golfpremie

18,08

Grote-Merenpremie

22,87

2.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

Vrachtkosten: Golf van Mexico–Rotterdam:

18,89 EUR/t

Vrachtkosten: Grote Meren–Rotterdam:

47,56 EUR/t


(1)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(2)  Korting van 10 EUR/t (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(3)  Korting van 30 EUR/t (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).


BESLUITEN

30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/28


BESLUIT 2010/656/GBVB VAN DE RAAD

van 29 oktober 2010

tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 13 december 2004 Gemeenschappelijk Standpunt 2004/852/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Ivoorkust (1) vastgesteld teneinde de maatregelen uit te voeren die bij Resolutie 1572 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna „VN-Veiligheidsraad” genoemd) aan Ivoorkust waren opgelegd.

(2)

De Raad heeft op 23 januari 2006 Gemeenschappelijk Standpunt 2006/30/GBVB (2) vastgesteld, waarbij de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust met twaalf maanden zijn verlengd en met de bij punt 6 van Resolutie 1643 (2005) van de VN-Veiligheidsraad opgelegde maatregelen zijn aangevuld.

(3)

Ingevolge de verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust bij Resolutie 1842 (2008) van de VN-Veiligheidsraad, heeft de Raad op 18 november 2008 Gemeenschappelijk Standpunt 2008/873/GBVB (3) vastgesteld, waarbij de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust met ingang van 1 november 2008 zijn verlengd.

(4)

De VN-Veiligheidsraad heeft op 15 oktober 2010 Resolutie 1946 (2010) vastgesteld, waarbij de bij Resolutie 1572 (2004) van de VN-Veiligheidsraad en de bij punt 6 van Resolutie 1643 (2005) van de VN-Veiligheidsraad opgelegde maatregelen tot en met 30 april 2011 worden verlengd en de beperkende maatregelen betreffende wapens worden gewijzigd.

(5)

Derhalve moeten de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust worden verlengd. Teneinde naast de vrijstellingen van het wapenembargo waarin Resolutie 1946 (2010) van de VN-Veiligheidsraad voorziet, ook andere, door de Unie autonoom opgenomen uitrusting vrij te stellen, dienen de beperkende maatregelen tevens te worden gewijzigd.

(6)

De uitvoeringsmaatregelen van de Unie staan in de Verordening (EG) nr. 174/2005 van de Raad van 31 januari 2005 tot instelling van beperkingen op het leveren van bijstand in verband met militaire activiteiten aan Ivoorkust (4), Verordening (EG) nr. 560/2005 van de Raad van 12 april 2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust (5) en Verordening (EG) nr. 2368/2002 van de Raad van 20 december 2002 tot uitvoering van de Kimberleyprocescertificering voor de internationale handel in ruwe diamant (6),

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De verkoop, levering of overdracht aan of de uitvoer naar Ivoorkust van wapens en alle soorten aanverwant materieel, waaronder wapens en munitie, militaire voertuigen en militaire uitrusting, paramilitaire uitrusting en onderdelen daarvoor, alsmede uitrusting die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie, door onderdanen van de lidstaten of vanaf het grondgebied van de lidstaten, ongeacht of de goederen daar oorspronkelijk vandaan komen, of met gebruik van onder hun vlag varende schepen of hun luchtvaartuigen, is verboden.

2.   Tevens is verboden:

a)

het rechtstreeks of onrechtstreeks verlenen van technische bijstand, tussenhandeldiensten en andere diensten in verband met de in lid 1 bedoelde goederen of in verband met het leveren, vervaardigen, onderhouden en gebruiken van dergelijke goederen aan natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Ivoorkust of bestemd voor gebruik in Ivoorkust;

b)

het rechtstreeks of onrechtstreeks verstrekken van financiering of financiële bijstand in verband met de in lid 1 bedoelde goederen, met inbegrip van met name subsidies, leningen en exportkredietverzekering, ten behoeve van de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van die goederen, of ten behoeve van de verlening van daarmee verband houdende technische bijstand, tussenhandeldiensten of andere diensten aan natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Ivoorkust of voor gebruik in Ivoorkust.

Artikel 2

Artikel 1 is niet van toepassing op:

a)

bevoorrading en technische bijstand die uitsluitend bestemd zijn voor ondersteuning van of gebruik door de operatie van de Verenigde Naties in Ivoorkust en de Franse troepen die de operatie steunen;

b)

op voorwaarde dat vooraf de goedkeuring is verkregen van het bij punt 14 van Resolutie 1572 (2004) van de VN-Veiligheidsraad opgerichte comité (hierna „Sanctiecomité” genoemd);

i)

de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van niet-dodelijke militaire uitrusting die uitsluitend is bestemd voor humanitair of beschermend gebruik, met inbegrip van dergelijke uitrusting voor crisisbeheersingsoperaties van de Unie, de VN, de Afrikaanse Unie en de Economic Community of West African States (ECOWAS);

ii)

de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van niet-dodelijke militaire uitrusting met als enig doel de Ivoriaanse veiligheidstroepen in staat te stellen enkel passend en evenredig geweld te gebruiken bij de handhaving van de openbare orde;

iii)

het verstrekken van financiering en financiële bijstand in verband met de onder i) en ii) bedoelde uitrusting;

iv)

het verstrekken van technische bijstand en opleiding in verband met de onder i) en ii) bedoelde uitrusting,

c)

de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van beschermende kledingstukken, met inbegrip van scherfwerende vesten en militaire helmen, die door personeel van de Verenigde Naties, personeel van de Unie of haar lidstaten, vertegenwoordigers van de media en humanitaire en ontwikkelingswerkers en aanverwant personeel, louter voor persoonlijk gebruik tijdelijk naar Ivoorkust worden uitgevoerd;

d)

de verkoop of levering van goederen die tijdelijk naar Ivoorkust worden overgebracht of uitgevoerd voor de troepen van een staat die overeenkomstig het internationaal recht actie onderneemt die uitsluitend en direct is gericht op het faciliteren van de evacuatie van zijn onderdanen en de personen voor wie hij in Ivoorkust consulair verantwoordelijk is, indien dat vooraf ter kennis van het Sanctiecomité is gebracht;

e)

de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van wapens en aanverwant materieel en het verstrekken van technische opleiding en bijstand, uitsluitend bestemd ter ondersteuning van en gebruik bij het proces van herstructurering van de defensie- en veiligheidstroepen overeenkomstig punt 3, onder f), van de Overeenkomst van Linas-Marcoussis, indien vooraf de goedkeuring is verkregen van het Sanctiecomité;

f)

de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van niet-dodelijke uitrusting die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie, met als enig doel de Ivoriaanse veiligheidstroepen in staat te stellen enkel passend en evenredig geweld te gebruiken bij de handhaving van de openbare orde, en het verstrekken van financiering, financiële bijstand of technische bijstand en opleiding in verband met dergelijke uitrusting.

Artikel 3

De rechtstreekse of onrechtstreekse invoer van ruwe diamant in de Unie vanuit Ivoorkust, ongeacht of deze diamant al dan niet van oorsprong is uit dit land, is overeenkomstig Resolutie 1643 (2005) van de VN-Veiligheidsraad verboden.

Artikel 4

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter voorkoming van de binnenkomst in of doorreis door hun respectieve grondgebieden van alle personen die door het Sanctiecomité op een lijst zijn geplaatst omdat zij een bedreiging voor de vrede en voor het nationale verzoeningsproces in Ivoorkust vormen, in het bijzonder de personen die de uitvoering van de Overeenkomst van Linas-Marcoussis en de Overeenkomst van Accra III belemmeren, personen van wie op basis van relevante informatie is vastgesteld dat zij verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationale humanitaire recht in Ivoorkust, personen die publiekelijk aanzetten tot haat en geweld en personen van wie het Sanctiecomité heeft vastgesteld dat zij inbreuk maken op maatregelen die bij punt 7 van Resolutie 1572 (2004) van de VN-Veiligheidsraad zijn opgelegd.

De lijst van de in de eerste alinea bedoelde personen vormt de bijlage.

2.   Lid 1 verplicht de lidstaten niet eigen onderdanen te beletten hun grondgebied binnen te komen.

3.   Lid 1 is niet van toepassing wanneer het Sanctiecomité van oordeel is dat:

a)

de reis gerechtvaardigd is om dringende humanitaire redenen, religieuze voorschriften daaronder begrepen;

b)

een vrijstelling zou bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, namelijk de totstandbrenging van vrede en nationale verzoening in Ivoorkust en stabiliteit in de regio.

4.   In de gevallen waarin een lidstaat krachtens lid 3 machtiging verleent tot binnenkomst in of doorreis via zijn grondgebied van de door het Sanctiecomité op de lijst geplaatste personen, geldt deze machtiging alleen voor het doel waarvoor zij is verleend en alleen voor de daarbij betrokken personen.

Artikel 5

1.   Alle tegoeden en economische middelen die rechtstreeks of onrechtstreeks in bezit zijn of onder beheer staan van de overeenkomstig artikel 4, lid 1, door het Sanctiecomité op de lijst geplaatste personen of entiteiten, of die worden gehouden door entiteiten die rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit zijn of onder beheer staan van die personen of entiteiten, of van personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen en door het Sanctiecomité op de lijst zijn geplaatst, worden bevroren.

De in de eerste alinea bedoelde personen zijn opgenomen in de bijlage.

2.   Tegoeden, financiële activa of economische middelen worden rechtstreeks noch onrechtstreeks aan of ten behoeve van de in lid 1 bedoelde personen of entiteiten ter beschikking gesteld.

3.   Lidstaten mogen vrijstellingen van de in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen toestaan voor tegoeden en economische middelen die:

a)

noodzakelijk zijn ter dekking van basisuitgaven, zoals betalingen voor voedsel, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies of openbare nutsvoorzieningen;

b)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en de vergoeding van kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

c)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten, overeenkomstig het nationaal recht, voor alleen het houden of beheren van bevroren tegoeden en economische middelen;

d)

noodzakelijk zijn ter dekking van uitzonderlijke uitgaven, na kennisgeving door de betrokken lidstaat aan het Sanctiecomité en goedkeuring door dit comité;

e)

het voorwerp zijn van een justitieel, administratief of arbitraal retentierecht of vonnis; in dat geval kunnen de tegoeden en economische middelen worden gebruikt om het retentierecht uit te oefenen of het vonnis ten uitvoer te leggen mits het retentierecht is ingegaan of het vonnis is gewezen vóór de betrokken persoon of entiteit door het Sanctiecomité op de lijst werd geplaatst en niet ten goede komt aan een in dit artikel genoemde persoon of entiteit, zulks na kennisgeving door de betrokken lidstaat aan het Sanctiecomité.

De in lid 3, onder a), b) en c), bedoelde vrijstellingen kunnen worden verleend nadat de betrokken lidstaat het Sanctiecomité kennis heeft gegeven van zijn voornemen om, in voorkomend geval, toestemming te verlenen voor de toegang tot dergelijke tegoeden en economische middelen en het Sanctiecomité binnen twee werkdagen na deze kennisgeving geen negatief besluit heeft genomen.

4.   Lid 2 is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van:

a)

rente of andere inkomsten op die rekeningen, of

b)

betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop de bij Gemeenschappelijk Standpunt 2004/852/GBVB of bij dit besluit opgelegde beperkende maatregelen op de betrokken rekeningen van toepassing werden,

op voorwaarde dat lid 1 op deze rente, andere inkomsten en betalingen van toepassing blijft.

Artikel 6

De Raad stelt de lijst van de bijlage vast en wijzigt deze in overeenstemming met de besluiten van de VN-Veiligheidsraad of het Sanctiecomité.

Artikel 7

1.   Wanneer de Veiligheidsraad of het Sanctiecomité een persoon of entiteit op de lijst plaatst, neemt de Raad die persoon of entiteit op in de bijlage. De Raad stelt de betrokken persoon of entiteit in kennis van zijn besluit en van de motivering voor plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij middels de bekendmaking van een kennisgeving, zodat zij daarover opmerkingen kan indienen.

2.   Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, heroverweegt de Raad zijn besluit en brengt hij de persoon of entiteit van het resultaat op de hoogte.

Artikel 8

1.   In de bijlage worden de door de Veiligheidsraad of het Sanctiecomité opgegeven redenen vermeld waarom personen of entiteiten op de lijst zijn geplaatst.

2.   De bijlage bevat tevens, wanneer beschikbaar, informatie die door de Veiligheidsraad of het Sanctiecomité is verstrekt en die nodig is om de betrokken personen of entiteiten te kunnen identificeren. Met betrekking tot personen kan die informatie bestaan uit namen, inclusief aliassen, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, paspoort- en identiteitskaartnummers, geslacht, adres en functie of beroep. Met betrekking tot entiteiten kan die informatie namen, plaats en datum van registerinschrijving, registratienummer en de plaats van vestiging omvatten. De bijlage vermeldt tevens de datum waarop zij door de Veiligheidsraad of door het Sanctiecomité op de lijst zijn geplaatst.

Artikel 9

De Gemeenschappelijke Standpunten 2004/852/GBVB en 2006/30/GBVB worden ingetrokken.

Artikel 10

1.   Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

2.   Dit besluit wordt zo nodig herzien, gewijzigd of ingetrokken overeenkomstig door de VN-Veiligheidsraad genomen besluiten.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

S. VANACKERE


(1)  PB L 368 van 15.12.2004, blz. 50.

(2)  PB L 19 van 24.1.2006, blz. 36.

(3)  PB L 308 van 19.11.2008, blz. 52.

(4)  PB L 29 van 2.2.2005, blz. 5.

(5)  PB L 95 van 14.4.2005, blz. 1.

(6)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 28.


BIJLAGE

Lijst van personen bedoeld in de artikelen 4 en 5

 

Naam (en eventuele aliassen)

Identificatiegegevens (geboortedatum en -plaats, paspoort/identiteitskaartnummer enz.)

Redenen voor plaatsing op de lijst

Datum plaatsing op de VN-lijst

1.

BLÉ GOUDÉ, Charles (alias Général; Génie de kpo, Gbapé Zadi)

Geboortedatum: 1.1.1972

Nationaliteit: Ivoriaan

P.: 04LE66241 Republiek Ivoorkust; uitgereikt op 10.11.2005; geldig tot en met 9.11.2008

PD.: AE/088 DH 12 Republiek Ivoorkust; uitgereikt op 20.12.2002; geldig tot en met 11.12.2005

P.: 98LC39292 Republiek Ivoorkust; uitgereikt op 24.11.2000; geldig tot en met 23.11.2003

Geboorteplaats: Guibéroua (Gagnoa) of Niagbrahio/Guiberoua of Guiberoua

In 2001 bekend adres: Yopougon Selmer, Bloc P 170; ook in Hotel Ivoire

Adres, opgegeven in reisdocument n. C2310421 uitgereikt door Zwitserland op 15.11.2005 en geldig tot en met 31.12.2005: Abidjan, Cocody

Leider van COJEP („Jeunes Patriotes” — „Jonge Patriotten”), herhaalde publieke verklaringen waarin wordt opgeroepen tot geweld tegen installaties en personeel van de Verenigde Naties en tegen buitenlanders; leidinggeven bij en deelnemen aan gewelddaden van milities, onder meer afranselingen, verkrachtingen en buitengerechtelijke executies; intimidatie van de Verenigde Naties, de Internationale Werkgroep (IWG), de politieke oppositie en de onafhankelijke pers; sabotage van internationale radiostations; belemmeren van het optreden van de IWG, de operatie van de Verenigde Naties in Ivoorkust (UNOCI), en de Franse strijdkrachten, en van het vredesproces als omschreven in Resolutie 1643 (2005).

7 februari 2006

2.

DJUÉ, Eugène N’goran Kouadio

Geboortedatum: 1.1.1966 of 20.12.1969

Nationaliteit: Ivoriaan

P.: 04 LE 017521 uitgereikt op 10 februari 2005 en geldig tot en met 10 februari 2008

Leider van de Union des Patriotes pour la Libération Totale de la Côte d’Ivoire (UPLTCI) (Unie van patriotten voor de totale bevrijding van Ivoorkust). Herhaalde openbare verklaringen waarin wordt opgeroepen tot geweld tegen installaties en personeel van de Verenigde Naties en tegen buitenlanders; leidinggeven bij en deelnemen aan gewelddaden van milities, onder meer afranselingen, verkrachtingen en buitengerechtelijke executies; belemmeren van het optreden van de IWG, de UNOCI en de Franse strijdkrachten, en van het vredesproces als omschreven in Resolutie 1643 (2005).

7 februari 2006

3.

FOFIE, Martin Kouakou

Geboortedatum: 1.1.1968

Nationaliteit: Ivoriaan

Geboorteplaats: BOHI, Ivoorkust

Burkinees identiteitskaartnummer: 2096927 (uitgereikt op 17 maart 2005)

Burkinees nationaliteitsbewijs: CNB N.076 (17 februari 2003)

Naam vader: Yao Koffi FOFIE

Naam moeder: Ama Krouama KOSSONOU

Ivoriaans identiteitskaartnummer: 970860100249 uitgereikt op 5 augustus 1997 en geldig tot en met 5 augustus 2007

Korporaal-chef „Forces Nouvelles”, commandant sector Korhogo. Strijdkrachten onder zijn commando betrokken bij het ronselen van kindsoldaten, ontvoeringen, dwangarbeid, seksueel misbruik van vrouwen, willekeurige aanhoudingen en buitengerechtelijke executies, in strijd met mensenrechtenverdragen en het internationaal humanitair recht; belemmeren van het optreden van de IWG, de UNOCI en de Franse strijdkrachten, en van het vredesproces als omschreven in Resolutie 1643 (2005).

7 februari 2006


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/33


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 2010

betreffende de financiering van noodmaatregelen inzake rabiës in Noordoost-Italië

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 7379)

(2010/657/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Beschikking 2009/470/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name artikel 8, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 2009/470/EEG bepaalt dat, indien een lidstaat rechtstreeks door het uitbreken of de verspreiding van een van de ziekten in de lijst in bijlage I bij die beschikking op het grondgebied van een derde land of een lidstaat wordt bedreigd, kan worden besloten om aan de situatie aangepaste maatregelen vast te stellen en een financiële bijdrage van de Unie toe te kennen voor de maatregelen die bijzonder nodig worden geacht voor het welslagen van de ondernomen acties.

(2)

Rabiës is een dierziekte die voornamelijk wilde en gedomesticeerde carnivoren treft en ernstige gevolgen heeft voor de volksgezondheid. Het is een van de ziekten die zijn opgenomen in de lijst in bijlage I bij Beschikking 2009/470/EG.

(3)

De door de Unie medegefinancierde programma’s voor de orale immunisatie van wilde carnivoren die het reservoir van die ziekte zijn, hebben de laatste jaren in de meeste lidstaten een gunstig resultaat opgeleverd: het aantal rabiësgevallen bij wilde en gedomesticeerde dieren is drastisch gedaald en bij de mens werden geen gevallen meer geconstateerd.

(4)

Italië wordt sinds 1997 als een rabiësvrij land beschouwd. In oktober 2008 is in de regio Friuli Venezia Giulia echter een geval van rabiës geconstateerd, gevolgd door acht nieuwe gevallen in dezelfde regio. In 2009 heeft rabiës onder in het wild levende dieren zich ook in de regio Veneto verspreid. Eind 2009 waren in Friuli Venezia Giulia 35 en in Veneto 33 gevallen geconstateerd.

(5)

Aangrenzende lidstaten hebben hun bezorgdheid geuit over het feit dat hun grondgebied door de rabiëssituatie in Noordoost-Italië wordt bedreigd.

(6)

Bijgevolg zijn noodmaatregelen nodig om de verdere verspreiding van de ziekte in Italië en de verspreiding daarvan naar de aangrenzende lidstaten Oostenrijk en Slovenië te voorkomen en om de inspanningen op te voeren om de ziekte zo spoedig mogelijk uit te roeien.

(7)

Op 9 december 2009 heeft Italië bij de Commissie een noodplan ingediend voor de orale vaccinatie van vossen, het „Rabiësbestrijdingsprogramma in de regio’s van Noordoost-Italië — speciaal vaccinatieplan voor vossen”. Het plan werd aanvaardbaar geacht en het is daarom passend dat sommige maatregelen door de Unie worden gefinancierd. Daarom moet een financiële bijdrage van de Unie voor de uitvoering daarvan worden toegekend.

(8)

De financiële bijdrage van de Unie moet worden betaald op grond van het door de lidstaten ingediende officiële verzoek om vergoeding en de bewijsstukken als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 349/2005 van de Commissie van 28 februari 2005 tot vaststelling van voorschriften inzake de communautaire financiering van de in Beschikking 90/424/EEG van de Raad bedoelde urgente maatregelen en maatregelen ter bestrijding van bepaalde dierziekten (2).

(9)

Omdat de uitvoering van het uitgebreide vaccinatieplan dringend noodzakelijk is om de verspreiding naar andere lidstaten te voorkomen, is het gerechtvaardigd dat de financiële bijdrage van de Unie beschikbaar wordt gesteld vanaf 9 december 2009, de datum waarop het plan voor financiering bij de Commissie werd ingediend.

(10)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het door Italië op 9 december 2009 ingediende „Rabiësbestrijdingsprogramma in de regio’s van Noordoost-Italië — speciaal vaccinatieplan voor vossen” („het plan”) wordt goedgekeurd voor de periode van 9 december 2009 tot en met 31 december 2010.

Artikel 2

1.   De Unie mag een financiële bijdrage voor het plan toekennen naar rata van 50 % van de door Italië gemaakte kosten voor:

a)

de uitvoering van laboratoriumtests voor:

i)

de opsporing van rabiësantigeen of -antistoffen;

ii)

de isolatie en karakterisering van het rabiësvirus;

iii)

de opsporing van biomarkers;

iv)

de titrering van aaspakketjes met vaccin;

b)

de aankoop en distributie van oraal vaccin en aaspakketjes en de aankoop en toediening aan vee van parenterale vaccins voor het plan.

De financiële bijdrage van de Unie voor de onder a) en b) bedoelde kosten mag echter niet meer bedragen dan 2 300 000 EUR.

2.   Het maximumbedrag van de aan Italië terug te betalen kosten voor het plan mag gemiddeld niet meer bedragen dan:

a)

voor een serologische test:

8 EUR per test;

b)

voor een test om tetracycline in bot op te sporen:

8 EUR per test;

c)

voor een fluorescentieantistoffentest (FAT):

12 EUR per test;

d)

voor een polymerase-kettingreactietest (PCR):

10 EUR per test;

e)

voor de aankoop van oraal vaccin en aaspakketjes:

0,4 EUR per dosis;

f)

voor de aankoop van parenteraal vaccin:

1 EUR per dosis;

g)

voor de vaccinatie van vee:

1,50 EUR per dier.

3.   De kosten voor de uitvoering van de in lid 1, onder a), bedoelde laboratoriumtests omvatten:

a)

de gemaakte kosten voor de aankoop van de testkits, reagentia en alle benodigdheden voor de uitvoering van de tests;

b)

de kosten voor het personeel dat, geheel of gedeeltelijk, specifiek met de uitvoering van de tests is belast;

c)

maximaal 7 % overheadkosten van de totale som van de kosten, bedoeld onder a) en b).

Artikel 3

1.   De financiële bijdrage van de Unie voor het plan wordt toegekend, op voorwaarde dat Italië:

a)

het plan uitvoert overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het recht van de Unie, waaronder de voorschriften inzake mededinging, gunning van overheidsopdrachten en staatssteun;

b)

uiterlijk op 30 april 2011 bij de Commissie overeenkomstig de bijlagen een eindverslag indient over de technische uitvoering van het plan, vergezeld van bewijsstukken met betrekking tot de gemaakte kosten en de in de periode van 9 december 2009 tot en met 31 december 2010 behaalde resultaten;

c)

het programma doelmatig uitvoert.

2.   Ingeval Italië niet voldoet aan de in lid 1 vastgestelde voorwaarden, vermindert de Commissie de financiële bijdrage van de Unie, rekening houdend met de aard en de ernst van de niet-nakoming en de door de Unie geleden financiële verliezen.

Artikel 4

Dit besluit is van toepassing met ingang van 9 december 2009.

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 2010.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 155 van 18.6.2009, blz. 30.

(2)  PB L 55 van 1.3.2005, blz. 12.


BIJLAGE I

Het in artikel 3, lid 1, onder b), bedoelde technische verslag omvat ten minste het volgende:

A.   Vaccinatie

I.

Verslagperiode

II.

Aantal verspreide aaspakketjes met rabiësvaccin

III.

Aantal gevaccineerde dieren en beslagen per regio

IV.

Aantal per vliegtuig/helicopter uitgestrooide aaspakketjes

V.

Aantal manueel uitgelegde aaspakketjes

VI.

Kaarten van het grondgebied waar aaspakketjes zijn verspreid en de lijnen waarlangs de aaspakketjes zijn uitgestrooid of uitgelegd.

B.   Monitoring

 

Virologische tests

Serologische tests

Opsporing tetracyclinemerker

Regio

Soort

Type test

Aantal geteste dieren

Positief

Type test

Aantal geteste dieren

Positief (cut-off-waarde: … IU/ml)

Type test

Aantal geteste dieren

Positief

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

C.   Technische evaluatie van de situatie en ondervonden moeilijkheden


BIJLAGE II

Het in artikel 3, lid 1, onder b), bedoelde technische verslag omvat ten minste het volgende:

Voor medefinanciering in aanmerking komende maatregelen

Laboratoriumtests

Regio

Type test

Aantal geteste dieren

Aantal uitgevoerde tests

Kosten van de uitgevoerde tests

(in EUR)

Opsporing van rabiësantigeen

FAT

 

0

0,00

PCR

 

 

 

Andere (aangeven welke)

 

 

 

Opsporing van rabiësantistoffen

Virusneutralisering

 

 

 

Andere (aangeven welke)

 

 

 

Karakterisering van rabiësvirus

Sequentiëring

 

 

 

Andere (aangeven welke)

 

 

 

Biomerker

 

 

 

 

Titrering van aaspakketjes met vaccin

 

 

 

 

Totaal

 

0

0

0,00

Vaccins & aaspakketjes

Regio

Type test

Aantal dieren

Aantal vaccindoses en aaspakketjes

Kosten van aankoop en verspreiding/toediening

(in EUR)

Oraal vaccin

Aankoop

 

 

 

Verspreiding

 

 

 

Parenteraal vaccin

Aankoop

 

 

 

Toediening

 

 

 

Totaal

 

0

0

0,00

Ondergetekende verklaart dat:

deze uitgaven daadwerkelijk gemaakt zijn, naar behoren verantwoord zijn en subsidiabel zijn overeenkomstig de bepalingen van Besluit van de Commissie 2010/657/EU;

alle bewijsstukken betreffende de uitgaven beschikbaar zijn voor inspectie, met name om de hoogte van het bedrag van de vergoeding voor dieren te verantwoorden;

voor dit programma geen andere bijdrage van de Unie is aangevraagd en alle inkomsten die uit activiteiten in het kader van het programma zijn verkregen, bij de Commissie zijn gedeclareerd;

het programma is uitgevoerd overeenkomstig de desbetreffende wetgeving van de Unie, met name de voorschriften inzake mededinging, gunning van overheidsopdrachten en staatssteun;

controleprocedures van toepassing zijn, met name om de juistheid van de gedeclareerde bedragen te verifiëren en om onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen en te corrigeren.

 

Datum: …

 

Naam en handtekening van de operationele directeur: …


30.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 285/37


BESLUIT VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 26 oktober 2010

met betrekking tot overgangsbepalingen voor de toepassing van reserveverplichtingen door de Europese Centrale Bank na de invoering van de euro in Estland

(ECB/2010/18)

(2010/658/EU)

DE DIRECTIE VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 19.1 en het eerste streepje van artikel 46.2,

Gezien Verordening (EG) nr. 2531/1998 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de toepassing van reserveverplichtingen door de Europese Centrale Bank (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank (ECB/2003/9) van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (2),

Gezien Verordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (3),

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (4), inzonderheid artikel 5, lid 1 en artikel 6, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 25/2009 van de Europese Centrale Bank (ECB/2008/32) van 19 december 2008 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking) (5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De invoering van de euro door Estland op 1 januari 2011 betekent dat met ingang van die datum reserveverplichtingen gelden voor in Estland gevestigde kredietinstellingen en bijkantoren van kredietinstellingen.

(2)

De integratie van deze entiteiten in het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem noopt tot het aannemen van overgangsbepalingen, teneinde een soepele integratie te waarborgen, zonder dat zulks een onevenredige last met zich meebrengt voor kredietinstellingen in lidstaten die de euro als munt hanteren, met inbegrip van Estland.

(3)

Artikel 5 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank houdt in dat de ECB, bijgestaan door de nationale centrale banken, de noodzakelijke statistische gegevens verzamelt van de bevoegde nationale autoriteiten of rechtstreeks van de economische subjecten om ook de tijdige voorbereiding op statistisch gebied te verzekeren met oog op de invoering van de euro door een lidstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Binnen het kader van dit besluit hebben de termen „instelling”, „reserveverplichting”, „reserveperiode” en „reservebasis” dezelfde betekenis als in Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9).

Artikel 2

Overgangsbepalingen voor in Estland gevestigde instellingen

1.   In afwijking van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9), geldt van 1 tot 18 januari 2011 een overgangsreserveperiode voor in Estland gevestigde instellingen.

2.   De reservebasis voor iedere in Estland gevestigde instelling gedurende de overgangsreserveperiode wordt vastgesteld op basis van haar balans per 31 oktober 2010. In Estland gevestigde instellingen rapporteren hun reservebasis aan Eesti Pank overeenkomstig het ECB-rapportagekader voor monetaire en bancaire statistieken, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32). In Estland gevestigde instellingen die een vrijstelling genieten uit hoofde van artikel 8, lid 1 en 4 van Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) berekenen voor de overgangsreserveperiode een reservebasis op basis van hun balans per 30 september 2010.

3.   Met betrekking tot de overgangsreserveperiode berekent hetzij een in Estland gevestigde instelling, hetzij Eesti Pank de minimumreserves van die instelling. De partij die de minimumreserves berekent, legt haar berekening aan de andere partij voor, die voldoende tijd wordt gegund om de berekening te verifiëren en herzieningen in te dienen. De twee partijen bevestigen de berekende minimumreserves, met inbegrip van eventuele herzieningen ervan, ten laatste op 7 december 2010. Indien de in kennis gestelde partij het bedrag aan minimumreserves op 7 december 2010 niet heeft bevestigd, wordt ze geacht te hebben ingestemd met het berekende bedrag voor de betreffende overgangsreserveperiode.

4.   De bepalingen van de leden 2 tot 4 van artikel 3 zijn mutatis mutandis van toepassing op in Estland gevestigde instellingen waardoor deze instellingen voor hun initiële reserveperiodes verplichtingen ten opzichte van instellingen in Estland van hun reservebases mogen aftrekken, ofschoon die instellingen bij de berekening van de minimumreserves niet zullen voorkomen op de lijst van reserveplichtige instellingen in artikel 2, lid 3 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9).

Artikel 3

Overgangsbepalingen voor instellingen gevestigd in andere lidstaten die de euro als munt hanteren

1.   De overgangsreserveperiode voor in Estland gevestigde instellingen laat de reserveperiode die overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9) van toepassing is op instellingen gevestigd in andere lidstaten die de euro als munt hanteren, onverlet.

2.   Instellingen gevestigd in andere lidstaten die de euro als munt hanteren, kunnen besluiten voor de reserveperiodes van 8 december 2010 tot 18 januari 2011 en van 19 januari tot 8 februari 2011 verplichtingen aan in Estland gevestigde instellingen van hun reservebasis af te trekken, ook al zullen die instellingen ten tijde van de berekening van de minimumreserves niet voorkomen op de lijst van instellingen waarop de reserveverplichtingen van artikel 2, lid 3 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9) van toepassing zijn.

3.   Instellingen gevestigd in andere lidstaten met de euro als munteenheid die verplichtingen aan in Estland gevestigde instellingen van hun reservebasis wensen af te trekken, berekenen hun minimumreserves voor de reserveperiodes van 8 december 2010 tot 18 januari 2011 en van 19 januari tot 8 februari 2011 respectievelijk op basis van hun balans per 31 oktober en 30 november 2010 en rapporteren statistische gegevens overeenkomstig deel 1 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32), waarbij voor in Estland gevestigde instellingen wordt aangegeven dat het stelsel van reserveverplichtingen van de ECB reeds van toepassing is.

Dit doet geen afbreuk aan de verplichting voor instellingen om voor de betrokken periodes overeenkomstig tabel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) statistische gegevens te rapporteren, waarbij in Estland gevestigde instellingen nog steeds worden vermeld als in de „Rest van de wereld” gevestigde banken.

De tabellen worden overeenkomstig de termijnen en procedures in Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) gerapporteerd.

4.   Voor de reserveperiodes die beginnen in december 2010, januari en februari 2011, berekenen instellingen gevestigd in andere lidstaten met de euro als munteenheid die een vrijstelling uit hoofde van artikel 8, lid 1 en 4 van Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) genieten en verplichtingen aan in Estland gevestigde instellingen wensen af te trekken, hun minimumreserves op basis van hun balans per 30 september 2010 en rapporteren statistische gegevens overeenkomstig deel 1 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32), waarbij voor in Estland gevestigde instellingen wordt aangegeven dat het stelsel van reserveverplichtingen van de ECB reeds van toepassing is.

Dit doet geen afbreuk aan de verplichting voor instellingen om voor de betrokken periodes overeenkomstig tabel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) statistische gegevens te rapporteren, waarbij in Estland gevestigde instellingen nog steeds worden vermeld als in de „Rest van de wereld” gevestigde banken.

De statistische gegevens worden overeenkomstig de termijnen en procedures in Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) gerapporteerd.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Dit besluit is gericht tot Eesti Pank, in Estland gevestigde instellingen en instellingen gevestigd in andere lidstaten die de euro als munt hanteren.

2.   Dit besluit treedt in werking op 1 november 2010.

3.   Bij gebreke van specifieke bepalingen in dit besluit, vinden de bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9) en (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) toepassing.

Gedaan te Frankfurt am Main, 26 oktober 2010.

De president van de ECB

Jean-Claude TRICHET


(1)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 1.

(2)  PB L 250 van 2.10.2003, blz. 10.

(3)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 4.

(4)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(5)  PB L 15 van 20.1.2009, blz. 14.