ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.080.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 80

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
26 maart 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 254/2010 van de Commissie van 10 maart 2010 tot goedkeuring van een programma ter bestrijding van salmonella bij pluimvee in bepaalde derde landen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wat betreft de status van bepaalde derde landen inzake salmonellabestrijding ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 255/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake de regeling van luchtverkeersstromen ( 1 )

10

 

*

Verordening (EU) nr. 256/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Alubia de La Bañeza-León (BGA))

17

 

*

Verordening (EU) nr. 257/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 tot vaststelling van een programma voor de herbeoordeling van goedgekeurde levensmiddelenadditieven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenadditieven ( 1 )

19

 

*

Verordening (EU) nr. 258/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van guarpitmeel van oorsprong of verzonden uit India wegens de risico's van verontreiniging met pentachloorfenol en dioxinen, en tot intrekking van Beschikking 2008/352/EG ( 1 )

28

 

*

Verordening (EU) nr. 259/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Colline Pontine (BOB))

32

 

*

Verordening (EU) nr. 260/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Chirimoya de la Costa tropical de Granada-Málaga (BOB))

34

 

*

Verordening (EU) nr. 261/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 297/95 van de Raad wat betreft de aanpassing aan het inflatiecijfer van de vergoedingen die aan het Europees Geneesmiddelenbureau dienen te worden betaald

36

 

*

Verordening (EU) nr. 262/2010 van de Commissie van 24 maart 2010 tot 122e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qaida-netwerk en de Taliban

40

 

 

Verordening (EU) nr. 263/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

44

 

 

Verordening (EU) nr. 264/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/10

46

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2010/179/GBVB van 11 maart 2010 ter ondersteuning van de wapenbeheersingsactiviteiten van het SEESAC in de westelijke Balkan in het kader van de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor

48

 

 

2010/180/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 25 maart 2010 tot wijziging van Beschikking 2008/911/EG tot vaststelling van een lijst van kruidensubstanties, kruidenpreparaten en combinaties daarvan voor gebruik in traditionele kruidengeneesmiddelen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 1867)  ( 1 )

52

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/1


VERORDENING (EU) Nr. 254/2010 VAN DE COMMISSIE

van 10 maart 2010

tot goedkeuring van een programma ter bestrijding van salmonella bij pluimvee in bepaalde derde landen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wat betreft de status van bepaalde derde landen inzake salmonellabestrijding

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (1), en met name op artikel 21, lid 1,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (2), en met name op artikel 10, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 798/2008 van de Commissie van 8 augustus 2008 tot vaststelling van een lijst van derde landen, gebieden, zones of compartimenten waaruit pluimvee en pluimveeproducten mogen worden ingevoerd in en doorgevoerd door de Gemeenschap, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (3) bepaalt dat de onder die verordening vallende producten alleen mogen worden ingevoerd in en doorgevoerd door de Unie uit de derde landen, gebieden, zones of compartimenten die zijn vermeld in bijlage I bij die verordening.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 2160/2003 zijn voorschriften voor de bestrijding van salmonella bij diverse pluimveepopulaties in de Unie vastgesteld. Voorwaarde om te worden opgenomen of gehandhaafd in de in de wetgeving van de Unie vastgestelde lijst van derde landen waaruit de lidstaten onder die verordening vallende dieren mogen invoeren, is dat het betrokken derde land bij de Commissie een salmonellabestrijdingsprogramma indient dat garanties biedt die gelijkwaardig zijn aan die van de nationale salmonellabestrijdingsprogramma’s van de lidstaten.

(3)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 584/2008 van de Commissie (4) moeten, wat kalkoenen betreft, salmonellabestrijdingsprogramma’s voor fok- en gebruikspluimvee, broedeieren daarvan, eendagskuikens, slachtpluimvee en pluimvee voor herbevolking, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2160/2003, met ingang van 1 januari 2010 in de Unie van toepassing zijn.

(4)

Canada, Israël en de Verenigde Staten hebben een programma voor de bestrijding van salmonella bij vermeerderingskoppels kalkoenen, broedeieren daarvan en eendagskuikens van kalkoenen bij de Commissie ingediend. Deze programma’s bieden de bij Verordening (EG) nr. 2160/2003 vereiste garanties en moeten derhalve worden goedgekeurd.

(5)

Bepaalde derde landen die momenteel in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 zijn opgenomen, hebben nog geen programma voor de bestrijding van salmonella bij koppels kalkoenen bij de Commissie ingediend, of de door hen ingediende programma’s bieden geen garanties die gelijkwaardig zijn aan de bij Verordening (EG) nr. 2160/2003 vereiste garanties. Wat kalkoenen betreft, mag de invoer van fok- en gebruikspluimvee, broedeieren daarvan, eendagskuikens, slachtpluimvee en pluimvee voor herbevolking derhalve vanaf 1 januari 2010 niet langer worden toegestaan vanuit die derde landen.

(6)

Israël heeft bij de Commissie een programma ingediend voor de bestrijding van salmonella bij eendagskuikens van Gallus gallus, bestemd voor koppels leghennen en vleeskuikens, als aanvulling op het bij Beschikking 2007/843/EG van de Commissie (5) goedgekeurde bestrijdingsprogramma van Israël. Ook Brazilië heeft programma’s voor de bestrijding van salmonella bij koppels fokhennen, broedeieren daarvan en eendagskuikens van Gallus gallus ingediend. Deze programma’s bieden de bij Verordening (EG) nr. 2160/2003 vereiste garanties en moeten derhalve worden goedgekeurd.

(7)

De lijst van derde landen, gebieden, zones of compartimenten en het model van veterinair certificaat voor de invoer van fok- en gebruikspluimvee, eendagskuikens en broedeieren die in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 zijn vastgesteld, moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De volgende salmonellabestrijdingsprogramma’s overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2160/2003 worden goedgekeurd:

a)

het door Canada, Israël en de Verenigde Staten ingediende programma voor vermeerderingskoppels kalkoenen, broedeieren daarvan en eendagskuikens van kalkoenen;

b)

het door Israël ingediende programma voor eendagskuikens van Gallus gallus, bestemd voor koppels leghennen of vleeskuikens;

c)

het door Brazilië ingediende programma voor fokhennen, broedeieren daarvan en eendagskuikens van Gallus gallus.

Artikel 2

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 303 van 31.10.1990, blz. 6.

(2)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(3)  PB L 226 van 23.8.2008, blz. 1.

(4)  PB L 162 van 21.6.2008, blz. 3.

(5)  PB L 332 van 18.12.2007, blz. 81.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Deel 1 wordt vervangen door:

„DEEL 1

Lijst van derde landen, gebieden, zones of compartimenten

ISO-code en naam van het derde land of gebied

Code van het derde land, het gebied, de zone of het compartiment

Omschrijving van het derde land, het gebied, de zone of het compartiment

Veterinair certificaat

Bijzondere voorwaarden

Bijzondere voorwaarden

Status t.a.v. bewaking aviaire influenza

Status t.a.v. vaccinatie aviaire influenza

Status salmonellabestrijding

Model(len)

Aanvullende garanties

Uiterste datum (1)

Aanvangsdatum (2)

1

2

3

4

5

6

6A

6B

7

8

9

AL — Albanië

AL-0

Het hele land

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

AR — Argentinië

AR-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

POU, RAT, EP, E

 

 

 

 

A

 

S4

WGM

VIII

 

 

 

 

 

 

AU — Australië

AU-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

BPP, DOC, HEP, SRP

 

 

 

 

 

 

S0, ST0

BPR

I

 

 

 

 

 

 

DOR

II

 

 

 

 

 

 

HER

III

 

 

 

 

 

 

POU

VI

 

 

 

 

 

 

RAT

VII

 

 

 

 

 

 

BR — Brazilië

BR-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

BR-1

De staten:

Rio Grande do Sul, Santa Catarina, Paraná, São Paulo en Mato Grosso do Sul

RAT, BPR, DOR, HER, SRA

 

N

 

 

A

 

 

BR-2

De staten:

Mato Grosso, Paraná, Rio Grande do Sul, Santa Catarina en São Paulo

BPP, DOC, HEP, SRP

 

N

 

 

 

S5, ST0

BR-3

Het Distrito Federal en de staten:

Goiás, Minas Gerais, Mato Grosso, Mato Grosso do Sul, Paraná, Rio Grande do Sul, Santa Catarina en São Paulo

WGM

VIII

 

 

 

 

 

 

EP, E, POU

 

N

 

 

 

 

S4

BW — Botswana

BW-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

BPR

I

 

 

 

 

 

 

DOR

II

 

 

 

 

 

 

HER

III

 

 

 

 

 

 

RAT

VII

 

 

 

 

 

 

BY — Belarus

BY-0

Het hele land

EP en E (beide „alleen voor doorvoer door de Europese Unie”)

IX

 

 

 

 

 

 

CA — Canada

CA-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

BPR, BPP, DOR, HER, SRA, SRP

 

N

 

 

A

 

S1, ST1

DOC, HEP

 

L, N

 

 

 

WGM

VIII

 

 

 

 

 

 

POU, RAT

 

N

 

 

 

 

 

CH — Zwitserland

CH-0

Het hele land

 (3)

 

 

 

 

A

 

 (3)

CL — Chili

CL-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

BPR, BPP, DOC, DOR, HEP, HER, SRA, SRP

 

N

 

 

A

 

S0, ST0

WGM

VIII

 

 

 

 

 

 

POU, RAT

 

N

 

 

 

 

 

CN — China

CN-0

Het hele land

EP

 

 

 

 

 

 

 

CN-1

De provincie Shandong

POU, E

VI

P2

6.2.2004

 

 

S4

GL — Groenland

GL-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, WGM

 

 

 

 

 

 

 

HK — Hongkong

HK-0

Het hele grondgebied van de Speciale Administratieve Regio Hongkong

EP

 

 

 

 

 

 

 

HR — Kroatië

HR-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

BPR, BPP, DOR, DOC, HEP, HER, SRA, SRP

 

N

 

 

A

 

S2, ST0

EP, E, POU, RAT, WGM

 

N

 

 

 

 

 

IL — Israël

IL-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

BPR, BPP, DOC, DOR, HEP, HER, SRP

 

N

 

 

A

 

S5, ST1

WGM

VIII

 

 

 

 

 

 

EP, E, POU, RAT

 

N

 

 

 

 

S4

IN — India

IN-0

Het hele land

EP

 

 

 

 

 

 

 

IS — IJsland

IS-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

KR —

Republiek Korea

KR-0

Het hele land

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

ME — Montenegro

ME-O

Het hele land

EP

 

 

 

 

 

 

 

MG — Madagaskar

MG-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, E, WGM

 

 

 

 

 

 

S4

MY — Maleisië

MY-0

 

 

 

 

 

 

 

MY-1

Westelijk schiereiland

EP

 

 

 

 

 

 

 

E

 

P2

6.2.2004

 

 

 

S4

MK —

voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (4)

MK-0 (4)

Het hele land

EP

 

 

 

 

 

 

 

MX — Mexico

MX-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP

 

 

 

 

 

 

 

NA — Namibië

NA-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

BPR

I

 

 

 

 

 

 

DOR

II

 

 

 

 

 

 

HER

III

 

 

 

 

 

 

RAT, EP, E

VII

 

 

 

 

 

S4

NC —

Nieuw-Caledonië

NC-0

Het hele land

EP

 

 

 

 

 

 

 

NZ —

Nieuw-Zeeland

NZ-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

BPR, BPP, DOC, DOR, HEP, HER, SRA, SRP

 

 

 

 

 

 

S0, ST0

WGM

VIII

 

 

 

 

 

 

EP, E, POU, RAT

 

 

 

 

 

 

S4

PM —

Saint-Pierre en Miquelon

PM-0

Het hele grondgebied

SPF

 

 

 

 

 

 

 

RS — Servië (5)

RS-0 (5)

Het hele land

EP

 

 

 

 

 

 

 

RU — Rusland

RU-0

Het hele land

EP

 

 

 

 

 

 

 

SG — Singapore

SG-0

Het hele land

EP

 

 

 

 

 

 

 

TH — Thailand

TH-0

Het hele land

SPF, EP

 

 

 

 

 

 

 

WGM

VIII

P2

23.1.2004

 

 

 

 

E, POU, RAT

 

P2

23.1.2004

 

 

 

S4

TN — Tunesië

TN-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

DOR, BPR, BPP, HER

 

 

 

 

 

 

S1, ST0

WGM

VIII

 

 

 

 

 

 

EP, E, POU, RAT

 

 

 

 

 

 

S4

TR — Turkije

TR-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

US —

Verenigde Staten van Amerika

US-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

BPR, BPP, DOC, DOR, HEP, HER, SRA, SRP

 

N

 

 

A

 

S3, ST1

WGM

VIII

 

 

 

 

 

 

EP, E, POU, RAT

 

N

 

 

 

 

S4

UY — Uruguay

UY-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, E, RAT

 

 

 

 

 

 

S4

ZA — Zuid-Afrika

ZA-0

Het hele land

SPF

 

 

 

 

 

 

 

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

BPR

I

 

 

 

A

 

 

DOR

II

 

 

 

 

 

HER

III

 

 

 

 

 

RAT

VII

 

 

 

 

 

ZW — Zimbabwe

ZW-0

Het hele land

RAT

VII

 

 

 

 

 

 

EP, E

 

 

 

 

 

 

S4

2)

Deel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

onder het kopje „Salmonellabestrijdingsprogramma” wordt het volgende toegevoegd:

„S5”

Verbod van uitvoer naar de Unie van fok- of gebruikspluimvee van Gallus gallus (BPP), slachtpluimvee en pluimvee voor herbevolking (SRP) van Gallus gallus, omdat geen salmonellabestrijdingsprogramma overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2160/2003 bij de Commissie is ingediend of door haar is goedgekeurd.

„ST0”

Verbod van uitvoer naar de Unie van, wat kalkoenen betreft, fok- of gebruikspluimvee (BPP), eendagskuikens (DOC), slachtpluimvee, pluimvee voor herbevolking (SRP) en broedeieren (HEP), omdat geen relevant salmonellabestrijdingsprogramma overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2160/2003 bij de Commissie is ingediend of door haar is goedgekeurd.

„ST1”

„Verbod van uitvoer naar de Unie van, wat kalkoenen betreft, fok- of gebruikspluimvee (BPP), slachtpluimvee en pluimvee voor herbevolking (SRP), omdat geen relevant salmonellabestrijdingsprogramma overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2160/2003 bij de Commissie is ingediend of door haar is goedgekeurd.”;

b)

in het modelcertificaat voor fok- of gebruikspluimvee met uitzondering van loopvogels (BPP) wordt opmerking 6 van deel II vervangen door:

„(6)

Deze garantie geldt voor pluimvee van de soort Gallus gallus en voor kalkoenen.”;

c)

in het modelcertificaat voor eendagskuikens met uitzondering van die van loopvogels (DOC) wordt opmerking 6 van deel II vervangen door:

„(6)

Deze garantie geldt voor pluimvee van de soort Gallus gallus en voor kalkoenen.”;

d)

in het modelcertificaat voor broedeieren van pluimvee met uitzondering van loopvogels (HEP) wordt opmerking 5 van deel II vervangen door:

„(5)

Deze garantie geldt voor pluimvee van de soort Gallus gallus en voor kalkoenen.”;

e)

in het modelcertificaat voor slachtpluimvee en pluimvee om in het wild te worden uitgezet anders dan loopvogels (SRP) wordt opmerking 6 van deel II vervangen door:

„(6)

Deze garantie geldt voor pluimvee van de soort Gallus gallus en voor kalkoenen.”.


(1)  Vóór deze datum vervaardigde producten, ook indien zij zich op volle zee bevinden, mogen nog gedurende negentig dagen vanaf deze datum in de Unie worden ingevoerd.

(2)  Alleen na deze datum vervaardigde producten mogen in de Unie worden ingevoerd.

(3)  Overeenkomstig de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (PB L 114 van 30.4.2002, blz. 132).

(4)  Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië; voorlopige code die geen gevolgen heeft voor de definitieve naam van dit land, die zal worden vastgelegd na afsluiting van de onderhandelingen die momenteel in het kader van de Verenigde Naties worden gevoerd.

(5)  Exclusief Kosovo als omschreven in Resolutie 1244 van 10 juni 1999 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.”


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/10


VERORDENING (EU) Nr. 255/2010 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake de regeling van luchtverkeersstromen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (de luchtruimverordening) (1), en met name op artikel 6, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie moet gemeenschappelijke regels inzake de regeling van luchtverkeersstromen (Air Traffic Flow Management, ATFM) vaststellen om de beschikbare capaciteit bij het gebruik van het luchtruim te optimaliseren en de processen voor de regeling van de luchtverkeersstromen te verbeteren.

(2)

De Europese organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol) heeft overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim („de kaderverordening”) (2) een mandaat gekregen om uitvoeringsbepalingen voor de regeling van de luchtverkeersstromen op te stellen. De onderhavige verordening is gebaseerd op het resulterende mandaatverslag van Eurocontrol van 7 december 2007.

(3)

De uniforme toepassing van specifieke regels en procedures in het gemeenschappelijke Europese luchtruim is van cruciaal belang om via efficiënt beheer en gebruik van de regeling van de luchtverkeersstromen optimaal gebruik te maken van de beschikbare luchtverkeersleidingscapaciteit.

(4)

Deze verordening dient geen betrekking te hebben op militaire operaties en trainingen als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004. Militaire luchtvaartuigen die als algemeen luchtverkeer vliegen, dienen echter wel onder de ATFM-maatregelen te vallen wanneer zij in luchtruim of van/naar luchthavens vliegen of zullen vliegen waarop ATFM-maatregelen van toepassing zijn.

(5)

Overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004 moeten bij de omschrijving en toepassing van ATFM-maatregelen de essentiële belangen van de lidstaten op het gebied van het veiligheid- of defensiebeleid worden gewaarborgd.

(6)

Eurocontrol heeft één centrale ATFM-eenheid opgericht die bevoegd is voor de planning, coördinatie en uitvoering van ATFM-maatregelen, rekening houdende met de aanbevelingen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO). De lidstaten moeten worden verplicht de nodige maatregelen te nemen om te garanderen dat de centrale ATFM-eenheid het algehele effect van de ATFM-maatregelen op het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer (European Air Traffic Management Network, EATMN) optimaliseert.

(7)

De ATFM-maatregelen moeten worden gebaseerd op door de ICAO vastgestelde beginselen en alle partijen bij het ATFM-systeem moeten regels naleven die garanderen dat de luchtverkeersleidingscapaciteit veilig en maximaal wordt benut.

(8)

De ATFM-maatregelen moeten rekening houden met de beschikbaarheid van routes en luchtruim, met name door de toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim door alle relevante partijen, inclusief de luchtruimbeheercel, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2150/2005 van de Commissie van 23 december 2005 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor een flexibel gebruik van het luchtruim (3).

(9)

Om de beschikbare capaciteit van het EATMN, inclusief luchthavens, te optimaliseren, moeten procedures worden vastgesteld om de samenhang tussen luchthavenslots en vliegplannen te vergroten.

(10)

De lidstaten en de bij de ATFM-processen betrokken partijen dienen voldoende tijd te krijgen om aan de eisen inzake de regeling van luchtverkeersstromen te kunnen voldoen.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening stelt de eisen inzake de regeling van luchtverkeersstromen, hierna „ATFM” genoemd, vast teneinde de beschikbare capaciteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer, hierna „EATMN” genoemd, te optimaliseren en de ATFM-processen te verbeteren.

2.   Binnen het in artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 551/2004 bedoelde luchtruim, is deze verordening van toepassing op:

a)

alle vluchten die als algemeen luchtverkeer en geheel of gedeeltelijk overeenkomstig de instrumentvliegvoorschriften, hierna „IFR” genoemd, zullen worden uitgevoerd of worden uitgevoerd;

b)

alle fasen van de onder a) bedoelde vluchten en luchtverkeersbeheer.

3.   Deze verordening is van toepassing op de volgende bij ATFM-processen betrokken partijen of namens hen optredende gemachtigden:

a)

exploitanten van luchtvaartuigen;

b)

ATS-eenheden, inclusief luchtverkeersmeldingsposten (ATS reporting offices, ARO’s) en plaatselijke luchtverkeersleidingsdiensten;

c)

luchtvaartinformatiediensten;

d)

entiteiten die betrokken zijn bij het luchtruimbeheer;

e)

beheersorganen van luchthavens;

f)

de centrale ATFM-eenheid;

g)

lokale ATFM-eenheden;

h)

slotcoördinatoren van gecoördineerde luchthavens.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 549/2004 en artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad (4), van toepassing.

Voorts wordt verstaan onder:

1.   „ATFM-maatregel”: (maatregel op het gebied van de regeling van luchtverkeersstromen, air traffic flow management, ATFM): een maatregel om de luchtverkeersstromen te regelen en de capaciteit te beheren;

2.   „exploitant”: een persoon, organisatie of onderneming die een of meer luchtvaartuigen exploiteert of voornemens is te exploiteren;

3.   „instrumentvliegvoorschriften (IFR)”: instrumentvliegvoorschriften als gedefinieerd in bijlage 2 bij het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart van 1944, hierna „Verdrag van Chicago” genoemd;

4.   „luchtverkeersmeldingspost (ARO)”: een ATS-eenheid (eenheid voor luchtverkeersdiensten, air traffic services, ATS) die is opgericht met het oog op het ontvangen van rapporten over luchtverkeersdiensten en vliegplannen die zijn ingediend voordat een eerste verkeersklaring is gegeven;

5.   „lokale ATFM-eenheid”: een verkeersstroombeheereenheid die namens een of meer andere verkeersstroombeheereenheden optreedt als interface tussen de centrale ATFM-eenheid en een ATS-eenheid of een groep van dergelijke eenheden;

6.   „kritieke gebeurtenis”: een ongewone situatie of crisis die leidt tot een belangrijk verlies aan EATMN-capaciteit, een ernstige verstoring van het evenwicht tussen de EATMN-capaciteit en de vraag, of een ernstige verstoring van de informatiestroom in een of meer delen van het EATMN;

7.   „ATFM-vertrekslot”: een berekende vertrektijd die door de centrale ATFM-eenheid is toegewezen met een tijdstolerantie die door de lokale ATS-eenheid wordt beheerd;

8.   „route- en verkeersoriëntering”: beleidsmaatregelen en procedures voor het gebruik van routes door luchtvaartuigen;

9.   „meervoudig vliegplan”: meer dan één vliegplan voor dezelfde geplande vlucht tussen twee luchthavens;

10.   „sectorconfiguratie van een ATS-eenheid”: de vierdimensionale beschrijving van een luchtruimsector of groep luchtruimsectoren van een ATS-eenheid die permanent of tijdelijk kan (kunnen) worden geëxploiteerd;

11.   „taxitijd”: de vooraf vastgelegde tijdswaarde vanaf off-block tot vertrek op de luchthaven, uitgedrukt in minuten en geldig tijdens normale luchthavenactiviteiten;

12.   „geactualiseerde vluchtpositie”: de positie van het luchtvaartuig, geactualiseerd op basis van plaatsbepalingsgegevens, vliegplangegevens of positierapporten;

13.   „verkeersklaring”: de aan een luchtvaartuig verleende toestemming om zijn vlucht uit te voeren overeenkomstig de door een luchtverkeersleidingseenheid vastgestelde voorwaarden;

14.   „opschorting van het vliegplan”: het door een ATFM-eenheid aangevangen proces om te garanderen dat de exploitant het vliegplan wijzigt vóór de uitvoering van de vlucht;

15.   „luchtdienst”: een vlucht of een reeks vluchten waarop tegen betaling en/of als chartervlucht passagiers, vracht en/of post worden vervoerd;

16.   „operationeel logboek”: een logboek van het ATFM-systeem, omgezet in een databank om snel ATFM-gegevens te kunnen opzoeken.

Artikel 3

Kader voor de regeling van luchtverkeersstromen

1.   De planning, coördinatie en uitvoering van de ATFM-maatregelen door de in artikel 1, lid 3, bedoelde partijen moeten aan de in de bijlage genoemde ICAO-bepalingen voldoen.

2.   ATFM is gebaseerd op de volgende beginselen:

a)

ATFM-maatregelen hebben tot doel:

i)

buitensporige vraag naar luchtverkeer in verhouding tot de opgegeven luchtverkeersleidingscapaciteit van sectoren en luchthavens te voorkomen;

ii)

de EATMN-capaciteit zoveel mogelijk aan te wenden om de efficiëntie van het EATMN te optimaliseren en de negatieve gevolgen voor exploitanten tot een minimum te beperken;

iii)

ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk EATMN-capaciteit ter beschikking wordt gesteld via de ontwikkeling en toepassing van capaciteitsverhogende maatregelen door ATS-eenheden;

iv)

het beheer van kritieke gebeurtenissen te ondersteunen;

b)

lokale ATFM-eenheden en de centrale ATFM-eenheid worden als onderdelen van de ATFM-functie beschouwd.

3.   De ATFM-vertrekslots worden toegewezen in de volgorde van de geplande binnenkomst van de vlucht op de locatie waarop de ATFM-maatregel van toepassing is, tenzij bijzondere omstandigheden een andere prioriteitsregel vereisen waarover formeel overeenstemming is bereikt en die het EATMN ten goede komt.

De eerste alinea kan worden toegepast op vluchten die niet akkoord kunnen gaan met omleidingsvoorstellen om gebieden met congestie te vermijden of de congestie te verlichten, rekening houdende met de locatie van het desbetreffende gebied en de mate van congestie.

Artikel 4

Algemene verplichtingen van de lidstaten

1.   De lidstaten zien erop toe dat de ATFM-functie 24 uur per dag beschikbaar is voor alle in artikel 1, lid 3, bedoelde partijen.

2.   De omschrijving en toepassing van ATFM-maatregelen moet verenigbaar zijn met de beveiligings- en defensievereisten van de lidstaten teneinde te garanderen dat het luchtruim efficiënt wordt gepland, toegewezen en gebruikt ten voordele van de in artikel 1, lid 3, bedoelde partijen.

3.   Om het luchtruim optimaal te kunnen gebruiken, worden samenhangende procedures opgesteld voor de samenwerking tussen de partijen die betrokken zijn bij de ATFM-functie, de ATS-eenheden en de entiteiten die betrokken zijn bij het luchtruimbeheer.

4.   Er wordt een gemeenschappelijk referentiedocument met de beleidsmaatregelen, de procedures en een beschrijving voor route- en verkeersoriëntering tot stand gebracht. Voor zover van toepassing moet de publicatie van routebeschikbaarheid in nationale luchtvaartinformatiepublicaties volledig in overeenstemming zijn met dit gemeenschappelijk referentiedocument.

5.   Overeenkomstig de in de bijlage genoemde ICAO-bepalingen worden gemeenschappelijke procedures voor het aanvragen van een afwijking van een ATFM-vertrekslot opgesteld. Die procedures worden gecoördineerd met de centrale ATFM-eenheid en bekendgemaakt in de nationale publicatie met luchtvaartinformatie.

Artikel 5

Verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de centrale ATFM-eenheid

De lidstaten zien erop toe dat de centrale ATFM-eenheid:

a)

het algehele effect op de prestaties van het EATMN optimaliseert via planning, coördinatie en toepassing van ATFM-maatregelen;

b)

met exploitanten overlegt over de omschrijving van ATFM-maatregelen;

c)

zorgt voor de effectieve tenuitvoerlegging van ATFM-maatregelen, samen met lokale ATFM-eenheden;

d)

in overleg met lokale ATFM-eenheden alternatieve routes identificeert om gebieden met congestie te vermijden of de congestie te verlichten, rekening houdende met het algehele effect op de prestaties van het EATMN;

e)

alternatieve routes voorstelt aan vluchten die voor een optimaal effect van punt d) zouden zorgen;

f)

tijdig informatie over ATFM verstrekt aan exploitanten en ATS-eenheden, inclusief:

i)

geplande ATFM-maatregelen;

ii)

het effect van ATFM-maatregelen op de vertrektijd en het vluchtprofiel van individuele vluchten;

g)

nagaat hoe vaak vliegplannen ontbreken en meervoudige vliegplannen worden ingediend;

h)

een vliegplan opschort wanneer, gelet op de tijdstolerantie, het ATFM-vertrekslot niet kan worden gehaald en geen nieuw geraamd off-blocktijdstip bekend is;

i)

nagaat hoe vaak een afwijking wordt toegestaan overeenkomstig artikel 4, lid 5.

Artikel 6

Algemene verplichtingen van ATS-eenheden

1.   Wanneer een ATFM-maatregel moet worden toegepast, zorgen de ATS-eenheden via de lokale ATFM-eenheid voor de coördinatie met de centrale ATFM-eenheid teneinde te garanderen dat bij de keuze van de maatregel wordt gestreefd naar het optimaliseren van het algehele effect op de prestaties van het EATMN.

2.   Indien nodig vergemakkelijken de luchtverkeersmeldingsposten de uitwisseling van informatie tussen piloten of exploitanten en de lokale of centrale ATFM-eenheid.

3.   De ATS-eenheden zien erop toe dat de op de luchthavens toegepaste ATFM-maatregelen worden gecoördineerd met het betrokken beheersorgaan van de luchthaven, teneinde te zorgen voor efficiënte planning en efficiënt gebruik van de luchthaven ten voordele van de in artikel 1, lid 3, bedoelde partijen.

4.   Via de lokale ATFM-eenheden stellen de ATS-eenheden de centrale ATFM-eenheid in kennis van alle gebeurtenissen die van invloed kunnen zijn op de luchtverkeersleidingscapaciteit of de vraag naar luchtverkeer.

5.   De ATS-eenheden stellen de centrale ATFM-eenheid tijdig in kennis van de onderstaande gegevens en latere actualiseringen, waarbij zij erop toezien dat deze gegevens van goede kwaliteit zijn:

a)

de beschikbaarheid van het luchtruim en routestructuren,

b)

de sectorconfiguraties van ATS-eenheden en activeringen,

c)

de taxitijden,

d)

de capaciteit van de luchtverkeersleidingssector en de luchthaven,

e)

de beschikbaarheid van routes, inclusief beschikbaarheid door flexibel gebruik van het luchtruim overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2150/2005,

f)

de geactualiseerde vluchtposities,

g)

de afwijkingen van vliegplannen,

h)

de beschikbaarheid van luchtruim, inclusief beschikbaarheid door flexibel gebruik van het luchtruim overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2150/2005,

i)

de werkelijke vertrektijden van de vluchten.

De gegevens worden ter beschikking gesteld van alle in artikel 1, lid 3, bedoelde partijen en kosteloos verstrekt aan, en door, de centrale ATFM-eenheid.

6.   De ATS-eenheid op de luchthaven van vertrek ziet erop toe dat:

a)

wanneer een ATFM-vertrekslot aan een vlucht is toegewezen, dit slot in de verkeersklaring wordt opgenomen;

b)

vluchten zich houden aan hun ATFM-vertrekslots;

c)

vluchten die zich niet houden aan hun geraamde off-blocktijdstip, rekening houdende met de vastgestelde tijdstolerantie, geen toestemming krijgen om op te stijgen;

d)

vluchten waarvan het vliegplan is afgewezen of opgeschort, geen toestemming krijgen om op te stijgen.

Artikel 7

Algemene verplichtingen van exploitanten

1.   Voor elke geplande vlucht wordt één vliegplan opgesteld. Het vliegplan moet een correcte weergave van het geplande vluchtprofiel zijn.

2.   Alle relevante ATFM-maatregelen en wijzigingen daarvan worden geïntegreerd in de geplande vlucht en worden meegedeeld aan de piloot.

3.   Bij vertrek van een luchthaven zonder ATFM-vertrekslot zijn exploitanten verantwoordelijk voor het naleven van hun geraamde off-blocktijdstippen, rekening houdende met een tijdstolerantie zoals vastgesteld in de desbetreffende in de bijlage genoemde ICAO-bepalingen.

4.   Wanneer een vliegplan is opgeschort overeenkomstig artikel 5, onder h), zorgt de betrokken exploitant voor de actualisering of schrapping van het vliegplan.

Artikel 8

Algemene verplichtingen van beheersorganen van luchthavens

De beheersorganen van luchthavens stellen de centrale ATFM-eenheid, rechtstreeks of via de lokale ATFM-eenheid of ATS-eenheden, in kennis van alle gebeurtenissen die van invloed kunnen zijn op de luchtverkeersleidingscapaciteit of de vraag naar luchtverkeer. Zij stellen de lokale ATFM-eenheid en de ATS-eenheden in kennis wanneer die kennisgeving rechtstreeks geschiedt.

Artikel 9

Samenhang tussen vliegplannen en luchthavenslots

1.   Wanneer de lidstaten door een slotcoördinator van een luchthaven of een beheersorgaan van een gecoördineerde luchthaven daarom worden verzocht, zien zij erop toe dat de centrale ATFM-eenheid of de lokale ATFM-eenheid hun het aanvaarde vliegplan verstrekt van een vlucht die vanaf deze luchthaven vertrekt, voordat die vlucht plaatsvindt. De slotcoördinatoren van de luchthaven of de beheersorganen van gecoördineerde luchthavens zorgen voor toegang tot de vliegplannen die door de centrale ATFM-eenheid of de lokale ATFM-eenheid zijn verstrekt.

2.   Vóór de vlucht verstrekken de exploitanten de luchthavens van vertrek en aankomst de informatie die nodig is om een verband te leggen tussen het vluchtnummer in het vliegplan en het vluchtnummer dat is aangemeld voor het overeenkomstige luchthavenslot.

3.   De exploitanten, beheersorganen van luchthavens en ATS-eenheden hebben het recht de slotcoördinator van de luchthaven te wijzen op het bij herhaling uitvoeren van luchtdiensten op tijden die wezenlijk verschillen van de toegewezen luchthavenslots of op het gebruik van slots op een wezenlijk andere wijze dan was aangegeven ten tijde van de toewijzing van de slots, voor zover de luchthavenexploitatie of het luchtverkeer daardoor wordt geschaad.

4.   De lidstaten zien erop toe dat de centrale ATFM-eenheid de slotcoördinator van de luchthaven wijst op het bij herhaling uitvoeren van luchtdiensten op tijden die wezenlijk verschillen van de toegewezen luchthavenslots of op het gebruik van slots op een wezenlijk andere wijze dan was aangegeven ten tijde van de toewijzing van de slots, voor zover de ATFM daardoor wordt geschaad.

Artikel 10

Verplichtingen met betrekking tot kritieke gebeurtenissen

1.   De lidstaten zien erop toe dat de centrale ATFM-eenheid procedures voor het omgaan met kritieke gebeurtenissen opstelt en publiceert, teneinde de verstoring van het EATMN tot een minimum te beperken.

2.   Ter voorbereiding op kritieke gebeurtenissen stemmen de ATS-eenheden en beheersorganen van luchthavens de relevantie en de inhoud van de noodprocedures, inclusief eventuele aanpassingen van prioriteitsregels, af met de door kritieke gebeurtenissen geraakte exploitanten.

De noodprocedures omvatten:

a)

organisatorische en coördinatieregelingen;

b)

ATFM-maatregelen om de toegang tot de door kritieke gebeurtenissen geraakte gebieden te beheren ter voorkoming van een buitensporige vraag naar luchtverkeer in verhouding tot de opgegeven capaciteit van het luchtruim of de betrokken luchthavens als geheel of een deel daarvan;

c)

omstandigheden, voorwaarden en procedures voor de toepassing van prioriteitsregels voor vluchten, waarbij de essentiële belangen van de lidstaten op het gebied van het veiligheids- of defensiebeleid worden gerespecteerd;

d)

herstelregelingen.

Artikel 11

Toezicht op de naleving van ATFM-maatregelen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer in de loop van een jaar hoogstens 80 % van de vluchten op een luchthaven zich aan de ATFM-vertrekslots houden, de ATS-eenheid op die luchthaven relevante informatie verstrekt over de niet-naleving en over de maatregelen die zijn genomen om te garanderen dat de vluchten zich aan de ATFM-vertrekslots houden. Die maatregelen moeten worden vermeld in het door de betrokken lidstaat bij de Commissie in te dienen verslag.

2.   De ATS-eenheid op de betrokken luchthaven verstrekt relevante informatie over elk geval van niet-naleving van de weigering of opschorting van een vliegplan op die luchthaven en van de maatregelen die zijn genomen om de naleving te garanderen. Die maatregelen moeten worden vermeld in het door de betrokken lidstaat bij de Commissie in te dienen verslag.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

de centrale ATFM-eenheid een lidstaat informeert die een afwijking toestaat voor meer dan 0,6 % van de vluchten die jaarlijks uit die lidstaat vertrekken;

b)

indien een lidstaat overeenkomstig punt a) is geïnformeerd, die lidstaat bij de Commissie een rapport indient met bijzonderheden over de toegestane afwijkingen.

4.   De lidstaten zien erop toe dat, wanneer een geval van niet-naleving van de ATFM-maatregelen als gevolg van de toepassing van artikel 5, onder g), wordt vastgesteld, de centrale ATFM-eenheid de betrokken exploitant informeert.

5.   De exploitanten dienen over elk geval van niet-naleving van de ATFM-maatregelen een rapport in bij de centrale ATFM-eenheid, met bijzonderheden van de omstandigheden die tot het ontbreken van een vliegplan of het bestaan van een meervoudig vliegplan hebben geleid en met de maatregelen die zijn genomen om dergelijke gevallen van niet-naleving te corrigeren.

6.   De lidstaten zien erop toe dat de centrale ATFM-eenheid een jaarverslag opstelt met bijzonderheden betreffende de ontbrekende vliegplannen of de ingediende meervoudige vliegplannen en dat dit verslag bij de Commissie wordt ingediend.

7.   De lidstaten verrichten jaarlijks een evaluatie van de naleving van de ATFM-maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 1, lid 3, bedoelde partijen de mate van naleving van de ATFM-maatregelen verhogen.

Artikel 12

Beoordeling van de prestaties

1.   Bij de toepassing van artikel 11 zien de lidstaten erop toe dat de centrale ATFM-eenheid jaarverslagen opstelt waarin de kwaliteit van de ATFM wordt uiteengezet en die bijzonderheden bevatten betreffende:

a)

de oorzaken van ATFM-maatregelen;

b)

de gevolgen van ATFM-maatregelen;

c)

de naleving van ATFM-maatregelen;

d)

de bijdragen van de in artikel 1, lid 3, bedoelde partijen aan de optimalisering van het algehele effect van het netwerk.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de centrale ATFM-eenheid een archief van de in artikel 6, lid 5, genoemde ATFM-gegevens, vliegplannen, operationele logboeken en relevante contextuele gegevens opzet en bijhoudt.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden tot twee jaar na de indiening ervan bewaard en ter beschikking van de Commissie, de lidstaten, de ATS-eenheden en de exploitanten gesteld.

Deze gegevens worden ter beschikking gesteld van luchthavencoördinatoren en -exploitanten om hen te helpen bij hun regelmatige beoordelingen van de opgegeven capaciteit.

Artikel 13

Veiligheidseisen

De lidstaten zien erop toe dat een veiligheidsbeoordeling, met inbegrip van gevarenidentificatie, risicobeoordeling en risicobeperking, wordt uitgevoerd voordat belangrijke wijzigingen aan ATFM-systemen en -procedures worden aangebracht, met inbegrip van een beoordeling van een veiligheidsbeheerproces dat betrekking heeft op de volledige levenscyclus van het luchtverkeerbeheersysteem.

Artikel 14

Aanvullende eisen

1.   De lidstaten zien erop toe dat de personeelsleden van de in artikel 1, lid 3, bedoelde partijen die betrokken zijn bij ATFM-activiteiten:

a)

worden gewezen op de bepalingen van deze verordening;

b)

voldoende opgeleid en bekwaam zijn voor het uitoefenen van hun functie.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te garanderen dat de in artikel 1, lid 3, bedoelde partijen die verantwoordelijk zijn voor ATFM-functies:

a)

operationele handleidingen met de nodige instructies en informatie opstellen en bijhouden teneinde hun uitvoerend personeel in staat te stellen de bepalingen van deze verordening toe te passen;

b)

ervoor zorgen dat deze handleidingen samenhangend en toegankelijk zijn en worden bijgewerkt en dat de bijwerking en verspreiding ervan aan passend kwaliteits- en documentconfiguratiebeheer worden onderworpen;

c)

erop toezien dat de werkmethoden en operationele procedures voldoen aan deze verordening.

Artikel 15

Sancties

De lidstaten stellen voorschriften vast inzake de sancties die van toepassing zijn bij overtreding van de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 26 september 2011 in kennis van die voorschriften en stellen haar onverwijld in kennis van latere wijzigingen die daarop van invloed zijn.

Artikel 16

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 26 september 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 20.

(2)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.

(3)  PB L 342 van 24.12.2005, blz. 20.

(4)  PB L 14 van 22.1.1993, blz. 1.


BIJLAGE

Lijst van ICAO-bepalingen voor de toepassing van de regeling van luchtverkeersstromen

1.

Hoofdstuk 3, punt 3.7.5 (Air Traffic Flow Management) van bijlage 11 bij het Verdrag van Chicago — Air Traffic Services (13de editie — juli 2001, inclusief amendement nr. 47).

2.

Hoofdstuk 3 (ATS Capacity and Air Traffic Flow Management) van ICAO-document 4444 — Procedures for Air Navigation Services — Air Traffic management (PANS-ATM) (15e editie — 2007).

3.

Hoofdstuk 8.3 (exemptions from ATFM slot allocation) van ICAO-document 7030, European (EUR) Regional Supplementary Procedures (5e editie 2007).

4.

Hoofdstuk 8.4 1.c) (Aircraft operator adherence to ATFM measures) van ICAO-document 7030 European (EUR) Regional Supplementary Procedures (5e editie 2007).

5.

Hoofdstuk 2, punt 2.3.2 (Changes to EOBT) van ICAO-document 7030, European (EUR) Region Supplementary Procedures (5e editie 2007).


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/17


VERORDENING (EU) Nr. 256/2010 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Alubia de La Bañeza-León (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Spanje ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Alubia de La Bañeza-León” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 186 van 8.8.2009, blz. 28.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

SPANJE

Alubia de La Bañeza-León (BGA)


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/19


VERORDENING (EU) Nr. 257/2010 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

tot vaststelling van een programma voor de herbeoordeling van goedgekeurde levensmiddelenadditieven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenadditieven

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (1), en met name op artikel 32,

Na raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1333/2008 wordt bepaald dat de Commissie een programma vaststelt voor de herbeoordeling, door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna „EFSA” genoemd), van de veiligheid van levensmiddelenadditieven die vóór 20 januari 2009 in de Unie toegestaan waren.

(2)

In 2007 heeft de Commissie een verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de stand van de herbeoordeling van levensmiddelenadditieven (2) overgelegd. Dat verslag geeft een overzicht van de recente door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding („SCF”) en de EFSA verrichte herbeoordelingen van additieven en beschrijft de naar aanleiding daarvan door de Europese Commissie op grond van de wetenschappelijke adviezen ondernomen acties.

(3)

Er is reeds met prioriteit begonnen met de herbeoordeling van voedingskleurstoffen, aangezien de beoordelingen van deze levensmiddelenadditieven door het SCF het oudst zijn. De herbeoordeling van bepaalde kleurstoffen (namelijk E 102 tartrazine, E 104 chinoline geel, E 110 zonnegeel FCF, E 124 ponceau 4R, E 129 allurarood AC en E 122 karmozijn, E 160d lycopeen) is reeds voltooid. Bovendien zijn sommige levensmiddelenadditieven, zoals E 234 nisine en E 214-219 parahydroxybenzoaten, de laatste jaren herbeoordeeld, nadat nieuwe wetenschappelijke gegevens op verzoek waren verstrekt of anderszins beschikbaar werden. Bijgevolg hoeven die additieven niet opnieuw te worden herbeoordeeld.

(4)

Aangezien de meest recente beoordelingen betrekking hebben op zoetstoffen, moeten zij het laatst worden herbeoordeeld.

(5)

De volgorde van de prioriteiten voor de herbeoordeling van de momenteel goedgekeurde levensmiddelenadditieven moet worden vastgesteld op grond van de volgende criteria: het tijdstip van de laatste beoordeling van een levensmiddelenadditief door het SCF of de EFSA, de beschikbaarheid van nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal, de omvang van het gebruik van een levensmiddelenadditief in levensmiddelen en de blootstelling van de mens aan het levensmiddelenadditief, rekening houdend met de uitkomst van het verslag van de Commissie over de inname van levensmiddelenadditieven via de voeding in de Europese Unie (3) van 2001. Het verslag „Food additives in Europe 2000 (4)” (Levensmiddelenadditieven in Europa 2000), dat door de Noordse Raad van ministers bij de Commissie is ingediend, verstrekt aanvullende informatie voor de prioritering van additieven voor herbeoordeling.

(6)

Voor de doelmatigheid en om praktische redenen moet de herbeoordeling zoveel mogelijk worden uitgevoerd per groep levensmiddelenadditieven overeenkomstig de belangrijkste functionele klasse waartoe zij behoren. De EFSA moet echter in staat zijn om met de herbeoordeling van een levensmiddelenadditief of een groep levensmiddelenadditieven op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief met hogere prioriteit te beginnen, indien nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal beschikbaar komt dat wijst op een mogelijk risico voor de gezondheid van de mens of dat van invloed kan zijn op de beoordeling van de veiligheid van een levensmiddelenadditief.

(7)

Er moeten termijnen voor de herbeoordeling overeenkomstig die volgorde van prioriteiten worden vastgesteld. In naar behoren gemotiveerde gevallen en alleen wanneer een dergelijke herbeoordeling de herbeoordeling van andere levensmiddelenadditieven aanzienlijk kan vertragen, kunnen de in deze verordening vastgestelde termijnen worden herzien.

(8)

Er kunnen in de toekomst meer specifieke termijnen voor afzonderlijke levensmiddelenadditieven of groepen levensmiddelenadditieven worden vastgesteld om de vlotte afwikkeling van het herbeoordelingsproces mogelijk te maken of in geval van een opduikend probleem.

(9)

Voor de doeltreffendheid van de herbeoordelingsprocedure is het van belang dat de EFSA van alle belanghebbende partijen alle voor de herbeoordeling relevante gegevens ontvangt en dat de belanghebbende partijen tijdig in kennis worden gesteld van de aanvullende gegevens die nodig zijn voor de afronding van de herbeoordeling van een levensmiddelenadditief.

(10)

Exploitanten van een bedrijf die er belang bij hebben dat een herbeoordeeld additief goedgekeurd blijft, moeten alle voor de herbeoordeling van het levensmiddelenadditief relevante gegevens verstrekken. Zo mogelijk moeten de exploitanten van een bedrijf stappen ondernemen om de informatie collectief in te dienen.

(11)

De EFSA moet een of meer openbare oproepen tot het verstrekken van gegevens over alle opnieuw te beoordelen levensmiddelenadditieven bekendmaken. Alle technische en wetenschappelijke informatie over een levensmiddelenadditief die nodig is voor de herbeoordeling daarvan, met name toxicologische gegevens en gegevens die relevant zijn voor de schatting van de blootstelling van de mens aan het desbetreffende levensmiddelenadditief, moet door de belanghebbende partijen binnen de gestelde termijnen aan de EFSA worden verstrekt.

(12)

De levensmiddelenadditieven die door de EFSA moeten worden herbeoordeeld, zijn reeds eerder door het SCF op hun veiligheid getoetst en vele daarvan worden allang gebruikt. De voor de herbeoordeling te verstrekken informatie moet de bestaande gegevens bevatten waarop de vorige beoordeling van een levensmiddelenadditief was gebaseerd, alsook alle voor het levensmiddelenadditief relevante nieuwe gegevens die sinds de laatste beoordeling door het SCF beschikbaar zijn geworden. Die informatie moet zo volledig mogelijk zijn om de EFSA in staat te stellen haar herbeoordeling uit te voeren en een actueel advies uit te brengen en moet zoveel mogelijk worden ingediend overeenkomstig de geldende richtsnoeren voor de indiening van gegevens voor beoordelingen van levensmiddelenadditieven (momenteel de door het SCF op 11 juli 2001 opgestelde richtsnoeren (5)).

(13)

De EFSA kan aanvullende informatie verlangen voor de herbeoordeling van een levensmiddelenadditief. In dat geval moet de EFSA tijdig om de nodige gegevens vragen door het bekendmaken van een openbare oproep tot het verstrekken van gegevens of door contact op te nemen met de partijen die gegevens over het levensmiddelenadditief hebben ingediend. De belanghebbende partijen moeten de verlangde informatie verstrekken binnen een termijn die door de EFSA is vastgesteld, waarbij zo nodig rekening is gehouden met de standpunten van de belanghebbende partijen.

(14)

Verordening (EG) nr. 1333/2008 bepaalt dat bij de goedkeuring van levensmiddelenadditieven ook rekening moet worden gehouden met milieufactoren. Daarom moeten de belanghebbende partijen in het kader van de herbeoordeling van een levensmiddelenadditief de Commissie en de EFSA in kennis stellen van alle informatie die relevant is voor de milieurisico's bij de productie, het gebruik of de afvalverwijdering van dat additief.

(15)

Wanneer de verlangde informatie voor de uitvoering van de herbeoordeling van een bepaald levensmiddelenadditief niet wordt verstrekt, kan het levensmiddelenadditief worden verwijderd uit de EU-lijst van goedgekeurde levensmiddelenadditieven.

(16)

De herbeoordelingsprocedure voor levensmiddelenadditieven moet voldoen aan voorschriften inzake transparantie en voorlichting van het publiek, waarbij de vertrouwelijkheid van bepaalde informatie moet worden gewaarborgd.

(17)

De Commissie zal vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening een lijst bekendmaken van goedgekeurde levensmiddelenadditieven die worden herbeoordeeld, onder vermelding van de datum van hun laatste beoordeling door het SCF of de EFSA.

(18)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid en het Europees Parlement noch de Raad hebben zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening stelt een programma vast voor de herbeoordeling door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna „de EFSA” genoemd) van goedgekeurde levensmiddelenadditieven, als bedoeld in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 1333/2008.

2.   Goedgekeurde levensmiddelenadditieven, waarvan de herbeoordeling door de EFSA op het tijdstip van de vaststelling van deze verordening reeds is voltooid, hoeven niet opnieuw te worden herbeoordeeld. Die levensmiddelenadditieven worden opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „goedgekeurd levensmiddelenadditief”: een vóór 20 januari 2009 toegelaten levensmiddelenadditief, opgenomen in Richtlijn 94/35/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 30 juni 1994 inzake zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt (6), Richtlijn 94/36/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 30 juni 1994 inzake kleurstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt (7) of Richtlijn 95/2/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 februari 1995 betreffende levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen (8);

b)   „exploitant van een bedrijf”: een natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen van Verordening (EG) nr. 1333/2008 in het levensmiddelenbedrijf waarover hij de leiding heeft;

c)   „belanghebbende exploitant van een bedrijf”: een exploitant van een bedrijf die er belang bij heeft dat de toelating van een of meer goedgekeurde levensmiddelenadditieven geldig blijft;

d)   „origineel dossier”: een dossier op grond waarvan het levensmiddelenadditief vóór 20 januari 2009 werd beoordeeld en toegelaten voor gebruik in levensmiddelen.

Artikel 3

Prioriteiten voor de herbeoordeling van goedgekeurde levensmiddelenadditieven

1.   Goedgekeurde levensmiddelenadditieven worden herbeoordeeld in de onderstaande volgorde en binnen de volgende termijnen:

a)

de herbeoordeling van alle goedgekeurde kleurstoffen voor levensmiddelen, opgenomen in Richtlijn 94/36/EG, moet uiterlijk op 31 december 2015 zijn voltooid;

b)

de herbeoordeling van alle goedgekeurde levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen, opgenomen in Richtlijn 95/2/EG, moet uiterlijk op 31 december 2018 zijn voltooid;

c)

de herbeoordeling van alle goedgekeurde zoetstoffen, opgenomen in Richtlijn 94/35/EG, moet uiterlijk op 31 december 2020 zijn voltooid.

2.   Voor bepaalde levensmiddelenadditieven in de in lid 1 bedoelde functionele klassen worden in bijlage II bij deze verordening meer specifieke termijnen vastgesteld. Van de tot dezelfde functionele klasse behorende levensmiddelenadditieven worden die levensmiddelenadditieven het eerst beoordeeld.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 kan de EFSA te allen tijde op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief met prioriteit beginnen met de herbeoordeling van een levensmiddelenadditief of groep levensmiddelenadditieven, als nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal beschikbaar komt dat

a)

wijst op een mogelijk risico voor de gezondheid van de mens of

b)

van invloed kan zijn op de veiligheidsbeoordeling van dat levensmiddelenadditief of die groep levensmiddelenadditieven.

Artikel 4

Herbeoordelingsprocedure

Bij de herbeoordeling van een goedgekeurd levensmiddelenadditief:

a)

onderzoekt de EFSA het originele advies en de werkdocumenten van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding („SCF”) of de EFSA;

b)

onderzoekt de EFSA zo mogelijk het originele dossier;

c)

onderzoekt de EFSA de door de belanghebbende exploitant(en) van een bedrijf en/of andere belanghebbende partij ingediende gegevens;

d)

onderzoekt de EFSA alle door de Commissie en de lidstaten ter beschikking gestelde gegevens;

e)

identificeert de EFSA alle sinds de laatste beoordeling van elk levensmiddelenadditief gepubliceerde relevante literatuur.

Artikel 5

Oproep tot het verstrekken van gegevens

1.   Ter verkrijging van de gegevens van de belanghebbende exploitanten van een bedrijf en/of andere belanghebbende partijen publiceert de EFSA een of meer oproepen tot het verstrekken van gegevens voor de levensmiddelenadditieven die worden herbeoordeeld. Bij de vaststelling van het tijdschema voor de indiening van de gegevens voorziet de EFSA in een redelijke termijn na de inwerkingtreding van deze verordening om de belanghebbende exploitant van een bedrijf en/of andere belanghebbende partij in staat te stellen zijn/haar verplichtingen na te komen.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens kunnen onder meer omvatten:

a)

studieverslagen uit het originele dossier, als beoordeeld door het SCF of de EFSA of het Gezamenlijk Comité van deskundigen voor levensmiddelenadditieven van de FAO/WHO (JECFA);

b)

informatie over de gegevens inzake de veiligheid van het desbetreffende levensmiddelenadditief, die niet eerder door het SCF of de JECFA zijn bestudeerd;

c)

informatie over de specificaties van de thans gebruikte levensmiddelenadditieven, waaronder informatie over deeltjesgrootte en relevante fysisch-chemische kenmerken en eigenschappen;

d)

informatie over het productieproces;

e)

informatie over de beschikbare analysemethoden voor de bepaling in levensmiddelen;

f)

informatie over de blootstelling van de mens aan levensmiddelenadditieven in voedingsmiddelen (bv. consumptiepatroon en gebruiksdoeleinden, feitelijke gebruiksniveaus en maximale gebruiksniveaus, frequentie van de consumptie en andere factoren die van invloed zijn op de blootstelling);

g)

reactie en lotgevallen in levensmiddelen.

Artikel 6

Indiening van gegevens

1.   De belanghebbende exploitant(en) van een bedrijf en elke andere belanghebbende partij dienen de gegevens in verband met de herbeoordeling van een levensmiddelenadditief, als bedoeld in artikel 5, lid 2, binnen de door de EFSA in de oproep tot het verstrekken van gegevens vastgestelde termijn in. De belanghebbende exploitant van een bedrijf en de andere belanghebbende partijen verstrekken de door de EFSA verlangde gegevens zoveel mogelijk overeenkomstig de geldende richtsnoeren voor de indiening van gegevens voor beoordelingen van levensmiddelenadditieven (9).

2.   Wanneer er verscheidene belanghebbende exploitanten van een bedrijf zijn, kunnen deze, indien mogelijk, de gegevens collectief indienen.

3.   Als tijdens de herbeoordeling aanvullende informatie nodig is die relevant is voor de herbeoordeling van een bepaald levensmiddelenadditief, verlangt de EFSA via een openbare oproep van de belanghebbende exploitanten van een bedrijf dat zij deze informatie indienen en nodigt zij andere belanghebbende partijen uit om deze informatie te verstrekken. Zij stelt een termijn vast voor de indiening van die informatie, zo nodig rekening houdend met de tijd die de belanghebbende exploitanten van een bedrijf en/of andere belanghebbende partijen nodig hebben om de informatie te verstrekken. In dit geval dient de EFSA het verzoek om aanvullende informatie tijdig in om ervoor te zorgen dat de algemene termijnen voor de herbeoordeling, als vastgesteld in artikel 3, lid 1, en bijlage II, worden nageleefd.

4.   Informatie die niet binnen de door de EFSA vastgestelde termijn wordt ingediend, wordt bij de herbeoordeling niet in aanmerking genomen. In uitzonderlijke gevallen kan de EFSA echter met toestemming van de Commissie besluiten om rekening te houden met na de termijn ingediende informatie, als die informatie significant is voor de herbeoordeling van een levensmiddelenadditief.

5.   Wanneer de verlangde informatie niet binnen de vastgestelde termijnen bij de EFSA is ingediend, kan het levensmiddelenadditief uit de EU-lijst worden verwijderd overeenkomstig de procedure van artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1333/2008 (10).

Artikel 7

Andere informatie

In het kader van de herbeoordeling van een levensmiddelenadditief stellen de belanghebbende exploitanten van een bedrijf of andere belanghebbende partijen de EFSA en de Commissie in kennis van alle beschikbare informatie over eventuele milieurisico's bij de productie, het gebruik of de afvalverwijdering van dat additief.

Artikel 8

Vertrouwelijkheid

1.   Informatie waarvan de openbaarmaking de concurrentiepositie van exploitanten van een bedrijf of andere belanghebbende partijen ernstig zou kunnen aantasten, kan vertrouwelijk worden behandeld.

2.   De volgende informatie wordt in geen geval als vertrouwelijk beschouwd:

a)

de naam en het adres van de belanghebbende exploitant van een bedrijf;

b)

de chemische naam en een duidelijke beschrijving van de stof;

c)

informatie voor het gebruik van de stof in of op specifieke levensmiddelen of levensmiddelencategorieën;

d)

informatie die relevant is voor de beoordeling van de veiligheid van de stof;

e)

de methode(n) voor analyse in levensmiddelen.

3.   Voor de uitvoering van lid 1 geven de belanghebbende exploitant(en) van een bedrijf en de andere belanghebbende partijen aan welke informatie zij als vertrouwelijk behandeld willen zien. In dit geval moeten verifieerbare redenen worden aangevoerd.

4.   Op voorstel van de EFSA besluit de Commissie na raadpleging van de belanghebbende exploitant van een bedrijf en/of de andere belanghebbende partijen welke informatie vertrouwelijk kan blijven en stelt zij de EFSA en de lidstaten daarvan in kennis.

5.   De Commissie, de EFSA en de lidstaten nemen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (11) de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in het kader van deze verordening ontvangen informatie vertrouwelijk wordt behandeld, met uitzondering van informatie die, als de omstandighden dit vereisen, bekend moet worden gemaakt om de gezondheid van mens en dier of het milieu te beschermen.

6.   De toepassing van de leden 1 tot en met 5 laat de uitwisseling van informatie tussen de Commissie, de EFSA en de lidstaten onverlet.

Artikel 9

Voortgangsmonitoring

Elk jaar in december stelt de EFSA de Commissie en de lidstaten in kennis van de voortgang van het herbeoordelingsprogramma.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16.

(2)  COM(2007) 418 definitief.

(3)  COM(2001) 542 definitief.

(4)  Food Additives in Europe 2000, Status of safety assessments of food additives presently permitted in the EU, Nordic Council of Ministers, TemaNord 2002:560.

(5)  Guidance on submissions for food additive evaluations by the Scientific Committee on Food. Advies uitgebracht op 11 juli 2001. SCF/CS/ADD/GEN/26 final.

(6)  PB L 237 van 10.9.1994, blz. 3.

(7)  PB L 237 van 10.9.1994, blz. 13.

(8)  PB L 61 van 18.3.1995, blz. 1.

(9)  Momenteel het door het SCF op 11 juli 2001 uitgebrachte advies. SCF/CS/ADD/GEN/26 Final.

(10)  PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16.

(11)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.


BIJLAGE I

Een lijst van goedgekeurde levensmiddelenadditieven die vóór 20 januari 2009 werden goedgekeurd en waarvan de herbeoordeling door de EFSA op het tijdstip van de vaststelling van deze verordening is voltooid

E-nummer

Stof

Jaar van laatste beoordeling door SCF of EFSA

Status van herbeoordeling door EFSA

E 102

Tartrazine

2009

Herbeoordeling voltooid op 23 september 2009

E 104

Chinoline geel

2009

Herbeoordeling voltooid op 23 september 2009

E 110

Zonnegeel FCF, oranjegeel S

2009

Herbeoordeling voltooid op 24 september 2009

E 122

Azorubine, karmozijn

2009

Herbeoordeling voltooid op 24 september 2009

E 124

Ponceau 4R, cochenillerood A

2009

Herbeoordeling voltooid op 23 september 2009

E 129

Allurarood AC

2009

Herbeoordeling voltooid op 23 september 2009

E 160d

Lycopeen

2008

Herbeoordeling voltooid op 30 januari 2008

E 234

Nisine

2006

Herbeoordeling voltooid op 26 januari 2006

E 173

Aluminium

2008

Herbeoordeling voltooid op 22 mei 2008

E 214

Ethyl-p-hydroxybenzoaat

2004

Herbeoordeling voltooid op 13 juli 2004

E 215

Ethyl-p-hydroxybenzoaat, natriumzout

2004

Herbeoordeling voltooid op 13 juli 2004

E 218

Methyl-p-hydroxybenzoaat

2004

Herbeoordeling voltooid op 13 juli 2004

E 219

Methyl-p-hydroxybenzoaat, natriumzout

2004

Herbeoordeling voltooid op 13 juli 2004

E 235

Natamycine

2009

Herbeoordeling voltooid op 26 november 2009

E 473

Sucrose-vetzuuresters

2006

Herbeoordeling voltooid op 23 november 2004; herzien op 26 januari 2006

E 474

Sucroglyceriden

2006

Herbeoordeling voltooid op 23 november 2004; herzien op 26 januari 2006

E 901

Bijenwas, wit en geel

2007

Herbeoordeling voltooid op 27 november 2007


BIJLAGE II

Specifieke prioriteiten voor bepaalde levensmiddelenadditieven in de functionele klassen van levensmiddelenadditieven, als bedoeld in artikel 3, leden 1 en 2

DEEL I:   KLEURSTOFFEN VOOR LEVENSMIDDELEN

Binnen de algemene termijn van 31.12.2015, vastgesteld voor de herbeoordeling van kleurstoffen voor levensmiddelen in artikel 3, lid 1, worden de volgende specifieke termijnen vastgesteld voor de volgende kleurstoffen voor levensmiddelen:

1.

De volgende kleurstoffen voor levensmiddelen worden beoordeeld vóór 15.4.2010

E 123

Amarant

E 151

Briljantzwart BN, zwart PN

E 154

Bruin FK

E 155

Bruin HT en

E 180

Litholrubine BK

2.

De volgende kleurstoffen voor levensmiddelen worden beoordeeld vóór 31.12.2010

E 100

Curcumine

E 127

Erytrosine

E 131

Patentblauw V

E 132

Indigotine, indigokarmijn

E 133

Briljantblauw FCF

E 142

Groen S

E 150a

Karamel

E 150b

Alkali-sulfietkaramel

E 150c

Ammoniakkaramel

E 150d

Sulfiet-ammoniakkaramel

E 161b

Luteïne

E 161g

Canthaxanthine

E 170

Calciumcarbonaat

3.

De volgende kleurstoffen voor levensmiddelen worden beoordeeld vóór 31.12.2015

E 101

i) Riboflavine ii) riboflavine-5′-fosfaat

E 120

Cochenille, karmijnzuur, karmijn

E 140

Chlorofylen en chlorofylinen: i) chlorofylen (ii) chlorofylinen

E 141

Kopercomplexen van chlorofylen en chlorofylinen: i) kopercomplexen van chlorofylen ii) kopercomplexen van chlorofylinen

E 153

Carbo medicinalis vegetabilis

E 160b

Annatto, bixine, norbixine

E 160a

Caroteen: i) gemengd caroteen, ii) bèta-caroteen

E 160c

Paprika-extract, capsanthine, capsorubine

E 160e

Bèta-apo-8′-carotenal (C30)

E 160f

Ethylester van bèta-apo-8′-caroteenzuur (C30)

E 162

Bietenrood, betanine

E 163

Anthocyaninen

E 171

Titaandioxide

E 172

IJzeroxiden en -hydroxiden

E 174

Zilver

E 175

Goud

DEEL II:   LEVENSMIDDELENADDITIEVEN MET UITZONDERING VAN KLEURSTOFFEN EN ZOETSTOFFEN

Binnen de algemene termijn van 31.12.2018, vastgesteld voor de herbeoordeling van levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen in artikel 3, lid 1, worden de volgende specifieke termijnen vastgesteld voor bepaalde levensmiddelenadditieven en groepen levensmiddelenadditieven:

1.

Conserveermiddelen en antioxidanten E 200-203; E 210-215, E 218-252, E 280-285; E 300-E 321 en E 586 worden beoordeeld vóór 31.12.2015

met hogere prioriteit binnen deze groep voor:

E 310-312

Gallaten

E 320

Butylhydroxyanisol (BHA)

E 321

Butylhydroxytolueen (BHT)

E 220-228

Zwaveldioxide en sulfieten

E 304

Vetzuuresters van ascorbinezuur: i) ascorbylpalmitaat ii) ascorbylstearaat

E 200-203

Sorbinezuur en sorbaten

E 284

Boorzuur

E 285

Natriumtetraboraat (borax)

E 239

Hexamethyleentetramine

E 242

Dimethyldicarbonaat

E 249

Kaliumnitriet

E 250

Natriumnitriet

E 251

Natriumnitraat

E 252

Kaliumnitraat

E 280-283

Propionzuur en zijn natrium-, calcium- en kaliumzouten

E 306

Tocoferolrijk extract

E 307

Alfa-tocoferol

E 308

Gamma-tocoferol

E 309

Delta-tocoferol

2.

Emulgatoren, stabilisatoren, geleermiddelen E 322, E 400-E 419; E 422-E 495; E 1401-E 1451 worden beoordeeld vóór 31.12.2016

Met hogere prioriteit binnen deze groep voor:

E 483

Stearyltartraat

E 491-495

Sorbitaanesters

E 431

Polyoxyethyleen (40) stearaat

E 432-436

Polysorbaten

E 444

Sucroseacetaatisobutyraat

E 481

Natriumstearoyl-2-lactylaat

E 482

Calciumstearoyl-2-lactylaat

E 414

Acaciagom (Arabische gom) (1)

E 410

Johannesbroodpitmeel (1)

E 417

Taragom (1)

E 422

Glycerol

E 475

Polyglycerolvetzuuresters

3.

E 551 Siliciumdioxide, E 620-625 glutamaten, E 1105 lysozym en E 1103 invertase worden beoordeeld vóór 31.12.2016

4.

De resterende levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen worden beoordeeld vóór 31.12.2018

Met hogere prioriteit voor

E 552

Calciumsilicaat

E 553a

Magnesiumsilicaat en -trisilicaat

E 553b

Talk

E 558

Bentoniet

E 999

Quillaja-extract

E 338-343

Fosforzuur en fosfaten

E 450-452

Di-, tri- en polyfosfaten

E 900

Dimethylpolysiloxaan

E 912

Esters van montaanzuur

E 914

Geoxideerde polyethyleenwas

E 902

Candelillawas

E 904

Schellak

E 626-629

Guanylzuur, dinatriumguanylaat, dikaliumguanylaat en calciumguanylaat

E 630-633

Inosinezuur, dinatriuminosinaat; dikaliuminosinaat en calciuminosinaat

E 634-635

Calcium 5′-ribonucleotiden en dinatrium 5′-ribonucleotiden

E 507-511

Zoutzuur, kaliumchloride, calciumchloride, magnesiumchloride

E 513

Zwavelzuur


(1)  Alle natuurlijke gommen E 400-418 en E 425 kunnen tegelijkertijd worden beoordeeld.


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/28


VERORDENING (EU) Nr. 258/2010 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van guarpitmeel van oorsprong of verzonden uit India wegens de risico's van verontreiniging met pentachloorfenol en dioxinen, en tot intrekking van Beschikking 2008/352/EG

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name op artikel 53, lid 1, onder b) ii),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 53, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 voorziet in de mogelijkheid passende noodmaatregelen te nemen voor uit een derde land ingevoerde levensmiddelen en diervoeders om de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu te beschermen, wanneer het risico niet op afdoende wijze kan worden beheerst met de door de afzonderlijke lidstaten getroffen maatregelen.

(2)

In juli 2007 zijn in de EU in sommige partijen guarpitmeel van oorsprong of verzonden uit India hoge gehalten pentachloorfenol (PCP) en dioxinen aangetroffen. Een dergelijke verontreiniging vormt een bedreiging voor de volksgezondheid in de Europese Unie als geen maatregelen worden genomen om de aanwezigheid van pentachloorfenol en dioxinen in guarpitmeel te vermijden.

(3)

Als reactie op het aantreffen van deze hoge gehalten PCP en dioxinen heeft het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Europese Commissie (VVB) in oktober 2007 een urgent inspectiebezoek aan India gebracht. Het bezoek had tot doel informatie over de mogelijke bron van verontreiniging te verzamelen en de controlemaatregelen te beoordelen die de Indiase autoriteiten hadden genomen om te vermijden dat deze verontreiniging zich opnieuw zou voordoen. Het inspectieteam concludeerde dat er onvoldoende gegevens waren over de oorzaak van de verontreiniging en uit het door de Indiase autoriteiten uitgevoerde onderzoek konden geen conclusies worden getrokken. Gezien de beschikbaarheid van natriumpentachloorfenolaat en het gebruik ervan in de guarpitmeelindustrie en gezien het feit dat het gaat om een bedrijfstak die grotendeels op zelfregulering is gebaseerd, waren de controlemaatregelen ontoereikend om ervoor te zorgen dat deze verontreiniging zich niet opnieuw voordoet.

(4)

Daarom bepaalt Beschikking 2008/352/EG van de Commissie van 29 april 2008 tot vaststelling van speciale voorwaarden voor guarpitmeel van oorsprong of verzonden uit India wegens de risico's van verontreiniging van dit product met pentachloorfenol en dioxinen (2) dat elke zending guarpitmeel en mengvoeders en samengestelde levensmiddelen die ten minste 10 % guarpitmeel van oorsprong of verzonden uit India bevat, vergezeld moet gaan van een origineel analyseverslag dat is goedgekeurd door een vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit uit het land waar het laboratorium is gevestigd, om aan te tonen dat het product niet meer dan 0,01 mg PCP/kg bevat. De bevoegde autoriteiten in de lidstaten moeten zendingen van deze producten bemonsteren en analyseren met een frequentie van 5 % om te verifiëren dat het gehalte van 0,01 mg PCP/kg niet wordt overschreden. Het communautaire referentielaboratorium voor dioxinen en pcb's in diervoeders en levensmiddelen heeft een studie uitgevoerd naar de correlatie tussen PCP en dioxinen in verontreinigd guarpitmeel uit India. Uit deze studie kan worden geconcludeerd dat guarpitmeel met een PCP-gehalte van minder dan 0,01 mg/kg geen onaanvaardbare dioxinegehalten bevat.

(5)

In oktober 2009 had bij wijze van follow-up een inspectiebezoek van het VVB plaats om de controlemaatregelen te beoordelen die de Indiase autoriteiten hebben genomen om de verontreiniging van guarpitmeel met PCP en dioxinen te voorkomen en aan de aanbevelingen van het inspectiebezoek in oktober 2007 gehoor te geven.

(6)

Tijdens dat inspectiebezoek werden verschillende ernstige tekortkomingen vastgesteld. De status van PCP voor industrieel gebruik in India is niet duidelijk en tijdens het inspectiebezoek werden geen bewijsstukken voorgelegd waaruit bleek dat maatregelen waren genomen om de productie of verkoop van PCP te stoppen. Het exporterende privébedrijf neemt monsters zonder enig officieel toezicht. Door het laboratorium vastgestelde non-conformiteiten bij ongeveer 2,5 % van de geanalyseerde monsters worden aan het exportbedrijf gemeld maar niet aan de bevoegde autoriteit. Aangezien de bevoegde autoriteit niet op de hoogte was van deze tekortkomingen, werden geen maatregelen ten aanzien van de niet-conforme partijen genomen.

(7)

Uit de bevindingen blijkt dat de verontreiniging van guarpitmeel met PCP en/of dioxinen niet als een geïsoleerd voorval kan worden beschouwd en dat alleen dankzij de doeltreffende analyse door het erkende privélaboratorium is voorkomen dat het verontreinigde product verder naar de Europese Unie werd uitgevoerd. Aangezien het controlesysteem niet is verbeterd, moeten extra maatregelen worden genomen om mogelijke risico's te verminderen.

(8)

Aangezien niet kan worden uitgesloten dat guarpitmeel van oorsprong uit India via een ander derde land naar de EU wordt uitgevoerd, moet steekproefsgewijs controle worden uitgeoefend op de aanwezigheid van PCP in guarpitmeel dat uit andere landen dan India wordt verzonden.

(9)

Daarom moet Beschikking 2008/352/EG dienovereenkomstig worden gewijzigd. Gezien de aard van de wijzigingsbepalingen – die rechtstreeks toepasselijk zijn en verbindend in al hun onderdelen – moet die beschikking echter door een verordening worden vervangen.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op:

a)

guarpitmeel van GN-code 1302 32 90, van oorsprong of verzonden uit India en bestemd voor dierlijke of menselijke consumptie;

b)

diervoeders en levensmiddelen die ten minste 10 % guarpitmeel van oorsprong of verzonden uit India bevatten.

Artikel 2

Certificering

1.   Elke zending van de in artikel 1 vermelde producten die voor invoer wordt aangeboden, gaat vergezeld van:

a)

een gezondheidscertificaat zoals in de bijlage, waarin wordt bevestigd dat het ingevoerde product niet meer dan 0,01 mg pentachloorfenol (PCP) per kg bevat; en

b)

een analyseverslag dat is afgegeven door een overeenkomstig EN ISO/IEC 17025 voor de analyse van PCP in levensmiddelen en diervoeders geaccrediteerd laboratorium, waarin de resultaten van de bemonstering en de analyse voor het opsporen van PCP, de meetonzekerheid van het analyseresultaat, evenals de detectielimiet en de bepaalbaarheidsgrens van de analysemethode worden vermeld.

2.   Het certificaat dat van een analyseverslag vergezeld gaat, wordt ondertekend door een gemachtigd vertegenwoordiger van het Indiase ministerie van Handel en Industrie en de geldigheidsduur van het certificaat bedraagt hoogstens vier maanden vanaf de datum van afgifte.

3.   De in lid 1, onder b), vermelde analyse wordt uitgevoerd op een monster dat de bevoegde Indiase autoriteiten van de zending hebben genomen overeenkomstig Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie van 11 juli 2002 houdende vaststelling van communautaire bemonsteringsmethoden voor de officiële controle op residuen van bestrijdingsmiddelen in en op producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong en tot intrekking van Richtlijn 79/700/EEG (3). De extractie vóór de analyse wordt verricht met een zuur oplosmiddel. De analyse wordt uitgevoerd overeenkomstig de gewijzigde versie van de QuEChERS-methode, die wordt beschreven op de website van de communautaire referentielaboratoria voor residuen van bestrijdingsmiddelen (4), of volgens een even betrouwbare methode.

Artikel 3

Identificatie

Elke zending van de in artikel 1 vermelde producten wordt geïdentificeerd door middel van een code die wordt vermeld op het gezondheidscertificaat, in het analyseverslag met de resultaten van de bemonstering en de analyse, en op de bij de zending gevoegde handelsdocumenten. Elke afzonderlijke zak of andere verpakkingsvorm van de zending wordt met die code geïdentificeerd.

Artikel 4

Voorafgaande melding

De exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven of hun vertegenwoordigers melden de verwachte datum en tijd van aankomst van alle zendingen van de in artikel 1 vermelde producten op voorhand aan het in artikel 5, lid 4, vermelde controlepunt.

Artikel 5

Officiële controles

1.   De bevoegde autoriteiten in de lidstaten verrichten documenten-, overeenstemmings- en materiële controles, met inbegrip van laboratoriumanalyses, van de zendingen van de in artikel 1 vermelde producten.

2.   Minstens 5 % van de zendingen wordt onderworpen aan overeenstemmings- en materiële controles, met inbegrip van bemonstering en analyse om de aanwezigheid van PCP te controleren.

3.   De zendingen blijven hoogstens 15 werkdagen onder officieel toezicht totdat de resultaten van de laboratoriumanalyse beschikbaar zijn.

4.   De in lid 1 vermelde controles worden uitgevoerd op door de lidstaten specifiek voor dat doel aangewezen controlepunten.

5.   De lidstaten maken de lijst van controlepunten beschikbaar voor het publiek en delen de lijst mee aan de Commissie.

6.   De bevoegde autoriteiten in de lidstaten verrichten ook steekproefsgewijs materiële controles, met inbegrip van bemonstering en analyse om de aanwezigheid van PCP te controleren in guarpitmeel dat uit andere landen dan India wordt verzonden.

Artikel 6

Splitsing van zendingen

Zendingen worden niet gesplitst voordat alle officiële controles zijn uitgevoerd. Als een zending wordt gesplitst, gaat elk deel van de gesplitste zending totdat het in het vrije verkeer wordt gebracht, vergezeld van een gewaarmerkte kopie van het in artikel 2, lid 1, onder a), vermelde gezondheidscertificaat.

Artikel 7

Kosten

Alle kosten die voortvloeien uit de in artikel 5, lid 1, vermelde officiële controles — inclusief bemonstering, analyse, opslag en maatregelen als gevolg van de niet-naleving van voorschriften — komen ten laste van de exploitant van het diervoeder- en levensmiddelenbedrijf.

Artikel 8

In het vrije verkeer brengen

Zendingen worden alleen in het vrije verkeer gebracht als de exploitant van het diervoeder- en levensmiddelenbedrijf of zijn vertegenwoordiger bewijsstukken aan de douaneautoriteiten voorlegt dat:

a)

de in artikel 5, lid 1, vermelde officiële controles zijn uitgevoerd en

b)

de materiële controles — wanneer die controles nodig waren — positieve resultaten hebben opgeleverd.

Artikel 9

Niet-conforme producten

Producten die — rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid en na de overeenkomstig artikel 5 uitgevoerde controles — meer dan 0,01 mg PCP per kg blijken te bevatten, worden niet in de diervoeder- en levensmiddelenketen gebracht. De niet-conforme producten worden veilig verwijderd overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (5).

Artikel 10

Verslagen

De lidstaten stellen de Commissie via het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF) in kennis van alle zendingen die meer dan 0,01 mg PCP per kg blijken te bevatten, rekening houdend met de uitgebreide meetonzekerheid.

De lidstaten dienen elke drie maanden een verslag bij de Commissie in over alle analyseresultaten van de in artikel 5, lid 1, vermelde controles. Die verslagen worden ingediend in de maand die volgt op het betrokken kwartaal.

Artikel 11

Intrekkingen

Beschikking 2008/352/EG van de Commissie wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken beschikking gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 12

Overgangsbepalingen

In afwijking van artikel 2, lid 1, staan de lidstaten de invoer van zendingen van de in artikel 1 vermelde producten toe wanneer die het land van oorsprong vóór 1 april 2010 hebben verlaten en vergezeld gaan van een analyseverslag zoals bedoeld in Beschikking 2008/352/EG.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(2)  PB L 117 van 1.5.2008, blz. 42.

(3)  PB L 187 van 16.7.2002, blz. 30.

(4)  http://www.crl-pesticides.eu/library/docs/srm/QuechersForGuarGum.pdf

(5)  PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1.


BIJLAGE

Image


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/32


VERORDENING (EU) Nr. 259/2010 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Colline Pontine (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Colline Pontine” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 197 van 21.8.2009, blz. 14.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.5.   Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie, enz.)

ITALIË

Colline Pontine (BOB)


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/34


VERORDENING (EU) Nr. 260/2010 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Chirimoya de la Costa tropical de Granada-Málaga (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Spanje ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Chirimoya de la Costa tropical de Granada-Málaga” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 197 van 21.8.2009, blz. 10.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

SPANJE

Chirimoya de la Costa tropical de Granada-Málaga (BOB)


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/36


VERORDENING (EU) Nr. 261/2010 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 297/95 van de Raad wat betreft de aanpassing aan het inflatiecijfer van de vergoedingen die aan het Europees Geneesmiddelenbureau dienen te worden betaald

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 297/95 van de Raad van 10 februari 1995 inzake de vergoedingen die aan het Europees Geneesmiddelenbureau dienen te worden betaald (1), en met name op artikel 12,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 67, lid 3, van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (2) bestaan de ontvangsten van het Europees Geneesmiddelenbureau, hierna „het bureau” genoemd, uit een bijdrage van de Unie en uit vergoedingen die door ondernemingen aan het bureau worden betaald. Verordening (EG) nr. 297/95 van de Raad bepaalt de categorieën en de hoogte van deze vergoedingen.

(2)

Artikel 12 van Verordening (EG) nr. 297/95 bepaalt dat de vergoedingen van het bureau elk jaar aan de hand van het inflatiecijfer worden aangepast.

(3)

Daarom moeten die vergoedingen aan de hand van het inflatiecijfer van 2009 worden aangepast. Het inflatiecijfer in de Unie, zoals gepubliceerd door het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat), was 1 % in 2009.

(4)

Eenvoudigheidshalve worden de aangepaste vergoedingen afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van 100 EUR.

(5)

Verordening (EG) nr. 297/95 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Omwille van de rechtszekerheid mag deze verordening niet van toepassing zijn op geldige aanvragen die op 1 april 2010 in behandeling zijn.

(7)

Krachtens artikel 12 van Verordening (EG) nr. 297/95 moet de aanpassing ingaan op 1 april 2010. Daarom moet deze verordening met spoed in werking treden en vanaf die datum van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 297/95 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt als volgt gewijzigd:

in de eerste alinea wordt „251 600 EUR” vervangen door „254 100 EUR”;

in de tweede alinea wordt „25 200 EUR” vervangen door „25 500 EUR”;

in de derde alinea wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

ii)

punt b) wordt als volgt gewijzigd:

in de eerste alinea wordt „97 600 EUR” vervangen door „98 600 EUR”;

in de tweede alinea wordt „162 600 EUR” vervangen door „164 200 EUR”;

in de derde alinea wordt „9 700 EUR” vervangen door „9 800 EUR”;

in de vierde alinea wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

iii)

punt c) wordt als volgt gewijzigd:

in de eerste alinea wordt „75 500 EUR” vervangen door „76 300 EUR”;

in de tweede alinea wordt „tussen de 18 900 EUR en de 56 600 EUR” vervangen door „tussen de 19 100 EUR en de 57 200 EUR”;

in de derde alinea wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

b)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a), eerste alinea, wordt als volgt gewijzigd:

„6 300 EUR” wordt vervangen door „6 400 EUR”;

ii)

punt b) wordt als volgt gewijzigd:

in de eerste alinea wordt „75 500 EUR” vervangen door „76 300 EUR”;

in de tweede alinea wordt „tussen de 18 900 EUR en de 56 600 EUR” vervangen door „tussen de 19 100 EUR en de 57 200 EUR”;

c)

in lid 3 wordt „12 500 EUR” vervangen door „12 600 EUR”;

d)

in lid 4 wordt „18 900 EUR” vervangen door „19 100 EUR”;

e)

in lid 5 wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

f)

lid 6 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt „90 200 EUR” vervangen door „91 100 EUR”;

ii)

in de tweede alinea wordt „tussen de 22 500 EUR en de 67 600 EUR” vervangen door „tussen de 22 700 EUR en de 68 300 EUR”.

2)

In artikel 4 wordt „62 800 EUR” vervangen door „63 400 EUR”.

3)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt als volgt gewijzigd:

in de eerste alinea wordt „125 800 EUR” vervangen door „127 100 EUR”;

in de tweede alinea wordt „12 500 EUR” vervangen door „12 600 EUR”;

in de derde alinea wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

de vierde alinea wordt als volgt gewijzigd:

„62 800 EUR” wordt vervangen door „63 400 EUR”;

„6 300 EUR” wordt vervangen door „6 400 EUR”;

ii)

punt b) wordt als volgt gewijzigd:

in de eerste alinea wordt „62 800 EUR” vervangen door „63 400 EUR”;

in de tweede alinea wordt „106 300 EUR” vervangen door „107 400 EUR”;

in de derde alinea wordt „12 500 EUR” vervangen door „12 600 EUR”;

in de vierde alinea wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

de vijfde alinea wordt als volgt gewijzigd:

„31 400 EUR” wordt vervangen door „31 700 EUR”;

„6 300 EUR” wordt vervangen door „6 400 EUR”;

iii)

punt c) wordt als volgt gewijzigd:

in de eerste alinea wordt „31 400 EUR” vervangen door „31 700 EUR”;

in de tweede alinea wordt „tussen de 7 800 EUR en de 23 500 EUR” vervangen door „tussen de 7 900 EUR en de 23 700 EUR”;

in de derde alinea wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

b)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in punt a) wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

ii)

punt b) wordt als volgt gewijzigd:

in de eerste alinea wordt „37 700 EUR” vervangen door „38 100 EUR”;

in de tweede alinea wordt „tussen de 9 400 EUR en de 28 300 EUR” vervangen door „tussen de 9 500 EUR en de 28 600 EUR”;

in de derde alinea wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

c)

in lid 3 wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

d)

in lid 4 wordt „18 900 EUR” vervangen door „19 100 EUR”;

e)

in lid 5 wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”;

f)

lid 6 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt „30 100 EUR” vervangen door „30 400 EUR”;

ii)

in de tweede alinea wordt „tussen de 7 500 EUR en de 22 500 EUR” vervangen door „tussen de 7 600 EUR en de 22 700 EUR”.

4)

In artikel 6 wordt „37 700 EUR” vervangen door „38 100 EUR”.

5)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de eerste alinea wordt „62 800 EUR” vervangen door „63 400 EUR”;

b)

in de tweede alinea wordt „18 900 EUR” vervangen door „19 100 EUR”.

6)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de tweede alinea wordt „75 500 EUR” vervangen door „76 300 EUR”;

ii)

in de derde alinea wordt „37 700 EUR” vervangen door „38 100 EUR”;

iii)

in de vierde alinea wordt „tussen de 18 900 EUR en de 56 600 EUR” vervangen door „tussen de 19 100 EUR en de 57 200 EUR”;

iv)

in de vijfde alinea wordt „tussen de 9 400 EUR en de 28 300 EUR” vervangen door „tussen de 9 500 EUR en de 28 600 EUR”;

b)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de tweede alinea wordt „251 600 EUR” vervangen door „254 100 EUR”;

ii)

in de derde alinea wordt „125 800 EUR” vervangen door „127 100 EUR”;

iii)

in de vijfde alinea wordt „tussen de 2 700 EUR en de 216 800 EUR” vervangen door „tussen de 2 700 EUR en de 219 000 EUR”;

iv)

in de zesde alinea wordt „108 500 EUR” vervangen door „109 600 EUR”;

c)

in lid 3 wordt „6 300 EUR” vervangen door „6 400 EUR”.

Artikel 2

Deze verordening is niet van toepassing op geldige aanvragen die op 1 april 2010 in behandeling zijn.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 april 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 35 van 15.2.1995, blz. 1.

(2)  PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/40


VERORDENING (EU) Nr. 262/2010 VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2010

tot 122e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qaida-netwerk en de Taliban

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 881/2002 van 27 mei 2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qaida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (1), en met name op artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 1 (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren.

(2)

Het Sanctiecomité van de VN-Veiligheidsraad heeft op 10 maart 2010 besloten één natuurlijke persoon en twee rechtspersonen of entiteiten te schrappen van de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen moeten worden bevroren (hierna „de lijst” genoemd). Op 11 maart heeft het Sanctiecomité besloten twee natuurlijke personen aan de lijst toe te voegen en de identificatiegegevens van zes natuurlijke personen en één rechtspersoon of entiteit op de lijst te wijzigen.

(3)

Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 881/2002 moet daarom dienovereenkomstig worden bijgewerkt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

João VALE DE ALMEIDA

Directeur-generaal Buitenlandse betrekkingen


(1)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.

(2)  Artikel 7 bis is ingevoegd bij Verordening (EU) nr. 1286/2009 van de Raad (PB L 346 van 23.12.2009, blz. 42).


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

De volgende vermeldingen worden geschrapt van de lijst „Rechtspersonen, groepen en entiteiten”:

(a)

Waldenberg AG (alias (a) Al Taqwa Trade, Property and Industry; (b) Al Taqwa Trade, Property and Industry Company Limited; (c) Al Taqwa Trade, Property and Industry Establishment; (d) Himmat Establishment). Adres: (a) Asat Trust Reg., Altenbach 8, FL-9490 Vaduz, Liechtenstein; (b) Via Posero 2, 22060 Campione d'Italia, Italië. Overige informatie: In liquidatie.

(b)

Youssef M. Nada, Via Riasc 4, CH-6911 Campione d'Italia I, Italië.

(c)

Youssef M. Nada & Co. Gesellschaft m.b.H. Adres: Kaertner Ring 2/2/5/22, A-1010 Wenen, Oostenrijk. Overige informatie: Onderneming hield op te bestaan in oktober 2002, in november 2002 geschrapt in het handelsregister.

(2)

De volgende vermeldingen worden toegevoegd aan de lijst „Natuurlijke personen”:

(a)

Akram Turki Hishan Al-Mazidih (ook bekend als a) Akram Turki Al-Hishan, b) Abu Jarrah, c) Abu Akram). Geboortedatum: a) 1974, b) 1975 c) 1979. Adres: Zabadani, Arabische Republiek Syrië. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 11.3.2010.

(b)

Ghazy Fezza Hishan Al-Mazidih (ook bekend als a) Ghazy Fezzaa Hishan, b) Mushari Abd Aziz Saleh Shlash, c) Abu Faysal, d) Abu Ghazzy). Geboortedatum: a) 1974, b) 1975. Adres: Zabadani, Arabische Republiek Syrië. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 11.3.2010.

(3)

De vermelding „Global Relief Foundation (GRF) (ook bekend als a) Fondation Secours Mondial (FSM), b) Secours mondial de France (SEMONDE), c) Fondation Secours Mondial — Belgique a.s.b.l., d) Fondation Secours Mondial v.z.w, e) FSM, f) Stichting Wereldhulp — België, v.z.w., g) Fondation Secours Mondial — Kosova, h) Fondation Secours Mondial „World Relief”. Adres: a) 9935 South 76th Avenue, Unit 1, Bridgeview, Illinois 60455, U.S.A.; b) PO Box 1406, Bridgeview, Illinois 60455, U.S.A.; c) 49 rue du Lazaret, 67100 Strasbourg, Frankrijk; d) Vaatjesstraat 29, 2580 Putte, België; e) Batavierenstraat 69, 1040 Etterbeek (Brussel), België; f) Postbus 6, 1040 Etterbeek 2 (Brussel), België; g) Mula Mustafe Baseskije Street 72, Sarajevo, Bosnië en Herzegovina; h) Put Mladih Muslimana Street 30/A, Sarajevo, Bosnië en Herzegovina; i) 64 Potur Mahala Street, Travnik, Bosnië en Herzegovina; j) Rr. Skenderbeu 76, Lagjja Sefa, Gjakova, Kosovo; k) Ylli Morina Road, Djakovica, Kosovo; l) Rruga e Kavajes, Building No. 3, Apartment No 61, PO Box 2892, Tirana, Albanië; m) House 267 Street No 54, Sector F — 11/4, Islamabad, Pakistan. Overige informatie: a) overige locaties in het buitenland: Afghanistan, Azerbeidzjan, Bangladesh, China, Eritrea, Ethiopië, Georgië, India, Ingoesjië (Rusland), Irak, Jordanië, Libanon, Sierra Leone, Somalië, Syrië, Tsjetsjenië (Rusland) en de Westelijke Jordaanoever en Gaza; b) U.S. „Federal Employer Identification”: 36-3804626; c) btw-nummer: BE 454419759; d) adressen in België van Fondation Secours Mondial — Belgique a.s.b.l, Fondation Secours Mondial vzw. en Stichting Wereldhulp — België, v.z.w sinds 1998. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 22.10.2002.” op de lijst „Rechtspersonen, groepen en entiteiten” wordt vervangen door:

Global Relief Foundation (GRF) (ook bekend als a) Fondation Secours Mondial (FSM), b) Secours mondial de France (SEMONDE), c) Fondation Secours Mondial — Belgique a.s.b.l., d) Fondation Secours Mondial v.z.w, e) FSM, f) Stichting Wereldhulp — België, v.z.w., g) Fondation Secours Mondial — Kosova, h) Fondation Secours Mondial „World Relief”. Adres: a) 9935 South 76th Avenue, Unit 1, Bridgeview, Illinois 60455, USA; b) PO Box 1406, Bridgeview, Illinois 60455, USA; c) 49 rue du Lazaret, 67100 Strasbourg, Frankrijk; d) Vaatjesstraat 29, 2580 Putte, België; e) Batavierenstraat 69, 1040 Etterbeek (Brussel), België; f) Postbus 6, 1040 Etterbeek 2 (Brussel), België; g) Mula Mustafe Bašeskije Street 72, Sarajevo, Bosnië en Herzegovina; h) Put Mladih Muslimana 30/A, Sarajevo, Bosnië en Herzegovina; i) 64 Potur Mahala Street, Travnik, Bosnië en Herzegovina; j) Rr. Skenderbeu 76, Lagjja Sefa, Gjakova, Kosovo; k) Ylli Morina Road, Djakovica, Kosovo; l) Rruga e Kavajës, Building No. 3, Apartment No 61, PO Box 2892, Tirana, Albanië; m) House 267 Street No 54, Sector F — 11/4, Islamabad, Pakistan. Overige informatie: a) overige locaties in het buitenland: Afghanistan, Azerbeidzjan, Bangladesh, China, Eritrea, Ethiopië, Georgië, India, Irak, Jordanië, Libanon, Sierra Leone, Somalië, Syrië en de Westelijke Jordaanoever en Gaza; b) US Federal Employer Identification: 36-3804626; c) btw-nummer: BE 454419759; d) de adressen in België zijn sinds 1998 die van Fondation Secours Mondial — Belgique asbl, Fondation Secours Mondial vzw en Stichting Wereldhulp — België vzw. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 22.10.2002.

(4)

De vermelding „Mohamed Abu Dhess (ook bekend als a) Yaser Hassan, geboren op 1.2.1966, b) Abu Ali Abu Mohamed Dhees, geboren op 1.2.1966 in Hasmija, c) Mohamed Abu Dhess, geboren op 1.2.1966 in Hashmija, Irak). Geboortedatum: a) 22.2.1964, b) 1.2.1966. Geboorteplaats: Irbid, Jordanië. Nationaliteit: Jordaans. Paspoortnummer: a) Duits internationaal reisdocument nr. 0695982, verlopen; b) Duits internationaal reisdocument nr. 0785146, geldig tot 8.4.2004. Overige informatie: a) naam van vader: Mouhemad Saleh Hassan; b) naam van moeder: Mariam Hassan, geboren Chalabia; c) in gevangenschap in Duitsland (situatie oktober 2008). Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 23.9.2003.” op de lijst „Natuurlijke personen” wordt vervangen door:

Mohamed Ghassan Ali Abu Dhess (ook bekend als a) Yaser Hassan, geboren op 1.2.1966, b) Abu Ali Abu Mohamed Dhees, geboren op 1.2.1966 in Hasmija, c) Mohamed Abu Dhess, geboren op 1.2.1966 in Hashmija, Irak). Geboortedatum: a) 22.6.1966, b) 1.2.1966. Geboorteplaats: Irbid, Jordanië. Nationaliteit: Jordaans. Paspoortnummer: a) Duits internationaal reisdocument nr. 0695982, verlopen; b) Duits internationaal reisdocument nr. 0785146, geldig tot 8.4.2004. Overige informatie: a) naam van de vader: Mouhemad Saleh Hassan; b) naam van de moeder: Mariam Hassan, geboren Chalabia; c) in gevangenschap in Duitsland (situatie oktober 2008). Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 23.9.2003.

(5)

De vermelding „Ismail Mohamed Ismail Abu Shaweesh. Geboortedatum: 10.3.1977. Geboorteplaats: Benghazi, Libië. Nationaliteit: statenloze Palestijn. Paspoort nr.: (a) 0003684 (Egyptisch reisdocument), (b) 981354 (Egyptisch paspoort). Overige informatie: sinds 22 mei 2005 in voorlopige hechtenis in de gevangenis van Weiterstadt, Duitsland.” op de lijst „Natuurlijke personen” wordt vervangen door:

Ismail Mohamed Ismail Abu Shaweesh. Geboortedatum: 10.3.1977. Geboorteplaats: Benghazi, Libië. Nationaliteit: staatloze Palestijn. Paspoortnummer: a) 0003684 (Egyptisch reisdocument), b) 981354 (Egyptisch paspoort). Overige informatie: Gedetineerd in Duitsland sinds 22.5.2005. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 2.8.2006.

(6)

De vermelding „Yasser Mohamed Ismail Abu Shaweesh (ook bekend als Yasser Mohamed Abou Shaweesh). Geboortedatum: 20.11.1973. Geboorteplaats: Benghazi, Libië. Paspoort nr.: a) 939254 (Egyptisch reisdocument), b) 0003213 (Egyptisch paspoort), c) 981358 (Egyptisch paspoort), d) „C00071659” (vervangingspaspoort uitgegeven door de Bondsrepubliek Duitsland). Overige informatie: in gevangenschap in Wuppertal, Duitsland sinds januari 2005.” op de lijst „Natuurlijke personen” wordt vervangen door:

Yasser Mohamed Ismail Abu Shaweesh (ook bekend als Yasser Mohamed Abou Shaweesh). Geboortedatum: 20.11.1973. Geboorteplaats: Benghazi, Libië. Paspoortnummer: a) 939254 (Egyptisch reisdocument), b) 0003213 (Egyptisch paspoort), c) 981358 (Egyptisch paspoort), d) C00071659 (vervangingspaspoort afgegeven door de Bondsrepubliek Duitsland). Overige informatie: gedetineerd in Duitsland sinds januari 2005. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 6.12.2005.

(7)

De vermelding „Aschraf Al-Dagma (ook bekend als Aschraf Al Dagma). Geboortedatum: 28.4.1969. Geboorteplaats: a) Absan, Gazastrook, Palestijnse gebieden; b) Kannyouiz, Palestijnse gebieden. Nationaliteit: Staat niet vast/van Palestijnse origine. Paspoortnummer: Vluchtelingenreisdocument afgegeven door Landratsamt Altenburger Land (Altenburg County Administration Office), Duitsland, gedateerd 30 april 2000. Overige informatie: in gevangenschap in Duitsland (situatie oktober 2008). Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 23.9.2003.” op de lijst „Natuurlijke personen” wordt vervangen door:

Aschraf Al-Dagma (ook bekend als Aschraf Al Dagma). Geboortedatum: 28.4.1969. Geboorteplaats: a) Absan, Gazastrook, Palestijnse gebieden; b) Kannyouiz, Palestijnse gebieden. Nationaliteit: Staat niet vast/van Palestijnse origine. Paspoortnummer: Vluchtelingenreisdocument afgegeven door Landratsamt Altenburger Land, Duitsland, gedateerd 30.4.2000. Overige informatie: Bevindt zich in Duitsland (februari 2010). Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 23.9.2003.

(8)

De vermelding „Shamil Salmanovich Basayev (Басаев Шамиль Салманович) (ook bekend als a) Abdullakh Shamil Abu-Idris, b) Shamil Basaev, c) Basaev Chamil, d) Basaev Shamil Shikhanovic, e) Terek, f) Lysy, g) Idris, h) Beznogy, i) Amir, j) Rasul, k) Spartak, l) Pantera-05, m) Hamzat, n) General, o) Baisangur I, p) Walid, q) Al-Aqra, r) Rizvan, s) Berkut, t) Assadula). Geboortedatum: 14.1.1965. Geboorteplaats: a) Dyshni-Vedeno, district Vedensk, Tsjetsjeens-Ingoesjische Autonome Socialistische Sovjet Republiek, Russische Federatie, b) Vedenskiy district, Republiek Tsjetsjenië, Russische Federatie. Nationaliteit: Russisch. Paspoortnummer: 623334 (Russisch paspoort, januari 2002). Nationaal identificatienummer: IY-OZH No 623334 (afgegeven op 9.6.1989 door het district Vedensk). Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 12.8.2003.” op de lijst „Natuurlijke personen” wordt vervangen door:

Shamil Salmanovich Basayev (Басаев Шамиль Салманович) (ook bekend als a) Abdullakh Shamil Abu-Idris, b) Shamil Basaev, c) Basaev Chamil, d) Basaev Shamil Shikhanovic, e) Terek, f) Lysy, g) Idris, h) Beznogy, i) Amir, j) Rasul, k) Spartak, l) Pantera-05, m) Hamzat, n) General, o) Baisangur I, p) Walid, q) Al-Aqra, r) Rizvan, s) Berkut, t) Assadula). Geboortedatum: 14.1.1965. Geboorteplaats: a) Dyshne-Vedeno, Vedenskiy district, Tsjetsjeens-Ingoesjische Autonome Socialistische Sovjetrepubliek, Russische Federatie, b) Vedenskiy district, Republiek Tsjetsjenië, Russische Federatie. Nationaliteit: Russisch. Paspoortnummer: 623334 (Russisch paspoort, januari 2002). Nationaal identificatienummer: IY-OZH No 623334 (afgegeven op 9.6.1989 door het Vedenskiy district). Overige informatie: Overlijden in 2006 is bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 12.8.2003.

(9)

De vermelding „Dawood Ibrahim Kaskar (ook bekend als a) Dawood Ebrahim; b) Sheikh Dawood Hassan; c) Abdul Hamid Abdul Aziz; d) Anis Ibrahim; e) Aziz Dilip; f) Daud Hasan Shaikh Ibrahim Kaskar; g) Daud Ibrahim Memon Kaskar; h) Dawood Hasan Ibrahim Kaskar; i) Dawood Ibrahim Memon; j) Dawood Sabri; k) Kaskar Dawood Hasan; l) Shaikh Mohd Ismail Abdul Rehman; m) Dowood Hassan Shaikh Ibrahim; n) Ibrahim Shaikh Mohd Anis; o) Shaikh Ismail Abdul; p) Hizrat). Titel: a) Sheikh, b) Shaikh. Adres: a) White House, Near Saudi Mosque, Clifton, Karachi, Pakistan, b) House Nu 37 — 30th Street — defence, Housing Authority, Karachi Pakistan. Geboortedatum: 26.12.1955. Geboorteplaats: a) Bombay, b) Ratnagiri, India. Nationaliteit: Indiaas. Paspoort nr.: a) A-333602 (Indiaas paspoort afgegeven op 4.6.1985 in Bombay, India), b) M110522 (Indiaas paspoort afgegeven op 13.11.1978 in Bombay, India), c) R841697 (Indiaas paspoort afgegeven op 26.11.1981 in Bombay), d) F823692 (JEDDAH) (Indiaas paspoort afgegeven door het consulaat-generaal van India in Jeddah, op 2.9.1989), e) A501801 (BOMBAY) (Indiaas paspoort afgegeven op 26.7.1985), f) K560098 (BOMBAY) (Indiaas paspoort afgegeven op 30.7.1975), g) V57865 (BOMBAY) (afgegeven op 3.10.1983), h) P537849 (BOMBAY) (afgegeven op 30.7.1979), i) A717288 (MISUSE) (afgegeven op 18.8.1985 in Dubai), j) G866537 (MISUSE) (Pakistaans paspoort afgegeven op 12.8.1991 in Rawalpindi). Overige informatie: a) paspoort nr. A-333602 ingetrokken door de Indiase regering, b) internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de Indiase regering.” op de lijst „Natuurlijke personen” wordt vervangen door:

Dawood Ibrahim Kaskar (ook bekend als a) Dawood Ebrahim; b) Sheikh Dawood Hassan; c) Abdul Hamid Abdul Aziz; d) Anis Ibrahim; e) Aziz Dilip; f) Daud Hasan Shaikh Ibrahim Kaskar; g) Daud Ibrahim Memon Kaskar; h) Dawood Hasan Ibrahim Kaskar; i) Dawood Ibrahim Memon; j) Dawood Sabri; k) Kaskar Dawood Hasan; l) Shaikh Mohd Ismail Abdul Rehman; m) Dowood Hassan Shaikh Ibrahim; n) Ibrahim Shaikh Mohd Anis; o) Shaikh Ismail Abdul; p) Hizrat). Titel: a) Sheikh, b) Shaikh. Adres: a) White House, Near Saudi Mosque, Clifton, Karachi, Pakistan, b) House Nu 37 — 30th Street — defence, Housing Authority, Karachi Pakistan. Geboortedatum: 26.12.1955. Geboorteplaats: a) Bombay, b) Ratnagiri, India. Nationaliteit: Indiaas. Paspoortnummer: a) A-333602 (Indiaas paspoort afgegeven op 4.6.1985 in Bombay, India), b) M110522 (Indiaas paspoort afgegeven op 13.11.1978 in Bombay, India), c) R841697 (Indiaas paspoort afgegeven op 26.11.1981 in Bombay), d) F823692 (JEDDAH) (Indiaas paspoort afgegeven door het consulaat-generaal van India in Jeddah, op 2.9.1989), e) A501801 (BOMBAY) (Indiaas paspoort afgegeven op 26.7.1985), f) K560098 (BOMBAY) (Indiaas paspoort afgegeven op 30.7.1975), g) V57865 (BOMBAY) (afgegeven op 3.10.1983), h) P537849 (BOMBAY) (afgegeven op 30.7.1979), i) A717288 (MISUSE) (afgegeven op 18.8.1985 in Dubai), j) G866537 (MISUSE) (Pakistaans paspoort afgegeven op 12.8.1991 in Rawalpindi), k) C-267185 (afgegeven in juli 1996 in Karachi), l) H-123259 (afgegeven in juli 2001 in Rawalpindi), m) G-869537 (afgegeven in Rawalpindi), n) KC-285901. Overige informatie: Paspoort nr. A-333602 is door de regering van India ingetrokken. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 3.11.2003.


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/44


VERORDENING (EU) Nr. 263/2010 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 26 maart 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

126,5

JO

64,0

MA

114,8

TN

135,9

TR

89,8

ZZ

106,2

0707 00 05

JO

75,8

MA

75,4

TR

135,4

ZZ

95,5

0709 90 70

MA

143,0

TR

106,8

ZZ

124,9

0805 10 20

EG

42,9

IL

52,4

MA

51,1

TN

47,9

TR

63,7

ZZ

51,6

0805 50 10

EG

66,4

IL

91,6

MA

49,1

TR

66,5

ZA

69,5

ZZ

68,6

0808 10 80

AR

87,7

BR

88,2

CA

100,2

CL

86,9

CN

72,9

MK

24,7

US

131,5

UY

68,2

ZA

82,0

ZZ

82,5

0808 20 50

AR

87,1

CL

74,0

CN

35,0

US

134,2

UY

106,8

ZA

98,3

ZZ

89,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/46


VERORDENING (EU) Nr. 264/2010 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/10

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2009/10 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 877/2009 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 253/2010 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2009/10 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 877/2009 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 26 maart 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 253 van 25.9.2009, blz. 3.

(4)  PB L 79 van 25.3.2010, blz. 11.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 26 maart 2010

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

35,27

0,70

1701 11 90 (1)

35,27

4,32

1701 12 10 (1)

35,27

0,57

1701 12 90 (1)

35,27

4,03

1701 91 00 (2)

36,48

6,99

1701 99 10 (2)

36,48

3,39

1701 99 90 (2)

36,48

3,39

1702 90 95 (3)

0,36

0,31


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


BESLUITEN

26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/48


BESLUIT 2010/179/GBVB

van 11 maart 2010

ter ondersteuning van de wapenbeheersingsactiviteiten van het SEESAC in de westelijke Balkan in het kader van de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 26, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De bovenmatige en ongecontroleerde accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (small arms and light weapons — SALW) heeft de onveiligheid in Zuidoost-Europa gevoed, het conflict in de regio verscherpt en de vredesopbouw na het conflict ondermijnd, en vormt daarom een ernstige bedreiging voor de vrede en de veiligheid in de regio.

(2)

Op 15-16 december 2005 heeft de Europese Raad de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in SALW en munitie (SALW -strategie van de EU) daarvoor aangenomen, met richtsnoeren voor het EU-optreden op SALW-gebied.

(3)

Een van de doelstellingen van de SALW-strategie van de Europese Unie is de doeltreffende multilaterale aanpak in de hand te werken bij de ontwikkeling van internationale, regionale en interne mechanismen in de Europese Unie en haar lidstaten tegen het aanbod en de destabiliserende verspreiding van SALW en munitie daarvoor. In de SALW-strategie van de Europese Unie wordt de westelijke Balkan tevens aangemerkt als een van de regio’s die het sterkst getroffen worden door de illegale handel en bovenmatige accumulatie van wapens.

(4)

Onder auspiciën van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en het vroegere Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa (sinds 2008 bekend als de Raad voor regionale samenwerking) werd in Belgrado een „Uitwisselingscentrum voor Zuidoost-Europa en Oost-Europa inzake de beheersing van het aantal handvuurwapens en lichte wapens” (het SEESAC) opgericht. Het SEESAC is gevestigd te Belgrado en bestaat uit een eenheid voor technische bijstand die steun verleent aan een aantal operationele activiteiten op regionaal en nationaal niveau.

(5)

Tot de doelstellingen van het SEESAC behoren het voorkomen van de proliferatie en bovenmatige accumulatie van SALW en de munitie daarvoor in geheel Zuidoost-Europa. Het SEESAC legt bijzondere nadruk op de uitwerking van regionale projecten om het reële probleem van de grensoverschrijdende wapenstromen aan te pakken.

(6)

In het verleden heeft de Europese Unie het SEESAC ondersteund door Besluit 2002/842/GBVB van de Raad van 21 oktober 2002 betreffende de uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2002/589/GBVB, verlengd en gewijzigd bij Besluiten 2003/807/GBVB van de Raad van 17 november 2003 en 2004/791/GBVB van de Raad van 22 november 2004. De uitvoering van deze besluiten is positief beoordeeld door de Raad,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De Europese Unie bevordert veiligheid en vrede in de westelijke Balkan door het ondersteunen van effectief multilateralisme en van regionale initiatieven ter zake die gericht zijn op het verminderen van de risico’s die de proliferatie en bovenmatige accumulatie van SALW en de munitie daarvoor vormen voor vrede en veiligheid.

2.   Met het oog op de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstelling verleent de Europese Unie steun voor een SEESAC-project om de dreiging die SALW vormen voor de veiligheid in de westelijke Balkan te verminderen. De door de Europese Unie te steunen activiteiten hebben de volgende specifieke doelstellingen:

de verbetering van het beheer en de veiligheid van onveilige en onstabiele wapen- en munitievoorraden;

de verkleining van de beschikbare wapen- en munitievoorraden door middel van vernietiging;

intensivering van de SALW-controles, mede door de toepassing van de internationale en nationale markerings- en traceringsinstrumenten in de landen van de westelijke Balkan, en de verbetering van het wapenregistratieproces.

In de bijlage gaat een nadere omschrijving van dit project.

Artikel 2

1.   De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV) draagt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van dit besluit.

2.   De technische uitvoering van het in artikel 1, lid 2, bedoelde project wordt toevertrouwd aan het SEESAC. Het voert deze taak uit onder verantwoordelijkheid van de HV. Daartoe treft de HV de nodige regelingen met het SEESAC.

Artikel 3

1.   Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde project bedraagt 1 600 000 EUR.

2.   De financiering van de in lid 1 gespecificeerde uitgaven wordt beheerd overeenkomstig de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie.

3.   De Commissie houdt toezicht op het correct beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven. Hiertoe sluit zij een financieringsovereenkomst met het UNDP, dat handelt namens het SEESAC. In de overeenkomst wordt bepaald dat het SEESAC er zorg voor moet dragen dat de EU-bijdrage zichtbaar is in een mate die overeenstemt met haar omvang.

4.   De Commissie stelt alles in het werk om de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden daarbij en van de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst.

Artikel 4

De HV brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit besluit, op basis van geregelde verslagen die worden opgesteld door het SEESAC. Deze verslagen zullen de basis vormen voor de evaluatie door de Raad. De Commissie brengt verslag uit over de uitvoering van het in artikel 1, lid 2, bedoelde project.

Artikel 5

1.   Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

2.   Het verstrijkt 24 maanden na de sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst. Het verstrijkt echter zes maanden nadat het in werking is getreden indien de financieringsovereenkomst niet voor die tijd is gesloten.

Artikel 6

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BLANCO


BIJLAGE

BIJDRAGE VAN DE EUROPESE UNIE TEN BEHOEVE VAN HET SEESAC-PROJECT BETREFFENDE SALW IN DE WESTELIJKE BALKAN

1.   Inleiding

De grootschalige accumulatie van handvuurwapens en lichte wapens (SALW) in Zuidoost-Europa is in de SALW-strategie van de Europese Unie aangemerkt als een belangrijke uitdaging op het gebied van vrede en veiligheid. De historische accumulatie van wapens en munitievoorraden in de landen van de westelijke Balkan heeft tot grote bezorgdheid aanleiding gegeven. De regio wordt niet alleen rechtstreeks getroffen door de proliferatie van SALW en de munitie daarvoor, maar blijft ook een risico vormen in verband met wapenhandel naar conflictgebieden elders.

Momenteel wordt de belangrijkste uitdaging voor de landen van de westelijke Balkan gevormd door de praktische uitvoering van hun juridische en politieke toezeggingen op het gebied van SALW-beheersing, met inbegrip van het actieprogramma van de VN inzake SALW en het internationaal markerings- en traceringsinstrument (ITI).

Om het risico van SALW-proliferatie zoveel mogelijk te beperken, is het daarom van essentieel belang de veiligheid van de bestaande SALW- en munitievoorraden te vergroten, overschotten te vernietigen en te voorzien in stringentere SALW-controles, onder meer door het ITI op regionaal niveau toe te passen en het registratieproces te verbeteren. Deze doelstellingen en activiteiten sluiten aan op die welke zijn opgenomen in de SALW-strategie van de Europese Unie. Het SEESAC stelt voor projecten met betrekking tot deze drie activiteitengebieden uit te voeren.

2.   Projectbeschrijving

2.1.   Beter voorraadbeheer

2.1.1.   Regionale opleidingsmodules voor SALW-voorraadbeheer

Met het oog op een betere veiligheid en beveiliging van wapen- en munitievoorraden beoogt het project de ontwikkeling van drie leermodules voor ambtenaren die in de ministeries van Defensie en van Binnenlandse Zaken in de landen van de westelijke Balkan verantwoordelijk zijn voor de materiële hulpmiddelen. De cursus wordt aan de inspectieteams en ambtenaren aangeboden om hen vertrouwd te maken met de beste praktijken op het gebied van voorraadbeheerstechnieken.

Het project zal leiden tot een grotere vertrouwdheid met de internationale normen en beste praktijken met betrekking tot voorraadbeheerstechnieken. Zowel het niveau als de kwaliteit van de toepassing van de voorraadbeheerstechnieken zullen worden verbeterd, waardoor de voorraden veiliger en beter beveiligd zullen worden.

2.1.2.   Betere veiligheid en beveiliging van SALW- en munitieopslagplaatsen

Het project brengt verbetering in de veiligheid en beveiliging van de wapen- en munitieopslagplaatsen in de westelijke Balkan door middel van specifieke technische en infrastructurele bijstand voor de vergroting van de capaciteit voor veilige opslag. In het kader van de activiteiten van dit project zal bijstand worden verleend aan de ministeries van Defensie van Bosnië en Herzegovina en Montenegro en aan het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Republiek Kroatië bij de aanschaf en de installatie van de nodige apparatuur voor de beveiliging van wapen- en munitievoorraden. Het personeel dat belast is met het voorraadbeheer zal een opleiding ontvangen.

Het project zal leiden tot strengere beveiligingsvoorschriften en een strengere toegangscontrole op de geselecteerde opslagplaatsen, zodat de veiligheid van de munitievoorraden wordt vergroot. Het gevaar van diefstal en van ongecontroleerde explosies zal aldus sterk worden beperkt dankzij een betere beheersing van de toestand van de munitie en wapens.

2.2.   Vernietiging van SALW

Het project beoogt vergroting van de veiligheid en vermindering van het proliferatierisico door een aanmerkelijke beperking van de opgeslagen wapenoverschotten. Om de hoeveelheden overtollige SALW van de ministeries van Binnenlandse Zaken van Kroatië en Servië te verminderen, zullen in het kader van het project verschillende SALW-destructieactiviteiten plaatsvinden. Het ligt in de bedoeling dat in Kroatië in het kader van het project ongeveer 30 000 wapens worden vernietigd. Het aantal in Servië te vernietigen wapens wordt geraamd op 40 000 stuks.

Dankzij het project zal het aantal overtollige en geconfisqueerde SALW in de opslagplaatsen van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Kroatië en Servië gevoelig afnemen. De vernietiging van ingezamelde wapens zal aanzienlijk bijdragen tot het voorkomen van verdere SALW-proliferatie. Bovendien zal de veiligheid toenemen en zal men zich in beide landen scherper bewust zijn van de SALW-problematiek.

2.3.   Intensievere SALW-controles

2.3.1.   Ontwikkeling van nationale wapenregistratie- en -administratiesystemen

Het project zal voorzien in de ontwikkeling of verbetering van de bestaande systemen voor het registreren, afgeven van vergunningen voor en administreren van wapens. De registratiesystemen omvatten operaties voor het volgen van vuurwapens die eigendom zijn van een persoon en/of rechtspersoon en van de toegelaten hoeveelheid munitie die men in bezit mag hebben. Ten behoeve van de administratie worden onder meer softwareproducten ontwikkeld die niet alleen wapens in het bezit van burgers identificeren, maar ook operaties in verband met het beheer van wapens, munitie en/of springstoffen in magazijnen, goedgekeurde opslagplaatsen of wapenkamers, zoals plaatselijke politieposten of centrale opslagplaatsen. Wapens, de gebruikers en de plaats waar wapens die niet in gebruik zijn liggen opgeslagen, kunnen aldus worden geïdentificeerd. De activiteiten in het kader van het project voorzien ook in een toereikende technische infrastructuur voor de implementatie van de wapenregistreringssoftware.

De ontwikkeling en de invoering van een elektronisch systeem/elektronische systemen voor wapenregistratie en -administratie zullen uitmonden in de toepassing van de registratie- en administratievoorschriften die zijn vastgelegd in het VN-Vuurwapenprotocol en het ITI.

2.3.2.   Inzameling en registratie van wapens

Het project beoogt steun te bieden bij het inzamelen van alle wapens, explosieven, oorlogsmaterieel en bijbehorende munitie, mede door het legaliseren van wapens in burgerbezit door middel van registratie.

De bewustmakingsacties zullen worden gecoördineerd door comités bestaande uit specialisten van de ministeries van Binnenlandse Zaken en UNDP/SEESAC, waar nodig versterkt met andere PR-deskundigen, die op passende wijze bekendheid dienen te geven aan de nadere bepalingen van de wetgeving en de vrijwillige inlevering van illegale vuurwapens. In de campagnes zal de nadruk liggen op de plaatselijke kanalen waarmee het lokale niveau op de meest doeltreffende wijze kan worden bereikt. De verspreiding van informatie op plaatselijk niveau zal op nationaal niveau worden aangevuld met reportages, vraaggesprekken en documentaires. Voorlichting over de campagne verloopt via de elektronische en geschreven media. De campagneboodschappen zullen positief zijn en een beeld geven van de toepassing van de wet in de praktijk.

Dankzij het project zal de veiligheid in de westelijke Balkan worden vergroot, omdat gevaarlijke wapens uit het openbare leven verdwijnen dankzij een dialoog tussen het publiek en de politie. Via het project worden met name alle leeftijdsgroepen bereikt die over illegale wapens beschikken, alsmede allen die wapens willen aanschaffen.

2.3.3.   Regionale studiebijeenkomst over markering en tracering

Het project voorziet in de organisatie van een tweedaagse regionale studiebijeenkomst, naar verwachting in Belgrado, Servië. Daar zal een overzicht worden gegeven van de stand van zaken met betrekking tot de toetreding tot internationale instrumenten en de aanneming van nationale wetgeving betreffende markering en tracering in de westelijke Balkan. Ook de uitvoering van de nationale wetgeving zal dan worden geëvalueerd. Specifiek doel is uitvoering te geven aan het vereiste betreffende het markeren van ingevoerde wapens krachtens het VN-Vuurwapenprotocol.

Aan deze regionale studiebijeenkomst zal onder meer worden deelgenomen door vertegenwoordigers van de landen van de westelijke Balkan, internationale organisaties, waaronder ngo’s, nationale industrieën, alsmede technische deskundigen uit de EU-lidstaten. Naar verwachting zullen tot 50 deelnemers de studiebijeenkomst bijwonen.

Er zal een verslag worden opgesteld met de bijdragen, de discussies en de aanbevelingen. De documenten van de bijeenkomst zullen online kunnen worden geraadpleegd.

3.   Duur

De totale duur van het project wordt op 24 maanden geraamd.

4.   Begunstigden

De begunstigden van het project zijn de nationale instellingen van de landen van de westelijke Balkan die belast zijn met het toezicht op wapens en het beheer van de voorraden.

Het project zal ten goede komen aan de bevolking van de landen van de westelijke Balkan omdat de onveiligheid en het gebrek aan stabiliteit die voortvloeien uit de grootschalige SALW-proliferatie, afnemen.


26.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 80/52


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2010

tot wijziging van Beschikking 2008/911/EG tot vaststelling van een lijst van kruidensubstanties, kruidenpreparaten en combinaties daarvan voor gebruik in traditionele kruidengeneesmiddelen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 1867)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/180/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (1), en met name op artikel 16 septies,

Gezien het advies van het Europees Geneesmiddelenbureau, dat op 6 november 2008 door het Comité voor kruidengeneesmiddelen is opgesteld,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Mentha x piperita L. kan in de zin van Richtlijn 2001/83/EG als kruidensubstantie, kruidenpreparaat of combinatie daarvan worden beschouwd en voldoet aan de eisen van deze richtlijn.

(2)

Het is derhalve aangewezen Mentha x piperita L. op te nemen in de lijst van kruidensubstanties, kruidenpreparaten en combinaties daarvan voor gebruik in traditionele kruidengeneesmiddelen, die bij Beschikking 2008/911/EG (2) van de Commissie is vastgesteld.

(3)

Om doublures en mogelijke tegenstrijdigheden in de bijlagen en de artikelen 1 en 2 van Beschikking 2008/911/EG te vermijden, is het aangewezen de verwijzingen naar afzonderlijke substanties in deze artikelen te schrappen.

(4)

Beschikking 2008/911/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2008/911/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

De artikelen 1 en 2 worden vervangen door:

„Artikel 1

Een lijst van kruidensubstanties, kruidenpreparaten en combinaties daarvan voor gebruik in traditionele kruidengeneesmiddelen is vastgesteld in bijlage I.

Artikel 2

De indicaties, de specifieke concentraties en de dosering, de toedieningsweg en alle andere informatie die voor een veilig gebruik van de kruidensubstanties als traditioneel geneesmiddel in bijlage I nodig is, zijn opgenomen in bijlage II.”.

2)

De bijlagen I en II worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2010.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.

(2)  PB L 328 van 6.12.2008, blz. 42.


BIJLAGE

De bijlagen I en II bij Beschikking 2008/911/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage I wordt de volgende substantie ingevoegd na Foeniculum vulgare Miller subsp. vulgare var. dulce (Miller) Thellung (Venkelvrucht, zoet):

Mentha x piperita L.”.

2)

In bijlage II wordt de volgende tekst ingevoegd na Foeniculum vulgare Miller subsp. vulgare var. dulce (Miller) Thellung (Venkelvrucht, zoet):

OPNAME OP DE COMMUNAUTAIRE LIJST VAN MENTHA x PIPERITA L., AETHEROLEUM

Wetenschappelijke naam van de plant

Mentha x piperita L.

Botanische familie

Lamiaceae (Labiatae)

Kruidenprepara(a)t(en)

Pepermuntolie: etherische olie verkregen door stoomdistillatie van de verse bovengrondse delen van de bloeiende plant

Referentie monografie van de Europese Farmacopee

Pepermuntolie — Menthae piperitae aetheroleum (01/2008:0405)

Indicatie(s)

Traditioneel kruidengeneesmiddel:

1.

Voor de verlichting van de symptomen bij hoest en verkoudheid;

2.

Voor de verlichting van lokale spierpijn;

3.

Voor de verlichting van lokale jeuk van de intacte huid.

Het middel is een traditioneel kruidengeneesmiddel voor gebruik bij specifieke indicaties, uitsluitend gebaseerd op langdurige gebruikservaring.

Soort traditie

Europees

Gespecificeerde concentratie

Indicaties 1, 2 en 3

Enkelvoudige dosis

Kinderen van 4 tot 10 jaar

Pasteuze preparaten 2-10 %

Preparaten op basis van water en ethanol 2-4 %

Kinderen van 10 tot 12 jaar, adolescenten van 12 tot 16 jaar

Pasteuze preparaten 5-15 %

Preparaten op basis van water en ethanol 3-6 %

Adolescenten vanaf 16 jaar, volwassenen

Pasteuze preparaten 5-20 %

Preparaten op basis van water en ethanol 5-10 %

In neuszalf 1-5 % etherische olie

Dosering

Maximaal driemaal daags

Gebruik bij kinderen jonger dan 2 jaar wordt gecontra-indiceerd (zie contra-indicaties).

Het gebruik bij kinderen van 2 tot 4 jaar wordt afgeraden (zie rubriek „Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik”).

Toedieningswijze

Cutaan en transdermaal

Duur van gebruik of enige beperkingen ten aanzien van de duur van gebruik

Indicatie 1

Het middel mag niet langer dan twee weken worden gebruikt.

Indicaties 2 en 3

Voortdurend gebruik van het geneesmiddel gedurende langer dan drie maanden wordt afgeraden.

Indien de symptomen tijdens het gebruik van het geneesmiddel aanhouden, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.

Overige informatie voor een veilig gebruik

Contra-indicaties

Kinderen jonger dan 2 jaar, omdat menthol reflexapneu en laryngospasmen kan veroorzaken.

Kinderen die aan (al dan niet met koorts gerelateerde) stuipen lijden.

Overgevoeligheid voor pepermuntolie of menthol.

Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Na het aanbrengen van pepermuntolie kan contact van ongewassen handen met de ogen irritatie veroorzaken.

Pepermuntolie mag niet op beschadigde of geïrriteerde huid worden aangebracht.

Het gebruik bij kinderen van 2 tot 4 jaar wordt afgeraden, omdat er onvoldoende ervaringsgegevens beschikbaar zijn.

Wisselwerkingen met andere geneesmiddelen en andere vormen van onderlinge beïnvloeding

Niet gerapporteerd.

Zwangerschap en borstvoeding

Wegens het ontbreken van voldoende gegevens wordt het gebruik tijdens de zwangerschap en borstvoeding afgeraden.

Invloed op de rijvaardigheid en op het gebruik van machines

Er zijn geen onderzoeken verricht naar de effecten van het middel op de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen.

Bijwerkingen

Overgevoeligheidsreacties zoals huiduitslag, contactdermatitis en oogirritatie zijn gerapporteerd. Dit zijn meestal lichte reacties van kortstondige aard. De frequentie is onbekend.

Na lokale toepassing is irritatie van de huid en neusslijmvliezen mogelijk. De frequentie is onbekend.

In geval van bijwerkingen die hierboven niet zijn genoemd, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.

Overdosering

Er is geen geval van overdosering bekend.”