ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.186.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 186

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
20 juli 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 632/2010 van de Commissie van 19 juli 2010 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Accounting Standard (IAS) 24 en International Financial Reporting Standard (IFRS) 8 betreft ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 633/2010 van de Commissie van 19 juli 2010 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat Interpretatie 14 van het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC) betreft ( 1 )

10

 

*

Verordening (EU) nr. 634/2010 van de Commissie van 19 juli 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Ricotta di Bufala Campana (BOB))

14

 

*

Verordening (EU) nr. 635/2010 van de Commissie van 19 juli 2010 tot opening van de procedure voor de toewijzing van uitvoercertificaten voor kaas die in 2011 in het kader van bepaalde GATT-contingenten naar de Verenigde Staten van Amerika kan worden uitgevoerd

16

 

 

Verordening (EU) nr. 636/2010 van de Commissie van 19 juli 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

22

 

 

Verordening (EU) nr. 637/2010 van de Commissie van 19 juli 2010 houdende schorsing van de indiening van invoercertificaataanvragen voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten

24

 

 

Verordening (EU) nr. 638/2010 van de Commissie van 19 juli 2010 met betrekking tot invoercertificaten waarvoor de aanvragen in de eerste 7 dagen van juli 2010 zijn ingediend in het kader van het tariefcontingent voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit, dat wordt beheerd bij Verordening (EG) nr. 620/2009

26

 

 

Verordening (EU) nr. 639/2010 van de Commissie van 19 juli 2010 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/10

27

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/400/EU

 

*

Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van de Europese Unie van 8 juli 2010 houdende benoeming van rechters van het Gerecht

29

 

 

2010/401/EU

 

*

Besluit van de Raad van 13 juli 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Cyprus

30

 

 

2010/402/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 15 december 2009 betreffende de steunmaatregel vrijstelling van milieubelasting voor keramiekproducenten die Nederland voornemens is ten uitvoer te leggen C 5/09 (ex N 210/08) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 9972)  ( 1 )

32

 

 

2010/403/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 14 juli 2010 waarbij de productie van en groothandel in elektriciteit in de Italiaanse Macro-zone Noord en de kleinhandelsverkoop van elektriciteit aan eindgebruikers, verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning, in Italië worden vrijgesteld van de toepassing van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4740)  ( 1 )

44

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/1


VERORDENING (EU) Nr. 632/2010 VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2010

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Accounting Standard (IAS) 24 en International Financial Reporting Standard (IFRS) 8 betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name op artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie (2) werd een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd.

(2)

Op 4 november 2009 heeft de International Accounting Standards Board (IASB) een herziene International Accounting Standard (IAS) 24 Informatieverschaffing over verbonden partijen (hierna „herziene IAS 24” genoemd) gepubliceerd. Het doel van de wijzigingen waarin de herziene IAS 24 voorziet, is de definitie van verbonden partij te vereenvoudigen en tegelijkertijd bepaalde interne inconsistenties weg te nemen. Tevens wordt met de overheid verbonden entiteiten enige lastenverlichting geboden wat de hoeveelheid door hen te verstrekken informatie over transacties met verbonden partijen betreft.

(3)

Overleg met de werkgroep van technische deskundigen van EFRAG (European Financial Reporting Advisory Group) heeft bevestigd dat de herziene IAS 24 beantwoordt aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vervatte technische goedkeuringscriteria. Overeenkomstig Besluit 2006/505/EG van de Commissie van 14 juli 2006 tot oprichting van een werkgroep voor de beoordeling van adviezen over verslaggevingsstandaarden om de Commissie van advies te dienen over de objectiviteit en neutraliteit van de adviezen van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) (3) heeft de werkgroep voor de beoordeling van adviezen over verslaggevingsstandaarden het goedkeuringsadvies van EFRAG bestudeerd en in haar advies aan de Commissie verklaard dat het evenwichtig en objectief is.

(4)

De goedkeuring van de herziene IAS 24 brengt met zich mee dat International Financial Reporting Standard (IFRS) 8 wordt gewijzigd om de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen.

(5)

Verordening (EG) nr. 1126/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

International Accounting Standard (IAS) 24 wordt vervangen door de in de bijlage bij deze verordening vervatte herziene IAS 24;

2)

International Financial Reporting Standard (IFRS) 8 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Elke onderneming past de in de bijlage bij deze verordening opgenomen herziene IAS 24 en wijziging in IFRS 8 toe uiterlijk vanaf de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat na 31 december 2010 van start gaat.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1.

(3)  PB L 199 van 21.7.2006, blz. 33.


BIJLAGE

INTERNATIONALE STANDAARDEN VOOR JAARREKENINGEN

IAS 24

IAS 24 Informatieverschaffing over verbonden partijen

IFRS 8

Wijziging in IFRS 8 Operationele segmenten

Reproductie toegestaan binnen de Europese Economische Ruimte. Alle bestaande rechten voorbehouden buiten de EER, met uitzondering van het recht van reproductie voor persoonlijk of ander eerlijk gebruik. Nadere inlichtingen te verkrijgen bij de IASB op het volgende adres: www.iasb.org

International Accounting Standard 24

Informatieverschaffing over verbonden partijen

DOEL

1

Het doel van deze standaard is ervoor te zorgen dat de jaarrekening van een entiteit de nodige informatie bevat om de aandacht te vestigen op de mogelijkheid dat haar financiële positie en de winst of het verlies kunnen zijn beïnvloed door het bestaan van verbonden partijen en door transacties en uitstaande saldi, met inbegrip van verbintenissen, met dergelijke partijen.

TOEPASSINGSGEBIED

2

Deze standaard moet worden toegepast bij:

(a)

het identificeren van relaties en transacties tussen verbonden partijen;

(b)

het identificeren van uitstaande saldi, met inbegrip van verbintenissen, tussen een entiteit en haar verbonden partijen;

(c)

het identificeren van de omstandigheden waarin informatieverschaffing op de onder (a) en (b) bedoelde punten is vereist; en

(d)

het identificeren van de op deze punten vereiste informatieverschaffing.

3

Deze standaard vereist informatieverschaffing over relaties, transacties en uitstaande saldi, met inbegrip van verbintenissen, met verbonden partijen in de geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening van een moedermaatschappij, een deelnemer in een joint venture of een belegger, die wordt gepresenteerd overeenkomstig IAS 27 Geconsolideerde jaarrekening en enkelvoudige jaarrekening. Deze standaard is ook van toepassing op enkelvoudige jaarrekeningen.

4

Transacties met verbonden partijen en uitstaande saldi met andere entiteiten binnen een groep worden in de jaarrekening van een entiteit vermeld. Transacties en uitstaande saldi tussen verbonden partijen binnen een groep worden geëlimineerd bij de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening van de groep.

DOELSTELLING VAN INFORMATIEVERSCHAFFING OVER VERBONDEN PARTIJEN

5

Relaties tussen verbonden partijen zijn een normaal verschijnsel in het bedrijfsleven. Entiteiten voeren bijvoorbeeld vaak gedeeltelijk hun bedrijfsactiviteiten via dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen. In deze omstandigheden is de entiteit door de aanwezigheid van zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis in staat het financiële en operationele beleid te beïnvloeden van de entiteit waarin wordt geïnvesteerd.

6

Een relatie tussen verbonden partijen zou invloed kunnen hebben op de winst of het verlies en op de financiële positie van een entiteit. Verbonden partijen kunnen transacties aangaan die niet-verbonden partijen niet zouden aangaan. Zo zou bijvoorbeeld een entiteit die goederen tegen kostprijs aan haar moedermaatschappij verkoopt, deze mogelijk niet onder gelijke voorwaarden aan een andere klant verkopen. Zo ook worden transacties tussen verbonden partijen mogelijk niet uitgevoerd tegen dezelfde bedragen die gelden voor niet-verbonden partijen.

7

De winst of het verlies en de financiële positie van een entiteit kunnen door een relatie met een verbonden partij worden beïnvloed, zelfs indien er geen transacties tussen verbonden partijen plaatsvinden. Het louter bestaan van de relatie kan voldoende zijn om de transacties van de entiteit met andere partijen te beïnvloeden. Een dochteronderneming kan bijvoorbeeld haar relaties met een handelspartner beëindigen als haar moedermaatschappij een nieuwe dochteronderneming verwerft die dezelfde activiteiten uitvoert als de voormalige handelspartner. Daarnaast kan een partij besluiten geen activiteiten te ondernemen omdat een andere partij invloed van betekenis kan uitoefenen. Een moedermaatschappij kan een dochteronderneming bijvoorbeeld opdragen zich niet met onderzoek en ontwikkeling bezig te houden.

8

Om deze redenen kan kennis van transacties, uitstaande saldi, met inbegrip van verbintenissen, en relaties tussen een entiteit en verbonden partijen invloed hebben op de beoordeling van de bedrijfsactiviteiten van de entiteit door de gebruikers van de jaarrekening, evenals op de beoordeling van de risico’s en kansen waarvoor de entiteit zich gesteld ziet.

DEFINITIES

9

De volgende begrippen worden in deze standaard gebruikt met de hierna omschreven betekenis:

Een verbonden partij is een natuurlijke persoon of entiteit die verbonden is met de entiteit die haar jaarrekening opstelt (in deze standaard de „verslaggevende entiteit” genoemd).

(a)

Een natuurlijke persoon of een nauwe verwant van de natuurlijke persoon is met een verslaggevende entiteit verbonden indien deze persoon:

(i)

zeggenschap of gezamenlijke zeggenschap over de verslaggevende entiteit uitoefent;

(ii)

invloed van betekenis over de verslaggevende entiteit uitoefent; dan wel

(iii)

behoort tot de managers op sleutelposities in de verslaggevende entiteit of in een moedermaatschappij van de verslaggevende entiteit.

(b)

Een entiteit is met een verslaggevende entiteit verbonden indien zich één van de volgende situaties voordoet:

(i)

De entiteit en de verslaggevende entiteit behoren tot dezelfde groep (dit betekent dat alle moedermaatschappijen, dochterondernemingen en zusterondernemingen met elkaar zijn verbonden).

(ii)

Een entiteit is een geassocieerde deelneming of joint venture van de andere entiteit (of een geassocieerde deelneming of joint venture van een lid van een groep waartoe de andere entiteit behoort).

(iii)

Beide entiteiten zijn joint ventures van eenzelfde derde partij.

(iv)

Een entiteit is een joint venture van een derde entiteit en de andere entiteit is een geassocieerde deelneming van de derde entiteit.

(v)

De entiteit is een regeling inzake vergoedingen na uitdiensttreding ten bate van werknemers van ofwel de verslaggevende entiteit, ofwel een entiteit die met de verslaggevende entiteit verbonden is. Indien de verslaggevende entiteit zelf een dergelijke regeling is, zijn de aan de regeling betalende werkgevers ook met de verslaggevende entiteit verbonden.

(vi)

Een onder (a) bedoelde natuurlijke persoon oefent zeggenschap of gezamenlijke zeggenschap uit over de entiteit.

(vii)

Een onder (a)(i) bedoelde persoon oefent invloed van betekenis over de entiteit uit of behoort tot de managers op sleutelposities in de entiteit (of in een moedermaatschappij van de entiteit).

Een transactie tussen verbonden partijen is een overdracht van middelen, dienstverleningen of verplichtingen tussen een verslaggevende entiteit en een verbonden partij, ongeacht of hiervoor een prijs in rekening wordt gebracht.

Nauwe verwanten van een natuurlijke persoon zijn die verwanten van wie kan worden verwacht dat ze invloed kunnen uitoefenen op die natuurlijke persoon, of door die natuurlijke persoon kunnen worden beïnvloed in hun handelsactiviteiten met de entiteit, en omvatten:

(a)

de kinderen en echtgenoot of partner van de natuurlijke persoon;

(b)

de kinderen van de echtgenoot of partner van de natuurlijke persoon; en

(c)

personen die afhankelijk zijn van de natuurlijke persoon of van de echtgenoot of partner van de natuurlijke persoon.

Beloning omvat alle personeelsbeloningen (zoals gedefinieerd in IAS 19 Personeelsbeloningen), met inbegrip van personeelsbeloningen waarop IFRS 2 Op aandelen gebaseerde betalingen van toepassing is. Personeelsbeloningen zijn alle vormen van vergoedingen die zijn betaald of nog worden betaald of verstrekt door of voor rekening van de entiteit in ruil voor verrichte prestaties ten behoeve van de entiteit. Daaronder vallen ook die vormen van beloning die voor rekening van de moedermaatschappij van de entiteit ten behoeve van de entiteit zijn betaald. Beloning omvat:

(a)

kortetermijnpersoneelsbeloningen, zoals lonen, salarissen en socialezekerheidsbijdragen, vakantiegeld, doorbetaling van loon bij ziekte, winstdeling en bonussen (indien betaalbaar binnen twaalf maanden na het einde van de periode) en beloningen in natura (zoals medische zorgverlening, huisvesting, auto’s en gratis of deels door de entiteit betaalde goederen of diensten) voor huidige werknemers;

(b)

vergoedingen na uitdiensttreding, zoals pensioenen, levensverzekeringen en medische zorgverlening na uitdiensttreding;

(c)

andere langetermijnpersoneelsbeloningen, waaronder sabbatsverlof, jubileumuitkeringen of andere voordelen die samenhangen met een langdurig dienstverband, uitkeringen voor langdurige arbeidsongeschiktheid en, indien ze niet volledig betaalbaar zijn binnen twaalf maanden na het einde van de periode, winstdelingen, bonusregelingen en uitgestelde vergoedingen;

(d)

ontslagvergoedingen; en

(e)

op aandelen gebaseerde betalingen.

Zeggenschap is de macht om het financiële en operationele beleid van een entiteit te sturen teneinde voordelen te verkrijgen uit haar activiteiten.

Gezamenlijke zeggenschap is het contractueel afgesproken delen van de zeggenschap over een economische activiteit.

Managers op sleutelposities zijn die personen die bevoegd en verantwoordelijk zijn voor het plannen en het sturen van en het uitoefenen van zeggenschap over de activiteiten van de entiteit, hetzij op directe hetzij op indirecte wijze, met inbegrip van elke directeur (bestuurslid of anderszins) van die entiteit.

Invloed van betekenis is de macht om deel te nemen aan de financiële en operationele beleidsbeslissingen van de entiteit, maar houdt geen zeggenschap in over het desbetreffende beleid. Invloed van betekenis kan worden verworven door het bezit van aandelen, op grond van de wet of op grond van een overeenkomst.

Overheid verwijst naar lokale, nationale of internationale overheden, overheidsinstellingen en gelijkaardige instanties.

Een met de overheid verbonden entiteit is een entiteit waarover door de overheid zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis wordt uitgeoefend.

10

Bij de afweging ten aanzien van het mogelijke bestaan van een relatie tussen verbonden partijen, moet de economische realiteit van de relatie in acht worden genomen, en niet louter de juridische vorm.

11

In de context van deze standaard zijn de volgende partijen geen verbonden partijen:

(a)

twee entiteiten die uitsluitend een directeur of een andere manager op een sleutelpositie gemeen hebben, of waarbij een manager op een sleutelpositie in de ene entiteit invloed van betekenis over de andere entiteit uitoefent;

(b)

twee deelnemers in een joint venture die uitsluitend de gezamenlijke zeggenschap over een joint venture uitoefenen;

(c)

(i)

kredietverschaffers,

(ii)

vakbondsorganisaties,

(iii)

openbare nutsbedrijven, en

(iv)

departementen en instellingen van de overheid die geen zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis over de verslaggevende entiteit uitoefent,

zijn geen verbonden partijen louter op grond van hun normale handelsactiviteiten met een entiteit (hoewel zij de bewegingsvrijheid van een entiteit kunnen beïnvloeden of in haar besluitvormingsproces kunnen participeren); en

(d)

een klant, leverancier, franchiseverlener, distributeur of algemeen agent met wie een entiteit een aanzienlijk aantal transacties verricht, is geen verbonden partij louter op grond van de daaruit voortvloeiende economische afhankelijkheid.

12

In de definitie van een verbonden partij omvat een geassocieerde deelneming alle dochterondernemingen van de geassocieerde deelneming en een joint venture alle dochterondernemingen van de joint venture. Dit heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat een dochteronderneming van een geassocieerde deelneming en de investeerder die invloed van betekenis over de geassocieerde deelneming uitoefent, met elkaar verbonden zijn.

INFORMATIEVERSCHAFFING

Alle entiteiten

13

Relaties tussen een moedermaatschappij en haar dochterondernemingen moeten worden vermeld, ongeacht of er transacties tussen hen hebben plaatsgevonden. Een entiteit moet de naam van haar moedermaatschappij vermelden en, indien deze afwijkt, de uiteindelijke partij die zeggenschap uitoefent. Indien noch de moedermaatschappij van de entiteit, noch de uiteindelijke partij die zeggenschap uitoefent een publiekelijk beschikbare geconsolideerde jaarrekening opstelt, moet ook de naam worden vermeld van de eerstvolgende, hoogst in rang zijnde moedermaatschappij die dat wel doet.

14

Teneinde gebruikers van jaarrekeningen in staat te stellen zich een beeld te vormen van de gevolgen van relaties met verbonden partijen voor een entiteit, is het gepast om de relatie met verbonden partijen te vermelden als er zeggenschap bestaat, ongeacht of er transacties tussen de verbonden partijen hebben plaatsgevonden.

15

De verplichting tot vermelding van relaties tussen een moederonderneming en haar dochterondernemingen komt in aanvulling op de toelichtingseisen van IAS 27, IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen en IAS 31 Belangen in joint ventures.

16

In alinea 13 wordt naar de eerstvolgende, hoogst in rang zijnde moedermaatschappij verwezen. Dit is de eerste moedermaatschappij in de groep volgend op de directe moedermaatschappij die een publiekelijk beschikbare geconsolideerde jaarrekening opstelt.

17

Een entiteit moet de beloning voor managers op sleutelposities vermelden, in totaal en uitgesplitst naar de volgende categorieën:

(a)

kortetermijnpersoneelsbeloningen;

(b)

vergoedingen na uitdiensttreding;

(c)

andere langetermijnpersoneelsbeloningen;

(d)

ontslagvergoedingen; en

(e)

op aandelen gebaseerde betalingen.

18

Indien tijdens de perioden waarop de jaarrekening betrekking heeft transacties met verbonden partijen hebben plaatsgevonden, moet een entiteit de aard van de relatie met de verbonden partijen vermelden, en tevens de nodige informatie over deze transacties en uitstaande saldi, met inbegrip van verbintenissen, verstrekken opdat gebruikers de mogelijke invloed van de relatie op de jaarrekening kunnen begrijpen. Deze vereisten inzake informatieverschaffing komen in aanvulling op de vereisten in alinea 17. De informatieverschaffing moet ten minste het volgende omvatten:

(a)

het bedrag van de transacties;

(b)

het bedrag van uitstaande saldi, met inbegrip van verbintenissen, en:

(i)

hun termijnen en voorwaarden, inclusief of zij gedekt zijn, en de aard van de vergoeding die bij de afwikkeling moet worden verstrekt; en

(ii)

details van alle gegeven of ontvangen garanties;

(c)

voorzieningen voor dubieuze vorderingen gerelateerd aan het bedrag van de uitstaande saldi; en

(d)

de last van oninbare of dubieuze vorderingen die door verbonden partijen is verschuldigd en die tijdens de periode is opgenomen.

19

De informatie die op grond van alinea 18 is vereist, moet voor elk van de volgende categorieën afzonderlijk worden vermeld:

(a)

de moedermaatschappij;

(b)

entiteiten die gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis over de entiteit uitoefenen;

(c)

dochterondernemingen;

(d)

geassocieerde deelnemingen;

(e)

joint ventures waarin de entiteit een deelnemer is;

(f)

managers op sleutelposities in de entiteit of in haar moedermaatschappij; en

(g)

andere verbonden partijen.

20

De classificatie van te betalen bedragen aan en te ontvangen bedragen van verbonden partijen in de verschillende categorieën zoals alinea 19 vereist, is een aanvulling op de vereiste informatieverschaffing in IAS 1 Presentatie van de jaarrekening die bepaalt dat informatie ofwel in het overzicht van de financiële positie ofwel in de toelichting moet worden gepresenteerd. De categorieën zijn uitgebreid om een uitvoerigere analyse van saldi tussen verbonden partijen te geven en zijn van toepassing op transacties tussen verbonden partijen.

21

Voorbeelden van transacties die worden vermeld indien zij met een verbonden partij zijn aangegaan:

(a)

in- of verkopen van goederen (gereed of niet-gereed);

(b)

in- of verkopen van materiële vaste activa en andere activa;

(c)

verrichten of ontvangen van diensten;

(d)

leaseovereenkomsten;

(e)

overdracht van onderzoek en ontwikkeling;

(f)

overdrachten ingevolge licentieovereenkomsten;

(g)

overdrachten ingevolge financieringsovereenkomsten (inclusief leningen en kapitaalstortingen in geldmiddelen of in natura);

(h)

verstrekken van garanties of zekerheden;

(i)

verbintenissen om iets te doen indien in de toekomst een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt of niet plaatsvindt, met inbegrip van nog uit te voeren contracten (1) (opgenomen en niet-opgenomen); en

(j)

afwikkeling van verplichtingen voor rekening van de entiteit of door de entiteit voor rekening van de betrokken verbonden partij.

22

De deelname door een moedermaatschappij of dochteronderneming aan een toegezegdpensioenregeling waarbij risico's tussen groepsentiteiten worden gedeeld, is een transactie tussen verbonden partijen (zie alinea 34B van IAS 19).

23

Mededelingen dat transacties tussen verbonden partijen plaatsvonden onder voorwaarden gelijkwaardig aan de voorwaarden die gelden in een zakelijke, objectieve transactie tussen onafhankelijke partijen, worden alleen gedaan indien dergelijke voorwaarden kunnen worden gestaafd.

24

Posten van soortgelijke aard mogen in totalen worden vermeld, tenzij een afzonderlijke vermelding nodig is om de gevolgen van transacties tussen verbonden partijen voor de jaarrekening van de entiteit te begrijpen.

Met de overheid verbonden entiteiten

25

Een verslaggevende entiteit is van de vereisten inzake informatieverschaffing van alinea 18 vrijgesteld voor transacties en uitstaande saldi, met inbegrip van verbintenissen, met:

(a)

de overheid die zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis over de verslaggevende entiteit uitoefent; en

(b)

een andere entiteit die een verbonden partij is omdat dezelfde overheid zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis over zowel de verslaggevende entiteit als de andere entiteit uitoefent.

26

Indien een verslaggevende entiteit de vrijstelling van alinea 25 toepast, dan moet zij het volgende in verband met de in alinea 25 bedoelde transacties en daarmee samenhangende uitstaande saldi vermelden:

(a)

de naam van de overheid en de aard van haar relatie met de verslaggevende entiteit (d.w.z. zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis);

(b)

de volgende informatie, waarbij voldoende in detail wordt getreden om gebruikers van de jaarrekening van de entiteit in staat te stellen inzicht te verwerven in de gevolgen van transacties met verbonden partijen voor de jaarrekening van de entiteit:

(i)

de aard en het bedrag van elke afzonderlijke significante transactie; en

(ii)

voor andere transacties die collectief maar niet afzonderlijk significant zijn, een kwalitatieve of kwantitatieve indicatie van de omvang ervan. De soorten transacties zijn die welke in alinea 21 zijn vermeld.

27

Om op oordeelkundige wijze te bepalen hoe gedetailleerd de informatie moet zijn die in overeenstemming met de vereisten van alinea 26(b) moet worden verschaft, moet de verslaggevende entiteit rekening houden met de vraag hoe nauw de relatie met de betrokken verbonden partij is, alsook met andere factoren die voor het bepalen van de significantie van de transactie van belang zijn, zoals het feit of de transactie:

(a)

significant is qua omvang;

(b)

niet tegen marktvoorwaarden is uitgevoerd;

(c)

buiten de normale dagelijkse bedrijfsactiviteiten valt (bijvoorbeeld de aan- en verkoop van bedrijven);

(d)

aan toezichthoudende instanties moet worden meegedeeld;

(e)

aan het hoger management moet worden gerapporteerd;

(f)

door de aandeelhouders moet worden goedgekeurd.

INGANGSDATUM EN OVERGANGSBEPALINGEN

28

Entiteiten moeten deze standaard retroactief toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2011 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan, ofwel van de gehele standaard, ofwel van de krachtens de alinea's 25, 26 en 27 verleende gedeeltelijke vrijstelling voor met de overheid verbonden entiteiten. Indien een entiteit ofwel de gehele standaard, ofwel deze gedeeltelijke vrijstelling toepast op perioden die vóór 1 januari 2011 aanvangen, moet zij dit feit vermelden.

INTREKKING VAN IAS 24 (2003)

29

Deze standaard vervangt IAS 24 Informatieverschaffing over verbonden partijen (herziene versie van 2003).


(1)  In IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa worden nog uit te voeren contracten gedefinieerd als contracten waarbij geen van de partijen enige verplichting heeft uitgevoerd of waarbij beide partijen hun verplichtingen gedeeltelijk en in dezelfde mate hebben uitgevoerd.

Bijlage

Wijziging in IFRS 8 Operationele segmenten

A1

Alinea 34 wordt gewijzigd zoals hierna beschreven (de nieuwe tekst is onderstreept en de verwijderde tekst doorgehaald) en alinea 36B wordt toegevoegd.

34

Een entiteit moet informatie verschaffen over de mate waarin zij van haar belangrijke cliënten afhankelijk is. Indien de opbrengsten uit transacties met één enkele externe cliënt ten minste 10 procent van de opbrengsten van een entiteit bedragen, moet de entiteit dit feit vermelden, alsook het totaalbedrag van de opbrengsten uit de verkoop aan elke soortgelijke cliënt en de identiteit van het segment dat (de segmenten die) de opbrengsten heeft (hebben) gerapporteerd. De entiteit hoeft noch de identiteit van een belangrijke cliënt, noch het door elk segment gerapporteerde bedrag aan opbrengsten uit de verkoop aan de betrokken cliënt te vermelden. Binnen het bestek van deze IFRS moet een groep entiteiten waarvan een verslaggevende entiteit weet dat zij onder gezamenlijke zeggenschap staan, als een enkele cliënt worden aangemerkt;. overheid en entiteiten waarvan de verslaggevende entiteit weet dat zij onder de zeggenschap van overheid staan, als een enkele cliënt worden aangemerkt. .

36B

Bij IAS 24 Informatieverschaffing over verbonden partijen (herziene versie van 2009) is alinea 34 gewijzigd voor jaarperioden die op of na 1 januari 2011 aanvangen. Als een entiteit IAS 24 (herziene versie van 2009) op een eerdere periode toepast, moet ook de wijziging in alinea 34 op die eerdere periode worden toegepast.


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/10


VERORDENING (EU) Nr. 633/2010 VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2010

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat Interpretatie 14 van het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC) betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name op artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie (2) werd een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd.

(2)

Op 15 november 2009 heeft het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC) wijzigingen in IFRIC-interpretatie 14 Vooruitbetalingen bij minimaal vereiste dekkingsbijdragen (hierna „wijzigingen in IFRIC 14” genoemd) gepubliceerd. Doel van de wijzigingen in IFRIC 14 is een onbedoeld gevolg van de interpretatie weg te nemen: wanneer een aan een minimaal vereiste dekkingsgraad onderworpen entiteit een vooruitbetaling van toekomstige bijdragen verricht, zou de entiteit die een dergelijke vooruitbetaling doet onder bepaalde omstandigheden verplicht zijn een last op te nemen. Ingeval er voor een toegezegd-pensioenregeling een minimaal vereiste dekkingsgraad bestaat, moet krachtens de wijzigingen in IFRIC 14 een dergelijke vooruitbetaling, evenals om het even welke andere vooruitbetaling, als een actief worden behandeld.

(3)

Overleg met de werkgroep van technische deskundigen van EFRAG (European Financial Reporting Advisory Group) heeft bevestigd dat de wijzigingen in IFRIC 14 beantwoorden aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vervatte technische goedkeuringscriteria. Overeenkomstig Besluit 2006/505/EG van de Commissie van 14 juli 2006 tot oprichting van een werkgroep voor de beoordeling van adviezen over verslaggevingsstandaarden om de Commissie van advies te dienen over de objectiviteit en neutraliteit van de adviezen van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) (3) heeft de werkgroep voor de beoordeling van adviezen over verslaggevingsstandaarden het goedkeuringsadvies van EFRAG bestudeerd en in haar advies aan de Commissie verklaard dat het evenwichtig en objectief is.

(4)

Verordening (EG) nr. 1126/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt Interpretatie 14 van het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC) gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Elke onderneming past de in de bijlage bij deze verordening opgenomen wijzigingen in IFRIC 14 toe vanaf uiterlijk de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat na 31 december 2010 van start gaat.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1.

(3)  PB L 199 van 21.7.2006, blz. 33.


BIJLAGE

INTERNATIONALE STANDAARDEN VOOR JAARREKENINGEN

IFRIC 14

Wijzigingen in IFRIC-interpretatie 14 Vooruitbetalingen bij minimaal vereiste dekkingsbijdragen

Reproductie toegestaan binnen de Europese Economische Ruimte. Alle bestaande rechten voorbehouden buiten de EER, met uitzondering van het recht van reproductie voor persoonlijk of ander eerlijk gebruik. Nadere inlichtingen te verkrijgen bij de IASB op het volgende adres: www.iasb.org

WIJZIGINGEN IN IFRIC 14

De alinea's 16, 17, 18, 20, 21 en 22 worden gewijzigd.

De alinea's 3A, 27B en 29 worden toegevoegd.

ACHTERGROND

3A

In november 2009 heeft de International Accounting Standards Board IFRIC 14 gewijzigd om een onbedoeld gevolg weg te nemen dat voortvloeide uit de verwerkingswijze van vooruitbetalingen van toekomstige bijdragen onder bepaalde omstandigheden waarin er een minimaal vereiste dekkingsgraad bestaat.

CONSENSUS

Het economische voordeel beschikbaar als een verlaging van bijdragen

16

Als er voor bijdragen met betrekking tot toekomstige prestaties geen minimaal vereiste dekkingsgraad bestaat, is het economische voordeel dat beschikbaar is als een verlaging van de toekomstige bijdragen gelijk aan

(a)

[verwijderd]

(b)

de toekomstige pensioenkosten voor de entiteit voor elke periode over de verwachte resterende looptijd van de regeling of, indien korter, de verwachte levensduur van de entiteit. De toekomstige pensioenkosten voor de entiteit omvatten niet de bedragen die door de werknemers zullen worden gedragen.

17

Een entiteit moet de toekomstige pensioenkosten bepalen met behulp van veronderstellingen die in overeenstemming zijn met die welke worden gebruikt om de brutoverplichting uit hoofde van toegezegdpensioenregelingen te bepalen en met de situatie aan het einde van de verslagperiode zoals bepaald door IAS 19. Derhalve moet een entiteit ervan uitgaan dat de vergoedingen die in de toekomst door een regeling moeten worden betaald, niet zullen veranderen tot de regeling wordt gewijzigd; tevens moet zij ervan uitgaan dat het aantal werknemers in de toekomst stabiel zal blijven, tenzij de entiteit er zich aan het einde van de verslagperiode aantoonbaar toe heeft verbonden om het aantal werknemers dat door de regeling wordt gedekt, te verminderen. In het laatste geval moet bij de veronderstelling over het toekomstige aantal werknemers de vermindering in aanmerking worden genomen.

Het effect van een minimaal vereiste dekkingsgraad op het economische voordeel dat beschikbaar is als een verlaging van toekomstige bijdragen

18

Een entiteit moet minimaal vereiste dekkingsbijdragen op een bepaalde datum uitsplitsen in bijdragen die vereist zijn om (a) een bestaand tekort op basis van de minimaal vereiste dekking met betrekking tot reeds ontvangen diensten en (b) toekomstige prestaties te dekken.

20

Als er voor bijdragen met betrekking tot toekomstige prestaties een minimaal vereiste dekkingsgraad bestaat, is het economische voordeel dat beschikbaar is als een verlaging van de toekomstige bijdragen gelijk aan de som van:

(a)

elk bedrag dat de toekomstige minimaal vereiste dekkingsbijdragen met betrekking tot toekomstige prestaties vermindert omdat de entiteit een vooruitbetaling heeft gedaan (d.w.z. het bedrag heeft betaald voordat zij daartoe verplicht was); en

(b)

de in overeenstemming met de alinea's 16 en 17 geschatte toekomstige pensioenkosten in elke periode, verminderd met de geschatte minimale dekkingsbijdragen die met betrekking tot toekomstige prestaties in die periodes vereist zouden zijn indien er geen vooruitbetaling als bedoeld in (a) had plaatsgevonden.

21

Een entiteit moet bij de raming van de toekomstige minimaal vereiste dekkingsbijdragen met betrekking tot toekomstige prestaties rekening houden met het effect van een bestaand surplus dat is bepaald op basis van de minimale dekkingsgraad, exclusief de in alinea 20(a) beschreven vooruitbetaling. Een entiteit moet gebruikmaken van veronderstellingen die met de minimale dekkingsgraad in overeenstemming zijn en, voor factoren die hierbij niet zijn gespecificeerd, van veronderstellingen die in overeenstemming zijn met die welke worden gebruikt om de brutoverplichting uit hoofde van toegezegdpensioenregelingen te bepalen en met de situatie aan het einde van de verslagperiode zoals bepaald door IAS 19. Verwachte veranderingen als gevolg van het feit dat de entiteit de minimaal vereiste bijdragen betaalt wanneer deze verschuldigd zijn, moeten in de raming worden opgenomen. Het effect van verwachte veranderingen in de voorwaarden van de minimale dekkingsgraad waarvan het wetgevingsproces niet materieel is afgesloten of die aan het einde van de verslagperiode niet contractueel zijn overeengekomen, mag echter niet in de raming worden opgenomen.

22

Wanneer een entiteit het in alinea 20(b) beschreven bedrag bepaalt en als in een bepaalde periode de toekomstige minimaal vereiste dekkingsbijdragen met betrekking tot toekomstige prestaties groter zijn dan de toekomstige, conform IAS 19 berekende pensioenkosten, verlaagt dat positieve verschil het bedrag van het economische voordeel dat beschikbaar is als een verlaging van de toekomstige bijdragen. Het in alinea 20(b) beschreven bedrag kan echter nooit kleiner zijn dan nul.

INGANGSDATUM

27B

Bij Vooruitbetalingen bij minimaal vereiste dekkingsbijdragen is alinea 3A toegevoegd en zijn de alinea's 16, 17, 18, 20, 21 en 22 gewijzigd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2011 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan. Als een entiteit de wijzigingen op een eerdere periode toepast, moet ze dat feit vermelden.

OVERGANG

29

Een entiteit moet de wijzigingen in de alinea's 3A, 16, 17, 18, 20, 21 en 22 toepassen vanaf het begin van de vroegste vergelijkende periode die wordt gepresenteerd in de eerste financiële overzichten waarin de entiteit deze interpretatie toepast. Indien de entiteit deze interpretatie eerder had toegepast voordat zij de wijzigingen toepast, moet zij de aanpassing die uit de toepassing van de wijzigingen voortvloeit, opnemen in ingehouden winsten aan het begin van de vroegste vergelijkende periode die wordt gepresenteerd.


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/14


VERORDENING (EU) Nr. 634/2010 VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Ricotta di Bufala Campana (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Ricotta di Bufala Campana” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 260 van 30.10.2009, blz. 43.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.4.   Andere producten van dierlijke oorsprong (eieren, honing, diverse zuivelproducten met uitzondering van boter, enz.)

ITALIË

Ricotta di Bufala Campana (BOB)


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/16


VERORDENING (EU) Nr. 635/2010 VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2010

tot opening van de procedure voor de toewijzing van uitvoercertificaten voor kaas die in 2011 in het kader van bepaalde GATT-contingenten naar de Verenigde Staten van Amerika kan worden uitgevoerd

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 171, lid 1, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In hoofdstuk III, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 1187/2009 van de Commissie van 27 november 2009 tot vaststelling van specifieke bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad inzake de uitvoercertificaten en de uitvoerrestituties in de sector melk en zuivelproducten (2) is bepaald dat de uitvoercertificaten voor kaas die naar de Verenigde Staten van Amerika wordt uitgevoerd in het kader van de contingenten die voortvloeien uit de bij de multilaterale handelsbesprekingen gesloten overeenkomsten, kunnen worden toegewezen volgens een bijzondere procedure waarbij preferentiële importeurs in de Verenigde Staten van Amerika kunnen worden aangewezen.

(2)

Deze procedure moet voor de uitvoer voor 2011 worden geopend en de ter zake geldende aanvullende bepalingen moeten worden vastgesteld.

(3)

De bevoegde autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika maken bij het beheer van de invoer onderscheid tussen het extra contingent van de Europese Gemeenschap in het kader van de Uruguayronde en de contingenten die uit de Tokioronde zijn voortgekomen. Bij de toewijzing van de uitvoercertificaten moet worden nagegaan of de producten in aanmerking komen voor het betrokken contingent van de Verenigde Staten van Amerika zoals omschreven in het Harmonized Tariff Schedule of the United States of America.

(4)

Om ervoor te zorgen dat in het kader van de contingenten waarvoor de belangstelling matig is, de maximumhoeveelheid wordt uitgevoerd, dient te worden toegestaan dat voor dergelijke contingenten aanvragen worden ingediend die betrekking hebben op de totale hoeveelheid van het contingent.

(5)

Omwille van de rechtszekerheid en de duidelijkheid moet worden bepaald dat de toepassing van bij deze verordening vastgestelde bepalingen eind 2011 verstrijkt.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De uitvoercertificaten voor de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde producten van GN-code 0406 die in 2011 naar de Verenigde Staten van Amerika worden uitgevoerd in het kader van de in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1187/2009 bedoelde contingenten, worden afgegeven overeenkomstig hoofdstuk III, afdeling 2, van die verordening en overeenkomstig het bepaalde in de onderhavige verordening.

Artikel 2

1.   De certificaataanvragen zoals bedoeld in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1187/2009 (hierna „aanvragen” genoemd), worden in de periode van 1 tot en met 10 september 2010 bij de bevoegde autoriteiten ingediend.

2.   Aanvragen zijn slechts ontvankelijk als zij alle in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1187/2009 bedoelde gegevens bevatten en vergezeld gaan van de in dat artikel vermelde documenten.

Als de beschikbare hoeveelheid voor een in kolom 2 van bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde productgroep uit een contingent van de Uruguayronde en een contingent van de Tokioronde bestaat, mag de certificaataanvraag op slechts één van die contingenten betrekking hebben en moet dat contingent erin worden aangegeven door het nummer van de productgroep en de naam van het contingent zoals vermeld in kolom 3 van die bijlage te preciseren.

De in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1187/2009 bedoelde gegevens worden verstrekt volgens het model in bijlage II bij de onderhavige verordening.

3.   Voor de contingenten die in kolom 3 van bijlage I „22-Tokio”, „22-Uruguay”, „25-Tokio” en „25-Uruguay” worden genoemd, betreffen de aanvragen ten minste 10 t en ten hoogste de in het kader van het betrokken contingent beschikbare hoeveelheid zoals vermeld in kolom 4 van die bijlage.

Voor de overige in kolom 3 van bijlage I bedoelde contingenten betreffen de aanvragen ten minste 10 t en ten hoogste 40 % van de in het kader van het betrokken contingent beschikbare hoeveelheid zoals vermeld in kolom 4 van die bijlage.

4.   Een aanvraag is slechts ontvankelijk als de aanvrager schriftelijk verklaart dat hij geen andere aanvragen voor dezelfde productgroep en hetzelfde contingent heeft ingediend en ook niet zal indienen.

Als een aanvrager in één of meer lidstaten meer dan één aanvraag voor dezelfde productgroep en hetzelfde contingent indient, worden al zijn aanvragen als onontvankelijk beschouwd.

Artikel 3

1.   De lidstaten delen de Commissie binnen vijf werkdagen na afloop van de indieningstermijn mee welke aanvragen voor elke productgroep en, indien van toepassing, elk contingent zoals vermeld in bijlage I, zijn ingediend.

Alle mededelingen, inclusief de mededeling „nihil”, worden per fax of e-mail gedaan volgens het model in bijlage III.

2.   Voor elke groep en, indien van toepassing, elk contingent worden de volgende gegevens meegedeeld:

a)

de lijst van de aanvragers;

b)

de door elke aanvrager aangevraagde hoeveelheden per productcode van de gecombineerde nomenclatuur en per code volgens het Harmonized Tariff Schedule of the United States of America (2010);

c)

de naam en het adres van de door de aanvrager aangewezen importeur.

Artikel 4

De Commissie wijst de certificaten onverwijld toe op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1187/2009 en stelt de lidstaten uiterlijk op 31 oktober 2010 in kennis van de toewijzing.

Binnen vijf werkdagen na de bekendmaking van de toewijzingscoëfficiënten delen de lidstaten de Commissie voor elke productgroep en, indien van toepassing, elk contingent de hoeveelheden per aanvrager mee die overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1187/2009 zijn toegewezen.

Deze mededeling wordt per fax of e-mail gedaan volgens het model in bijlage IV bij de onderhavige verordening.

Artikel 5

De overeenkomstig artikel 3 van de onderhavige verordening en artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1187/2009 meegedeelde gegevens worden vóór de afgifte van de certificaten en uiterlijk op 15 december 2010 door de lidstaten geverifieerd.

Als wordt geconstateerd dat een marktdeelnemer aan wie een certificaat is afgegeven, onjuiste gegevens heeft verstrekt, wordt het certificaat geannuleerd en wordt de zekerheid verbeurd. De lidstaten stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij vervalt op 31 december 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 318 van 4.12.2009, blz. 1.


BIJLAGE I

Kaas die in 2011 in het kader van bepaalde GATT-contingenten naar de Verenigde Staten van Amerika kan worden uitgevoerd

Hoofdstuk III, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 1187/2009 en Verordening (EU) nr. 635/2010

Productgroep zoals aangegeven in de aanvullende aantekeningen bij hoofdstuk 4 van het Harmonised Tariff Schedule of the United States

Nummer productgroep en naam contingent

Voor 2011 beschikbare hoeveelheid

Betrokken aantekening

Omschrijving productgroep

 

kg

(1)

(2)

(3)

(4)

16

Not specifically provided for (NSPF)

16-Tokio

908 877

16-Uruguay

3 446 000

17

Blue Mould

17

350 000

18

Cheddar

18

1 050 000

20

Edam/Gouda

20

1 100 000

21

Italian type

21

2 025 000

22

Swiss or Emmenthaler cheese other than with eye formation

22-Tokio

393 006

22-Uruguay

380 000

25

Swiss or Emmenthaler cheese with eye formation

25-Tokio

4 003 172

25-Uruguay

2 420 000


BIJLAGE II

Op grond van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1187/2009 te verstrekken gegevens

Nummer van de productgroep en naam van het contingent zoals vermeld in kolom 3 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 635/2010:

 

Omschrijving van de productgroep zoals vermeld in kolom 2 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 635/2010: …

Oorsprong van het contingent:

Uruguayronde: 

Tokioronde: 


Naam en adres van de aanvrager

Productcode van de gecombineerde nomenclatuur

Aangevraagde hoeveelheid in kg

Code van het Harmonised Tariff

Schedule of the Verenigde Staten van Amerika

Naam en adres van de aangewezen importeur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal:

 

 


BIJLAGE III

Op grond van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 635/2010 te verstrekken gegevens

Nummer van de productgroep en naam van het contingent zoals vermeld in kolom 3 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 635/2010:

 

Omschrijving van de productgroep zoals vermeld in kolom 2 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 635/2010:…

Oorsprong van het contingent:

Uruguayronde: 

Tokioronde: 


Nr.

Naam en adres van de aanvrager

Productcode van de gecombineerde nomenclatuur

Aangevraagde hoeveelheid in kg

Code van het Harmonised Tariff Schedule of the Verenigde Staten van Amerika

Naam en adres van de aangewezen importeur

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal:

 

 

2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal:

 

 

3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal:

 

 

4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal:

 

 

5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal:

 

 


BIJLAGE IV

Overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1187/2009 toegewezen certificaten

Nummer van de productgroep en naam van het contingent zoals vermeld in kolom 3 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 635/2010

Oorsprong van het contingent

Naam en adres van de aanvrager

Productcode van de gecombineerde nomenclatuur

Aangevraagde hoeveelheid

in kg

Naam en adres van de aangewezen importeur

Toegewezen hoeveelheid (1)

in kg

 

Uruguayronde

 

 

 

 

 

 

 

 

Tokioronde

 

 

 

Totaal:

 

Totaal:

 

 

Uruguayronde

 

 

 

 

 

 

 

 

Tokioronde

 

 

 

Totaal:

 

Totaal:

 

 

Uruguayronde

 

 

 

 

 

 

 

 

Tokioronde

 

 

 

Totaal:

 

Totaal:

 


(1)  De door loting toegewezen hoeveelheden worden over de afzonderlijke GN-codes verdeeld naar evenredigheid van de per GN-code aangevraagde hoeveelheden product.


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/22


VERORDENING (EU) Nr. 636/2010 VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 20 juli 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

22,1

TR

89,8

ZZ

56,0

0707 00 05

MK

41,0

TR

105,8

ZZ

73,4

0709 90 70

TR

92,6

ZZ

92,6

0805 50 10

AR

86,4

UY

57,6

ZA

86,4

ZZ

76,8

0808 10 80

AR

78,8

BR

80,2

CL

75,9

CN

80,8

NZ

109,5

US

107,2

UY

116,3

ZA

95,0

ZZ

93,0

0808 20 50

AR

76,4

CL

121,8

CN

98,4

NZ

176,5

ZA

93,1

ZZ

113,2

0809 10 00

TR

193,7

ZZ

193,7

0809 20 95

CL

150,0

TR

270,8

US

769,6

ZZ

396,8

0809 30

AR

130,0

TR

158,7

ZZ

144,4

0809 40 05

BR

123,2

IL

165,9

TR

126,3

ZZ

138,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/24


VERORDENING (EU) Nr. 637/2010 VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2010

houdende schorsing van de indiening van invoercertificaataanvragen voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 891/2009 van de Commissie van 25 september 2009 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van bepaalde communautaire tariefcontingenten in de sector suiker (2), en met name op artikel 5, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De hoeveelheden waarop de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 891/2009 in de periode van 1 tot en met 7 juli 2010 bij de bevoegde autoriteiten ingediende invoercertificaataanvragen betrekking hebben, zijn gelijk aan de onder het volgnummer 09.4325 beschikbare hoeveelheden.

(2)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 891/2009 dient de indiening van nieuwe aanvragen van certificaten voor het volgnummer 09.4325 te worden geschorst tot het einde van het verkoopseizoen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De indiening van nieuwe certificaataaanvragen voor de in de bijlage vermelde volgnummers wordt geschorst tot het einde van het verkoopseizoen 2009/2010.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 254 van 26.9.2009, blz. 82.


BIJLAGE

SUIKER CXL-concessies

Verkoopseizoen 2009/2010

In de periode van 1.7.2010 tot en met 7.7.2010 ingediende aanvragen

Volgnummer

Land

Toewijzingscoëfficiënt

(%)

Nieuwe aanvragen

09.4317

Australië

 

09.4318

Brazilië

 

09.4319

Cuba

Geschorst

09.4320

Andere derde landen

Geschorst

09.4321

India

Geschorst

„—”

:

Niet van toepassing: de Commissie heeft geen enkele certificaataanvraag ontvangen.


Balkansuiker

Verkoopseizoen 2009/2010

In de periode van 1.7.2010 tot en met 7.7.2010 ingediende aanvragen

Volgnummer

Land

Toewijzingscoëfficiënt

(%)

Nieuwe aanvragen

09.4324

Albanië

 

09.4325

Bosnië en Herzegovina

 (2)

 

09.4326

Servië, Montenegro en Kosovo (1)

 (2)

 

09.4327

voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

 

09.4328

Kroatië

 (2)

 

„—”

:

Niet van toepassing: de Commissie heeft geen enkele certificaataanvraag ontvangen.


Suiker voor uitzonderlijke en suiker voor industriële invoer

Verkoopseizoen 2009/2010

In de periode van 1.7.2010 tot en met 7.7.2010 ingediende aanvragen

Volgnummer

Type invoer

Toewijzingscoëfficiënt

(%)

Nieuwe aanvragen

09.4380

Uitzonderlijke invoer

 

09.4390

Industriële invoer

 

„—”

:

Niet van toepassing: de Commissie heeft geen enkele certificaataanvraag ontvangen.


(1)  Kosovo als omschreven in Resolutie 1244/1999 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

(2)  Niet van toepassing: de aangevraagde hoeveelheden zijn niet groter dan de beschikbare hoeveelheden en worden derhalve volledig toegewezen.


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/26


VERORDENING (EU) Nr. 638/2010 VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2010

met betrekking tot invoercertificaten waarvoor de aanvragen in de eerste 7 dagen van juli 2010 zijn ingediend in het kader van het tariefcontingent voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit, dat wordt beheerd bij Verordening (EG) nr. 620/2009

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 620/2009 van de Commissie van 13 juli 2009 tot vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit (3) zijn voorschriften vastgesteld voor het indienen van invoercertificaataanvragen en het afgeven van invoercertificaten.

(2)

In artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 is bepaald dat, in het geval dat certificaataanvragen zijn ingediend voor een grotere hoeveelheid dan die welke beschikbaar is voor de invoertariefcontingentsperiode of de deelperiode daarvan, een toewijzingscoëfficiënt moet worden vastgesteld voor elk van de hoeveelheden waarvoor een certificaataanvraag is ingediend. De invoercertificaataanvragen die op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 620/2009 zijn ingediend tussen 1 en 7 juli 2010 hebben betrekking op een grotere dan de beschikbare hoeveelheid. Derhalve moet worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven en moet de toewijzingscoëfficiënt worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de invoercertificaataanvragen voor het contingent met volgnummer 09.4449 die in de periode van 1 tot en met 7 juli 2010 zijn ingediend overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 620/2009, wordt een toewijzingscoëfficiënt toegepast van 63,674825 %.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)  PB L 182 van 15.7.2009, blz. 25.


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/27


VERORDENING (EU) Nr. 639/2010 VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2010

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/10

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2009/10 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 877/2009 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 627/2010 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2009/10 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 877/2009 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 20 juli 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 253 van 25.9.2009, blz. 3.

(4)  PB L 182 van 16.7.2010, blz. 12.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 20 juli 2010

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

41,21

0,00

1701 11 90 (1)

41,21

2,54

1701 12 10 (1)

41,21

0,00

1701 12 90 (1)

41,21

2,24

1701 91 00 (2)

40,09

5,44

1701 99 10 (2)

40,09

2,31

1701 99 90 (2)

40,09

2,31

1702 90 95 (3)

0,40

0,28


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


BESLUITEN

20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/29


BESLUIT VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE

van 8 juli 2010

houdende benoeming van rechters van het Gerecht

(2010/400/EU)

DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 19,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name op de artikelen 254 en 255,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit hoofde van de bepalingen van de Verdragen moet om de drie jaar een gedeeltelijke vervanging van de rechters van het Gerecht plaatsvinden. Voor de periode van 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2016 moesten veertien rechters van het Gerecht worden benoemd.

(2)

Op 23 juni 2010 heeft de Conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten voor de bovengenoemde periode tien rechters van het Gerecht benoemd (1).

(3)

Om de gedeeltelijke vervanging van de rechters van het Gerecht te voltooien, dienen de regeringen van de lidstaten nog rechters op vier posten te benoemen.

(4)

De regeringen van de betrokken lidstaten hebben de verlenging van het mandaat van de heer Ottó CZÚCZ als rechter van het Gerecht, respectievelijk de benoeming van de heer Marc van der WOUDE voorgesteld. Het comité dat is ingesteld bij artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft advies uitgebracht over de geschiktheid van de twee bovengenoemde rechters voor de uitoefening van het ambt van rechter van het Gerecht. Hoewel de kandidaatstelling van de heer Ottó CZÚCZ was ingetrokken, heeft de regering van de betrokken lidstaat onlangs meegedeeld dat zij deze persoon voor een nieuw mandaat van rechter van het Gerecht voorstelt.

(5)

Derhalve dienen twee leden van het Gerecht te worden benoemd voor de periode van 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2016; de benoeming van de twee overige rechters volgt,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De heer Ottó CZÚCZ en de heer Marc van der WOUDE worden voor de periode van 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2016 benoemd tot rechters van het Gerecht.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

J. DE RUYT


(1)  Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van 23 juni 2010 houdende benoeming van rechters van het Gerecht (PB L 163 van 30.6.2010, blz. 41).


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/30


BESLUIT VAN DE RAAD

van 13 juli 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Cyprus

(2010/401/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 6, juncto artikel 126, lid 13 en artikel 136,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de opmerkingen van Cyprus,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126 van het Verdrag, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Het aan het Verdrag gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van genoemd protocol.

(4)

De hervorming in 2005 van het stabiliteits- en groeipact was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 126, lid 5, van het Verdrag moet de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 126, lid 3, en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 126, lid 4, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in Cyprus een buitensporig tekort bestaat. De Commissie heeft derhalve op 15 juni 2010 een dergelijk advies over Cyprus aan de Raad uitgebracht (3).

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van Cyprus leidt deze algehele evaluatie tot de volgende conclusies.

(7)

Volgens de gegevens die de Cypriotische autoriteiten in april 2010 hebben meegedeeld, bedroeg het overheidstekort in Cyprus in 2009 6,1 % van het bbp, waarmee het boven de referentiewaarde van 3 % van het bbp uitkwam. Het tekort lag niet dicht bij de referentiewaarde van 3 % van het bbp, maar de overschrijding van de referentiewaarde kan worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Zij vloeide met name voort uit een ernstige economische neergang in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Volgens de voorjaarsprognoses 2010 van de diensten van de Commissie zal het reële bbp in Cyprus verder krimpen, zij het in mindere mate, namelijk met bijna ½ % in 2010 in vergelijking met 1¾ % in 2009. De voorziene overschrijding van de referentiewaarde kan evenwel niet als tijdelijk worden beschouwd. Volgens de voorjaarsprognoses 2010 van de diensten van de Commissie zal het begrotingstekort in 2011 bij ongewijzigd beleid ongeveer 7¾ % van het bbp bedragen. Er is derhalve niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

Volgens in april 2010 door de Cypriotische autoriteiten meegedeelde gegevens ligt de bruto overheidsschuld met 56,2 % van het bbp in 2009 lager dan de referentiewaarde van 60 % van het bbp. Voor 2010 heeft Cyprus een geplande schuld van 62 % van het bbp aangemeld, waarmee deze boven de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 60 % van het bbp uitkomt. Volgens de voorjaarsprognoses 2010 van de diensten van de Commissie zal de schuld verder stijgen tot 62,3 % van het bbp in 2010 en 67,6 % van het bbp in 2011 als gevolg van een verslechterd primair saldo. Gezien deze tendensen kan niet worden gesteld dat de schuldquote in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Er is derhalve niet voldaan aan het schuldcriterium van het Verdrag.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde, namelijk dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van Cyprus is niet aan deze tweeledige voorwaarde voldaan. Derhalve wordt in de stappen die tot dit besluit leiden, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er op Cyprus een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Republiek Cyprus.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

D. REYNDERS


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor Cyprus zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/economy_finance/sgp/deficit/countries/index_en.htm


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/32


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2009

betreffende de steunmaatregel „vrijstelling van milieubelasting voor keramiekproducenten” die Nederland voornemens is ten uitvoer te leggen C 5/09 (ex N 210/08)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 9972)

(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/402/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde bepaling te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1) en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij brief van 24 april 2008 heeft Nederland zijn voornemen aangemeld om een vrijstelling van energiebelasting op aardgas in te voeren voor keramische producten. Bij brief van 6 juni 2008 heeft de Commissie om nadere inlichtingen verzocht, waarop Nederland bij brief van 16 september 2008 heeft geantwoord. Op 16 oktober 2008 heeft een bijeenkomst tussen de diensten van de Commissie en vertegenwoordigers van Nederland plaatsgevonden. De Commissie heeft bij brief van 17 november 2008 nog een aantal vragen gesteld, waarop Nederland bij brief van 19 december 2008 heeft geantwoord.

(2)

Bij brief van 11 februari 2009 heeft de Commissie Nederland meegedeeld dat zij had besloten de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (2) ten aanzien van de steunmaatregel in te leiden.

(3)

Het besluit van de Commissie om de procedure in te leiden is op 25 april 2009 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3). De Commissie heeft de belanghebbenden verzocht hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel te maken.

(4)

Nederland heeft op 26 mei 2009 zijn opmerkingen ingediend over het besluit van de Commissie om de procedure in te leiden.

(5)

De Commissie heeft opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. Zij heeft deze opmerkingen aan Nederland toegezonden, dat in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. De opmerkingen van Nederland zijn ontvangen bij brief van 7 juli 2009.

(6)

Op 7 oktober 2009 is een brief tot Nederland gericht om de procedurele stand van zaken te verduidelijken, waarbij Nederland beleefdheidshalve is verzocht om uiterlijk op 13 oktober 2009 de opmerkingen in te dienen waarvan het wenste dat de Commissie deze bij haar eindbesluit in aanmerking zou nemen.

(7)

Na een verzoek om uitstel van Nederland is deze termijn bij brief van 16 oktober 2009 verlengd tot 1 november 2009. Nederland heeft de Commissie geantwoord bij brief van 30 oktober 2009.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL

(8)

Nederland heft belasting op het verbruik van energieproducten overeenkomstig de Wet belastingen op milieugrondslag (4), waarbij een degressief tarief van toepassing is op basis van het consumptieniveau van de onderneming (5).

(9)

De steunmaatregel betreft de invoering van een belastingvrijstelling door Nederland voor de levering van aardgas dat in installaties voor de vervaardiging van keramische producten wordt gebruikt. De voorgenomen vrijstelling van energiebelasting heeft alleen betrekking op gas dat door de Nederlandse keramische industrie voor productiedoeleinden wordt gebruikt en is niet van toepassing op gas dat voor andere mineralogische procedés (6) in Nederland wordt gebruikt.

(10)

De voorgenomen vrijstelling zou worden ingevoerd door middel van een wijziging van de huidige wetgeving, de Wet belastingen op milieugrondslag.

(11)

Volgens de aanmelding bedragen de begrotingsmiddelen 4 miljoen EUR per jaar voor de jaren 2008-2013.

(12)

De duur van de maatregel is onbeperkt aangezien Nederland van oordeel is dat hij geen staatssteun inhoudt.

(13)

De begunstigden van deze maatregel zijn de ondernemingen die actief zijn in de keramische industrie in Nederland (7).

(14)

Nederland acht de belastingvrijstelling noodzakelijk om een „level playing field” voor de Nederlandse keramische industrie in de interne markt te herstellen. Nederland heeft hierbij verwezen naar de unieke positie van de Nederlandse keramische sector vergeleken met de concurrentie in de buurlanden. Wegens haar geografische ligging maakt de Nederlandse keramische industrie gebruik van natte klei, in tegenstelling tot de droge klei die in de omringende landen wordt gebruikt, waardoor meer energie nodig zou zijn om hetzelfde eindresultaat te bereiken. Bovendien zouden de concurrenten in bijvoorbeeld België, Duitsland en Zweden van een dergelijke energiebelasting zijn vrijgesteld.

(15)

Nederland heeft bevestigd dat de maatregel pas na goedkeuring van de Commissie in werking zou treden.

III.   INLEIDING VAN DE PROCEDURE

(16)

De Commissie betwijfelde of de voorgenomen steunmaatregel verenigbaar zou zijn met de interne markt omdat zij in eerste instantie van oordeel was dat de belastingvrijstelling ten gunste van de Nederlandse keramische industrie niet gerechtvaardigd was op basis van de aard en de opzet van het nationale belastingstelsel. De maatregel werd geacht selectief te zijn omdat alleen de keramische industrie in Nederland ervan zou profiteren en de vrijstelling met staatsmiddelen zou worden bekostigd. Bovendien was de Commissie van oordeel dat de maatregel de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen en de handel tussen de lidstaten ongunstig zou beïnvloeden aangezien de voorgenomen belastingvrijstelling rechtstreekse gevolgen heeft voor de productiekosten en bijgevolg de concurrentiepositie van de begunstigden op de relevante productmarkten in de keramische sector waarop zij actief zijn en waarop handel tussen de lidstaten plaatsvindt, verbetert. Omdat zij meende dat de maatregel staatssteun aan de Nederlandse keramische sector inhield, stelde de Commissie vast dat dergelijke steun alleen kon worden goedgekeurd indien hoofdstuk 4 („Steun in de vorm van verlagingen of vrijstellingen van milieubelastingen”) van de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor de milieubescherming (8), hierna „richtsnoeren milieusteun” genoemd, in acht werd genomen. Aangezien Nederland niet de nodige informatie had verstrekt om de maatregel in het licht van dat hoofdstuk te kunnen beoordelen, kon de Commissie de verenigbaarheid van de maatregel niet bevestigen en heeft zij Nederland in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure.

IV.   OPMERKINGEN VAN NEDERLAND

(17)

Nederland heeft de zaak voornamelijk aangemeld omwille van de rechtszekerheid en heeft de Commissie verzocht een besluit vast te stellen waarin zij oordeelde dat er geen sprake is van steun.

(18)

Nederland is van mening dat het selectieve karakter van de vrijstelling wordt gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het nationale belastingstelsel.

(19)

Nederland heeft verklaard dat de energiebelasting ten doel heeft elektriciteit te belasten evenals energieproducten die worden gebruikt als verwarmings- of motorbrandstof. Nederland acht het dan ook conform de aard en de opzet van het onderliggende referentiekader, namelijk het geldende energiebelastingstelsel, om in de energiebelasting een vrijstelling op te nemen voor een procedé waarbij aardgas niet wordt gebruikt als verwarmings- of motorbrandstof. Daarom bevat de energiebelastingwetgeving een vrijstelling voor de levering van aardgas dat voor andere doeleinden dan als brandstof wordt gebruikt (9). Evenzo is de levering van elektriciteit voor procedés voor duaal gebruik zoals chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procedés, vrijgesteld van energiebelasting (10). Verder heeft Nederland verklaard dat de Nederlandse wetgeving inzake kolenbelasting een vrijstelling bevat voor kolen die niet als brandstof of die duaal worden gebruikt (11). Nederland acht het passend een belastingvrijstelling toe te voegen voor de levering van aardgas dat in installaties voor de vervaardiging van keramische producten wordt gebruikt. Het keramische procedé is volgens Nederland vergelijkbaar is met een gemengd procedé omdat aardgas niet uitsluitend als verwarmings- of motorbrandstof wordt gebruikt. Voorts heeft Nederland erop gewezen dat de belastingvrijstelling voor de levering van aardgas dat in installaties voor de vervaardiging van keramische producten wordt gebruikt, zou worden opgenomen in een gewijzigde versie van artikel 64 van de Wet belastingen op milieugrondslag, die ook de vrijstelling voor andere vormen van duaal gebruik bevat.

(20)

Onder verwijzing naar artikel 2, lid 4, onder b), van de „richtlijn energiebelasting” genoemd, en de Notulen van de Raad betreffende die richtlijn (12), heeft Nederland betoogd dat het zijns inziens strookt met de aard en de opzet van het Nederlandse energiebelastingstelsel om een bepaling aan de nationale wetgeving toe te voegen die vrijstelling verleent voor de levering van aardgas dat voor het betrokken mineralogische procedé, de vervaardiging van keramiek, wordt gebruikt.

(21)

Volgens Nederland zou het passend zijn de vrijstelling uitsluitend in te voeren voor keramische procedés, en niet voor alle mineralogische procedés, omdat het traditionele keramische procedé zich van andere mineralogische procedés onderscheidt doordat het onomkeerbaar is (klei verandert in keramiek).

(22)

Bovendien heeft Nederland gewezen op de unieke positie van de Nederlandse keramieksector vergeleken met de concurrentie in de buurlanden. Wegens haar geografische ligging maakt de Nederlandse keramische industrie gebruik van natte klei (die zijn oorsprong vindt in de Alpen en zich afzet in de rivieren in Nederland), in tegenstelling tot de droge klei die in de omringende landen wordt gebruikt, waardoor meer energie nodig zou zijn om hetzelfde eindresultaat te bereiken (13).

(23)

Bovendien zijn volgens Nederland de concurrenten in bijvoorbeeld België, Duitsland en Zweden vrijgesteld van energiebelasting. Verder wordt gesteld dat in Nederland de tarieven voor het gebruik van aardgas hoog zijn. Ook in dit opzicht zou de Nederlandse keramische industrie in een nadelige positie verkeren vergeleken met de keramiekproducenten in de omringende landen.

(24)

Volgens Nederland blijkt uit het bovenstaande dat het selectieve karakter van de vrijstelling gerechtvaardigd is door de aard en de opzet van het nationale energiebelastingstelsel. Daarom is Nederland van mening dat de belastingvrijstelling in kwestie geen steunmaatregel vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

(25)

Met de voorgenomen belastingvrijstelling zou volgens Nederland het vermeende nadeel voor de Nederlandse keramische industrie tot op zekere hoogte worden ondervangen, waarbij het „level playing field” voor deze industrie in de interne markt ten dele hersteld zou worden.

(26)

Subsidiair heeft Nederland om goedkeuring van de steunmaatregel verzocht op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. De maatregel wordt noodzakelijk geacht wegens de ongelijke concurrentievoorwaarden in de interne markt. De maatregel wordt evenredig geacht omdat hij alleen geldt voor aardgas dat in de installaties wordt gebruikt en niet voor de elektriciteit die wordt gebruikt voor de vervaardiging van keramische producten. Het nadeel voor de sector zal derhalve slechts ten dele worden gecompenseerd, en daarom wordt de maatregel evenredig geacht. Ten slotte zal de steun volgens Nederland niet tot een onverenigbare vervalsing van de mededinging in de interne markt leiden.

(27)

Afgezien van het voorafgaande heeft Nederland erop gewezen dat de richtlijn energiebelasting niet van toepassing is op mineralogische procedés, en wel omdat het in de aard en de opzet van het belastingstelsel ligt om mineralogische procedés van de werkingssfeer van deze richtlijn uit te sluiten. Dientengevolge zijn de lidstaten volgens Nederland vrij om te beslissen of zij deze vormen van energiegebruik al dan niet belasten. De voorgenomen maatregel zou niet tot vervalsing van de mededinging leiden, maar wel tot een grotere harmonisatie van de belastingen op energieproducten, en zou het gemeenschappelijk belang ten goede komen.

V.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(28)

De branche-organisatie Stichting Verenigde Keramische Organisaties (VKO) heeft opmerkingen ingediend over het besluit van de Commissie om de procedure in te leiden. Zij deelt de mening van Nederland dat de belastingvrijstelling gerechtvaardigd is op grond van de aard en de opzet van het nationale belastingstelsel, en dat de maatregel dan ook geen staatssteun inhoudt. De opmerkingen van VKO zijn vergelijkbaar met die van Nederland. Evenals Nederland meent VKO dat de belastingvrijstelling niet kan worden beschouwd als een milieumaatregel, omdat er geen milieudoelstelling mee wordt beoogd. Daarom zou het volgens VKO niet correct zijn om de maatregel te beoordelen in het licht van de richtsnoeren milieusteun.

VI.   BEOORDELING VAN DE STEUN

(29)

Krachtens artikel 107, lid 1, VWEU zijn „steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”.

(30)

Volgens Nederland levert de maatregel geen voordeel op, maar wordt door de maatregel het nadeel voor de Nederlandse keramische industrie beperkt.

(31)

De Commissie is van mening dat de belastingvrijstelling een voordeel oplevert voor de bedrijven die in de keramische sector in Nederland actief zijn en die van de belastingvermindering zouden profiteren, omdat hierdoor de lasten worden verlicht die normaal deel uitmaken van de exploitatiekosten van de betrokken ondernemingen (14).

(32)

Nederland meent dat de maatregel niet met staatsmiddelen wordt bekostigd, omdat de financiering van de vrijstelling begrotingsneutraal zou zijn (15). Er zouden derhalve geen staatsmiddelen mee gemoeid zijn. Een soortgelijk argument werd door VKO aangevoerd.

(33)

Volgens de Commissie moet de maatregel, aangezien deze een door de Nederlandse staat gefinancierd belastingvoordeel betreft, als een derving van staatsmiddelen worden beschouwd. Met andere woorden, de voorgenomen belastingvrijstelling leidt tot een verlies van belastinginkomsten voor de Nederlandse staat. Zelfs indien de financiering van de vrijstelling indirect zou worden gecompenseerd door een verhoging van het tarief van de energiebelasting op aardgas in de hoogste schijf, blijft deze conclusie onveranderd. De Commissie merkt op dat Nederland zelf heeft erkend dat de maatregel, vergeleken met het huidige belastingstelsel, een geraamd voordeel oplevert van 4 miljoen EUR per jaar, zonder dat hier enige compensatie van de kant van de begunstigden tegenover staat (16). De voorgenomen maatregel moet aan Nederland worden toegerekend, aangezien hij rechtstreeks voortvloeit uit een wijziging van de geldende nationale wetgeving.

(34)

Omdat energieverbruik voor mineralogische procedés en sommige andere gebruiksvormen van energieproducten en elektriciteit overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de richtlijn energiebelasting van de werkingssfeer van die richtlijn zijn uitgesloten, is het aan de lidstaten zelf om te beslissen of zij dergelijke procedés al dan niet belasten en zo ja, of zij deze procedés volledig of gedeeltelijk belasten. Hoe dan ook, en ongeacht de bepalingen van die richtlijn, blijven de lidstaten gebonden aan het „acquis” op het gebied van staatssteun. Dit betekent dat de selectiviteit van de onderhavige maatregel, en dus ook de aanwezigheid van staatssteun, moet worden beoordeeld in het licht van de nationale energiebelastingwetgeving.

(35)

Er is recente rechtspraak (17) over de interpretatie van selectiviteit. In het Gibraltar-arrest werd een standaard staatssteunanalyse in belastingzaken erkend. Het Gerecht verduidelijkte dat deze analyse moet bestaan uit: i) de bepaling van het referentiekader, ii) de bepaling van de afwijking van dat referentiekader en iii) de eventuele rechtvaardiging van de afwijking door de aard en de algemene opzet van het stelsel (en met name of de afwijking rechtstreeks voortvloeit uit de basis- of hoofdbeginselen van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat).

(36)

Nederland heeft verklaard dat het Nederlandse energiebelastingstelsel (het referentiekader) erop is gericht elektriciteit te belasten alsmede energieproducten die als verwarmings- of motorbrandstof worden gebruikt. Daarom is Nederland van oordeel dat het feit dat bepaalde soorten gebruik vrijgesteld zijn van belasting in overeenstemming is met de aard en de opzet van het Nederlandse energiebelastingstelsel, zoals in overweging 19 reeds is uiteengezet. De voorgenomen bijkomende vrijstelling voor keramische procedés strookt volgens Nederland met deze opzet.

(37)

Verder heeft Nederland betoogd dat de afwijking van het referentiekader, dat wil zeggen de afwijkende fiscale behandeling ten gunste van de keramische sector, gerechtvaardigd is op grond van het objectieve onderscheid tussen de grondstof die wordt gebruikt voor de vervaardiging van keramische producten en de stoffen die worden gebruikt bij andere mineralogische procedés. In tegenstelling tot andere mineralogische procedés is het traditionele keramische procedé onomkeerbaar.

(38)

De Commissie heeft in het verleden reeds vrijstellingen van energiebelastingen voor mineralogische procedés beoordeeld, en wel in haar besluit in zaak N 820/06 van 7 februari 2007 inzake belastingvrijstelling voor bepaalde energie-intensieve procedés in Duitsland. De Commissie oordeelde dat die maatregel geen staatssteun vormde. De Commissie bestudeerde in het bijzonder de onderliggende opzet van het Duitse energiebelastingstelsel, die strookte met de opzet van de richtlijn energiebelasting om uitsluitend brandstof te belasten die gebruikt wordt als verwarmings- of motorbrandstof. Duitsland verleende consequent vrijstelling voor alle vormen van duaal gebruik en alle gangbare mineralogische procedés in de zin van die richtlijn, en volgde dezelfde opzet in zijn gehele energiebelastingstelsel. Om die reden was de Commissie van oordeel dat de belastingvrijstelling overeenstemde met de aard en de opzet van het nationale energiebelastingstelsel.

(39)

Aangezien de aangemelde belastingvrijstelling alleen op de Nederlandse keramische industrie van toepassing is, en in tegenstelling tot de Duitse maatregel niet voor alle mineralogische procedés geldt, is de Commissie er niet van overtuigd dat de voorgenomen belastingvrijstelling rechtstreeks voortvloeit uit de basis- of hoofdbeginselen van het geldende Nederlandse nationale energiebelastingstelsel. De redenering van Nederland — en van VKO — dat er een objectief onderscheid is tussen de grondstof die wordt gebruikt voor de vervaardiging van keramische producten en de stoffen die in andere mineralogische procedés worden gebruikt (18), en daarmee verband houdende onomkeerbaarheid van het procedé, kan op basis van de opzet van het onderliggende nationale energiebelastingstelsel niet verklaren waarom andere mineralogische procedés waarbij tijdens het productieproces ook van aardgas gebruik wordt gemaakt — zoals de vervaardiging van glas — niet in aanmerking zouden komen voor de belastingvrijstelling. Bovendien moet, zoals in overweging 22 van de richtlijn energiebelasting wordt opgemerkt, op energieproducten in wezen een communautair regelgevingskader van toepassing zijn wanneer deze als verwarmingsbrandstof of als motorbrandstof worden gebruikt. In die geest zijn mineralogische procedés overeenkomstig artikel 2, lid 4, uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn. Bij die procedés zou brandstof niet voor brandstof- of verwarmingsdoeleinden worden gebruikt, maar om het chemisch proces te ondersteunen. Het gemeenschappelijke element voor de uitsluiting van alle mineralogische procedés van de werkingssfeer van de richtlijn energiebelasting is dan ook dat brandstof voor het chemisch proces en niet zozeer als verwarmings- of motorbrandstof wordt gebruikt. Een belastingvrijstelling voor de betrokken procedés (19) kan alleen worden gerechtvaardigd indien deze van toepassing is op alle mineralogische procedés „over de hele linie”, waardoor een consistente behandeling van alle mineralogische procedés wordt gewaarborgd (20). Zoals aangegeven, stemt dit overeen met de door de Commissie in zaak N820/06 gevolgde redenering. De vraag of er bij verschillende mineralogische procedés verschillende grondstoffen worden gebruikt, en het feit dat het keramische procedé onomkeerbaar is, doen in dit verband niet ter zake.

(40)

Verder blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de wetgeving dat de voorgenomen maatregel bedoeld is om de internationale mededingingspositie van de Nederlandse keramische industrie te verbeteren (21). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het feit dat een maatregel lasten van de ondernemingen in de betrokken sector beter zou afstemmen op die van hun concurrenten in andere lidstaten, niet betekent dat de maatregel geen steunmaatregel vormt (22).

(41)

De Commissie stelt dan ook vast dat de belastingvrijstelling selectief is doordat zij bepaalde producties en, de facto, bepaalde ondernemingen begunstigt, en niet kan worden gerechtvaardigd op basis van de opzet van het nationale energiebelastingstelsel.

(42)

VKO heeft de conclusie van de Commissie betwist dat de voorgenomen maatregel de mededinging op de relevante markten in de keramische sector vervalst of dreigt te vervalsen omdat hiermee een groot deel van de exploitatiekosten worden gedekt, waardoor de begunstigde een lagere prijs voor zijn keramische producten in rekening zou kunnen brengen. Volgens VKO bedragen de kosten voor de levering en het gebruik van energie een veelvoud van de kosten van de energiebelasting.

(43)

De Commissie acht dit argument irrelevant. Zij herinnert er in dit verband aan dat, volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, een verbetering van de mededingingspositie van een onderneming als gevolg van staatssteun gewoonlijk impliceert dat de mededinging met andere ondernemingen die dergelijke steun niet hebben ontvangen, wordt vervalst (23). Bovendien valt een maatregel reeds onder artikel 107, lid 1, VWEU, indien deze „de mededinging dreigt te vervalsen”. De onderhavige belastingvrijstelling kan de mededinging op de keramische markten vervalsen omdat zij een daling van de exploitatiekosten van de begunstigden met zich brengt. Daarnaast zij eraan herinnerd dat het juist de bedoeling van de voorgenomen maatregel is om de internationale mededingingspositie van de keramische industrie in Nederland te verbeteren. Nederland heeft betoogd dat de belastingvrijstelling, althans tot op zekere hoogte, het „level playing field” voor deze sector in de interne markt zou herstellen. Logischerwijze moet hieruit worden geconcludeerd dat de maatregel, zelfs zonder gedetailleerde gegevens ter staving van het effect ervan op de concurrentieverhouding in de keramische sector, de mededinging in de relevante keramische markten zou kunnen vervalsen.

(44)

Nederland heeft verklaard dat de baksteenindustrie in Nederland, die 85-90 % van het aardgas- en energieverbruik van de Nederlandse keramische industrie voor haar rekening neemt, werkt biedt aan circa 1 500 personen. Deze subsector had in 2008 een omzet van ongeveer 370 miljoen EUR. De Nederlandse baksteenindustrie exporteert ongeveer 20 % van de jaarlijkse productie, terwijl de invoer 8 % van de Nederlandse jaarproductie beloopt. In verband met het gewicht van de bakstenen wordt de relevante markt bepaald als een cirkel van ongeveer 250 km rond de baksteenfabriek. De relevante concurrerende markten voor deze subsector zijn derhalve het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en België.

(45)

Bij brief van 26 mei 2009 heeft Nederland de Commissie verzocht haar conclusie dat de voorgenomen maatregel de mededinging op de relevante markten in de keramische sector vervalst of dreigt te vervalsen te kwantificeren en te staven, zulks onder verwijzing naar gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die Nederland in de eerste fase van het onderzoek aan de Commissie had voorgelegd. In het bijzonder betreft dit de in de tabellen 1 en 2 weergegeven invoer- en uitvoergegevens voor bakstenen.

Tabel 1

Uitvoer van Nederlandse bakstenen naar Duitsland en België

Jaar

Percentage

Aandeel in EUR

2007

59 % van een totaal van 255 miljoen EUR

150 miljoen

2006

64 % van een totaal van 234 miljoen EUR

150 miljoen

2005

68 % van een totaal van 213 miljoen EUR

145 miljoen

2004

74 % van een totaal van 242 miljoen EUR

180 miljoen

2003

82 % van een totaal van 234 miljoen EUR

191 miljoen

2002

80 % van een totaal van 183 miljoen EUR

146 miljoen

2001

95 % van een totaal van 189 miljoen EUR

180 miljoen

(46)

Volgens Nederland moeten in samenhang met de in tabel 1 weergegeven cijfers de volgende omstandigheden in overweging worden genomen. Aan het begin van deze eeuw stagneerde de woningbouwmarkt in Duitsland en Nederland sterk (in 2000/2001 noteerde de Duitse baksteenindustrie een daling van de omzet en verkoop van minstens 20 %). Daarna verbeterde de situatie op de Nederlandse en Duitse woningbouwmarkt, met pieken in 2006 en 2007. Volgens Nederland blijkt uit gegevens van het Duitse Ziegelverband dat de Duitse industrie vanaf 2004/2005 begon te herstellen. Uit de ingediende CBS-gegevens blijkt echter volgens Nederland dat de uitvoer van Nederlandse baksteen naar Duitsland sindsdien achterop is geraakt. Kortom, ondanks de aanzienlijke verliezen van zowel de Duitse als de Nederlandse industrie op de Duitse markt aan het begin van de eeuw, heeft de Duitse baksteenindustrie van het herstel van de huizenmarkt in Duitsland geprofiteerd, in tegenstelling tot de Nederlandse baksteenproducenten. Volgens Nederland wordt dit bevestigd door de in tabel 2 weergegeven cijfers over de invoer vanuit Duitsland.

Tabel 2

Invoer in Nederland vanuit Duitsland

Jaar

Percentage

Aandeel in EUR

2007

42 % van een totaal van 91 miljoen EUR

36 miljoen

2006

25 % van een totaal van 101 miljoen EUR

25 miljoen

2005

22 % van een totaal van 82 miljoen EUR

18 miljoen

2004

17 % van een totaal van 121 miljoen EUR

21 miljoen

2003

16 % van een totaal van 110 miljoen EUR

18 miljoen

2002

18 % van een totaal van 107 miljoen EUR

20 miljoen

2001

11 % van een totaal van 124 miljoen EUR

14 miljoen

2000

12 % van een totaal van 155 miljoen EUR

19 miljoen

(47)

Nederland heeft erop gewezen dat uit de in tabel 2 weergegeven cijfers een sterke groei van de invoer van Duitse baksteen in Nederland vanaf 2006/2007 blijkt. Uit de door Nederland voor het eerste kwartaal van 2008 ingediende cijfers blijkt dat deze trend zich doorzet. Volgens Nederland profiteert de Duitse keramische sector sinds augustus 2006 van een energiebelastingvrijstelling, die van kracht werd op 1 januari 2004.

Tabel 3

Uitvoer van Nederland naar andere markten dan België en Duitsland (vooral het Verenigd Koninkrijk en Ierland)

Jaar

Percentage

Aandeel in EUR

2007

40 % van een totaal van 255 miljoen EUR

102 miljoen

2006

37 % van een totaal van 234 miljoen EUR

86 miljoen

2005

32 % van een totaal van 213 miljoen EUR

68 miljoen

2004

17 % van een totaal van 242 miljoen EUR

41 miljoen

2003

10 % van een totaal van 234 miljoen EUR

23 miljoen

2002

18 % van een totaal van 183 miljoen EUR

32 miljoen

2001

12 % van een totaal van 189 miljoen EUR

23 miljoen

(48)

Ten aanzien van de in tabel 3 weergegeven cijfers heeft Nederland opgemerkt dat de bijzonder gunstige wisselkoers (pond sterling — euro) een belangrijke verklaring vormt voor de toegenomen export naar deze landen. Deze factor zou ook de hoge vervoerskosten compenseren.

(49)

De Commissie erkent dat uit deze gegevens een afnemende betekenis van Duitsland en België als exportbestemmingen voor Nederlandse baksteen in de jaren 1998-2007 blijkt, dat de omvang van Duitse baksteenimport in Nederland in de jaren 2000-2007 is gedaald, en dat de uitvoer naar andere landen dan Duitsland en België (vooral het Verenigd Koninkrijk en Ierland) in de periode 2001-2007 is toegenomen. Voor wat betreft de cijfers die voor andere landen zijn opgegeven, voornamelijk voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland, wordt de gestegen export vooral verklaard door de gunstige wisselkoers.

(50)

Hoewel deze gegevens informatief zijn ten aanzien van de handelsstromen tussen Nederland en zijn buurlanden Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk in het baksteensegment, kan er niet uit worden afgeleid dat de steunmaatregel de mededinging op de relevante markten in de keramische industrie niet zou kunnen vervalsen. Zoals opgemerkt valt een maatregel reeds onder artikel 107, lid 1, VWEU als hij tot een dergelijke vervalsing zou kunnen leiden.

(51)

De maatregel zal het handelsverkeer tussen de lidstaten waarschijnlijk ongunstig beïnvloeden, omdat keramische producten internationaal worden verhandeld, zoals de in de tabellen 1, 2 en 3 weergegeven door Nederland verstrekte statistische gegevens bevestigen.

(52)

Gelet op het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de aangemelde maatregel als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU moet worden aangemerkt.

(53)

Nederland is zijn verplichtingen krachtens artikel 108, lid 3, VWEU nagekomen door de steunmaatregel aan te melden alvorens deze ten uitvoer te leggen.

(54)

De Commissie meent dat de voorgenomen vrijstelling moet worden beoordeeld op grond van de richtsnoeren milieusteun. Hoofdstuk 4 van de richtsnoeren milieusteun — „Steun in de vorm van verlagingen of vrijstellingen van milieubelastingen” — behandelt expliciet het soort vrijstelling van milieubelasting waarop deze aanmelding betrekking heeft. Hoofdstuk 4 van de richtsnoeren milieusteun moet voor de beoordeling van de onderhavige belastingvrijstelling als uitputtend worden beschouwd. De maatregel kan derhalve niet worden beoordeeld op basis van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, zoals door Nederland was bepleit.

(55)

Nederland is het met de Commissie eens dat de voorgenomen maatregel moet worden aangemerkt als een vrijstelling van een milieubelasting in de zin van de richtsnoeren milieusteun (24). Niettemin meent Nederland dat de maatregel hiermee nog niet in het toepassingsgebied van de richsnoeren milieusteun valt. Volgens Nederland is niet voldaan aan de voorwaarde van punt 151 van die richtsnoeren dat de maatregel „ten minste indirect bijdraagt tot de verbetering van het niveau van milieubescherming”, omdat de voorgenomen vrijstelling dit doel niet beoogt.

(56)

Deze redenering kan niet worden aanvaard. Zowel uit de titel van hoofdstuk 4 van de richtsnoeren milieusteun („Steun in de vorm van verlagingen of vrijstellingen van milieubelasting”) als uit het eerste deel van punt 151 — dat identiek is — blijkt, dat dit hoofdstuk op de voorgenomen steunmaatregel van toepassing is. In dat hoofdstuk wordt nauwkeurig bepaald onder welke voorwaarden vrijstellingen van milieubelastingen als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd. Punt 151 van de richtsnoeren milieusteun is een algemene verenigbaarheidsvoorwaarde voor vrijstellingen van milieubelastingen krachtens hoofdstuk 4 van de richtsnoeren milieusteun. Zoals in punt 151 wordt opgemerkt, kan een steunmaatregel alleen verenigbaar worden verklaard indien deze „ten minste indirect bijdraagt tot de verbetering van het niveau van milieubescherming”.

(57)

Om de grondgedachte achter punt 151 van de richtsnoeren milieusteun toe te lichten merkt de Commissie op dat een voorgenomen vrijstelling van milieubelasting het mogelijk kan maken hogere nationale milieubelastingen vast te stellen of te handhaven voor andere ondernemingen waardoor ten minste een indirect gunstig milieueffect zou worden bereikt (25). De Commissie begrijpt geen van de argumenten van Nederland en VKO waar zij betogen dat de voorgenomen vrijstelling zou bijdragen tot de voortzetting van de toepassing van de betrokken Nederlandse milieubelasting. Nederland betoogt weliswaar dat het belastingtarief in de hoogste schijf gelijktijdig met de inwerkingtreding van de voorgenomen vrijstelling zou worden verhoogd, maar beroept zich op dit feit alsof hieruit zou blijken dat de voorgenomen vrijstelling niet tot een verlies aan staatsmiddelen leidt, en lijkt zelfs niet te stellen dat de voorgenomen vrijstelling noodzakelijk is om een dergelijke verhoging te kunnen doorvoeren. Er is derhalve niet aangetoond dat aan punt 151 van de richtsnoeren milieusteun is voldaan.

(58)

Nederland is verzocht om relevante informatie te verstrekken om de Commissie in staat te stellen de verenigbaarheid van de steun te beoordelen op basis van de relevante criteria van hoofdstuk 4 van de richtsnoeren milieusteun, met name wat betreft de noodzaak en de evenredigheid van de steun en de gevolgen ervan voor de keramische sector, zoals vereist in de punten 155-159 van de richtsnoeren (26).

(59)

Wat de noodzaak van de steun betreft, heeft de Commissie een aantal specifieke vragen gesteld om te kunnen onderzoeken of een aanzienlijke toename van de productiekosten van de Nederlandse keramische industrie (ten gevolge van de milieubelasting) kan worden doorberekend aan de klanten zonder dat dit leidt tot een aanzienlijke daling van de verkoop. Verder werd om informatie verzocht over met name: de verkoopcijfers van de keramische industrie op de relevante markten in de afgelopen 10 jaar, het tarief van de energiebelasting alsmede het totale betaalde bedrag aan belasting, de totale energiekosten per onderneming over de laatste 10 jaar, ramingen van de elasticiteit van de productprijzen van de sector op de relevante markten, ramingen van de dalende omzet en/of dalende winst, informatie over de ontwikkeling van de handelsstromen in de Nederlandse keramische industrie zowel van als naar Nederland vanuit en naar de relevante geografische markten, de marktaandelen van de begunstigden in de relevante geografische markten evenals enig ander element dat van belang zou kunnen zijn voor de beoordeling van de mogelijkheid om kosten door te berekenen. Daarnaast heeft de Commissie Nederland vragen gesteld over de evenredigheid van de steun, met verwijzing naar punt 159 van de richtsnoeren milieusteun.

(60)

In antwoord op de brief van de Commissie van 7 oktober 2009 heeft Nederland informatie verstrekt met betrekking tot een hypothetische gemiddelde baksteenproducent in Nederland (27). Nederland heeft verklaard dat het niet mogelijk was om de vragen van de Commissie voor alle subsectoren van de Nederlandse keramische industrie te beantwoorden, omdat er in sommige subsectoren slechts één Nederlandse leverancier is (zoals tegels, keramische buizen of sanitaire keramische producten). Aangezien er momenteel 13 baksteenproducenten in Nederland zijn met ongeveer 40 productielocaties, kon er voor deze groep een representatieve situatie worden beschreven. In andere gevallen achtte Nederland het niet mogelijk om binnen de korte termijn voldoende inzicht te verwerven in de relevante subsectoren, bijvoorbeeld die voor decoratief aardewerk.

(61)

De Commissie zou eraan willen herinneren dat reeds in het inleidingsbesluit van 11 februari 2009 was verklaard dat al tijdens de eerste onderzoeksfase om deze aanvullende informatie (met inbegrip van de informatie over de verschillende segmenten van de keramische industrie, zoals onderscheiden door Nederland) was verzocht, maar dat deze niet werd verstrekt.

(62)

De Commissie acht informatie over één hypothetische gemiddelde baksteenproducent niet voldoende voor een beoordeling van de verenigbaarheid van de voorgenomen belastingvrijstelling met betrekking tot de keramische industrie in Nederland als geheel, aangezien één bepaalde gemiddelde producent niet als representatief kan worden beschouwd voor de gehele industrie. Zoals door Nederland zelf werd benadrukt in verband met de overgelegde in- en uitvoergegevens, betreft de relevante informatie enkel het baksteensegment en kan deze niet automatisch worden gebruikt als een model voor de trends in andere keramische segmenten, op grond van de redenering dat elk segment gekenmerkt wordt door specifieke product/marktcombinaties waarbij mogelijk andere economische feiten een rol spelen. VKO kwam in haar verklaring van 24 mei 2009 tot een soortgelijke conclusie (28). Ook het argument dat geen informatie kan worden verstrekt voor subsectoren waarin slechts één begunstigde actief is, is niet overtuigend. Integendeel, het zou wellicht gemakkelijker zijn geweest om informatie over een individuele onderneming te verkrijgen (zoals onlangs aangetoond in een Deense zaak (29).

(63)

Bovendien is een deel van de verlangde inlichtingen niet verstrekt. Zo werden bijvoorbeeld, zoals in overweging (59) is aangegeven, inlichtingen gevraagd over de noodzaak en de evenredigheid van de steun. Wat betreft de noodzaak van de steun heeft de Commissie verzocht om ramingen van de elasticiteit van de productprijzen in de sector op de relevante markten, ramingen van de dalende omzet en/of dalende winst, marktaandelen van de begunstigden op de relevante geografische markten en de ontwikkeling van de marktaandelen van Nederlandse producenten op de relevante geografische markten. Ondanks het feit dat Nederland bij brief van 9 oktober 2009 een extra mogelijkheid werd geboden om de ontbrekende inlichtingen in te dienen, werden de relevante inlichtingen niet verstrekt.

(64)

Op grond van de beschikbare informatie kan de volgende analyse worden gemaakt voor het baksteensegment.

(65)

Met verwijzing naar punt 155 van de richtsnoeren milieusteun zal de Commissie bij het onderzoek van belastingregelingen die elementen van staatssteun in de vorm van verlagingen of vrijstellingen van een milieuheffing omvatten, in het bijzonder de noodzaak en de evenredigheid van de steun en de gevolgen ervan op het niveau van de betrokken economische sectoren onderzoeken.

(66)

Overeenkomstig punt 158 van de richtsnoeren milieusteun dient aan de volgende drie cumulatieve eisen te worden voldaan om te garanderen dat de steun noodzakelijk is. Ten eerste moet de keuze van de begunstigden zijn gebaseerd op objectieve en doorzichtige criteria en op dezelfde wijze worden gemaakt voor alle concurrenten in dezelfde sector wanneer zij zich in dezelfde feitelijke situatie bevinden (punt 158, onder a). Ten tweede moet de belasting zonder verlaging leiden tot een aanzienlijke toename van de productiekosten (punt 158, onder b). Ten derde moet zijn gewaarborgd dat die aanzienlijke toename van de productiekosten niet kan worden afgewenteld op de klanten zonder dat dit leidt tot een aanzienlijk omzetverlies (punt 158, onder c). In dit verband kan de lidstaat ramingen verstrekken van onder meer de elasticiteit van de productprijzen van de betrokken sector in de relevante geografische markt alsook schattingen van de dalende omzet en/of dalende winst voor de ondernemingen in de betrokken sector of categorie.

(67)

Nederland heeft aangevoerd dat de vrijstelling is gericht op het keramische procedé, met als toelichting dat alle producenten van keramische producten en alle concurrenten in de keramische sector (of op dezelfde relevante markt, wanneer zij zich in dezelfde feitelijke situatie bevinden) in aanmerking komen voor de vrijstelling mits zij voldoen aan de volgende criteria:

er moet sprake zijn van de levering van aardgas;

het aardgas dient te worden gebruikt in installaties voor de vervaardiging van producten door verhitting;

de producten dienen voor ten minste 90 % te bestaan uit klei.

(68)

Deze criteria zijn opgenomen in de ontwerp-wetgeving (30). De criteria voor de keuze van de begunstigden lijken derhalve zowel objectief als doorzichtig te zijn.

(69)

Aan de eis dat de belasting zonder verlaging moet leiden tot een aanzienlijke toename van de productiekosten, wordt, met verwijzing naar voetnoot 55 van de richtsnoeren, geacht te zijn voldaan wanneer de begunstigde wordt aangemerkt als een energie-intensief bedrijf in de zin van artikel 17, lid 1, onder a), van de richtlijn energiebelasting, dat wil zeggen wanneer ofwel de aankoop van energieproducten en elektriciteit ten minste 3,0 % van de productiewaarde (31) bedraagt ofwel de verschuldigde nationale energiebelasting ten minste 0,5 % van de toegevoegde waarde beloopt.

(70)

Nederland heeft aangevoerd dat baksteenproducenten tot de groep van energie-intensieve gebruikers behoren omdat hun energiekosten 20-30 % van de totale productiekosten bedragen. Ondanks het feit dat Nederland niet nader heeft aangegeven hoe de totale productiekosten zich verhouden tot de productiewaarde, kan ervan worden uitgegaan dat de productiekosten onder normale zakelijke omstandigheden, namelijk wanneer de verkoopswaarde van de producten de productiekosten overstijgt, lager zijn dan de productiewaarde, omdat de productiewaarde gerelateerd is aan de omzet en dus de prijs van het verkochte product. Daarom zal het aandeel van de energiekosten in vergelijking met de productiewaarde onder normale zakelijke omstandigheden, lager zijn dan het aandeel van de energiekosten in de productiekosten dat door Nederland is opgegeven. Ook kan echter worden aangenomen dat de productiewaarde niet zo veel hoger zal zijn dan de productiekosten, dit het aandeel van de energiekosten van 20-30 % indien de productiekosten als noemer worden gebruikt zou terugdringen tot minder dan 3 % indien de productiewaarde als noemer wordt gebruikt. Daarom gaat de Commissie ervan uit dat de ondernemingen in de Nederlandse keramische industrie kunnen worden aangemerkt als „energie-intensieve bedrijven” in de zin van de richtlijn energiebelasting, en dat aan de eis van de aanzienlijke toename van de kosten overeenkomstig punt 158, onder b), van de richtsnoeren milieusteun is voldaan. De Commissie baseert aldus haar beoordeling op het wettelijk vermoeden dat is vervat in voetnoot 55 van de richtsnoeren milieusteun.

(71)

Wat de eis van punt 158, onder c), van de richtsnoeren milieusteun betreft, werden gedetailleerde vragen gesteld om na te gaan of een aanzienlijke toename van de productiekosten op de klanten kan worden afgewenteld zonder dat dit leidt tot aanzienlijk omzetverlies. Meer bepaald werd Nederland verzocht informatie te verstrekken over de verkoopcijfers van de keramische industrie in de relevante markten in de afgelopen 10 jaar, het tarief van de energiebelasting, alsmede het totaal betaalde bedrag aan belasting, de totale energiekosten per onderneming over de afgelopen 10 jaar, ramingen van de elasticiteit van de productprijzen in de betrokken sector in de relevante markten, schattingen van dalende omzet en/of dalende winst, informatie over de ontwikkeling van de handelsstromen in de Nederlandse keramische industrie zowel van als naar Nederland vanuit en naar de relevante geografische markten, de marktaandelen van de begunstigden in de relevante geografische markten en enig ander element dat van belang kan zijn voor de beoordeling van de mogelijkheid om kosten af te wentelen (zoals beschreven in de overwegingen 59 en 63).

(72)

Nederland heeft bevestigd dat het afwentelen van de relevante kosten in principe mogelijk is, doch stelt dat dit steeds moeilijker wordt. Producenten die hun kosten niet konden doorberekenen, hebben in de afgelopen jaren hun bedrijfsactiviteiten gestaakt of zijn failliet gegaan. Nederland heeft echter geen enkel bewijs overgelegd waaruit een causaal verband zou blijken tussen de kosten van de belasting en het staken van de bedrijfsactiviteiten van deze ondernemingen. De Commissie merkt op dat het aan lidstaat is om de nodige informatie ter staving van zijn stellingen te verstrekken.

(73)

Nederland heeft voorts aangegeven dat de prijselasticiteit van de vraag bij baksteen gering is, zonder dit evenwel te staven met concrete gegevens.

(74)

Nederland heeft verklaard dat de concurrentie in de baksteensector als gevolg van de invoer van soortgelijke producten van concurrenten uit andere lidstaten, gestaag toeneemt en dat het marktaandeel van de Nederlandse baksteen afneemt. In dit verband heeft Nederland invoer- en uitvoergegevens verstrekt als bijlage bij de brief van 30 oktober 2009 (32), waaruit blijkt dat de invoer uit Duitsland gedurende de afgelopen jaren is gestegen en dat de uitvoer vanuit Nederland naar Duitsland en België is gedaald. Als belangrijkste oorzaak noemt Nederland het feit dat de buitenlandse producenten van baksteen, in tegenstelling tot de Nederlandse producenten, profiteren van vrijstellingen van energiebelasting.

(75)

In beginsel kan staatssteun, met inbegrip van vrijstellingen van milieubelasting, echter niet uitsluitend worden gerechtvaardigd door het bestaan van vergelijkbare maatregelen in andere lidstaten. Zou een dergelijke rechtvaardiging worden geaccepteerd, dan zou dit betekenen dat het bestaan van overheidsmaatregelen in een lidstaat de andere lidstaten in staat zou stellen compenserende maatregelen te nemen om de schadelijke gevolgen daarvan voor hun eigen industrie te beperken. Dergelijke vergeldingsmaatregelen kunnen niet worden aanvaard vanuit het oogpunt van staatssteun. Handhaving van de staatssteunregels, inclusief de bepalingen van de richtsnoeren milieusteun, is — in tegenstelling tot subsidiewedlopen — de werkelijke remedie tegen de schadelijke gevolgen van staatssteun. Derhalve kan de aangemelde maatregel geenszins uitsluitend worden gerechtvaardigd als een legitieme remedie tegen steun waarvan wordt vermoed dat die elders wordt verleend, maar moet de goedkeuring ervan afhankelijk worden gesteld van het bewijs van een aanzienlijke toename van de kosten en de onmogelijkheid om deze kosten af te wentelen op de klanten.

(76)

Uit de verstrekte informatie kan de Commissie concluderen dat er in de baksteenindustrie, ondanks de beperkingen in de vorm van transportkosten die de geografische markt voor baksteen tot een cirkel van 250 km beperken, sprake is van handel tussen de lidstaten. Nederland heeft aangegeven dat 20 % van de jaarlijkse productie van baksteen wordt uitgevoerd. De verstrekte gegevens stelden de Commissie in staat om een benaderende waarde voor de handelsintensiteit (33) te berekenen, die 75 % bedraagt. Wegens het ontbreken van consistente gegevens werd deze handelsintensiteit evenwel berekend op basis van gegevens van 2007 wat betreft de handelsstromen en op basis van gegevens van 2008 wat betreft de omzet. Dit zou erop kunnen wijzen dat de industrie moeilijkheden ondervindt bij het doorberekenen van de belastingdruk die door Nederland wordt opgelegd. De verklaring van Nederland dat de belasting tot dusverre werd doorberekend en het feit dat de uitvoer van de Nederlandse baksteensector tijdens de periode waarvoor de gegevens zijn ingediend is toegenomen — deze bedroeg in 2001 189 miljoen EUR en steeg in 2007 tot 255 miljoen EUR — weerspreken echter de stelling dat de industrie moeilijkheden ondervindt bij het doorberekenen van de kostenstijging. Doordat nadere informatie en gegevens ontbreken, is een meer definitieve analyse ter zake niet mogelijk.

(77)

Bovendien werden er geen meerjarige marktgegevens verstrekt ter staving van de verklaring van Nederland dat het marktaandeel van de Nederlandse baksteen afneemt, ondanks het uitdrukkelijke verzoek van de Commissie om ook de marktaandelen van de begunstigden in de relevante geografische markten mee te delen.

(78)

Andere verlangde, doch niet verstrekte gegevens ter beoordeling van de mogelijkheid om kosten af te wentelen, betreffen: de verkoopcijfers van keramiek, in volume en waarde per jaar voor een gemiddelde onderneming in elke relevante markt in de afgelopen 10 jaar (voor het baksteensegment werd wel een jaarlijkse omzet van 370 miljoen EUR in Nederland gemeld, maar er werden geen volumegegevens verstrekt; daarbij wordt op grond van historische informatie, de jaarlijkse omzet van het segment decoratief aardewerk geschat op 7-10 miljoen EUR); het totale jaarlijkse bedrag aan energiebelasting dat door een onderneming in de relevante markt in de afgelopen 10 jaar werd betaald (Nederland verstrekte slechts gegevens voor een gemiddeld baksteenbedrijf in 2009); de energiekosten van een onderneming in de relevante markt in de afgelopen 10 jaar (Nederland verstrekte alleen gegevens voor een gemiddeld baksteenbedrijf in 2009), ramingen van de elasticiteit van de productprijzen in de relevante product- en geografische markten, schattingen van de dalende omzet en/of dalende winst voor de ondernemingen in deze markten en de ontwikkeling van de marktaandelen van de Nederlandse producenten in de relevante geografische markten. Bovendien werd, met betrekking tot het verzoek van de Commissie om gegevens te verstrekken over de ontwikkeling van de handelsstromen in de Nederlandse keramische industrie, dat wil zeggen de invoer in Nederland vanuit de relevante geografische markten en de uitvoer vanuit Nederland naar deze markten, geen meerjarige informatie over de totale invoer en uitvoer van de keramische industrie overgelegd (noch enige informatie met betrekking tot de ontwikkeling door de jaren heen van de totale omzet van deze sector). Daarom is het niet mogelijk om een eenduidige conclusie te trekken met betrekking tot het niveau van de handelsintensiteit van de keramische sector, en kan voor de baksteensector slechts worden verwezen naar de benaderende waarde zoals weergegeven in overweging 76).

(79)

Wat betreft de andere door Nederland genoemde segmenten, zoals dakpannen, rioolbuizen, sanitaire producten, keramische wand- en vloertegels, brandwerend materiaal en porselein en decoratief aardewerk, verwijst Nederland naar de informatie die werd verstrekt voor de gemiddelde onderneming in het baksteensegment. Bovendien werd per segment slechts zeer beperkte informatie verstrekt. In de brief van 16 september 2008 heeft Nederland de omvang van de relevante geografische markt gespecificeerd (voor alle segmenten) en het aandeel van de nationale productie dat wordt ingevoerd, respectievelijk uitgevoerd meegedeeld, uitgedrukt in procentpunten, onder vermelding van de verschillende exportbestemmingen (34). De gedetailleerde informatie per segment, waarom de Commissie had verzocht, zoals in overwe ging 78) is vermeld, werd evenwel niet verstrekt.

(80)

Op basis van de beschikbare informatie kan de Commissie niet concluderen dat een toename van de productiekosten voor de Nederlandse keramische producenten niet kan worden afgewenteld op de klanten zonder dat dit leidt tot een aanzienlijk omzetverlies. Derhalve moet worden geconcludeerd dat niet door Nederland is aangetoond dat aan de eis van punt 158, onder c), van de richtsnoeren milieusteun is voldaan.

(81)

De Commissie is derhalve van mening dat de verstrekte informatie niet de conclusie rechtvaardigt dat de voorgenomen steunmaatregel voor de Nederlandse keramische industrie noodzakelijk is. Alleen al om deze reden moet dan ook worden geconcludeerd dat de steunmaatregel onverenigbaar is met de interne markt.

(82)

Met betrekking tot de evenredigheid dient elke begunstigde volgens punt 159 van de richtsnoeren milieusteun te voldoen aan één van de volgende eisen:

a)

hij moet een deel van de nationale belasting betalen dat grotendeels equivalent is aan de milieuprestatie van elke individuele begunstigde in vergelijking met de prestatie van de best presterende techniek in de EER. De begunstigden kunnen ten hoogste een vermindering krijgen die overeenstemt met de toename van de productiekosten ten gevolge van de belasting, onder gebruikmaking van de best presterende techniek, en die niet op klanten kan worden afgewenteld;

b)

hij dient ten minste 20 % van de nationale belasting te betalen, tenzij een lager tarief gerechtvaardigd is;

c)

hij kan overeenkomsten aangaan met de betrokken lidstaat, waarbij hij zich ertoe verbindt om de milieubeschermingsdoelstellingen te verwezenlijken die dezelfde gevolgen hebben als wanneer punt a) of b) of de communautaire minimumniveaus werden toegepast.

(83)

Nederland heeft bevestigd dat aan de onder a) genoemde eis niet is voldaan. Op de onder c) genoemde eis is Nederland niet ingegaan. Ten aanzien van de eis onder b), namelijk dat een begunstigde ten minste 20 % van de nationale belasting dient te betalen tenzij een lager tarief gerechtvaardigd is, heeft Nederland naar voren gebracht dat alle begunstigden tezamen niet ten minste 20 % van de nationale (energie)belasting zouden betalen (de inkomsten vloeien voort uit bijvoorbeeld de elektriciteitsbelasting die bedrijven nog steeds betalen). Volgens Nederland wordt er, gezien de omvang van de sector, in feite veel minder betaald. Nederland heeft er in dit verband nogmaals op gewezen dat de toepassing van de vrijstelling van energiebelasting op aardgas voor keramische producten de vervalsing van de mededinging teniet doet, aangezien deze een „level playing field” zou creëren voor alle keramische installaties in de interne markt.

(84)

Punt b) verwijst naar het tarief van de nationale energiebelasting en niet naar de 20 % van het totale bedrag van deze belasting dat met betrekking tot verschillende energieproducten door de belastingbetalers wordt betaald. De aangemelde maatregel betreft een volledige vrijstelling van het nationale belastingtarief op aardgas, wat betekent dat het in punt 159, onder b), van de richtsnoeren milieusteun genoemde minimumpercentage niet wordt bereikt. Bovendien heeft Nederland niet aangetoond dat er slechts sprake zou zijn van een „beperkte mededingingsvervalsing” om een lager tarief te rechtvaardigen, simpelweg omdat de opgevraagde marktgegevens over de concurrentiepositie van deze industrie niet werden verstrekt. Op grond van de verstrekte informatie kan derhalve niet worden geconcludeerd dat aan deze eis is voldaan.

(85)

De Commissie is derhalve van oordeel dat de verstrekte informatie niet de conclusie rechtvaardigt dat de voorgenomen steunmaatregel voor de Nederlandse keramische industrie evenredig is.

VII.   CONCLUSIE

(86)

De Commissie stelt vast dat de voorgenomen belastingvrijstelling, die exploitatiesteun vormt, niet in aanmerking komt voor een van de uitzonderingen op het algemene verbod op staatssteun krachtens het VWEU en daarom onverenigbaar is met de interne markt. De steunmaatregel mag derhalve niet ten uitvoer worden gelegd.

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De steunmaatregel in de vorm van een vrijstelling van de energiebelasting op aardgas die Nederland voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van de Nederlandse keramische industrie is onverenigbaar met de interne markt.

De steunmaatregel mag derhalve niet ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 2

Nederland deelt de Commissie binnen twee maanden na de kennisgeving van dit besluit mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.

Gedaan te Brussel, 15 december 2009.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB C 96 van 25.4.2009, blz. 16.

(2)  De artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag zijn sinds 1 december 2009 de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”). De respectieve bepalingen zijn in wezen identiek. Voor zover van toepassing, dienen in dit besluit de verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 VWEU te worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag.

(3)  Zie voetnoot 1.

(4)  Vanaf 1 januari 1996 vormt de energiebelasting een onderdeel van de Wet belastingen op milieugrondslag en wordt deze geheven op aardgas, elektriciteit en minerale oliën. De tarieven hebben betrekking op de hoeveelheid verbruikte energie.

(5)  Nederland diende de volgende tarieven van de energiebelasting op aardgas in (gegevens uit 2009) met betrekking tot een representatieve baksteenproducent in Nederland. 0-5 000m3: 0,1580 EUR/m3; 5 000-170 000 m3: 0,1385 EUR/m3; 170 000-1 000 000m3: 0,0384 EUR/m3; 1 000 000-10 000 000m3: 0,0122 EUR/m3; > 10 000 000m3: 0,0080 EUR/m3.

(6)  Onder „mineralogische procedés” worden de procedés verstaan die volgens Verordening (EEG) nr. 3037/90 van de Raad van 9 oktober 1990 betreffende de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (PB L 293 van 24.10.1990, blz. 1) zijn ondergebracht onder code DI 26 „Vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten” van de NACE-nomenclatuur. Naast het keramische procedé omvatten dergelijke procedés bijvoorbeeld de productie van glas of cement.

(7)  Nederland heeft verklaard dat de keramische industrie in Nederland voornamelijk bestaat uit grootschalige, vaak multinationale ondernemingen met een geschatte totale omzet van ongeveer 650-700 miljoen EUR en ongeveer 3 000 werknemers (in 2008). Er zijn meer dan 60 productielocaties in Nederland. De productie omvat zowel bakstenen, dakpannen, keramische wand- en vloertegels, sanitaire producten, sieraardewerk en porselein, en vuurvaste stenen voor toepassingen in de staal- en aluminiumindustrie. Tal van productiecentra bevinden zich in de grensstreek met Duitsland en België en een groot deel van deze fabrieken behoort tot industriële groepen met kantoren in andere Europese landen.

(8)  PB C 82 van 1.4.2008, blz. 1.

(9)  Artikel 64, vierde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

(10)  Artikel 64, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

(11)  Artikel 44, eerste en derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag. Krachtens artikel 2, lid 4, onder b), van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51) de „richtlijn energiebelasting”, kennen kolen een duaal gebruik wanneer zij zowel als verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof worden gebruikt.

(12)  Document van de Raad 8084/03 ADD 1 Fisc 59 van 3.4.2003.

(13)  De belanghebbende organisatie VKO (zie ook onderdeel V) heeft betoogd dat het gehele productieproces in Nederland is gebaseerd op het verwerken van natte klei. Volgens VKO is de vervanging van natte door droge klei uit het buitenland geen optie, ook indien de milieueffecten van het kleitransport buiten beschouwing worden gelaten. VKO heeft bevestigd dat de keramische industrie in Nederland, door de specifieke geografische ligging, meer energie voor haar productie nodig heeft dan in de omringende landen het geval is.

(14)  Zie in dit verband ook steunmaatregel N 820/06 van 7.2.2007, deel 4.

(15)  In de toelichting bij het parlementaire amendement dat deze belastingvrijstelling regelt, wordt vermeld dat de vrijstelling zal worden bekostigd door de tarieven van de energiebelasting op aardgas in de hoogste schijf met 8 eurocent te verhogen.

(16)  Bijlage 1 bij de aanmelding.

(17)  Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 18 december 2008 in gevoegde zaken T-211/04 en T-215/04 (het Gibraltar-arrest), nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie (tegen dit arrest is beroep ingesteld, maar dit heeft geen betrekking op de stappen bij een standaard staatssteunanalyse zoals in het bovenstaande uiteengezet).

(18)  Nederland noemde glas, mortel, beton, gips en kalkzand.

(19)  In de aanmelding door Nederland ondergebracht onder NACE-code afdeling 26 — Andere niet-metaalhoudende minerale producten van de NACE-code.

(20)  Deze consistente aanpak werd in de Duitse zaak N 820/06 zelfs versterkt omdat Duitsland uitdrukkelijk toezegde andere vormen van duaal gebruik of nieuwe mineralogische procedés gelijk te behandelen, waardoor een aanhoudend consistente behandeling van alle mineralogische procedés wordt gewaarborgd.

(21)  Amendement van het lid Jules Kortenhorst c.s. van 21 november 2007, Handelingen Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 205, nr. 35.

(22)  Arrest van 2 juli 1974 in zaak 173/73, Italië/Commissie, Jurispr. blz. 709.

(23)  Arrest van 17 september 1980 in zaak C-730/79, Jurispr. blz. 2671, punten 11 en 12.

(24)  Zoals bevestigd in de brief van 19 december 2008.

(25)  Zie in dit verband ook punt 57 van de richtsnoeren, waarin wordt gesteld „dit soort steun kan bijgevolg noodzakelijk zijn om nieuwe negatieve externe gevolgen indirect aan te pakken door het eenvoudiger te maken betrekkelijk hoge nationale milieubelastingen vast te stellen of te handhaven”.

(26)  Opgenomen in het tweede verzoek om informatie aan Nederland van 17 november 2008 (D/54544).

(27)  Nederland heeft te kennen gegeven dat het deze informatie ook van toepassing acht op de andere onderscheiden segmenten van de keramische industrie; Nederland stelt dat deze methode ook werd gebruikt in ander verband, zoals Europese wetgeving (bijv. E-PRTR, Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen) en nationale beleidsstudies (bv. NL-BAT, De beste beschikbare technieken). De Commissie is echter niet van mening dat de informatie over een gemiddelde onderneming in het baksteensegment in het kader van een mededingingsanalyse als representatief voor de gehele keramische industrie kan worden beschouwd.

(28)  De Commissie merkt op dat de de richtsnoeren milieusteun niet expliciet vereisen dat de beoordeling op sectorieel of subsectorieel niveau plaatsvindt. In dit geval heeft Nederland echter zelf aangegeven dat de verschillende subsectoren te maken hebben met verschillende mededingingsvoorwaarden. Daarom diende voor deze zaak een beoordeling op subsectorieel niveau te worden gemaakt.

(29)  Steunmaatregel N 327/08 van 29 oktober 2009 (nog niet gepubliceerd).

(30)  De ontwerp-wetgeving (die zal worden opgenomen in artikel 64 van de Wet belastingen op milieugrondslag) verwijst naar keramische producten die uitsluitend of vrijwel uitsluitend uit klei bestaan.

(31)  Overeenkomstig artikel 17, lid 1, onder a) van de richtlijn energiebelasting wordt onder „productiewaarde” verstaan de omzet, inclusief rechtstreeks aan de prijs van het product gekoppelde subsidies, vermeerderd of verminderd met veranderingen in voorraden gereed product, onderhanden werk en goederen en diensten, ingekocht voor wederverkoop, en verminderd met de aankoop van goederen en diensten voor wederverkoop.

(32)  Dezelfde gegevens werden bijgevoegd bij de brief van 16 september 2008.

(33)  Onder handelsintensiteit wordt verstaan de totale waarde van de uitvoer en de invoer gedeeld door de totale waarde van de omzet en de invoer in de respectieve markt.

(34)  Nederland heeft de volgende specifieke informatie verstrekt over de subsectoren, die in de keramische industrie zijn onderscheiden (bijlage bij de brief van 16 september 2008), waarbij opgemerkt zij dat het onduidelijk is op welk jaar de gegevens betrekking hebben. Uit de algemene beschrijving van de keramische industrie zou kunnen worden afgeleid dat de gegevens per segment eveneens betrekking hebben op 2008. Baksteenindustrie: heeft een omzet van circa […] () EUR en heeft circa […] werknemers. De Nederlandse baksteenindustrie voert ongeveer […]% van de jaarlijkse productie uit. De invoer beloopt ongeveer […]% van de Nederlandse jaarlijkse productie. De geografische markt wordt gedefiniëerd als een cirkel van […]km rond het bedrijf ten gevolge van het gewicht van bakstenen, en omvat derhalve […], […] en […]. Keramische dakpannen: Er werd geen omzetcijfer verstrekt. Dit segment biedt werk aan ongeveer […] personen. Ongeveer […]% van de jaarlijkse productie wordt uitgevoerd, hoofdzakelijk naar omringende landen. De invoer bedraagt […]% en bestaat uit producten uit dezelfde buurlanden. De geografische markt wordt gedefinieerd als een cirkel van […]km rond het bedrijf, vanwege het gewicht van de producten, en omvat derhalve […] en […]. Keramische rioolbuizen: Er is één producent, die twee productielocaties heeft. Ten gevolge van het gewicht van de producten, bestaat de relevante geografische markt uit een straal van […]km rond het bedrijf, hoewel meegedeeld werd dat het betrokken bedrijf in heel Europa exporteert. Sanitaire producten: Er werd geen omzetcijfer verstrekt, maar dit segment heeft ongeveer […] werknemers. Ongeveer […]% van de jaarlijkse Nederlandse productie wordt geëxporteerd, terwijl ongeveer […]% wordt ingevoerd. De relevante geografische markt is gedefinieerd als […]km rond het bedrijf. De producent maakt deel uit van een Europese groep. Brandwerende materialen: Dit segment is bijna uitsluitend internationaal georiënteerd. Er werken ongeveer […] personen. Dit segment exporteert ongeveer […]% van de jaarlijkse productie, terwijl het ongeveer […]% importeert. Keramische tegels: biedt werk aan ongeveer […] personen, en exporteert […]% van de jaarlijkse productie. De invoer is gelijk aan […]% van de jaarlijkse productie. De belangrijkste importerende landen in de Europese Unie zijn […], […] en […]. Buiten de Europese Unie zijn […] en […] de belangrijkste importeurs. Decoratief aardewerk: Dit segment heeft 4 productielocaties en biedt werk aan ongeveer […] personen. […]% van de jaarlijkse productie wordt uitgevoerd, terwijl ongeveer […]% van de Nederlandse jaarlijkse productie wordt ingevoerd. Op basis van historische gegevens, wordt de omzet van dit segment geraamd op ongeveer […] miljoen EUR (circa […] % van de geraamde totale omzet van de keramische industrie in Nederland).

(35)  vertrouwelijke informatie.


20.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 186/44


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2010

waarbij de productie van en groothandel in elektriciteit in de Italiaanse Macro-zone Noord en de kleinhandelsverkoop van elektriciteit aan eindgebruikers, verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning, in Italië worden vrijgesteld van de toepassing van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4740)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/403/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (1), en met name op artikel 30, leden 5 en 6,

Gelet op het verzoek dat door de Compagnia Valdostana delle Acque S.p.A. — Compagnie valdôtaine des eaux S.p.A. (hierna „CVA”) bij e-mail d.d. 15 februari 2010 is ingediend,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   FEITEN

(1)

Op 15 februari 2010 heeft CVA bij e-mail een verzoek overeenkomstig artikel 30, lid 5, van Richtlijn 2004/17/EG gericht tot de Commissie. De Commissie heeft bij e-mail van 15 april 2010 de Italiaanse autoriteiten en bij e-mail van 15 april 2010 CVA verzocht aanvullende informatie toe te zenden. De Italiaanse autoriteiten hebben bij e-mail van 10 mei 2010 en van 20 mei 2010 aanvullende informatie toegezonden en, na verlenging van de oorspronkelijke termijn, heeft CVA datzelfde gedaan op 7 mei 2010.

(2)

Het door CVA, een overheidsbedrijf in de zin van Richtlijn 2004/17/EG, ingediende verzoek heeft betrekking op de volgende activiteiten, als omschreven in het verzoek:

a)

de productie van en groothandel in elektriciteit op het gehele grondgebied van de Italiaanse Republiek;

b)

in het alternatieve geval, de productie van en groothandel in elektriciteit op het grondgebied van de noordelijke geografische zone (hierna „de Macro-zone Noord” (2) genoemd); alsmede

c)

de kleinhandelsverkoop aan eindgebruikers op de vrije elektriciteitsmarkt op het gehele grondgebied van de Italiaanse Republiek.

II.   RECHTSKADER

(3)

Artikel 30 van Richtlijn 2004/17/EG bepaalt dat deze richtlijn niet van toepassing is op opdrachten voor een onder de richtlijn vallende activiteit indien die activiteit in de lidstaat waar zij wordt uitgeoefend rechtstreeks aan mededinging blootstaat op marktgebieden waartoe de toegang niet beperkt is. De rechtstreekse blootstelling aan mededinging wordt getoetst aan de hand van objectieve criteria, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de betrokken sector. De toegang tot een markt wordt als niet-beperkt beschouwd indien de lidstaat de desbetreffende communautaire wetgeving tot openstelling van een bepaalde (deel)sector ten uitvoer heeft gelegd en heeft toegepast. Deze wetgeving is vermeld in bijlage XI bij Richtlijn 2004/17/EG; voor de elektriciteitssector gaat het om Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (3). Richtlijn 96/92/EG is vervangen door Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG (4).

(4)

Italië heeft niet alleen Richtlijn 96/92/EG, maar ook Richtlijn 2003/54/EG ten uitvoer gelegd en toegepast, waarbij is gekozen voor juridische en functionele ontvlechting van transmissie- en distributienetwerken, uitgezonderd voor de kleinste ondernemingen, die zijn vrijgesteld van de vereisten inzake functionele ontvlechting. Bijgevolg, en in overeenstemming met artikel 30, lid 3, moet de toegang tot de markt dan ook als niet-beperkt worden beschouwd op het gehele grondgebied van de Italiaanse Republiek.

(5)

De rechtstreekse blootstelling aan mededinging moet worden getoetst aan diverse indicatoren, waarbij geen van deze indicatoren op zichzelf doorslaggevend is. Wat de markten betreft waarop deze beschikking betrekking heeft, vormt het marktaandeel van de voornaamste spelers op een bepaalde markt één van de te hanteren criteria. Een ander criterium is de concentratiegraad op de markten in kwestie. Gezien de kenmerken van de betrokken markten moet ook rekening worden gehouden met andere criteria, zoals de werking van de balanceringsmarkt, prijsconcurrentie en de mate waarin afnemers overstappen.

(6)

Dit besluit laat de toepassing van de mededingingsregels onverlet.

III.   BEOORDELING

(7)

Gezien de precedenten van de Commissie (5) moeten de volgende relevante productmarkten in de elektriciteitssector worden onderscheiden: i) opwekking en groothandel; ii) transmissie; iii) distributie en iv) kleinhandelsverkoop. Bijgevolg moet het verzoek van CVA afzonderlijk worden geanalyseerd voor de productie en de groothandel enerzijds en de kleinhandelsverkoop anderzijds.

(8)

Zoals vermeld in bovenstaande overweging 2 heeft het door CVA ingediende verzoek betrekking op de productie van en groothandel in elektriciteit op het gehele grondgebied van de Italiaanse Republiek of, als alternatief, in de Macro-zone Noord.

(9)

Overeenkomstig de beschikbare informatie (6) moet het grondgebied van Italië, ten gevolge van de congestie op de interconnecties tussen de verschillende zones waarvan de tarieven bijna perfect gecorreleerd zijn, wat de productie van en groothandel in elektriciteit betreft, worden beschouwd als bestaande uit vier regionale markten: Macro-zone Noord, Macro-zone Centrum-Zuid (7), Macro-zone Sicilië (8) en Sardinië. De Italiaanse autoriteiten hebben bevestigd dat de afbakening van Macro-zone Noord als relevante markt geldig blijft; zij voegen daaraan echter toe dat er wijzigingen aan de gang zijn zodat de afbakening van de overige macro-zones momenteel niet duidelijk is. In afwachting van uitgebreid onderzoek is een definitieve evaluatie van de concurrentietoestand op deze geografische markten momenteel derhalve niet mogelijk. Op basis van het bovenstaande en daarnaast ook rekening houdend met het feit dat de centrales van CVA zich alle in de Macro-zone Noord bevinden, beperkt het onderhavige besluit zich, bij de evaluatie van de voorwaarden als bedoeld in artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG, wat de productie van en groothandel in elektriciteit betreft, tot het nagaan van de mededingingssituatie die bestaat binnen Macro-zone Noord. Hoewel Macro-zone Noord op zich een relevante markt vormt, kan die niet als volledig afgesloten worden gezien van de omringende landen en de overige Italiaanse regio’s.

(10)

Het is vaste praktijk van de Commissie (9) om in haar beschikkingen overeenkomstig artikel 30 ten aanzien van de elektriciteitsopwekking te stellen dat „een indicator voor de mate van mededinging op de nationale markten […] het totale marktaandeel van de drie grootste producenten [is]”. Overeenkomstig de Italiaanse autoriteiten bedroeg het marktaandeel van de drie grootste producenten in Macro-zone Noord in 2009 49,7 %. Dit niveau van concentratie, dat betrekking heeft op het totale marktaandeel van de drie grootste producenten, ligt lager dan het niveau (52,2 %) dat in Beschikking 2008/585/EG in verband met Oostenrijk en dan het niveau (58 % van de brutoproductie) dat in Beschikking 2008/741/EG in verband met Polen is genoemd, en veel lager dan de niveaus die genoemd zijn in de beschikkingen 2006/422/EG en 2007/706/EG met betrekking tot respectievelijk Finland (73,6 %) en Zweden (86,7 %). Er moet echter worden opgemerkt dat deze concentratieniveaus hoger liggen dan het percentage van 39 % dat in de Beschikkingen 2006/211/EG en 2007/141/EG met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk genoemd wordt. Toch wordt dit niveau als voldoende laag beschouwd, wat kan worden geïnterpreteerd als een indicatie van een bepaalde rechtstreekse blootstelling aan mededinging wat de productie van en groothandel in elektriciteit in de Macro-zone Noord betreft.

(11)

Bovendien voert Italië aanzienlijke hoeveelheden elektriciteit in, in 2008 meer dan 42 997 GWh. Italië is een netto-importeur en ingevoerde elektriciteit is goed voor ongeveer 13,43 % van de totale behoeften (10). Zoals bevestigd door de Italiaanse autoriteiten (11) heeft die invoer een mededingingsversterkend effect, met name in Macro-zone Noord. Hoewel dit effect wordt begrensd door technische beperkingen bij de interconnectie met andere landen, wordt verwacht dat de situatie ten gevolge van nieuw vastgestelde wetgeving (12) verder zal verbeteren. Door de invoer van elektriciteit van buiten het Italiaanse grondgebied wordt er dan ook een zekere druk uitgeoefend op het tariefgedrag van de grootste producenten in Macro-zone Noord. Deze elementen moeten derhalve worden beschouwd als een indicatie van een zekere mate van rechtstreekse blootstelling aan mededinging door andere EU-lidstaten wat de productie van en groothandel in elektriciteit in Macro-zone Noord betreft.

(12)

Uit de mededeling van de Commissie van 11 maart 2010„Verslag over de vooruitgang die is geboekt bij de totstandbrenging van de interne markt voor gas en elektriciteit” (13) blijkt dat de drie grootste elektriciteitsproducenten in 14 lidstaten nog steeds meer dan 75 % van de opwekkingscapaciteit controleren. In dit verslag wordt de Italiaanse elektriciteitsmarkt gerekend bij de categorie van „gematigd geconcentreerde” markten (14), waarbij de Herfindahl-Hirchman Index (HHI) lagere waarden heeft vergeleken met andere categorieën. Aangezien de concurrentiedruk zelfs sterker wordt gevoeld in de Macro-zone Noord dan in de overige zones, kan de concentratiegraad worden beschouwd als een indicatie van rechtstreekse blootstelling aan mededinging wat de productie van en groothandel in elektriciteit in de Macro-zone Noord betreft.

(13)

Voorts is de werking van de balanceringsmechanismen een indicator die eveneens in aanmerking moet worden genomen, ook al gaat het slechts om een klein deel van de totale hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd of verbruikt. Overeenkomstig de beschikbare informatie is de werking van het balanceringsmechanisme, met name de op de markt gebaseerde tarifering en de goed-ontwikkelde intra-day-markt, dusdanig dat het geen belemmering vormt voor een rechtstreekse blootstelling van de elektriciteitsproductie aan mededinging.

(14)

Wat de kleinhandelsverkoop betreft, moet er qua relevante productmarkt een verder onderscheid worden gemaakt tussen: A. kleinhandelsverkoop aan industriële gebruikers verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning, en B. kleinhandelsverkoop aan kleinere industriële, commerciële en huishoudelijke gebruikers verbonden met het laagspanningsnet. Hierna worden deze markten afzonderlijk geanalyseerd.

(15)

Zoals bevestigd door de Italiaanse autoriteiten is de markt voor kleinhandelsverkoop van elektriciteit aan eindgebruikers die verbonden zijn met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning, van nationale aard.

(16)

Overeenkomstig de beschikbare informatie (15) bedraagt het samengevoegde marktaandeel van de drie grootste verkopers van elektriciteit aan eindgebruikers, verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning, 43,89 %, wat een bevredigend laag concentratieniveau is (16) dat moet worden geïnterpreteerd als indicatie van rechtstreekse blootstelling aan mededinging.

(17)

Vanwege de kenmerken van het betrokken product (elektriciteit) en omdat er weinig of geen geschikte alternatieve producten of diensten voorhanden zijn, nemen de prijsconcurrentie en de prijsvorming een vrij belangrijke plaats in bij de beoordeling van de concurrentiesituatie op de elektriciteitsmarkten. Het aantal klanten dat van leverancier verandert, kan een indicator vormen van daadwerkelijke prijsconcurrentie en is dus indirect „een natuurlijke indicator voor de doeltreffendheid van concurrentie. Als er maar weinig afnemers zijn die op een andere leverancier overstappen, is er waarschijnlijk een probleem met het functioneren van de markt, ook al zijn er wel degelijk voordelen verbonden aan de mogelijkheid om met de huidige leverancier over nieuwe voorwaarden te onderhandelen” (17).

(18)

Overeenkomstig de laatste beschikbare informatie (18) bedroeg het percentage afnemers dat van leverancier veranderde per in aanmerking komend punt in 2008 in Italië 32,50 % voor grote industriële gebruikers en 32,80 % voor middelgrote industriële gebruikers. Hoewel die percentages lager liggen dan bijvoorbeeld in Oostenrijk, waar het overstappercentage voor grote en zeer grote industriële afnemers 41,5 % bedroeg (19), is het aantal overstappers in Italië nog steeds zeer aanzienlijk; het loopt op tot bijna één derde van de grote en middelgrote industriële afnemers. Bovendien gelden er voor de kleinhandelsverkoop aan eindgebruikers, verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning, geen gereguleerde tarieven. De situatie in Italië wat betreft het aantal overstappende gebruikers en de prijsbeheersing voor eindgebruikers is dan ook bevredigend en moet worden beschouwd als een indicatie van rechtstreekse blootstelling aan mededinging.

(19)

De relevante geografische markt voor kleinhandelsverkoop is traditioneel als van nationale aard beschouwd. Concreet hanteert CVA de nationale markt als de relevante markt voor de kleinhandelsverkoop van elektriciteit.

(20)

Wanneer ervan wordt uitgegaan dat de geografische markt nationaal is, blijkt op basis van de momenteel beschikbare informatie (20) dat het niveau van marktconcentratie voor de kleinhandelsverkoop van elektriciteit op de Italiaanse markt zeer hoog is. Het gecumuleerde marktaandeel van de drie grootste kleinhandelsverkopers van elektriciteit aan afnemers die verbonden zijn met het laagspanningsnet bedraagt 79,44 %, waarin de grootste onderneming op zich reeds een aandeel heeft van 71,11 %. In dit verband zij er ook aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak (21)„zeer aanzienlijke marktaandelen, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, op zichzelf reeds het bewijs van een machtspositie vormen. Dit is het geval bij een marktaandeel van 50 %”.

(21)

Bovendien is de kleinhandelsmarkt in Italië onderverdeeld in drie subcategorieën, waarvan de eerste twee gereguleerde tarieven kennen:

a)

een versterkte beschermde dienst voor huishoudelijke klanten en kleine ondernemingen (met minder dan 50 werknemers en een omzet van maximaal 10 miljoen EUR) die verbonden zijn met het laagspanningsnet en geen contract hebben ondertekend voor aankoop op de vrije markt. De exploitatie van deze dienst is voorbehouden voor de onderneming Acquirente Unico SpA (hierna de „ene koper” genoemd);

b)

een beveiligde dienst voor alle klanten die niet in aanmerking komen voor de versterkte beschermde dienst en die geen contract hebben voor aankoop van elektriciteit op de vrije markt. Deze dienst wordt verzekerd door distributeurs die op basis van een openbare aanbesteding worden geselecteerd door de ene koper; en

c)

de vrije markt, meer bepaald het restant van de kleinhandelsmarkt.

(22)

Deze markten kunnen echter voor de doeleinden van dit besluit niet als onafhankelijke relevante markten worden beschouwd aangezien afnemers kunnen overstappen van één subcategorie naar een andere en aangezien de tarieven binnen de drie subcategorieën alle markt gebaseerd zijn (22). Overeenkomstig het jaarverslag 2009 van de AEEG is de zogenaamde „besloten markt”, bestaande uit de „versterkte beschermde dienst” en de „beveiligde dienst” echter goed voor ongeveer 36 % van de volledige kleinhandelsmarkt. Overeenkomstig hetzelfde verslag wordt de „versterkte beschermde dienst” bovendien gekenmerkt door een zeer sterke aanwezigheid (84,3 %) van één specifieke leverancier die ook actief is op de vrije markt. Overeenkomstig de Italiaanse autoriteiten worden de overstapkosten door de afnemers als hoog gepercipieerd en worden de baten van een overstap als beperkt gepercipieerd. In combinatie met de lage tarieven die gelden voor de versterkte beschermde dienst maakt dit het voor nieuwe distributeurs zeer moeilijk om binnen deze subcategorie een voldoende grote klantenbasis op te bouwen. In wezen resulteert dit in een concurrentievoordeel voor exploitanten binnen de versterkte beschermde dienst die ook actief zijn op de vrije markt aangezien klanten die willen overstappen van een versterkte beschermde dienst naar de vrije markt, of omgekeerd, dit vaak doen zonder van leverancier te veranderen.

(23)

Op basis van de door de betrokken Italiaanse autoriteiten verstrekte informatie (23) kan echter, voor de doeleinden van het onderhavige besluit, worden geconcludeerd dat de geografische markt voor de kleinhandelsverkoop van elektriciteit in Italië niet nationaal van omvang is, zoals traditioneel beschouwd en zoals aangenomen door de aanvrager, maar van lokale aard is, met een grondgebied dat in de meeste gevallen het gemeentelijke niveau niet overstijgt.

(24)

In afwezigheid van informatie over de mate van mededinging in elk van de hierboven bedoelde markten voor de kleinhandelsverkoop van elektriciteit aan met het laagspanningsnet verbonden eindgebruikers en gezien de hierboven geventileerde twijfels over de mate van mededinging op de kleinhandelsmarkt voor met het laagspanningsnet verbonden afnemers, samen bekeken op nationaal niveau, zoals besproken in de overwegingen 19 t/m 22, is het onmogelijk te concluderen dat wat de kleinhandelsverkoop van elektriciteit in Italië aan met het laagspanningsnet verbonden eindgebruikers betreft, is voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een afwijking overeenkomstig artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG.

(25)

Richtlijn 2004/17/EG blijft derhalve gelden wanneer de aanbestedende diensten opdrachten plaatsen voor de kleinhandelsverkoop van elektriciteit in Italië aan met het laagspanningsnet verbonden eindgebruikers en wanneer zij prijsvragen organiseren om in Italië een dergelijke activiteit te verrichten.

IV.   CONCLUSIES

(26)

Wat de productie van en groothandel in elektriciteit in Italië betreft, kan de situatie als volgt worden samengevat: het gezamenlijke marktaandeel van de drie grootste producenten is vrij laag en de grote hoeveelheid ingevoerde elektriciteit in Italië heeft een mededingingsversterkend effect. Zoals uiteengezet in overweging 13 vormt de werking van het balanceringsmechanisme geen belemmering voor een rechtstreekse blootstelling van de elektriciteitsproductie aan mededinging. Bijgevolg kan worden aangenomen dat alle hierboven aangegeven elementen een indicatie zijn voor rechtstreekse blootstelling aan mededinging in de Macro-zone Noord.

(27)

Gezien de in de overwegingen 8 t/m 13 onderzochte elementen wordt de productie van en groothandel in elektriciteit in Macro-zone Noord geacht te voldoen aan de voorwaarde betreffende rechtstreekse blootstelling aan mededinging van artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG.

(28)

Voorts wordt ook aan de verdere voorwaarde van onbeperkte toegang tot de markt geacht te zijn voldaan en daarom is Richtlijn 2004/17/EG niet van toepassing wanneer aanbestedende diensten opdrachten plaatsen voor de opwekking van en groothandel in elektriciteit in Macro-zone Noord of wanneer zij prijsvragen organiseren om in diezelfde geografische zone een dergelijke activiteit te verrichten.

(29)

Wat de kleinhandelsverkoop aan eindgebruikers, verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning in Italië betreft, kan de situatie als volgt worden samengevat: het gezamenlijke marktaandeel van de drie grootste kleinhandelsondernemingen ligt vrij laag, het overstappercentage per afnamepunt is bevredigend en er is geen tariefregulering voor de eindgebruiker. Deze conclusies sporen met het advies van de relevante Italiaanse autoriteiten die stellen dat deze markt reeds verscheidene jaren aan mededinging is blootgesteld en dat de resulterende mededingingsgraad bevredigend is.

(30)

Gezien de in de overwegingen 15 t/m 18 besproken elementen, kan worden geconcludeerd dat aan de voorwaarde van rechtstreekse blootstelling aan mededinging van artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG is voldaan wat de kleinhandelsverkoop betreft van elektriciteit aan eindgebruikers verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning op het gehele grondgebied van de Italiaanse Republiek.

(31)

Voorts wordt ook aan de verdere voorwaarde van onbeperkte toegang tot de markt geacht te zijn voldaan en daarom is Richtlijn 2004/17/EG niet van toepassing wanneer aanbestedende diensten opdrachten plaatsen voor de kleinhandelsverkoop van elektriciteit aan eindgebruikers verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning in Italië, noch wanneer zij prijsvragen organiseren om in de desbetreffende geografische zone een dergelijke activiteit te verrichten.

(32)

Gezien de in de overwegingen 19 t/m 25 besproken elementen en de twijfels met betrekking tot het bestaan van afdoende mededinging op nationaal niveau wat de kleinhandelsverkoop betreft aan met het laagspanningsnet verbonden eindgebruikers, en gezien bovendien het ontbreken van nadere informatie over elk van de relevante lokale markten, als omschreven door de Italiaanse autoriteiten, is het niet mogelijk te concluderen dat voor de kleinhandelsverkoop in Italië aan met het laagspanningsnet verbonden eindgebruikers aan de voorwaarden voor het toekennen van een afwijking overeenkomstig artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG is voldaan. Bijgevolg blijft Richtlijn 2004/17/EG van kracht wanneer aanbestedende diensten in Italië opdrachten plaatsen voor de kleinhandelsverkoop van elektriciteit aan met het laagspanningsnet verbonden eindgebruikers en wanneer zij prijsvragen organiseren om in Italië een dergelijke activiteit te verrichten. Aangezien de statistische verplichtingen van artikel 67 blijven gelden, kan het noodzakelijk zijn erop toe te zien dat de betrokken aanbestedende diensten passende maatregelen nemen, zoals scheiding van beheer en boekhouding, teneinde op een correcte wijze te kunnen rapporteren over de opdrachten die zij plaatsen voor het verrichten van de relevante activiteiten waarvoor overeenkomstig het onderhavige besluit geen afwijking is toegestaan.

(33)

Er wordt tevens aan herinnerd dat contracten die betrekking hebben op onderscheiden activiteiten zullen worden behandeld overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2004/17/EG. In de huidige context houdt dit in dat wanneer een aanbestedende dienst een „gemengde” aanbesteding uitschrijft, dat wil zeggen een aanbesteding die wordt gebruikt ter ondersteuning van de prestaties van zowel activiteiten die zijn vrijgesteld van de toepassing van Richtlijn 2004/17/EG als van niet-vrijgestelde activiteiten, zal worden gekeken naar de activiteiten waarvoor het contract in de eerste plaats is bedoeld. In het geval van een dergelijke gemengde aanbesteding, waarvan het doel voornamelijk de ondersteuning van de kleinhandelsverkoop van elektriciteit is aan met het laagspanningsnet verbonden eindgebruikers, blijft het bepaalde in Richtlijn 2004/17/EG van kracht. Wanneer het objectief gesproken onmogelijk is om te bepalen voor welke activiteit het contract voornamelijk bedoeld is, wordt dit contract gegund overeenkomstig de regels van artikel 9, leden 2 en 3, van de richtlijn.

(34)

Dit besluit is gebaseerd op de wettelijke en feitelijke situatie in de periode februari-mei 2010, zoals naar voren komt in de door de Italiaanse Republiek en CVA verstrekte informatie, de mededelingen van 2005 en 2010 en de technische bijlagen daarvan en het kaderdocument van 2007, het eindverslag en het jaarverslag 2009 van de AEEG. Wanneer betekenisvolle wijzigingen van de wettelijke en feitelijke situatie tot gevolg hebben dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG wat de groothandel in elektriciteit in de Italiaanse Macro-zone Noord en de kleinhandelsverkoop aan eindgebruikers, verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning, betreft, kan het onderhavige besluit worden herzien,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2004/17/EG is niet van toepassing op opdrachten die door aanbestedende diensten worden gegund of die zij voornemens zijn te gunnen om de volgende diensten mogelijk te maken:

a)

de productie van en groothandel in elektriciteit in de Macro-zone Noord;

b)

de kleinhandelsverkoop van elektriciteit aan eindgebruikers verbonden met het net met middelhoge, hoge en zeer hoge spanning op het gehele grondgebied van de Italiaanse Republiek.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2010.

Voor de Commissie

Michel BARNIER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  Dit omvat de de zone Noord samen met vier kleinere zones (Ene, Enw, Turbigo en Monfalcone), als omschreven in bijlage B bij de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007„Onderzoek op grond van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1/2003 naar de Europese gas- en elektriciteitssectoren, (eindverslag)” (COM(2006) 851 definitief, hierna „eindverslag”).

(3)  PB L 27 van 30.1.1997, blz. 20.

(4)  PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37. Er moet worden opgemerkt dat Richtlijn 2003/54/EG vervangen is door Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55), waarbij een hogere graad van marktopening wordt geëist dan overeenkomstig de twee vorige richtlijnen. Aangezien de uiterste termijn voor de tenuitvoerlegging van deze nieuwe richtlijn echter nog niet is verstreken, wordt nog steeds verwezen naar het rechtskader van Richtlijn 2003/54/EG.

(5)  MERGER COMP M-4110 E.ON/Endesa, blz. 3.

(6)  Zie eindverslag, bijlage B, punt A1, 2.

(7)  Dit omvat de zones Centrum-Noord, Piombino, Centrum-Zuid, Zuid, Rossano, Brindisi en Calabrië.

(8)  Dit omvat de zones Sicilië, Priolo en Calabrië.

(9)  Zie de Beschikkingen van de Commissie 2009/47/EG (PB L 19 van 23.1.2009, blz. 57); 2008/585/EG (PB L 188 van 16.7.2008, blz. 28); 2008/741/EG (PB L 251 van 19.9.2008, blz. 35); 2007/141/EG (PB L 62 van 1.3.2007, blz. 23); 2007/706/EG (PB L 287 van 1.11.2007, blz. 18); 2006/211/EG (PB L 76 van 15.3.2006, blz. 6), en 2006/422/EG (PB L 168 van 21.6.2006, blz. 33).

(10)  Dat wil zeggen de hoeveelheid elektriciteit die benodigd is voor intern verbruik en uitvoer.

(11)  Schrijven nr. 0018212 van 10 mei 2010 van de Italiaanse Autoriteit voor Elektriciteit en Gas.

(12)  Wet nr. 99/2009 van 23 juli 2009.

(13)  SEC(2010) 251, hierna de „2010-mededeling” genoemd.

(14)  Tabel 3.1 van de technische bijlage (blz. 12) bij de „2010-mededeling”.

(15)  Jaarverslag betreffende de toestand van de diensten en de regelgevingsactiviteiten van de Italiaanse Autoriteit voor Electriciteit en Gas (AEEG) van 31 maart 2009 (hierna „jaarverslag 2009 van de AEEG”), blz. 76.

(16)  Dit komt goed overeen met het niveau van concentratie, 43 %, dat geldt op de Zweedse kleinhandelsmarkt (zie overweging 14 van Beschikking 2007/706/EG).

(17)  Mededeling van de Commissie van 15 november 2005„Verslag over de vorderingen die worden gemaakt bij de totstandbrenging van de interne markt voor gas en elektriciteit” (COM(2005) 568 definitief, hierna de „2005-mededeling” genoemd), blz. 9.

(18)  Tabel 2.2 van de technische bijlage bij de „2010-mededeling”.

(19)  Zie overweging 13 van Beschikking 2008/585/EG.

(20)  Jaarverslag 2009 van de AEEG.

(21)  Zie punt 328 van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 28 februari 2002 in zaak T-395/94 Atlantic Container Line AB en anderen tegen Commissie, Jurispr. 2002 blz. II-875.

(22)  In de praktijk worden de gereguleerde prijzen vastgesteld op basis van de op de vrije markt aangetroffen tarieven.

(23)  Schrijven nr. 0032953 van 20 mei 2010 van de Italiaanse mededingingsautoriteit.