ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.156.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 156

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
23 juni 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 546/2010 van de Commissie van 22 juni 2010 tot afwijking, voor het verkoopseizoen 2009/2010, van Verordening (EG) nr. 891/2009 wat betreft de verplichting om bij elke invoercertificaataanvraag voor suiker CXL-concessies met de volgnummers 09.4317, 09.4318 en 09.4319 een uitvoercertificaat bij te voegen

1

 

 

Verordening (EU) nr. 547/2010 van de Commissie van 22 juni 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

3

 

 

Verordening (EU) nr. 548/2010 van de Commissie van 22 juni 2010 tot vaststelling van de mate waarin de aanvragen van certificaten voor de invoer van bepaalde zuivelproducten die in juni 2010 in het kader van bepaalde bij Verordening (EG) nr. 2535/2001 geopende tariefcontingenten zijn ingediend, kunnen worden aanvaard

5

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2010/39/EU van de Commissie van 22 juni 2010 tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de specifieke bepalingen betreffende de werkzame stoffen clofentezine, diflubenzuron, lenacil, oxadiazon, picloram en pyriproxyfen ( 1 )

7

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/349/EU

 

*

Besluit in onderlinge overeenstemming genomen door de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van 31 mei 2010 betreffende de plaats van vestiging van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC)

12

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

Besluit nr. 1/2010 Omnibus van het Samenwerkingscomité EU-San Marino van 29 maart 2010 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsmaatregelen van de Overeenkomst tot instelling van een douane-unie en samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino

13

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

23.6.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/1


VERORDENING (EU) Nr. 546/2010 VAN DE COMMISSIE

van 22 juni 2010

tot afwijking, voor het verkoopseizoen 2009/2010, van Verordening (EG) nr. 891/2009 wat betreft de verplichting om bij elke invoercertificaataanvraag voor suiker CXL-concessies met de volgnummers 09.4317, 09.4318 en 09.4319 een uitvoercertificaat bij te voegen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 148, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 7, lid 4, van Verordening (EG) nr. 891/2009 van de Commissie van 25 september 2009 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten in de sector suiker (2) moet elke invoercertificaataanvraag voor suiker CXL-concessies met de volgnummers 09.4317, 09.4318, 09.4319 en 09.4321 en voor Balkansuiker vergezeld gaan van het origineel van het uitvoercertificaat dat is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land. Voor de invoer van suiker CXL-concessies met de volgnummers 09.4317, 09.4318 en 09.4319 moet een contingentrecht van 98 EUR per ton worden betaald. Gezien de hoge prijzen voor ruwe rietsuiker op de wereldmarkt tijdens de eerste maanden van het verkoopseizoen, die tot een onderbenutting van de suiker CXL-concessies hebben geleid, is het van belang die invoer te vergemakkelijken door de administratieve procedure te vereenvoudigen. Daarom dient te worden voorzien in een afwijking die erin bestaat dat invoercertificaataanvragen voor suiker CXL-concessies met die drie volgnummers zonder het bijbehorende uitvoercertificaat mogen worden ingediend.

(2)

Door deze afwijking zal een groter aantal marktdeelnemers ruimere toegang tot de betrokken invoercontingenten krijgen. Marktdeelnemers die al uitvoercertificaten hebben ontvangen, moeten evenwel nog invoercertificaten kunnen aanvragen gedurende een korte periode voordat deze verordening van toepassing wordt.

(3)

De afwijking waarin deze verordening voorziet, mag slechts van toepassing zijn tot het einde van het verkoopseizoen 2009/2010.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van artikel 7, lid 4, van Verordening (EG) nr. 891/2009 hoeven invoercertificaataanvragen voor suiker CXL-concessies met de volgnummers 09.4317, 09.4318 en 09.4319 niet vergezeld te gaan van het origineel van het uitvoercertificaat dat is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van Australië, Brazilië of Cuba.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2010.

Deze verordening vervalt op 30 september 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 juni 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 254 van 26.9.2009, blz. 82.


23.6.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/3


VERORDENING (EU) Nr. 547/2010 VAN DE COMMISSIE

van 22 juni 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 23 juni 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 juni 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

44,4

MK

45,6

TR

59,4

ZZ

49,8

0707 00 05

MK

33,9

TR

117,5

ZZ

75,7

0709 90 70

TR

102,6

ZZ

102,6

0805 50 10

AR

89,5

BR

112,1

TR

84,9

US

83,2

ZA

91,0

ZZ

92,1

0808 10 80

AR

113,8

BR

76,9

CA

68,4

CL

90,2

CN

46,9

NZ

119,8

US

161,4

UY

160,6

ZA

97,4

ZZ

103,9

0809 10 00

TR

234,3

US

396,9

ZZ

315,6

0809 20 95

SY

178,6

TR

305,4

US

700,6

ZZ

394,9

0809 30

TR

149,8

ZZ

149,8

0809 40 05

AU

185,7

EG

218,2

IL

235,2

US

373,2

ZZ

253,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


23.6.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/5


VERORDENING (EU) Nr. 548/2010 VAN DE COMMISSIE

van 22 juni 2010

tot vaststelling van de mate waarin de aanvragen van certificaten voor de invoer van bepaalde zuivelproducten die in juni 2010 in het kader van bepaalde bij Verordening (EG) nr. 2535/2001 geopende tariefcontingenten zijn ingediend, kunnen worden aanvaard

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

De invoercertificaataanvragen die in de periode van 1 tot en met 10 juni 2010 zijn ingediend voor bepaalde tariefcontingenten als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2535/2001 van de Commissie van 14 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad voor de invoerregeling voor melk en zuivelproducten en houdende opening van tariefcontingenten (3), hebben betrekking op hoeveelheden die groter zijn dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënten te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op grond van de aanvragen van invoercertificaten voor bepaalde producten, die in de periode van 1 tot en met 10 juni 2010 zijn ingediend in het kader van de in de delen I.A, I.F, I.H, I.I, en I.J van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2535/2001 bedoelde tariefcontingenten, worden invoercertificaten afgegeven voor de gevraagde hoeveelheden, vermenigvuldigd met de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 23 juni 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 juni 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)  PB L 341 van 22.12.2001, blz. 29.


BIJLAGE

I.A

Nummer van het tariefcontingent

Toewijzingscoëfficiënt

09.4590

09.4599

100 %

09.4591

100 %

09.4592

09.4593

09.4594

09.4595

100 %

09.4596

100 %

„—”: Er is de Commissie geen certificaataanvraag toegezonden.

I.F

Producten van oorsprong uit Zwitserland

Nummer van het tariefcontingent

Toewijzingscoëfficiënt

09.4155

50,00 %

I.H

Producten van oorsprong uit Noorwegen

Nummer van het tariefcontingent

Toewijzingscoëfficiënt

09.4179

100 %

I.I

Producten van oorsprong uit IJsland

Nummer van het tariefcontingent

Toewijzingscoëfficiënt

09.4205

100 %

09.4206

100 %

I.J

Producten van oorsprong uit de Republiek Moldavië

Nummer van het tariefcontingent

Toewijzingscoëfficiënt

09.4210

„—”: Er is de Commissie geen certificaataanvraag toegezonden.


RICHTLIJNEN

23.6.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/7


RICHTLIJN 2010/39/EU VAN DE COMMISSIE

van 22 juni 2010

tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de specifieke bepalingen betreffende de werkzame stoffen clofentezine, diflubenzuron, lenacil, oxadiazon, picloram en pyriproxyfen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De werkzame stoffen clofentezine, diflubenzuron, lenacil, oxadiazon, picloram en pyriproxyfen zijn bij Richtlijn 2008/69/EG van de Commissie (2) opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG volgens de procedure van artikel 11 ter van Verordening (EG) nr. 1490/2002 van de Commissie (3).

(2)

Overeenkomstig artikel 12 bis van Verordening (EG) nr. 1490/2002 heeft de EFSA de conclusies van de intercollegiale toetsing voor clofentezine (4) op 4 juni 2009, voor diflubenzuron (5) op 16 juli 2009, voor lenacil (6) op 25 september 2009, voor oxadiazon (7) en picloram (8) op 26 november 2009 en voor pyriproxyfen (9) op 21 juli 2009 bij de Commissie ingediend. Deze conclusies zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 11 mei 2010 afgerond in de vorm van de evaluatieverslagen van de Commissie over clofentezine, diflubenzuron, lenacil, oxadiazon, picloram en pyriproxyfen.

(3)

Naar aanleiding van de conclusies van de EFSA wordt bevestigd dat gewasbeschermingsmiddelen die clofentezine, diflubenzuron, lenacil, oxadiazon, picloram of pyriproxyfen bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie.

(4)

Voor bepaalde stoffen moeten specifieke bepalingen worden opgenomen waarin de lidstaten worden verplicht om, wanneer zij die stoffen toelaten, bijzondere aandacht te besteden aan bepaalde punten of om er zorg voor te dragen dat er risicobeperkende maatregelen worden genomen.

(5)

Onverminderd de in overweging 3 genoemde conclusies moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn voorwaarden kunnen worden verbonden. Voor clofentezine moet worden bepaald dat de kennisgever een monitoringprogramma uitvoert betreffende de mogelijkheid van verspreiding door de lucht over langere afstand van die stof en de bijbehorende risico’s voor het milieu. Bovendien moet de kennisgever ook bevestigende studies ten aanzien van de toxicologische en milieurisico’s van de metabolieten van clofentezine overleggen.

(6)

Voor diflubenzuron moet worden bepaald dat de kennisgever bevestigende gegevens over de potentiële toxicologische relevantie van de onzuiverheid en metaboliet 4-chlooraniline (PCA) overlegt.

(7)

Voor lenacil moet worden bepaald dat de kennisgever nadere informatie overlegt betreffende bepaalde bodemmetabolieten die bij lysimeterstudies zijn gevonden en bevestigende gegevens over wisselgewassen, met inbegrip van mogelijke fytotoxische effecten. Wanneer bij een beslissing betreffende de indeling van lenacil overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (10) wordt vastgesteld dat verdere informatie over de relevantie van bepaalde metabolieten noodzakelijk is, moeten de betrokken lidstaten verlangen dat dergelijke informatie wordt overgelegd.

(8)

Voor oxadiazon moet worden bepaald dat de kennisgever nadere informatie overlegt over de potentiële toxicologische relevantie van een onzuiverheid in de voorgestelde technische specificatie en over de aanwezigheid van een metaboliet in primaire en wisselgewassen. Voorts moet de kennisgever worden verplicht een onderzoek naar de stofwisseling bij herkauwers, informatie over verdere proeven bij wisselgewassen en informatie over het risico voor zich met regenwormen voedende vogels en zoogdieren en over het langetermijnrisico voor vis over te leggen.

(9)

Voor picloram moet worden bepaald dat de kennisgever bevestigende informatie overlegt over de bij de residuproeven toegepaste analysemethode voor monitoring en een onderzoek naar de bodemfotolyse ter bevestiging van de evaluatie van de afbraak van picloram.

(10)

Voor pyriproxyfen moet worden bepaald dat de kennisgever informatie ter bevestiging van de risicobeoordeling met betrekking tot twee punten overlegt, namelijk betreffende het aan pyriproxyfen en de metaboliet DPH-pyr verbonden risico voor waterinsecten en het aan pyriproxyfen verbonden risico voor bestuivers.

(11)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2010 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 juni 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 172 van 2.7.2008, blz. 9.

(3)  PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)  EFSA Scientific Report (2009) 269, Conclusion on pesticide peer review regarding the risk assessment of the active substance clofentezine (afgerond op 4 juni 2009).

(5)  EFSA Scientific Report (2009) 332, Conclusion on pesticide peer review regarding the risk assessment of the active substance diflubenzuron (afgerond op 16 juli 2009).

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance lenacil on request from the European Commission. EFSA Journal 2009; 7(9):1326. [83 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2009.1326. Online te raadplegen via: www.efsa.europa.eu (afgerond op 25 september 2009).

(7)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance oxadiazon on request of EFSA. EFSA Journal 2009; 7(12): [92 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2009.1389. Online te raadplegen via: www.efsa.europa.eu (afgerond op 25 november 2009).

(8)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance picloram. EFSA Journal 2009; 7(12):1390. [78 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2009.1390. Online te raadplegen via: www.efsa.europa.eu (afgerond op 25 november 2009).

(9)  EFSA Scientific Report (2009) 336, Conclusion on pesticide peer review regarding the risk assessment of the active substance pyriproxyfen (afgerond op 21 juli 2009).

(10)  PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.


BIJLAGE

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In rij 177 betreffende clofentezine wordt in de kolom „Specifieke bepalingen” deel B vervangen door:

„DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over clofentezine, dat op 11 mei 2010 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de specificatie van het technische materiaal zoals commercieel vervaardigd, die bevestigd en met passende analytische gegevens onderbouwd moet worden. Het in de toxiciteitsdossiers gebruikte testmateriaal moet worden vergeleken met deze specificatie van het technische materiaal en aan de hand daarvan worden gecontroleerd;

de veiligheid van de toedieners en werknemers, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de gebruiksvoorwaarden indien nodig de toepassing van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven;

de mogelijke verspreiding door de lucht over langere afstand;

het risico voor niet tot de doelsoorten behorende organismen. De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten dragen er zorg voor dat de kennisgever uiterlijk 31 juli 2011 bij de Commissie een monitoringprogramma indient ter beoordeling van de mogelijke verspreiding door de lucht over langere afstand van clofentezine en de bijbehorende risico’s voor het milieu. De resultaten van dat monitoringprogramma moeten uiterlijk 31 juli 2013 in de vorm van een monitoringverslag bij de als rapporteur optredende lidstaat en de Commissie worden ingediend.

De betrokken lidstaten dragen er zorg voor dat de kennisgever uiterlijk 30 juni 2012 bevestigende studies betreffende de toxicologische en milieurisicobeoordeling van de metabolieten van clofentezine bij de Commissie indient.”.

2)

In rij 180 betreffende diflubenzuron wordt in de kolom „Specifieke bepalingen” deel B vervangen door:

„DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over diflubenzuron, dat op 11 mei 2010 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de specificatie van het technische materiaal zoals commercieel vervaardigd, die bevestigd en met passende analytische gegevens onderbouwd moet worden. Het in de toxiciteitsdossiers gebruikte testmateriaal moet worden vergeleken met deze specificatie van het technische materiaal en aan de hand daarvan worden gecontroleerd;

de bescherming van in het water levende organismen;

de bescherming van op het land levende organismen;

de bescherming van niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen, met inbegrip van bijen.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, passende risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever uiterlijk 30 juni 2011 verdere studies ter beoordeling van de potentiële toxicologische relevantie van de onzuiverheid en metaboliet 4-chlooraniline (PCA) bij de Commissie indient.”.

3)

In rij 182 betreffende lenacil wordt in de kolom „Specifieke bepalingen” deel B vervangen door:

„DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over lenacil, dat op 11 mei 2010 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

het risico voor in het water levende organismen in het bijzonder algen en waterplanten. De toelatingsvoorwaarden moeten risicobeperkende maatregelen omvatten, zoals bufferzones tussen behandelde percelen en oppervlaktewateren;

de bescherming van het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in qua bodemgesteldheid of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden. De toelatingsvoorwaarden moeten risicobeperkende maatregelen omvatten en er moeten zo nodig monitoringprogramma’s worden opgezet om mogelijke grondwaterverontreiniging met de metabolieten IN-KF 313, M1, M2 en M3 in kwetsbare gebieden te controleren.

De betrokken lidstaten dragen er zorg voor dat de kennisgever bij de Commissie bevestigende informatie indient over de identiteit en kenmerken van de bodemmetabolieten Polar B en Polars en de metabolieten M1, M2 en M3 die bij lysimeterstudies zijn gevonden en bevestigende gegevens over wisselgewassen, met inbegrip van mogelijke fytotoxische effecten. Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever deze informatie uiterlijk 30 juni 2012 aan de Commissie verstrekt.

Wanneer bij een beslissing betreffende de indeling van lenacil overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG wordt vastgesteld dat verdere informatie over de relevantie van de metabolieten IN-KE 121, IN-KF 313, M1, M2, M3, Polar B en Polars noodzakelijk is, moeten de betrokken lidstaten verzoeken om de overlegging van dergelijke informatie. Zij zorgen ervoor dat de kennisgever die informatie binnen zes maanden na de kennisgeving van een dergelijke indelingsbeslissing aan de Commissie verstrekt.”.

4)

In rij 183 betreffende oxadiazon wordt in de kolom „Specifieke bepalingen” deel B vervangen door:

„DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over oxadiazon, dat op 11 mei 2010 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de specificatie van het technische materiaal zoals commercieel vervaardigd, die bevestigd en met passende analytische gegevens onderbouwd moet worden. Het in de toxiciteitsdossiers gebruikte testmateriaal moet worden vergeleken met deze specificatie van het technische materiaal en aan de hand daarvan worden gecontroleerd;

de mogelijkheid van grondwaterverontreiniging door de metaboliet AE0608022, wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in situaties waarin naar verwachting langdurige anaerobe omstandigheden kunnen voorkomen of in qua bodemgesteldheid of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden. De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever de volgende informatie bij de Commissie indient:

verdere studies ter beoordeling van de potentiële toxicologische relevantie van een onzuiverheid in de voorgestelde technische specificatie;

informatie ter nadere verduidelijking van het optreden van de metaboliet AE0608033 bij primaire en wisselgewassen;

verdere proeven bij wisselgewassen (namelijk bij hakvruchten en granen) en een onderzoek naar de stofwisseling van herkauwers ter bevestiging van de risicobeoordeling voor de consument;

informatie voor de verdere beoordeling van het risico voor zich met regenwormen voedende vogels en zoogdieren en over het langetermijnrisico voor vis.

Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever deze informatie uiterlijk 30 juni 2012 aan de Commissie verstrekt.”.

5)

In rij 184 betreffende picloram wordt in de kolom „Specifieke bepalingen” deel B vervangen door:

„DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over picloram, dat op 11 mei 2010 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij de algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht schenken aan:

de mogelijkheid van grondwaterverontreiniging, wanneer picloram wordt gebruikt in qua bodemgesteldheid of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden. De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever de volgende informatie bij de Commissie indient:

nadere informatie ter bevestiging dat bij de residuproeven toegepaste analysemethode voor monitoring de residuen van picloram en de conjugaten daarvan correct kwantificeert;

een onderzoek naar de bodemfotolyse ter bevestiging van de evaluatie van de afbraak van picloram;

Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever deze informatie uiterlijk 30 juni 2012 aan de Commissie verstrekt.”.

6)

In rij 185 betreffende pyriproxyfen wordt in de kolom „Specifieke bepalingen” deel B vervangen door:

„DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over pyriproxyfen, dat op 11 mei 2010 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij de algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht schenken aan:

de veiligheid van de toedieners, waarbij er zo nodig voor moet worden gezorgd dat de gebruiksvoorwaarden de toepassing van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven;

het risico voor in het water levende organismen. De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, passende risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten dragen er zorg voor dat de kennisgever nadere informatie bij de Commissie indient ter bevestiging van de risicobeoordeling met betrekking tot twee punten, namelijk betreffende het aan pyriproxyfen en de metaboliet DPH-pyr verbonden risico voor waterinsecten en het aan pyriproxyfen verbonden risico voor bestuivers. Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever deze informatie uiterlijk 30 juni 2012 aan de Commissie verstrekt.”.


BESLUITEN

23.6.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/12


BESLUIT IN ONDERLINGE OVEREENSTEMMING GENOMEN DOOR DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN

van 31 mei 2010

betreffende de plaats van vestiging van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC)

(2010/349/EU)

DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 341,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (1) is besloten tot de oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau.

(2)

De plaats van vestiging van het Bureau van BEREC dient te worden vastgesteld,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) heeft zijn plaats van vestiging te Riga.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 31 mei 2010.

De voorzitter

P. L. MARÍN URIBE


(1)  PB L 337 van 18.12.2009, blz. 1.


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

23.6.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/13


BESLUIT Nr. 1/2010 „OMNIBUS”VAN HET SAMENWERKINGSCOMITÉ EU-SAN MARINO

van 29 maart 2010

tot vaststelling van een aantal uitvoeringsmaatregelen van de Overeenkomst tot instelling van een douane-unie en samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino

HET SAMENWERKINGSCOMITÉ EG-SAN MARINO,

Gelet op de Overeenkomst tot instelling van een douane-unie en samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino (1), en met name op artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 3, artikel 13, lid 2, en artikel 23, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 1 april 2002 trad de Overeenkomst tot instelling van een douane-unie en samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino (hierna „de overeenkomst” genoemd) in werking.

(2)

Ingevolge de inwerkingtreding van de overeenkomst verviel de Interimovereenkomst inzake handel en een douane-unie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino (2).

(3)

Volgens de overeenkomst dient het Samenwerkingscomité EU-San Marino (hierna „het samenwerkingscomité” genoemd) een aantal besluiten te treffen voor een goede uitvoering van de overeenkomst.

(4)

In artikel 7, lid 2, van de overeenkomst is bepaald dat het samenwerkingscomité de bepalingen van de Unie die betrekking hebben op het functioneren van de douane-unie meer gedetailleerd vaststelt. Gezien het bestaan van het communautair douanewetboek en aangezien momenteel de inklaringsformaliteiten via de douanekantoren van de Unie worden vervuld, is het niet noodzakelijk een gedetailleerde lijst op te stellen van de toepasselijke voorschriften.

(5)

De Republiek San Marino is partij bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites). De toepassing van de desbetreffende wetgeving van de Unie door de Republiek San Marino zou de goede werking van de door de overeenkomst ingestelde douane-unie vergemakkelijken.

(6)

Overeenkomstig artikel 6, lid 4, en artikel 7, lid 1, van de overeenkomst dient de Republiek San Marino alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de regelgeving van de Unie inzake voedselveiligheid, alsook inzake veterinaire en fytosanitaire veiligheid op haar grondgebied toe te passen voor zover dat nodig is voor het goed functioneren van de overeenkomst. Er dient een administratieve samenwerking te worden ingesteld om de opdracht van de autoriteiten van de Republiek San Marino op dit punt te vergemakkelijken.

(7)

In bijlage II bij de overeenkomst is de lijst van de douanekantoren die de inklaringsformaliteiten namens en voor rekening van de Republiek San Marino kunnen vervullen, opgenomen. Aangezien Italië en de Republiek San Marino zijn overeengekomen het aantal kantoren uit te breiden, met het oog op de economische ontwikkeling en de bevordering van de handelscontacten tussen de Republiek San Marino en derde landen, is het dienstig deze lijst te actualiseren.

(8)

De krachtens de interimovereenkomst getroffen besluiten van het samenwerkingscomité inzake de douanesamenwerking blijven actueel. Het is daarom aangewezen dat deze besluiten van kracht blijven.

(9)

Het samenwerkingscomité dient overeenkomstig artikel 8, lid 3, onder b), van de overeenkomst de modaliteiten vast te stellen voor de terbeschikkingstelling aan de Republiek San Marino van de invoerrechten die voor haar rekening werden geïnd. Het percentage dat voor inningskosten wordt ingehouden, dient te worden aangepast aan het percentage als bedoeld in artikel 2, lid 3, van Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (3),

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het reglement van orde van het samenwerkingscomité, in de bijlage I, wordt goedgekeurd.

Artikel 2

1.   Er wordt een comité voor douanesamenwerking ingesteld dat meer bepaald wordt belast met de correcte en eenvormige toepassing van de douanebepalingen van de overeenkomst; dit comité werkt onder het gezag van het samenwerkingscomité.

2.   Het comité voor douanesamenwerking is samengesteld uit douanedeskundigen van de Unie en van de Republiek San Marino. Het comité voor douanesamenwerking vergadert afwisselend onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Commissie en een vertegenwoordiger van de Republiek San Marino. Het reglement van orde van het samenwerkingscomité is van overeenkomstige toepassing op het comité voor douanesamenwerking.

3.   Het comité voor douanesamenwerking informeert het samenwerkingscomité regelmatig over zijn werkzaamheden. De informatiestroom vindt plaats via het secretariaat van het samenwerkingscomité. In alle gevallen waarin zich een principiële kwestie betreffende de interpretatie van de overeenkomst stelt, dient het comité voor douanesamenwerking een beroep te doen op het samenwerkingscomité.

Artikel 3

1.   De Republiek San Marino past de douanewetgeving van de Unie toe, zoals zij van kracht is in de Unie, en met name het communautair douanewetboek (4) en de uitvoeringsvoorschriften daarvan. De Republiek San Marino past de wetgeving van de Unie toe inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten.

2.   Voor de toepassing van de bijzondere douaneregelingen en voor de toepassing van de wetgeving inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten worden het douanegebied van de Unie en het douanegebied van de Republiek San Marino beschouwd als één enkel douanegebied.

Artikel 4

De praktische regelingen voor de toepassing van de wetgeving van de Unie inzake voedselveiligheid en veterinaire en fytosanitaire veiligheid worden vastgesteld door de diensten van de Commissie en de autoriteiten van de Republiek San Marino.

Artikel 5

Indien een bepaling van de Unie die de Republiek San Marino krachtens artikel 7, lid 1, van de overeenkomst dient toe te passen op douanegebied of op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, het markttoezicht, de gezondheid, de veiligheid en de bescherming van de consument, de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, de landbouw, de voedselveiligheid of de veterinaire en fytosanitaire veiligheid, erin voorziet dat voor de regeling van bepaalde gevallen een besluit dient te worden getroffen door de Commissie, dan wordt dit besluit getroffen door de autoriteiten van de Republiek San Marino na instemming van de Commissie. Indien zulk een bepaling van de Unie erin voorziet dat een besluit wordt getroffen of een mededeling wordt gedaan door een lidstaat, wordt dit besluit getroffen of wordt deze mededeling gedaan door de autoriteiten van de Republiek San Marino. Die autoriteiten houden daarbij rekening met het advies van de wetenschappelijke comités van de Unie en richten zich naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de bij de Commissie gebruikelijke werkwijzen.

Artikel 6

1.   De lijst met de bevoegde douanekantoren van de Unie voor de inklaring van goederen die bestemd zijn voor de Republiek San Marino, die als bijlage aan de overeenkomst is gehecht, wordt vervangen door de lijst in de bijlage II bij dit besluit.

2.   De inklaringsformaliteiten voor de export kunnen worden vervuld in alle Italiaanse douanekantoren, met uitzondering van:

a)

de formaliteiten in het kader van economische douaneregelingen;

b)

de formaliteiten die betrekking hebben op wapenuitvoer, kunstuitvoer, de uitvoer van precursoren en van goederen voor tweeërlei gebruik.

In deze uitzonderingsgevallen dienen de formaliteiten vervuld te worden in de kantoren en secties die in de bijlage II worden opgesomd.

Artikel 7

De procedures voor de terbeschikkingstelling aan de schatkist van San Marino van de invoerrechten die door de Unie voor rekening van de Republiek San Marino worden geïnd, worden in de bijlage III opgesomd.

Artikel 8

1.   Besluit nr. 3/92 van het Samenwerkingscomité EEG-San Marino van 22 december 1992 betreffende de wijze van uitvoering van de wederzijdse bijstand waarin is voorzien bij artikel 13 van de Interimovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek San Marino (5) blijft van kracht en geldt als tenuitvoerlegging van artikel 23, lid 8, van de overeenkomst.

2.   Besluit nr. 4/92 van het Samenwerkingscomité EEG-San Marino van 22 december 1992 betreffende bepaalde methoden van administratieve samenwerking ter uitvoering van de Interimovereenkomst en de procedure voor het doorzenden van goederen naar de Republiek San Marino (6), zoals gewijzigd bij Besluit nr. 1/2002 van het Samenwerkingscomité EG-San Marino (7), blijft van kracht. Het geldt als tenuitvoerlegging van artikel 8, lid 3, onder a) en onder c), en artikel 23, lid 8, van de overeenkomst en is van overeenkomstige toepassing op het gebruik van elektronische gegevensverwerkingstechnieken voor het douanevervoer van de Unie.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking op de dag van vaststelling.

Gedaan te Brussel, 29 maart 2010.

Voor het Samenwerkingscomité

De voorzitter

Gianluca GRIPPA


(1)  PB L 84 van 28.3.2002, blz. 43.

(2)  PB L 359 van 9.12.1992, blz. 14.

(3)  PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42.

(4)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals verschillende malen gewijzigd. Verordening (EEG) nr. 2913/92 werd door Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) vervangen, op de wijze bepaald in artikel 188 van Verordening (EG) nr. 450/2008.

(5)  PB L 42 van 19.2.1993, blz. 29.

(6)  PB L 42 van 19.2.1993, blz. 34.

(7)  PB L 99 van 16.4.2002, blz. 23.


BIJLAGE I

REGLEMENT VAN ORDE VAN HET SAMENWERKINGSCOMITÉ EU-SAN MARINO

Artikel 1

Het voorzitterschap van het samenwerkingscomité wordt om beurt voor een periode van zes maanden waargenomen volgens de volgende regel:

a)

van 1 januari tot 30 juni door een vertegenwoordiger van de Commissie;

b)

van 1 juli tot 31 december door een vertegenwoordiger van de Republiek San Marino.

Artikel 2

De voorzitter van het samenwerkingscomité stelt, na instemming van de beide delegaties, de datum en de plaats van vergaderen vast. De vergaderingen worden afwisselend in Brussel en in de Republiek San Marino gehouden.

Artikel 3

Vóór elke vergadering wordt de samenstelling van elke delegatie aan de voorzitter medegedeeld.

Artikel 4

1.   De voorzitter stelt een voorlopige agenda voor elke vergadering vast. Deze agenda wordt aan de beide delegaties gezonden, ten minste 15 dagen vóór het begin van de vergadering.

2.   De voorlopige agenda bevat de punten waarvoor de documentatie aan de beide delegaties uiterlijk op de datum van verzending van bedoelde agenda werd toegezonden.

3.   De voorzitter kan, na instemming van de beide delegaties, de termijnen waarvan sprake in de leden 1 en 2 verkorten indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.   De agenda wordt aan het begin van elke vergadering door het samenwerkingscomité goedgekeurd. Met de instemming van de Unie enerzijds en de Republiek San Marino anderzijds kan een ander punt dan de voorlopige agendapunten aan de agenda worden toegevoegd.

Artikel 5

1.   Tenzij anders wordt besloten, zijn de vergaderingen van het samenwerkingscomité niet openbaar.

2.   Onverminderd andere toepasselijke voorschriften, vallen de beraadslagingen van het samenwerkingscomité onder het beroepsgeheim, tenzij het comité een ander besluit neemt.

Artikel 6

De beraadslagingen van het samenwerkingscomité kunnen schriftelijk worden afgehandeld indien de Unie en de Republiek San Marino het daarover eens zijn.

Artikel 7

De besluiten van het samenwerkingscomité worden door de voorzitter ondertekend.

Artikel 8

1.   De aanbevelingen en besluiten van het samenwerkingscomité in de zin van artikel 23 van de overeenkomst dragen de titel „aanbeveling” en „besluit”, gevolgd door een volgnummer en de opgave van de inhoud.

2.   De aanbevelingen en besluiten van het samenwerkingscomité worden medegedeeld aan de in artikel 10 genoemde adressaten.

Artikel 9

1.   Er wordt in onderling akkoord een verslag opgesteld van de conclusies die door het samenwerkingscomité zijn goedgekeurd.

2.   De taken van het secretariaat worden tezamen door een ambtenaar van de Commissie en een ambtenaar van de Republiek San Marino waargenomen.

Artikel 10

Alle mededelingen van de voorzitter waarin bij onderhavig reglement van orde is voorzien, worden naar de Commissie en de Republiek San Marino gezonden.

Artikel 11

1.   De overeenkomstsluitende partijen nemen elk de eigen kosten voor deelname aan de vergaderingen van het samenwerkingscomité op zich, zowel de personeelskosten, de reis- en verblijfskosten als de kosten voor post en telecommunicatie.

2.   De kosten die betrekking hebben op de materiële organisatie van de vergaderingen (lokaal, benodigdheden, enz.) worden door de Unie, respectievelijk de Republiek San Marino gedragen, naar gelang van de plaats van vergaderen.

Artikel 12

De officiële talen van het samenwerkingscomité zijn de officiële talen van de instellingen van de Europese Unie.

Artikel 13

De briefwisseling die bestemd is voor het samenwerkingscomité wordt gericht aan de voorzitter, via het secretariaat van het samenwerkingscomité, op het adres van de Commissie.


BIJLAGE II

Lijst van douanekantoren van de Unie die bevoegd zijn voor de inklaring van goederen bestemd voor de Republiek San Marino

ANCONA Ufficio delle Dogane di Ancona; Sezione Operativa Territoriale di Falconara Aeroporto;

BOLOGNA Ufficio delle Dogane di Bologna, Sezione Operativa Territoriale Aeroporto „G. Marconi”;

FORLÌ Ufficio delle Dogane di Forlì-Cesena; Sezione Operativa Territoriale Aeroporto „Ridolfi”

GENOVA Ufficio delle Dogane di Genova; Sezione Operativa Territoriale Passo Nuovo; Sezione Operativa Territoriale Voltri; Sezione Operativa Territoriale Aeroporto;

GIOIA TAURO Ufficio delle Dogane di Gioia Tauro;

LA SPEZIA Ufficio delle Dogane di La Spezia;

LIVORNO Ufficio delle Dogane di Livorno;

MILANO Ufficio delle Dogane di Varese, Sezione Operativa Territoriale di Malpensa;

ORIO AL SERIO Ufficio delle Dogane di Bergamo, Sezione Operativa Territoriale di Orio al Serio;

RAVENNA Ufficio delle Dogane di Ravenna; Sezione Operativa Territoriale di San Vitale;

RIMINI Ufficio delle Dogane di Rimini; Sezione Operativa Territoriale di Aeroporto „F. Fellini”;

ROMA Ufficio delle Dogane di Roma II; Sezione Operativa Territoriale di Fiumicino;

TARANTO Ufficio delle Dogane di Taranto;

TRIESTE Ufficio delle Dogane di Trieste; Sezione Operativa Territoriale di Porto industriale; Sezione Operativa Territoriale di Punto Franco Vecchio; Sezione Operativa Territoriale di Punto Franco Nuovo;

VENEZIA Ufficio delle Dogane di Venezia; Sezione Operativa Territoriale di Interporto; Sezione Operativa Territoriale di Portogruaro.


BIJLAGE III

Regeling voor de terbeschikkingstelling aan de schatkist van San Marino van de invoerrechten die voor rekening van de Republiek San Marino door de Unie zijn geïnd

Artikel 1

Ten aanzien van de vaststelling, de controle en de terbeschikkingstelling van de op voor de Republiek San Marino bestemde goederen geheven invoerrechten is het bepaalde in artikel 3, artikel 6, lid 1, lid 3, onder a) en b), en lid 4, eerste alinea, artikel 10, lid 1, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 (1) van overeenkomstige toepassing. Met name geldt het volgende:

a)

de lidstaten van de Unie waar douanekantoren vermeld in de bijlage II bij dit besluit zijn gevestigd,houden voor de invoerrechten die worden geheven op voor de Republiek San Marino bestemde goederen een aparte boekhouding bij, die overeenstemt met de in artikel 6, lid 1 en lid 3, onder a) en b), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 bedoelde boekhouding van de eigen middelen van de Unie;

b)

de invoerrechten met betrekking tot de documenten T2 SM of T2L SM worden op het tijdstip van de boeking ervan door de in bijlage II bij dit besluit bedoelde douanekantoren vastgesteld en in de onder a) bedoelde boekhouding opgenomen.

Wanneer het douanekantoor van vertrek van de T2 SM-regeling voor douanevervoer of het douanekantoor van afgifte van het T2L SM-document binnen een termijn van drie maanden niet de vereiste informatie heeft ontvangen als bewijs dat de goederen in de Republiek San Marino zijn aangekomen, wordt de oorspronkelijke boeking gerectificeerd.

In dat geval worden de invoerrechten als eigen middelen van de Unie vastgesteld en opgenomen in de in artikel 6, lid 3, onder a), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 bedoelde boekhouding of, in voorkomend geval, in de in artikel 6, lid 3, onder b), van genoemde verordening bedoelde specifieke boekhouding.

De hierboven bedoelde procedure is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van veredelde producten en onveredelde goederen die op het grondgebied van de Republiek San Marino zijn afgezet in het kader van de regeling actieve veredeling en ten aanzien van goederen waarvoor een douaneschuld is ontstaan in het kader van de regeling tijdelijke invoer;

c)

de betrokken lidstaten zenden de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 overzichten van hun boekhouding toe, tezamen met de overzichten van de boekhouding betreffende de eigen middelen. Deze overzichten worden op dezelfde wijze opgesteld als deze voor de eigen middelen en vermelden tevens de totale bedragen van de op elk douanekantoor geïnde rechten;

d)

de bewijsstukken worden bewaard overeenkomstig artikel 3, eerste en tweede alinea, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000. Deze stukken en de stukken met betrekking tot de eigen middelen worden afzonderlijk bewaard;

e)

er wordt geen rekening gehouden met rectificaties van de vastgestelde rechten of van de boekhouding die zijn verricht na 31 december van het derde jaar na het jaar waarin de oorspronkelijke vaststelling heeft plaatsgevonden, behalve ten aanzien van punten die na die datum door de Commissie, een lidstaat of de Republiek San Marino zijn medegedeeld;

f)

artikel 18 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 is van toepassing. De betrokken controles hebben tevens betrekking op de documenten die als bewijs van aankomst van de goederen in de Republiek San Marino dienen als bedoeld in artikel 18, lid 2, eerste alinea, onder b). De door de Republiek San Marino gemachtigde ambtenaren kunnen aan deze controles deelnemen;

g)

de in de bij artikel 6, lid 3, onder a) en b), van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1150/2000 bedoelde boekhouding opgenomen rechten worden door de betrokken lidstaten binnen de in artikel 10, lid 1, van die verordening bepaalde termijn, na aftrek van inningskosten, geboekt op het credit van de rekening van de Commissie als bedoeld in artikel 9 van die verordening.

Het percentage van de door de Unie voor rekening van de Republiek San Marino geheven invoerrechten dat door de Unie als inningskosten kan worden afgetrokken, wordt vastgesteld op 25 %;

h)

de lidstaten worden niet eerder vrijgesteld van de verplichting de Commissie de bedragen die overeenkomen met de voor de Republiek San Marino vastgestelde rechten ter beschikking te stellen, dan nadat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000.

Artikel 2

Binnen dertig dagen na de mededeling van een boeking door de lidstaten maakt de Commissie de geboekte bedragen over op een door de Republiek San Marino geopende rekening. De Republiek San Marino verstrekt de Commissie de gegevens van de te crediteren rekening; zij draagt alle kosten van deze rekening.

Artikel 3

Op de uitvoering van artikel 1, onder a) en b), is het aanhangsel van toepassing.


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130 van 31.5.2000, blz. 1).

Aanhangsel

Administratieve procedure voor de uitvoering van artikel 1, onder a) en b)

1.   Vervulling van de formaliteiten voor het vrije verkeer bij de bevoegde douanekantoren

De vrijgave voor het vrije verkeer van voor de Republiek San Marino bestemde goederen geeft aanleiding tot de afgifte, naargelang het geval, van een document T2 SM of T2L SM. De invoerrechten worden in de boekhouding opgenomen binnen de termijnen die door de voorschriften van de Unie ter zake zijn vastgesteld.

Met het oog op controle worden verder de geboekte rechten op passende wijze aangetekend in een register dat speciaal hiervoor door het betrokken douanekantoor wordt bijgehouden, en waarin de invoer met bestemming Republiek San Marino wordt genoteerd met vermelding van de ingevoerde goederen, de datum van aanvaarding van de invoeraangifte, de heffingsgrondslagen, het bedrag van de daarop betrekking hebbende rechten, het identificatienummer voor verzending alsmede het afgegeven document (T2 SM of T2L SM).

De autoriteiten van de Republiek San Marino stellen het douanekantoor van vertrek met een „bericht van aankomst” in kennis van de aankomst van de goederen op de dag waarop zij bij het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht, en zenden het Control Results-bericht aan het douanekantoor van vertrek, ten laatste op de derde dag nadat de goederen bij het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht.

Bij gebruikmaking van een T2 SM-document in de noodprocedure bij doorvoer, of van een T2L SM-document, vermeldt het douanekantoor op die documenten de uiterste datum van drie maanden vanaf de datum van afgifte van genoemd document voor de terugzending naar het douanekantoor van afgifte van, naargelang het geval, exemplaar nr. 5 van document T2 SM of het afschrift van document T2L SM, naar behoren gestempeld door de autoriteiten van de Republiek San Marino.

2.   Vervulling van de boekhoudkundige formaliteiten bij de daartoe aangewezen douanekantoren

Het opnemen van de invoerrechten in de San Marino-boekhouding (procedure gelijkaardig aan die omschreven in artikel 6, lid 3, onder a), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000) geschiedt overeenkomstig de bepalingen van dat artikel.

Indien de vastgestelde rechten die door een zekerheidsstelling gedekt worden, aanleiding geven tot betwisting en zij bij de beslechting van de geschillen die zich hebben voorgedaan wijzigingen kunnen ondergaan, kunnen de autoriteiten van de lidstaten waar de in de bijlage II vermelde douanekantoren zijn gevestigd, besluiten de rechten niet op te nemen in de San Marino-boekhouding. In dit geval wordt het bedrag van de invoerrechten, zolang de nationale procedure in verband met de administratieve en/of gerechtelijke behandeling bij de bevoegde autoriteiten niet is afgerond, opgenomen in een specifieke San Marino-boekhouding (procedure gelijkaardig aan die omschreven in artikel 6, lid 3, onder b), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000).

In dit punt wordt onder „bevoegde autoriteiten” verstaan:

voor aangelegenheden die verband houden met de toepassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op douanegebied: de administratieve of gerechtelijke autoriteiten van de lidstaat die de inklaring heeft verricht, of in voorkomend geval, die van de Unie;

voor aangelegenheden die verband houden met de procedurebepalingen (kennisgevingen, termijnen, enz.): de administratieve of gerechtelijke autoriteiten van de lidstaat die de inklaring heeft verricht;

voor aangelegenheden die verband houden met executoire maatregelen tot gedwongen invordering van een schuldvordering op het grondgebied van de Republiek San Marino: de gerechtelijke autoriteiten van de Republiek San Marino.

3.   Beëindiging van de regeling douanevervoer en terugzending van bewijsstukken

De douanetransactie kan worden beëindigd wanneer het douanekantoor van vertrek van de goederen binnen de door de douanewetgeving van de Unie voorgeschreven termijn het juiste „bericht van aankomst” en het juiste Control Results-bericht heeft ontvangen.

Wanneer de noodprocedure voor doorvoer is toegepast of een T2L SM-document is afgegeven, wordt exemplaar nr. 5 van document T2 SM of een afschrift van document T2L SM, naar behoren gestempeld door de autoriteiten van de Republiek San Marino, binnen de termijn van drie maanden bedoeld in de vierde alinea van punt 1, naar het douanekantoor van afgifte teruggezonden.

Wanneer de in de eerste alinea bedoelde berichten niet worden aangebracht of exemplaar nr. 5 van document T2 SM of het afschrift van document T2L SM niet binnen de gestelde termijn naar het kantoor van afgifte is teruggezonden, wordt het voornoemde register van een aantekening voorzien en vindt een rectificatie plaats van de oorspronkelijke boeking. In dit geval worden de invoerrechten als eigen middelen van de Unie vastgesteld en in de bij artikel 6, lid 3, onder a), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 bedoelde boekhouding opgenomen, of in voorkomend geval in de specifieke boekhouding als bedoeld in artikel 6, lid 3, onder b), van die verordening.

De boeking van deze bedragen laat eventuele correcties ingevolge een onderzoeksprocedure in het kader van de regeling van de Unie voor douanevervoer onverlet, evenals de correcties ten gevolge van maatregelen die zijn genomen in het kader van de door Besluit nr. 3/92 van het Samenwerkingscomité EEG-San Marino ingestelde wederzijdse bijstand.

4.   Toepassing van de bijzondere procedure in het kader van de regeling actieve veredeling en de regeling tijdelijke invoer

De hierboven bedoelde procedure is van overeenkomstige toepassing op veredelde producten en onveredelde goederen die op het grondgebied van de Republiek San Marino zijn afgezet in het kader van de regeling actieve veredeling en op goederen ten aanzien waarvan een douaneschuld is ontstaan in het kader van de regeling tijdelijke invoer.