ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.166.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 166

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
1 juli 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 573/2010 van de Commissie van 30 juni 2010 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 185/2010 houdende vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 574/2010 van de Commissie van 30 juni 2010 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard (IFRS) 1 en IFRS 7 betreft ( 1 )

6

 

 

Verordening (EU) nr. 575/2010 van de Commissie van 30 juni 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

9

 

 

Verordening (EU) nr. 576/2010 van de Commissie van 30 juni 2010 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 juli 2010

11

 

 

Verordening (EU) nr. 577/2010 van de Commissie van 30 juni 2010 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/10

14

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/364/EU

 

*

Besluit van de Raad van 24 juni 2010 inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Raad van ministers van de Republiek Albanië inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten

16

 

 

2010/365/EU

 

*

Besluit van de Raad van 29 juni 2010 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en Roemenië

17

 

 

2010/366/EU

 

*

Besluit van de Raad van 29 juni 2010 houdende benoeming van een Roemeens lid van het Comité van de Regio’s

21

 

 

2010/367/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 25 juni 2010 betreffende de uitvoering door de lidstaten van surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4190)  ( 1 )

22

 

 

2010/368/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 30 juni 2010 tot wijziging van Beschikking 2006/771/EG inzake de harmonisatie van het radiospectrum voor gebruik door korteafstandsapparatuur (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4313)  ( 1 )

33

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/1


VERORDENING (EU) Nr. 573/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2010

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 185/2010 houdende vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (1), en met name op artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 300/2008 moet de Commissie gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van de in artikel 4, lid 1, vermelde gemeenschappelijke basisnormen en van de in artikel 4, lid 2, bedoelde algemene maatregelen ter aanvulling van de gemeenschappelijke basisnormen vaststellen.

(2)

Als deze maatregelen gevoelige beveiligingsinformatie bevatten, dienen ze als gerubriceerde EU-gegevens in de zin van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde (2) te worden beschouwd, zoals bepaald in artikel 18, onder a), van Verordening (EG) nr. 300/2008 en mogen ze niet worden gepubliceerd. Deze maatregelen moeten afzonderlijk worden vastgesteld in een besluit dat aan de lidstaten is gericht.

(3)

Verordening (EG) nr. 300/2008 is volledig van toepassing vanaf de datum die vermeld is in de uitvoeringsregels welke overeenkomstig de procedures van artikel 4, leden 2 en 3, van die verordening zijn vastgesteld, maar uiterlijk vanaf 29 april 2010. De onderhavige verordening dient derhalve ook van toepassing te zijn met ingang van 29 april 2010, teneinde de toepassing van Verordening (EG) nr. 300/2008 en de uitvoeringsbesluiten ervan te harmoniseren.

(4)

Verordening (EG) nr. 1217/2003 van de Commissie van 4 juli 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke specificaties voor nationale programma’s voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart (3), Verordening (EG) nr. 1486/2003 van de Commissie van 22 augustus 2003 tot vaststelling van procedures voor de inspecties van de Commissie op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (4), Verordening (EG) nr. 1138/2004 van de Commissie van 21 juni 2004 tot vaststelling van een gemeenschappelijke definitie van de meest kwetsbare sectoren van de om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van luchthavens (5) en Verordening (EG) nr. 820/2008 van de Commissie van 8 augustus 2008 houdende vaststelling van maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen inzake luchtvaartbeveiliging (6), zijnde alle uitvoeringsverordeningen van Verordening (EG) nr. 2320/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (7), moeten derhalve worden ingetrokken.

(5)

De algemene regel is dat maatregelen die rechtstreekse gevolgen hebben voor passagiers door de Commissie moeten worden bekendgemaakt, maar overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 300/2008 mogen bepaalde maatregelen die voor de luchtvaart gevoelige beveiligingsinformatie bevatten, worden beschouwd als „gerubriceerde EU-gegevens” in de zin van Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom en hoeven ze niet te worden bekendgemaakt. Deze maatregelen moeten afzonderlijk worden vastgesteld in een besluit dat aan de lidstaten is gericht. Het deel van het besluit dat gevoelige beveiligingsmaatregelen en -procedures bevat, mag niet worden gepubliceerd; het mag alleen ter beschikking worden gesteld van exploitanten en entiteiten die er een legitiem belang bij hebben. Dergelijke maatregelen hebben met name betrekking op gedetailleerde procedures — en uitzonderingen daarop — voor het controleren van luchtvaartuigen, voertuigen, personen, bagage, post en vracht die om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones binnenkomen of er zich reeds bevinden, en op de technische specificaties voor apparatuur waarmee beveiligingsonderzoeken worden uitgevoerd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 300/2008 ingestelde Comité voor de beveiliging van de burgerluchtvaart,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In deze verordening worden gedetailleerde maatregelen vastgesteld voor de uitvoering van gemeenschappelijke basisnormen ter bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden die de beveiliging van de burgerluchtvaart in gevaar kunnen brengen, alsook algemene maatregelen ter aanvulling van deze gemeenschappelijke basisnormen.

Artikel 2

Uitvoeringsregels

1.   De in artikel 1 bedoelde maatregelen worden in de bijlage uiteengezet.

2.   Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 300/2008 moet deze verordening in acht worden genomen bij de vaststelling van nationale programma’s voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking en wordt van toepassing vanaf de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72.

(2)  PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1.

(3)  PB L 169 van 8.7.2003, blz. 44

(4)  PB L 213 van 23.8.2003, blz. 3.

(5)  PB L 221 van 22.6.2004, blz. 6.

(6)  PB L 221 van 19.8.2008, blz. 8.

(7)  PB L 355 van 30.12.2002, blz. 1.


BIJLAGE

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 185/2010 (1) wordt als volgt gewijzigd:

A.

Aan hoofdstuk 4, punt 4.1.1.2, wordt c) toegevoegd:

„explosievenspeurhonden in combinatie met punt a).”

B.

Aan hoofdstuk 4 wordt punt 4.1.1.9 toegevoegd:

„4.1.1.9

Explosievenspeurhonden mogen alleen als aanvullend onderzoeksmiddel worden gebruikt.”

C.

Aan hoofdstuk 4, punt 4.1.2.3, wordt d) toegevoegd:

„explosievenspeurhonden in combinatie met punt a).”

D.

Aan hoofdstuk 5, punt 5.1.1, wordt e) toegevoegd:

„explosievenspeurhonden”.

E.

Aan hoofdstuk 12 wordt punt 9 toegevoegd:

„12.9.   EXPLOSIEVENSPEURHONDEN

12.9.1.   Algemene beginselen

12.9.1.1.

Een explosievenspeurhond (Explosive Detection Dog, EDD) moet in staat zijn gespecificeerde en hogere individuele hoeveelheden explosieven te detecteren en te signaleren.

12.9.1.2.

De vorm, positie of oriëntatie van de explosieven mogen geen invloed hebben op de detectie.

12.9.1.3.

Wanneer een explosievenspeurhond de in aanhangsel 12-D van een afzonderlijk besluit van de Commissie vermelde explosieven detecteert, moet hij een alarmsignaal geven in de vorm van een passieve reactie.

12.9.1.4.

Een explosievenspeurhond en zijn begeleider mogen voor beveiligingsonderzoeken worden ingezet als ze beiden onafhankelijk en als team zijn goedgekeurd.

12.9.1.5.

Een explosievenspeurhond en zijn begeleider moeten eerst een basisopleiding en daarna periodieke opleidingen volgen om te garanderen dat ze de vereiste bekwaamheden verwerven en behouden en, indien nodig, nieuwe bekwaamheden verwerven.

12.9.1.6.

Om te worden goedgekeurd moet een EDD-team, bestaande uit een explosievenspeurhond en (een) begeleider(s), met succes een opleiding hebben gevolgd.

12.9.1.7.

Een EDD-team wordt goedgekeurd door of namens de bevoegde autoriteit, overeenkomstig aanhangsels 12-E en 12-F van een afzonderlijk besluit van de Commissie.

12.9.1.8.

Na goedkeuring door de bevoegde autoriteit mag een EDD-team beveiligingsonderzoeken uitvoeren op basis van de „free running”- of de „remote explosive scent tracing”-methode

12.9.2.   Normen voor explosievenspeurhonden

12.9.2.1.

De prestatievereisten voor explosievenspeurhonden zijn vastgelegd in Aanhangsel 12-D bij een afzonderlijk besluit van de Commissie.

12.9.2.2.

Een EDD-team dat wordt ingezet voor beveiligingsonderzoeken van personen, handbagage, voorwerpen die door andere personen dan passagiers worden meegenomen, voertuigen, luchtvaartuigen, vluchtbenodigdheden, luchthavenbenodigdheden en om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones moet voldoen aan norm 1.

12.9.2.3.

Een EDD-team dat wordt ingezet voor beveiligingsonderzoeken van ruimbagage, post van luchtvaartmaatschappijen, materiaal van luchtvaartmaatschappijen, vracht en post moet voldoen aan norm 2.

12.9.2.4.

Een EDD-team dat is goedgekeurd om explosieven te detecteren op basis van de „remote explosive scent tracing”-methode mag alleen worden ingezet voor beveiligingsonderzoeken van vracht, maar niet voor andere domeinen die onder norm 2 vallen.

12.9.2.5.

Een explosievenspeurhond die wordt ingezet om explosieven op te speuren, wordt uitgerust met passende voorzieningen die de unieke identificatie van de explosievenspeurhond mogelijk maken.

12.9.2.6.

Wanneer een hond naar explosieven speurt, moet hij altijd worden begeleid door de begeleider die goedgekeurd is om met de explosievenspeurhond te werken.

12.9.2.7.

Een explosievenspeurhond die is goedgekeurd om volgens de „free running”-methode te werken, mag slechts één begeleider hebben. Een begeleider kan worden goedgekeurd voor het begeleiden van hoogstens twee explosievenspeurhonden.

12.9.2.8.

Een explosievenspeurhond die is goedgekeurd om volgens de „explosive scent tracing”-methode te werken, mag door hoogstens twee begeleiders worden begeleid.

12.9.3.   Opleidingsvereisten

Algemene opleidingseisen

12.9.3.1.

De opleiding van een EDD-team omvat een theoretische en een praktische opleiding en een training op de werkvloer.

12.9.3.2.

De inhoud van de cursussen wordt door de bevoegde autoriteit gespecificeerd of goedgekeurd.

12.9.3.3.

De opleiding wordt georganiseerd door of namens de bevoegde autoriteit en wordt gegeven door instructeurs die gekwalificeerd zijn overeenkomstig punt 11.5 van de bijlage bij Verordening 185/2010.

12.9.3.4.

Honden die voor het opspeuren van explosieven worden opgeleid, mogen alleen met dat doel worden ingezet.

12.9.3.5.

Tijdens de opleiding worden hulpmiddelen gebruikt die explosieven voorstellen.

12.9.3.6.

De opleiding wordt verstrekt aan alle personen die de opleidingshulpmiddelen gebruiken teneinde contaminatie te voorkomen.

Basisopleiding voor EDD-teams

12.9.3.7.

Een EDD-team volgt een basisopleiding die gebaseerd is op de in punt 12.9.3 van een afzonderlijk besluit van de Commissie vastgestelde criteria.

12.9.3.8.

De basisopleiding van een EDD-team omvat een praktische opleiding in de toekomstige werkomgeving.

Periodieke opleiding voor EDD-teams

12.9.3.9.

Een explosievenspeurhond en zijn begeleider dienen, individueel en als team, periodieke opleidingen te volgen.

12.9.3.10.

Periodieke opleiding moet zorgen voor de instandhouding van de bekwaamheden die tijdens de basisopleiding moeten worden verworven en van de bekwaamheden welke overeenkomstig ontwikkelingen op beveiligingsgebied worden verworven.

12.9.3.11.

De periodieke opleiding van een EDD-team moet minstens om de zes weken plaatsvinden. Tijdens elke periode van zes weken moet minstens vier uur periodieke opleiding worden gevolgd.

12.9.3.12.

Punt 11 is niet van toepassing wanneer een explosievenspeurhond minstens wekelijks een opleiding krijgt om alle in Aanhangsel 12-D van een afzonderlijk besluit van de Commissie vermelde materialen te leren herkennen.

Opleidingsdossiers voor EDD-teams

12.9.3.13.

Voor zowel de explosievenspeurhond als zijn begeleider wordt tijdens minstens de duur van de arbeidsovereenkomst een dossier van de basis- en periodieke opleiding bijgehouden en op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit gesteld.

Operationele opleiding voor EDD-teams

12.9.3.14.

Wanneer bij de beveiligingsonderzoeken explosievenspeurhonden worden ingezet, moeten deze honden een operationele opleiding krijgen om te garanderen dat ze aan de prestatievereisten van Aanhangsel 12-D van een afzonderlijk besluit van de Commissie voldoen.

12.9.3.15.

De operationele opleiding vindt plaats op continue willekeurige basis tijdens de periode dat de explosievenspeurhond wordt ingezet; tijdens deze opleiding worden de detectieprestaties van de explosievenspeurhond gemeten aan de hand van goedgekeurde opleidingshulpmiddelen.

12.9.4.   Goedkeuringsprocedures

12.9.4.1.

De goedkeuringsprocedure moet garanderen dat de volgende bekwaamheden worden gemeten:

a)

de bekwaamheid van de explosievenspeurhond om te voldoen aan de in Aanhangsel 12-D van een afzonderlijk besluit van de Commissie vastgestelde detectieprestaties;

b)

de bekwaamheid van de explosievenspeurhond om een passieve indicatie te geven van de aanwezigheid van explosieven;

c)

de bekwaamheid van de explosievenspeurhond en zijn begeleider(s) om effectief als team te werken; en

d)

de bekwaamheid van de begeleider om de explosievenspeurhond correct te leiden, zijn reacties op de aanwezigheid van explosieven te interpreteren en er op passende wijze op te reageren.

12.9.4.2.

Tijdens de goedkeuringsprocedure worden alle werkdomeinen waarop het EDD-team actief zal zijn, gesimuleerd.

12.9.4.3.

Het EDD-team moet met succes de opleiding voltooien op elk domein waarvoor goedkeuring wordt gevraagd.

12.9.4.4.

De goedkeuringsprocedures worden uitgevoerd overeenkomstig de Aanhangsels 12-E en 12-F van een afzonderlijk besluit van de Commissie.

12.9.4.5.

Elke goedkeuring is hoogstens twaalf maanden geldig.

12.9.5.   Kwaliteitscontrole

12.9.5.1.

De kwaliteitscontrolemaatregelen van Aanhangsel 12-G van een afzonderlijk besluit van de Commissie worden toegepast op het EDD-team.

12.9.6.   Methodologie van het beveiligingsonderzoek

Nadere gedetailleerde eisen zijn vastgesteld in een afzonderlijk besluit van de Commissie.”


(1)  PB L 55 van 5.3.2010, blz. 1.


1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/6


VERORDENING (EU) Nr. 574/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2010

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard (IFRS) 1 en IFRS 7 betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name op artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie (2) werd een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd.

(2)

Op 28 januari 2010 heeft de International Accounting Standards Board (IASB) een wijziging in International Financial Reporting Standard (IFRS) 1 Beperkte vrijstelling van eerste toepassers van de verplichting om door IFRS 7 vereiste vergelijkende informatie te verschaffen (hierna „wijziging in IFRS 1” genoemd) gepubliceerd. In het besef dat entiteiten die de IFRS voor het eerst toepassen niet kunnen gebruikmaken van de lastenverlichting die geldt ten aanzien van de aanpassing van door IFRS 7 vereiste vergelijkende informatie over waarderingen tegen reële waarde en liquiditeitsrisico indien de desbetreffende vergelijkende periodes vóór 31 december 2009 aflopen, wordt met de wijziging in IFRS 1 beoogd genoemde entiteiten de mogelijkheid te bieden toch van deze lastenverlichting te profiteren.

(3)

Overleg met de werkgroep van technische deskundigen van EFRAG (European Financial Reporting Advisory Group) heeft bevestigd dat de wijziging van IFRS 1 beantwoordt aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vervatte technische goedkeuringscriteria. Overeenkomstig Besluit 2006/505/EG van de Commissie van 14 juli 2006 tot oprichting van een werkgroep voor de beoordeling van adviezen over verslaggevingsstandaarden om de Commissie van advies te dienen over de objectiviteit en neutraliteit van de adviezen van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) (3) heeft de werkgroep voor de beoordeling van adviezen over verslaggevingsstandaarden het goedkeuringsadvies van EFRAG bestudeerd en in haar advies aan de Commissie verklaard dat het evenwichtig en objectief is.

(4)

De goedkeuring van de wijziging in IFRS 1 brengt met zich mee dat International Financial Reporting Standard (IFRS) 7 wordt gewijzigd om de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen.

(5)

Verordening (EG) nr. 1126/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

International Financial Reporting Standard (IFRS) 1 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening;

(2)

IFRS 7 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Elke onderneming past de in de bijlage bij deze verordening opgenomen wijzigingen in IFRS 1 en IFRS 7 toe vanaf uiterlijk de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat na 30 juni 2010 van start gaat.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1.

(3)  PB L 199 van 21.7.2006, blz. 33.


BIJLAGE

INTERNATIONALE STANDAARDEN VOOR JAARREKENINGEN

IFRS 1

Wijziging in IFRS 1 Beperkte vrijstelling van eerste toepassers van de verplichting om door IFRS 7 vereiste vergelijkende informatie te verschaffen

IFRS 7

Wijziging in IFRS 7 Financiële instrumenten: informatieverschaffing

Reproductie toegestaan binnen de Europese Economische Ruimte. Alle bestaande rechten voorbehouden buiten de EER, met uitzondering van het recht van reproductie voor persoonlijk of ander eerlijk gebruik. Nadere inlichtingen te verkrijgen bij de IASB op het volgende adres: www.iasb.org

BEPERKTE VRIJSTELLING VAN EERSTE TOEPASSERS VAN DE VERPLICHTING OM DOOR IFRS 7 VEREISTE VERGELIJKENDE INFORMATIE TE VERSCHAFFEN

(Wijziging in IFRS 1)

Wijziging in IFRS 1

Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards

Alinea 39C wordt toegevoegd.

INGANGSDATUM

39C

Beperkte vrijstelling van eerste toepassers van de verplichting om door IFRS 7 vereiste vergelijkende informatie te verschaffen (wijziging in IFRS 1), uitgegeven in januari 2010, voegde alinea E3 toe. Een entiteit moet deze wijziging toepassen op jaarperioden die op of na 1 juli 2010 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan. Als een entiteit de wijziging op een eerdere periode toepast, moet zij dit feit vermelden.

Bijlage E

Kortetermijnvrijstellingen van de IFRSs

Een koptekst, alinea E3 en een voetnoot worden toegevoegd.

Informatieverschaffing over financiële instrumenten

E3

Eerste toepassers mogen de overgangsbepalingen in alinea 44G van IFRS 7 toepassen. (1)

Bijlage

Wijziging in IFRS 7

Financiële instrumenten: informatieverschaffing

Alinea 44G wordt gewijzigd (de nieuwe tekst is onderstreept en de verwijderde tekst doorgehaald) en een voetnoot wordt toegevoegd.

INGANGSDATUM EN OVERGANGSBEPALINGEN

44G

Verbetering van de informatieverschaffing over financiële instrumenten (wijzigingen in IFRS 7), uitgegeven in maart 2009, wijzigde de alinea's 27, 39 en B11 en voegde de alinea's 27A, 27B, B10A en B11A tot en met B11F toe. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Een entiteit behoeft de bij de wijzigingen vereiste informatie niet te verschaffen voor:

(a)

een jaarperiode of een tussentijdse periode, met inbegrip van een overzicht van de financiële positie, welke deel uitmaakt van een vergelijkende jaarperiode die eindigt vóór 31 december 2009, of

(b)

een overzicht van de financiële positie aan het begin van de vroegste vergelijkende periode met een datum die vóór 31 december 2009 valt.

Eerdere toepassing is toegestaan. Als een entiteit de wijzigingen op een eerdere periode toepast, moet zij dit feit vermelden. (2)


(1)  Alinea E3 is toegevoegd bij Beperkte vrijstelling van eerste toepassers van de verplichting om door IFRS 7 vereiste vergelijkende informatie te verschaffen (wijziging in IFRS 1), uitgegeven in januari 2010. Om mogelijk gebruik van kennis achteraf te vermijden en te garanderen dat eerste toepassers niet worden benadeeld ten opzichte van degenen die de IFRSs reeds toepassen, heeft de Board besloten dat het eerste toepassers moet worden toegestaan dezelfde overgangsbepalingen toe te passen als die welke gelden voor degenen die hun jaarrekeningen reeds in overeenstemming met de IFRSs opstellen en die in Verbetering van de informatieverschaffing over financiële instrumenten (wijzigingen in IFRS 7) zijn opgenomen.

(2)  Alinea 44G is gewijzigd bij Beperkte vrijstelling van eerste toepassers van de verplichting om door IFRS 7 vereiste vergelijkende informatie te verschaffen (wijziging in IFRS 1), uitgegeven in januari 2010. De Board heeft alinea 44G gewijzigd om zijn conclusies en de beoogde overgang naar Verbetering van de informatieverschaffing over financiële instrumenten (wijzigingen in IFRS 7) te verduidelijken.


1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/9


VERORDENING (EU) Nr. 575/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

44,4

MK

31,8

TR

53,0

ZZ

43,1

0707 00 05

MK

41,0

TR

118,9

ZZ

80,0

0709 90 70

TR

106,7

ZZ

106,7

0805 50 10

AR

85,3

TR

97,3

US

84,1

ZA

94,5

ZZ

90,3

0808 10 80

AR

107,5

BR

90,2

CA

118,4

CL

95,2

CN

60,1

NZ

112,2

US

102,5

ZA

100,8

ZZ

98,4

0809 10 00

TR

231,7

ZZ

231,7

0809 20 95

TR

303,6

ZZ

303,6

0809 30

AR

133,5

TR

155,8

ZZ

144,7

0809 40 05

AU

258,9

IL

210,4

US

319,2

ZZ

262,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/11


VERORDENING (EU) Nr. 576/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2010

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 juli 2010

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00, 1001 90 91, ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002, ex 1005 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, en ex 1007 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, gelijk is aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs voor de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 136, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat voor de berekening van het in lid 1 van dat artikel bedoelde invoerrecht regelmatig representatieve cif-invoerprijzen voor de betrokken producten worden vastgesteld.

(3)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 is de prijs die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00, 1001 90 91, ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002 00, 1005 10 90, 1005 90 00 en 1007 00 90, de dagelijkse representatieve cif-invoerprijs die wordt bepaald volgens de methode van artikel 4 van die verordening.

(4)

Er dienen invoerrechten te worden vastgesteld voor de periode vanaf 1 juli 2010, die van toepassing zullen zijn totdat een nieuwe vaststelling in werking treedt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 1 juli 2010, worden in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgesteld op basis van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125.


BIJLAGE I

Vanaf 1 juli 2010 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(EUR/t)

1001 10 00

HARDE TARWE van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

ZACHTE TARWE, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed

0,00

1002 00 00

ROGGE

11,79

1005 10 90

MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden

5,34

1005 90 00

MAÏS, andere dan zaaigoed (2)

5,34

1007 00 90

GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

11,79


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd, komt de importeur op grond van artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96 in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t als de loshaven aan de Middellandse Zee of de Zwarte Zee ligt,

2 EUR/t als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten

16.6.2010-29.6.2010

1.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:

(EUR/t)

 

Zachte tarwe (1)

Maïs

Harde tarwe van hoge kwaliteit

Harde tarwe van gemiddelde kwaliteit (2)

Harde tarwe van lage kwaliteit (3)

Gerst

Beurs

Minneapolis

Chicago

Notering

170,70

111,08

Fob-prijs VSA

139,88

129,88

109,88

86,97

Golfpremie

14,26

Grote-Merenpremie

40,50

2.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:

Vrachtkosten: Golf van Mexico–Rotterdam:

26,36 EUR/t

Vrachtkosten: Grote Meren–Rotterdam:

58,26 EUR/t


(1)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/14


VERORDENING (EU) Nr. 577/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2010

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/10

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2009/10 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 877/2009 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 572/2010 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2009/10 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 877/2009 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 253 van 25.9.2009, blz. 3.

(4)  PB L 163 van 30.6.2010, blz. 39.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 1 juli 2010

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

41,21

0,00

1701 11 90 (1)

41,21

2,54

1701 12 10 (1)

41,21

0,00

1701 12 90 (1)

41,21

2,24

1701 91 00 (2)

42,49

4,72

1701 99 10 (2)

42,49

1,59

1701 99 90 (2)

42,49

1,59

1702 90 95 (3)

0,42

0,27


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


BESLUITEN

1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/16


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 juni 2010

inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Raad van ministers van de Republiek Albanië inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten

(2010/364/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 100, lid 2, juncto artikel 218, lid 6, onder a), en artikel 218, lid 8, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 5 juni 2003 heeft de Raad de Commissie gemachtigd met derde landen te onderhandelen over de vervanging van sommige bepalingen in bestaande bilaterale overeenkomsten door een communautaire overeenkomst.

(2)

Namens de Gemeenschap heeft de Commissie met de Republiek Albanië onderhandeld over een overeenkomst inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten (hierna „de overeenkomst” genoemd), overeenkomstig de mechanismen en richtsnoeren in de bijlage bij het besluit van de Raad waarbij de Commissie werd gemachtigd om met derde landen te onderhandelen over de vervanging van sommige bepalingen in bestaande bilaterale overeenkomsten door een communautaire overeenkomst.

(3)

De overeenkomst is namens de Gemeenschap ondertekend op 5 mei 2006, onder voorbehoud van eventuele sluiting op een later tijdstip, overeenkomstig Besluit 2006/716/EG van de Raad (1).

(4)

Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, dient de Europese Unie de Republiek Albanië ervan in kennis te stellen dat de Europese Unie in de plaats is getreden van de Europese Gemeenschap en dat zij daarvan de opvolgster is.

(5)

De overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Raad van ministers van de Republiek Albanië inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten wordt namens de Unie goedgekeurd (2).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt hierbij gemachtigd om de persoon aan te wijzen die bevoegd is om de in artikel 8, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving te verrichten en om de volgende kennisgeving te doen:

„Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, is de Europese Unie in de plaats getreden van de Europese Gemeenschap, waarvan zij de opvolgster is. Vanaf die datum oefent de Europese Unie alle rechten van de Europese Gemeenschap uit en neemt zij al haar verplichtingen over. Bijgevolg moeten in voorkomend geval verwijzingen in de tekst van de overeenkomst naar „de Europese Gemeenschap” gelezen worden als „de Europese Unie”.”

Gedaan te Luxemburg, 24 juni 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BLANCO LÓPEZ


(1)  PB L 294 van 25.10.2006, blz. 51.

(2)  De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Raad van ministers van de Republiek Albanië inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten werd samen met het ondertekeningsbesluit bekendgemaakt in PB L 294 van 25.10.2006, blz. 52.


1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/17


BESLUIT VAN DE RAAD

van 29 juni 2010

betreffende de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en Roemenië

(2010/365/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op de Toetredingsakte van 2005, en met name op artikel 4, lid 2,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005 bepaalt dat de andere bepalingen van het Schengenacquis dan die welke in bijlage II bij die Akte zijn genoemd, in Bulgarije en Roemenië (hierna „de betrokken lidstaten”) slechts toepasselijk zijn op grond van een daartoe strekkend besluit van de Raad, nadat is geconstateerd dat aan de nodige voorwaarden voor de toepassing van dat acquis is voldaan.

(2)

De Raad heeft geverifieerd of de betrokken lidstaten toereikende niveaus van gegevensbescherming waarborgen, en wel in de volgende fasen:

In een eerste stadium is aan de betrokken lidstaten een volledige vragenlijst voorgelegd en is akte genomen van de antwoorden. Vervolgens hebben in die lidstaten, overeenkomstig de toepasselijke Schengenevaluatieprocedures in de versie van het besluit van het Uitvoerend Comité betreffende de oprichting van een permanente Schengencommissie (SCH/Com-ex (98) 26 def.) (2), op het gebied van gegevensbescherming verificatie- en evaluatiebezoeken plaatsgevonden.

(3)

Op 26 april 2010 heeft de Raad geconcludeerd dat aan de voorwaarden op dit gebied is voldaan door de betrokken lidstaten. Derhalve kan een datum worden bepaald waarop het Schengenacquis met betrekking tot het Schengeninformatiesysteem (SIS) in die lidstaten kan worden toegepast.

(4)

De inwerkingtreding van het onderhavige besluit moet de overdracht van echte SIS-gegevens aan de betrokken lidstaten mogelijk maken. Door een concreet gebruik van die gegevens moet de Raad op grond van de toepasselijke Schengenevaluatieprocedures overeenkomstig SCH/Com-ex (98) 26 def., de correcte toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot het SIS in die lidstaten kunnen verifiëren. Zodra de evaluaties zijn afgerond, moet de Raad een besluit nemen over het opheffen van de controles aan de binnengrenzen met die lidstaten.

(5)

Er moet een afzonderlijk besluit van de Raad worden vastgesteld waarin een datum voor de opheffing van de controles aan de binnengrenzen wordt bepaald. In afwachting van de in dat besluit genoemde datum moeten bepaalde beperkingen aan het gebruik van het SIS worden gesteld.

(6)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, houdt dit besluit een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de door de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (3), die vallen onder het gebied dat is bedoeld in artikel 1, punt G, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (4) inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst.

(7)

Wat Zwitserland betreft, houdt dit besluit een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (5), die vallen onder het gebied dat is bedoeld in artikel 1, punt G, van Besluit 1999/437/EG, juncto artikel 3 van Besluit 2008/149/JBZ van de Raad (6) en artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (7),

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot het SIS, zoals bedoeld in bijlage I, zijn met ingang van 15 oktober 2010 van toepassing op de Republiek Bulgarije en Roemenië in hun onderlinge betrekkingen en in hun betrekkingen met het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, alsmede de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat.

2.   De bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot het SIS, zoals bedoeld in bijlage II, zijn met ingang van de in die bepalingen bepaalde datum van toepassing op de Republiek Bulgarije en Roemenië in hun onderlinge betrekkingen en in hun betrekkingen met het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, alsmede de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen en de Zwitserse Bondsstaat.

3.   Vanaf 29 juni 2010 mogen echte SIS-gegevens aan de betrokken lidstaten worden doorgegeven.

Vanaf 15 oktober 2010 kunnen de betrokken lidstaten, evenals de lidstaten ten aanzien waarvan het Schengenacquis al is geïmplementeerd, gegevens in het SIS invoeren en SIS-gegevens benutten, onder voorbehoud van de bepalingen van lid 4.

4.   Tot de datum waarop de controles aan de binnengrenzen met de betrokken lidstaten worden opgeheven:

a)

zijn die lidstaten niet verplicht de toegang tot hun grondgebied te weigeren aan onderdanen van derde landen die door een andere lidstaat in het SIS ter fine van weigering van toegang zijn gesignaleerd, noch deze onderdanen te verwijderen;

b)

voeren die lidstaten geen gegevens in die vallen onder artikel 96 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (hierna de „Schengenuitvoeringsovereenkomst” genoemd) (8).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 29 juni 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. ESPINOSA


(1)  Advies uitgebracht op 17 juni 2010 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 138.

(3)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(4)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.

(5)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(6)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 50.

(7)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1.

(8)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.


BIJLAGE I

Lijst van de bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het SIS in de zin van artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005 die op de betrokken lidstaten toepasselijk moeten worden gemaakt

1.

Wat betreft de bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst:

artikel 64 en de artikelen 92 tot en met 119;

2.

Andere bepalingen met betrekking tot het SIS:

a)

besluiten van het Uitvoerend Comité, opgericht krachtens de Schengenuitvoeringsovereenkomst:

Besluit van het Uitvoerend Comité van 15 december 1997 betreffende de wijziging van het financieel reglement van het C.SIS (SCH/Com-ex (97) 35) (1),

b)

verklaringen van het Uitvoerend Comité, opgericht krachtens de Schengenuitvoeringsovereenkomst:

i)

Verklaring van het Uitvoerend Comité van 18 april 1996 betreffende de definiëring van het begrip „vreemdeling” (SCH/Com-ex (96) decl. 5) (2),

ii)

Verklaring van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de structuur van het SIS (SCH/Com-ex (99) decl. 2 herz.) (3),

c)

andere instrumenten:

i)

Besluit 2000/265/EG van de Raad van 27 maart 2000 houdende vaststelling van een financieel reglement met betrekking tot de budgettaire aspecten van het beheer door de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad van de overeenkomsten die deze sluit namens bepaalde lidstaten met betrekking tot de installatie en de werking van de communicatie-infrastructuur voor de Schengenomgeving „Sisnet” (4),

ii)

het SIRENE-handboek (5),

iii)

Verordening (EG) nr. 871/2004 van de Raad van 29 april 2004 betreffende de invoering van enkele nieuwe functies in het Schengeninformatiesysteem, inclusief bij de bestrijding van terrorisme (6), en alle latere besluiten betreffende de datum van toepassing van die functies,

iv)

Besluit 2005/211/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 betreffende de invoering van enkele nieuwe functies in het Schengeninformatiesysteem, inclusief bij de bestrijding van terrorisme (7), en alle latere besluiten betreffende de datum van toepassing van die functies,

v)

Verordening (EG) nr. 1160/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, voor wat betreft de toegang tot het Schengeninformatiesysteem voor de diensten die in de lidstaten belast zijn met de afgifte van kentekenbewijzen van voertuigen (8),

vi)

artikel 5, lid 4, onder a), en de bepalingen van titel II, en de bijlagen daarbij, die verwijzen naar het Schengeninformatiesysteem (SIS) van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (9),

vii)

Verordening (EG) nr. 1104/2008 van de Raad van 24 oktober 2008 over de migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (10),

viii)

Besluit 2008/839/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 over de migratie van het Schengeninformatiesysteem (SIS 1+) naar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (11).


(1)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 444.

(2)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 458.

(3)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 459.

(4)  PB L 85 van 6.4.2000, blz. 12.

(5)  Delen van het SIRENE-handboek werden bekendgemaakt in PB C 38 van 17.2.2003, blz. 1. Het handboek werd gewijzigd bij Besluiten van de Commissie 2006/757/EG (PB L 317 van 16.11.2006, blz. 1) en 2006/758/EG (PB L 317 van 16.11.2006, blz. 41).

(6)  PB L 162 van 30.4.2004, blz. 29.

(7)  PB L 68 van 15.3.2005, blz. 44.

(8)  PB L 191 van 22.7.2005, blz. 18.

(9)  PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1.

(10)  PB L 299 van 8.11.2008, blz. 1.

(11)  PB L 299 van 8.11.2008, blz. 43.


BIJLAGE II

Lijst van de bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het SIS in de zin van artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005 die vanaf de in de desbetreffende bepalingen vermelde datum op de betrokken lidstaten toepasselijk moeten worden gemaakt

1.

Verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toegang tot het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) voor de instanties die in de lidstaten belast zijn met de afgifte van kentekenbewijzen van voertuigen (1);

2.

Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (2);

3.

Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (3).


(1)  PB L 381 van 28.12.2006, blz. 1.

(2)  PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4.

(3)  PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63.


1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/21


BESLUIT VAN DE RAAD

van 29 juni 2010

houdende benoeming van een Roemeens lid van het Comité van de Regio’s

(2010/366/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 305,

Gezien de voordracht van de regering van Roemenië,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009 en 18 januari 2010 heeft de Raad de Besluiten 2009/1014/EU en 2010/29/EU aangenomen houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 (1).

(2)

Door het verstrijken van de ambtstermijn van de heer Cristian ANGHEL, is in het Comité van de Regio’s een zetel van lid vrijgekomen.

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wordt benoemd tot lid van het Comité van de Regio’s voor de verdere duur van de ambtstermijn, te weten tot en met 25 januari 2015:

de heer Romeo STAVARACHE

Primarul municipiului Bacău, județul Bacău

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Luxemburg, 29 juni 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. ESPINOSA


(1)  PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22 en PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.


1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/22


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2010

betreffende de uitvoering door de lidstaten van surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4190)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/367/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name op artikel 10, lid 4,

Gelet op Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (2), en met name op artikel 4, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aviaire influenza is een virale infectieziekte bij vogels, waaronder pluimvee. Infecties met aviaire-influenzavirussen bij gedomesticeerd pluimvee veroorzaken twee hoofdvormen van de ziekte met een verschillende virulentie. De laagpathogene vorm leidt in de regel slechts tot milde symptomen, terwijl de hoogpathogene vorm bij de meeste pluimveesoorten een zeer hoge sterfte veroorzaakt. Die ziekte kan ernstige gevolgen hebben voor de rentabiliteit van de pluimveehouderij.

(2)

Richtlijn 2005/94/EG stelt maatregelen vast voor de bestrijding van uitbraken, bij pluimvee en andere in gevangenschap gehouden vogels, van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) en laagpathogene aviaire influenza, veroorzaakt door aviaire-influenzavirussen van de subtypes H5 en H7 (LPAI), als omschreven in die richtlijn. Richtlijn 2005/94/EG voorziet ook in bepaalde preventieve maatregelen met betrekking tot de surveillance en de vroegtijdige detectie van aviaire-influenzavirussen.

(3)

Richtlijn 2005/94/EG bepaalt dat de lidstaten surveillanceprogramma’s moeten uitvoeren. Die surveillanceprogramma’s beogen na te gaan hoe de LPAI-virussen in pluimvee, met name watervogelsoorten, circuleren voordat zij zich op grote schaal onder de pluimveepopulatie verspreiden, zodat bestrijdingsmaatregelen kunnen worden genomen om zo mogelijk een mutatie in een HPAI-virus te voorkomen dat rampzalige gevolgen kan hebben.

(4)

Richtlijn 2005/94/EG voorziet ook in de uitvoering van surveillanceprogramma’s bij in het wild levende vogels om door een regelmatig geactualiseerde risicobeoordeling een beter inzicht te verkrijgen in de bedreiging door van vogels afkomstige influenzavirussen, die door in het wild levende vogels worden overgedragen.

(5)

Beschikking 2007/268/EG van de Commissie van 13 april 2007 betreffende de in de lidstaten uit te voeren surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels en tot wijziging van Beschikking 2004/450/EG (3) is vastgesteld om richtsnoeren te geven voor de uitvoering van dergelijke surveillanceprogramma’s.

(6)

Sinds de vaststelling van die beschikking is uit de in de lidstaten opgedane ervaring met de uitvoering van surveillanceprogramma’s, doorbraken in de wetenschappelijke kennis en conclusies van onderzoeken gebleken dat bepaalde pluimveesoorten en pluimveeproductiecategorieën een hoger risico lopen om met aviaire-influenzavirussen te worden besmet dan andere, ook rekening houdend met de ligging van het bedrijf en andere risicofactoren.

(7)

De dreiging van de insleep van het HPAI-virus van het subtype H5N1 uit Zuidoost-Azië naar Europa door de westwaartse verspreiding daarvan in 2005 heeft geleid tot aanvullende maatregelen inzake paraatheid en vroegtijdige detectie van dat virustype bij pluimvee en in het wild levende vogels.

(8)

Beschikking 2005/731/EG van de Commissie van 17 oktober 2005 tot vaststelling van aanvullende eisen voor de bewaking van aviaire influenza bij in het wild levende vogels (4) schrijft voor dat de lidstaten moeten zorgen voor de kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten van abnormale sterfte en significante ziekte-uitbraken bij in het wild levende vogels, met name in het wild levende watervogels. Er moeten ook monsters worden genomen en laboratoriumtests op het aviaire-influenzavirus worden uitgevoerd.

(9)

De voorschriften van Beschikking 2005/731/EG moeten in dit besluit worden opgenomen.

(10)

Van 2006 tot 2009 zijn meer dan 350 000 in het wild levende vogels bemonsterd en op aviaire influenza getest. De surveillance in de lidstaten bestond gemiddeld voor 75 % uit bemonstering van levende vogels en voor 25 % uit bemonstering van zieke of dode vogels.

(11)

Meer dan 1 000 dood of ziek aangetroffen vogels zijn positief getest op HPAI van het subtype H5N1, terwijl slechts een vijftal als gezonde levende vogels bemonsterde vogels tijdens die periode van vier jaren positief op dat virus zijn getest. De LPAI-subtypes zijn bijna uitsluitend geïsoleerd uit bij levende vogels genomen monsters.

(12)

De conclusies in de jaarverslagen over de surveillance van aviaire influenza (5) in de Unie, opgesteld door het EU-referentielaboratorium (EURL) voor aviaire influenza, de wetenschappelijke adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) (6)  (7)  (8) en de werkzaamheden van de onlangs opgerichte taskforce voor de surveillance van dierziekten (TFADS) hebben onderstreept dat bepaalde wijzigingen in de huidige surveillancestrategie voor pluimvee en in het wild levende vogels moeten worden aangebracht om verder een risicogebaseerde aanpak te bevorderen, die geacht wordt de meest geschikte surveillancestrategie te zijn om de bevoegde autoriteiten te informeren met het oog op de preventie en de bestrijding van ziekten ter bescherming van bedrijven van pluimvee en andere in gevangenschap gehouden vogels.

(13)

Risicogebaseerde surveillance moet dienen ter aanvulling van de vroegtijdige-detectiesystemen voor de besmetting van pluimvee met aviaire influenza, zoals die welke reeds zijn vastgesteld in artikel 2 van Beschikking 2005/734/EG van de Commissie van 19 oktober 2005 tot vaststelling van bioveiligheidsmaatregelen ter beperking van het risico van overdracht van hoogpathogene aviaire influenza, veroorzaakt door het influenza A-virus subtype H5N1, van in het wild levende vogels naar pluimvee en andere in gevangenschap gehouden vogels en tot instelling van een systeem voor vroege opsporing in risicogebieden (9) en in hoofdstuk II, punt 2, van de bijlage bij Beschikking 2006/437/EG van de Commissie van 4 augustus 2006 tot goedkeuring van een diagnosehandboek voor aviaire influenza overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG van de Raad (10).

(14)

De in Beschikking 2007/268/EG vastgestelde richtsnoeren voor de surveillance van aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels moeten daarom opnieuw worden bekeken in het licht van de opgedane ervaring en de verworven wetenschappelijke kennis en door de in dit besluit vastgestelde richtsnoeren worden vervangen.

(15)

Voor de samenhang van de wetgeving van de Unie moeten de bemonstering en de laboratoriumtests worden uitgevoerd overeenkomstig de procedures van Beschikking 2006/437/EG, tenzij anders aangegeven.

(16)

Voor de samenhang van de wetgeving van de Unie moet bij de uitvoering van de surveillanceprogramma’s bij in het wild levende vogels ten volle rekening worden gehouden met de voorschriften van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (11), met name wat betreft de surveillanceopzet en de bemonsteringsmethoden, beschreven in de punten 2 en 3 van deel 1 van bijlage II bij dit besluit.

(17)

De Beschikkingen 2005/731/EG en 2007/268/EG moeten worden ingetrokken.

(18)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten geschikte regelingen treffen met organisaties voor het observeren en ringen van wilde vogels, jacht- en andere relevante organisaties zodat die organisaties verplicht worden de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis te stellen van abnormale sterfte en significante ziekte-uitbraken bij in het wild levende vogels, met name in het wild levende watervogels.

Artikel 2

1.   De lidstaten zien erop toe dat onmiddellijk na ontvangst door de bevoegde autoriteit van een in artikel 1 bedoelde kennisgeving en wanneer geen andere duidelijke oorzaak van de ziekte dan aviaire influenza wordt vastgesteld, de bevoegde autoriteit ervoor zorgt dat:

a)

passende monsters worden genomen van dode vogels en zo mogelijk van andere vogels die in aanraking zijn gekomen met de dode vogels;

b)

die monsters worden onderworpen aan laboratoriumtests voor de detectie van het aviaire-influenzavirus.

2.   De bemonsterings- en testprocedures worden uitgevoerd overeenkomstig de hoofdstukken II tot en met VIII van het diagnosehandboek voor aviaire influenza dat bij Beschikking 2006/437/EG is goedgekeurd.

3.   Wanneer de in lid 1, onder b), bedoelde laboratoriumtests positieve resultaten voor het hoogpathogene aviaire-influenzavirus (HPAI) opleveren, stellen de lidstaten de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 3

De surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels, die door de lidstaten moeten worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG, moeten voldoen aan de richtsnoeren van de bijlagen I en II bij dit besluit.

Artikel 4

Onverminderd de voorschriften van de wetgeving van de Unie zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat alle positieve en negatieve resultaten van zowel de serologische als de virologische onderzoeken naar aviaire influenza, die in het kader van de surveillanceprogramma’s voor pluimvee en in het wild levende vogels zijn verkregen, elke zes maanden aan de Commissie worden meegedeeld. Zij moeten elk jaar uiterlijk op 31 juli voor de voorafgaande zes maanden (1 januari tot en met 30 juni) en uiterlijk op 31 januari voor de voorafgaande zes maanden (1 juli tot en met 31 december) via het onlinesysteem van de Commissie worden verstrekt.

Artikel 5

De Beschikkingen 2005/731/EG en 2007/268/EG worden ingetrokken.

Artikel 6

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2010.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(2)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(3)  PB L 115 van 3.5.2007, blz. 3.

(4)  PB L 274 van 20.10.2005, blz. 93.

(5)  Website van de Commissie: http://ec.europa.eu/food/animal/diseases/controlmeasures/avian/eu_resp_surveillance_en.htm

(6)  The EFSA Journal (2005) 266, 1-21; Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of Avian Influenza.

(7)  The EFSA Journal (2008) 715, 1-161; Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of avian influenza and the risks of its introduction into the EU poultry holdings.

(8)  The EFSA Journal (2006) 357, 1-46, Opinion on Migratory birds and their possible role in the spread of highly pathogenic Avian Influenza.

(9)  PB L 274 van 20.10.2005, blz. 105.

(10)  PB L 237 van 31.8.2006, blz. 1.

(11)  PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.


BIJLAGE I

Richtsnoeren voor de uitvoering van de surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee

1.   Doelstellingen van de surveillanceprogramma’s

De surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee hebben tot doel de bevoegde autoriteit in kennis te stellen van de circulatie van het aviaire-influenzavirus met het oog op de bestrijding van de ziekte overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG door de jaarlijkse detectie via actieve surveillance voor:

a)

laagpathogene aviaire influenza (LPAI) van de subtypes H5 en H7 bij hoenderachtigen (namelijk kippen, kalkoenen, parelhoenders, fazanten, patrijzen en kwartels) en loopvogels, ter aanvulling van andere bestaande vroegtijdige-detectiesystemen;

b)

LPAI van de subtypes H5 en H7 en hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) bij gedomesticeerde watervogels (namelijk eenden, ganzen en wilde eenden voor heruitzetting).

2.   Surveillanceopzet

Er worden in pluimveebedrijven monsters genomen en serologische tests uitgevoerd om de aanwezigheid van antilichamen tegen aviaire influenza, als omschreven in Richtlijn 2005/94/EG, te detecteren.

Die actieve surveillance vormt een aanvulling op de reeds in de lidstaten bestaande vroegtijdige-detectiesystemen, als bedoeld in Beschikking 2005/734/EG en in hoofdstuk II van het diagnosehandboek voor aviaire influenza dat bij Beschikking 2006/437/EG van de Commissie is goedgekeurd („het diagnosehandboek”), met name die welke worden toegepast in pluimveebedrijven die geacht worden een groter risico voor de insleep van aviaire influenza te vormen.

Er bestaan twee belangrijke internationaal erkende methoden voor surveillance van dierziekten: a) risicogebaseerde surveillance; en b) surveillance op basis van representatieve bemonstering.

2.1.   Risicogebaseerde surveillance (RBS)

RBS is de methode bij uitstek voor de uitvoering van surveillance van aviaire influenza op een doelgerichte en kosteneffectieve wijze.

De lidstaten die voor die methode kiezen, moeten de relevante risicotrajecten voor de besmetting van pluimveekoppels en het bemonsteringskader voor pluimveebedrijven die een hoger risico op besmetting met aviaire influenza lopen, vaststellen.

De in punt 4.1 vermelde criteria en risicofactoren zijn niet exhaustief, maar geven aan hoe in verschillende pluimveehouderijsystemen de bemonstering en uitvoering van tests voor verschillende pluimveesoorten en pluimveeproductiecategorieën doelgericht kan plaatsvinden. Afhankelijk van de specifieke diergezondheidssituatie in de betrokken lidstaat kan het nodig zijn dat zij op verschillende wijze worden gewogen.

2.2.   Surveillance op basis van representatieve bemonstering

Als een lidstaat niet in staat is een voldoende op bewijsmateriaal gebaseerde beoordeling van de risicotrajecten voor de besmetting van pluimveekoppels op zijn grondgebied uit te voeren, moet hij een op een representatieve bemonsteringsregeling gebaseerde surveillance verrichten. Het aantal te bemonsteren pluimveebedrijven moet overeenstemmen met de tabellen 1 en 2, afhankelijk van de pluimveesoorten.

De bemonstering voor de uitvoering van serologische tests op aviaire influenza wordt gestratificeerd over het gehele grondgebied van de lidstaat, zodat de monsters als representatief voor de gehele lidstaat kunnen worden beschouwd.

3.   Doelpopulaties

De bemonstering van de volgende pluimveesoorten en productiecategorieën wordt in het surveillanceprogramma opgenomen:

a)

legkippen;

b)

legkippen met vrije uitloop;

c)

fokkippen;

d)

fokkalkoenen;

e)

fokeenden;

f)

fokganzen;

g)

vleeskalkoenen;

h)

vleeseenden;

i)

vleesganzen;

j)

gekweekt vederwild (hoenderachtigen) gericht op volwassen vogels zoals vermeerderingsdieren;

k)

gekweekt vederwild (watervogels);

l)

loopvogels.

In de volgende nader omschreven uitzonderlijke omstandigheden kunnen echter ook de volgende pluimveecategorieën in de programma’s worden opgenomen:

m)

vleeskuikens, maar alleen wanneer: i) zij in significante aantallen worden gehouden in bedrijven met vrije uitloop en ii) zij geacht worden een groter risico voor besmetting met aviaire influenza te vormen;

n)

hobbypluimvee: speelt over het algemeen slechts een kleine rol bij de circulatie en de verspreiding van het virus en de bemonstering is duur; in bepaalde lidstaten kan hobbypluimvee echter een hoger risico voor aviaire influenza vormen omdat het in significante aantallen aanwezig is, het dicht bij commerciële pluimveebedrijven wordt gehouden, het op lokaal/regionaal niveau wordt verhandeld en wegens andere criteria en risicofactoren, als vermeld in punt 4.1, met name wat de samenstelling van de soorten betreft.

Wanneer een goed onderbouwde motivering wordt gegeven wat betreft het risiconiveau voor een bepaalde pluimveeproductiecategorie (zoals onder strenge bioveiligheidsvoorwaarden gehouden fokkippen), kan deze ook buiten de bemonstering worden gehouden.

4.   Risicogebaseerde surveillancemethode (RBS)

De keuze van RBS moet worden gemaakt op grond van een beoordeling op het niveau van de lidstaten, waarbij ten minste de volgende criteria en risicofactoren in aanmerking moeten worden genomen:

4.1.   Criteria en risicofactoren

4.1.1.   Criteria en risicofactoren voor de insleep van het virus in pluimveebedrijven als gevolg van directe of indirecte blootstelling aan in het wild levende vogels, met name aan als zodanig aangemerkte „doelsoorten”

a)

De ligging van het pluimveebedrijf in de nabijheid van vochtige gebieden, vijvers, moerassen, meren, rivieren of zeekusten waar zich wilde watertrekvogels kunnen verzamelen.

b)

De ligging van het pluimveebedrijf in gebieden met een hoge dichtheid van wilde trekvogels, met name vogels die worden aangemerkt als „doelsoorten” (DS) voor de detectie van HPAI H5N1 en zijn opgenomen in deel 2 van bijlage II.

c)

De ligging van het pluimveebedrijf in de nabijheid van rust- en broedplaatsen voor wilde watertrekvogels, met name wanneer trekvogels uit deze gebieden migreren naar gebieden waarvan bekend is dat HPAI H5N1 er bij in het wild levende vogels of pluimvee voorkomt.

d)

Pluimveebedrijven met vrije uitloop of pluimveebedrijven waar pluimvee of andere in gevangenschap gehouden vogels in de open lucht worden gehouden in ruimten waarin het contact met in het wild levende vogels niet afdoende kan worden voorkomen.

e)

Laag bioveiligheidsniveau in het pluimveebedrijf, inclusief de opslagmethode voor het diervoeder en het gebruik van oppervlaktewater.

4.1.2.   Criteria en risicofactoren voor de verspreiding van het virus in het pluimveebedrijf en tussen pluimveebedrijven, alsook de gevolgen (effect) van de verspreiding van aviaire influenza van pluimvee op pluimvee en tussen pluimveebedrijven

a)

De aanwezigheid van meer dan één pluimveesoort in hetzelfde pluimveebedrijf, met name de aanwezigheid van gedomesticeerde eenden en ganzen met andere pluimveesoorten.

b)

Het type pluimveeproductie en de diersoort op het bedrijf waarvoor de surveillancegegevens een hoger detectiepercentage voor besmetting met aviaire influenza in de lidstaat hebben laten zien, zoals eendenbedrijven en pluimvee bestemd voor heruitzetting (met name wilde eenden).

c)

De ligging van het pluimveebedrijf in gebieden met een hoge dichtheid van pluimveebedrijven.

d)

Handelspatronen, waaronder invoer, en daarmee gepaard gaande verplaatsingen, zowel direct als indirect, van pluimvee en andere factoren, waaronder voertuigen, uitrusting en personen.

e)

De aanwezigheid van oudere pluimveecategorieën en groepen pluimvee met verschillende leeftijd in het bedrijf (bijvoorbeeld legkippen).

4.2.   Op risicopopulaties gerichte programma’s

De op risicopopulaties gerichte programma’s moeten rekening houden met het aantal en de lokale weging van de risicofactoren in het pluimveebedrijf.

De bevoegde autoriteit kan bij de beoordeling van de surveillanceopzet ook andere risicofactoren in beschouwing nemen, die in het surveillanceprogramma moeten worden aangegeven en gemotiveerd.

4.3.   Te bemonsteren pluimveebedrijven

De tabellen 1 en 2 kunnen worden gebruikt als basis voor de bepaling van het aantal te bemonsteren pluimveebedrijven per risicopopulatie.

5.   Representatieve bemonsteringsmethode

Wanneer een representatieve bemonstering, als bedoeld in punt 2.2 wordt uitgevoerd, wordt het aantal te bemonsteren pluimveebedrijven berekend op basis van de in de tabellen 1 en 2 aangegeven cijfers naargelang de in het pluimveebedrijf aanwezige pluimveesoorten.

5.1.   Aantal te bemonsteren pluimveebedrijven voor serologische tests op aviaire influenza

5.1.1.   Aantal te bemonsteren pluimveebedrijven (met uitzondering van eenden-, ganzen- en wilde-eendenbedrijven)

Voor elke pluimveeproductiecategorie, met uitzondering van eenden, ganzen en wilde eenden, wordt het aantal te bemonsteren pluimveebedrijven zodanig vastgesteld dat, wanneer de prevalentie van besmette pluimveebedrijven ten minste 5 % bedraagt, ten minste één besmet pluimveebedrijf met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord.

De bemonstering wordt uitgevoerd overeenkomstig tabel 1:

Tabel 1

Aantal te bemonsteren pluimveebedrijven (met uitzondering van eenden-, ganzen- en wilde-eendenbedrijven) in elke pluimveeproductiecategorie

Aantal bedrijven per pluimveeproductiecategorie per lidstaat

Aantal te bemonsteren pluimveebedrijven

Tot en met 34

Alle

35-50

35

51-80

42

81-250

53

> 250

60

5.1.2.   Aantal te bemonsteren eenden-, ganzen- en wilde-eendenbedrijven  (1)

Het aantal te bemonsteren eenden-, ganzen en wilde-eendenbedrijven wordt zodanig vastgesteld dat, wanneer de prevalentie van besmette pluimveebedrijven ten minste 5 % bedraagt, ten minste één besmet pluimveebedrijf met een betrouwbaarheid van 99 % wordt opgespoord.

De bemonstering wordt uitgevoerd overeenkomstig tabel 2:

Tabel 2

Aantal te bemonsteren eenden-, ganzen-en wilde-eendenbedrijven

Aantal eenden-, ganzen-en wilde-eendenbedrijven per lidstaat

Aantal te bemonsteren eenden-, ganzen-en wilde-eendenbedrijven

Tot en met 46

Alle

47-60

47

61-100

59

101-350

80

> 350

90

5.2.   Aantal in het pluimveebedrijf te bemonsteren dieren (vogels)

De cijfers in de punten 5.2.1 en 5.2.2 gelden voor zowel op basis van risicogebaseerde surveillance als op basis van representatieve bemonstering bemonsterde pluimveebedrijven.

5.2.1.   Aantal in het pluimveebedrijf te bemonsteren dieren (met uitzondering van eenden, ganzen en wilde eenden)

Het aantal in het pluimveebedrijf te bemonsteren dieren wordt zodanig bepaald dat wordt gegarandeerd dat bij een prevalentie van seropositieve dieren van ten minste 30 %, met een betrouwbaarheid van 95 %, ten minste één dier wordt opgespoord dat seropositief op aviaire influenza test.

Er worden bloedmonsters voor serologisch onderzoek verzameld van alle pluimveeproductiecategorieën en pluimveesoorten van ten minste 5 tot 10 dieren (met uitzondering van eenden, ganzen en wilde eenden) per pluimveebedrijf, en uit verschillende stallen, als op het bedrijf meer dan één stal staat.

Staan op het bedrijf verschillende stallen, dan worden monsters van ten minste vijf dieren per stal genomen.

5.2.2.   Aantal in het bedrijf te bemonsteren eenden, ganzen en wilde eenden

Het aantal in het pluimveebedrijf te bemonsteren eenden, ganzen en wilde eenden wordt zodanig bepaald dat wordt gegarandeerd dat bij een prevalentie van seropositieve dieren van ten minste 30 %, met een betrouwbaarheid van 95 %, ten minste één dier wordt opgespoord dat seropositief op aviaire influenza test.

In elk geselecteerd pluimveebedrijf worden twintig bloedmonsters (2) voor serologische tests genomen.

6.   Bemonsteringsprocedures voor serologische tests

De periode voor de bemonstering in het pluimveebedrijf moet samenvallen met de seizoensproductie voor elke pluimveeproductiecategorie en de bemonstering kan ook in het slachthuis plaatsvinden. Deze bemonsteringspraktijk mag geen afbreuk doen aan de risicogebaseerde aanpak overeenkomstig de criteria en risicofactoren in punt 4.1.

Om voor een zo groot mogelijke efficiëntie te zorgen en het onnodige betreden van de pluimveebedrijven door personen te vermijden, wordt de bemonstering zo mogelijk gecombineerd met monsterneming voor andere doeleinden, zoals in het kader van de bestrijding van salmonella en Mycoplasma. Een dergelijke combinatie mag echter geen afbreuk doen aan de vereisten voor risicogebaseerde surveillance.

7.   Bemonstering voor virologische tests

Bemonstering voor virologische tests op aviaire influenza mag niet worden gebruikt als alternatief voor serologische tests en mag alleen worden uitgevoerd in het kader van onderzoeken voor de follow-up van positieve serologische testresultaten voor aviaire influenza.

8.   Frequentie en testperiode

De bemonstering van pluimveebedrijven wordt jaarlijks uitgevoerd. Op basis van een risicobeoordeling kunnen de lidstaten echter besluiten om vaker monsters te nemen en tests uit te voeren. De motivering daarvan moet in het surveillanceprogramma nader worden beschreven.

De bemonstering wordt overeenkomstig het goedgekeurde surveillanceprogramma van 1 januari tot en met 31 december van het jaar van uitvoering van dat programma uitgevoerd.

9.   Laboratoriumtests

De monsters worden getest in het nationale referentielaboratorium voor aviaire influenza (NRL) in elke lidstaat of door andere, door de bevoegde autoriteiten erkende laboratoria die onder het toezicht van het NRL staan.

De laboratoriumtests worden uitgevoerd overeenkomstig het diagnosehandboek, waarin de procedures voor de bevestiging en differentiële diagnose van aviaire influenza worden vastgesteld.

Als een lidstaat gebruik wenst te maken van laboratoriumtests die niet in het diagnosehandboek zijn vastgesteld noch in het Manual for diagnostic tests and vaccines for Terrestrial Animals (handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren) van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) zijn beschreven, moeten die tests eerst door het EURL op basis van gevalideerde gegevens als geschikt daartoe worden verklaard, voordat zij worden gebruikt.

Alle positieve serologische resultaten worden door het NRL door een hemagglutinatieremmingstest bevestigd met gebruikmaking van door het EURL geleverde stammen:

a)

voor subtype H5:

i)

eerste tests met teal/England/7894/06 (H5N3);

ii)

tests van alle positieve monsters met chicken/Scotland/59(H5N1) teneinde een kruisreactie van antilichamen met N3 uit te sluiten;

b)

voor subtype H7:

i)

eerste tests met turkey/England/647/77 (H7N7);

ii)

tests van alle positieve monsters met African starling/983/79 (H7N1) teneinde een kruisreactie van antilichamen met N7 uit te sluiten.

In het pluimveebedrijf moet een follow-up van alle positieve serologische resultaten plaatsvinden aan de hand van epidemiologische onderzoeken en verdere bemonstering voor tests volgens virologische methoden om te bepalen of in het pluimveebedrijf een actieve besmetting met het aviaire-influenzavirus aanwezig is. De conclusies van al die onderzoeken worden aan de Commissie meegedeeld.

Alle aviaire-influenzavirusisolaten worden overeenkomstig de wetgeving van de Unie aan het EURL verstrekt volgens de functies en taken van de nationale referentielaboratoria, als vastgesteld in bijlage VIII bij Richtlijn 2005/94/EG, tenzij een afwijking is verleend overeenkomstig punt 4, onder d), van hoofdstuk V van het diagnosehandboek. Virussen van de subtypes H5/H7 worden onverwijld toegezonden aan het EURL en worden onderworpen aan een genormaliseerde karakterisatietest (nucleotide sequencing/IVPI) overeenkomstig voornoemd diagnosehandboek.

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het EURL verstrekte specifieke protocollen voor de toezending van monsters en diagnosemateriaal. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een goede uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen het EURL en het NRL.


(1)  Voor de detectie van positieve eenden- en ganzenbedrijven wordt een hoger betrouwbaarheidsniveau toegepast omdat dieren in besmette eenden- en ganzenbedrijven minder waarschijnlijk dan hoenderachtigen zullen worden gedetecteerd bij passieve surveillance of vroegtijdige-detectiesystemen.

(2)  De grotere steekproefomvang in vergelijking met punt 5.2.1 is nodig gezien de lagere gevoeligheid van de diagnosetest, indien gebruikt bij watervogels.


BIJLAGE II

DEEL 1

Richtsnoeren voor de uitvoering van de surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij in het wild levende vogels

1.   Doelstellingen van de surveillance

Het doel van het surveillanceprogramma voor aviaire influenza bij in het wild levende vogels is de tijdige detectie van HPAI van het subtype H5N1 bij in het wild levende vogels ter bescherming van pluimvee in pluimveebedrijven en ter vrijwaring van de veterinaire volksgezondheid.

2.   Surveillanceopzet

a)

Een risicogebaseerde surveillance (RBS) wordt uitgevoerd als een „passief” surveillancesysteem aan de hand van laboratoriumonderzoek van stervende in het wild levende vogels of dood aangetroffen vogels en wordt specifiek gericht op watervogelsoorten.

b)

De surveillance wordt specifiek gericht op de „doelsoorten” (DS), in het wild levende vogels, met name watertrekvogels, waarvan is aangetoond dat zij een hoger risico lopen om met het HPAI H5N1-virus te worden besmet en dit virus over te dragen.

c)

De surveillance wordt gericht op gebieden dicht bij de zee, meren en waterwegen waar dode vogels zijn aangetroffen, in het bijzonder als die gebieden dicht bij pluimveebedrijven zijn gelegen, met name in gebieden met een hoge dichtheid van pluimveebedrijven.

d)

Er wordt gezorgd voor een nauwe samenwerking met epidemiologen en ornithologen en de bevoegde autoriteit voor natuurbescherming bij de voorbereiding van het surveillanceprogramma, de verlening van bijstand bij de identificatie van de soorten en de optimalisering van de aan de nationale situatie aangepaste bemonstering.

e)

Als de epidemiologische situatie voor het HPAI H5N1-virus dit vereist, worden de surveillanceactiviteiten aangevuld met bewustmakingsacties en het actief zoeken naar en monitoren van dode en stervende in het wild levende vogels, met name die welke tot de DS behoren. Aanleiding hiertoe kan de detectie zijn van het HPAI H5N1-virus bij pluimvee en/of in het wilde levende vogels in naburige lidstaten en derde landen of in landen waaruit wilde trekvogels, met name die welke tot de DS behoren, in de betrokken lidstaat komen. In dat geval wordt rekening gehouden met de specifieke migratiepatronen en soorten in het wild levende vogels, die van lidstaat tot lidstaat kunnen verschillen.

3.   Bemonsteringsprocedures

a)

De bemonsteringsprocedures worden uitgevoerd overeenkomstig het diagnosehandboek.

b)

Cloacaswabs en trachea-/orofarynxswabs en/of weefsel van dood aangetroffen of stervende in het wild levende vogels worden bemonsterd voor moleculaire detectie (PCR) en/of virusisolatie.

c)

Er moet bijzondere zorg worden besteed aan de opslag en het vervoer van de monsters overeenkomstig de punten 5 en 6 van hoofdstuk IV van het diagnosehandboek. Alle aviaire-influenzavirusisolaten van ziektegevallen bij in het wild levende vogels worden toegezonden aan het EURL, tenzij een afwijking is verleend als bedoeld in punt 4, onder d), van hoofdstuk V van het diagnosehandboek. Virussen van het subtype H5/H7 worden onverwijld toegezonden aan het EURL en worden onderworpen aan een genormaliseerde karakterisatietest (nucleotide sequencing/IVPI) overeenkomstig voornoemd diagnosehandboek.

d)

De bemonstering vindt uiterlijk plaats op 31 december van het jaar van uitvoering van het surveillanceprogramma.

4.   Laboratoriumtests

De laboratoriumtests worden uitgevoerd overeenkomstig het diagnosehandboek.

De monsters worden getest in het NRL van elke lidstaat of in andere, door de bevoegde autoriteiten erkende laboratoria die onder het toezicht van het NRL staan.

Als een lidstaat gebruik wenst te maken van laboratoriumtests die niet in het diagnosehandboek zijn vastgesteld noch in het Manual for diagnostic tests and vaccines for Terrestrial Animals (handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren) van de OIE zijn beschreven, moeten die tests eerst door het EURL op basis van gevalideerde gegevens als geschikt daartoe worden beschouwd, voordat zij worden gebruikt.

Er wordt een eerste screening met behulp van een M-gen-PCR uitgevoerd, gevolgd door een snelle test op positieve gevallen van H5 binnen een periode van niet meer dan twee weken. Bij een positief resultaat voor H5 wordt zo spoedig mogelijk een analyse van de splitsingsplaats uitgevoerd om te bepalen of het motief al dan niet op hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) of laagpathogene aviaire influenza (LPAI) wijst. Als H5 HPAI wordt bevestigd, moet snel een verdere analyse ter bepaling van het N-type worden uitgevoerd, al is het maar om N1 uit te sluiten.

5.   Follow-up

Bij bevestigde positieve gevallen van HPAI H5 (N1) (1) zijn de bestrijdingsmaatregelen van toepassing die zijn vastgesteld in Beschikking 2006/563/EG van de Commissie van 11 augustus 2006 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N1 bij wilde vogels in de Gemeenschap en tot intrekking van Beschikking 2006/115/EG (2).

In het kader van de epidemiologische onderzoeken is het belangrijk dat gebieden worden geïdentificeerd waar zich soortgelijke gevallen kunnen voordoen om zo mogelijk verdere virusinsleep van aviaire influenza te voorspellen, met name in gebieden die relevant zijn voor de pluimveeproductie, zoals gebieden met een hoge dichtheid van pluimveebedrijven.

DEEL 2

Lijst van in het wild levende vogelsoorten voor bemonstering en uitvoering van tests op aviaire influenza — „doelsoorten” (DS)

Nr.

Wetenschappelijke naam

Gebruikelijke naam

1.

Accipiter gentilis

Havik

2.

Accipiter nisus

Sperwer

3.

Anas acuta

Pijlstaart

4.

Anas clypeata

Slobeend

5.

Anas crecca

Wintertaling

6.

Anas penelope

Smient

7.

Anas platyrhynchos

Wilde eend

8.

Anas querquedula

Zomertaling

9.

Anas strepera

Krakeend

10.

Anser albifrons albifrons

Kolgans

11.

Anser anser

Grauwe gans

12.

Anser brachyrhynchus

Kleine rietgans

13.

Anser erythropus

Dwerggans

14.

Anser fabalis

Rietgans

15.

Ardea cinerea

Blauwe reiger

16.

Aythya ferina

Tafeleend

17.

Aythya fuligula

Kuifeend

18.

Branta bernicla

Rotgans

19.

Branta canadensis

Canadese gans

20.

Branta leucopsis

Brandgans

21.

Branta ruficollis

Roodhalsgans

22.

Bubo bubo

Oehoe

23.

Buteo buteo

Buizerd

24.

Buteo lagopus

Ruigpootbuizerd

25.

Cairina moschata

Muskuseend

26.

Ciconia ciconia

Ooievaar

27.

Circus aeruginosus

Blauwe kiekendief

28.

Cygnus columbianus

Kleine zwaan

29.

Cygnus cygnus

Wilde zwaan

30.

Cygnus olor

Knobbelzwaan

31.

Falco peregrinus

Slechtvalk

32.

Falco tinnunculus

Torenvalk

33.

Fulica atra

Meerkoet

34.

Larus canus

Stormmeeuw

35.

Larus ridibundus

Kokmeeuw

36.

Limosa limosa

Grutto

37.

Marmaronetta angustirostris

Marmereend

38.

Mergus albellus

Nonnetje

39.

Milvus migrans

Zwarte wouw

40.

Milvus milvus

Rode wouw

41.

Netta rufina

Krooneend

42.

Phalacrococrax carbo

Aalscholver

43.

Philomachus pugnax

Kemphaan

44.

Pica pica

Ekster

45.

Pluvialis apricaria

Goudplevier

46.

Podiceps cristatus

Fuut

47.

Podiceps nigricollis

Geoorde fuut

48.

Porphyrio porphyrio

Purperkoet

49.

Tachybaptus ruficollis

Dodaars

50.

Vanellus vanellus

Kievit


(1)  De ziektebestrijdingsmaatregelen moeten worden uitgevoerd bij bevestiging van HPAI H5 en vermoeden van N1.

(2)  PB L 222 van 15.8.2006, blz. 11.


1.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/33


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2010

tot wijziging van Beschikking 2006/771/EG inzake de harmonisatie van het radiospectrum voor gebruik door korteafstandsapparatuur

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4313)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/368/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (radiospectrumbeschikking) (1), en met name op artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 2006/771/EG van de Commissie (2) harmoniseert de technische voorwaarden voor het gebruik van spectrum voor verschillende soorten korteafstandsapparatuur, met inbegrip van toepassingen als alarmsystemen, lokale communicatieapparatuur, deuropeners of medische implantaten. Bij korteafstandsapparatuur gaat het meestal om een massamarkt en/of draagbare producten die gemakkelijk kunnen worden meegenomen en grensoverschrijdend kunnen worden gebruikt; verschillen in voorwaarden voor spectrumtoegang verhinderen derhalve het vrije verkeer van deze producten, verhogen hun productiekosten en leiden tot risico’s op schadelijke interferentie met andere radiotoepassingen en -diensten.

(2)

Vanwege de snelle veranderingen in de technologie en de maatschappelijke behoeften zullen er echter nieuwe toepassingen voor korteafstandsapparatuur ontstaan, hetgeen wellicht periodieke aanpassingen vergt van de voorwaarden voor spectrumharmonisering.

(3)

Op 5 juli 2006 heeft de Commissie de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en van Telecommunicatie (CEPT), overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Beschikking 676/2002/EG, een permanent mandaat gegeven om de bijlage bij Beschikking 2006/771/EG aan te passen naar aanleiding van technologische en marktontwikkelingen op het gebied van korteafstandsapparatuur.

(4)

De Beschikkingen 2008/432/EG (3) en 2009/381/EG (4) van de Commissie hielden een wijziging in van de geharmoniseerde technische voorwaarden voor korteafstandsapparatuur van Beschikking 2006/771/EG door de bijlage te vervangen.

(5)

In haar naar aanleiding van het mandaat ingediende verslag van november 2009 (5) adviseerde de CEPT de Commissie een aantal technische aspecten in de bijlage bij Beschikking 2006/771/EG te wijzigen.

(6)

De bijlage bij Beschikking 2006/771/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Apparatuur die voldoet aan de in deze beschikking uiteengezette voorwaarden moet tevens Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (6) naleven om het spectrum doelmatig te gebruiken teneinde schadelijke interferentie te voorkomen, hetgeen wordt aangetoond hetzij door naleving van de geharmoniseerde norm hetzij door te voldoen aan alternatieve procedures voor conformiteitsbeoordeling.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Radiospectrumcomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Beschikking 2006/771/EG wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2010.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Vicevoorzitster


(1)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.

(2)  PB L 312 van 11.11.2006, blz. 66.

(3)  PB L 151 van 11.6.2008, blz. 49.

(4)  PB L 119 van 14.5.2009, blz. 32.

(5)  CEPT-verslag nr. 35, RSCOM 09-68.

(6)  PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.


BIJLAGE

„BIJLAGE

Geharmoniseerde frequentiebanden en technische parameters voor korteafstandsapparatuur

Type korteafstandsapparatuur

Frequentieband (1)

Maximaal zendvermogen/maximale veldsterkte/maximale vermogensdichtheid (2)

Aanvullende parameters (regels voor kanaalindeling en/of toegang tot kanalen en kanaalbezetting) (3)

Overige gebruiksbeperkingen (4)

Toepassingstermijn

Niet-specifieke korteafstandsapparatuur (5)

6 765-6 795 kHz

42 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 oktober 2008

13,553-13,567 MHz

42 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 oktober 2008

26,957-27,283 MHz

10 mW effectief uitgestraald vermogen (e.r.p.), hetgeen overeenkomt met 42 dΒμΑ/m op 10 m afstand

 

Videotoepassingen worden uitgesloten

1 juni 2007

40,660-40,700 MHz

10 mW e.r.p.

 

Videotoepassingen worden uitgesloten

1 juni 2007

Niet-specifieke korteafstandsapparatuur

433,050-434,040 (6) MHz

1 mW e.r.p.

en – 13 dBm/10 kHz vermogensdichtheid voor bandbreedte met een modulatie van meer dan 250 kHz

Bij geavanceerde onderdrukkingstechnieken zijn spraaktoepassingen toegestaan

Audio- en videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

10 mW e.r.p.

Maximale duty cycle (7): 10 %

Andere analoge audiotoepassingen dan spraak worden uitgesloten. Analoge videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

434,040-434,790 (6) MHz

1 mW e.r.p.

en – 13 dBm/10 kHz vermogensdichtheid voor bandbreedte met een modulatie van meer dan 250 kHz

Bij geavanceerde onderdrukkingstechnieken zijn spraaktoepassingen toegestaan

Audio- en videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

10 mW e.r.p.

Maximale duty cycle (7): 10 %

Andere analoge audiotoepassingen dan spraak worden uitgesloten. Analoge videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

Maximale duty cycle (7): 100 % afhankelijk van kanaalraster van maximaal 25 kHz

Bij geavanceerde onderdrukkingstechnieken zijn spraaktoepassingen toegestaan

Audio- en videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

Niet-specifieke korteafstandsapparatuur

863,000-865,000 MHz

25 mW e.r.p.

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle (7) van 0,1 % worden gebruikt

Andere analoge audiotoepassingen dan spraak worden uitgesloten. Analoge videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

865,000-868,000 MHz

25 mW e.r.p.

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle (7) van 1 % worden gebruikt

Andere analoge audiotoepassingen dan spraak worden uitgesloten. Analoge videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

868,000-868,600 MHz

25 mW e.r.p.

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle (7) van 1 % worden gebruikt

Analoge videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

868,700-869,200 MHz

25 mW e.r.p.

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle (7) van 0,1 % worden gebruikt

Analoge videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

Niet-specifieke korteafstandsapparatuur

869,400-869,650 (6) MHz

500 mW e.r.p.

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle (7) van 10 % worden gebruikt

Kanaalraster moet 25 kHz zijn, maar de hele band mag ook als één kanaal worden gebruikt voor zeer snelle datatransmissie

Analoge videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

25 mW e.r.p.

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle (7) van 0,1 % worden gebruikt

Andere analoge audiotoepassingen dan spraak worden uitgesloten. Analoge videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

869,700-870,000 (6) MHz

5 mW e.r.p.

Bij geavanceerde onderdrukkingstechnieken zijn spraaktoepassingen toegestaan

Audio- en videotoepassingen worden uitgesloten

1 juni 2007

25 mW e.r.p.

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle (7) van 1 % worden gebruikt

Andere analoge audiotoepassingen dan spraak worden uitgesloten. Analoge videotoepassingen worden uitgesloten

1 november 2010

Niet-specifieke korteafstandsapparatuur

2 400-2 483,5 MHz

10 mW equivalent isotroop uitgestraald vermogen (e.i.r.p.)

 

 

1 juni 2007

5 725-5 875 MHz

25 mW e.i.r.p.

 

 

1 juni 2007

24,150-24,250 GHz

100 mW e.i.r.p.

 

 

1 oktober 2008

61,0-61,5 GHz

100 mW e.i.r.p.

 

 

1 oktober 2008

Breedband datatransmissiesystemen

2 400-2 483,5 MHz

100 mW e.i.r.p.

en 100 mW/100 kHz e.i.r.p.-dichtheid is van toepassing wanneer gebruik wordt gemaakt van een frequencyhoppingmodulatie, 10 mW/MHz e.i.r.p.-dichtheid is van toepassing wanneer gebruik wordt gemaakt van andere soorten modulatie

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht

 

1 november 2009

57,0-66,0 GHz

40 dBm e.i.r.p.

en 13 dBm/MHz e.i.r.p.-dichtheid

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht

Vaste installaties buitenshuis worden uitgesloten

1 november 2010

Alarmsystemen

868,600-868,700 MHz

10 mW e.r.p.

Kanaalraster: 25 kHz

De hele band mag ook als één kanaal worden gebruikt voor zeer snelle datatransmissie

Maximale duty cycle (7): 1,0 %

 

1 oktober 2008

869,250-869,300 MHz

10 mW e.r.p.

Kanaalraster: 25 kHz

Maximale duty cycle (7): 0,1 %

 

1 juni 2007

869,300-869,400 MHz

10 mW e.r.p.

Kanaalraster: 25 kHz

Maximale duty cycle (7): 1,0 %

 

1 oktober 2008

869,650-869,700 MHz

25 mW e.r.p.

Kanaalraster: 25 kHz

Maximale duty cycle (7): 10 %

 

1 juni 2007

Sociale alarmsystemen (8)

869,200-869,250 MHz

10 mW e.r.p.

Kanaalraster: 25 kHz

Maximale duty cycle (7): 0,1 %

 

1 juni 2007

Inductieve toepassingen (9)

9,000-59,750 kHz

72 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 november 2010

59,750-60,250 kHz

42 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 juni 2007

60,250-70,000 kHz

69 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 juni 2007

70-119 kHz

42 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 juni 2007

119-127 kHz

66 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 juni 2007

127-140 kHz

42 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 oktober 2008

140-148,5 kHz

37,7 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 oktober 2008

148,5-5 000 kHz

In de hieronder vermelde specifieke banden zijn hogere maximale veldsterktes en aanvullende gebruiksbeperkingen van toepassing:

–15 dBμA/m op 10 m afstand in alle bandbreedtes van 10 kHz

De totale veldsterkte is voorts – 5 dΒμΑ/m op 10 m afstand voor systemen met een bandbreedte van meer dan 10 kHz

 

 

1 oktober 2008

Inductieve toepassingen

400-600 kHz

– 8 dBμA/m op 10 m afstand

 

Deze gebruiksvoorwaarden zijn alleen van toepassing op RFID (10)

1 oktober 2008

3 155-3 400 kHz

13,5 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 oktober 2008

5 000-30 000 kHz

In de hieronder vermelde specifieke banden zijn hogere maximale veldsterktes en aanvullende gebruiksbeperkingen van toepassing:

– 20 dBμA/m op 10 m afstand in alle bandbreedtes van 10 kHz

De totale veldsterkte is voorts – 5 dΒμΑ/m op 10 m afstand voor systemen met een bandbreedte van meer dan 10 kHz

 

 

1 oktober 2008

6 765-6 795 kHz

42 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 juni 2007

7 400-8 800 kHz

9 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 oktober 2008

10 200-11 000 kHz

9 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 oktober 2008

Inductieve toepassingen

13 553-13 567 kHz

42 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 juni 2007

60 dBμA/m op 10 m afstand

 

Deze gebruiksvoorwaarden zijn alleen van toepassing op RFID (10) en EAS (11)

1 oktober 2008

26 957-27 283 kHz

42 dBμA/m op 10 m afstand

 

 

1 oktober 2008

Actieve medische implantaten (12)

9-315 kHz

30 dBμA/m op 10m afstand

Maximale duty cycle (7): 10 %

 

1 oktober 2008

30,0-37,5 MHz

1 mW e.r.p.

Maximale duty cycle (7): 10 %

Deze reeks gebruiksvoorwaarden is uitsluitend van toepassing op actieve medische membraanimplantaten met ultralaag vermogen voor het meten van de bloeddruk

1 november 2010

402-405 MHz

25 μW e.r.p.

Kanaalraster: 25 kHz

Individuele zenders kunnen aangrenzende kanalen combineren voor meer bandbreedte tot ten hoogste 300 kHz

Andere technieken om toegang te krijgen tot spectrum of om interferentie te onderdrukken, met inbegrip van bandbreedtes van meer dan 300kHz, kunnen worden gebruikt mits zij een vermogen hebben dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zodat deze verenigbaar zijn met andere gebruikers en met name met meteorologische radiosondes

 

1 november 2009

Actieve medische implantaten en randapparatuur daarvan (13)

401-402 MHz

25 μW e.r.p.

Kanaalraster: 25 kHz

Individuele zenders kunnen aangrenzende kanalen combineren voor meer bandbreedte tot ten hoogste 100 kHz

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle (7) van 0,1 % worden gebruikt

 

1 november 2010

405-406 MHz

25 μW e.r.p.

Kanaalraster: 25 kHz

Individuele zenders kunnen aangrenzende kanalen combineren voor meer bandbreedte tot ten hoogste 100 kHz

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht. Eventueel kan ook een maximale duty cycle (7) van 0,1 % worden gebruikt.

 

1 november 2010

Implantaten voor dieren (14)

315-600 kHz

– 5 dΒμΑ/m op 10 m afstand

Maximale duty cycle (7): 10 %

 

1 november 2010

12,5-20,0 MHz

– 7 dΒμΑ/m op 10 m afstand in een bandbreedte van 10 kHz

Maximale duty cycle (7): 10 %

Deze gebruiksvoorwaarden zijn alleen van toepassing op toepassingen binnenshuis

1 november 2010

FM-zenders met een laag vermogen (15)

87,5-108,0 MHz

50 nW e.r.p.

Maximaal kanaalraster: 200 kHz

 

1 november 2010

Draadloze audiotoepassingen (16)

863-865 MHz

10 mW e.r.p.

 

 

1 november 2010

Radiodeterminatietoepassingen (17)

2 400-2 483,5 MHz

25 mW e.i.r.p.

 

 

1 november 2009

17,1-17,3 GHz

26 dBm e.i.r.p.

Technieken om toegang te krijgen tot spectrum en om interferentie te onderdrukken met een vermogen dat ten minste equivalent is aan dat van de technieken die zijn beschreven in de geharmoniseerde normen welke zijn vastgesteld in het kader van Richtlijn 1999/5/EG zijn verplicht

Deze gebruiksvoorwaarden zijn alleen van toepassing op terrestrische systemen

1 november 2009

Tankniveau-sondering radar (18)

4,5-7,0 GHz

24 dBm e.i.r.p. (19)

 

 

1 november 2009

8,5-10,6 GHz

30 dBm e.i.r.p. (19)

 

 

1 november 2009

24,05-27,0 GHz

43 dBm e.i.r.p. (19)

 

 

1 november 2009

57,0-64,0 GHz

43 dBm e.i.r.p. (19)

 

 

1 november 2009

75,0-85,0 GHz

43 dBm e.i.r.p. (19)

 

 

1 november 2009

Modelcontrole (20)

26 990-27 000 kHz

100 mW e.r.p.

 

 

1 november 2009

27 040-27 050 kHz

100 mW e.r.p.

 

 

1 november 2009

27 090-27 100 kHz

100 mW e.r.p.

 

 

1 november 2009

27 140-27 150 kHz

100 mW e.r.p.

 

 

1 november 2009

27 190-27 200 kHz

100 mW e.r.p.

 

 

1 november 2009

Radiofrequentie-identificatie (RFID)

2 446-2 454 MHz

100 mW e.i.r.p.

 

 

1 november 2009

Wegvervoer en verkeer telematica

76,0-77,0 GHz

55 dBm piek e.i.r.p. en 50 dBm gemiddelde e.i.r.p. en 23,5 dBm gemiddelde e.i.r.p. voor gepulseerde radarsystemen

 

Deze reeks gebruiksvoorwaarden is uitsluitend van toepassing op terrestrische voertuig- en infrastructuursystemen

1 november 2010


(1)  Lidstaten moeten het gebruik van aangrenzende frequentiebanden als één frequentieband binnen deze tabel toestaan mits is voldaan aan de specifieke voorwaarden van elk van deze aangrenzende frequentiebanden.

(2)  De lidstaten moeten het gebruik van spectrum toestaan tot het maximale vermogen, de maximale veldsterkte of de maximale vermogensdichtheid in deze tabel. In overeenstemming met artikel 3, lid 3, van Beschikking 2006/771/EG kunnen zij minder restrictieve voorwaarden opleggen, d.w.z. gebruik van spectrum met hoger vermogen, hogere veldsterkte of hogere vermogensdichtheid.

(3)  De lidstaten kunnen alleen deze „aanvullende parameters” (regels voor kanaalindeling en/of toegang tot kanalen en kanaalbezetting) opleggen en geen andere parameters of voorwaarden voor spectrumtoegang en onderdrukkingsvoorschriften. Minder restrictieve voorwaarden in de zin van artikel 3, lid 3, van Beschikking 2006/771/EG betekenen dat de lidstaten de „aanvullende parameters” (regels voor kanaalindeling en/of toegang tot kanalen en kanaalbezetting) in een bepaalde cel volledig kunnen weglaten of een hoger maximum kunnen toestaan.

(4)  Lidstaten kunnen alleen deze „andere gebruiksbeperkingen” opleggen en geen aanvullende gebruiksbeperkingen toevoegen. Omdat de lidstaten in overeenstemming met artikel 3, lid 3, van Beschikking 2006/771/EG minder restrictieve voorwaarden kunnen opleggen, kunnen zij een van deze beperkingen of alle beperkingen weglaten.

(5)  Deze categorie is beschikbaar voor elk soort van toepassing dat voldoet aan de technische voorwaarden (karakteristieke voorbeelden zijn telemetrie, afstandsbediening, alarmsystemen, data in het algemeen en andere soortgelijke toepassingen).

(6)  Voor deze frequentieband moeten de lidstaten alle alternatieve sets gebruiksvoorwaarden mogelijk maken.

(7)  De „duty cycle” is het percentage van de tijd gedurende een periode van één uur waarin de apparatuur actief zendt. Minder restrictieve voorwaarden in de zin van artikel 3, lid 3, van Beschikking 2006/771/EG betekenen dat de lidstaten een hogere waarde mogen toestaan voor de „duty cycle”.

(8)  Sociale alarmsystemen worden gebruikt om ouderen en gehandicapten te helpen wanneer zij in nood verkeren.

(9)  Onder deze categorie valt bijvoorbeeld apparatuur voor wegrijblokkering bij auto’s, identificatie van dieren, alarmsystemen, kabeldetectie, afvalbeheer, persoonsidentificatie, draadloze voicelink, toegangscontrole, benaderingssensoren, antidiefstalsystemen met inbegrip van RF-inductieantidiefstalsystemen, gegevensoverdracht naar handapparatuur, automatische artikelidentificatie, draadloze controlesystemen en automatische tolheffing op wegen.

(10)  Onder deze categorie vallen inductieve toepassingen die gebruikt worden voor radiofrequentie-identificatie (RFID).

(11)  Onder deze categorie vallen inductieve toepassingen die gebruikt worden voor elektronische artikelbewaking (EAS).

(12)  Onder deze categorie valt het radiodeel van actieve implanteerbare medische apparatuur, zoals gedefinieerd in Richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen (PB L 189 van 20.7.1990, blz. 17).

(13)  Onder deze categorie vallen systemen die specifiek ontworpen zijn om te kunnen zorgen voor andere digitale communicatie dan spraak tussen actieve medische implantaten, zoals gedefinieerd in voetnoot 12, en/of op het lichaam gedragen apparatuur en andere buiten het menselijke lichaam gedragen apparatuur die gebruikt wordt om andere niet-tijdgebonden fysiologische informatie met betrekking tot individuele patiënten over te brengen.

(14)  Onder deze categorie valt zendapparatuur die in het lichaam van een dier is geplaatst om diagnostische functies en/of therapeutische behandelingen te kunnen verrichten.

(15)  Onder deze categorie vallen toepassingen die persoonlijke audio-apparatuur, met inbegrip van mobiele telefoons, met amusementssystemen voor in de auto of thuis verbinden.

(16)  Toepassingen voor draadloze audiosystemen, met inbegrip van draadloze microfoons, snoerloze luidsprekers; snoerloze koptelefoons voor draagbaar gebruik, bijvoorbeeld draagbare cd-, cassette- of radioapparatuur die een persoon bij zich draagt; snoerloze koptelefoons die in een auto worden gebruikt, bijvoorbeeld in combinatie met een radio of een mobiele telefoon enz.; in-ear-monitoring en draadloze microfoons, gebruikt bij concerten of andere toneelproducties.

(17)  Onder deze categorie vallen toepassingen die worden gebruikt om de positie, snelheid en/of andere kenmerken van een object vast te stellen of om informatie te verkrijgen over deze parameters.

(18)  Tankniveau-sondering radar (TLPR) is een specifieke toepassing van radiodeterminatie die wordt gebruikt om het tankniveau te meten. TLRP is geïnstalleerd in metalen of versterkte betonnen tanks of soortgelijke structuren die gemaakt zijn van materiaal met een vergelijkbare dempende werking. De tank heeft tot doel een stof te bevatten.

(19)  The power limit applies inside a closed tank and corresponds to a spectral density of – 41,3 dBm/MHz e.i.r.p. outside a 500 litre test tank.

(20)  Onder deze categorie vallen toepassingen die worden gebruikt om de beweging van modellen te controleren (hoofdzakelijk miniatuurweergaven van voertuigen) in de lucht, aan land of boven of onder het wateroppervlak.”