|
ISSN 1725-2598 doi:10.3000/17252598.L_2010.251.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 251 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
53e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
|
2010/570/EU, Euratom |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2010/571/EU |
|
|
|
* |
Besluit van de Commissie van 24 september 2010 tot wijziging, met het oog op aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, van de bijlage bij Richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende vrijstellingen voor toepassingen die lood, kwik, cadmium, zeswaardig chroom, polybroombifenylen of polybroomdifenylethers bevatten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 6403) ( 1 ) |
|
|
|
|
AANBEVELINGEN |
|
|
|
|
2010/572/EU |
|
|
|
* |
Aanbeveling van de Commissie van 20 september 2010 over gereglementeerde toegang tot toegangsnetwerken van de nieuwe generatie (NGA)-netwerken ( 1 ) |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
25.9.2010 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 251/1 |
VERORDENING (EU) Nr. 845/2010 VAN DE COMMISSIE
van 23 september 2010
tot vaststelling van een verbod op de visserij op blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en de Middellandse Zee door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 53/2010 van de Raad van 14 januari 2010 tot vaststelling, voor 2010, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Europese Unie en, voor vaartuigen van de Europese Unie, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn (2), de quota voor 2010 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2010 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2010 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbod
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 september 2010.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Lowri EVANS
Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij
BIJLAGE
|
Nr. |
27/T&Q |
|
Lidstaat |
Portugal |
|
Bestand |
BFT/AE045W |
|
Soort |
Blauwvintonijn (Thunnus thynnus) |
|
Gebied |
Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en Middellandse Zee |
|
Datum |
23.7.2010 |
|
25.9.2010 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 251/3 |
VERORDENING (EU) Nr. 846/2010 VAN DE COMMISSIE
van 24 september 2010
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 25 september 2010.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 september 2010.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
82,9 |
|
MK |
47,2 |
|
|
TR |
50,2 |
|
|
XS |
58,9 |
|
|
ZZ |
59,8 |
|
|
0707 00 05 |
TR |
127,9 |
|
ZZ |
127,9 |
|
|
0709 90 70 |
TR |
116,5 |
|
ZZ |
116,5 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
100,5 |
|
CL |
118,6 |
|
|
IL |
127,5 |
|
|
TR |
104,9 |
|
|
UY |
139,0 |
|
|
ZA |
106,2 |
|
|
ZZ |
116,1 |
|
|
0806 10 10 |
TR |
120,9 |
|
ZZ |
120,9 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
63,5 |
|
BR |
68,3 |
|
|
CL |
91,6 |
|
|
NZ |
103,2 |
|
|
US |
128,5 |
|
|
ZA |
92,8 |
|
|
ZZ |
91,3 |
|
|
0808 20 50 |
CN |
54,1 |
|
ZA |
88,6 |
|
|
ZZ |
71,4 |
|
|
0809 30 |
TR |
149,8 |
|
ZZ |
149,8 |
|
|
0809 40 05 |
BA |
53,5 |
|
MK |
45,0 |
|
|
ZZ |
49,3 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
|
25.9.2010 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 251/5 |
VERORDENING (EU) Nr. 847/2010 VAN DE COMMISSIE
van 24 september 2010
inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 327/98 geopende tariefcontingenten voor de deelperiode september 2010
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO”-verordening) (1),
Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,
Gezien Verordening (EG) nr. 327/98 van de Commissie van 10 februari 1998 inzake de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst (3), en met name artikel 5, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 327/98 betreft de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst die over landen van oorsprong en vervolgens over verscheidene deelperioden zijn verdeeld overeenkomstig bijlage IX bij die verordening. |
|
(2) |
De maand september is de vierde deelperiode voor de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 327/98 bedoelde contingenten, de derde deelperiode voor de in dat lid 1, onder d), bedoelde contingenten en de eerste deelperiode voor het in dat lid 1, onder e), bedoelde contingent. |
|
(3) |
Blijkens de gegevens die overeenkomstig artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 327/98 zijn verstrekt, hebben voor de contingenten met de volgnummers 09.4118 – 09.4119 – 09.4168 de aanvragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening zijn ingediend gedurende de eerste tien werkdagen van de maand september 2010, betrekking op een hoeveelheid die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient door vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de voor de betrokken contingenten aangevraagde hoeveelheden, te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven. |
|
(4) |
Uit de bovenbedoelde gegevens blijkt overigens ook dat voor de contingenten met de volgnummers 09.4127 – 09.4128 – 09.4129– 09.4117 de aanvragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening zijn ingediend gedurende de eerste tien werkdagen van de maand september 2010, betrekking hebben op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 327/98 worden de voor de deelperiode september niet gebruikte hoeveelheden van de contingenten met de volgnummers 09.4127 – 09.4128 – 09.4129 – 09.4130 voor de volgende contingentsdeelperiode overgedragen naar het contingent met het volgnummer 09.4138. |
|
(6) |
Derhalve dienen voor de contingenten met de volgnummers 09.4138 en 09.4168 overeenkomstig artikel 5, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 327/98 de totale hoeveelheden te worden vastgesteld die beschikbaar zijn voor de volgende contingentsdeelperiode. |
|
(7) |
Met het oog op een efficiënt beheer van de procedure voor afgifte van de invoercertificaten dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Op grond van de aanvragen voor certificaten voor de invoer van rijst in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 327/98 vastgestelde contingenten met de volgnummers 09.4118 – 09.4119 – 09.4168 die zijn ingediend gedurende de eerste tien werkdagen van de maand september 2010, worden certificaten afgegeven voor de aangevraagde hoeveelheden, vermenigvuldigd met de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten.
2. De totale hoeveelheden die in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 327/98 vastgestelde contingenten met de volgnummers 09.4138 en 09.4168 beschikbaar zijn voor de volgende contingentsdeelperiode, worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 september 2010.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
BIJLAGE
Hoeveelheden die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 327/98 moeten worden toegewezen voor de deelperiode september 2010, respectievelijk beschikbaar zijn voor de daaropvolgende deelperiode
a) Bij artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgesteld contingent voor volwitte of halfwitte rijst van GN-code 1006 30 :
|
Oorsprong |
Volgnummer |
Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode september 2010 |
Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode oktober 2010 (in kg) |
|
Verenigde Staten van Amerika |
09.4127 |
— (1) |
|
|
Thailand |
09.4128 |
— (1) |
|
|
Australië |
09.4129 |
— (1) |
|
|
Andere landen van oorsprong |
09.4130 |
— (2) |
|
|
Alle landen |
09.4138 |
|
4 127 145 |
b) Bij artikel 1, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgesteld contingent voor volwitte of halfwitte rijst van GN-code 1006 30 :
|
Oorsprong |
Volgnummer |
Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode september 2010 |
|
Thailand |
09.4112 |
— (3) |
|
Verenigde Staten van Amerika |
09.4116 |
— (3) |
|
India |
09.4117 |
— (4) |
|
Pakistan |
09.4118 |
9,553656 % |
|
Andere landen van oorsprong |
09.4119 |
1,995380 % |
|
Alle landen |
09.4166 |
— (3) |
c) Bij artikel 1, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgesteld contingent voor breukrijst van GN-code 1006 40 :
|
Oorsprong |
Volgnummer |
Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode september 2010 |
Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode oktober 2010 (in kg) |
|
Alle landen |
09.4168 |
1,402856 % |
0 |
(1) De aanvragen hebben betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan of gelijk is aan de beschikbare hoeveelheid: derhalve kunnen alle aanvragen worden ingewilligd.
(2) Voor deze deelperiode is geen hoeveelheid meer beschikbaar.
(3) Voor deze deelperiode is geen hoeveelheid meer beschikbaar.
(4) De aanvragen hebben betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan of gelijk is aan de beschikbare hoeveelheid: derhalve kunnen alle aanvragen worden ingewilligd.
BESLUITEN
|
25.9.2010 |
NL XM |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 251/8 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 13 september 2010
tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2010 tot en met 20 september 2015
(2010/570/EU, Euratom)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 300, lid 2, en 302, in samenhang met artikel 7 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,
Gezien de voordrachten van de lidstaten,
Gezien het advies van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De ambtstermijn van de huidige leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité verstrijkt op 20 september 2010 (1). De leden van het comité dienen derhalve voor een ambtstermijn van vijf jaar, aanvangend op 21 september 2010, te worden benoemd. |
|
(2) |
De lidstaten hebben elk een lijst voorgelegd met een aantal voordrachten dat gelijk is aan het aantal zetels dat hun krachtens het Verdrag is toegekend; de voorgedragen kandidaten zijn allen vertegenwoordigers van de werkgevers- en de werknemersorganisaties en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld, met name sociaaleconomische en culturele organisaties en burger- en beroepsorganisaties. De regering van Roemenië zal echter later een bijkomende kandidaat voordragen om de lijst te vervolledigen overeenkomstig het aantal krachtens het Verdrag toegekende zetels, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de periode van 21 september 2010 tot en met 20 september 2015 worden tot leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité benoemd de personen wier naam voorkomt op de lijsten in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit wordt van kracht op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 13 september 2010.
Voor de Raad
De voorzitter
S. VANACKERE
(1) Besluit 2006/524/EG, Euratom van de Raad van 11 juli 2006 tot benoeming van de Tsjechische, Duitse, Estse, Spaanse, Franse, Italiaanse, Letse, Litouwse, Luxemburgse, Hongaarse, Maltese, Oostenrijkse, Sloveense en Slowaakse leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité (PB L 207 van 28.7.2006, blz. 30); Besluit 2006/651/EG, Euratom van de Raad van 15 september 2006 tot benoeming van de Belgische, Griekse, Ierse, Cypriotische, Nederlandse, Poolse, Portugese, Finse, Zweedse en Britse leden en van twee Italiaanse leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité (PB L 269 van 28.9.2006, blz. 13); Besluit 2006/703/EG, Euratom van de Raad van 16 oktober 2006 tot benoeming van de Deense leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité (PB L 291 van 21.10.2006, blz. 33); en Besluit 2007/3/EG, Euratom van de Raad van 1 januari 2007 tot benoeming van de Bulgaarse en Roemeense leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité (PB L 1 van 4.1.2007, blz. 6).
ПРИЛОЖЕНИЕ — ANEXO — PŘÍLOHA — BILAG — ANHANG — LISA — ΠΑΡΑΡΤΗΜΑ — ANNEX — ANNEXE — ALLEGATO — PIELIKUMS — PRIEDAS — MELLÉKLET — ANNESS — BIJLAGE — ZAŁĄCZNIK — ANEXO — ANEXĂ — PRÍLOHA — PRILOGA — LIITE — BILAGA
Членове / Miembros / Členové / Medlemmer / Mitglieder / Liikmed / Μέλη / Members / Membres / Membri / Locekļi / Nariai / Tagok / Membri / Leden / Członkowie / Membros / Membri / Členovia / Člani / Jäsenet / Ledamöter
BELGIË
|
|
M. Tony VANDEPUTTE Administrateur délégué honoraire et conseiller général de la Fédération des entreprises de Belgique (FEB) |
|
|
M. Robert de MÛELENAERE Administrateur délégué à la Confédération de la construction |
|
|
M. Yves VERSCHUEREN Administrateur délégué d’Essenscia |
|
|
M. Daniel MAREELS Directeur général de Febelfin |
|
|
M. Bernard NOËL Secrétaire national de la CGSLB, syndicat libéral |
|
|
M. Claude ROLIN Secrétaire général ACV-CSC |
|
|
Mme Bérengère DUPUIS Conseiller — Services d’études, Confédération des syndicats chrétiens (CSC) |
|
|
M. André MORDANT Président honoraire de la Fédération générale du travail de Belgique (FGTB) |
|
|
Dhr. Xavier VERBOVEN Gewezen Algemeen Secretaris van het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) |
|
|
M. Jean-François HOFFELT Secrétaire général de la Fédération belge de l’économie sociale et des coopératives (Febecoop), président du Conseil national belge de la coopération et président du service externe pour la prévention et la protection au travail Arista |
|
|
M. Yves SOMVILLE Directeur du service d’études de la Fédération wallonne de l’agriculture (FWA) |
|
|
Dhr. Ronny LANNOO Adviseur-generaal UNIZO |
BULGARIJE
|
|
Ms Milena ANGELOVA Member of the ИСС (Bulgarian Economic and Social Council), Bureau member of the European Economic and Social Committee, Secretary-General of the Асоциация на индустриалния капитал в България (АИКБ) (Bulgarian Industrial Capital Association, BICA) |
|
|
Mr Bojidar DANEV Member of the ИСС (Bulgarian Economic and Social Council), member of the European Economic and Social Committee, Chairman of the Българска стопанска камара (БСК) (Bulgarian Industrial Association, BIA) |
|
|
Ms Lena RUSENOVA Member of the ИСС (Bulgarian Economic and Social Council), member of the European Economic and Social Committee, Head Economist at the Конфедерацията на работодателите и индустриалците в България (КРИБ) (Confederation of Employers and Industrialists in Bulgaria, CEIB) |
|
|
Mr Georgi STOEV Member of the ИСС (Bulgarian Economic and Social Council), Deputy-Chairman of the Българска търговско-промишлена палата (БТПП) (Bulgarian Chamber of Commerce and Industry, BCCI) |
|
|
Mr Plamen DIMITROV Chairman of the постоянната комисия по труд, доходи, жизнено равнище и индустриални отношения на ИСС (Standing Committee on Labour, Incomes, Standard of Living and Industrial Relations of the Bulgarian Economic and Social Council), member of the European Economic and Social Committee, Vice-President of КНСБ (CITUB, Confederation of Independent Trade Unions of Bulgaria) |
|
|
Mr Dimiter MANOLOV Member of the ИСС (Bulgarian Economic and Social Council), member of the European Economic and Social Committee, Vice-President of КТ „Подкрепа“ (Confederation of Labour „Podkrepa”) |
|
|
Mr Veselin MITOV Member of the ИСС (Bulgarian Economic and Social Council), member of the European Economic and Social Committee, Confederate Secretary of КТ „Подкрепа“ (Confederation of Labour „Podkrepa”) |
|
|
Mr Jeliazko CHRISTOV Member of the ИСС (Bulgarian Economic and Social Council), member of the European Economic and Social Committee, President of КНСБ (CITUB, Confederation of Independent Trade Unions of Bulgaria) |
|
|
Mr Lalko DULEVSKI President of the ИСС (Bulgarian Economic and Social Council), Head of the катедра в Университета за национално и световно стопанство (Human Resources and Social Protection Department at the University of National and World Economy) |
|
|
Mr Plamen ZACHARIEV Vice-President of the ИСС (Bulgarian Economic and Social Council), President of the Национален център за социална рехабилитация (НЦСР) (National Centre for Social Rehabilitation, NCSR) |
|
|
Mr Lyubomir HADJIYSKI Member of the European Economic and Social Committee, Marketing Manager for the auditing firm Grant Thornton Bulgaria |
|
|
Ms Diliana SLAVOVA Executive Director of the Национален млечен борд (National Milk Board) and the Национална асоциация на млекопреработвателите (National Association of Milk Producers), member of the European Commission High-Level Group on Milk |
TSJECHIË
|
|
Vladimíra DRBALOVÁ Ředitelka Sekce mezinárodních organizací a evropských záležitosti Svazu průmyslu a dopravy ČR |
|
|
Josef ZBOŘIL Člen představenstva Svazu průmyslu a dopravy ČR |
|
|
Marie ZVOLSKÁ Specialistka odboru poradenských služeb Svazu českých a moravských výrobních družstev |
|
|
Ivan VOLEŠ Poradce prezidenta Hospodářské komory ČR pro mezinárodní vztahy |
|
|
Helena ČORNEJOVÁ Vedoucí sociálně-ekonomického oddělení Českomoravské konfederace odborových svazů |
|
|
Zdeněk MÁLEK Manažer ČMKOS pro sociální dialog a poradce ČMKOS |
|
|
Lucie STUDNIČNÁ Mezinárodní tajemnice Odborového svazu KOVO |
|
|
Dana ŠTECHOVÁ Poradkyně, Oddělení ČMKOS pro evropské a další mezinárodní vztahy |
|
|
Roman HAKEN Místopředseda Rady vlády ČR pro nestátní neziskové organizace a předseda jejího Výboru pro spolupráci s regiony |
|
|
Ludvík JÍROVEC Člen Hospodářské komory ČR, člen Agrární komory ČR, expert v COPA-COGEGA/Brusel |
|
|
Jaroslav NĚMEC Ředitel Arcidiecézní charity Praha |
|
|
Pavel TRANTINA Manažer projektů a spolupráce s EU v České radě dětí a mládeže, expert UNDP pro tvorbu zákona o dobrovolnictví v Bosně a Hercegovině |
DENEMARKEN
|
|
Ms Dorthe ANDERSEN Director EU policy, Confederation of Danish Employers |
|
|
Ms Sinne Alsing CONAN Director of European Affairs, Confederation of Danish Industry |
|
|
Mr Nils Juhl ANDREASEN Managing Director, Danish Confederation of Employers’ Associations in Agriculture (SALA) |
|
|
Ms Marie-Louise KNUPPERT Secretary of International Relations, Danish Confederation of Trade Unions |
|
|
Mr Peder Munch HANSEN EU-Advisor, Danish Confederation of Trade Unions |
|
|
Mr Søren KARGAARD International Consultant, FTF — Confederation of Professionals in Denmark |
|
|
Mr Ask Abildgaard ANDERSEN Policy Officer, Disabled Peoples Organisations Denmark |
|
|
Ms Benedicte FEDERSPIEL Senior Advisor, Danish Consumer Council |
|
|
Ms Mette Pia KINDBERG Vice Chair Person, Women’s Council in Denmark |
DUITSLAND
|
|
Mr Peter CLEVER Mitglied der Hauptgeschäftsführung der Bundesvereinigung der Deutschen Arbeitgeberverbände (BDA) (Member of the Executive Board of the National Union of German Employers’ Associations (BDA)) |
|
|
Mr Bernd DITTMANN Bereichsleiter Europa, Bundesverband der Deutschen Industrie (BDI) (Vice President and Executive Director Europe — Federation of German Industries (BDI)) |
|
|
Mr Göke FRERICHS Präsidiumsmitglied im Bundesverband des Deutschen Großhandel, Außenhandel, Dienstleistungen (BGA) (Board member, German Federation for Wholesale and Foreign Trade (BGA)) |
|
|
Mr Thomas ILKA Leiter der Vertretung des Deutschen Industrie- und Handelskammertages (DIHK) bei der EU (Director of the Representation to the EU of the Federation of German Chambers of Industry and Commerce (DIHK)) |
|
|
Mr Adalbert KIENLE Stellvertretender Generalsekretär des Deutschen Bauernverbandes (DBV) (Deputy General Secretary, German Farmers’ Association (DBV)) |
|
|
Mr Volker PETERSEN Stellvertretender Generalsekretär im Deutschen Raiffeisenverband e.V. (DRV) (Deputy Secretary-General of the Association of German Agricultural Credit Cooperatives (DRV)) |
|
|
Mr Joachim WÜRMELING Mitglied der Hauptgeschäftsführung des Gesamtverbandes der deutschen Versicherungswirtschaft e.V. (GDV) (Member of the Executive Board of the German Insurance Association (GDV)) |
|
|
Mr Joachim FRIED Leiter Wirtschaft, Politik und Regulierung bei der Deutschen Bahn (Director of Economics, Policy and Regulation, German Railways) |
|
|
Ms Gabriele BISCHOFF Bereichsleiterin Europapolitik beim Bundesvorstand des Deutschen Gewerkschaftsbundes (DGB) (Director of European Policy — Federal Executive of the German Trade Union Confederation (DGB)) |
|
|
Mr Claus MATECKI Mitglied des Geschäftsführenden Bundesvorstandes des Deutschen Gewerkschaftsbundes (DGB) (Member of the National Executive of the German Trade Union Confederation (DGB)) |
|
|
Mr Armin DUTTINÉ Leiter des EU-Verbindungsbüros ver.di (Director of the EU liaison office, German United Services Union (ver.di)) |
|
|
Mr Horst MUND Bereichsleiter Internationales IG Metall (Director of International Department, IG Metall) |
|
|
Mr Alexander GRAF VON SCHWERIN Berater Europäische Angelegenheiten beim Konzern Duisburger Versorgungs- und Verkehrsgesellschaft mbH (DVV Konzern) (European Affairs Adviser, DVV Konzern) |
|
|
Mr Hans-Joachim WILMS Europabeauftragter bei der IG Bauen — Agrar — Umwelt (IG Bau) (European Affairs Officer, German Trade Union for Construction, Agriculture and the Environment (IG BAU)) |
|
|
Mr Egbert BIERMANN Mitglied des Geschäftsführenden Hauptvorstandes der IG Bergbau, Chemie, Energie (IG BCE) (Member of the Executive Board of German Mining, Chemical and Energy Industrial Union (IG BCE)) |
|
|
Ms Michaela ROSENBERGER Stellvertretende Vorsitzende Gewerkschaft Nahrung — Genuss — Gaststätten (Deputy Chair of the German Trade Union of Food, Beverages, Tobacco, Hotel and Catering and Allied Workers) |
|
|
Mr Jürgen KEßLER Vorstandsvorsitzender Verbraucherzentrale Berlin (Chairman of the Board, Berlin Consumers’ Association) |
|
|
Mr Bernd SCHLÜTER Berater bei der Bundesarbeitsgemeinschaft der Freien Wohlfahrtspflege (BAGFW) (Advisor, Federal Association of Non-Statutory Welfare Services (BAGFW)) |
|
|
Ms Renate HEINISCH Mitglied im Bundesvorstand der Senioren-Organisationen (BAGSO) (Member of the Federal Association of German Senior Citizens’ Organisations (BAGSO)) |
|
|
Mr Frank STÖHR Zweiter Bundesvorsitzender dbb Beamtenbund und Tarifunion (Vice-President, Federal Board of Management, German Civil Service Federation) |
|
|
Mr Lutz RIBBE Direktor, Stiftung Europäisches Naturerbe (Euronatur) (Director, European Nature Heritage Fund (Euronatur)) |
|
|
Mr Prof. Dr Gerd WOLF Beauftragter der Helmholtz-Gemeinschaft Deutscher Forschungszentren (HGF) (Representative of the Helmholtz Association of German Research Centres (HGF)) |
|
|
Mr Holger SCHWANNECKE Generalsekretär des Zentralverbandes des Deutschen Handwerks (ZDH) (General Secretary, Central Association of German Craft Trades (ZDH)) |
|
|
Mr Arno METZLER Hauptgeschäftsführer des Bundesverbandes der Freien Berufe (BFB) (Chief Executive and Head of Brussels Office, German National Association of Liberal Professions (BFB)) |
ESTLAND
|
|
Ms Eve PÄÄRENDSON Estonian Employers’ Confederation, Director of International Relations |
|
|
Ms Reet TEDER Estonian Chamber of Commerce and Industry, policy director |
|
|
Ms Mare VIIES Estonian Employees’ Unions’ Confederation; Tallinn University of Technology, Researcher at Centre for Economic Research at TUT |
|
|
Ms Liina CARR Estonian Trade Union Confederation, International Secretary |
|
|
Mr Kaul NURM Estonian Farmers’ Federation, managing director |
|
|
Ms Mall HELLAM NGO Network of Estonian Nonprofit Organizations, member of the supervisory board; Executive Director of Open Estonia Foundation |
|
|
Mr Meelis JOOST Estonian Chamber of Disabled People, Foreign relations and European policy officer |
IERLAND
|
|
Ms Heidi LOUGHEED Head of IBEC Europe |
|
|
Mr David CROUGHAN Head of Economics and Taxation, IBEC |
|
|
Mr Thomas McDONOGH Chairman, Thomas McDonogh and Sons Ltd |
|
|
Mr Jim McCUSKER Previously General Secretary of NIPSA |
|
|
Mr Manus O’RIORDAN Head of Research, SIPTU (rtd) |
|
|
Ms Sally Anne KINAHAN Assistant General Secretary, ICTU |
|
|
Ms Jillian VAN TURNHOUT Chief Executive, Children’s Rights Alliance, Former President National Youth Council of Ireland |
|
|
Mr Padraig WALSHE COPA President and former IFA President |
|
|
Ms Siobhán EGAN Policy and Advocacy Officer, BirdWatch Ireland |
GRIEKENLAND
|
|
Mme Irini Ivoni PARI Fédération des industries grecques (SEB) |
|
|
M. Dimitris DIMITRIADIS Confédération nationale de commerce hellénique (ESEE) |
|
|
Μ. Georgios DRAKOPOULOS Association des entreprises helléniques de tourisme (SETE) |
|
|
Mme Anna BREDIMA Association des armateurs grecs (Ε.Ε.Ε.) |
|
|
M. Christos POLΥΖΟGOPOULOS Confédération générale grecque des ouvriers (GE.S.E.E.) |
|
|
M. Eleftherios PAPADOPOULOS Confédération générale grecque des ouvriers (GE.S.E.E.) |
|
|
M. Georgios DASSIS Confédération générale grecque des ouvriers (GE.S.E.E.) |
|
|
M. Spyridon PAPASΡΥROS Fédération des fonctionnaires |
|
|
M. Nikolaos LIOLIOS Confédération hellénique des coopératives agricoles (PASEGES) |
|
|
Mme Evangelia KEKELEKI Centre de protection des consommateurs (KEPKA) |
|
|
M. Panagiotis GKOFAS Confédération générale grecque de commerçants et artisans (GSBEE) |
|
|
M. Ioannis VARDAKASTANIS Confédération nationale de personnes handicapées (ESAmeA) |
SPANJE
|
|
Sr. Rafael BARBADILLO LÓPEZ Miembro de la Confederación Española de Organizaciones Empresariales (CEOE) |
|
|
Sra. Lourdes CAVERO MESTRE Miembro de la Confederación Española de Organizaciones Empresariales (CEOE) |
|
|
Sr. José María ESPUNY MOYANO Miembro de la Confederación Española de Organizaciones Empresariales (CEOE) |
|
|
Sra. Margarita LÓPEZ ALMENDÁRIZ Miembro de la Confederación Española de Organizaciones Empresariales (CEOE) |
|
|
Sr. Ángel PANERO FLÓREZ Miembro de la Confederación Española de Organizaciones Empresariales (CEOE) |
|
|
Sr. José Isaías RODRÍGUEZ GARCÍA-CARO Miembro de la Confederación Española de Organizaciones Empresariales (CEOE) |
|
|
Sr. José SARTORIOUS ÁLVAREZ DE BOHORQUES Miembro de la Confederación Española de Organizaciones Empresariales (CEOE) |
|
|
Sr. José María ZUFIAUR Presidente de la Fundación Educación y Trabajo |
|
|
Sra. Isabel CAÑO AGUILAR Directora de la Oficina de UGT en Bruselas |
|
|
Sr. Juan MENDOZA CASTRO Colaborador de UGT para Asuntos Internacionales |
|
|
Sra. Joana AGUDO Presidenta del Comité Coordinador de los Consejos Sindicales Interregionales de Comisiones Obreras (CC.OO.) |
|
|
Sr. Juan MORENO PRECIADO Responsable de la Oficina de la Confederación Sindical de Comisiones Obreras (CC.OO.) en Bruselas |
|
|
Sr. Luis Miguel PARIZA CASTAÑOS Secretaría de Política Internacional de la Confederación sindical de Comisiones Obreras (CC.OO.) |
|
|
Sra. Laura GONZÁLEZ TXABARRI Miembro del Comité Ejecutivo de ELA |
|
|
Sr. Javier SÁNCHEZ ANSÓ Responsable de Relaciones Internacionales, Estructuras Agrarias y Desarrollo Rural de la Comisión Ejecutiva de la Coordinadora de Organizaciones de Agricultores y Ganaderos (COAG) |
|
|
Sr. Miguel Ángel CABRA DE LUNA Función ejercida: Vocal de Relaciones Internacionales de la Confederación Empresarial Española de la Economía Social (CEPES) |
|
|
Sr. Gabriel SARRÓ IPARRAGUIRRE Director de la Organización de Productores Asociados de Grandes Atuneros Congeladores (OPAGAC) |
|
|
Sr. José Manuel ROCHE RAMO Secretario de Relaciones Internacionales de UPA |
|
|
Sr. Pedro Raúl NARRO SÁNCHEZ Director de Asuntos Europeos de ASAJA |
|
|
Sr. Carlos TRÍAS PINTO Director en la Asociación General de Consumidores (ASGECO); Director en la Unión de Cooperativas de Consumidores y Usuarios de España (UNCCUE) |
|
|
Sr. Bernardo HERNÁNDEZ BATALLER Secretario General de la Asociación de Usuarios de la Comunicación (AUC) |
FRANKRIJK
|
|
Mme Emmanuelle BUTAUD-STUBBS Déléguée générale de l’Union des industries textiles (UIT) |
|
|
M. Bernard HUVELIN Vice-président de la Fédération française du bâtiment (FFB) |
|
|
M. Stéphane BUFFETAUT Directeur chargé des relations institutionnelles, Veolia Environnement |
|
|
M. Henri MALOSSE Directeur, conseiller institutionnel pour les affaires européennes auprès de la présidence de l’ACFCI |
|
|
M. Philippe de BRAUER Président de la commission internationale de la Confédération générale des petites et moyennes entreprises (CGPME) |
|
|
M. Jean-Pierre CROUZET Vice-président de la CGAD, président de la Confédération nationale de la boulangerie française, membre du conseil national de l’Union professionnelle artisanale (UPA) |
|
|
M. Henri BRICHART Président de la Fédération nationale des producteurs de lait |
|
|
M. Éric PIGAL Délégué national de la Confédération française de l’encadrement/Confédération générale des cadres (CFE-CGC), en charge de la coordination du Comité économique et social européen, du CESE français et du Conseil économique et social régional |
|
|
M. Jacques LEMERCIER Président de l’international UNI Europa Poste&logistique — membre de la commission exécutive confédérale, Force ouvrière (FO) |
|
|
Mme Laure BATUT Assistante confédérale au secteur international et Europe, Force ouvrière (FO) |
|
|
M. Jean-Pierre COULON Secrétaire confédéral en charge des affaires européennes et internationales de la Confédération française des travailleurs chrétiens (CFTC) |
|
|
Mme Béatrice OUIN Chargée de mission au sein du service international et Europe de la Confédération française démocratique du travail (CFDT) |
|
|
M. Gérard DANTIN Chargé de mission au sein du service international et Europe de la Confédération française démocratique du travail (CFDT) |
|
|
Mme An LENOUAIL-MARLIERE Conseillère à l’espace Europe/international de la Confédération générale du travail (CGT) |
|
|
M. Denis MEYNENT Conseiller à l’espace Europe/international de la Confédération générale du travail (CGT) |
|
|
Mme Reine-Claude MADER-SAUSSAYE Présidente de la Confédération de la consommation, du logement et du cadre de vie (CLCV) |
|
|
M. Édouard de LAMAZE Avocat à la Cour, ancien délégué interministériel aux professions libérales, ancien membre du CEC, Union nationale des professions libérales (UNAPLE) |
|
|
M. Julien VALENTIN Agriculteur, responsable des nouvelles technologies de l’information et de la communication (NTIC), Centre national des jeunes agriculteurs (CNJA) |
|
|
M. Gilbert BROS Vice-président de l’Assemblée permanente des chambres d’agriculture (APCA) Président de la Chambre d’agriculture de Haute-Loire |
|
|
Mme Évelyne PICHENOT Présidente de la délégation pour l’Union européenne du Conseil économique, social et environnemental (CESE) français Membre du CESE français |
|
|
M. Joseph GUIMET Administrateur de l’Union nationale des associations familiales (UNAF), président du groupe de l’UNAF au CESE français |
|
|
M. Jean-Paul PANZANI Membre du comité exécutif, président de la Fédération nationale de la mutualité française (FNMF) |
|
|
M. Georges CINGAL Administrateur de France nature environnement |
|
|
M. Thierry LIBAERT Professeur, université de Louvain, maître de conférences en communication à l’Institut d'études politiques (IEP) catholique de Paris, membre de la commission gouvernance au Grenelle de l’environnement |
ITALIË
|
|
Mr Mario CAMPLI Coordinatore politiche europee Legacoop |
|
|
Mr Luigi CAPRIOGLIO Consigliere nazionale della Confederazione Italiana Dirigenti e Alte Professionalità (CIDA) |
|
|
Mr Francesco CAVALLARO Segretario generale della CISAL (Confederazione Italiana Sindacati Autonomi Lavoratori) |
|
|
Mr Carmelo CEDRONE Professore incaricato di Politica Economica Europea, Univ. La Sapienza Roma — Componente del «Team Europe» — Collaboratore del Dipartimento Europeo ed Internazionale UIL (Unione Italiana del Lavoro) — Membro del Comitato Centrale UIL — Componente del Consiglio Direttivo del Movimento Europeo |
|
|
Mr Franco CHIRIACO Presidente del Sindacato Unitario Nazionale Inquilini ed Assegnatari (SUNIA) — Confederazione Generale Italiana del Lavoro (CGIL) |
|
|
Mr Roberto CONFALONIERI Segretario generale CONFEDIR (Confederazione dei Dirigenti Italiani e delle Alte Professionalità) — Consigliere CNEL (Consiglio Nazionale dell’Economia e del Lavoro) |
|
|
Mr Gianfranco DELL’ALBA Direttore della Delegazione di Confindustria presso l’Unione Europea |
|
|
Mr Pietro Francesco DE LOTTO Direttore Generale di Confartigianato Vicenza |
|
|
Mr Giancarlo DURANTE Direttore Centrale dell’Associazione Bancaria Italiana, Responsabile dell’area Sindacale e del Lavoro |
|
|
Mr Emilio FATOVIC Vice Segretario Generale CONFSAL (Confederazione Generale dei Sindacati Autonomi dei Lavoratori) con delega al privato |
|
|
Mr Giuseppe GUERINI Presidente Nazionale Federsolidarietà |
|
|
Mr Edgardo Maria IOZIA Segretario Nazionale Unione Italiana Lavoratori Credito Esattorie e Assicurazioni (UILCA) — Presidente UNI Europa Finanza |
|
|
Mr Giuseppe Antonio Maria IULIANO Dipartimento Politiche internazionali CISL (Confederazione Italiana Sindacati Lavoratori), Coordinatore di aree — Responsabile per l’Europa centro-orientale e per l’America latina |
|
|
Mr Luca JAHIER Presidente del Consiglio nazionale delle Associazioni Cristiane Lavoratori Italiani (ACLI) e responsabile relazioni internazionali |
|
|
Mr Antonio LONGO Presidente dell’Associazione Movimento Difesa del Cittadino — Direttore della testata giornalistica «Diritti & Consumi» |
|
|
Mr Sandro MASCIA Responsabile Ufficio di Rappresentanza della Confagricoltura di Bruxelles |
|
|
Mr Stefano PALMIERI Responsabile dell’Ufficio Europa della CGIL (Confederazione Generale Italiana del Lavoro) a Bruxelles |
|
|
Mr Antonello PEZZINI Imprenditore tessile-tecnico. Confindustria Bergamo |
|
|
Mr Antonio POLICA Dirigente Confederale UGL (Unione Generale del Lavoro) |
|
|
Mr Virgilio RANOCCHIARI Responsabile della Delegazione Fiat per l’Europa |
|
|
Mr Maurizio REALE Responsabile della Rappresentanza per le Relazioni con le Istituzioni Comunitarie — Coldiretti |
|
|
Ms Daniela RONDINELLI Responsabile Ufficio Internazionale FISASCAT CISL (Federazione Italiana Sindacati Addetti Commerciali Affitti Turismo — Confederazione Italiana Sindacati dei Lavoratori) |
|
|
Mr Corrado ROSSITTO Presidente Nazionale della Confederazione Italiana di Unione delle Professioni Intellettuali (CIU) |
|
|
Mr Claudio ROTTI Presidente AICE (Associazione Italiana Commercio Estero) |
CYPRUS
|
|
Μιχάλης Αντωνίου (Mr Michalis ANTONIOU) Βοηθός Γενικός Διευθυντής (Deputy Director General) Ομοσπονδία Εργοδοτών και Βιομηχάνων (ΟΕΒ) (Cyprus Employers and Industrialists Federation) |
|
|
Ανδρέας Λουρουτζιάτης (Mr Andreas LOUROUTZIATIS) Αντιπρόεδρος Κυπριακού Εμπορικού και Βιομηχανικού Επιμελητηρίου (ΚΕΒΕ) (Vice-President, Cyprus Chamber of Commerce and Industry) Κυπριακό Εμπορικό και Βιομηχανικό Επιμελητήριο (ΚΕΒΕ) (Cyprus Chamber of Commerce and Industry) |
|
|
Ανδρέας Παυλικκάς (Mr Andreas PAVLIKKAS) Υπεύθυνος Γραφείου Ερευνών και Μελετών (Head of Research and Studies Department) Παγκύπρια Εργατική Ομοσπονδία (ΠΕΟ) (Pancyprian Federation of Labour) |
|
|
Δημήτρης Κιττένης (Mr Dimitris KITTENIS) Τέως Γενικός Γραμματέας (Former Secretary-General) Συνομοσπονδία Εργαζομένων Κύπρου (ΣΕΚ) (Cyprus Workers’ Confederation) |
|
|
Κωστάκης Κωνσταντινíδης (Mr Costakis CONSTANTINIDES) Μέλος Κυπριακού Συνδέσμου Καταναλωτών (Member, Cyprus Consumers’ Association) |
|
|
Μηχάλης Λύτρας (Mr Michalis LITRAS) Γενικός Γραμματέας (Secretary-General) Παναγροτικής Ένωσης Κύπρου (Panagrarian Union of Cyprus) |
LETLAND
|
|
Mr Vitālijs GAVRILOVS Latvijas Darba devēju konfederācijas (LDDK) prezidents |
|
|
Mr Gundars STRAUTMANIS Latvijas Tirdzniecības un rūpniecības kameras (LTRK) viceprezidents un LTRK Padomes loceklis |
|
|
Mr Pēteris KRĪGERS Latvijas Brīvo arodbiedrību savienības (LBAS) priekšsēdētājs |
|
|
Ms Ariadna ĀBELTIŅA Latvijas Brīvo arodbiedrību savienības (LBAS) ārējo sakaru koordinētāja starptautiskos jautājumos |
|
|
Mr Armands KRAUZE Lauksaimnieku organizāciju sadarbības padomes (LOSP) valdes priekšsēdētājs |
|
|
Ms Gunta ANČA Latvijas Cilvēku ar īpašām vajadzībām sadarbības organizācijas SUSTENTO valdes priekšsēdētāja |
|
|
Mr Andris GOBIŅŠ Eiropas Kustības Latvijā (EKL) prezidents |
LITOUWEN
|
|
Mr Alfredas JONUŠKA Director General, Siauliai Chamber of Commerce, Industry and Crafts |
|
|
Mr Stasys KROPAS President, Association of Lithuania Banks; Vice-president, Lithuanian business confederation ICC Lithuania |
|
|
Mr Gintaras MORKIS Deputy Director General, Lithuanian Confederation of Industrialists |
|
|
Ms Gražina GRUZDIENĖ Chairman, Trade Union of Lithuanian Food Producers |
|
|
Ms Daiva KVEDARAITĖ Head of Information Centre, Lithuanian Trade Union Solidarumas |
|
|
Ms Inga PREIDIENĖ Vice-chairperson, Youth Organization, Lithuanian Labour Federation |
|
|
Mr Mindaugas MACIULEVIČIUS Director, Agricultural cooperative „Lietuviško ūkio kokybė” |
|
|
Mr Zenonas Rokas RUDZIKAS Member, Lithuanian Academy of Sciences; Leading researcher, Institute of Theoretical Physics and Astronomy, Vilnius University |
|
|
Ms Indrė VAREIKYTĖ Member, Lithuanian Board of Education; Member, Youth Committee in the Tripartite Council of the Republic of Lithuania |
LUXEMBURG
|
|
Mme Viviane GOERGEN Secrétaire générale adjointe de la Confédération luxembourgeoise des syndicats chrétiens (LCGB) |
|
|
M. Raymond HENCKS Membre du comité exécutif de la Confédération générale de la fonction publique (CGFP) |
|
|
M. Paul RECKINGER Président honoraire de la Chambre des métiers du Grand-Duché de Luxembourg |
|
|
M. Jean-Claude REDING Président de la Confédération syndicale indépendante du Luxembourg (OGBL) |
|
|
Mme Josiane WILLEMS Directrice de la Centrale paysanne luxembourgeoise (CPL) |
|
|
M. Christian ZEYEN General Manager d’ArcelorMittal |
HONGARIJE
|
|
Antal CSUPORT Managing director, National Association of Strategic and Public Utility Companies |
|
|
Tamás NAGY Chairman, National Federation of Agricultural Cooperatives and Producers |
|
|
Dr. Péter VADÁSZ Co-chairman, Confederation of Hungarian Employers and Industrialists |
|
|
János VÉRTES Co-chairman in charge of international relations, National Federation of Traders and Caterers |
|
|
József KAPUVÁRI Member of the Board, National Confederation of Hungarian Trade Unions |
|
|
Dr. Ágnes CSER Co-chairman, LIGA Confederation |
|
|
Dr. Miklós PÁSZTOR Expert, National Federation of Workers’ Council |
|
|
Dr. János WELTNER Expert, Trade Union Block of Intellectual Employers |
|
|
Dr. Etele BARÁTH Hon. university professor, Hungarian Society for Urban Planning |
|
|
Kinga JOÓ Expert, HÖOK a Hallgatókért Foundation |
|
|
Dr. Lajos MIKULA Expert, Agricultural and Rural Youth Association |
|
|
Ákos TOPOLÁNSZKY Expert, „SOURCE” Mental Helpers Association |
MALTA
|
|
Ms Grace ATTARD President, National Council of Women (NCW) |
|
|
Ms Anna Maria DARMANIN Council Member, Confederation of Malta Trade Unions (CMTU) |
|
|
Mr Vincent FARRUGIA Director General, Malta Chamber of Small and Medium Enterprises (GRTU) |
|
|
Mr Stefano MALLIA Vice President, Malta Chamber of Commerce, Enterprise and Industry (MCCEI) |
|
|
Mr Michael PARNIS Deputy General Secretary, General Workers Union |
NEDERLAND
|
|
Ms Johanna Anna VAN DEN BANDT-STEL Head of the Brussels Office of VNO-NCW and MKB-Nederland |
|
|
Ms Melanie Irmgard BOUWKNEGT Economic Policy Advisor at CNV |
|
|
Ms Marjolijn BULK Policy Advisor International Affairs at FNV |
|
|
Mr Joost Peter VAN IERSEL Member of the EESC |
|
|
Mr Willem Wolter MULLER Advisor International Affairs at MHP |
|
|
Mr Nicolaas Clemens Maria VAN NIEKERK Freelance management advisor/supervisor |
|
|
Mr Frank VAN OORSCHOT Senior Specialist International Affairs at LTO |
|
|
Mr Ullrich SCHRÖDER Permanent Delegate Brussels at MKB-Nederland |
|
|
Mr Martin SIECKER International Manager at FNV |
|
|
Mr Joannes Gertrudis Wilhelmina SIMONS Emeritus Professor Transport Economics Free University of Amsterdam, Member of the EESC |
|
|
Mr Dick WESTENDORP Emeritus General Director Consumers Union |
|
|
Ms Anna Antonia Maria VAN WEZEL Member of the EESC |
OOSTENRIJK
|
|
Ms Waltraud KLASNIC Landeshauptmann a. D. |
|
|
Dr Johannes KLEEMANN Mitglied des Wirtschafts- und Sozialausschusses in den Mandatsperioden 2002-2006 und 2006-2010 |
|
|
Mag. Dipl. Ing. Johann KÖLTRINGER Hauptabteilungsleiter des Österreichischen Raiffeisenverbandes |
|
|
Mag. Christa SCHWENG Referentin der Wirtschaftskammer Österreich, Abteilung für Sozialpolitik und Gesundheit |
|
|
Mag. Thomas DELAPINA Geschäftsführer des Beirats für Wirtschafts- und Sozialfragen; Sekretär in der Kammer für Arbeiter und Angestellte für Wien |
|
|
Mag. Wolfgang GREIF Gewerkschaft der Privatangestellten, Druck, Journalismus, Papier; Bereichsleiter Europa, Konzerne und internationale Beziehungen |
|
|
Mr Thomas KATTNIG Gewerkschaft der Gemeindebediensteten; Leiter des Referats für Internationale Verbindungen |
|
|
Dr Christoph LECHNER Leiter der Abteilung Verfassungsrecht und Allgemeine und Internationale Sozialpolitik in der Kammer für Arbeiter und Angestellte für Niederösterreich |
|
|
Mag. Oliver RÖPKE Leiter des Europabüros des ÖGB |
|
|
Mr Alfred GAJDOSIK Vorsitzender-Stellvertreter der Gewerkschaft VIDA |
|
|
Mag. Gerfried GRUBER Referent der Landwirtschaftskammer Österreich |
|
|
Dr Anne-Marie SIGMUND Europabeauftragte des Bundeskomitees Freie Berufe Österreichs |
POLEN
|
|
Mr Krzysztof OSTROWSKI Consultant, Business Centre Club — Association of Employers |
|
|
Mr Andrzej MALINOWSKI President, Confederation of Polish Employers |
|
|
Ms Anna NIETYKSZA Member, Confederation of Polish Employers |
|
|
Mr Marek KOMOROWSKI Counsellor, Polish Confederation of Private Employers Lewiatan |
|
|
Mr Jacek Piotr KRAWCZYK Vice-president, Polish Confederation of Private Employers Lewiatan |
|
|
Mr Jan KLIMEK Vice-president, Polish Craft Association |
|
|
Mr Tadeusz KLIŚ Vice-president, Polish Craft Association |
|
|
Ms Dorota GARDIAS Secretary General, Trade Union Forum |
|
|
Mr Wiesław SIEWIERSKI President, Trade Union Forum |
|
|
Mr Andrzej ADAMCZYK Secretary of the international affairs, Independent and Self-Governing Trade Union Solidarność |
|
|
Mr Marian KRZAKLEWSKI Member of the National Commission, Independent and Self-Governing Trade Union Solidarność |
|
|
Mr Andrzej CHWILUK Vice-president of the Trade Unions of Miners, All-Poland Alliance of Trade Unions |
|
|
Mr Tomasz Dariusz JASIŃSKI Specialist of the international affairs, All-Poland Alliance of Trade Unions |
|
|
Mr Stanisław Józef RÓŻYCKI Vice-president of the Council of Education and Science of the Polish Teachers’ Union, All-Poland Alliance of Trade Unions |
|
|
Mr Krzysztof BALON Secretary of the Research programme Council, Working Community of Associations of Social Organisations WRZOS |
|
|
Mr Krzysztof KAMIENIECKI Vice-president, Institute for Sustainable Development Foundation |
|
|
Ms Marzena MENDZA-DROZD Member of the Board, Forum of Non-Government Initiatives’ Association, All-Poland Federation of Non-Governmental Organisations |
|
|
Mr Krzysztof PATER Member of the Scout Court, Polish Scouting and Guiding Association |
|
|
Ms Jolanta PLAKWICZ Member, Polish Women’s Lobby |
|
|
Mr Władysław SERAFIN President, National Union of Farmers, Circles and Agricultural Organizations |
|
|
Ms Teresa TISZBIEREK Vice-president, Association of the Voluntary Fire Brigades of the Republic of Poland |
PORTUGAL
|
|
Mr Manuel Eugénio PIMENTEL CAVALEIRO BRANDÃO Confederação da Indústria Portuguesa (CIP) (Confederation of Portuguese Industry) |
|
|
Mr Luís Miguel CORREIA MIRA Confederação dos Agricultores de Portugal (CAP) (Portuguse Farmers’ Confederation) |
|
|
Mr Pedro D’ALMEIDA FREIRE Confederação do Comércio e Serviços de Portugal (CCP) (Portuguese Trade and Services Confederation) |
|
|
Mr Paulo BARROS VALE Associação Empresarial de Portugal (AEP) (Portuguese Business Association) |
|
|
Mr Mário David FERREIRINHA SOARES Confederação Geral dos trabalhadores Portugueses (CGTP) (General Confederation of Portuguese Workers) |
|
|
Mr Carlos Manuel ALVES TRINDADE Confederação Geral dos Trabalhadores Portugueses (CGTP) (General Confederation of Portuguese Workers) |
|
|
Mr Alfredo Manuel VIEIRA CORREIA União Geral de Trabalhadores (UGT) (General Workers’ Union) |
|
|
Mr Victor Hugo DE JESUS SEQUEIRA União Geral de Trabalhadores (UGT) (General Workers’ Union) |
|
|
Mr Jorge PEGADO LIZ Associação Portuguesa para a Defesa do Consumidor (DECO) (Portuguese Consumer Protection Association) |
|
|
Mr Carlos Alberto PEREIRA MARTINS Conselho Nacional das Ordens Profissionais (CNOP) (National Council of Professional Bodies) |
|
|
Mr Francisco João BERNARDINO DA SILVA Confederação Nacional das Cooperativas Agrícolas e do Crédito Agrícola de Portugal, CCRL (CONFAGRI) (Portuguese National Confederation of Agricultural Coperatives and Agricultural Credit, limited-liability cooperative confederation) |
|
|
Rev. Vítor José MELÍCIAS LOPES União das Misericórdias Portuguesas (UMP) (Union of Portuguese Charitable Institutions) |
ROEMENIË
|
|
Dl Petru Sorin DANDEA Vicepreședinte, Confederația Națională Sindicală „Cartel ALFA” (Vice-President of the National Trade Union Confederation „Cartel ALFA”) |
|
|
Dl Dumitru FORNEA Secretar confederal, Confederația Sindicală Națională MERIDIAN (Confederal secretary of the National Trade Union Confederation — Meridian) |
|
|
Dl Minel IVAȘCU Secretar general, Blocul Național Sindical (Secretary-General of the National Trade Union Bloc (BNS)) |
|
|
Dl Sorin Cristian STAN Secretar general, Confederația Națională a Sindicatelor Libere din România (FRĂȚIA) (Secretary-General of the National Confederation of Romanian Free Trade Unions (FRĂȚIA)) |
|
|
Dl Sabin RUSU Secretar general, Confederația Sindicatelor Democratice din România (Secretary-General of the Confederation of Romanian Democratic Trade Unions) |
|
|
Dl Eugen Mircea BURADA Președinte executiv, Consiliul Național al Patronatului Român (Executive President, National Council of Romanian Employers) |
|
|
Dna Ana BONTEA Director, Departamentul Juridic și Dialog Social — Consiliul Național al Întreprinderilor Private Mici și Mijlocii din România (Director of the Legislative and Social Dialogue Department, National Council of Small and Medium-Sized Private Enterprises in Romania) |
|
|
Dl Mihai MANOLIU Secretar general, Alianța Confederațiilor Patronale din România (Secretary-General, Alliance of Romanian Employers’ Confederations) |
|
|
Dl Aurel Laurențiu PLOSCEANU Președinte, Asociația Română a Antreprenorilor de Construcții (President of the Romanian Construction Entrepreneurship Association) |
|
|
Dl Ștefan VARFALVI Președinte executiv, UGIR (Executive President of UGIR) |
|
|
Dl Cristian PÂRVULESCU Președinte, Asociația Pro Democrația (President of the Pro-Democracy Association) |
|
|
Dl Ionuț SIBIAN Director, Fundația pentru Dezvoltarea Societății Civile (Director, Civil Society Development Foundation) |
|
|
Dl Sorin IONIȚĂ Director de cercetare, Societatea Academică din România (Director of research, Academic Society of Romania) |
|
|
Dl Radu NICOSEVICI Președinte, Academia de Advocacy (Chairman of the Advocacy Academy) |
SLOVENIË
|
|
Mr Cveto STANTIČ Predstavnik velikega gospodarstva (representative of large business) |
|
|
Mr Dare STOJAN Predstavnik malega gospodarstva (representative of small business) |
|
|
Mr Andrej ZORKO Izvršni sekretar Zveze svobodnih sindikatov Slovenije (Executive Secretary of the ZSSS (Free Trade Unions of Slovenia)) |
|
|
Mr Dušan REBOLJ Predsednik Konfederacije sindikatov Pergam Slovenije (President of Pergam Trade Union Federation (KSS Pergam)) |
|
|
Mr Bojan HRIBAR Predstavnik sindikatov javnega sektorja (representative of the public sector trade unions) |
|
|
Mr Igor HROVATIČ Direktor Kmetijsko gozdarske zbornice Slovenije (Director of the Agriculture and Forestry Federation) |
|
|
Mr Primož ŠPORAR Predstavnik organizacije SKUP – Skupnost privatnih zavodov (representative of SKUP — Community of Private Institutes) |
SLOWAKIJE
|
|
Ján ORAVEC Prezident Združenia podnikateľov Slovenska (ZPS) |
|
|
Michal PINTÉR Člen Republikovej únie zamestnávateľov (RÚZ), riaditeľ, U.S. Steel Košice, s.r.o. |
|
|
Igor ŠARMÍR Riaditeľ odboru potravinárstva a obchodu Slovenskej poľnohospodárskej a potravinárskej komory, tajomník Únie potravinárov SR |
|
|
Vladimír MOJŠ Predseda Hospodárskeho a sociálneho výboru (HSV), viceprezident Konfederácie odborových zväzov SR |
|
|
Dušan BARČÍK Viceprezident Konfederácie odborových zväzov SR pre výrobné OZ, predseda Integrovaného odborového zväzu |
|
|
Ján GAŠPERAN Viceprezident Konfederácie odborových zväzov SR pre nevýrobné OZ, predseda OZ pracovníkov školstva a vedy na Slovensku |
|
|
Juraj STERN Prezident Slovenskej spoločnosti pre zahraničnú politiku (SFPA) |
|
|
Viliam PÁLENÍK Prezident Inštitútu zamestnanosti |
|
|
Tomáš DOMONKOS Vedecký pracovník Ekonomického ústavu Slovenskej akadémie vied (SAV) |
FINLAND
|
|
Mr Filip Mikael HAMRO-DROTZ asiantuntija Elinkeinoelämän keskusliitto EK |
|
|
Ms Ulla SIRKEINEN erityisasiantuntija Elinkeinoelämän keskusliitto EK |
|
|
Ms Marja-Liisa PELTOLA osastopäällikkö Keskuskauppakamari |
|
|
Mr Simo Markus PENTTINEN kansainvälisten asioiden päällikkö Akava ry |
|
|
Mr Reijo Veli Erik PAANANEN EU-asiantuntija Suomen Ammattiliittojen Keskusjärjestö SAK ry |
|
|
Ms Leila KURKI työllisyyspoliittinen asiantuntija Toimihenkilökeskusjärjestö STTK ry |
|
|
Ms Pirkko Marjatta RAUNEMAA kuluttajaekonomisti ja elintarvikeasiantuntija Kotitalous- ja kuluttaja-asioiden neuvottelukunta/Kuluttajat — Konsumenterna ry |
|
|
Mr Seppo Ilmari KALLIO johtaja Maa- ja metsätaloustuottajain Keskusliitto MTK ry |
|
|
Mr Thomas PALMGREN kansainvälisten asioiden asiamies Suomen yrittäjät |
ZWEDEN
|
|
Ms Ellen Paula NYGREN Ombudsman, Landsorganisation i Sverige (LO) (Swedish Trade Union Confederation) |
|
|
Mr Frank Thomas ABRAHAMSSON Vice-president, Landsorganisation i Sverige (LO) (Swedish Trade Union Confederation) |
|
|
Mr Thomas Mikael JANSON International Secretary, Tjänstemännens centralorganisation (TCO) (Swedish Confederation of Professional Employees) |
|
|
Mr Paul Henrik LIDEHÄLL International Secretary, Sveriges akademikers centralorganisation (SACO) (Swedish Confederation of Professional Associations) |
|
|
Mr Ulf Christian ARDHE Director, Svenskt näringsliv (Confederation of Swedish Enterprise) |
|
|
Ms Annika Kristina BRÖMS Deputy Director, Svenskt näringsliv (Confederation of Swedish Enterprise) |
|
|
Mr Thord Stefan BACK Manager Sustainable Logistics, Transportgruppen (The Transport Group) |
|
|
Mr Erik SVENSSON Director, ALMEGA |
|
|
Mr Staffan Mats Vilhelm NILSSON Member of the EESC, President Group III Lantbrukarnas riksförbund (LRF) (Federation of Swedish Farmers) |
|
|
Ms Ingrid Eva-Britt KÖSSLER President, The Swedish Breastcancer Association Handikappförbundens samarbetsorgan (Swedish Disability Federation) |
|
|
Ms Inger Kristina Elisabeth PERSSON Chairman, Sveriges konsumenter (Swedish Consumers’ Association) |
|
|
Ms Ariane Elisabeth RODERT EU Policy Advisor, Forum for frivilligt socialt arbete (National Forum for Voluntary Social Work) |
VERENIGD KONINKRIJK
|
|
Mr George LYON Legal Counsel — Northgate Information Solutions UK Ltd |
|
|
Ms Brenda KING Chief Executive, ACDiversity |
|
|
Mr David SEARS Consultant |
|
|
Mr Jonathan PEEL Director, Jonathan Peel EU Communications Ltd |
|
|
Mr Bryan CASSIDY Consultant |
|
|
Mr Peter MORGAN Chairman, Association of Lloyd’s Members |
|
|
Ms Madi SHARMA Entrepreneur |
|
|
Mr Brendan BURNS Management Consultant & Financial Investor |
|
|
Mr Peter COLDRICK Part-time adviser to General Secretary, ETUC |
|
|
Mr Brian CURTIS Retired; Former Regional Organiser; National Union of Rail, Maritime & Transport Workers (RMT) |
|
|
Ms Sandy BOYLE Retired; Former Director, AMICUS (Trade Union) |
|
|
Ms Christine BLOWER General Secretary, National Union of Teachers (NUT) |
|
|
Ms Monica TAYLOR Member of UNITE (Trade Union) Executive Council |
|
|
Mr Nicholas CROOK International Officer, UNISON (Trade Union) |
|
|
Ms Judy McKNIGHT Retired; Former General Secretary NAPO (Trade Union) |
|
|
Ms Kathleen Walker SHAW Head of European Office, Britain’s General Union (GMB) |
|
|
Ms Rose D’SA Consultant in EU, Commonwealth and International Law |
|
|
Ms Jane MORRICE Deputy Chief Equality Commissioner; Equality Commission Northern Ireland |
|
|
Ms Maureen O’NEILL Director, Faith in Older People |
|
|
Mr Michael SMYTH Economist, University of Ulster |
|
|
Mr Richard ADAMS Senior Partner, Community Viewfinders Ltd |
|
|
Mr Stuart ETHERINGTON Chief Executive Officer, National Council for Voluntary Organisations |
|
|
Mr Tom JONES Self-employed Farmer |
|
|
Mr Sukhdev SHARMA Chairman of Board of Directors, Calderdale and Huddersfield Hospitals NHS Foundation Trust |
|
25.9.2010 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 251/28 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 24 september 2010
tot wijziging, met het oog op aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, van de bijlage bij Richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende vrijstellingen voor toepassingen die lood, kwik, cadmium, zeswaardig chroom, polybroombifenylen of polybroomdifenylethers bevatten
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 6403)
(Voor de EER relevante tekst)
(2010/571/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (1), en met name artikel 5, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 2002/95/EG verbiedt het gebruik van lood, kwik, cadmium, zeswaardig chroom, polybroombifenylen (PBB’s) en polybroomdifenylethers (PBDE’s) in elektrische en elektronische apparatuur (EEA) die na 1 juli 2006 op de markt wordt gebracht. In de bijlage bij die richtlijn zijn vrijstellingen van dat verbod opgenomen. Deze vrijstellingen moeten worden getoetst om ze aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang aan te passen. |
|
(2) |
Bij de toetsing van de vrijstellingen is gebleken dat bepaalde toepassingen die lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten, van het verbod vrijgesteld moeten blijven, aangezien de verwijdering van deze gevaarlijke stoffen in die specifieke toepassingen om wetenschappelijke of technische redenen nog steeds onmogelijk is. Deze vrijstellingen dienen derhalve te worden gehandhaafd. |
|
(3) |
Bij de toetsing van de vrijstellingen is gebleken dat voor bepaalde toepassingen die lood, kwik of cadmium bevatten, de verwijdering of vervanging van het gebruik van deze stoffen wetenschappelijk of technisch mogelijk is geworden. Deze vrijstellingen dienen derhalve te worden geschrapt. |
|
(4) |
Bij de toetsing van de vrijstellingen is gebleken dat voor bepaalde toepassingen die lood, kwik of cadmium bevatten, de verwijdering of vervanging van het gebruik van deze stoffen in de nabije toekomst wetenschappelijk of technisch mogelijk zal worden. Voor deze vrijstellingen dienen derhalve vervaldata te worden vastgesteld. |
|
(5) |
Bij de toetsing van de vrijstellingen is gebleken dat voor bepaalde toepassingen die kwik bevatten, gedeeltelijke verwijdering of vervanging van het gebruik van die stof wetenschappelijk of technisch mogelijk is. De hoeveelheid kwik die in deze toepassingen mag worden gebruikt, dient derhalve te worden beperkt. |
|
(6) |
Bij de toetsing van de vrijstellingen is gebleken dat voor bepaalde toepassingen die kwik bevatten, in de nabije toekomst slechts een gedeeltelijke en geleidelijke verwijdering of vervanging van het gebruik van die stof wetenschappelijk of technisch mogelijk is. De hoeveelheid kwik die in deze toepassingen mag worden gebruikt, dient derhalve geleidelijk te worden beperkt. |
|
(7) |
In bepaalde gevallen is het technisch onmogelijk EEA met andere dan de oorspronkelijke reserveonderdelen te repareren. Derhalve dient het gebruik van reserveonderdelen die lood, kwik, cadmium, zeswaardig chroom of polybroomdifenylethers bevatten, waarvoor een vrijstelling is verleend, uitsluitend in die gevallen te worden toegestaan bij de reparatie van EEA die op de markt is gebracht voordat die vrijstelling was vervallen of beëindigd. |
|
(8) |
Verordening (EG) nr. 244/2009 van de Commissie van 18 maart 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor niet-gerichte lampen voor huishoudelijk gebruik (2) en Verordening (EG) nr. 245/2009 van de Commissie van 18 maart 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende eisen inzake ecologisch ontwerp voor fluorescentielampen zonder ingebouwd voorschakelapparaat, voor hogedrukgasontladingslampen en voor voorschakelapparaten en armaturen die deze lampen kunnen laten branden, en tot intrekking van Richtlijn 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) bevatten indicatieve benchmarks voor het gebruik van kwik in lampen. Hoewel het kwikgehalte van lampen in Verordening (EG) nr. 244/2009 en Verordening (EG) nr. 245/2009 als significante milieuparameter wordt genoemd, werd het passender geacht de regelgeving hiervoor op te nemen in Richtlijn 2002/95/EG, waaronder ook lamptypes vallen die van deze verordeningen zijn vrijgesteld. |
|
(9) |
Bij de analyse die is uitgevoerd voor maatregelen die in Verordening (EG) nr. 244/2009 zijn vastgesteld, is gebleken dat voor bepaalde toepassingen die kwik bevatten, een gedeeltelijke verwijdering of vervanging van het gebruik van deze stof wetenschappelijk of technisch mogelijk is zonder dat de vervanging voor het milieu, de gezondheid en/of de veiligheid van de consument meer nadelen dan voordelen inhoudt. Derhalve dient het kwikgehalte voor deze toepassingen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 244/2009 te worden beperkt. |
|
(10) |
Er dienen ingrijpende wijzigingen in de bijlage bij Richtlijn 2002/95/EG te worden aangebracht. Met het oog op de duidelijkheid dient derhalve de hele bijlage te worden vervangen. |
|
(11) |
Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/95/EG heeft de Commissie de betrokken partijen geraadpleegd. |
|
(12) |
Richtlijn 2002/95/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd. |
|
(13) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18 van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Richtlijn 2002/95/EG wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 24 september 2010.
Voor de Commissie
Janez POTOČNIK
Lid van de Commissie
(1) PB L 37 van 13.2.2003, blz. 19.
(2) PB L 76 van 24.3.2009, blz. 3.
BIJLAGE
„BIJLAGE
Toepassingen die van het verbod in artikel 4, lid 1, zijn vrijgesteld
|
Vrijstelling |
Werkingssfeer en toepassingsdata |
|
|
1 |
Kwik in (compacte) fluorescentielampen met enkelvoudige lampvoet met ten hoogste (per burner): |
|
|
1(a) |
Voor algemene verlichtingsdoeleinden < 30 W: 5 mg |
Vervalt op 31 december 2011; na 31 december 2011 tot 31 december 2012 mag 3,5 mg per burner worden gebruikt; na 31 december 2012 mag 2,5 mg per burner worden gebruikt |
|
1(b) |
Voor algemene verlichtingsdoeleinden ≥ 30 W en < 50 W: 5 mg |
Vervalt op 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 3,5 mg per burner worden gebruikt |
|
1(c) |
Voor algemene verlichtingsdoeleinden ≥ 50 W en < 150 W: 5 mg |
|
|
1(d) |
Voor algemene verlichtingsdoeleinden ≥ 150 W: 15 mg |
|
|
1(e) |
Voor algemene verlichtingsdoeleinden met ronde of vierkante vorm en een buisdiameter ≤ 17 mm |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 7 mg per burner worden gebruikt |
|
1(f) |
Voor speciale doeleinden: 5 mg |
|
|
2(a) |
Kwik in lineaire fluorescentielampen met dubbele lampvoet voor algemene verlichtingsdoeleinden met ten hoogste (per lamp): |
|
|
2(a)(1) |
Trifosfaat met normale levensduur en een buisdiameter < 9 mm (bijv. T2): 5 mg |
Vervalt op 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 4 mg per lamp worden gebruikt |
|
2(a)(2) |
Trifosfaat met normale levensduur en een buisdiameter ≥ 9 mm en ≤ 17 mm (bijv. T5): 5 mg |
Vervalt op 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 3 mg per lamp worden gebruikt |
|
2(a)(3) |
Trifosfaat met normale levensduur en een buisdiameter > 17 mm en ≤ 28 mm (bijv. T8): 5 mg |
Vervalt op 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 3,5 mg per lamp worden gebruikt |
|
2(a)(4) |
Trifosfaat met normale levensduur en een buisdiameter > 28 mm (bijv. T12): 5 mg |
Vervalt op 31 december 2012; na 31 december 2012 mag 3,5 mg per lamp worden gebruikt |
|
2(a)(5) |
Trifosfaat met lange levensduur (≥ 25 000 uur): 8 mg |
Vervalt op 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 5 mg per lamp worden gebruikt |
|
2(b) |
Kwik in andere fluorescentielampen met ten hoogste (per lamp): |
|
|
2(b)(1) |
Lineaire halofosfaatlampen met een buisdiameter > 28 mm (bijv. T10 en T12): 10 mg |
Vervalt op 13 april 2012 |
|
2(b)(2) |
Niet-lineaire halofosfaatlampen (alle diameters): 15 mg |
Vervalt op 13 april 2016 |
|
2(b)(3) |
Niet-lineaire trifosfaatlampen met een buisdiameter > 17 mm (bijv. T9) |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 15 mg per lamp worden gebruikt |
|
2(b)(4) |
Lampen voor andere algemene verlichtings- en speciale doeleinden (bijv. inductielampen) |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 15 mg per lamp worden gebruikt |
|
3 |
Kwik in fluorescentielampen met koude kathode (cold cathode fluorescent lamps — CCFL) en fluorescentielampen met externe elektrode (external electrode fluorescent lamps — EEFL) voor speciale doeleinden met ten hoogste (per lamp): |
|
|
3(a) |
Korte lampen (≤ 500 mm) |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 3,5 mg per lamp worden gebruikt |
|
3(b) |
Middelgrote lampen (> 500 mm en ≤ 1 500 mm) |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 5 mg per lamp worden gebruikt |
|
3(c) |
Lange lampen (> 1 500 mm) |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 13 mg per lamp worden gebruikt |
|
4(a) |
Kwik in andere lagedrukgasontladingslampen (per lamp) |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 15 mg per lamp worden gebruikt |
|
4(b) |
Kwik in hogedruknatriumlampen (gasontladingslampen) voor algemene verlichtingsdoeleinden met ten hoogste (per burner) in lampen met verbeterde kleurweergave-index Ra > 60: |
|
|
4(b)-I |
P ≤ 155 W |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 30 mg per burner worden gebruikt |
|
4(b)-II |
155 W < P ≤ 405 W |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 40 mg per burner worden gebruikt |
|
4(b)-III |
P > 405 W |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 40 mg per burner worden gebruikt |
|
4(c) |
Kwik in andere hogedruknatriumlampen (gasontladingslampen) voor algemene verlichtingsdoeleinden met ten hoogste (per burner): |
|
|
4(c)-I |
P ≤ 155 W |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 25 mg per burner worden gebruikt |
|
4(c)-II |
155 W < P ≤ 405 W |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 30 mg per burner worden gebruikt |
|
4(c)-III |
P > 405 W |
Geen gebruiksbeperking tot 31 december 2011; na 31 december 2011 mag 40 mg per burner worden gebruikt |
|
4(d) |
Kwik in hogedrukkwiklampen (gasontladingslampen) (HPMV-lampen) |
Vervalt op 13 april 2015 |
|
4(e) |
Kwik in metaalhalidelampen (MH-lampen) |
|
|
4(f) |
Kwik in andere gasontladingslampen voor speciale doeleinden die niet specifiek in deze bijlage worden vermeld |
|
|
5(a) |
Lood in glas van beeldbuizen |
|
|
5(b) |
Lood in glas van fluorescentiebuizen met ten hoogste 0,2 gewichtsprocent |
|
|
6(a) |
Lood in staallegeringen voor machinale bewerking en in gegalvaniseerd staal met ten hoogste 0,35 gewichtsprocent lood |
|
|
6(b) |
Lood in aluminiumlegeringen met ten hoogste 0,4 gewichtsprocent lood |
|
|
6(c) |
Lood in koperlegeringen met ten hoogste 4 gewichtsprocent lood |
|
|
7(a) |
Lood in soldeer met een hoog smeltpunt (d.w.z. loodlegeringen met ten minste 85 gewichtsprocent lood) |
|
|
7(b) |
Lood in soldeer voor servers, opslag- en array-opslagsystemen en netwerkinfrastructuurapparatuur voor schakeling, signaalverwerking, transmissie en netwerkbeheer voor telecommunicatie |
|
|
7(c)-I |
Loodhoudende elektrische en elektronische onderdelen in glas of andere dan diëlektrische keramiek in condensatoren, bijv. piëzo-elektronische apparatuur, of in een glazen of keramische matrixverbinding |
|
|
7(c)-II |
Lood in diëlektrische keramiek in condensatoren voor een nominaal voltage van ten minste 125 V wisselstroom of 250 V gelijkstroom |
|
|
7(c)-III |
Lood in diëlektrische keramiek in condensatoren voor een nominaal voltage van minder dan 125 V wisselstroom of 250 V gelijkstroom |
Vervalt op 1 januari 2013 en mag na die datum worden gebruikt in reserveonderdelen voor EEA die vóór 1 januari 2013 op de markt is gebracht |
|
8(a) |
Cadmium en cadmiumverbindingen in eenmalige thermische zekeringen van het pellet-type |
Vervalt op 1 januari 2012 en mag na die datum worden gebruikt in reserveonderdelen voor EEA die vóór 1 januari 2012 op de markt is gebracht |
|
8(b) |
Cadmium en cadmiumverbindingen in elektrische contacten |
|
|
9 |
Zeswaardig chroom als corrosiewering in het koolstofstalen koelsysteem van absorptiekoelkasten tot 0,75 gewichtsprocent in de koeloplossing |
|
|
9(b) |
Lood in lagerschalen en -bussen voor koelmiddelhoudende compressors voor verwarming, ventilatie, klimaatregeling en koeling |
|
|
11(a) |
Lood gebruikt in C-press compliante penconnectorsystemen |
Mag worden gebruikt in reserveonderdelen voor EEA die vóór 24 september 2010 op de markt is gebracht |
|
11(b) |
Lood gebruikt in andere dan C-press compliante penconnectorsystemen |
Vervalt op 1 januari 2013 en mag na die datum worden gebruikt in reserveonderdelen voor EEA die vóór 1 januari 2013 op de markt is gebracht |
|
12 |
Lood als coating voor C-ringen van thermische geleidingsmodules |
Mag worden gebruikt in reserveonderdelen voor EEA die vóór 24 september 2010 op de markt is gebracht |
|
13(a) |
Lood in wit glas dat voor optische toepassingen wordt gebruikt |
|
|
13(b) |
Cadmium en lood in filterglas en glas dat voor reflectienormen wordt gebruikt |
|
|
14 |
Lood in soldeer bestaande uit meer dan twee elementen met een loodgehalte van meer dan 80 gewichtsprocent en minder dan 85 gewichtsprocent voor de verbinding tussen de pennen en de behuizing van microprocessors |
Vervalt op 1 januari 2011 en mag na die datum worden gebruikt in reserveonderdelen voor EEA die vóór 1 januari 2011 op de markt is gebracht |
|
15 |
Lood in soldeer voor de totstandbrenging van een haalbare elektrische verbinding tussen een halfgeleider-die en een drager in „flip chip”-behuizingen voor geïntegreerde schakelingen |
|
|
16 |
Lood in gloeibuizen voorzien van met silicaten gecoate buizen |
Vervalt op 1 september 2013 |
|
17 |
Loodhalide als stralingsmedium in HID-lampen (High Intensity Discharge) gebruikt voor professionele reprografietoepassingen |
|
|
18(a) |
Lood als activator in het fluorescentiepoeder (1 gewichtsprocent of minder) van gasontladingslampen bij gebruik als speciale lampen voor diazo-drukreprografie, lithografie, insectenvallen, fotochemische en hardingsprocessen met fosforen als SMS ((Sr,Ba)2MgSi2O7:Pb) |
Vervalt op 1 januari 2011 |
|
18(b) |
Lood als activator in het fluorescentiepoeder (1 gewichtsprocent of minder) van gasontladingslampen bij gebruik als bruiningslampen met fosforen als BSP (BaSi2O5:Pb) |
|
|
19 |
Lood met PbBiSn-Hg en PbInSn-Hg in bepaalde samenstellingen als hoofdamalgaam en met PbSn-Hg als hulpamalgaam in zeer compacte spaarlampen |
Vervalt op 1 juni 2011 |
|
20 |
Loodoxide in glas dat gebruikt wordt voor het koppelen van het boven- en ondersubstraat van platte fluorescentielampen voor vloeibaar-kristalschermen (LCD’s) |
Vervalt op 1 juni 2011 |
|
21 |
Lood en cadmium in drukinkt voor het aanbrengen van email op glas zoals boorsilicaatglas en natriumkalkglas |
|
|
23 |
Lood in de finish van componenten met een kleine steek met uitzondering van connectoren met een steek van 0,65 mm of minder |
Mag worden gebruikt in reserveonderdelen voor EEA die vóór 24 september 2010 op de markt is gebracht |
|
24 |
Lood in soldeer voor het solderen aan discoïdale en „planar array” keramische meerlagencondensators met een machinaal aangebracht doorlopend gat |
|
|
25 |
Loodoxide in oppervlaktegeleidingelektronenemitter-schermen (SED-schermen), gebruikt in structurele onderdelen, met name in de fritaansmelting en de fritring |
|
|
26 |
Loodoxide in de glazen ballon van Black Light Blue-lampen (BLB-lampen) |
Vervalt op 1 juni 2011 |
|
27 |
Loodlegeringen als soldeer voor transductoren die worden gebruikt in luidsprekers met een hoog vermogen (bedoeld om enkele uren achtereen te functioneren bij een geluidsniveau van 125 dB SPL en meer) |
Vervalt op 24 september 2010 |
|
29 |
Lood gebonden in kristalglas zoals omschreven in bijlage I (categorieën 1, 2, 3 en 4) van Richtlijn 69/493/EEG van de Raad (1) |
|
|
30 |
Cadmiumlegeringen als elektrische/mechanische soldeerverbindingen met elektrische geleiders die zich direct op de stemspoel bevinden van transductoren die gebruikt worden in krachtige luidsprekers met een geluidsvermogensniveau van 100 dB (A) of meer |
|
|
31 |
Lood in soldeermateriaal in kwikvrije platte fluorescerende lampen (die bijv. worden gebruikt in LCD-schermen, designverlichting of industriële verlichting) |
|
|
32 |
Loodoxide in fritaansmeltingen van vensters voor argon- en kryptonlaserbuizen |
|
|
33 |
Lood in soldeer voor het solderen van dunne koperdraad met een diameter van ten hoogste 100 μm in transformatoren |
|
|
34 |
Lood in cermet-gebaseerde trimmer-potentiometeronderdelen |
|
|
36 |
Kwik, gebruikt als remmer van kathodeverstuiving in gelijkstroom-plasmaschermen met een gehalte van ten hoogste 30 mg per scherm |
Vervalt op 1 juli 2010 |
|
37 |
Lood in de metalliseerlaag van hoogspanningsdiodes met een behuizing op basis van zinkboraatglas |
|
|
38 |
Cadmium en cadmiumoxide in dikfilmpasta, gebruikt op aluminium-gebonden berylliumoxide |
|
|
39 |
Cadmium in II-VI-leds met kleuromzetting (< 10 μg Cd per mm2 lichtemitterend oppervlak), gebruikt in halfgeleiderverlichting of -beeldweergavesystemen |
Vervalt op 1 juli 2014 |
NB: Met het oog op artikel 5, lid 1, onder a), van Richtlijn 2002/95/EG wordt een maximale concentratie van 0,1 gewichtsprocent in homogene materialen voor lood, kwik, zeswaardig chroom, polybroombifenylen (PBB’s) en polybroomdifenylethers (PBDE’s) en van 0,01 gewichtsprocent in homogene materialen voor cadmium getolereerd.”
AANBEVELINGEN
|
25.9.2010 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 251/35 |
AANBEVELING VAN DE COMMISSIE
van 20 september 2010
over gereglementeerde toegang tot toegangsnetwerken van de nieuwe generatie (NGA)-netwerken
(Voor de EER relevante tekst)
(2010/572/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 292,
Gezien Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (1), en met name artikel 19, lid 1,
Gezien de adviezen van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Comité voor Communicatie (COCOM),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De eengemaakte markt van de Europese Unie voor elektronischecommunicatiediensten, en in het bijzonder de ontwikkeling van supersnelle breedbanddiensten, is cruciaal voor het creëren van economische groei en het realiseren van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Het fundamentele belang van telecommunicatie en de uitrol van breedband in termen van EU-investeringen, jobcreatie en algemeen economisch herstel werd nogmaals onderstreept door de Europese Raad in de conclusies van zijn vergadering van maart 2009. Een van de zeven vlaggenschipinitiatieven van Europa 2020 is het ontwikkelen van de „Digitale Agenda voor Europa”, die in mei 2010 werd voorgesteld. |
|
(2) |
De Digitale Agenda voor Europa legt doelen vast voor het uitrollen en gebruiken van snelle en supersnelle breedband, en voorziet in een aantal maatregelen ter bevordering van het uitrollen van toegangsnetwerken van de nieuwe generatie (New Generation Access of NGA-netwerken), op basis van optische vezel, en ter ondersteuning van substantiële investeringen die in de komende jaren noodzakelijk zijn. De voorliggende aanbeveling, die in deze context moet worden gezien, beoogt het bevorderen van efficiënte investeringen en innovatie in nieuwe en verbeterde infrastructuur, terdege rekening houdende met alle door investeerders genomen risico’s en de noodzaak om effectieve concurrentie — een belangrijke motor voor de geleidelijke toename van investeringen — te handhaven. |
|
(3) |
De Nationale Regelgevende Instanties (NRI’s) ontwikkelen conform artikel 16, lid 4, van Richtlijn 2002/21/EG regelgevende antwoorden op de uitdagingen die ontstaan door de overgang van koper- naar vezelgebaseerde netwerken. De relevante markten in dit verband zijn de markten voor groothandelstoegang tot netwerkinfrastructuur (markt 4) en groothandelstoegang tot breedband (markt 5). De consistente aanpak in de regelgeving van de NRI’s is van fundamenteel belang om verstoringen van de eengemaakte markt te vermijden en rechtszekerheid voor alle investeringen te creëren. Het is daarom aangewezen om de NRI’s een leidraad te geven die bedoeld is om elke ongewenste afwijking ten opzichte van de regelgevende benaderingen te voorkomen, en tegelijkertijd de NRI’s in staat te stellen bij het uittekenen van mogelijke oplossingen terdege rekening te houden met de nationale omstandigheden. In de door de NRI’s opgelegde, adequate mix van oplossingen moet het beginsel van de investeringsladder proportioneel worden toegepast. |
|
(4) |
De draagwijdte van deze aanbeveling betreft voornamelijk oplossingen die moeten worden opgelegd aan exploitanten met een significante marktmacht (SMP — Significant Market Power), dit op basis van een marktanalyseprocedure conform artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG. Nochtans, waar dit gerechtvaardigd is omdat de verdubbeling van infrastructuur economisch niet-effectief of fysiek onuitvoerbaar is, kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 12 van de Richtlijn ook verplichtingen opleggen aan ondernemingen die een elektronisch communicatienetwerk gebruiken om faciliteiten met elkaar te delen. Dit zou aangewezen zijn om knelpunten in de civieltechnische infrastructuur en afsluitende segmenten te verhelpen. |
|
(5) |
Verwacht wordt dat de situatie van vraag en aanbod na de uitrol van NGA-netwerken drastisch zal wijzigen zowel op groothandels- als kleinhandelsniveau. Daarom moeten eventueel nieuwe oplossingen worden opgelegd, en kan een nieuwe combinatie van actieve en passieve toegangsoplossingen op de markten 4 en 5 noodzakelijk zijn. |
|
(6) |
Regelzekerheid is cruciaal voor het bevorderen van doeltreffende investeringen door alle exploitanten. Het op termijn toepassen van een consistente aanpak in de regelgeving is belangrijk om de investeerders vertrouwen te geven bij het opstellen van hun businessplannen. Om de onzekerheid die gepaard gaat met periodieke marktoverzichten te beperken, moeten de NRI’s zo precies mogelijk verduidelijken hoe te verwachten wijzigingen in de marktomstandigheden van invloed kunnen zijn op de oplossingen. |
|
(7) |
Als nieuwe vezelnetwerken op greenfields worden uitgerold, moeten de NRI’s bestaande regelgevende verplichtingen herzien en zo nodig aanpassen om te garanderen dat ze onafhankelijk van de ingevoerde netwerktechnologie gelden. |
|
(8) |
De uitrol van NGA-netwerken zal waarschijnlijk leiden tot belangrijke veranderingen in de economie van dienstverlening en de concurrentie. |
|
(9) |
In een dergelijke context moeten de NRI’s de nieuwe concurrentievoorwaarden als gevolg van de uitrol van NGA’s zorgvuldig bestuderen. De NRI’s moeten in overeenstemming met de Aanbeveling 2007/879/EG van de Commissie van 17 december 2007 betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronischecommunicatiesector die overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen (2) subnationale geografische markten definiëren als zij substantieel en objectief verschillende concurrentievoorwaarden die op termijn stabiel zijn, op duidelijke wijze kunnen vastleggen. In situaties waar men niet kan concluderen dat de verschillende concurrentievoorwaarden de definitie van subnationale geografische markten zouden rechtvaardigen, kan het niettemin aangewezen zijn voor de NRI’s om een antwoord te bieden op de divergerende concurrentievoorwaarden tussen verschillende gebieden binnen een geografisch vastgelegde markt, bijvoorbeeld omwille van de aanwezigheid van verscheidene alternatieve infrastructuren of infrastructuurgebaseerde exploitanten, door gedifferentieerde oplossingen en toegangsproducten in te stellen. |
|
(10) |
De overgang van koper- naar vezelgebaseerde netwerken kan de concurrentievoorwaarden op verschillende geografische gebieden wijzigen en kan een overzicht van de geografische werkingssfeer van de markten 4 en 5 of van de oplossingen voor de markten 4 en 5 noodzakelijk maken wanneer dergelijke markten of oplossingen verdeeld zijn op basis van concurrentie van de ontbundeling van het aansluitnet (LLU — local loop unbundling). |
|
(11) |
Als er in markt 4 SMP wordt vastgesteld, dan moet een geschikte reeks oplossingen worden toegepast. |
|
(12) |
Toegang tot de civieltechnische infrastructuur is essentieel voor het uitrollen van parallelle vezelnetwerken. Het is daarom belangrijk dat de NRI’s de noodzakelijke informatie krijgen om te beoordelen of en waar er leidingen en andere aansluitnetfaciliteiten voor het uitrollen van NGA-netwerken beschikbaar zijn. De NRI’s moeten gebruikmaken van hun bevoegdheden conform Richtlijn 2002/21/EG om alle relevante informatie over plaats, capaciteit en beschikbaarheid van dergelijke faciliteiten te krijgen. Idealiter moeten de andere exploitanten de mogelijkheid hebben om hun vezelnetwerken tegelijk met deze van de SMP-exploitant uit te rollen, waarbij de kosten voor de civieltechnische werken gedeeld worden. |
|
(13) |
Het opleggen van de toegang tot civiele constructies zal slechts effectief zijn als de SMP-exploitant dezelfde voorwaarden stelt aan de eigen gecontroleerde afdeling en aan de toegang van derden tot het netwerk. De NRI’s moeten uitgaan van hun ervaring bij het ontwikkelen van procedures en hulpmiddelen voor LLU om de noodzakelijke bedrijfsprocessen inzake inrichting en operationele toegang tot civieltechnische faciliteiten in te voeren. De verplichte publicatie door de exploitant van SMP van een adequaat referentieaanbod zo spoedig mogelijk na het verzoek van een toegangszoeker is evenredig aan de doelstelling om efficiënte investeringen en concurrentie op infrastructuurgebied te stimuleren. Een dergelijk referentieaanbod dient de voorwaarden en de procedures van de toegang tot de civieltechnische infrastructuur te bevatten, inclusief de toegangsprijzen. |
|
(14) |
Kostengeoriënteerde prijzen impliceren een redelijk rendement. Als investeringen in niet-reproduceerbare fysieke activa zoals civieltechnische infrastructuur niet specifiek zijn voor de uitrol van NGA-netwerken (en geen vergelijkbaar niveau van systematisch risico inhouden), moet het risicoprofiel ervan niet als verschillend worden beschouwd van dat van de bestaande koperdraadinfrastructuur. |
|
(15) |
Indien mogelijk moeten de NRI’s ernaar streven om nieuw gebouwde faciliteiten van de SMP-exploitant zeker zo te ontwerpen dat verschillende exploitanten er hun vezellijnen in kunnen onderbrengen. |
|
(16) |
In de context van Fibre to the Home (FTTH) zal het dupliceren van het afsluitende segment in de vezellus normaal gesproken een dure en inefficiënte aangelegenheid zijn. Om een duurzame infrastructuurconcurrentie toe te staan, is het noodzakelijk dat toegang wordt voorzien tot het afsluitende segment van de vezelinfrastructuur die door de SMP-exploitant werd geïnstalleerd. Om efficiënte toegang te garanderen, is het belangrijk dat de toegang wordt verleend op een niveau in het netwerk van de SMP-exploitant dat de deelnemers in staat stelt om een minimaal efficiëntieniveau te bereiken om effectieve en duurzame concurrentie te handhaven. Waar nodig, kunnen specifieke interfaces noodzakelijk zijn om efficiënte toegang te garanderen. |
|
(17) |
Verplichtingen tot transparantie en non-discriminatie zijn vereist om de effectiviteit van toegang tot het afsluitende segment te verzekeren. Waar vereist is de publicatie door de SMP-exploitant van een adequaat referentieaanbod binnen een kort tijdsbestek noodzakelijk om toegangszoekers toe te staan investeringskeuzes te maken. |
|
(18) |
De NRI’s moeten garanderen dat de toegangsprijzen in verhouding zijn tot de kosten die effectief door de SMP-exploitant worden gedragen, inclusief extra aandacht voor het niveau van het investeringsrisico. |
|
(19) |
Netwerken gebaseerd op meervoudige vezellijnen kunnen worden uitgerold tegen een iets hogere kostprijs dan enkelvoudige vezelnetwerken, waarbij wordt toegestaan dat andere exploitanten elk hun verbinding met de eindgebruiker controleren. Deze zullen waarschijnlijk voor de duurzame concurrentie op lange termijn overeenkomstig de doelstellingen van het regelgevende kader van de Europese Unie bevorderlijk zijn. Het is dus wenselijk dat de NRI’s hun bevoegdheden gebruiken om de uitrol van meervoudige vezellijnen in het afsluitende segment te vergemakkelijken, in het bijzonder rekening houdend met de vraag en de kosten die hiermee gepaard gaan. |
|
(20) |
Andere exploitanten, van wie enkele reeds hun eigen netwerken hebben uitgerold om een verbinding te maken met de ontbundelde koperen lijn van de SMP-exploitant, moeten worden voorzien van geschikte toegangsproducten om te kunnen blijven concurreren in een NGA-context. Voor FTTH kunnen deze bestaan uit toegang tot civieltechnische infrastructuur, tot het afsluitende segment, tot de ontbundelde vezellijn (inclusief dark fibre), of uit groothandelstoegang tot breedband, naargelang van de situatie. Waar de oplossingen die aan markt 4 zijn opgelegd, voor effectieve concurrentie zorgen in de overeenkomstige downstreammarkt, in de gehele markt of in bepaalde geografische gebieden, zouden andere oplossingen uit de bewuste markt of gebieden kunnen worden ingetrokken. Dergelijke maatregel zou aangewezen kunnen zijn, bijvoorbeeld als de succesvolle instelling van fysieke toegangsoplossingen extra bitstreamoplossingen overtollig mocht maken. Voorts, in uitzonderlijke omstandigheden, zouden NRI’s ervan kunnen afzien om ontbundelde toegang tot de vezellijn op te leggen in geografische gebieden waar de aanwezigheid van verscheidene andere infrastructuren, zoals FTTH-netwerken en/of kabel, in combinatie met concurrerende toegangsaanbiedingen op basis van ontbundeling, waarschijnlijk zal resulteren in efficiënte concurrentie op het downstreamniveau. |
|
(21) |
Verplichtingen die conform artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG werden opgelegd, zijn gebaseerd op de aard van het vastgestelde probleem, ongeacht de technologie of de architectuur die door een SMP-exploitant wordt gebruikt. Daarom mag het feit dat een SMP-exploitant een point-to-multipoint- of een punt-to-point-netwerktopologie uitrolt, op zich geen invloed hebben op de keuze van oplossingen, rekening houdend met de beschikbaarheid van nieuwe ontbundelingstechnologieën die in dit opzicht met potentiële technische problemen worden geconfronteerd. De NRI’s moeten voor een overgangsperiode maatregelen kunnen nemen om alternatieve toegangsproducten op te leggen die de fysieke ontbundeling bij wijze van vervanging zo dicht mogelijk benaderen, op voorwaarde dat deze maatregelen worden geflankeerd door de meest geschikte garanties voor een gelijkwaardige toegang en effectieve concurrentie (3). De NRI’s moeten dan in elk geval de fysieke ontbundeling opleggen zodra dat technisch en commercieel haalbaar is. |
|
(22) |
Als ontbundelde toegang tot de vezellijn opgelegd wordt, moet het bestaande LLU-referentieaanbod worden gewijzigd om alle relevante toegangsvoorwaarden te omvatten met inbegrip van financiële voorwaarden met betrekking tot het ontbundelen van de vezellijn, volgens bijlage II bij Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad (4). Dergelijk amendement zou zonder onnodige vertraging moeten worden afgekondigd om de noodzakelijke graad van transparantie en planningsveiligheid voor toegangszoekers te creëren. |
|
(23) |
Het uitrollen van FTTH zal normaal gesproken aanzienlijke risico’s met zich brengen, gezien de hoge kosten hiervoor per huishouden en het momenteel nog beperkte aantal kleinhandelsdiensten waarbij verbeterde eigenschappen (zoals hogere doorvoercapaciteit) nodig zijn die alleen via vezel kunnen worden geleverd. De investeringen in vezel hangen voor hun amortisatie af van de benutting van nieuwe diensten die via NGA-netwerken op korte en middellange termijn worden voorzien. De kapitaalkosten van de SMP-exploitant voor het bepalen van toegangsprijzen moeten het hogere investeringsrisico weerspiegelen in verhouding tot investeringen in huidige kopergebaseerde netwerken. |
|
(24) |
Risicospreiding voor het uitrollen kan tot een meer geschikte en efficiëntere uitrol van NGA-netwerken leiden. De NRI’s moeten daarom de tarieven beoordelen die door de SMP-exploitant worden voorgesteld, om zo het investeringsrisico te spreiden. |
|
(25) |
Als SMP-exploitanten lagere toegangsprijzen voor de ontbundelde vezellijn aanbieden in ruil voor voorafgaande verplichtingen op lange termijn of volumecontracten, mogen deze niet worden beschouwd als onrechtmatig discriminerend, waar de NRI’s tevreden zijn dat de lagere prijzen een daadwerkelijke vermindering van het investeringsrisico correct weergeven. Nochtans moeten de NRI’s garanderen dat dergelijke prijsschikkingen niet zorgen voor wurgprijzen („margin squeeze”), die een efficiënte marktingang verhinderen. |
|
(26) |
Margin squeeze kan worden bewezen door aan te tonen dat de eigen downstreamverrichtingen van de SMP-exploitant geen winst kunnen maken op basis van de upstreamprijs die aan de concurrenten wordt aangerekend door de upstreamafdeling van de SMP-exploitant („even efficiënte concurrent”-test). Een margin squeeze kan ook worden bewezen door aan te tonen dat de marge tussen de prijs die aan concurrenten in de upstreammarkt voor de toegang wordt aangerekend, en de prijs die de downstreamafdeling van de SMP-exploitant in de downstreammarkt aanrekent, ontoereikend is om een redelijk efficiënte dienstverlener in de downstreammarkt in staat te stellen een normale winst te boeken („redelijk effectieve concurrent”-test). In de specifieke context van prijscontroles ex ante die gericht zijn op het handhaven van de effectieve concurrentie tussen exploitanten die niet profiteren van schaal- en toepassingsvoordelen en die verschillende eenheidsnetwerkkosten hebben, zal een „redelijk effectieve concurrent”-test normaal gesproken meer aangewezen zijn. Bovendien moet een margin squeeze over een langere termijn worden beoordeeld. Om de voorspelbaarheid te bevorderen, moeten de NRI’s op voorhand en naar behoren de methodologie specificeren die zij zullen hanteren om de verrekeningstest, de te gebruiken parameters en de correctiemechanismen te identificeren in het geval van een margin squeeze. |
|
(27) |
Netwerken die gebaseerd zijn op meervoudige vezellijnen garanderen dat de toegangszoekers volledige controle kunnen verwerven over vezellijnen, zonder dure investeringen dubbel te moeten doen of discriminerende behandeling te riskeren in het geval van opgelegde ontdubbeling van enkelvoudige vezellijnen. Netwerken gebaseerd op meervoudige vezellijnen zullen daarom waarschijnlijk voor meer geschikte en intensere concurrentie zorgen op de downstreammarkt. De co-investering in NGA-netwerken kan zowel de kosten als het risico beperken voor een investerende onderneming, en kan bijgevolg tot een meer uitgebreide uitrol van FTTH leiden. |
|
(28) |
Regelingen voor co-investering in FTTH gebaseerd op meervoudige vezellijnen kunnen in sommige omstandigheden leiden tot een situatie van effectieve concurrentie in de geografische gebieden die door de co-investering worden afgedekt. Deze voorwaarden staan in verhouding tot het aantal betrokken operatoren, de structuur van het gezamenlijk gecontroleerde netwerk en andere regelingen tussen de co-investeerders die de effectieve concurrentie op de downstreammarkt willen garanderen. In een dergelijke situatie, als de concurrerende voorwaarden in de bewuste gebieden wezenlijk en objectief verschillen van deze elders, dan kan dit de afbakening van een afzonderlijke markt waar, na de marktanalyse conform artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG, geen SMP is gevonden, rechtvaardigen. |
|
(29) |
De NRI’s moeten de kosten van subnetontbundeling schatten. De NRI’s moeten waar nodig voorafgaand overleggen met andere exploitanten die mogelijk geïnteresseerd zijn in het delen van straatkasten, en op deze basis bepalen waar de straatkasten moeten worden aangepast en hoe kosten moeten worden verdeeld. |
|
(30) |
Bij het opleggen van de ontbundeling van het subnet moeten de NRI’s geschikte backhaulmaatregelen treffen om dergelijke oplossingen effectief te maken. De toegangszoekers moeten in staat zijn de oplossing te kiezen die het best bij hun vereisten past, hetzij donkere vezel (en waar relevant, koper), Ethernet-backhaul of toegang tot kabelgoten. De NRI’s zouden, waar nodig, maatregelen kunnen treffen met betrekking tot de geschikte afmetingen van de straatkasten die eigendom zijn van de SMP-exploitant. |
|
(31) |
De transparantie van de voorwaarden voor toegang tot subnetten kan het best worden gegarandeerd door de opname ervan in het bestaande LLU-referentieaanbod. Het is belangrijk dat deze transparantievereiste voor alle punten geldt die noodzakelijk zijn om de subnetontbundeling te voorzien, met inbegrip van omleidings- en nevendiensten om de continuïteit van bestaande concurrerende diensten toe te staan. Het referentieaanbod moet alle tariefvoorwaarden omvatten om deelnemers toe te staan om de zakelijke kant van de subnetontbundeling te berekenen. |
|
(32) |
In overeenstemming met de tarieven voor ontbundeling van het aansluitnet moeten de tarieven van alle items die noodzakelijk zijn om de subnetontbundeling te voorzien, kostengericht en in overeenstemming zijn met de huidige gebruikte methodologieën die gehanteerd worden om de prijs te bepalen voor de toegang tot de ontbundelde koperlijn. Het vervangen van koper door vezel tot aan een tussenliggend distributiepunt betekent een belangrijke investering die een zeker risico in zich draagt, zelfs al wordt het risico geacht lager te zijn dan bij FTTH-netwerken, ten minste toch in dichtbevolkte gebieden, gezien de relatieve uitrolkosten per betroffen huishouden en de onzekerheid van de vraag naar de verbeterde of opgewaardeerde diensten. |
|
(33) |
De NRI’s moeten beginselen van non-discriminatie toepassen om elk timingvoordeel voor de eigen kleinhandelafdeling van de SMP-exploitant te vermijden. De laatstgenoemde zou verplicht moeten worden om zijn groothandelsbitstreamaanbieding te actualiseren, alvorens nieuwe, op vezel gebaseerde kleinhandelsdiensten te lanceren, om zo concurrerende exploitanten, die van de toegang genieten, voldoende tijd te geven om op de lancering van dergelijke producten te reageren. Zes maanden wordt beschouwd als een redelijke periode om de noodzakelijke aanpassingen door te voeren, tenzij andere efficiënte garanties op het gebied van niet-dicriminatie voorhanden zijn. |
|
(34) |
Verwacht wordt dat vezelgebaseerde producten voor groothandelsbreedbandtoegang dusdanig technisch geconfigureerd kunnen zijn dat er meer flexibiliteit en verbeterde dienstkenmerken zijn in vergelijking met kopergebaseerde bitstreamproducten. Om kleinhandelsproductenconcurrentie te bevorderen, is het belangrijk dat zulke verschillende dienstkenmerken hun weerslag vinden in diverse gereglementeerde NGA-gebaseerde producten, met inbegrip van de dienstverlening op bedrijfsniveau. |
|
(35) |
Verschillende bitstreamproducten die downstream kunnen worden onderscheiden wat betreft bijvoorbeeld bandbreedte, betrouwbaarheid, kwaliteit van diensten of andere parameters, zouden via een bepaald NGA-netwerk kunnen worden geleverd. |
|
(36) |
Nieuwe toegangsoplossingen zullen zorgvuldig moeten worden gespecificeerd, bijvoorbeeld met betrekking tot technische protocols en interfaces, die de verbinding tussen optische netwerken of de werkingssfeer en kenmerken van nieuwe bitstreamoplossingen dienen. De NRI’s moeten onderling, met internationale normenorganismen en de belanghebbenden uit de industrie samenwerken om gemeenschappelijke technische normen in dit verband te ontwikkelen. |
|
(37) |
Waar de prijsregelgeving ex ante wordt toegepast, moeten de prijzen voor groothandelbitstreamtoegang worden berekend aan de hand van kostenoriëntering. De NRI’s kunnen gebruikmaken van andere adequate prijscontrolerende methoden, met inbegrip van retail-minus, wanneer voldoende concurrentiebeperkingen van toepassing zijn op het stroomafwaartse kleinhandelsegment van de SMP-exploitant. De NRI’s moeten verschillende prijzen voor verschillende bitstreamproducten vastleggen, zodanig dat dergelijke prijsverschillen door de onderliggende kosten van dienstverlening kunnen worden gerechtvaardigd, om zo alle exploitanten toe te laten om te profiteren van duurzame prijsdifferentiatie, zowel op het niveau van de groothandel als op het niveau van de kleinhandel. Het risico dat de SMP-exploitant loopt, moet nauwkeurig in acht worden genomen bij het bepalen van de toegangsprijs. |
|
(38) |
Effectieve fysieke toegangsoplossingen zouden, in bepaalde gebieden, de instelling van een groothandelsbreedbandtoegang onnodig kunnen maken voor het realiseren van effectieve concurrentie op de downstreammarkt. In het bijzonder waar de SMP-exploitant een FTTH-netwerk heeft uitgerold en de effectieve toegang tot de ontbundelde vezellijn beschikbaar is voor andere exploitanten (in het bijzonder in point-to-point-installaties), kan een NRI van mening zijn dat dergelijke toegang volstaat als garantie voor effectieve concurrentie op de downstreammarkt, vooral in dicht bevolkte gebieden. Het niet instellen van een groothandelsbreedbandtoegang in dergelijke omstandigheden kan resulteren in betere investeringsstimuli voor alle exploitanten en een aangepaste uitrol bevorderen. |
|
(39) |
Als reeds vaker is aangetoond dat de functionele scheiding of gelijkaardige regelingen geresulteerd hebben in een volledig gelijkwaardige toegang tot NGA-netwerken van andere exploitanten en de downstreamafdeling van de SMP-exploitant, en als er voldoende concurrentiebeperkingen voor de downstreamafdeling van de SMP-exploitant gelden, hebben de NRI’s meer flexibiliteit bij het ontwerpen van oplossingen voor groothandelsbreedbandtoegang. In het bijzonder de prijs van het bitstreamproduct kan aan de markt worden overgelaten. Zorgvuldig toezicht evenals uitvoering van een adequate margin-squeezetest zoals hierboven beschreven, zou echter essentieel zijn om resultaten te vermijden die de concurrentie verhinderen. |
|
(40) |
Exploitanten die momenteel toegang genieten, hebben een rechtmatig belang om voldoende tijd te krijgen om zich op wijzigingen voor te bereiden die hun investeringen en hun zakelijke activiteiten aanzienlijk beïnvloeden. Bij gebrek aan een commerciële overeenkomst moeten de NRI’s ervoor zorgen dat er een geschikt migratiepad wordt ingevoerd. Dergelijk migratiepad moet transparant zijn en het nodige detailniveau bieden, zodat exploitanten die momenteel toegang genieten zich kunnen voorbereiden op de wijzigingen, inclusief de regels voor elk noodzakelijk gezamenlijk werk door toegangszoekers en de SMP-exploitant, evenals voor de precieze modaliteiten voor het buiten bedrijf stellen van de interconnectiepunten. De bestaande SMP-verplichtingen moeten tijdens een adequate overgangsperiode worden gehandhaafd. Deze overgangsperiode moet worden afgestemd op de standaardinvesteringsperiode voor het ontbundelen van een aansluitnet of een lokaal subnet, wat in het algemeen 5 jaar bedraagt. Als de SMP-exploitant een gelijkwaardige actieve toegang tot de MDF verschaft, kan de NRI beslissen een kortere periode vast te leggen. |
|
(41) |
Indien de SMP-exploitant overweegt om een deel van zijn bestaande koperen toegangsnetwerk door vezel te vervangen en de momenteel gebruikte interconnectiepunten buiten bedrijf te stellen, dan moeten de NRI’s de relevante informatie van de SMP-exploitant ontvangen, en moet conform artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2002/19/EG worden gegarandeerd dat ondernemingen die toegang hebben tot het netwerk van de SMP-exploitant tijdig alle nodige informatie ontvangen om hun eigen netwerken en netwerkuitbreidingsplannen dienovereenkomstig aan te passen. De NRI’s moeten de vorm en het detailniveau van dergelijke informatie vastleggen, en zo garanderen dat dergelijke informatie alleen wordt gebruikt voor het beoogde doel, en dat de vertrouwelijkheid van de informatie tijdens het volledige proces is verzekerd, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
Doel en werkingssfeer
|
1. |
Het doel van deze aanbeveling bestaat erin de ontwikkeling van de eengemaakte markt te stimuleren door de rechtszekerheid te verbeteren en investeringen te promoten; ook moeten concurrentie en innovatie in de markt voor breedbanddiensten worden bevorderd, in het bijzonder in de omschakeling naar toegangsnetwerken van de nieuwe generatie (New Generation Access of NGA-netwerken). |
|
2. |
Deze aanbeveling beoogt een gemeenschappelijke aanpak voor de promotie van de consistente implementatie van oplossingen met betrekking tot de NGA’s op basis van een marktanalyseprocedure overeenkomstig Richtlijnen 2002/19/EG en 2002/21/EG. |
|
3. |
Waar de NRI’s met betrekking tot de marktanalyseprocedures conform artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG, het opleggen van regelgevende oplossingen overwegen, zouden ze efficiënte oplossingen moeten ontwikkelen in overeenstemming met de hierboven genoemde richtlijnen en de gemeenschappelijke aanpak die in deze aanbeveling is beschreven. Het regelgevingskader heeft de NRI’s een aantal oplossingen ter hand gesteld aan de hand waarvan zij adequate maatregelen kunnen ontwerpen om marktfalen aan te pakken en de vooropgestelde regelgevingsdoelstellingen in elke lidstaat te bereiken. De NRI’s moeten rekening houden met regelingen die door exploitanten zijn getroffen en die gericht zijn op risicospreiding met betrekking tot de uitrol van optische-vezelnetwerken om huizen of gebouwen aan te sluiten, en op het bevorderen van de concurrentie. |
Consistente aanpak
|
4. |
De NRI’s moeten hun bevoegdheden conform artikel 5 van Richtlijn 2002/21/EG gebruiken om ervoor te zorgen dat de SMP-exploitant alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitwerken van geschikte regelgevende oplossingen met betrekking tot de omschakeling naar NGA’s; dit is bijvoorbeeld informatie over geplande wijzigingen van de netwerktopologie of over beschikbaarheid van leidingen. |
|
5. |
Het overzicht van de markten 4 en 5 van Aanbeveling 2007/879/EG moet rekening houden met NGA-netwerken en moet door elke NRI op een gecoördineerde en geschikte manier worden uitgevoerd. De NRI’s moeten ervoor zorgen dat de oplossingen opgelegd in de markten 4 en 5 met elkaar verenigbaar zijn. |
|
6. |
Waar de relevante marktanalyses erop wijzen dat de marktvoorwaarden globaal constant blijven, moeten de NRI’s voor een consistente regelgevende aanpak zorgen met betrekking tot aangewezen herzieningsperiodes. Waar mogelijk, moeten de NRI’s in hun besluiten uitleggen, hoe zij van plan zijn om de oplossingen in de markten 4 en 5 aan te passen in toekomstige marktanalyses als reactie op waarschijnlijke veranderingen in marktomstandigheden. |
|
7. |
Bij toepassing van symmetrische maatregelen conform artikel 12 van Richtlijn 2002/21/EG die toegang verlenen tot de civieltechnische infrastructuur en het afsluitende segment van een onderneming, moeten de NRI’s uitvoeringsmaatregelen treffen conform artikel 5 van Richtlijn 2002/19/EG. |
|
8. |
Waar vezel wordt uitgerold in het toegangsnetwerk op greenfields, mogen de NRI’s van de SMP-exploitant geen bijkomende uitrol van een parallel kopernetwerk verlangen om zijn bestaande verplichtingen na te komen, met inbegrip van universeledienstverplichtingen; ze moeten ruimte laten voor de levering van bestaande geregelde producten of diensten door functioneel gelijkwaardige producten of diensten via vezel. |
Geografische variatie
|
9. |
De NRI’s moeten de verschillen onderzoeken in concurrentievoorwaarden in verschillende geografische gebieden om te bepalen of de omschrijving van subnationale geografische markten of de oplegging van gedifferentieerde oplossingen gerechtvaardigd zijn. Waar de verschillen in de concurrentievoorwaarden stabiel en substantieel zijn, moeten de NRI’s subnationale geografische markten definiëren in overeenstemming met Aanbeveling 2007/879/EG. In andere gevallen moeten de NRI’s erover waken dat de uitrol van NGA-netwerken en de verdere evolutie van concurrerende voorwaarden binnen een geografisch vastgelegde markt de oplegging van gedifferentieerde oplossingen waarborgen. |
|
10. |
Als in het verleden subnationale geografische markten of oplossingen werden vastgesteld in markt 5 die afhankelijk waren van toegangsproducten in markt 4, en die door de NGA-uitrol overtollig kunnen worden, dan moeten dergelijke segmentaties of oplossingen worden herzien. |
Definities
|
11. |
Voor de toepassing van deze aanbeveling gelden de volgende definities:
„Toegangsnetwerken van de nieuwe generatie” (NGA’s): bekabelde toegangsnetwerken die geheel of gedeeltelijk bestaan uit optische elementen die in staat zijn om breedbandtoegangsdiensten te leveren met verbeterde kenmerken (zoals hogere doorvoercapaciteit) in vergelijking met diensten die via reeds bestaande kopernetwerken worden geleverd. In de meeste gevallen zijn NGA’s het resultaat van een verbetering van een reeds bestaand koperen of coaxiaal toegangsnetwerk. „Civieltechnische infrastructuur”: fysieke aansluitnetfaciliteiten, uitgerold door een exploitant van elektronische communicatie voor het hosten van aansluitnetkabels zoals koperdraden, optischevezelkabels en coaxkabels. Het verwijst gewoonlijk, maar niet uitsluitend, naar ondergrondse of bovengrondse middelen zoals subleidingen, leidingen, mangaten en polen. „Leiding”: een ondergrondse pijp of doorvoer die wordt gebruikt om (vezel-, koper- of coax-) kabels van kern- of toegangsnetwerken in onder te brengen. „Mangaten”: gaten, gewoonlijk met een deksel, waarlangs een persoon een ondergrondse nutsruimte kan betreden waarin een toegangspunt is ondergebracht; langs deze weg kunnen kruisverbindingen worden gemaakt of onderhoudswerken uitgevoerd aan ondergrondse kabels voor elektronische communicatie. „Metropolitan Point of Presence” (MPoP): het verbindingspunt tussen de toegang en kernnetwerken van een NGA-exploitant. Het is gelijkwaardig aan de hoofdverdeler (MDF — Main Distribution Frame) in het geval van het kopertoegangsnetwerk. Alle verbindingen van de NGA-abonnees in een bepaald gebied (gewoonlijk een stad of een deel van een stad) worden gecentraliseerd in het MPoP op een optische verdeler (ODF - Optical Distribution Frame). Vanaf de optische verdeler worden NGA-lijnen op de kernnetwerkapparatuur van de NGA-exploitant of van andere exploitanten aangesloten, mogelijk via tussenliggende backhaulkoppelingen als de uitrusting niet in het MPoP is ondergebracht. „Distributiepunt”: een tussenliggende knoop in een NGA-netwerk van waaruit er één of meerdere vezelkabels vanuit het MPoP (het voedende segment) worden afgetakt en verdeeld voor aansluiting op de gebouwen van de eindgebruikers (het afsluitende of dalende segment). Een distributiepunt bedient over het algemeen meerdere gebouwen of huizen. Het kan ofwel beneden aan een gebouw (in het geval van flatgebouwen) of in de straat worden geplaatst. Een distributiepunt herbergt een verdeler dat de dalingskabels wederzijds ter beschikking stelt, en mogelijk niet-aangedreven uitrusting zoals optische splitters. „Afsluitend segment”: het segment van een NGA-toegangsnetwerk dat het gebouw van een eindgebruiker verbindt met het eerste distributiepunt. Het afsluitende segment omvat bijgevolg verticale binnenbedrading en eventueel horizontale bedrading tot aan een optische splitter die in de kelder van een gebouw of een nabijgelegen mangat is geplaatst. „FTTH” of het „fibre-to-the-home”: een toegangsnetwerk van optischevezellijnen zowel in de voedende module als de dalende segmenten van het toegangsnetwerk, dat wil zeggen als verbinding tussen het gebouw van een klant (het huis of de flat in een flatgebouw) en de MPoP door middel van optische vezel. Voor huidige doeleinden zal FTTH zowel naar „fibre-to-the-home” als naar „fibre-to-the-building” (FTTB) verwijzen. „Multiple fibre FTTH”: een manier van uitrollen van vezellijnen waarbij de investeerder meer lijnen uitrolt dan nodig voor zijn eigen doeleinden in zowel de voedende modules als in de dalende segmenten van het toegangsnetwerk, om zo toegang tot extra vezellijnen te verkopen aan andere exploitanten, in het bijzonder in de vorm van onvervreemdbare gebruiksrechten (IRU - Indefeasible Rights of Use). „Co-investering in FTTH”: een regeling tussen onafhankelijke leveranciers van elektronischecommunicatiediensten met de bedoeling om gezamenlijk FTTH-netwerken uit te rollen, in het bijzonder in minder dichtbevolkte gebieden. De co-investering omvat verschillende wettelijke regelingen, maar gewoonlijk zullen de mede-investeerders de netwerkinfrastructuur bouwen en de fysieke toegang tot die infrastructuur delen. |
Toegang tot fysieke groothandelsnetwerkinfrastructuur (markt 4)
|
12. |
Waar SMP op markt 4 wordt aangetroffen, moeten de NRI’s een gepaste reeks oplossingen opleggen, met name met inachtneming van de hieronder beschreven principes. |
Toegang tot civieltechnische infrastructuur van de SMP-exploitant
|
13. |
Waar er leidingcapaciteit vrij is, moeten de NRI’s toegang tot civieltechnische infrastructuur opleggen. De toegang moet volgens het principe van gelijkwaardigheid worden verleend zoals beschreven in bijlage II. |
|
14. |
De NRI’s moeten garanderen dat de toegang tot bestaande civieltechnische infrastructuur voorzien wordt tegen kostengeoriënteerde prijzen in overeenstemming met bijlage I. |
|
15. |
Indien om een referentieaanbod voor toegang tot de civieltechnische infrastructuur wordt verzocht, moeten de NRI’s zo spoedig mogelijk opdracht geven tot het voorleggen van een dergelijk aanbod. Het referentieaanbod moet uiterlijk zes maanden nadat een dergelijk verzoek is gedaan, beschikbaar zijn. |
|
16. |
De NRI’s moeten in overeenstemming met de vraag in de markt de SMP-exploitant stimuleren of, als dit conform nationale wetgeving juridisch mogelijk is, hem ertoe verplichten om bij de uitrol van civieltechnische infrastructuur voldoende capaciteit te voorzien zodat ook andere exploitanten deze faciliteiten kunnen gebruiken. |
|
17. |
De NRI’s moeten met andere autoriteiten samenwerken met als doel een database aan te maken met informatie over geografische plaats, beschikbare capaciteit en andere fysieke kenmerken van de volledige civieltechnische infrastructuur die kunnen worden gebruikt voor het uitrollen van optischevezelnetwerken in een bepaalde markt of een marktsegment. Dergelijke database moet toegankelijk zijn voor alle exploitanten. |
Toegang tot het afsluitende segment in het geval van FTTH
|
18. |
Waar een SMP-exploitant FTTH uitrolt, moeten de NRI’s, behalve de toegang tot civieltechnische infrastructuur, ook de toegang tot het afsluitende segment van het toegangsnetwerk van de SMP-exploitant opleggen, met inbegrip van de bekabeling in gebouwen. Hiertoe moeten de NRI’s de SMP-exploitant verplichten om gedetailleerde informatie te verstrekken over de architectuur van zijn toegangsnetwerk en moeten zij, na overleg met potentiële toegangszoekers over uitvoerbare toegangspunten, bepalen waar het distributiepunt van het afsluitende segment in het toegangsnetwerk moet komen met als doel de toegang te verplichten, overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Richtlijn 2002/19/EG. Bij een dergelijk besluit moeten de NRI’s in acht nemen dat elk distributiepunt een voldoende aantal eindgebruikersverbindingen moet hosten om commercieel haalbaar te zijn voor de toegangszoeker. |
|
19. |
De SMP-exploitant moet worden verplicht om toegang tot de distributiepunten te verschaffen overeenkomstig het principe van gelijkwaardigheid zoals beschreven in bijlage II. In geval van een verzoek om een referentieaanbod voor toegang tot het afsluitende segment moeten de NRI’s zo snel mogelijk opdracht geven tot voorlegging van het aanbod. Het referentieaanbod moet uiterlijk zes maanden nadat het verzoek is gedaan, beschikbaar zijn. |
|
20. |
De NRI’s moeten garanderen dat in toegang tot het afsluitende segment voorzien wordt tegen kostengeoriënteerde prijzen in overeenstemming met bijlage I. |
|
21. |
De NRI’s moeten in overeenstemming met de vraag in de markt de SMP-exploitant stimuleren of, als dit conform nationale wetgeving juridisch mogelijk is, hem ertoe verplichten om in meervoudige vezellijnen in het afsluitende segment te voorzien. |
Ontbundelde toegang tot de vezellijn in het geval van FTTH
|
22. |
In overeenstemming met de principes van Richtlijn 2002/19/EG (5), moeten de NRI’s bij FTTH-uitrol door de SMP-exploitant in principe ontbundelde toegang tot de vezellijn verplichten. Een uitzondering zou alleen kunnen worden gerechtvaardigd in geografische gebieden waar de aanwezigheid van diverse alternatieve infrastructuren, zoals FTTH-netwerken en/of kabel, in combinatie met concurrerende toegangsaanbiedingen, waarschijnlijk zal resulteren in effectieve concurrentie op het downstreamniveau. Het opleggen van ontbundelde toegang tot de vezellijn moet vergezeld gaan van aangepaste maatregelen die colocatie en backhaul garanderen. De toegang zou op het meest aangewezen punt in het netwerk moeten worden gegeven, wat normaal gesproken het MPoP is. |
|
23. |
De NRI’s moeten de ontbundelde toegang tot de vezellijn verplichten ongeacht de netwerkarchitectuur en technologie geïmplementeerd door de SMP-exploitant. |
|
24. |
Het bestaande referentieaanbod voor LLU moet zo spoedig mogelijk worden aangevuld om ontbundelde toegang tot de vezellijn te omvatten. Bijlage II bij Richtlijn 2002/19/EG bevat een minimumlijst van voorwaarden die deel moeten uitmaken van het referentieaanbod voor LLU, en die mutatis mutandis moeten gelden voor de ontbundelde toegang tot de vezellijn. Het referentieaanbod moet zo snel beschikbaar zijn en in elk geval niet later dan zes maanden nadat een NRI tot het verlenen van toegang heeft verplicht. |
|
25. |
De prijs voor toegang tot de ontbundelde vezellijn moet kostengeoriënteerd zijn. De NRI’s moeten absoluut rekening houden met het bijkomende en kwantificeerbare investeringsrisico van de SMP-exploitant bij het bepalen van de prijs voor toegang tot de ontbundelde vezellijn. In principe moet dit risico blijken in een premie inbegrepen in de kosten van kapitaal voor de relevante investering zoals beschreven in bijlage I. |
|
26. |
De NRI’s moeten ook de tarieven beoordelen die door de SMP-exploitant worden voorgesteld, om zo het investeringsrisico te spreiden. De NRI’s mogen alleen instemmen met dergelijke regelingen als zij tevreden zijn met het feit dat de SMP-exploitant alle relevante informatie met betrekking tot de investering verstrekt, en alleen als dergelijke regelingen geen discriminerend of uitsluitend effect heeft. De criteria voor het beoordelen van dergelijke regelingen worden beschreven in bijlage I. |
|
27. |
In dergelijke gevallen moeten de NRI’s ervoor zorgen dat er een voldoende marge blijft tussen de groothandels- en kleinhandelsprijzen om een effectieve concurrent toegang te verlenen tot de markt. De NRI’s moeten bijgevolg het prijszettingsgedrag van de SMP-exploitant verifiëren door gedurende een adequaat bemeten periode een correct gespecificeerde margin-squeezetest uit te voeren. De NRI’s moeten op voorhand de methodologie specificeren die zij zullen hanteren om de verrekeningstest op te sporen, de te gebruiken parameters voor de margin-squeezetest en de correctiemechanismen in het geval van een margin squeeze. |
|
28. |
Waar de concurrentievoorwaarden in het betrokken gebied door de gezamenlijke uitrol van FTTH-netwerken, gebaseerd op meervoudige vezellijnen van verscheidene mede-investeerders, aanzienlijk verschillend zijn, dat wil zeggen om bijvoorbeeld de definitie van een afzonderlijke geografische markt te verdedigen, moeten de NRI’s tijdens hun marktanalyse onderzoeken, of er — in het licht van het niveau van infrastructuurconcurrentie als gevolg van de mede-investering — een bevinding van SMP met betrekking tot die markt gewaarborgd is. In deze context moeten de NRI’s specifiek nagaan of elke mede-investeerder strikt gelijkwaardige en kostengeoriënteerde toegang tot de gezamenlijke infrastructuur heeft en of de mede-investeerders effectief concurreren op de downstreammarkt. Zij moeten ook onderzoeken of de mede-investeerders voldoende leidingcapaciteit voor derden installeren om kostengeoriënteerde toegang tot dergelijke capaciteit te gebruiken en te verlenen. |
Toegangsverplichtingen in het geval van FTTN
|
29. |
De NRI’s moeten een ontbundelde toegang tot het kopersubnet opleggen. Een oplossing waarbij het kopersubnet wordt ontbundeld, moet worden aangevuld met backhaulmaatregelen, zo nodig inclusief vezel- en Ethernet-backhaul, en met bijkomende oplossingen die de doeltreffendheid en uitvoerbaarheid hiervan garanderen, zoals niet-discriminerende toegang tot faciliteiten voor colocatie, of bij gebrek hieraan, equivalente colocatie. Het referentieaanbod moet zo snel mogelijk worden ingevoerd en in elk geval niet later dan zes maanden nadat een NRI tot het verlenen van toegang heeft verplicht. |
|
30. |
Wanneer de NRI’s een ontbundeling van het kopersubnet opleggen, moet de SMP-exploitant worden verplicht het bestaande LLU-referentieaanbod met alle noodzakelijke items te complementeren. De prijs voor toegang tot alle items moet kostengeörienteerd zijn in overeenstemming met bijlage I. |
Groothandelsbreedbandtoegang (markt 5)
|
31. |
Waar SMP op markt 5 wordt aangetroffen, moeten oplossingen met betrekking tot groothandelsbreedbandtoegang worden gehandhaafd of gewijzigd voor de bestaande diensten en hun kettingsubstituten. De NRI’s moeten de groothandelsbreedbandtoegang via VDSL als een kettingsubstituut beschouwen voor de bestaande groothandelsbreedbandtoegang via zuivere koperlijnen. |
|
32. |
De NRI’s moeten de SMP-exploitant verplichten om nieuwe groothandelsbreedbandtoegangsproducten beschikbaar te maken, en dit ten minste zes maanden vóór de SMP-exploitant of zijn kleinhandelsdeelmarkten de eigen NGA-kleinhandelsdiensten aanbiedt, tenzij er andere effectieve mechanismen zijn voorzien om non-discriminatie te waarborgen. |
|
33. |
De NRI’s moeten de levering van verschillende groothandelsproducten opleggen die in termen van bandbreedte en kwaliteit het best de technologische mogelijkheden aantonen die inherent zijn aan de NGA-infrastructuur om alternatieve exploitanten in staat te stellen effectief te concurreren, inclusief voor dienstverlening op bedrijfsniveau. |
|
34. |
De NRI’s moeten met elkaar samenwerken om aangepaste technische specificaties te definiëren voor de groothandelsbreedbandproducten die via NGA’s worden geleverd, en informatie verstrekken aan internationale normeninstellingen om de ontwikkeling van relevante industrienormen te vergemakkelijken. |
|
35. |
De NRI’s moeten in principe kostenoriëntatie opleggen voor verplichte groothandelsbreedbandtoegangsproducten in overeenstemming met bijlage I, rekening houdend met verschillen in bandbreedte en kwaliteit van de diverse groothandelsaanbiedingen. |
|
36. |
De NRI’s moeten analyseren of een verplichting van kostenoriëntatie op verplicht gestelde groothandelsbreedbandtoegang noodzakelijk is om de effectieve concurrentie te realiseren voor het geval dat de functionele scheiding of andere vormen van scheiding effectief zijn gebleken om een gelijkwaardige toegang te waarborgen. Bij gebrek aan kostenoriëntatie moeten NRI’s het prijszettingsgedrag van de SMP-exploitant controleren door een correct gespecificeerde margin-squeezetest uit te voeren. |
|
37. |
Als NRI’s van mening zijn dat er, in een bepaald geografisch gebied, een effectieve toegang is tot de ontbundelde vezellijn van het netwerk van de SMP-exploitant, en dat dergelijke toegang waarschijnlijk zal resulteren in effectieve concurrentie op het downstreamniveau, dan moeten de NRI’s overwegen om de verplichting tot groothandelsbitstreamtoegang in het bewuste gebied op te heffen. |
|
38. |
Bij de controle of SMP aanwezig is, moeten de NRI’s, in het geval van mede-investering, de principes beschreven in paragraaf 28 als leidraad nemen. |
Migratie
|
39. |
Bestaande SMP-verplichtingen met betrekking tot markten 4 en 5 moeten gehandhaafd blijven en mogen niet ongedaan worden gemaakt door veranderingen in de bestaande netwerkarchitectuur en de technologie, tenzij een akkoord wordt bereikt over een geschikte migratieweg tussen de SMP-exploitant en exploitanten die momenteel toegang hebben tot het netwerk van de SMP-exploitant. Bij gebrek aan een dergelijke overeenkomst moeten de NRI’s ervoor zorgen dat de alternatieve exploitanten ten laatste vijf jaar vóór een buitenbedrijfstelling van interconnectiepunten, zoals de aansluitnetuitwisseling, worden geïnformeerd, waarbij qua termijn in voorkomend geval rekening kan worden gehouden met de nationale omstandigheden. Deze periode kan minder dan vijf jaar bedragen, als er volledig gelijkwaardige actieve toegang tot het punt van interconnectie wordt verleend. |
|
40. |
De NRI’s moeten een transparant kader invoeren voor de migratie van koper- naar vezelgebaseerde netwerken. De NRI’s moeten garanderen dat de systemen en procedures die door de SMP-exploitant worden ingevoerd, inclusief hulpbesturingssystemen, zo ontworpen worden dat het schakelen van alternatieve leveranciers naar NGA-gebaseerde toegangsproducten wordt vergemakkelijkt. |
|
41. |
De NRI’s moeten hun bevoegdheden conform artikel 5 van Richtlijn 2002/21/EG gebruiken om informatie bij de SMP-exploitant te verkrijgen betreffende alle plannen aangaande netwerkwijzigingen waarvan kan worden aangenomen dat ze de concurrentievoorwaarden in een bepaalde markt of een deelmarkt zullen beïnvloeden. Indien de SMP-exploitant overweegt om een deel van zijn bestaande koperen toegangsnetwerk door vezel te vervangen en de huidige gebruikte interconnectiepunten buiten bedrijf te stellen, dan moeten de NRI’s conform artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2002/19/EG garanderen dat ondernemingen die toegang hebben tot het netwerk van de SMP-exploitant tijdig alle nodige informatie ontvangen om hun eigen netwerken en netwerkuitbreidingsplannen dienovereenkomstig aan te passen. De NRI’s moeten de vorm en het detailniveau van dergelijke informatie bepalen, en garanderen dat strikte vertrouwelijkheid van de onthulde informatie wordt geëerbiedigd. |
|
42. |
Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten. |
Gedaan te Brussel, 20 september 2010.
Voor de Commissie
Neelie KROES
Vicevoorzitster
(1) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.
(2) PB L 344 van 28.12.2007, blz. 65.
(3) Zie ook overweging 60 van Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 337 van 18.12.2009, blz. 37).
(4) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.
(5) Zie met name overweging 19.
BIJLAGE I
Beginselen inzake prijsbepaling en risico
1. ALGEMENE BEGINSELEN INZAKE PRIJSBEPALING VAN NGA-TOEGANG
Conform artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2002/21/EG moeten de NRI’s de concurrentie inzake levering van onder meer elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten en bijbehorende faciliteiten en diensten bevorderen door effectieve investering in de infrastructuur aan te moedigen. Bij het bepalen van de kostenbasis die voor kostengeoriënteerde verplichtingen wordt gehanteerd, conform artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2002/19/EG, moeten de NRI’s overwegen of de verdubbeling van de relevante NGA-toegangsinfrastructuur economisch uitvoerbaar en efficiënt is. Waar dit niet het geval is, moet het hoofddoel erin bestaan een eerlijk speelveld te creëren tussen de downstreamafdeling van de SMP-exploitant en de alternatieve netwerkexploitanten. Een consistente aanpak in de regelgeving kan daarom betekenen dat de NRI’s verschillende kostenbasissen hanteren voor het berekenen van kostengeoriënteerde prijzen voor reproduceerbare en niet-reproduceerbare activa, of dat ze, in dit laatste geval, ten minste de parameters aanpassen die hun kostenmethodologieën ondersteunen.
In gevallen waarbij de investering in NGA’s voor haar winstgevendheid afhangt van onzekere factoren zoals veronderstellingen van aanzienlijk hogere ARPU’s (average revenues per user) of verhoogde marktaandelen, moeten de NRI’s evalueren of de kapitaalkosten de hogere investeringsrisico’s weergeven wat betreft investeringen in de huidige kopergebaseerde netwerken. Extra mechanismen die dienen om het investeringsrisico tussen investeerders en toegangszoekers te verdelen en de marktpenetratie te bevorderen, kunnen ook worden aangewend, zoals tarifering voor langetermijntoegang of volumekortingen. Dergelijke tariferingsmechanismen moeten door de NRI worden herzien in overeenstemming met de criteria in secties 7 en 8 hieronder.
Om kostengeoriënteerde verplichtingen op te leggen, moeten de NRI’s een gescheiden boekhouding voeren conform artikel 11 van Richtlijn 2002/19/EG. Er moeten gescheiden rekeningen worden aangemaakt voor de NGA-infrastructuur en/of de dienstelementen tot welke toegang is opgelegd, en dit op zulke wijze dat de NRI i) de kosten van alle relevante activa voor het bepalen van de toegangsprijzen (inclusief waardevermindering en veranderingen in waardering) kan identificeren en ii) effectief kan nagaan of de SMP-exploitant dezelfde toegangsvoorwaarden en -prijzen hanteert voor andere marktdeelnemers als voor de eigen downstreamafdeling. Bij een dergelijke controle moeten margin-squeezetests worden doorgevoerd. De kosten moeten op basis van objectieve criteria worden verdeeld onder de diverse groot- en kleinhandelsproducten die zich op dergelijke gegevens baseren, om zo een dubbele telling te vermijden.
De NRI’s moeten de stijgende kosten schatten die nodig zijn om toegang te verlenen tot de betrokken faciliteiten. Dergelijke kosten betreffen het bestellen en verstrekken van toegang tot civieltechnische infrastructuur of vezel; de bedrijfs- en onderhoudskosten voor IT-systemen; en de bedrijfskosten met betrekking tot groothandelsproductmanagement. Deze kosten moeten op een evenredige basis worden verdeeld over alle ondernemingen die toegang hebben, met inbegrip van de downstreamafdeling van de SMP-exploitant.
2. PRIJSBEPALING VOOR DE TOEGANG TOT CIVIELTECHNISCHE INFRASTRUCTUUR
De toegang tot bestaande civieltechnische infrastructuur van de SMP-exploitant op markt 4 moet worden verplicht aan kostengeoriënteerde prijzen. De NRI’s moeten de toegangsprijzen tot civieltechnische infrastructuur consistent reguleren met de methodologie die gebruikt wordt voor het bepalen van de prijs voor toegang tot het ongebundelde koperen aansluitnet. De NRI’s moeten ervoor zorgen dat de toegangsprijzen de kosten weergeven die effectief door de SMP-exploitant worden gedragen. De NRI’s moeten in het bijzonder rekening houden met de effectieve levensduur van de relevante infrastructuur en de eventuele uitrolvoordelen van de SMP-exploitant. De toegangsprijzen moeten de juiste waarde van de bewuste infrastructuur vatten, met inbegrip van de waardevermindering ervan.
Bij het bepalen van de prijs voor toegang tot de civieltechnische infrastructuur mogen de NRI’s wat betreft het risicoprofiel geen onderscheid maken met dit van koperdraadinfrastructuur, behalve als de SMP-exploitant specifieke civieltechnische kosten moest maken — bovenop de normale onderhoudskosten — om een NGA-netwerk uit te rollen.
3. PRIJSBEPALING VAN TOEGANG TOT HET AFSLUITENDE SEGMENT IN HET GEVAL VAN FTTH
De NRI’s moeten de prijzen voor toegang tot het distributiepunt consistent reguleren met de methodologie die gebruikt wordt voor het bepalen van de prijs voor toegang tot het ongebundelde koperen aansluitnet. De NRI’s moeten ervoor zorgen dat de toegangsprijzen de kosten weergeven die effectief door de SMP-exploitant worden gedragen, eventueel inclusief een hogere risicopremie om een bijkomend en kwantificeerbaar risico van de SMP-exploitant weer te geven.
4. PRIJSBEPALING VAN TOEGANG TOT HET VEZELNETWERK OP HET MPoP IN HET GEVAL VAN FTTH (ONTBUNDELDE VEZELLIJN)
Bij het bepalen van de prijzen voor toegang tot de ontbundelde vezellijn moeten de NRI’s een hogere risicopremie opnemen om een bijkomend en kwantificeerbaar risico van de SMP-exploitant weer te geven. De risicopremie moet worden geschat in overeenstemming met de methodologie beschreven in sectie 6 hieronder. Bijkomende prijsflexibiliteit kan worden toegestaan overeenkomstig secties 7 en 8 hieronder.
Volgens het principe van non-discriminatie moet de prijs die aan de downstreamafdeling van de SMP-exploitant wordt aangerekend identiek zijn aan de prijs voor derden.
5. PRIJSBEPALING VOOR TOEGANG TOT HET KOPERSUBNET IN HET GEVAL VAN FTTN
De NRI’s moeten een kostengebaseerde toegang opleggen tot alle items die nodig zijn om ontbundeling van het subnet mogelijk te maken, inclusief backhaulmaatregelen en bijkomende oplossingen, zoals niet-discriminerende toegang tot faciliteiten voor colocatie, of bij gebrek hieraan, equivalente colocatie.
De prijzen voor een gereguleerde toegang mogen niet hoger zijn dan de kosten die door een effectieve exploitant worden gedragen. Hiertoe kunnen NRI’s overwegen om deze kosten te evalueren aan de hand van bottom-up modelling of benchmarks, indien beschikbaar.
Bij het bepalen van de prijs voor toegang tot het kopersubnet mogen de NRI’s wat betreft het risicoprofiel geen onderscheid maken met dit van de bestaande koperdraadinfrastructuur.
6. CRITERIA VOOR HET BEPALEN VAN DE RISICOPREMIE
Het aangaan van investeringsrisico’s moet wordt beloond aan de hand van een risicopremie die in de kapitaalkosten is geïntegreerd. Het rendement op kapitaal dat investeringen ex ante in NGA-netwerken mogelijk maakte, moet het saldo trekken tussen enerzijds het creëren van doeltreffende investeringsstimuli voor ondernemingen (met een voldoende hoog rendement) en anderzijds het bevorderen van allocatie, duurzame concurrentie en maximale voordelen voor de consument (met een rendement dat niet excessief is). Hiertoe moeten de NRI’s, indien gerechtvaardigd, tijdens de terugbetalingsperiode van de investering een supplement opnemen dat het investeringsrisico weergeeft in de WACC-berekening die momenteel wordt uitgevoerd voor het bepalen van de prijs voor toegang tot de ontbundelde koperlijn. Het kalibreren van opbrengststromen voor het berekenen van de WACC moet rekening houden met alle bedragen van geïnvesteerd kapitaal, inclusief respectieve loonkosten, bouwkosten, voorziene doelmatigheidswinst en de eindactivawaarde, overeenkomstig overweging 20 van Richtlijn 2002/19/EG.
De NRI’s moeten het investeringsrisico schatten, onder andere door rekening te houden met volgende factoren van onzekerheid: i) onzekerheid met betrekking tot de vraag van de klein- en groothandel; ii) onzekerheid met betrekking tot de uitrolkosten, de civieltechnische werkzaamheden en bestuursuitvoering; iii) onzekerheid met betrekking tot de technologische vooruitgang; iv) onzekerheid over de marktdynamica en de evoluerende concurrentie, zoals de graad van infrastructuurgebaseerde concurrentie en/of concurrentie van de kabel; en v) macro-economische onzekerheid. Deze factoren kunnen op termijn veranderen, in het bijzonder door de progressief verhoogde tegemoetkoming aan de klein- en groothandelvraag. De NRI’s moeten daarom de situatie op regelmatige tijdstippen herzien en de risicopremie op termijn aanpassen, omwille van de bovengenoemde factoren.
Criteria zoals de aanwezigheid van schaalvoordelen (vooral als de investering alleen in stedelijke gebieden gebeurt), hoge aandelen in de kleinhandelsmarkt, controle van essentiële infrastructuren, OPEX-besparingen, opbrengst van de verkoop van onroerende goederen evenals bevoorrechte toegang tot aandelen- en schuldmarkten zullen het risico van NGA-investeringen door de SMP-exploitant waarschijnlijk verminderen. Deze aspecten moeten ook regelmatig opnieuw worden geëvalueerd door de NRI’s bij het herzien van de risicopremie.
De bovengenoemde overwegingen gelden in het bijzonder voor investeringen in FTTH. Anderzijds, de investeringen in FTTN, dat een gedeeltelijke verbetering van een bestaand toegangsnetwerk (zoals bijvoorbeeld VDSL) is, hebben normaal gesproken een beduidend lager risicoprofiel dan investeringen in FTTH, ten minste in dichtbevolkte gebieden. Er is in het bijzonder minder onzekerheid over de vraag naar bandbreedte die via FTTN/VDSL moet worden geleverd, en de totale kapitaalsvereisten zijn lager. Daarom, waar bij gereguleerde prijzen voor FTTN/VDSL-gebaseerde WBA rekening moet worden gehouden met de verbonden investeringsrisico’s, hoeft een dergelijk risico niet te worden verondersteld van een gelijkaardige omvang te zijn als het risico dat met FTTH-gebaseerde groothandelstoegangsproducten gepaard gaat. Bij het bepalen van de risicopremies voor FTTN/VDSL-gebaseerde WBA moeten de NRI’s deze factoren de nodige aandacht geven, en mogen ze de tarieven beschreven in secties 7 en 8 niet automatisch goedkeuren. De NRI’s moeten publiekelijk beraadslagen over hun methodologie om de risicopremie te bepalen.
7. CRITERIA OM TARIEVEN VOOR LANGETERMIJNTOEGANG TE BEPALEN IN GEVAL VAN FTTH
Toegangsprijzen die aangepast zijn omwille van het risico door de langetermijntoegang kunnen variëren als een functie van de tijd waarin toegangsverbintenissen worden aangegaan. De contracten voor langetermijntoegang zouden zich op een lager prijsniveau per toegangslijn situeren dan de contracten voor kortetermijntoegang. De prijzen voor langetermijntoegang mogen alleen de verlaging van het risico voor de investeerder weergeven, en kunnen daarom niet lager zijn dan de kostengeoriënteerde prijs, waar geen hogere risicopremie wordt bijgerekend die het systematische risico van de investering weergeeft. In geval van langetermijncontracten zouden nieuwe deelnemers volledige controle van fysieke activa verwerven, wat hen ook de mogelijkheid biedt om aan de secundaire handel deel te nemen. Kortetermijncontracten zouden beschikbaar zijn zonder langetermijnverplichtingen, en bijgevolg een hogere prijs per toegangslijn hebben, waarbij de toegangsprijzen de potentiële waarde weergeven die aan de flexibiliteit van dergelijke vorm van toegang is gekoppeld; dit komt ten goede aan de toegangszoeker.
De tarifering voor langetermijntoegang kan op termijn echter worden misbruikt door de SMP-exploitant om zo zijn kleinhandelsdiensten te verkopen aan prijzen die lager liggen dan de prijzen voor zijn gereguleerde groothandelsdiensten (hij zou zo immers zijn eigen kleinhandelafdeling lage prijzen door langetermijnverbintenissen aanrekenen), en bijgevolg het mechanisme van de markt buitensluiten. Voorts worden de alternatieve leveranciers met kleinere klantenbasissen en onduidelijke bedrijfsperspectieven geconfronteerd met hogere risiconiveaus. Ze zouden mogelijk niet in staat zijn om langetermijnproducten aan te kopen. Ze zouden bijgevolg hun investering moeten spreiden en gereguleerde toegang op een later tijdstip moeten aankopen.
Daarom kan een tarifering voor langetermijntoegang pas worden aanvaard als de NRI’s ervoor zorgen dat de volgende voorwaarden zijn vervuld:
|
a) |
prijzen voor langetermijnverbintenissen geven alleen de verlaging van risico voor de investeerder weer, en |
|
b) |
de marge tussen de groot- en kleinhandelsprijzen is gedurende een adequaat bemeten periode voldoende groot om een effectieve concurrent in de downstreammarkt toe te laten tot de markt. |
8. CRITERIA OM VOLUMEKORTINGEN TE BEPALEN IN GEVAL VAN FTTH
Toegangsprijzen die aangepast zijn omwille van het risico door de volumekortingen tonen aan dat het investeringsrisico afneemt met het totale aantal vezellijnen dat reeds is verkocht in een bepaald gebied. Het risico van de investering hangt nauw samen met het aantal vezellijnen dat ongebruikt blijft. Hoe hoger het aandeel gebruikte vezellijnen, hoe lager het risico. De toegangsprijzen kunnen daarom variëren overeenkomstig het gekochte volume. Een uniforme korting mag alleen worden goedgekeurd als deze, aan een uniforme prijs per lijn, beschikbaar is voor alle in aanmerking komende exploitanten. De NRI’s moeten het volume van lijnen bepalen dat moet worden gekocht om recht te hebben op een dergelijke volumekorting, rekening houdend met de geschatte minimale exploitatieschaal die een toegangszoeker nodig heeft om efficiënt op de markt te concurreren, en rekening houdend met de noodzaak een marktstructuur te handhaven waarin voldoende in aanmerking komende marktdeelnemers aanwezig zijn om efficiënte concurrentie te verzekeren. De volumekorting mag alleen de verlaging van het risico voor de investeerder weergeven, en kan daarom niet resulteren in toegangsprijzen die lager zijn dan de kostengeoriënteerde prijs, waar geen hogere risicopremie wordt bijgerekend die het systematische risico van de investering weergeeft. Gezien de risicopremie normaal zou moeten afnemen na de algemeen verhoogde tegemoetkoming aan de klein- en groothandelsvraag, zou de volumekorting eveneens in dezelfde mate moeten afnemen, en is ze niet langer gerechtvaardigd zodra de klein- en de groothandelsvraag in hoge mate zijn vervuld.
De volumekorting mag alleen worden aanvaard door de NRI’s op voorwaarde dat volgende voorwaarden zijn vervuld:
|
a) |
de volumekorting wordt berekend per gebied dat de NRI, met inachtneming van de nationale omstandigheden en de netwerkarchitectuur, als adequaat heeft afgebakend, en geldt in gelijke mate voor alle toegangszoekers die, in het betreffende gebied, bereid zijn om ten minste het aantal lijnen te kopen dat recht geeft op de korting, en |
|
b) |
de volumekorting geeft alleen de verlaging van het risico voor de investeerder weer, en |
|
c) |
de marge tussen de groot- en kleinhandelsprijzen is gedurende een adequaat bemeten periode voldoende groot om een effectieve concurrent toe te laten tot de markt. |
BIJLAGE II
Toepassing van het principe van gelijkwaardigheid voor de toegang tot de civieltechnische infrastructuur van de SMP-exploitant voor het ontwikkelen van NGA-netwerken
1. PRINCIPE VAN GELIJKWAARDIGHEID
De toegang tot civieltechnische infrastructuur van de SMP-exploitant kan een belangrijke input betekenen voor de uitrol van NGA-netwerken. Om gelijke voorwaarden te creëren voor alle nieuwe deelnemers en de SMP-exploitant, is het belangrijk dat een dergelijke toegang op een strikt gelijkwaardige basis wordt verleend. De NRI’s moeten de SMP-exploitant verplichten om toegang te verlenen tot zijn civieltechnische infrastructuur, onder dezelfde voorwaarden voor interne toegangszoekers en voor derden. Voornamelijk de SMP-exploitant moet alle noodzakelijke informatie met betrekking tot de infrastructuurkenmerken delen, en dezelfde procedures gelden voor het bestellen en verlenen van de toegang. De referentieaanbiedingen en de dienstenniveau-overeenkomsten spelen een belangrijke rol in het garanderen van een correcte toepassing van het gelijkwaardigheidsprincipe. Omgekeerd is het belangrijk dat de asymmetrische gegevens waarover de SMP-exploitant beschikt met betrekking tot de uitbreidingsplannen van externe toegangszoekers, niet worden gebruikt door de SMP-exploitant om een onbehoorlijk commercieel voordeel te verwerven.
2. INFORMATIE OVER DE CIVIELTECHNISCHE INFRASTRUCTUUR EN DE DISTRIBUTIEPUNTEN
De SMP-exploitant moet aan externe toegangszoekers dezelfde informatie over zijn civieltechnische infrastructuur en distributiepunten verstrekken als aan zijn interne afdelingen. Deze informatie moet de organisatie van de civieltechnische infrastructuur bevatten evenals de technische kenmerken van de verschillende elementen waaruit de infrastructuur bestaat. Indien beschikbaar, moet de geografische locatie van deze elementen, met inbegrip van leidingen, masten en andere fysieke activa (bijvoorbeeld onderhoudsruimten) worden verstrekt, evenals de beschikbare ruimte in leidingen. De geografische locatie van distributiepunten en een lijst van aangesloten gebouwen moet ook worden voorzien.
De SMP-exploitant moet alle interventieregels en technische voorwaarden specificeren met betrekking tot de toegang en het gebruik van zijn civieltechnische infrastructuur en distributiepunten, en van de verschillende elementen waaruit de infrastructuur is opgebouwd. Voor derden moeten dezelfde regels en voorwaarden gelden als voor interne toegangszoekers.
De SMP-exploitant moet de hulpmiddelen voorzien om een juiste toegang tot informatie te garanderen, bijvoorbeeld gemakkelijk toegankelijke mappen, databanken of webportalen. De informatie moet regelmatig worden bijgewerkt, om zo rekening te houden met de evolutie en ontwikkeling van de infrastructuur en met de bijkomend vergaarde informatie, in het bijzonder over de vezeluitrolprojecten door de SMP-exploitant of andere toegangszoekers.
3. BESTELLEN EN VERSTREKKEN VAN DE TOEGANG
De SMP-exploitant moet de procedures en middelen implementeren die nodig zijn om een effectieve toegang tot en het gebruik van zijn civieltechnische infrastructuur en distributiepunten, evenals van de verschillende elementen waaruit de infrastructuur is opgebouwd, te garanderen. In het bijzonder moet de SMP-exploitant end-to-end-bestellingen, lever- en foutenbeheersystemen verstrekken aan externe toegangszoekers, en zorgen dat deze gelijkwaardig zijn aan deze die worden verstrekt aan interne toegangszoekers. Hierin moeten maatregelen vervat zijn die de obstructies in de momenteel gebruikte leidingen moeten verhelpen.
Verzoeken om informatie, toegang en gebruik van de civieltechnische infrastructuur, de distributiepunten en de verschillende elementen van de infrastructuur door externe toegangszoekers moeten binnen dezelfde tijdslimieten worden behandeld als gelijkwaardige verzoeken van interne toegangszoekers. Ook moet dezelfde graad van transparantie bij het verwerken van de verzoeken aan de dag worden gelegd, en moeten de negatieve antwoorden objectief worden gerechtvaardigd.
De informatiesystemen van de SMP-exploitant moeten logboeken bijhouden van de behandeling van verzoeken, die beschikbaar moeten worden gemaakt voor de NRI.
4. INDICATOREN VOOR DIENSTVERLENINGSNIVEAUS
Om ervoor te zorgen dat de toegang tot en het gebruik van de civieltechnische infrastructuur van de SMP-exploitant op een gelijkwaardige basis worden verleend, moeten de indicatoren voor dienstverleningsniveaus worden gedefinieerd en berekend, zowel voor interne toegangszoekers als voor derden. De indicatoren voor dienstverleningsniveaus moeten de ontvankelijkheid van de SMP-exploitant meten om de acties te ondernemen die noodzakelijk zijn om toegang te verlenen tot de civieltechnische infrastructuur. De beoogde dienstverleningsniveaus moeten met de toegangszoekers worden overeengekomen.
Indicatoren voor dienstverleningsniveaus moeten tijdslimieten omvatten voor het beantwoorden van verzoeken om informatie over de beschikbaarheid van elementen van de infrastructuur, met inbegrip van leidingen, masten, andere fysieke activa (bijvoorbeeld mangaten), of distributiepunten; tijdslimieten voor het beantwoorden van een vraag over de mogelijkheid om elementen van de infrastructuur te gebruiken; een ontvankelijkheidsmaatregel om verzoeken te behandelen voor toegang tot en gebruik van elementen van de infrastructuur; een ontvankelijkheidsmaatregel voor storingverhelpingsprocessen.
De berekening van de indicatoren voor dienstverleningsniveaus moet regelmatig en op vaste tijdstippen gebeuren en ter beschikking worden gesteld van externe toegangszoekers. De NRI moet nagaan of de niveaus van dienstverlening verstrekt aan externe toegangszoekers gelijkwaardig zijn aan deze die door de SMP-exploitant intern worden geleverd. De SMP-exploitant moet adequate compensatie voorzien in het geval dat de geleverde niveaus niet in overeenstemming zijn met de beoogde dienstverleningsniveaus die met externe toegangszoekers zijn overeengekomen.
5. REFERENTIEAANBOD
De verschillende punten die vereist zijn om een gelijkwaardige toegang tot de civieltechnische infrastructuur van de SMP-exploitant te verstrekken, moeten in een referentieaanbod worden gepubliceerd, indien een toegangszoeker om een dergelijk aanbod heeft verzocht. Het referentieaanbod moet minimaal de relevante procedures en hulpmiddelen bevatten om informatie over civieltechnische activa te verzamelen; de toegang tot en gebruiksvoorwaarden voor de verschillende elementen beschrijven die de civieltechnische infrastructuur vormen; de procedures en hulpmiddelen beschrijven voor het bestellen en leveren van de toegang en het beheren van storingen; en de beoogde dienstverleningsniveaus en de schade door inbreuken op de dienstniveaus herstellen. Het verstrekken van interne toegang moet op dezelfde voorwaarden gebaseerd zijn als diegene die vervat zijn in het referentieaanbod dat aan externe toegangszoekers wordt verstrekt.
6. TOEZICHT DOOR DE NRI
De NRI’s moeten ervoor zorgen dat het principe van gelijkwaardigheid effectief wordt toegepast. Hiervoor moeten zij garanderen dat, wanneer daarom wordt verzocht, een referentieaanbod voor de toegang tot civieltechnische infrastructuur op het gepaste moment aan externe toegangszoekers wordt voorgelegd. Behalve de dienstniveauverslagen moeten de NRI’s er ook voor zorgen dat de SMP-exploitanten alle elementen registreren die noodzakelijk zijn om de overeenstemming met de gelijkwaardigheid van toegangsvereiste na te gaan. Deze informatie moet de NRI’s in staat stellen om regelmatige controles door te voeren, waarbij wordt nagegaan of het vereiste informatieniveau door de SMP-exploitant aan externe toegangszoekers wordt verstrekt, en of de procedures voor het bestellen en leveren van de toegang correct worden toegepast.
Bovendien moeten de NRI’s ervoor zorgen dat er een fast-track ex-postprocedure is voorzien om geschillen te regelen.
7. SYMMETRIE VAN INFORMATIE
De gevestigde exploitant heeft voorafgaande kennis van de uitrolplannen van externe toegangszoekers. Om te verhinderen dat dergelijke informatie wordt gebruikt om een onbehoorlijk concurrentievoordeel te genereren, mag de SMP-exploitant die verantwoordelijk is voor de werking van de civieltechnische infrastructuur dergelijke informatie niet delen met zijn downstreamkleinhandelafdeling.
De NRI’s moeten minimaal garanderen dat de personen die betrokken zijn bij de activiteiten van de kleinhandelafdeling van de SMP-exploitant, niet mogen participeren in de bedrijfsstructuren van de SMP-exploitant die, direct of indirect, verantwoordelijk zijn voor het beheren van de toegang tot de civieltechnische infrastructuur.