ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.250.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 250

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
24 september 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 837/2010 van de Commissie van 23 september 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1418/2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen naar bepaalde niet-OESO-landen ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 838/2010 van de Commissie van 23 september 2010 betreffende de vaststelling van richtsnoeren met betrekking tot het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissienetbeheerders en een gemeenschappelijke regelgevingsaanpak voor de transmissietarifering ( 1 )

5

 

 

Verordening (EU) nr. 839/2010 van de Commissie van 23 september 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

12

 

 

Verordening (EU) nr. 840/2010 van de Commissie van 23 september 2010 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees

14

 

 

Verordening (EU) nr. 841/2010 van de Commissie van 23 september 2010 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee

18

 

 

Verordening (EU) nr. 842/2010 van de Commissie van 23 september 2010 tot vaststelling van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95

20

 

 

Verordening (EU) nr. 843/2010 van de Commissie van 23 september 2010 tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de 7e bijzondere inschrijving in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 447/2010 geopende openbare inschrijving

22

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/569/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 23 juni 2010 betreffende de door Frankrijk toegekende fiscale steun aan het Fonds ter voorkoming van risico’s voor de visserijsector en aan visserijondernemingen (Staatssteun C 24/08, (ex NN 38/07)) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 3938)  ( 1 )

23

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

24.9.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/1


VERORDENING (EU) Nr. 837/2010 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2010

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1418/2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen naar bepaalde niet-OESO-landen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (1), en met name artikel 37, lid 2, derde alinea,

Na overleg met de betrokken landen,

Overwegende hetgeen volgt:

De Commissie heeft van Liberia antwoord ontvangen op haar schriftelijke verzoeken om schriftelijke bevestiging dat bepaalde afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 en waarvan de uitvoer krachtens artikel 36 van die verordening niet verboden is, met het oog op terugwinning uit de Europese Unie naar dat land mogen worden uitgevoerd, en om opgave van de controleprocedure die in dat geval eventueel van toepassing is. De Commissie heeft ook nadere informatie betreffende Andorra, China, India en Kroatië ontvangen. De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie (2) moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1418/2007 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de veertiende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1.

(2)  PB L 316 van 4.12.2007, blz. 6.


BIJLAGE

1.

De vermelding voor Andorra wordt vervangen door:

Andorra

a)

b)

c)

d)

 

alle afvalstoffen, opgenomen in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1013/2006”

 

 

2.

De vermelding voor China wordt vervangen door:

China

a)

b)

c)

d)

uit B1010:

edelmetalen (met uitzondering van goud en platina)

molybdeenschroot

kobaltschroot

mangaanschroot

indiumschroot

thoriumschroot

schroot van zeldzame aardmetalen

chroomschroot

 

 

uit B1010:

edelmetalen (goud en platina)

ijzer- en staalschroot

koperschroot

nikkelschroot

aluminiumschroot

zinkschroot

tinschroot

wolfraamschroot

tantaalschroot

magnesiumschroot

bismutschroot

titaanschroot

zirkoniumschroot

germaniumschroot

vanadiumschroot

schroot van hafnium, niobium, renium en gallium

B1020-B1040

 

 

 

 

 

 

B1050

B1060

 

 

 

 

 

 

B1070

B1080-B1100

 

 

 

 

 

 

B1115

uit B1120: alle andere afvalstoffen

 

 

uit B1120: overgangsmetalen, alleen indien zij > 10 % V2O5 bevatten, met uitzondering van oude katalysatoren (afgewerkte katalysatoren, als katalysator gebruikte vloeistoffen of andere katalysatoren) van lijst A

B1130-B1200

 

 

 

 

 

 

B1210

B1220

 

 

 

 

 

 

B1230

B1240

 

 

 

 

 

 

B1250

uit B2010: alle andere afvalstoffen

 

 

uit B2010: mica

B2020

 

 

 

uit B2030: alle andere afvalstoffen

 

 

uit B2030: alleen wolfraamcarbideschroot

B2040

 

 

 

B2060-B2130

 

 

 

Uit B3010: uitgehard harsafval of condensatieproducten, met inbegrip van de volgende stoffen:

ureumformaldehydeharsen

melamineformaldehydeharsen

epoxyharsen

alkydharsen

 

 

Uit B3010: alle andere afvalstoffen, mits thermoplastisch

 

 

 

B3020

uit B3030: alle andere afvalstoffen

 

 

uit B3030:

afval van wol of van fijn of grof dierlijk haar, met inbegrip van garen, met uitzondering van rafelingen

katoenafval (met inbegrip van garen en rafelingen)

afval (met inbegrip van kammelingen, garen en rafelingen) van kunstvezels

B3035

 

 

 

uit B3040: alle andere afvalstoffen

 

 

uit B3040: alleen ongevulkaniseerde rubber

 

 

 

B3050

B3060-B3070

 

 

 

uit B3080: alle andere afvalstoffen

 

 

uit B3080: alleen ongevulkaniseerde rubber

B3090-B4030

 

 

 

uit GB040: alle andere afvalstoffen

 

 

uit GB040: alleen van koper afkomstige convertorslak met > 10 % koper

 

 

 

GC010

uit GC020: alle andere afvalstoffen

 

 

uit GC020: alleen afvalkabel en -draad, schroot van elektromotoren

 

 

 

GC030

GC050-GG040

 

 

 

 

 

 

GH013

GN010-GN030”

 

 

 

3.

De vermelding voor Kroatië wordt vervangen door:

Kroatië

a)

b)

c)

d)

 

 

 

alle afvalstoffen, opgenomen in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1013/2006”

4.

De vermelding voor India wordt vervangen door:

India

a)

b)

c)

d)

 

 

 

alle afvalstoffen, opgenomen in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1013/2006”

5.

Na de vermelding voor Libanon wordt de volgende vermelding ingevoegd:

Liberia

a)

b)

c)

d)

 

 

 

B3020”


24.9.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/5


VERORDENING (EU) Nr. 838/2010 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2010

betreffende de vaststelling van richtsnoeren met betrekking tot het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissienetbeheerders en een gemeenschappelijke regelgevingsaanpak voor de transmissietarifering

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1228/2003 (1), en met name artikel 18, lid 5, eerste zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 774/2010 van de Commissie van 2 september 2010 betreffende de vaststelling van richtsnoeren met betrekking tot een vergoeding voor elektriciteitsstromen tussen transmissienetbeheerders en een gemeenschappelijke regelgevingsaanpak voor de transmissietarifering (2) stelt een mechanisme in voor de vergoeding van transmissiesysteembeheerders voor de kosten van op hun net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen en een gemeenschappelijke regelgevingsaanpak voor de transmissietarifering. Die verordening verstrijkt echter op 2 maart 2011.

(2)

Om de continuïteit van de tenuitvoerlegging van het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders te verzekeren, dienen nieuwe richtsnoeren als gepreciseerd in artikel 18, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 714/2009 te worden vastgesteld die het bij die verordening ingestelde institutionele kader reflecteren. Met name dient het bij Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (hierna het agentschap) verantwoordelijk te zijn voor het monitoren van de tenuitvoerlegging van het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders.

(3)

Door middel van bindende richtsnoeren waarbij een vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders wordt ingesteld, moet een stabiele grondslag worden gelegd voor het beheer van het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders en de eerlijke vergoeding van transmissiesysteembeheerders voor de kosten van op hun net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.

(4)

Transmissiesysteembeheerders uit derde landen of uit grondgebieden die met de Unie overeenkomsten hebben gesloten waarbij zij de wetgeving van de Unie op het gebied van elektriciteit hebben vastgesteld en toepassen, moeten het recht hebben op gelijke voet met transmissiesysteembeheerders uit de lidstaten aan het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders deel te nemen.

(5)

Transmissiesysteembeheerders in derde landen die met de Unie geen overeenkomsten hebben gesloten waarbij zij wetgeving van de Unie op het gebied van elektriciteit hebben vastgesteld en toepassen, moeten tot multilaterale overeenkomsten met de transmissiesysteembeheerders in de lidstaten worden toegelaten op grond waarvan alle partijen op eerlijke en billijke basis voor de kosten van op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen kunnen worden vergoed.

(6)

Transmissiesysteembeheerders moeten worden vergoed voor energieverliezen die voortvloeien uit het feit dat op hun net grensoverschrijdende elektriciteitsstromen optreden. Een dergelijke vergoeding moet steunen op een raming van de verliezen die zouden zijn geleden indien de doorvoerstromen niet zouden zijn opgetreden.

(7)

Er moet een fonds worden opgericht om transmissiesysteembeheerders te vergoeden voor de kosten van het beschikbaar stellen van infrastructuur voor op hun net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen. De waarde van dit fonds moet steunen op een Uniewijde beoordeling van de gemiddelde incrementele langetermijnkosten van het beschikbaar stellen van infrastructuur voor op hun net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.

(8)

De Uniewijde beoordeling van elektriciteitstransmissie-infrastructuur in verband met het faciliteren van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen dient te worden uitgevoerd door het agentschap als instantie die verantwoordelijk is voor het coördineren van de activiteiten van regulerende autoriteiten die een soortgelijke taak op nationaal niveau moeten uitvoeren.

(9)

Voor transmissiesysteembeheerders in derde landen moeten dezelfde kosten voor gebruik van het transmissiesysteem van de Unie gelden als voor transmissiesysteembeheerders in lidstaten.

(10)

De interne markt mag niet worden ondermijnd doordat voor producenten van elektriciteit verschillende tarieven gelden voor de toegang tot het transmissiesysteem. Om die reden moeten de gemiddelde tarieven voor toegang tot het netwerk in de lidstaten binnen een marge worden gehouden die mede waarborgt dat de voordelen van harmonisatie worden verwezenlijkt.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 46 van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Transmissiesysteembeheerders worden op basis van de in deel A van de bijlage vastgestelde richtsnoeren vergoed voor door op hun net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen veroorzaakte kosten.

Artikel 2

De door netwerkbeheerders toegepaste tarieven voor toegang tot het transmissiesysteem dienen in overeenstemming te zijn met de in deel B van de bijlage gegeven richtsnoeren.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 3 maart 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 1.

(2)  PB L 233 van 3.9.2010, blz. 1.

(3)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1.

(4)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55.


BIJLAGE

DEEL A

Richtsnoeren betreffende het vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders

1.   Algemene bepalingen

1.1.

Het mechanisme voor de vergoeding van elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders (ITC) voorziet in de vergoeding van de kosten van op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen, daaronder begrepen het verschaffen van grensoverschrijdende toegang tot het gekoppelde systeem.

1.2.

Het overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 714/2009 opgezette Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSO voor elektriciteit) richt een ITC-fonds op om transmissiesysteembeheerders te vergoeden voor de kosten van de op hun net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.

Het ITC-fonds verschaft vergoeding voor:

1)

de kosten van verliezen die op de nationale transmissiesystemen worden veroorzaakt door op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen,

en

2)

de kosten van het beschikbaar stellen van infrastructuur voor op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.

1.3.

Bijdragen in het ITC-fonds worden berekend overeenkomstig de punten 6 en 7.

Betalingen uit het ITC-fonds worden berekend overeenkomstig de punten 4 en 5.

Het ENTSO voor elektriciteit is verantwoordelijk voor het vaststellen van regelingen voor de inning en uitgave van alle betalingen betreffende het ITC-fonds en is tevens verantwoordelijk voor het bepalen van het tijdschema voor de betalingen. Alle bijdragen en betalingen gebeuren zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen zes maanden na het einde van de periode waarop zij van toepassing zijn.

1.4.

Het agentschap ziet toe op de tenuitvoerlegging van het ITC-mechanisme en brengt elk jaar aan de Commissie verslag uit over de tenuitvoerlegging van het ITC-mechanisme en het beheer van het ITC-fonds.

Het ENTSO voor elektriciteit werkt hierbij met de Commissie en met het agentschap samen en verstrekt aan het agentschap alle hiertoe noodzakelijke informatie.

Elke transmissiesysteembeheerder verstrekt aan het ENTSO voor elektriciteit en aan het agentschap alle voor de tenuitvoerlegging van het ITC-mechanisme noodzakelijke informatie.

1.5.

Totdat het ENTSO voor elektriciteit is opgericht, werken de transmissiesysteembeheerders samen bij de uitvoering van de aan het ENTSO voor elektriciteit met betrekking tot het ITC-mechanisme toebedeelde taken.

1.6.

De doorvoer van elektriciteit wordt, normaal op uurbasis, berekend aan de hand van de laagste absolute waarde van de elektriciteitsimport en de absolute waarde van de elektriciteitsexport op koppelingen tussen nationale transmissiesystemen.

Voor de berekening van de doorvoer van elektriciteit wordt de waarde van de import en de waarde van de export op elke koppeling tussen nationale transmissiesystemen verminderd in verhouding tot het capaciteitsaandeel dat wordt toegewezen op een wijze die niet verenigbaar is met punt 2 van de richtsnoeren betreffende congestiebeheer in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 714/2009.

Onverminderd de bepalingen van de tweede alinea van dit punt wordt de import en export van elektriciteit op koppelingen met derde landen waarop de bepalingen van punt 7.1 van toepassing zijn bij de berekening van de doorvoer van elektriciteit meegeteld.

1.7.

Voor de toepassing van dit deel van de bijlage wordt onder nettostroom van elektriciteit verstaan de absolute waarde van het verschil tussen de totale export van elektriciteit uit een bepaald nationaal transmissiesysteem naar landen waar de transmissiesysteembeheerders aan het ITC-mechanisme deelnemen en de totale import van elektriciteit uit landen waar de transmissiesysteembeheerders aan het ITC-mechanisme deelnemen in datzelfde transmissiesysteem.

Voor partijen bij het ITC-mechanisme die een gemeenschappelijke grens hebben met ten minste één derde land waarop de bepalingen van punt 7.1 van toepassing zijn, wordt de berekening van de nettostroom aangepast als volgt:

1)

indien de totale export van elektriciteit naar landen waar de transmissiesysteembeheerders aan het ITC-mechanisme deelnemen groter is dan de totale import van elektriciteit uit landen waar de transmissiesysteembeheerders aan het ITC-mechanisme deelnemen, wordt de waarde van de nettostromen verminderd met de laagste van de volgende waarden:

a)

de waarde van de netto-importstromen uit die derde landen;

b)

de waarde van de netto-exportstromen naar landen waar de transmissiesysteembeheerder aan het ITC-mechanisme deelneemt;

2)

indien de totale import van elektriciteit uit landen waar de transmissiesysteembeheerders aan het ITC-mechanisme deelnemen groter is dan de totale export van elektriciteit naar landen waar de transmissiesysteembeheerders aan het ITC-mechanisme deelnemen, wordt de waarde van de nettostromen verminderd met de laagste van de volgende waarden:

a)

de waarde van de netto-exportstromen naar die derde landen, of

b)

de waarde van de netto-importstromen uit landen waar de transmissiesysteembeheerder aan het ITC-mechanisme deelneemt.

1.8.

Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder belasting verstaan de totale hoeveelheid elektriciteit die het nationale transmissiesysteem verlaat naar gekoppelde distributiesystemen, aan het transmissiesysteem gekoppelde eindverbruikers en naar elektriciteitsproducenten voor verbruik bij de opwekking van elektriciteit.

2.   Deelname aan het ITC-mechanisme

2.1.

Elke regulerende instantie draagt er zorg voor dat de transmissiesysteembeheerders binnen haar bevoegdheidsgebied aan het ITC-mechanisme deelnemen en dat de door de transmissiesysteembeheerders voor de toegang tot de netwerken toegepaste tarieven geen aanvullende tarieven voor op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen omvatten.

2.2.

Transmissiesysteembeheerders uit derde landen die met de Unie overeenkomsten hebben gesloten waarbij zij de wetgeving van de Unie op het gebied van elektriciteit hebben vastgesteld en toepassen, hebben het recht aan het ITC-mechanisme deel te nemen.

Met name de transmissiesysteembeheerders die werkzaam zijn op de grondgebieden als bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap (1) zijn gerechtigd aan het ITC-mechanisme deel te nemen.

Elke transmissiesysteembeheerder uit een derde land dat aan het ITC-mechanisme deelneemt, wordt op voet van gelijkheid met een transmissiesysteembeheerder uit een lidstaat behandeld.

3.   Multilaterale overeenkomsten

3.1.

Het ENTSO voor elektriciteit faciliteert de sluiting van multilaterale overeenkomsten betreffende de vergoeding van de kosten van op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders die aan het ITC-mechanisme deelnemen en transmissiesysteembeheerders uit derde landen die met de Unie geen overeenkomsten hebben gesloten waarbij zij de wetgeving van de Unie op het gebied van elektriciteit hebben vastgesteld en toepassen, en die op 16 december 2009 het convenant tussen de transmissiesysteembeheerders betreffende de vergoeding voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders hebben gesloten.

3.2.

Dergelijke multilaterale overeenkomsten zijn erop gericht te waarborgen dat de transmissiesysteembeheerder uit het derde land op voet van gelijkheid met een transmissiesysteembeheerder in een land dat aan het ITC-mechanisme deelneemt, wordt behandeld.

3.3.

Voor zover nodig kunnen in dergelijke multilaterale overeenkomsten geschikte aanpassingen van de overeenkomstig punt 5 bepaalde totale vergoeding voor het beschikbaar stellen van infrastructuur voor op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen worden aanbevolen. Dergelijke aanpassingen zijn aan goedkeuring door de Commissie onderworpen, die rekening houdt met het advies van het agentschap.

3.4.

Transmissiesysteembeheerders uit het derde land mogen niet gunstiger worden behandeld dan transmissiesysteembeheerders die aan het ITC-mechanisme deelnemen.

3.5.

Het ENTSO voor elektriciteit legt alle dergelijke multilaterale overeenkomsten aan de Commissie voor ter fine van haar advies over de vraag of voortzetting van de multilaterale overeenkomst bevorderlijk is voor de voltooiing en werking van de interne markt voor elektriciteit en de grensoverschrijdende handel. In het advies van de Commissie worden met name behandeld:

1)

of de overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op vergoeding tussen transmissiesysteembeheerders voor de kosten van op hun net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen;

2)

of de vereisten van de punten 3.2 en 3.4 in acht worden genomen.

3.6.

Bij de opstelling van het in punt 3.5 bedoelde advies raadpleegt de Commissie alle lidstaten en houdt zij in het bijzonder rekening met de standpunten van de lidstaten die een gemeenschappelijke grens met het betrokken derde land hebben.

Bij de opstelling van haar advies kan de Commissie het agentschap raadplegen.

4.   Vergoeding voor verliezen

4.1.

De vergoeding voor verliezen die op nationale transmissiesystemen door op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen worden veroorzaakt, wordt berekend onafhankelijk van de vergoeding van de kosten die veroorzaakt worden in verband met het beschikbaar stellen van infrastructuur voor op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.

4.2.

De hoogte van de op een nationaal transmissiesysteem geleden verliezen wordt bepaald door het verschil te berekenen tussen:

1)

de hoogte van de tijdens de betrokken periode op het transmissiesysteem werkelijk geleden verliezen,

en

2)

de hoogte van de geraamde verliezen die tijdens de betrokken periode op het transmissiesysteem zouden zijn geleden indien geen doorvoer van elektriciteit zou hebben plaatsgehad.

4.3.

Het ENTSO voor elektriciteit is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de in punt 4.2 bedoelde berekening en publiceert deze berekening en de berekeningsmethode in een passend formaat. Voor deze berekening kan worden uitgegaan van ramingen voor een aantal tijdstippen gedurende de betrokken periode.

4.4.

De waarde van door een nationaal transmissiesysteem ten gevolge van op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen geleden verliezen wordt op dezelfde grondslag berekend als die welke door de regulerende instantie ten aanzien van alle verliezen op de nationale transmissiesystemen is goedgekeurd. Het agentschap verifieert de criteria voor de waardering van verliezen op nationaal niveau, met name rekening ermee houdend dat verliezen eerlijk en niet-discriminerend worden gewaardeerd.

Als de betrokken regulerende instantie geen grondslag voor de berekening van verliezen voor een periode waarvoor het ITC-mechanisme geldt, heeft goedgekeurd, wordt de waarde van de verliezen voor de toepassing van het ITC-mechanisme door het ENTSO voor elektriciteit geraamd.

5.   Vergoeding voor het beschikbaar stellen van infrastructuur voor op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen

5.1.

Ingevolge een door het agentschap overeenkomstig punt 5.3 gedaan voorstel bepaalt de Commissie het jaarlijkse bedrag van de vergoeding voor de grensoverschrijdende infrastructuur dat over de transmissiesysteembeheerders wordt omgeslagen als vergoeding voor de kosten die zijn opgelopen ten gevolge van het beschikbaar stellen van infrastructuur voor op het net optredende grensoverschrijdende elektriciteitsstromen. Indien de Commissie niet instemt met het voorstel van het agentschap, vraagt zij het agentschap om een tweede advies.

5.2.

Het jaarlijkse bedrag van de vergoeding voor de grensoverschrijdende infrastructuur wordt over de voor de nationale transmissiesystemen verantwoordelijke transmissiesysteembeheerders omgeslagen naar rata van:

1)

de doorvoerfactor, dat wil zeggen de doorvoer op dat nationale transmissiesysteem als percentage van de totale doorvoer op alle nationale transmissiesystemen;

2)

de belastingsfactor, dat wil zeggen het kwadraat van de doorvoer van elektriciteit als percentage van de met de doorvoer vermeerderde belasting op dat nationale transmissiesysteem in verhouding tot het kwadraat van de doorvoer van elektriciteit als percentage van de met de doorvoer vermeerderde belasting voor alle nationale transmissiesystemen.

De doorvoerfactor krijgt een weging van 75 %, de belastingsfactor een weging van 25 %.

5.3.

Het agentschap doet het voorstel betreffende het jaarlijkse bedrag van de vergoeding voor de grensoverschrijdende infrastructuur als bedoeld in punt 5.1 op basis van een Uniewijde beoordeling van de met de facilitering van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen verband houdende infrastructuur voor elektriciteitstransmissie. Het agentschap spant zich zeer in om binnen twee jaar na de datum van toepassing van onderhavige verordening een beoordeling uit te voeren. Het ENTSO voor elektriciteit verleent het agentschap alle bijstand die nodig is om deze beoordeling uit te voeren.

Deze beoordeling bestaat uit een technische en economische beoordeling van de verwachte gemiddelde incrementele langetermijnkosten op jaarbasis voor het beschikbaar stellen van een dergelijke elektriciteitstransmissie-infrastructuur voor grensoverschrijdende elektriciteitsstromen gedurende de betrokken periode en steunt op erkende gestandaardiseerde kostenberekeningsmethoden.

Als infrastructuur uit andere bronnen wordt gefinancierd dan overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 714/2009 toegepaste tarieven voor de toegang tot netten, wordt de beoordeling van de kosten van de beschikbaarstelling van infrastructuur voor grensoverschrijdende elektriciteitsstromen dienovereenkomstig op geschikte wijze aangepast.

Deze Uniewijde beoordeling van de elektriciteitstransmissie-infrastructuur heeft tevens betrekking op de infrastructuur in alle lidstaten en derde landen die deelnemen aan het ITC-mechanisme en aan de systemen welke beheerd worden door de transmissiesysteembeheerders die de in punt 3 bedoelde multilaterale overeenkomsten hebben gesloten.

5.4.

Totdat het agentschap de in punt 5.3 bedoelde beoordeling heeft uitgevoerd en de Commissie het jaarlijkse bedrag van de vergoeding voor de grensoverschrijdende infrastructuur overeenkomstig punt 5.1 heeft bepaald, bedraagt het jaarlijkse bedrag van de vergoeding voor de grensoverschrijdende infrastructuur 100 000 000 EUR.

5.5.

Bij het doen van het in punt 5.1 bedoelde voorstel verstrekt het agentschap aan de Commissie tevens zijn advies betreffende de vraag of het passend is van gemiddelde incrementele langetermijnkosten gebruik te maken voor de beoordeling van de kosten van het beschikbaar stellen van infrastructuur voor het optreden van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.

6.   Bijdrage in het ITC-fonds

6.1.

De transmissiesysteembeheerders dragen in het ITC-fonds bij naar evenredigheid van de absolute waarde van de nettostromen naar en van hun nationale transmissiesysteem in verhouding tot de totale absolute waarde van de nettostromen naar en van alle nationale transmissiesystemen.

7.   Vergoeding voor het gebruik van het transmissiesysteem voor de import en export van elektriciteit door derde landen

7.1.

Er wordt een vergoeding voor het gebruik van het transmissiesysteem betaald voor alle geplande import en export van elektriciteit door alle derde landen als:

1)

het land met de Unie geen overeenkomst heeft gesloten waarbij het de wetgeving van de Unie op het gebied van elektriciteit heeft vastgesteld en toepast,

of

2)

de transmissiesysteembeheerder die verantwoordelijk is voor het systeem waaruit elektriciteit wordt geïmporteerd of waarnaar elektriciteit wordt geëxporteerd geen in punt 3 bedoelde multilaterale overeenkomst heeft gesloten.

Deze vergoeding wordt uitgedrukt in euro per megawattuur.

7.2.

Elke deelnemer aan het ITC-mechanisme heft de vergoeding voor het gebruik van het transmissiesysteem op de geplande import en export van elektriciteit tussen het nationale transmissiesysteem en het transmissiesysteem van het derde land.

7.3.

De jaarlijkse vergoeding voor het gebruik van het transmissiesysteem wordt vooraf door het ENTSO voor elektriciteit berekend. Zij wordt vastgesteld op het op basis van de verwachte grensoverschrijdende elektriciteitsstromen voor het betrokken jaar geraamde bedrag per megawattuur dat de transmissiesysteembeheerders uit een deelnemend land in het ITC-fonds zouden bijdragen.

DEEL B

Richtsnoeren voor een gemeenschappelijke regelgevingsaanpak voor de transmissietarifering

1.

De door de producenten betaalde jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven liggen in elke lidstaat binnen de in punt 3 vastgestelde marge.

2.

De waarde van de door de producenten betaalde jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven is gelijk aan de waarde van de door de producenten betaalde jaarlijkse totale transmissietarieven gedeeld door de waarde van de totale gemeten energie die jaarlijks door de producenten in het transmissiesysteem van een lidstaat is ingebracht.

Voor de berekening in de zin van punt 3 zijn de transmissietarieven exclusief:

1)

de door de producenten betaalde tarieven voor materiële activa die vereist zijn voor de verbinding met het systeem of de modernisering van de verbinding;

2)

de door de producenten betaalde tarieven in verband met ondersteunende diensten;

3)

de door de producenten betaalde specifieke tarieven voor systeemverliezen.

3.

De waarde van de door de producenten betaalde jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven, met uitzondering van de tarieven die in Denemarken, Zweden, Finland, Roemenië, Ierland, Groot-Brittannië en Noord-Ierland van toepassing zijn, ligt binnen een marge van 0 à 0,5 EUR/MWh.

Dewaarde van de door de producenten in Denemarken, Zweden en Finland betaalde jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven ligt binnen een marge van 0 à 1,2 EUR/MWh.

Dedoor de producenten in Ierland, Groot-Brittannië en Noord-Ierland betaalde jaarlijkse gemiddelde transmissietarieven liggen binnen een marge van 0 à 2,5 EUR/MWh; die in Roemenië binnen een marge van 0 à 2,0 EUR/MWh.

4.

Het agentschap monitort de geschiktheid van de marges van de toelaatbare transmissietarieven en houdt daarbij in het bijzonder met de impact ervan op de financiering van de transmissiecapaciteit die de lidstaten nodig hebben om hun streefcijfers krachtens Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) te bereiken en de impact ervan op de systeemgebruikers in het algemeen rekening.

5.

Tegen 1 januari 2014 verstrekt het agentschap aan de Commissie zijn advies betreffende de geschikte tariefmarge(s) voor de periode na 1 januari 2015.


(1)  PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.

(2)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.


24.9.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/12


VERORDENING (EU) Nr. 839/2010 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 september 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

72,7

MK

76,7

TR

64,0

XS

58,9

ZZ

68,1

0707 00 05

TR

124,4

ZZ

124,4

0709 90 70

TR

120,2

ZZ

120,2

0805 50 10

AR

138,0

CL

107,8

IL

127,1

TR

118,8

UY

134,8

ZA

115,7

ZZ

123,7

0806 10 10

EG

75,0

TR

121,1

US

185,0

ZZ

127,0

0808 10 80

AR

78,0

BR

74,7

CL

125,9

NZ

112,4

US

128,5

ZA

97,2

ZZ

102,8

0808 20 50

CN

84,3

ZA

98,9

ZZ

91,6

0809 30

TR

149,8

ZZ

149,8

0809 40 05

BA

53,5

IL

178,5

MK

45,0

ZZ

92,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


24.9.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/14


VERORDENING (EU) Nr. 840/2010 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2010

tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (1), en met name artikel 164, lid 2, en artikel 170, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 162, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kan het verschil tussen de prijzen van de in deel XV van bijlage I bij die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en die in de Unie worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

Gelet op de huidige situatie op de markt voor rundvlees dienen uitvoerrestituties te worden vastgesteld in overeenstemming met de voorschriften en criteria van de artikelen 162, 163, 164, 167, 168 en 169 van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)

Krachtens artikel 164, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kan de restitutie naargelang van de bestemming worden gedifferentieerd, met name indien dit noodzakelijk is wegens de situatie op de wereldmarkt, de specifieke vereisten van bepaalde markten of de verplichtingen die voortvloeien uit volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.

(4)

Restituties mogen uitsluitend worden toegekend voor producten die vrij in de Unie kunnen circuleren en die zijn voorzien van een gezondheidsmerk zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (2). Deze producten moeten ook voldoen aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (3) en van Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (4).

(5)

Overeenkomstig artikel 7, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1359/2007 van de Commissie van 21 november 2007 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van bijzondere restituties bij uitvoer van bepaalde soorten rundvlees zonder been (5) wordt de bijzondere restitutie verlaagd wanneer de voor uitvoer bestemde hoeveelheid minder dan 95 %, doch ten minste 85 % van de totale hoeveelheid (in gewicht) door uitbening verkregen stukken bedraagt.

(6)

De thans geldende restituties zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 649/2010 van de Commissie (6). Aangezien nieuwe restituties moeten worden vastgesteld, moet die verordening worden ingetrokken.

(7)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De in artikel 164 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde uitvoerrestituties worden toegekend voor de producten en met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij deze verordening, op voorwaarde dat aan het bepaalde in lid 2 van dit artikel wordt voldaan.

2.   De op grond van lid 1 voor een restitutie in aanmerking komende producten moeten voldoen aan de desbetreffende eisen van de Verordeningen (EG) nr. 852/2004 en (EG) nr. 853/2004, en zij met name moeten zijn vervaardigd in een erkende inrichting en voldoen aan de in bijlage I, sectie I, hoofdstuk III, van Verordening (EG) nr. 854/2004 vastgestelde bepalingen inzake gezondheidsmerken.

Artikel 2

In het in artikel 7, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1359/2007 bedoelde geval wordt de restitutie voor producten van productcode 0201 30 00 9100 verminderd met 3,5 EUR/100 kg.

Artikel 3

Verordening (EU) nr. 649/2010 wordt ingetrokken.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op 24 september 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(3)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.

(4)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206.

(5)  PB L 304 van 22.11.2007, blz. 21.

(6)  PB L 191 van 23.7.2010, blz. 3.


BIJLAGE

Met ingang van 24 september 2010 geldende uitvoerrestituties in de sector rundvlees

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

0102 10 10 9140

B00

EUR/100 kg levend gewicht

12,9

0102 10 30 9140

B00

EUR/100 kg levend gewicht

12,9

0201 10 00 9110 (2)

B02

EUR/100 kg nettogewicht

18,3

B03

EUR/100 kg nettogewicht

10,8

0201 10 00 9130 (2)

B02

EUR/100 kg nettogewicht

24,4

B03

EUR/100 kg nettogewicht

14,4

0201 20 20 9110 (2)

B02

EUR/100 kg nettogewicht

24,4

B03

EUR/100 kg nettogewicht

14,4

0201 20 30 9110 (2)

B02

EUR/100 kg nettogewicht

18,3

B03

EUR/100 kg nettogewicht

10,8

0201 20 50 9110 (2)

B02

EUR/100 kg nettogewicht

30,5

B03

EUR/100 kg nettogewicht

17,9

0201 20 50 9130 (2)

B02

EUR/100 kg nettogewicht

18,3

B03

EUR/100 kg nettogewicht

10,8

0201 30 00 9050

US (4)

EUR/100 kg nettogewicht

3,3

CA (5)

EUR/100 kg nettogewicht

3,3

0201 30 00 9060 (7)

B02

EUR/100 kg nettogewicht

11,3

B03

EUR/100 kg nettogewicht

3,8

0201 30 00 9100 (3)  (7)

B04

EUR/100 kg nettogewicht

42,4

B03

EUR/100 kg nettogewicht

24,9

EG

EUR/100 kg nettogewicht

51,7

0201 30 00 9120 (3)  (7)

B04

EUR/100 kg nettogewicht

25,4

B03

EUR/100 kg nettogewicht

15,0

EG

EUR/100 kg nettogewicht

31,0

0202 10 00 9100

B02

EUR/100 kg nettogewicht

8,1

B03

EUR/100 kg nettogewicht

2,7

0202 20 30 9000

B02

EUR/100 kg nettogewicht

8,1

B03

EUR/100 kg nettogewicht

2,7

0202 20 50 9900

B02

EUR/100 kg nettogewicht

8,1

B03

EUR/100 kg nettogewicht

2,7

0202 20 90 9100

B02

EUR/100 kg nettogewicht

8,1

B03

EUR/100 kg nettogewicht

2,7

0202 30 90 9100

US (4)

EUR/100 kg nettogewicht

3,3

CA (5)

EUR/100 kg nettogewicht

3,3

0202 30 90 9200 (7)

B02

EUR/100 kg nettogewicht

11,3

B03

EUR/100 kg nettogewicht

3,8

1602 50 31 9125 (6)

B00

EUR/100 kg nettogewicht

11,6

1602 50 31 9325 (6)

B00

EUR/100 kg nettogewicht

10,3

1602 50 95 9125 (6)

B00

EUR/100 kg nettogewicht

11,6

1602 50 95 9325 (6)

B00

EUR/100 kg nettogewicht

10,3

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De bestemmingscodes zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19).

De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

B00

:

alle bestemmingen (derde landen, andere gebieden, bevoorrading en met uitvoer uit de Unie gelijkgestelde bestemmingen).

B02

:

B04 en bestemming EG.

B03

:

Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië, Kosovo (), Montenegro, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, proviandering en bunkeren (bestemmingen zoals bedoeld in de artikelen 33 en 42 en, indien toepasselijk, artikel 41 van Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie (PB L 186 van 17.7.2009, blz. 1).

B04

:

Turkije, Oekraïne, Belarus, Moldavië, Rusland, Georgië, Armenië, Azerbeidzjan, Kazachstan, Turkmenistan, Oezbekistan, Tadzjikistan, Kirgizië, Marokko, Algerije, Tunesië, Libië, Libanon, Syrië, Irak, Iran, Israël, Westelijke Jordaanoever/Gazastrook, Jordanië, Saoedi-Arabië, Koeweit, Bahrein, Qatar, Verenigde Arabische Emiraten, Oman, Jemen, Pakistan, Sri Lanka, Myanmar (Birma), Thailand, Vietnam, Indonesië, Filipijnen, China, Noord-Korea, Hongkong, Soedan, Mauritanië, Mali, Burkina Faso, Niger, Tsjaad, Kaapverdië, Senegal, Gambia, Guinee-Bissau, Guinee, Sierra Leone, Liberia, Ivoorkust, Ghana, Togo, Benin, Nigeria, Kameroen, Centraal-Afrikaanse Republiek, Equatoriaal-Guinea, Sao Tomé en Principe, Gabon, Congo (Republiek), Congo (Democratische Republiek), Rwanda, Burundi, Sint-Helena en onderhorigheden, Angola, Ethiopië, Eritrea, Djibouti, Somalië, Oeganda, Tanzania, Seychellen en onderhorigheden, Brits gebied in de Indische Oceaan, Mozambique, Mauritius, Comoren, Mayotte, Zambia, Malawi, Zuid-Afrika, Lesotho.


(1)  Zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999.

(2)  Indeling onder deze onderverdeling is afhankelijk van de overlegging van het attest dat is opgenomen in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 433/2007 van de Commissie (PB L 104 van 21.4.2007, blz. 3).

(3)  De restitutie wordt toegekend mits voldaan is aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1359/2007 van de Commissie (PB L 304 van 22.11.2007, blz. 21) en, indien van toepassing, aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1741/2006 van de Commissie (PB L 329 van 25.11.2006, blz. 7).

(4)  Zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1643/2006 van de Commissie (PB L 308 van 8.11.2006, blz. 7).

(5)  Zoals bedoeld in Verordening (EEG) nr. 1041/2008 van de Commissie (PB L 281 van 24.10.2008, blz. 3).

(6)  De restitutie wordt toegekend mits voldaan is aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1731/2006 van de Commissie (PB L 325 van 24.11.2006, blz. 12).

(7)  Het gehalte aan mager rundvlees met uitzondering van vet wordt bepaald aan de hand van de analyseprocedure die is opgenomen in de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2429/86 van de Commissie (PB L 210 van 1.8.1986, blz. 39).

Het begrip „gemiddeld gehalte” verwijst naar de hoeveelheid van het monster zoals bepaald in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 765/2002 van de Commissie (PB L 117 van 4.5.2002, blz. 6). Het monster wordt genomen uit het deel van de betrokken partij met het hoogste risico.


24.9.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/18


VERORDENING (EU) Nr. 841/2010 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2010

tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (1), en met name artikel 164, lid 2, en artikel 170, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 162, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kan het verschil tussen de prijzen van de in deel XX van bijlage I bij die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en die in de Unie worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

Gezien de huidige situatie op de pluimveevleesmarkt, moeten uitvoerrestituties worden vastgesteld overeenkomstig de regels en criteria van de artikelen 162, 163, 164, 167 en 169 van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)

Krachtens artikel 164, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kunnen de restituties naargelang van de bestemming worden gedifferentieerd, met name indien dit noodzakelijk is wegens de situatie op de wereldmarkt, de specifieke vereisten van bepaalde markten of de verplichtingen die voortvloeien uit volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.

(4)

De restituties moeten slechts worden toegekend voor producten die vrij in de Unie mogen worden verhandeld en die zijn voorzien van het identificatiemerk als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (2). Deze producten moeten tevens voldoen aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (3).

(5)

De thans geldende restituties zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 525/2010 van de Commissie (4). Aangezien nieuwe restituties moeten worden vastgesteld, moet die verordening worden ingetrokken.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De in artikel 164 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde uitvoerrestituties worden toegekend voor de producten en met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij deze verordening, op voorwaarde dat aan het bepaalde in lid 2 van dit artikel wordt voldaan.

2.   De op grond van lid 1 voor restituties in aanmerking komende producten moeten voldoen aan de desbetreffende vereisten van de Verordeningen (EG) nr. 852/2004 en (EG) nr. 853/2004, en moeten met name in een erkende inrichting zijn bereid en voldoen aan de voorwaarden inzake het identificatiemerk, die zijn vastgesteld in bijlage II, sectie I, van Verordening (EG) nr. 853/2004.

Artikel 2

Verordening (EU) nr. 525/2010 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op 24 september 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(3)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.

(4)  PB L 152 van 18.6.2010, blz. 5.


BIJLAGE

Uitvoerrestituties in de sector slachtpluimvee voor de periode vanaf 24 september 2010

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

0105 11 11 9000

A02

EUR/100 pcs

0,24

0105 11 19 9000

A02

EUR/100 pcs

0,24

0105 11 91 9000

A02

EUR/100 pcs

0,24

0105 11 99 9000

A02

EUR/100 pcs

0,24

0105 12 00 9000

A02

EUR/100 pcs

0,47

0105 19 20 9000

A02

EUR/100 pcs

0,47

0207 12 10 9900

V03

EUR/100 kg

32,50

0207 12 90 9190

V03

EUR/100 kg

32,50

0207 12 90 9990

V03

EUR/100 kg

32,50

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

V03:

A24, Angola, Saudi-Arabië, Koeweit, Bahrein, Qatar, Oman, Verenigde Arabische Emiraten, Jordanië, Jemen, Libanon, Irak en Iran.


24.9.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/20


VERORDENING (EU) Nr. 842/2010 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2010

tot vaststelling van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1), en met name op artikel 143,

Gelet op Verordening (EG) nr. 614/2009 van de Raad van 7 juli 2009 betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine (2), en met name op artikel 3, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn bepalingen vastgesteld voor de toepassing van de regeling inzake aanvullende invoerrechten en zijn de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naar gelang van de oorsprong optredende prijsverschillen. De representatieve prijzen moeten derhalve worden bekendgemaakt.

(3)

Deze wijziging moet, gezien de marktsituatie, zo spoedig mogelijk worden toegepast.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 181 van 14.7.2009, blz. 8.

(3)  PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47.


BIJLAGE

van de verordening van de Commissie van 23 september 2010 tot vaststelling van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95

„BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3, lid 3, bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 12 10

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 70 %), bevroren

137,4

0

BR

146,0

0

AR

0207 12 90

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 65 %), bevroren

127,2

0

BR

143,2

0

AR

0207 14 10

Delen zonder been, van hanen of van kippen, bevroren

212,6

26

BR

269,1

9

AR

334,7

0

CL

0207 14 50

Borsten van kippen, bevroren

188,4

7

BR

0207 14 60

Dijen van kippen, bevroren

137,9

2

BR

0207 27 10

Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren

283,3

4

BR

314,5

0

CL

0408 11 80

Eigeel

318,9

0

AR

0408 91 80

Eieren uit de schaal, gedroogd

347,8

0

AR

1602 32 11

Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken

285,8

0

BR

3502 11 90

Ovoalbumine, gedroogd

544,8

0

AR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.”


24.9.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/22


VERORDENING (EU) Nr. 843/2010 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2010

tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de 7e bijzondere inschrijving in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 447/2010 geopende openbare inschrijving

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 43, onder j), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 447/2010 van de Commissie (2) is overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1272/2009 van de Commissie van 11 december 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de aankoop en de verkoop van landbouwproducten in het kader van de openbare interventie (3) een openbare inschrijving geopend voor de verkoop van mageremelkpoeder.

(2)

Op grond van artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1272/2009 moet de Commissie op basis van de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen inschrijvingen een minimumverkoopprijs vaststellen of besluiten geen minimumverkoopprijs vast te stellen.

(3)

Op grond van de voor de 7e bijzondere inschrijving ontvangen inschrijvingen moet een minimumverkoopprijs worden vastgesteld.

(4)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 7e bijzondere inschrijving in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 447/2010 geopende openbare inschrijving voor de verkoop van mageremelkpoeder, waarvoor de termijn voor de indiening van inschrijvingen op 21 september 2010 is verstreken, wordt de minimumverkoopprijs vastgesteld op 214,00 EUR per 100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 24 september 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 126 van 22.5.2010, blz. 19.

(3)  PB L 349 van 29.12.2009, blz. 1.


BESLUITEN

24.9.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/23


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2010

betreffende de door Frankrijk toegekende fiscale steun aan het Fonds ter voorkoming van risico’s voor de visserijsector en aan visserijondernemingen (Staatssteun C 24/08, (ex NN 38/07))

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 3938)

(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/569/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea (1),

Gezien de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2), en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de lidstaten en andere belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (3),

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

In het kader van het onderzoek naar de steun die is toegekend aan het Fonds ter voorkoming van risico’s voor de visserijsector (Fonds de prévention des aléas de la pêche, hierna „FPAP” genoemd) en aan visserijondernemingen, die heeft geleid tot Beschikking 2008/936/EG van de Commissie (4), had de Commissie kennis gekregen van een specifieke belastingregeling ten gunste van het FPAP en zijn leden.

(2)

Deze fiscale regeling was niet onderzocht tijdens de procedure die leidde tot de beschikking van 20 mei 2008, aangezien het een nieuw feit betrof waarvan de Commissie niet op de hoogte was op het moment dat de formele onderzoeksprocedure werd ingeleid. (5)

(3)

Overwegende dat zij niettemin over genoeg concrete informatie beschikte om te kunnen vaststellen dat er sprake was van onrechtmatige steun, heeft de Commissie besloten een eerste onderzoek naar deze fiscale steun te verrichten (6). Op grond van deze analyse heeft ze in een eveneens op 20 mei 2008 gegeven besluit (7), de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van voornoemde steun ingeleid.

(4)

De Commissie heeft de belanghebbenden aangemaand hun opmerkingen in te dienen, binnen een maand na de publicatiedatum. Er werd geen enkele opmerking van belanghebbende derden ontvangen.

(5)

Frankrijk heeft bij brief van 8 september 2008 zijn standpunt over de inleiding van de formele onderzoeksprocedure bekendgemaakt.

(6)

Voorts heeft Frankrijk bij brief van 29 november 2008, in het kader van de procedure voor de terugvordering van de steun waarop Beschikking 2008/936/EG betrekking heeft, laten weten dat het FPAP op 27 februari 2008 is ontbonden en dat het saldo van de voorschotten die van de staat waren ontvangen, is teruggestort.

2.   BESCHRIJVING VAN DE STEUN

(7)

Voor een nauwgezette beschrijving van de werkwijze en de activiteiten van het FPAP, verwijst de Commissie naar Beschikking 2008/936/EG.

(8)

De specifieke fiscale regeling ten gunste van het FPAP en zijn leden wordt beschreven in twee brieven, afkomstig van het Franse ministerie dat belast is met de begroting, die de Commissie waren gestuurd na de bekendmaking van de inleiding van de onderzoeksprocedure die heeft geleid tot Beschikking 2008/936/EG (8)

(9)

De eerste brief van 5 februari 2004 heeft betrekking op de oprichting van het FPAP, waarvan het ontwerpstatuut werd goedgekeurd tijdens de oprichtingsvergadering van 10 februari 2004. Deze brief vermeldt onder meer het volgende:

„—

het fonds, opgericht in de vorm van een beroepsorganisatie, wordt geen bedrijfsbelasting opgelegd op grond van de bijdragen van de vissers die ook werkgever zijn en de financiële producten voortkomend uit de belegging van liquide middelen;

de bijdragen zijn in het jaar dat ze worden betaald aftrekbaar van het belastbaar resultaat van de vissers die ook werkgever zijn. Bij uitzondering worden de eerste bijdragen, mits zij uiterlijk op 30 maart 2004 zijn betaald, afgetrokken op grond van het resultaat van 2003.”.

(10)

In de brief wordt tevens een indicatie gegeven van de bedragen die in aanmerking komen voor de vermelde aftrek: de jaarlijkse, van het belastbaar inkomen aftrekbare bijdrage van de aangesloten vissers die ook werkgever zijn, bedraagt tussen 1 000 en 15 000 EUR.

(11)

In de tweede brief, van 28 november 2004, wordt ingegaan op bijdragen van leden die ze van hun belastbaar inkomen kunnen aftrekken, in het kader van een wijziging van de garantieovereenkomst tussen het FPAP en zijn leden, waardoor vanaf dat moment een terugbetaling aan de leden van de betaalde en niet gebruikte bijdragen mogelijk is.

(12)

De brief vermeldt het volgende:

„—

de bijdragen die in het kader van deze nieuwe regeling door de leden zijn betaald, zijn in het jaar van hun betaling aftrekbaar tot maximaal 10 000 EUR per jaar per lid, waarbij dit plafond wordt vermeerderd met 25 % van de winstdeling tussen 40 000 en 80 000 EUR;

de bijdragen die bovenop de eerdere limieten en op grond van een door het fonds voorgenomen garantie zijn betaald, zijn in hun geheel aftrekbaar van het belastbaar inkomen van de leden in het jaar dat ze zijn betaald.”.

(13)

De brief bevat de toelichting dat eind 2006 de „balans van dit experiment” moet worden opgemaakt, en „eventueel noodzakelijke aanpassingen” moeten worden bestudeerd. Het betreft dus geen op permanente basis toegekende fiscale regeling.

(14)

Verder wijst niets erop dat de aftrek van de bijdragen die begin 2004 (tot eind maart) over de inkomsten van 2003 zijn betaald, zoals in de brief van 5 februari 2004 wordt gesteld, weer in het geding is, ook al wordt in deze brief van 28 november 2004 gestipuleerd dat de bijdragen worden afgetrokken van het belastbaar inkomen in het jaar van hun betaling.

(15)

Uit bovengenoemde twee brieven vloeit voort dat de door het ministerie van Financiën aan het FPAP en zijn leden toegekende fiscale regeling, twee aspecten kent:

enerzijds een vrijstelling van bedrijfsbelasting voor het FPAP,

anderzijds voor de leden van het FPAP de mogelijkheid om hun contributies aan dit fonds af te trekken van hun belastbare resultaat.

3.   REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

(16)

De Commissie is van oordeel geweest dat de fiscale regeling van de Franse overheid ten gunste van het FPAP en zijn leden moet worden geanalyseerd in het kader van de regeling voor staatssteun, en vanuit het oogpunt van de voordelen die zij enerzijds het FPAP zelf en anderzijds de aangesloten visserijondernemingen biedt, net als in het geval van steunmaatregel C-9/06.

3.1.   Is er sprake van staatssteun?

3.1.1.   Staatssteun aan het FPAP

(17)

Zoals in Beschikking 2008/936/EG is uiteengezet, moet het FPAP krachtens het mededingingsrecht van de Europese Unie worden aangemerkt als een onderneming. Dat het geen winstoogmerk had of een beroepsorganisatie was, is hier niet van belang.

(18)

De Commissie is daarom tot het oordeel gekomen dat de fiscale regeling die de Franse overheid het FPAP heeft toegekend, de organisatie een dubbel voordeel heeft opgeleverd ten opzichte van andere private investeerders op de termijnmarkt voor olieproducten:

in de eerste plaats betekent de in overweging 9 beschreven vrijstelling van bedrijfsbelasting die het FPAP geniet een verlichting van de lasten die drukken op het budget van ondernemingen die op dit terrein actief zijn;

in de tweede plaats houdt het fiscale voordeel dat de leden van het FPAP is toegekend — van welke aard het ook is — een aanmoediging in om bij te dragen aan de inkomsten van het FPAP; aldus kan het FPAP zijn liquide middelen uitbreiden, terwijl andere ondernemingen die op dit terrein actief zijn, niet het voordeel hebben van een dergelijk mechanisme.

(19)

Na haar vooronderzoek is de Commissie tot het oordeel gekomen dat het voordeel zoals bedoeld in overweging 17 door de staat is toegekend en inhield dat er van staatsmiddelen is afgezien.

(20)

Ten slotte heeft het FPAP, dankzij de fiscale maatregelen zoals omschreven in overweging 17, een financieel voordeel genoten ten opzichte van andere ondernemingen die actief zijn op de termijnmarkt, zowel in Frankrijk als in de andere lidstaten.

(21)

In haar besluit tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure heeft de Commissie ook aangegeven dat zij ervan uitging dat de rechtsgrondslag voor de vrijstelling van winstbelasting van het FPAP, bestond uit artikel 206, lid 1 bis, van de code général des impôts (algemeen belastingwetboek) (9) die het mogelijk maakt om beroepsorganisaties onder bepaalde voorwaarden vrij te stellen. Onder deze omstandigheden is het mogelijk dat het FPAP tevens vrijstelling genoot van bedrijfsbelasting, zoals voorzien in artikel 1447 van dezelfde wet ten gunste van organisaties die de vrijstelling genieten zoals voorzien in artikel 206, lid 1 bis, van dezelfde wet.

3.1.2.   Staatssteun ten gunste van visserijondernemingen

(22)

Het financiële voordeel waarop in overweging 17 wordt gedoeld heeft visserijondernemingen in staat gesteld brandstof tegen een gunstig tarief te kopen, dit dankzij de activiteiten van het FPAP op de termijnmarkt voor olieproducten.

(23)

De aftrekbaarheid voor visserijondernemingen van hun bijdragen aan het FPAP, heeft tot gevolg gehad dat de lasten die normaal gesproken op hun budget zouden drukken, werden verlicht. Tot deze aftrekbaarheid had het met begroting belaste ministerie besloten; zij is derhalve toe te schrijven aan de staat.

(24)

De ondernemingen die de aftrek waarop in overweging 22 wordt gedoeld konden uitvoeren, hebben een financieel voordeel genoten ten opzichte van andere visserijondernemingen in de Unie. Evenzo heeft dit financiële voordeel het handelsverkeer tussen de lidstaten beïnvloed en de concurrentie vervalst of gedreigd te vervalsen. Daarom is dit voordeel aan te merken als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

(25)

Anderzijds en gezien de informatie in de „Mode d’emploi détaillé du Fonds de prévention des aléas pêche” („gedetailleerde handleiding van het Fonds ter voorkoming van risico’s voor de visserijsector”), een document dat eveneens is overgelegd in het kader van de formele onderzoeksprocedure naar steunmaatregel C-9/06, had de Commissie geconstateerd dat de fiscale aftrek in zijn geheel aan de reder verviel wanneer de bijdragen aan het FPAP — waarvan de hoogte was vastgesteld op grond van het veronderstelde brandstofverbruik voor het komende jaar — op een wijze waren berekend die het daadwerkelijke brandstofverbruik oversteeg. Dit systeem leek in de hand te werken dat reders hun behoefte aan dekking te hoog zouden schatten met als enig doel voordeel te behalen aan de fiscale aftrek.

(26)

Op basis van hetzelfde document had de Commissie tevens geconstateerd dat sommige leden die zich niet bezig hielden met visserij, maar bereid waren „morele steun aan de organisatie te verlenen”, ook de mogelijkheid hadden hun bijdragen aan het FPAP fiscaal af te trekken, ook al gold voor deze bijdragen geen garantierisico.

3.2.   Verenigbaarheid met de interne markt

(27)

Over deze kwestie heeft de Commissie verwezen naar de analyse in Beschikking 2008/936/EG. De Commissie is tot het oordeel gekomen dat er sprake was van exploitatiesteun ten voordele van het FPAP en de visserijonderneming en dat op grond van geen enkele bepaling van het VWEU of enig ander door de Commissie vastgesteld rechtsinstrument inzake staatssteun, deze steunmaatregelen als verenigbaar met de interne markt konden worden aangemerkt.

(28)

De Commissie heeft Frankrijk daarom laten weten ernstige twijfels te hebben over de verenigbaarheid van deze steunmaatregelen met de interne markt.

4.   OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK

4.1.   Fiscale maatregel ten gunste van visserijondernemingen

(29)

Frankrijk meent dat de fiscale maatregelen ten gunste van visserijondernemingen geen staatssteun betreffen omdat de bijdragen van de visserijondernemingen aan het FPAP deel uitmaken van de algemene ondernemerskosten. Volgens artikel 39 van de algemene belastingwet zijn deze kosten aftrekbaar van het belastbaar inkomen. De aftrek van deze bijdragen komt dus overeen met de uitvoering van een algemene maatregel en is bijgevolg geen staatssteun.

(30)

Frankrijk erkent dat de in overweging 7 vermelde brieven geen informatie bevatten over de restitutieregeling van de bijdragen. Frankrijk licht echter toe dat dit niet betekent dat deze restitutie geen fiscale gevolgen had. Want in overeenstemming met het gemene recht inzake de vaststelling van het belastbare resultaat, was de restitutie van deze bijdragen aan de aangesloten visserijondernemingen van het FPAP onderworpen aan de belasting op de opbrengst van deze ondernemingen. Frankrijk licht tevens toe dat wanneer de brandstofprijs de in de garantieovereenkomst vastgestelde grens overschreed, de aangesloten visserijondernemingen van het FPAP over dit voordeel belasting moesten betalen. De visserijondernemingen hadden er dus geen enkel belang bij om hun behoefte aan financiële dekking te hoog te schatten, omdat ze dan ook meer belasting zouden moeten betalen.

(31)

Anderzijds wijst Frankrijk erop dat een selectieve steunmaatregel kan worden gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het stelsel. Zo kunnen er legitieme redenen zijn voor een afwijkende behandeling en dus ook voor de toekenning van de voordelen die mogelijk hieruit voortvloeien. Frankrijk vermeldt echter geen enkel gegeven waarmee in dit geval een afwijkende behandeling ten gunste van visserijondernemingen kan worden gerechtvaardigd.

4.2.   Fiscale maatregel ten gunste van het FPAP

(32)

Frankrijk meent dat de vrijstelling van bedrijfsbelasting die het FPAP heeft genoten kan worden gerechtvaardigd doordat het om een bedrijfsorganisatie zonder winstoogmerk ging.

(33)

Frankrijk voert aan dat dit in overeenstemming is met het Gemeenschapsrecht. De bedrijfsbelasting heeft immers tot doel om winstgevende activiteiten te belasten. Indachtig dit beginsel herinnert Frankrijk eraan dat de Commissie zelf, in haar mededeling over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (10) (hierna „mededeling directe belastingen”), van oordeel is dat door de aard van het belastingstelsel kan worden gerechtvaardigd dat ondernemingen zonder winstoogmerk van de bedrijfsbelasting zijn vrijgesteld.

5.   BEOORDELING

(34)

De in het besluit tot inleiding van de procedure opgenomen beoordeling moet worden herzien en aangevuld in het licht van de opmerkingen die Frankrijk op 8 september en 29 november 2008 heeft ingediend (zie de overwegingen 5 en 6).

(35)

In de beoordeling is uitgegaan van het tweeledige doel van het FPAP: enerzijds het verwerven van opties op de termijnmarkt voor olie of oliederivaten en anderzijds het uitkeren aan de aangesloten visserijondernemingen van een bedrag ter hoogte van het verschil tussen de gemiddelde maandprijs van de referentie-index en de „maximaal gedekte prijs” of de prijs van 30 eurocent per liter, naargelang van de periode.

5.1.   Fiscale maatregel ten gunste van visserijondernemingen

(36)

De betrokken fiscale maatregel betreft de aftrekbaarheid van de bijdragen van de visserijondernemingen aan het FPAP van hun belastbare inkomen.

(37)

Frankrijk meent dat deze aftrek geen staatsteun betreft omdat deze bijdragen onder de categorie algemene kosten van ondernemingen vallen en het Franse belastingstelsel voorziet in de aftrek van deze kosten van het belastbaar inkomen. Er zou derhalve sprake zijn van een algemene maatregel, waardoor deze aftrek geen staatssteun inhoudt.

(38)

De Commissie stelt vast dat de algemene kosten inderdaad aftrekbaar zijn van het resultaat van de ondernemingen, krachtens artikel 39 van het algemene belastingwetboek. Het betreft een algemene maatregel die van toepassing is op alle ondernemingen, ongeacht hun activiteiten. Deze aftrekbaarheid zou dus behoren tot de categorie fiscale maatregelen waartoe alle ondernemingen zoals bedoeld onder punt 13 van de „mededeling directe belastingen” toegang hebben. Op grond hiervan is een dergelijke maatregel, die geldt voor alle ondernemingen en alle producties, geen staatssteun.

(39)

Frankrijk zet uiteen dat bij het vaststellen van de aftrekbaarheid van lasten als algemene kosten, het gaat om het doel dat ermee wordt gediend. Indien het kosten betreft die in het belang van het bedrijf zijn gemaakt, zijn ze in beginsel aftrekbaar. Zo zijn bijdragen aan beroepsorganisaties (vakbonden, kamers van koophandel, enz.) per definitie uitgaven die in het bedrijfsbelang zijn gemaakt en mogen ze dus altijd worden afgetrokken van het belastbare resultaat. Aangezien het FPAP een bedrijfsorganisatie is, sluit de aftrekbaarheid van de bijdragen aan bij deze gedachtegang.

(40)

De Commissie heeft bovendien in overweging 20 van Beschikking 2008/936/EG aangegeven dat het FPAP bedoeld is „als onderlinge waarborgmaatschappij die haar leden als tegenprestatie voor hun bijdragen een aantal diensten biedt”.

(41)

De verzekeringsbijdragen maken deel uit van de kosten die ondernemingen maken om zich tegen een aantal risico’s in te dekken. Hiertoe kunnen schommelingen van de olieprijs behoren. Deze lasten houden direct verband met de uitoefening van beroepsactiviteiten en dragen niet bij aan een toename van de activa van de onderneming; zij zijn ook als algemene kosten aftrekbaar van het belastbaar inkomen. Zo bezien zijn de bijdragen aan het FPAP die verband houden met schommelingen van de olieprijs aftrekbaar van het resultaat van de ondernemingen op grond van artikel 39 van het algemene belastingwetboek van Frankrijk. In dat geval is er inderdaad een algemene maatregel uitgevoerd. Deze aftrekbaarheid houdt dus geen staatssteun in.

5.2.   Fiscale maatregel ten gunste van het FPAP

(42)

De Commissie stelt vast dat het FPAP op 27 februari 2008 is ontbonden. De fiscale bepalingen ten gunste van het FPAP zijn op dezelfde datum beëindigd.

(43)

De Commissie stelt tevens vast dat het FPAP na de opheffingsprocedure elke economische activiteit definitief heeft stopgezet. De activiteiten en activa van het FPAP zijn niet overgedragen aan een andere onderneming. Bovendien zijn de fondsen waarover het FPAP op de datum van de opheffing nog kon beschikken teruggestort aan de staat, via OFIMER, een door de staat gefinancierd overheidsorgaan.

(44)

Daarom meent de Commissie dat zelfs indien ervan uit wordt gegaan dat de fiscale maatregelen ten gunste van het FPAP een voordeel voor het FPAP alsmede concurrentievervalsing inhielden, er aan deze vervalsing een einde kwam op het moment dat het FPAP zijn activiteiten staakte en de maatregelen ten gunste van deze organisatie eveneens kwamen te vervallen. Een besluit waarin de Commissie zich uitspreekt over dergelijke fiscale steun en over de verenigbaarheid ervan met de interne markt, heeft onder deze omstandigheden geen enkele praktische uitwerking.

(45)

Als gevolg hiervan is de formele onderzoeksprocedure op grond van artikel 108, lid 2, VWEU, inzake het FPAP overbodig geworden.

6.   CONCLUSIE

(46)

Op grond van de analyse onder 5.1 stelt de Commissie vast dat de fiscale voordelen die de leden van het FPAP genoten niet als staatssteun kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

(47)

Op grond van de overwegingen onder 5.2 stelt de Commissie vast dat de procedure tegen het FPAP overbodig is,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De fiscale maatregelen van Frankrijk ten gunste van de visserijondernemingen zijn niet aan te merken als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

Artikel 2

De formele onderzoeksprocedure op grond van artikel 108, lid 2, VWEU, inzake de fiscale maatregelen ten gunste van het FPAP wordt beëindigd.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot Frankrijk.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2010.

Voor de Commissie

Maria DAMANAKI

Lid van de Commissie


(1)  De artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag zijn vanaf 1 december 2009 vervangen door respectievelijk de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”). In beide gevallen zijn de bepalingen inhoudelijk identiek. In dit besluit dienen de verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 in voorkomend geval te worden beschouwd als verwijzingen naar de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag.

(2)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(3)  PB C 161 van 25.8.2008, blz. 19.

(4)  PB L 334 van 12.12.2008, blz. 62.

(5)  PB C 91 van 19.4.2006, blz. 30.

(6)  NN 38/07.

(7)  Zie voetnoot 3.

(8)  Het advocatenbureau Ménard, Quimbert en vennoten te Nantes, dat het FPAP adviseerde had bij een van de brieven die naar de Commissie waren gestuurd na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van de inleiding van de formele onderzoeksprocedure, een kopie bijgevoegd van het ministerie belast met begroting, waaruit het bestaan bleek van een specifieke fiscale regeling ten gunste van het FPAP en zijn leden. Het betreft enerzijds een brief van de gedelegeerde minister van Begroting en begrotingshervorming Alain Lambert en anderzijds een brief van de staatssecretaris Begroting en begrotingshervorming Dominique Bussereau. Beide brieven zijn gericht aan de heer Merabet, voorzitter vanhet FPAP.

(9)  Beschikbaar op: http://www.legiFrankrijk.gouv.fr/initRechCodeArticle.do

(10)  PB C 384 van 10.12.1998, blz. 3 (zie overweging 25).