ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.083.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 83

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
30 maart 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 267/2010 van de Commissie van 24 maart 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 268/2010 van de Commissie van 29 maart 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de toegang, overeenkomstig geharmoniseerde voorwaarden, van instellingen en organen van de Gemeenschap tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten van de lidstaten

8

 

 

Verordening (EU) nr. 269/2010 van de Commissie van 29 maart 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

10

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/181/EU

 

*

Besluit van de Raad van 16 februari 2010 tot openbaarmaking van Aanbeveling 2010/190/EU strekkende tot het beëindigen van het gebrek aan overeenstemming van het economische beleid in Griekenland met de globale richtsnoeren voor het economische beleid en het wegnemen van het risico dat de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar komt

12

 

 

2010/182/EU

 

*

Besluit van de Raad van 16 februari 2010 tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

13

 

 

2010/183/EU

 

*

Besluit van de Raad van 16 maart 2010 tot wijziging van Beschikking 2009/459/EG tot verlening van financiële middellangetermijnbijstand van de Gemeenschap aan Roemenië

19

 

 

2010/184/GBVB

 

*

Besluit Atalanta/1/2010 van het Politiek en Veiligheidscomité van 5 maart 2010 tot wijziging van Besluit Atalanta/2/2009 van het Politiek en Veiligheidscomité inzake de aanvaarding van bijdragen van derde staten aan de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en het bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta) en van Besluit Atalanta/3/2009 van het Politiek en Veiligheidscomité betreffende de instelling van het Comité van contribuanten voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta)

20

 

 

2010/185/GBVB

 

*

Besluit Atalanta/2/2010 van het Politiek en Veiligheidscomité van 23 maart 2010 tot benoeming van de commandant van de strijdkrachten van de Europese Unie voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta)

22

 

*

Besluit 2010/186/GBVB van de Raad van 29 maart 2010 houdende wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2009/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Republiek Guinee

23

 

 

2010/187/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 25 maart 2010 houdende toestemming voor de lidstaten om bepaalde afwijkingen vast te stellen krachtens Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 1610)

24

 

 

2010/188/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 29 maart 2010 tot wijziging van bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG wat betreft de erkenning van bepaalde bestuurlijke gebieden van Polen en Portugal als officieel vrij van enzoötische boviene leukose (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 1912)  ( 1 )

59

 

 

2010/189/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 29 maart 2010 inzake preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza bij wilde eenden in Portugal en bepaalde maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van dat pluimvee en producten daarvan (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 1914)

62

 

 

AANBEVELINGEN

 

 

2010/190/EU

 

*

Aanbeveling van de Raad aan Griekenland van 16 februari 2010 strekkende tot het beëindigen van het gebrek aan overeenstemming van het economische beleid in Griekenland met de globale richtsnoeren voor het economische beleid en het wegnemen van het risico dat de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar komt

65

 

 

2010/191/EU

 

*

Aanbeveling van de Commissie van 22 maart 2010 betreffende de draagwijdte en de gevolgen van de hoedanigheid van wettig betaalmiddel van eurobankbiljetten en -munten

70

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/1


VERORDENING (EU) Nr. 267/2010 VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2010

betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 1534/91 van de Raad van 31 mei 1991 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector (1), en met name op artikel 1, lid 1, onder a), b), c) en e),

Na bekendmaking van de ontwerp-verordening,

Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van Verordening (EEG) nr. 1534/91 is de Commissie bevoegd om artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2) bij verordening toe te passen op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector die betrekking hebben op samenwerking ten aanzien van:

gemeenschappelijke risicopremietarieven die op collectief opgestelde statistieken of op het aantal schadegevallen berusten;

gemeenschappelijke standaardpolisvoorwaarden;

het gemeenschappelijk verzekeren van bepaalde standaardrisico’s;

de schadeafwikkeling;

het onderzoek en de goedkeuring van veiligheidsvoorzieningen;

registers van en informatie omtrent verhoogde risico’s.

(2)

Krachtens Verordening (EEG) nr. 1534/91 heeft de Commissie Verordening (EG) nr. 358/2003 van 27 februari 2003 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector vastgesteld (3). Verordening (EG) nr. 358/2003 vervalt op 31 maart 2010.

(3)

Verordening (EG) nr. 358/2003 verleent geen vrijstelling voor overeenkomsten die betrekking hebben op de afwikkeling van schade en op registers van en informatie over verhoogde risico’s. De Commissie was van oordeel dat zij niet voldoende ervaring had opgedaan bij de behandeling van individuele gevallen om gebruik te maken van de bevoegdheid die haar bij Verordening (EEG) nr. 1534/91 op deze gebieden wordt verleend. Er is geen verandering in die situatie gekomen. Voorts dient de onderhavige verordening, in tegenstelling tot Verordening (EG) nr. 358/2003, geen vrijstelling te verlenen voor de vaststelling van standaardpolisvoorwaarden en het onderzoek en de goedkeuring van veiligheidsvoorzieningen, omdat uit de door de Commissie verrichte evaluatie van de werking van Verordening (EG) nr. 358/2003 is gebleken dat het niet langer noodzakelijk is dergelijke overeenkomsten in een sectorspecifieke groepsvrijstellingsverordening op te nemen. Gezien het feit dat die twee groepen van overeenkomsten niet kenmerkend zijn voor de verzekeringssector en, zoals uit de evaluatie is gebleken, tevens aanleiding kunnen geven tot bepaalde mededingingsbezwaren, is het passender dat zij aan zelfbeoordeling worden onderworpen.

(4)

Nadat de Commissie op 17 april 2008 een openbare raadpleging had gestart, heeft zij op 24 maart 2009 een verslag uitgebracht aan het Europees Parlement en de Raad over de werking van Verordening (EG) nr. 358/2003 (4). In dat verslag en het bijgevoegde werkdocument zijn voorlopige wijzigingen van Verordening (EG) nr. 358/2003 voorgesteld. Op 2 juni 2009 heeft de Commissie een openbare bijeenkomst gehouden met de belanghebbenden, waaronder vertegenwoordigers van de verzekeringssector, consumentenverenigingen en nationale mededingingsautoriteiten, over de in het verslag en het werkdocument vervatte conclusies en voorstellen.

(5)

De onderhavige verordening moet een daadwerkelijke bescherming van de mededinging waarborgen, zij moet de consumenten ten goede komen en zij moet de ondernemingen voldoende rechtszekerheid verschaffen. Bij het nastreven van deze doelstellingen moet rekening worden gehouden met de ervaring die de Commissie op dit gebied heeft opgedaan, alsmede met de resultaten van de raadplegingen die aan de vaststelling van deze verordening zijn voorafgegaan.

(6)

Verordening (EEG) nr. 1534/91 bepaalt dat de vrijstellingsverordening van de Commissie de groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen moet omschrijven waarop zij van toepassing is, dat zij moet verduidelijken welke beperkingen of bepalingen al dan niet in de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen mogen voorkomen, en dat zij moet vermelden welke bepalingen in de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen moeten voorkomen of aan welke andere voorwaarden moet zijn voldaan.

(7)

Niettemin is het passend de benadering van Verordening (EG) nr. 358/2003 te handhaven en de nadruk te leggen op het omschrijven van de groepen van overeenkomsten waarvoor tot een bepaald marktaandeel een vrijstelling geldt, en op het vermelden van de beperkingen of bepalingen die niet in dergelijke overeenkomsten mogen worden opgenomen.

(8)

De bij deze verordening geregelde groepsvrijstelling dient slechts van toepassing te zijn op overeenkomsten waarvan met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat zij aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, van het Verdrag voldoen. Het is voor de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag bij verordening niet noodzakelijk te omschrijven welke overeenkomsten onder de toepassing van artikel 101, lid 1, van het Verdrag kunnen vallen. Tegelijkertijd wordt er niet van uitgegaan dat overeenkomsten waarop de onderhavige verordening niet van toepassing is, onder artikel 101, lid 1, van het Verdrag vallen of niet aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, van het Verdrag voldoen. Bij de individuele beoordeling van overeenkomsten op grond van artikel 101, lid 1, van het Verdrag dient rekening te worden gehouden met verschillende factoren, en vooral met de structuur van de relevante markt.

(9)

Samenwerking tussen verzekeringsondernemingen of in ondernemersverenigingen met betrekking tot het verzamelen van gegevens (wat ook bepaalde statistische berekeningen kan omvatten) voor de berekening van de gemiddelde kosten voor de dekking van een welbepaald risico in het verleden of, in verband met levensverzekering, de opstelling van mortaliteitstabellen of van tabellen waaruit de frequentie van ziekte, ongevallen en invaliditeit blijkt, maakt het mogelijk de kennis van risico’s te verbeteren en vergemakkelijkt de beoordeling van risico’s voor individuele ondernemingen. Dit kan op zijn beurt de markttoegang vergemakkelijken en aldus de consumenten ten goede komen. Hetzelfde geldt voor gemeenschappelijk onderzoek naar de vermoedelijke gevolgen van externe omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de frequentie of de omvang van de schadeclaims of het rendement van verschillende soorten beleggingen. Hierbij moet er echter wel op worden toegezien dat dergelijke samenwerking enkel wordt vrijgesteld indien zij noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken. Daarom dient met name te worden bepaald dat overeenkomsten inzake commerciële premies niet zijn vrijgesteld. Commerciële premies kunnen immers lager zijn dan de bedragen die in de desbetreffende compilaties, tabellen of onderzoeksresultaten zijn vermeld, omdat verzekeraars de inkomsten uit hun beleggingen kunnen gebruiken om hun premies te verlagen. Bovendien dienen de desbetreffende compilaties, tabellen of onderzoeken niet bindend te zijn en dienen zij uitsluitend als referentie te worden gebruikt. De uitwisseling van informatie die niet noodzakelijk is om de in deze overweging genoemde doelstellingen te verwezenlijken, dient niet onder deze verordening te vallen.

(10)

Voorts geldt dat hoe beperkter de categorieën zijn waarin de statistische gegevens inzake de kosten voor de dekking van een welbepaald risico in het verleden worden ingedeeld, des te ruimer de mogelijkheden voor verzekeringsondernemingen zijn om hun commerciële premies bij de berekening ervan te differentiëren. Het is derhalve passend om slechts vrijstelling te verlenen voor gemeenschappelijke compilaties van de kosten van risico’s in het verleden indien de beschikbare statistische gegevens vanuit actuarieel oogpunt voldoende gedetailleerd en gedifferentieerd zijn.

(11)

Daarenboven moeten de compilaties, tabellen en onderzoeksresultaten toegankelijk zijn, zowel voor verzekeringsondernemingen die reeds op de desbetreffende geografische of productmarkt actief zijn als voor de ondernemingen die overwegen die markt te betreden. De toegang tot dergelijke compilaties, tabellen en onderzoeksresultaten kan eveneens waardevol zijn voor consumentenverenigingen of klantenorganisaties. Verzekeringsondernemingen die nog niet op de betrokken markt actief zijn en consumentenverenigingen of klantenorganisaties moet toegang tot dergelijke compilaties, tabellen en onderzoeksresultaten worden verleend onder redelijke, betaalbare en niet-discriminerende voorwaarden ten opzichte van de verzekeringsondernemingen die reeds op de markt aanwezig zijn. Zo zou aan een verzekeringsonderneming die nog niet op de markt aanwezig is als voorwaarde kunnen worden gesteld dat zij zich ertoe verbindt statistische gegevens inzake schadeclaims over te leggen indien zij de markt zou betreden. Een andere voorwaarde zou kunnen zijn dat een verzekeringsonderneming zich aansluit bij de vereniging van verzekeraars die met het opstellen van de compilaties is belast. Wel dient een uitzondering te kunnen worden gemaakt op de eis om toegang te verlenen aan consumentenverenigingen of klantenorganisaties om redenen van openbare veiligheid, bijvoorbeeld wanneer de informatie betrekking heeft op de veiligheidssystemen van nucleaire installaties of de zwakke punten van overstromingspreventiesystemen.

(12)

De betrouwbaarheid van gemeenschappelijke compilaties, tabellen en onderzoeken neemt toe naarmate de hoeveelheid statistieken waarop zij gebaseerd zijn, groter is. Verzekeraars met een groot marktaandeel produceren intern wellicht voldoende statistische gegevens om betrouwbare compilaties op te stellen, maar ondernemingen met een klein marktaandeel zijn hiertoe waarschijnlijk niet in staat, en nieuwkomers op de markt nog minder. Het is in beginsel bevorderlijk voor de concurrentie indien de gegevens van alle verzekeraars op een markt, ook van de grote verzekeraars, in deze gemeenschappelijke compilaties, tabellen en onderzoeken worden opgenomen omdat kleinere verzekeraars hiervan profiteren en de toegang tot de markt wordt vergemakkelijkt. Gezien dit specifieke karakter van de verzekeringssector dient een vrijstelling voor deze gemeenschappelijke compilaties, tabellen en onderzoeken niet aan marktaandeeldrempels te worden gekoppeld.

(13)

Medeverzekerings- of medeherverzekeringspools kunnen onder bepaalde strikte voorwaarden noodzakelijk zijn om de deelnemende ondernemingen van een pool in staat te stellen risico’s te verzekeren of te herverzekeren waarvoor zij, indien de desbetreffende pool niet zou bestaan, onvoldoende dekking zouden kunnen bieden. Dit soort pools hebben over het algemeen geen beperking van de mededinging in de zin van artikel 101, lid 1, van het Verdrag tot gevolg en vallen derhalve niet onder het daarin vervatte verbod.

(14)

Medeverzekerings- of medeherverzekeringspools kunnen verzekeraars en herverzekeraars in staat stellen risico’s te verzekeren of te herverzekeren, ook indien het samenwerkingsverband verder gaat dan wat voor het verzekeren van deze risico’s noodzakelijk is. Dit soort pools kunnen evenwel een beperking van de mededinging tot gevolg hebben in de vorm van gestandaardiseerde polisvoorwaarden en zelfs gestandaardiseerde dekkingsbedragen en premies. Het is daarom passend te bepalen onder welke voorwaarden aan deze pools vrijstelling kan worden verleend.

(15)

Bij werkelijk nieuwe risico’s is het niet mogelijk van tevoren te weten welke inschrijvingscapaciteit nodig is om het risico te dekken, en evenmin of twee of meer pools zouden kunnen samenwerken om de desbetreffende specifieke dekking te verschaffen. Daarom kan een „pooling”-overeenkomst waarbij de medeverzekering of medeherverzekering van dergelijke nieuwe risico’s wordt aangeboden, gedurende een beperkte periode worden vrijgesteld zonder dat er een marktaandeeldrempel geldt. In een periode van drie jaar zouden voldoende historische gegevens over schadeclaims moeten kunnen worden verzameld om te beoordelen of de oprichting van een pool al dan niet noodzakelijk is.

(16)

Risico’s die voorheen niet bestonden, moeten als nieuwe risico’s worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen echter kunnen risico’s waarvan de aard blijkens objectief onderzoek zo sterk is veranderd dat het niet mogelijk is van tevoren te weten welke inschrijvingscapaciteit nodig is om deze risico’s te dekken, als nieuwe risico’s worden beschouwd.

(17)

Voor het dekken van risico’s die niet nieuw zijn, kunnen medeverzekerings- en medeherverzekeringspools die een beperking van de mededinging tot gevolg hebben onder bepaalde strikte voorwaarden voordelen meebrengen die een vrijstelling ingevolge artikel 101, lid 3, van het Verdrag rechtvaardigen, ook al zouden twee of meer concurrerende verzekeringsondernemingen in dit geval eveneens dekking kunnen verschaffen. Zij kunnen bijvoorbeeld de deelnemende ondernemingen in staat stellen de nodige ervaring met de betrokken verzekeringsbranche op te doen, of tot kostenbesparingen leiden of tot een verlaging van premies door gemeenschappelijke herverzekering onder gunstige voorwaarden. Een dergelijke vrijstelling dient echter beperkt te blijven tot overeenkomsten die de desbetreffende ondernemingen niet de mogelijkheid bieden de mededinging ten aanzien van een wezenlijk deel van de betrokken producten uit te schakelen. Voor consumenten kunnen pools slechts daadwerkelijk voordelig zijn indien er op de markten waarop deze pools actief zijn voldoende concurrentie is. Aan deze voorwaarde dient te worden geacht te zijn voldaan indien de pool onder een bepaalde marktaandeeldrempel blijft en derhalve mag worden verondersteld dat de pool daadwerkelijke dan wel potentiële concurrentie ondervindt van niet aan de pool deelnemende ondernemingen.

(18)

Deze verordening dient derhalve vrijstelling te verlenen aan medeverzekerings- of medeherverzekeringspools die gedurende meer dan drie jaar bestaan of die niet zijn gevormd ter dekking van een nieuw risico, mits het gezamenlijke marktaandeel van de deelnemende ondernemingen bepaalde drempels niet overschrijdt. De drempel voor medeverzekeringspools dient lager te zijn omdat deze pools mogelijk gemeenschappelijke polisvoorwaarden en commerciële premies toepassen. Om na te gaan of een pool aan de marktaandeelvoorwaarde voldoet, moeten de totale marktaandelen van de deelnemende ondernemingen worden opgeteld. Het marktaandeel van elke deelnemende onderneming is gebaseerd op het totale brutopremie-inkomen van die deelnemende onderneming, zowel binnen als buiten de pool, op dezelfde relevante markt. Deze vrijstelling dient echter uitsluitend van toepassing te zijn wanneer de desbetreffende pool aan de overige voorwaarden van deze verordening voldoet, waarmee wordt beoogd de beperking van de mededinging tussen de aan de pool deelnemende ondernemingen zoveel mogelijk tegen te gaan. Een individueel onderzoek is daarom in dergelijke gevallen noodzakelijk om na te gaan of aan de in de onderhavige verordening vervatte voorwaarden is voldaan.

(19)

Om het sluiten van overeenkomsten, die in sommige gevallen verstrekkende investeringsbeslissingen met zich brengen, te vergemakkelijken dient de geldigheidsduur van de onderhavige verordening te worden vastgesteld op zeven jaar.

(20)

De Commissie kan overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (5), de bij de onderhavige verordening verleende groepsvrijstelling intrekken wanneer zij van oordeel is dat in een bepaald geval een overeenkomst die bij deze verordening is vrijgesteld desondanks gevolgen heeft die onverenigbaar zijn met artikel 101, lid 3, van het Verdrag.

(21)

De mededingingsautoriteit van een lidstaat kan overeenkomstig artikel 29, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003, de bij de onderhavige verordening verleende groepsvrijstelling op het grondgebied, of een gedeelte van het grondgebied, van die lidstaat intrekken wanneer zij in een bepaald geval vaststelt dat een bij deze verordening vrijgestelde overeenkomst desondanks op het grondgebied, of een gedeelte van het grondgebied, van die lidstaat dat alle kenmerken van een afzonderlijke geografische markt vertoont, gevolgen heeft die onverenigbaar zijn met artikel 101, lid 3, van het Verdrag.

(22)

Om te bepalen of de bij de onderhavige verordening verleende groepsvrijstelling overeenkomstig artikel 29 van Verordening (EG) nr. 1/2003 moet worden ingetrokken, zijn de concurrentiebeperkende effecten die kunnen voortvloeien uit het bestaan van banden tussen een medeverzekerings- of medeherverzekeringspool en/of de daarin deelnemende ondernemingen en andere pools en/of de daarin deelnemende ondernemingen op dezelfde relevante markt van bijzonder belang,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DEFINITIES

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „overeenkomst”: een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging;

2.   „deelnemende ondernemingen”: ondernemingen die partij bij de overeenkomst zijn en de respectieve met hen verbonden ondernemingen;

3.   „verbonden ondernemingen”:

a)

ondernemingen waarin een partij bij de overeenkomst direct of indirect:

i)

de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen,

ii)

de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de leden van de raad van toezicht, van de raad van bestuur of van de krachtens de wet tot vertegenwoordiging bevoegde organen te benoemen, of

iii)

het recht heeft de zaken van de onderneming te leiden;

b)

ondernemingen die ten aanzien van een partij bij de overeenkomst direct of indirect over de onder a) genoemde rechten of bevoegdheden beschikken;

c)

ondernemingen waarin een onderneming als bedoeld onder b) direct of indirect over de onder a) genoemde rechten of bevoegdheden beschikt;

d)

ondernemingen waarin een partij bij de overeenkomst samen met één of meer van de ondernemingen als bedoeld onder a), b) of c), of waarin twee of meer van de laatstgenoemde ondernemingen gezamenlijk over de onder a) genoemde rechten of bevoegdheden beschikken;

e)

ondernemingen waarin over de onder a) genoemde rechten of bevoegdheden gezamenlijk wordt beschikt door:

i)

partijen bij de overeenkomst of de respectieve met hen verbonden ondernemingen als bedoeld onder a) tot en met d), of

ii)

één of meer partijen bij de overeenkomst of één of meer van de met hen verbonden ondernemingen als bedoeld onder a) tot en met d) en één of meer derde partijen;

4.   „medeverzekeringspools”: groepen die hetzij rechtstreeks hetzij via makelaars of erkende agenten door verzekeringsondernemingen zijn gevormd, met uitzondering van ad-hocmedeverzekeringsovereenkomsten op de inschrijvingsmarkt, waarbij een bepaald gedeelte van een gegeven risico wordt gedekt door een leidende verzekeraar en het overige deel van het risico wordt gedekt door volgverzekeraars die worden uitgenodigd het resterende gedeelte van het risico te dekken, en die:

5.   „medeherverzekeringspools”: groepen die hetzij rechtstreeks hetzij via makelaars of erkende agenten door verzekeringsondernemingen zijn gevormd, mogelijk met de steun van één of meer herverzekeringsondernemingen, met uitzondering van ad-hocmedeherverzekeringsovereenkomsten op de inschrijvingsmarkt, waarbij een bepaald gedeelte van een gegeven risico wordt gedekt door een leidende verzekeraar en het overige deel van dit risico wordt gedekt door volgverzekeraars die worden uitgenodigd het resterende gedeelte van het risico te dekken, teneinde:

6.   „nieuwe risico’s”:

a)

risico's die voorheen niet bestonden, en voor de dekking waarvan een geheel nieuw verzekeringsproduct moet worden ontwikkeld dat niet de uitbreiding, verbetering of vervanging van een bestaand verzekeringsproduct inhoudt, of

b)

in uitzonderlijke gevallen, risico’s waarvan de aard blijkens objectief onderzoek zo wezenlijk is veranderd dat het niet mogelijk is van tevoren te weten welke inschrijvingscapaciteit nodig is om deze risico’s te dekken;

7.   „commerciële premie”: de prijs die de koper van een verzekeringspolis in rekening wordt gebracht.

HOOFDSTUK II

GEMEENSCHAPPELIJKE COMPILATIES, TABELLEN EN ONDERZOEKEN

Artikel 2

Vrijstelling

Overeenkomstig artikel 101, lid 3, van het Verdrag en onverminderd de bepalingen van deze verordening is artikel 101, lid 1, van het Verdrag niet van toepassing op overeenkomsten die tussen twee of meer ondernemingen in de verzekeringssector worden gesloten met betrekking tot:

a)

de gemeenschappelijke verzameling en verspreiding van informatie die noodzakelijk is voor de volgende doeleinden:

i)

de berekening van de gemiddelde kosten van de dekking van een welbepaald risico in het verleden (hierna „compilaties” genoemd);

ii)

de opstelling van mortaliteitstabellen en tabellen waaruit de frequentie van ziekte, ongevallen en invaliditeit blijkt in verband met verzekeringsdekking die een kapitalisatie-element bevat (hierna „tabellen” genoemd);

b)

het gemeenschappelijk verrichten van onderzoek naar de vermoedelijke gevolgen van algemene omstandigheden die zich aan de invloed van de belanghebbende ondernemingen onttrekken, hetzij voor de frequentie of de omvang van toekomstige schadeclaims betreffende een bepaald risico of een bepaalde risicocategorie, hetzij voor de rentabiliteit van de verschillende soorten beleggingen (hierna „onderzoeken” genoemd), en de verspreiding van de resultaten van deze onderzoeken.

Artikel 3

Voorwaarden voor vrijstelling

1.   De in artikel 2, onder a), vervatte vrijstelling is van toepassing mits de compilaties of tabellen:

a)

gebaseerd zijn op het verzamelen van gegevens gedurende een aantal als observatieperiode gekozen risicojaren, die betrekking hebben op een toereikend aantal identieke of vergelijkbare risico’s om een basis te vormen voor statistische bewerkingen, zodat onder andere het volgende kan worden berekend:

i)

het aantal schadeclaims in de loop van deze periode;

ii)

het aantal individuele verzekerde risico’s in elk risicojaar van de gekozen observatieperiode;

iii)

de totale in verband met de in deze periode ingediende schadeclaims uitgekeerde of nog uit te keren bedragen;

iv)

het totaalbedrag van het verzekerde kapitaal voor elk risicojaar in de gekozen observatieperiode;

b)

een specificatie van de beschikbare statistische gegevens bevatten die vanuit actuarieel oogpunt voldoende gedetailleerd is;

c)

op geen enkele wijze toeslagen voor onvoorziene omstandigheden, opbrengsten van reserves, administratieve of commerciële kosten of fiscale of parafiscale heffingen omvatten, en geen rekening houden met inkomsten uit beleggingen of verwachte winst.

2.   De in artikel 2 vervatte vrijstellingen zijn van toepassing mits de compilaties, tabellen of onderzoeksresultaten:

a)

de betrokken verzekeringsondernemingen of verzekerde partijen niet identificeren;

b)

worden opgesteld en verspreid onder uitdrukkelijke vermelding dat zij niet bindend zijn;

c)

geen enkele aanwijzing bevatten inzake de hoogte van commerciële premies;

d)

onder redelijke, betaalbare en niet-discriminerende voorwaarden ter beschikking worden gesteld aan iedere verzekeringsonderneming die om een exemplaar verzoekt, met inbegrip van verzekeringsondernemingen die niet actief zijn op de geografische of de productmarkt waarop deze compilaties, tabellen of onderzoeksresultaten betrekking hebben;

e)

onder redelijke, betaalbare en niet-discriminerende voorwaarden ter beschikking worden gesteld aan consumentenverenigingen of klantenorganisaties die hiertoe een specifiek en nauwkeurig geformuleerd verzoek indienen om een naar behoren gemotiveerde reden, tenzij niet-openbaarmaking om redenen van openbare veiligheid objectief gerechtvaardigd is.

Artikel 4

Overeenkomsten die niet onder de vrijstelling vallen

De in artikel 2 vervatte vrijstellingen zijn niet van toepassing wanneer deelnemende ondernemingen zich er onderling toe verbinden of andere ondernemingen ertoe verplichten geen andere dan de in artikel 2, onder a), bedoelde compilaties of tabellen te gebruiken of niet af te wijken van de resultaten van de in artikel 2, onder b), bedoelde onderzoeken.

HOOFDSTUK III

GEMEENSCHAPPELIJKE DEKKING VAN BEPAALDE SOORTEN RISICO’S

Artikel 5

Vrijstelling

Overeenkomstig artikel 101, lid 3, van het Verdrag en onverminderd de bepalingen van deze verordening is artikel 101, lid 1, van het Verdrag niet van toepassing op overeenkomsten die tussen twee of meer ondernemingen in de verzekeringssector worden gesloten met betrekking tot de vorming en exploitatie van pools van verzekeringsondernemingen of van verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen met het oog op de gemeenschappelijke dekking van een specifieke risicocategorie in de vorm van medeverzekering of medeherverzekering.

Artikel 6

Toepassing van de vrijstelling en marktaandeeldrempels

1.   De in artikel 5 vervatte vrijstelling is van toepassing op medeverzekerings- of medeherverzekeringspools die uitsluitend ter dekking van nieuwe risico’s zijn gevormd, en wel gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum waarop de pool werd gevormd, ongeacht zijn marktaandeel.

2.   De in artikel 5 vervatte vrijstelling is, zolang de onderhavige verordening van kracht is, van toepassing op medeverzekerings- of medeherverzekeringspools die niet onder lid 1 vallen, mits het gezamenlijke marktaandeel van de deelnemende ondernemingen:

a)

in het geval van medeverzekeringspools, niet groter is dan 20 % van de relevante markt;

b)

in het geval van medeherverzekeringspools, niet groter is dan 25 % van de relevante markt.

3.   Bij de berekening van het marktaandeel van een deelnemende onderneming op de relevante markt wordt rekening gehouden met:

a)

het marktaandeel van de deelnemende onderneming in de desbetreffende pool;

b)

het marktaandeel van de deelnemende onderneming in een andere pool op dezelfde relevante markt als de desbetreffende pool, waarbij de deelnemende onderneming is aangesloten;

c)

het marktaandeel van de deelnemende onderneming, buiten enige pool, op dezelfde relevante markt als de desbetreffende pool.

4.   Voor de toepassing van de in lid 2 bedoelde marktaandeeldrempels gelden de volgende regels:

a)

het marktaandeel wordt berekend op basis van het brutopremie-inkomen; ingeval geen gegevens betreffende het brutopremie-inkomen beschikbaar zijn, kan voor de bepaling van het marktaandeel van de betrokken onderneming worden gebruikgemaakt van ramingen die op andere betrouwbare marktinformatie gebaseerd zijn, zoals de geboden verzekeringsdekking of de waarde van het verzekerde risico;

b)

het marktaandeel wordt berekend op grond van gegevens die betrekking hebben op het voorafgaande kalenderjaar.

5.   Wanneer het in lid 2, onder a), bedoelde marktaandeel aanvankelijk niet meer dan 20 % bedraagt, maar vervolgens boven dat percentage stijgt zonder evenwel de 25 % te overschrijden, blijft de in artikel 5 bedoelde vrijstelling van toepassing gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren volgend op het jaar waarin de limiet van 20 % voor het eerst werd overschreden.

6.   Wanneer het in lid 2, onder a), bedoelde marktaandeel aanvankelijk niet meer dan 20 % bedraagt, maar vervolgens de 25 % overschrijdt, blijft de in artikel 5 bedoelde vrijstelling van toepassing gedurende één kalenderjaar volgend op het jaar waarin de 25 % voor het eerst werd overschreden.

7.   Het voordeel van het bepaalde in de leden 5 en 6 kan niet zodanig worden gecombineerd dat dit tot een langere periode dan twee kalenderjaren zou leiden.

8.   Wanneer het in lid 2, onder b), bedoelde marktaandeel aanvankelijk niet meer dan 25 % bedraagt, maar vervolgens boven dat percentage stijgt zonder de 30 % te overschrijden, blijft de in artikel 5 bedoelde vrijstelling van toepassing gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren volgend op het jaar waarin de limiet van 25 % voor het eerst werd overschreden.

9.   Wanneer het in lid 2, onder b), bedoelde marktaandeel aanvankelijk niet meer dan 25 % bedraagt maar vervolgens de 30 % overschrijdt, blijft de in artikel 5 bedoelde vrijstelling van toepassing gedurende één kalenderjaar volgend op het jaar waarin de 30 % voor het eerst werd overschreden.

10.   Het voordeel van het bepaalde in de leden 8 en 9 kan niet zodanig worden gecombineerd dat dit tot een langere periode dan twee kalenderjaren zou leiden.

Artikel 7

Voorwaarden voor vrijstelling

De in artikel 5 bedoelde vrijstelling is van toepassing mits:

a)

elke deelnemende onderneming het recht heeft de pool te verlaten met een redelijke opzegtermijn, zonder dat zulks leidt tot sancties tegen de betrokken onderneming;

b)

de regels van de pool de daarin deelnemende ondernemingen niet verplichten het door de pool gedekte soort risico’s geheel of gedeeltelijk via de pool te verzekeren of te herverzekeren, en de in de pool deelnemende ondernemingen evenmin verbieden deze risico’s buiten de pool te verzekeren of te herverzekeren;

c)

de regels van de pool de activiteiten van de pool of de daarin deelnemende ondernemingen niet beperken tot de verzekering of herverzekering van risico’s in bepaalde geografische gebieden van de Unie;

d)

de overeenkomst de productie of verkoop niet beperkt;

e)

de overeenkomst niet leidt tot een verdeling van markten of klanten, en

f)

de deelnemende ondernemingen van een medeherverzekeringspool geen afspraken maken over de commerciële premies die zij op het gebied van het directe verzekeringsbedrijf berekenen.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 8

Overgangstermijn

Het verbod van artikel 101, lid 1, van het Verdrag is in de periode van 1 april 2010 tot en met 30 september 2010 niet van toepassing op overeenkomsten die op 31 maart 2010 reeds van kracht zijn en die niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van deze verordening, maar wel aan de vrijstellingsvoorwaarden van Verordening (EG) nr. 358/2003, voldoen.

Artikel 9

Geldigheidsduur

Deze verordening treedt in werking op 1 april 2010.

Zij vervalt op 31 maart 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 143 van 7.6.1991, blz. 1.

(2)  Artikel 81 van het EG-Verdrag is met ingang van 1 december 2009 artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geworden. De twee artikelen zijn in wezen identiek. Voor zover van toepassing, dienen in deze verordening de verwijzingen naar artikel 101 van het Verdrag betreffende de Europese Unie te worden gelezen als verwijzingen naar artikel 81 van het EG-Verdrag.

(3)  PB L 53 van 28.2.2003, blz. 8.

(4)  COM(2009) 138.

(5)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/8


VERORDENING (EU) Nr. 268/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 maart 2010

ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de toegang, overeenkomstig geharmoniseerde voorwaarden, van instellingen en organen van de Gemeenschap tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten van de lidstaten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (1), en met name op artikel 17, lid 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Richtlijn 2007/2/EG moeten de lidstaten de instellingen en organen van de Gemeenschap overeenkomstig geharmoniseerde voorwaarden toegang verlenen tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten.

(2)

Om een coherente aanpak van het verlenen van toegang tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten te waarborgen, worden in deze verordening een aantal minimumvoorwaarden vastgesteld die moeten worden gerespecteerd.

(3)

Uit hoofde van artikel 17, lid 7, van Richtlijn 2007/2/EG zijn beperkingen van de uitwisseling van gegevens toegestaan. De lidstaten moeten echter, ook wanneer zij dergelijke beperkingen toepassen, vrij zijn om maatregelen (bijvoorbeeld veiligheidsmaatregelen) te specificeren die de instellingen en organen van de Gemeenschap moeten nemen om toch toegang te kunnen krijgen tot deze gegevens en diensten.

(4)

In alle overeenkomsten, met inbegrip van licentieovereenkomsten, contracten en elektronische briefwisseling of in andere regelingen inzake de toegang van de instellingen en organen van de Gemeenschap tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten van de lidstaten en hun overheidsinstanties in het kader van deze verordening moet de terminologie van artikel 3 van Richtlijn 2007/2/EG worden gebruikt.

(5)

Om hun publieke taak te volbrengen en bij te dragen aan de uitvoering van het beleid van de Gemeenschap met betrekking tot het milieu, moeten de instellingen en organen van de Gemeenschap in staat zijn verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten ter beschikking te stellen aan contractanten die namens hen optreden.

(6)

Als algemene vereiste moeten de regelingen achttien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening daarmee in overeenstemming zijn. Aangezien eerder overeengekomen regelingen echter nog van toepassing kunnen zijn, is een overgangsbepaling noodzakelijk. Daarom moeten regelingen die bij de inwerkingtreding van deze verordening reeds gelden, bij hun verlenging of verstrijken, maar niet later dan drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, in overeenstemming zijn gebracht met deze verordening.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 22 van Richtlijn 2007/2/EG ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt geharmoniseerde voorwaarden vast voor de toegang tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten, overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2007/2/EG.

Artikel 2

Toegangsbeperkingen

Op verzoek van de instelling of het orgaan van de Gemeenschap geven de lidstaten de redenen aan voor een eventuele beperking van de uitwisseling van gegevens uit hoofde van artikel 17, lid 7, van Richtlijn 2007/2/EG.

De lidstaten kunnen aangeven onder welke voorwaarden de toegang die overeenkomstig artikel 17, lid 7, werd beperkt, toch kan worden toegestaan.

Artikel 3

Regelingen

1.   Alle regelingen betreffende toegang tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten moeten volledig verenigbaar zijn met de eisen van deze verordening.

2.   De in artikel 3 van Richtlijn 2007/2/EG vastgestelde definities moeten in alle regelingen betreffende de toegang tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten worden gebruikt.

Artikel 4

Gebruik van verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten

1.   Instellingen of organen van de Gemeenschap kunnen verzamelingen ruimtelijke gegevens of ruimtelijkegegevensdiensten beschikbaar stellen aan contractanten die namens hen optreden.

2.   Wanneer verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten overeenkomstig lid 1 beschikbaar worden gesteld, doen de instellingen en organen van de Gemeenschap alle mogelijke inspanningen om ongeoorloofd gebruik van die verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten te voorkomen.

3.   Wanneer een verzameling ruimtelijke gegevens of een ruimtelijkegegevensdienst overeenkomstig lid 1 ter beschikking is gesteld, mag de partij die deze ontvangt de beschikbare verzameling ruimtelijke gegevens of ruimtelijkegegevensdienst niet aan een andere partij ter beschikking stellen zonder schriftelijke toestemming van de oorspronkelijke gegevens- of dienstverlener.

Artikel 5

Metagegevens

De voorwaarden die overeenkomstig deze verordening van toepassing zijn op de instellingen en organen van de Gemeenschap moeten worden beschreven in het in deel B van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1205/2008 van de Commissie (2) bedoelde metagegevenselement 8.1.

Artikel 6

Transparantie

1.   Wanneer een instelling of orgaan van de Gemeenschap toegang vraagt tot een verzameling ruimtelijke gegevens of een ruimtelijkegegevensdienst, stelt de lidstaat op verzoek ten behoeve van evaluatie en gebruik, ook informatie ter beschikking over de mechanismen voor de verzameling, verwerking, productie en kwaliteitscontrole van en toegang tot de verzameling ruimtelijke gegevens of de ruimtelijkegegevensdienst, voor zover deze extra informatie beschikbaar is en redelijkerwijze kan worden gegenereerd en verstrekt.

2.   In de voorstellen die zij de instellingen en organen van de Gemeenschap doen voor het verlenen van toegang tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten, moeten de lidstaten desgevraagd de berekeningswijze van de vergoedingen en de in aanmerking genomen factoren specificeren.

Artikel 7

Antwoordtijd

De lidstaten verlenen onverwijld en ten laatste 20 dagen na de ontvangst van een schriftelijk verzoek toegang tot verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten, tenzij bij onderlinge overeenkomst tussen de lidstaat en de instelling of het orgaan van de Gemeenschap anders is overeengekomen.

Artikel 8

Overgangsbepalingen

De lidstaten zien erop toe dat regelingen achttien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening aan deze verordening voldoen.

Wanneer bij inwerkingtreding van deze verordening al regelingen bestaan voor het beschikbaar stellen van verzamelingen ruimtelijke gegevens en ruimtelijkegegevensdiensten, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat deze regelingen bij hun verlenging of verstrijken, maar niet later dan drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, in overeenstemming zijn met deze verordening.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1.

(2)  PB L 326 van 4.12.2008, blz. 12.


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/10


VERORDENING (EU) Nr. 269/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 maart 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 30 maart 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 maart 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

156,4

JO

64,0

MA

141,2

TN

160,3

TR

101,1

ZZ

124,6

0707 00 05

JO

75,8

MA

87,9

TR

126,5

ZZ

96,7

0709 90 70

MA

143,4

TR

108,5

ZZ

126,0

0805 10 20

EG

46,7

IL

56,3

MA

53,6

TN

47,0

TR

65,5

ZZ

53,8

0805 50 10

EG

66,4

IL

91,6

MA

49,1

TR

68,9

ZA

69,5

ZZ

69,1

0808 10 80

AR

80,9

BR

83,8

CA

100,2

CL

85,6

CN

76,2

MK

23,6

US

130,0

ZA

94,1

ZZ

84,3

0808 20 50

AR

75,5

CL

96,3

CN

35,0

MX

100,0

UY

106,8

ZA

100,8

ZZ

85,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/12


BESLUIT VAN DE RAAD

van 16 februari 2010

tot openbaarmaking van Aanbeveling 2010/190/EU strekkende tot het beëindigen van het gebrek aan overeenstemming van het economische beleid in Griekenland met de globale richtsnoeren voor het economische beleid en het wegnemen van het risico dat de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar komt

(2010/181/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 121, lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 16 februari 2010 heeft de Raad Aanbeveling 2010/190/EU (1) vastgesteld strekkende tot het beëindigen van het gebrek aan overeenstemming van het economische beleid in Griekenland met de globale richtsnoeren voor het economische beleid en het wegnemen van het risico dat de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar komt.

(2)

De openbaarmaking van de aanbeveling zal de coördinatie van het economische beleid van de lidstaten en de Unie faciliteren en bijdragen tot een beter begrip onder economische actoren, zodat de tenuitvoerlegging van de aanbevolen maatregelen wordt vergemakkelijkt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Aanbeveling 2010/190/EU strekkende tot het beëindigen van het gebrek aan overeenstemming van het economische beleid in Griekenland met de globale richtsnoeren voor het economische beleid en het wegnemen van het risico dat de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar komt, wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op 16 februari 2010.

Gedaan te Brussel, 16 februari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  Zie bladzijde 65 van dit Publicatieblad.


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/13


BESLUIT VAN DE RAAD

van 16 februari 2010

tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

(2010/182/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 126, lid 9, in samenhang met artikel 136,

Gezien de aanbeveling van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende duurzame sterke groei te verbeteren.

(3)

De hervorming in 2005 van het stabiliteits- en groeipact was bedoeld om de doeltreffendheid en de economische onderbouwing van het pact te versterken en tevens de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn te waarborgen. Deze hervorming moest ervoor zorgen dat bij alle stappen in de buitensporigtekortprocedure met name de economische en budgettaire achtergrond ten volle in aanmerking werd genomen. Op deze wijze verschaft het stabiliteits- en groeipact een kader dat, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties ondersteunt.

(4)

Op 27 april 2009 heeft de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG) besloten dat er in Griekenland een buitensporig tekort bestaat en krachtens artikel 104, lid 7, VEG en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) aanbevelingen gedaan om het buitensporige tekort uiterlijk in 2010 te corrigeren. De Raad heeft 27 oktober 2009 vastgesteld als uiterste datum waarop doeltreffende actie moest worden ondernomen.

(5)

In de kennisgeving van oktober 2009 zijn de in april 2009 door Griekenland meegedeelde gegevens over het feitelijke en geplande overheidstekort en de schuld sterk opwaarts herzien. Het tekortcijfer voor 2008 is opgetrokken tot 7,75 % van het bbp (tegen 5 % van het bbp in de kennisgeving van april 2009), terwijl de schuldquote eind 2008 99 % van het bbp zou hebben bedragen (tegen 97,6 % in de kennisgeving van april 2009). Overeenkomstig artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (2) heeft de Commissie (Eurostat) een algemeen voorbehoud gemaakt ten aanzien van de kwaliteit van de door Griekenland ingediende feitelijke gegevens, omdat de door Griekenland meegedeelde cijfers met „grote onzekerheden” zijn omgeven. Het voorbehoud van de Commissie (Eurostat) ten aanzien van de statistieken over de Griekse overheidsfinanciën is nog niet ingetrokken, hetgeen betekent dat deze statistieken momenteel nog niet zijn gevalideerd en verdere herzieningen kunnen ondergaan. Volgens de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie en het geactualiseerde Griekse stabiliteitsprogramma van januari 2010 is het overheidstekort in 2009 op 12,75 % van het bbp uitgekomen, terwijl in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2009 op een tekort van 3,7 % van het bbp werd gemikt. Op basis van de officieel voorspelde reële bbp-groei van – 0,25 % in 2010 wordt voor 2010 een begrotingsdoelstelling van 8,7 % van het bbp gehanteerd, wat aanzienlijk meer is dan de referentiewaarde van 3 % van het bbp.

(6)

Op 2 december 2009 heeft de Raad in overeenstemming met artikel 126, lid 8, VWEU vastgesteld dat Griekenland geen effectief gevolg heeft gegeven aan zijn aanbeveling overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEG van 27 april 2009 (hierna „de aanbeveling van de Raad van 27 april 2009”).

(7)

Op 11 februari 2010 heeft de Europese Raad de fiscale situatie in Griekenland bestudeerd, zijn steun betuigd aan de inspanningen van de griekse regering en zich geengageerd om te doen wat nodig is, zoals het vaststellen van aanvullende maatregelen, teneinde de ambitieuze doelstellingen van het stabiliteitsprogramma te bereiken. De Raad heeft Griekenland opgeroepen om alle maatregelen op nauwgezette en vastbesloten wijze uit te voeren om het begrotingstekort in 2010 daadwerkelijk met 4 procentpunten van het bbp terug te dringen.

(8)

Overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU kan de Raad, wanneer een lidstaat blijft verzuimen uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Raad, besluiten de betrokken lidstaat aan te manen binnen een voorgeschreven termijn maatregelen te treffen om het tekort te verminderen. Het is niet de eerste keer dat de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU besluit een aanmaning tot Griekenland te richten. Op 17 februari 2005 heeft de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 9, VEG besloten Griekenland aan te manen maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig werd geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen.

(9)

Bij het bepalen van de inhoud van de aanmaning overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU, zoals onder meer de termijn voor de correctie van het buitensporige tekort, moet met de hierna vermelde factoren rekening worden gehouden. Ten eerste komt het geraamde feitelijke tekort voor 2009 veel hoger uit dan werd verwacht toen de aanbeveling van de Raad van 27 april 2009 is aangenomen: de uitgavenoverschrijdingen en de tegenvallers aan de inkomstenzijde hebben het effect van de in de loop van 2009 genomen budgettaire consolidatiemaatregelen ruimschoots tenietgedaan. De totale aanpassingsinspanning die moet worden geleverd om het buitensporige tekort te corrigeren, is groter dan 9,75 procentpunten van het bbp. Ten tweede vertegenwoordigt de nominale begrotingsaanpassing die in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010 is gepland, 4 procentpunten van het bbp, waarvan volgens de Griekse autoriteiten twee derde het resultaat is van permanente maatregelen.

(10)

In het licht van deze factoren lijkt het erop dat de termijn die in de aanbeveling van de Raad van 27 april 2009 voor de correctie van het buitensporige tekort in Griekenland is vastgesteld, gezien de grote omvang van de vereiste consolidatie-inspanning met twee jaar dient te worden verlengd tot 2012, hetgeen spoort met het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010.

(11)

Op 16 februari 2010 heeft de Raad zijn goedkeuring gehecht aan de aanbeveling aan Griekenland (3) strekkende tot het beëindigen van het gebrek aan overeenstemming van het economische beleid in Griekenland met de globale richtsnoeren voor het economische beleid en het wegnemen van het risico dat de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar komt (hierna „de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010”).

(12)

Afgaande op een in de najaarsprognoses 2009 van de diensten van de Commissie voorspelde reële bbp-groei van – 0,25 % in 2010 en 0,75 % in 2011 en gezien de aan de begrotingsvooruitzichten verbonden risico’s zal een strikte uitvoering van de begroting voor 2010 van essentieel belang zijn om de overheidsfinanciën op een zodanig pad te zetten dat het buitensporige tekort tegen 2012 is gecorrigeerd. In 2011 en 2012 moeten concrete permanente maatregelen worden genomen om in die jaren overheidstekorten van minder dan respectievelijk 5,6 % en 2,8 % van het bbp te realiseren. Opdat een dergelijk neerwaarts tekorttraject wordt bewerkstelligd, moet een structurele begrotingsinspanning van ten minste 3,5 % van het bbp in 2010 en 2011 en van 2,5 % van het bbp in 2012 worden geleverd.

(13)

De correctie van het buitensporige tekort vereist een aantal specifieke bezuinigingen op de overheidsuitgaven (zoals met name reducties van de loonkosten en de sociale overdrachten en inkrimpingen van het ambtenarenbestand) en verhogingen van de ontvangsten (met name via een belastinghervorming en het optrekken van de accijnzen en onroerendgoedbelastingen), alsook een aantal verbeteringen in het Griekse begrotingskader (zoals budgettering op middellange termijn, invoering van begrotingsregels en een aantal institutionele veranderingen). De meesten van deze maatregelen zijn door de Griekse autoriteiten zelf geschetst in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010. Er dient uitdrukkelijk te worden gevraagd om de vereiste maatregelen binnen de vastgestelde termijn onverkort uit te voeren, aangezien dit strikt noodzakelijk lijkt om de overheidsfinanciën in Griekenland wederom op orde te brengen, en wel op een geloofwaardige en duurzame wijze. Gezien de risico’s die het geplande aanpassingstraject meebrengt, moet Griekenland, zoals in het stabiliteitsprogramma is aangekondigd, klaar staan om de nodige aanvullende maatregelen aan te nemen en deze zoals vereist uit te voeren, teneinde te garanderen dat het aanpassingstraject wordt gevolgd.

(14)

Gezien de ernstige en herhaaldelijk vastgestelde tekortkomingen bij de opstelling van de begrotingsstatistieken in Griekenland en om adequaat toezicht te kunnen uitoefenen op de situatie van de overheidsfinanciën in Griekenland, moet de vergaring en verwerking van gegevens over de overheidssector die krachtens het geldend wettelijk kader zijn vereist, verder worden verbeterd en moeten daarbij met name de mechanismen worden versterkt die een vlotte en correcte verschaffing van deze gegevens waarborgen. Het betreft onder meer de driemaandelijkse en jaarlijkse opstelling van statistieken over de overheidsfinanciën overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 2223/96 (4), (EG) nr. 264/2000 (5), (EG) nr. 1221/2002 (6), (EG) nr. 501/2004 (7), (EG) nr. 1222/2004 (8), (EG) nr. 1161/2005 (9) en (EG) nr. 479/2009, alsook de maandelijkse publicatie van gegevens over de uitvoering van de overheidsbegroting en de snelle beschikbaarheid van financiële gegevens over de sociale zekerheid, de lokale overheid en niet op de begroting opgevoerde fondsen. Gezien het feit dat de vereiste administratieve veranderingen om betrouwbare en geloofwaardige begrotingsstatistieken op te stellen enige tijd in beslag kunnen nemen, is het van belang dat de verandering in het niveau van de overheidsschuld periodiek wordt gecontroleerd en dat beleidsdoelstellingen worden vastgesteld voor zowel het tekort als de verandering in het schuldniveau.

(15)

Eind 2009 zou de bruto overheidsschuld meer dan 113 % van het bbp hebben bedragen. Dit is één van de hoogste schuldquoten in de Europese Unie en aanzienlijk meer dan de in het VWEU vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp. In combinatie met de marktontwikkelingen en de herprijzing van risico’s welke zij impliceren, maakt deze situatie het niet alleen duurder om extra schuldpapier uit te geven, maar leidt zij ook tot hogere kosten voor de herfinanciering van reeds uitstaande overheidsschuld. Bovendien hebben andere factoren dan het vorderingentekort in ruime mate tot de verandering in het schuldniveau bijgedragen. Griekenland moet dan ook verdere maatregelen nemen voor het onder controle houden van deze factoren om ervoor te zorgen dat de schuldquote in een bevredigend tempo afneemt en daarmee in de pas blijft lopen met de prognoses voor het overheidssaldo en de nominale bbp-groei. De jaarlijkse verandering in het nominale niveau van de overheidsschuld in 2010-2012 dient te stroken met de tekortdoelstellingen en met een totale stock-flow adjustment van 0,25 % van het bbp per jaar in 2010, 2011 en 2012.

(16)

Griekenland moet uiterlijk op 16 maart 2010 een verslag indienen waarin de maatregelen en het tijdschema voor de tenuitvoerlegging ervan met het oog op het realiseren van de begrotingsdoelstellingen voor 2010 in detail worden beschreven. Griekenland dient ook op gezette tijden aan de Raad en de Commissie verslag uit te brengen over de wijze waarop aan de in dit besluit gespecificeerde maatregelen uitvoering wordt gegeven. Gezien de ernst van de begrotingssituatie in Griekenland dienen deze verslagen met ingang van 15 mei 2010 periodiek te worden ingediend en openbaar te worden gemaakt. In de verslagen dient met name een beschrijving te worden gegeven van de maatregelen die uitgevoerd zijn en die in 2010 zullen worden uitgevoerd om de overheidsfinanciën te consolideren en de houdbaarheid ervan op lange termijn te bevorderen. In het licht van de wisselwerking tussen de begrotingsconsolidatie en de noodzaak om structurele hervormingen door te voeren en het concurrentievermogen te verbeteren, dient Griekenland in deze verslagen ook de maatregelen op te nemen die zijn getroffen in reactie op de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010. Bovendien moeten de verslagen ook informatie bevatten over de maandelijkse uitvoering van de overheidsbegroting; de uitvoering van de begroting door de socialezekerheidssector en de lokale overheid, de uitgifte van schuldpapier, de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de overheidssector, vastgelegde maar nog niet gedane uitgaven en, tenminste jaarlijks, de financiële situatie van de overheidsbedrijven. In het licht van de wisselwerking tussen de begrotingsconsolidatie en de noodzaak om structurele hervormingen door te voeren en het concurrentievermogen te verbeteren, heeft de Raad Griekenland verzocht om in het kader van de driemaandelijkse verslagen waarin dit besluit voorziet, verslag uit te brengen over de maatregelen die in reactie op de aanbeveling van de Raad van 16 februari 2010 zijn genomen. De Commissie en de Raad zullen aan de hand van de verslagen nagaan welke vorderingen zijn gemaakt bij de correctie van het buitensporige tekort.

(17)

In de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van 11 februari 2010 werd de Commissie uitgenodigd om in samenwerking met de ECB nauwlettend toe te zien op de uitvoering van dit besluit en de nodige aanvullende maatregelen voor te stellen.

(18)

Nadat het buitensporige tekort is gecorrigeerd, dient Griekenland de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de middellangetermijndoelstelling (MTD) van een structureel sluitende begroting zo spoedig mogelijk wordt gerealiseerd. Te dien einde dienen de Griekse autoriteiten permanente maatregelen uit te blijven voeren om de lopende primaire uitgaven, met inbegrip van met name de loonkosten, sociale overdrachten, subsidies en andere overdrachten, in de hand te houden. Griekenland dient er daarenboven op toe te zien dat de begrotingsconsolidatie ook is gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de overheidsfinanciën en bijdraagt tot het herstel van het concurrentievermogen van de economie in het kader van een uitgebreid hervormingsprogramma. Tegelijkertijd dient het land snel werk te maken van een verdere hervorming van de belastingdiensten. In het licht van het toenemende schuldniveau en de verwachte stijging van de leeftijdsgerelateerde uitgaven dienen de Griekse autoriteiten te blijven streven naar een verbetering van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Griekenland maakt zo spoedig mogelijk en uiterlijk tegen 2012 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie.

2.   Het aanpassingstraject in de richting van de correctie van het buitensporige tekort omvat een jaarlijkse structurele aanpassing van ten minste 3,5 procentpunten van het bbp in 2010 en 2011 en van ten minste 2,5 procentpunten van het bbp in 2012.

3.   Het in lid 2 uitgestippelde aanpassingstraject vereist dat het overheidstekort niet hoger is dan 21 270 miljoen EUR in 2010, 14 170 miljoen EUR in 2011 en 7 360 miljoen EUR in 2012.

4.   Het in lid 2 uitgestippelde aanpassingstraject vereist dat de jaarlijkse verandering in de geconsolideerde bruto overheidsschuld niet groter is dan 21 760 miljoen EUR in 2010, 14 680 miljoen EUR in 2011 en 7 880 miljoen EUR in 2012.

5.   De terugbrenging van het tekort moet worden versneld indien de economische en budgettaire omstandigheden zich beter blijken te ontwikkelen dan nu wordt verwacht.

Artikel 2

Om aan de buitensporigtekortsituatie een einde te maken en het aanpassingstraject in acht te nemen, voert Griekenland een aantal budgettaire consolidatiemaatregelen uit, waaronder die welke in het stabiliteitsprogramma zijn omschreven, en met name:

A.   VÓÓR 15 MEI 2010 TE NEMEN DRINGENDE BEGROTINGSMAATREGELEN

Zoals in het stabiliteitsprogramma is aangekondigd, en met inachtneming van de op 2 februari 2010 aangekondigde fiscale maatregelen, neemt Griekenland de volgende maatregelen:

Uitgaven

a)

10 % van de in de begroting voor 2010 opgenomen begrotingskredieten (exclusief lonen en pensioenen) van de overheidsdepartementen overhevelen naar een reserve voor onvoorziene uitgaven in afwachting van een herschikking van de kredieten tussen de departementen en de identificatie van te rationaliseren uitgavenprogramma’s, hetgeen tot een omvangrijke permanente uitgavenvermindering moet leiden;

b)

verminderen van de loonkosten, met name door de nominale salarissen bij de centrale overheid, de lokale overheden, overheidsagentschappen en andere overheidsinstellingen te bevriezen en het ambtenarenbestand in te krimpen; in 2010 een personeelsstop invoeren en de vacatures in de overheidssector, met inbegrip van tijdelijke contracten, opschorten, met name door ambtenaren die op pensioen gaan, niet te vervangen;

c)

aan ambtenaren betaalde bijzondere vergoedingen (met inbegrip van die uit niet op de begroting opgevoerde rekeningen) verlagen, hetgeen zal leiden tot een verlaging van de totale salarissen in de openbare sector, als eerste stap in de richting van een verbetering van het salarisstelsel en de stroomlijning van de salaristabel voor ambtenaren;

d)

nominale verlagingen van de socialezekerheidsoverdrachten doorvoeren, onder meer door maatregelen te treffen om de indexatie van uitkeringen en rechten te beperken;

Ontvangsten

e)

een progressieve belastingschaal op alle inkomstenbronnen toepassen en inkomen uit arbeid en kapitaal horizontaal uniform behandelen;

f)

alle in het belastingstelsel voorkomende vrijstellingen en bepalingen inzake autonome belastingbevoegdheden afschaffen, met inbegrip van die betreffende inkomsten uit hoofde van aan ambtenaren betaalde bijzondere vergoedingen;

g)

invoeren van een forfaitaire belastingheffing voor zelfstandigen;

h)

invoeren van permanente heffingen op gebouwen en verhogen van de tarieven van de onroerendgoedbelasting in vergelijking met de tarieven per 31 december 2009;

i)

optrekken van de accijnsrechten op tabak, alcohol en benzine in vergelijking met de tarieven per 31 december 2009;

j)

de momenteel geplande hervormingen van het belastingstelsel in detail beschrijven en tegen eind maart 2010 doorvoeren, waarbij eventuele efficiëntiewinsten worden aangewend om het tekort verder terug te dringen.

B.   MAATREGELEN TER ONDERBOUWING EN WAARBORGING VAN DE BEGROTINGSDOELSTELLINGEN VOOR 2010

a)

Aangezien bepaalde risico’s die verbonden zijn aan de in artikel 1, leden 3 en 4, vastgelegde maxima zich hebben gerealiseerd wat betreft het tekort en de schuld, moet Griekenland, in het verslag dat op 16 maart 2010 zal worden uitgebracht, maatregelen aankondigen in aanvulling op de maatregelen van artikel 2, deel A, teneinde te garanderen dat de begrotingsdoelstelling van 2010 wordt gehaald. Deze aanvullende maatregelen dienen hoofdzakelijk uitgavenverminderingen te behelzen (bv. een verdere terugdringing van de lopende uitgaven en kapitaaluitgaven, alsmede het schrappen van de begrotingspost onvoorziene uitgaven, maar kunnen ook inkomstenverhogende maatregelen omvatten (zoals de btw-inkomsten, de invoering van accijnsrechten op luxegoederen, inclusief personenauto’s, en de verhoging van de accijnsrechten op energiegerelateerde producten). De eerste evaluatie zal plaatsvinden bij het eerste verslag van 16 maart 2010.

C.   ANDERE VÓÓR EIND 2010 TE NEMEN MAATREGELEN

Uitgaven

a)

Het doorvoeren van de nodige hervormingen om het effect van de vergrijzing op de begroting aanzienlijk te temperen via een door middel van een proces van collegiale toetsing binnen het Comité voor de economische politiek te valideren hervorming van de gezondheidszorg en het pensioenstelsel, en vooral het goedkeuren van een herziening van de parameters van het pensioenstelsel moeten ervoor zorgen dat het pensioenstelsel ondanks de vergrijzing betaalbaar blijft; daartoe dient de hervorming onder meer een geleidelijke verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd van zowel mannen als vrouwen, alsook een wijziging van de formule voor de berekening van de pensioenuitkering te omvatten om beter recht te doen aan de over de gehele beroepsloopbaan betaalde bijdragen, om een rechtvaardiger lastenverdeling tussen de generaties te bewerkstelligen, en om het stelsel van bijzondere bijslagen voor lage pensioenen te stroomlijnen;

b)

inkrimpen van het ambtenarenbestand door verder te snoeien in de tijdelijke contracten en de regel van 1 indienstneming voor elke 5 pensioneringen toe te passen;

c)

hervormen van het systeem voor de uitbetaling van de salarissen van rechtstreeks voor de overheid werkzaam personeel door in eenvormige beginselen voor de vaststelling en planning van salarisbetalingen te voorzien; stroomlijnen van de salaristabel en er tegelijkertijd naar streven de loonkosten te verminderen; ook op lokaal niveau moeten bezuinigingen op de loonkosten worden gerealiseerd, en de nieuwe eenvormige salaristabel voor ambtenaren moet in verfijnde vorm tot lokale overheden en diverse andere agentschappen worden uitgebreid en tevens waarborgen dat de best presterende ambtenaren in de overheidssector werkzaam blijven;

Ontvangsten

d)

in alle ernst de strijd tegen belastingontwijking en -fraude opvoeren (met name wat btw, vennootschapsbelasting en het inkomstenbelastingstelsel voor zelfstandigen betreft), onder meer door de juridische afdwingbaarheid van belastingbetalingen te versterken, en de potentiële opbrengsten aanwenden om het tekort verder terug te dringen;

e)

de modernisering van de belastingdiensten voortzetten, onder meer door het oprichten van een volledig verantwoordingsplichtige dienst voor belastinginning, die jaarlijkse doelstellingen dient vast te stellen en dient te opereren binnen een kader van systemen voor de controle en beoordeling van de prestatie van belastingkantoren, en door het toewijzen van de nodige middelen in de vorm van hooggekwalificeerd personeel, infrastructurele en logistieke ondersteuning, en management- en informatie-uitwisselingssystemen waarin voldoende bescherming tegen politieke inmenging is ingebouwd;

Begrotingskader

f)

een gedetailleerde beschrijving geven van de maatregelen die in 2011 en 2012 uit moeten worden gevoerd om de doelstellingen van het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010 te halen;

g)

versterken van de positie van het ministerie van Financiën ten opzichte van de vakministeries bij de jaarlijkse opstelling van de begrotingswet en van de controlemechanismen waarover het ministerie van Financiën tijdens de begrotingsuitvoering beschikt; tevens toezien op een effectieve toepassing van een programmagebaseerde budgettering;

h)

de modernisering van het General Accounting Office voortzetten, onder meer door het oprichten van een volledig verantwoordingsplichtige begrotingsdienst, die meerjarendoelstellingen voor de uitgaven dient vast te stellen en dient te opereren binnen een kader van systemen voor prestatiecontrole en -beoordeling, en door het toewijzen van de nodige middelen in de vorm van hooggekwalificeerd personeel, infrastructurele en logistieke ondersteuning, en management- en informatie-uitwisselingssystemen, waarin voldoende bescherming tegen politieke inmenging is ingebouwd;

i)

invoeren van een begrotingskader voor de middellange termijn met onder meer bindende uitgavenlimieten die op een begrotingsregel voor meerjarige uitgaven zijn gebaseerd, en opzetten van een onafhankelijk agentschap voor het begrotingsbeleid dat tijdig publiekelijk verslag uitbrengt over de begrotingsplannen en -uitvoering van alle overheidsentiteiten die overheidsuitgaven verrichten;

j)

binnen het onder i) bedoelde begrotingskader op middellange termijn onverwijld aanvullende permanente uitgavenbeperkende maatregelen voor de middellange termijn aankondigen;

k)

in alle ernst de strijd tegen corruptie in de overheidsdiensten opvoeren, met name op het gebied van ambtenarensalarissen en -vergoedingen, overheidsopdrachten en belastingberekening en -inning;

l)

de nodige stappen ondernemen om een vermindering van de gemiddelde looptijd van de overheidsschuld te vermijden;

m)

voortzetten van de inspanningen om de andere factoren dan het vorderingentekort welke tot de verandering in het schuldniveau bijdragen, onder controle te krijgen.

D.   ANDERE VÓÓR 2012 TE NEMEN MAATREGELEN

Uitgaven

a)

In 2011 en 2012 aanpassingsmaatregelen met een permanent karakter nemen welke hoofdzakelijk op de lopende uitgaven betrekking hebben; meer in het bijzonder uitgavenverminderingen doorvoeren met de bedoeling permanente bezuinigingen te realiseren op de consumptieve bestedingen van de overheid, zoals onder meer de loonkosten, en op de sociale overdrachten, alsook het ambtenarenbestand inkrimpen;

Ontvangsten

b)

binnen een begrotingskader voor de middellange termijn de hervorming van de belastingdiensten onverkort voortzetten en de potentiële opbrengsten aanwenden om het tekort te reduceren;

Begrotingskader

c)

versterken van de institutionele mechanismen voor het verstrekken van betrouwbare en plausibele officiële begrotingsprognoses waarin rekening wordt gehouden met alle beschikbare gegevens over recente ontwikkelingen en trends in de begrotingsuitvoering. Om dit doel te bereiken, dienen de officiële macro-economische voorspellingen door externe deskundigen te worden getoetst. De prognoses van de diensten van de Commissie moeten daarbij als benchmark worden gehanteerd;

d)

afzien van het treffen van tekortverminderende maatregelen met een eenmalig karakter om de begrotingsdoelstellingen te realiseren;

e)

binnen het begrotingskader voor de middellange termijn aanvullende permanente uitgavenbeperkende maatregelen nemen met het oog op de verwezenlijking van de MTD van een begroting die vrijwel in evenwicht is of een overschot vertoont.

Artikel 3

Om een tijdige en effectieve controle van de ontvangsten en uitgaven en een adequaat toezicht op de budgettaire ontwikkelingen mogelijk te maken, neemt Griekenland de volgende maatregelen:

a)

tegen 15 mei 2010 wetgeving aannemen waarbij het verplicht wordt gesteld maandelijks uiterlijk 10 dagen na het einde van de maand publieke verslagen over de begrotingsuitvoering te verstrekken;

b)

de hand houden aan de thans voor socialezekerheidsfondsen en ziekenhuizen geldende wettelijke verplichting om officiële jaarrekeningen en balansen bekend te maken;

c)

de inspanningen met het oog op een betere vergaring en verwerking van gegevens over de overheidssector voortzetten, met name door de controlemechanismen binnen de statistische diensten en het General Accounting Office te versterken en door een daadwerkelijke persoonlijke verantwoordelijkheid voor rapportagefouten in te voeren, teneinde een snelle verstrekking van overheidsgegevens van hoge kwaliteit te waarborgen, zoals wordt voorgeschreven bij de Verordeningen (EG) nr. 2223/96, (EG) nr. 264/2000, (EG) nr. 1221/2002, (EG) nr. 501/2004, (EG) nr. 1222/2004, (EG) nr. 1161/2005, (EG) nr. 223/2009 (10) en (EG) nr. 479/2009;

d)

met de Commissie (Eurostat) samenwerken, zodat snel overeenstemming kan worden bereikt over een actieplan om de tekortkomingen op statistisch, institutioneel en governancegebied aan te pakken;

e)

met de Commissie (Eurostat) samenwerken en op passende technische bijstand ter plaatse kunnen rekenen voor de opstelling van budgettaire en andere macro-economische statistieken.

Artikel 4

1.   Griekenland dient uiterlijk op 16 maart 2010 bij de Raad en de Commissie een verslag in waarin het tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de krachtens artikel 2 van dit besluit genomen maatregelen met het oog op het realiseren van de begrotingsdoelstellingen voor 2010, indien nodig met inbegrip van de in artikel 2, deel B, vervatte noodzakelijke maatregelen, in detail wordt beschreven, en maakt dit verslag openbaar.

2.   Griekenland dient uiterlijk op 15 mei 2010 bij de Raad en de Commissie een verslag in waarin een beschrijving wordt gegeven van de beleidsmaatregelen die zijn genomen om aan het bepaalde in dit besluit gevolg te geven, en maakt dit verslag openbaar. Daarna worden deze verslagen driemaandelijks door Griekenland ingediend en openbaar gemaakt.

3.   De krachtens lid 2 in te dienen verslagen bevatten gedetailleerde informatie over het volgende:

a)

de concrete maatregelen die op de verslagdatum zijn uitgevoerd om aan het bepaalde in dit besluit gevolg te geven, waaronder ook de gevolgen voor de begroting;

b)

de concrete maatregelen die na de verslagdatum zijn gepland om aan het bepaalde in dit besluit gevolg te geven, alsook het tijdschema voor de tenuitvoerlegging van deze maatregelen en een inschatting van de gevolgen voor de begroting;

c)

de maandelijkse uitvoering van de overheidsbegroting;

d)

gegevens voor perioden korter dan een jaar over de begrotingsuitvoering door de sociale zekerheid, de lokale overheid en niet op de begroting opgevoerde fondsen;

e)

de uitgifte en terugbetaling van schuldpapier door de overheid;

f)

informatie over permanente en tijdelijke ontwikkelingen in de werkgelegenheid in de overheidssector;

g)

nog te betalen overheidsuitgaven (opgebouwde betalingsachterstanden); en

h)

de financiële situatie in overheidsbedrijven en andere overheidsentiteiten (jaarlijks).

4.   De Commissie en de Raad gaan aan de hand van de verslagen na of Griekenland aan het bepaalde in dit besluit gevolg heeft gegeven.

In het kader van deze evaluatie kan de Commissie maatregelen aangeven die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat bij het verhelpen van het buitensporige begrotingstekort het in dit besluit vastgestelde aanpassingstraject wordt gevolgd.

Artikel 5

Griekenland geeft uiterlijk op 15 mei 2010 effectief gevolg aan het bepaalde in dit besluit.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking op de dag van kennisgeving.

Artikel 7

Dit besluit is gericht tot de Helleense Republiek.

Gedaan te Brussel, 16 februari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(3)  Zie bladzijde 65 van dit Publicatieblad.

(4)  Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 264/2000 van de Commissie van 3 februari 2000 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad met betrekking tot kortetermijnstatistieken van de overheidsfinanciën (PB L 29 van 4.2.2000, blz. 4).

(6)  Verordening (EG) nr. 1221/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 met betrekking tot niet-financiële kwartaalrekeningen van de overheid (PB L 179 van 9.7.2002, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 501/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende financiële kwartaalrekeningen van de overheid (PB L 81 van 19.3.2004, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 1222/2004 van de Raad van 28 juni 2004 betreffende de berekening en indiening van gegevens over de driemaandelijkse overheidsschuld (PB L 233 van 2.7.2004, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 1161/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 betreffende de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector (PB L 191 van 22.7.2005, blz. 22).

(10)  Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/19


BESLUIT VAN DE RAAD

van 16 maart 2010

tot wijziging van Beschikking 2009/459/EG tot verlening van financiële middellangetermijnbijstand van de Gemeenschap aan Roemenië

(2010/183/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad van 18 februari 2002 houdende instelling van een mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de lidstaten (1), en met name op artikel 5, tweede alinea, in samenhang met artikel 8,

Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité (EFC),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2009/458/EG (2) heeft de Raad besloten wederzijdse bijstand aan Roemenië toe te kennen en bij Beschikking 2009/459/EG (3) heeft de Raad financiële middellangetermijnbijstand aan Roemenië verleend.

(2)

In het licht van de omvang en de intensiteit van de economische recessie waardoor Roemenië is getroffen, dienen de aan de uitkering van de tranches van de financiële bijstand verbonden economische beleidsvoorwaarden te worden herzien om rekening te houden met de gevolgen van de groter dan verwachte krimp van het reële bbp.

(3)

Beschikking 2009/459/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2009/459/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 5, onder a), komt als volgt te luiden:

„a)

tenuitvoerlegging van een concreet budgettair middellangetermijnprogramma om het begrotingstekort terug te dringen tot onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp binnen een tijdsbestek en via een consolidatietraject die stroken met de in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten door de Raad aan Roemenië gerichte aanbevelingen;”.

2)

Artikel 3, lid 5, onder b), komt als volgt te luiden:

„b)

aanneming en uitvoering van de jaarlijkse begrotingen voor 2010 en latere jaren, in overeenstemming met het consolidatietraject zoals uiteengezet in het aanvullend memorandum van overeenstemming;”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van kennisgeving.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot Roemenië.

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 16 maart 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)  PB L 53 van 23.2.2002, blz. 1.

(2)  PB L 150 van 13.6.2009, blz. 6.

(3)  PB L 150 van 13.6.2009, blz. 8.


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/20


BESLUIT ATALANTA/1/2010 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ

van 5 maart 2010

tot wijziging van Besluit Atalanta/2/2009 van het Politiek en Veiligheidscomité inzake de aanvaarding van bijdragen van derde staten aan de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en het bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta) en van Besluit Atalanta/3/2009 van het Politiek en Veiligheidscomité betreffende de instelling van het Comité van contribuanten voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta)

(2010/184/GBVB)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 38, derde alinea,

Gelet op Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB van de Raad van 10 november 2008 inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (1), en met name op artikel 10,

Gelet op Besluit Atalanta/2/2009 van het Politiek en Veiligheidscomité (2) en op Besluit Atalanta/3/2009 van het Politiek en Veiligheidscomité (3), en het addendum (4) daarbij,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De operationeel commandant van de Europese Unie heeft op 16 december 2008 een conferentie over de opbouw van de troepenmacht gehouden.

(2)

Gezien het aanbod van Oekraïne om bij te dragen aan operatie Atalanta, dient de aanbeveling van de operationeel commandant van de Europese Unie en het advies van het Militair Comité van de Europese Unie de bijdrage van Oekraïne te worden aanvaard.

(3)

Overeenkomstig artikel 5 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en uitvoering van besluiten en acties van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1 van Besluit Atalanta/2/2009 van het Politiek en Veiligheidscomité wordt vervangen door:

„Artikel 1

Bijdrage van derde staten

In aansluiting op de conferenties over de opbouw van de troepenmacht en de troepensterkte worden voor de militaire operatie van de Europese Unie die moet bijdragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en het bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta), de bijdragen van Noorwegen, Kroatië en Montenegro en Oekraïne aanvaard.”.

Artikel 2

De bijlage bij Besluit Atalanta/3/2009 van het Politiek en Veiligheidscomité wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2010.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

C. FERNÁNDEZ-ARIAS


(1)  PB L 301 van 12.11.2008, blz. 33.

(2)  PB L 109 van 30.4.2009, blz. 52.

(3)  PB L 112 van 6.5.2009, blz. 9.

(4)  PB L 119 van 14.5.2009, blz. 40.


BIJLAGE

„BIJLAGE

LIJST VAN DERDE STATEN BEDOELD IN ARTIKEL 2, LID 1

Noorwegen

Kroatië

Montenegro

Oekraïne”.


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/22


BESLUIT ATALANTA/2/2010 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ

van 23 maart 2010

tot benoeming van de commandant van de strijdkrachten van de Europese Unie voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta)

(2010/185/GBVB)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 38,

Gezien Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB van de Raad van 10 november 2008 inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (1) (Atalanta), en met name op artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 6 van Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB heeft de Raad het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) gemachtigd besluiten te nemen inzake de benoeming van de commandant van de EU-strijdkrachten.

(2)

Het PVC heeft op 4 december 2009 Besluit Atalanta/8/2009 (2) aangenomen, waarbij flottieljeadmiraal Giovanni GUMIERO werd benoemd tot commandant van de EU-strijdkrachten voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust.

(3)

De operationeel commandant van de Europese Unie heeft aanbevolen flottieljeadmiraal Jan THÖRNQVIST te benoemen tot commandant van de EU-strijdkrachten voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust.

(4)

Het Militair Comité van de Europese Unie heeft zijn steun voor deze aanbeveling uitgesproken.

(5)

Overeenkomstig artikel 5 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en de uitvoering van besluiten en acties van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Flottieljeadmiraal Jan THÖRNQVIST wordt benoemd tot commandant van de EU-strijdkrachten voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op 14 april 2010.

Gedaan te Brussel, 23 maart 2010.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

C. FERNÁNDEZ-ARIAS


(1)  PB L 301 van 12.11.2008, blz. 33.

(2)  PB L 327 van 12.12.2009, blz. 40.


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/23


BESLUIT 2010/186/GBVB VAN DE RAAD

van 29 maart 2010

houdende wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2009/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Republiek Guinee

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 27 oktober 2009 heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt 2009/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Republiek Guinee (1) aangenomen.

(2)

Op 22 december 2009 heeft de Raad Besluit 2009/1003/GBVB houdende wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2009/788/GBVB (2) aangenomen, waarin nieuwe beperkende maatregelen zijn opgenomen.

(3)

De Raad is van oordeel dat er niet langer redenen zijn om bepaalde personen te handhaven op de lijst van personen, groepen en entiteiten waarop de in Gemeenschappelijk Standpunt 2009/788/GBVB opgenomen beperkende maatregelen van toepassing zijn. De lijst in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2009/788/GBVB moet dienovereenkomstig worden aangepast,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij dit besluit genoemde personen worden verwijderd van de lijst in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2009/788/GBVB.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 maart 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. ESPINOSA


(1)  PB L 281 van 28.10.2009, blz. 7.

(2)  PB L 346 van 23.12.2009, blz. 51.


BIJLAGE

Lijst van personen als bedoeld in artikel 1

nr. 2

Generaal-majoor Mamadouba (alias Mamadou) Toto CAMARA

nr. 3

Generaal Sékouba KONATÉ

nr. 16

Majoor Kelitigui FARO

nr. 43

Kabinet (alias Kabiné) KOMARA


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/24


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

houdende toestemming voor de lidstaten om bepaalde afwijkingen vast te stellen krachtens Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 1610)

(2010/187/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (1), en met name op artikel 6, leden 2 en 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage I, deel I.3, bijlage II, deel II.3, en bijlage III, deel III.3, bij Richtlijn 2008/68/EG bevatten lijsten van nationale afwijkingen, die het mogelijk maken rekening te houden met specifieke nationale omstandigheden. Deze lijsten moeten worden aangepast teneinde nieuwe nationale afwijkingen daarin op te nemen.

(2)

Met het oog op de duidelijkheid dienen deze delen volledig te worden vervangen.

(3)

Richtlijn 2008/68/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(4)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij Richtlijn 2008/68/EG ingestelde Comité voor het vervoer van gevaarlijke goederen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij dit besluit vermelde lidstaten krijgen toestemming om de in die bijlage vermelde afwijkingen voor het vervoer van gevaarlijke goederen op hun grondgebied toe te passen.

Deze afwijkingen worden zonder onderscheid toegepast.

Artikel 2

Bijlage I, deel I.3, bijlage II, deel II.3, en bijlage III, deel III.3, bij Richtlijn 2008/68/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie

Siim KALLAS

Vicevoorzitter


(1)  PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13.


BIJLAGE

Bijlage I, deel I.3, bijlage II, deel II.3, en bijlage III, deel III.3, bij Richtlijn 2008/68/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I, deel I.3, wordt vervangen door:

„I.3.   Nationale afwijkingen

Afwijkingen voor lidstaten voor het vervoer van gevaarlijke goederen op hun grondgebied op grond van artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2008/68/EG.

Nummering van de afwijkingen: RO-a/bi/bii-LS-nn.

RO = wegvervoer

a/bi/bii = artikel 6, lid 2, onder a)/onder b), i)/onder b), ii)

LS = lidstaat

nn = volgnummer

Op grond van artikel 6, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/68/EG

BE België

RO–a–BE–1

Betreft: klasse 1 — Kleine hoeveelheden.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 1.1.3.6.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: bij punt 1.1.3.6 wordt de hoeveelheid springstoffen voor mijnbouw die in een gewoon voertuig mag worden vervoerd, beperkt tot 20 kg.

Inhoud van de nationale wetgeving: exploitanten van opslagplaatsen die van de bevoorradingsplaatsen verwijderd zijn, kunnen toestemming krijgen om ten hoogste 25 kg dynamiet of moeilijk ontvlambare springstoffen en 300 slagpijpjes met gewone motorvoertuigen te vervoeren onder de voorwaarden die door de dienst der springstoffen moeten worden vastgesteld.

Referentie van de nationale wetgeving: Artikel 111 van het Koninklijk Besluit van 23 september 1958 betreffende springstoffen.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–BE–2

Betreft: vervoer van ongereinigde lege houders die producten van verschillende klassen hebben bevat.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.1.6.

Inhoud van de nationale wetgeving: vermelding op het vervoersdocument: „ongereinigde lege verpakkingen die producten van verschillende klassen hebben bevat”.

Referentie van de nationale wetgeving: Afwijking 6-97.

Toelichting: afwijking door de Commissie geregistreerd als nr. 21 (krachtens artikel 6, lid 10, van Richtlijn 94/55/EG).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–BE–3

Betreft: vaststelling van RO-a-UK-4.

Referentie van de nationale wetgeving:

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–BE–4

Betreft: vrijstelling van alle ADR-voorschriften voor het binnenlands vervoer van ten hoogste 1 000 gebruikte ionische rookmelders van particuliere huishoudens naar de verwerkingsinstallatie in België via de inzamelingspunten die zijn opgenomen in het scenario voor de gescheiden inzameling van rookmelders.

Verwijzing naar ADR: alle voorschriften.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG:

Inhoud van de nationale wetgeving: voor het huishoudelijk gebruik van ionische rookmelders geldt vanuit radiologisch oogpunt geen regelgeving wanneer de rookmelder van een goedgekeurd type is. Het vervoer van deze rookmelders naar de eindgebruiker is ook vrijgesteld van de ADR-voorschriften (zie 2.2.7.1.2, onder d)).

Krachtens de AEEA-richtlijn (Richtlijn 2002/96/EG betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur) moeten gebruikte rookmelders gescheiden worden ingezameld voor de behandeling van de printplaten en (voor ionische rookmelders) om de radioactieve stoffen te verwijderen. Om deze gescheiden inzameling mogelijk te maken is er een scenario ontwikkeld om particuliere huishoudens te stimuleren hun gebruikte rookmelders naar een inzamelingspunt te brengen en deze rookmelders van daar, soms via een tweede inzamelingspunt of een tijdelijke opslagplaats, naar een verwerkingsinstallatie te vervoeren.

Op de inzamelingspunten zijn metalen verpakkingen voor maximaal 1 000 rookmelders beschikbaar. Vanuit deze punten kan één pakket met rookmelders samen met ander afval naar een tijdelijke opslagplaats of de verwerkingsinstallatie worden vervoerd. Het pakket wordt gemerkt met het woord „rookmelder”.

Referentie van de nationale wetgeving: het scenario voor de gescheiden inzameling van rookmelders maakt deel uit van de voorwaarden voor de verwijdering van goedgekeurde instrumenten die zijn opgenomen in artikel 3.1.d.2 van het Koninklijk Besluit van 20.7.2001: het algemeen reglement stralingsbescherming.

Toelichting: deze afwijking is nodig om de gescheiden inzameling van gebruikte ionische rookmelders mogelijk te maken.

Vervaldatum: 30 juni 2015

DE Duitsland

RO–a–DE–1

Betreft: gezamenlijke verpakking en gezamenlijke lading van auto-onderdelen met classificatie 1.4G en bepaalde gevaarlijke goederen (n4).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 4.1.10 en 7.5.2.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: bepalingen inzake gezamenlijke verpakking en gezamenlijke lading.

Inhoud van de nationale wetgeving: UN 0431 en UN 0503 mogen in bepaalde in de vrijstelling vermelde hoeveelheden, samen met bepaalde gevaarlijke goederen (producten in verband met de autofabricage) worden geladen. De waarde 1 000 (vergelijkbaar met 1.1.3.6.4) mag niet worden overschreden.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350); Ausnahme 28.

Toelichting: de afwijking is nodig om de snelle levering van veiligheidsonderdelen voor auto’s mogelijk te maken, afhankelijk van de plaatselijke vraag. Door het uitgebreide gamma van producten is het niet gebruikelijk dat plaatselijke garages deze in voorraad hebben.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–DE–2

Betreft: vrijstelling van het voorschrift om een vervoersdocument en een expediteursverklaring bij zich te hebben voor bepaalde hoeveelheden gevaarlijke goederen, als bepaald onder punt 1.1.3.6 (n1).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.1.1 en 5.4.1.1.6.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: inhoud van het vervoersdocument.

Inhoud van de nationale wetgeving: voor alle klassen behalve klasse 7: er is geen vervoersdocument nodig indien de hoeveelheid vervoerde goederen niet groter is dan de onder 1.1.3.6 vermelde hoeveelheden.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350); Ausnahme 18.

Toelichting: de informatie die wordt verstrekt door kenmerking en etikettering van verpakkingen wordt voor het binnenlands vervoer voldoende geacht, aangezien een vervoersdocument bij lokale distributie niet altijd nodig is.

Afwijking door de Commissie geregistreerd als nr. 22 (krachtens artikel 6, lid 10, van Richtlijn 94/55/EG).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–DE–3

Betreft: vervoer van meetstandaards en brandstofpompen (leeg en ongereinigd).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: bepalingen voor de UN-nummers 1202, 1203 en 1223.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: verpakking, kenmerking, documenten, instructies voor vervoer en behandeling, instructies voor de bemanning van voertuigen.

Inhoud van de nationale wetgeving: specificatie van voorschriften en aanvullende bepalingen voor de toepassing van de afwijking; tot 1 000 l: vergelijkbaar met lege, ongereinigde verpakkingen; meer dan 1 000 l: naleving van bepaalde voorschriften voor tanks; vervoer uitsluitend leeg en ongereinigd.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350); Ausnahme 24.

Toelichting: lijst nr. 7, 38, 38a.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–DE–5

Betreft: toestemming voor gezamenlijke verpakking.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 4.1.10.4 MP2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: verbod op gezamenlijke verpakking.

Inhoud van de nationale wetgeving: klassen 1.4S, 2, 3 en 6.1; toestemming voor gezamenlijke verpakking van voorwerpen in klasse 1.4S (patronen voor kleine wapens), spuitbussen (klasse 2) en materialen voor reiniging en behandeling in de klassen 3 en 6.1 (vermelde UN-nummers) die als één geheel worden verkocht in gecombineerde verpakkingen in verpakkingsgroep II en in kleine hoeveelheden.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350); Ausnahme 21.

Toelichting: lijst nr. 30*, 30a, 30b, 30c, 30d, 30e, 30f en 30g.

Vervaldatum: 30 juni 2015

DK Denemarken

RO–a–DK–1

Betreft: vervoer over de weg van verpakkingen of voorwerpen die afval of resten van gevaarlijke goederen bevatten, die bij huishoudens en bepaalde bedrijven voor verwijdering zijn ingezameld.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: delen 2, 3, 4.1, 5.2, 5.4 en 8.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: classificatiebeginselen, bijzondere bepalingen, bepalingen voor verpakking, bepalingen voor kenmerking en etikettering, vervoersdocument en opleiding.

Inhoud van de nationale wetgeving: binnenverpakkingen of voorwerpen die afval of resten van gevaarlijke goederen bevatten, die bij huishoudens of bepaalde bedrijven zijn ingezameld, mogen in buitenverpakkingen samen worden verpakt. De inhoud van elke binnenverpakking en/of elke buitenverpakking mag niet groter zijn dan vaste massa- of volumegrenswaarden. Afwijkingen van de bepalingen inzake classificatie, verpakking, kenmerking en etikettering, documentatie en opleiding.

Referentie van de nationale wetgeving: Bekendtgørelse nr. 437 af 6. juni 2005 om vejtransport af farligt gods, § 4 stk. 3.

Toelichting: het is niet mogelijk tot een nauwkeurige classificatie te komen en alle ADR-bepalingen toe te passen wanneer afval of resten van gevaarlijke goederen bij huishoudens en bepaalde bedrijven voor verwijdering worden ingezameld. Het afval wordt meestal verpakt in verpakkingen die in de detailhandel zijn verkocht.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–DK–2

Betreft: vervoer over de weg van verpakkingen met ontplofbare stoffen en verpakkingen met ontstekingsinrichtingen in eenzelfde voertuig.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 7.5.2.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: bepalingen gezamenlijke verpakking.

Inhoud van de nationale wetgeving: bij het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg moeten de regels van de ADR in acht worden genomen.

Referentie van de nationale wetgeving: Bekendtgørelse nr. 729 of 15. august 2001 om vejtransport of farligt gods § 4, stk. l.

Toelichting: praktisch gezien moet men de mogelijkheid hebben op om op eenzelfde voertuig explosieve stoffen samen met ontstekingsinrichtingen te verpakken wanneer deze goederen van de plaats van opslag naar de plaats van gebruik en vice versa worden vervoerd.

Wanneer de Deense wetgeving inzake het vervoer van gevaarlijke goederen wordt gewijzigd, zullen de Deense autoriteiten dergelijk vervoer op de volgende voorwaarden toelaten:

1.

niet meer dan 25 kg explosieve stoffen van groep D mogen tegelijk worden vervoerd;

2.

niet meer dan 200 stuks ontstekinginrichtingen van groep B mogen tegelijkertijd worden vervoerd;

3.

ontstekingsinrichtingen en explosieve stoffen moeten afzonderlijk worden verpakt in door de VN gecertificeerde verpakkingen in overeenstemming met de voorschriften van Richtlijn 2000/61/EG tot wijziging van Richtlijn 94/55/EG;

4.

de tussen verpakkingen met ontstekingsinrichtingen en verpakkingen met explosieve stoffen aan te houden afstand moet ten minste 1 m bedragen, zelfs wanneer er plotseling moet worden geremd. Verpakkingen met ontstekingsinrichtingen en verpakkingen met explosieve stoffen moeten zo worden geplaatst dat zij snel uit het voertuig kunnen worden verwijderd;

5.

alle andere regels betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen moeten in acht worden genomen.

Vervaldatum: 30 juni 2015

FI Finland

RO–a–FI–1

Betreft: vervoer van gevaarlijke goederen in bepaalde hoeveelheden in bussen en kleine hoeveelheden laagradioactief materiaal voor gezondheidszorg en onderzoek.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 4.1, 5.4.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: bepalingen voor verpakking, documentatie.

Inhoud van de nationale wetgeving: vervoer van gevaarlijke goederen in bepaalde kleinere hoeveelheden dan die van 1.1.3.6 met een maximale nettomassa van niet meer dan 200 kg in bussen wordt toegestaan zonder gebruik van het vervoersdocument en zonder aan alle verpakkingsvoorschriften te voldoen. Een voertuig dat maximaal 50 kg laagradioactief materiaal vervoert ten behoeve van gezondheidszorg of onderzoek, moet worden gemarkeerd en uitgerust overeenkomstig de ADR.

Referentie van de nationale wetgeving: Liikenne- ja viestintäministeriön asetus vaarallisten aineiden kuljetuksesta tiellä (277/2002; 313/2003; 312/2005).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–FI–2

Betreft: beschrijving van lege tanks in het vervoersdocument.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.1.6.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: bijzondere bepalingen voor lege, ongereinigde verpakkingen, voertuigen, containers, tanks, batterijwagens en MEGC’s (multiple element gas containers).

Inhoud van de nationale wetgeving: bij lege, ongereinigde tankwagens waarin twee of meer stoffen met de UN-nummers 1202, 1203 en 1223 zijn vervoerd, mag de beschrijving in het vervoersdocument worden aangevuld met de woorden „laatste inhoud”, gevolgd door de naam van het product met het laagste vlampunt; „Lege tankwagen, 3, laatste inhoud: UN 1203 Motorbrandstof, II”.

Referentie van de nationale wetgeving: Liikenne- ja viestintäministeriön asetus vaarallisten aineiden kuljetuksesta tiellä (277/2002; 313/2003).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–FI–3

Betreft: etikettering en kenmerking van de vervoerseenheid voor explosieven.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.3.2.1.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: algemene voorschriften voor oranje borden.

Inhoud van de nationale wetgeving: vervoerseenheden die (normaal gesproken in kleine vrachtwagens) kleine hoeveelheden explosieven (maximaal 1 000 kg netto) naar steengroeven en werklocaties vervoeren, mogen aan de voor- en achterkant worden geëtiketteerd met het etiket volgens model 1.

Referentie van de nationale wetgeving: Liikenne- ja viestintäministeriön asetus vaarallisten aineiden kuljetuksesta tiellä (277/2002; 313/2003).

Vervaldatum: 30 juni 2015

FR Frankrijk

RO–a–FR–2

Betreft: vervoer van afval uit de gezondheidszorg waarbij er sprake is van besmettingsrisico dat valt onder UN 3291, met een massa van ten hoogste 15 kg.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: bijlagen A en B.

Inhoud van de nationale wetgeving: vrijstelling van de ADR-voorschriften voor het vervoer van afval uit de gezondheidszorg waarbij er sprake is van besmettingsrisico en dat valt onder UN 3291, met een massa van ten hoogste 15 kg.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 1er juin 2001 relatif au transport des marchandises dangereuses par route — Article 12.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–FR–5

Betreft: vervoer van gevaarlijke goederen in het openbaar vervoer (18).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 8.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vervoer van passagiers en gevaarlijke goederen.

Inhoud van de nationale wetgeving: andere gevaarlijke goederen dan die van klasse 7 mogen in het openbaar vervoer als handbagage worden vervoerd: alleen de in 4.1, 5.2 en 3.4 vermelde bepalingen inzake verpakking, kenmerking en etikettering van pakketten zijn van toepassing.

Referentie van de nationale wetgeving: Koninklijk besluit van 29 mei 2009 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, bijlage I, punt 3.1.

Toelichting: in handbagage worden alleen gevaarlijke goederen voor persoonlijk of eigen beroepsmatig gebruik toegestaan. Draagbare gashouders zijn in de voor één reis benodigde hoeveelheid toegestaan voor patiënten met ademhalingsproblemen.

Vervaldatum: 29 februari 2016

RO–a–FR–6

Betreft: vervoer van kleine hoeveelheden gevaarlijke goederen voor eigen rekening (18).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: verplichting om een vervoersdocument te hebben.

Inhoud van de nationale wetgeving: vervoer voor eigen rekening van kleine hoeveelheden andere gevaarlijke goederen dan die van klasse 7 waarbij de onder 1.1.3.6 gestelde grenswaarden niet worden overschreden, is vrijgesteld van de onder 5.4.1 vermelde verplichting om in het bezit te zijn van een vervoersdocument.

Referentie van de nationale wetgeving: Koninklijk besluit van 29 mei 2009 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, bijlage I, punt 3.2.1.

Vervaldatum: 29 februari 2016

IE Ierland

RO–a–IE–1

Betreft: vrijstelling van het voorschrift van 5.4.0 van de ADR voor een vervoersdocument voor het vervoer van pesticiden van ADR-klasse 3 die onder 2.2.3.3 zijn aangeduid als FT2-pesticiden (vlampunt < 23 oC) en ADR-klasse 6.1 die onder 2.2.61.3 zijn aangeduid als T6-pesticiden, vloeibaar (vlampunt niet lager dan 23 oC), wanneer de hoeveelheden vervoerde gevaarlijke goederen niet groter zijn dan de onder 1.1.3.6 van de ADR vermelde hoeveelheden.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschrift voor vervoersdocument.

Inhoud van de nationale wetgeving: een vervoersdocument is niet nodig voor het vervoer van pesticiden van ADR-klassen 3 en 6.1, wanneer de hoeveelheid vervoerde gevaarlijke goederen niet groter is dan de onder 1.1.3.6 van de ADR vermelde hoeveelheden.

Referentie van de nationale wetgeving: Regulation 82(9) of the „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations 2004”.

Toelichting: onnodig en moeilijk voorschrift voor het plaatselijk vervoer en de plaatselijke levering van deze pesticiden.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–IE–2

Betreft: vrijstelling van sommige van de bepalingen van de ADR inzake de verpakking, kenmerking en etikettering van kleine hoeveelheden (beneden de grenswaarden van 1.1.3.6) verlopen pyrotechnische voorwerpen van de classificatiecodes 1.3G, 1.4G en 1.4S van klasse 1 van de ADR met als respectieve identificatienummers UN 0092, UN 0093, UN 0191, UN 0195, UN 0197, UN 0240, UN 0312, UN 0403, UN 0404 of UN 0453 voor vervoer naar de dichtstbijzijnde militaire kazerne voor verwijdering.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 1.1.3.6, 4.1, 5.2 en 6.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: verwijdering van vervallen pyrotechnische voorwerpen.

Inhoud van de nationale wetgeving: de bepalingen van de ADR inzake de verpakking, kenmerking en etikettering van verlopen pyrotechnische voorwerpen met als respectieve identificatienummers UN 0092, UN 0093, UN 0191, UN 0195, UN 0197, UN 0240, UN 0312, UN 0403, UN 0404 of UN 0453 voor vervoer naar de dichtstbijzijnde militaire kazerne zijn niet van toepassing, mits aan de algemene bepalingen van de ADR inzake verpakking wordt voldaan en in het vervoersdocument aanvullende informatie wordt opgenomen. Dit geldt alleen voor lokaal vervoer van kleine hoeveelheden vervallen pyrotechnische voorwerpen naar de dichtstbijzijnde militaire kazerne voor veilige verwijdering.

Referentie van de nationale wetgeving: Regulation 82(10) of the „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations 2004”.

Toelichting: het vervoer van kleine hoeveelheden „vervallen” fakkels voor noodgevallen op zee, met name van eigenaren van pleziervaartuigen en scheepsbevoorraders, naar militaire kazernes voor een veilige verwijdering heeft problemen opgeleverd, vooral wat de verpakkingsvoorschriften betreft. De afwijking geldt voor lokaal vervoer van kleine hoeveelheden (beneden de grenswaarden van 1.1.3.6).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–IE–3

Betreft: vrijstelling van de voorschriften van de hoofdstukken 6.7 en 6.8 voor het vervoer over de weg van nominaal lege, ongereinigde opslagtanks (voor opslag op vaste locaties) met het oog op reiniging, reparatie, beproeving of sloop.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 6.7 en 6.8.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor het ontwerp, de constructie, het onderzoek en de beproeving van tanks.

Inhoud van de nationale wetgeving: vrijstelling van de voorschriften van de hoofdstukken 6.7 en 6.8 van de ADR voor het vervoer over de weg van nominaal lege, ongereinigde opslagtanks (voor opslag op vaste locaties) met het oog op reiniging, herstelling, beproeving of sloop mits a) zoveel op de tank aangesloten pijpleidingen als redelijkerwijs mogelijk is, zijn verwijderd; b) een geschikte veiligheidsklep op de tank wordt aangesloten die gedurende het vervoer operationeel blijft; en c) met inachtneming van b) alle openingen in de tank en de daarop aangesloten pijpleidingen zijn afgesloten om het ontsnappen van gevaarlijke goederen te voorkomen, voor zover dit redelijkerwijs uitvoerbaar is.

Referentie van de nationale wetgeving: Amendement dat is voorgesteld op de „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations, 2004”.

Toelichting: deze tanks worden gebruikt voor de opslag van stoffen op een vaste locatie en niet voor het vervoer van goederen. Ze zullen zeer kleine hoeveelheden gevaarlijke goederen bevatten wanneer ze (de tanks) naar een andere locatie worden vervoerd voor reiniging, herstelling enz.

Voorheen uit hoofde van artikel 6, lid 10, van Richtlijn 94/55/EG.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–IE–4

Betreft: vrijstelling van de voorschriften van de hoofdstukken 5.3, 5.4, deel 7 en bijlage B van de ADR in verband met het vervoer van gascilinders voor tapinstallaties (voor dranken), wanneer deze op hetzelfde voertuig worden vervoerd als de dranken (waarvoor ze worden gebruikt).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: hoofdstukken 5.3 en 5.4, deel 7 en bijlage B.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: het kenmerken van de voertuigen, de mee te nemen documentatie en de bepalingen betreffende de vervoersmiddelen en het vervoer.

Inhoud van de nationale wetgeving: vrijstelling van de voorschriften van de hoofdstukken 5.3 en 5.4, deel 7, en bijlage B van de ADR voor gascilinders die worden gebruikt voor het tappen van dranken, wanneer deze gascilinders op hetzelfde voertuig worden vervoerd als de dranken (waarvoor ze worden gebruikt).

Referentie van de nationale wetgeving: Amendement dat is voorgesteld op de „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations, 2004”.

Toelichting: de hoofdactiviteit is de distributie van verpakte dranken, die niet onder de ADR vallen, en daarnaast kleine hoeveelheden kleine cilinders met bijbehorende gassen voor het tappen.

Voorheen uit hoofde van artikel 6, lid 10, van Richtlijn 94/55/EG.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–IE–5

Betreft: vrijstelling, voor binnenlands vervoer binnen Ierland, van de in de hoofdstukken 6.2 en 4.1 van de ADR vermelde voorschriften voor de constructie en beproeving van houders en de voorschriften voor het gebruik daarvan voor cilinders en drukvaten voor gassen van klasse 2 die een multimodaal vervoerstraject hebben afgelegd, met inbegrip van vervoer over zee, wanneer i) deze cilinders en drukvaten overeenkomstig de IMDG-code worden vervaardigd, beproefd en gebruikt, ii) deze cilinders en drukvaten niet in Ierland worden nagevuld maar nominaal leeg naar het land van herkomst van het multimodale vervoerstraject worden geretourneerd en iii) deze cilinders en drukvaten lokaal in kleine hoeveelheden worden gedistribueerd.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 1.1.4.2, 4.1 en 6.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: bepalingen inzake multimodale vervoerstrajecten, met inbegrip van vervoer over zee, het gebruik van cilinders en drukvaten voor gassen van ADR-klasse 2 en de constructie en beproeving van deze cilinders en drukvaten voor gassen van ADR-klasse 2.

Inhoud van de nationale wetgeving: de bepalingen van de hoofdstukken 4.1 en 6.2 zijn niet van toepassing op cilinders en drukvaten voor gassen van klasse 2, mits i) deze cilinders en drukvaten overeenkomstig de IMDG-code worden vervaardigd en beproefd, ii) deze cilinders en drukvaten overeenkomstig de IMDG-code worden gebruikt, iii) deze cilinders en drukvaten via een multimodaal vervoerstraject, met inbegrip van vervoer over zee, naar de afzender zijn vervoerd, iv) het vervoer van deze cilinders en drukvaten naar de eindgebruiker bestaat uit één traject, dat binnen één dag wordt afgelegd, van de bestemmeling van het multimodale vervoer (bedoeld onder iii)), v) deze cilinders en drukvaten niet in het binnenland worden nagevuld maar nominaal leeg naar het land van herkomst van het multimodale vervoerstraject (bedoeld onder iii)) worden geretourneerd, en vi) deze cilinders en drukvaten lokaal in het binnenland in kleine hoeveelheden worden gedistribueerd.

Referentie van de nationale wetgeving: Amendement dat is voorgesteld op de „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations, 2004”.

Toelichting: de gassen in deze cilinders en drukvaten voldoen aan een door de eindgebruikers verlangde specificatie, op grond waarvan ze van buiten het ADR-gebied moeten worden ingevoerd. Na gebruik moeten deze nominaal lege cilinders en drukvaten naar het land van herkomst worden geretourneerd om te worden nagevuld met het gas met de speciale specificatie — ze worden niet in Ierland en zelfs niet binnen het ADR-gebied nagevuld. Ze voldoen weliswaar niet aan de ADR, maar voldoen wel aan en zijn geaccepteerd voor de IMDG-code. De eindbestemming van het multimodale vervoerstraject, dat buiten het ADR-gebied begint, is de locatie van de importeur, vanwaar deze cilinders en drukvaten in kleine hoeveelheden lokaal binnen Ierland naar de eindgebruiker worden gedistribueerd. Dit vervoer binnen Ierland zou vallen onder het gewijzigde artikel 6, lid 9, van Richtlijn 94/55/EG.

Vervaldatum: 30 juni 2015

LT Litouwen

RO–a–LT–1

Betreft: vaststelling van RO-a-UK-6.

Referentie van de nationale wetgeving: Lietuvos Respublikos Vyriausybės 2000 m. kovo 23 d. nutarimas Nr. 337 „Dėl pavojingų krovinių vežimo kelių transportu Lietuvos Respublikoje” (Regeringsbesluit nr. 337 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg in de Republiek Litouwen, goedgekeurd op 23 maart 2000).

Vervaldatum: 30 juni 2015

UK Verenigd Koninkrijk

RO–a–UK–1

Betreft: vervoer van bepaalde voorwerpen die laagradioactieve materialen bevatten, zoals klokken, horloges, rookmelders en wijzerplaten voor kompassen (E1).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: de meeste ADR-voorschriften.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor het vervoer van materialen van klasse 7.

Inhoud van de nationale wetgeving: volledige vrijstelling van de bepalingen van de nationale regelgeving voor bepaalde handelsproducten die beperkte hoeveelheden radioactief materiaal bevatten. (Lichtgevend product dat is bedoeld om door een persoon te worden gedragen; maximaal 500 rookmelders voor huishoudelijk gebruik met een individuele activiteit van maximaal 40 kBq; of maximaal vijf tritiumlichtbronnen op basis van gas met een individuele activiteit van maximaal 10 GBq in eenzelfde voertuig of spoorvoertuig).

Referentie van de nationale wetgeving: The Radioactive Material (Road Transport) Regulations 2002: Regulation 5(4)(d). The Carriage of Dangerous Goods and Use of Transportable Pressure Equipment Regulations 2004: Regulation 3(10).

Toelichting: deze afwijking is een maatregel voor de korte termijn die niet langer nodig zal zijn wanneer soortgelijke wijzigingen van de regels van de IAEA (Internationale Organisatie voor Atoomenergie) in de ADR zijn opgenomen.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–UK–2

Betreft: vrijstelling van het voorschrift om een vervoersdocument bij zich te hebben voor bepaalde hoeveelheden gevaarlijke goederen (niet van klasse 7) als gedefinieerd onder 1.1.3.6 (E2).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 1.1.3.6.2 en 1.1.3.6.3.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vrijstelling van bepaalde voorschriften voor bepaalde hoeveelheden per vervoerseenheid.

Inhoud van de nationale wetgeving: voor beperkte hoeveelheden is geen vervoersdocument nodig, behalve wanneer deze deel uitmaken van een grotere lading.

Referentie van de nationale wetgeving: The Carriage of Dangerous Goods and Use of Transportable Pressure Equipment Regulations 2004: Regulation 3(7)(a).

Toelichting: deze vrijstelling is geschikt voor het binnenlandse vervoer, waarbij een vervoersdocument niet altijd nodig is voor lokale distributie.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–UK–3

Betreft: vrijstelling van het voorschrift dat voertuigen die laagradioactieve materialen vervoeren, brandblusapparatuur aan boord moeten hebben (E4).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 8.1.4.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschrift dat voertuigen brandblusapparatuur aan boord moeten hebben.

Inhoud van de nationale wetgeving: ontheffing van het voorschrift brandblusapparatuur aan boord te hebben wanneer uitsluitend vrijgestelde colli worden vervoerd (UN 2908, 2909, 2910 en 2911).

Beperking van het voorschrift wanneer slechts een klein aantal pakketten wordt vervoerd.

Referentie van de nationale wetgeving: The Radioactive Material (Road Transport) Regulations 2002: Regulation 5(4)(d).

Toelichting: het aan boord hebben van brandblusapparatuur is in de praktijk niet relevant bij het vervoer van UN 2908, 2909, 2910 en 2911, die vaak in kleine voertuigen worden vervoerd.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–UK–4

Betreft: distributie van goederen in binnenverpakkingen naar detailhandelaren of gebruikers (met uitzondering van de klassen 1, 4.2, 6.2 en 7) van lokale magazijnen naar detailhandelaren of gebruikers en van detailhandelaren naar eindgebruikers (N1).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 6.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor de constructie en de beproeving van verpakkingen.

Inhoud van de nationale wetgeving: verpakkingen behoeven geen RID/ADR- of UN-kenmerk te hebben gekregen of anderszins te zijn gemerkt als ze goederen bevatten zoals bepaald in bijlage 3.

Referentie van de nationale wetgeving: The Carriage of Dangerous Goods and Use of Transportable Pressure Equipment Regulations 2004: Regulation 7(4) and Regulation 36 Authorisation Number 13.

Toelichting: ADR-voorschriften zijn niet geschikt voor de laatste fasen van het vervoer van een magazijn naar een detailhandelaar of gebruiker of van een detailhandelaar naar een eindgebruiker. Deze afwijking is bedoeld om ervoor te zorgen dat binnenverpakkingen van goederen voor kleinhandeldistributie op het laatste deel van een lokaal distributietraject zonder buitenverpakking kunnen worden vervoerd.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–UK–5

Betreft: verschillende „maximale totale hoeveelheden per vervoerseenheid” voor de goederen van klasse 1 in de categorieën 1 en 2 van de tabel onder 1.1.3.6.3 (N10).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 1.1.3.6.3 en 1.1.3.6.4.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vrijstellingen voor per vervoerseenheid vervoerde hoeveelheden.

Inhoud van de nationale wetgeving: voorschriften voor vrijstellingen voor beperkte hoeveelheden en samenlading van explosieven.

Referentie van de nationale wetgeving: Carriage of Explosives by Road Regulations 1996, reg. 13 and Schedule 5; reg. 14 and Schedule 4.

Toelichting: behelst verschillende grenswaarden voor hoeveelheden goederen van klasse 1, namelijk „50” voor categorie 1 en „500” voor categorie 2. Voor de berekening van gemengde ladingen worden de vermenigvuldigingsfactoren „20” voor categorie 1 en „2” voor categorie 2 gehanteerd.

Voorheen uit hoofde van artikel 6, lid 10, van Richtlijn 94/55/EG.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–UK–6

Betreft: verhoging van de maximaal toelaatbare nettomassa van explosieven in voertuigen van type EX/II (N13).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 7.5.5.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: beperkingen op de vervoerde hoeveelheden explosieve stoffen en voorwerpen.

Inhoud van de nationale wetgeving: beperkingen op de vervoerde hoeveelheden explosieve stoffen en voorwerpen.

Referentie van de nationale wetgeving: Carriage of Explosives by Road Regulations 1996, reg. 13, Schedule 3.

Toelichting: volgens de voorschriften van het Verenigd Koninkrijk is een maximale nettomassa van 5 000 kg in voertuigen van type II toegestaan voor compatibiliteitsgroepen 1.1C, 1.1D, 1.1E en 1.1J.

Veel in Europa vervoerde voorwerpen van de klassen 1.1C, 1.1D, 1.1E en 1.1J zijn groot of omvangrijk en langer dan ongeveer 2,5 m. Het gaat hier vooral om explosieve voorwerpen voor militair gebruik. De beperkingen voor de constructie van EX/III-voertuigen (dit moeten gesloten voertuigen zijn) maken het laden en lossen van dergelijke voorwerpen heel moeilijk. Voor sommige voorwerpen zou zowel aan het begin als aan het eind van de reis gespecialiseerde laad- en losapparatuur nodig zijn. In de praktijk is die zelden voorhanden. Er worden in het Verenigd Koninkrijk maar weinig EX/III-voertuigen gebruikt en het zou voor de industrie uiterst problematisch zijn indien zou worden geëist dat voor het vervoer van dergelijke explosieven meer gespecialiseerde EX/III-voertuigen moeten worden gebouwd.

In het Verenigd Koninkrijk worden militaire explosieven meestal door commerciële vervoersbedrijven vervoerd, die niet onder de vrijstelling voor militaire voertuigen in de kaderrichtlijn vallen. Om dit probleem te verhelpen, heeft het Verenigd Koninkrijk altijd toestemming gegeven voor het vervoer van maximaal 5 000 kg van dergelijke voorwerpen op EX/II-voertuigen. De huidige grenswaarde is niet altijd voldoende omdat een voorwerp meer dan 1 000 kg explosieven kan bevatten.

Sinds 1950 hebben zich slechts twee incidenten voorgedaan (beide in de jaren '50) met de ontploffing van explosieven met een gewicht van meer dan 5 000 kg. De incidenten werden veroorzaakt door een brandende band en een heet uitlaatsysteem waardoor de bekleding in brand vloog. Deze branden zouden zich ook met een kleinere lading hebben kunnen voordoen. Er vielen geen doden of gewonden.

Empirisch bewijsmateriaal wijst erop dat het onwaarschijnlijk is dat correct verpakte explosieve voorwerpen door schokken, bijvoorbeeld bij een botsing, ontploffen. Uit militaire rapporten en de resultaten van proeven met de inslag van raketten blijkt dat de inslagsnelheid groter moet zijn dan die bij de 12 m-valproef om patronen tot ontploffing te brengen.

Deze maatregel heeft geen gevolgen voor de huidige veiligheidsnormen.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–UK–7

Betreft: vrijstelling van de eisen inzake toezicht voor kleine hoeveelheden van bepaalde goederen van klasse 1 (N12).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 8.4 en 8.5 S1(6).

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: eisen inzake toezicht voor voertuigen die bepaalde hoeveelheden gevaarlijke goederen vervoeren.

Inhoud van de nationale wetgeving: bevat bepalingen voor veilig parkeren en toezicht, maar eist, in tegenstelling tot hoofdstuk 8.5 S1(6) van de ADR, geen permanent toezicht op bepaalde ladingen van klasse 1.

Referentie van de nationale wetgeving: Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations 1996, reg. 24.

Toelichting: de ADR-voorschriften inzake toezicht zijn in een nationale context niet altijd uitvoerbaar.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–UK–8

Betreft: versoepeling van de beperkingen voor het vervoer van gemengde ladingen explosieven en van explosieven met andere gevaarlijke goederen in wagens, voertuigen en containers (N4/5/6).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 7.5.2.1 en 7.5.2.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: beperkingen voor bepaalde soorten samenlading.

Inhoud van de nationale wetgeving: de nationale wetgeving is minder strikt voor de samenlading van explosieven, mits het vervoer hiervan zonder risico’s kan gebeuren.

Referentie van de nationale wetgeving: Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations 1996, reg. 18.

Toelichting: het Verenigd Koninkrijk wil toestemming geven voor enkele afwijkingen op de regels voor het combineren van explosieven met andere explosieven en van explosieven met andere gevaarlijke goederen. Elke afwijking omvat een kwantitatieve beperking voor één of meer onderdelen van de lading en wordt alleen toegestaan mits „alle redelijkerwijs uitvoerbare maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de explosieven in contact komen met deze goederen of deze anderszins in gevaar brengen of daardoor in gevaar worden gebracht”.

Voorbeelden van afwijkingen waarvoor het Verenigd Koninkrijk toestemming zou willen geven:

1.

Explosieven die zijn geclassificeerd onder de UN-nummers 0029, 0030, 0042, 0065, 0081, 0082, 0104, 0241, 0255, 0267, 0283, 0289, 0290, 0331, 0332, 0360 of 0361, mogen in één voertuig worden vervoerd met gevaarlijke goederen die zijn geclassificeerd onder UN-nummer 1942. De hoeveelheid UN 1942 die mag worden vervoerd, wordt beperkt door deze te beschouwen als explosieven van 1.1D.

2.

Explosieven die zijn geclassificeerd onder de UN-nummers 0191, 0197, 0312, 0336, 0403, 0431 of 0453, mogen in één voertuig worden vervoerd met gevaarlijke goederen (met uitzondering van ontvlambare gassen, besmettelijke stoffen en giftige stoffen) in vervoerscategorie 2 of gevaarlijke goederen in vervoerscategorie 3 of een combinatie daarvan, mits de totale massa of het totale volume van de gevaarlijke goederen in vervoerscategorie 2 niet groter is dan 500 kg of 500 l en de totale nettomassa van deze explosieven niet groter is dan 500 kg.

3.

Explosieven van 1.4G mogen in één voertuig worden vervoerd met ontvlambare vloeistoffen en ontvlambare gassen in vervoerscategorie 2 of niet-ontvlambare niet-giftige gassen in vervoerscategorie 3 of een combinatie daarvan, mits de totale massa of het totale volume van de gevaarlijke goederen, alles opgeteld, niet groter is dan 200 kg of 200 l en de totale nettomassa van de explosieven niet groter is dan 20 kg.

4.

Explosieve voorwerpen die zijn geclassificeerd onder de UN-nummers 0106, 0107 of 0257 mogen worden vervoerd met explosieve voorwerpen in de compatibiliteitsgroepen D, E of F waarvoor ze bestanddeel zijn. De totale hoeveelheid explosieve stoffen van de UN-nummers 0106, 0107 of 0257 mag niet groter zijn dan 20 kg.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–a–UK–9

Betreft: alternatief voor het aanbrengen van oranje borden op kleine voertuigen bij het vervoer van kleine partijen radioactief materiaal.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.3.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: verplichting voor kleine voertuigen tot het voeren van oranje borden bij het vervoer van radioactief materiaal.

Inhoud van de nationale wetgeving: laat iedere in het kader van dit proces goedgekeurde vrijstelling toe. De aangevraagde vrijstelling luidt als volgt:

De voertuigen:

a)

moeten overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de ADR, punt 5.3.2, van grote etiketten worden voorzien, of

b)

mogen in het geval van een voertuig dat niet meer dan tien verpakkingen met niet-splijtbaar of vrijgesteld splijtbaar radioactief materiaal vervoert, waarbij de som van de transportindexen van deze verpakkingen niet hoger is dan 3, een bord voeren dat voldoet aan de eisen die in de nationale wetgeving zijn vastgesteld.

Referentie van de nationale wetgeving: The Radioactive Material (Road Transport) Regulations 2002, Regulation 5(4)(d).

Toelichting:

Vervaldatum: 30 juni 2015

Op grond van artikel 6, lid 2, onder b), i), van Richtlijn 2008/68/EG

BE België

RO–bi–BE–1

Betreft: vervoer in de directe omgeving van industrieterreinen, met inbegrip van vervoer over de openbare weg.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: bijlagen A en B.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: bijlagen A en B.

Inhoud van de nationale wetgeving: de afwijkingen hebben betrekking op de documentatie, etikettering en kenmerking van verpakkingen en op het diploma van de chauffeur.

Referentie van de nationale wetgeving: Afwijkingen 2-89, 4-97 en 2-2 000.

Toelichting: de gevaarlijke goederen worden van de ene naar de andere locatie vervoerd.

afwijking 2-89: kruising van de openbare weg (chemische stoffen in verpakkingen);

afwijking 4-97: afstand van 2 km (staven ruw ijzer bij een temperatuur van 600 oC);

afwijking 2-2 000: afstand van ongeveer 500 m — „IBC” (Intermediate Bulk Container), PG II, III, klassen 3, 5.1, 6.1, 8 en 9).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–BE–3

Betreft: opleiding van chauffeurs.

Plaatselijk vervoer van UN 1202, 1203 en 1223 in verpakkingen en in tanks (in België binnen een straal van 75 km rond de maatschappelijke zetel).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 8.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn:

Structuur van de opleiding:

1.

opleiding verpakkingen;

2.

opleiding tanks;

3.

speciale opleiding Cl 1;

4.

speciale opleiding Cl 7;

Inhoud van de nationale wetgeving: definities — diploma — afgifte — duplicaten — geldigheid en verlenging — organisatie van cursussen en examens — afwijkingen — sancties — slotbepalingen.

Referentie van de nationale wetgeving: wordt in komende regelgeving gespecificeerd.

Toelichting: het is de bedoeling een eerste cursus te geven, gevolgd door een examen, die beperkt blijft tot het vervoer van UN 1202, 1203 en 1223 in colli en in tanks binnen een straal van 75 km rond de maatschappelijke zetel — de lengte van de opleiding moet voldoen aan de ADR-voorschriften — na 5 jaar moet de chauffeur een opfriscursus volgen en een examen afleggen — op het diploma moet worden vermeld: „nationaal vervoer van UN 1202, 1203 en 1223 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2008/68/EG”.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–BE–4

Betreft: vervoer van gevaarlijke goederen in tanks voor verwijdering door verbranding.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 3.2.

Inhoud van de nationale wetgeving: in afwijking van de tabel in hoofdstuk 3.2 is het toegestaan voor het vervoer van vloeistof reactief met water, giftig, groep III, n.e.g., onder bepaalde omstandigheden een tank/container met tankcode L4BH in plaats van tankcode L4DH te gebruiken.

Referentie van de nationale wetgeving: Afwijking 01 — 2002.

Toelichting: deze regeling mag alleen worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijk afval over korte afstand.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–BE–5

Betreft: vervoer van afval naar afvalverwijderingsinstallaties.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.2, 5.4, 6.1 (oude regelgeving: A5, 2X14, 2X12).

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: classificatie, kenmerking en voorschriften voor de verpakking.

Inhoud van de nationale wetgeving: in plaats van de classificatie van afval aan de hand van de ADR wordt het in verschillende afvalgroepen geclassificeerd (brandbare oplosmiddelen, verf, zuren, batterijen enz.) om gevaarlijke reacties binnen één groep te voorkomen. De voorschriften voor de vervaardiging van verpakkingen zijn minder streng.

Referentie van de nationale wetgeving: Koninklijk Besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg.

Toelichting: deze regeling mag worden gebruikt voor het vervoer van kleine hoeveelheden afval naar afvalverwijderingsinstallaties.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–BE–6

Betreft: vaststelling van RO-bi-SE-5.

Referentie van de nationale wetgeving:

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–BE–7

Betreft: vaststelling van RO-bi-SE-6.

Referentie van de nationale wetgeving:

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–BE–8

Betreft: vaststelling van RO-bi-UK-2.

Referentie van de nationale wetgeving:

Vervaldatum: 30 juni 2015

DE Duitsland

RO–bi–DE–1

Betreft: vrijstelling voor bepaalde vermeldingen op het vervoersdocument (n2).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.1.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: inhoud van het vervoersdocument.

Inhoud van de nationale wetgeving: voor alle klassen, behalve de klassen 1 (behalve 1.4S), 5.2 en 7:

In het vervoersdocument behoeft geen vermelding te worden opgenomen:

a)

van de ontvanger bij plaatselijke distributie (behalve voor een volledige lading en vervoer met specifieke trajecten);

b)

van de hoeveelheid en de aard van de verpakkingen als punt 1.1.3.6 niet van toepassing is en het voertuig voldoet aan alle bepalingen van de bijlagen A en B;

c)

voor lege, ongereinigde tanks volstaat het vervoersdocument van de laatste lading.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350); Ausnahme 18.

Toelichting: toepassing van alle voorschriften is ten aanzien van dergelijk vervoer niet uitvoerbaar.

Afwijking door de Commissie geregistreerd als nr. 22 (krachtens artikel 6, lid 10, van Richtlijn 94/55/EG).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–DE–2

Betreft: vervoer van met pcb’s verontreinigde materialen van klasse 9 als los gestort goed.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 7.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vervoer als los gestort goed.

Inhoud van de nationale wetgeving: toestemming voor het vervoer als los gestort goed in wissellaadbakken of containers die zodanig afgesloten zijn dat ze ondoordringbaar zijn voor vloeistoffen of stof.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350); Ausnahme 11.

Toelichting: vrijstelling 11 beperkt tot 31.12.2004; vanaf 2005 zijn de bepalingen van de ADR en het RID identiek.

Zie ook multilaterale overeenkomst M137.

Lijst nr. 4*.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–DE–3

Betreft: vervoer van verpakt gevaarlijk afval.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: delen 1 tot en met 5.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: classificatie, verpakking en kenmerking.

Inhoud van de nationale wetgeving: klassen 2 tot en met 6.1, 8 en 9: gezamenlijke verpakking en vervoer van gevaarlijk afval in pakketten en IBC’s; afval moet in een binnenverpakking (zoals ingezameld) worden verpakt en in specifieke afvalgroepen worden geclassificeerd (om gevaarlijke reacties binnen een afvalgroep te vermijden); gebruik van speciale schriftelijke instructies voor de afvalgroepen en als vrachtbrief; inzameling van huisvuil, laboratoriumafval enz.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350); Ausnahme 20.

Toelichting: lijst nr. 6*.

Vervaldatum: 30 juni 2015

DK Denemarken

RO–bi–DK–1

Betreft: UN 1202, 1203, 1223 en klasse 2 — geen vervoersdocument.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vervoersdocument vereist.

Inhoud van de nationale wetgeving: bij het vervoer van minerale olieproducten van klasse 3, UN 1202, 1203 en 1223 en gassen van klasse 2 in het kader van distributie (aflevering van goederen aan twee of meer ontvangers en inzameling van ingeleverde goederen in vergelijkbare situaties) is een vervoersdocument niet vereist mits de schriftelijke instructies naast de krachtens de ADR vereiste informatie ook informatie over het UN-nummer, de naam en de klasse bevatten.

Referentie van de nationale wetgeving: Bekendtgørelse nr. 729 af 15/08/2001 om vejtransport af farligt gods.

Toelichting: de reden voor bovengenoemde nationale afwijking is dat oliemaatschappijen dankzij de ontwikkeling van elektronische apparatuur bijvoorbeeld permanent informatie over klanten naar hun voertuigen kunnen verzenden. Aangezien deze informatie bij het vertrek niet beschikbaar is en tijdens het vervoer naar het voertuig wordt verzonden, is het niet mogelijk de vervoersdocumenten vóór het vertrek op te stellen. Dergelijk vervoer vindt binnen een beperkt gebied plaats.

Denemarken geniet een afwijking voor een soortgelijke bepaling krachtens artikel 6, lid 10, van Richtlijn 94/55/EG.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–DK–2

Betreft: vaststelling van RO-bi-SE-6.

Referentie van de nationale wetgeving: Bekendtgørelse nr. 437 af 6. juni 2005 om vejtransport af farligt gods, zoals gewijzigd.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–DK–3

Betreft: vaststelling van RO-bi-UK-1.

Referentie van de nationale wetgeving: Bekendtgørelse nr. 437 af 6. juni 2005 om vejtransport af farligt gods, zoals gewijzigd.

Vervaldatum: 30 juni 2015

EL Griekenland

RO–bi–EL–1

Betreft: vrijstelling van veiligheidsvereisten voor vaste tanks (tankvoertuigen) die vóór 31.12.2001 zijn geregistreerd, voor het lokaal vervoer of kleine hoeveelheden van sommige categorieën gevaarlijke goederen.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 1.6.3.6, 6.8.2.4.2, 6.8.2.4.3, 6.8.2.4.4, 6.8.2.4.5, 6.8.2.1.17-6.8.2.1.22, 6.8.2.1.28, 6.8.2.2, 6.8.2.2.1, 6.8.2.2.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vereisten inzake constructie, uitrusting, typekeuring, inspectie en beproeving, en kenmerking van vaste tanks (tankvoertuigen), afneembare tanks, tankcontainers en wissellaadtanks, waarvan de houders uit metaal vervaardigd zijn, en batterijvoertuigen, alsmede van MEGC’s.

Inhoud van de nationale wetgeving: overgangsbepaling: tussen 1.1.1985 en 31.12.2001 voor de eerste maal in Griekenland geregistreerde vaste tanks (tankvoertuigen), afneembare tanks en tankcontainers mogen nog tot 31.12.2010 worden gebruikt. Deze overgangsbepaling betreft voertuigen voor het vervoer van de volgende gevaarlijke materialen (UN: 1202, 1268, 1223, 1863, 2614, 1212, 1203, 1170, 1090, 1193, 1245, 1294, 1208, 1230, 3262, 3257). De bepaling is bedoeld voor het vervoer van kleine hoeveelheden of lokaal vervoer door in bovengenoemde periode geregistreerde voertuigen. Deze overgangsperiode zal gelden voor tankvoertuigen die zijn aangepast in overeenstemming met:

1.

paragrafen van de ADR betreffende inspecties en beproevingen: 6.8.2.4.2, 6.8.2.4.3, 6.8.2.4.4, 6.8.2.4.5, (ADR 1999: 211151, 211152, 211153, 211154);

2.

minimale dikte van de houderwand: 3 mm voor tanks met compartimenten met een capaciteit tot 3 500 l en minstens 4 mm zacht staal voor tanks met compartimenten met een capaciteit tot 6 000 l, ongeacht het type of de dikte van de scheidingswanden;

3.

indien als materiaal aluminium of een ander metaal gebruikt is, moeten de tanks voldoen aan de vereisten voor dikte en andere technische specificaties welke voortvloeien uit de technische tekeningen die zijn goedgekeurd door de lokale overheid van het land waar zij voordien geregistreerd waren. Bij ontbreken van technische tekeningen, moeten de tanks voldoen aan de vereisten van 6.8.2.1.17 (211127);

4.

de tanks moeten voldoen aan de eisen van de randnummers 211128, 6.8.2.1.28 (211129), paragraaf 6.8.2.2 met subparagrafen 6.8.2.2.1 en 6.8.2.2.2 (211130, 211131).

Meer in het bijzonder mogen tankvoertuigen met een massa van minder dan 4 t die uitsluitend zijn bestemd voor plaatselijk vervoer van gasolie (UN 1202), die vóór 31.12.2002 voor het eerst zijn geregistreerd en waarvan de wanddikte minder dan 3 mm bedraagt, alleen worden gebruikt indien zij overeenkomstig randnummer 211127 (5)b4 (6.8.2.1.20) worden omgebouwd.

Referentie van de nationale wetgeving: Τεχνικές Προδιαγραφές κατασκευής, εξοπλισμού και ελέγχων των δεξαμενών μεταφοράς συγκεκριμένων κατηγοριών επικινδύνων εμπορευμάτων για σταθερές δεξαμενές (οχήματα-δεξαμενές), αποσυναρμολογούμενες δεξαμενές που βρίσκονται σε κυκλοφορία (vereisten inzake constructie, uitrusting, inspectie en beproeving van vaste tanks (tankvoertuigen) en afneembare tanks die in circulatie zijn, voor sommige categorieën gevaarlijke goederen).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–EL–2

Betreft: vrijstelling van vóór 31 december 2001 ingeschreven voertuigen voor het plaatselijk vervoer van gevaarlijke goederen van de vereisten voor de constructie van basisvoertuigen.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: ADR 2001: 9.2, 9.2.3.2, 9.2.3.3.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vereisten inzake de constructie van basisvoertuigen.

Inhoud van de nationale wetgeving: de vrijstelling is van toepassing op voertuigen voor het plaatselijke vervoer van gevaarlijke goederen (categorieën UN 1202, 1268, 1223, 1863, 2614, 1212, 1203, 1170, 1090, 1193, 1245, 1294, 1208, 1230, 3262 en 3257) die vóór 31 december 2001 voor het eerst zijn ingeschreven.

De bovengenoemde voertuigen moeten voldoen aan de vereisten van hoofdstuk 9 (9.2.1 tot en met 9.2.6) van bijlage B bij Richtlijn 94/55/EG, met de volgende uitzonderingen.

Aan de vereisten van paragraaf 9.2.3.2 moet alleen worden voldaan indien het voertuig door voertuigfabrikant is uitgerust met een antiblokkeerremsysteem en het moet worden uitgerust met een remvertrager als omschreven in paragraaf 9.2.3.3.1, zonder dat er noodzakelijkerwijs aan de paragrafen 9.2.3.3.2 en 9.2.3.3.3 behoeft te worden voldaan.

De voeding van de tachograaf moet verlopen via een rechtstreeks op de accu aangesloten stroombegrenzer (randnummer 220 514) en de elektrische uitrusting van het hefmechanisme van het draaistel moet op dezelfde plaats worden geïnstalleerd als waar deze door de voertuigfabrikant oorspronkelijk was aangebracht en moet met een hiertoe geschikte gesloten behuizing worden beschermd (randnummer 220 517).

Voor het plaatselijke vervoer van dieselolie voor verwarmingsdoeleinden (UN 1202) bestemde tankvoertuigen met een maximale massa van minder dan 4 t moeten specifiek voldoen aan de vereisten van de paragrafen 9.2.2.3, 9.2.2.6, 9.2.4.3 en 9.2.4.5, maar niet noodzakelijkerwijs aan die van andere paragrafen.

Referentie van de nationale wetgeving: Τεχνικές Προδιαγραφές ήδη κυκλοφορούντων οχημάτων που διενεργούν εθνικές μεταφορές ορισμένων κατηγοριών επικινδύνων εμπορευμάτων (technische vereisten voor reeds in gebruik zijnde voertuigen die bestemd zijn voor het plaatselijke vervoer van bepaalde categorieën gevaarlijke goederen).

Toelichting: in vergelijking met het totale aantal reeds ingeschreven voertuigen gaat het hier om een betrekkelijk klein aantal voertuigen die bovendien alleen voor plaatselijk vervoer bestemd zijn. De vorm van de aangevraagde vrijstelling, de grootte van het wagenpark in kwestie en het soort goederen dat hier vervoerd wordt, zijn niet van dien aard dat zij een bedreiging voor de veiligheid op de weg zullen vormen.

Vervaldatum: 30 juni 2015

ES Spanje

RO–bi–ES–2

Betreft: speciale apparatuur voor de distributie van ammoniakgas.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 6.8.2.2.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: teneinde elk verlies van de inhoud bij beschadiging van de uitwendige laad- en losinrichtingen (pijpen, zijafsluiters) te voorkomen, moeten de inwendige afsluiter en de zitting daarvan zodanig ontworpen of beschermd zijn dat zij niet kunnen afbreken ten gevolge van uitwendige belastingen. De laad- en losinrichtingen (met inbegrip van flenzen of schroefdoppen) alsmede de eventuele beschermkappen moeten beveiligd kunnen worden tegen elk ontijdig openen.

Inhoud van de nationale wetgeving: tanks die worden gebruikt voor de distributie en toepassing van ammoniakgas in de landbouw en die vóór 1 januari 1997 in gebruik zijn genomen, mogen van een uitwendige in plaats van een inwendige beveiliging worden voorzien, mits die een bescherming bieden die ten minste gelijkwaardig is met de bescherming die door de wand van de tank wordt geboden.

Referentie van de nationale wetgeving: Real Decreto 551/2006. Anejo 1. Apartado 3.

Toelichting: vóór 1 januari 1997 werden er in de landbouw voor het rechtstreeks opbrengen van ammoniakgas op het land uitsluitend tanks met een uitwendige beveiliging gebruikt. Een aantal van deze tanks worden nog steeds gebruikt. Ze rijden zelden met lading op de weg, maar worden uitsluitend gebruikt voor het uitrijden van mest op grote boerderijen.

Vervaldatum: 29 februari 2016

FI Finland

RO–bi–FI–1

Betreft: wijziging van de informatie in het vervoersdocument voor explosieve stoffen.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.2.1(a).

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: bijzondere bepalingen voor klasse 1.

Inhoud van de nationale wetgeving: in het vervoersdocument mag in plaats van de feitelijke nettomassa aan explosieve stoffen het aantal ontstekers worden vermeld (1 000 ontstekers komen overeen met 1 kg explosieven).

Referentie van de nationale wetgeving: Liikenne- ja viestintäministeriön asetus vaarallisten aineiden kuljetuksesta tiellä (277/2002; 313/2003).

Toelichting: deze informatie wordt voor binnenlands vervoer voldoende geacht. Deze afwijking wordt voornamelijk gebruikt voor de springstofindustrie voor het plaatselijk vervoer van kleine hoeveelheden.

Afwijking door de Commissie geregistreerd als nr. 31.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–FI–2

Betreft: vaststelling van RO-bi-SE-10.

Referentie van de nationale wetgeving:

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–FI–3

Betreft: vaststelling van RO-bi-DE-1.

Referentie van de nationale wetgeving:

Vervaldatum: 29 februari 2016

FR Frankrijk

RO–bi–FR–1

Betreft: gebruik van het scheepvaartdocument als vervoersdocument bij korte trajecten na het lossen van het schip.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: informatie die moet worden vermeld in het document dat als vervoersdocument voor gevaarlijke goederen wordt gebruikt.

Inhoud van de nationale wetgeving: het scheepvaartdocument wordt binnen een straal van 15 km als vervoersdocument gebruikt.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 1er juin 2001 relatif au transport des marchandises dangereuses par route — Article 23-4.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–FR–3

Betreft: vervoer van vaste LPG-opslagtanks (18).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: bijlagen A en B.

Inhoud van de nationale wetgeving: voor het vervoer van vaste LPG-opslagtanks gelden, uitsluitend voor korte afstanden, specifieke voorschriften.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 1er juin 2001 relatif au transport des marchandises dangereuses par route — Article 30.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–FR–4

Betreft: specifieke voorwaarden voor de opleiding van chauffeurs en de goedkeuring van voertuigen voor landbouwvervoer (korte afstanden).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 6.8.3.2, 8.2.1 en 8.2.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: tankapparatuur en opleiding van chauffeurs.

Inhoud van de nationale wetgeving:

Specifieke bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen.

Speciale opleiding voor chauffeurs.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 1er juin 2001 relatif au transport des marchandises dangereuses par route — Article 29-2 — Annexe D4.

Vervaldatum: 30 juni 2015

IE Ierland

RO–bi–IE–1

Betreft: vrijstelling van het voorschrift van 5.4.1.1.1 om i) de naam en het adres van de bestemmeling, ii) het aantal en een omschrijving van de colli, en iii) de totale hoeveelheid gevaarlijke goederen in het vervoersdocument te vermelden voor het vervoer van kerosine, dieselbrandstof of vloeibaar petroleumgas met de respectieve identificatienummers UN 1223, UN 1202 en UN 1965 naar de eindgebruiker.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: documentatie.

Inhoud van de nationale wetgeving: wanneer kerosine, dieselbrandstof of vloeibaar petroleumgas met de respectieve identificatienummers UN 1223, UN 1202 en UN 1965, als gespecificeerd in aanhangsel B.5 van bijlage B van de ADR, naar de eindgebruiker wordt vervoerd, is het niet nodig om de naam en het adres van de bestemmeling, het aantal en een omschrijving van de colli, de IBC’s of houders of de totale vervoerde hoeveelheid op de vervoerseenheid te vermelden.

Referentie van de nationale wetgeving: Regulation 82(2) of the „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations, 2004”.

Toelichting: bij de levering van huisbrandolie aan huishoudens is het gebruikelijk de opslagtank van de afnemer „bij te vullen”, zodat de te leveren hoeveelheid en het aantal afnemers (tijdens een leveringsroute) onbekend zijn op het tijdstip waarop de geladen tankwagen aan zijn route begint. Bij de levering van LPG-gasflessen aan huishoudens is het gebruikelijk lege flessen door volle te vervangen, zodat het aantal afnemers en de aan elk van hen geleverde hoeveelheid aan het begin van het vervoerstraject onbekend zijn.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–IE–2

Betreft: vrijstelling om toe te staan dat bij het vervoer van lege, ongereinigde tanks aan de bepalingen van 5.4.1.1.1 wordt voldaan door gebruik van het vervoersdocument voor de laatste inhoud.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: documentatie.

Inhoud van de nationale wetgeving: bij het vervoer van lege, ongereinigde tanks volstaat het vervoersdocument voor de laatste inhoud.

Referentie van de nationale wetgeving: Regulation 82(3) of the „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations, 2004”.

Toelichting: met name bij de levering van benzine en/of dieselbrandstof aan benzinestations keert de tankwagen onmiddellijk na de levering van de laatste lading direct terug naar de olieopslagplaats (om te worden geladen voor de volgende leveringen).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–IE–3

Betreft: vrijstelling voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen waaraan krachtens 7.5.11 aanvullend voorschrift CV1 en krachtens 8.5 aanvullend voorschrift S1 is toegekend, zonder speciale toestemming van de bevoegde instantie op een voor het publiek toegankelijke plaats.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 7.5 en 8.5.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: aanvullende voorschriften inzake het laden, het lossen en de behandeling.

Inhoud van de nationale wetgeving: in afwijking van de voorschriften van 7.5.11 of 8.5 is het laden en lossen van gevaarlijke goederen op een voor het publiek toegankelijke plaats zonder speciale toestemming van de bevoegde instantie toegestaan.

Referentie van de nationale wetgeving: Regulation 82(5) of the „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations, 2004”.

Toelichting: voor binnenlands vervoer vormt deze bepaling een zeer bewerkelijke verplichting voor de bevoegde instanties.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–IE–5

Betreft: vrijstelling van het „samenladingsverbod” van 7.5.2.1 voor voorwerpen van compatibiliteitsgroep B en stoffen en voorwerpen van compatibiliteitsgroep D op hetzelfde voertuig als gevaarlijke goederen in tanks van de klassen 3, 5.1 en 8.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 7.5.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften inzake het laden, het lossen en de behandeling.

Inhoud van de nationale wetgeving: colli met voorwerpen van compatibiliteitsgroep B van ADR-klasse 1 en colli met stoffen en voorwerpen van compatibiliteitsgroep D van ADR-klasse 1 mogen op hetzelfde voertuig worden vervoerd als gevaarlijke goederen van de ADR-klassen 3, 5.1 of 8, mits a) genoemde colli van ADR-klasse 1 worden vervoerd in aparte containers/compartimenten met een door de bevoegde instantie goedgekeurd ontwerp en onder de door de bevoegde instantie vereiste voorwaarden, en b) genoemde stoffen van de ADR-klassen 3, 5.1 of 8 worden vervoerd in vaten die voldoen aan de eisen van de bevoegde instantie inzake ontwerp, constructie, beproeving, onderzoek, functioneren en gebruik.

Referentie van de nationale wetgeving: Regulation 82(7) of the „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations, 2004”.

Toelichting: om toestemming te verlenen, onder door de bevoegde instanties goedgekeurde voorwaarden, voor het laden van voorwerpen en stoffen van compatibiliteitsgroepen B en D van klasse 1 op hetzelfde voertuig als gevaarlijke goederen in tanks van de klassen 3, 5.1 en 8 — d.w.z. „pompwagens”.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–IE–6

Betreft: vrijstelling van het voorschrift in 4.3.4.2.2, waarin wordt bepaald dat niet permanent met de tank van een tankwagen verbonden buigzame laad- en losleidingen tijdens het vervoer leeg moeten zijn.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 4.3.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: gebruik van tankwagens.

Inhoud van de nationale wetgeving: flexibele slanghaspels (inclusief de bijbehorende vaste pijpleidingen) die zijn verbonden aan tankwagens voor kleinhandeldistributie van aardolieproducten met identificatienummers UN 1011, UN 1202, UN 1223, UN 1863 en UN 1978, behoeven tijdens het vervoer over de weg niet leeg te zijn, mits er afdoende maatregelen worden genomen om verlies van de inhoud te voorkomen.

Referentie van de nationale wetgeving: Regulation 82(8) of the „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations, 2004”.

Toelichting: flexibele slangen die zijn verbonden aan tankwagens voor levering aan huis, moeten zelfs tijdens het vervoer te allen tijde vol blijven. Het leveringsysteem vereist dat de meter en de slang van de tankwagen vooraf gevuld zijn om ervoor te zorgen dat de afnemer de juiste hoeveelheid product ontvangt.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–IE–7

Betreft: vrijstelling van bepaalde voorschriften van de hoofdstukken 5.4.0, 5.4.1.1.1 en 7.5.11 van de ADR voor het bulkvervoer van ammoniumnitraatmeststoffen (UN 2067) van havens naar de bestemmelingen.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.0, 5.4.1.1.1 en 7.5.11.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: het voorschrift voor een apart vervoersdocument met de correcte totale hoeveelheid van de specifieke lading voor elk vervoerstraject en het voorschrift dat het voertuig voor en na het traject moet worden gereinigd.

Inhoud van de nationale wetgeving: voorgestelde afwijking om, gelet op de praktische aspecten van bulkvervoer van de haven naar de bestemmeling, wijzigingen in de ADR-voorschriften voor het vervoersdocument en de reiniging van het voertuig mogelijk te maken.

Referentie van de nationale wetgeving: Amendement dat is voorgesteld op de „Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations, 2004”.

Toelichting: de bepalingen van de ADR vereisen a) een apart vervoersdocument met de totale massa vervoerde gevaarlijke goederen voor de specifieke lading en b) het aanvullende voorschrift „CV24” inzake de reiniging voor elke afzonderlijke lading die bij het lossen van een bulkschip tussen de haven en de bestemmeling wordt vervoerd. Aangezien het hier om plaatselijk vervoer bij het lossen van een bulkschip gaat, waarbij dezelfde stof in verschillende ladingen op dezelfde dag of opeenvolgende dagen tussen het bulkschip en de bestemmeling wordt vervoerd, zou één vervoersdocument met een benaderde totale massa van elke lading moeten volstaan en zou aanvullend voorschrift „CV24” niet verplicht behoeven te zijn.

Vervaldatum: 30 juni 2015

LT Litouwen

RO–bi–LT–1

Betreft: vaststelling van RO-bi-EL-1.

Referentie van de nationale wetgeving: Lietuvos Respublikos Vyriausybės 2000 m. kovo 23 d. nutarimas Nr. 337 „Dėl pavojingų krovinių vežimo kelių transportu Lietuvos Respublikoje” (Regeringsbesluit nr. 337 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg in de Republiek Litouwen, goedgekeurd op 23 maart 2000).

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–LT–2

Betreft: vaststelling van RO-bi-EL-2.

Referentie van de nationale wetgeving: Lietuvos Respublikos Vyriausybės 2000 m. kovo 23 d. nutarimas Nr. 337 „Dėl pavojingų krovinių vežimo kelių transportu Lietuvos Respublikoje” (Regeringsbesluit nr. 337 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg in de Republiek Litouwen, goedgekeurd op 23 maart 2000).

Vervaldatum: 30 juni 2015

NL Nederland

RO–bi–NL–13

Betreft: regeling vervoer huishoudelijk gevaarlijk afval 2004.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 1.1.3.6, 3.3, 4.1.4, 4.1.6, 4.1.8, 4.1.10, 5.1.2, 5.4.0, 5.4.1, 5.4.3, 6.1, 7.5.4, 7.5.7, 7.5.9, 8 en 9.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vrijstellingen voor bepaalde hoeveelheden; bijzondere bepalingen; gebruik van verpakking; gebruik van oververpakking; documentatie; constructie en beproeving van verpakking; laden, lossen en behandeling; bemanning; apparatuur; functionering; voertuigen en documentatie; constructie en goedkeuring van voertuigen.

Inhoud van de nationale wetgeving: 17 inhoudelijke bepalingen voor het vervoer van klein ingezameld huishoudelijk gevaarlijk afval. Gelet op de kleine hoeveelheden waar het in ieder geval om gaat en gelet op de uiteenlopende aard van de verschillende stoffen is het niet mogelijk bij het vervoer de ADR-voorschriften volledig in acht te nemen. Daarom wordt dan ook in genoemde regeling een vereenvoudigde variant vastgesteld die van een aantal bepalingen in de ADR afwijkt.

Referentie van de nationale wetgeving: Regeling vervoer huishoudelijk gevaarlijk afval 2004.

Toelichting: de regeling is zo ontworpen dat particulieren de mogelijkheid krijgen „klein chemisch afval” op één locatie aan te bieden. Het gaat dan ook om restproducten, zoals verfresten. Het gevaar wordt geminimaliseerd door de keuze van het vervoermiddel, waarbij onder meer speciale transportelementen worden gebruikt en „niet roken”-borden en een geel zwaailicht die duidelijk zichtbaar zijn voor het publiek. Het cruciale punt voor het vervoer is dat de veiligheid wordt gewaarborgd. Hier kan bijvoorbeeld voor worden gezorgd door de stoffen in gesloten verpakkingen te laten vervoeren, zodat verspreiding wordt voorkomen en er geen risico ontstaat dat giftige dampen weglekken of zich in het voertuig ophopen. Het voertuig bevat elementen die geschikt zijn om de verschillende categorieën afval erin op te slaan en bescherming bieden tegen schuiven, onopzettelijke verplaatsing en onbedoeld openen. Ongeacht de kleine hoeveelheden afval die worden aangeboden, moet de vervoersexploitant gezien de uiteenlopende aard van de betrokken stoffen toch een vakbekwaamheidscertificaat hebben. Omdat privépersonen niet voldoende op de hoogte zijn van de aan deze stoffen verbonden gevaren, moeten er schriftelijke instructies beschikbaar zijn, zoals in de bijlage bij de regeling wordt bepaald.

Vervaldatum: 30 juni 2015

PT Portugal

RO–bi–PT–1

Betreft: vervoersdocumentatie voor UN 1965.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor vervoersdocumentatie.

Inhoud van de nationale wetgeving: de juiste vervoersnaam die op het vervoersdocument moet worden vermeld voor in cilinders vervoerd commercieel butaan- en propaangas dat onder de verzamelrubriek „UN 1965 Mengsel van koolwaterstofgassen, vloeibaar gemaakt, n.e.g.” valt, zoals bepaald in punt 5.4.1 van het RPE (Regulamento Nacional de Transporte de Mercadorias Perigosas por Estrada), mag worden vervangen door de volgende andere handelsnamen:

 

„UN 1965 Butaan” voor de mengsels A, A01, A02 en A0, zoals beschreven in subsectie 2.2.2.3 van het RPE, vervoerd in cilinders;

 

„UN 1965 Propaan” voor mengsel C, zoals beschreven in subsectie 2.2.2.3 van het RPE, vervoerd in cilinders.

Referentie van de nationale wetgeving: Despacho DGTT 7560/2004, 16 april 2004, krachtens artikel 5, nr. 1, van Decreto-Lei nr. 267-A/2003 van 27 oktober.

Toelichting: het is belangrijk dat het invullen van vervoersdocumenten voor gevaarlijke goederen door economische operatoren wordt vergemakkelijkt, mits de veiligheid van die activiteiten niet in het gedrang komt.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–PT–2

Betreft: vervoersdocumentatie voor lege ongereinigde tanks en containers.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor vervoersdocumentatie.

Inhoud van de nationale wetgeving: voor de terugritten van lege tanks en containers waarmee gevaarlijke goederen zijn vervoerd, mag het in punt 5.4.1 van het RPE bedoelde vervoersdocument worden vervangen door het vervoersdocument dat is afgegeven voor de onmiddellijk daaraan voorafgaande rit die is uitgevoerd voor het leveren van de goederen.

Referentie van de nationale wetgeving: Despacho DGTT 15162/2004, 28 juli 2004, krachtens artikel 5, nr. 1, van Decreto-Lei nr. 267-A/2003 van 27 oktober.

Toelichting: de verplichting dat voor het vervoer van lege tanks en containers waarmee gevaarlijke goederen zijn vervoerd een vervoersdocument moet zijn afgegeven dat voldoet aan het RPE, veroorzaakt in sommige gevallen praktische problemen die tot een minimum kunnen worden beperkt zonder dat de veiligheid hierdoor in het gedrang komt.

Vervaldatum: 30 juni 2015

SE Zweden

RO–bi–SE–1

Betreft: vervoer van gevaarlijk afval naar installaties voor de verwijdering van gevaarlijk afval.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: deel 2, hoofdstukken 5.2 en 6.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: classificatie, kenmerking en etikettering en voorschriften voor de constructie en de beproeving van de verpakking.

Inhoud van de nationale wetgeving: de wetgeving behelst vereenvoudigde classificatiecriteria, minder strenge eisen voor de constructie en beproeving van de verpakking en gewijzigde etiketterings- en kenmerkingsvoorschriften.

In plaats van de classificatie van gevaarlijk afval aan de hand van het ADR wordt het in verschillende afvalgroepen geclassificeerd. Elke afvalgroep bevat stoffen die overeenkomstig het ADR samen kunnen worden verpakt (gezamenlijke verpakking).

Elk pakje moet met de code van de desbetreffende afvalgroep in plaats van het UN-nummer worden gekenmerkt.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Toelichting: deze voorschriften mogen alleen worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijk afval van publieke recyclinglocaties naar installaties voor de verwijdering van gevaarlijk afval.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–2

Betreft: vermelding van de naam en het adres van de afzender op het vervoersdocument.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: algemene informatie die in het vervoersdocument moet worden vermeld.

Inhoud van de nationale wetgeving: in de nationale wetgeving wordt bepaald dat lege, ongereinigde verpakkingen als onderdeel van een distributiesysteem mogen worden geretourneerd zonder vermelding van de naam en het adres van de afzender.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Toelichting: lege, ongereinigde verpakkingen die worden geretourneerd, bevatten in de meeste gevallen nog kleine hoeveelheden gevaarlijke goederen.

Deze afwijking wordt vooral gebruikt door bedrijven wanneer lege, ongereinigde gashouders in ruil voor volle worden geretourneerd.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–3

Betreft: vervoer van gevaarlijke goederen in de directe omgeving van industrieterreinen, met inbegrip van vervoer over de openbare weg tussen verschillende delen van de terreinen.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: bijlagen A en B.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de openbare weg.

Inhoud van de nationale wetgeving: vervoer in de directe omgeving van industrieterreinen, met inbegrip van vervoer over de openbare weg tussen verschillende delen van de terreinen. De afwijking heeft betrekking op de etikettering en kenmerking van verpakkingen, vervoersdocumenten, het diploma van de chauffeur en het keuringscertificaat overeenkomstig deel 9.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Toelichting: er zijn verschillende situaties waarin gevaarlijke goederen worden vervoerd tussen locaties die aan weerszijden van een openbare weg liggen. Deze vorm van vervoer valt niet onder het vervoer van gevaarlijke goederen op een particuliere weg en er moeten derhalve de nodige eisen aan worden gesteld. Zie ook artikel 6, lid 14, van Richtlijn 96/49/EG.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–4

Betreft: vervoer van gevaarlijke goederen die door de overheid in beslag zijn genomen.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: bijlagen A en B.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de openbare weg.

Inhoud van de nationale wetgeving: afwijkingen van de voorschriften kunnen met het oog op bijvoorbeeld de bescherming van werknemers, risico’s bij het lossen of de indiening van bewijsmateriaal, worden toegestaan.

Afwijkingen van de voorschriften worden alleen toegestaan als het veiligheidsniveau bij normale vervoersomstandigheden afdoende is.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Toelichting: deze afwijkingen kunnen alleen worden toegepast door overheidsinstanties die gevaarlijke goederen in beslag nemen.

Deze afwijking is bedoeld voor plaatselijk vervoer van bijvoorbeeld goederen die door de politie in beslag zijn genomen zoals explosieven of gestolen goederen. Het probleem bij dergelijke goederen is dat de classificatie nooit vaststaat. Bovendien zijn deze goederen vaak niet volgens de ADR verpakt, gekenmerkt of geëtiketteerd. Jaarlijks vinden er enkele honderden van dergelijke transporten door de politie plaats. Gesmokkelde drank moet worden vervoerd van de plaats waar het in beslag is genomen naar een plaats waar bewijsmateriaal wordt bewaard en vervolgens naar een installatie waar het wordt vernietigd, waarbij de afstand tussen deze laatste twee locaties soms erg groot is. De toegestane afwijkingen zijn: a) het is niet nodig elke verpakking te etiketteren en b) het is niet nodig goedgekeurde verpakkingen te gebruiken. Elke pallet met dergelijke verpakkingen moet echter op correcte wijze worden geëtiketteerd. Aan alle andere voorschriften moet worden voldaan. Jaarlijks vinden er ongeveer 20 van dergelijke transporten plaats.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–5

Betreft: vervoer van gevaarlijke goederen in en in de directe omgeving van havens.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 8.1.2, 8.1.5, 9.1.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: documenten die in de vervoerseenheid moeten worden meegenomen; elke vervoerseenheid met gevaarlijke goederen moet met de gespecificeerde apparatuur worden uitgerust; goedkeuring van voertuigen.

Inhoud van de nationale wetgeving:

Documenten (behalve het diploma van de chauffeur) behoeven niet in de vervoerseenheid te worden meegenomen.

Een vervoerseenheid behoeft niet met de onder 8.1.5 gespecificeerde apparatuur te worden uitgerust.

Voor trekkers is er geen goedkeuringsbewijs nodig.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Toelichting: zie ter vergelijking ook artikel 6, lid 14, van Richtlijn 96/49/EG.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–6

Betreft: ADR-diploma voor inspecteurs.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 8.2.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: chauffeurs van ADR-voertuigen moeten een opleiding volgen.

Inhoud van de nationale wetgeving: de inspecteurs die de jaarlijkse technische keuring van het voertuig uitvoeren, behoeven niet de in hoofdstuk 8.2 vermelde opleiding te volgen en behoeven geen ADR-diploma te hebben.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Toelichting: in sommige gevallen kunnen de voertuigen bij de technische keuring gevaarlijke goederen als lading vervoeren, bijvoorbeeld lege, ongereinigde tanks.

De onder 1.3 en 8.2.3 vermelde eisen blijven van toepassing.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–7

Betreft: lokale distributie van UN 1202, 1203 en 1223 in tankwagens.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.1.6, 5.4.1.4.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voor lege, ongereinigde tankwagens en tankcontainers moet de beschrijving voldoen aan punt 5.4.1.1.6. In andere documenten kunnen naam en adres van verschillende bestemmelingen worden vermeld.

Inhoud van de nationale wetgeving: voor lege, ongereinigde tankwagens en tankcontainers is de beschrijving in het vervoersdocument overeenkomstig punt 5.4.1.1.6 niet vereist wanneer bij de hoeveelheid van de stof in het beladingsplan „0” wordt ingevuld. In het document aan boord van het voertuig behoeven naam en adres van de bestemmeling niet te worden vermeld.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–9

Betreft: plaatselijk vervoer voor landbouwterreinen of bouwlocaties.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4, 6.8 en 9.1.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vervoersdocument; constructie van tanks, goedkeuringscertificaat.

Inhoud van de nationale wetgeving: bij het plaatselijke vervoer voor landbouwterreinen of bouwlocaties zijn een aantal voorschriften niet van toepassing:

a)

de declaratie van gevaarlijke goederen is niet nodig;

b)

oudere tanks/containers die niet overeenkomstig hoofdstuk 6.8, maar overeenkomstig oudere nationale wetgeving zijn gebouwd en op een bouwkeet zijn aangebracht, mogen nog worden gebruikt;

c)

oudere tankwagens die niet voldoen aan de voorschriften van 6.7 of 6.8 en bedoeld zijn voor het vervoer van stoffen van UN 1268, 1999, 3256 en 3257, met of zonder apparatuur voor het bekleden van het wegoppervlak, mogen nog voor plaatselijk vervoer en in de directe omgeving van wegwerkzaamheden worden gebruikt;

d)

goedkeuringscertificaten voor bouwketen en tankwagens met of zonder apparatuur voor het bekleden van het wegoppervlak zijn niet vereist.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Toelichting: een bouwkeet is een soort caravan voor een werkploeg met een ruimte voor de werkploeg en een niet-goedgekeurde tank/container met dieselbrandstof voor bosbouwtrekkers.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–10

Betreft: vervoer van explosieven in tanks.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 4.1.4.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: explosieven mogen alleen overeenkomstig de voorschriften van 4.1.4 worden verpakt.

Inhoud van de nationale wetgeving: de nationale bevoegde instantie zal voertuigen goedkeuren die bestemd zijn voor het vervoer van explosieven in tanks. Vervoer in tanks is uitsluitend toegestaan voor de in de regelgeving vermelde explosieven of met speciale toestemming van de bevoegde autoriteit.

Een voertuig dat met explosieven in tanks geladen is, moet overeenkomstig 5.3.2.1.1, 5.3.1.1.2 en 5.3.1.4 worden gekenmerkt en geëtiketteerd. Slechts één voertuig in de vervoerseenheid mag gevaarlijke goederen bevatten.

Referentie van de nationale wetgeving: Aanhangsel S — Specifieke voorschriften voor het binnenlandse vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, vastgesteld overeenkomstig de wet Vervoer van gevaarlijke goederen en de Zweedse verordening SÄIFS 1993:4.

Toelichting: dit geldt alleen voor binnenlands vervoer en wanneer het vervoer meestal plaatselijk is. Deze regeling was reeds vóór de toetreding van Zweden tot de Europese Unie van kracht.

Slechts twee bedrijven verzorgen vervoer van explosieven in tanks. In de nabije toekomst wordt een overgang naar emulsies verwacht.

Voorheen afwijking nr. 84.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–11

Betreft: rijbewijs.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 8.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften inzake de opleiding van de voertuigbemanning.

Inhoud van de nationale wetgeving: opleiding van bestuurders is niet toegestaan met de in 8.2.1.1 genoemde voertuigen.

Referentie van de nationale wetgeving: Aanhangsel S — Specifieke voorschriften voor het binnenlandse vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, vastgesteld overeenkomstig de wet Vervoer van gevaarlijke goederen.

Toelichting: plaatselijk vervoer.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–SE–12

Betreft: vervoer van UN 0335-vuurwerk.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: bijlage B, afdeling 7.2.4, V2 (1).

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor het gebruik van voertuigen van type EX/II en EX/III.

Inhoud van de nationale wetgeving: bijzondere bepaling V2 (1) in 7.2.4 is alleen van toepassing op het vervoer van UN 0335-vuurwerk wanneer een netto explosieve lading van meer dan 3 000 kg (4 000 kg met een aanhangwagen) wordt vervoerd, mits het vuurwerk overeenkomstig de tabel voor de classificatie van vuurwerk onder 2.1.3.5.5 van de veertiende herziene editie van de VN-aanbevelingen voor het vervoer van gevaarlijke goederen onder UN 0335 is geclassificeerd.

Deze classificatie moet worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten. Een classificatiebewijs moet op de vervoerseenheid aanwezig zijn.

Referentie van de nationale wetgeving: Aanhangsel S — Specifieke voorschriften voor het binnenlandse vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, vastgesteld overeenkomstig de wet Vervoer van gevaarlijke goederen.

Toelichting: het vervoer van vuurwerk is beperkt tot twee korte perioden per jaar: de jaarwisseling en de periode rond eind april, begin mei. Het vervoer van de verzender naar de opslagplaatsen kan zonder grote problemen worden uitgevoerd door het huidige EX-wagenpark. Zowel de distributie van de opslagplaatsen naar de winkelcentra als het terugbrengen van de overschotten naar de opslagplaatsen wordt echter beperkt door een tekort aan EX-goedgekeurde voertuigen. Vervoerders hebben geen belangstelling voor dergelijke goedkeuringen aangezien ze hun kosten niet kunnen terugverdienen. De verzenders van vuurwerk worden in hun voortbestaan bedreigd omdat hun producten niet tot op de markt geraken.

Vuurwerk waarvoor een beroep wordt gedaan op deze afwijking moet zijn geclassificeerd op basis van de standaardlijst van de VN-aanbevelingen, teneinde te waarborgen dat de classificatie up-to-date is.

Bijzondere bepaling 651 van punt 3.3.1 van de ADR 2005 bevat een gelijksoortige uitzondering voor UN 0336-vuurwerk.

Vervaldatum: 30 juni 2015

UK Verenigd Koninkrijk

RO–bi–UK–1

Betreft: het oversteken van de openbare weg door voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren (N8).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: bijlagen A en B.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de openbare weg.

Inhoud van de nationale wetgeving: de voorschriften voor gevaarlijke goederen worden niet toegepast voor het vervoer binnen privéterreinen die door een weg worden doorsneden. Voor klasse 7 geldt deze afwijking niet ten aanzien van de bepalingen van de Radioactive Material (Road Transport) Regulations 2002.

Referentie van de nationale wetgeving: Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations 1996, reg. 3 Schedule 2(3)(b); Carriage of Explosives by Road Regulations 1996, reg. 3(3)(b).

Toelichting: een dergelijke situatie kan zich gemakkelijk voordoen wanneer goederen worden vervoerd tussen twee privéterreinen die aan weerskanten van een weg zijn gelegen. Dit valt niet onder het vervoer van gevaarlijke goederen over de openbare weg in de gebruikelijke betekenis en in dergelijke gevallen moet geen van de voorschriften voor gevaarlijke goederen worden toegepast.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–UK–2

Betreft: vrijstelling van het verbod voor de chauffeur of de bijrijder om verpakkingen met gevaarlijke goederen te openen bij een lokale distributieketen van een lokaal magazijn naar een detailhandelaar of eindgebruiker en van een detailhandelaar naar een eindgebruiker (behalve klasse 7) (N11).

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 8.3.3.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: verbod voor de chauffeur of de bijrijder om verpakkingen met gevaarlijke goederen te openen.

Inhoud van de nationale wetgeving: het verbod om verpakkingen te openen wordt aangevuld met de voorwaarde „tenzij deze daartoe door de exploitant van het voertuig is gemachtigd”.

Referentie van de nationale wetgeving: Carriage of Dangerous Goods by Road Regulations 1996, reg. 12(3).

Toelichting: indien het verbod in de bijlage letterlijk wordt genomen, kan het ernstige problemen voor de detailhandeldistributie opleveren.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–UK–3

Betreft: alternatieve vervoersvoorschriften voor houten vaten die UN 3065 van verpakkingsgroep III bevatten.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: hoofdstukken 1.4, 4.1, 5.2 en 5.3.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften inzake verpakking en etikettering.

Inhoud van de nationale wetgeving: staat het vervoer toe van alcoholische dranken met een alcoholpercentage van meer dan 24 % maar niet meer dan 70 % alcohol (verpakkingsgroep III) in niet VN-goedgekeurde houten vaten zonder gevarenlabels, indien strengere ladings- en voertuigvoorschriften worden nageleefd.

Referentie van de nationale wetgeving: The Carriage of Dangerous Goods and Use of Transportable Pressure Equipment Regulations 2004: Regulation 7(13) and (14).

Toelichting: dit is een hoogwaardig product waarop accijns wordt geheven en dat voorzien van accijnszegels in verzegelde voertuigen tussen de stokerij en douane-entrepots moet worden vervoerd. Met de versoepeling inzake verpakking en etikettering wordt rekening gehouden in de aanvullende veiligheidsvoorschriften.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–UK–4

Betreft: vaststelling van RO-bi-SE-12.

Referentie van de nationale wetgeving: The Carriage of Dangerous Goods and Use of Transportable Pressure Equipment Regulations 2007 Part 1.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RO–bi–UK–5

Betreft: inzameling van gebruikte batterijen voor verwijdering of recycling.

Verwijzing naar bijlage I, deel I.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: bijlagen A en B.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: bijzondere bepaling 636.

Inhoud van de nationale wetgeving: de volgende alternatieven voor bijzondere bepaling 636 van hoofdstuk 3.3 worden toegestaan:

Gebruikte lithiumcellen en -batterijen (UN 3090 en UN 3091) die samen met andere cellen of batterijen dan met lithium (UN 2800 en UN 3028) worden ingezameld en met het oog op verwijdering worden aangeboden voor vervoer tussen het inzamelingspunt voor de consumenten en de tussenliggende verwerkingsinstallatie, vallen niet onder de overige ADR-voorschriften als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:

ze moeten worden verpakt in IH2-vaten of 4H2-dozen die voldoen aan het prestatieniveau van verpakkingsgroep II voor vaste stoffen;

ten hoogste 5 % van elke verpakking mag uit lithium- en lithiumionbatterijen bestaan;

het brutogewicht van elke verpakking mag niet groter zijn dan 25 kg;

de totale hoeveelheid verpakkingen per vervoerseenheid mag niet groter zijn dan 333 kg;

er mogen geen andere gevaarlijke goederen worden vervoerd.

Referentie van de nationale wetgeving: The Carriage of Dangerous Goods and Use of Transportable Pressure Equipment 2007 Part 1.

Toelichting: inzamelingspunten voor consumenten bevinden zich gewoonlijk in detailhandelszaken en het is niet praktisch om grote aantallen mensen op te leiden in het sorteren en verpakken van gebruikte batterijen volgens de ADR. Het systeem van het Verenigd Koninkrijk werkt op basis van richtsnoeren die door het UK Waste and Resources Action Programme zijn vastgesteld en omvat onder meer het leveren van geschikte ADR-conforme verpakkingen en het geven van passende instructies.

Vervaldatum: 30 juni 2015”.

2)

Bijlage II, deel II.3, wordt vervangen door:

„II.3.   Nationale afwijkingen

Afwijkingen voor lidstaten voor het vervoer van gevaarlijke goederen op hun grondgebied op grond van artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2008/68/EG.

Nummering van de afwijkingen: RA-a/bi/bii-LS-nn.

RA = spoor

a/bi/bii = artikel 6, lid 2, onder a)/onder b), i)/onder b), ii)

LS = afkorting van de lidstaat

nn = volgnummer

Op grond van artikel 6, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/68/EG

DE Duitsland

RA–a–DE–2

Betreft: toestemming voor gezamenlijke verpakking.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 4.1.10.4 MP2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: verbod op gezamenlijke verpakking.

Inhoud van de nationale wetgeving: klassen 1.4S, 2, 3 en 6.1: toestemming voor gezamenlijke verpakking van voorwerpen in klasse 1.4S (patronen voor kleine wapens), spuitbussen (klasse 2) en materialen voor reiniging en behandeling in de klassen 3 en 6.1 (vermelde UN-nummers) die als één geheel worden verkocht in gecombineerde verpakkingen in verpakkingsgroep II en in kleine hoeveelheden.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350); Ausnahme 21.

Toelichting: lijst nr. 30*, 30a, 30b, 30c, 30d, 30e, 30f en 30g.

Vervaldatum: 30 juni 2015

FR Frankrijk

RA–a–FR–3

Betreft: vervoer ten behoeve van de spoorwegmaatschappij.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.4.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: informatie over gevaarlijke materialen die op de vrachtbrief moet worden vermeld.

Inhoud van de nationale wetgeving: voor vervoer ten behoeve van de spoorwegmaatschappij van hoeveelheden die niet groter zijn dan de onder 1.1.3.6 vermelde grenswaarden, gelden niet de verplichtingen inzake de aangifte van de lading.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 5 juin 2001 relatif au transport des marchandises dangereuses par chemin de fer — Article 20.2.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RA–a–FR–4

Betreft: vrijstelling van de opschriften op bepaalde postwagens.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: verplichting om een opschrift op de wand van de wagen aan te brengen.

Inhoud van de nationale wetgeving: alleen op postwagens met meer dan 3 t materiaal van dezelfde klasse (met uitzondering van 1, 6.2 of 7) moet een opschrift worden aangebracht.

Referentie van de nationale wetgeving: Arrêté du 5 juin 2001 relatif au transport des marchandises dangereuses par chemin de fer — Article 21.1.

Vervaldatum: 30 juni 2015

SE Zweden

RA–a–SE–1

Betreft: op een spoorwagen waarmee gevaarlijke goederen als expresgoederen worden vervoerd, behoeft geen opschrift te worden aangebracht.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: op een spoorwagen waarmee gevaarlijke goederen worden vervoerd, moet een opschrift worden aangebracht.

Inhoud van de nationale wetgeving: op een spoorwagen waarmee gevaarlijke goederen als expresgoederen worden vervoerd, behoeft geen opschrift te worden aangebracht.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Toelichting: het RID bevat kwantitatieve beperkingen voor goederen die als expresgoederen worden aangeduid. Dit betekent dat het hier om kleine hoeveelheden gaat.

Vervaldatum: 30 juni 2015

UK Verenigd Koninkrijk

RA–a–UK–1

Betreft: vervoer van voorwerpen die bepaalde laagradioactieve materialen bevatten, zoals klokken, horloges, rookmelders en wijzerplaten voor kompassen.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: de meeste RID-voorschriften.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor het vervoer van materialen van klasse 7.

Inhoud van de nationale wetgeving: volledige vrijstelling van de bepalingen van de nationale regelgeving voor bepaalde handelsproducten die beperkte hoeveelheden radioactief materiaal bevatten.

Referentie van de nationale wetgeving: Packaging, Labelling and Carriage of Radioactive Material by Rail Regulations 1996, reg. 2(6) (as amended by Schedule 5 of the Carriage of Dangerous Goods (Amendment) Regulations 1999).

Toelichting: deze afwijking is een maatregel voor de korte termijn die niet langer nodig zal zijn wanneer soortgelijke wijzigingen in de IAEA-regels in het RID worden opgenomen.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RA–a–UK–2

Betreft: versoepeling van de beperkingen voor het vervoer van gemengde ladingen explosieven en van explosieven met andere gevaarlijke goederen in wagens, voertuigen en containers (N4/5/6).

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 7.5.2.1 en 7.5.2.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: beperkingen voor bepaalde soorten samenlading.

Inhoud van de nationale wetgeving: de nationale wetgeving is minder strikt voor de samenlading van explosieven, mits het vervoer hiervan zonder risico’s kan gebeuren.

Referentie van de nationale wetgeving: Packaging, Labelling and Carriage of Radioactive Material by Rail Regulations 1996, reg. 2(6) (as amended by Schedule 5 of the Carriage of Dangerous Goods (Amendment) Regulations 1999).

Toelichting: het Verenigd Koninkrijk wil toestemming geven voor enkele afwijkingen op de regels voor het combineren van explosieven met andere explosieven en van explosieven met andere gevaarlijke goederen. Elke afwijking kent een kwantitatieve beperking voor één of meer onderdelen van de lading en wordt alleen toegestaan mits „alle redelijkerwijs uitvoerbare maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de explosieven in contact komen met deze goederen of anderszins deze in gevaar brengen of daardoor in gevaar worden gebracht”.

Voorbeelden van afwijkingen waarvoor het Verenigd Koninkrijk toestemming zou willen geven:

1.

Explosieven die zijn geclassificeerd onder de UN-nummers 0029, 0030, 0042, 0065, 0081, 0082, 0104, 0241, 0255, 0267, 0283, 0289, 0290, 0331, 0332, 0360 of 0361, mogen in één voertuig worden vervoerd met gevaarlijke goederen die zijn geclassificeerd onder UN-nummer 1942. De hoeveelheid UN 1942 die mag worden vervoerd, wordt beperkt door deze te beschouwen als explosieven van 1.1D.

2.

Explosieven die zijn geclassificeerd onder de UN-nummers 0191, 0197, 0312, 0336, 0403, 0431 of 0453, mogen in één voertuig worden vervoerd met gevaarlijke goederen (met uitzondering van ontvlambare gassen, besmettelijke stoffen en giftige stoffen) in vervoerscategorie 2 of gevaarlijke goederen in vervoerscategorie 3 of een combinatie daarvan, mits de totale massa of het totale volume van de gevaarlijke goederen in vervoerscategorie 2 niet groter is dan 500 kg of 500 l en de totale nettomassa van deze explosieven niet groter is dan 500 kg.

3.

Explosieven van 1,4G mogen in één voertuig worden vervoerd met ontvlambare vloeistoffen en ontvlambare gassen in vervoerscategorie 2 of niet-ontvlambare niet-giftige gassen in vervoerscategorie 3 of een combinatie daarvan, mits de totale massa of het totale volume van de gevaarlijke goederen, alles opgeteld, niet groter is dan 200 kg of 200 l en de totale nettomassa van de explosieven niet groter is dan 20 kg.

4.

Explosieve voorwerpen die zijn geclassificeerd onder de UN-nummers 0106, 0107 of 0257, mogen worden vervoerd met explosieve voorwerpen in de compatibiliteitsgroepen D, E of F waarvoor ze bestanddeel zijn. De totale hoeveelheid explosieve stoffen van de UN-nummers 0106, 0107 of 0257 mag niet groter zijn dan 20 kg.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RA–a–UK–3

Betreft: verschillende maximale totale hoeveelheden per vervoerseenheid voor de goederen van klasse 1 in de categorieën 1 en 2 van de tabel onder 1.1.3.1.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 1.1.3.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: vrijstellingen in verband met de aard van het vervoer.

Inhoud van de nationale wetgeving: voorschriften voor vrijstellingen voor beperkte hoeveelheden en samenlading van explosieven.

Referentie van de nationale wetgeving: The Carriage of Dangerous Goods and Use of Transportable Pressure Equipment Regulations 2004: Regulation 3(7)(b).

Toelichting: behelst verschillende grenswaarden voor hoeveelheden en vermenigvuldigingsfactoren voor samenlading van goederen van klasse 1, namelijk „50” voor categorie 1 en „500” voor categorie 2. Voor de berekening van gemengde ladingen worden de vermenigvuldigingsfactoren „20” voor categorie 1 en „2” voor categorie 2 gehanteerd.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RA–a–UK–4

Betreft: vaststelling van RA-a-FR-6.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 5.3.1.3.2.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: versoepeling van etiketteringsvoorschriften voor gecombineerd spoorweg/wegvervoer.

Inhoud van de nationale wetgeving: de etiketteringsvoorschriften zijn niet van toepassing wanneer de voertuigetiketten duidelijk zichtbaar zijn.

Referentie van de nationale wetgeving: The Carriage of Dangerous Goods and Use of Transportable Pressure Equipment Regulations 2004: Regulation 7(12).

Toelichting: deze bepaling heeft altijd bestaan in de nationale wetgeving van het Verenigd Koninkrijk.

Vervaldatum: 30 juni 2015

RA–a–UK–5

Betreft: distributie van goederen in binnenverpakkingen naar detailhandelaren of gebruikers (met uitzondering van de klassen 1, 4.2, 6.2 en 7) van lokale magazijnen naar detailhandelaren of gebruikers en van detailhandelaren naar eindgebruikers.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 6.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: voorschriften voor de constructie en de beproeving van verpakkingen.

Inhoud van de nationale wetgeving: verpakkingen behoeven geen RID/ADR- of UN-kenmerk te hebben gekregen.

Referentie van de nationale wetgeving: The Carriage of Dangerous Goods and Use of Transportable Pressure Equipment Regulations 2007: Regulation 26.

Toelichting: RID-voorschriften zijn niet geschikt voor de laatste fasen van het vervoer van een magazijn naar een detailhandelaar of gebruiker of van een detailhandelaar naar een eindgebruiker. Deze afwijking is bedoeld om ervoor te zorgen dat binnenverpakkingen van goederen voor kleinhandeldistributie op het deel per spoor van een lokaal distributietraject zonder buitenverpakking kunnen worden vervoerd.

Vervaldatum: 30 juni 2015

Op grond van artikel 6, lid 2, onder b), i), van Richtlijn 2008/68/EG

DE Duitsland

RA–bi–DE–2

Betreft: vervoer van verpakt gevaarlijk afval.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: delen 1 tot en met 5.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: classificatie, verpakking en kenmerking.

Inhoud van de nationale wetgeving: klassen 2 tot en met 6.1, 8 en 9: gezamenlijke verpakking en vervoer van gevaarlijk afval in pakketten en IBC’s; afval moet in een binnenverpakking (zoals ingezameld) worden verpakt en in specifieke afvalgroepen worden geclassificeerd (om gevaarlijke reacties binnen een afvalgroep te vermijden); gebruik van speciale schriftelijke instructies voor de afvalgroepen en als vrachtbrief; inzameling van huisvuil, laboratoriumafval enz.

Referentie van de nationale wetgeving: Gefahrgut-Ausnahmeverordnung — GGAV 2002 vom 6.11.2002 (BGBl. I S. 4350); Ausnahme 20.

Toelichting: lijst nr. 6*.

Vervaldatum: 30 juni 2015

DK Denemarken

RA–bi–DK–1

Betreft: vervoer van gevaarlijke goederen in tunnels.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 7.5.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: laden, lossen en beveiligingsafstanden

Inhoud van de nationale wetgeving: de wetgeving bevat andere bepalingen dan in bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG zijn opgenomen, voor het vervoer door de spoorwegtunnel van de vaste verbinding over de Grote Belt. Deze andere bepalingen hebben alleen betrekking op het laadvolume en de afstand tussen ladingen met gevaarlijke goederen.

Referentie van de nationale wetgeving: Bestemmelser om transport af eksplosiver i jernbanetunnelerne på Storebælt og Øresund, 15 februari 2005.

Toelichting:

Vervaldatum: 30 juni 2015

RA–bi–DK–2

Betreft: vervoer van gevaarlijke goederen in tunnels.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: 7.5.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: laden, lossen en beveiligingsafstanden

Inhoud van de nationale wetgeving: de wetgeving bevat andere bepalingen dan in bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG zijn opgenomen, voor het vervoer door de spoorwegtunnel van de vaste verbinding over Øresund. Deze andere bepalingen hebben alleen betrekking op het laadvolume en de afstand tussen ladingen met gevaarlijke goederen.

Referentie van de nationale wetgeving: Bestemmelser om transport af eksplosiver i jernbanetunnelerne på Storebælt og Øresund, 15 februari 2005.

Toelichting:

Vervaldatum: 29 februari 2016

SE Zweden

RA–bi–SE–1

Betreft: vervoer van gevaarlijk afval naar installaties voor de verwijdering van gevaarlijk afval.

Verwijzing naar bijlage II, deel II.1, bij Richtlijn 2008/68/EG: deel 2, hoofdstukken 5.2 en 6.1.

Inhoud van de bijlage bij de richtlijn: classificatie, kenmerking en etikettering en voorschriften voor de constructie en de beproeving van de verpakking.

Inhoud van de nationale wetgeving: de wetgeving behelst vereenvoudigde classificatiecriteria, minder strenge eisen voor de constructie en beproeving van de verpakking en gewijzigde etiketterings- en kenmerkingsvoorschriften. In plaats van de classificatie van gevaarlijk afval aan de hand van het RID wordt het in verschillende afvalgroepen geclassificeerd. Elke afvalgroep bevat stoffen die overeenkomstig het RID samen kunnen worden verpakt (gezamenlijke verpakking). Elk collo moet met de code van de desbetreffende afvalgroep in plaats van het UN-nummer worden gekenmerkt.

Referentie van de nationale wetgeving: Särskilda bestämmelser om vissa inrikes transporter av farligt gods på väg och i terräng.

Toelichting: deze voorschriften mogen alleen worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijk afval van publieke recyclinglocaties naar installaties voor de verwijdering van gevaarlijk afval.

Vervaldatum: 30 juni 2015”.

3)

Bijlage III, deel III.3, wordt vervangen door:

„III.3.   Nationale afwijkingen

— …”.


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/59


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 29 maart 2010

tot wijziging van bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG wat betreft de erkenning van bepaalde bestuurlijke gebieden van Polen en Portugal als officieel vrij van enzoötische boviene leukose

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 1912)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/188/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (1), en met name op bijlage D, hoofdstuk I, onder E,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 64/432/EEG bepaalt dat de rundveebeslagen in lidstaten of delen van lidstaten officieel vrij van enzoötische boviene leukose kunnen worden verklaard, als aan bepaalde in die richtlijn vastgestelde voorwaarden is voldaan.

(2)

De lijst van delen van lidstaten die vrij zijn van enzoötische boviene leukose, wordt vastgesteld in bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG van de Commissie van 23 juni 2003 houdende erkenning van bepaalde lidstaten en delen van lidstaten als officieel tuberculosevrij, officieel brucellosevrij en officieel vrij van enzoötische boviene leukose ten aanzien van de rundveebeslagen (2).

(3)

Polen heeft bij de Commissie de nodige bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat 25 bestuurlijke regio’s (powiaty) binnen de hogere bestuurlijke eenheden (województwa) Kujawsko-Pomorskie, Podlaskie en Mazowieckie aan de in Richtlijn 64/432/EEG vastgestelde voorwaarden voldoen om als officieel van enzoötische-boviene-leukosevrije delen van Polen te worden beschouwd.

(4)

Na evaluatie van de door Polen ingediende bewijsstukken moeten de desbetreffende regio’s (powiaty) als officieel van enzoötische-boviene-leukosevrije delen van Polen worden erkend.

(5)

Portugal heeft bij de Commissie de nodige bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat de autonome regio Azoren aan de bij Richtlijn 64/432/EEG vastgestelde voorwaarden voldoet om als officieel van enzoötische-boviene-leukosevrij deel van Portugal te worden beschouwd.

(6)

Na evaluatie van de door Portugal ingediende bewijsstukken moet de autonome regio Azoren als officieel van enzoötische-boviene-leukosevrij deel van Portugal worden erkend.

(7)

Bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 maart 2010.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64.

(2)  PB L 156 van 25.6.2003, blz. 74.


BIJLAGE

1.

In bijlage III, hoofdstuk 2, worden de gegevens betreffende Polen vervangen door:

„In Polen:

województwo dolnośląskie

Powiaty:

bolesławiecki, dzierżoniowski, głogowski, górowski, jaworski, jeleniogórski, Jelenia Góra, kamiennogórski, kłodzki, legnicki, Legnica, lubański, lubiński, lwówecki, milicki, oleśnicki, oławski, polkowicki, strzeliński, średzki, świdnicki, trzebnicki, wałbrzyski, Wałbrzych, wołowski, wrocławski, Wrocław, ząbkowicki, zgorzelecki en złotoryjski.

województwo lubelskie

Powiaty:

bialski, Biała Podlaska, biłgorajski, chełmski, Chełm, hrubieszowski, janowski, krasnostawski, kraśnicki, lubartowski, lubelski, Lublin, łęczyński, łukowski, opolski, parczewski, puławski, radzyński, rycki, świdnicki, tomaszowski, włodawski, zamojski en Zamość.

województwo kujawsko-pomorskie

Powiaty:

aleksandrowski, brodnicki, chełmiński, golubsko-dobrzyński, grudziądzki, lipnowski, Grudziądz, radziejowski, rypiński, toruński, Toruń, wąbrzeski, Włocławek en włocławski.

województwo łódzkie

Powiaty:

bełchatowski, brzeziński, kutnowski, łaski, łęczycki, łowicki, łódzki, Łódź, opoczyński, pabianicki, pajęczański, piotrkowski, Piotrków Trybunalski, poddębicki, radomszczański, rawski, sieradzki, skierniewicki, Skierniewice, tomaszowski, wieluński, wieruszowski, zduńskowolski en zgierski.

województwo małopolskie

Powiaty:

brzeski, bocheński, chrzanowski, dąbrowski, gorlicki, krakowski, Kraków, limanowski, miechowski, myślenicki, nowosądecki, nowotarski, Nowy Sącz, oświęcimski, olkuski, proszowicki, suski, tarnowski, Tarnów, tatrzański, wadowicki en wielicki.

województwo mazowieckie

Powiaty:

białobrzeski, garwoliński, grójecki, gostyniński, grodziski, kozienicki, legionowski, lipski, łosicki, makowski, miński, nowodworski, ostrowski, otwocki, piaseczyński, Płock, płocki, płoński, pruszkowski, przysuski, Radom, radomski, Siedlce, siedlecki, sierpecki, sochaczewski, sokołowski, szydłowiecki, Warszawa, warszawski zachodni, węgrowski, wołomiński, wyszkowski, zwoleński en żyrardowski.

województwo opolskie

Powiaty:

brzeski, głubczycki, kędzierzyńsko-kozielski, kluczborski, krapkowicki, namysłowski, nyski, oleski, opolski, Opole, prudnicki en strzelecki.

województwo podkarpackie

Powiaty:

bieszczadzki, brzozowski, dębicki, jarosławski, jasielski, kolbuszowski, krośnieński, Krosno, leski, leżajski, lubaczowski, łańcucki, mielecki, niżański, przemyski, Przemyśl, przeworski, ropczycko-sędziszowski, rzeszowski, Rzeszów, sanocki, stalowowolski, strzyżowski, Tarnobrzeg en tarnobrzeski.

województwo podlaskie

Powiaty:

augustowski, białostocki, Białystok, bielski, grajewski, hajnowski, moniecki, sejneński, siemiatycki, sokólski, suwalski, Suwałki, wysokomazowiecki en zambrowski.

województwo pomorskie

Powiaty:

Gdańsk, gdański, Gdynia, lęborski, Sopot en wejherowski.

województwo śląskie

Powiaty:

będziński, bielski, Bielsko-Biała, bieruńsko-lędziński, Bytom, Chorzów, cieszyński, częstochowski, Częstochowa, Dąbrowa Górnicza, gliwicki, Gliwice, Jastrzębie Zdrój, Jaworzno, Katowice, kłobucki, lubliniecki, mikołowski, Mysłowice, myszkowski, Piekary Śląskie, pszczyński, raciborski, Ruda Śląska, rybnicki, Rybnik, Siemianowice Śląskie, Sosnowiec, Świętochłowice, tarnogórski, Tychy, wodzisławski, Zabrze, zawierciański, Żory en żywiecki.

województwo świętokrzyskie

Powiaty:

buski, jędrzejowski, kazimierski, kielecki, Kielce, konecki, opatowski, ostrowiecki, pińczowski, sandomierski, skarżyski, starachowicki, staszowski en włoszczowski.

województwo warmińsko-mazurskie

Powiaty:

ełcki, giżycki, gołdapski en olecki.

województwo wielkopolskie

Powiaty:

jarociński, kaliski, Kalisz, kępiński, kolski, koniński, Konin, krotoszyński, ostrzeszowski, słupecki, turecki en wrzesiński.”.

2.

Aan bijlage III, hoofdstuk 2, worden de volgende gegevens toegevoegd:

„In Portugal:

autonome regio Azoren.”.


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/62


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 29 maart 2010

inzake preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza bij wilde eenden in Portugal en bepaalde maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van dat pluimvee en producten daarvan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 1914)

(Slechts de tekst in de Portugese taal is authentiek)

(2010/189/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (1), en met name op artikel 57, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2005/94/EG bevat bepaalde preventieve maatregelen inzake de bewaking en de vroegtijdige detectie van aviaire influenza die erop gericht zijn de bevoegde autoriteiten en de landbouwsector meer bewust te maken van en beter voor te bereiden op de risico’s van die ziekte.

(2)

Naar aanleiding van uitbraken van laagpathogene aviaire influenza in 2007 en 2008 op bepaalde pluimveehouderijen in het midden en westen van Portugal, met name op bedrijven die pluimvee houden dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, werd krachtens Beschikking 2008/285/EG van de Commissie (2) een noodvaccinatieprogramma uitgevoerd, waardoor de ziekte met succes is uitgeroeid. Op basis van een risicobeoordeling werd echter geconcludeerd dat waardevolle wilde fokeenden die werden gehouden op een bedrijf in de regio Lisboa e Vale do Tejo, Ribatejo Norte, Vila Nova da Barquinha nog steeds aan gevaar van besmetting met aviaire influenza blootstonden, met name door een mogelijk indirect contact met wilde vogels (het bedrijf).

(3)

Portugal besloot daarom om bij wijze van langetermijnmaatregel de vaccinatie tegen aviaire influenza voort te zetten in de vorm van een programma voor preventieve vaccinatie op het bedrijf, dat werd goedgekeurd bij Beschikking 2008/838/EG van de Commissie van 3 november 2008 inzake preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza van wilde eenden in Portugal en bepaalde maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van dat pluimvee en producten daarvan (3). De geldigheidsduur van deze beschikking is op 31 juli 2009 verstreken.

(4)

Portugal heeft verslag uitgebracht over dat programma voor preventieve vaccinatie aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid en het voornemen te kennen gegeven de preventieve vaccinatie voort te zetten, wanneer een geschikt vaccin beschikbaar zou komen.

(5)

Op 8 januari 2010 heeft Portugal een programma voor preventieve vaccinatie ter goedkeuring aan de Commissie voorgelegd, dat tot en met 31 juli 2011 moet worden toegepast (het preventievevaccinatieprogramma).

(6)

Het Panel voor diergezondheid en dierenwelzijn heeft in zijn wetenschappelijke adviezen over het gebruik van vaccinatie ter bestrijding van aviaire influenza, die in 2005 (4), 2007 (5) en 2008 (6) door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid zijn gepubliceerd, gesteld dat nood- en preventieve vaccinatie tegen aviaire influenza een waardevol middel ter aanvulling van andere maatregelen ter bestrijding van deze ziekte is.

(7)

Voorts heeft de Commissie het door Portugal ingediende preventievevaccinatieprogramma onderzocht en is zij van oordeel dat het aan de toepasselijke wetgeving van de Unie voldoet. Gezien de epidemiologische situatie met betrekking tot laagpathogene aviaire influenza in Portugal, het type bedrijf waar moet worden gevaccineerd en de beperkte omvang van het preventievevaccinatieprogramma, moet het programma worden goedgekeurd.

(8)

Voor het door Portugal uit te voeren preventievevaccinatieprogramma mogen alleen vaccins worden gebruikt die voldoen aan Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (7) of Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (8).

(9)

Daarnaast moet worden gezorgd voor bewaking en laboratoriumtests op het bedrijf waar de gevaccineerde wilde eenden worden gehouden en op niet-gevaccineerde pluimveehouderijen, zoals aangegeven in het preventievevaccinatieprogramma.

(10)

Ook dienen overeenkomstig het preventievevaccinatieprogramma bepaalde beperkingen te worden toegepast op verplaatsingen van gevaccineerde wilde eenden, de broedeieren daarvan en wilde eenden afkomstig van deze eenden. Gezien het kleine aantal wilde eenden op het bedrijf waar de preventieve vaccinatie moet worden uitgevoerd en om redenen van traceerbaarheid en logistiek mogen de gevaccineerde vogels dat bedrijf niet verlaten, maar moeten zij na het einde van hun voortplantingscyclus worden gedood overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Richtlijn 93/119/EG van de Raad van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden (9).

(11)

Ten aanzien van de handel in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, heeft Portugal aanvullende maatregelen genomen krachtens Beschikking 2006/605/EG van de Commissie van 6 september 2006 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen voor het intracommunautaire handelsverkeer in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet (10).

(12)

Om de economische gevolgen voor het betrokken bedrijf te beperken, moet worden voorzien in bepaalde afwijkingen van de verplaatsingsbeperkingen voor wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden, aangezien deze verplaatsingen geen specifiek risico voor verspreiding van de ziekte opleveren, op voorwaarde dat bewakings- en monitoringmaatregelen worden genomen en dat aan de specifieke veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer binnen de Unie wordt voldaan.

(13)

Het preventievevaccinatieprogramma moet worden goedgekeurd zodat het tot en met 31 juli 2011 kan worden uitgevoerd. Dit besluit dient dan ook tot en met die datum van toepassing te zijn.

(14)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In dit besluit worden bepaalde maatregelen vastgesteld die in Portugal moeten worden genomen indien preventieve vaccinaties worden uitgevoerd op een bedrijf waar wilde eenden (Anas platyrhynchos) die bestemd zijn om in het wild te worden uitgezet (hierna „wilde eenden” genoemd) worden gehouden en waar een bijzonder risico van insleep van aviaire influenza bestaat.

Die maatregelen omvatten bepaalde beperkingen op de verplaatsing binnen Portugal en de verzending uit Portugal van de gevaccineerde wilde eenden, de broedeieren daarvan en daaruit afkomstige wilde eenden.

2.   Dit besluit is van toepassing onverminderd de beschermende maatregelen die Portugal overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG en Beschikking 2006/605/EG zal nemen.

Artikel 2

Goedkeuring van programma’s voor preventieve vaccinatie

1.   Het programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza in Portugal, dat op 8 januari 2010 door Portugal bij de Commissie is ingediend en dat tot en met 31 juli 2011 op een bedrijf in de regio Lisboa e Vale do Tejo, Ribatejo Norte, Vila Nova da Barquinha moet worden uitgevoerd (hierna „het preventievevaccinatieprogramma” genoemd), wordt goedgekeurd.

2.   De Commissie publiceert het preventievevaccinatieprogramma.

Artikel 3

Voorwaarden voor de uitvoering van het preventievevaccinatieprogramma

1.   Portugal zorgt ervoor dat de wilde eenden overeenkomstig het preventievevaccinatieprogramma worden gevaccineerd met een monovalent geïnactiveerd heteroloog vaccin tegen aviaire influenza van subtype H5, dat door die lidstaat overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening (EG) nr. 726/2004 is toegelaten.

2.   Daarnaast draagt Portugal zorg voor bewaking en de uitvoering van laboratoriumtests ten aanzien van het bedrijf dat gevaccineerde wilde eenden houdt en op niet-gevaccineerde pluimveehouderijen, zoals aangegeven in het preventievevaccinatieprogramma.

3.   Portugal zorgt ervoor dat het preventievevaccinatieprogramma doelmatig wordt uitgevoerd.

Artikel 4

Merken en beperkingen op verplaatsingen en verzendingen en verwijdering van gevaccineerde wilde eenden

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat gevaccineerde wilde eenden op het in artikel 2, lid 1, bedoelde bedrijf:

a)

individueel worden gemerkt;

b)

niet worden verplaatst naar andere pluimveehouderijen in Portugal, of

c)

uit Portugal worden verzonden.

Na hun voortplantingsperiode moeten deze eenden op het in artikel 2, lid 1, van dit besluit bedoelde bedrijf worden gedood overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 93/119/EG, en moeten hun karkassen veilig worden verwijderd.

Artikel 5

Beperkingen op verplaatsingen en verzendingen van broedeieren van het in artikel 2, lid 1, bedoelde bedrijf

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat broedeieren van wilde eenden op het in artikel 2, lid 1 bedoelde bedrijf uitsluitend mogen worden verplaatst naar een broederij in Portugal en niet uit Portugal mogen worden verzonden.

Artikel 6

Beperkingen op de verplaatsingen en verzendingen van wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden

1.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat wilde eenden afkomstig van de gevaccineerde wilde eenden uitsluitend na het uitbroeden mogen worden verplaatst naar een bedrijf in een door Portugal vastgesteld gebied rondom het in artikel 2, lid 1, bedoelde bedrijf, zoals aangegeven in het preventievevaccinatieprogramma.

2.   In afwijking van lid 1 en op voorwaarde dat de wilde eenden afkomstig van de gevaccineerde wilde eenden meer dan vier maanden oud zijn, mogen deze:

a)

in Portugal in het wild worden uitgezet, of

b)

uit Portugal worden verzonden, mits:

i)

de resultaten van de bewaking en de laboratoriumtests die in het noodvaccinatieprogramma zijn aangegeven, gunstig zijn, en

ii)

wordt voldaan aan de voorwaarden van Beschikking 2006/605/EG voor de verzending van pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet.

Artikel 7

Gezondheidscertificaten voor het handelsverkeer binnen de Unie in wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden

Portugal zorgt ervoor dat de in artikel 6, lid 2, onder b), bedoelde gezondheidscertificaten voor het handelsverkeer binnen de Unie in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, de volgende zin bevatten:

„Deze zending voldoet aan de bij Besluit 2010/189/EU van de Commissie (11) vastgestelde veterinairrechtelijke voorwaarden.

Artikel 8

Verslagen

Portugal dient binnen een maand na de datum van toepassing van dit besluit een verslag in bij de Commissie over de uitvoering van het preventievevaccinatieprogramma en brengt vervolgens om de zes maanden verslag uit aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

Artikel 9

Toepasselijkheid

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 juli 2011.

Artikel 10

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de Portugese Republiek.

Gedaan te Brussel, 29 maart 2010.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(2)  PB L 92 van 3.4.2008, blz. 37.

(3)  PB L 299 van 8.11.2008, blz. 40.

(4)  The EFSA Journal (2005) 266, 1-21; Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of Avian Influenza.

(5)  The EFSA Journal (2007) 489; Scientific Opinion on Vaccination against avian influenza of H5 and H7 subtypes in domestic poultry and captive birds.

(6)  The EFSA Journal (2008) 715, 1-161; Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of avian influenza and the risks of its introduction into the Europese Unie poultry holdings.

(7)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1.

(8)  PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.

(9)  PB L 340 van 31.12.1993, blz. 21.

(10)  PB L 246 van 8.9.2006, blz. 12.

(11)  Verwijzing naar dit besluit.”


AANBEVELINGEN

30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/65


AANBEVELING VAN DE RAAD AAN GRIEKENLAND

van 16 februari 2010

strekkende tot het beëindigen van het gebrek aan overeenstemming van het economische beleid in Griekenland met de globale richtsnoeren voor het economische beleid en het wegnemen van het risico dat de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar komt

(2010/190/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 121, lid 4,

Gezien de aanbeveling van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het afgelopen jaar is de macro-economische en budgettaire situatie in Griekenland er fors op achteruitgegaan. Onder meer de Griekse overheidsfinanciën zijn veel sterker verslechterd dan op grond van de economische neergang kon worden verwacht. Deze ontwikkelingen zijn vooral te wijten aan nationale factoren die zich over een langere periode hebben ontwikkeld en die resulteren in een verslechtering van de netto financieringspositie van de Griekse economie en hoge en hardnekkige externe onevenwichtigheden als gevolg van een aanzienlijk verlies aan concurrentievermogen en een sterke achteruitgang van de begrotingssituatie.

(2)

Het nationale beleid ten aanzien van de begroting, de efficiëntie van de overheidsdiensten en het gebrek aan structurele hervormingen (waarbij uit indicatoren blijkt dat Griekenland slecht scoort in vergelijking met internationale benchmarks) heeft de zwakke economische en budgettaire prestatie in de hand gewerkt.

(3)

De huidige situatie houdt belangrijke uitdagingen en risico's in voor de duurzaamheid van de Griekse economie op lange termijn; de economische en budgettaire situatie kan tevens negatieve overloopeffecten hebben op andere leden van het eurogebied (zoals blijkt uit de ontwikkeling van de financiële spreads van een aantal lidstaten). De huidige situatie dreigt de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar te brengen.

(4)

In het kader van de diverse activiteiten op het gebied van het multilaterale toezicht hebben de Raad en de Commissie herhaaldelijk gewezen op de structurele problemen op langere termijn waarmee de Griekse economie te kampen heeft. Deze activiteiten omvatten onder meer het begrotingstoezicht in het kader van het stabiliteits- en groeipact en de Lissabonstrategie, waarbij de globale richtsnoeren voor het economische beleid (1) een algemeen referentiekader bieden voor het doorvoeren van structurele hervormingen in de Europese Unie en het eurogebied. Deze richtsnoeren bevatten aanbevelingen aan de lidstaten om hun begrotingsdoelstellingen op middellange termijn in acht te nemen en doeltreffende actie te ondernemen om hun buitensporige tekorten onverwijld te corrigeren, alsook om het tekort op de lopende rekening weg te werken door middel van structurele hervormingen, het verbeteren van het externe concurrentievermogen en het voeren van een budgettair beleid dat tot de correctie van de situatie bijdraagt.

(5)

In dat verband heeft de Raad, in het licht van de ernstige structurele problemen waarmee de Griekse economie op het gebied van de begroting en de arbeids- en productmarkten wordt geconfronteerd, in zijn aanbeveling van 25 juni 2009 (2) opgemerkt dat voor Griekenland „extra inspanningen noodzakelijk zijn om de macro-economische onevenwichtigheden en de structurele zwakke punten van de Griekse economie aan te pakken” en tevens onder meer de volgende landenspecifieke aanbevelingen tot Griekenland gericht: de begrotingsconsolidatie voortzetten; de concurrentie op het gebied van de professionele dienstverlening stimuleren; hervormingen doorvoeren die tot meer investeringen in O&O leiden; effectiever gebruikmaken van structuurfondsen; hervormen van de overheidsdiensten; en een hele reeks arbeidsmarktmaatregelen nemen in het kader van een geïntegreerde flexizekerheidsaanpak. Tegelijkertijd heeft de Raad Griekenland, als lid van het eurogebied, aanbevolen de houdbaarheid van de overheidsfinanciën veilig te stellen en de kwaliteit van de overheidsfinanciën te verbeteren, onder meer door de overheidsdiensten te moderniseren en door de gemeenschappelijke beginselen van de Europese Unie inzake flexizekerheid ten uitvoer te leggen.

(6)

Het economische en budgettaire beleid van Griekenland strookt niet met de landenspecifieke aanbevelingen die in de globale richtsnoeren voor het economische beleid zijn gedaan, en evenmin met de aanbevelingen voor de van het eurogebied deel uitmakende lidstaten, zoals uiteengezet in de aanbeveling van de Raad van 14 mei 2008 betreffende de globale richtsnoeren voor het economische beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap.

(7)

Op 15 januari 2010 heeft Griekenland de actualisering voor 2010 van zijn stabiliteitsprogramma ingediend. Deze actualisering bevat de begrotingsdoelstellingen voor de periode tot en met 2013 en moet worden gelezen in samenhang met de begroting voor 2010, die het parlement op 23 december 2009 heeft aangenomen. Overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (3) heeft de Raad op 16 februari 2010 advies uitgebracht over de actualisering voor 2010 van het Griekse stabiliteitsprogramma. Op 16 februari 2010 heeft de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU ook een besluit aangenomen waarbij Griekenland wordt aangemaand maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen (4) (hierna: „het besluit van de Raad van 16 februari 2010”).

(8)

Opdat de coördinatie van het economische beleid in het eurogebied naar behoren functioneert, dient tijdig te worden gebruikgemaakt van de krachtens artikel 121 VWEU ter beschikking staande instrumenten. In artikel 121, lid 4, VWEU is bepaald dat de Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat kan richten en de Raad kan aanbevelen de nodige aanbevelingen tot de betrokken lidstaat te richten. Gezien de ernst van de situatie en om de conformiteit met het besluit van de Raad van 16 februari 2010 te garanderen, is het raadzaam dat de Raad de nodige aanbevelingen goedkeurt. Voorts kan de Raad op voorstel van de Commissie besluiten zijn aanbevelingen openbaar te maken.

(9)

Hoewel het macro-economische klimaat er in 2009 sterker op achteruit is gegaan dan de autoriteiten hadden verwacht, zijn de overheidsfinanciën veel erger verslechterd dan op grond van de scherper dan voorspelde economische neergang kon worden vermoed. De verslechtering is grotendeels terug te voeren op het begrotingsbeleid dat door de Griekse regering is gevoerd. Het overheidstekort voor 2009 wordt thans op 12,75 % van het bbp geraamd, tegen een doelstelling van 3,75 % van het bbp in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2009.

(10)

Op 23 december 2009 heeft het Griekse parlement ingestemd met de begroting voor 2010, waarin voor 2010 een tekortdoelstelling van 9,1 % van het bbp wordt gehanteerd. Inmiddels hebben de Griekse autoriteiten aangekondigd dat zij voornemens zijn de budgettaire aanpassing reeds in 2010 te intensiveren, waarbij voor 2010 een begrotingsdoelstelling van 8,7 % van het bbp is vastgesteld. In het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010 wordt de herziene begrotingsdoelstelling voor 2010 van 8,7 % van het bbp bevestigd.

(11)

Van de vergrijzing gaat een veel groter langetermijneffect op de overheidsuitgaven uit dan gemiddeld in de Europese Unie het geval is. Dat komt met name doordat wordt aangenomen dat de pensioenuitgaven als percentage van het bbp de komende decennia een zeer forse stijging zullen vertonen. Zoals blijkt uit het Sustainability Report 2009 van de diensten van de Commissie, duiden de beschikbare indicatoren op zeer grote risico's voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Naast de begrotingsconsolidatie moet ook van het aanpakken van deze risico's werk worden gemaakt door het pensioenstelsel en de gezondheidszorg te hervormen. Het Griekse pensioenstelsel kent verschillende problemen, met name het feit dat het stelsel is versnipperd qua dekking. Hoewel Griekenland een van de hoogste gemiddelde uitkeringspercentages van de Europese Unie heeft — met alle negatieve gevolgen van dien voor de bereidheid om te werken, zoals met name blijkt uit de lage participatiegraad van oudere werknemers —, heeft het land ook een van de hoogste armoedepercentages onder ouderen. Voorts zijn er problemen met vervroegde-uittredingsregelingen, die een alternatieve maar dure voorbereiding op de pensionering vormen. Ook de gezondheidszorg is aan hervorming toe, met name met het oog op een aanzienlijke verbetering van de efficiëntie en het beheer ervan, aangezien deze beide factoren herhaaldelijk begrotingsoverschrijdingen hebben veroorzaakt. Bij het hervormen van de arbeidsmarkt moet rekening worden gehouden met de verhoging van het arbeidsaanbod, zodat de belastinggrondslag kan worden verruimd.

(12)

Griekenland dient het geleden verlies aan concurrentievermogen weer goed te maken en de grote externe onevenwichtigheden aan te pakken. In dit verband dient Griekenland er overeenkomstig de globale richtsnoeren voor het economische beleid naar te streven het tekort op de lopende rekening te corrigeren „door middel van structurele hervormingen om het externe concurrentievermogen te verbeteren en door (…) bij te dragen tot de correctie van de situatie door middel van budgettair beleid”. Te dien einde moeten de Griekse autoriteiten permanente maatregelen ten uitvoer leggen om de lopende primaire uitgaven, met inbegrip van de loonkosten in de overheidssector, in de hand te houden, en tevens dringend werk maken van structurele hervormingen op de arbeids- en productmarkten. Meer in het bijzonder dienen de Griekse autoriteiten erop toe te zien dat de budgettaire consolidatiemaatregelen er ook op gericht zijn om in het kader van een veelomvattend hervormingsprogramma een verbetering van de kwaliteit van de overheidsfinanciën te bewerkstelligen. Tegelijkertijd moeten de autoriteiten snel tot een verdere hervorming van de belastingdiensten overgaan.

(13)

Diverse indicatoren en analyses bevestigen dat het prijsconcurrentievermogen van Griekenland er de afgelopen tien jaar voortdurend en in sterke mate op achteruit is gegaan. Een van de verklarende factoren is dat de lonen sterker zijn gestegen dan de productiviteit. In Griekenland hebben de ambtenarensalarissen een sterkere toename ten opzichte van de lonen in de particuliere sector laten zien dan in de overige economieën van het eurogebied het geval is, met alle negatieve gevolgen van dien voor de loononderhandelingen als geheel. Dit toont aan dat voor de overheidssector een hoofdrol is weggelegd bij het wederom realiseren van loonmatiging. Sommige kenmerken van het Griekse systeem voor het voeren van collectieve loononderhandelingen (bv. tussenliggend onderhandelingsniveau) kunnen voorts verklaren waarom loonstijgingen en productiviteitsgroei niet op elkaar zijn afgestemd, en vereisen dat de sociale partners aanpassingen dienen overeen te komen. Hierop vooruitlopend moet het systeem voor het voeren van loononderhandelingen meer rekening houden met concurrentievermogen, ontwikkelingen op het gebied van productiviteit alsmede de arbeidsvoorwaarden op de lokale arbeidsmarkt.

(14)

Een van de belangrijkste factoren die in Griekenland een hogere efficiëntie in de weg staan, zijn de overheidsdiensten. In de meeste internationale vergelijkingen scoort Griekenland zwak wat de overheidssector betreft. Vele van de problemen worden toegeschreven aan een tekortschietende administratieve capaciteit en efficiëntie. De autoriteiten hebben toegezegd de werking van het overheidsapparaat te zullen verbeteren. Aan deze toezeggingen moet gestand worden gedaan door een inkrimping van het ambtenarenbestand, een beter personeelsbeheer in de overheidsentiteiten, een vermindering van de kosten, een grotere transparantie, meer rechtszekerheid en een doeltreffende beleidsvoering.

(15)

Griekenland heeft nog veel ruimte om het bedrijfsklimaat en de werking van de productmarkten te verbeteren. Het bedrijfsleven wordt immers met complexe, omslachtige en tijdrovende administratieve procedures geconfronteerd. De professionele dienstverlening is sterk gereglementeerd en de concurrentiebelemmeringen behoren tot grootste binnen de Europese Unie. Bovendien blijft zowel de liberalisering van de netwerkindustrieën (bv. energie) als de openstelling van de markten in de vervoersector, en met name het spoorwegvervoer, achter bij het gemiddelde van de Europese Unie. Indien op deze terreinen hervormingen worden doorgevoerd, dan zou dit de particuliere investeringen en de werkgelegenheid kunnen doen toenemen zonder dat zulks veel kosten voor de overheid met zich meebrengt. Ook hervormingen van productmarkten kunnen het doorvoeren van arbeidsmarkthervormingen vergemakkelijken door de kostendruk te verlagen.

(16)

Voorts moet de Griekse arbeidsmarkt worden hervormd in overeenstemming met de gemeenschappelijke beginselen inzake flexizekerheid, zoals de Raad in zijn aanbevelingen voor 2009 inzake de uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid heeft opgemerkt. Daarbij dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de jeugd, gezien de moeilijkheden die jongeren ondervinden om tot de formele arbeidsmarkt toe te treden. Er is nog veel ruimte om overgangen op de arbeidsmarkt te ondersteunen, onder meer via het voeren van een beter onderwijs- en opleidingsbeleid, het optrekken van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking en het verhogen van de efficiëntie van het actief arbeidsmarktbeleid, onder meer met gebruikmaking van de steun van het Europees Sociaal Fonds. De wetgeving op het gebied van de bescherming van werkgelegenheid moet eveneens worden vereenvoudigd. Bovendien moet het beleid de actieve arbeidsparticipatie stimuleren. Het opvolgen van deze aanbevelingen is van cruciaal belang voor de Griekse economie. Er dient derhalve terdege rekening te worden gehouden met de werkgelegenheidseffecten van de op economisch gebied genomen structurele maatregelen.

(17)

Een snellere en efficiëntere benutting van de structuur- en cohesiefondsen van de Europese Unie kan van cruciaal belang zijn voor het welslagen van de inspanningen om het concurrentievermogen en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te herstellen. Bij de benutting van de fondsen zijn immers minder vorderingen gemaakt in vergelijking met andere lidstaten. Door samen met de Commissie te werken aan maatregelen om het opnemingsvermogen te verhogen en de opzet van operationele programma's te verbeteren, zou Griekenland in staat zijn essentiële overheidsinvesteringen ter ondersteuning van het groeipotentieel op lange termijn te financieren en tegelijkertijd de begrotingsconsolidatie voort te zetten. De operationele programma's inzake administratieve hervorming en digitale convergentie verdienen bijzondere aandacht, omdat deze programma's essentiële hervormingen in de overheidsdiensten ondersteunen welke van cruciaal belang zijn voor de hervormingsstrategie die in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010 is uitgestippeld. Zo kunnen in het kader van deze operationele programma's structuurfondsen van de Europese Unie worden aangesproken ter ondersteuning van de overheidssector bij het doorvoeren van hervormingen in de gezondheidszorg en de overheidsdiensten voor arbeidsvoorziening, het bevorderen van een leven lang leren, het bestrijden van zwartwerk en het opbouwen van effectieve capaciteit op het gebied van regelgeving, toezicht en handhaving.

(18)

De Griekse banken lijken vrij solide te zijn wat winstgevendheid en kapitaaltoereikendheid betreft. De weerbaarheid van de sector is bovendien bevestigd door uitvoerige stresstests. De Griekse banken hebben daarenboven weinig dubieuze leningen in portefeuille (ongeveer 7,2 % van de totale leningen) en een vrij lage ratio kredieten/deposito's. Het Griekse bankwezen heeft echter moeilijkheden ondervonden bij het aantrekken van liquiditeiten op de wholesalemarkten, waardoor het hoofdzakelijk op leningen van het Eurosysteem is aangewezen. Kortom, hoewel het Griekse bankstelsel algemeen genomen solide is en minder hard onder de mondiale financiële crisis heeft geleden dan dat van sommige andere lidstaten, zal het waarschijnlijk niet immuun blijven voor de moeilijkheden waarmee de Griekse overheidsfinanciën te kampen hebben. Ook de mogelijke weerslag van de economische en financiële problemen in sommige van de Griekse buurlanden geeft reden tot bezorgdheid.

(19)

In het licht van de gevolgen van de wereldwijde economische en financiële crisis voor de Griekse economie zorgt de impliciete herprijzing van risico's voor verdere druk op de schuldenlast, hogere risicopremies op overheidsleningen,

BEVEELT AAN:

1.

Gezien de institutionele zwakheden van de Griekse openbare financiën en economie in het algemeen dient Griekenland zo spoedig mogelijk, en reeds met ingang van 2010, een veelomvattend pakket doortastende structurele hervormingen samen te stellen en ten uitvoer te leggen dat verder gaat dan de maatregelen die worden voorgesteld in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010. Voor de voorgestelde hervormingen moet een duidelijk en gedetailleerd tijdschema worden opgesteld dat tijdens de uitvoering moet worden opgevolgd. Meer in het bijzonder dient Griekenland, gezien het belang van de doeltreffendheid van het systeem voor het voeren van loononderhandelingen en de noodzaak van een algemene loonmatiging, tegen de achtergrond van het geleden verlies aan concurrentievermogen de volgende maatregelen te nemen:

a)

de loonkosten bij de overheid verminderen om ervoor te zorgen dat het loonbeleid in de overheidssector een hoofdrol speelt bij de loonvorming in de particuliere sector en tot een algemene loonmatiging bijdraagt;

b)

het systeem voor de uitbetaling van de salarissen van rechtstreeks voor de overheid werkzaam personeel rationaliseren door in eenvormige beginselen voor de vaststelling en planning van salarisbetalingen te voorzien en de salaristabel voor ambtenaren te stroomlijnen. Dit loonbeleid moet worden uitgebreid tot de beloningsregels voor werknemers van overheidsbedrijven;

c)

het loonvormingssysteem flexibeler maken door meer gedecentraliseerde loononderhandelingen te bevorderen (bv. door te vermijden dat collectieve loonovereenkomsten langs administratieve weg worden uitgebreid tot ondernemingen die niet bij de onderhandelingen waren betrokken), onder meer door deze onderhandelingen te ontkoppelen van de loonontwikkelingen in de overheidssector; de wet op de loononderhandelingen beter ten uitvoer leggen om zoveel mogelijk te voorkomen dat van de vrijstellingsclausule wordt gebruikgemaakt.

2.

Gezien het feit dat het pensioenstelsel dringend aan hervorming toe is, en in het licht van de uitdagingen op het gebied van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn dient Griekenland de volgende maatregelen te nemen:

a)

overgaan tot een tijdige en ingrijpende pensioenhervorming die moet bijdragen tot de houdbaarheid van de overheidsfinanciën;

b)

de wettelijke pensioenleeftijd van mannen en vrouwen gelijktrekken en extra parameters invoeren die het pensioenniveau en de wettelijke pensioenleeftijd automatisch aanpassen aan veranderingen in onderliggende economische en demografische factoren;

c)

erop toezien dat de algemene hervormingen van de arbeidsmarkt rekening houden met de verhoging van het arbeidsaanbod teneinde de belastinggrondslag te verruimen.

d)

de formule voor de berekening van de pensioenuitkering aanpassen door het verband tussen betaalde bijdragen en ontvangen uitkeringen te versterken en door de pensioenen op basis van de prijzen te indexeren en niet meer op discretionaire wijze zoals tot nu toe het geval is;

e)

de gemiddelde uittredingsleeftijd verhogen door middel van een aanscherping van de criteria om voor vervroegde uittreding in aanmerking te komen; de momenteel buitensporig lange lijst van beroepen waarvoor vervroegde uittreding mogelijk is, aanzienlijk verkorten;

f)

het versnipperde pensioenstelsel vereenvoudigen en algemeen bindende wetgeving inzake rechten, bijdragen, pensioenopbouw en indexering uitvaardigen;

g)

reeds in 2010 de vereiste wetgevingsbesluiten aannemen.

3.

De hervormingen in de gezondheidszorg dienen op het volgende te worden toegespitst:

a)

de te sterk versnipperde structuur van de gezondheidszorg en de governance ervan grondig herzien;

b)

de kwaliteit en de efficientie van de publieke basisgezondheidszorgdiensten verbeteren;

c)

de administratieve en boekhoudkundige organisatie van ziekenhuizen moderniseren;

d)

de procedures voor de aankoop van geneesmiddelen verbeteren door ook de lijst van geneesmiddelen te toetsen.

4.

De efficiëntie van de overheidsdiensten moet worden verbeterd. Hiertoe dient Griekenland de volgende maatregelen te nemen:

a)

een strategische hervorming tot aanmerkelijke verhoging van de transparantie en de efficiëntie van de overheidsdiensten uitstippelen, goedkeuren en doorvoeren op basis van een onafhankelijke functionele evaluatie met de volgende uitgangspunten: de passende algemene structuur van het overheidsapparaat, de doeltreffendheid van de overheidsdiensten op diverse beleidsterreinen (vooral wat de besluitvormingsstructuren betreft), de verdeling van de bevoegdheden tussen de instellingen, de interne organisatie van essentiële ministeries, het toezicht op en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering, en de adequaatheid van het personeelsbestand en -beheer; de tendens van vergroting van het overheidsapparaat moet worden omgekeerd;

b)

het aantal gemeenten en lokale besturen consolideren, hetgeen aanzienlijke uitgavenbezuinigingen zou opleveren;

c)

maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het plaatsen van overheidsopdrachten op kostenefficiënte, transparante en concurrerende wijze gebeurt.

5.

Een andere prioriteit die reeds in 2010 moet worden aangepakt, is het verbeteren van de werking van de productmarkten en van het bedrijfsklimaat. Hiertoe dient Griekenland de volgende maatregelen te nemen:

a)

verwezenlijken van de doelstellingen van de agenda voor betere regelgeving door de procedures voor de vergunningverlening aan en het opstarten en exploiteren van bedrijven te vereenvoudigen, alsook door het Griekse regelgevingsstelsel te stroomlijnen en te vereenvoudigen, door in elk ministerie gespecialiseerde eenheden voor betere regelgeving in het leven te roepen, door de rol van effectbeoordelingen te versterken en, in het algemeen, door meer vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van het programma ter vermindering van de administratieve lasten;

b)

aannemen en ten uitvoer leggen van een helder en actiegericht kader voor het concurrentiebeleid, waarbij onder meer tot een herziening van de regels voor het stellen van prioriteiten en tot een hervorming van de handhavingspraktijken wordt overgegaan; versterken van de rol en de capaciteit van de Griekse Mededingingscommissie;

c)

snel en ambitieus uitvoering geven aan het bepaalde in de Dienstenrichtlijn;

d)

doeltreffende maatregelen nemen om de concurrentie in de professionele dienstverlening te bevorderen;

e)

de vrijmaking van de vervoer- en energiesector verder stimuleren en controleren, met name door prijsbeperkingen en toegangsbelemmeringen in het vrachtvervoer over de weg op te heffen, door het eerste spoorwegpakket (5) volledig ten uitvoer te leggen teneinde de opening van de markt voor het spoorwegvervoer te bevorderen, en door meer vaart te zetten achter de liberalisatie van de elektriciteitssector door middel van de ontvlechting van activiteiten die thans door gevestigde exploitanten worden verricht;

f)

versoepelen van de regelgeving in de detailhandelssector.

6.

Ter ondersteuning van de productiviteits- en werkgelegenheidsgroei dient Griekenland de volgende maatregelen te nemen:

a)

onmiddellijk bestrijden van zwartwerk;

b)

herzien van de arbeidsmarktregelgeving, waaronder de wetgeving op het gebied van de bescherming van werkgelegenheid, met het oog op een verhoging van het arbeidsaanbod;

c)

de vraag naar arbeid ondersteunen door sterkere doelgerichte verlagingen van de arbeidskosten door te voeren;

d)

hervormingen van het onderwijsstelsel doorvoeren waarmee wordt beoogd het opleidingsniveau van de beroepsbevolking op te trekken en beter op de behoeften van de arbeidsmarkt in te spelen.

7.

Tegen de achtergrond van de uitdaging om de productiviteit te verhogen, onder meer door het doen van prioritaire overheidsinvesteringen, dient Griekenland alle nodige maatregelen te nemen om een efficiëntere aanwending en betere benutting van structuurfondsen van de Europese Unie te bewerkstelligen. Daarbij dient bijzondere aandacht uit te gaan naar de snelle en efficiënte uitvoering van de operationele programma's inzake administratieve hervorming en digitale convergentie, omdat deze programma's essentiële hervormingen in de overheidsdiensten ondersteunen welke van cruciaal belang zijn voor de hervormingsstrategie die in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010 wordt uitgestippeld.

8.

Griekenland wordt verzocht in het kader van de krachtens artikel 4, lid 2, van het besluit van de Raad van 16 februari 2010 in te dienen driemaandelijkse verslagen verslag uit te brengen over de maatregelen die in reactie op deze aanbeveling zijn genomen, alsook over het tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de structurele maatregelen die in het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van januari 2010 zijn geschetst.

Deze aanbeveling is gericht tot de Helleense Republiek.

Gedaan te Brussel, 16 februari 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

E. SALGADO


(1)  http://ec.europa.eu/economy_finance/structural_reforms/growth_jobs/guidelines/index_en.htm

(2)  Aanbeveling van de Raad van 25 juni 2009 inzake de actualisering voor 2009 van de globale richtsnoeren voor het economische beleid van de lidstaten en de Gemeenschap en inzake de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 183 van 15.7.2009, blz. 1).

(3)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(4)  PB L 83 van 30.3.2010, blz. 13.

(5)  Richtlijnen 91/440/EEG (PB L 237 van 24.8.1991, blz. 25), 95/18/EG (PB L 143 van 27.6.1995, blz. 70) en 2001/14/EG (PB L 75 van 15.3.2001, blz. 29).


30.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 83/70


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 22 maart 2010

betreffende de draagwijdte en de gevolgen van de hoedanigheid van wettig betaalmiddel van eurobankbiljetten en -munten

(2010/191/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 128 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het hoofdstuk over het monetaire beleid, is bepaald dat eurobankbiljetten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is de Unie exclusief bevoegd voor het monetaire beleid voor de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna „de deelnemende lidstaten” genoemd).

(2)

Krachtens artikel 11 van Verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoering van de euro (1) zijn de euromunten de enige muntstukken die in de deelnemende lidstaten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hebben.

(3)

Momenteel heerst op het niveau van het eurogebied enige onzekerheid ten aanzien van de draagwijdte van de hoedanigheid van wettig betaalmiddel en de gevolgen daarvan.

(4)

Deze aanbeveling is gebaseerd op de voornaamste conclusies van een verslag dat is opgesteld door een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de ministeries van Financiën en van de nationale centrale banken van het eurogebied.

(5)

Drie jaar na de aanneming van deze aanbeveling zal de Commissie de tenuitvoerlegging ervan beoordelen en overwegen of er regelgevende maatregelen zijn vereist,

BEVEELT AAN:

1.   Gemeenschappelijke definitie van de hoedanigheid van wettig betaalmiddel

Wanneer er een betalingsverplichting bestaat, dient de hoedanigheid van wettig betaalmiddel van eurobankbiljetten en -munten het volgende in te houden:

a)

Verplichte aanvaarding:

De crediteur bij een betalingsverplichting mag geen eurobankbiljetten en -munten weigeren, tenzij de partijen een ander betaalmiddel zijn overeengekomen.

b)

Aanvaarding tegen volledige nominale waarde:

De geldwaarde van eurobankbiljetten en -munten is gelijk aan het bedrag dat op de bankbiljetten en muntstukken is vermeld.

c)

Mogelijkheid tot kwijting van betalingsverplichtingen:

Een debiteur kan zich van een betalingsverplichting kwijten door aan de crediteur eurobankbiljetten en -munten aan te bieden.

2.   Aanvaarding van betalingen in eurobankbiljetten en -munten bij detailtransacties

Aanvaarding van eurobankbiljetten en -munten als betaalmiddel bij detailtransacties dient de regel te zijn. Weigering mag alleen mogelijk zijn om redenen die op het „beginsel van goede trouw” terug te voeren zijn (bijvoorbeeld omdat de detailhandelaar niet over wisselgeld beschikt).

3.   Aanvaarding van bankbiljetten met een hoge nominale waarde bij detailtransacties

Bankbiljetten met een hoge nominale waarde dienen bij detailtransacties als betaalmiddel te worden aanvaard. Weigering mag alleen mogelijk zijn om redenen die op het „beginsel van goede trouw” terug te voeren zijn (bijvoorbeeld omdat de nominale waarde van het aangeboden bankbiljet niet in verhouding staat tot het bedrag dat aan de crediteur bij de betaling verschuldigd is).

4.   Geen toeslagen op het gebruik van eurobankbiljetten en -munten

Voor betalingen met eurobankbiljetten en -munten mogen geen toeslagen gelden.

5.   Eurobankbiljetten bevlekt door intelligente systemen voor de neutralisatie van bankbiljetten

Hoewel eurobankbiljetten die door intelligente systemen voor de neutralisatie van bankbiljetten met veiligheidsinkt zijn bevlekt, wettig betaalmiddel zijn, dienen de lidstaten belanghebbenden (banken, detailhandelaren, het grote publiek) actief in te lichten dat bevlekte bankbiljetten bij de nationale centrale banken moeten worden ingeleverd omdat het zeer waarschijnlijk is dat de bewuste bankbiljetten het voorwerp van een diefstal hebben uitgemaakt.

6.   Totale vernietiging van uitgegeven bankbiljetten en muntstukken door particulieren

Lidstaten mogen de totale vernietiging van kleine hoeveelheden eurobankbiljetten of -munten door particulieren verbieden noch bestraffen. Zij dienen evenwel de ongeoorloofde vernietiging van grote hoeveelheden eurobankbiljetten of -munten te verbieden.

7.   Verminking van bankbiljetten en muntstukken voor artistieke doeleinden

Lidstaten mogen de verminking van eurobankbiljetten of -munten voor artistieke doeleinden niet aanmoedigen, maar dienen dit wel te gedogen. Dergelijke verminkte bankbiljetten of muntstukken dienen als ongeschikt voor circulatie te worden aangemerkt.

8.   Bevoegdheid om over de vernietiging van voor circulatie bestemde en geschikte euromunten te beslissen

De beslissing om voor circulatie bestemde en geschikte euromunten te vernietigen, mag niet eigenmachtig door enigerlei nationale instantie worden genomen. Alvorens voor circulatie bestemde en geschikte euromunten te vernietigen, dient de nationale bevoegde instantie het subcomité euromunten van het Economisch en Financieel Comité te raadplegen en de groep directeuren van de Munten van de Europese Unie in te lichten.

9.   Hoedanigheid van wettig betaalmiddel van muntstukken van 1 en 2 eurocent en afrondingsregels

In lidstaten waar afrondingsregelingen zijn ingevoerd en prijzen bijgevolg op de dichtstbijzijnde vijf cent worden afgerond, dienen de muntstukken van 1 en 2 eurocent wettig betaalmiddel te blijven en verder als betaalmiddel te worden aanvaard. Lidstaten dienen evenwel van de invoering van nieuwe afrondingsregels af te zien omdat dergelijke regels de mogelijkheid om zich van een betalingsverplichting te kwijten door het exact verschuldigde bedrag aan te bieden negatief beïnvloeden en omdat dit in sommige omstandigheden tot een toeslag op contante betalingen kan leiden.

10.   Hoedanigheid van wettig betaalmiddel van euromunten voor verzamelaars

De lidstaten dienen alle noodzakelijk geachte maatregelen te nemen om te voorkomen dat euromunten voor verzamelaars als betaalmiddel worden gebruikt (bijvoorbeeld speciale verpakking, duidelijke communicatie, gebruik van edelmetaal, verkoopprijs boven de nominale waarde).

Deze aanbeveling is gericht tot alle lidstaten van het eurogebied, de Europese Centrale Bank en Europese en nationale branche- en consumentenorganisaties.

Gedaan te Brussel, 22 maart 2010.

Voor de Commissie

Olli REHN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 139 van 11.5.1998, blz. 1.