ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.125.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 125

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
21 mei 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Wijziging op de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst) van 14 november 1975 — Volgens de kennisgeving van de VN-depositaris C.N.387.2009.TREATIES-3 is de volgende wijziging op 1 oktober 2009 in werking getreden voor alle overeenkomstsluitende partijen

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 428/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 ter uitvoering van artikel 14 van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de uitgebreide inspectie van schepen betreft ( 1 )

2

 

*

Verordening (EU) nr. 429/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Pemento de Oímbra (BGA))

8

 

*

Verordening (EU) nr. 430/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

10

 

 

Verordening (EU) nr. 431/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

19

 

 

Verordening (EU) nr. 432/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector melk en zuivelproducten

21

 

 

Verordening (EU) nr. 433/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 houdende het besluit om geen uitvoerrestitutie toe te kennen voor boter in het kader van de in Verordening (EG) nr. 619/2008 bedoelde permanente inschrijving

25

 

 

Verordening (EU) nr. 434/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 houdende het besluit om geen uitvoerrestitutie toe te kennen voor mageremelkpoeder in het kader van de in Verordening (EG) nr. 619/2008 bedoelde permanente inschrijving

26

 

 

Verordening (EU) nr. 435/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op melk en zuivelproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen

27

 

 

Verordening (EU) nr. 436/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 tot vaststelling van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95

30

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/282/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Oostenrijk

32

 

 

2010/283/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in België

34

 

 

2010/284/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in de Tsjechische Republiek

36

 

 

2010/285/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Duitsland

38

 

 

2010/286/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Italië

40

 

 

2010/287/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Nederland

42

 

 

2010/288/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Portugal

44

 

 

2010/289/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Slovenië

46

 

 

2010/290/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Slowakije

48

 

 

2010/291/EU

 

*

Besluit van de Raad van 19 januari 2010 waarbij wordt vastgesteld of door Griekenland effectief gevolg is gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 27 april 2009

50

 

 

2010/292/GBVB

 

*

Besluit EUPOL Afghanistan/1/2010 van het Politiek en Veiligheidscomité van 18 mei 2010 betreffende de benoeming van het hoofd van de missie EUPOL Afghanistan ad interim

52

 

 

2010/293/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 20 mei 2010 betreffende het sluiten van een Uitvoeringsovereenkomst tussen de Commissie en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerkingsactiviteiten op het gebied van onderzoek naar de binnenlandse en de civiele veiligheid

53

Uitvoeringsovereenkomst tussen de Commissie en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerkingsactiviteiten op het gebied van onderzoek naar de binnenlandse en de civiele veiligheid

54

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/1


Wijziging op de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst) van 14 november 1975 (1)

Volgens de kennisgeving van de VN-depositaris C.N.387.2009.TREATIES-3 is de volgende wijziging op 1 oktober 2009 in werking getreden voor alle overeenkomstsluitende partijen

In bijlage 6 wordt een nieuwe toelichting wordt toegevoegd:

„0.3

Artikel 3

0.3 a) iii)

Artikel 3, punt a) iii) heeft geen betrekking op personenauto’s (GS-code 8703) die zich op eigen kracht voortbewegen. Personenauto’s mogen echter wel onder de TIR-regeling worden vervoerd indien zij met behulp van andere voertuigen worden vervoerd als bedoeld in de punten a) i) en a) ii) van artikel 3.”


(1)  Geconsolideerde versie bekendgemaakt bij Besluit 2009/477/EG van de Raad (PB L 165 van 26.6.2009, blz. 1).


VERORDENINGEN

21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/2


VERORDENING (EU) Nr. 428/2010 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

ter uitvoering van artikel 14 van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de uitgebreide inspectie van schepen betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (1), en met name op artikel 14, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij het uitvoeren van een uitgebreide inspectie van een schip dient de inspecteur inzake havenstaatcontrole te worden geleid door een lijst met specifieke punten die moeten worden gecontroleerd, afhankelijk van de praktische haalbaarheid ervan of de eventuele beperkingen met betrekking tot de veiligheid van personen, van het schip of van de haven.

(2)

Met betrekking tot de bepaling van de specifieke punten die tijdens een uitgebreide inspectie van elk van de in bijlage VII bij Richtlijn 2009/16/EG genoemde risicogebieden moeten worden gecontroleerd, blijkt het noodzakelijk voort te bouwen op de deskundigheid van het Memorandum van Parijs inzake havenstaatcontrole.

(3)

De inspecteurs inzake havenstaatcontrole moeten aan de hand van hun beroepsoordeel bepalen, of elk specifiek punt toepasselijk is en met welke grondigheid het onderzoek moet gebeuren.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Lijst met specifieke punten die bij een uitgebreide inspectie moeten worden gecontroleerd

Een uitgebreide inspectie, zoals bedoeld in artikel 14 van Richtlijn 2009/16/EG omvat, indien van toepassing, ten minste de controle van de in de bijlage bij deze verordening genoemde specifieke punten.

Indien er voor een bepaald type schip geen specifieke gebieden zijn aangegeven, zoals bepaald in Richtlijn 2009/16/EG, gebruikt de inspecteur zijn beroepsoordeel om te beslissen welke punten moeten worden geïnspecteerd en in welke mate.

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57.


BIJLAGE

SPECIFIEKE PUNTEN DIE TIJDENS EEN UITGEBREIDE INSPECTIE MOETEN WORDEN GECONTROLEERD

(bedoeld in artikel 14, lid 4, van Richtlijn 2009/16/EG)

A.   Alle types schepen

a)   Structurele conditie

staat van de romp en het dek

b)   Water-/weerbestendigheid

waterdichte/weerbestendige deuren

ventilatoren, verluchtingsgaten en behuizing

luikopeningen

c)   Noodsystemen

simulatie van black-out/starten noodgenerator

noodverlichting

test lenspompsysteem

test sluitwerk/waterdichte deuren

test stuurinrichting, waaronder noodstuurinrichting

d)   Radiocommunicatie

test reserve-energiebron

test hoofdinstallatie, waaronder voorzieningen voor ontvangst van informatie over veiligheid op zee

test draagbare VHF(zeer hoge frequentie)-sets van het GMDSS (wereldwijd maritiem nood- en veiligheidssysteem)

e)   Brandveiligheid

brandoefening, incl. demonstratie van het gebruik van alle persoonlijke brandweeruitrusting en brandblusvoorzieningen en -installaties

test noodbrandbluspomp (met twee slangen)

test afstandbediende noodstop voor ventilatie en bijbehorende dempers

test afstandbediende noodstop voor brandstofpompen

test afstandbediende snelafsluiters

branddeuren

vast aangebrachte blusinstallaties en bijbehorende alarmsystemen

f)   Alarmsystemen

test brandalarm

g)   Leef- en werkomstandigheden

staat van bevestigingsinrichtingen, incl. funderingen van werktuigen

h)   Reddingsmiddelen

installaties om reddingsboten en reddingsmiddelen te water te brengen (indien bewijs van slechte werking: vaartuig te water laten)

i)   Voorkoming van verontreiniging

test oliefilterinstallatie

B.   Bulkcarrier/OBO-schip (indien vaste bulklading aan boord)

Naast de in deel A genoemde punten, dient de uitgebreide inspectie van bulkschepen ook de onderstaande punten te omvatten:

a)   Documentatie

Controleren of de volgende documenten zich aan boord bevinden, volledig zijn en door de vlaggenstaat of erkende organisatie zijn goedgekeurd:

uitgebreid inspectieprogramma, inclusief:

i)

rapporten van structureel onderzoek

ii)

diktemetingsrapporten

iii)

rapporten ter beoordeling van de conditie van het schip

controle of de lading is toegestaan door DoC voor gevaarlijke goederen

goedkeuring voor beladingsmeetapparatuur

b)   Structurele conditie

conditie van schotten en luikhoofden

ballasttanks

Ten minste een van de ballasttanks in het ladingsgedeelte dient via het tankmangat/de dektoegang te worden onderzocht of betreden indien de inspecteur daartoe duidelijke gronden vaststelt op basis van zijn observatie en de ESP-rapporten.

C.   Gastanker, chemicaliëntanker

Naast de in deel A genoemde punten, dient de uitgebreide inspectie van gas- en chemicaliëntankers ook de onderstaande punten te omvatten:

a)   Documentatie

controleren of het product zich op het relevante certificaat van geschiktheid bevindt

b)   Ladingsoperaties

bewakings- en veiligheidsinrichtingen van de ladingstank die verband houden met temperatuur, druk en ullage

apparatuur voor zuurstofanalyse en explosiemeters, met inbegrip van de ijking daarvan; beschikbaarheid van uitrusting voor de detectie van chemicaliën (balg), met een voor de vervoerde vracht passend aantal geschikte gasdetectiebuizen

test van wassysteem op dek

c)   Brandveiligheid

test van vaste brandbestrijdingsinstallaties op het dek (als vereist voor het product aan boord)

d)   Leef- en werkomstandigheden

middelen voor ademhalings- en oogbescherming voor elke persoon aan boord, indien vereist voor de producten die voorkomen op het relevante certificaat van geschiktheid

D.   Schip voor algemeen vervoer, containerschip, koelschip, fabrieksschip, zwaar vrachtschip, offshore serviceschip, schip voor bijzondere doeleinden, modu, productie-, opslag en afladingsschip(fpso) en andere types schepen

Naast de in deel A genoemde punten, dient de uitgebreide inspectie van de in dit deel genoemde schepen ook de onderstaande punten te omvatten:

a)   Water-/weerbestendigheid

conditie van luiken

toegang tot laadruimten/tanks

b)   Ladingsoperaties

laaduitrusting

sjorinstallaties

E.   Olietanker/OBO-schip (indien gecertificeerd als olietanker)

Naast de in deel A genoemde punten, dient de uitgebreide inspectie van olietankers ook de onderstaande punten te omvatten:

a)   Documentatie

Controleren of de volgende documenten zich aan boord bevinden, volledig zijn en goedgekeurd zijn door de vlaggenstaat of erkende organisatie:

uitgebreid inspectieprogramma, inclusief:

i)

rapporten van structureel onderzoek

ii)

diktemetingsrapporten

iii)

rapporten ter beoordeling van de conditie van het schip

certificaat voor dekschuimbrandblussysteem

b)   Structurele conditie

ballasttanks

Ten minste een van de ballasttanks in het ladingsgedeelte dient via het tankmangat/de dektoegang te worden onderzocht of betreden indien de inspecteur daartoe duidelijke gronden vaststelt op basis van zijn observatie en de ESP-rapporten.

c)   Brandveiligheid

vast aangebracht dekschuimbrandblussysteem

controle van de druk van het inertgas en het zuurstofgehalte

F.   Hogesnelheidspassagiersvaartuigen, passagiersschip, ro-ro-passagiersschip

Naast de in deel A genoemde punten, dient de uitgebreide inspectie van passagiersschepen ook de onderstaande punten te omvatten:

Indien zulks nuttig wordt geacht, kunnen delen van de inspectie van de in Richtlijn 1999/35/EG van de Raad (1) bedoelde ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen, met de toestemming van de kapitein of de eigenaar, worden voortgezet terwijl het schip naar de haven van de lidstaat vaart of daaruit afvaart, teneinde aan te tonen dat de veerboot of het hogesnelheidspassagiersvaartuig blijft voldoen aan alle eisen voor de veilige exploitatie ervan. De inspecteurs inzake havenstaatcontrole mogen de activiteit op het schip niet hinderen en mogen geen situaties doen ontstaan die volgens de kapitein de veiligheid van de passagiers, de bemanning of het schip in gevaar brengen.

a)   Documentatie

Bewijsstukken van:

het omgaan met grote groepen mensen

vertrouwdmakingstraining

de veiligheid, wat betreft het personeel dat belast is met de zorg voor de veiligheid van de passagiers in passagiersruimten, met name die van ouderen en gehandicapten in een noodsituatie

crisisbeheer en menselijk gedrag

b)   Water-/weerbestendigheid

boeg- en hekdeuren indien van toepassing

test van afstands- en lokale bediening van waterdichte deuren in schotten

c)   Noodsystemen

vertrouwdheid van de bemanning met de instructies bij beschadiging van het schip

d)   Ladingsoperaties

sjorinstallaties indien van toepassing

e)   Brandveiligheid

test van afstands- en lokale bediening voor het sluiten van brandkleppen

f)   Alarmsystemen

test boordomroepsysteem

test branddetectie- en alarmsysteem

g)   Reddingsmiddelen

oefening „schip verlaten” (met inbegrip van tewaterlating van reddingsboten en reddingsmiddelen)

G.   Ro-ro-vrachtschip

Naast de in deel A genoemde punten, dient de uitgebreide inspectie van ro-ro-vrachtschepen ook onderstaande punten te omvatten:

a)   Water-/weerbestendigheid

boeg- en hekdeuren

b)   Ladingsoperaties

sjorinstallaties


(1)  PB L 138, 1.6.1999, blz. 1.


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/8


VERORDENING (EU) Nr. 429/2010 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Pemento de Oímbra (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Spanje ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Pemento de Oímbra” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 223 van 16.9.2009, blz. 26.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

SPANJE

Pemento de Oímbra (BGA)


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/10


VERORDENING (EU) Nr. 430/2010 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (1), met name op artikel 247,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad (2) is in Verordening (EEG) nr. 2913/92 de verplichting ingevoerd summiere aangiften bij binnenkomst en bij uitgang langs elektronische weg in te dienen. Volgens Verordening (EG) nr. 273/2009 van de Commissie (3), waarbij enkele uitzonderingen werden vastgesteld op Verordening (EG) nr. 2454/93 van de Commissie (4), is er een overgangsperiode die op 31 december 2010 afloopt, gedurende welke marktdeelnemers summiere aangiften bij binnenkomst en uitgang elektronisch mogen, maar niet moeten indienen.

(2)

Het is dienstig de voorschriften inzake de summiere aangiften bij binnenkomst en uitgang enigszins aan te passen om de administratieve lasten te verlichten in de gevallen waarin dergelijke aangiften voor veiligheidsdoeleinden niet nodig zijn. Voorts moeten, voor een betere risicoanalyse, roerende goederen en voorwerpen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (5) niet van dergelijke aangiften worden vrijgesteld indien zij in het kader van een vervoersovereenkomst worden vervoerd.

(3)

In bepaalde gevallen is het voor veiligheidsdoeleinden niet nodig dat veiligheidsgegevens in douaneaangiften worden vermeld en dat dergelijke aangiften binnen een bepaalde termijn worden ingediend, zodat in dit opzicht verdere ontheffingen kunnen worden verleend; dergelijke ontheffingen mogen echter van geen invloed zijn op de algemene regels inzake douaneaangiften, in welke vorm zij ook worden ingediend.

(4)

In bepaalde gevallen waarin de veiligheidsgerelateerde termijnen voor aangiften ten uitvoer niet van toepassing zijn, zoals leveringen voor de proviandering van schepen en luchtvaartuigen, moet de douane betrouwbare marktdeelnemers vergunning kunnen verlenen de uitgevoerde goederen in hun administratie in te schrijven en over die uitvoer regelmatig verslag uit te brengen nadat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.

(5)

Bij Verordening (EG) nr. 1192/2008 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2453/93 (6) werden gemeenschappelijke criteria en een gemeenschappelijk aanvraagformulier vastgesteld voor het verlenen van vergunningen voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften en de domiciliëringsprocedure. Verduidelijkt moet worden dat deze regels op alle douaneregelingen van toepassing zijn. Bij dezelfde verordening werd bij artikel 253 bis bepaald, welke bepaling op 1 januari 2011 in werking zal treden, dat het gebruik van vereenvoudigde aangiften en van de domiciliëringsprocedure afhankelijk is van het elektronisch indienen van douaneaangiften en van kennisgevingen. Enkele lidstaten hebben de Commissie laten weten dat dergelijke systemen niet in alle gevallen op die datum beschikbaar zullen zijn. Mits een effectieve risicoanalyse wordt uitgevoerd, moeten deze lidstaten daarom, op de door hen gestelde voorwaarden, op een andere dan elektronische wijze douaneaangiften en kennisgevingen kunnen aanvaarden tot Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (7) van toepassing zal zijn.

(6)

Wanneer goederen in tijdelijke opslag of in een vrije zone van controletype I uit het douanegebied van de Gemeenschap worden wederuitgevoerd zonder dat daarvoor een summiere aangifte bij uitgang nodig is, moet worden vastgesteld op welke andere wijze de wederuitvoer en de naam van daarvoor verantwoordelijke persoon worden geregistreerd of aangemeld.

(7)

Verduidelijkt moet worden dat de formaliteiten ten uitvoer niet alleen moeten worden vervuld voor communautaire goederen die naar een bestemming buiten het douanegebied van de Gemeenschap gaan, maar ook voor belastingvrije goederen die voor de proviandering van schepen en luchtvaartuigen zijn bestemd, zodat personen die dergelijke goederen leveren het bewijs van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap kunnen verkrijgen dat zij voor de belastingvrijstelling nodig hebben. Dezelfde regels moeten van toepassing zijn wanneer niet-communautaire goederen wederuitgevoerd moeten worden onder dekking van een aangifte voor wederuitvoer.

(8)

Volgens de artikelen 278, 279 en 280 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (8) en volgens artikel 3 van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (9) moeten formaliteiten bij in- en uitvoer worden vervuld wanneer communautaire goederen naar en vanuit gebieden binnen het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd waar deze richtlijnen niet van toepassing zijn. Het is dienstig naar deze bepalingen te verwijzen en dergelijk verkeer vrij te stellen van de verplichting tot het verstrekken van veiligheidsgerelateerde gegevens en tot het inachtnemen van de bijzondere termijnen voor veiligheidsgerelateerde controles, aangezien deze bepalingen slechts van toepassing dienen te zijn op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten. De inachtneming van bijzondere termijnen voor veiligheidsgerelateerde controles en het verstrekken van veiligheidsgerelateerde gegevens zijn evenmin nodig voor goederen met bestemming Helgoland, de Republiek San Marino en Vaticaanstad, gezien de ligging van deze gebieden.

(9)

Het douanekantoor waarbij de summiere aangifte bij uitgang moet worden ingediend en de daarvoor verantwoordelijke persoon moeten worden vermeld. Deze verduidelijking geldt ook in situaties waarin, in plaats van een summiere aangifte bij uitgang, een aangifte voor douanevervoer wordt ingediend die de gegevens van een summiere aangifte bij uitgang bevat.

(10)

Ter vereenvoudiging van het douanetoezicht bij het douanekantoor van uitgang moet worden bepaald wat de verplichtingen zijn van personen die goederen aan een andere persoon ter beschikking stellen voordat deze het douanegebied van de Gemeenschap verlaten en wat de verplichtingen zijn van de persoon die informatie moet verstrekken over de uitgang van de goederen aan het douanekantoor van uitgang. Dezelfde verplichtingen dienen te gelden wanneer voor uitvoer aangegeven goederen, die bij het douanekantoor van uitgang zijn aangebracht, niet langer bestemd zijn om het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten en bij het douanekantoor van uitgang worden weggehaald.

(11)

Volgens Richtlijn 2008/118/EG is het gebruik van het geautomatiseerde systeem voor de verzending van accijnsgoederen vanaf 1 januari 2011 verplicht voor het vervoer van accijnsgoederen waarvoor de accijns is geschorst. Volgens die richtlijn moeten communautaire goederen waarvoor de accijns is geschorst met een bestemming buiten het douanegebied van de Gemeenschap onder de uitvoerregeling worden vervoerd waarvoor een geautomatiseerd systeem moet worden gebruikt. De bijzondere voorschriften betreffende het gebruik van het administratieve geleidedocument als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2719/92 van de Commissie van 11 september 1992 betreffende het administratieve geleidedocument voor het verkeer onder schorsing van rechten van accijnsproducten (10) moeten daarom per 1 januari 2011 worden ingetrokken. Uitvoerprocedures die vóór die datum zijn begonnen onder dekking van een administratief geleidedocument moeten worden beëindigd overeenkomstig artikel 793 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93, zoals van toepassing op 31 december 2010.

(12)

Voor deze wijzigingen zijn geen veranderingen nodig in de elektronische systemen die beschikbaar zijn of moeten zijn wanneer deze verordening in werking treedt.

(13)

De bepalingen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het Comité Douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 2454/93 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 1 wordt het volgende punt 18 toegevoegd:

„18.

Summiere aangifte bij uitgang: de in artikel 182 quater van het Wetboek bedoelde summiere aangifte die moet worden ingediend voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, tenzij in deze verordening anders is bepaald.”.

2)

Artikel 181 quater wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt e) komt als volgt te luiden:

„e)

goederen waarvoor een douaneaangifte door enige andere handeling is toegestaan overeenkomstig de artikelen 230, 232 en 233, met uitzondering van roerende goederen en voorwerpen als omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad (11), laadborden, containers en middelen voor het vervoer over de weg, per spoor, door de lucht, over zee en de binnenwateren die op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;

b)

punt g) komt als volgt te luiden:

„g)

goederen waarvoor een mondelinge douaneaangifte is toegestaan overeenkomstig de artikelen 225, 227 en 229, lid 1, met uitzondering van roerende goederen en voorwerpen als omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad, laadborden, containers en middelen voor het vervoer over de weg, per spoor, door de lucht, over zee en de binnenwateren die op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;”;

c)

punt m) komt als volgt te luiden:

„m)

de volgende goederen die het douanegebied van de Gemeenschap rechtstreeks binnenkomen vanaf boor- of productieplatforms of windturbines die door een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon worden geëxploiteerd:

i)

goederen die bij de bouw, het herstel, het onderhoud of de verbouwing van deze platforms of windturbines daarvan een deel zijn gaan uitmaken;

ii)

goederen die voor de uitrusting van deze platforms of windturbines zijn gebruikt;

iii)

andere voorzieningen die op die platforms of windturbines worden gebruikt of verbruikt, en

iv)

ongevaarlijke afvalproducten van deze platforms of windturbines;”;

d)

het volgende punt o) wordt toegevoegd:

„o)

goederen die worden gebracht vanuit gebieden binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (12) of Richtlijn 2008/118/EG van de Raad (13) niet van toepassing zijn en goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen vanuit Helgoland, de Republiek San Marino en Vaticaanstad.

3)

In artikel 184 quinquies, lid 3, wordt „artikel 181 quater, onder c) tot en met i) en onder l) tot en met n)” vervangen door „artikel 181 quater, onder c) tot en met i) en onder l) tot en met o)”.

4)

Aan artikel 189 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen en die worden gelost om tijdens dezelfde reis weer op hetzelfde vervoermiddel te worden geladen om andere goederen te kunnen lossen of laden, worden echter niet bij de douane aangebracht.”.

5)

Aan artikel 253 bis wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Wanneer het echter niet mogelijk is gebruik te maken van het gegevensverwerkende systeem van de douane of van de marktdeelnemer om vereenvoudigde douaneaangiften of kennisgevingen in het kader van de domiciliëringsprocedure in te dienen of te ontvangen, kan de douane andere soorten aangiften en kennisgevingen in de door hen voorgeschreven vorm aanvaarden, mits een effectieve risicoanalyse wordt uitgevoerd.”.

6)

Artikel 261, lid 1, komt als volgt te luiden:

„1.   Een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften wordt verleend aan de aanvrager indien voldaan is aan de voorwaarden en criteria van de artikelen 253, 253 bis, 253 ter en 253 quater.”.

7)

Artikel 264, lid 1, komt als volgt te luiden:

„1.   Een vergunning voor het gebruik van de domiciliëringsprocedure wordt verleend aan de aanvrager indien voldaan is aan de voorwaarden en criteria van de artikelen 253, 253 bis, 253 ter en 253 quater.”.

8)

Artikel 269, lid 1, komt als volgt te luiden:

„1.   Een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften wordt verleend aan de aanvrager indien voldaan is aan de voorwaarden en criteria van de artikelen 253, 253 bis, 253 ter, 253 quater en 270.”.

9)

Artikel 272, lid 1, komt als volgt te luiden:

„1.   Een vergunning voor het gebruik van de domiciliëringsprocedure wordt verleend aan de aanvrager indien voldaan is aan de voorwaarden en criteria van lid 2 en de artikelen 253, 253 bis, 253 ter, 253 quater en 274.”.

10)

Artikel 279 komt als volgt te luiden:

Artikel 279

„De uitvoerformaliteiten als bedoeld in de artikelen 786 tot en met 796 sexies kunnen overeenkomstig dit hoofdstuk worden vereenvoudigd.”.

11)

Artikel 282, lid 1, komt als volgt te luiden:

„1.   Een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften wordt verleend overeenkomstig de voorwaarden en op de wijze als vermeld in de artikelen 253, 253 bis, 253 ter, 253 quater, 261, lid 2, en, op overeenkomstige wijze, artikel 262.”.

12)

Artikel 283 komt als volgt te luiden:

Artikel 283

„De vergunning voor het gebruik van de domiciliëringsprocedure wordt op de voorwaarden en op de wijze als vermeld in de artikelen 253, 253 bis, 253 ter en 253 quater verleend aan een persoon, hierna „toegelaten exporteur” genoemd, die in zijn bedrijfsruimten of in andere door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen uitvoerformaliteiten wenst te vervullen.”.

13)

Artikel 284 wordt geschrapt.

14)

In artikel 285 bis wordt het volgende lid 1 a) toegevoegd:

„1 a)   Wanneer artikel 592 bis of artikel 592 quinquies van toepassing is, kan de douane een marktdeelnemer vergunning verlenen om onmiddellijk elke uitvoertransactie in zijn administratie in te schrijven en al deze transacties te melden door middel van een aanvullende aangifte op periodieke basis maar uiterlijk een maand nadat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten bij het douanekantoor dat de vergunning heeft verleend. Een dergelijke vergunning kan onder de volgende voorwaarden worden verleend:

a)

de marktdeelnemer gebruikt de vergunning uitsluitend voor goederen die niet aan verboden en beperkingen zijn onderworpen;

b)

de marktdeelnemer verstrekt het douanekantoor van uitvoer alle informatie die dit kantoor nodig acht om de goederen te kunnen controleren;

c)

wanneer het douanekantoor van uitvoer niet hetzelfde is als het douanekantoor van uitgang, de douaneautoriteiten het gebruik van deze regeling hebben toegestaan en het douanekantoor van uitgang ook beschikt over de onder b) bedoelde informatie.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van deze regeling, geldt de inschrijving van de goederen in de administratie als vrijgave voor uitvoer en uitgang.”.

15)

Artikel 592 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt e) komt als volgt te luiden:

„e)

goederen waarvoor een douaneaangifte door enige andere handeling is toegestaan overeenkomstig de artikelen 231, 232, lid 2, en 233, met uitzondering van roerende goederen en voorwerpen als omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad, laadborden, containers en middelen voor het vervoer over de weg, per spoor, door de lucht, over zee en de binnenwateren die op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;”;

b)

punt g) komt als volgt te luiden:

„g)

goederen waarvoor een mondelinge douaneaangifte is toegestaan overeenkomstig de artikelen 226, 227 en 229, lid 2, met uitzondering van roerende goederen en voorwerpen als omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad, laadborden, containers en middelen voor het vervoer over de weg, per spoor, door de lucht, over zee en de binnenwateren die op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;”;

c)

punt l) komt als volgt te luiden:

„l)

de volgende goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten en rechtstreeks naar boor- of productieplatforms of windturbines worden gebracht die door een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon worden geëxploiteerd:

i)

goederen die zijn bestemd voor de bouw, het herstel, het onderhoud of de verbouwing van deze platforms of windturbines;

ii)

goederen die voor de uitrusting van deze platforms of windturbines worden gebruikt;

iii)

voorzieningen die op deze platforms of windturbines worden gebruikt of verbruikt;”;

d)

de volgende punten n), o) en p) worden toegevoegd:

„n)

goederen die voor vrijstelling in aanmerking komen op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatieke betrekkingen van 18 april 1961, het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963 of andere consulaire verdragen of het Verdrag van New York inzake bijzondere missies van 16 december 1969;

o)

goederen die worden geleverd om als onderdeel of toebehoren in schepen of luchtvaartuigen te worden gemonteerd, motorbrandstof, smeermiddelen en gas noodzakelijk voor de werking van de schepen of luchtvaartuigen, levensmiddelen en andere artikelen bestemd om aan boord te worden verbruikt of verkocht;

p)

goederen die bestemd zijn voor gebieden in het douanegebied van de Gemeenschap waar Richtlijn 2006/112/EG van de Raad of Richtlijn 2008/118/EG van de Raad niet van toepassing is, goederen die vanuit deze gebieden verzonden worden naar andere bestemmingen in het douanegebied van de Gemeenschap en goederen die verzonden worden vanuit het douanegebied van de Gemeenschap naar Helgoland, de Republiek San Marino en Vaticaanstad.”.

16)

Artikel 592 ter komt als volgt te luiden:

a)

In lid 1 wordt punt e) geschrapt.

b)

Lid 2 komt als volgt te luiden:

„2.   Wanneer de douaneaangifte niet met behulp van een gegevensverwerkingstechniek wordt ingediend, bedragen de in lid 1, onder a) iii) en iv), en onder b), c), en d), vermelde termijnen ten minste vier uur.”.

17)

In artikel 592 octies wordt de zinsnede „artikel 592 bis c) tot en met m)” vervangen door „artikel 592 bis c) tot en met p)”.

18)

In hoofdstuk 2 van titel IV wordt het volgende artikel 786 ingevoegd:

„Artikel 786

1.   De uitvoerprocedure in de zin van artikel 161, lid 1, van het wetboek wordt gebruikt wanneer communautaire goederen naar een bestemming buiten het douanegebied van de Gemeenschap gaan.

2.   De in dit hoofdstuk beschreven formaliteiten in verband met de aangifte ten uitvoer worden ook gevolgd wanneer

a)

communautaire goederen naar en vanuit gebieden in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd waar Richtlijn 2006/112/EG van de Raad of Richtlijn 2008/118/EG van de Raad niet van toepassing is;

b)

communautaire goederen vrij van belasting worden geleverd als luchtvaartuig- en scheepsproviand, ongeacht de bestemming van het luchtvaartuig of het schip.

In de onder a) en b) bedoelde gevallen is het niet nodig in de aangifte ten uitvoer de gegevens te vermelden voor een summiere aangifte bij uitgang als bedoeld in bijlage 30 bis.”.

19)

In artikel 792 bis, lid 2, wordt „artikel 793 bis, lid 6” vervangen door „artikel 793, lid 2, tweede alinea, onder b)”.

20)

In artikel 793 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

„3.   In de in lid 2, tweede alinea, onder b) bedoelde gevallen waarin goederen die in het kader van een enkele vervoersovereenkomst ten laste zijn genomen aankomen bij het douanekantoor van de feitelijke plaats van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap, verstrekt de vervoerder dit kantoor op verzoek het volgende:

a)

het identificatienummer voor verzending van de aangifte ten uitvoer wanneer dit beschikbaar is, of

b)

een exemplaar van de enkele vervoersovereenkomst of de aangifte ten uitvoer voor de betrokken goederen, of

c)

het unieke referentienummer van de zending of het referentienummer van het vervoersdocument, het aantal colli en, voor vervoer per container, het containernummer, of

d)

informatie over de enkele vervoersovereenkomst of het vervoer van de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap dat zich in het gegevensverwerkingssysteem bevindt van de persoon die de goederen ten laste neemt of in een ander commercieel gegevensverwerkingssysteem.”.

21)

In artikel 793 bis wordt lid 6 geschrapt.

22)

Artikel 793 quater wordt geschrapt.

23)

In artikel 796 quater komt de tweede alinea als volgt te luiden:

„Deze kennisgeving bevat het identificatienummer voor verzending van de aangifte ten uitvoer.”.

24)

Artikel 796 quinquies komt als volgt te luiden:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Onverminderd artikel 793, lid 2, tweede alinea, onder b) ziet het douanekantoor van uitgang erop toe dat de aangebrachte goederen met de aangegeven goederen overeenstemmen en dat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap daadwerkelijk verlaten. Een eventueel onderzoek van de goederen door het douanekantoor van uitgang geschiedt aan de hand van het van het kantoor van uitvoer ontvangen voorafgaande bericht van uitvoer.

Om controle door de douane mogelijk te maken, wanneer goederen uit een vervoermiddel worden gelost en ter beschikking worden gesteld van een andere persoon die de houder is van de goederen om in een ander vervoermiddel te worden geladen waarmee ze het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten na aanbrenging bij het douanekantoor van uitgang, is het volgende van toepassing:

a)

Uiterlijk bij het ter beschikking stellen van de goederen stelt de houder van de goederen de volgende houder van de goederen in kennis van het uniek referentienummer van de zending of van het referentienummer van het vervoersdocument, van het aantal colli of, bij gebruik van een container, van het containernummer en, indien een dergelijk nummer is afgegeven, van het identificatienummer van verzending van de aangifte ten uitvoer. Deze mededeling kan elektronisch worden gedaan en/of met behulp van commerciële haven- of vervoerinformatiesystemen en -processen of, indien niet beschikbaar, in elke andere vorm. Uiterlijk bij het ter beschikking stellen van de goederen registreert de persoon aan wie de goederen ter beschikking zijn gesteld de mededeling die van de onmiddellijk aan hem voorafgaande houder van de goederen is ontvangen.

b)

Een vervoerder mag geen goederen laden voor vervoer uit het douanegebied van de Gemeenschap tenzij hem de onder a) bedoelde informatie is verstrekt.

c)

De vervoerder meldt het douanekantoor van uitgang wanneer de goederen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten door verstrekking van de onder a) bedoelde informatie, tenzij de douaneautoriteiten reeds over die informatie beschikken door middel van bestaande commerciële haven- of vervoerinformatiesystemen of -processen. Indien mogelijk maakt deze melding deel uit van het bestaande manifest of andere vereiste berichten inzake het vervoer.

Voor de toepassing van de tweede alinea wordt onder „vervoerder” verstaan de persoon die de goederen buiten het douanegebied van de Gemeenschap brengt of die daarvoor verantwoordelijk is. Hierbij geldt evenwel het volgende:

bij gecombineerd vervoer, wanneer het actieve vervoermiddel dat het douanegebied van de Gemeenschap verlaat slechts een ander vervoermiddel vervoert dat, na de aankomst van het actieve vervoermiddel ter bestemming, zichzelf zal voortbewegen als een actief vervoermiddel, wordt onder „vervoerder” de persoon verstaan die het vervoermiddel dat zichzelf zal voortbewegen zal besturen, zodra het vervoermiddel dat het douanegebied van de Gemeenschap verlaat ter bestemming is aangekomen,

bij vervoer over zee of door de lucht in het kader van een charterovereenkomst of een overeenkomst voor het delen van laadruimte, wordt onder „vervoerder” de persoon verstaan die een overeenkomst heeft gesloten en een cognossement of luchtvrachtbrief heeft afgegeven om de goederen feitelijk buiten het douanegebied van de Gemeenschap te brengen.”;

b)

het volgende lid 4 wordt toegevoegd:

„4.   Onverminderd artikel 792 bis, wanneer voor uitvoer aangegeven goederen niet meer bestemd zijn het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, verstrekt de persoon die de goederen weghaalt bij het douanekantoor van uitgang voor vervoer naar een plaats binnen dat gebied het douanekantoor van uitgang de informatie als bedoeld in lid 1, tweede alinea, onder a). Deze informatie mag in elke vorm worden verstrekt.”.

25)

Artikel 796 quinquies bis, lid 4, onder e), komt als volgt te luiden:

„e)

de administratie van de marktdeelnemer waaruit de levering van goederen aan olie- gasboor- of productieplatforms of windturbines blijkt.”.

26)

In artikel 841, lid 1, wordt „artikelen 787 tot en met 796 sexies” vervangen door „artikel 786, lid 1 en lid 2) onder b), en de artikelen 787 tot en met 796 sexies”.

27)

Artikel 841 bis komt als volgt te luiden:

„Artikel 841 bis

1.   In andere gevallen dan die welke zijn omschreven in artikel 182, lid 3, derde zin, van het Wetboek, wordt van de wederuitvoer kennisgegeven met een summiere aangifte bij uitgang overeenkomstig de artikelen 842 bis tot en met 842 sexies, tenzij van deze verplichting ontheffing is verleend overeenkomstig artikel 842 bis, lid 3 of lid 4.

2.   Wanneer goederen in tijdelijke opslag of in een vrije zone van controletype I wederuitgevoerd worden zonder dat een douaneaangifte of summiere aangifte bij uitgang vereist is, wordt van de wederuitvoer kennis gegeven bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten voorafgaande aan de uitgang van de goederen in de door de douaneautoriteiten voorgeschreven vorm.

Aan de in lid 3 bedoelde persoon wordt op zijn verzoek toegestaan een of meer van de gegevens in de kennisgeving te wijzigen. Een dergelijke wijziging is niet meer mogelijk nadat de in de kennisgeving vermelde goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.

3.   De in lid 2, eerste alinea, bedoelde kennisgeving wordt gedaan door de vervoerder. Deze kennisgeving wordt echter gedaan door de houder van een faciliteit voor tijdelijke opslag, de houder van een opslagfaciliteit in een vrije zone van controletype I of een andere persoon die de goederen kan aanbrengen wanneer de vervoerder is medegedeeld — en hij daarmee, in het kader van een overeenkomst, instemt — dat de in de tweede zin van dit lid bedoelde persoon de kennisgeving doet. Het douanekantoor van uitgang kan ervan uitgaan, tenzij het tegendeel blijkt, dat de vervoerder in het kader van een overeenkomst zijn toestemming heeft gegeven en dat hij weet dat de kennisgeving is gedaan.

De laatste alinea van artikel 796 quinquies, lid 1, is van toepassing wat de definitie van „vervoerder” betreft.

4.   Wanneer de goederen, na de in lid 2, eerste alinea, bedoelde kennisgeving, niet meer bestemd zijn het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, is artikel 796 quinquies, lid 4, van overeenkomstige toepassing.”.

28)

Artikel 842 bis komt als volgt te luiden:

„Artikel 842 bis

1.   Wanneer voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten geen douaneaangifte behoeft te worden ingediend, wordt de summiere aangifte bij uitgang ingediend bij het douanekantoor van uitgang, onverminderd de leden 3 en 4.

2.   In dit hoofdstuk wordt verstaan onder „douanekantoor van uitgang”:

a)

het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, of

b)

wanneer de goederen het douanegebied van de Gemeenschap door de lucht of over zee zullen verlaten, het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen in het schip of luchtvaartuig worden geladen waarmee zij naar een bestemming buiten het douanegebied van de Gemeenschap zullen worden gebracht.

3.   Een summiere aangifte bij uitgang is niet nodig wanneer een elektronische aangifte voor douanevervoer de gegevens van de summiere aangifte bij uitgang bevat, mits het kantoor van bestemming ook het douanekantoor van uitgang is of het kantoor van bestemming buiten het douanegebied van de Gemeenschap is gelegen.

4.   Een summiere aangifte bij uitgang is niet vereist in de volgende gevallen:

a)

de in artikel 592 bis vermelde uitzonderingsgevallen;

b)

wanneer goederen in een haven of luchthaven in het douanegebied van de Gemeenschap worden geladen om in een andere haven of luchthaven van de Gemeenschap te worden gelost, mits het douanekantoor van uitgang op verzoek bewijsmateriaal wordt voorgelegd, in de vorm van een handels-, haven- of vervoermanifest of een ladinglijst, betreffende de voorgenomen plaats van lossing. Hetzelfde is van toepassing wanneer het schip of luchtvaartuig dat de goederen vervoert een haven of luchthaven aandoet buiten het douanegebied van de Gemeenschap en deze goederen gedurende het verblijf in de haven of luchthaven buiten het douanegebied van de Gemeenschap aan boord van het schip of luchtvaartuig blijven;

c)

wanneer de goederen, in een haven of luchthaven, niet gelost worden uit het vervoermiddel waarmee ze het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen en waarmee ze dat gebied zullen verlaten;

d)

wanneer de goederen in een vorige haven of luchthaven in het douanegebied van de Gemeenschap werden geladen en in het vervoermiddel blijven waarmee ze het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten;

e)

wanneer goederen in tijdelijke opslag of in een vrije zone van controletype I van het vervoermiddel waarmee zij de tijdelijke-opslagfaciliteit of de vrije zone zijn binnengekomen onder toezicht van hetzelfde douanekantoor worden overgeladen in een schip, luchtvaartuig of trein waarmee zij vanuit die tijdelijke-opslagfaciliteit of vrije zone het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten, mits

i)

de goederen worden overgeladen binnen 14 kalenderdagen na de aanbrenging voor tijdelijke opslag of in een vrije zone van controletype I; in buitengewone omstandigheden kan de douane de termijn verlengen rekening houdend met die omstandigheden;

ii)

informatie over de goederen ter beschikking van de douaneautoriteiten staat, en

iii)

de bestemming en de geadresseerde van de goederen niet zijn gewijzigd, voor zover bekend bij de vervoerder;

f)

wanneer het douanekantoor van uitgang bewijsmateriaal ter beschikking wordt gesteld waaruit blijkt dat de goederen die het douanegebied van de Gemeenschap zullen verlaten reeds gedekt zijn door een douaneaangifte die de gegevens van de summiere aangifte bij uitgang bevat, hetzij aan de hand van het gegevensverwerkingssysteem van de houder van de tijdelijke opslag, de vervoerder of de exploitant van de haven/luchthaven hetzij aan de hand van een ander commercieel gegevensverwerkingssysteem, mits dit door de douane is goedgekeurd.

Onverminderd artikel 842 quinquies, lid 2, wordt bij douanecontroles in de onder a) tot en met f) bedoelde gevallen rekening gehouden met de bijzondere aard van de situatie.

5.   De summiere aangifte bij uitgang, indien vereist, wordt door de vervoerder ingediend. Deze aangifte wordt echter ingediend door de houder van een faciliteit voor tijdelijke opslag, de houder van een opslagfaciliteit in een vrije zone van controletype I of een andere persoon die de goederen kan aanbrengen wanneer de vervoerder is meegedeeld — en hij daarmee in het kader van een overeenkomst instemt — dat de in de tweede zin van dit lid bedoelde persoon de aangifte indient. Het douanekantoor van uitgang kan ervan uitgaan, tenzij het tegendeel blijkt, dat de vervoerder in het kader van een overeenkomst zijn toestemming heeft gegeven en dat hij weet dat de aangifte is ingediend.

De laatste alinea van artikel 796 quinquies, lid 1, is van toepassing wat de definitie van „vervoerder” betreft.

6.   Wanneer, nadat een summiere aangifte bij uitgang is ingediend, de goederen niet meer bestemd zijn het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, is artikel 796 quinquies, lid 4, van overeenkomstige toepassing.”

29)

Artikel 842 quinquies, lid 2, tweede alinea, komt als volgt te luiden:

„Wanneer goederen waarvoor, overeenkomstig artikel 842 bis, lid 4, geen summiere aangifte bij uitgang behoeft te worden ingediend, het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, wordt de risicoanalyse, indien vereist, verricht wanneer de goederen worden aangebracht, aan de hand van documenten of andere gegevens die op die goederen betrekking hebben.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De punten 1 tot en met 13 en de punten 15 tot en met 29 van artikel 1 zijn van toepassing vanaf 1 januari 2011. Wanneer echter een uitvoertransactie vóór 1 januari 2011 is begonnen onder dekking van een administratief geleidedocument overeenkomstig artikel 793 quater, lid 1, past het douanekantoor van uitgang artikel 793 quater toe op en na die datum.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(2)  PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13.

(3)  PB L 91 van 3.4.2009, blz. 14.

(4)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.

(5)  PB L 324 van 10.12.2009, blz. 23.

(6)  PB L 329 van 6.12.2008, blz. 1.

(7)  PB L 145 van 4.6.2008, blz. 1.

(8)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(9)  PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12.

(10)  PB L 276 van 19.9.1992, blz. 1.

(11)  PB L 324 van 10.12.2009, blz. 23.”;

(12)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(13)  PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12.”.


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/19


VERORDENING (EU) Nr. 431/2010 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 mei 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

70,0

MK

66,4

TN

71,5

TR

61,3

ZZ

67,3

0707 00 05

MA

46,5

MK

52,3

TR

118,3

ZZ

72,4

0709 90 70

TR

121,1

ZZ

121,1

0805 10 20

EG

55,7

IL

54,7

MA

51,0

PY

48,3

TN

51,1

TR

49,3

ZA

73,7

ZZ

54,8

0805 50 10

AR

94,0

BR

117,8

TR

87,6

ZA

74,1

ZZ

93,4

0808 10 80

AR

85,3

BR

75,2

CA

69,6

CL

80,9

CN

81,8

MK

26,7

NZ

114,3

US

122,8

UY

77,5

ZA

84,8

ZZ

81,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/21


VERORDENING (EU) Nr. 432/2010 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector melk en zuivelproducten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 164, lid 2, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 162, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kan het verschil tussen de prijzen van de in deel XVI van bijlage I bij die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en die in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

Gelet op de huidige situatie op de markt voor melk en zuivelproducten dienen uitvoerrestituties te worden vastgesteld in overeenstemming met de voorschriften en bepaalde criteria van de artikelen 162, 163, 164, 167, 169 en 170 van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)

In artikel 164, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat de restitutie kan variëren naargelang van de bestemming, met name indien de situatie in de internationale handel, de specifieke vereisten van bepaalde markten of de verplichtingen die voortvloeien uit volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten, dit noodzakelijk maken.

(4)

De uitvoerrestituties voor de Dominicaanse Republiek zijn gedifferentieerd om rekening te houden met de verlaagde douanerechten voor invoer in het kader van het invoertariefcontingent overeenkomstig het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Gemeenschap en de Dominicaanse Republiek betreffende beschermende maatregelen ten aanzien van de invoer van melkpoeder in de Dominicaanse Republiek (2), goedgekeurd bij Besluit 98/486/EG van de Raad (3). Als gevolg van de veranderde marktsituatie in de Dominicaanse Republiek, met name de toegenomen concurrentie voor melkpoeder, wordt het contingent niet meer volledig benut. Om de benutting van het contingent te optimaliseren, dient de differentiatie van de uitvoerrestituties voor de Dominicaanse Republiek te worden afgeschaft.

(5)

Bij Verordening (EU) nr. 326/2010 van de Commissie (4) tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3846/87 tot vaststelling van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties (5) zijn bepaalde productcodes voor kaas aan de landbouwproductennomenclatuur toegevoegd. Bijgevolg moeten deze codes in de bijlage bij de onderhavige verordening worden opgenomen.

(6)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 164 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde uitvoerrestituties worden toegekend voor de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde producten en bedragen, onder de voorwaarden van artikel 3, van Verordening (EG) nr. 1187/2009 van de Commissie (6).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 mei 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 218 van 6.8.1998, blz. 46.

(3)  PB L 218 van 6.8.1998, blz. 45.

(4)  PB L 100 van 22.4.2010, blz. 1.

(5)  PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1.

(6)  PB L 318 van 4.12.2009, blz. 1.


BIJLAGE

Vanaf 21 mei 2010 geldende uitvoerrestituties voor melk en zuivelproducten

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

0401 30 31 9100

L20

EUR/100 kg

0,00

0401 30 31 9400

L20

EUR/100 kg

0,00

0401 30 31 9700

L20

EUR/100 kg

0,00

0401 30 39 9100

L20

EUR/100 kg

0,00

0401 30 39 9400

L20

EUR/100 kg

0,00

0401 30 39 9700

L20

EUR/100 kg

0,00

0401 30 91 9100

L20

EUR/100 kg

0,00

0401 30 99 9100

L20

EUR/100 kg

0,00

0401 30 99 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 10 11 9000

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 10 19 9000

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 10 99 9000

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 11 9200

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 11 9300

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 11 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 11 9900

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 17 9000

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 19 9300

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 19 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 19 9900

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 91 9100

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 91 9200

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 91 9350

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 99 9100

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 99 9200

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 99 9300

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 99 9400

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 99 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 99 9600

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 21 99 9700

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 29 15 9200

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 29 15 9300

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 29 15 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 29 19 9300

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 29 19 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 29 19 9900

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 29 99 9100

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 29 99 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 91 10 9370

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 91 30 9300

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 91 99 9000

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 99 10 9350

L20

EUR/100 kg

0,00

0402 99 31 9300

L20

EUR/100 kg

0,00

0403 90 11 9000

L20

EUR/100 kg

0,00

0403 90 13 9200

L20

EUR/100 kg

0,00

0403 90 13 9300

L20

EUR/100 kg

0,00

0403 90 13 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0403 90 13 9900

L20

EUR/100 kg

0,00

0403 90 33 9400

L20

EUR/100 kg

0,00

0403 90 59 9310

L20

EUR/100 kg

0,00

0403 90 59 9340

L20

EUR/100 kg

0,00

0403 90 59 9370

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 21 9120

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 21 9160

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 23 9120

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 23 9130

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 23 9140

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 23 9150

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 81 9100

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 83 9110

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 83 9130

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 83 9150

L20

EUR/100 kg

0,00

0404 90 83 9170

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 11 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 11 9700

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 19 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 19 9700

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 30 9100

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 30 9300

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 30 9700

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 50 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 50 9700

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 10 90 9000

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 20 90 9500

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 20 90 9700

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 90 10 9000

L20

EUR/100 kg

0,00

0405 90 90 9000

L20

EUR/100 kg

0,00

0406 10 20 9640

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 10 20 9650

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 10 20 9830

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 10 20 9850

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 20 90 9913

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 20 90 9915

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 20 90 9917

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 20 90 9919

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 30 31 9730

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 30 31 9930

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 30 31 9950

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 30 39 9500

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 30 39 9700

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 30 39 9930

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 30 39 9950

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 40 50 9000

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 40 90 9000

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 13 9000

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 15 9100

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 17 9100

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 21 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 23 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 25 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 27 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 29 9100

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 29 9300

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 32 9119

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 35 9190

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 35 9990

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 37 9000

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 61 9000

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 63 9100

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 63 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 69 9910

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 73 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 75 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 76 9300

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 76 9400

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 76 9500

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 78 9100

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 78 9300

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 79 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 81 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 85 9930

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 85 9970

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 86 9200

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 86 9400

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 86 9900

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 87 9300

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 87 9400

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 87 9951

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 87 9971

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 87 9973

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 87 9974

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 87 9975

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 87 9979

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 88 9300

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

0406 90 88 9500

L04

EUR/100 kg

0,00

L40

EUR/100 kg

0,00

De bestemmingen zijn als volgt vastgesteld:

L20

:

Alle bestemmingen, met uitzondering van:

a)

derde landen: Andorra, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein en de Verenigde Staten van Amerika;

b)

tot de lidstaten behorend grondgebied dat geen deel uitmaakt van het douanegebied van de Gemeenschap: de Faeröer, Groenland, Helgoland, Ceuta, Melilla, de gemeenten Livigno en Campione d'Italia, en de gebieden van de Republiek Cyprus waarover de Regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent;

c)

Europese grondgebieden waarvan de buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd en die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap: Gibraltar;

d)

bestemmingen als bedoeld in artikel 33, lid 1, artikel 41, lid 1, en artikel 42, lid 1, van Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie (PB L 186 van 17.7.2009, blz. 1).

L04

:

Albanië, Bosnië en Herzegovina, Servië, Kosovo (), Montenegro en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

L40

:

Alle bestemmingen, met uitzondering van:

a)

derde landen: L04, Andorra, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Zwitserland, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), de Verenigde Staten van Amerika, Kroatië, Turkije, Australië, Canada, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika;

b)

tot de lidstaten behorend grondgebied dat geen deel uitmaakt van het douanegebied van de Gemeenschap: de Faeröer, Groenland, Helgoland, Ceuta, Melilla, de gemeenten Livigno en Campione d'Italia, en de gebieden van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent;

c)

Europese grondgebieden waarvan de buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd en die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap: Gibraltar;

d)

bestemmingen als bedoeld in artikel 33, lid 1, artikel 41, lid 1, en artikel 42, lid 1, van Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie (PB L 186 van 17.7.2009, blz. 1).


(1)  Zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999.


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/25


VERORDENING (EU) Nr. 433/2010 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

houdende het besluit om geen uitvoerrestitutie toe te kennen voor boter in het kader van de in Verordening (EG) nr. 619/2008 bedoelde permanente inschrijving

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1), en met name op artikel 164, lid 2, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 619/2008 van de Commissie van 27 juni 2008 tot opening van een permanente inschrijving voor de vaststelling van de uitvoerrestituties voor bepaalde zuivelproducten (2) voorziet in een permanente inschrijving.

(2)

Krachtens artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1454/2007 van de Commissie van 10 december 2007 houdende gemeenschappelijke bepalingen betreffende inschrijvingen voor de vaststelling van uitvoerrestituties voor bepaalde landbouwproducten (3) en na bestudering van de offertes die in het kader van de inschrijving zijn ingediend, dient te worden besloten geen restitutie toe te kennen voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 18 mei 2010.

(3)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In het kader van de bij Verordening (EG) nr. 619/2008 geopende permanente inschrijving wordt voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 18 mei 2010, geen restitutie toegekend voor de in artikel 1, onder a) en b), respectievelijk artikel 2 van die verordening bedoelde producten en bestemmingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 mei 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 168 van 28.6.2008, blz. 20.

(3)  PB L 325 van 11.12.2007, blz. 69.


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/26


VERORDENING (EU) Nr. 434/2010 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

houdende het besluit om geen uitvoerrestitutie toe te kennen voor mageremelkpoeder in het kader van de in Verordening (EG) nr. 619/2008 bedoelde permanente inschrijving

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1), en met name op artikel 164, lid 2, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 619/2008 van de Commissie van 27 juni 2008 tot opening van een permanente inschrijving voor de vaststelling van de uitvoerrestituties voor bepaalde zuivelproducten (2) voorziet in een permanente inschrijving.

(2)

Krachtens artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1454/2007 van de Commissie van 10 december 2007 houdende gemeenschappelijke bepalingen betreffende inschrijvingen voor de vaststelling van uitvoerrestituties voor bepaalde landbouwproducten (3) en na bestudering van de offertes die in het kader van de inschrijving zijn ingediend, dient te worden besloten geen restitutie toe te kennen voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 18 mei 2010.

(3)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In het kader van de bij Verordening (EG) nr. 619/2008 geopende permanente inschrijving wordt voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 18 mei 2010, geen restitutie toegekend voor de in artikel 1, onder c), respectievelijk artikel 2 van die verordening bedoelde producten en bestemmingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 mei 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 168 van 28.6.2008, blz. 20.

(3)  PB L 325 van 11.12.2007, blz. 69.


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/27


VERORDENING (EU) Nr. 435/2010 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op melk en zuivelproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 164, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 162, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kan het verschil tussen de prijzen van de in artikel 1, lid 1, onder p) en in deel XVI van bijlage I bij die verordening bedoelde producten in de internationale handel enerzijds en de prijzen in de Unie anderzijds door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd wanneer deze producten worden uitgevoerd in de vorm van goederen vermeld in deel IV van bijlage XX bij die verordening.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad wat betreft de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten (2), uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen, is aangegeven voor welke producten een restitutie moet worden vastgesteld wanneer deze worden uitgevoerd in de vorm van goederen vermeld in deel IV van bijlage XX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)

Overeenkomstig artikel 14, tweede alinea, onder a), van Verordening (EG) nr. 1043/2005 wordt de restitutie per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten vastgesteld voor dezelfde periode als die welke is gekozen voor de vaststelling van de restituties voor dezelfde producten die in onverwerkte toestand worden uitgevoerd.

(4)

In artikel 162, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat de restitutie bij uitvoer van een in een goed verwerkt product niet meer mag bedragen dan de restitutie voor ditzelfde product dat in onverwerkte toestand wordt uitgevoerd.

(5)

Voor bepaalde melkproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen, bestaat het gevaar dat, indien vooraf hoge restituties worden vastgesteld, de verplichtingen die met betrekking tot deze restituties zijn aangegaan, op het spel worden gezet. Om dat gevaar te voorkomen moeten passende voorzorgsmaatregelen worden genomen, zonder evenwel langetermijncontracten uit te sluiten. De vaststelling van specifieke restitutiebedragen voor het vooraf vaststellen van de restituties voor deze producten moet het mogelijk maken beide doelstellingen te verwezenlijken.

(6)

In artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 is bepaald dat voor de vaststelling van de restitutie in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met steunmaatregelen of andere maatregelen van gelijke werking die voor de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 vermelde basisproducten of daarmee gelijkgestelde producten in alle lidstaten worden toegepast uit hoofde van de verordening houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten.

(7)

Overeenkomstig artikel 100, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 wordt steun verleend aan in de Unie geproduceerde en tot caseïne verwerkte ondermelk, indien deze melk en de daarvan vervaardigde caseïne aan bepaalde eisen voldoen.

(8)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties die van toepassing zijn op de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 en in deel XVI van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 opgenomen basisproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen vermeld in deel IV van bijlage XX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007, worden vastgesteld zoals in de bijlage bij deze verordening is aangegeven.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 mei 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Heinz ZOUREK

Directeur-generaal Ondernemingen en industrie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 172 van 5.7.2005, blz. 24.


BIJLAGE

Restituties welke van toepassing zijn van 21 mei 2010 op bepaalde zuivelproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen  (1)

(EUR/100 kg)

GN-code

Omschrijving

Restituties

Bij vaststelling vooraf van de restituties

Overige gevallen

ex 0402 10 19

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van minder dan 1,5 gewichtspercenten (PG 2):

 

 

a)

in geval van uitvoer van goederen van GN-code 3501

b)

in geval van uitvoer van andere goederen

0,00

0,00

ex 0402 21 19

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van 26 gewichtspercenten (PG 3):

0,00

0,00

ex 0405 10

Boter met een vetgehalte van 82 gewichtspercenten (PG 6):

 

 

a)

in geval van uitvoer van goederen behorende tot GN-code 2106 90 98, met een vetgehalte van 40 of meer gewichtspercenten

0,00

0,00

b)

in geval van uitvoer van andere goederen

0,00

0,00


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar:

a)

derde landen: Andorra, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein en de Verenigde Staten van Amerika en op de naar de Zwitserse Bondsstaat uitgevoerde goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II van Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972;

b)

gebieden van de lidstaten van de EU die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap: Ceuta, Melilla, de gemeenten Livigno en Campione d’Italia, Helgoland, Groenland, de Faeröer en de gebieden van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent;

c)

Europese gebieden waarvoor buitenlandse betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van een lidstaat vallen en die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap: Gibraltar;

d)

bestemmingen als bedoeld in artikel 33, lid 1, artikel 41, lid 1, en artikel 42, lid 1, van Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie (PB L 186 van 17.7.2009, blz. 1).


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/30


VERORDENING (EU) Nr. 436/2010 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

tot vaststelling van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1), en met name op artikel 143,

Gelet op Verordening (EG) nr. 614/2009 van de Raad van 7 juli 2009 betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine (2), en met name op artikel 3, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn bepalingen vastgesteld voor de toepassing van de regeling inzake aanvullende invoerrechten en zijn de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naar gelang van de oorsprong optredende prijsverschillen. De representatieve prijzen moeten derhalve worden bekendgemaakt.

(3)

Deze wijziging moet, gezien de marktsituatie, zo spoedig mogelijk worden toegepast.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 181 van 14.7.2009, blz. 8.

(3)  PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47.


BIJLAGE

van de verordening van de Commissie van 20 mei 2010 tot vaststelling van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95

„BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3, lid 3, bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 12 10

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 70 %), bevroren

121,5

0

AR

122,5

0

TH

0207 12 90

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 65 %), bevroren

124,5

0

BR

116,3

1

AR

0207 14 10

Delen zonder been, van hanen of van kippen, bevroren

206,8

28

BR

218,9

24

AR

294,2

2

CL

0207 14 60

Dijen van kippen, bevroren

102,7

12

BR

0207 25 10

Geslachte kalkoenen (zogenaamde kalkoenen 80 %), bevroren

146,0

4

BR

0207 27 10

Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren

242,1

16

BR

293,9

1

CL

0408 11 80

Eigeel

327,8

0

AR

0408 91 80

Eieren uit de schaal, gedroogd

343,8

0

AR

1602 32 11

Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken

283,0

1

BR

311,4

0

TH

3502 11 90

Ovoalbumine, gedroogd

561,5

0

AR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.”


BESLUITEN

21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/32


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Oostenrijk

(2010/282/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 6, juncto artikel 126, lid 13 en artikel 136,

Gezien de aanbeveling van de Commissie,

Gezien de opmerkingen van Oostenrijk,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Verordening (EG) nr. 1467/97 bevat ook bepalingen voor de uitvoering van artikel 104 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden. Het aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van genoemd protocol.

(4)

De hervorming in 2005 van het stabiliteits- en groeipact was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 104, lid 5, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, moet de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 104, lid 3, van het EG-Verdrag, dat nu artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het EG-Verdrag, dat nu artikel 126, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in Oostenrijk een buitensporig tekort bestaat. De Commissie heeft derhalve op 11 november 2009 een dergelijk advies over Oostenrijk aan de Raad uitgebracht (3).

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van Oostenrijk leidt deze algehele evaluatie tot de in dit besluit conclusies.

(7)

Volgens recentere gegevens die de Oostenrijkse autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, wordt voor 2009 in Oostenrijk thans een overheidstekort van 3,9 % van het bbp gepland, een percentage dat nog steeds hoger blijft dan en niet in de buurt komt van de referentiewaarde van 3 % van het bbp. Op basis van de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie kan de geplande overschrijding van de referentiewaarde worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Zij vloeit met name voort uit een ernstige economische neergang in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat het reële bbp in Oostenrijk in 2009 fors zal krimpen, namelijk met – 3,7 %. De recessie is te wijten aan de abrupte terugval van de particuliere investeringen en de buitenlandse handel in de exportgerichte industriesector als gevolg van de financiële crisis en de wereldwijde vertraging, en met name de veel somberder groeivooruitzichten bij de belangrijkste handelspartners (in het eurogebied, Midden- en Oost-Europa). Evenmin kan de geplande overschrijding van de referentiewaarde als tijdelijk worden beschouwd. Volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie waarbij rekening is gehouden met de in het lopende jaar genomen begrotingsmaatregelen, zal bij ongewijzigd beleid het tekort groeien tot 5,5 % in 2010 en tot 5,3 % van het bbp in 2011. Er is derhalve niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

Volgens de in oktober 2009 door de Oostenrijkse autoriteiten meegedeelde gegevens ligt de bruto-overheidsschuld sinds 2008 boven de referentiewaarde van 60 % van het bbp en zal zij volgens de plannen in 2009 68,2 % van het bbp bedragen. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat de schuldquote verder zal stijgen tot 73,9 % in 2010 en tot 77 % van het bbp in 2011. Er kan niet worden gesteld dat de schuldquote in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Er is derhalve niet voldaan aan het schuldcriterium van het Verdrag.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde, namelijk dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van Oostenrijk is niet aan deze tweeledige voorwaarde voldaan. Derhalve wordt in de stappen die tot dit besluit leiden, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in Oostenrijk een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Republiek Oostenrijk.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor Oostenrijk zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/economy_finance/netstartsearch/pdfsearch/pdf.cfm?mode=_m2


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/34


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in België

(2010/283/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 6, juncto artikel 126, lid 13 en artikel 136,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de opmerkingen van België,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Verordening (EG) nr. 1467/97 bevat ook bepalingen voor de uitvoering van artikel 104 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat artikel 126 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie is geworden. Het aan het Verdrag gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van dat protocol.

(4)

De hervorming in 2005 van het stabiliteits- en groeipact was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 104, lid 5, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (nu artikel 126, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) moet de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 104, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (nu artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (nu artikel 126, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in België een buitensporig tekort bestaat. De Commissie heeft derhalve op 11 november 2009 een dergelijk advies over België aan de Raad uitgebracht (3).

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van België leidt deze algehele evaluatie tot de in dit besluit vervatte conclusies.

(7)

Volgens de gegevens die de Belgische autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, wordt voor 2009 in België een overheidstekort van 5,9 % van het bbp gepland, een percentage dat hoger ligt dan en niet in de buurt blijft van de referentiewaarde van 3 % van het bbp. De voorziene overschrijding van de referentiewaarde kan worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Zij vloeit met name onder meer voort uit een ernstige economische neergang in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie zal het bbp in 2009 met 2,9 % krimpen en in 2010 met 0,6 % groeien. Nog volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie kan de voorziene overschrijding van de referentiewaarde bovendien niet als tijdelijk worden beschouwd, aangezien wordt verwacht dat het tekort zich in 2010 en 2011 op 5,8 % van het bbp zal stabiliseren, rekening houdend met de reeds voldoende gespecificeerde consolidatiemaatregelen. Er is derhalve niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

De bruto overheidsschuld is van 1993 tot 2007 voortdurend gedaald, namelijk van 134 % van het bbp tot 84 % van het bbp. In 2008 hebben de maatregelen ter stabilisering van de financiële sector geleid tot een stijging van de schuldquote tot ongeveer 90 %. De schuldquote is dan ook ruim boven de referentiewaarde van 60 % gebleven. Volgens de gegevens die de Belgische autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, zal de bruto overheidsschuld in 2009 97,6 % van het bbp vertegenwoordigen. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat de schuldquote in 2009, 2010 en 2011 tot respectievelijk ongeveer 97 %, 101 % en 104 % zal stijgen. Er kan niet worden gesteld dat de schuldquote in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Er is derhalve niet voldaan aan het schuldcriterium van het Verdrag.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde, namelijk dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding door het tekort van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van België is niet aan deze tweeledige voorwaarde voldaan. Derhalve wordt in de stappen die tot dit besluit leiden, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in België een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor België zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/economy_finance/netstartsearch/pdfsearch/pdf.cfm?mode=_m2


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/36


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in de Tsjechische Republiek

(2010/284/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 7, in samenhang met artikel 126, lid 13,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de opmerkingen van de Tsjechische Republiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Verordening (EG) nr. 1467/97 bevat ook bepalingen voor de uitvoering van artikel 104 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dat nu artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden. Het aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van genoemd protocol.

(4)

De hervorming in 2005 van het stabiliteits- en groeipact was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 104, lid 5, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden moet de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 104, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in de Tsjechische Republiek een buitensporig tekort bestaat. De Commissie heeft derhalve op 11 november 2009 een dergelijk advies over de Tsjechische Republiek aan de Raad uitgebracht (3).

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van de Tsjechische Republiek leidt deze algehele evaluatie tot de in dit besluit vervatte conclusies.

(7)

Volgens gegevens die de Tsjechische autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, wordt voor 2009 in de Tsjechische Republiek een overheidstekort van 6,6 % van het bbp gepland, een percentage dat hoger ligt dan en niet in de buurt blijft van de referentiewaarde van 3 % van het bbp. Op grond van de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie kan de voorziene overschrijding van de referentiewaarde worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Zij vloeit in het bijzonder onder meer voort uit een ernstige economische neergang in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat het reële bbp in 2009 met 4,8 % zal krimpen, tegen een positieve groei van 2,5 % in 2008; deze ontwikkeling is grotendeels te wijten aan het effect van de wereldwijde economische crisis. Het nominale tekort is pas in 2008 beginnen te stijgen, maar de structurele verslechtering was al vroeger ingezet toen er nog sprake was van goede economische tijden. Bovendien kan de geplande overschrijding van de referentiewaarde niet als tijdelijk worden beschouwd, aangezien het overheidstekort volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie in 2010 op 5,5 % van het bbp en in 2011, uitgaande van de veronderstelling dat het beleid ongewijzigd blijft, op 5,7 % van het bbp zal uitkomen. In de prognoses wordt rekening gehouden met de gevolgen van de nog in 2010 gehandhaafde maatregelen ter bestrijding van de crisis (twee maatregelen die ongeveer 0,7 % van het bbp vertegenwoordigen, hebben een permanent karakter), alsook met het budgettaire consolidatiepakket voor 2010 dat de Tsjechische autoriteiten in oktober 2009 hebben aangenomen. Er is derhalve niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

Volgens in oktober 2009 door de Tsjechische autoriteiten meegedeelde gegevens blijft de bruto overheidsschuld met een gepland niveau van 35,5 % van het bbp in 2009 ver onder de referentiewaarde van 60 % van het bbp. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat de schuldquote bij ongewijzigd beleid snel zal oplopen tot 44 % van het bbp in 2011.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde, namelijk dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van de Tsjechische Republiek is niet aan deze tweeledige voorwaarde voldaan. Derhalve wordt in de stappen die tot dit besluit leiden, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in de Tsjechische Republiek een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Tsjechische Republiek.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor de Tsjechische Republiek zijn te vinden op: http://ec.europa.eu/economy_finance/netstartsearch/pdfsearch/pdf.cfm?mode = _m2


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/38


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Duitsland

(2010/285/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 6, in samenhang met artikel 126, lid 13, en artikel 136,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de door Duitsland gemaakte opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Verordening (EG) nr. 1467/97 bevat ook bepalingen ter uitvoering van artikel 104 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie, dat thans artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden. Het aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van genoemd protocol.

(4)

De hervorming van het stabiliteits- en groeipact in 2005 was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 104, lid 5, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dat thans artikel 126, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, moest de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel was dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestond of kon ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 104, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dat thans artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dat thans artikel 126, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in Duitsland een buitensporig tekort bestond. De Commissie heeft derhalve op 11 november 2009 een dergelijk advies over Duitsland aan de Raad uitgebracht (3).

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van Duitsland leidt deze algehele evaluatie tot de in dit besluit vervatte conclusie.

(7)

Volgens de gegevens die de Duitse autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, wordt voor 2009 in Duitsland een overheidstekort van 3,7 % van het bbp gepland, een percentage dat hoger ligt dan en niet in de buurt ligt van de referentiewaarde van 3 % van het bbp. De geplande overschrijding van de referentiewaarde kan worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat het reële bbp in Duitsland in 2009 fors zal krimpen, namelijk met 5 %. Bovendien kan de geplande overschrijding van de referentiewaarde niet als tijdelijk worden beschouwd, aangezien volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie, waarbij rekening is gehouden met de in het lopende jaar genomen begrotingsmaatregelen die van invloed zijn op de begroting voor 2010 en 2011, bij ongewijzigd beleid het tekort zal toenemen tot 5,0 % van het bbp in 2010 en zal afnemen tot 4,6 % van het bbp in 2011. Er is derhalve niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

Volgens in oktober 2009 door de Duitse autoriteiten meegedeelde gegevens wordt voorzien dat de bruto-overheidsschuld (die sinds 2002 boven de referentie waarde van 60 % van het bbp ligt) in 2009 op 74,2 % van het bbp zal uitkomen. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat de schuldquote verder zal stijgen tot 73,1 % van het bbp in 2009 en tot 79,7 % van het bbp in 2011. Er kan niet worden gesteld dat de schuldquote in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Er is derhalve niet voldaan aan het schuldcriterium van het Verdrag.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort, indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde, namelijk dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding door het tekort van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van Duitsland is niet aan deze tweeledige voorwaarde voldaan. Derhalve wordt in de stappen die tot dit besluit leiden, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in Duitsland een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor Duitsland zijn te vinden op: http://ec.europa.eu/economy_finance/netstartsearch/pdfsearch/pdf.cfm?mode = _m2


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/40


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Italië

(2010/286/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 6, in samenhang met artikel 126, lid 13, en artikel 136.

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de door Italië gemaakte opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Verordening (EG) nr. 1467/97 bevat ook bepalingen ter uitvoering van artikel 104 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden Het aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van genoemd protocol.

(4)

De hervorming van het stabiliteits- en groeipact in 2005 was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 104, lid 5, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, moest de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel was dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestond of kon ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 104, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dat thans artikel 126, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in Italië een buitensporig tekort bestond. De Commissie heeft derhalve op 11 november 2009 (3) een dergelijk advies over Italië aan de Raad uitgebracht.

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van Italië leidt deze algehele evaluatie tot de in dit besluit vervatte conclusie.

(7)

Volgens gegevens die de Italiaanse autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, wordt voor 2009 in Italië een overheidstekort van 5,3 % van het bbp gepland, een percentage dat hoger ligt dan en niet in de buurt ligt van de referentiewaarde van 3 % van het bbp. De voorziene overschrijding van de referentiewaarde kan worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Zij vloeit met name voort uit een ernstige economische neergang in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat het reële bbp in Italië in 2009 met 4,7 % zal krimpen, nadat het in 2008 met 1 % was gedaald. Voor 2010 wordt een bescheiden herstel verwacht, dat in 2011 zal aantrekken. Voorts kan de geplande overschrijding van de referentiewaarde niet als tijdelijk worden beschouwd, aangezien wordt verwacht dat het tekort in 2010 verder zal toenemen en in 2011 bij ongewijzigd beleid in geringe mate zal afnemen. De discretionaire maatregelen die in het kader van de opeenvolgende herstelpakketten zijn getroffen om conform het Europees economisch herstelplan op de crisis te reageren (gerichte steun voor lage-inkomensgroepen en essentiële bedrijfstakken) zullen naar verwachting het overheidssaldo niet aanzienlijk beïnvloeden, aangezien zij volgens de Italiaanse autoriteiten volledig worden gefinancierd door, in hoofdzaak, bestaande middelen te herschikken. Er is niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

Volgens de gegevens die de Italiaanse autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, lag de bruto-overheidsschuld reeds vóór de aanvang van de derde fase van de economische en monetaire unie ruim boven de referentiewaarde van 60 % van het bbp en zou zij in 2009 naar verwachting 115,1 % van het bbp bedragen. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat de schuldquote verder zal stijgen tot 117,8 % in 2011. Er kan niet worden gesteld dat de schuldquote in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Er is niet voldaan aan het schuldcriterium van het Verdrag.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort, indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde, namelijk dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van Italië is niet voldaan aan deze tweeledige voorwaarde. Derhalve wordt in de stappen die leiden tot dit besluit, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in Italië een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor Italië zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/economy_finance/netstartsearch/pdfsearch/pdf.cfm?mode=_m2


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/42


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Nederland

(2010/287/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 6 juncto artikel 126, lid 13 en artikel 136,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de opmerkingen van Nederland,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Verordening (EG) nr. 1467/97 bevat ook bepalingen voor de uitvoering van artikel 104 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden. Het aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van dat protocol.

(4)

De hervorming in 2005 van het stabiliteits- en groeipact was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 104, lid 5, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, moet de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 104, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in Nederland een buitensporig tekort bestaat. De Commissie heeft derhalve op 11 november 2009 een dergelijk advies over Nederland aan de Raad uitgebracht (3).

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van Nederland leidt deze algehele evaluatie tot de in dit besluit vervatte conclusies.

(7)

Volgens gegevens die de Nederlandse autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, wordt voor 2009 in Nederland een overheidstekort van 4,8 % van het bbp gepland, een percentage dat hoger ligt dan en niet in de buurt blijft van de referentiewaarde van 3 % van het bbp. De voorziene overschrijding van de referentiewaarde kan worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Zij is hoofdzakelijk het gevolg van een ernstige economische neergang in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie zal het bbp in 2009 met 4,5 % krimpen en in 2010 met amper ¼ % groeien. Nog volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie kan de geplande overschrijding van de referentiewaarde bovendien niet als tijdelijk worden beschouwd, aangezien, uitgaande van de gebruikelijke veronderstelling dat het beleid ongewijzigd blijft, wordt verwacht dat het overheidstekort zal oplopen van 4,7 % van het bbp in 2009 tot 6,1 % van het bbp in 2010 en in 2011 licht zal dalen tot 5,6 % van het bbp. Er is derhalve niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

Volgens in oktober 2009 door de Nederlandse autoriteiten meegedeelde gegevens ligt de bruto-overheidsschuld met 59,7 % (4) van het bbp in 2009 lager dan de referentiewaarde van 60 % van het bbp. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt voorspeld dat de bruto-overheidsschuld in 2009 op 59,8 % van het bbp zal uitkomen en in 2010 en 2011 zal oplopen tot respectievelijk 66 % en 70 % van het bbp, waarmee de referentiewaarde van 60 % van het bbp wordt overschreden. Deze toename is grotendeels toe te schrijven aan een verwachte forse verslechtering van het primaire saldo.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde, namelijk dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding door het tekort van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van Nederland is niet aan deze tweeledige voorwaarde voldaan. Derhalve wordt in de stappen die tot dit besluit leiden, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in Nederland een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor Nederland zijn te vinden op: http://ec.europa.eu/economy_finance/netstartsearch/pdfsearch/pdf.cfm?mode = _m2

(4)  In dit percentage is geen rekening gehouden met de illiquid assets back-up facility voor ING, die ongeveer 3½ % van het bbp (21 miljard EUR) vertegenwoordigt.


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/44


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Portugal

(2010/288/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 6, in samenhang met artikel 126, lid 13, en artikel 136,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de door Portugal gemaakte opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Verordening (EG) nr. 1467/97 bevat bepalingen voor de uitvoering van artikel 104 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden. Het aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van genoemd protocol.

(4)

De hervorming van het stabiliteits- en groeipact in 2005 was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 104, lid 5, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dat thans artikel 126, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, moest de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel was dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestond of kon ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 104, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dat thans artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dat thans artikel 126, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in Portugal een buitensporig tekort bestond. De Commissie heeft derhalve op 11 november 2009 een dergelijk advies over Portugal aan de Raad uitgebracht (3).

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van Portugal leidt deze algehele evaluatie tot de in dit besluit vervatte conclusie.

(7)

Volgens gegevens die de Portugese autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, wordt voor 2009 in Portugal een overheidstekort van 5,9 % van het bbp gepland, een percentage dat hoger ligt dan en niet in de buurt ligt van de referentiewaarde van 3 % van het bbp. De voorziene overschrijding van de referentiewaarde kan worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Zij vloeit in het bijzonder onder meer voort uit een ernstige economische neergang in 2009 in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie zou het jaarlijkse bbp in 2009 met 2,9 % krimpen en in 2010 met 0,3 % groeien. De geplande overschrijding van de referentiewaarde kan bovendien niet als tijdelijk worden beschouwd, aangezien het nominale overheidstekort volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie — rekening gehouden met de reeds dit jaar genomen maatregelen — in 2010 tot 8 % van het bbp zal oplopen. Hoewel de meeste met de crisis verband houdende maatregelen met een buitengewoon karakter in 2009 niet zijn gehandhaafd, wordt als gevolg van de aanhoudende recessie, de werking van automatische stabilisatoren en een aanzienlijke toename van de rentebetalingen niet verwacht dat de begrotingssituatie in 2010 en 2011 zal verbeteren. Er is niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

Volgens in oktober 2009 door de Portugese autoriteiten meegedeelde gegevens bedraagt het gepland niveau van de bruto overheidsschuld (die sedert 2005 hoger ligt dan de referentiewaarde van 60 % van het bbp) in 2009 74,5 % van het bbp. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt voorspeld dat de schuldquote van de overheid in de prognoseperiode aanzienlijk zal stijgen van 66,3 % in 2008 tot 91,1 % in 2011. Er kan niet worden gesteld dat de schuldquote in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Er is niet voldaan aan het schuldcriterium van het Verdrag.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding door het tekort van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van Portugal is niet aan deze tweeledige voorwaarde voldaan. Derhalve wordt in de stappen die tot deze beschikking leiden, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in Portugal een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Portugese Republiek.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor Portugal zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/economy_finance/netstartsearch/pdfsearch/pdf.cfm?mode = _m2


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/46


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Slovenië

(2010/289/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 6, in samenhang met artikel 126, lid 13, en artikel 136,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de opmerkingen van Slovenië,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Verordening (EG) nr. 1467/97 bevat ook bepalingen voor de uitvoering van artikel 104 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden. Het aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van genoemd protocol.

(4)

De hervorming van het stabiliteits- en groeipact in 2005 was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 104, lid 5, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, moest de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel was dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestond of kon ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 104, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in Slovenië een buitensporig tekort bestond. De Commissie heeft derhalve op 11 november 2009 een dergelijk advies over Slovenië aan de Raad uitgebracht (3).

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van Slovenië leidt deze algehele evaluatie tot de in dit besluit vervatte conclusie.

(7)

Volgens gegevens die de Sloveense autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, wordt voor 2009 in Slovenië een overheidstekort van 5,9 % van het bbp gepland, een percentage dat hoger ligt dan en niet in de buurt ligt van de referentiewaarde van 3 % van het bbp. De voorziene overschrijding van de referentiewaarde kan worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Zij vloeit in het bijzonder onder meer voort uit een ernstige economische neergang in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat de reële bbp-groei, die tussen 2007 en 2008 gehalveerd is, in 2009 ver onder nul zal uitkomen (– 7,4 %). Hoewel Slovenië dankzij de sterker dan verwachte groei van de begrotingsontvangsten in het recente verleden behoorlijke begrotingsresultaten heeft geboekt bij een nog gunstig economisch klimaat, werd de uitvoering van de begroting door uitgavenoverschrijdingen gekenmerkt. Voorts kan de geplande overschrijding van de referentiewaarde niet als tijdelijk worden beschouwd, aangezien, uitgaande van de veronderstelling dat het beleid ongewijzigd blijft, het tekort volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie zou toenemen van 6,3 % van het bbp in 2009 tot ongeveer 7 % van het bbp in 2011, terwijl wordt verwacht dat het reële bbp een bescheiden positieve groei zal te zien geven. Bij deze veronderstelling wordt ermee rekening gehouden dat, volgens de plannen van de regering, een groot deel van de buitengewone, met de crisis verband houdende maatregelen, die in overeenstemming zijn met het Europees economisch herstelplan, en in 2009 ongeveer 1,25 % van het bbp belopen, in 2010 en 2011 geleidelijk zullen worden teruggedraaid. Er is niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

Volgens in oktober 2009 door de Sloveense autoriteiten meegedeelde gegevens blijft de bruto overheidsschuld met een gepland niveau van 34,2 % van het bbp in 2009 ver onder de referentiewaarde van 60 % van het bbp. Volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie zou de schuldquote bij ongewijzigd beleid verder oplopen tot ongeveer 48 % van het bbp in 2011.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort, indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding door het tekort van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van Slovenië is niet aan deze tweeledige voorwaarde voldaan. Derhalve wordt in de stappen die tot dit besluit leiden, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in Slovenië een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Republiek Slovenië.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor Slovenië zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/economy_finance/netstartsearch/pdfsearch/pdf.cfm?mode = _m2


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/48


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Slowakije

(2010/290/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 6, in samenhang met artikel 126, lid 13, en artikel 136,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de door Slovakije gemaakte opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (BTP) van artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Verordening (EG) nr. 1467/97 bevat ook bepalingen voor de uitvoering van artikel 104 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden. Het aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de BTP. Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (2) bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van genoemd protocol.

(4)

De hervorming van het stabiliteits- en groeipact in 2005 was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de BTP met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(5)

Krachtens artikel 104, lid 5, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, moest de Commissie advies uitbrengen aan de Raad indien zij van oordeel was dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestond of kon ontstaan. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 104, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 104, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat thans artikel 126, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is geworden, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in Slowakije een buitensporig tekort bestaat. De Commissie heeft derhalve op 11 november 2009 een dergelijk advies over Slowakije aan de Raad uitgebracht (3).

(6)

In artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van Slowakije leidt deze algehele evaluatie tot de in dit besluit vervatte conclusie.

(7)

Volgens gegevens die de Slowaakse autoriteiten in oktober 2009 hebben meegedeeld, wordt voor 2009 in Slowakije een overheidstekort van 6,3 % van het bbp gepland, een percentage dat hoger ligt dan en niet in de buurt ligt van de referentiewaarde van 3 % van het bbp. De voorziene overschrijding van de referentiewaarde kan worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Zij vloeit in het bijzonder onder meer voort uit een ernstige economische neergang in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie zal het reële bbp in 2009 met 5,8 % krimpen. De overschrijding van de referentiewaarde van 3 % is weliswaar vooral terug te voeren op de ernstige economische neergang, maar zij is ook het gevolg van een aanzienlijke verslechtering van het structurele saldo sinds 2005. Bovendien kan de geplande overschrijding van de referentiewaarde niet als tijdelijk worden beschouwd, aangezien het overheidstekort volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie in 2010 op 6 % van het bbp zal uitkomen, uitgaande van de veronderstelling dat het beleid ongewijzigd blijft. Er is niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(8)

Volgens in oktober 2009 door de Slowaakse autoriteiten meegedeelde gegevens blijft de bruto-overheidsschuld met een gepland niveau van circa 30 % van het bbp in 2009 ver onder de referentiewaarde van 60 % van het bbp. In de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat de schuldquote bij ongewijzigd beleid snel zal oplopen tot 42,7 % van het bbp in 2011.

(9)

Overeenkomstig de bepalingen in het stabiliteits- en groeipact heeft de Commissie in haar verslag ook rekening gehouden met structurele pensioenhervormingen waarbij een meerpijlersysteem wordt ingevoerd dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking omvat. Hoewel het doorvoeren van deze hervormingen tot een tijdelijke verslechtering van de begrotingssituatie leidt, is er onmiskenbaar sprake van een verbetering van de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn. Volgens de ramingen van de Slowaakse autoriteiten bedroegen de nettokosten van de hervormingen in 2009-2011 1,1 % van het bbp en lopen zij in 2012 op tot 1,2 % van het bbp. Overeenkomstig het stabiliteits- en groeipact kunnen die kosten gedurende een overgangsperiode en alleen op voorwaarde dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft, op een lineair degressieve basis in aanmerking worden genomen. Aangezien het tekort in de periode 2009-2011 niet dicht bij de referentiewaarde blijft, kunnen de kosten van de pensioenhervormingen niet in aanmerking worden genomen.

(10)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 kunnen „relevante factoren” alleen in aanmerking worden genomen bij de stappen die leiden naar het besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het al dan niet bestaan van een buitensporig tekort indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde, namelijk dat het tekort dicht bij de referentiewaarde blijft en dat de overschrijding van de referentiewaarde van tijdelijke aard is. In het geval van Slowakije is niet aan deze tweeledige voorwaarde voldaan. Derhalve wordt in de stappen die tot dit besluit leiden, geen rekening gehouden met relevante factoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in Slowakije een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Slowaakse Republiek.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Alle BTP-documenten voor Slowakije zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/economy_finance/netstartsearch/pdfsearch/pdf.cfm?mode = _m2


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/50


BESLUIT VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

waarbij wordt vastgesteld of door Griekenland effectief gevolg is gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 27 april 2009

(2010/291/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 8, in samenhang met artikel 126, lid 13, en artikel 136,

Gezien de aanbeveling van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren. Het stabiliteits- en groeipact omvat onder meer Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1), die is aangenomen om een snelle correctie van buitensporige overheidstekorten te bevorderen.

(3)

De hervorming van het stabiliteits- en groeipact in 2005 was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de buitensporigtekortprocedure met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(4)

Op aanbeveling van de Commissie heeft de Raad op 27 april 2009 overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap besloten dat er in Griekenland een buitensporig tekort bestaat (2).

(5)

Op 27 april 2009 heeft de Raad, eveneens op aanbeveling van de Commissie, overeenkomstig artikel 104, lid 7, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een aanbeveling (3) aan de Griekse autoriteiten gericht waarin deze werden opgeroepen de buitensporigtekortsituatie uiterlijk in 2010 te verhelpen door het overheidstekort op een geloofwaardige en duurzame wijze terug te brengen tot onder de 3 % van het bbp. Te dien einde heeft de Raad 27 oktober 2009 vastgesteld als uiterste datum voor de Griekse regering om doeltreffende actie te ondernemen.

(6)

Bij de verbetering van de vergaring en verwerking van statistische gegevens, in het bijzonder overheidsgegevens, waarom de Raad had verzocht, is onvoldoende vooruitgang geboekt. De meest recente herziening van de kennisgeving van oktober 2009 is niet door Eurostat gevalideerd vanwege grote onzekerheden omtrent de door de Griekse autoriteiten gemelde cijfers. De procedures die zijn aangenomen om een vlotte en correcte levering te waarborgen van de overheidsgegevens die op grond van het vigerende wettelijke kader vereist zijn, zijn klaarblijkelijk ontoereikend.

(7)

De beoordeling van de maatregelen die Griekenland in reactie op de aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 7, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie heeft genomen om het buitensporige tekort uiterlijk in 2010 te verhelpen, leidt tot de volgende conclusies:

in reactie op de aanbeveling die de Raad in april 2009 overeenkomstig artikel 104, lid 7, heeft gedaan, hebben de Griekse autoriteiten de tekortverminderende maatregelen ten uitvoer gelegd die in de begrotingswet 2009, het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2009 en het in maart 2009 aangekondigde pakket aanvullende begrotingsmaatregelen zijn vastgesteld. De verslechtering van het macro-economische klimaat is weliswaar ernstiger uitgevallen dan de autoriteiten hadden voorspeld, maar de overheidsfinanciën zijn er veel sterker op achteruitgegaan dan op grond van de krachtiger dan verwachte economische neergang mocht worden aangenomen. Voor een groot deel was dit het gevolg van het door de Griekse regering gevoerde begrotingsbeleid. Aan de uitgavenzijde kan worden vastgesteld dat de uitvoering van de begroting 2009 met forse uitgavenoverschrijdingen gepaard ging, waarvan meer dan de helft te wijten is aan hoger dan begrote uitgaven voor de beloning van werknemers en hogere kapitaaluitgaven;

op 25 juni 2009 hebben de Griekse autoriteiten aanvullende tekortverminderende discretionaire maatregelen aangekondigd met een begrotingseffect van naar schatting 1¼ % van het bbp. De Griekse autoriteiten hebben het merendeel van de maatregelen tot dusver nog niet ten uitvoer gelegd; bovendien waren maatregelen ter grootte van bijna 1 procentpunt van het bbp van tijdelijke aard (eenmalig) en tevens bedoeld om de ontvangsten te verhogen, waarmee zij dus niet in overeenstemming waren met de aanbeveling van de Raad om de begroting in 2009 sterker aan te passen middels permanente maatregelen om vooral de uitgaven in de hand te houden;

bovendien volstaan de in 2009 uitgevoerde maatregelen ter consolidatie van de begroting niet om de doelstelling van een overheidstekort van 3,7 % van het bbp voor 2009 te halen. De maatregelen zijn daarenboven niet geschikt om de bestaande externe onevenwichtigheden te verhelpen en het aangetaste concurrentievermogen van de Griekse economie te herstellen, zoals de Raad had aanbevolen;

de verwachte sterke stijging van de schuldquote valt hoger uit dan het effect van het opgelopen vorderingentekort van de overheid, wat erop duidt dat onvoldoende inspanningen zijn geleverd om de factoren die naast het vorderingentekort tot de verandering in het schuldniveau bijdragen, in de hand te houden.

(8)

Hieruit kan worden geconcludeerd dat aanmerkelijke inkomstendervingen en uitgavenoverschrijdingen in 2009 tot een sterke verslechtering van de begrotingssituatie van Griekenland hebben geleid, die slechts ten dele kan worden toegeschreven aan de verslechtering van het macro-economische klimaat en derhalve voornamelijk te wijten is aan het feit dat de Griekse autoriteiten in onvoldoende mate gevolg hebben gegeven aan de aanbeveling die de Raad in april 2009 krachtens artikel 104, lid 7, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie heeft gedaan,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Griekenland heeft aan de aanbeveling van de Raad van 27 april 2009 binnen de in die aanbeveling gestelde termijn geen effectief gevolg gegeven.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Helleense Republiek.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 135 van 30.5.2009, blz. 21.

(3)  http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/publication14950_en.pdf


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/52


BESLUIT EUPOL AFGHANISTAN/1/2010 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ

van 18 mei 2010

betreffende de benoeming van het hoofd van de missie EUPOL Afghanistan ad interim

(2010/292/GBVB)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 38, derde alinea,

Gelet op Besluit 2010/279/GBVB van de Raad van 18 mei 2010 inzake de politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan (EUPOL Afghanistan) (1), en met name op artikel 10, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 10, lid 1, van Besluit 2010/279/GBVB heeft de Raad het Politiek en Veiligheidscomité gemachtigd, overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag, de relevante besluiten te nemen met het oog op het politieke toezicht op en de strategische aansturing van de missie EUPOL Afghanistan, waaronder de benoeming van een hoofd van de missie.

(2)

De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid heeft voorgesteld het huidige plaatsvervangend hoofd van de missie, Chief Superintendent Nigel THOMAS, vanaf 31 mei 2010 tot hoofd van de missie ad interim te benoemen, totdat een nieuw hoofd van de missie is benoemd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Chief Superintendent Nigel THOMAS wordt benoemd tot hoofd van de missie van de politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan vanaf 31 mei 2010, totdat een nieuw hoofd van de missie is benoemd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Het is van toepassing totdat een nieuw hoofd van de missie is benoemd.

Gedaan te Brussel, 18 mei 2010.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

C. FERNÁNDEZ-ARIAS


(1)  PB L 123 van 19.5.2010, blz. 4.


21.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/53


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2010

betreffende het sluiten van een Uitvoeringsovereenkomst tussen de Commissie en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerkingsactiviteiten op het gebied van onderzoek naar de binnenlandse en de civiele veiligheid

(2010/293/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika (1), en met name op artikel 5, onder b), tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika („de overeenkomst”) is goedgekeurd bij Besluit 98/591/EG van de Raad (2) en is op 14 oktober 1998 in werking getreden. De overeenkomst kan telkens met een periode van vijf jaren worden verlengd (3) en is op 14 oktober 2008 verlengd en gewijzigd (4).

(2)

Een trans-Atlantische samenwerking op het gebied van de binnenlandse en civiele veiligheid is gewenst en strekt tot wederzijds voordeel.

(3)

Uit verkennende besprekingen is overeenstemmend gebleken dat met een uitvoeringsovereenkomst een werkwijze zou kunnen worden ingesteld om gezamenlijke technische en wetenschappelijke activiteiten te vergemakkelijken.

(4)

Tussen de Commissie en de Verenigde Staten van Amerika is een Uitvoeringsovereenkomst inzake samenwerkingsactiviteiten op het interdisciplinaire gebied van onderzoek naar de binnenlandse en civiele veiligheid („de uitvoeringsovereenkomst”) gesloten.

(5)

De uitvoeringsovereenkomst heeft geen rechtstreekse financiële gevolgen. Voor financiering van gezamenlijke projecten zal worden geconcurreerd via de gebruikelijke maatregelen voor ondersteuning en voor onderzoek en technische ontwikkeling (OTO) van de desbetreffende onderzoeksprogramma’s van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (5). Financiering door de Europese Unie zal ingevolge de overeenkomst worden beperkt tot de Europese partners.

(6)

De uitvoeringsovereenkomst moet worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Uitvoeringsovereenkomst tussen de Commissie en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerkingsactiviteiten op het gebied van onderzoek naar de binnenlandse en de civiele veiligheid wordt goedgekeurd.

De tekst van de uitvoeringsovereenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De commissaris voor DG Ondernemingen en industrie is gemachtigd namens de Commissie de uitvoeringsovereenkomst te tekenen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Antonio TAJANI

Vicevoorzitter


(1)  PB L 284 van 22.10.1998, blz. 37.

(2)  PB L 284 van 22.10.1998, blz. 35.

(3)  PB L 335 van 11.11.2004, blz. 7.

(4)  Door middel van een uitwisseling van Notes Verbale tussen de Raad van de Europese Unie dd. 15 mei 2009 (referentienr. SGS9/06298) en de regering van de Verenigde Staten, ministerie van Buitenlandse zaken, dd. 6 juli 2009.

(5)  PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.


UITVOERINGSOVEREENKOMST

tussen de Commissie en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerkingsactiviteiten op het gebied van onderzoek naar de binnenlandse en de civiele veiligheid

Overeenkomstig de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika, getekend te Washington op 5 december 1997, verlengd en gewijzigd (door middel van een uitwisseling van Notes Verbale tussen de Raad van de Europese Unie dd. 15 mei 2009 en de regering van de Verenigde Staten, ministerie van Buitenlandse Zaken, dd. 6 juli 2009), hierna „de overeenkomst” te noemen, is hierbij tussen de Europese Commissie (EC) en de Verenigde Staten van Amerika (Verenigde Staten), hierna „de partijen” te noemen, een uitvoeringsovereenkomst inzake samenwerkingsactiviteiten op het interdisciplinaire gebied van onderzoek naar de binnenlandse en de civiele veiligheid gesloten. De samenwerkingsactiviteiten vinden plaats op grond van de voorwaarden van de overeenkomst. Het doel van deze uitvoeringsovereenkomst is een dergelijke samenwerking tussen partijen te bevorderen, te ontwikkelen en te vergemakkelijken, uitgevoerd op basis van wederzijds voordeel door een algeheel evenwichtige verdeling van de voordelen, van wederzijdse mogelijkheden om aan samenwerkingsactiviteiten deel te nemen en van een billijke en eerlijke behandeling. Deze uitvoeringsovereenkomst is niet bedoeld om wettelijk afdwingbare verplichtingen in te stellen.

1.   Samenwerkingsactiviteiten

Partijen kunnen samenwerkingsactiviteiten uitvoeren en bevorderen op alle gebieden van wetenschap en technologie die gerelateerd zijn aan het gebied van de binnenlandse en de civiele veiligheid, uiteengezet in het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) onder thema 10 „Veiligheid” (en desbetreffende vervolgprogramma’s) enerzijds, en de prioriteiten van het ministerie van Buitenlandse Zaken anderzijds.

De samenwerkingsactiviteiten kunnen met name de volgende onderzoeksgebieden voor binnenlandse en civiele veiligheid betreffen:

1.1.

beveiliging van burgers (bv. bescherming tegen natuurlijke en menselijke dreigingen, bescherming tegen de productie van illegale drugs), waaronder het beheersen van crises en noodsituaties;

1.2.

beveiliging en herstel van belangrijke infrastructuren en hulpbronnen, landbouw, nutsvoorzieningen, communicatiesystemen en financiële diensten;

1.3.

de interactie tussen veiligheid en de samenleving, waaronder het raakvlak tussen mens en technologie, gedragsonderzoek, persoonlijke levenssfeer en biometrie;

1.4.

beveiliging bij grenscontroles en grensovergangen, inclusief de land- en zeegrenzen;

1.5.

optimalisering van bestaande technologieën en de interoperabiliteit daarvan;

1.6.

ontwikkeling van technologieën voor eindgebruikers en van apparatuur om bestaande leemtes op te vullen en aan bepaalde eisen te voldoen, bijvoorbeeld voor civiele bescherming en hulpverleners;

1.7.

ontwikkeling en uitwisseling van relevante eisen, normen, kwetsbaarheidsanalysen, analysen van onderlinge afhankelijkheden, certificeringen, goede praktijken, richtsnoeren, opleidingsprogramma’s, testrapporten, gegevens, software, apparatuur en van personeel.

2.   Aard van de samenwerkingsactiviteiten

2.1.

De samenwerkingsactiviteiten kunnen onder meer omvatten:

2.1.1.

het bieden van vergelijkbare mogelijkheden voor instellingen van de Europese Unie en van de Verenigde Staten om deel te nemen in de onder 1 genoemde activiteiten;

2.1.2.

een tijdige uitwisseling van relevante informatie, waaronder te verwachten oproepen voor subsidies of voor het indienen van voorstellen, of aankondigingen van de onder 2.1.1 genoemde mogelijkheden;

2.1.3.

activiteiten om, binnen de respectieve onderzoeksgemeenschappen van partijen, de door deze uitvoeringsovereenkomst geboden mogelijkheden te bevorderen, bv. door regelmatige deelname aan programma-evaluaties van partijen, de oproepen voor subsidies en aankondigingen van zgn. Broad Agency Announcements van de Verenigde Staten en de oproepen van de Europese Unie tot het indienen van voorstellen;

2.1.4.

een vergelijkbare toegang tot laboratoriumvoorzieningen en tot apparatuur en materiaal, voor het uitvoeren van wetenschappelijke en technologische activiteiten, waaronder onderzoek, ontwikkeling, testen en evaluatie, normalisatie en certificering;

2.1.5.

steun voor gezamenlijk onderzoek, inhoudelijke ontwikkeling en uitnodiging tot voorstellen, aanvullingen op bestaande subsidies, contracten en overeenkomsten, alsmede financiering van thematische samenwerkingsactiviteiten tot wederzijds voordeel en met toegevoegde waarde.

3.   Coördinatie

3.1.

De Verenigde Staten en de Commissie hebben de intentie nauw samen te werken bij de coördinatie van gezamenlijke activiteiten. Daarom dienen er voor iedere partij twee vertegenwoordigers te zijn die de taak hebben de activiteiten te coördineren (de „stuurgroep”). De vertegenwoordigers kunnen zo nodig bijeenkomsten beleggen, gewoonlijk eenmaal per jaar. Doorgaans zullen de bijeenkomsten afwisselend in de Europese Unie en in de Verenigde Staten van Amerika plaatsvinden, waarbij de partij van ontvangst zorgdraagt voor organisatorische en administratieve bijstand.

3.2.

Indien nodig mogen partijen extra vertegenwoordigers aanwijzen om bij dergelijke bijeenkomsten aanwezig te zijn. De bijeenkomsten dienen gezamenlijk te worden voorgezeten door de staatssecretaris van Wetenschappen en Technologie van het Department of Homeland Security, en de met veiligheidsonderzoek belaste directeur binnen de EC. Deze stuurgroep heeft geen formele status.

3.3.

De taak van de stuurgroep is om in het kader van deze uitvoeringsovereenkomst toezicht te houden op de samenwerkingsactiviteiten en deze activiteiten te bevorderen. De stuurgroep wisselt informatie uit over gebruiken, wetten, voorschriften en programma’s die relevant zijn voor de samenwerking in het kader van deze uitvoeringsovereenkomst. De stuurgroep stelt vooraf voor elk jaar doelstellingen en mogelijkheden vast, stelt ad-hocactiviteiten voor en evalueert de in de programma’s van partijen in het kader van deze uitvoeringsovereenkomst vastgelegde activiteiten, deelnameniveaus en soortgelijke inspanningen. Tevens stelt de stuurgroep periodiek een voortgangsverslag over de samenwerking op.

4.   Financiering

4.1.

De samenwerkingsactiviteiten in het kader van deze uitvoeringsovereenkomst zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van passende financiering en van de toepasselijke wet- en regelgeving, het beleid en de programma’s van partijen, alsmede van de voorwaarden van de overeenkomst en van deze uitvoeringsovereenkomst. Deze uitvoeringsovereenkomst schept geen financiële verplichtingen.

4.2.

Elke partij draagt zelf de kosten van deelname aan bijeenkomsten van de stuurgroep. Andere kosten dan reis- en verblijfkosten, die rechtstreeks te maken hebben met de bijeenkomsten van de stuurgroep, worden door de partij van ontvangst van die bijeenkomst gedragen, tenzij anders overeengekomen.

4.3.

Elke partij draagt zelf de verantwoordelijkheid voor de controle van acties ter ondersteuning van samenwerkingsactiviteiten, waaronder de activiteiten van hun eigen deelnemers. De controles dienen te voldoen aan de gebruikelijke praktijk van desbetreffende partij.

5.   Intellectuele eigendom

De toekenning en bescherming van intellectuele-eigendomsrechten geschieden in overeenstemming met de bepalingen in de bijlage bij de overeenkomst.

6.   Gerubriceerde gegevens; apparatuur en materiaal

6.1.

Door partijen uitgewisselde of verkregen gerubriceerde gegevens zullen worden aangeduid, verwerkt en beschermd in overeenstemming met de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens van 30 april 2007 en met de daaruit voortvloeiende uitvoeringsregeling, de „Security Arrangement for the protection of classified information exchanged between the Europese Unie and the United States of America under the EU-Verenigde Staten Agreement on the security of classified information”, de beveiligingsregeling die is ingesteld door het Bureau beveiliging van het secretariaat-generaal van de Raad, het directoraat Beveiliging van de Commissie en het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten.

6.2.

Partijen zullen ieder een nationale veiligheidsinstantie aanwijzen als enig aanspreekpunt en als de instantie die verantwoordelijk is voor ontwikkelingsprocedures met betrekking tot de beveiliging van gerubriceerde gegevens in het kader van deze uitvoeringsovereenkomst.

6.3.

Ingevolge deze uitvoeringovereenkomst verstrekte of verkregen gegevens, apparatuur en materiaal worden in de Verenigde Staten behandeld als SECRET en in de Europese Unie als SECRET UE/EU SECRET.

7.   Ongeoorloofde bekendmaking van informatie

7.1.

„Controlled Unclassified Information” (gecontroleerde niet-gerubriceerde gegevens) van de Verenigde Staten en gevoelige niet-gerubriceerde gegevens („sensitive non-classified information”) van de Europese Unie betreffen: informatie of voorlopige of aan de besluitvorming voorafgaande gegevens, naargelang van het geval, die niet als gerubriceerde gegevens hoeven te worden beschouwd, maar waarvan de beperkingen in de toegang of de verspreiding, alsmede de gebruiksinstructies in overeenstemming zijn met de respectieve wet- en regelgeving, het beleid en de richtsnoeren van partijen.

7.2.

Indien van toepassing, moeten de gegevens die in het kader van deze uitvoeringsovereenkomst worden verstrekt of verkregen, teneinde het gevoelige karakter ervan vast te stellen, worden aangeduid in overeenstemming met de respectieve wet- en regelgeving, het beleid of de richtsnoeren van partijen.

7.3.

Voor de Verenigde Staten valt onder „Controlled Unclassified Information” onder meer, maar niet uitsluitend, de gegevens die zijn aangeduid met „Sensitive Security Information”, „For Official Use Only”, „Law Enforcement Sensitive Information”, „Protected Critical Infrastructure Information”, „Sensitive But Unclassified” (SBU), en eventueel „Business Confidential Information”. Voor de Commissie zijn gevoelige niet-gerubriceerde gegevens („sensitive non-classified information”) gegevens met een aanduiding die door het directoraat Beveiliging van de Commissie officieel erkend is.

7.4.

Op grond van deze uitvoeringsovereenkomst verstrekte „Controlled Unclassified Information” van de Verenigde Staten en gevoelige niet-gerubriceerde gegevens van de Europese Unie worden:

7.4.1.

naar behoren aangeduid om de gevoeligheid te benadrukken,

7.4.2.

niet gebruikt voor andere dan in deze uitvoeringsovereenkomst beschreven doeleinden, en

7.4.3.

niet aan derden bekendgemaakt zonder de voorafgaande toestemming van de partij die de gegevens levert of van de oorspronkelijke verstrekker.

7.5.

Partijen zullen, overeenkomstig hun respectieve wet- en regelgeving, alle hun ter beschikking staande noodzakelijke maatregelen nemen ter voorkoming van ongeoorloofde bekendmaking van niet-gerubriceerde gegevens waarvoor beperkingen in de toegang of de verspreiding nodig zijn.

7.6.

Partijen kunnen gedetailleerde veiligheidsregelingen voor het aanduiden, opslaan, behandelen en beschermen van gecontroleerde niet-gerubriceerde gegevens sluiten.

8.   Geschillenregeling

8.1.

Geschillen in verband met de intellectuele eigendom worden overeenkomstig de bepalingen van de bijlage bij de overeenkomst beslecht.

8.2.

Met uitzondering van geschillen betreffende intellectuele eigendom, worden vragen of geschillen op grond van of in verband met deze uitvoeringsovereenkomst beslecht door onderlinge overeenstemming tussen partijen, overeenkomstig de voorwaarden van de overeenkomst, met inbegrip van artikel 12.

9.   Duur

Deze uitvoeringsovereenkomst treedt in werking na ondertekening door beide partijen. Deze uitvoeringsovereenkomst blijft gelden zolang de overeenkomst van kracht blijft of totdat een der partijen de deelname aan deze regeling beëindigt. Indien een partij voornemens is de deelname aan deze regeling te beëindigen, dient dit voornemen negentig dagen van te voren aan de andere partij kenbaar te worden gemaakt. De bescherming van gerubriceerde gegevens en het voorkomen van ongeoorloofde bekendmaking van gegevens blijven bestaan volgens het bepaalde in de overeenkomst en in de overeenkomst van 2007 inzake de beveiliging van gerubriceerde gegevens, ook al is deze uitvoeringsovereenkomst of de overeenkomst beëindigd of vervallen. Deze uitvoeringsovereenkomst kan bij schriftelijke overeenstemming van beide partijen worden aangepast of uitgebreid.

Ondertekend te …, op … 2010.

VOOR DE REGERING VAN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

VOOR DE EUROPESE COMMISSIE NAMENS DE EUROPESE UNIE