ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.180.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 180

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
15 juli 2010


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU, Euratom) nr. 617/2010 van de Raad van 24 juni 2010 inzake mededeling aan de Commissie van investeringsprojecten met betrekking tot energie-infrastructuur binnen de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 736/96

7

 

 

Verordening (EU) nr. 618/2010 van de Commissie van 14 juli 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

15

 

 

Verordening (EU) nr. 619/2010 van de Commissie van 14 juli 2010 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/10

17

 

 

Verordening (EU) nr. 620/2010 van de Commissie van 14 juli 2010 inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van de maand juli 2010 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 616/2007 geopende tariefcontingenten zijn ingediend voor vlees van pluimvee

19

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/391/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 8 juli 2010 tot wijziging van de bijlagen bij Beschikking 93/52/EG wat betreft de erkenning dat Litouwen en de regio Molise in Italië officieel vrij zijn van brucellose (B. melitensis) en tot wijziging van de bijlagen bij Beschikking 2003/467/EG wat betreft de verklaring dat bepaalde administratieve regio’s in Italië officieel vrij zijn van rundertuberculose, runderbrucellose en enzoötische boviene leukose (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4592)  ( 1 )

21

 

 

2010/392/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 14 juli 2010 tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit India en Maleisië

26

 

 

2010/393/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 14 juli 2010 tot beëindiging van de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit India en Maleisië

28

 

 

IV   Handelingen die vóór 1 december 2009 zijn aangenomen krachtens het EG-Verdrag, het EU-Verdrag en het Euratom-Verdrag

 

 

2010/394/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 20 mei 2008 betreffende de steunmaatregel C 57/06 (ex NN 56/06, ex N 451/06) in verband met de financiering van Hessische Staatsweingüter door de deelstaat Hessen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1626)  ( 1 )

30

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

15.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/1


RICHTLIJN 2010/41/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 7 juli 2010

betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 157, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 86/613/EEG van de Raad van 11 december 1986 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap (3) waarborgt dat in de lidstaten ten aanzien van mannen en vrouwen die een zelfstandige activiteit uitoefenen of die daartoe bijdragen, het beginsel van gelijke behandeling wordt toegepast. Richtlijn 86/613/EEG is wat betreft zelfstandigen en echtgenoten van zelfstandigen niet zeer doeltreffend gebleken, en de werkingssfeer ervan dient te worden heroverwogen, aangezien discriminatie op grond van geslacht en intimidatie zich ook op terreinen anders dan arbeid in loondienst voordoen. Ter wille van de duidelijkheid dient Richtlijn 86/613/EEG door deze richtlijn te worden vervangen.

(2)

In haar mededeling van 1 maart 2006, getiteld „Routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen”, deelde de Commissie mee dat zij met het oog op een betere sturing van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen de bestaande Unie-wetgeving inzake gelijke behandeling naar geslacht, die niet is meegenomen in de herschikkingsprocedure in 2005, zou onderzoeken om die waar nodig te actualiseren, te moderniseren en te herschikken. Bij de herschikkingsprocedure bleef Richtlijn 86/613/EEG buiten beschouwing.

(3)

In zijn conclusies van 5 en 6 december 2007 over „Een evenwichtige rolverdeling tussen mannen en vrouwen ten behoeve van werkgelegenheid, groei en sociale samenhang” riep de Raad de Commissie op om te onderzoeken of Richtlijn 86/613/EEG eventueel diende te worden herzien om de rechten van zelfstandigen en hun meewerkende echtgenoten in verband met moeder- en vaderschap veilig te stellen.

(4)

Het Europees Parlement heeft de Commissie er bij voortduring toe opgeroepen Richtlijn 86/613/EEG te herzien, met name met het oog op een betere moederschapsbescherming voor vrouwelijke zelfstandigen en ter verbetering van de situatie van echtgenoten van zelfstandigen.

(5)

Het Europees Parlement heeft zijn standpunt ter zake reeds kenbaar gemaakt in zijn resolutie van 21 februari 1997 over de situatie van medewerkende echtgenoten van zelfstandig werkenden (4).

(6)

In haar mededeling van 2 juli 2008, getiteld „Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21e eeuw”, heeft de Commissie de noodzaak bevestigd van het nemen van maatregelen betreffende de kloof tussen mannen en vrouwen in het ondernemerschap alsmede ten behoeve van een betere combinatie van privé- en beroepsleven.

(7)

Er bestaat reeds een aantal rechtsinstrumenten voor de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling dat van toepassing is op zelfstandige arbeid, met name Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (5) en Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (6). Deze richtlijn dient derhalve niet te gelden voor de reeds onder andere richtlijnen vallende gebieden.

(8)

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de lidstaten om hun stelsels voor sociale bescherming in te richten. De exclusieve bevoegdheid van de lidstaten met betrekking tot de inrichting van hun socialebeschermingsstelsels omvat onder meer besluiten over het opzetten, financieren en beheren van dergelijke stelsels en de bijhorende instanties, alsmede over de inhoud en het verlenen van prestaties, de hoogte van de premies en de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen.

(9)

Deze richtlijn moet van toepassing zijn op zelfstandigen en hun echtgenoten of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, hun levenspartners, wanneer die onder de in het nationale recht bepaalde voorwaarden gewoonlijk aan de uitoefening van de activiteit deelnemen. Teneinde de situatie voor deze echtgenoten en, mits en voor zover erkend in het nationale recht, de levenspartners van zelfstandigen te verbeteren, moet hun werk erkend worden.

(10)

Deze richtlijn geldt niet voor aangelegenheden die al geregeld zijn in andere richtlijnen ter uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, in het bijzonder Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (7). Onder meer artikel 5 van Richtlijn 2004/113/EG betreffende verzekerings- en aanverwante financiële diensten blijft van toepassing.

(11)

Ter voorkoming van discriminatie op grond van geslacht is deze richtlijn zowel op directe als op indirecte discriminatie van toepassing. Intimidatie en seksuele intimidatie moeten worden beschouwd als discriminatie en zijn daarom verboden.

(12)

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de burgerlijke staat of de gezinssituatie volgens het nationale recht.

(13)

Het beginsel van gelijke behandeling betreft de relaties tussen de zelfstandige en derde partijen in de context van deze richtlijn, maar niet de relaties tussen de zelfstandige en zijn of haar echtgenoot of levenspartner.

(14)

Voor zelfstandige arbeid houdt de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling in dat er geen discriminatie op grond van geslacht mag bestaan, bijvoorbeeld ten aanzien van de oprichting, vestiging of uitbreiding van een bedrijf of het opzetten of de uitbreiding van enigerlei andere vorm van zelfstandige arbeid.

(15)

Krachtens artikel 157, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie mogen de lidstaten maatregelen handhaven of aannemen waarbij specifieke voordelen worden geboden om de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in hun beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren. In principe dienen maatregelen, zoals positieve actie ter verwezenlijking van gelijkheid van mannen en vrouwen in de praktijk, niet als schending van het rechtsbeginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen te worden beschouwd.

(16)

Gewaarborgd moet worden dat de voorwaarden voor de oprichting van een bedrijf tussen echtgenoten of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, levenspartners niet restrictiever zijn dan de voorwaarden voor oprichting van een bedrijf tussen andere personen.

(17)

Gezien hun deelneming aan de activiteiten van het familiebedrijf, dienen echtgenoten of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, levenspartners van zelfstandigen die toegang hebben tot een stelsel voor sociale bescherming, ook sociale bescherming te kunnen genieten. De lidstaten moeten worden verplicht om de nodige maatregelen te nemen om deze sociale bescherming overeenkomstig hun nationale recht te organiseren. In het bijzonder is het aan de lidstaten om te besluiten of deze sociale bescherming op een verplichte of vrijwillige grondslag moet worden toegepast. De lidstaten kunnen bepalen dat deze sociale bescherming in verhouding kan staan tot de deelneming aan de activiteiten van de zelfstandige en/of de hoogte van de bijdrage.

(18)

De economische en fysieke kwetsbaarheid van zwangere zelfstandigen, zwangere echtgenoten en, mits en voor zover erkend in het nationale recht, zwangere levenspartners van zelfstandigen maakt het noodzakelijk dat hun het recht op moederschapsuitkeringen wordt toegekend. De lidstaten blijven bevoegd tot de organisatie van deze uitkeringen, waaronder de vaststelling van de hoogte van de bijdragen en alle regelingen betreffende uitkeringen en betalingen, mits de minimumnormen van deze richtlijn worden nageleefd. In het bijzonder kunnen zij bepalen gedurende welke periode voor en/of na de bevalling recht op moederschapsuitkeringen wordt verleend.

(19)

De duur van de periode waarin aan vrouwelijke zelfstandigen en vrouwelijke echtgenotes, dan wel, mits en voor zover erkend door de nationale wetgeving vrouwelijke levenspartners van zelfstandigen, moederschapsuitkeringen worden toegekend is soortgelijk aan de duur van het zwangerschapsverlof voor werknemers dat momenteel op Unie-niveau van toepassing is. Indien de duur van het zwangerschapsverlof voor werknemers op Unie-niveau wordt gewijzigd, moet de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag doen en beoordelen of de duur van de moederschapsuitkering voor de in artikel 2 bedoelde vrouwelijke zelfstandigen en vrouwelijke echtgenotes en levenspartners eveneens moet worden aangepast.

(20)

Om recht te doen aan de bijzondere kenmerken van het werk als zelfstandige, dienen vrouwelijke zelfstandigen en vrouwelijke echtgenotes of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, vrouwelijke levenspartners van zelfstandigen, toegang te hebben tot de bestaande diensten voor tijdelijke vervanging die het onderbreken van de beroepsuitoefening vanwege zwangerschap of moederschap mogelijk maken, of op de bestaande nationale sociale diensten. Toegang tot die diensten kan een alternatief of een onderdeel van de moederschapsuitkering vormen.

(21)

Personen die op grond van geslacht zijn gediscrimineerd, dienen over passende mogelijkheden tot rechtsbescherming te beschikken. Om een doeltreffender bescherming te bieden, moeten verenigingen, organisaties en andere rechtspersonen gerechtelijke stappen namens of tot steun van slachtoffers kunnen ondernemen, al naargelang de lidstaten bepalen, onverminderd de nationale procedurevoorschriften inzake vertegenwoordiging en verdediging in rechte.

(22)

De bescherming van zelfstandigen en van echtgenoten van zelfstandigen en, mits en voor zover erkend in het nationale recht, levenspartners van zelfstandigen tegen discriminatie op grond van geslacht dient te worden versterkt door de aanwezigheid in elke lidstaat van een of meer organen met de bevoegdheid om de betrokken problemen te onderzoeken, mogelijke oplossingen te zoeken en praktische bijstand aan de slachtoffers te verlenen. Deze organen mogen dezelfde zijn als de organen die op nationaal niveau verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling.

(23)

Deze richtlijn stelt minimumvereisten vast en laat de lidstaten daarmee de keuze gunstiger bepalingen aan te nemen of te handhaven.

(24)

Aangezien de doelstelling van het beoogde optreden, namelijk het waarborgen van een gemeenschappelijk hoog niveau van bescherming tegen discriminatie in alle lidstaten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN AANGENOMEN:

Artikel 1

Onderwerp

1.   In deze richtlijn wordt een kader vastgesteld voor de toepassing in de lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen die een zelfstandige activiteit uitoefenen of die aan de uitoefening van een zodanige activiteit bijdragen, met betrekking tot alle aspecten die niet onder de Richtlijnen 2006/54/EG en 79/7/EEG vallen.

2.   De uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten blijft onder Richtlijn 2004/113/EG vallen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze richtlijn betreft:

a)

zelfstandigen, waaronder wordt verstaan eenieder die onder de in het nationale recht bepaalde voorwaarden voor eigen rekening een winstgevende activiteit uitoefent;

b)

de echtgenoten van zelfstandigen of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, levenspartners van zelfstandigen, die, anders dan als werknemer of als vennoot, gewoonlijk en onder de in het nationale recht bepaalde voorwaarden aan de uitoefening van de activiteit van de zelfstandige deelnemen en dezelfde of aanvullende werkzaamheden verrichten.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn is er sprake van:

a)   „directe discriminatie”: wanneer iemand op grond van geslacht minder gunstig wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;

b)   „indirecte discriminatie”: wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een geslacht in vergelijking met personen van het andere geslacht bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn;

c)   „intimidatie”: wanneer er sprake is van ongewenst gedrag dat verband houdt met het geslacht van een persoon en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van die persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;

d)   „seksuele intimidatie”: wanneer zich enige vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie voordoet met als doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

Artikel 4

Beginsel van gelijke behandeling

1.   Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht in de publieke of de particuliere sector, hetzij direct, hetzij indirect, is verboden, bijvoorbeeld met betrekking tot de oprichting, vestiging of uitbreiding van een onderneming, dan wel ten aanzien van aanvang of uitbreiding van iedere andere vorm van zelfstandige arbeid.

2.   Op de onder lid 1 vallende gebieden dienen intimidatie en seksuele intimidatie te worden beschouwd als discriminatie op grond van geslacht en zijn ze derhalve verboden. Het feit dat een persoon zulk gedrag afwijst of lijdzaam ondergaat, mag niet ten grondslag liggen aan een die persoon betreffende beslissing.

3.   Op de onder lid 1 vallende gebieden wordt een opdracht tot het discrimineren van personen op grond van geslacht beschouwd als discriminatie.

Artikel 5

Positieve actie

De lidstaten kunnen maatregelen in de zin van artikel 157, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, handhaven of aannemen om volledige gelijkheid in de praktijk tussen mannen en vrouwen in het beroepsleven te waarborgen, bijvoorbeeld om ondernemerschapsinitiatieven onder vrouwen te stimuleren.

Artikel 6

Oprichting van een vennootschap

Onverminderd bijzondere voorwaarden voor de toegang tot bepaalde werkzaamheden die op mannen en vrouwen op gelijke wijze worden toegepast, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te verzekeren dat de voorwaarden voor oprichting van een vennootschap tussen echtgenoten of, mits en voor zover erkend in het nationale recht, tussen levenspartners, niet restrictiever zijn dan de voorwaarden voor oprichting van een vennootschap tussen andere personen.

Artikel 7

Sociale bescherming

1.   Waar in een lidstaat een stelsel voor sociale bescherming van zelfstandigen bestaat, neemt die lidstaat de nodige maatregelen om te verzekeren dat in artikel 2, onder b), bedoelde echtgenoten en levenspartners een sociale bescherming overeenkomstig het nationale recht kunnen genieten.

2.   De lidstaten kunnen besluiten of de in lid 1 bedoelde sociale bescherming op een verplichte of een vrijwillige grondslag wordt toegepast.

Artikel 8

Moederschapsuitkeringen

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat vrouwelijke zelfstandigen, vrouwelijke echtgenotes en levenspartners, als bedoeld in artikel 2, overeenkomstig het nationale recht een toereikende moederschapsuitkering wordt toegekend die het onderbreken van de beroepsuitoefening wegens zwangerschap of moederschap gedurende ten minste 14 weken mogelijk maakt.

2.   De lidstaten kunnen besluiten of de in lid 1 bedoelde moederschapsuitkering op een verplichte of een vrijwillig grondslag wordt toegekend.

3.   De in lid 1 bedoelde uitkering wordt als toereikend beschouwd, wanneer deze een inkomen waarborgt dat ten minste gelijk is aan:

a)

de uitkering die de betrokkene zou ontvangen in geval van een onderbreking van haar werkzaamheden in verband met haar gezondheidstoestand, en/of

b)

het gemiddelde inkomensverlies in verband met een vergelijkbare voorafgaande periode, tot een door het nationale recht bepaald maximum, en/of

c)

elke andere gezinsgerelateerde uitkering op grond van het nationale recht, tot een door het nationale recht bepaald maximum.

4.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat vrouwelijke zelfstandigen, vrouwelijke echtgenotes en levenspartners als bedoeld in artikel 2 toegang hebben tot bestaande diensten voor tijdelijke vervanging of op bestaande nationale sociale diensten. De lidstaten kunnen bepalen dat de toegang tot die diensten een alternatief is voor of een onderdeel vormt van de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitkering.

Artikel 9

Verdediging van rechten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat gerechtelijke of administratieve procedures, en, wanneer zij dit passend achten, ook bemiddelingsprocedures, voor de naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, beschikbaar zijn voor eenieder die meent door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling schade of verlies te hebben geleden, zelfs na beëindiging van de verhouding waarin de betrokkene zou zijn gediscrimineerd.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat verenigingen, organisaties en andere rechtspersonen, die er, overeenkomstig de in het nationale recht vastgestelde criteria, een rechtmatig belang bij hebben dat deze richtlijn wordt nageleefd, namens of ter ondersteuning van de klager of klaagster met zijn of haar toestemming, gerechtelijke of administratieve procedures kunnen aanspannen om de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen te doen naleven.

3.   De leden 1 en 2 laten de nationale regels betreffende de termijnen voor de instelling van een rechtsvordering aangaande het beginsel van gelijke behandeling onverlet.

Artikel 10

Compensatie of reparatie

De lidstaten nemen in hun interne rechtsorde de nodige maatregelen om te zorgen voor reële en effectieve compensatie of reparatie, naargelang zij zelf bepalen, van de schade of het verlies geleden door een persoon als gevolg van discriminatie op grond van geslacht, op een wijze die afschrikkend is en evenredig aan het geleden verlies of de geleden schade. Deze compensatie of reparatie mag niet worden beperkt tot een vooraf vastgesteld maximumbedrag.

Artikel 11

Organen voor gelijke behandeling

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een of meer organen die overeenkomstig artikel 20 van Richtlijn 2006/54/EG zijn aangewezen, eveneens bevoegd zijn voor de bevordering, analyse en ondersteuning en het volgen van de gelijke behandeling van eenieder waarop onderhavige richtlijn van toepassing is, zonder discriminatie op grond van geslacht.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat tot de taken van de in lid 1 bedoelde organen onder meer behoort:

a)

onverminderd de rechten van slachtoffers en van de in artikel 9, lid 2, bedoelde verenigingen, organisaties of andere rechtspersonen, onafhankelijke bijstand te verlenen aan slachtoffers van discriminatie bij de afwikkeling van hun klachten betreffende discriminatie;

b)

onafhankelijke onderzoeken naar discriminatie te verrichten;

c)

onafhankelijke verslagen te publiceren en aanbevelingen te doen over elk onderwerp dat met dergelijke discriminatie verband houdt;

d)

op het daartoe geëigende niveau beschikbare informatie uit te wisselen met overeenkomstige Europese organen, zoals het Europees Instituut voor gendergelijkheid.

Artikel 12

Gendermainstreaming

De lidstaten houden daadwerkelijk rekening met de doelstelling van gelijkheid van mannen en vrouwen bij de opstelling en uitvoering van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, beleidsmaatregelen en activiteiten op de in deze richtlijn bedoelde gebieden.

Artikel 13

Verspreiding van informatie

De lidstaten dragen er zorg voor dat de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen, tezamen met de reeds van kracht zijnde relevante bepalingen, met alle passende middelen onder de aandacht worden gebracht van alle betrokkenen op hun grondgebied.

Artikel 14

Niveau van bescherming

De lidstaten mogen bepalingen vaststellen of handhaven die voor de bescherming van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen gunstiger zijn dan die van deze richtlijn.

De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding een reden voor de verlaging van het in de lidstaten reeds bestaande niveau van bescherming tegen discriminatie op de door de richtlijn bestreken terreinen.

Artikel 15

Verslagen

1.   De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 5 augustus 2015 alle beschikbare informatie over de toepassing van deze richtlijn mee.

De Commissie stelt een samenvattend verslag op en legt dit uiterlijk op 5 augustus 2016 aan het Europees Parlement en de Raad voor. In dit verslag dient met elke wijziging van de wetgeving betreffende de duur van het zwangerschapsverlof van werknemers rekening te worden gehouden. Het verslag gaat, zo nodig, vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze richtlijn.

2.   Het verslag van de Commissie houdt rekening met de standpunten van de belanghebbende partijen.

Artikel 16

Uitvoering

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 5 augustus 2012 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van deze bepalingen mee.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   Wanneer bijzondere moeilijkheden dit rechtvaardigen, beschikken de lidstaten, zo nodig, over een bijkomende termijn van 2 jaar tot 5 augustus 2014 om te voldoen aan artikel 7 en aan artikel 8 ten aanzien van de in artikel 2, onder b), bedoelde vrouwelijke echtgenotes en levenspartners.

3.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 17

Intrekking

Richtlijn 86/613/EEG wordt ingetrokken met ingang van 5 augustus 2012.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn worden gelezen als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 19

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 7 juli 2010.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

O. CHASTEL


(1)  PB C 228 van 22.9.2009, blz. 107.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 6 mei 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), standpunt in eerste lezing van de Raad van 8 maart 2010 (PB C 123 E van 12.5.2010, blz. 5) en standpunt van het Europees Parlement van 18 mei 2010.

(3)  PB L 359 van 19.12.1986, blz. 56.

(4)  PB C 85 van 17.3.1997, blz. 186.

(5)  PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24.

(6)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(7)  PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

15.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/7


VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 617/2010 VAN DE RAAD

van 24 juni 2010

inzake mededeling aan de Commissie van investeringsprojecten met betrekking tot energie-infrastructuur binnen de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 736/96

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 337,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 187,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor het uitvoeren van haar taken op energiegebied is het voor de Commissie essentieel om een algemeen beeld te verkrijgen van de ontwikkeling van de investeringen in energie-infrastructuur in de Unie. De regelmatige beschikbaarheid van actuele gegevens en informatie moet het voor de Commissie mogelijk maken de nodige vergelijkingen en evaluaties te maken of relevante maatregelen voor te stellen op basis van de nodige gegevens en een adequate analyse, met name wat de toekomstige balans tussen vraag naar en aanbod van energie betreft.

(2)

Het energielandschap binnen en buiten de Unie is in de afgelopen jaren aanzienlijk veranderd, hetgeen investeringen in de energie-infrastructuur tot een cruciale factor maakt voor het garanderen van de energievoorziening voor de Unie, de werking van de interne markt en de door de Unie ingezette overgang naar een koolstofarm energiesysteem.

(3)

Gezien de nieuwe energiecontext zijn er aanzienlijke investeringen vereist in alle energiesectoren en moet er gewerkt worden aan de ontwikkeling van nieuwe infrastructuurtypen en nieuwe marktrijpe technologieën. De liberalisering van de energiesector en de verdere integratie van de interne markt resulteren in een prominentere rol voor de marktdeelnemers bij investeringen. Tegelijk zullen nieuwe beleidseisen, zoals streefcijfers voor de brandstofmix, het beleid van de lidstaten met het oog op de totstandbrenging van een nieuwe en/of gemoderniseerde energie-infrastructuur beïnvloeden.

(4)

In deze context moet er meer aandacht worden besteed aan investeringen in de energie-infrastructuur in de Unie, in het bijzonder met het oog op het anticiperen op problemen, het bevorderen van beste praktijken en het tot stand brengen van grotere transparantie over de toekomstige ontwikkeling van het energiesysteem in de Unie.

(5)

De Commissie en in het bijzonder haar waarnemingspost voor de energiemarkt moeten daarom beschikken over nauwkeurige gegevens en informatie over investeringsprojecten, met inbegrip van buitenbedrijfstellingsprojecten, voor de belangrijkste onderdelen van het energiesysteem van de Unie.

(6)

Gegevens en informatie inzake de voorspelbare ontwikkelingen in de productie-, transmissie- en opslagcapaciteit en projecten in de onderscheiden energiesectoren zijn van belang voor de Unie en voor toekomstige investeringen. Het is daarom noodzakelijk te waarborgen dat aan de Commissie mededeling wordt gedaan van investeringsprojecten waarvoor de bouw- of buitenbedrijfstellingswerkzaamheden reeds zijn aangevangen of waarover een definitief investeringsbesluit is genomen.

(7)

Overeenkomstig de artikelen 41 en 42 van het Euratom-Verdrag zijn ondernemingen verplicht hun investeringsprojecten mee te delen. Het is noodzakelijk dergelijke informatie aan te vullen, met name via een geregelde rapportering over de tenuitvoerlegging van investeringsprojecten. Deze aanvullende rapportering laat de toepassing van de artikelen 41 tot en met 44 van het Euratom-Verdrag onverlet.

(8)

Opdat de Commissie kan beschikken over een samenhangend beeld betreffende de toekomstige ontwikkelingen in het hele energiesysteem van de Unie, moet een geharmoniseerd kader voor een op geactualiseerde categorieën gebaseerde rapportering inzake investeringsprojecten worden ingevoerd, waarbij de lidstaten officiële gegevens en informatie moeten verstrekken.

(9)

Daartoe moeten de lidstaten aan de Commissie gegevens en informatie meedelen over de op hun grondgebied geplande of in uitvoering zijnde investeringsprojecten op het gebied van energie-infrastructuur met betrekking tot de productie, de opslag en het vervoer van aardolie, aardgas, elektriciteit, met inbegrip van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, biobrandstoffen en de afvangst en opslag van kooldioxide, en mede over de koppelverbindingen met derde landen. Op de betrokken ondernemingen moet de verplichting berusten aan de lidstaten mededeling te doen van dergelijke gegevens en informatie.

(10)

Gezien de tijdshorizon van investeringsprojecten in de energiesector volstaat een tweejaarlijkse rapportering.

(11)

Teneinde onevenredige administratieve belasting te voorkomen en de kosten voor de lidstaten en ondernemingen, voornamelijk die uit het midden- en kleinbedrijf, te minimaliseren, moet deze verordening de mogelijkheid bieden de lidstaten en ondernemingen vrij te stellen van bedoelde rapporteringsverplichting wanneer de Commissie gelijkwaardige informatie ontvangt op grond van door instellingen van de Unie vastgestelde energiesectorspecifieke wetgevingsbesluiten die tot doel heeft concurrerende Europese energiemarkten tot stand te brengen, de duurzaamheid van het uniale energiesysteem en de continuïteit van de energievoorziening van de Unie te waarborgen. Derhalve dient te worden vermeden dat de rapportagevoorschriften opgenomen in het derde pakket maatregelen voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt worden herhaald.

(12)

Om de gegevens te verwerken en de mededeling ervan te vergemakkelijken en te beveiligen, moeten de Commissie en met name haar waarnemingspost voor de energiemarkt alle passende maatregelen kunnen nemen en meer bepaald gebruik kunnen maken van geïntegreerde IT-instrumenten en -procedures.

(13)

De bescherming van personen bij de verwerking van persoonsgegevens wordt gereguleerd bij Richtlijn 95/46/EG van het Europee Parlement en de Raad (1), terwijl de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie wordt gereguleerd bij Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europee Parlement en de Raad (2). De onderhavige verordening laat de hierboven genoemde bepalingen onverlet.

(14)

De lidstaten, of hun gedelegeerde entiteiten, en de Commissie moeten de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige gegevens of informatie bewaren. Daarom moeten de lidstaten, of hun gedelegeerde entiteiten, die gegevens en informatie op nationaal niveau samenvoegen alvorens deze aan de Commissie toe te zenden, met uitzondering van gegevens en informatie over grensoverschrijdende transmissieprojecten. Desgewenst moet de Commissie die gegevens verder samenvoegen en wel zo dat er geen nadere details betreffende afzonderlijke ondernemingen en installaties openbaar worden gemaakt of kunnen worden afgeleid.

(15)

De Commissie en met name haar waarnemingspost voor de energiemarkt moeten op gezette tijden een sectoroverschrijdende analyse maken van de structurele ontwikkeling en vooruitzichten van het energiesysteem van de Unie alsook, waar nodig, een meer gerichte analyse maken inzake bepaalde aspecten van dit energiesysteem. Deze analyse moet ertoe bijdragen dat eventuele leemten op het vlak van infrastructuur en investeringen worden vastgesteld met het oog op het evenwicht tussen de vraag naar en het aanbod van energie. De analyse moet tevens bijdragen tot een discussie op Unieniveau over energie-infrastructuren en moet daarom aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité worden toegezonden en aan belanghebbende partijen ter beschikking worden gesteld.

(16)

De Commissie kan worden bijgestaan door deskundigen van de lidstaten of andere vakbekwame deskundigen om tot gemeenschappelijke inzichten te komen over mogelijke leemten in de infrastructuur en daarmee samenhangende risico’s, en om de transparantie met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen te bevorderen.

(17)

Bij de vaststelling van de voor de uitvoering van deze verordening vereiste technische maatregelen moet de Commissie zich zoveel mogelijk baseren op het mededelingsmodel gebruikt in het kader van Verordening (EG) nr. 2386/96 van de Commissie (3) waarbij Verordening (EG) nr. 736/96 van de Raad van 22 april 1996 inzake mededeling aan de Commissie van investeringsprojecten van communautair belang in de sectoren aardolie, aardgas en elektriciteit (4) wordt uitgevoerd, en vooraf de nationale deskundigen raadplegen.

(18)

Gezien de omvang van de wijzigingen die vereist zijn om de wetgeving aan te passen aan de huidige uitdagingen op energiegebied en met het oog op de duidelijkheid moet Verordening (EG) nr. 736/96 worden ingetrokken en vervangen door een nieuwe verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijk kader ingevoerd voor de mededeling aan de Commissie van gegevens en informatie over investeringsprojecten met betrekking tot energie-infrastructuur in de sectoren aardolie, aardgas, elektriciteit, mede uit hernieuwbare bronnen, en biobrandstoffen, en over investeringsprojecten met betrekking tot het afvangen en opslaan van door deze sectoren geproduceerde kooldioxide.

2.   Deze verordening is van toepassing op de in de bijlage genoemde typen investeringsprojecten waarvoor de bouw of het buiten bedrijf stellen is gestart of waarover een definitief investeringsbesluit is genomen.

Voorts mogen de lidstaten geschatte gegevens of voorbereidende informatie indienen over alle in de bijlage genoemde typen investeringsprojecten waarvoor de werken volgens de planning binnen vijf jaar zullen beginnen en over die welke volgens de planning binnen drie jaar buiten bedrijf worden gesteld, maar waarvoor nog geen definitief investeringsbesluit is genomen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „infrastructuur”: elk soort installatie die of onderdeel van een installatie dat verband houdt met productie, transmissie en opslag;

2.   „investeringsprojecten”: projecten die tot doel hebben:

3.   „definitief investeringsbesluit”: het besluit dat op bedrijfsniveau wordt genomen om definitief middelen uit te trekken voor de investeringsfase van een project, waarbij onder investeringsfase wordt verstaan de fase waarin de bouw of het buiten bedrijf stellen plaatsvindt en er kapitaalkosten worden gemaakt. Onder de investeringsfase valt niet de planningfase, waarin de uitvoering van het project wordt voorbereid, inclusief, in voorkomend geval, een haalbaarheidsbeoordeling, voorbereidende en technische studies, het verkrijgen van licenties en vergunningen en het maken van kapitaalkosten;

4.   „investeringsprojecten in uitvoering”: investeringsprojecten waarvan de uitvoering van start is gegaan en waarvoor kapitaalkosten zijn gemaakt;

5.   „buitenbedrijfstelling”: de fase waarin een bepaalde infrastructuur permanent buiten bedrijf wordt genomen;

6.   „productie”: de opwekking van elektriciteit en de verwerking van brandstoffen, inclusief biobrandstoffen;

7.   „transmissie”: het vervoer van energiebronnen of -producten of kooldioxide, via een netwerk, meer in het bijzonder:

8.   „opslag”: het tijdelijk of permanent in bewaring houden van energie of energiebronnen in boven- of ondergrondse faciliteiten of geologische bergingslocaties, dan wel de insluiting van kooldioxide in ondergrondse geologische formaties;

9.   „onderneming”: elke natuurlijke persoon of particuliere, dan wel publieke, rechtspersoon die beslist over investeringsprojecten of die dergelijke projecten uitvoert;

10.   „energiebronnen”:

i)

primaire energiebronnen, zoals aardolie, aardgas of kolen;

ii)

getransformeerde energiebronnen, zoals elektriciteit;

iii)

energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van waterkracht, biomassa, biogas, windenergie, zonne-energie, getijdenenergie, golfenergie en geothermische energie, en

iv)

energieproducten, zoals geraffineerde olieproducten en biobrandstoffen;

11.   „specifieke instantie”: instantie die bij energiesectorspecifieke uniale wetgevingsbesluiten is belast met het uitstippelen en aannemen van Uniewijde meerjarige netwerkontwikkelings- en investeringsplannen met betrekking tot energie-infrastructuur, zoals het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSO-E) bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit (5) en het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (ENTSO-G) bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (6).

Artikel 3

Mededeling van gegevens

1.   Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel bij gegevensverzameling en rapportering verzamelen de lidstaten of de door hen met die taak belaste entiteiten met ingang van 1 januari 2011 en vervolgens om de twee jaar alle in deze verordening gespecificeerde gegevens en informatie.

Zij doen de Commissie in 2011, zijnde het eerste rapporteringsjaar, en vervolgens om de twee jaar, mededeling van de in deze verordening gespecificeerde gegevens en relevante projectinformatie. Die mededeling wordt gedaan in geaggregeerde vorm, uitgezonderd voor gegevens en relevante informatie met betrekking tot grensoverschrijdende transmissieprojecten.

De lidstaten of hun gedelegeerde entiteiten doen de Commissie uiterlijk op 31 juli van het betrokken rapporteringsjaar mededeling van de samengevoegde gegevens en de relevante projectinformatie.

2.   De lidstaten of hun gedelegeerde entiteiten zijn vrijgesteld van de in lid 1 bedoelde rapporteringsverplichtingen mits en voor zover krachtens energiesectorspecifieke uniale regelgeving of het Euratom-Verdrag:

a)

de betrokken lidstaat of zijn gedelegeerde entiteit reeds aan de vereisten van deze verordening gelijkwaardige gegevens of informatie aan de Commissie heeft meegedeeld en informatie over de datum van de mededeling en de relevante specifieke rechtshandeling heeft verstrekt, of

b)

een specifieke instantie belast is met de voorbereiding van een meerjareninvesteringsplan voor de energie-infrastructuur op Unieniveau en te dien einde aan de vereisten van deze verordening gelijkwaardige gegevens en informatie samenbrengt. In een dergelijk geval worden voor de toepassing van deze verordening alle relevante gegevens en informatie door de specifieke instantie aan de Commissie meegedeeld.

Artikel 4

Gegevensbronnen

De betrokken ondernemingen delen vóór 1 juni van elk rapporteringsjaar aan de lidstaten of aan de relevante gedelegeerde entiteiten op het grondgebied waarvan zij de uitvoering van investeringsprojecten plannen, de in artikel 3 bedoelde gegevens of informatie mee. De meegedeelde gegevens en informatie geven een beeld van de investeringsprojecten op 31 maart van het betrokken rapporteringsjaar.

De eerste alinea is echter niet van toepassing op ondernemingen wanneer de betrokken lidstaat besluit andere middelen te gebruiken om de Commissie in kennis te brengen van de in artikel 3 bedoelde gegevens of informatie.

Artikel 5

Inhoud van de mededeling

1.   Wat de in de bijlage omschreven soorten investeringsprojecten betreft, bevat de krachtens artikel 3 mee te delen informatie, voor zover van toepassing:

a)

de omvang van de geplande of in opbouw zijnde capaciteit;

b)

het soort en de voornaamste kenmerken van de geplande of in opbouw zijnde infrastructuur of capaciteit, inclusief de locatie van grensoverschrijdende transmissieprojecten, indien van toepassing;

c)

het vermoedelijke jaar van indienstneming;

d)

het soort gebruikte energiebronnen;

e)

de installaties die in staat zijn om respons te bieden op crises in de voorzieningszekerheid, zoals uitrusting die keerstromen of brandstofswitching mogelijk maakt;

f)

de uitrusting van koolstofafvanginstallaties of retrofittingmechanismen voor het afvangen en opslaan van koolstof.

2.   Indien wordt beoogd installaties buiten bedrijf te stellen, moet de in artikel 3 bedoelde mededeling de volgende gegevens bevatten:

a)

de aard en capaciteit van de betrokken infrastructuur, en

b)

het vermoedelijke jaar van buitenbedrijfstelling.

3.   In elke mededeling overeenkomstig artikel 3 wordt in voorkomend geval ook het totale volume vermeld van de geïnstalleerde productie-, transmissie- en opslagcapaciteit die aan het begin van het betrokken rapporteringsjaar voorhanden is of waarvan de werking gedurende een periode van meer dan drie jaar onderbroken wordt.

De lidstaten, hun gedelegeerde entiteiten of de in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde specifieke instanties kunnen bij hun mededelingen relevante opmerkingen toevoegen, zoals opmerkingen inzake vertragingen of belemmeringen voor de uitvoering van investeringsprojecten.

Artikel 6

Kwaliteit van en toegang tot de gegevens

1.   De lidstaten, de door hen gedelegeerde entiteiten of, wanneer passend, de specifieke instanties, streven ernaar de kwaliteit, relevantie, nauwkeurigheid, duidelijkheid, tijdigheid en samenhang van de gegevens en informatie die zij aan de Commissie meedelen, te waarborgen.

In het geval van specifieke instanties kunnen bij de meegedeelde gegevens en informatie de nodige opmerkingen van de lidstaten worden gevoegd.

2.   De Commissie kan de overeenkomstig deze verordening toegezonden gegevens en informatie bekendmaken, met name in de context van de in artikel 10, lid 3, bedoelde analysen, op voorwaarde dat de gegevens en informatie in geaggregeerde vorm worden gepubliceerd en dat er geen specifieke gegevens over afzonderlijke ondernemingen en installaties openbaar worden gemaakt of kunnen worden afgeleid.

3.   De lidstaten, de Commissie of hun gedelegeerde entiteiten bewaren elk de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige gegevens of informatie die in hun bezit zijn.

Artikel 7

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt, binnen de bij deze verordening gestelde grenzen, uiterlijk op 31 oktober 2010 de voor de uitvoering van deze verordening vereiste bepalingen vast betreffende de vorm en andere technische details in verband met de mededeling van de in de artikelen 3 en 5 bedoelde gegevens en informatie.

Artikel 8

Gegevensverwerking

De Commissie is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van, het hosten en het beheer en onderhoud van de IT-hulpmiddelen die vereist zijn voor de ontvangst, opslag en verwerking van de overeenkomstig deze verordening aan de Commissie meegedeelde gegevens of informatie over energie-infrastructuur.

Artikel 9

Bescherming van personen bij de gegevensverwerking

Deze verordening laat het uniale recht onverlet en doet met name geen afbreuk aan de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van de verwerking van persoonsgegevens, als neergelegd in Richtlijn 95/46/EG, of de krachtens Verordening (EG) nr. 45/2001 aan de instellingen en instanties van de Unie opgelegde verplichtingen met betrekking tot de bij de uitvoering van hun taken ondernomen verwerking van persoonsgegevens.

Artikel 10

Monitoring en rapportering

1.   Op basis van de toegezonden gegevens en informatie en, wanneer passend, andere gegevensbronnen, inclusief door de Commissie aangekochte data, en rekening houdend met analysen ter zake, zoals de meerjarige netwerkontwikkelingsplannen voor aardgas en elektriciteit, legt de Commissie het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité tweejaarlijks een sectoroverschrijdende analyse van de structurele ontwikkeling en de vooruitzichten van het energiesysteem van de Unie voor en publiceert ze. Deze analyse heeft met name de volgende doelstellingen:

a)

de detectie van potentiële toekomstige, vanuit het oogpunt van het energiebeleid van de Unie significante, verschillen tussen energievraag en -aanbod;

b)

de detectie van belemmeringen voor investeringen en de bevordering van beste praktijken om dergelijke problemen op te lossen, en

c)

het vergroten van de transparantie voor de marktdeelnemers en potentiële toetreders tot de markt.

Op basis van deze gegevens en informatie kan de Commissie ook specifieke analysen maken wanneer die noodzakelijk en passend worden geacht.

2.   Bij het maken van de in lid 1 bedoelde analysen kan de Commissie worden bijgestaan door deskundigen uit de lidstaten en/of andere deskundigen, beroepsverenigingen met specifieke competenties op het betrokken gebied.

De Commissie biedt alle lidstaten de gelegenheid om commentaar te leveren op de ontwerpanalysen.

3.   De Commissie bespreekt de analysen met belanghebbende partijen zoals ENTSO-E, ENTSO-G, de Groep Coördinatie gas en de Groep Olievoorziening.

Artikel 11

Evaluatie

Uiterlijk op 23 juli 2015 maakt de Commissie een evaluatie van de uitvoering ervan en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag over de resultaten van die evaluatie in. In haar evaluatie gaat de Commissie onder meer na of het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot de winning van aardgas, aardolie en steenkool.

Artikel 12

Intrekking

Verordening (EG) nr. 736/96 wordt ingetrokken.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 24 juni 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BLANCO LÓPEZ


(1)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(2)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(3)  PB L 326 van 17.12.1996, blz. 13.

(4)  PB L 102 van 25.4.1996, blz. 1.

(5)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 15.

(6)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36.


BIJLAGE

INVESTERINGSPROJECTEN

1.   AARDOLIE

1.1.   Raffinage

Distillatie-installaties met een capaciteit van ten minste 1 miljoen ton per jaar;

uitbreidingen van de distillatiecapaciteit tot meer dan 1 miljoen ton per jaar;

reforming/crackinginstallaties met een minimumcapaciteit van 500 ton per dag;

ontzwavelingsinstallaties voor stookolieresiduen/gasolie/feedstock/andere aardolieproducten.

Uitgezonderd zijn chemische installaties die geen stookolie en/of motorbrandstoffen produceren of deze alleen als bijproducten vervaardigen.

1.2.   Vervoer

Pijpleidingen voor het vervoer van ruwe aardolie, met een capaciteit van ten minste 3 miljoen ton per jaar, en uitbreiding of verlenging van dergelijke pijpleidingstelsels met minimaal 30 km;

pijpleidingen voor het vervoer van aardolieproducten met een capaciteit van ten minste 1,5 miljoen ton per jaar, en uitbreiding of verlenging van dergelijke pijpleidingstelsels met minimaal 30 km;

pijpleidingen die essentiële verbindingselementen vormen in nationale of internationale interconnectienetwerken en pijpleidingen en projecten van gemeenschappelijk belang aangegeven in de richtsnoeren die zijn opgesteld krachtens artikel 171 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”) (1).

Uitgezonderd zijn pijpleidingen voor militaire doeleinden en pijpleidingen waarmee bedrijven worden bevoorraad welke buiten het toepassingsgebied van punt 1.1 vallen.

1.3.   Opslag

Opslaginstallaties voor ruwe aardolie en aardolieproducten (installaties met een capaciteit van minimaal 150 000 m3 of, in het geval van voorraadtanks, met een capaciteit van minimaal 100 000 m3).

Uitgezonderd zijn voorraadtanks voor militaire doeleinden en tanks waarmee bedrijven worden bevoorraad welke buiten het toepassingsgebied van punt 1.1 vallen.

2.   GAS

2.1.   Transmissie

Pijpleidingen voor het vervoer van gas, inclusief aardgas en biogas, die deel uitmaken van een voornamelijk uit hogedrukpijpleidingen bestaand net, met uitzondering van pijpleidingen die deel uitmaken van een upstreampijpleidingennet en met uitzondering van het deel van hogedrukpijpleidingen dat in de eerste plaats voor lokale aardgasdistributie wordt gebruikt;

pijpleidingen en projecten van gemeenschappelijk belang zoals aangegeven in de richtsnoeren opgesteld overeenkomstig artikel 171 van het VWEU (2).

2.2.   Lng-terminals

Terminals die bestemd zijn voor de invoer van vloeibaar aardgas met een hervergassingscapaciteit van minimaal 1 miljard m3 per jaar.

2.3.   Opslag

Opslaginstallaties die verbonden zijn met in punt 2.1 bedoelde pijpleidingen voor het vervoer van gas.

Uitgezonderd zijn gasleidingen, -terminals en -installaties die bestemd zijn voor militaire doeleinden of waarmee chemische installaties worden bevoorraad die geen energieproducten vervaardigen of deze slechts als bijproduct vervaardigen.

3.   ELEKTRICITEIT

3.1.   Productie

Thermische elektriciteitscentrales en kerncentrales (opwekkingsinstallaties met een vermogen van minimaal 100 MWe);

installaties voor de productie van elektriciteit uit biomassa/vloeibare biomassa/afval (met een capaciteit van minimaal 20 MW);

warmtekrachtcentrales (installaties met een elektriciteitsopwekkingscapaciteit van minimaal 20 MW);

hydro-elektrische centrales (installaties met een vermogen van minimaal 30 MW);

windmolenparken met een capaciteit van minimaal 20 MW;

gecentraliseerde thermische zonnecentrales en geothermische installaties (met een capaciteit van minimaal 20 MW);

fotovoltaïsche installaties (met een capaciteit van minimaal 10 MW).

3.2.   Transmissie

Bovengrondse transmissielijnen, voor zover deze geschikt zijn voor de spanning die op nationaal niveau gewoonlijk voor de koppellijnen wordt gebruikt, en voor zover deze geschikt zijn voor een spanning van 220 kV of meer;

ondergrondse of onderzeese transmissiekabels, voor zover deze geschikt zijn voor een spanning van 150 kV of meer;

projecten van gemeenschappelijk belang, vermeld in de richtsnoeren die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 171 van het VWEU (3).

4.   BIOBRANDSTOFFEN

4.1.   Productie

Installaties die geschikt zijn voor de productie of raffinage van biobrandstoffen (installaties met een capaciteit van minimaal 50 000 ton per jaar).

5.   KOOLDIOXIDE

5.1.   Vervoer

CO2-pijpleidingen die verbonden zijn met de in de punten 1.1 en 3.1 bedoelde productie-installaties.

5.2.   Opslag

Opslaginstallaties (opslaglocaties of -complexen met een capaciteit van minimaal 100 kt).

Uitgezonderd zijn opslaginstallaties die bedoeld zijn voor onderzoek en technologische ontwikkeling.


(1)  Beschikking nr. 1364/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken (PB L 262 van 22.9.2006, blz. 1) is vastgesteld op grond van artikel 155 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(2)  Beschikking nr. 1364/2006/EG is vastgesteld op grond van artikel 155 van het EG-Verdrag.

(3)  Beschikking nr. 1364/2006/EG is vastgesteld op grond van artikel 155 van het EG-Verdrag.


15.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/15


VERORDENING (EU) Nr. 618/2010 VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 15 juli 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

38,5

TR

85,9

ZZ

62,2

0707 00 05

TR

108,5

ZZ

108,5

0709 90 70

TR

99,9

ZZ

99,9

0805 50 10

AR

80,8

TR

111,6

UY

74,4

ZA

83,6

ZZ

87,6

0808 10 80

AR

110,8

BR

71,3

CA

119,1

CL

96,5

CN

57,9

NZ

111,5

US

115,5

UY

116,3

ZA

98,1

ZZ

99,7

0808 20 50

AR

123,5

CL

130,6

NZ

141,4

ZA

99,9

ZZ

123,9

0809 10 00

TR

197,6

ZZ

197,6

0809 20 95

TR

273,5

US

509,9

ZZ

391,7

0809 30

AR

130,0

TR

148,9

ZZ

139,5

0809 40 05

IL

164,9

TR

141,2

ZZ

153,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


15.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/17


VERORDENING (EU) Nr. 619/2010 VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2010

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/10

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2009/10 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 877/2009 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 616/2010 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2009/10 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 877/2009 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 15 juli 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 253 van 25.9.2009, blz. 3.

(4)  PB L 179 van 14.7.2010, blz. 6.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 15 juli 2010

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

41,21

0,00

1701 11 90 (1)

41,21

2,54

1701 12 10 (1)

41,21

0,00

1701 12 90 (1)

41,21

2,24

1701 91 00 (2)

47,57

3,20

1701 99 10 (2)

47,57

0,07

1701 99 90 (2)

47,57

0,07

1702 90 95 (3)

0,48

0,23


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


15.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/19


VERORDENING (EU) Nr. 620/2010 VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2010

inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van de maand juli 2010 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 616/2007 geopende tariefcontingenten zijn ingediend voor vlees van pluimvee

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,

Gelet op Verordening (EG) nr. 616/2007 van de Commissie van 4 juni 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor vlees van pluimvee van oorsprong uit Brazilië, Thailand en andere derde landen (3), en met name op artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 616/2007 zijn tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector vlees van pluimvee.

(2)

De invoercertificaataanvragen die tijdens de eerste zweven dagen van de maand juli 2010 zijn ingediend voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2010, hebben voor bepaalde contingenten betrekking op een hoeveelheid die de beschikbare hoeveelheid overschrijdt. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de invoercertificaataanvragen die op grond van Verordening (EG) nr. 616/2007 zijn ingediend voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2010, worden de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten toegepast.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 15 juli 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)  PB L 142 van 5.6.2007, blz. 3.


BIJLAGE

Nummer van de groep

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de invoercertificaataanvragen die zijn ingediend voor de deelperiode van 1.10.2010-31.12.2010

(%)

1

09.4211

0,400612

5

09.4215

0,378838

6

09.4216

7,14204


BESLUITEN

15.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/21


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2010

tot wijziging van de bijlagen bij Beschikking 93/52/EG wat betreft de erkenning dat Litouwen en de regio Molise in Italië officieel vrij zijn van brucellose (B. melitensis) en tot wijziging van de bijlagen bij Beschikking 2003/467/EG wat betreft de verklaring dat bepaalde administratieve regio’s in Italië officieel vrij zijn van rundertuberculose, runderbrucellose en enzoötische boviene leukose

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4592)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/391/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (1), en met name op bijlage A, deel I, punt 4, bijlage A, deel II, punt 7, en bijlage D, hoofdstuk I, deel E,

Gelet op Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (2), en met name op bijlage A, hoofdstuk 1, deel II,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 91/68/EEG stelt de veterinairrechtelijke voorschriften vast voor het handelsverkeer van schapen en geiten binnen de Unie. Bij die richtlijn wordt bepaald onder welke voorwaarden de lidstaten of regio’s daarvan als officieel brucellosevrij moeten worden erkend.

(2)

Beschikking 93/52/EEG van de Commissie van 21 december 1992 houdende constatering dat bepaalde lidstaten of gebieden aan de voorwaarden voldoen om te worden erkend als officieel brucellosevrij (B. melitensis) (3) bevat in de bijlagen lijsten van de lidstaten en regio’s daarvan die overeenkomstig Richtlijn 91/68/EEG als officieel brucellosevrij (B. melitensis) worden erkend.

(3)

Litouwen heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat aan de relevante voorwaarden van Richtlijn 91/68/EEG is voldaan, zodat zijn gehele grondgebied als officieel brucellosevrij (B. melitensis) kan worden erkend. Die lidstaat moet daarom als officieel vrij van die ziekte worden erkend. Bijlage I bij Beschikking 93/52/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Italië heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat alle provincies van de regio Molise aan de relevante voorwaarden van Richtlijn 91/68/EEG voldoen, zodat die regio als officieel brucellosevrij (B. melitensis) kan worden erkend. Die regio moet daarom als officieel vrij van die ziekte worden erkend.

(5)

Italië heeft ook verzocht de gegevens betreffende die lidstaat te wijzigen in de lijst van regio’s van de lidstaten die als officieel brucellosevrij (B. melitensis) worden erkend in bijlage II bij Beschikking 93/52/EEG. Op grond van de huidige bestuurlijke indeling van Italië is de regio Trentino-Alto Adige in twee afzonderlijke gebieden verdeeld: namelijk de provincie Bolzano en de provincie Trento. De regio Sardegna is in acht provincies verdeeld. Aangezien alle provincies van de regio’s Lombardia, Piemonte, Toscana, Sardegna en Umbria reeds als officieel brucellosevrij (B. melitensis) zijn erkend, moeten die regio’s ook in hun geheel als officieel vrij van die ziekte worden erkend.

(6)

De gegevens betreffende Italië in bijlage II bij Beschikking 93/52/EEG moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Richtlijn 64/432/EEG is van toepassing op het handelsverkeer in runderen en varkens binnen de Unie. Bij die richtlijn wordt bepaald onder welke voorwaarden een lidstaat of een deel of regio daarvan officieel tuberculosevrij, officieel brucellosevrij en officieel vrij van enzoötische boviene leukose kan worden verklaard ten aanzien van de rundveebeslagen.

(8)

Beschikking 2003/467/EG van de Commissie van 23 juni 2003 houdende erkenning van bepaalde lidstaten en delen van lidstaten als officieel tuberculosevrij, officieel brucellosevrij en officieel vrij van enzoötische boviene leukose ten aanzien van de rundveebeslagen (4) bevat in respectievelijk de bijlagen I, II en III lijsten van die lidstaten en delen van lidstaten.

(9)

Italië heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat aan de relevante voorwaarden van Richtlijn 64/432/EEG is voldaan om alle provincies van de regio’s Lombardia en Toscana en de provincies Cagliari, Medio-Campidano, Ogliastra en Olbia-Tempio in de regio Sardegna tot officieel tuberculosevrije regio’s van Italië te verklaren.

(10)

Italië heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat de provincie Campobasso in de regio Molise aan de relevante voorwaarden van Richtlijn 64/432/EEG voldoet, zodat die provincie tot officieel van brucellose vrij deel van Italië kan worden verklaard.

(11)

Italië heeft bij de Commissie ook bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat de provincie Napoli in de regio Campania, de provincie Brindisi in de regio Puglia en de provincies Agrigento, Caltanissetta, Siracusa en Trapani in de regio Sicilia aan de relevante voorwaarden van Richtlijn 64/432/EEG voldoen om officieel tot van enzoötische boviene leukose vrije regio’s van Italië te worden verklaard.

(12)

Na evaluatie van de door Italië ingediende bewijsstukken moeten de desbetreffende provincie en regio’s officieel tot van rundertuberculose, runderbrucellose respectievelijk enzoötische boviene leukose vrije delen van Italië worden verklaard.

(13)

Italië heeft ook verzocht de gegevens betreffende die lidstaat te wijzigen in de lijsten van regio’s van de lidstaten die in de bijlagen bij Beschikking 2003/467/EG als officieel vrij van tuberculose, brucellose en enzoötische boviene leukose worden verklaard. Op grond van de huidige bestuurlijke indeling van Italië is de regio Trentino-Alto Adige in twee afzonderlijke regio’s verdeeld: namelijk de provincie Bolzano en de provincie Trento.

(14)

Aangezien alle in bijlage II, hoofdstuk 2, bij Beschikking 2003/467/EG vermelde provincies van de regio’s Emilia-Romagna, Lombardia, Sardegna en Umbria reeds als officieel brucellosevrij zijn verklaard en alle in bijlage III, hoofdstuk 2, bij Beschikking 2003/467/EG vermelde provincies van de regio’s Emilia-Romagna, Lombardia, Marche, Piemonte, Toscana, Umbria en Val d’Aosta reeds als officieel vrij van enzoötische boviene leukose zijn verklaard, dienen die regio’s in hun geheel ook als officieel vrij van de desbetreffende ziekten te worden beschouwd.

(15)

De bijlagen bij Beschikking 2003/467/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

De Beschikkingen 93/52/EEG en 2003/467/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(17)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen bij Beschikking 93/52/EEG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij dit besluit.

Artikel 2

De bijlagen bij Beschikking 2003/467/EG, worden gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij dit besluit.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2010.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64.

(2)  PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19.

(3)  PB L 13 van 21.1.1993, blz. 14.

(4)  PB L 156 van 25.6.2003, blz. 74.


BIJLAGE I

De bijlagen bij Beschikking 93/52/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt vervangen door:

„BIJLAGE I

LIDSTATEN

ISO-code

Lidstaat

BE

België

CZ

Tsjechië

DK

Denemarken

DE

Duitsland

IE

Ierland

LT

Litouwen

LU

Luxemburg

HU

Hongarije

NL

Nederland

AT

Oostenrijk

PL

Polen

RO

Roemenië

SI

Slovenië

SK

Slowakije

FI

Finland

SE

Zweden

UK

Verenigd Koninkrijk”.

2)

In bijlage II worden de gegevens voor Italië vervangen door:

„In Italië:

regio Abruzzo: de provincie Pescara,

de provincie Bolzano,

regio Friuli-Venezia Giulia,

regio Lazio: de provincies Latina, Rieti, Roma en Viterbo,

regio Liguria: de provincie Savona,

regio Lombardia,

regio Marche,

regio Molise,

regio Piemonte,

regio Sardegna,

regio Toscana,

de provincie Trento,

regio Umbria,

regio Veneto.”.


BIJLAGE II

De bijlagen bij Beschikking 2003/467/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage I, hoofdstuk 2, worden de gegevens betreffende Italië vervangen door:

„In Italië:

regio Abruzzo: de provincie Pescara,

de provincie Bolzano,

regio Emilia-Romagna,

regio Friuli-Venezia Giulia,

regio Lombardia,

regio Marche: de provincie Ascoli Piceno,

regio Piemonte: de provincies Novara, Verbania en Vercelli,

regio Sardegna: de provincies Cagliari, Medio-Campidano, Ogliastra, Olbia-Tempio en Oristano,

regio Toscana,

de provincie Trento,

regio Veneto.”.

2)

In bijlage II, hoofdstuk 2, worden de gegevens betreffende Italië vervangen door:

„In Italië:

regio Abruzzo: de provincie Pescara,

de provincie Bolzano,

regio Emilia-Romagna,

regio Friuli-Venezia Giulia,

regio Lazio: de provincie Rieti,

regio Liguria: de provincies Imperia en Savona,

regio Lombardia,

regio Marche,

regio Molise: de provincies Campobasso,

regio Piemonte,

regio Puglia: de provincie Brindisi,

regio Sardegna,

regio Toscana,

de provincie Trento,

regio Umbria,

regio Veneto.”.

3)

In bijlage III, hoofdstuk 2, worden de gegevens betreffende Italië vervangen door:

„In Italië:

regio Abruzzo: de provincie Pescara,

de provincie Bolzano,

regio Campania: de provincie Napoli,

regio Emilia-Romagna,

regio Friuli-Venezia Giulia,

regio Lazio: de provincies Frosinone en Rieti,

regio Liguria: de provincies Imperia en Savona,

regio Lombardia,

regio Marche,

regio Molise,

regio Piemonte,

regio Puglia: de provincie Brindisi,

regio Sardegna,

regio Sicilia: de provincies Agrigento, Caltanissetta, Siracusa en Trapani,

regio Toscana,

de provincie Trento,

regio Umbria,

regio Val d’Aosta,

regio Veneto.”.


15.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/26


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2010

tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit India en Maleisië

(2010/392/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   Procedure

(1)

Op 30 juni 2009 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) een klacht ontvangen over invoer met schade veroorzakende dumping van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit India en Maleisië („de betrokken landen”).

(2)

De klacht werd overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening ingediend door het European Industrial Fasteners Institute („EIFI”) namens producenten die een groot deel, in dit geval meer dan 25 %, van de totale productie van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen in de Unie voor hun rekening nemen.

(3)

De klacht bevatte voorlopig bewijsmateriaal inzake dumping en daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade dat toereikend werd geacht om tot de inleiding van een antidumpingprocedure over te gaan.

(4)

Na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft de Commissie bij een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt bericht (2) dienovereenkomstig een antidumpingprocedure ingeleid betreffende de invoer in de Unie van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61 en 7318 15 70, van oorsprong uit de betrokken landen.

(5)

Op dezelfde dag heeft de Commissie een antisubsidieprocedure ingeleid betreffende de invoer in de Unie van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, van oorsprong uit de betrokken landen (3).

(6)

De Commissie heeft vragenlijsten toegestuurd aan de bedrijfstak van de Unie en aan alle bekende verenigingen van producenten in de Unie, aan de exporteurs/producenten in de betrokken landen, aan alle verenigingen van exporteurs/producenten, aan de importeurs, aan alle bekende verenigingen van importeurs, en aan de autoriteiten van de betrokken landen. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn hun standpunt schriftelijk bekend te maken en om te verzoeken te worden gehoord.

B.   Intrekking van de klacht en beëindiging van de procedure

(7)

Het EIFI heeft bij schrijven van 1 april 2010 aan de Commissie de klacht officieel ingetrokken.

(8)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de basisverordening kan de procedure worden beëindigd wanneer de klacht wordt ingetrokken, tenzij dit strijdig is met het belang van de Unie.

(9)

De Commissie was van oordeel dat deze procedure diende te worden beëindigd, daar bij het onderzoek niet is gebleken dat dit indruist tegen het belang van de Unie. De belanghebbenden werden hiervan in kennis gesteld en zij kregen de gelegenheid opmerkingen te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen dat beëindiging van de procedure niet in het belang van de Unie zou zijn.

(10)

De Commissie concludeert bijgevolg dat de antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Unie van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, van oorsprong uit de betrokken landen, moet worden beëindigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61 en 7318 15 70, van oorsprong uit India en Maleisië, wordt beëindigd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  PB C 190 van 13.8.2009, blz. 27.

(3)  PB C 190 van 13.8.2009, blz. 32.


15.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/28


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2010

tot beëindiging van de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit India en Maleisië

(2010/393/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 14,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

(1)

Op 30 juni 2009 heeft de Commissie („de Commissie”) een klacht ontvangen over invoer met schade veroorzakende subsidiëring van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit India en Maleisië („de betrokken landen”).

(2)

De klacht werd overeenkomstig artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 6, van de basisverordening ingediend door het European Industrial Fasteners Institute („EIFI”) namens producenten die een groot deel, in dit geval meer dan 25 %, van de totale productie van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen in de Unie voor hun rekening nemen.

(3)

Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal inzake de subsidiëring en de daardoor ontstane aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om tot de inleiding van een antisubsidieprocedure over te gaan.

(4)

Voorafgaand aan de inleiding van de procedure heeft de Commissie overeenkomstig artikel 10, lid 7, van de basisverordening de regeringen van de betrokken landen ervan in kennis gesteld dat zij een met bewijsmateriaal gestaafde klacht had ontvangen dat bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit die landen met subsidiëring werden ingevoerd en dat de bedrijfstak van de Unie hierdoor aanmerkelijke schade leed. De regeringen van de betrokken landen werden afzonderlijk voor overleg uitgenodigd om de situatie ten aanzien van de inhoud van de klacht op te helderen en om overeenstemming te bereiken over een oplossing. Tijdens dat overleg kon geen overeenstemming worden bereikt.

(5)

Na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft de Commissie bij een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt bericht (2) dienovereenkomstig een antisubsidieprocedure ingeleid betreffende de invoer in de Unie van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61 en 7318 15 70, van oorsprong uit de betrokken landen.

(6)

Op dezelfde dag heeft de Commissie een antidumpingprocedure ingeleid betreffende de invoer in de Unie van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, van oorsprong uit de betrokken landen (3).

(7)

De Commissie heeft vragenlijsten toegestuurd aan de bedrijfstak van de Unie en aan alle bekende verenigingen van producenten in de Unie, aan de exporteurs/producenten in de betrokken landen, aan alle verenigingen van exporteurs/producenten, aan de importeurs, aan alle bekende verenigingen van importeurs, en aan de autoriteiten van de betrokken landen. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn hun standpunt schriftelijk bekend te maken en om te verzoeken te worden gehoord.

B.   INTREKKING VAN DE KLACHT EN BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE

(8)

EIFI heeft bij schrijven van 1 april 2010 aan de Commissie de klacht officieel ingetrokken.

(9)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de basisverordening kan de procedure worden beëindigd wanneer de klacht wordt ingetrokken, tenzij dit strijdig is met het belang van de Unie.

(10)

De Commissie was van oordeel dat deze procedure diende te worden beëindigd, daar bij het onderzoek niet is gebleken dat dit indruist tegen het belang van de Unie. De belanghebbenden werden hiervan in kennis gesteld en zij kregen de gelegenheid opmerkingen te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen dat beëindiging van de procedure niet in het belang van de Unie zou zijn.

(11)

De Commissie concludeert bijgevolg dat de antisubsidieprocedure betreffende de invoer in de Unie van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, van oorsprong uit de betrokken landen, moet worden beëindigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De antisubsidieprocedure betreffende de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61 en 7318 15 70, van oorsprong uit India en Maleisië, wordt beëindigd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93.

(2)  PB C 190 van 13.8.2009, blz. 32.

(3)  PB C 190 van 13.8.2009, blz. 27.


IV Handelingen die vóór 1 december 2009 zijn aangenomen krachtens het EG-Verdrag, het EU-Verdrag en het Euratom-Verdrag

15.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 180/30


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2008

betreffende de steunmaatregel C 57/06 (ex NN 56/06, ex N 451/06) in verband met de financiering van „Hessische Staatsweingüter” door de deelstaat Hessen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1626)

(Sechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/394/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Na de belanghebbenden overeenkomstig het genoemde artikel te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1), en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Het directoraat-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling (DG AGRI) heeft een onderzoek ingesteld naar de financiering van „Hessische Staatsweingüter” door de deelstaat Hessen, nadat het in oktober 2003 en november 2004 klachten had ontvangen.

(2)

Naar aanleiding hiervan hebben twee besprekingen plaatsgevonden, namelijk op 26 januari 2005 tussen de Hessense autoriteiten en ambtenaren van DG AGRI, en op 29 september 2005 tussen de heer Koch, minister-president van Hessen, en de commissaris voor landbouw en plattelandsontwikkeling. In vervolg op de bespreking van 29 september 2005 heeft DG AGRI op 13 oktober 2005 een schrijven aan de Hessense autoriteiten doen uitgaan.

(3)

Bij schrijven van 25 januari 2005, 25 april 2005 en 12 december 2005 hebben de Hessense autoriteiten DG AGRI schriftelijke inlichtingen verstrekt, waaraan wordt gerefereerd.

(4)

Overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag heeft Duitsland de Commissie per e-mail van 6 juli 2006 in kennis gesteld van de financiering in de vorm van aandelenkapitaal voor een nieuwe wijnkelder. Volgens de verstrekte inlichtingen werd de maatregel aangemeld om rechtszekerheid te verkrijgen. Omdat een deel van de gelden al vóór de aanmelding was uitbetaald, werd de maatregel onder nummer NN 56/06 in het register van niet-aangemelde steunmaatregelen opgenomen. Op 21 september 2006 en 14 november 2006 heeft Duitsland per e-mail aanvullende inlichtingen verstrekt.

(5)

Bij schrijven van 20 december 2006 (C(2006) 6605 definitief) heeft de Commissie Duitsland in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden ten aanzien van de betrokken steunmaatregel.

(6)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) bekendgemaakt. De Commissie heeft de andere belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen binnen een maand na deze bekendmaking te maken.

(7)

De Commissie heeft opmerkingen van een belanghebbende ontvangen, die bij brief van 15 februari 2007 in eerste instantie om vertrouwelijke behandeling verzocht.

(8)

De opmerkingen werden bij brief van 2 maart 2007 aan Duitsland doorgezonden zonder de identiteit van de belanghebbende prijs te geven. De belanghebbende heeft het verzoek om vertrouwelijke behandeling bij schrijven van 7 maart 2007 ingetrokken. In een e-mail van 4 april 2007 heeft Duitsland nadere inlichtingen verstrekt.

II.   BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL

(9)

Volgens de verstrekte inlichtingen exploiteert Hessische Staatsweingüter GmbH Kloster Eberbach, gevestigd te Eltville am Rhein, met een wijnbouwoppervlakte van ca. 190 ha het grootste domein van Duitsland en richt zij zich op de productie van hoogwaardige wijnen, hoofdzakelijk riesling en in toenemende mate ook rode wijnen. Ze is voor 100 % eigendom van de deelstaat Hessen.

(10)

Tot 1998 ressorteerde het wijnbedrijf van de deelstaat Hessen onder het algemeen bestuur van de deelstaat („beheer volgens het kameralistische stelsel”). Daarna was het, tot 2003, een „Landesbetrieb” (bedrijf van de deelstaat). In verband met de financiering van „Hessische Staatsweingüter” dienen verscheidene maatregelen te worden onderzocht:

(11)

Tot 2003 noteerde „Hessische Staatsweingüter” incidenteel verliezen. De verliezen werden gedragen door de deelstaat.

(12)

Voordat Duitsland de steunmaatregel aanmeldde, hebben de Hessense autoriteiten uitvoerige informatie verstrekt over de toekenning van gelden door de deelstaat Hessen aan „Hessische Staatsweingüter” in de periode 1995-2002.

(13)

Ten tijde van het beheer volgens het kameralistische stelsel viel de exploitatie van „Hessische Staatsweingüter” onder hoofdstuk 09 35 resp. 03 35 van de deelstaatbegroting. De tekorten van „Hessische Staatsweingüter” werden door de deelstaat Hessen volledig in het kader van zijn jaarrekeningen gedekt.

(14)

Volgens de verstrekte informatie was het historische en cultuurhistorische monument Kloster Eberbach, een voormalige cisterciënzer abdij, in die tijd eveneens in bezit van „Hessische Staatsweingüter”. De kosten voor het onderhoud en de exploitatie van het klooster werden derhalve toegerekend aan „Hessische Staatsweingüter”. Volgens de verstrekte informatie ressorteert het klooster tegenwoordig onder een onafhankelijke publiekrechtelijke stichting.

(15)

Volgens de verstrekte informatie behaalde „Hessische Staatsweingüter” in de periode 1995-1997 de volgende resultaten:

in DM

 

1995

1996

1997

Inkomsten

10 424 594

10 970 002

12 043 717

Uitgaven

11 637 419

11 889 731

12 330 538

Resultaat

-1 212 825

- 919 729

- 286 821

(16)

De Hessense autoriteiten stelden dat de uitgaven voor het onderhoud en de exploitatie van het klooster Eberbach niet mogen worden meegeteld bij de bepaling van het totale bedrag aan subsidies van de deelstaat Hessen dat aan het wijnbedrijf van „Hessische Staatsweingüter” kan worden toegerekend.

(17)

Inkomsten en uitgaven van het klooster Eberbach die aan „Hessische Staatsweingüter” zijn toegerekend, paraisseerden volgens de verstrekte informatie onder een aparte titel (titel 72) en kunnen derhalve duidelijk worden afgebakend.

(18)

Volgens de Hessense autoriteiten bevatten de rekeningen van „Hessische Staatsweingüter” bovendien uitgaven voor overige overheidsdiensten die niet direct aan de exploitatie van het domein kunnen worden toegerekend, zoals wijnproeverijen voor representatiedoeleinden van parlement en regering van de deelstaat, alsmede investeringen in verband met ruilverkaveling. Volgens de verstrekte informatie werden deze uitgaven opgesomd in de toelichting bij hoofdstuk 09 35 resp. 03 35 van de jaarrekening.

(19)

Daarom zouden de subsidies van de deelstaat Hessen die aan het wijnbedrijf van „Hessische Staatsweingüter” kunnen worden toegerekend, volgens de Hessense autoriteiten als volgt moeten worden gecorrigeerd:

in DM

 

1995

1996

1997

Resultaat

–1 212 825

– 919 729

– 286 821

Inkomsten Kloster Eberbach

570 825

826 672

966 948

Uitgaven Kloster Eberbach

1 344 793

1 331 987

1 533 826

Correctie voor Kloster Eberbach

773 968

505 315

566 878

Wijnproeverijen voor representatie (all-inbedragen)

140 000

140 000

140 000

Ruilverkaveling

63 918

99 568

47 963

Correctie voor uitgaven van niet-bedrijfseconomische aard

203 918

239 568

187 963

Gecorrigeerd totaalbedrag

– 234 939

– 174 846

468 020

Gecorrigeerde subsidies in EUR

120 122

89 397

(20)

Volgens de verstrekte informatie ontving het „Landesbetrieb Hessische Staatsweingüter” (dat op 1 januari 1998 als juridisch onzelfstandig, apart onderdeel van de deelstaat was opgericht) exploitatiesteun, die zowel exploitatiesubsidies als subsidies voor representatieve taken van de deelstaat (vaste bedragen voor wijnproeverijen van het parlement en de regering van Hessen) omvatte.

(21)

Volgens de Hessense autoriteiten kunnen de volgende bedragen in de periode 1998-2002 als relevante subsidies voor „Hessische Staatsweingüter” worden aangemerkt:

in DM

 

1998

1999

2000

2001

2002

Exploitatiesteun

145 000

670 000

100 000

120 000

61 400

waarvan subsidies voor representatieve doeleinden

65 000

100 000

100 000

120 000

61 400

Relevante steun

80 000

570 000

Relevante steun in EUR

40 903

291 436

(22)

Naar het oordeel van de Hessense autoriteiten kunnen de subsidies die voor de periode 1995-2002 relevant zijn, als volgt worden samengevat:

EUR

Beheer volgens het kameralistische stelsel

1995-1997

209 520

Landesbetrieb

1998-2002

332 339

Totaal

1995-2002

541 859

(23)

Om de herstructurering van het wijnbedrijf voor te bereiden werd op verzoek van de deelstaat Hessen in de maanden augustus t/m november 2001 door „Hessische Staatsweingüter” in samenwerking met het wijnonderzoeksinstituut Forschungsanstalt Geisenheim een strategiedocument opgesteld met de titel „Situationsanalyse und Entwicklungsperspektiven”. Het stuk schetste verschillende scenario’s voor de mogelijke verdere ontwikkeling van de staatswijngebieden en ging uit van twee mogelijke rechtsvormen voor het wijnbedrijf: een GmbH (besloten vennootschap naar Duits recht) of een stichting. Met betrekking tot de ondernemingsstrategie lagen er twee opties voor, namelijk een volledige renovatie van de oude wijnkelder of de bouw van een nieuwe wijnkelder.

(24)

Op basis van dit document werden de verschillende scenario’s in juni 2002 in een ondernemingsplan uitgewerkt. Het „status-quo”-scenario ging uit van een stapsgewijze renovatie van de oude bedrijfsruimten in Eltville in de komende tien jaar voor een bedrag van ca. 6,7 miljoen EUR. Volgens het ondernemingsplan zou de „status-quo”-optie echter niet leiden tot het herstel van de levensvatbaarheid van het wijnbedrijf. Voor de financiering van de staatswijnbouwgebieden zouden over een periode van tien jaar subsidies van de deelstaat Hessen nodig zijn van in totaal ca. 14,3 miljoen EUR (inclusief dekking van het kastekort uit eerdere bedrijfsactiviteiten sinds 2000) alsmede de opbrengst uit de verkoop van niet voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijke vaste activa ten bedrage van ca. 7,7 miljoen EUR. Het wijnbedrijf zou nog in 2011 te kampen hebben met een jaarlijks tekort van ca. 2 miljoen EUR.

(25)

Een tweede strategische optie, namelijk de bouw van een nieuwe wijnkelder op het oude bedrijfsterrein in Eltville, werd vanuit bedrijfseconomisch oogpunt als de minst gunstige optie beoordeeld en daarom verder buiten beschouwing gelaten.

(26)

De enige strategische optie die volgens het ondernemingsplan zou leiden tot levensvatbaarheid op lange termijn bestond uit de bouw van een nieuwe wijnkelder bij de bedrijfsgebouwen van het domein Steinberg en de verhuizing van het hoofdkantoor en de vinotheek van „Hessische Staatsweingüter” naar het klooster Eberbach. Bij deze optie werd ervan uitgegaan dat de deelstaat de schulden die het wijnbedrijf tot eind 2002 had opgebouwd, zou moeten overnemen. De investeringskosten voor de nieuwe wijnkelder werden in totaal op 15 miljoen EUR geraamd en zouden deels uit de verkoop van niet voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijke percelen en deels uit vreemd vermogen moeten worden gefinancierd. Volgens het model van het ondernemingsplan zou in het boekjaar 2006/2007 een eerste positieve dekkingsbijdrage van „Hessische Staatsweingüter” zijn bereikt en in het boekjaar 2008/2009 een eerste positieve cashflow. De subsidies van de deelstaat die nodig zouden zijn om te voorzien in de cashflowbehoefte in de eerste jaren van de herstructurering vanaf 2003, zouden in totaal ca. 4,3 miljoen EUR bedragen.

(27)

Naar aanleiding van een gewijzigde marktsituatie en door andere omstandigheden (o.a. als gevolg van de algemene economische situatie in Duitsland en een overstroming) moest het ondernemingsplan van juni 2002 in september 2002 worden geactualiseerd en het financiële model worden herzien. Volgens het herziene model zouden door de vertraging in het herstel van de levensvatbaarheid van „Hessische Staatsweingüter” verdere subsidies van de deelstaat van ca. 3,4 miljoen EUR nodig zijn.

(28)

Bij kabinetsbesluit van 10 december 2002 besloot de regering van de deelstaat Hessen om het wijnbedrijf per 1 januari 2003 om te vormen tot een GmbH (besloten vennootschap naar Duits recht): „Hessische Staatsweingüter GmbH Kloster Eberbach” (hierna „GmbH” genoemd). Dit proces wordt door de Hessense autoriteiten als „formele privatisering” gekarakteriseerd. Bovendien besloot het kabinet tot de bouw van een nieuwe wijnkelder bij de bedrijfsgebouwen van het domein Steinberg en tot verplaatsing van het hoofdkantoor van Eltville naar Eberbach (realisatie van de derde strategische optie uit het ondernemingsplan).

(29)

Het bedrijfskapitaal en de roerende vaste bedrijfsactiva van het voormalige „Landesbetrieb Hessische Staatsweingüter” ten bedrage van in totaal ca. 7,3 miljoen EUR alsmede enkele kortlopende schulden en reserveringen werden overgedragen aan de GmbH. De onroerende vaste bedrijfsactiva (de geëxploiteerde percelen en de gebouwen) werden ondergebracht in een „Betrieb gewerblicher Art” (een publiekrechtelijke commerciële instelling die voor 100 % eigendom is van de deelstaat) en worden door de GmbH gepacht. Volgens de verstrekte informatie werd de pachtprijs vastgesteld op basis van twee taxatierapporten voor de berekening van de huurwaarde. De taxatierapporten zijn door de Hessense autoriteiten overgelegd.

(30)

Volgens de Hessense autoriteiten wilde de deelstaat Hessen de GmbH in het kader van een alomvattend investeringsplan kapitaal ter beschikking stellen dat voldoende zou zijn om haar levensvatbaarheid op middellange en lange termijn op de internationale wijnmarkten zonder overheidsfinanciering te waarborgen.

(31)

Eind 2002 waren de schulden van het „Landesbetrieb” jegens de deelstaat Hessen opgelopen tot 1 792 000 EUR. De deelstaat heeft deze schulden per 31 december 2002 gezuiverd door een overeenkomstige raming in een wijziging op de begroting van 2002.

(32)

Bij de oprichting in januari 2003 verstrekte de deelstaat Hessen de GmbH in eerste instantie 1 miljoen EUR (geplaatst kapitaal van de vennootschap). De overdracht van activa (en enkele schulden), de afschrijving van schulden en de kapitaalinjectie aan het begin leidden tot een eigen vermogen van de nieuw opgerichte GmbH van ongeveer 7,6 miljoen EUR (ca 91 % van het balanstotaal).

(33)

Eind 2003 werd besloten tot een tweede kapitaalinjectie ten bedrage van 1,225 miljoen EUR. Dit bedrag werd uitbetaald in tranches, namelijk 400 000 EUR op 2 april, 300 000 EUR op 28 juni, 125 000 EUR op 11 augustus en 100 000 EUR op 15 september 2004. De laatste tranche van 300 000 EUR werd betaald op 27 februari 2006. Het ingebrachte kapitaal werd op de balans van de GmbH geboekt als vermogensreserve.

(34)

Het ondernemingsplan van september 2002 werd in februari 2003 opnieuw geactualiseerd (ondernemingsplan van 26 februari 2003, aangevuld met een volledige winst- en verliesprognose) en nogmaals in november 2003 (ondernemingsplan van 28 november 2003). Het ondernemingsplan van 28 november 2003 ging ervan uit dat al in het boekjaar 2007 een eerste positieve EBITDA (3) zou worden bereikt, in 2010 een eerste positieve cashflow en vanaf 2014 winst over het boekjaar. Volgens de verstrekte informatie zou het financiële model dat hieraan ten grondslag lag, leiden tot een (op het resultaat vóór belasting gebaseerd) rendement op het eigen vermogen van meer dan 3 % in 2016 en van meer dan 7 % vanaf 2019.

(35)

In dit verband overhandigden de Hessense autoriteiten de Commissie een rapport over de marktpositie en de rentabiliteit van vergelijkbare domeinen in Duitsland en de Europese Unie (Kurzgutachten - Die Marktstellung und Wirtschaftlichkeit von mit der Hessischen Staatsweingüter Kloster Eberbach GmbH, Eltville, vergleichbaren Weingütern in Deutschland und der Europäischen Union; von Prof. Dr. Dieter Hoffmann, Forschungsanstalt Geisenheim, April 2005; hierna „Hoffmann-rapport” genoemd). Om de gemiddelde rentabiliteitscoëfficiënt van de branche te kunnen bepalen heeft het rapport gebruikgemaakt van bedrijfsanalyses van meer dan 130 domeinen, die periodiek zijn uitgevoerd door het onderzoeksinstituut in Geisenheim.

(36)

Volgens het Hoffmann-rapport hebben domeinen en eventuele branchevreemde eigenaren belang bij een langdurig en waardevast rendement op het eigen vermogen. De analyse leverde voor de periode 1992-2003 voor alle onderzochte domeinen een gemiddelde rentabiliteit op het eigen vermogen op van 1,9 %. De toonaangevende domeinen behaalden een gemiddelde rentabiliteit op het eigen vermogen van 11,7 %. Volgens de verstrekte informatie kunnen de toonaangevende domeinen die zijn onderzocht, niet direct met „Hessische Staatsweingüter” worden vergeleken, aangezien de eerstgenoemde familiebedrijven zijn en de rentabiliteitscoëfficiënt moet worden gecorrigeerd met de personeelskosten van een extern management. Na deze correctie (met inachtneming van de kosten van een technisch leidinggevende en twee commercieel leidinggevenden) komt het rapport voor de toonaangevende domeinen uit op een rendement op het eigen vermogen van ongeveer 2 % (1992-2003) resp. 3 % (1998-2003). Deze percentages moeten naar het oordeel van de Hessense autoriteiten als vergelijkingsnorm voor de financiering van „Hessische Staatsweingüter” worden gehanteerd.

(37)

Het Hoffmann-rapport schat de periode die nodig is om bij de herstructurering van domeinen of bij langetermijninvesteringen van grotere omvang het break-evenpoint te bereiken, op minimaal tien jaar en gemiddeld op tien tot vijftien jaar.

(38)

De Hessense autoriteiten merkten op dat de achterliggende financiële modellen waren gebaseerd op een zeer conservatieve prognose. Volgens de verstrekte informatie werd het ondernemingsplan van 26 februari 2003 door KPMG Deutsche Treuhand-Gesellschaft Aktiengesellschaft (KPMG) beoordeeld en als zeer conservatief, in de zin van een worst-case-scenario, geclassificeerd.

(39)

De deelstaat Hessen verstrekt „Hessische Staatsweingüter GmbH Kloster Eberbach” vervolgens kapitaal voor de bouw van de nieuwe ondergrondse wijnkelder. Volgens de verstrekte informatie is deze investering onmisbaar voor het realiseren van de levensvatbaarheid op de middellange en lange termijn van de GmbH (overwegingen 23 t/m 26). Ook is de investering, gelet op de structurele tekortkomingen van de oude kelder in Eltville, noodzakelijk om de wijnkwaliteit op hetzelfde peil te houden en te waarborgen dat aan internationale voedselnormen wordt voldaan. De nieuwe wijnkelder wordt gebouwd naast de bedrijfsgebouwen van het domein Steinberg.

(40)

De totale investering van ca. 15 miljoen EUR wordt gedeeltelijk door een kapitaalinbreng van de deelstaat Hessen gefinancierd. Anders dan oorspronkelijk in het herstructureringsplan was voorzien, geschiedt de financiering ten bedrage van 7,5 miljoen EUR, die op 6 juli 2006 werd aangemeld, niet in de vorm van een zuivere investering, maar in de vorm van een lening met winstdeelneming („partiarisches Darlehen”).

(41)

Deze lening met winstdeelneming is gebaseerd op een jaarlijkse vaste rente van 3,7 %, met de mogelijkheid om de jaarlijkse rente tot 2014 resp. 2015 te kapitaliseren (d.w.z. aflossing van telkens 50 % van de opgelopen rente en samengestelde interest in 2014 resp. 2015).

(42)

Bovendien geeft deze lening recht op deelname in de jaarlijkse winst met een percentage dat overeenkomt met het percentage waarin de lening zich tot het geplaatste kapitaal van de GmbH verhoudt, tot een maximum van 25 % van de resterende leensom. In oktober 2006 lag het percentage van de winstdeelname bij 88 %.

(43)

De lening met winstdeelneming wordt vanaf 2021 met een percentage van 5 % per jaar afgelost.

(44)

De uitbetaling van de lening met winstdeelneming geschiedt op verzoek van de directie van de GmbH, afhankelijk van de voortgang in de realisering van het investeringsproject.

(45)

Volgens de verstrekte informatie werd een eerste tranche van 300 000 EUR in verband met de planning van de nieuwe wijnkelder al in augustus 2004 uitbetaald. In de periode maart tot september 2006 werden tranches ten bedrage van in totaal 2,3 miljoen EUR uitbetaald in verband met de bouw van de nieuwe wijnkelder. Deze bedragen werden verstrekt als subsidies in het kader van twee beschikkingen van het Hessense ministerie voor Milieu, Platteland en Consumentenbescherming d.d. 22 december 2004 en 21 juli 2006 ten bedrage van in totaal 1,2 miljoen EUR resp. 6,3 miljoen EUR. Deze subsidies waren bedoeld voor uitgaven in verband met de nieuwe wijnkelder. Volgens informatie die Duitsland op 14 november 2006 per e-mail verstrekte, dienen deze beschikkingen te worden ingetrokken en de in dat kader reeds uitgekeerde bedragen in verband met de nieuwe wijnkelder te worden opgenomen in de lening met winstdeelneming tegen de daarin vervatte voorwaarden.

(46)

Op 16 november 2006 ontving de Commissie per e-mail een op 16 oktober 2006 geactualiseerd ondernemingsplan van de GmbH, dat voortbouwt op de oorspronkelijke prognose voor 2004-2020 en de financieringskosten van de nieuwe wijnkelder weerspiegelt. Volgens dit ondernemingsplan, dat de periode 2006 tot 2020 resp. 2025 beslaat en voor het beschikbaar gestelde kapitaal uitgaat van een gegarandeerde vaste rente van 3,7 %, kan worden verwacht dat het resultaat vanaf 2010 tot een positieve cashflow leidt (4). Winsten zouden vanaf 2014 moeten worden behaald.

(47)

Het ondernemingsplan vertoont voor het jaar 2014 een totale renteopbrengst van de lening met winstdeelneming (inclusief het vaste minimumrendement van 3,7 %) van ca. 4,3 %, die in 2020 een niveau van meer dan 13 % zal bereiken.

(48)

Volgens de verstrekte informatie heeft de GmbH in haar eerste twee boekjaren 2004 en 2005 de omzet- en winstverwachting duidelijk overtroffen.

(49)

De overige benodigde middelen voor de nieuwe wijnkelder worden gefinancierd met een krediet van een handelsbank. Een dienovereenkomstige kredietofferte van de Commerzbank AG (met herfinanciering door de Kreditanstalt für Wiederaufbau) werd per e-mail van 22 september 2006 ter informatie aan de Commissie voorgelegd. De offerte bevat op de markt gebruikelijke covenants, waaronder een change-of-control-clausule (5) en de eis van een minimum aan eigen vermogen van 30 % gedurende de looptijd van het krediet.

(50)

In haar brief van 20 december 2006 (C(2006) 6605 def.), waarmee de Commissie Duitsland in kennis stelde van haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure, stelde de Commissie dat de deelstaat Hessen aan „Hessische Staatsweingüter” een voordeel heeft toegekend door de verliezen uit het wijnbedrijf in de periode vóór 2003 voortdurend te dekken, en dat de maatregel in kwestie derhalve staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag inhoudt.

(51)

Bovendien betwijfelde de Commissie of de deelstaat Hessen zich in verband met de eerste twee kapitaalinjecties van 1 miljoen EUR resp. 1,225 miljoen EUR heeft gedragen als een investeerder die tegen marktvoorwaarden handelt.

(52)

Voorts merkte de Commissie op dat zou kunnen worden geconcludeerd dat de deelstaat Hessen als een particuliere investeerder handelt wanneer hij de lening met winstdeelneming als een op zich staande investering aan „Hessische Staatsweingüter GmbH” verstrekt.

(53)

Volgens de Commissie moet de financiering in de vorm van aandelenkapitaal voor de wijnkelder evenwel worden beschouwd als een door de deelstaat Hessen verrichte follow-up-investering. Het is volgens de Commissie de vraag of een particuliere investeerder die in het verleden gemaakte verliezen van een onderneming heeft gedekt en aan diezelfde onderneming vervolgens kapitaal van in totaal 2,225 miljoen EUR heeft verstrekt, ook nog eens financiering in de vorm van aandelenkapitaal voor een nieuwe wijnkelder ten bedrage van 7,5 miljoen EUR beschikbaar zou stellen tegen de in de lening met winstdeelneming opgenomen voorwaarden.

III.   OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN

(54)

Bij schrijven van 15 februari 2007 ontving de Commissie opmerkingen van de Interessensgemeinschaft der Rheingauer Winzer (belangenvereniging van wijnbouwers uit de Rheingau, hierna „belanghebbende” genoemd), die in eerste instantie verzocht om een vertrouwelijke behandeling, doch dit verzoek bij schrijven van 7 maart 2007 introk.

(55)

In de opmerkingen van de belanghebbende, die zich keert tegen de bouw van de nieuwe wijnkelder van „Hessische Staatsweingüter”, wordt op vier punten ingegaan: de voorbereidingsfase 2002-2006, de zwakke punten in het ondernemingsplan, de investeringen die niet in het ondernemingsplan voorkomen, en de uitzonderingen volgens artikel 87 van het EG-Verdrag.

(56)

Volgens de belanghebbende kon al in de voorbereidingsfase van de financiering van de nieuwe wijnkelder worden geconstateerd dat de regering van de deelstaat Hessen niet van plan was zich te gedragen als een investeerder die tegen marktvoorwaarden handelt. Ter onderbouwing van deze stelling wordt het volgende naar voren gebracht:

a)

De leden van de raad van commissarissen van de GmbH zijn vrijwel zonder uitzondering afkomstig uit het overheidsapparaat. Slechts één lid komt uit het bedrijfsleven.

b)

Een alternatief voor de bouw van de nieuwe wijnkelder (d.w.z. renovatie van de oude wijnkelder) blijft buiten beschouwing.

c)

Andere staatswijnbouwgebieden in Duitsland, met name die in de deelstaat Rijnland-Palts, die decennialang niet rendabel konden worden geëxploiteerd en uiteindelijk werden verkocht, werden niet ter vergelijking in de overwegingen meegenomen.

d)

De eerdere kapitaalinjecties werden zonder rendementseisen verricht (wat erop wijst dat de regering van de deelstaat en de raad van commissarissen niet in de economische levensvatbaarheid van „Hessische Staatsweingüter” geloofden).

e)

De kapitaalinvestering ter financiering van de nieuwe wijnkelder werd pas na contacten met de Commissie omgezet in een lening met winstdeelneming.

(57)

Bovendien werpt de belanghebbende de vraag op in hoeverre het behalen van de prestatiedoelstelling van de GmbH voor 2005/2006 kan worden toegeschreven aan eventuele bijzondere opbrengsten.

(58)

Volgens de belanghebbende kan aan de hand van het ondernemingsplan van oktober 2006, waarin ook de lening met winstdeelneming is meegenomen, niet worden aangetoond dat de kapitaalverstrekkingen van 2003 en 2004 en de financiering in de vorm van aandelenkapitaal voor de nieuwe wijnkelder hebben plaatsgevonden met inachtneming van het beginsel van de investeerder die tegen marktvoorwaarden handelt. Ter onderbouwing van deze stelling wordt het volgende naar voren gebracht:

a)

In het ondernemingsplan werd geen rekening gehouden met het feit dat opbrengst en kwaliteit kunnen fluctueren.

b)

Het ondernemingsplan gaat ervan uit dat de totale productiehoeveelheid kan worden afgezet (terwijl met het oog op natuurlijk verlies en kwaliteitsrisico’s een afslag van 3 % moet worden ingecalculeerd).

c)

De risico’s die verbonden zijn aan het bijkopen van druiven, most en wijn vanwege marktschommelingen, zijn in het ondernemingsplan niet ingecalculeerd.

d)

Er wordt geen rekening gehouden met de financiering van dergelijke aankopen.

e)

In het ondernemingsplan wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verkoopprijs voor wijnen uit eigen productie en die voor bijgekochte wijnen (volgens de belanghebbende zou het ondernemingsplan voor bijgekochte wijnen moeten uitgaan van een gemiddelde verkoopprijs van ten hoogste 5 EUR).

f)

De schattingen voor de kostprijs verkopen zijn niet realistisch, omdat ze de te verwachten prijsontwikkeling voor flessen niet weerspiegelen.

g)

Voor de belanghebbende is niet duidelijk of in het ondernemingsplan rekening is gehouden met de financiering van vervangingsinvesteringen door middel van afschrijvingsbedragen.

(59)

Op basis van dit commentaar presenteerde de belanghebbende een alternatieve berekening voor het jaar 2014. Uitgaande van een afslag door natuurlijke verliezen van 3 % op een eigen productie van 1,1 miljoen liter, een verkoopprijs voor de 300 000 l aan te kopen wijn van 5 EUR en materiaalkosten van 1,80 EUR per liter wijn, zou het resultaat van de GmbH bij een normale bedrijfsuitoefening in 2014 uitkomen op een tekort van 900 000 EUR in plaats van de geprognosticeerde winst van 164 000 EUR. Volgens de belanghebbende is het ondernemingsplan slecht onderbouwd en houdt het onvoldoende rekening met eventuele fluctuaties.

(60)

Volgens de belanghebbende blijven het hoofdkantoor en de vinotheek van „Hessische Staatsweingüter” in het klooster Eberbach terwijl het gerestaureerd wordt. De belanghebbende maakt bezwaar tegen het feit dat de kosten van deze restauratie niet in het ondernemingsplan zijn opgenomen. Volgens de belanghebbende kan niet worden uitgesloten dat via huurvermindering kruissubsidiëring zal plaatsvinden.

(61)

Voorts maakt de belanghebbende bezwaar tegen het feit dat particuliere wijnbouwers de vinotheek in het klooster Eberbach slechts in beperkte mate als verkooppunt kunnen gebruiken.

(62)

Om goedkeuring te verkrijgen voor haar subsidies, in de zin dat ze worden aangemerkt als steunmaatregelen die volgens artikel 87 zijn toegestaan, kan de regering van de deelstaat Hessen zich volgens de belanghebbende niet beroepen op onderstaande argumenten:

a)

De voorbeeldfunctie van „Hessische Staatsweingüter” voor de particuliere wijnbouw (wordt door de belanghebbende bestreden);

b)

Uitoefening van taken voor onderzoek op het gebied van wijnbouw door het onderzoeksinstituut van de deelstaat in Geisenheim (volgens de belanghebbende kan dat ook in samenwerking met particuliere bedrijven worden gedaan);

c)

Noodzaak van de instandhouding van het cultuurlandschap, in het bijzonder van de steile wijnhellingen (volgens de belanghebbende wordt slechts 20 % van alle steile wijnhellingen in de regio geëxploiteerd door „Hessische Staatsweingüter”).

IV.   OPMERKINGEN VAN DUITSLAND

(63)

Op 4 april 2007 ontving de Commissie de opmerkingen van Duitsland. Deze volgen de indeling van de opmerkingen van de belanghebbende en bevatten argumenten die betrekking hebben op vier aspecten: de regering van de deelstaat Hessen als investeerder die tegen marktvoorwaarden handelt; onderbouwing van het ondernemingsplan; huisvesting in het klooster Eberbach is in het ondernemingsplan ingecalculeerd; irrelevantie van de rechtvaardigingsgronden voor de verenigbaarheid van de steun. Daarnaast bevatten de opmerkingen informatie over de verkoop van percelen van het voormalige „Landesbetrieb”.

(64)

Volgens Duitsland handelde de regering van de deelstaat Hessen al in de voorbereidingsfase van de bouw van een nieuwe wijnkelder als een investeerder in een markteconomie. De argumenten in de opmerkingen van de belanghebbende zijn volgens Duitsland inhoudelijk onjuist en juridisch irrelevant. Duitsland brengt ter onderbouwing van deze stelling het volgende naar voren:

a)

De deelstaat Hessen vaardigde als enige vennoot in de GmbH vertegenwoordigers van de deelstaat af naar de raad van commissarissen, zoals iedere particuliere investeerder zou doen. Bovendien werd een vertegenwoordiger van het bedrijfsleven, en daarmee deskundigheid van buiten, in de raad van commissarissen opgenomen.

b)

De beslissing om het hoofdkantoor te verplaatsen en een nieuwe wijnkelder te bouwen werd genomen op grond van economische overwegingen en was gebaseerd op een analyse van mogelijke strategische concepten.

c)

De regering van de deelstaat Hessen heeft zich overeenkomstig het beginsel van de investeerder die tegen marktvoorwaarden handelt, georiënteerd op andere particuliere domeinen van gemiddeld niveau en zelfs op toonaangevende domeinen (en niet, zoals de belanghebbende stelt, op andere onrendabele staatswijnbouwgebieden).

(65)

Volgens Duitsland strookt de economische ontwikkeling van de GmbH met het ondernemingsplan. In 2005 waren er geen bijzondere opbrengsten. De omzetprognose werd met 500 000 EUR overtroffen. Tegenover hogere overige bedrijfsopbrengsten ten gevolge van schaderegelingen van verzekeringen voor schade door overstroming stonden hogere personele en materiële kosten in verband met deze schade.

(66)

Volgens Duitsland is het goed mogelijk dat het resultaat voor 2006 ondanks een slechte oogst in de jaren 2005 (21 % minder dan in 2004) en 2006 (32 % minder dan in 2004) zal overeenstemmen met het ondernemingsplan.

(67)

Volgens de verstrekte inlichtingen werden de twee beschikkingen in het kader waarvan de eerste tranches voor de financiering van de nieuwe wijnkelder werden uitbetaald, ingetrokken en wordt het volledige bedrag van 7,5 miljoen EUR als lening met winstdeelneming verstrekt. De reeds uitgekeerde bedragen worden met terugwerkende kracht onder dezelfde voorwaarden in de lening opgenomen. De begroting van de deelstaat werd dienovereenkomstig gewijzigd.

(68)

Volgens Duitsland is het ondernemingsplan gefundeerd en gebaseerd op conservatieve realistische veronderstellingen. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt het volgende naar voren gebracht:

a)

De productieplanning gaat uit van gemiddelde opbrengsten bij gemiddelde oogsten (rekening houdend met zowel goede als slechte oogsten en met natuurlijke verliezen). De geplande productiehoeveelheid ligt onder de gemiddelde productiehoeveelheid van domeinen in de Rheingau.

b)

De planning van de aankopen is gefundeerd. De GmbH koopt op basis van pacht- en beheersovereenkomsten geen wijn, maar druiven bij. De kosten van deze aankopen worden in het ondernemingsplan volledig in aanmerking genomen. Het kwaliteits- en kwantiteitsrisico komt precies overeen met het risico van de eigen productie. De wijn die gemaakt wordt van de druiven die in het kader van de pacht- en beheersovereenkomsten zijn bijgekocht, mag onder de naam en het merk van de GmbH op de markt worden gebracht (botteling door de producent). Een tijdelijke en gedeeltelijke leegstand van de nieuwe wijnkelder in de periode 2007-2010 is in het ondernemingsplan ingecalculeerd.

c)

De berekening van de kostprijs verkopen is gebaseerd op correcte basisveronderstellingen. Schaalvoordelen en efficiëntieverhoging zullen leiden tot kostenbesparingen, die voor een deel al in 2005/2006 konden worden gerealiseerd.

d)

Het ondernemingsplan is, zoals door KPMG wordt bevestigd, gebaseerd op realistische en conservatieve basisveronderstellingen. De haalbaarheid van het ondernemingsplan wordt bevestigd door het feit dat de Commerzbank een bedrijfskrediet beschikbaar stelt voor de gedeeltelijke financiering van de bouw van de nieuwe wijnkelder.

e)

De vervangingsinvesteringen zijn in het ondernemingsplan opgenomen als kapitaalinvesteringen en afschrijvingen.

(69)

Volgens de verstrekte inlichtingen is de restauratie van het klooster Eberbach, die naar verwachting meer dan 25 jaar zal duren, niet bedoeld als financiële ondersteuning van de GmbH, maar dient zij voor de instandhouding van een cultuurhistorisch monument. De GmbH zal tegen marktvoorwaarden ruimten huren voor de huisvesting van haar hoofdkantoor en de vinotheek. Er is tot nu toe geen overeenkomst gesloten tussen de GmbH en de Stiftung Kloster Eberbach. De geschatte huurkosten zijn in het ondernemingsplan ingecalculeerd.

(70)

Volgens de verstrekte informatie houdt de financiering van de nieuwe wijnkelder geen steunmaatregel in in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag, omdat de regering van de deelstaat Hessen gehandeld heeft als een particuliere investeerder. De argumenten die Hessen volgens de belanghebbende ter rechtvaardiging van een eventuele steunmaatregel zou kunnen aanvoeren, zijn voor de onderhavige zaak derhalve niet relevant.

(71)

Verder deelde Duitsland de Commissie mee dat percelen van het voormalige „Landesbetrieb” voor een bedrag van 2 959 675 EUR werden verkocht en dat de opbrengst in de begroting van de deelstaat terugvloeide.

V.   BEOORDELING VAN DE STEUNMAATREGEL

(72)

„Hessische Staatsweingüter” is actief op het gebied van de productie en afzet van wijn. Overeenkomstig artikel 71 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (6) zijn op de productie van en de handel in de onder deze verordening begrepen producten de artikelen 87, 88 en 89 van het EG-Verdrag van toepassing. Derhalve dienen de maatregelen die hier ter discussie staan te worden onderzocht met het oog op de regels voor staatssteun.

(73)

Krachtens artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(74)

Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kan steun aan een onderneming het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden wanneer deze onderneming actief is op een markt die onderworpen is aan het intracommunautaire handelsverkeer (7). „Hessische Staatsweingüter” is actief op het gebied van de productie en afzet van wijn en opereert derhalve op een zeer concurrentie-intensieve internationale markt (8). De maatregelen in kwestie zijn bekostigd met staatsmiddelen (uit de begroting van de deelstaat Hessen) en ze zijn selectief, aangezien ze een bepaalde onderneming betreffen. Daarom moet worden onderzocht of de maatregelen in kwestie aan „Hessische Staatsweingüter” een voordeel hebben verschaft of verschaffen dat de mededinging vervalst en het handelsverkeer ongunstig beïnvloedt, en daarmee een steunmaatregel in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag inhouden. Om te beoordelen of de desbetreffende maatregel een voordeel oplevert, moet het beginsel worden toegepast van de investeerder die tegen marktvoorwaarden handelt (9).

(75)

Het onderzoek heeft bevestigd dat de deelstaat Hessen aan „Hessische Staatsweingüter” door het dekken van haar verliezen een voordeel heeft toegekend en dat de maatregel in kwestie derhalve staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag inhoudt.

(76)

Onderzocht moet worden of „Hessische Staatsweingüter” kon worden beschouwd als een onderneming in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag toen zij volgens het kameralistische stelsel ressorteerde onder het algemeen bestuur van de deelstaat Hessen (tot eind 1997) en vervolgens een „Landesbetrieb” was, dus een apart onderdeel van het algemeen bestuur vormde, evenwel nog steeds zonder eigen rechtspersoonlijkheid.

(77)

Wanneer een staat een economische activiteit uitoefent, is het volgens het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-118/85, Commissie/Italië (10), niet van belang of hij deze activiteit verricht via een afzonderlijk lichaam dan wel via een tot het centrale bestuur behorend orgaan, teneinde dit lichaam of dit orgaan als een openbaar bedrijf te beschouwen. Er kan daarom worden geconcludeerd dat „Hessische Staatsweingüter” al in de periode vóór 2003 als een onderneming in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag moest worden beschouwd.

(78)

De Commissie komt tot de conclusie dat de beoordeling van de steun betrekking moet hebben op de periode 1995-2002. Ze wijst erop dat de bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (11) na een termijn van tien jaar verjaren. Deze termijn gaat in op de dag waarop de onrechtmatige steun aan de begunstigde is verleend. Door elke maatregel van de Commissie of een op haar verzoek optredende lidstaat ten aanzien van de onrechtmatige steun wordt de verjaring gestuit.

(79)

De Commissie stelde in haar besluit tot inleiding van de procedure dat de eerste bespreking op 26 januari 2005 tussen de Hessense autoriteiten en de ambtenaren van DG AGRI als een gebeurtenis kan worden beschouwd waardoor de verjaring overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 659/1999 wordt gestuit.

(80)

Deze voorlopige constatering wordt noch in de opmerkingen van de belanghebbende noch in de opmerkingen van Duitsland bestreden, terwijl de Commissie de opmerkingen ontving na de bekendmaking van haar besluit tot inleiding van de procedure. De Commissie blijft daarom bij haar oordeel dat de eerste bespreking die op 26 januari 2005 tussen de Hessense autoriteiten en ambtenaren van DG AGRI werd gehouden, een gebeurtenis is waardoor de verjaring wordt gestuit.

(81)

De steunmaatregel in kwestie, waarmee de deelstaat Hessen de verliezen van „Hessische Staatsweingüter” voortdurend dekte, bestaat derhalve uit de relevante subsidies aan het wijnbedrijf onder het kameralistische stelsel in de periode 1995-1997 (209 520 EUR) en de subsidies aan het „Landesbetrieb” in de periode 1998-2002 (332 339 EUR), en bedraagt in totaal 541 859 EUR (zie overweging 22).

(82)

In haar schrijven van 20 december 2006 (C(2006) 6605 def.) stelde de Commissie bovendien vast dat het „Betrieb gewerblicher Art” de eigenlijke begunstigde van de steunmaatregelen uit het verleden lijkt te zijn.

(83)

Volgens Duitsland is het „Betrieb gewerblicher Art” de wettelijke en economische opvolger van het „Landesbetrieb Hessische Staatsweingüter”, aangezien dit de wettelijke en economische eigenaar is van de vaste activa van „Hessische Staatsweingüter”, en moet dit bedrijf als de eigenlijke begunstigde van de steunmaatregelen uit het verleden worden beschouwd. De GmbH pacht van het „Betrieb gewerblicher Art” de onroerende vaste bedrijfsactiva. De pachtprijs werd vastgesteld op basis van twee taxatierapporten voor de berekening van de huurwaarde, die door de Hessense autoriteiten werden overgelegd (zie overweging 29). De Commissie constateert derhalve dat deze vaste activa tegen marktvoorwaarden worden gepacht.

(84)

Naar het oordeel van de Commissie is aan de GmbH, die de exploitatie van het wijnbedrijf voortzette en het bedrijfskapitaal en de roerende vaste bedrijfsactiva van het „Landesbetrieb” verkreeg (zie overweging 29), door de maatregelen vóór 31 december 2002 echter een voordeel toegekend. Zij moet derhalve eveneens als begunstigde van deze steun uit het verleden worden beschouwd.

(85)

De twijfels op grond waarvan de Commissie de procedure heeft ingeleid en de voorlopige constateringen die in het besluit tot inleiding van de procedure werden uiteengezet, zijn derhalve gerechtvaardigd gebleken.

(86)

Het onderzoek heeft de twijfels van de Commissie bevestigd dat de deelstaat Hessen zich met de kapitaalverstrekkingen aan de GmbH van 1 miljoen EUR en vervolgens nog eens 1,225 miljoen EUR niet heeft gedragen als een investeerder die tegen marktvoorwaarden handelt.

(87)

Volgens Duitsland werd het kapitaal tegen marktvoorwaarden beschikbaar gesteld, aangezien de te verwachten rendementen — zoals door het Hoffmann-rapport is bevestigd — overeenkwamen met het branchegemiddelde of daar zelfs nog boven lagen, terwijl het ondernemingsplan van de GmbH volgens KPMG was gebaseerd op een conservatieve prognose.

(88)

De Commissie merkt op dat een dergelijke interpretatie zou gelden voor de herstructurering als geheel, aangezien Duitsland het rendement op het eigen vermogen als vergelijkingsnorm hanteerde en het eigen vermogen van de GmbH alle getroffen herstructureringsmaatregelen weerspiegelde (d.w.z. niet alleen de kapitaalinjecties, maar ook de inbreng van activa en de afschrijving van schulden).

(89)

De belanghebbende verklaart in zijn opmerkingen (vgl. overweging 54) dat de deelstaat Hessen ook al in de voorbereidingsfase van de financiering van de nieuwe wijnkelder niet handelde als een investeerder in een markteconomie. In de opmerkingen wordt o. a. gewezen op de samenstelling van de raad van commissarissen van de GmbH, op het feit dat ter vergelijking niet naar andere onrendabele domeinen is gekeken alsmede op het feit dat de kapitaalinjecties zonder rendementseisen werden verricht. De belanghebbende bekritiseert daarnaast vermeende zwakke punten in het ondernemingsplan en verklaart dat het plan slecht onderbouwd is en onvoldoende rekening houdt met eventuele fluctuaties.

(90)

Duitsland wijst in zijn opmerkingen (vgl. overweging 63) de door de belanghebbende naar voren gebrachte argumenten als onjuist en juridisch irrelevant van de hand.

(91)

Naar het oordeel van de Commissie worden de door de belanghebbende naar voren gebrachte bezwaren door de verklaring van Duitsland weggenomen en is het ondernemingsplan gefundeerd. Ook deelt de Commissie de mening van Duitsland dat voor het criterium van de investeerder die tegen marktvoorwaarden handelt, andere vergelijkbare rendabele domeinen ter vergelijking moeten worden aangevoerd (zie overweging 64).

(92)

De Commissie constateert derhalve dat de herstructureringsmaatregelen van de deelstaat Hessen ten gunste van de GmbH (inbreng van activa, afschrijving van schulden en twee kapitaalinjecties) op zichzelf gezien acceptabel zouden kunnen zijn voor een investeerder die tegen normale marktvoorwaarden handelt. Ze is echter van oordeel dat de kapitaalinjecties moeten worden beoordeeld in het licht van alle genomen maatregelen, inclusief de dekking van de verliezen uit de periode vóór 31 december 2002, toen het wijnbedrijf een geïntegreerd onderdeel vormde van het algemeen bestuur van de deelstaat Hessen. Aangezien de GmbH de exploitatie van dit wijnbedrijf heeft voortgezet, moet zij tot op zekere hoogte ook als begunstigde van deze eerdere steun worden beschouwd (zie overweging 83) (12).

(93)

Naar het oordeel van de Commissie diende met name de afschrijving van schulden ten bedrage van 1 792 000 EUR, waarbij het ging om de opgelopen schulden van het „Landesbetrieb” jegens de deelstaat Hessen uit activiteiten uit het verleden, hetzelfde doel als de incidentele dekking van tekorten vóór 31 december 2002. Zij kan derhalve worden aangemerkt als subsidiëring achteraf van activiteiten uit het verleden.

(94)

De Commissie is derhalve van oordeel dat de herstructureringsmaatregelen niet op behoorlijke wijze kunnen worden gescheiden van de maatregelen vóór 31 december 2002. Gelet op de exploitatiesteun die eerder aan het wijnbedrijf is verleend, concludeert de Commissie derhalve dat de deelstaat Hessen niet handelde als een investeerder in een markteconomie toen hij de verschillende herstructureringsmaatregelen ten gunste van de GmbH nam (inbreng van activa, afschrijving van schulden, twee kapitaalinjecties), en dat de herstructureringsmaatregelen derhalve staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag inhouden.

(95)

De twijfels op grond waarvan de Commissie de procedure heeft ingeleid en de voorlopige constateringen die in het besluit tot inleiding van de procedure werden uiteengezet, zijn derhalve gerechtvaardigd gebleken.

(96)

Met betrekking tot de financiering in de vorm van aandelenkapitaal voor de nieuwe wijnkelder heeft het onderzoek de twijfels van de Commissie bevestigd dat de deelstaat Hessen bij het verstrekken van de lening met winstdeelneming aan „Hessische Staatsweingüter GmbH” in het licht van haar eerdere investeringen niet heeft gehandeld als een investeerder in een markteconomie.

(97)

De opmerkingen van de belanghebbende over de vermeende zwakke punten in het ondernemingsplan hebben ook betrekking op de financiering van de nieuwe wijnkelder. In de opmerkingen van Duitsland werd de kritiek van de belanghebbende van de hand gewezen (vgl. overweging 58 resp. 68). Ten aanzien van de financiering van de nieuwe wijnkelder is de Commissie eveneens van mening dat de door de belanghebbende naar voren gebrachte bezwaren door de verklaring van Duitsland zijn weggenomen en dat het ondernemingsplan gefundeerd is (zie overweging 91), aangezien het plan rekening houdt met mogelijke schommelingen in de opbrengst en kwaliteit en mogelijke natuurlijke verliezen en het alle noodzakelijke kostenaspecten bevat (overwegingen 68 en 69). Bovendien werd het ondernemingsplan door KPMG beoordeeld en als zeer conservatief geclassificeerd (zie overweging 38).

(98)

Voorts spreekt de belanghebbende zich uit over het feit dat de kapitaalinvestering door de deelstaat Hessen ter financiering van de nieuwe wijnkelder pas na contacten met de Commissie in een lening met winstdeelneming werd omgezet. Bovendien zijn de kosten in verband met het hoofdkantoor en de vinotheek van „Hessische Staatsweingüter” volgens de belanghebbende niet in het ondernemingsplan opgenomen. Volgens de belanghebbende kan niet worden uitgesloten dat via huurvermindering kruissubsidiëring zal plaatsvinden.

(99)

Duitsland deelt in zijn opmerkingen mee dat de middelen die in verband met de nieuwe wijnkelder reeds zijn uitbetaald, volledig in de lening met winstdeelneming zijn opgenomen en met terugwerkende kracht onder de voorwaarden voor deze lening vallen (vgl. overweging 67). Daarnaast verduidelijken de opmerkingen dat het ondernemingsplan ten volle rekening houdt met de kosten voor de te huren ruimten in het klooster Eberbach voor de huisvesting van het hoofdkantoor en de vinotheek van „Hessische Staatsweingüter” (overweging 69). De geschatte huurbedragen zijn in het ondernemingsplan volledig ingecalculeerd. De Commissie is derhalve van oordeel dat de door de belanghebbende naar voren gebrachte bezwaren door de verklaring van Duitsland konden worden weggenomen.

(100)

De lening met winstdeelneming is gebaseerd op een jaarlijkse vaste rente van 3,7 % en geeft recht op deelname in de jaarlijkse winst (zie de overwegingen 41 t/m 44 voor een uitvoerige beschrijving van de financieringsvoorwaarden). Naar het oordeel van de Commissie vormen deze voorwaarden acceptabele marktvoorwaarden voor dit soort investeringen. Daarnaast stelt de Commissie vast dat het resterende deel wordt gefinancierd met een tegen marktvoorwaarden verstrekt bankkrediet, wat een indicator is voor de economische levensvatbaarheid van de onderneming.

(101)

De Commissie blijft derhalve bij haar conclusie, die in haar brief van 20 december 2006 (C(2006) 6605 definitief) werd toegelicht, dat de lening met winstdeelneming op zichzelf gezien zou kunnen worden beschouwd als een lening die verstrekt is tegen voorwaarden die acceptabel zijn voor een investeerder in een markteconomie, en daardoor aan de GmbH geen voordeel zou toekennen.

(102)

De Commissie is echter van oordeel dat de financiering van de nieuwe wijnkelder niet op behoorlijke wijze kan worden gescheiden van de steun die de GmbH eerder heeft ontvangen. De nieuwe wijnkelder was een integraal onderdeel van het herstructureringsplan en dient te worden beschouwd als een volgende stap in het herstructureringsproces (in aansluiting op de afschrijving van schulden en de twee kapitaalinjecties). Bovendien komt de huidige economische en financiële positie van de GmbH, die haar in staat stelt voor de gedeeltelijke financiering van de wijnkelder een krediet van een handelsbank te verkrijgen, voort uit de herstructureringsmaatregelen die de deelstaat Hessen ten gunste van de GmbH heeft getroffen. Daarom moet deze positie tegen deze achtergrond worden beoordeeld.

(103)

De Commissie komt derhalve tot de conclusie dat de deelstaat Hessen bij de financiering in de vorm van aandelenkapitaal voor de nieuwe wijnkelder ten bedrage van 7,5 miljoen EUR, welk bedrag als lening met winstdeelneming onder de daarvoor geldende voorwaarden werd verstrekt, in het licht van de eerder verleende herstructureringssteun niet handelt als een investeerder in een markteconomie en dat deze lening met winstdeelneming derhalve een steunmaatregel in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag inhoudt.

(104)

De twijfels op grond waarvan de Commissie de procedure heeft ingeleid en de voorlopige constateringen die in het besluit tot inleiding van de procedure werden uiteengezet, zijn derhalve gerechtvaardigd gebleken.

(105)

Het verbod op staatssteun overeenkomstig artikel 87, lid 1 sluit niet uit dat bepaalde vormen van steun op grond van de uitzonderingen waarin de leden 2 en 3 van hetzelfde artikel voorzien, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden aangemerkt.

(106)

Er kan niet worden gesteld dat de maatregelen in kwestie van sociale aard zijn of dienen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen, teneinde zich te beroepen op artikel 87, lid 2, onder a) of b), van het EG-Verdrag. Ook zijn de maatregelen duidelijk niet bedoeld om de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is, een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang of de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen. Derhalve zijn de uitzonderingen waarin artikel 87, lid 3, onder a), b) en d), van het EG-Verdrag voorziet, niet van toepassing op de onderhavige zaak.

(107)

Onder toepassing van de uitzonderingen volgens artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag kan de Commissie steunmaatregelen als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt aanmerken, indien ze de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig wordt veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

(108)

Volgens punt 15 van de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 (13) moeten steunmaatregelen een stimulerend element bevatten of een tegenprestatie van de begunstigde vergen om als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te kunnen worden beschouwd. Eenzijdige staatssteun die louter bedoeld is om de financiële situatie van producenten te verbeteren maar op geen enkele wijze tot de ontwikkeling van de sector bijdraagt, wordt als exploitatiesteun beschouwd die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

(109)

De Commissie merkt op dat het niet duidelijk is dat „Hessische Staatsweingüter” in de periode vóór 2003 als een onderneming in moeilijkheden kon worden beschouwd. Het klopt dat het bij het bedrag van 541 859 EUR, dat „Hessische Staatsweingüter” in de periode 1995-2002 van de deelstaat Hessen heeft ontvangen, gaat om exploitatiesteun. Dat betekent echter niet per se dat „Hessische Staatsweingüter” een onderneming in moeilijkheden was, die niet in staat zou zijn geweest verdere geldmiddelen tegen marktvoorwaarden op te nemen. Bovendien ging het bij de incidentele dekking van tekorten om ad-hocmaatregelen die niet op een herstructureringsplan waren gebaseerd. Deze maatregelen werden lang voor het herstructureringsbesluit doorgevoerd. De laatste dekking van een tekort, die in de 541 859 EUR is vervat, vond plaats in 1999 (zie overweging 21), terwijl de voorbereidingen voor de herstructurering pas begonnen in 2001, een herstructureringsplan pas vanaf juni 2002 werd opgesteld en het officiële herstructureringsbesluit pas op 10 december 2002 werd genomen (zie de beschrijving van de herstructurering in de overwegingen 23 t/m 38 en met name in overweging 28). Derhalve kan het dekken van de tekorten niet worden gerekend tot het herstructureringsproces, dat feitelijk op 31 december 2002 begon.

(110)

Ook hield deze steunmaatregel geen verband met investeringen, opleiding, het scheppen van werkgelegenheid of met een van de begunstigde gevraagde tegenprestatie. De steunmaatregel was louter bedoeld om de financiële situatie van de begunstigde te verbeteren.

(111)

De Commissie is derhalve van oordeel dat deze steunmaatregel exploitatiesteun inhoudt die niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

(112)

De Commissie betreurt het feit dat Duitsland de steunmaatregel niet overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag heeft aangemeld, maar de maatregel op onwettige wijze ten uitvoer heeft gelegd.

(113)

Aangezien werd vastgesteld dat de financiering in de vorm van aandelenkapitaal voor de nieuwe wijnkelder in het licht van de eerder verleende herstructureringssteun een steunmaatregel in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag inhoudt (zie overweging 103), wordt zij in het onderstaande beoordeeld als onderdeel van de herstructureringsmaatregelen.

(114)

Steunmaatregelen voor de herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden moeten normaal gesproken worden getoetst aan de communautaire richtsnoeren van 2004 inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (14). Overeenkomstig de overwegingen 103 en 104 van deze richtsnoeren toetst de Commissie steunmaatregelen die vóór 10 oktober 2004 zijn aangemeld alsmede niet-aangemelde reddings- en herstructureringssteun echter aan de richtsnoeren die golden op het tijdstip van de aanmelding dan wel op het tijdstip van de toekenning van de steun.

(115)

Tot de herstructureringsmaatregelen ten gunste van de op te richten GmbH werd formeel besloten bij kabinetsbesluit van 10 december 2002 (overwegingen 28 t/m 33). Deze datum moet daarom als het tijdstip van de toekenning van de steun worden beschouwd. Op dat tijdstip waren de communautaire richtsnoeren van 1999 voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden van kracht (15) (hierna „herstructureringsrichtsnoeren” genoemd). Hoofdstuk 3.2 van deze richtsnoeren bevat de specifieke bepalingen voor herstructureringssteun.

(116)

Volgens punt 30 van de herstructureringsrichtsnoeren moet de onderneming als een onderneming in moeilijkheden kunnen worden beschouwd om voor herstructureringssteun in aanmerking te komen.

(117)

Volgens punt 4 van de herstructureringsrichtsnoeren wordt een onderneming door de Commissie als een onderneming in moeilijkheden beschouwd, wanneer zij niet in staat is, noch met haar eigen middelen, noch met middelen die haar eigenaren/aandeelhouders en haar schuldeisers bereid zijn in te brengen, haar verliezen, welke zonder steun van buitenaf op korte of middellange termijn vrijwel zeker tot haar faillissement zullen leiden, tot stilstand te brengen.

(118)

In de onderhavige zaak beschikte de GmbH vanaf het tijdstip van haar oprichting aan het begin van 2003 over een solide financiële basis (overweging 32). De openingsbalans weerspiegelde echter al de situatie na de tenuitvoerlegging van de meeste herstructureringsmaatregelen (inbreng van activa, afschrijving van schulden en de eerste kapitaalinjectie). Zelfs onder deze omstandigheden zou de GmbH niet in staat zijn geweest haar verliezen tot het bereiken van het beoogde break-evenpoint met eigen middelen tot stilstand te brengen. In het ondernemingsplan van juni 2002 werden de noodzakelijke subsidies ter dekking van de cashflowbehoefte in de eerste jaren van de herstructurering op ca. 4,3 miljoen EUR geschat (overweging 26). Volgens het herziene model van september 2002 zou nog eens 3,4 miljoen EUR nodig zijn geweest (overweging 27). Ondanks de relatief sterke eigenvermogenspositie van de GmbH (eigen vermogen van in totaal ca. 7,6 miljoen EUR, wat neerkomt op ca. 91 % van het balanstotaal), zou de onderneming daarom niet in staat zijn geweest haar cashflowbehoefte tot aan het bereiken van de rentabiliteit met eigen middelen te dekken. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat de GmbH voor haar normale bedrijfsuitoefening zonder een garantie van de deelstaat Hessen vreemde middelen zou hebben verkregen. Aangezien werd aangetoond dat de bijdragen van de vennoot in het kader van de herstructureringsmaatregelen niet beschikbaar werden gesteld tegen voorwaarden die voor een investeerder in een markteconomie acceptabel zouden zijn (zie overweging 94), zouden middelen die door de deelstaat Hessen beschikbaar werden gesteld tegen deze achtergrond moeten worden beschouwd als middelen die een vorm van steun inhouden. Deze middelen kunnen dan ook niet als bewijs worden aangevoerd om aan te tonen dat de onderneming in staat was zonder staatsinterventie te overleven.

(119)

Dientengevolge kan de GmbH vanaf het tijdstip van haar oprichting als een onderneming in moeilijkheden in de zin van punt 4 van de herstructureringsrichtsnoeren worden beschouwd.

(120)

Volgens overweging 7 van de herstructureringsrichtsnoeren komt een pas opgerichte onderneming niet voor reddings- of herstructureringssteun in aanmerking, zelfs niet wanneer haar aanvankelijke financiële positie onzeker is. Volgens voetnoot 9 van de herstructureringsrichtsnoeren wordt de oprichting van een dochteronderneming, uitsluitend met het doel daarin haar activa en eventueel haar passiva onder te brengen, niet als de oprichting van een nieuwe onderneming beschouwd.

(121)

In de onderhavige zaak werd de GmbH op 1 januari 2003 opgericht, waardoor zij op het tijdstip waarop de herstructureringsmaatregelen werden getroffen, onder de definitie van een pas opgerichte onderneming zou vallen. De onroerende vaste activa bleven weliswaar bij de deelstaat Hessen (ingebracht in het „Betrieb gewerblicher Art”) en werden aan de GmbH verpacht, maar het bedrijfskapitaal en de roerende vaste bedrijfsactiva ter waarde van in totaal ca. 7,3 miljoen EUR alsmede enkele kortlopende schulden en reserveringen werden aan de GmbH overgedragen. De GmbH kan daarom worden beschouwd als dochteronderneming die uitsluitend werd opgericht om daarin bepaalde activa en passiva van het „Landesbetrieb” onder te brengen. Naar het oordeel van de Commissie valt de GmbH daarmee onder de uitzondering overeenkomstig voetnoot 9 van de herstructureringsrichtsnoeren en komt zij in principe conform punt 30 van dezelfde richtsnoeren in aanmerking voor herstructureringssteun.

(122)

Volgens de punten 31 t/m 34 van de herstructureringsrichtsnoeren is de tenuitvoerlegging van een herstructureringsplan voorwaarde voor de toekenning van steun. Het herstructureringsplan, waarvan de looptijd zo kort mogelijk moet zijn, dient binnen een redelijk tijdsbestek de levensvatbaarheid op lange termijn van de onderneming te herstellen op grond van realistische veronderstellingen betreffende de toekomstige bedrijfsomstandigheden. Het herstructureringsplan moet een omschakeling van de onderneming beogen zodat deze na voltooiing van de herstructurering alle kosten, met inbegrip van aflossingen en financiële lasten, kan dekken. De verwachte kapitaalopbrengst van de onderneming na de herstructurering moet voldoende zijn zodat zij geen staatssteun meer nodig heeft en op eigen kracht op de markt kan concurreren.

(123)

In de onderhavige zaak werd ter voorbereiding van de herstructurering in de maanden augustus t/m november 2001 een strategiedocument („Situationsanalyse und Entwicklungsperspektiven”) opgesteld, dat verschillende scenario’s schetste voor de mogelijke verdere ontwikkeling van de staatswijngebieden (zie overweging 23). Op basis van dit document werd in juni 2002 een ondernemingsplan voor de verschillende scenario’s opgesteld. De enige strategische optie die „Hessische Staatsweingüter” op lange termijn levensvatbaar zou maken, bestond uit de bouw van een nieuwe wijnkelder bij de bedrijfsgebouwen van het domein Steinberg en de verhuizing van het hoofdkantoor en de vinotheek naar het klooster Eberbach. Bij deze optie werd ervan uitgegaan dat de deelstaat de schulden die het wijnbedrijf tot eind 2002 had opgebouwd, zou moeten overnemen. De investeringskosten voor de nieuwe wijnkelder werden in totaal op 15 miljoen EUR geraamd en moesten deels uit de verkoop van niet voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijke percelen en deels uit vreemd vermogen worden gefinancierd. Volgens het model van het ondernemingsplan zou in het boekjaar 2006/2007 een eerste positieve dekkingsbijdrage van „Hessische Staatsweingüter” worden bereikt en in het boekjaar 2008/2009 een eerste positieve cashflow. Naar aanleiding van een gewijzigde marktsituatie en door andere omstandigheden moest het financiële model in september 2002 worden herzien. Ten opzichte van het model van juni 2002 zou de levensvatbaarheid van „Hessische Staatsweingüter” nu op een wat later tijdstip worden bereikt. De regering van de deelstaat Hessen koos bij kabinetsbesluit van 10 december 2002 voor deze strategische optie (overwegingen 24 t/m 28).

(124)

Het ondernemingsplan van september 2002 werd in februari 2003 opnieuw geactualiseerd (en aangevuld met een volledige winst- en verliesprognose) en nogmaals in november 2003. Het ondernemingsplan van november 2003 ging ervan uit dat een positieve EBITDA (16) al in het boekjaar 2007 zou worden bereikt, een positieve cashflow in 2010 en winst vanaf 2014. Volgens de verstrekte informatie zou het financiële model dat eraan ten grondslag lag, hebben geleid tot een (op het resultaat vóór belasting gebaseerd) rendement op het eigen vermogen van meer dan 3 % in 2016 en van meer dan 7 % vanaf 2019.

(125)

Naar het oordeel van de Commissie kan het herstructureringsplan dat in december 2002 door de regering van de deelstaat Hessen werd vastgesteld, binnen een redelijk tijdsbestek de levensvatbaarheid op lange termijn van de GmbH herstellen op grond van realistische veronderstellingen betreffende de toekomstige bedrijfsomstandigheden.

(126)

Voorts is zij van oordeel dat de verwachte kapitaalopbrengst van de onderneming na de herstructurering voldoende is om op eigen kracht op de markt te kunnen concurreren. In dit verband verwijst de Commissie ook naar het door de Hessense autoriteiten voorgelegde Hoffmann-rapport. Dit rapport komt voor domeinen die met „Hessische Staatsweingüter” vergelijkbaar zijn uit op een rendement op het eigen vermogen van ca. 2 % tot 3 %. Verder schat het rapport de periode die nodig is om bij de herstructurering van domeinen of langetermijninvesteringen van grotere omvang het break-evenpoint te bereiken, op minimaal tien en gemiddeld op tien tot vijftien jaar (overwegingen 35 t/m 37). Volgens de verstrekte informatie werd het ondernemingsplan van 26 februari 2003 door KPMG beoordeeld en als zeer conservatief, in de zin van een worst-case-scenario, geclassificeerd. (zie overweging 38).

(127)

De Commissie is bovendien van oordeel dat de in het plan voorgestelde omschakeling van de onderneming van dien aard is dat de onderneming na voltooiing van de herstructurering alle kosten, met inbegrip van aflossingen en financiële lasten, kan dekken en haar levensvatbaarheid kan herstellen (zie overweging 30).

(128)

Het herstructureringsplan waarop de steun is gebaseerd, is derhalve in overeenstemming met de punten 31 t/m 34 van de herstructureringsrichtsnoeren.

(129)

Volgens de punten 35 t/m 39 van de herstructureringsrichtsnoeren moeten maatregelen worden genomen om de nadelige gevolgen van de steun voor concurrenten zoveel mogelijk te beperken, waarbij deze maatregelen meestal inhouden dat de onderneming na de herstructurering geen even belangrijke positie op haar markt(en) meer mag innemen als voordien. Wanneer het aandeel van de onderneming van deze markt(en) verwaarloosbaar is, gaat de Commissie ervan uit dat zich geen ongerechtvaardigde mededingingvervalsing voordoet (zie punt 36 van de herstructureringsrichtsnoeren).

(130)

Volgens de verstrekte informatie is „Hessische Staatsweingüter” met een wijnbouwoppervlakte van ca. 190 ha het grootste domein van Duitsland. Het verkoopvolume van de GmbH werd in het ondernemingsplan van juni 2002 geschat op ca. 1 miljoen liter per jaar. Volgens de verstrekte inlichtingen produceerde „Hessische Staatsweingüter” vóór 2003 hoofdzakelijk riesling. In de hele Europese Unie (EU-25) werd in 2002/2003 in totaal ongeveer 15,6 miljard liter wijn geproduceerd (17). Het aandeel van „Hessische Staatsweingüter” in deze totale productie bedroeg minder dan 0,01 %. Volgens informatie van de Duitse autoriteiten beslaat het areaal voor riesling in de Europese Unie in totaal 26 413 ha (waarbij Duitsland met 21 197 ha tekent voor het grootste deel). „Hessische Staatsweingüter” heeft met een wijnbouwoppervlakte van ca. 190 ha een aandeel in het totale areaal voor riesling in de Europese Unie van ca. 0,7 %. Dientengevolge kan ervan worden uitgegaan dat haar aandeel van deze markt verwaarloosbaar is en in de onderhavige zaak kan worden afgezien van de voorgeschreven compenserende maatregelen.

(131)

In overeenstemming met de mogelijkheid waarin punt 42, onder iii) van de herstructureringsrichtsnoeren voorziet, gaat de Commissie er in ieder geval van uit dat „Hessische Staatsweingüter” gedurende de herstructureringsperiode (dus, uitgaande van het in november 2003 geactualiseerde ondernemingsplan, tot 2014) geen andere steun zal ontvangen.

(132)

Volgens de punten 40 en 41 van de herstructureringsrichtsnoeren moeten het bedrag en de intensiteit van de steun tot het voor de uitvoering van de herstructurering strikt noodzakelijke minimum worden beperkt. De begunstigden van de steun dienen met eigen middelen, zo nodig door de verkoop van activa wanneer deze niet onontbeerlijk zijn voor het voortbestaan van de onderneming of door externe financiering tegen marktvoorwaarden, een belangrijke bijdrage te leveren aan het herstructureringsplan. De steun moet in zodanige vorm worden verleend dat de onderneming niet de beschikking krijgt over extra middelen die zouden kunnen worden gebruikt voor agressieve, marktverstorende activiteiten die geen verband met het herstructureringsproces houden. Evenmin mag de steun worden gebruikt voor de financiering van nieuwe investeringen die niet noodzakelijk zijn om de levensvatbaarheid te herstellen. Aangetoond moet worden dat de steun slechts dient om de levensvatbaarheid van de onderneming te herstellen en niet om de begunstigde in staat te stellen de productiecapaciteit tijdens de uitvoering van het herstructureringsplan uit te breiden, behalve indien dit voor het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming noodzakelijk is, zonder dat de mededinging evenwel wordt vervalst.

(133)

Bij de voorbereiding van de herstructurering werden drie strategische opties in overweging genomen, namelijk de stapsgewijze renovatie van de oude bedrijfsruimten in Eltville, de bouw van een nieuwe wijnkelder in Eltville en de bouw van een nieuwe wijnkelder bij de bedrijfsgebouwen van het domein Steinberg (overwegingen 24 t/m 26). De Commissie onderschrijft dat de enige strategische optie die voor „Hessische Staatsweingüter” zou leiden tot herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn bestond uit de bouw van een nieuwe wijnkelder bij de bedrijfsgebouwen van het domein Steinberg en de verhuizing van het hoofdkantoor en de vinotheek van „Hessische Staatsweingüter” naar het klooster Eberbach (zie overweging 26). Volgens de verstrekte informatie zou de nieuwe wijnkelder „Hessische Staatsweingüter” in staat stellen hoogwaardige rode wijnen te produceren. De Commissie is daarom van oordeel dat de in het ondernemingsplan beoogde uitbreiding van de productiecapaciteit noodzakelijk is voor het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming. Voorts is zij van oordeel dat de steun tot het voor de uitvoering van de herstructurering strikt noodzakelijke minimum wordt beperkt De GmbH ontving bij haar oprichting per 1 januari 2003 een eerste kapitaalinjectie van 1 miljoen EUR. Daarnaast beschikte zij volgens de voorgelegde balans over een liquiditeit van ca. 538 000 EUR. Volgens het ondernemingsplan zou de GmbH echter pas in het boekjaar 2008/2009 een eerste positieve cashflow behalen. De noodzakelijke subsidies ter dekking van de cashflowbehoefte in de eerste boekjaren van de GmbH werden in totaal op nog eens 4,3 tot 7,7 miljoen EUR geschat. Derhalve kan worden vastgesteld dat de onderneming ondanks een eerste kapitaalinjectie niet beschikte over extra middelen die ze had kunnen gebruiken voor agressieve, marktverstorende activiteiten die geen verband met het herstructureringsproces hielden.

(134)

De nieuwe wijnkelder, met een totaal investeringsvolume van ca. 15 miljoen EUR, wordt gedeeltelijk gefinancierd door middel van de lening met winstdeelneming ten bedrage van 7,5 miljoen EUR. De overige benodigde middelen voor de nieuwe wijnkelder worden gefinancierd met een zakelijk krediet (zie overweging 49). De Commissie stelt vast dat dit zakelijke krediet een belangrijke bijdrage met eigen middelen inhoudt. Aan de bepalingen uit de punten 40 en 41 van de herstructureringsrichtsnoeren is in de onderhavige zaak derhalve voldaan.

(135)

Volgens punt 43 van de herstructureringsrichtsnoeren dient de onderneming het herstructureringsplan volledig uit te voeren.

(136)

Naar het oordeel van de Commissie is aan deze voorwaarde voldaan. Volgens de verstrekte informatie heeft de GmbH de omzet- en winstprognose in haar eerste twee boekjaren duidelijk overtroffen. Na de oprichting van de GmbH en de eerste kapitaalinjectie gaf de deelstaat alleen nog een kapitaalinjectie van 1,225 miljoen EUR (zie overweging 33). De nieuwe wijnkelder (geraamde investeringskosten van in totaal 15 miljoen EUR) wordt voor een deel gefinancierd met een door de deelstaat beschikbaar gestelde lening met winstdeelneming met een gegarandeerde vaste minimumrente (overwegingen 40 t/m 45) en voor een deel met het krediet van een handelsbank (zie overweging 49). Het hoofdkantoor en de vinotheek zullen worden gehuisvest in de gebouwen van het klooster Eberbach.

(137)

Volgens punt 48 van de herstructureringsrichtsnoeren mag herstructureringssteun slechts eenmaal in de tien jaar worden verleend (gerekend vanaf het moment waarop de herstructurering is beëindigd of de uitvoering van het plan is gestaakt) om misbruik van steun te voorkomen. Volgens punt 49 van dezelfde richtsnoeren hebben wijzigingen van de eigendomssituatie van de begunstigde onderneming na de toekenning van de steun geen enkele invloed op de toepassing van deze regel.

(138)

Naar het oordeel van de Commissie is in de onderhavige zaak aan het beginsel van de eenmalige steun voldaan, aangezien „Hessische Staatsweingüter” in de afgelopen tien jaar geen reddings- of herstructureringssteun heeft ontvangen. Zoals in overweging 109 werd uiteengezet, heeft de Commissie niet vastgesteld dat „Hessische Staatsweingüter” als een onderneming in moeilijkheden moest worden beschouwd toen zij ressorteerde onder het algemeen bestuur en vervolgens een „Landesbetrieb” was. Bij de incidentele dekking van tekorten in de periode 1995-2002 was enkel sprake van ongeoorloofde exploitatiesteun (zie overweging 111).

(139)

De Commissie is derhalve van oordeel dat de herstructureringsmaatregelen van de deelstaat Hessen ten gunste van „Hessische Staatsweingüter” in overeenstemming zijn met de desbetreffende bepalingen uit de communautaire richtsnoeren van 1999 voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden en derhalve verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.

(140)

De Commissie betreurt het feit dat Duitsland de steunmaatregel niet overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag heeft aangemeld, maar de maatregel op onwettige wijze ten uitvoer heeft gelegd.

VI.   CONCLUSIE

(141)

De Commissie stelt vast dat Duitsland op onwettige wijze maatregelen ten uitvoer heeft gelegd teneinde „Hessische Staatsweingüter” in strijd met de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag steun te verlenen in de vorm van een voortdurende dekking van tekorten ten bedrage van 541 859 EUR. Deze steunmaatregelen hebben zowel het „Betrieb gewerblicher Art” als de GmbH begunstigd. Gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak kan worden vastgesteld dat het verkregen voordeel in verhouding staat tot het bedrijfskapitaal dat het voormalige „Landesbetrieb Hessische Staatsweingüter” telkens voor zijn rekening nam.

(142)

Voorts stelt de Commissie vast dat de herstructureringsmaatregelen van de deelstaat Hessen ten gunste van de GmbH staatssteun inhouden die met het EG-Verdrag verenigbaar is.

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De staatssteun ten bedrage van 541 859 EUR, die Duitsland in de periode 1995-2002 in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag op onwettige wijze aan „Hessische Staatsweingüter” heeft toegekend, is niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

De staatssteun die Duitsland in de periode na 2002 in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag op onwettige wijze in de vorm van herstructureringsmaatregelen heeft toegekend aan „Hessische Staatsweingüter GmbH Kloster Eberbach”, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

1.   Duitsland vordert de in artikel 1, lid 1 bedoelde steun terug van het „Betrieb gewerblicher Art” en van „Hessische Staatsweingüter GmbH Kloster Eberbach” voor een bedrag dat evenredig is aan de verkregen steun.

2.   Het terug te vorderen bedrag omvat tevens rente die wordt toegepast vanaf de datum waarop de steun werd uitbetaald tot de datum waarop de steun daadwerkelijk is terugbetaald.

3.   Het rentepercentage wordt overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (18) op samengestelde grondslag toegepast.

Artikel 3

1.   De in artikel 1, lid 1 bedoelde steun wordt met onmiddellijke ingang teruggevorderd.

2.   Duitsland ziet erop toe dat deze beschikking binnen vier maanden na kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 4

1.   Binnen twee maanden na kennisgeving van deze beschikking dient Duitsland de navolgende informatie aan de Commissie te verstrekken:

Het totaalbedrag (hoofdsom en rente) dat van de ontvangers zal worden teruggevorderd;

Een uitvoerige beschrijving van de maatregelen die reeds zijn genomen en zullen worden genomen met het oog op de naleving van deze beschikking;

Documenten waarmee de ontvangers is aangezegd de steun terug te betalen.

2.   Duitsland dient de Commissie op de hoogte te houden van de voortgang van zijn maatregelen die worden genomen om deze beschikking ten uitvoer te leggen tot de dag waarop het in artikel 1, lid 1 bedoelde steunbedrag volledig is terugbetaald. Op verzoek van de Commissie dient Duitsland onmiddellijk informatie te verstrekken over de maatregelen die reeds zijn genomen en nog zullen worden genomen met het oog op de naleving van deze beschikking. Tevens dient Duitsland uitvoerige informatie te verstrekken over de reeds door de ontvangers terugbetaalde steunbedragen en rente.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB C 19 van 27.1.2007, blz. 2.

(2)  Zie voetnoot 1.

(3)  Earnings before interest, tax, depreciation and amortization (resultaat vóór belastingen, interesten, reserves en afschrijvingen).

(4)  In het gepresenteerde ondernemingsplan werden voor de berekening van de cashflow de winst en het verlies over het boekjaar uitsluitend gecorrigeerd met de afschrijvingen als niet-contante kosten.

(5)  Bepaling volgens welke de bank (extra) bancaire zekerheden voor het krediet kan verlangen wanneer de deelneming van de deelstaat Hessen in „Hessische Staatsweingüter GmbH” tot onder de 51 % zakt.

(6)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1.

(7)  Zie met name het arrest van het Hof van Justitie van 13 juli 1988 in zaak 102/87, Frankrijk/Commissie, jurispr. 1988, blz. 4067.

(8)  De intracommunautaire handel in wijn is zeer omvangrijk. Ongeveer 20 % van alle in de EU25 geproduceerde wijn wordt op de interne markt verhandeld. In 2005 ging er ca. 37,1 miljoen hl (ingaand) en 38,8 miljoen hl (uitgaand) in de intracommunautaire handel (EU25) om. In 2004/2005 had Duitsland een aandeel van ca. 5,5 % in de totale wijnproductie van de EU25 (bron: Eurostat).

(9)  Vgl. de mededeling van de Commissie over de toepassing van de artikelen 92 en 93 (thans artikel 87 en 88) van het EEG-Verdrag en van artikel 5 van Richtlijn 80/723/EEG op openbare bedrijven in de industriesector (PB C 307 van 13.11.1993, blz. 4).

(10)  Jurispr. 1987, blz. 2599.

(11)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1

(12)  Volgens het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T 11/95 (BP Chemicals Limited/Commissie, jurispr. 1998, blz. II-3235) sluit het loutere feit dat een overheidsonderneming in een dochtermaatschappij reeds kapitaal heeft ingebracht dat als steun is aangemerkt, niet a priori uit, dat een latere kapitaalinjectie kan worden beschouwd als een investering die voldoet aan het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie, indien deze kapitaalinjectie redelijkerwijs los van de eerste kan worden beschouwd en als een aparte investering kan worden aangemerkt (zie punt 170 van het arrest). In punt 171 van het BP-Chemicals-arrest spreekt het Gerecht als zijn oordeel uit dat bij een dergelijk onderzoek moet worden gelet op de chronologie van de betrokken kapitaalinjecties, hun doel, en de situatie van de dochteronderneming ten tijde van de vaststelling van de besluiten om de betrokken kapitaalinjecties te verrichten.

(13)  PB C 319 van 27.12.2006, blz. 1.

(14)  PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.

(15)  PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(16)  Earnings before interest, tax, depreciation and amortization (resultaat vóór belastingen, interesten, reserves en afschrijvingen).

(17)  Bron: Eurostat.

(18)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.