ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.337.dut

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 337

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
18 december 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau ( 1 )

1

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming ( 1 )

11

 

*

Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en Richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten ( 1 )

37

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

18.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 337/1


VERORDENING (EG) Nr. 1211/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2009

tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (4), Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (5), Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (6), Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (7) en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (8) (samen „de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen” genoemd) beogen een interne markt voor elektronische communicatie in de Gemeenschap tot stand te brengen, waarbij een hoge mate van investeringen, innovatie en consumentenbescherming wordt gewaarborgd door meer concurrentie.

(2)

Met betrekking tot de roaming binnen de Gemeenschap, biedt Verordening (EG) nr. 717/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2007 betreffende roaming op openbare mobiele communicatienetwerken binnen de Gemeenschap (9) een aanvulling op en een ondersteuning van de voorschriften waarin het EU-regelgevingskader voor elektronische communicatie voorziet.

(3)

Voor de succesvolle ontwikkeling van een interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten is het essentieel dat het EU-regelgevingskader in alle lidstaten op consistente wijze wordt toegepast. Het EU-regelgevingskader bevat doelstellingen die moeten worden bereikt en biedt een kader voor het optreden van de nationale regelgevende instanties, waarbij hun op bepaalde gebieden flexibiliteit wordt geboden om de regels in het licht van de nationale omstandigheden toe te passen.

(4)

Met het oog op de ontwikkeling van een consistente regelgevingspraktijk en de consistente toepassing van het EU-regelgevingskader heeft de Commissie bij Besluit 2002/627/EG van de Commissie van 29 juli 2002 tot oprichting van de Europese groep van regelgevende instanties voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (10) de Europese Groep van regelgevende instanties (Europese Regulators Group — ERG) opgericht om de Commissie te adviseren en bij te staan bij de ontwikkeling van de interne markt, en meer in het algemeen als interface tussen nationale regelgevende instanties en de Commissie te fungeren.

(5)

De ERG heeft een positieve bijdrage geleverd aan een consistente regelgevingspraktijk door middel van de bevordering van samenwerking tussen nationale regelgevende instanties onderling en tussen de nationale regelgevende instanties en de Commissie. Deze aanpak ter ontwikkeling van meer consistentie tussen nationale regelgevende instanties door informatie en kennis over praktijkervaringen uit te wisselen, is in de korte periode sinds het bestaan ervan succesvol gebleken. Er zal een voortgezette en intensievere samenwerking en coördinatie tussen nationale regelgevende instanties nodig zijn om de interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten verder te ontwikkelen.

(6)

Daartoe moet de ERG worden versterkt en moet zij in het EU-regelgevingskader worden erkend als het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC). BEREC dient geen agentschap van de Gemeenschap te zijn en evenmin rechtspersoonlijkheid te bezitten. BEREC dient in de plaats van de ERG te komen en te fungeren als exclusief forum voor de samenwerking tussen de nationale regelgevende instanties onderling en tussen de nationale regelgevende instanties en de Commissie bij de uitvoering van al hun taken uit hoofde van het EU-regelgevingskader. BEREC moet expertise verschaffen en vertrouwen scheppen door zijn onafhankelijkheid, de kwaliteit van zijn advies en informatie, de transparantie van zijn procedures en werkmethoden, en de toewijding bij de uitvoering van zijn taken.

(7)

BEREC zou via het bundelen van vakkennis de nationale regelgevende instanties moeten bijstaan zonder hun bestaande taken over te nemen of reeds lopende werkzaamheden over te doen, en de Commissie moeten helpen bij de uitvoering van haar taken.

(8)

BEREC moet de werkzaamheden van de ERG voortzetten en streven meer naar samenwerking tussen de nationale regelgevende instanties onderling en tussen de nationale regelgevende instanties en de Commissie, teneinde te zorgen voor de consistente toepassing in alle lidstaten van het EU-regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en aldus bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt.

(9)

BEREC moet ook optreden als een orgaan voor beraad, discussie en adviesverlening aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op het gebied van elektronische communicatie. BEREC moet derhalve het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op hun verzoek of op eigen initiatief advies verstrekken.

(10)

BEREC moet zijn taken uitvoeren in samenwerking met en zonder afbreuk te doen aan bestaande groepen en comités zoals het Comité voor communicatie dat is opgericht op grond van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), het Radiospectrumcomité dat is opgericht bij Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (radiospectrumbeschikking) (11), de Beleidsgroep radiospectrum die is opgericht bij Beschikking 2002/622/EG van de Commissie van 26 juli 2002 tot oprichting van een Beleidsgroep Radiospectrum (12), en het Contactcomité dat is opgericht bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (13).

(11)

Om BEREC van professionele en administratieve ondersteuning te kunnen voorzien, moet het Bureau worden opgericht als communautair orgaan met rechtspersoonlijkheid en moet het de taken verrichten die het bij deze verordening krijgt toegewezen. Dit Bureau moet juridisch, administratief en financieel autonoom zijn, om BEREC doeltreffend te kunnen ondersteunen. Het Bureau moet bestaan uit een comité van beheer en een administratief directeur.

(12)

De organisatiestructuren van BEREC en van het Bureau moeten slank zijn en toegesneden op de taken die zij moeten vervullen.

(13)

Het Bureau moet een communautair orgaan zijn in de zin van artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (14) (het Financieel Reglement). Het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (15) (IIA van 17 mei 2006), en met name punt 47 daarvan, moet van toepassing zijn op het Bureau.

(14)

Aangezien de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk de verdere ontwikkeling van een samenhangende regelgevingspraktijk door middel van versterkte samenwerking en coördinatie tussen nationale regelgevende instanties onderling en tussen nationale regelgevende instanties en de Commissie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt in het licht van de EU-draagwijdte van deze verordening, en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

OPRICHTING

Artikel 1

Oprichting

1.   Bij deze verordening wordt het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) opgericht met de in deze verordening neergelegde bevoegdheden.

2.   BEREC handelt binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) en Richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/22/EG en 2002/58/EG (bijzondere richtlijnen), en van Verordening (EG) nr. 717/2007.

3.   BEREC voert zijn taken onafhankelijk, onpartijdig en op transparante wijze uit. In al zijn activiteiten streeft BEREC de doelstellingen na die krachtens artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) aan de nationale regelgevende instanties zijn toegewezen. BEREC draagt met name bij tot de ontwikkeling en betere werking van de interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, door te streven naar een consistente toepassing van het EU-regelgevingskader voor elektronische communicatie.

4.   BEREC maakt gebruik van de deskundigheid van de nationale regelgevende instanties en verricht zijn taken in samenwerking met de nationale regelgevende instanties en de Commissie. BEREC bevordert de samenwerking tussen nationale regelgevende instanties onderling en tussen nationale regelgevende instanties en de Commissie. Bovendien adviseert BEREC de Commissie en, op verzoek, het Europees Parlement en de Raad.

HOOFDSTUK II

ORGANISATIE VAN BEREC

Artikel 2

Rol van BEREC

BEREC:

a)

ontwikkelt optimale regelgevingspraktijken, zoals gemeenschappelijke benaderingswijzen, methoden of richtsnoeren voor de uitvoering van het EU-regelgevingskader, en verspreidt deze onder de nationale regelgevende instanties;

b)

verstrekt de nationale regelgevende instanties op verzoek bijstand inzake regelgevingskwesties;

c)

verstrekt advies inzake ontwerpbesluiten, aanbevelingen en richtsnoeren van de Commissie, zoals bepaald in deze verordening, de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen;

d)

stelt verslagen op en verstrekt advies, op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie of op eigen initiatief, en brengt adviezen uit aan het Europees Parlement en de Raad, op hun met redenen omkleed verzoek of op eigen initiatief, over aangelegenheden betreffende elektronische communicatie die binnen zijn bevoegdheid vallen;

e)

helpt op verzoek het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de nationale regelgevende instanties bij betrekkingen, besprekingen en uitwisselingen met derde partijen; assisteert de Commissie en de nationale regelgevende instanties bij het verspreiden van optimale regelgevingspraktijken onder derden.

Artikel 3

Taken van BEREC

1.   BEREC heeft de volgende taken:

a)

adviezen uitbrengen over ontwerpmaatregelen van nationale regelgevende instanties met betrekking tot marktdefinities, het aanwijzen van ondernemingen met aanmerkelijke macht op de markt en het voorschrijven van oplossingen overeenkomstig de artikelen 7 en 7 bis van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn); en samenwerken met de nationale regelgevende instanties overeenkomstig de artikelen 7 en 7 bis van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn);

b)

adviezen uitbrengen over ontwerpaanbevelingen en/of ontwerprichtsnoeren inzake de vorm, de inhoud en de mate van details van kennisgevingen overeenkomstig artikel 7 ter van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn);

c)

overleg plegen over ontwerpaanbevelingen inzake relevante markten voor producten en diensten overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn);

d)

adviezen uitbrengen over ontwerpbesluiten inzake de vaststelling van transnationale markten overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn);

e)

op verzoek de nationale regelgevende instanties bijstaan in de context van de analyse van de relevante markt overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn);

f)

adviezen uitbrengen over ontwerpbesluiten en -aanbevelingen inzake harmonisatie overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn);

g)

geraadpleegd worden en adviezen uitbrengen over grensoverschrijdende geschillen overeenkomstig artikel 21 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn);

h)

adviezen uitbrengen over ontwerpbesluiten waarbij een nationale regelgevende instantie wordt gemachtigd of verboden uitzonderlijke maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn);

i)

geraadpleegd worden over ontwerpmaatregelen in verband met effectieve toegang tot het alarmnummer „112” overeenkomstig artikel 26 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn);

j)

geraadpleegd worden over ontwerpmaatregelen in verband met de effectieve invoering in de lidstaten van de nummerreeks „116”, met name van het nummer 116000 van het meldpunt voor vermiste kinderen overeenkomstig artikel 27 bis van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn);

k)

de Commissie bijstaan bij het bijwerken van bijlage II bij Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn), overeenkomstig artikel 9 van die richtlijn;

l)

op verzoek de nationale regelgevende instanties bijstaan bij kwesties in verband met fraude of misbruik van nummervoorraden in de Gemeenschap, met name voor grensoverschrijdende diensten;

m)

adviezen uitbrengen met het oog op de opstelling van gemeenschappelijke voorschriften en eisen voor de aanbieders van grensoverschrijdende zakelijke diensten;

n)

toezicht houden op en verslag uitbrengen over de elektronischecommunicatiesector en publiceren van een jaarverslag over ontwikkelingen in die sector.

2.   BEREC kan op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie met algemene stemmen besluiten andere specifieke taken op zich te nemen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn rol, binnen het in artikel 1, lid 2, gedefinieerde toepassingsgebied.

3.   De nationale regelgevende instanties en de Commissie houden zoveel mogelijk rekening met de standpunten, aanbevelingen, richtsnoeren, adviezen en optimale regelgevingspraktijken die door BEREC worden aangenomen. Zo nodig raadpleegt BEREC de relevante nationale mededingingsautoriteiten alvorens advies aan de Commissie uit te brengen.

Artikel 4

Samenstelling en organisatie van BEREC

1.   BEREC is samengesteld uit de raad van regelgevers.

2.   De raad van regelgevers bestaat uit één lid per lidstaat dat aan het hoofd staat of tot vertegenwoordiger op hoog niveau is benoemd van de in elke lidstaat opgerichte regelgevende instanties met primaire verantwoordelijkheid voor het toezicht op de dagelijkse werking van de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten.

Bij de uitoefening van de taken die hem bij deze verordening worden toebedeeld, handelt BEREC onafhankelijk.

De leden van de raad van regelgevers verlangen noch aanvaarden instructies van enige regering, van de Commissie of van enige andere publieke of private entiteit.

De nationale regelgevende instanties benoemen één plaatsvervanger per lidstaat.

De Commissie heeft een waarnemersstatus in vergaderingen van BEREC en is op een passend niveau vertegenwoordigd.

3.   Nationale regelgevende instanties uit landen uit de Europese Economische Ruimte (EER) en uit landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie, hebben een waarnemersstatus en zijn op een passend niveau vertegenwoordigd. BEREC kan andere deskundigen en waarnemers uitnodigen zijn vergaderingen bij te wonen.

4.   Overeenkomstig het huishoudelijk reglement van BEREC benoemt de raad van regelgevers uit zijn leden een voorzitter en een of meer vicevoorzitters. De vicevoorzitter(s) vervangt/vervangen automatisch de voorzitter als deze zijn of haar taken niet kan uitoefenen. De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitters bedraagt één jaar.

5.   Onverminderd de rol van de raad van regelgevers met betrekking tot de taken van de voorzitter, verlangt noch aanvaardt de voorzitter instructies van enige regering of nationale regelgevingsinstantie, van de Commissie of van enige andere publieke of private entiteit.

6.   De plenaire vergadering van de raad van regelgevers wordt ten minste vier maal per jaar door de voorzitter in gewone zitting bijeengeroepen. Op initiatief van de voorzitter, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste een derde van de leden van de raad wordt een buitengewone vergadering bijeengeroepen. De agenda van de vergadering wordt door de voorzitter vastgesteld en openbaar gemaakt.

7.   De werkzaamheden van BEREC kunnen worden georganiseerd in werkgroepen van deskundigen.

8.   De Commissie wordt op alle plenaire vergaderingen van de raad van regelgevers uitgenodigd.

9.   De raad van regelgevers besluit met een meerderheid van twee derde van alle leden, tenzij anders bepaald in deze verordening, in de kaderrichtlijn of in de bijzondere richtlijnen. Elk lid of diens plaatsvervanger heeft één stem. De besluiten van de raad van regelgevers worden openbaar gemaakt en maken melding van een voorbehoud van een nationale regelgevende instantie indien deze daarom verzoekt.

10.   De raad van regelgevers stelt het huishoudelijk reglement van BEREC vast en maakt dit openbaar. Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere bijzonderheden van de stemming, waaronder de voorwaarden waaronder een lid namens een ander lid kan handelen, de quorumvoorschriften en de kennisgevingstermijnen voor de vergaderingen. Bovendien waarborgt het huishoudelijk reglement dat de leden van de raad van regelgevers steeds tijdig voor elke vergadering de volledige agenda en de ontwerpvoorstellen ontvangen zodat zij vóór de stemming amendementen kunnen voorstellen. In het huishoudelijk reglement kunnen onder meer ook procedures voor stemmingen bij hoogdringendheid worden opgenomen.

11.   De diensten voor administratieve en professionele ondersteuning worden geleverd door het in artikel 6 bedoelde Bureau.

Artikel 5

Taken van de raad van regelgevers

1.   De raad van regelgevers voert de in artikel 3 opgesomde taken van BEREC uit en neemt alle besluiten met betrekking tot de uitoefening van zijn functies.

2.   De raad van regelgevers keurt de vrijwillige financiële bijdragen van lidstaten of nationale regelgevende instanties goed voordat zij overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder b), worden gegeven, en wel als volgt:

a)

met algemene stemmen, indien alle lidstaten of nationale regelgevende instanties besloten hebben een bijdrage te geven;

b)

bij gewone meerderheid, indien een aantal lidstaten of nationale regelgevende instanties unaniem besloten hebben een bijdrage te geven.

3.   De raad van regelgevers stelt namens BEREC de bijzondere bepalingen vast inzake het recht van toegang tot de documenten die bij BEREC berusten overeenkomstig artikel 22.

4.   Na raadpleging van de belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 17, stelt de raad van regelgevers het jaarlijkse werkprogramma van BEREC vast vóór het einde van elk jaar voorafgaand aan het jaar waarop het werkprogramma betrekking heeft. De raad van regelgevers doet het werkprogramma, zodra dit is vastgesteld, elk jaar toekomen aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

5.   De raad van regelgevers stelt het jaarverslag over de activiteiten van BEREC op en doet dit elk jaar uiterlijk op 15 juni toekomen aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer. Het Europees Parlement kan de voorzitter van de raad van regelgevers verzoeken om toelichting op ter zake dienende punten in verband met de activiteiten van BEREC.

Artikel 6

Bureau

1.   Bij deze verordening wordt het Bureau als orgaan van de Gemeenschap met rechtspersoonlijkheid in de zin van artikel 185 van het Financieel Reglement opgericht. Punt 47 van het IIA van 17 mei 2006 is van toepassing op het Bureau.

2.   Onder sturing van de raad van regelgevers heeft het Bureau met name tot taak:

diensten voor administratieve en professionele ondersteuning van BEREC te verzorgen;

informatie van nationale regelgevende instanties te verzamelen en informatie over de rol en taken als bedoeld in artikel 2, onder a), en artikel 3 uit te wisselen en door te sturen;

optimale regelgevingspraktijken te verspreiden onder nationale regelgevende instanties, overeenkomstig artikel 2, onder a);

de voorzitter te ondersteunen bij de voorbereiding van de werkzaamheden van de raad van regelgevers;

op verzoek van de raad van regelgevers werkgroepen van deskundigen op te zetten en ondersteuning te bieden om een soepele werking van deze groepen te waarborgen.

3.   Het Bureau bestaat uit:

a)

een comité van beheer;

b)

een administratief directeur.

4.   In elke lidstaat geniet het Bureau de ruimste rechtsbevoegdheid die door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend. Het Bureau kan met name roerende en onroerende goederen verwerven en vervreemden, en in rechte optreden.

5.   Het Bureau wordt beheerd door de administratief directeur en heeft een aantal personeelsleden dat strikt beperkt is tot wat voor de verrichting van zijn taken vereist is. Het aantal personeelsleden wordt voorgesteld door de leden van het comité van beheer en de administratief directeur overeenkomstig artikel 11. Voor uitbreiding van het personeel is unanimiteit van het comité van beheer vereist.

Artikel 7

Comité van beheer

1.   Het comité van beheer bestaat uit één lid per lidstaat dat aan het hoofd staat of tot vertegenwoordiger op hoog niveau is benoemd van de in elke lidstaat opgerichte onafhankelijke nationale regelgevende instantie met primaire verantwoordelijkheid voor het toezicht op de dagelijkse werking van de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, en een vertegenwoordiger van de Commissie.

Elk lid heeft één stem.

Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing op het comité van beheer.

2.   Het comité van beheer benoemt de administratief directeur. De voorgedragen administratief directeur neemt niet deel aan de voorbereiding van of de stemming over een dergelijk besluit.

3.   Het comité van beheer geeft de administratief directeur aanwijzingen voor de uitoefening van zijn/haar taken.

4.   Het comité van beheer is verantwoordelijk voor de benoeming van het personeel.

5.   Het comité van beheer ondersteunt de werkgroepen van deskundigen bij hun werkzaamheden.

Artikel 8

Administratief directeur

1.   De administratief directeur is verantwoording verschuldigd aan het comité van beheer. Bij de uitoefening van zijn/haar functies verlangt noch aanvaardt de administratief directeur instructies van lidstaten, nationale regelgevende instanties, de Commissie of derden.

2.   De administratief directeur wordt via een open sollicitatieprocedure op grond van verdiensten, alsook van vaardigheden en ervaring op het gebied van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten door het comité van beheer benoemd. Vóór de benoeming kan de geschiktheid van de door het comité van beheer geselecteerde kandidaat worden onderworpen aan een niet-bindend advies van het Europees Parlement. Hiertoe wordt de kandidaat verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.

3.   De ambtstermijn van de administratief directeur bedraagt drie jaar.

4.   Het comité van beheer kan, rekening houdend met het door de voorzitter opgestelde beoordelingsverslag, de ambtstermijn van de administratief directeur éénmaal met ten hoogste drie jaar verlengen, mits dit op grond van de taken en verplichtingen van BEREC kan worden verantwoord.

Het comité van beheer stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de administratief directeur te verlengen.

Indien de ambtstermijn niet wordt verlengd, blijft de administratief directeur in functie totdat er een opvolger is benoemd.

Artikel 9

Taken van de administratief directeur

1.   De administratief directeur staat aan het hoofd van het Bureau.

2.   De administratief directeur assisteert bij de voorbereiding van de agenda van de raad van regelgevers, het comité van beheer en de werkgroepen van deskundigen. Hij neemt, zonder stemrecht, deel aan de werkzaamheden van de raad van regelgevers en het comité van beheer.

3.   De administratief directeur assisteert het comité van beheer bij de opstelling van het ontwerpwerkprogramma van het Bureau voor het volgende jaar. Het ontwerpwerkprogramma voor het volgende jaar wordt vóór 30 juni voorgelegd aan het comité van beheer, dat het vóór 30 september goedkeurt, zonder vooruit te lopen op het uiteindelijke besluit van het Europees Parlement en de Raad (hierna tezamen „de begrotingsautoriteit” te noemen) over het subsidiebedrag.

4.   De administratief directeur houdt onder leiding van de raad van regelgevers toezicht op de uitvoering van het jaarlijks werkprogramma van het Bureau.

5.   De administratief directeur neemt, onder het toezicht van het comité van beheer, de nodige maatregelen, met name de vaststelling van interne administratieve instructies en de publicatie van berichten, om ervoor te zorgen dat het Bureau overeenkomstig deze verordening functioneert.

6.   De administratief directeur voert, onder het toezicht van het comité van beheer, de begroting van het Bureau uit overeenkomstig artikel 13.

7.   Elk jaar assisteert de administratief directeur bij de voorbereiding van het ontwerpjaarverslag over de werkzaamheden van BEREC als vermeld in artikel 5, lid 5.

Artikel 10

Personeel

1.   Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (16), en de regels die de instellingen van de Europese Gemeenschappen gezamenlijk hebben vastgesteld met het oog op de toepassing van dit Statuut en deze regeling, zijn van toepassing op het personeel van het Bureau, met inbegrip van de administratief directeur.

2.   Het comité van beheer stelt in overleg met de Commissie de nodige uitvoeringsmaatregelen vast volgens de regelingen van artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen.

3.   De bevoegdheden die krachtens het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen zijn verleend aan het tot aanstelling bevoegde gezag, alsook de bevoegdheden die krachtens de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen zijn verleend aan het tot het aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag, worden uitgeoefend door de vicevoorzitter van het comité van beheer.

4.   Het comité van beheer kan bepalingen vaststellen op grond waarvan uit lidstaten gedetacheerde nationale deskundigen op tijdelijke basis voor maximaal drie jaar bij het Bureau kunnen worden aangesteld.

HOOFDSTUK III

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 11

Begroting van het Bureau

1.   De ontvangsten en middelen van het Bureau bestaan met name uit:

a)

een subsidie van de Gemeenschap, die in de juiste rubrieken van de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie) wordt opgenomen, zoals besloten door de begrotingsautoriteit en overeenkomstig punt 47 van het IIA van 17 mei 2006;

b)

financiële bijdragen van lidstaten of van hun nationale regelgevende instanties, op vrijwillige basis verleend overeenkomstig artikel 5, lid 2. Deze bijdragen worden gebruikt om specifieke posten voor werkingskosten te financieren zoals omschreven in de overeenkomst welke tussen het Bureau en de lidstaten of hun nationale regelgevende instanties moet worden gesloten overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder b), van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (17). De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties over de noodzakelijke financiële middelen beschikken om deel te nemen aan de werkzaamheden van het Bureau. Voorafgaand aan de opstelling van het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, doet het Bureau de begrotingsautoriteit tijdig passende en gedetailleerde informatie toekomen met betrekking tot bestemmingsontvangsten krachtens dit artikel.

2.   De uitgaven van het Bureau bestaan uit uitgaven voor personeel, administratieve uitgaven, infrastructuuruitgaven en werkingskosten.

3.   De ontvangsten en uitgaven moeten in evenwicht zijn.

4.   Voor elk begrotingsjaar, dat dient samen te vallen met een kalenderjaar, wordt een raming opgesteld van alle ontvangsten en uitgaven; deze worden in de begroting van het Bureau opgenomen.

5.   De organisatie- en financiële structuur van het Bureau wordt vijf jaar na de datum van oprichting van het Bureau herzien.

Artikel 12

Opstelling van de begroting

1.   Uiterlijk op 15 februari van elk jaar stelt het comité van beheer, met assistentie van de administratief directeur, een voorontwerp van begroting betreffende de geraamde uitgaven voor het volgende begrotingsjaar op, tezamen met een voorlopige personeelsformatie. Elk jaar stelt het comité van beheer op basis van het ontwerp een raming van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau voor het volgende begrotingsjaar op. Het comité van beheer dient deze raming, waarin een ontwerppersoneelsformatie is opgenomen, uiterlijk op 31 maart bij de Commissie in.

2.   De Commissie legt de raming samen met het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor aan de begrotingsautoriteit.

3.   Op basis van de raming voert de Commissie in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie de vooruitzichten in die zij noodzakelijk acht met betrekking tot de personeelsformatie, en stelt zij het subsidiebedrag voor.

4.   De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie voor het Bureau vast.

5.   Het comité van beheer stelt de begroting van het Bureau op. Deze wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast.

6.   Het comité van beheer stelt de begrotingsautoriteit onverwijld in kennis van de projecten die het voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van de begroting kunnen hebben, met name vastgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. Het licht de Commissie hierover in. Indien een van de takken van de begrotingsautoriteit advies wil uitbrengen, stelt deze het comité van beheer binnen twee weken na ontvangst van de informatie over het vastgoedproject in kennis van zijn voornemen om een dergelijk advies uit te brengen. Indien het comité van beheer geen antwoord ontvangt, kan het de voorgenomen operatie uitvoeren.

Artikel 13

Uitvoering van en toezicht op de begroting

1.   De administratief directeur treedt op als ordonnateur en voert de begroting van het Bureau uit onder toezicht van het comité van beheer.

2.   Het comité van beheer stelt een jaarlijks activiteitenverslag op voor het Bureau, samen met een betrouwbaarheidsverklaring. Deze documenten worden openbaar gemaakt.

3.   Uiterlijk op 1 maart na de afsluiting van elk begrotingsjaar doet de rekenplichtige van het Bureau de voorlopige rekeningen toekomen aan de rekenplichtige van de Commissie en aan de Rekenkamer, vergezeld van het verslag over het begrotings- en financieel beheer gedurende het begrotingsjaar. De rekenplichtige van het Bureau doet uiterlijk op 31 maart van het volgende jaar het verslag over het financieel en begrotingsbeheer ook toekomen aan het Europees Parlement en de Raad. De rekenplichtige van de Commissie consolideert vervolgens de voorlopige rekeningen van de instellingen en gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

4.   Uiterlijk op 31 maart na de afsluiting van elk begrotingsjaar doet de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van het Bureau toekomen aan de Rekenkamer, vergezeld van het verslag over het begrotings- en financieel beheer tijdens het begrotingsjaar. Het verslag over het begrotings- en financieel beheer tijdens het begrotingsjaar wordt ook aan het Europees Parlement en de Raad toegezonden.

5.   Na ontvangst van de door de Rekenkamer geformuleerde opmerkingen over de voorlopige rekeningen van het Bureau overeenkomstig artikel 129 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, stelt de administratief directeur op eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het Bureau op en doet hij deze voor advies toekomen aan het comité van beheer.

6.   Het comité van beheer brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het Bureau.

7.   De administratief directeur doet deze definitieve rekeningen, vergezeld van het advies van het comité van beheer, uiterlijk op 1 juli na de afsluiting van het begrotingsjaar toekomen aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

8.   De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.

9.   Uiterlijk op 15 oktober antwoordt de administratief directeur op de opmerkingen van de Rekenkamer. Het comité van beheer doet zijn antwoorden eveneens toekomen aan het Europees Parlement en de Commissie.

10.   Overeenkomstig artikel 146, lid 3, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 verstrekt het comité van beheer het Europees Parlement op diens verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor een goed verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar.

11.   Het Europees Parlement verleent op aanbeveling van de Raad, die bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, vóór 15 mei van het jaar N + 2, kwijting aan het comité van beheer voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar N.

Artikel 14

Interne controlesystemen

De interne controleur van de Commissie is verantwoordelijk voor de accountantscontrole van het Bureau.

Artikel 15

Financiële voorschriften

Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 is van toepassing op het Bureau. Na overleg met de Commissie stelt het comité van beheer verdere financiële voorschriften op die van toepassing zijn op het Bureau. Deze voorschriften mogen afwijken van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 indien de specifieke eisen voor de werking van het Bureau dit noodzakelijk maken en enkel indien de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.

Artikel 16

Fraudebestrijdingsmaatregelen

1.   Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onrechtmatige handelingen is Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (18) zonder enige beperking van toepassing.

2.   Het Bureau treedt toe tot het Interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (19) en treft onverwijld passende voorzieningen die op alle personeelsleden van het Bureau van toepassing zijn.

3.   De financieringsbesluiten, en de akkoorden en toepassingsinstrumenten die daaruit voortvloeien, bepalen uitdrukkelijk dat de Rekenkamer en OLAF zo nodig een controle ter plekke kunnen uitvoeren bij de begunstigden van de fondsen van het Bureau en bij de personeelsleden die bevoegd zijn voor de toewijzing van deze fondsen.

HOOFDSTUK IV

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 17

Raadpleging

Voordat het een advies, een verslag of een optimale regelgevingspraktijk aanneemt, raadpleegt BEREC indien nodig belanghebbende partijen en biedt het hun de mogelijkheid binnen een redelijke termijn opmerkingen te maken. BEREC maakt de resultaten van de raadplegingsprocedure voor het publiek beschikbaar, onverminderd artikel 20.

Artikel 18

Transparantie en verantwoording

BEREC en het Bureau verrichten hun werkzaamheden met een hoge mate van transparantie. BEREC en het Bureau zorgen ervoor dat het publiek en alle belanghebbende partijen over objectieve, betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke informatie beschikken, met name over de resultaten van hun werkzaamheden.

Artikel 19

Verstrekken van informatie aan BEREC en het Bureau

De Commissie en de nationale regelgevende instanties verstrekken de informatie waar BEREC en het Bureau om hebben verzocht, om BEREC en het Bureau in staat te stellen hun taken uit te voeren. Deze informatie wordt beheerd overeenkomstig de voorschriften van artikel 5 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).

Artikel 20

Vertrouwelijkheid

Overeenkomstig artikel 22 maken BEREC en het Bureau informatie die zij verwerken of ontvangen met het verzoek om die informatie als vertrouwelijk te behandelen, niet bekend en geven deze informatie niet vrij.

Leden van de raad van regelgevers en van het comité van beheer, de administratief directeur, externe deskundigen, met inbegrip van de deskundigen van de werkgroepen van deskundigen, en personeelsleden van het Bureau zijn onderworpen aan de eisen van vertrouwelijkheid ingevolge artikel 287 van het Verdrag, ook na beëindiging van hun functie.

BEREC en het Bureau leggen in hun respectieve huishoudelijke reglementen de praktische regeling voor de uitvoering van de in de leden 1 en 2 vermelde vertrouwelijkheidsregels vast.

Artikel 21

Belangenverklaring

De leden van de raad van regelgevers en van het comité van beheer, de administratief directeur van het Bureau en de personeelsleden van het Bureau leggen een jaarlijkse verbintenisverklaring en een belangenverklaring af, waarin zij al hun directe en indirecte belangen vermelden die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid. Deze verklaringen worden op schrift gesteld. De belangenverklaring van de leden van de raad van regelgevers en het comité van beheer, alsook die van de administratief directeur, worden openbaar gemaakt.

Artikel 22

Toegang tot documenten

1.   Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (20) is van toepassing op de documenten die bij BEREC en het Bureau berusten.

2.   De raad van regelgevers en het comité van beheer stellen de praktische maatregelen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast binnen zes maanden nadat BEREC respectievelijk het Bureau hun werkzaamheden zijn begonnen.

3.   Tegen besluiten genomen uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan een klacht worden ingediend bij de Ombudsman of beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onder de voorwaarden van respectievelijk artikel 195 en artikel 230 van het Verdrag.

Artikel 23

Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is van toepassing op het Bureau en zijn personeelsleden.

Artikel 24

Aansprakelijkheid van het Bureau

1.   In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Bureau overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die door het Bureau zelf of door zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun taken is veroorzaakt. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft rechtsbevoegdheid in geschillen over de vergoeding van dergelijke schade.

2.   De persoonlijke financiële en tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de personeelsleden van het Bureau ten aanzien van het Bureau wordt beheerst door de desbetreffende voor het personeel van het Bureau geldende voorschriften.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 25

Evaluatie en toetsing

De Commissie publiceert uiterlijk drie jaar na het begin van de werkzaamheden van respectievelijk BEREC en het Bureau een evaluatieverslag over de opgedane ervaring ingevolge de werkzaamheden van BEREC en het Bureau. In dit verslag worden de resultaten van BEREC en het Bureau en hun respectieve werkmethoden geëvalueerd in het licht van hun respectieve doelstellingen, opdrachten en taken zoals die in deze verordening en in de jaarlijkse werkprogramma’s zijn vastgesteld. Het evaluatieverslag houdt rekening met de standpunten van de betrokken partijen op zowel communautair als nationaal niveau en wordt aan het Europees Parlement en de Raad toegestuurd. Het Europees Parlement brengt advies uit over het evaluatieverslag.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 25 november 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitster

Å. TORSTENSSON


(1)  PB C 224 van 30.8.2008, blz. 50.

(2)  PB C 257 van 9.10.2008, blz. 51.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 24 september 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 16 februari 2009 (PB C 75 E van 31.3.2009, blz. 67), standpunt van het Europees Parlement van 6 mei 2009 en besluit van de Raad van 26 oktober 2009.

(4)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.

(5)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.

(6)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.

(7)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.

(8)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

(9)  PB L 171 van 29.6.2007, blz. 32.

(10)  PB L 200 van 30.7.2002, blz. 38.

(11)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.

(12)  PB L 198 van 27.7.2002, blz. 49.

(13)  PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60.

(14)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(15)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(16)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(17)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

(18)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(19)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(20)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.


RICHTLIJNEN

18.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 337/11


RICHTLIJN 2009/136/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2009

tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Gezien het advies van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (3),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De werking van de vijf richtlijnen die het huidige regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten vormen, namelijk Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (5), Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (6), Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (7), Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) (8) en Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (9) (hierna tezamen „de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen” genoemd), is onderworpen aan een periodieke toetsing door de Commissie, met name om te bepalen of wijzigingen nodig zijn in het licht van technologische en marktontwikkelingen.

(2)

In dat verband heeft de Commissie verslag uitgebracht over haar bevindingen in haar mededeling aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 29 juni 2006 over de herziening van het regelgevingskader van de Europese Unie voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten.

(3)

De hervorming van het EU-regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, met inbegrip van de versterking van de voorschriften met betrekking tot eindgebruikers met een handicap, is een belangrijke stap voorwaarts op weg naar de totstandbrenging van een interne Europese informatieruimte en tegelijk een inclusieve informatiemaatschappij. Deze doelstellingen zijn opgenomen in het strategische kader voor de ontwikkeling van een informatiemaatschappij als omschreven in de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 1 juni 2005 met als titel „i2010 — Een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid”.

(4)

Een fundamentele eis die aan de universele dienst moet worden gesteld, is dat de gebruikers op verzoek op een vaste locatie tegen een betaalbare prijs op het openbare communicatienetwerk worden aangesloten. De eis betreft de levering van lokale, nationale en internationale telefoonoproepen, communicatie per fax en gegevensdiensten, waarvan de levering door de lidstaten beperkt kan worden tot de hoofdlocatie of verblijfplaats van de eindgebruiker. Er mogen geen beperkingen worden gesteld aan de technische middelen waarmee de aansluiting wordt gerealiseerd, zodat zowel draadverbindingen als draadloze verbindingen mogelijk zijn, noch beperkingen ten aanzien waarvan exploitanten alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan vervullen.

(5)

Aansluitingen op het openbare communicatienetwerk op een vaste locatie moeten geschikt zijn voor datacommunicatie bij snelheden die voldoende zijn voor toegang tot on-linediensten zoals die welke via het openbare internet worden aangeboden. De snelheid van de toegang tot internet voor een willekeurige gebruiker kan afhankelijk zijn van een aantal factoren, zoals van de aanbieder(s) van internettoegang alsmede van de specifieke toepassing waarvoor een aansluiting wordt gebruikt. De datasnelheid die kan worden ondersteund door een aansluiting op het openbare communicatienetwerk is afhankelijk van de capaciteit van de eindapparatuur van de abonnee en van de verbinding. Daarom is het niet nodig op communautair niveau een specifieke data- of bitsnelheid op te leggen. Flexibiliteit is noodzakelijk om de lidstaten indien nodig in staat te stellen ervoor te zorgen dat een dataverbinding in staat is bevredigende datasnelheden te ondersteunen, die voldoende zijn om functionele toegang tot internet mogelijk te maken, zoals deze, naar behoren rekening houdend met specifieke omstandigheden op de nationale markten, door de lidstaten is gedefinieerd, bijvoorbeeld de door de meerderheid van de abonnees in de desbetreffende lidstaat gebruikte bandbreedte en de technische haalbaarheid, mits er in het kader van deze maatregelen naar wordt gestreefd verstoring van de markt tot een minimum te beperken. Als deze maatregelen een oneerlijke belasting van een aangewezen onderneming tot gevolg hebben, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met kosten en inkomsten en met de niet-tastbare voordelen van de levering van de diensten in kwestie, kan deze worden opgenomen in de berekening van de nettokosten van universele verplichtingen. Eveneens kan alternatieve financiering van basisinfrastructuur voor het netwerk ten uitvoer worden gelegd, waarmee overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving financiering door de Gemeenschap of nationale maatregelen gemoeid zijn.

(6)

Dit laat de noodzaak onverlet dat de Commissie een herziening uitvoert van de universele dienstenverplichting, die de financiering van deze verplichtingen overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) kan omvatten, en, zo nodig, voorstellen indient voor hervormingen om de doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken.

(7)

Met het oog op de duidelijkheid en de eenvoud heeft deze richtlijn uitsluitend betrekking op wijzigingen van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) en Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).

(8)

Onverminderd Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (10), met name de eisen in verband met gebruikers met een handicap in artikel 3, lid 3, punt f), hiervan, moeten bepaalde aspecten van eindapparatuur, inclusief bij de consument thuis gebruikte apparatuur voor eindgebruikers met een handicap, ongeacht of hun bijzondere behoeften het gevolg zijn van een handicap of verband houden met leeftijd, binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) worden gebracht, om de toegang tot netwerken en het gebruik van diensten te vergemakkelijken. Deze apparatuur omvat momenteel uitsluitend voor ontvangst bestemde radio- en televisie-eindapparatuur, alsmede speciale eindapparatuur voor slechthorende eindgebruikers.

(9)

De lidstaten zouden maatregelen moeten nemen om te bevorderen dat een markt ontstaat voor algemeen beschikbare producten en diensten, met functies voor eindgebruikers met een handicap. Dat is onder meer mogelijk door verwijzing naar Europese normen, door invoering van eisen voor elektronische toegankelijkheid (eAccessibility) in procedures voor overheidsopdrachten en in aanbestedingen voor de levering van diensten, en door implementering van wetgeving waarmee de rechten van gehandicapte eindgebruikers worden beschermd.

(10)

Wanneer een onderneming is aangewezen voor het leveren van universele diensten, als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn), besluit een tegen de achtergrond van haar verplichting tot universele dienstverlening aanzienlijk deel of het geheel van haar netwerkactiva voor plaatselijke toegang op het nationale grondgebied af te staan aan een afzonderlijke rechtspersoon in ander eindeigendom, moet de nationale regelgevende instantie de gevolgen van de transactie beoordelen om de continuïteit van de verplichtingen tot universele dienstverlening op het geheel of in delen van het nationale grondgebied te waarborgen. Te dien einde moet de nationale regelgevende instantie die de verplichtingen tot universele dienstverlening heeft opgelegd door de onderneming vóór de het afstaan op de hoogte worden gesteld. De beoordeling van de nationale regelgevende instantie mag de afronding van de transactie niet in gevaar brengen.

(11)

Door de technologische ontwikkeling is het aantal openbare telefooncellen aanzienlijk gedaald. Om de technologische neutraliteit en voortdurende algemene beschikbaarheid van spraaktelefonie voor het publiek te waarborgen, moet het voor nationale regelgevende instanties mogelijk zijn ondernemingen verplichtingen op te leggen om ervoor te zorgen dat er niet alleen openbare telefooncelleen worden voorzien om te voldoen aan de redelijke behoeften van eindgebruikers, maar eveneens dat er voor dat doel indien nodig wordt gezorgd voor punten waar toegang kan worden verkregen tot alternatieve openbare spraaktelefonie.

(12)

De toegang van gehandicapte eindgebruikers tot diensten moet gelijkwaardig zijn aan de toegang die voor andere eindgebruikers beschikbaar is. Te dien einde moet de toegang functioneel gelijkwaardig zijn zodat gehandicapte eindgebruikers, weliswaar met andere middelen, kunnen genieten van dezelfde bruikbaarheid van diensten als andere eindgebruikers.

(13)

Bepaalde definities moeten worden aangepast om ze in overeenstemming te brengen met het beginsel van technologische neutraliteit en gelijke tred te houden met de technologische ontwikkeling. Meer bepaald moeten de voorwaarden voor de levering van een dienst worden gescheiden van de feitelijke definitie van een openbare telefoondienst, d.w.z. een voor het publiek beschikbaar gestelde elektronischecommunicatiedienst voor het initiëren en ontvangen, direct dan wel indirect, van nationale of nationale en internationale oproepen met behulp van een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal nummerplan, ongeacht of deze dienst circuitgeschakeld of pakketgeschakeld is. Een dergelijke dienst is per definitie bidirectioneel, zodat beide partijen kunnen communiceren. Een dienst die niet aan al deze voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld een „doorklik”-toepassing op een website van een klantenservice, is geen openbare telefoondienst. Openbare telefoondiensten omvatten tevens specifieke communicatiemiddelen voor eindgebruikers met een handicap, die gebruikmaken van diensten die spraak omzetten in tekst („text relay”) of van diensten voor totale conversatie.

(14)

Er dient te worden verduidelijkt dat de indirecte levering van een dienst situaties kan omvatten waarin een gesprek wordt geïnitieerd via carrierkeuze of -voorkeuze of waarin een dienstverlener door een andere onderneming geleverde openbare telefoondiensten wederverkoopt of van een nieuwe merknaam voorziet.

(15)

Ten gevolge van technologische en marktontwikkelingen maken de netwerken steeds meer gebruik van „Internet Protocol”-technologie (IP) en kunnen de consumenten steeds meer kiezen tussen een reeks concurrerende leveranciers van spraakdiensten. Het moet voor de lidstaten daarom mogelijk zijn om universeledienstverplichtingen in verband met het leveren van een verbinding met het openbare communicatienetwerk op een vaste locatie te scheiden van de levering van een openbare telefoondienst. Een dergelijke scheiding mag geen effect hebben op de werkingssfeer van de op communautair niveau vastgestelde en herziene universeledienstverplichtingen.

(16)

Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel is het aan de lidstaten om aan de hand van objectieve criteria te beslissen welke ondernemingen als aanbieders van de universele dienst worden aangewezen, waar nodig rekening houdend met de capaciteit en de bereidheid van die ondernemingen om alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan te aanvaarden. Dit sluit niet uit dat de lidstaten in de aanwijzingsprocedure specifieke voorwaarden om redenen van doeltreffendheid kunnen opnemen, zoals onder meer het groeperen van geografische gebieden of componenten of een minimumperiode voor de aanwijzing.

(17)

De nationale regelgevende instanties moeten in staat zijn de evolutie en het niveau van de tarieven voor eindgebruikers voor diensten die binnen de werkingssfeer van de universeledienstverplichtingen vallen te monitoren, zelfs wanneer een lidstaat nog geen onderneming heeft aangewezen die deze universele dienst moeten leveren. In dat geval moet de monitoring zo plaatsvinden dat hierdoor geen bovenmatige administratieve lasten aan de nationale regelgevende instanties of aan de deze dienst verlenende ondernemingen worden opgelegd.

(18)

Overbodige verplichtingen, bedoeld om de overgang van het regelgevingskader van 1998 naar dat van 2002 te vergemakkelijken, moeten worden geschrapt, samen met andere bepalingen die bij Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) vastgestelde bepalingen overlappen en herhalen.

(19)

De eis om een minimumpakket van huurlijnen op detailhandelsniveau aan te bieden, die noodzakelijk was om de continue toepassing te waarborgen van de bepalingen van het regelgevingskader van 1998 op het gebied van huurlijnen, waarop onvoldoende mededinging was toen het 2002-kader in werking trad, is niet langer noodzakelijk en kan dus worden geschrapt.

(20)

Carrierkeuze en -voorkeuze op directe wijze via communautaire wetgeving blijven opleggen kan de technologische vooruitgang belemmeren. Dergelijke maatregelen moeten veeleer door de nationale regelgevende instanties worden opgelegd als resultaat van marktanalyses uitgevoerd overeenkomstig de procedures van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) en middels de in artikel 12 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn) bedoelde verplichtingen.

(21)

Bepalingen over contracten moeten niet alleen van toepassing zijn op consumenten, maar ook op andere eindgebruikers, met name micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), die een aan de consumentenbehoeften aangepast contract kunnen verkiezen. Om onnodige administratieve lasten voor de aanbieders en complexiteit in verband met de definitie van kmo’s te voorkomen, mogen de bepalingen over contracten niet automatisch van toepassing zijn op de bedoelde andere eindgebruikers, maar alleen als deze hierom verzoeken. De lidstaten moeten adequate maatregelen nemen om het bewustzijn van deze mogelijkheid bij kmo’s te bevorderen.

(22)

Als gevolg van technologische ontwikkelingen kunnen in de toekomst, naast de gewone vormen van nummeridentificatie, andere soorten identificatoren worden gebruikt.

(23)

De aanbieders van elektronischecommunicatiediensten die oproepen mogelijk maken moeten ervoor zorgen dat hun klanten er op adequate wijze over worden geïnformeerd of toegang tot noodhulpdiensten al dan niet inbegrepen is en over eventuele beperkingen van de dienstverlening (zoals een beperking op het verstrekken van locatiegegevens over de beller of het doorgegeven van noodhulpoproepen). Deze aanbieders moeten hun klanten tevens voorzien van duidelijke en transparante informatie in het initiële klantencontract en in het geval van een wijziging in de toegangverlening, bijvoorbeeld middels informatie op de rekening. Deze informatie moet alle beperkingen omvatten wat territoriale dekking betreft, op basis van de geplande technische operationele parameters van de dienst en de beschikbare infrastructuur. Als de dienst niet wordt geleverd via een geschakeld telefoonnet, moet de informatie ook het betrouwbaarheidsniveau van de toegang en van de informatie over de locatie van de oproeper omvatten in vergelijking met een dienst die via een geschakeld telefoonnet wordt geleverd, rekening houdend met de huidige technologie en kwaliteitsnormen, alsmede de overeenkomstig Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) gespecificeerde parameters inzake de kwaliteit van de dienstverlening.

(24)

Met betrekking tot de eindapparatuur moeten in het klantencontract alle beperkingen worden gespecificeerd die de aanbieder oplegt wat het gebruik van de apparatuur betreft, bijvoorbeeld door mobiele apparatuur te simlocken, indien dergelijke beperkingen niet bij de nationale wetgeving verboden zijn, en alle kosten die bij het aflopen van het contract vóór of op de afgesproken einddatum verschuldigd zijn, inclusief de kosten die worden opgelegd om de apparatuur te mogen behouden.

(25)

Zonder dat hierbij een verplichting aan de aanbieder wordt opgelegd om actie te ondernemen die verder gaat dan die welke de communautaire wetgeving vereist, moet in het klantencontract ook het soort van actie worden gespecificeerd, als in actie is voorzien, die de aanbieder kan ondernemen in geval van beveiligings- en integriteitsincidenten of bedreigingen en kwetsbaarheden.

(26)

Om kwesties van algemeen belang met betrekking tot het gebruik van communicatiediensten aan te pakken en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden te bevorderen, moeten de bevoegde nationale instanties met de hulp van de aanbieders informatie van algemeen belang over het gebruik van dergelijke diensten kunnen produceren en laten verspreiden. Deze kan informatie van algemeen belang omvatten over schending van het auteursrecht, ander onwettig gebruik en de verspreiding van schadelijke inhoud, en ook advies over en manieren om zich te beschermen tegen gevaren voor de persoonlijke veiligheid, die bijvoorbeeld het gevolg kunnen zijn van de vrijgave van persoonlijke informatie in bepaalde omstandigheden, de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, evenals het beschikbaar zijn van gemakkelijk te gebruiken en configureerbare software of software-opties ter bescherming van kinderen of kwetsbare personen. De informatieverstrekking kan worden gecoördineerd volgens de samenwerkingsprocedure waarin is voorzien in artikel 33, lid 3, van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn). Dergelijke informatie van algemeen belang dient wanneer nodig te worden geactualiseerd en in door de lidstaten te bepalen, eenvoudig te begrijpen gedrukte en elektronische formats en op de websites van de nationale overheden te worden aangeboden. De nationale regelgevende instanties moeten de aanbieders kunnen verplichten deze gestandaardiseerde informatie te verspreiden naar al hun klanten op een manier die de nationale regelgevende instanties geschikt achten. Indien de lidstaten dat voorschrijven, moet de informatie ook worden opgenomen in de contracten. De verspreiding van deze informatie mag de ondernemingen echter niet buitensporig belasten. De lidstaten moeten verzoeken om verspreiding van deze informatie via de kanalen die de ondernemingen gebruiken voor de normale zakelijke communicatie met abonnees.

(27)

Het recht van abonnees om zich zonder boete uit hun contract terug te kunnen trekken, heeft betrekking op wijzigingen van de contractuele voorwaarden die door de leveranciers van de elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten worden opgelegd.

(28)

De eindgebruikers moeten kunnen beslissen welke inhoud zij willen verzenden en ontvangen, en welke diensten, toepassingen, hardware en software zij hiervoor willen gebruiken, onverminderd de noodzaak de integriteit en de veiligheid van de netwerken en diensten te vrijwaren. Een concurrerende markt biedt de gebruikers een breed scala van inhoud, toepassingen en diensten. De nationale regelgevende instanties moeten bevorderen dat gebruikers toegang hebben tot informatie en deze kunnen verspreiden, en toepassingen en diensten van hun keuze kunnen gebruiken, zoals bepaald in artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn). Gezien het toenemende belang van elektronische communicatie voor consumenten en ondernemingen moeten de gebruikers in ieder geval volledig worden geïnformeerd over alle beperkingen die door de aanbieder van de diensten en/of de exploitant van het netwerk op het gebruik van de elektronischecommunicatiediensten worden opgelegd. Bij deze informatie moet, volgens de keuze van de aanbieder, ofwel het type van inhoud, toepassing of dienst in kwestie, ofwel de afzonderlijke toepassingen of diensten, of beide worden gespecificeerd. Afhankelijk van de gebruikte technologie en het soort van beperking, kan voor deze beperkingen de instemming van de gebruiker vereist zijn, overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).

(29)

Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) voorziet niet in en verbiedt evenmin voorwaarden die de aanbieders overeenkomstig de nationale wetgeving aan de eindgebruikers opleggen, waarbij de toegang tot en/of het gebruik van diensten en toepassingen wordt beperkt, maar verplicht wel tot het verstrekken van informatie over dergelijke voorwaarden. lidstaten die maatregelen betreffende toegang tot en/of gebruik van diensten en toepassingen door de eindgebruikers willen invoeren, moeten de grondrechten van de burgers eerbiedigen, waaronder het recht op een privéleven en het recht op een eerlijk proces; dergelijke maatregelen moeten ten volle rekening houden met de op Gemeenschapsniveau vastgelegde beleidsdoelstellingen, zoals het bevorderen van de ontwikkeling van de communautaire informatiemaatschappij.

(30)

Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) verplicht aanbieders niet om informatie die via hun netwerken wordt verstuurd te monitoren of op grond van dergelijke informatie een gerechtelijke procedure tegen hun klanten in te stellen, noch stelt zij aanbieders voor die informatie aansprakelijk. De bevoegdheid voor sancties of strafrechtelijke vervolging valt onder de nationale wetgeving, waarbij de grondrechten en fundamentele vrijheden, inclusief het recht op een eerlijk proces, moeten worden geëerbiedigd.

(31)

Bij ontstentenis van relevante communautaire wettelijke regels zijn inhoud, toepassingen en diensten legaal of schadelijk overeenkomstig het nationaal materieel en procesrecht. Het is aan de lidstaten en niet aan de aanbieders van de elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten om, overeenkomstig de juiste gerechtelijke procedures, te bepalen of inhoud, toepassingen of diensten al dan niet legaal of schadelijk zijn. Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) en de andere bijzondere richtlijnen gelden onverminderd Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn inzake elektronische handel) (11), die onder andere een „mere conduit” (doorgeefluik)-regel bevat voor dienstverleners die als tussenpersoon optreden, zoals aldaar gedefinieerd.

(32)

De beschikbaarheid van transparante, actuele en vergelijkbare informatie over aanbiedingen en diensten is een cruciaal element voor consumenten op concurrerende markten waar verscheidene dienstverleners hun diensten aanbieden. De eindgebruikers en consumenten van elektronischecommunicatiediensten moeten in staat zijn gemakkelijk de prijzen van de diverse op de markt aangeboden diensten te vergelijken, gebaseerd op informatie die in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekend wordt gemaakt. Om hen in staat te stellen gemakkelijk de prijzen te vergelijken, moeten de nationale regelgevende instanties van de aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten, een grotere transparantie op het gebied van informatie (met inbegrip van tarieven, consumptiepatronen, en andere relevante statistieken) kunnen eisen en ervoor kunnen zorgen dat derden het recht krijgen om kosteloos de openbaar beschikbare informatie te gebruiken welke door zulke aanbieders is gepubliceerd. Zij moeten ook in staat zijn tariefgidsen beschikbaar te stellen, met name wanneer de markt die niet kosteloos of tegen een redelijke prijs levert. De ondernemingen hebben geen recht op vergoeding voor dergelijk gebruik van informatie die al bekend is gemaakt en aldus tot het publieke domein behoort. Bovendien moeten de eindgebruikers en de consumenten op toereikende wijze worden geïnformeerd over de relevante prijs of het type van de aangeboden dienst alvorens zij een dienst aankopen, met name als een freephone-nummer gepaard gaat met extra kosten. De nationale regelgevende instanties moeten kunnen voorschrijven dat deze informatie algemeen en, voor bepaalde categorieën van diensten die zij bepalen, onmiddellijk voorafgaand aan de doorschakeling van het gesprek bekend wordt gemaakt, tenzij in het nationale recht anders is bepaald. Bij de bepaling van de gesprekscategorieën waarvoor vóór de doorschakeling prijsinformatie moet worden verstrekt, moeten de nationale regelgevende instanties naar behoren rekening houden met de aard van de dienst, de prijsvoorwaarden die erop van toepassing zijn en de vraag of de dienst wordt geleverd door een aanbieder die geen aanbieder van elektronischecommunicatiediensten is. Onverlet het bepaalde in Richtlijn 2000/31/EG (richtlijn inzake elektronische handel), moeten de aanbieders ook, indien de lidstaten zulks voorschrijven, de abonnees de door de bevoegde openbare instanties geproduceerde informatie van algemeen belang verstrekken, onder meer over de meest gebruikelijke inbreuken en de juridische gevolgen daarvan.

(33)

De klanten moeten op de hoogte worden gebracht van hun rechten met betrekking tot het gebruik van hun persoonlijke informatie in abonneegidsen, met name van het doel of de doelen van deze gidsen, alsmede van hun recht om kosteloos niet in een openbare abonneegids te worden opgenomen, overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie). Waar systemen bestaan waarbij informatie in de gegevensbank van de abonneegids mag worden opgenomen maar niet toegankelijk voor de gebruikers van de gidsdiensten mag worden gemaakt, moeten de klanten ook over deze systemen worden geïnformeerd.

(34)

Een concurrerende markt moet de kwaliteit van de door de eindgebruikers gevraagde dienstverlening waarborgen, maar in bijzondere gevallen moet er eventueel over worden gewaakt dat openbare communicatienetwerken aan minimumkwaliteitsniveaus voldoen teneinde achteruitgang van de dienstverlening, blokkering van de toegang en vertraging van het verkeer over de netwerken te voorkomen. Om te voldoen aan de eisen ten aanzien van de kwaliteit van diensten kunnen exploitanten procedures gebruiken om het verkeer op een netwerkverbinding te meten en vorm te geven, om te voorkomen dat het vermogen van de verbinding volledig wordt gebruikt of dat de verbinding oververzadigd raakt, hetgeen verstopping van het netwerk en slechte prestaties tot gevolg zou hebben. Nationale regelgevende instanties, die handelen overeenkomstig de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen, dienen deze procedures nauwkeurig te onderzoeken om zo ervoor te zorgen dat ze de concurrentie niet beperken, met name door discriminerend gedrag aan te pakken. Indien nodig kunnen de nationale regelgevende instanties ook minimumeisen voor de kwaliteit van de dienstverlening opleggen aan ondernemingen die openbare communicatienetwerken aanbieden, ten einde te waarborgen dat van het netwerk afhankelijke diensten en toepassingen tegen een minimale kwaliteitsnorm worden geleverd, wat door de Commissie kan worden onderzocht. De nationale regelgevende instanties dienen bevoegd te zijn om actie te ondernemen ten einde een achteruitgang van de dienstverlening, onder meer belemmering of vertraging van het verkeer ten nadele van de consumenten, aan te pakken. Aangezien onsamenhangende maatregelen de werking van de interne markt evenwel kunnen hinderen, moet de Commissie de eisen die door nationale regelgevende instanties worden gesteld voor eventueel regelgevend optreden in de hele Gemeenschap beoordelen en, indien nodig, opmerkingen of aanbevelingen formuleren om tot een samenhangende toepassing te komen.

(35)

In het geval van toekomstige IP-netwerken waarbij de levering van diensten kan worden gescheiden van de levering van het netwerk, moeten de lidstaten de meest geschikte maatregelen kunnen bepalen om de beschikbaarheid van openbare telefoondiensten te waarborgen met gebruikmaking van openbare communicatienetwerken en ononderbroken toegang tot noodhulpdiensten in gevallen waarbij het elektriciteitsnetwerk uitvalt of in geval van overmacht, rekening houdend met de prioriteiten van de verschillende soorten abonnees en met technische beperkingen.

(36)

Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers met een handicap kunnen profiteren van de mededinging en de keuze tussen aanbieders van diensten die de meerderheid van de eindgebruikers hebben, dienen de desbetreffende nationale instanties, indien nodig en in het licht van de nationale omstandigheden, te bepalen aan welke voorschriften inzake consumentenbescherming de aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten moeten voldoen. Die voorschriften kunnen, met name, inhouden dat ondernemingen ervoor moeten zorgen dat eindgebruikers met een handicap van hun diensten gebruik kunnen maken op dezelfde gelijkwaardige voorwaarden, prijzen en tarieven daaronder begrepen, als die welke aan hun andere eindgebruikers worden aangeboden, ongeacht de eventuele extra kosten die daarvoor gemaakt moeten worden. Zij kunnen ook voorschriften omvatten betreffende de wholesaleregelingen tussen ondernemingen.

(37)

Telefonischeassistentiediensten hebben betrekking op een groot aantal verschillende diensten voor eindgebruikers. Welke diensten in dat verband worden aangeboden wordt bepaald via onderhandelingen tussen de aanbieders van openbare communicatienetwerken en telefonischeassistentiediensten, zoals het geval is voor alle gebruikersondersteuningsdiensten, en het is niet nodig de levering van dergelijke diensten verplicht te stellen. De desbetreffende bepaling moet dus worden geschrapt.

(38)

Telefooninlichtingendiensten moeten onder concurrerende marktvoorwaarden worden aangeboden, en worden dat ook vaak, op grond van artikel 5 van Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (12). Wholesalemaatregelen om te zorgen voor opneming van de gegevens van eindgebruikers (zowel vast als mobiel) in gegevensbanken moeten voldoen aan de waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens, inclusief artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie). Er moet een kostengebaseerde levering van die gegevens aan aanbieders van diensten aanwezig zijn met de mogelijkheid dat de lidstaten een gecentraliseerd mechanisme opzetten voor de verstrekking van volledige gebundelde gegevens aan aanbieders van telefoonboeken, en de verlening van toegang tot het net op redelijke en transparante voorwaarden, om te waarborgen dat de eindgebruikers ten volle kunnen profiteren van de mededinging, met als uiteindelijk doel de volledige afschaffing van regulering van deze dienst op retailniveau mogelijk te maken en op redelijke en transparante voorwaarden gidsdiensten aan te bieden.

(39)

Eindgebruikers moeten toegang hebben tot de noodhulpdiensten met gebruikmaking van ongeacht welke telefoondienst waarmee telefoonoproepen kunnen worden geïnitieerd via een nummer of via nummers in de nationale of internationale telefoonnummerplannen. De lidstaten die nationale alarmnummers gebruiken naast het „112”-nummer mogen aan ondernemingen dezelfde verplichtingen voor toegang tot zulke nationale alarmnummers opleggen. De instantie die de noodsituatie behandelt, moet „112”-oproepen minimaal even snel en efficiënt kunnen beantwoorden en behandelen als oproepen naar nationale alarmnummers. Het is belangrijk het bewustzijn betreffende het bestaan van het „112”-nummer te vergroten teneinde het niveau van bescherming en veiligheid van burgers die reizen in de Europese Unie te versterken. Te dien einde moet aan de burger duidelijk worden gemaakt bij reizen in alle lidstaten dat het „112”-nummer in de hele Gemeenschap als een uniform alarmnummer kan worden gebruikt; dit moet met name gebeuren via informatie die wordt verstrekt in internationale busterminals, treinstations, havens of luchthavens en in telefoongidsen, telefooncellen, abonnementsdocumenten en afrekeningen. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar de Commissie moet voortgaan zowel met de ondersteuning als met de aanvulling van de initiatieven van de lidstaten om de bekendheid van „112” te bevorderen en de kennis ervan bij de bevolking periodiek te evalueren. Om de burger beter te beschermen, moet de verplichting worden versterkt om informatie over de locatie van de oproeper ter beschikking te stellen. Met name moeten ondernemingen locatiegegevens over de beller beschikbaar stellen aan de noodhulpdiensten zodra de oproep die dienst bereikt, ongeacht de gebruikte technologie. Om te kunnen reageren op technologische ontwikkelingen, met inbegrip van deze die resulteren in steeds nauwkeuriger informatie over de locatie van de oproeper, moet de Commissie technische uitvoeringsmaatregelen kunnen vaststellen om een doeltreffende toegang tot de „112”-diensten in de Gemeenschap te waarborgen in het belang van de burgers. Dergelijke maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de organisatie van de noodhulpdiensten in de lidstaten.

(40)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat ondernemingen die eindgebruikers een elektronischecommunicatiedienst aanbieden, die bestemd is voor uitgaande gesprekken via een nummer of een aantal nummers in een nationaal telefoonnummerplan, betrouwbare en accurate toegang leveren tot noodhulpdiensten, waarbij rekening wordt gehouden met nationale specificaties en criteria. Ondernemingen die onafhankelijk zijn van netwerken, hebben wellicht geen controle over netwerken en zouden niet kunnen waarborgen dat de routering van via hun dienst verrichte noodhulpoproepen met dezelfde betrouwbaarheid geschiedt, aangezien zij wellicht niet in staat zijn de beschikbaarheid van de dienst te garanderen omdat zij geen controle hebben over infrastructuurproblemen. Voor ondernemingen die onafhankelijk zijn van netwerken kan informatie over de locatie van de beller technisch niet altijd haalbaar zijn. Wanneer er internationaal erkende normen zijn vastgesteld die een nauwkeurige en betrouwbare routering en verbinding met de noodhulpdiensten waarborgen, moeten ondernemingen die onafhankelijk zijn van netwerken, ook voldoen aan de verplichtingen inzake informatie over de locatie van de beller, op een niveau dat vergelijkbaar is met de voorschriften voor andere ondernemingen.

(41)

De lidstaten moeten specifieke maatregelen treffen om te waarborgen dat de noodhulpdiensten, inclusief het „112”-nummer, gelijkelijk toegankelijk zijn voor eindgebruikersmet een handicap, met name gebruikers die doof of slechthorend zijn, spraakmoeilijkheden hebben of doofblind zijn. Dit kan inhouden dat speciale eindapparatuur voor slechthorende gebruikers wordt verstrekt of diensten die spraak omzetten in tekst („text relay”) of andere specifieke systemen worden aangeboden.

(42)

De ontwikkeling van de internationale code „3883” (de Europese Telefoonnummerruimte (ETNS)) wordt momenteel belemmerd door onvoldoende bewustzijn, al te bureaucratische procedurele eisen en bijgevolg onvoldoende vraag. Om de ontwikkeling van de ETNS te bevorderen, moeten de lidstaten waaraan de Internationale Telecommunicatie Unie de internationale code „3883” heeft toegewezen, naar het voorbeeld van de toepassing van het topleveldomein „.eu”, de verantwoordelijkheid voor het beheer daarvan, de toewijzing van nummers en promotie overdragen aan een bestaande afzonderlijke organisatie die door de Commissie wordt aangewezen na een open, transparante en niet-discriminerende selectieprocedure. Deze organisatie zou ook moeten worden belast met de ontwikkeling van voorstellen voor openbarediensttoepassingen op grond van ETNS voor gemeenschappelijke Europese diensten, zoals een gemeenschappelijk nummer voor de melding van diefstallen van mobiele terminals.

(43)

Gezien de specifieke aspecten betreffende het melden van vermiste kinderen en het feit dat dergelijke dienst momenteel slechts in beperkte mate beschikbaar is, moeten de lidstaten hiervoor niet alleen een nummer voorbehouden, maar moeten ze ook alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat op hun grondgebied zo spoedig mogelijk daadwerkelijk een meldpunt voor vermiste kinderen beschikbaar is op het nummer 116000. Hiertoe kunnen de lidstaten indien nodig onder meer aanbestedingsprocedures organiseren om belangstellenden uit te nodigen deze dienst te verlenen.

(44)

Spraaktelefonische oproepen blijven de meest solide en betrouwbare vorm van toegang tot noodhulpdiensten. Andere contactvormen, zoals tekstberichten, kunnen minder betrouwbaar zijn en kunnen lijden aan een gebrek aan directheid. De lidstaten moeten evenwel vrij zijn om, als zij dit nodig achten, de ontwikkeling en uitvoering van andere vormen van toegang tot noodhulpdiensten te bevorderen waarmee toegang kan worden gegarandeerd die gelijkwaardig is aan toegang via spraaktelefonische oproepen.

(45)

Overeenkomstig haar Beschikking 2007/116/EG van 15 februari 2007 inzake het reserveren van de nationale nummerreeks die begint met „116” voor geharmoniseerde nummers voor geharmoniseerde diensten met een maatschappelijke waarde (13), heeft de Commissie de lidstaten verzocht nummers binnen de nummerreeks „116” voor te behouden voor bepaalde diensten met een maatschappelijke waarde. De relevante bepalingen van Beschikking 2007/116/EG moeten terug te vinden zijn in Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) ten einde ze steviger te verankeren in het regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en ook de toegang voor eindgebruikers met een handicap te vergemakkelijken.

(46)

De interne markt houdt in dat de eindgebruikers toegang hebben tot alle nummers die zijn opgenomen in de nationale nummerplannen van andere lidstaten, en toegang krijgen tot diensten met gebruikmaking van niet-geografische nummers binnen de Gemeenschap, met inbegrip van onder meer freephone-nummers en betaalnummers. Eindgebruikers moeten ook toegang kunnen krijgen tot nummers van de Europese telefoonnummerruimte (ETNS) en tot universele internationale freephone-nummers (UIFN). Er mag geen beperking zijn op de grensoverschrijdende toegang tot nummercapaciteit en de daarmee verband houdende diensten, tenzij in objectief gerechtvaardigde gevallen, bijvoorbeeld wanneer dit nodig is om fraude of misbruik te bestrijden, zoals bij bepaalde betaalnummerdiensten, wanneer het nummer uitsluitend als een nationaal nummer is gedefinieerd (bv. nationale verkorte doorkiesnummers), of wanneer dit technisch of economisch gezien niet haalbaar is. De gebruikers moeten van tevoren duidelijk worden geïnformeerd over alle kosten in verband met freephone-nummers, zoals internationale oproepkosten voor nummers die toegankelijk zijn via de standaard internationale oproepcodes.

(47)

Om ten volle te kunnen profiteren van de mededinging, moeten de consumenten geïnformeerde keuzes kunnen maken en van dienstenleverancier kunnen veranderen wanneer dat in hun voordeel is. Het is essentieel dat zij dit kunnen doen zonder gehinderd te worden door juridische, technische of praktische belemmeringen, zoals contractuele voorwaarden, procedures, heffingen, enz. Dit sluit niet uit dat in contracten met consumenten een redelijke minimumcontractperiode wordt opgenomen. Nummerportabiliteit is cruciaal om de keuzevrijheid van de consument te vergemakkelijken en een daadwerkelijke mededinging op de concurrerende markten voor elektronische communicatie te waarborgen, en moet onverwijld worden uitgevoerd opdat het nummer binnen één werkdag geactiveerd en operationeel is en de gebruiker het niet langer dan één werkdag zonder de betreffende diensten moet stellen. De nationale regelgevende instanties kunnen het totaalproces voor het overdragen van nummers voorschrijven met inachtneming van nationale bepalingen inzake contracten en technologische ontwikkelingen. De ervaring in sommige lidstaten heeft geleerd dat het risico bestaat dat consumenten te maken krijgen met een verandering van aanbieder zonder hun instemming. Dit is een kwestie die voornamelijk door de rechtshandhavingsautoriteiten moet worden aangepakt, maar de lidstaten moeten met betrekking tot het overschakelingsproces de passende minimummaatregelen kunnen opleggen, onder meer adequate sancties, die nodig zijn om het genoemde risico zo veel mogelijk te beperken, en ervoor kunnen zorgen dat consumenten gedurende het gehele overschakelproces worden beschermd zonder het proces minder aantrekkelijk voor consumenten te maken.

(48)

Er kunnen wettelijke doorgifteverplichtingen („must-carry”) worden opgelegd met betrekking tot welbepaalde radio- en televisieomroepkanalen en extra faciliteiten die door een gespecificeerde aanbieder van mediadiensten worden aangeboden. De lidstaten moeten dergelijke doorgifteverplichtingen duidelijk motiveren in hun nationale wetgeving zodat wordt gewaarborgd dat zij transparant, evenredig en correct gedefinieerd zijn. In dat verband moeten de doorgifteverplichtingen ontworpen zijn om een afdoende stimulans voor efficiënte investeringen in infrastructuur te leveren. De doorgifteverplichtingen moeten op gezette tijden worden herzien om ze aan te passen aan de technologische en marktontwikkelingen en ervoor te zorgen dat zij evenredig blijven met het beoogde doel. De extra faciliteiten omvatten, maar zijn niet beperkt tot, diensten voor betere toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap, zoals videotekstdiensten, ondertiteling, audiobeschrijving of gebarentaal.

(49)

Teneinde bestaande tekortkomingen qua raadpleging van de consumenten te verhelpen en op passende wijze aan de belangen van de burger te voldoen, moeten de lidstaten een geschikt raadplegingsmechanisme opzetten. Een dergelijk mechanisme kan de vorm aannemen van een orgaan dat, onafhankelijk van de nationale regelgevende instantie én van de dienstenleveranciers, onderzoek uitvoert over consumentenkwesties, zoals consumentengedrag en mechanismen voor het veranderen van dienstenleverancier, dat op een transparante wijze functioneert en de bestaande mechanismen voor raadpleging van de belanghebbenden aanvult. Bovendien kan een mechanisme worden ingesteld om adequate samenwerking mogelijk te maken inzake kwesties die verband houden met de bevordering van wettelijke inhoud. Samenwerkingsprocedures die op grond van zo’n mechanisme tot stand komen, mogen evenwel geen stelselmatig toezicht op internetgebruik toestaan.

(50)

De Commissie moet in kennis worden gesteld van de openbaredienstverplichtingen die worden opgelegd aan aangewezen ondernemingen met openbaredienstverplichtingen.

(51)

Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) voorziet in de harmonisering van de regelgeving van de lidstaten, die nodig is om een gelijk niveau te waarborgen van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden, met name het recht op privéleven en het recht op vertrouwelijkheid, bij de verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie, en om te zorgen voor vrij verkeer van dergelijke gegevens en van elektronischecommunicatieapparatuur en -diensten in de Gemeenschap. Wanneer maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat bij de bouw van eindapparatuur de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer wordt gewaarborgd overeenkomstig Richtlijn 1999/5/EG of Beschikking 87/95/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de normalisatie op het gebied van de informatietechnologieën en de telecommunicatie (14), moet het beginsel van technologische neutraliteit in acht worden genomen.

(52)

De ontwikkelingen inzake het gebruik van IP-adressen moeten van nabij gevolgd worden, met inachtname van het werk dat reeds gedaan is, onder meer door de werkgroep voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens ingesteld overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (15), en tegen de achtergrond van de voorstellen die eventueel passend zijn.

(53)

De verwerking van verkeersgegevens voor zover die strikt noodzakelijk is met het oog op netwerk- en informatiebeveiliging, d.w.z. dat een netwerk of informatiesysteem op een bepaald vertrouwelijkheidsniveau kan weerstaan aan incidentele gebeurtenissen of onwettige of kwaadaardige acties die de beschikbaarheid, authenticiteit, integriteit en vertrouwelijkheid van opgeslagen of overgedragen gegevens in het gedrang brengen, en de beveiliging van de desbetreffende diensten die door deze netwerken en systemen worden geboden of via deze toegankelijk zijn, door aanbieders van beveiligingstechnologie en -diensten die handelen als gegevenscontroleurs, zijn onderworpen aan de bepalingen van artikel 7, onder f), van Richtlijn 95/46/EG. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van het verhinderen van onbevoegde toegang tot elektronischecommunicatienetwerken en van verspreiding van kwaadaardige codes, alsook van het stoppen van „denial of service”- aanvallen en van schade aan computers en elektronischecommunicatiesystemen.

(54)

De liberalisering van de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de snelle technologische ontwikkelingen hebben samen een krachtige stimulans gegeven voor de mededinging en de economische groei en hebben geresulteerd in een rijke diversiteit van via openbare elektronischecommunicatienetwerken aangeboden eindgebruikersdiensten. Er moet op worden toegezien dat consumenten en gebruikers eenzelfde hoog niveau van bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer wordt geboden, ongeacht de technologie die wordt gebruikt om een specifieke dienst te leveren.

(55)

Conform de doelstellingen van het regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, en het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel, en met het oog op rechtszekerheid en doelmatigheid voor het Europese bedrijfsleven en de nationale regelgevingsinstanties, heeft Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) uitsluitend betrekking op openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, en is zij niet van toepassing op besloten gebruikersgroepen en bedrijfsnetwerken.

(56)

De technologische vooruitgang maakt de ontwikkeling mogelijk van nieuwe toepassingen die zijn gebaseerd op systemen voor gegevensverzameling en identificatie, zoals contactloze radiofrequentiesystemen. RFID-systemen (Radio Frequency Identification Devices) bijvoorbeeld maken gebruik van radiofrequenties om gegevens op te vangen van op unieke wijze geïdentificeerde RFI-chips, gegevens die vervolgens kunnen worden verstuurd over bestaande communicatienetwerken. Een breed gebruik van dergelijke technologieën kan aanzienlijke economische en maatschappelijke baten opleveren en kan dus een krachtige bijdrage leveren voor de interne markt, op voorwaarde dat hun gebruik aanvaardbaar is voor de burger. Om dat doel te bewerkstelligen, is het noodzakelijk al de fundamentele rechten van het individu, inclusief het recht op privacy en gegevensbescherming, te waarborgen. Wanneer dergelijke systemen aan openbare elektronischecommunicatienetwerken worden gekoppeld of gebruikmaken van elektronischecommunicatiediensten als basisinfrastructuur gelden de relevante bepalingen van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), inclusief die in verband met veiligheids-, verkeers- en locatiegegevens en vertrouwelijkheid.

(57)

De aanbieder van een openbare elektronischecommunicatiedienst moet passende technische en organisatorische maatregelen treffen om de veiligheid van zijn diensten te garanderen. Onverminderd Richtlijn 95/46/EG moet er met deze maatregelen voor worden gezorgd dat alleen gemachtigd personeel voor wettelijk toegestane doeleinden toegang tot de persoonsgegevens heeft en dat zowel de opgeslagen of verzonden persoonsgegevens als het netwerk en de diensten beschermd zijn. Bovendien moet er een veiligheidsbeleid met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens worden uitgewerkt om kwetsbare punten in het systeem vast te stellen, moet er op regelmatige basis worden gezorgd voor monitoring en preventieve, corrigerende en temperende maatregelen.

(58)

De bevoegde nationale instanties moeten de belangen van de burgers bevorderen door, onder meer, bij te dragen tot een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens en privacy. Te dien einde moeten de bevoegde instanties over de nodige middelen beschikken om hun verplichtingen na te komen, met inbegrip van alomvattende en betrouwbare gegevens over beveiligingsincidenten die hebben geresulteerd in de compromittering van de persoonsgegevens van individuen. De bevoegde nationale instanties moeten toezicht op de genomen maatregelen houden en optimale werkmethoden onder aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten verspreiden. Aanbieders moeten dan ook een register bijhouden van overtredingen in verband met persoonlijke gegevens, om nadere analyse en beoordeling door de bevoegde nationale instanties mogelijk te maken.

(59)

De Gemeenschapswetgeving legt gegevenscontroleurs plichten op in verband met de verwerking van persoonsgegevens, onder meer de verplichting passende technische en organisatorische maatregelen tegen bijvoorbeeld het verlies van gegevens toe te passen. De in Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) opgenomen eisen betreffende de melding van inbreuken in verband met gegevens voorzien in een structuur om de bevoegde autoriteiten en de betrokken personen te melden wanneer ondanks alles persoonsgegevens gecompromitteerd werden. Deze meldingseisen zijn beperkt tot beveiligingsinbreuken die zich in de sector elektronische communicatie voordoen. De melding van beveiligingsinbreuken betreft evenwel het algemene belang van het feit dat burgers ingelicht worden over beveiligingstekortkomingen die kunnen resulteren in het verlies of de compromittering van hun persoonsgegevens, alsook over beschikbare of aan te raden voorzorgen die zij kunnen nemen om de eventuele economische verliezen of sociale schade als gevolg van dergelijke tekortkomingen tot een minimum te beperken. Het belang van gebruikers om te worden ingelicht is duidelijk niet beperkt tot de sector elektronische communicatie, en bijgevolg moeten op Gemeenschapsniveau prioritair expliciete, verplichte meldingseisen worden ingevoerd die in alle sectoren gelden. In afwachting van een door de Commissie uit te voeren evalutatie van alle relevante Gemeenschapswetgeving op dit gebied moet de Commissie, in overleg met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, onverwijld passende maatregelen nemen ter bevordering van de beginselen inzake melding van inbreuken betreffende gegevens uit Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), ongeacht de sector of het soort gegevens.

(60)

De bevoegde nationale instanties moeten toezicht op de genomen maatregelen houden en beste praktijken onder aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten verspreiden.

(61)

Een inbreuk op de persoonlijke gegevens kan, wanneer dit probleem niet tijdig en op toereikende wijze wordt aangepakt, voor de betrokken abonnee of persoon aanzienlijk economisch verlies en maatschappelijke schade, inclusief identiteitsfraude, tot gevolg hebben. Derhalve moet de aanbieder van openbare elektronischecommunicatiediensten, zodra hij kennis van een dergelijke inbreuk heeft, deze inbreuk aan de bevoegde nationale instantie melden. Abonnees of personen wier persoonsgegevens of privacy als gevolg van de inbreuk kunnen worden geschaad, moeten daarvan onverwijld in kennis worden gesteld zodat zij de nodige voorzorgsmaatregelen kunnen treffen. Een inbreuk moet als schadelijk voor de persoonsgegevens of het privéleven van een abonnee of persoon worden beschouwd, wanneer er bijvoorbeeld identiteitsdiefstal of -fraude, lichamelijke schade, ernstige vernedering of aantasting van de reputatie, met betrekking tot de levering van openbare communicatiediensten in de Gemeenschap het gevolg ervan kan zijn. De kennisgeving moet informatie bevatten over de door de aanbieder van de dienst genomen maatregelen om de inbreuk aan te pakken, evenals aanbevelingen voor de betrokken abonnee of persoon.

(62)

Bij de uitvoering van maatregelen tot omzetting van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) dienen de autoriteiten en rechtbanken van de lidstaten niet enkel hun nationaal recht overeenkomstig die richtlijn uit te leggen, maar dienen zij er tevens voor te zorgen dat zij zich niet baseren op een uitlegging ervan die strijdig zou zijn met fundamentele rechten of algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, zoals het evenredigheidsbeginsel.

(63)

Er dient te worden bepaald dat technische uitvoeringsmaatregelen moeten worden vastgesteld in verband met de omstandigheden, het formaat en de procedures die gelden voor informatie- en kennisgevingseisen om te komen tot een passend niveau van bescherming van de persoonlijke levenssfeer en beveiliging van persoonsgegevens die worden verstuurd via of verwerkt in elektronischecommunicatienetwerken binnen de interne markt.

(64)

Bij de vaststelling van gedetailleerde regels betreffende het formaat en de procedures voor het melden van inbreuken in verband met persoonsgegevens moet de nodige aandacht worden besteed aan de omstandigheden van de inbreuk, onder meer aan de vraag of de persoonsgegevens al dan niet met behulp van adequate technische beschermingsmaatregelen waren beschermd zodat de waarschijnlijkheid van identiteitsfraude of andere vormen van misbreuk in de praktijk kon worden beperkt. Bovendien moet bij dergelijke regels en procedures rekening worden gehouden met de rechtmatige belangen van de rechtshandhavingsautoriteiten in gevallen waarin vroegtijdige melding van incidenten nodeloos het onderzoek naar de omstandigheden van een inbreuk zou hinderen.

(65)

Software om heimelijk de handelingen van de gebruiker te monitoren of de werking van de eindapparatuur van de gebruiker ten bate van derden te beïnvloeden („spyware”) vormt, evenals virussen, een ernstige bedreiging voor de privacy van de gebruiker. Een hoog en gelijk niveau van bescherming van de persoonlijke levenssfeer moet worden gewaarborgd, ongeacht of ongewenste spionageprogramma’s of virussen onbedoeld worden gedownload via elektronischecommunicatienetwerken, dan wel verborgen in programmatuur die wordt verspreid via andere externe media voor gegevensopslag, zoals cd’s, cd-rom’s of USB-sticks worden afgeleverd en geïnstalleerd. De lidstaten moeten de verstrekking van informatie over beschikbare voorzorgsmaatregelen aan de eindgebruikers aanmoedigen, en hen eveneens aanmoedigen de nodige maatregelen te nemen om hun eindapparatuur te beschermen tegen virussen en spyware.

(66)

Het is mogelijk dat derden informatie op de apparatuur van een gebruiker willen installeren of toegang tot reeds opgeslagen informatie willen krijgen, dit om tal van redenen, gaande van wettige handelingen (b.v. bepaalde types cookies) tot ongeoorloofde indringing in de privésfeer (b.v. spyware of virussen). Daarom is het van kapitaal belang dat gebruikers duidelijke en omvattende informatie krijgen wanneer zij een handeling stellen die kan resulteren in een dergelijke opslag of toegang. De wijze waarop informatie wordt gegeven en een recht van weigering wordt aangeboden moet zo gebruikersvriendelijk mogelijk zijn. Uitzonderingen op de verplichting om informatie te geven en een recht van weigering aan te bieden moeten worden beperkt tot situaties waarbij de technische opslag of toegang strikt noodzakelijk is voor het wettige doel of om het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker heeft verzocht. Wanneer dit technisch mogelijk en doeltreffend is, kan, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Richtlijn 95/46/EG, de toestemming van de gebruiker met verwerking worden uitgedrukt door gebruik te maken van de desbetreffende instellingen van een browser of een andere toepassing. Deze bepalingen moeten doeltreffender worden afgedwongen via uitgebreide bevoegdheden die aan de desbetreffende nationale instanties worden verleend.

(67)

Maatregelen om abonnees te beschermen tegen indringing in hun privéleven door ongevraagde mededelingen voor directmarketingdoeleinden door middel van e-mail zijn ook van toepassing op SMS, MMS en andere soortgelijke toepassingen.

(68)

Om ongevraagde commerciële communicatie („spam”) te bestrijden doen aanbieders van elektronischecommunicatiediensten aanzienlijke investeringen. Bedoelde aanbieders zijn ook beter geplaatst dan de eindgebruikers qua kennis en middelen om spammers op te sporen en te identificeren. De aanbieders van e-maildiensten en andere aanbieders van diensten moeten derhalve over de mogelijkheid beschikken om een rechtsvordering in te leiden tegen spammers en zo de belangen van hun klanten als onderdeel van hun eigen rechtmatige ondernemingsbelangen, te verdedigen.

(69)

Aangezien een toereikend niveau van bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonsgegevens, verzonden en verwerkt in het kader van het gebruik van elektronischecommunicatienetwerken in de Gemeenschap, moet worden gewaarborgd, doet de noodzaak zich gevoelen van effectieve tenuitvoerleggings- en handhavingsbevoegdheden teneinde adequate nalevingsstimulansen te leveren. De bevoegde nationale instanties en, in voorkomend geval, andere relevante nationale organen, moeten over afdoende bevoegdheden en middelen beschikken om inbreuken daadwerkelijk aan een onderzoek te onderwerpen, inclusief de bevoegdheid om in verband met klachten alle benodigde relevante informatie op te vragen en sancties in geval van niet-naleving op te leggen.

(70)

Voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de bepalingen van deze richtlijn is vaak samenwerking tussen de nationale regelgevingsinstanties van twee of meer lidstaten nodig, bijvoorbeeld bij de bestrijding van grensoverschrijdende spam en spyware. Met het oog op een vlotte en snelle samenwerking in deze gevallen, moeten door de desbetreffende nationale instanties procedures worden omschreven, die door de Commissie moeten worden onderzocht, bijvoorbeeld in verband met de hoeveelheid en het formaat van de tussen instanties uitgewisselde informatie of de in acht te nemen termijnen. Met dergelijke procedures zullen ook de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor marktactoren kunnen worden geharmoniseerd, hetgeen bijdraagt tot de totstandbrenging van gelijke mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap.

(71)

De grensoverschrijdende samenwerking en handhaving moeten worden versterkt in overeenstemming met de bestaande communautaire wetshandhavingsmechanismen, zoals neergelegd in Verordening (EG) nr. 2006/2004 (verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming) (16) door middel van een wijziging van die verordening.

(72)

De voor de uitvoering van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) en Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (17).

(73)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven uitvoeringsmaatregelen betreffende de daadwerkelijke toegang tot „112”-diensten vast te stellen, evenals ten einde de bijlagen aan de vooruitgang van de techniek en veranderingen in de marktvraag aan te passen. Zij moet ook de bevoegdheid worden gegeven uitvoeringsmaatregelen betreffende informatie- en kennisgevingseisen en veiligheid van de verwerking vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) en Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) door hen aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten ze worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing. Gezien het feit dat het voeren van de regelgevingsprocedure met toetsing binnen de normale termijn in bepaalde uitzonderlijke gevallen de tijdige aanneming van uitvoeringsmaatregelen zou kunnen belemmeren, moeten het Europees Parlement, de Raad en de Commissie snel handelen om ervoor te zorgen dat deze maatregelen tijdig worden aangenomen.

(74)

Bij het aannemen van de uitvoeringsmaatregelen inzake de veiligheid van de verwerking moet de Commissie alle betrokken Europese overheden en organisaties (het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA), de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de werkgroep voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens ingesteld overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 95/46/EG), alsmede alle andere relevante belanghebbenden raadplegen, met name om informatie in te winnen over de beste beschikbare technische en economische methoden om de toepassing van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) te verbeteren.

(75)

Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) en Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(76)

Overeenkomstig punt 34 van het interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” (18) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) en Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn)

Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

1.   Binnen het kader van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) heeft deze richtlijn betrekking op het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan eindgebruikers. Doel van deze richtlijn is ervoor te zorgen dat door middel van daadwerkelijke mededinging en keuzevrijheid in de gehele Gemeenschap diensten van hoge kwaliteit tegen een betaalbare prijs algemeen beschikbaar zijn, en maatregelen vast te stellen voor situaties waarin de markt niet op bevredigende wijze in de behoeften van eindgebruikers voorziet. De richtlijn bevat tevens bepalingen betreffende bepaalde aspecten van eindapparatuur, onder meer bepalingen bedoeld om de toegang van eindgebruikers met een handicap te vergemakkelijken.

2.   Deze richtlijn regelt de rechten van eindgebruikers en dienovereenkomstig de plichten van ondernemingen die openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten aanbieden. Ter zake van het leveren van de universele dienst op open en concurrerende markten wordt in deze richtlijn het minimumpakket van diensten van gespecificeerde kwaliteit vastgelegd waartoe alle eindgebruikers toegang hebben tegen een in het licht van de specifieke nationale omstandigheden betaalbare prijs en zonder concurrentieverstoring te veroorzaken. Deze richtlijn voorziet voorts in verplichtingen inzake het leveren van bepaalde verplichte diensten.

3.   Deze richtlijn voorziet niet in en verbiedt evenmin voorwaarden die aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten aan eindgebruikers opleggen, waarbij de toegang tot en/of het gebruik van diensten en toepassingen wordt beperkt, indien deze krachtens de nationale wetgeving zijn toegestaan en in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht, maar verplicht wel tot het verstrekken van informatie over dergelijke voorwaarden. Nationale maatregelen betreffende toegang tot of gebruik van diensten en toepassingen door de gebruikers via elektronische communicatienetwerken moeten de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen eerbiedigen, waaronder het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op een eerlijk proces, zoals bepaald in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.   De bepalingen in deze richtlijn betreffende de rechten van eindgebruikers gelden onverminderd de communautaire voorschriften inzake consumentenbescherming, met name de Richtlijnen 93/13/EEG en 97/7/EG, en de nationale voorschriften die met het Gemeenschapsrecht in overeenstemming zijn.”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt b) wordt geschrapt;

b)

punten c) en d) worden vervangen door:

„c)

„openbare telefoondienst”: een voor het publiek beschikbaar gestelde dienst voor rechtstreeks of onrechtstreeks uitgaande en binnenkomende nationale of nationale en internationale gesprekken, met behulp van een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal telefoonnummerplan;

d)

„geografisch nummer”: een nummer van een nationaal telefoonnummerplan waarvan een deel van de cijferstructuur een geografische betekenis heeft die wordt gebruikt voor het routeren van gesprekken naar de fysieke locatie van het netwerkaansluitpunt (NAP);”;

c)

punt e) wordt geschrapt;

d)

punt f) wordt vervangen door:

„f)

„niet-geografisch nummer”: een nummer van een nationaal telefoonnummerplan dat geen geografisch nummer is. Het betreft hier onder meer nummers voor mobiel bellen, kosteloze nummers en betaalnummers.”.

3)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

Aanbieding van toegang op een vaste locatie en aanbieding van telefoondiensten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat aan alle redelijke aanvragen om aansluiting op een vaste locatie op een openbaar communicatienetwerk door ten minste één onderneming wordt voldaan.

2.   De geleverde aansluiting ondersteunt spraak-, fax- en datacommunicatie, met datasnelheden die toereikend zijn voor functionele toegang tot het internet, rekening houdend met de voor de meerderheid van de abonnees gangbare technologieën en met de technologische haalbaarheid.

3.   De lidstaten waken erover dat aan alle redelijke aanvragen voor de levering van een voor het publiek beschikbare telefoondienst over de in lid 1 bedoelde netwerkaansluiting, die uitgaande en binnenkomende nationale en internationale gesprekken mogelijk maakt, door ten minste één onderneming wordt voldaan.”.

4)

In artikel 5 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   In de in lid 1 bedoelde telefoongidsen worden onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (19) alle abonnees van openbare telefoondiensten vermeld.

5)

De titel en lid 1 van artikel 6 worden vervangen door:

„Openbare betaaltelefoons en andere openbare toegangspunten voor spraaktelefonie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties ondernemingen verplichtingen kunnen opleggen teneinde te waarborgen dat openbare betaaltelefoons of andere openbare toegangspunten voor spraaktelefonie worden geïnstalleerd om te voorzien in de redelijke behoeften van de eindgebruikers, zowel wat geografische spreiding als wat het aantal telefooncellen of andere toegangspunten, toegankelijkheid voor gebruikers met een handicap en de kwaliteit van de diensten betreft.”.

6)

Artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

Bijzondere maatregelen voor eindgebruikers met een handicap

1.   Tenzij in hoofdstuk IV eisen zijn bepaald die een gelijkwaardig effect bewerkstelligen, treffen de lidstaten bijzondere maatregelen teneinde ervoor te zorgen dat eindgebruikers met een handicap een betaalbare toegang hebben tot de in artikel 4, lid 3, en artikel 5 bedoelde diensten, die gelijkwaardig is aan het niveau van andere eindgebruikers. De lidstaten kunnen nationale regelgevende instanties verplichten de algemene noodzaak en de specifieke eisen te beoordelen, met inbegrip van de omvang en concrete vorm van dergelijke specifieke maatregelen voor eindgebruikers met een handicap.

2.   De lidstaten kunnen, in het licht van de nationale omstandigheden, specifieke maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat eindgebruikers met een handicap eveneens kunnen profiteren van de keuze tussen ondernemingen en aanbieders van diensten die voor het merendeel van de eindgebruikers beschikbaar zijn.

3.   Door middel van de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen bevorderen de lidstaten de naleving van de relevante normen of specificaties die zijn gepubliceerd overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).”.

7)

In artikel 8 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

„3.   Wanneer een overeenkomstig lid 1 aangewezen onderneming voornemens is een belangrijk deel of het geheel van haar netwerk voor locale toegang af te stoten naar een afzonderlijke juridische entiteit met een ander eigenaarschap, stelt zij de nationale regelgevende instantie daarvan tijdig op de hoogte zodat die instantie het effect van de geplande transactie kan afwegen op de levering van toegang op vaste locaties en van telefoondiensten overeenkomstig artikel 4. De nationale regelgevende instantie kan in dit verband voorwaarden opleggen overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn).”.

8)

In artikel 9 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.   De nationale regelgevende instanties houden toezicht op de ontwikkeling en het niveau van de tarieven voor de eindgebruiker van de in de artikelen 4 tot en met 7 omschreven diensten die onder de universeledienstverplichtingen vallen en door aangewezen ondernemingen worden verstrekt, of, als er geen onderneming in verband met dergelijke diensten is aangewezen, die op een andere wijze op de markt beschikbaar zijn, met name met betrekking tot de nationale consumentenprijzen en inkomens.

2.   In het licht van de nationale omstandigheden kunnen de lidstaten verlangen dat de aangewezen ondernemingen de consument tariefopties of -pakketten aanbieden die afwijken van die welke onder de gebruikelijke commerciële voorwaarden worden verstrekt, met name om ervoor te zorgen dat consumenten met een laag inkomen of met bijzondere sociale behoeften niet wordt verhinderd gebruik te maken van de in artikel 4, lid 1, bedoelde netwerktoegang of van de diensten die in artikel 4, lid 3, en de artikelen 5, 6 en 7 zijn aangemerkt als vallend onder de universeledienstverplichtingen en die door de aangewezen ondernemingen worden aangeboden.”.

9)

Artikel 11, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   De nationale regelgevende instanties kunnen prestatiedoelstellingen vaststellen voor de ondernemingen met universeledienstverplichtingen. Daarbij houden de nationale regelgevende instanties rekening met de standpunten van de belanghebbende partijen, met name zoals bedoeld in artikel 33.”.

10)

De titel van hoofdstuk III wordt vervangen door:

11)

Artikel 16 wordt geschrapt.

12)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties passende voorgeschreven verplichtingen opleggen aan ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht op een specifieke eindgebruikersmarkt overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) indien:

a)

na een marktanalyse overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) een nationale regelgevende instantie vaststelt dat er op een gegeven eindgebruikersmarkt, aangewezen overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), geen sprake is van daadwerkelijke mededinging, en

b)

de nationale regelgevende instantie vaststelt dat de verplichtingen die worden opgelegd door de artikelen 9 tot en met 13 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn) niet leiden tot verwezenlijking van de doelstellingen zoals bepaald bij artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).”;

b)

lid 3 wordt geschrapt.

13)

De artikelen 18 en 19 worden geschrapt.

14)

De artikelen 20 tot en met 23 worden vervangen door:

„Artikel 20

Contracten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de consumenten en andere hierom verzoekende eindgebruikers die zich abonneren op diensten waarbij een aansluiting tot het openbare communicatienetwerk en/of openbare elektronischecommunicatiediensten worden aangeboden, recht hebben op een contract met een onderneming of ondernemingen die dergelijke aansluiting en/of diensten aanbieden. In het contract worden ten minste de volgende elementen in een heldere, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm gespecificeerd:

a)

de identiteit en het adres van de onderneming;

b)

de verstrekte diensten, met name:

het al dan niet bieden van toegang tot noodhulpdiensten en gegevens over de plaats waar de beller zich bevindt, en eventuele beperkingen van de geboden noodhulpdiensten overeenkomstig artikel 26;

informatie over eventuele beperkingen inzake toegang tot en/of gebruik van diensten en toepassingen, indien zulks volgens de nationale wetgeving overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving toegestaan is;

de minimumkwaliteitsniveaus van de geboden diensten, te weten de wachttijd bij eerste aansluiting en, in voorkomend geval, andere parameters voor de kwaliteit van de dienst, zoals gedefinieerd door de nationale regelgevende instanties;

door de onderneming ingestelde procedures om het verkeer te meten en te sturen, om te voorkomen dat een netwerkaansluiting tot haar maximum wordt gevuld of overloopt, en over de wijze waarop deze procedures gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van de dienstverlening;

het type van de aangeboden onderhoudsdiensten en de verstrekte klantondersteuningsdiensten alsmede de wijzen waarop contact met deze diensten kan worden opgenomen;

alle beperkingen die de leverancier heeft opgelegd met betrekking tot het gebruik van geleverde eindapparatuur;

c)

in geval van een verplichting in de zin van artikel 25, de keuzemogelijkheden van de abonnee met betrekking tot de vraag of zijn persoonsgegevens in een gids al dan niet zullen worden opgenomen, en de gegevens in kwestie;

d)

bijzonderheden van prijzen en tarieven, de middelen voor het verkrijgen van actuele informatie over alle geldende tarieven en onderhoudskosten, aangeboden betalingsmethoden en verschillen qua kosten als gevolg van de betalingsmethode;

e)

de looptijd van het contract en de voorwaarden voor verlenging en beëindiging van de diensten en van het contract, inclusief:

het minimale gebruik of de minimale gebruiksperiode die eventueel vereist is om van speciale aanbiedingen te kunnen genieten;

alle kosten in verband met de portabiliteit van nummers en andere identificatoren;

alle kosten die bij de beëindiging van het contract verschuldigd zijn, inclusief elke terugvordering van kosten met betrekking tot eindapparatuur;

f)

de schadevergoedings- en terugbetalingsregelingen die gelden ingeval niet aan contractueel overeengekomen kwaliteitsniveaus van de dienst wordt voldaan;

g)

de wijze waarop geschillenbeslechtingsprocedures kunnen worden ingesteld overeenkomstig artikel 34;

h)

het type actie dat door de onderneming kan worden ondernomen in reactie op beveiligings- en integriteitsincidenten of bedreigingen en kwetsbaarheden.

De lidstaten mogen ook voorschrijven dat het contract alle eventueel daartoe door de bevoegde overheidsinstanties verstrekte informatie over het gebruik van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten voor onwettige activiteiten of de verspreiding van schadelijke inhoud en over beschermingsmaatregelen tegen gevaren voor de persoonlijke veiligheid, de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens bevat waarnaar in artikel 21, lid 4, wordt gewezen en die van toepassing is op de aangeboden dienst.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat abonnees zonder boete hun contract kunnen opzeggen wanneer zij op de hoogte worden gesteld van wijzigingen in de voorwaarden die worden voorgesteld door de onderneming die de elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten verstrekt. De abonnees worden tijdig en ten minste één maand vooraf naar behoren op de hoogte gesteld van dergelijke wijzigingen en worden tegelijkertijd op de hoogte gesteld van hun recht om zonder boete hun contract op te zeggen indien zij de nieuwe voorwaarden niet aanvaarden. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties het formaat van dergelijke kennisgevingen kunnen specificeren.

Artikel 21

Transparantie en bekendmaking van informatie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken en/of openbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden, kunnen verplichten transparante, vergelijkbare, toereikende en bijgewerkte informatie over de geldende prijzen en tarieven, eventuele in rekening gebrachte kosten bij beëindiging van een overeenkomst en de algemene voorwaarden bekend te maken in verband met de toegang tot en het gebruik van door hen overeenkomstig bijlage II aan de eindgebruikers en aan de consumenten aangeboden diensten. Dergelijke informatie is duidelijk en volledig en wordt bekendgemaakt in een gemakkelijk toegankelijke vorm. De nationale regelgevende instanties kunnen voorschriften vaststellen ten aanzien van de vorm waarin dergelijke informatie bekend moet worden gemaakt.

2.   De nationale regelgevende instanties bevorderen het verstrekken van vergelijkbare informatie om eindgebruikers en consumenten bijvoorbeeld met behulp van interactieve gidsen of soortgelijke technieken in staat te stellen zich een onafhankelijk oordeel te vormen over de kosten van een alternatief gebruikspatroon. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer dergelijke faciliteiten niet kosteloos of voor een redelijke prijs op de markt beschikbaar zijn, de nationale regelgevende instanties deze gidsen of technieken zelf of via derden beschikbaar kunnen maken. Derden hebben het recht om, met het doel dergelijke interactieve gidsen of soortgelijke technieken te verkopen of beschikbaar te maken, kosteloos de informatie te gebruiken die wordt bekendgemaakt door de aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en/of openbare elektronischecommunicatiediensten.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties de aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken en/of openbare elektronischecommunicatiediensten kunnen verplichten om, onder andere:

a)

abonnees te informeren over de geldende tarieven voor elk nummer en elke dienst waarvoor bijzondere tariefvoorwaarden gelden; voor afzonderlijke categorieën van diensten kunnen de nationale regelgevende instanties eisen dat deze informatie wordt verstrekt onmiddellijk vóór de doorschakeling van het gesprek;

b)

abonnees te informeren over eventuele wijzigingen betreffende de toegang tot noodhulpdiensten of informatie over de locatie van de oproeper in de dienst waarop zij geabonneerd zijn;

c)

abonnees te informeren over eventuele wijzigingen in de voorwaarden voor beperking van de toegang tot en/of het gebruik van diensten en toepassingen, indien zulks volgens de nationale wetgeving overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving toegestaan is;

d)

informatie te verstrekken over door de aanbieder ingestelde procedures om het verkeer te meten en vorm te geven, om te voorkomen dat een netwerkaansluiting vol- of overloopt, en over de wijze waarop deze procedures gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van de dienstverlening;

e)

abonnees te informeren over hun recht om te bepalen of, en zo ja welke, persoonsgegevens in een abonneelijst worden opgenomen, overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), en

f)

abonnees met een handicap geregeld en gedetailleerd te informeren over producten en diensten die voor hen zijn bedoeld.

Als dit nodig wordt geacht, mogen de nationale regelgevende instanties zelf- of mederegulerende maatregelen bevorderen alvorens verplichtingen op te leggen.

4.   De lidstaten mogen voorschrijven dat de ondernemingen als bedoeld in lid 3 met dezelfde middelen waarmee de ondernemingen doorgaans met abonnees communiceren indien nodig kosteloos informatie van algemeen belang aan bestaande en nieuwe abonnees verstrekken. In dat geval wordt dergelijke informatie door de bevoegde openbare instanties in een gestandaardiseerde vorm aangeleverd en heeft onder meer betrekking op de volgende punten:

a)

de meest voorkomende vormen van gebruik van elektronischecommunicatiediensten voor onwettige activiteiten of de verspreiding van schadelijke inhoud, met name waar dit de eerbiediging van de rechten en vrijheden van derden kan aantasten, inclusief schendingen van het auteursrecht en hiermee samenhangende rechten, en de juridische gevolgen hiervan, en

b)

beschermingsmaatregelen tegen gevaren voor de persoonlijke veiligheid, de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens bij het gebruik van elektronischecommunicatiediensten.

Artikel 22

Kwaliteit van de dienst

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties, na de meningen van de belanghebbenden te hebben gehoord, kunnen verlangen dat ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten aanbieden, ten behoeve van de eindgebruikers vergelijkbare, toereikende en actuele informatie over de kwaliteit van hun diensten bekendmaken en over de maatregelen die zijn genomen om gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een handicap te waarborgen. Die informatie wordt, op verzoek, vóór publicatie eveneens aan de nationale regelgevende instantie verstrekt.

2.   De nationale regelgevende instanties kunnen onder andere de te hanteren parameters voor de kwaliteit van de dienst, alsook de inhoud, vorm en wijze van bekendmaking van de te publiceren informatie, met inbegrip van mogelijke kwaliteitscertificerings-regelingen, bepalen teneinde ervoor te zorgen dat de eindgebruikers, inclusief eindgebruikers met een handicap, toegang hebben tot volledige, vergelijkbare, betrouwbare en gebruikersvriendelijke informatie. In voorkomend geval kunnen de in bijlage III vermelde parameters, definities en meetmethoden worden gebruikt.

3.   Teneinde een achteruitgang van de dienstverlening en een belemmering of vertraging van het verkeer over de netwerken te voorkomen, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale regelgevende instanties minimumvoorschriften inzake de kwaliteit van de diensten kunnen opleggen aan de aanbieder(s) van openbare communicatienetwerken.

De nationale regelgevende instanties bezorgen de Commissie ruime tijd voor de vaststelling van deze eisen een samenvatting van de redenen voor optreden, de geplande eisen en de voorgestelde aanpak. Deze informatie wordt ook aan het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) ter beschikking gesteld. De Commissie kan na onderzoek van deze informatie opmerkingen of aanbevelingen formuleren, met name om ervoor te zorgen dat de beoogde eisen geen negatieve invloed hebben op de werking van de interne markt. De nationale regelgevende instanties houden bij hun besluit over de eisen maximaal rekening met de opmerkingen en aanbevelingen van de Commissie.

Artikel 23

Beschikbaarheid van diensten

De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om de beschikbaarheid van de openbare telefoondiensten over de openbare communicatienetwerken zo volledig mogelijk te waarborgen in gevallen waarin het elektriciteitsnetwerk uitvalt of in geval van overmacht. De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die openbare telefoondiensten aanbieden alle nodige maatregelen nemen om een ononderbroken toegang tot de noodhulpdiensten te waarborgen.”.

15)

Het volgende artikel wordt toegevoegd:

„Artikel 23 bis

Waarborgen van gelijkwaardige toegang en keuzes voor eindgebruikers met een handicap

1.   De lidstaten stellen de bevoegde nationale regelgevende instanties in staat in voorkomend geval voorschriften op te leggen aan aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten om ervoor te zorgen dat eindgebruikers met een handicap:

a)

een toegang tot elektronischecommunicatiediensten kunnen hebben die gelijkwaardig is aan die van de meerderheid van de eindgebruikers, en

b)

profiteren van de keuze tussen ondernemingen en diensten, die ter beschikking staan van de meerderheid van de eindgebruikers.

2.   Om voor eindgebruikers met een handicap specifieke maatregelen te kunnen nemen en uitvoeren, bevorderen de lidstaten de beschikbaarheid van eindapparatuur met de noodzakelijke diensten en functies.”.

16)

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Telefooninlichtingendiensten”;

b)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat abonnees van openbare telefoondiensten het recht hebben op vermelding in de in artikel 5, lid 1, onder a), genoemde openbare telefoongids en dat hun gegevens beschikbaar worden gemaakt voor de verstrekkers van telefooninlichtingendiensten en/of telefoongidsen overeenkomstig lid 2”;

c)

de leden 3, 4 en 5 worden vervangen door:

„3.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle eindgebruikers die over een openbare telefoondienst beschikken, toegang hebben tot telefooninlichtingendiensten. De nationale regelgevende instanties moeten verplichtingen en voorwaarden kunnen opleggen aan ondernemingen die de toegang tot eindgebruikers controleren voor het verstrekken van telefooninlichtingendiensten, overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn). Die verplichtingen en voorwaarden zijn objectief, billijk, niet-discriminerend en transparant.

4.   De lidstaten handhaven in de regelgeving geen restricties die beletten dat eindgebruikers in een bepaalde lidstaat via spraaktelefonie of SMS rechtstreeks toegang hebben tot de telefooninlichtingendienst in een andere lidstaat en nemen maatregelen om deze toegang overeenkomstig artikel 28 te garanderen.

5.   De leden 1 tot en met 4 gelden met inachtneming van de eisen van de communautaire regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer en met name artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).”.

17)

De artikelen 26 en 27 worden vervangen door:

„Artikel 26

Noodhulpdiensten en het uniforme Europese alarmnummer

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle eindgebruikers van de in lid 2 bedoelde dienst, inclusief gebruikers van openbare betaaltelefoons, kosteloos en zonder dat zij daarvoor een betaalmiddel hoeven te gebruiken noodhulpdiensten kunnen oproepen via het uniforme Europese alarmnummer „112” en via eventuele nationale alarmnummers zoals bepaald door de lidstaten.

2.   De lidstaten zorgen er in overleg met de nationale regelgevende instanties, de noodhulpdiensten en de aanbieders voor dat ondernemingen die eindgebruikers een elektronischecommunicatiedienst aanbieden voor uitgaande nationale gesprekken naar een nummer of een aantal nummers in een nationaal telefoonnummerplan, toegang verschaffen tot noodhulpdiensten.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat oproepen via het uniforme Europese alarmnummer „112” naar behoren worden beantwoord en behandeld op de wijze die het meest geschikt is voor de nationale organisatie van noodhulpdiensten. Dergelijke oproepen worden ten minste zo snel en doeltreffend beantwoord en behandeld als oproepen via de eventueel nog bestaande nationale alarmnummers.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toegang voor eindgebruikers met een handicap tot noodhulpdiensten gelijkwaardig is aan die van andere eindgebruikers. Maatregelen die worden genomen om te waarborgen dat eindgebruikers met een handicap toegang hebben tot noodhulpdiensten wanneer zij in andere lidstaten reizen, zijn zoveel mogelijk gebaseerd op Europese normen of specificaties die overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) zijn bekendgemaakt, zonder te beletten dat de lidstaten aanvullende voorschriften vaststellen met het oog op de in dat artikel vermelde doelstellingen.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken ondernemingen locatiegegevens over de beller kosteloos beschikbaar stellen aan de instantie die noodhulpoproepen beheert, zodra die instantie de oproep ontvangt. Dit geldt voor alle oproepen naar het uniforme Europese alarmnummer „112”. De lidstaten kunnen deze verplichting uitbreiden tot oproepen naar nationale alarmnummers. De bevoegde regelgevende instanties stellen criteria vast voor de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de verstrekte locatiegegevens over de beller.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat de burgers adequaat worden ingelicht over het bestaan en het gebruik van het uniforme Europese alarmnummer „112”, met name via initiatieven die specifiek gericht zijn op personen die tussen lidstaten reizen.

7.   Om te zorgen voor een effectieve invoering van „112”-diensten in de lidstaten te waarborgen, kan de Commissie, na raadpleging van BEREC, technische uitvoeringsmaatregelen nemen. Deze technische uitvoeringsmaatregelen mogen evenwel geen afbreuk doen aan en evenmin van invloed zijn op de organisatie van de noodhulpdiensten, wat de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten blijft.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 27

Europese telefoontoegangscodes

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de code „00” de standaard internationale toegangscode is. Er kunnen bijzondere regelingen voor het tot stand brengen van gesprekken tussen aan locaties in aangrenzende gebieden over de grenzen van de lidstaten worden ingevoerd of gehandhaafd. De eindgebruikers op de betrokken locaties ontvangen volledige informatie over dergelijke regelingen.

2.   Een in de Gemeenschap gevestigde en door de Commissie aangewezen rechtspersoon is als enige belast met de verantwoordelijkheid voor beheer, met inbegrip van nummertoewijzing, en bevordering van de Europese Telefoonnummeringsruimte (European Telephone Numbering Space — ETNS). De Commissie stelt de nodige uitvoeringsmaatregelen vast.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle ondernemingen die openbare telefoondiensten verstrekken waarmee internationale oproepen mogelijk zijn, alle oproepen naar en van de ETNS behandelen aan tarieven die vergelijkbaar zijn met die voor oproepen van en naar andere lidstaten.”.

18)

Het volgende artikel wordt toegevoegd:

„Artikel 27 bis

Geharmoniseerde nummers voor geharmoniseerde diensten met een maatschappelijke waarde, met inbegrip van het nummer van het telefonische meldpunt voor vermiste kinderen

1.   De lidstaten bevorderen de specifieke nummers in de nummerreeks die begint met „116”, zoals vastgesteld in Beschikking 2007/116/EG van de Commissie van15 februari 2007 inzake het reserveren van de nationale nummerreeks die begint met „116” voor geharmoniseerde nummers voor geharmoniseerde diensten met een maatschappelijke waarde (20). Zij moedigen aan dat op hun grondgebied de diensten worden aangeboden waarvoor dergelijke nummers voorbehouden zijn.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat eindgebruikers met een handicap maximaal toegang kunnen hebben tot diensten die binnen de nummerreeks „116” vallen. De getroffen maatregelen om te bevorderen dat eindgebruikers met een handicap dergelijke diensten kunnen oproepen wanneer zij in andere lidstaten reizen, zijn gebaseerd op de naleving van de relevante normen of specificaties als gepubliceerd overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de burgers adequaat worden ingelicht over het bestaan en het gebruik van diensten die binnen de nummerreeks „116” vallen, met name via initiatieven die specifiek gericht zijn op personen die tussen lidstaten reizen.

4.   Naast de maatregelen die algemeen van toepassing zijn op alle nummers binnen de nummerreeks „116” en die genomen zijn overeenkomstig de leden 1, 2 en 3, stellen de lidstaten alles in het werk om ervoor te zorgen dat de burgers vlot toegang hebben tot een telefonisch meldpunt voor vermiste kinderen. Dit meldpunt is bereikbaar op het nummer 116000.

5.   Met het oog op de effectieve invoering in de lidstaten van de nummerreeks „116”, met name van het nummer 116000 van het meldpunt voor vermiste kinderen, inclusief de toegang voor eindgebruikers met een handicap die in een andere lidstaat reizen, kan de Commissie, na BEREC te hebben geraadpleegd, technische uitvoeringsmaatregelen vaststellen. Deze technische uitvoeringsmaatregelen mogen evenwel geen afbreuk doen aan en evenmin van invloed zijn op de organisatie van deze diensten, wat de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten blijft.

Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

19)

Artikel 28 wordt vervangen door:

„Artikel 28

Toegang tot nummers en diensten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, voor zover technisch en economisch gezien haalbaar en tenzij een opgeroepen abonnee om commerciële redenen heeft besloten de toegang van oproepende gebruikers die zich in specifieke geografische gebieden bevinden, te beperken, de bevoegde nationale instanties alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de eindgebruikers:

a)

toegang hebben tot en gebruik kunnen maken van diensten met gebruikmaking van niet-geografische nummers binnen de Gemeenschap, en

b)

toegang hebben tot alle in de Gemeenschap toegekende nummers, ongeacht de door de exploitant gebruikte technologie en apparatuur, inclusief de nummers in de nationale nummerplannen van de lidstaten, die van de ETNS en de Universal International Freephone Numbers (UIFN).

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties kunnen verlangen dat aanbieders van openbare communicatienetwerken en/of openbare elektronischecommunicatiediensten gevalsgewijs de toegang tot nummers en diensten blokkeren wanneer dit gerechtvaardigd is om redenen van fraude of misbruik, en dat aanbieders van elektronischecommunicatiediensten in deze gevallen de overeenkomstige inkomsten uit interconnectie of andere diensten inhouden.”.

20)

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 10, lid 2, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale regelgevende instanties kunnen verlangen dat alle ondernemingen die openbare telefoondiensten en/of toegang tot openbare communicatienetwerken aanbieden, de in bijlage I, deel B, genoemde extra faciliteiten geheel of gedeeltelijk voor eindgebruikers beschikbaar stellen voor zover dit technisch en economisch gezien haalbaar is, alsook geheel of gedeeltelijk de in bijlage I, deel A, genoemde extra faciliteiten.”;

b)

lid 3 wordt geschrapt.

21)

Artikel 30 wordt vervangen door:

„Artikel 30

Gemakkelijker wijziging van aanbieder

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle abonnees met nummers van het nationale telefoonnummerplan die daarom verzoeken, hun nummer(s) kunnen behouden overeenkomstig het bepaalde in bijlage I, deel C, ongeacht de onderneming die de dienst levert.

2.   De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat de prijsstelling tussen exploitanten en/of dienstenaanbieders met betrekking tot het aanbieden van nummerportabiliteit op de kosten gebaseerd is en dat eventuele directe kosten voor abonnees de verandering van dienstenaanbieder niet ontmoedigen.

3.   De nationale regelgevende instanties leggen voor de nummerportabiliteit geen tarieven voor eindgebruikers op die de concurrentie zouden kunnen verstoren, zoals specifieke of uniforme tarieven voor eindgebruikers.

4.   Nummers worden zo snel mogelijk overgedragen en geactiveerd. De activering van het nummer van abonnees die een overeenkomst hebben gesloten om een nummer over te dragen naar een nieuwe onderneming vindt hoe dan ook plaats binnen één werkdag.

Zonder afbreuk te doen aan de eerste alinea, kunnen de bevoegde nationale instanties het totaalproces voor het overdragen van nummers voorschrijven met inachtneming van nationale bepalingen inzake contracten, technische haalbaarheid en de gewaarborgde continuïteit van de dienst voor de abonnee. Hoe dan ook mag de dienst tijdens het overdrachtsproces niet langer dan één werkdag worden onderbroken. De bevoegde nationale instanties houden zo nodig ook rekening met maatregelen om ervoor te zorgen dat abonnees gedurende het gehele overschakelproces worden beschermd en er geen verandering van aanbieder gebeurt tegen hun wil.

De lidstaten zorgen ervoor dat passende sancties worden opgelegd aan ondernemingen, inclusief de verplichting abonnees te vergoeden, in geval van vertraging bij de overdracht of misbruik van de overdracht door of namens hen.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat in contracten tussen consumenten en aanbieders van elektronischecommunicatiediensten geen initiële contractduur van meer dan 24 maanden wordt vastgelegd. De lidstaten waarborgen tevens dat de ondernemingen de gebruikers de mogelijkheid bieden een contract met een maximumlooptijd van 12 maanden te ondertekenen.

6.   Onverminderd de mogelijkheid van een minimumcontractduur zien de lidstaten erop toe dat de voorwaarden en procedures voor contractbeëindiging de verandering van dienstenaanbieder niet ontmoedigen.”.

22)

In artikel 31 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De lidstaten kunnen ten aanzien van nader bepaalde radio- en televisieomroepkanalen en extra faciliteiten, in het bijzonder toegankelijkheidsdiensten om een passende toegang voor eindgebruikers met een handicap mogelijk te maken, aan de onder hun bevoegdheid ressorterende ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken aanbieden welke voor de distributie van radio- en televisieomroepkanalen naar het publiek worden gebruikt, redelijke doorgifteverplichtingen („must carry”) opleggen indien deze netwerken voor een significant aantal eindgebruikers van die netwerken het belangrijkste middel zijn om radio- en televisieomroepkanalen te ontvangen. Dergelijke verplichtingen worden alleen opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om doelstellingen van algemeen belang als duidelijk omschreven door elke lidstaat te verwezenlijken, en zijn evenredig en transparant.

De in de eerste alinea bedoelde verplichtingen worden uiterlijk één jaar na 25 mei 2011, door de lidstaten geëvalueerd, uitgezonderd wanneer zij een dergelijke evaluatie reeds hebben gemaakt binnen de voorafgaande twee jaar.

De lidstaten evalueren hun doorgifteverplichtingen („must carry”) regelmatig.”.

23)

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties in passende mate rekening houden met de standpunten van eindgebruikers, consumenten (met inbegrip van met name consumenten met een handicap), fabrikanten en ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten aanbieden over aangelegenheden die verband houden met alle eindgebruikers- en consumentenrechten met betrekking tot openbare elektronischecommunicatiediensten, met name wanneer zij een belangrijke invloed hebben op de markt.

Met name zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale regelgevende instanties een raadplegingsmechanisme opzetten dat waarborgt dat bij hun besluitvorming inzake vraagstukken die verband houden met al de rechten van eindgebruikers en consumenten wat openbare elektronischecommunicatiediensten betreft op passende wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de consument op het gebied van elektronische communicatie.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„3.   Onverminderd de met het Gemeenschapsrecht strokende nationale voorschriften ter bevordering van doelstellingen op het gebied van cultuur- en mediabeleid, zoals culturele en taaldiversiteit en mediapluralisme, kunnen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde overheden de samenwerking bevorderen tussen de aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten en de sectoren die geïnteresseerd zijn in de bevordering van wettelijke inhoud in elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Deze samenwerking kan ook de coördinatie omvatten van de informatie van algemeen belang die ingevolge artikel 21, lid 4, en de tweede alinea van artikel 20, lid 1, ter beschikking moet worden gesteld.”.

24)

Artikel 34, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat transparante, niet-discriminatoire, eenvoudige en goedkope buitengerechtelijke procedures beschikbaar zijn voor het behandelen van niet-beslechte geschillen die, in het kader van deze richtlijn, ontstaan tussen consumenten en ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten aanbieden en die betrekking hebben op de contractuele voorwaarden en/of prestaties van contracten voor het beschikbaar stellen van die netwerken en/of diensten. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat die procedures een eerlijke en vlotte beslechting van geschillen mogelijk maken, en kunnen in gerechtvaardigde gevallen een regeling voor terugbetaling en/of schadevergoeding invoeren. Door middel van deze procedures is het mogelijk geschillen op onpartijdige wijze bij te leggen en zij ontnemen de consument niet het recht op juridische bescherming overeenkomstig de nationale wetgeving. De lidstaten kunnen deze verplichtingen uitbreiden tot geschillen waarbij andere eindgebruikers zijn betrokken.”.

25)

Artikel 35 wordt vervangen door:

„Artikel 35

Wijziging van de bijlagen

Maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen en die noodzakelijk zijn om de bijlagen I, II, III en VI aan te passen aan technologische ontwikkelingen of aan veranderingen in de marktvraag, worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

26)

In artikel 36 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   De nationale regelgevende instanties stellen de Commissie in kennis van de universeledienstverplichtingen die worden opgelegd aan aangewezen ondernemingen met universeledienstverplichtingen. De Commissie wordt onverwijld in kennis gesteld van alle wijzigingen van de opgelegde verplichtingen of van ondernemingen waarop de bepalingen van deze richtlijn van toepassing zijn.”.

27)

Artikel 37 wordt vervangen door:

„Artikel 37

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor communicatie dat is ingesteld bij artikel 22 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

28)

Bijlagen I, II, en III worden vervangen door de tekst in bijlage I bij deze richtlijn, en bijlage VI wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze richtlijn.

29)

Bijlage VII wordt geschrapt.

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)

Richtlijn 2002/58/EG (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Deze richtlijn voorziet in de harmonisering van de regelgeving van de lidstaten die nodig is om een gelijk niveau van bescherming van fundamentele rechten en vrijheden — met name het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid — bij de verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie te waarborgen en om te zorgen voor het vrij verkeer van dergelijke gegevens en van elektronischecommunicatieapparatuur en -diensten in de Gemeenschap.”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

letter c) wordt vervangen door

„c)

„locatiegegevens”: gegevens die in een elektronischecommunicatienetwerk of door een elektronischecommunicatiedienst worden verwerkt, waarmee de geografische positie van de eindapparatuur van een gebruiker van een openbare elektronischecommunicatiedienst wordt aangegeven;”;

b)

letter e) wordt geschrapt;

c)

de volgende letter wordt toegevoegd:

„h)

„inbreuk in verband met persoonsgegevens”: een inbreuk op de beveiliging die resulteert in een accidentele of onwettige vernietiging, wijziging, niet-geautoriseerde vrijgave van of toegang tot persoonsgegevens die zijn verstuurd, opgeslagen of anderszins verwerkt in verband met de levering van een openbare elektronischecommunicatiedienst in de Gemeenschap.”.

3)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Betrokken diensten

Deze richtlijn is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronischecommunicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap, met inbegrip van openbare communicatienetwerken die systemen voor gegevensverzameling en identificatie ondersteunen.”.

4)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Beveiliging van de verwerking”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„1 bis.   Onverminderd Richtlijn 95/46/EG zorgen de in lid 1 bedoelde maatregelen ervoor dat in ieder geval:

wordt gewaarborgd dat alleen gemachtigd personeel voor wettelijk toegestane doeleinden toegang heeft tot de persoonsgegevens;

opgeslagen of verzonden persoonsgegevens worden beschermd tegen onbedoelde of onwettige vernietiging, onbedoeld verlies of wijziging, en niet-toegestane of onwettige opslag, verwerking, toegang of vrijgave, en

een beveiligingsbeleid wordt ingevoerd met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.

De bevoegde nationale instanties kunnen de door de aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten genomen maatregelen controleren en aanbevelingen formuleren over beste praktijken het beveiligingspeil dat met deze maatregelen moet worden gehaald.”;

c)

de volgende leden worden ingevoegd:

„3.   In geval van een inbreuk in verband met persoonsgegevens stelt de aanbieder van openbare elektronischecommunicatiediensten de bevoegde nationale instantie zonder onnodige vertraging in kennis van de inbreuk in verband met persoonsgegevens.

Indien de inbreuk in verband met persoonsgegevens waarschijnlijk ongunstige gevolgen zal hebben voor de persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer van een abonnee of een individuele persoon stelt de aanbieder ook de abonnee of de individuele persoon in kwestie onverwijld van de inbreuk in kennis.

Inkennisstelling van een betrokken abonnee of individuele persoon van een inbreuk op persoonsgegevens is niet vereist wanneer de aanbieder tot voldoening van de bevoegde instantie heeft aangetoond dat hij de gepaste technische beschermingsmaatregelen heeft genomen en dat deze maatregelen werden toegepast op de data die bij de beveiligingsinbreuk betrokken waren. Dergelijke technologische beschermingsmaatregelen maken de gegevens onbegrijpelijk voor eenieder die geen recht op toegang daartoe heeft.

Onverminderd de verplichting van de aanbieder om de betrokken abonnees en de individuele personen in kwestie in kennis te stellen, indien de aanbieder de abonnee of individuele persoon niet reeds in kennis heeft gesteld van de inbreuk in verband met persoonsgegevens, kan de bevoegde nationale instantie hem, na te hebben bezien of en welke ongunstige gevolgen uit de inbreuk voortvloeien, verzoeken dat te doen.

In de kennisgeving aan de abonnee of de individuele persoon worden ten minste de aard van de inbreuk op persoonsgegevens, alsmede de contactpunten voor meer informatie vermeld, en worden er maatregelen aanbevolen om mogelijke negatieve gevolgen van de inbreuk in verband met persoonsgegevens te verlichten. De kennisgeving aan de bevoegde nationale instantie bevat bovendien een omschrijving van de gevolgen van de inbreuk en van de door de aanbieder voorgestelde of getroffen maatregelen om de inbreuk in verband met persoonsgegevens aan te pakken.

4.   Afhankelijk van eventuele technische tenuitvoerleggingsmaatregelen overeenkomstig lid 5 kunnen de bevoegde nationale instanties richtsnoeren en, waar nodig, instructies uitvaardigen betreffende de omstandigheden waarin de kennisgeving van de inbreuk in verband met persoonsgegevens door aanbieders noodzakelijk is, het voor deze kennisgeving toepasselijke formaat, alsmede de manier waarop de kennisgeving geschiedt. Tevens kunnen zij bijhouden of aanbieders aan hun kennisgevingsverplichtingen overeenkomstig dit lid hebben voldaan en, zo niet, dan leggen zij sancties op.

Aanbieders houden een zodanige inventaris bij van inbreuken op persoonsgegevens, o.m. de feiten in verband met deze inbreuken, de gevolgen ervan en de herstelmaatregelen die zijn genomen, dat de bevoegde nationale instanties kunnen nagaan of de bepalingen van lid 3 worden nageleefd. De inventaris bevat uitsluitend de voor dit doel noodzakelijke gegevens.

5.   Teneinde een samenhangende tenuitvoerlegging van de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde maatregelen te waarborgen, kan de Commissie, na raadpleging van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA), de bij artikel 29 van Richtlijn 95/46/EG ingestelde werkgroep voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, technische uitvoeringsmaatregelen aannemen in verband met, onder meer, de omstandigheden, het formaat en de procedures die gelden voor de in dit artikel bedoelde informatieverstrekkings- en kennisgevingseisen. De Commissie betrekt bij het aannemen van die maatregelen alle relevante belanghebbenden, met name om informatie in te winnen over de beste technische en economische methoden die beschikbaar zijn voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14 bis, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

In artikel 5 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   De lidstaten dragen ervoor zorg dat de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen in de eindapparatuur van een abonnee of gebruiker, alleen is toegestaan op voorwaarde dat de betrokken abonnee of gebruiker toestemming heeft verleend, na te zijn voorzien van duidelijke en volledige informatie overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG, onder meer over de doeleinden van de verwerking. Zulks vormt geen beletsel voor enige vorm van technische opslag of toegang met als uitsluitend doel de uitvoering van de verzending van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk, of, indien strikt noodzakelijk, om ervoor te zorgen dat de aanbieder van een uitdrukkelijk door de abonnee of gebruiker gevraagde dienst van de informatiemaatschappij deze dienst levert.”.

6)

Artikel 6, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De aanbieder van een openbare elektronischecommunicatiedienst mag ten behoeve van de marketing van elektronischecommunicatiediensten of voor de levering van diensten met toegevoegde waarde de in lid 1 bedoelde gegevens verwerken voor zover en voor zolang dat nodig is voor dergelijke diensten of marketing, indien de abonnee of de gebruiker waarop de gegevens betrekking hebben daartoe zijn voorafgaande toestemming heeft gegeven. Gebruikers of abonnees kunnen hun toestemming voor de verwerking van verkeersgegevens te allen tijde intrekken.”.

7)

Artikel 13 wordt vervangen door het volgende:

„Artikel 13

Ongewenste communicatie

1.   Het gebruik van automatische oproep- en communicatiesystemen zonder menselijke tussenkomst (automatische oproepapparaten), fax of e-mail met het oog op direct marketing kan alleen worden toegestaan met betrekking tot abonnees of gebruikers die daarin vooraf hebben toegestemd.

2.   Onverminderd lid 1 kan een natuurlijke of rechtspersoon die van zijn klanten elektronische contactgegevens voor e-mail verkrijgt in het kader van de verkoop van een product of een dienst, overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG, die elektronische contactgegevens gebruiken voor direct marketing van eigen gelijkaardige producten of diensten mits de klanten duidelijk en expliciet de gelegenheid wordt geboden kosteloos en op gemakkelijke wijze bezwaar te maken tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens op het ogenblik dat zij worden verzameld en, ingeval de klant zich in eerste instantie niet tegen dat gebruik heeft verzet, bij elke boodschap.

3.   De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat ongevraagde communicatie met het oog op direct marketing in andere dan de in de leden 1 en 2 genoemde gevallen niet toegestaan is zonder toestemming van de betrokken abonnees of gebruikers, of ten aanzien van abonnees of gebruikers die dergelijke communicatie niet wensen te ontvangen, waarbij de keuze tussen deze mogelijkheden door de nationale wetgeving wordt bepaald, met dien verstande dat beide mogelijkheden voor de abonnee of gebruiker kosteloos moeten zijn.

4.   Het is in ieder geval verboden e-mail te verzenden met het oog op direct marketing waarbij de identiteit van de afzender namens wie de communicatie plaatsvindt, wordt gemaskeerd of verborgen, die in strijd is met artikel 6 van Richtlijn 2000/31/EG, en zonder dat een geldig adres wordt vermeld waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van dergelijke communicatie kan richten, of e-mail die ontvangers aanmoedigt websites te bezoeken die in strijd zijn met dat artikel.

5.   Leden 1 en 3 gelden voor abonnees die natuurlijke personen zijn. De lidstaten zorgen er, in het kader van het Gemeenschapsrecht, en het toepasselijk nationaal recht tevens voor dat de rechtmatige belangen van andere abonnees dan natuurlijke personen met betrekking tot ongewenste communicatie voldoende zijn beschermd.

6.   Onverminderd de administratieve voorzieningen die onder meer overeenkomstig artikel 15 bis, lid 2, kunnen worden genomen, zorgen de lidstaten ervoor dat natuurlijke of rechtspersonen die een rechtmatig belang hebben bij de bestrijding van inbreuken op nationale, overeenkomstig dit artikel vastgestelde bepalingen, inclusief aanbieders van elektronischecommunicatiediensten die hun rechtmatige ondernemingsbelangen of de belangen van hun klanten beschermen, rechtsvorderingen voor dergelijke inbreuken kunnen instellen. De lidstaten kunnen tevens specifieke voorschriften vaststellen inzake sancties voor aanbieders van elektronischecommunicatiediensten die door nalatigheid bijdragen tot inbreuken op overeenkomstig dit artikel aangenomen nationale bepalingen.”.

8)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 14 bis

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité voor communicatie dat is ingesteld bij artikel 22 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

9)

In artikel 15 wordt het volgende lid ingevoegd:

„1 ter.   Aanbieders zetten interne procedures op voor de afhandeling van verzoeken om toegang tot persoonsgegevens van gebruikers op de grondslag van nationale bepalingen die overeenkomstig lid 1 zijn aangenomen. Zij verstrekken aan de bevoegde nationale instantie op verzoek gegevens over deze procedures, het aantal ontvangen verzoeken, de aangevoerde wettelijke motivering en hun antwoord.”.

10)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 15 bis

Uitvoering en handhaving

1.   De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties in voorkomend geval met inbegrip van strafrechtelijke sancties, die van toepassing zijn op overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om de toepassing van die sancties te verzekeren. De aldus vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en kunnen worden toegepast met betrekking tot de hele periode van een overtreding, zelfs indien de overtreding vervolgens is rechtgezet. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 25 mei 2011 in kennis van die bepalingen en geven onverwijld kennis van eventuele latere wijzigingen.

2.   Onverminderd de mogelijkheid tot beroep op de rechter zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde nationale instantie en, in voorkomend geval, andere nationale organen bevoegd zijn de in lid 1 bedoelde overtredingen te doen ophouden.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde nationale instantie en, in voorkomend geval, andere nationale organen over de nodige onderzoeksbevoegdheden en -middelen beschikken, met inbegrip van de bevoegdheid alle relevante informatie op te vragen die zij nodig kunnen hebben om de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen te monitoren en na te doen leven.

4.   De bevoegde nationale instanties kunnen maatregelen goedkeuren om een doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking bij de handhaving van de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale wetten te waarborgen en geharmoniseerde voorwaarden te creëren voor het aanbieden van diensten waarbij grensoverschrijdende gegevensstromen betrokken zijn.

De nationale regelgevende instanties bezorgen de Commissie ruime tijd voor de goedkeuring van deze maatregelen een samenvatting van de redenen voor optreden, de geplande maatregelen en de voorgestelde aanpak. De Commissie kan na onderzoek van deze informatie en na raadpleging van het ENISA en de bij artikel 29 van Richtlijn 95/46/EG ingestelde werkgroep voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, opmerkingen over deze informatie maken of aanbevelingen met betrekking tot deze informatie doen, met name om ervoor te zorgen dat de beoogde maatregelen geen negatieve gevolgen voor de werking van de gemeenschappelijke markt hebben. De nationale regelgevende instanties houden bij hun besluit over de maatregelen maximaal met de opmerkingen en aanbevelingen van de Commissie rekening.”.

Artikel 3

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2006/2004 (verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming) wordt het volgende punt toegevoegd:

„17.

Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie): artikel 13 (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).”.

Artikel 4

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 25 mei 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken, die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressanten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 25 november 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitster

Å. TORSTENSSON


(1)  PB C 224 van 30.8.2008, blz. 50.

(2)  PB C 257 van 9.10.2008, blz. 51.

(3)  PB C 181 van 18.7.2008, blz. 1.

(4)  Advies van het Europees Parlement van 24 september 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 16 februari 2009 (PB C 103 E van 5.5.2009, blz. 40), standpunt van het Europees Parlement van 6 mei 2009 en besluit van de Raad van 26 oktober 2009.

(5)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.

(6)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.

(7)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.

(8)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.

(9)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

(10)  PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.

(11)  PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(12)  PB L 249 van 17.9.2002, blz. 21.

(13)  PB L 49 van 17.2.2007, blz. 30.

(14)  PB L 36 van 7.2.1987, blz. 31.

(15)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(16)  PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1.

(17)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(18)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(19)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.”.

(20)  PB L 49 van 17.2.2007, blz. 30.”.


BIJLAGE I

BIJLAGE I

BESCHRIJVING VAN FACILITEITEN EN DIENSTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 10 (CONTROLE VAN DE UITGAVEN), ARTIKEL 29 (EXTRA FACILITEITEN) EN ARTIKEL 30 (GEMAKKELIJKERE WIJZIGING VAN AANBIEDER)

Deel A:   Faciliteiten en diensten als bedoeld in artikel 10

a)   Gespecificeerde rekeningen

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties, onverminderd de voorschriften van de relevante wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, het basisniveau van specificatie van rekeningen kunnen vaststellen dat ondernemingen kosteloos aan de abonnees moeten verstrekken, zodat deze:

i)

de kosten van het gebruik van het openbare communicatienetwerk op een vaste locatie en/of bijbehorende openbare telefoondiensten kunnen verifiëren en controleren, en

ii)

adequaat toezicht kunnen houden op hun gebruik en uitgaven en zodoende in redelijke mate hun rekeningen kunnen beheersen.

In voorkomend geval kan de abonnee tegen een redelijke vergoeding of gratis een hogere mate van detaillering worden aangeboden.

Gesprekken die voor de oproepende abonnee kosteloos zijn, met inbegrip van gesprekken met hulplijnen, worden niet op de gespecificeerde factuur van de oproepende abonnee vermeld.

b)   Kosteloze selectieve nummerblokkering bij uitgaand telefoonverkeer of Premium-SMS- of MMS-berichten of, waar technisch mogelijk, andere soorten van soortgelijke toepassingen

dat wil zeggen de faciliteit waarbij de abonnee de aangewezen aanbieder van telefoondiensten kan verzoeken kosteloos bepaalde categorieën uitgaande gesprekken of Premium-SMS-of MMS-berichten of andere soorten van soortgelijke toepassingen van of naar bepaalde categorieën nummers te blokkeren.

c)   Vooruitbetalingssystemen

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties kunnen verlangen dat aangewezen ondernemingen in middelen voorzien waarbij de consumenten voor de toegang tot het openbare communicatienetwerk en het gebruik van openbare telefoondiensten vooruitbetalen.

d)   Termijnbetaling van aansluitingskosten

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties kunnen verlangen dat aangewezen ondernemingen de consument de mogelijkheid bieden voor de aansluiting op het openbare communicatienetwerk in termijnen te betalen.

e)   Wanbetaling

De lidstaten staan toe dat, wanneer telefoonrekeningen van ondernemingen niet worden betaald, specifieke maatregelen worden getroffen die in verhouding staan tot de ernst van de wanbetaling, niet-discriminerend zijn en worden bekendgemaakt. Bij deze maatregelen wordt de abonnee vooraf naar behoren gewaarschuwd over een aanstaande onderbreking van de dienstverlening of voor verbreking van de aansluiting. Behalve in geval van fraude, aanhoudend te laat of niet betaalde rekeningen, moeten deze maatregelen waarborgen dat een eventuele onderbreking van de dienstverlening, voor zover dat technisch mogelijk is, beperkt blijft tot de betrokken dienst. Verbreking van de aansluiting wegens wanbetaling mag slechts plaatsvinden nadat de abonnee naar behoren is gewaarschuwd. De lidstaten kunnen alvorens tot volledige verbreking van de aansluiting wordt overgegaan, een periode van beperkte dienstverlening toestaan waarin alleen gesprekken mogelijk zijn die geen kosten voor de abonnee met zich brengen (b.v. „112”-oproepen).

f)   Tariefadvies

dat wil zeggen de faciliteit waarbij abonnees de onderneming kunnen verzoeken om hen te informeren over alternatieve, goedkopere tarieven, als deze beschikbaar zijn.

g)   Kostenbeheersing

dat wil zeggen de faciliteit waarbij ondernemingen andere instrumenten aanbieden, als deze als adequaat zijn aangemerkt door de nationale regelgevende instanties, om de kosten van de openbare telefoondiensten te beheersen, inclusief kostenloze waarschuwingen voor consumenten in geval van abnormale of excessieve consumptiepatronen.

Deel B:   Faciliteiten als bedoeld in artikel 29

a)   Toonkiezen of DTMF (dual-tone multi-frequency)

Het openbare communicatienetwerk en/of de openbare telefoondiensten ondersteunt het gebruik van DTMF-tonen, zoals gedefinieerd in ETSI ETR 207, voor signaleringsfuncties van eindpunt tot eindpunt in het gehele netwerk, zowel binnen een lidstaat als tussen lidstaten onderling.

b)   Identificatie van de oproepende lijn

Aan de opgeroepene wordt het abonneenummer van de oproeper meegedeeld voordat de oproep tot stand is gebracht.

Bij het ter beschikking stellen van deze faciliteit moet rekening worden gehouden met de relevante wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, met name Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).

Exploitanten moeten, voor zover dat technisch haalbaar is, gegevens en signalen beschikbaar stellen om het aanbieden van identificatie van de oproeplijn en toonkiezen over de grenzen van de lidstaten te vergemakkelijken.

Deel C:   Tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende nummerportabiliteit als bedoeld in artikel 30

De eis dat alle abonnees met nummers van het nationale telefoonnummerplan die daarom verzoeken hun nummer(s) kunnen behouden ongeacht de onderneming die de dienst levert, geldt:

a)

in het geval van geografische nummers, op een specifieke locatie, en

b)

in het geval van niet geografische nummers, voor elke locatie.

Dit deel is niet van toepassing op de portabiliteit van nummers tussen netwerken die diensten leveren op een vaste locatie en mobiele netwerken.

BIJLAGE II

OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 21 TE PUBLICEREN INFORMATIE

(TRANSPARANTIE EN PUBLICATIE VAN INFORMATIE)

De nationale regelgevende instantie moet ervoor zorgen dat de informatie in deze bijlage overeenkomstig artikel 21 wordt bekendgemaakt. Het is aan de nationale regelgevende instantie om te bepalen welke informatie wordt gepubliceerd door de ondernemingen die openbare communicatienetwerken en/of openbare telefoondiensten aanbieden, en welke informatie door de nationale regelgevende instantie zelf, opdat consumenten in staat worden gesteld geïnformeerde keuzes te maken.

1.   Namen en adressen van ondernemingen

De namen en de adressen van de hoofdkantoren van de ondernemingen die openbare communicatienetwerken en/of openbare telefoondiensten aanbieden.

Beschrijving van de aangeboden diensten

2.1.   Omvang van de aangeboden diensten

2.2.   Standaardtarieven, met vermelding van de verstrekte diensten en de inhoud van elk tariefelement (bv. toegangstarieven, alle soorten gebruikstarieven, onderhoudskosten), inclusief bijzonderheden over toegepaste standaardkortingen, bijzondere en gerichte tariefregelingen en alle extra kosten, alsmede kosten met betrekking tot eindapparatuur.

2.3.   Schadevergoedings-/terugbetalingsbeleid met inbegrip van bijzonderheden omtrent de aangeboden schadevergoedings- en terugbetalingsregelingen.

2.4.   Soorten onderhoudsservice die worden aangeboden.

2.5.   Algemene voorwaarden, met inbegrip van de minimumcontractduur, beëindiging van het contract en procedures en directe kosten in verband met de portabiliteit van nummers en andere identificatoren, wanneer relevant.

3.   Regelingen voor geschillenbeslechting, met inbegrip van door de onderneming opgestelde regelingen.

4.   Informatie over rechten ten aanzien van de universeledienstverlening, waaronder, in voorkomend geval, de in bijlage I genoemde faciliteiten en diensten.

BIJLAGE III

PARAMETERS VOOR DE KWALITEIT VAN DE DIENST

Parameters, definities en meetmethoden voor de kwaliteit van de dienst zoals bedoeld in de artikelen 11 en 22

Voor ondernemingen die toegang aanbieden tot een openbaar communicatienetwerk

PARAMETER

(Noot 1)

DEFINITIE

MEETMETHODE

wachttijd bij eerste aansluiting op het net

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

storingspercentage per toegangslijn

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

storingshersteltijd

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

Voor ondernemingen die een openbare telefoondienst aanbieden

benodigde tijd voor het ontvangen van de kiestoon

(noot 2)

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

wachttijden bij inlichtingendiensten

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

percentage functionerende openbare betaaltelefoons met munten en kaarten

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

klachten over onjuiste rekeningen

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

percentage mislukte oproepen

(Noot 2)

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

ETSI EUROPESE GEMEENSCHAP 202 057

Het versienummer van ETSI Europese Gemeenschap 202 057-1 is 1.3.1 (juli 2008)

Noot 1

De parameters moeten een analyse van de kwaliteit op regionaal niveau (d.w.z. ten minste op niveau 2 van de door Eurostat vastgestelde nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS)) mogelijk maken.

Noot 2

Wanneer bewijzen beschikbaar zijn dat de prestaties op deze beide gebieden bevredigend zijn, kunnen de lidstaten besluiten niet te eisen dat actuele informatie betreffende de prestaties voor deze twee parameters wordt bijgehouden.


BIJLAGE II

„BIJLAGE VI

INTEROPERABILITEIT VAN DIGITALE CONSUMENTENAPPARATUUR BEDOELD IN ARTIKEL 24

1.   Gemeenschappelijke coderingsalgoritme en ontvangst van vrije signalen

Alle voor de ontvangst van conventionele digitale televisiesignalen (dat wil zeggen de ontvangst van uitzendingen via terrestrische, kabel- of satellietverbinding die met name bedoeld is voor vaste ontvangst, zoals DVB-T, DVB-C of DVB-S) bestemde consumentenapparatuur die in de Gemeenschap wordt verkocht of verhuurd of anderszins ter beschikking wordt gesteld en waarmee digitale televisiesignalen kunnen worden gedecodeerd, moet geschikt zijn om:

het decoderen van dergelijke signalen mogelijk te maken overeenkomstig een gemeenschappelijke Europese coderingsalgoritme zoals beheerd door een erkende Europese normalisatie-instelling, momenteel ETSI;

signalen weer te geven die ongecodeerd zijn uitgezonden, met dien verstande dat, ingeval dergelijke apparatuur wordt gehuurd, de huurder aan de desbetreffende huurovereenkomst voldoet.

2.   Interoperabiliteit voor analoge en digitale televisietoestellen

Analoge televisietoestellen met een integraal scherm waarvan de zichtbare diagonaal groter is dan 42 cm die in de Gemeenschap worden verkocht of verhuurd, moeten zijn voorzien van ten minste één open interface contrastekker zoals genormaliseerd door een erkend Europees normalisatie-instituut, b.v. als aangegeven in de norm Cenelec EN 50 049-1:1997, waarmee eenvoudige aansluiting van randapparatuur mogelijk is, vooral extra decoders en digitale ontvangers.

Digitale televisietoestellen met een integraal scherm waarvan de zichtbare diagonaal groter is dan 30 cm die in de Gemeenschap worden verkocht of verhuurd, moeten zijn voorzien van ten minste één open interface contrastekker (zoals genormaliseerd, of in overeenstemming met een norm die is vastgesteld, door een erkend Europees normalisatie-instituut of in overeenstemming met een door de industrie algemeen aanvaarde specificatie), b.v. de gemeenschappelijke interfaceconnector DVB, waarmee eenvoudige aansluiting van randapparatuur mogelijk is en die alle elementen van een digitaal televisiesignaal doorlaat, met inbegrip van informatie betreffende interactieve en voorwaardelijk toegankelijke diensten.”


18.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 337/37


RICHTLIJN 2009/140/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2009

tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en Richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag, in het licht van de door het bemiddelingscomité op 13 november 2009 goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De werking van de vijf richtlijnen die het bestaande regelgevingskader vormen voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) (4), Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn) (5), Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn) (6), Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstenrichtlijn) (7), en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (8) (hierna samen „de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen” genoemd)) is onderworpen aan een periodieke toetsing van de Commissie, met name om te bepalen of in het licht van technologische en marktontwikkelingen wijzigingen nodig zijn.

(2)

De Commissie deed verslag over haar eerste bevindingen in haar mededeling van 29 juni 2006 over de herziening van het regelgevingskader van de Europese Unie voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Op basis van deze eerste bevindingen werd een openbare raadpleging gehouden waarin werd vastgesteld dat het voortdurend ontbreken van een interne markt voor elektronischecommunicatiediensten het voornaamste aspect was waaraan in de hervorming van het regelgevingskader aandacht moest worden besteed. Gefragmenteerde regelgeving en onderlinge tegenstrijdigheden tussen de activiteiten van de nationale regelgevende instanties bleken niet alleen het concurrentievermogen van de sector in gevaar te brengen maar ook de belangrijke consumentenvoordelen die anders zouden voortvloeien uit grensoverschrijdende concurrentie en grensoverschrijdende diensten of zelfs diensten in de gehele Gemeenschap.

(3)

Het EU-regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten moet derhalve worden hervormd om de interne markt voor elektronische communicatie te voltooien door wat de voornaamste markten betreft het communautair regelgevingsmechanisme ten aanzien van exploitanten met aanmerkelijke marktmacht te versterken. Dit wordt aangevuld door Verordening (EG) nr.1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau (9). De hervorming omvat ook de definitie van een strategie voor doelmatig en gecoördineerd spectrumbeheer teneinde een Interne Europese Informatieruimte te verwezenlijken en versterking van de dienstenverstrekking aan gebruikers met een handicap, met het oog op een inclusieve informatiemaatschappij.

(4)

Met erkenning van het feit dat het internet van wezenlijk belang is voor het onderwijs en de praktische uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en de toegang tot informatie, moet elke beperking die wordt opgelegd aan de uitoefening van deze grondrechten in overeenstemming zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Commissie moet een breed openbaar debat over deze zaken opstarten.

(5)

Het doel is om specifieke sectorregels ex ante steeds meer terug te brengen, naarmate de concurrentie in de markt zich ontwikkelt, en dat elektronische communicatie uiteindelijk volledig wordt geregeld door het mededingingsrecht. In aanmerking genomen dat de markten voor elektronische communicatie de afgelopen jaren een sterke concurrentiedynamiek te zien hebben gegeven, is het essentieel dat ex-ante regulerende verplichtingen alleen worden opgelegd wanneer er geen daadwerkelijke en duurzame mededinging is.

(6)

Bij de evaluatie van de werking van de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen beoordeelt de Commissie of er, gelet op de ontwikkelingen op de markt en zowel met betrekking tot de mededinging als tot de consumentenbescherming, nog steeds behoefte is aan de bepalingen betreffende sectorspecifieke regulering ex-ante in de artikelen 8 tot en met 13 bis van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn) en artikel 17 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn) dan wel of deze bepalingen moeten worden gewijzigd of ingetrokken.

(7)

Teneinde te zorgen voor een aanpak die proportioneel is en aangepast aan variërende mededingingvoorwaarden, moeten nationale regelgevende instanties in staat zijn markten vast te stellen op subnationale basis en regelgevingsverplichtingen op te heffen in markten of geografische gebieden waar een effectieve concurrentie op infrastructuurgebied bestaat.

(8)

Om de doelstellingen van de agenda van Lissabon te halen, moeten behoorlijke stimulansen worden geboden ter bevordering van investeringen in nieuwe hogesnelheidsnetwerken die de innovatie in inhoudrijke internetdiensten ondersteunen en het internationale concurrentievermogen van de Europese Unie versterken. Dergelijke netwerken hebben enorme mogelijkheden om consumenten en bedrijven in de hele Europese Unie van dienst te zijn. Het is derhalve van cruciaal belang duurzame investeringen in de ontwikkeling van deze nieuwe netwerken te bevorderen, en tegelijkertijd de mededinging te beschermen en de keuze voor de consument te vergroten door middel van voorspelbaarheid en consistentie van de regelgeving.

(9)

In haar mededeling van 20 maart 2006, getiteld „Overbrugging van de breedbandkloof” erkende de Commissie dat de Europese Unie geografisch verdeeld is voor wat betreft de toegang tot hogesnelheidsbreedbanddiensten. Eenvoudiger toegang tot radiospectrum bevordert de ontwikkeling van hogesnelheidsbreedbanddiensten in afgelegen gebieden. Ondanks de algemene toename van de breedbandconnectiviteit zijn de toegangsmogelijkheden in verschillende gebieden beperkt, omwille van de hoge kosten vanwege de lage bevolkingsdichtheid en de grote afstanden. Om ervoor te zorgen dat er in onderontwikkelde gebieden in nieuwe technologieën wordt geïnvesteerd, dient de regelgeving op het gebied van de elektronische communicatie in overeenstemming te zijn met andere beleidsterreinen, zoals het beleid inzake overheidssteun, cohesiebeleid of de doelstellingen van het breder industriebeleid.

(10)

Overheidsinvesteringen in netwerken moeten plaatsvinden overeenkomstig het non-discriminatiebeginsel. De overheidssteun moet daartoe worden toegekend via open, transparante en vergelijkende procedures.

(11)

Om de nationale regelgevende instanties in staat te stellen te voldoen aan de doelstellingen van de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen, met name wat de eind-tot-eind interoperabiliteit betreft, zou de draagwijdte van de kaderrichtlijn moeten worden uitgebreid tot bepaalde aspecten van radio-apparatuur en eindapparatuur voor telecommunicatie zoals beschreven in Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (10) en de consumentenapparatuur die voor digitale televisie wordt gebruikt, teneinde de toegang voor gebruikers met een handicap te vergemakkelijken.

(12)

Bepaalde definities zouden moeten worden verduidelijkt of gewijzigd om rekening te houden met markt- en technologische ontwikkelingen en om dubbelzinnigheden uit de weg te ruimen die bij de uitvoering van het regelgevingskader zijn geconstateerd.

(13)

De onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties zou moeten worden versterkt om te zorgen voor een meer doeltreffende toepassing van het regelgevingskader en hun autoriteit en de voorspelbaarheid van hun besluiten te verhogen. Hiertoe zouden uitdrukkelijke bepalingen moeten worden opgenomen in de nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat een nationale regelgevende instantie die verantwoordelijk is marktreglering ex ante of voor geschillenbeslechting tussen ondernemingen, bij het uitoefenen van haar taken, beschermd is tegen externe interventie of politieke druk die haar onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die haar worden voorgelegd in gevaar zouden kunnen brengen. Dergelijke externe invloed maakt een nationale instantie ongeschikt om volgens het regelgevingskader op te treden als een nationale regelgevende instantie. Met het oog hierop zouden van te voren voorschriften moeten worden opgesteld met betrekking tot de redenen die aanleiding geven voor ontslag van het hoofd van de nationale regelgevende instantie om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over de neutraliteit van die instantie en dat de instantie niet gevoelig is voor externe factoren. Het is van belang dat de nationale regelgevende instanties die verantwoordelijk zijn voor ex-antemarktregelgeving, over hun eigen begroting beschikken, zodat zij met name voldoende gekwalificeerd personeel kunnen aanwerven. Met het oog op transparantie zou die begroting jaarlijks gepubliceerd moeten worden.

(14)

Om de marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden, moeten de beroepsinstanties hun taken effectief uitoefenen; met name moeten de beroepsprocedures niet al te lang zijn. Voorlopige maatregelen die de gevolgen van het besluit van een nationale regelgevende instantie schorsen, dienen alleen in dringende gevallen te worden verleend om te voorkomen dat de partij die om dergelijke maatregelen verzoekt ernstige en onherstelbare schade wordt toegebracht en indien dit noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van een belangenevenwicht.

(15)

De manier waarop beroepsinstanties voorlopige maatregelen hebben toegepast om besluiten van de nationale regelgevende instanties te schorsen loopt nogal uiteen. Om de verschillende benaderingen meer op elkaar af te stemmen moet een gemeenschappelijke norm worden gehanteerd die spoort met de communautaire rechtspraak. De beroepsinstanties moeten ook gerechtigd zijn beschikbare gegevens die door BEREC zijn bekendgemaakt op te vragen. Aangezien de beroepsprocedure voor de algemene werking van het regelgevingskader van belang is, zou er een mechanisme moeten komen dat de informatie over beroepsprocedures inzake, en besluiten tot schorsing van, besluiten van de regelgevende instanties in alle lidstaten verzamelt en tevens over die informatie aan de Commissie verslag uitbrengt.

(16)

Om hun regelgevende taken op doeltreffende wijze te kunnen uitvoeren, moeten de gegevens die de nationale regelgevende instanties bijeen brengen onder meer gegevens bevatten over de detailhandelmarkten die verbonden zijn aan groothandelmarkten waar een exploitant een aanmerkelijke marktmacht bezit en die dan ook door de nationale regelgevende instantie worden gereguleerd. Het gaat hierbij ook om gegevens die de nationale regelgevende instantie in staat moeten stellen de mogelijke impact te beoordelen van geplande verbeteringen of veranderingen aan de netwerktopologie op de ontwikkeling van concurrentie of op groothandelproducten die beschikbaar worden gesteld aan andere partijen.

(17)

De nationale raadpleging op grond van artikel 6 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) dient te worden uitgevoerd vóór de raadpleging van de Gemeenschap op grond van de artikelen 7 en 7 bis van die richtlijn, zodat bij de communautaire raadpleging met de standpunten van de belanghebbende partijen rekening kan worden gehouden. Dit zou een tweede communautaire raadpleging in geval van wijzigingen van een geplande maatregel als gevolg van de nationale raadpleging overbodig maken.

(18)

Deze vrijheid om zelf te besluiten hoe het regelgevingskader moet worden uitgevoerd moet wel verenigbaar zijn met de ontwikkeling van consequente regelgevingspraktijken en een consequente toepassing van het regelgevingskader om doeltreffend bij te dragen tot de ontwikkeling en voltooiing van de interne markt. De nationale regelgevende instanties zouden derhalve hun steun moeten verlenen aan de interne marktactiviteiten van de Commissie en aan die van BEREC.

(19)

Het communautair mechanisme waarmee de Commissie de nationale regelgevende instanties ertoe kan brengen geplande maatregelen met betrekking tot de marktdefinitie en het aanwijzen van exploitanten met aanmerkelijke macht op de markt in te trekken, heeft in belangrijke mate bijgedragen tot een samenhangende aanpak om vast te stellen onder welke omstandigheden ex-anteregelgeving kan worden toegepast en voor welke exploitanten zij geldt. Bij het toezicht op de markt door de Commissie, en met name bij ervaringen met de procedure op grond van artikel 7 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), is gebleken dat de nationale regelgevende instanties zelfs bij gelijke marktomstandigheden de oplossingen op zeer uiteenlopende manieren toepassen, waardoor de interne markt in elektronische communicatie kan worden ondermijnd. De Commissie kan derhalve bijdragen tot het waarborgen van een hoger niveau van samenhang in de toepassing van de oplossingen door adviezen te geven inzake de door de nationale regelgevende instanties voorgestelde ontwerpmaatregelen. Om te profiteren van de deskundigheid van de nationale regelgevende instanties inzake de marktanalyse, dient de Commissie, alvorens besluiten te nemen en/of adviezen uit te brengen, bij BEREC te rade te gaan.

(20)

Het is van belang dat het regelgevingskader tijdig wordt uitgevoerd. Wanneer de Commissie heeft besloten dat een nationale regelgevende instantie een geplande maatregel moet intrekken, zou deze instantie een herziene versie moeten indienen. Voor de kennisgeving van de herziene maatregel aan de Commissie op grond van artikel 7 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) zou met het oog op de rechtszekerheid een termijn moeten worden vastgesteld zodat de marktdeelnemers op de hoogte zijn van de duur van de marktherziening.

(21)

Gezien de korte termijnen in het communautaire raadplegingsmechanisme dient de Commissie de bevoegdheid te worden gegeven om aanbevelingen en/of richtsnoeren vast te stellen ter vereenvoudiging van de procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de nationale regelgevende instanties — bijvoorbeeld in gevallen die betrekking hebben op stabiele markten of die alleen geringe wijzigingen inhouden van maatregelen waarvan al eerder kennisgeving is gedaan — of om de invoering mogelijk te maken van een vrijstelling van kennisgeving om procedures in bepaalde gevallen te stroomlijnen.

(22)

Overeenkomstig de doelstellingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, zou het regelgevingskader er voor moeten zorgen dat alle gebruikers, met inbegrip van eindgebruikers met een handicap, ouderen en gebruikers met speciale sociale behoeften eenvoudig toegang hebben tot betaalbare, kwalitatief goede diensten. Verklaring 22 in bijlage bij de Slotakte van Amsterdam bepaalt dat de instellingen van de Gemeenschap bij het vaststellen van maatregelen krachtens artikel 95 van het EG-Verdrag rekening moeten houden met de behoeften van personen met een handicap.

(23)

Een concurrerende markt biedt de gebruikers een breed scala van inhoud, toepassingen en diensten. De nationale regelgevende instanties moeten het vermogen van de gebruikers bevorderen om toegang te krijgen tot informatie en deze te verspreiden en om gebruik te maken van toepassingen en diensten.

(24)

Radiofrequenties zouden moeten worden beschouwd als een schaars openbaar bezit met een belangrijke publieke en marktwaarde. Het is in het algemeen belang dat spectrum vanuit economisch, sociaal en milieuvriendelijk oogpunt, rekening houdend met de belangrijke rol van radiospectrum voor elektronische communicatie, de doelstellingen van culturele diversiteit en pluralisme van de media, en sociale en territoriale cohesie zo doelmatig en doeltreffend mogelijk wordt beheerd. Obstakels voor een doelmatig gebruik ervan dienen daarom geleidelijk uit de weg te worden geruimd.

(25)

De activiteiten in de Gemeenschap in verband met het radiospectrumbeleid doen geen afbreuk aan op communautair of nationaal niveau in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht genomen maatregelen om doelstellingen van algemeen belang na te streven, in het bijzonder met betrekking tot inhoudsregulering en audiovisueel en mediabeleid, en het recht van de lidstaten om hun radiospectrum te gebruiken en te organiseren met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid en defensie.

(26)

Gelet op de uiteenlopende situaties in de lidstaten, zou de omschakeling van analoge naar digitale terrestrische televisie in de Gemeenschap kostbaar spectrum (ook wel „het digitaal dividend” genoemd) vrijmaken dankzij de superieure doorgifteefficiëntie van de digitale technologie.

(27)

Voordat een specifieke harmonisatiemaatregel uit hoofde van Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap („Radiospectrumbeschikking”) (11) wordt voorgesteld, dient de Commissie een effectbeoordeling te maken met een evaluatie van de kosten en baten van de voorgestelde maatregelen, zoals de verwezenlijking van schaalvoordelen en interoperabiliteit van diensten ten behoeve van de consument, het effect op de doelmatigheid van het spectrumgebruik, of de vraag naar het geharmoniseerde gebruik in de verschillende delen van de EU.

(28)

Hoewel het spectrumbeheer onder de bevoegdheid van de lidstaten blijft vallen, kan strategische planning en coördinatie en, indien nodig, harmonisatie op communautair niveau helpen ervoor te zorgen dat spectrumgebruikers ten volle profiteren van de interne markt en dat de belangen van de Europese Unie wereldwijd doeltreffend kunnen worden behartigd. Daartoe moeten zo nodig wetgevende meerjarenprogramma’s voor het radiospectrumbeleid worden vastgesteld om de beleidslijnen en -doelstellingen uiteen te zetten voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik in de Gemeenschap. Deze beleidslijnen en -doelstellingen kunnen verwijzen naar de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik van radiospectrum die nodig zijn voor de totstandbrenging en werking van de interne markt en kunnen in voorkomende gevallen ook verwijzen naar de harmonisatie van procedures voor het verlenen van algemene machtigingen of individuele rechten voor het gebruik van radiofrequenties om indien nodig belemmeringen voor de interne markt uit de weg te ruimen. Deze beleidslijnen en -doelstellingen dienen in overeenstemming te zijn met deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen.

(29)

De Commissie heeft haar voornemen te kennen gegeven om vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn Besluit 2002/622/EG van de Commissie van 26 juli 2002 tot oprichting van een Beleidsgroep Radiospectrum (12) te wijzigen, om het Europees Parlement en de Raad een instrument te bieden om de Beleidsgroep Radiospectrum (RSPG) te vragen, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, advies of verslag uit te brengen over het spectrumbeleid met betrekking tot elektronische communicatie, en om de RSPG de Commissie advies te doen verlenen over de voorgestelde inhoud van de beleidsprogramma’s voor het radiospectrum.

(30)

De spectrumbeheersbepalingen in deze richtlijn moeten in overeenstemming zijn met de werkzaamheden van de internationale en regionale organisaties die zich met radiospectrumbeheer bezig houden, zoals de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) en de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en van Telecommunicatie (CEPT), teneinde het efficiënte beheer en de harmonisatie van het gebruik van het spectrum in de Gemeenschap en tussen lidstaten en andere leden van de ITU te waarborgen.

(31)

Radiofrequenties zouden zodanig moeten worden beheerd dat schadelijke interferentie wordt vermeden. Om dergelijke interferentie te voorkomen en ervoor te zorgen dat regelgevingsinterventie tot het hoognodige wordt beperkt zou het basisconcept van schadelijke interferentie dan ook naar behoren moeten worden gedefinieerd.

(32)

Het huidige spectrumbeheer en het distributiesysteem is over het algemeen gebaseerd op administratieve besluiten die niet flexibel genoeg zijn om te kunnen worden aangepast aan technologische en economische ontwikkelingen, met name de snelle ontwikkeling van draadloze technologie en de stijgende vraag naar bandbreedte. De onnodige fragmentering van nationale beleidslijnen heeft de kosten opgedreven en geleid tot verlies van marktmogelijkheden voor spectrumgebruikers en heeft de innovatie vertraagd, hetgeen ten koste gaat van de interne markt, de consument en de economie als geheel. De voorwaarden voor toegang tot en gebruik van radiofrequenties kunnen variëren afhankelijk van het type exploitant terwijl de elektronische diensten die deze exploitanten verschaffen elkaar steeds meer overlappen zodat spanning ontstaat tussen houders van rechten, de kosten van toegang tot spectrum uiteenlopen en de werking van de interne markt potentieel wordt verstoord.

(33)

De nationale grenzen spelen steeds minder een rol bij het vaststellen van optimaal radiospectrumgebruik. Fragmentering van het beheer van toegang tot spectrumrechten beperkt investeringen en innovatie en stelt exploitanten en fabrikanten van apparatuur niet in staat schaalvoordelen te verwezenlijken, zodat de ontwikkeling van een interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten die gebruikmaken van radiospectrum wordt gehinderd.

(34)

Flexibiliteit bij het beheer van spectrum en toegang tot spectrum zouden moeten worden uitgebreid door middel van technologie- en dienstenneutrale machtigingen om spectrumgebruikers zelf de beste technologieën en diensten te laten kiezen die zij willen toepassen in frequentiebanden die beschikbaar zijn verklaard voor elektronische communicatiediensten in de betreffende nationale frequentieallocatieplannen in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht („beginselen van technologie en dienstenneutraliteit”). Technologieën en diensten zouden alleen administratief mogen worden vastgesteld wanneer er doelstellingen van algemeen belang in het geding zijn en moeten naar behoren worden gemotiveerd en periodiek opnieuw worden onderzocht.

(35)

Beperkingen van het beginsel van technologieneutraliteit moeten passend zijn, en mogen alleen mogelijk zijn om schadelijke interferentie te voorkomen, bijvoorbeeld door zendmaskers en limieten voor het zendvermogen op te leggen, om te zorgen voor bescherming van de volksgezondheid door de blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden te beperken, om de goede werking van diensten te waarborgen door een toereikende technische kwaliteit van de dienst, om een correct gezamenlijk gebruik van het spectrum mogelijk te maken, met name wanneer het gebruik daarvan alleen is onderworpen aan algemene machtigingen, om het efficiënte gebruik van het spectrum te vrijwaren, of om een doelstelling van algemeen belang na te streven in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht.

(36)

Spectrumgebruikers zouden vrij moeten kunnen bepalen welke diensten zij via het spectrum willen aanbieden rekening houdend met de overgangsmaatregelen in verband met eerder verworven rechten. Mits deze noodzakelijk en evenredig zijn moeten aan de andere kant maatregelen mogelijk zijn indien het gaat om een specifieke dienst die duidelijke doeleinden van algemeen belang dient, zoals de veiligheid van het menselijk leven, de noodzaak om de sociale, regionale en territoriale samenhang te bevorderen of het vermijden van een ondoelmatig gebruik van het spectrum. Deze doelstellingen zouden ook de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit moeten omvatten, alsook pluralisme van de media zoals gedefinieerd door de lidstaten in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht. Behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het menselijk leven te beschermen of, in uitzonderingsgevallen, om andere doelstellingen van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht gedefinieerd te verwezenlijken, zouden maatregelen niet mogen leiden tot exclusief gebruik voor bepaalde diensten maar veeleer aan de betrokken dienst voorrang moeten verlenen zodat dezelfde band tegelijk zoveel mogelijk door andere diensten of technologieën kan worden benut.

(37)

De lidstaten zijn bevoegd de draagwijdte en de aard te definiëren van eventuele uitzonderingen wat betreft het bevorderen van culturele en taalkundige diversiteit en pluralisme van de media.

(38)

Omdat de toewijzing van spectrum aan specifieke technologieën of diensten een uitzondering vormt wat betreft de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit en de regel dat aanbieders zelf de dienst die wordt verschaft of de technologie die wordt gebruikt kunnen kiezen, zou een voorstel voor een dergelijke toewijzing transparant moeten zijn en aan een openbare raadpleging moeten worden onderworpen.

(39)

Voor meer flexibiliteit en efficiëntie kunnen de nationale regelgevende instanties spectrumgebruikers ook de mogelijkheid bieden om hun gebruiksrechten vrij over te dragen of te verhuren aan derden, zodat de waarde van spectrum door de markt wordt bepaald. Omdat de nationale regelgevende instanties kunnen zorgen voor doelmatig gebruik van spectrum zouden zij maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat de handel in spectrum leidt tot een verstoring van de concurrentie waarbij spectrum niet wordt gebruikt.

(40)

Voor de invoering van technologie- en dienstenneutraliteit en de handel in bestaande spectrumgebruiksrechten zijn wellicht overgangsregels nodig met inbegrip van maatregelen om te zorgen voor billijke concurrentie omdat bepaalde spectrumgebruikers bij het nieuwe systeem concurrentie kunnen aangaan met spectrumgebruikers die hun spectrumrechten hebben verworven onder veel zwaardere voorwaarden. Wanneer daarentegen met het oog op de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang rechten zijn verleend in afwijking van de algemene regels of aan de hand van criteria die niet objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn, mogen de houders van dergelijke rechten slechts in zoverre ten nadele van nieuwe concurrenten worden begunstigd als nodig is om die of een andere daarmee verband houdende doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken.

(41)

Om de werking van de interne markt te bevorderen en de ontwikkeling van grensoverschrijdende diensten te steunen, zou de Commissie de bevoegdheid moeten worden verleend om technische uitvoeringsmaatregelen op het gebied van de toekenning van nummers vast te stellen.

(42)

Vergunningen die zijn afgegeven aan ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden zodat zij toegang krijgen tot openbaar of particuliere eigendom zijn fundamentele factoren bij het opzetten van elektronischecommunicatienetwerken of nieuwe netwerkelementen. Onnodige complexiteit en vertraging bij de procedures voor het verlenen van toegangsrechten kunnen derhalve belangrijke obstakels vormen voor de ontwikkeling van concurrentie. Erkende ondernemingen zouden op eenvoudige wijze toegangrechten moeten kunnen verwerven. Nationale regelgevende instanties zouden het verwerven van toegangsrechten moeten kunnen coördineren, en relevante informatie toegankelijk moeten maken op hun websites.

(43)

Het is noodzakelijk de bevoegdheden van lidstaten ten aanzien van de houders van toegangsrechten te versterken, om te zorgen voor een eerlijke, efficiënte en milieuverantwoorde invoering dan wel aanleg van een nieuw netwerk, ongeacht eventuele verplichtingen voor een exploitant met aanmerkelijke macht op de markt om toegang te verlenen tot zijn elektronischecommunicatienetwerk. Een verbetering van het gezamenlijk gebruik van faciliteiten kan de concurrentie aanzienlijk verbeteren en de totale financiële en milieukosten die de invoering van elektronischecommunicatie-infrastructuur, met name van nieuwe toegangsnetwerken, voor de ondernemingen meebrengt, sterk verlagen. De nationale regelgevende instanties moeten over de bevoegdheid beschikken om houders van de rechten om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, voor te schrijven dergelijke faciliteiten of eigendom te delen (met inbegrip van fysieke collocatie), teneinde efficiënte investeringen in infrastructuur en de bevordering van innovatie aan te moedigen, zulks na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat moeten zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen. Dergelijke regelingen inzake gedeeld gebruik of coördinatie kunnen een omslagregeling bevatten voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom en zorgen voor een passende verdeling van de beloning voor risico tussen de betrokken ondernemingen. De nationale regelgevende instanties zouden met name het gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten zoals kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten, straatkasten, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, gebouwen of toegangen tot gebouwen, en een betere coördinatie van civiele werken moeten kunnen opleggen. De bevoegde autoriteiten, met name de plaatselijke autoriteiten, moeten tevens, in samenwerking met de nationale regelgevende instanties, passende coördinatieprocedures met betrekking tot openbare werken en andere passende openbare faciliteiten of eigendom vaststellen, die procedures kunnen omvatten waardoor gewaarborgd wordt dat belanghebbende partijen over informatie betreffende passende openbare faciliteiten of eigendom en lopende en voorgenomen openbare werken beschikken, dat zij tijdig over dergelijke werken worden geïnformeerd en dat gedeeld gebruik zoveel mogelijk wordt vergemakkelijkt.

(44)

Betrouwbare en veilige communicatie van informatie speelt een steeds grotere rol in de economie en de samenleving in het algemeen. De complexiteit van systemen, technisch falen of menselijke fouten, ongelukken of aanvallen kunnen gevolgen hebben voor de werking en beschikbaarheid van de fysieke infrastructuur die belangrijke diensten verstrekt voor EU-burgers, met inbegrip van e-Government diensten. Nationale regelgevende instanties moeten er dan ook voor zorgen dat de integriteit en veiligheid van openbare communicatienetwerken wordt gehandhaafd. Het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) (13) zou moeten bijdragen tot een betere veiligheid van elektronische communicatie door onder meer expertise en adviezen te verstrekken en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen. Zowel het ENISA als de nationale regelgevende instanties zouden moeten kunnen beschikken over de noodzakelijke middelen om hun taken uit te voeren, met inbegrip van bevoegdheden om voldoende informatie te kunnen verzamelen om de veiligheid van de netwerken of diensten te kunnen beoordelen en uitgebreide en betrouwbare gegevens over feitelijke incidenten op het gebied van de veiligheid die belangrijke gevolgen hebben gehad voor de exploitatie van netwerken of diensten. Omdat adequate beveiliging niet een eenmalige aangelegenheid is maar een voortdurend proces van toepassing, herziening en aanpassing, moeten aanbieders van elektronische communicatienetwerken en -diensten verplicht worden maatregelen te nemen om hun integriteit en veiligheid te beschermen, afgestemd op de ingeschatte risico’s, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de meest recente technische mogelijkheden.

(45)

De lidstaten dienen de mogelijkheid te bieden voor een adequate periode van openbare raadpleging alvorens specifieke maatregelen worden aangenomen, om ervoor te zorgen dat ondernemingen die openbare communicatienetwerken of publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden, de nodige technische en organisatorische maatregelen nemen om de risico’s voor de veiligheid van hun netwerken of diensten goed te beheren of de integriteit van hun netwerken zeker te stellen.

(46)

Wanneer overeenstemming moet worden bereikt over een gemeenschappelijke reeks veiligheidseisen, moet de Commissie bevoegdheid krijgen om technische uitvoeringsmaatregelen goed te keuren om een passende beveiliging mogelijk te maken van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten in de interne markt. ENISA moet bijdragen aan de harmonisatie van passende, technische en organisatorische veiligheidsmaatregelen door deskundig advies te verstrekken. De nationale regelgevende instanties moeten de bevoegdheid hebben om bindende instructies te geven met betrekking tot de technische uitvoeringsmaatregelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn). Om hun taken te vervullen moeten zij de bevoegdheid hebben onderzoek in te stellen en in geval van niet-naleving sancties op te leggen.

(47)

Om ervoor te zorgen dat er geen sprake is van verstoring of beperking van de mededinging op de elektronischecommunicatiemarkten, moeten de nationale regelgevende instanties maatregelen kunnen opleggen die gericht zijn op het voorkomen van het gebruik van een aanzienlijke marktmacht op de ene markt om invloed uit te oefenen op een andere nauw verwante markt. Het dient duidelijk te zijn dat de onderneming die over een aanzienlijke marktmacht op de eerste markt beschikt, alleen kan worden aangemerkt als onderneming met een aanzienlijke marktmacht op de tweede markt indien de koppelingen tussen beide markten van dien aard zijn dat de marktmacht op de eerste markt op de tweede markt kan worden gebruikt en indien de tweede markt aan regelgeving ex ante kan worden onderworpen aan de hand van criteria die zijn vastgesteld in de aanbeveling betreffende relevante producten- en dienstenmarkten (14).

(48)

Om marktdeelnemers zekerheid te verschaffen over regelgevingsvoorwaarden, moet een termijn worden vastgesteld voor marktherzieningen. Daarom moeten marktanalyses regelmatig en binnen een redelijke en passende tijdspanne worden uitgevoerd. Deze tijdspanne hangt mede af van het feit of al eerder een marktanalyse werd uitgevoerd van de markt in kwestie, en deze aan de betrokkenen is medegedeeld. Wanneer een nationale regelgevende instantie verzuimt binnen de vastgestelde termijn een marktanalyse uit te voeren, dan kan dit een gevaar voor de interne markt betekenen, terwijl ook normale inbreukprocedures niet steeds tijdig het gewenste effect opleveren. Anders moet de betrokken nationale regelgevende instantie BEREC om bijstand kunnen verzoeken om de marktanalyse te voltooien. Deze bijstand kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een specifieke taskforce bestaande uit vertegenwoordigers van de andere nationale regelgevende instanties.

(49)

Aangezien de sector van elektronische communicatie een snel evoluerende sector is die gekenmerkt wordt door technologische innovatie en zeer dynamische markten moet de regelgeving op gecoördineerde en geharmoniseerde wijze op Gemeenschapsniveau kunnen worden aangepast omdat gebleken is dat uiteenlopende opvattingen van de nationale regelgevende instanties over de uitvoering van het regelgevingskader van de Europese Unie de ontwikkeling van de interne markt zouden kunnen belemmeren.

(50)

Een belangrijke taak van BEREC is in voorkomend geval adviezen te verstrekken in verband met grensoverschrijdende geschillen. De nationale regelgevende instanties moeten in die gevallen dan ook rekening houden met eventuele adviezen van BEREC.

(51)

Uit ervaring die werd opgedaan bij de uitvoering van het regelgevingskader van de Europese Unie blijkt dat bestaande bepalingen die de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid geven boetes op te leggen onvoldoende waren om aan te zetten tot naleving van de regelgeving. Adequate bevoegdheden op het gebied van de rechtshandhaving kunnen ertoe bijdragen dat het regelgevingskader van de Europese Unie tijdig wordt uitgevoerd zodat zekerheid bestaat over de regelgeving, hetgeen een belangrijke drijfveer is voor investeringen. Het gebrek aan doeltreffende bevoegdheden in geval van niet-naleving is van toepassing in het gehele regelgevingskader van de Europese Unie. De invoering van een nieuwe bepaling in Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) om niet-nakoming van verplichtingen op grond van de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen aan te pakken moet dan ook zorgen voor toepassing van consequente en samenhangende beginselen op naleving en sancties voor het volledige regelgevingskader van de EU.

(52)

Het bestaande regelgevingskader van de Europese Unie omvatte een aantal bepalingen om de overgang van het oude regelgevingskader van 1998 tot het nieuwe kader van 2002 te vergemakkelijken. Deze overgang is nu in alle lidstaten afgerond en de maatregelen zijn dan ook overbodig geworden zodat zij moeten worden ingetrokken.

(53)

Efficiënte investeringen en mededinging moeten tegelijkertijd worden aangemoedigd, teneinde economische groei, innovatie en de keuzevrijheid voor de consument op te voeren.

(54)

De mededinging kan het best worden bevorderd door een in economisch opzicht efficiënt niveau van investeringen in nieuwe en bestaande infrastructuur, indien nodig aangevuld met regelgeving, om daadwerkelijke mededinging bij kleinhandelsdiensten te bereiken. Een efficiënt niveau van mededinging op basis van infrastructuur is de mate van duplicatie van infrastructuur waarbij van investeerders redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij een correct rendement behalen op basis van redelijke verwachtingen omtrent de ontwikkeling van de marktaandelen.

(55)

Bij het opleggen van verplichtingen voor de toegang tot nieuwe en betere infrastructuur moeten de nationale regelgevende instanties ervoor zorgen dat de voorwaarden voor de toegang de omstandigheden weerspiegelen die aan het besluit tot investering ten grondslag lagen en onder meer rekening houden met de ontwikkelingskosten, de verwachte aanvaarding van de nieuwe producten en diensten en het verwachte prijsniveau voor de consument. Bovendien moeten de nationale regelgevende instanties, om de investeerders zekerheid over hun planning te bieden, in staat zijn zo nodig voorwaarden voor de toegang vast te stellen die consistent zijn gedurende geschikte herzieningsperioden. Deze voorwaarden kunnen ook prijsafspraken inhouden die overeenkomstig het Gemeenschapsrecht afhangen van de omvang of duur van een contract, en mits deze niet discriminerend werken. Bij de opgelegde voorwaarden voor de toegang moet rekening worden gehouden met de noodzaak om daadwerkelijke concurrentie bij de dienstverlening aan consumenten en bedrijven in stand te houden.

(56)

Bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen verplichtingen en voorwaarden houden de nationale regelgevende instanties rekening met de verschillende mededingingsvoorwaarden in de verschillende regio’s in hun lidstaat.

(57)

Bij het opleggen van maatregelen om de prijzen in de hand te houden moeten de nationale regelgevende instanties voor een specifiek nieuw investeringsproject een billijke beloning voor de investeerder mogelijk maken. Met name kunnen risico’s verbonden zijn aan investeringsprojecten die specifiek zijn voor nieuwe toegangsnetwerken die producten steunen waarvoor de vraag op het moment van investeren onzeker is.

(58)

Besluiten van de Commissie krachtens artikel 19, lid 1, van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) dienen beperkt te zijn tot regelgevende beginselen, benaderingen en methoden. Om twijfel te voorkomen, dienen deze geen details voor te schrijven die normaliter de nationale omstandigheden moeten weerspiegelen, en geen alternatieve benaderingen te verbieden waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat deze dezelfde uitwerking hebben. Zulke besluiten moeten evenredig zijn en mogen geen invloed hebben op de besluiten van de nationale regelgevende instanties die geen belemmering voor de interne markt opwerpen.

(59)

In bijlage I bij Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) is de lijst opgenomen van markten die moeten worden vermeld in de aanbeveling van de Commissie betreffende relevante producten- en dienstenmarkten waarvoor regelgeving ex ante gerechtvaardigd kan zijn. Deze bijlage moet worden ingetrokken omdat voldaan is aan de doelstelling om te fungeren als basis voor het opstellen van de aanvankelijke versie van de Aanbeveling betreffende relevante producten- en dienstenmarkten.

(60)

Het is voor een nieuwkomer economisch wellicht niet haalbaar om binnen een redelijke termijn naast het gehele plaatselijke-toegangsnetwerk van de gevestigde exploitant of een deel daarvan een tweede aan te leggen. In dit verband kan het verplicht verlenen van ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk of het subnetwerk van exploitanten met aanmerkelijke marktmacht op de markt voor breedbandtoegang voor particulieren leiden tot een betere markttoegang en meer concurrentie. Onder omstandigheden waar ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk of subnetwerk technisch of economisch niet haalbaar is, kan gebruikgemaakt worden van verplichtingen tot het verstrekken van niet-fysieke of virtuele netwerktoegang met vergelijkbare functionaliteit.

(61)

Met functionele scheiding waarbij een verticaal geïntegreerde exploitant operationeel gescheiden bedrijfseenheden moet oprichten, wil men bewerkstelligen dat alle downstreamexploitanten, met inbegrip van de eigen downstreamafdelingen van de verticaal geïntegreerde exploitant, volledig gelijkwaardige toegangsproducten kunnen worden geleverd. Met functionele scheiding kan de concurrentie in verschillende relevante markten worden verbeterd door discriminatie minder aantrekkelijk te maken en door het makkelijker te maken om na te gaan of de niet-discriminatieverplichtingen worden nageleefd en door hierop toezicht te houden. In uitzonderlijke gevallen kan het worden toegestaan als instrument wanneer men er maar niet in slaagt binnen een redelijke termijn in verschillende markten een situatie te verwezenlijken waarin geen discriminatie plaatsvindt en waar geen of weinig vooruitzicht is op concurrentie op infrastructuurgebied en men reeds een beroep heeft gedaan op een of meer andere maatregelen die eerder geschikt werden geacht. Het is uiterst belangrijk ervoor te zorgen dat met het opleggen van dit instrument de prikkels van de onderneming in kwestie om te investeren in haar netwerk niet worden weggenomen en negatieve gevolgen te voorkomen voor het welzijn van de consument. Het opleggen van functionele scheiding vereist een gecoördineerde analyse van verschillende relevante markten die verband houden met het toegangsnetwerk, in overeenstemming met de in artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) beschreven marktanalyseprocedure. Bij het uitvoeren van de marktanalyse en het bepalen van de details van de maatregel, moeten de nationale regelgevende instanties met name aandacht besteden aan de producten die door de afzonderlijke bedrijfseenheden worden beheerd, rekening houdend met de uitrol van de netwerken en de mate van technologische vooruitgang, die van invloed kunnen zijn op de substitueerbaarheid van vaste en draadloze diensten. Om verstoring van de concurrentie op de interne markt te vermijden is voorafgaande goedkeuring van de voorstellen voor functionele scheiding door de Commissie vereist.

(62)

De tenuitvoerlegging van functionele scheiding betekent niet dat er geen passende coördinatiemechanismen moeten zijn tussen de afzonderlijke bedrijfseenheden om er voor te zorgen dat de rechten van de moedermaatschappij op economisch toezicht en beheerstoezicht beschermd worden.

(63)

De voortschrijdende integratie van de interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten vereist een betere coördinatie bij de toepassing van de regelgeving ex ante zoals bepaald uit hoofde van het EU-regelgevingskader voor elektronische communicatie.

(64)

Wanneer een verticaal geïntegreerde onderneming een groot deel of alle plaatselijke toegangsnetwerkactiva wil onderbrengen in een afzonderlijk rechtspersoon met een andere eigenaar of door een afzonderlijke bedrijfseenheid op te richten die zich bezighoudt met toegangsproducten, moet de nationale regelgevende instantie nagaan welk effect dit heeft op de bestaande regelgevingsverplichtingen die zijn opgelegd aan de verticaal geïntegreerde exploitant om ervoor te zorgen dat eventuele nieuwe regelingen verenigbaar zijn met Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn) en Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstenrichtlijn). De desbetreffende nationale regelgevende instantie moet een nieuwe analyse uitvoeren van de markten waarop de gescheiden eenheid actief is en dienovereenkomstig verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken. Hiertoe moet de nationale regelgevende instantie de onderneming kunnen verzoeken informatie te verstrekken.

(65)

Hoewel een nationale regelgevende instantie exploitanten die geen aanmerkelijke marktmacht bezitten verplichtingen onder sommige omstandigheden kan opleggen om eind-tot-eindverbindingen of interoperabiliteit van diensten tot stand te brengen, moet dit wel gebeuren in overeenstemming met het regelgevingskader van de Europese Unie en met name met de kennisgevingsprocedures.

(66)

De Commissie moet de bevoegdheid worden gegeven uitvoeringsmaatregelen goed te keuren om de voorwaarden voor toegang tot digitale televisie- en radiodiensten zoals beschreven in bijlage I aan te passen aan markt- en technologische ontwikkelingen. Dit geldt tevens voor de minimumlijst van punten in bijlage II die met het oog op de transparantieverplichting moet worden bekendgemaakt.

(67)

Wanneer de marktspelers gemakkelijker toegang krijgen tot de beschikbare radiofrequenties zal dit helpen belemmeringen voor de toegang tot de markt uit de weg te ruimen. Bovendien houdt technologische vooruitgang een vermindering in van het risico van schadelijke interferentie op bepaalde frequentiebanden, waardoor individuele gebruiksrechten minder noodzakelijk worden. Voorwaarden voor het gebruik van spectrumruimte om elektronischecommunicatiediensten te verstrekken moeten derhalve in de regel worden vastgelegd in algemene machtigingen, behalve wanneer op grond van het spectrumgebruik individuele rechten nodig zijn ter bescherming tegen schadelijke interferentie, om de technische kwaliteit van de dienst te verzekeren om een efficiënt spectrumgebruik te waarborgen, of om te voldoen aan specifieke doelstellingen van algemeen belang. Beslissingen inzake de noodzaak om individuele rechten toe te kennen moeten transparant en evenredig zijn.

(68)

De eis dat het verlenen van gebruiksrechten diensten- en technologieneutraal moet zijn, zal, samen met de uitbreiding van de mogelijkheid om tussen ondernemingen rechten over te dragen, de vrijheid en middelen om elektronischecommunicatiediensten aan het publiek te verstrekken vergroten en het zo makkelijker maken doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken. Bepaalde verplichtingen van algemeen belang die zijn opgelegd aan omroepen voor het verlenen van audiovisuele mediadiensten kunnen echter de toepassing van specifieke criteria voor het verlenen van gebruiksrechten noodzakelijk maken, indien blijkt dat zulks van fundamenteel belang is om te voldoen aan een specifieke doelstelling van algemeen belang als bepaald door de lidstaten overeenkomstig het Gemeenschapsrecht. Procedures die verband houden met het nastreven van doelstellingen van algemeen belang moeten onder alle omstandigheden transparant, objectief, evenredig en niet-discriminerend zijn.

(69)

Omdat een individueel gebruiksrecht de vrije toegang tot radiofrequenties beperkt, mag een dergelijk individueel, niet-verhandelbaar gebruiksrecht slechts een beperkte geldigheidsduur hebben. Wanneer de geldigheidsduur van gebruiksrechten wel kan worden verlengd, moeten de bevoegde nationale instanties eerst een evaluatie uitvoeren, met inbegrip van een openbare raadpleging, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen inzake de markt, en de dekking, en met de technologische ontwikkeling. Gezien de spectrumschaarste moeten individuele rechten die aan ondernemingen worden verleend regelmatig worden geëvalueerd. Bij deze toetsing moeten de bevoegde nationale instanties de belangen van de houders van rechten afwegen tegen de noodzaak de handel in frequenties en een flexibeler gebruik van spectrum te bevorderen door waar mogelijk te werken met algemene machtigingen.

(70)

Kleine wijzigingen van rechten en plichten zijn wijzigingen die hoofdzakelijk van administratieve aard zijn, niet leiden tot verandering van de inhoud van de algemene machtigingen en de individuele gebruiksrechten en derhalve geen relatief voordeel voor de andere ondernemingen opleveren.

(71)

De bevoegde nationale instanties moeten de bevoegdheid hebben te zorgen voor een doeltreffend gebruik van spectrum en, wanneer sprake is van ongebruikt spectrum, maatregelen kunnen nemen om het tegen de vrije concurrentie indruisende achterhouden van frequenties te voorkomen omdat dat een belemmering kan vormen voor nieuwkomers op de markt.

(72)

Nationale regelgevende instanties moeten doelmatige actie kunnen nemen om toezicht te houden op en naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging of van het gebruiksrecht, met inbegrip van de bevoegdheid om doelmatige financiële sancties of administratieve sancties op te leggen wanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd.

(73)

Bij de voorwaarden voor die machtigingen moet rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de toegankelijkheid voor gebruikers met een handicap en de noodzaak van openbare autoriteiten en hulpdiensten om onderling en met het publiek te communiceren voor, tijdens of na grote rampen. Rekening houdend met het belang van technische innovatie moeten de lidstaten eveneens machtigingen kunnen verstrekken om spectrum te gebruiken voor experimentele doeleinden, afhankelijk van specifieke beperkingen en voorwaarden die strikt gemotiveerd moeten worden door de experimentele aard van dergelijke rechten.

(74)

Verordening (EG) nr. 2887/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk (15) heeft bewezen doeltreffend te zijn in de eerste fase van marktopening. Op grond van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) moet de Commissie toezicht houden op de overgang van het regelgevend kader van 1998 naar het kader van 2002 en voorstellen op tafel leggen om die verordening te gelegener tijd in te trekken. Volgens het kader van 2002 hebben de nationale regelgevende instanties tot taak de groothandelsmarkt voor ongebundelde toegang tot metalen aansluitnetwerken en subnetten voor het verstrekken van breedband en spraakdiensten te analyseren zoals omschreven in de Aanbeveling inzake relevante markten voor producten en diensten. Omdat alle lidstaten deze markt ten minste een maal hebben geanalyseerd en passende verplichtingen gebaseerd op het kader van 2002 zijn vastgesteld is Verordening (EG) nr. 2887/2000 overbodig geworden en deze verordening moet derhalve worden ingetrokken.

(75)

De voor de uitvoering van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn) en Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn) vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld in overeenstemming met Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (16).

(76)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om aanbevelingen en/of uitvoeringsmaatregelen vast te stellen in verband met de kennisgeving overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn); de harmonisatie op het gebied van spectrum en nummering alsmede op verwante gebieden als veiligheid van netwerken en diensten; de identificatie van de relevante producten- en dienstenmarkten; de identificatie van transnationale markten; de uitvoering van de normen en de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van het regelgevingskader. Ook zou de Commissie de bevoegdheid moeten worden gegeven om uitvoeringsmaatregelen te nemen om de bijlagen I en II bij de toegangsrichtlijn aan te passen aan de markt- en technologische ontwikkelingen. Aangezien het maatregelen van algemene strekking tot wijziging van nieuwe niet-essentiële onderdelen van deze richtlijnen, onder meer door hen aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten ze worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing, als bepaald in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn)

Richtlijn 2002/21/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Bij deze richtlijn wordt een geharmoniseerd kader voor de regulering van elektronischecommunicatiediensten, elektronischecommunicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten vastgesteld, evenals bepaalde aspecten van eindapparatuur om de toegang voor gebruikers met een handicap te vergemakkelijken. De richtlijn legt taken van de nationale regelgevende instanties vast alsmede een reeks procedures om de geharmoniseerde toepassing van het regelgevingskader in de gehele Gemeenschap te waarborgen.”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

3 bis.   „ Maatregelen van de lidstaten betreffende toegang tot of gebruik van diensten en toepassingen door de eindgebruikers via elektronische communicatienetwerken eerbiedigen de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen zoals die door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht worden gewaarborgd.

Maatregelen betreffende toegang tot of gebruik van diensten en toepassingen door de eindgebruikers via elektronische communicatienetwerken die die fundamentele rechten en vrijheden kunnen beperken, mogen alleen worden opgelegd indien zij passend, evenredig en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, en zij worden uitgevoerd met inachtneming van adequate procedurele waarborgen overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, waaronder doeltreffende rechtsbescherming en eerlijke rechtsbedeling. Deze maatregelen mogen derhalve alleen worden genomen met inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld en het recht op een persoonlijke levenssfeer. Een voorafgaande, eerlijke en onpartijdige procedure wordt gegarandeerd, inclusief het recht van de betrokkene of betrokkenen om te worden gehoord, met dien verstande dat voor naar behoren gestaafde spoedeisende gevallen geëigende voorwaarden en procedurele regelingen gelden overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het recht op een daadwerkelijke en tijdige beroepsmogelijkheid bij een rechterlijke instantie is gegarandeerd.”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt a) wordt vervangen door:

„a)

„elektronischecommunicatienetwerk”: de transmissiesystemen en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten, voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie;”;

b)

punt b) wordt vervangen door:

„b)

„transnationale markten”: overeenkomstig artikel 15, lid 4, gedefinieerde markten die de Gemeenschap of een aanzienlijk, zich over meer dan één lidstaat uitstrekkend, deel daarvan beslaan;”;

c)

punt d) wordt vervangen door:

„d)

„openbaar communicatienetwerk”: een elektronischecommunicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van informatie tussen netwerkaansluitpunten;”;

d)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„d bis)

„netwerkaansluitpunt” (NAP): het fysieke punt waarop een abonnee de toegang tot een openbaar communicatienetwerk wordt geboden; in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties wordt het NAP bepaald door middel van een specifiek netwerkadres, dat met een abonneenummer of -naam kan zijn verbonden;”;

e)

punt e) wordt vervangen door:

„e)

„bijbehorende faciliteiten”: de bij een elektronischecommunicatienetwerk en/of een elektronischecommunicatiedienst behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer gebouwen of toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten en straatkasten omvatten;”;

f)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„e bis)

„bijbehorende diensten”: de bij een elektronischecommunicatienetwerk en/of een elektronischecommunicatiedienst behorende diensten die het aanbieden van diensten via dat netwerk en/of dienst mogelijk maken en/of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en onder meer nummervertaalsystemen of systemen met soortgelijke functies, voorwaardelijke toegangssystemen en elektronische programmagidsen alsmede andere diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten omvatten;”;

g)

punt l) wordt vervangen door:

„l)

„bijzondere richtlijnen”: Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn), Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn), Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstenrichtlijn) en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (17);

h)

de volgende punten worden toegevoegd:

„q)

„spectrumtoewijzing”: de aanwijzing van een specifieke frequentieband voor gebruik door een of meer soorten radiocommunicatiediensten, waar passend onder duidelijk omschreven voorwaarden;

r)

„schadelijke interferentie”: interferentie die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsvoorzieningen in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de geldende internationale, communautaire of nationale voorschriften werkende radiocommunicatiedienst op een andere wijze ernstig verslechtert, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;

s)

„oproep”: door middel van een openbaar beschikbare elektronischecommunicatiedienst tot stand gebrachte verbinding die tweewegspraakcommunicatie mogelijk maakt;”.

3)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze en tijdig uitoefenen. De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële en menselijke middelen beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren.”;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„3 bis.   Onverminderd de bepalingen van de leden 4 en 5, treden de nationale regelgevende instanties die verantwoordelijk zijn voor marktregulering ex ante of voor de beslechtingen van geschillen tussen ondernemingen overeenkomstig artikel 20 of 21 van deze richtlijn, onafhankelijk op en vragen of aanvaarden zij geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van deze taken die hun op grond van de nationale wetgeving tot omzetting van het Gemeenschapsrecht zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig de nationale grondwet. Alleen beroepsinstanties die zijn opgezet in overeenstemming met artikel 4, zijn bevoegd besluiten van de nationale regelgevende instanties te schorsen of ongedaan te maken. De lidstaten zorgen ervoor dat het hoofd, of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van een nationale regelgevende instantie als bedoeld in de eerste alinea, of hun plaatsvervangers alleen kunnen worden ontslagen indien zij niet meer aan de tevoren in de nationale wetgeving vastgestelde eisen voor de uitoefening van dat ambt voldoen. Het besluit om het hoofd, of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de betrokken nationale regelgevende instantie te ontslaan wordt openbaar gemaakt op het moment van ontslag. Het ontslagen hoofd of, in voorkomend geval, de ontslagen leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de nationale regelgevende instantie ontvangen een motivering en hebben het recht de openbaarmaking daarvan te verlangen, indien zulks anders niet zou geschieden; in dat geval wordt zij openbaar gemaakt.

De lidstaten zorgen ervoor dat de in de eerste alinea bedoelde nationale regelgevende instanties over afzonderlijke jaarlijkse begrotingen beschikken. De begroting wordt openbaar gemaakt. De lidstaten zorgen er eveneens voor dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële middelen en personeel beschikken om hen in staat te stellen actief deel te nemen aan en bij te dragen tot het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) (18).

3 ter.   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de doelstellingen van BEREC voor wat het bevorderen van de coördinatie van de regelgeving en van de coherentie betreft, actief worden ondersteund door de respectieve nationale regelgevende instanties.

3 quater.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de aanneming van hun beslissingen voor hun nationale markten zeer zorgvuldig rekening houden met door BEREC gegeven adviezen en gemeenschappelijk standpunten.

4)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere gebruiker of onderneming die elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten aanbiedt, die door een beslissing van een nationale regelgevende instantie is getroffen, het recht heeft om tegen die beslissing beroep in te stellen bij een lichaam van beroep dat onafhankelijk is van de betrokken partijen. Dit lichaam, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid om zijn taken effectief te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak op afdoende wijze in aanmerking worden genomen en dat er een doeltreffend mechanisme voor het instellen van beroep aanwezig is.

In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt de beslissing van de nationale regelgevende instantie gehandhaafd, behalve wanneer overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„3.   De lidstaten verzamelen informatie over het algemene voorwerp van de beroepen, het aantal verzoeken voor beroep, de duur van de beroepsprocedures en het aantal besluiten om voorlopige maatregelen te verlenen. De lidstaten verstrekken die gegevens aan de Commissie, respectievelijk BEREC ingevolge een met redenen omkleed verzoek van de Commissie, respectievelijk BEREC.”.

5)

Artikel 5, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden, alle, ook financiële, informatie verstrekken die de nationale regelgevende instanties nodig hebben om de naleving te waarborgen van deze richtlijn, van de besluiten die zijn genomen in overeenstemming ermee en van de specifieke richtlijnen. Met name kunnen de nationale regelgevende instanties van deze ondernemingen verlangen dat zij informatie verstrekken met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen van hun netwerk of diensten die een impact zouden kunnen hebben op de diensten op groothandelsniveau die zij beschikbaar stellen aan concurrenten. Van ondernemingen met een aanmerkelijke macht op groothandelsmarkten kan ook worden verlangd dat zij gegevens verstrekken over de detailhandelsmarkten die verbonden zijn met die groothandelsmarkten.

Ondernemingen verstrekken dergelijke informatie op verzoek onverwijld en volgens de door de nationale regelgevende instantie vastgestelde termijnen en mate van detail. De door de nationale regelgevende instantie gevraagde informatie dient in evenredigheid te zijn met de uitvoering van die taak. De nationale regelgevende instantie noemt de redenen voor haar verzoek om informatie en behandelt de informatie overeenkomstig lid 3.”.

6)

De artikelen 6 en 7 worden vervangen door:

„Artikel 6

Raadpleging en transparantie

Behalve in gevallen die vallen onder artikel 7, lid 9, artikel 20 of artikel 21, zorgen de lidstaten ervoor dat, wanneer de nationale regelgevende instanties voornemens zijn krachtens deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen maatregelen te nemen, dan wel wanneer zij voornemens zijn krachtens artikel 9, leden 3 en 4, beperkingen vast te stellen die een belangrijke impact op de betrokken markt hebben, de belanghebbende partijen de mogelijkheid wordt geboden binnen een redelijke periode opmerkingen over de ontwerpmaatregel in te dienen.

De nationale regelgevende instanties publiceren hun nationale raadplegingsprocedures.

De lidstaten dragen zorg voor de oprichting van een enkel informatiepunt waar inzage verkregen kan worden in alle lopende raadplegingsprocedures.

De resultaten van de raadpleging worden door de nationale regelgevende instanties openbaar gemaakt, behalve in geval van vertrouwelijke informatie overeenkomstig het communautair en nationaal recht betreffende zakelijke vertrouwelijkheid.

Artikel 7

Consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie

1.   De nationale regelgevende instanties houden bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven taken zoveel mogelijk rekening met de doelstellingen van artikel 8, waaronder die welke verband houden met de werking van de interne markt.

2.   Nationale regelgevende instanties dragen bij tot de ontwikkeling van de interne markt door op transparante wijze met elkaar en met de Commissie en BEREC samen te werken om te zorgen voor de consistente toepassing in alle lidstaten van deze richtlijn en van de bijzondere richtlijnen. Hiertoe moeten zij met name samenwerken met de Commissie en BEREC om na te gaan welke soorten instrumenten en oplossingen het meest geschikt zijn om bepaalde soorten situaties op de markt aan te pakken.

3.   Behalve wanneer anders bepaald in aanbevelingen of richtsnoeren die zijn vastgesteld op grond van artikel 7 ter, nadat de in artikel 6 bedoelde raadpleging is afgesloten, maakt een nationale regelgevende instantie, wanneer zij voornemens is een maatregel te nemen die:

a)

valt binnen de draagwijdte van de artikelen 15 of 16 van deze richtlijn of de artikelen 5 of 8 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn); en

b)

van invloed is op de handel tussen de lidstaten,

de ontwerpmaatregel tegelijkertijd toegankelijk is voor de Commissie, BEREC en de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten, vergezeld van een motivering, overeenkomstig artikel 5, lid 3, en brengt zij de Commissie, BEREC en de andere nationale regelgevende instanties daarvan op de hoogte. De nationale regelgevende instanties, BEREC en de Commissie krijgen een maand de tijd om opmerkingen in te dienen bij de nationale regelgevende instantie in kwestie. De periode van één maand kan niet worden verlengd.

4.   Indien een maatregel als bedoeld in lid 3 betrekking heeft op:

a)

het definiëren van een relevante markt die verschilt van de markten die in de aanbeveling overeenkomstig artikel 15, lid 1, zijn gedefinieerd; of

b)

het al dan niet aanwijzen van een onderneming die, hetzij individueel of gezamenlijk met anderen, aanzienlijke marktmacht bezit overeenkomstig artikel 16, leden 3, 4 of 5,

en van invloed zou zijn op de handel tussen de lidstaten, en de Commissie de nationale regelgevende instantie heeft meegedeeld dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne Europese markt opwerpt of indien zij ernstige twijfels heeft omtrent de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met het Gemeenschapsrecht en met name met de in artikel 8 genoemde doelstellingen, wordt de vaststelling van de maatregel met nog eens twee maanden uitgesteld. Deze periode kan niet worden verlengd. De Commissie stelt de andere nationale regelgevende instanties in dat geval in kennis van haar voorbehouden.

5.   De Commissie kan binnen de in lid 4 genoemde periode van 2 maanden:

a)

een besluit nemen waarmee zij van de betrokken nationale regelgevende instantie verlangt dat deze de ontwerpmaatregel intrekt, en/of

b)

het besluit nemen haar voorbehouden bij de in lid 4 bedoelde ontwerpmaatregelen in te trekken.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van BEREC alvorens een besluit te nemen. Het besluit gaat vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de Commissie van mening is dat de ontwerpmaatregel niet dient te worden genomen, samen met specifieke voorstellen tot wijziging van de ontwerpmaatregel.

6.   Uiterlijk zes maanden na de dag waarop de Commissie overeenkomstig lid 5 een besluit heeft genomen waarmee van de nationale regelgevende instantie wordt verlangd dat deze een ontwerpmaatregel intrekt, trekt de nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel in dan wel wijzigt zij deze. Wanneer de ontwerpmaatregel wordt gewijzigd houdt de nationale regelgevende instantie een openbare raadpleging in overeenstemming met de in artikel 6 bedoelde procedures, en stelt zij de Commissie opnieuw in kennis van de gewijzigde ontwerpmaatregel overeenkomstig het bepaalde in lid 3.

7.   De betrokken nationale regelgevende instantie houdt zoveel mogelijk rekening met opmerkingen van andere nationale regelgevende instanties, BEREC en de Commissie en kan, uitgezonderd in de in de leden 4 en 5, onder a), genoemde gevallen, de uiteindelijke ontwerpmaatregel goedkeuren en, in voorkomend geval, aan de Commissie meedelen.

8.   De nationale regelgevende instantie deelt de Commissie en BEREC alle aangenomen definitieve maatregelen mee die onder artikel 7, lid 3, onder a) en b), vallen.

9.   In uitzonderlijke omstandigheden kan een nationale regelgevende instantie die oordeelt dat er een dringende noodzaak is om te handelen, in afwijking van de procedure genoemd in de leden 3 en 4, teneinde de concurrentie te waarborgen en de belangen van de gebruikers te beschermen, onmiddellijk evenredige en voorlopige maatregelen vaststellen. Zij deelt die maatregelen onverwijld volledig met redenen omkleed mede aan de Commissie, de andere nationale regelgevende instanties en BEREC. Een besluit van de nationale regelgevende instantie om dergelijke maatregelen permanent te maken of de periode waarvoor zij van toepassing zijn, te verlengen, valt onder de bepalingen van de leden 3 en 4.”.

7)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 7 bis

Procedure voor de consequente toepassing van oplossingen

1.   Wanneer een maatregel in het kader van artikel 7, lid 3, voorgenomen maatregel bedoeld is om een verplichting voor een exploitant op te leggen, te wijzigen of in te trekken in toepassing van artikel 16 in samenhang met de artikelen 5 en 9 tot en met 13 bis van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn) en artikel 17 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn), kan de Commissie, binnen de periode van één maand als bepaald in artikel 7, lid 3, van deze richtlijn, de betrokken nationale regelgevende instantie en BEREC in kennis stellen van redenen waarom dat zij vindt dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt of van de ernstige twijfels die zij heeft omtrent de verenigbaarheid van de maatregel met het Gemeenschapsrecht. In een dergelijk geval wordt het vaststellen van de maatregel uitgesteld tot drie maanden na de kennisgeving van de Commissie.

Bij uitblijven van een dergelijke kennisgeving kan de betrokken nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel vaststellen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met eventuele opmerkingen die door de Commissie, BEREC of door andere nationale regelgevende instanties zijn gemaakt.

2.   Binnen de periode van drie maanden zoals genoemd in lid 1, werken de Commissie, BEREC en de betreffende nationale regelgevende instantie nauw samen, om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen in het licht van de doelstellingen van artikel 8, waarbij rekening wordt gehouden met de standpunten van marktdeelnemers en de noodzaak om te zorgen voor de ontwikkeling van een consequente regelgevingspraktijk.

3.   Binnen zes weken vanaf het begin van de periode van drie maanden als bedoeld in lid 1, brengt BEREC, handelend met een meerderheid van zijn leden, advies uit over de kennisgeving van de Commissie als bedoeld in lid 1, geeft aan of het van mening is dat de ontwerpmaatregel moet worden gewijzigd of ingetrokken en doet hiertoe zo nodig specifieke voorstellen. Dit advies is met redenen omkleed en wordt openbaar gemaakt.

4.   Indien BEREC in zijn advies de ernstige twijfels van de Commissie deelt, werkt het nauw samen met de betrokken nationale regelgevende instantie, om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen. Vóór het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden kan de nationale regelgevende instantie:

a)

de ontwerpmaatregel wijzigen of intrekken, zoveel mogelijk rekening houdend met de in lid 1 bedoelde kennisgeving van de Commissie en de adviezen van BEREC;

b)

de ontwerpmaatregel handhaven.

5.   Indien BEREC de ernstige twijfels van de Commissie niet deelt of geen advies uitbrengt, of indien de nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel overeenkomstig lid 4 wijzigt of handhaaft, kan de Commissie binnen een maand na het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC:

a)

een aanbeveling doen waarin van de betrokken nationale regelgevende instantie wordt verlangd de ontwerpmaatregel te wijzigen of in te trekken en waarin zij haar aanbeveling met redenen omkleed, vooral wanneer BEREC de ernstige twijfels van de Commissie niet deelt, en specifieke voorstellen hiertoe voorstellen;

b)

het besluit nemen haar overeenkomstig lid 1 aangegeven voorbehouden in te trekken.

6.   Binnen een maand na de aanbeveling van de Commissie overeenkomstig lid 5, onder a), of de intrekking van haar voorbehouden overeenkomstig lid 5, onder b), deelt de betrokken nationale regelgevende instantie de vastgestelde definitieve maatregel aan de Commissie en BEREC mee.

Deze periode kan worden verlengd om de nationale regelgevende instantie in staat te stellen overeenkomstig artikel 6 een openbare raadpleging te houden.

7.   Indien de nationale regelgevende instantie besluit de ontwerpmaatregel niet te wijzigen of in te trekken op basis van de overeenkomstig lid 5, onder a), gedane aanbeveling, dient zij dit met redenen te omkleden.

8.   De nationale regelgevende instantie kan de voorgestelde ontwerpmaatregel op elk moment tijdens de procedure intrekken.

Artikel 7 ter

Uitvoeringsbepalingen

1.   Na een openbare raadpleging en na raadpleging van de nationale regelgevende instanties, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC, kan de Commissie in verband met artikel 7 aanbevelingen en/of richtsnoeren aannemen tot vaststelling van het formaat, de inhoud en de gedetailleerdheid van de in artikel 7, lid 3, bedoelde kennisgeving, alsmede van de omstandigheden waaronder kennisgeving niet vereist zou zijn, en de wijze waarop de termijnen worden berekend.

2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen worden volgens de raadplegingsprocedure van artikel 22, lid 2, vastgesteld.”.

8)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Tenzij anders bepaald in artikel 9, dat handelt over radiofrequenties, houden de lidstaten zoveel mogelijk rekening met de wenselijkheid van voorschriften die technologisch neutraal zijn, en zorgen zij ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken, met name die welke erop gericht zijn daadwerkelijke concurrentie te waarborgen, eveneens daarmee rekening houden.”;

b)

in lid 2 worden de punten a) en b) vervangen door:

„a)

zij zorgen ervoor dat de gebruikers, met inbegrip van gebruikers met een handicap, oudere gebruikers en gebruikers met speciale sociale behoeften optimaal profiteren wat betreft keuze, prijs en kwaliteit;

b)

zij zorgen ervoor dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is, met inbegrip van de doorgifte van inhoud;”;

c)

in lid 2 wordt punt c) geschrapt;

d)

in lid 3 wordt punt c) geschrapt;

e)

lid 3, onder d), wordt vervangen door:

„d)

zij werken met elkaar, met de Commissie en met de BEREC op transparante wijze samen om de ontwikkeling van een consistente regelgevende praktijk en de consistente toepassing van deze richtlijn en van de bijzondere richtlijnen te waarborgen.”;

f)

lid 4, onder e), wordt vervangen door:

„e)

zij schenken aandacht aan de behoeften van specifieke maatschappelijke groepen, met name gebruikers met een handicap, oudere gebruikers en gebruikers met speciale sociale behoeften;”;

g)

in lid 4 wordt het volgende punt toegevoegd:

„g)

zij bevorderen het vermogen van de eindgebruikers om toegang te krijgen tot informatie en deze te verspreiden of om gebruik te maken van toepassingen en diensten van hun keuze;”;

h)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„5.   Bij het nastreven van de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde beleidsdoelstellingen passen de nationale regelgevende instanties objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en proportionele regelgevingsbeginselen toe, onder meer op de volgende wijze:

a)

zij bevorderen de voorspelbaarheid van de regelgeving door te zorgen voor een consistente aanpak in de regelgeving tijdens geschikte herzieningsperioden;

b)

zij waarborgen dat er bij gelijke omstandigheden geen discriminatie plaatsvindt bij de behandeling van ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten leveren;

c)

zij beschermen de concurrentie in het belang van de consument, en bevorderen waar nodig een op infrastructuur gebaseerde concurrentie;

d)

zij bevorderen efficiënte investeringen en innovatie in nieuwe en betere infrastructuur, onder meer door te zorgen dat er in de toegangsverplichtingen voldoende rekening wordt gehouden met het door de investering genomen risico en door verschillende samenwerkingsafspraken tussen investeerders en partijen die toegang willen hebben, toe te staan om het investeringsrisico te spreiden, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de concurrentie op de markt en het non-discriminatiebeginsel worden gevrijwaard;

e)

zij houden naar behoren rekening met de uiteenlopende omstandigheden die wat betreft concurrentie en consumenten in de verschillende geografische gebieden binnen een lidstaat bestaan;

f)

zij leggen regelgevende verplichtingen ex ante uitsluitend daar op waar geen effectieve en duurzame concurrentie is en zij verlichten de verplichtingen of heffen deze op zodra er wel aan die voorwaarde is voldaan.”.

9)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 8 bis

Strategische planning en coördinatie van het radiospectrumbeleid

1.   De lidstaten werken met elkaar en met de Commissie samen bij de strategische planning, coördinatie en harmonisatie van het gebruik van het radiospectrum in de Europese Gemeenschap. Daartoe houden zij onder meer rekening met economische, veiligheids-, gezondheids-, maatschappelijke, vrijemeningsuitings-, culturele, wetenschappelijke, sociale en technische aspecten van het beleid van de Europese Unie, alsmede met de uiteenlopende belangen van de kringen van radiospectrumgebruikers met het oog op de optimalisatie van het gebruik van het radiospectrum en het vermijden van schadelijke interferentie.

2.   Door met elkaar en met de Commissie samen te werken, bevorderen de lidstaten de coördinatie van de radiospectrumbeleidsaanpak in de Europese Gemeenschap en, in voorkomend geval, de harmonisatie van de voorwaarden inzake beschikbaarheid en efficiënt gebruik van het radiospectrum die vereist zijn voor het tot stand brengen en het functioneren van de interne markt op het gebied van elektronische communicatie.

3.   De Commissie kan, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum (RSPG), opgericht bij Besluit 2002/622/EG van de Commissie van 26 juli 2002 tot oprichting van een Beleidsgroep Radiospectrum (19), wetgevingsvoorstellen bij het Europees Parlement en de Raad indienen voor de vaststelling van meerjarenprogramma’s voor het radiospectrumbeleid. Deze programma’s bepalen de beleidslijnen en doelstellingen voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen.

4.   Wanneer dit nodig is om de effectieve coördinatie van de belangen van de Europese Gemeenschap in internationale organisaties die bevoegd zijn voor radiospectrumaangelegenheden te garanderen, kan de Commissie, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de RSPG, het Europees Parlement en de Raad voorstellen doen voor gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen.

10)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Beheer van de radiofrequenties voor elektronischecommunicatiediensten

1.   Naar behoren rekening houdend met het feit dat radiofrequenties een publiek goed zijn dat een belangrijke maatschappelijke, sociale en economische waarde heeft, zorgen de lidstaten ervoor dat de radiofrequenties voor elektronische communicatiediensten op hun grondgebied efficiënt worden beheerd overeenkomstig de artikelen 8 en 8 bis. Zij zorgen ervoor dat de spectrumtoewijzing voor elektronischecommunicatiediensten en de afgifte van algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten voor die radiofrequenties door de bevoegde nationale instanties gebaseerd zijn op objectieve, transparante, niet-discriminerende en proportionele criteria.

Bij de toepassing van dit artikel eerbiedigen de lidstaten de desbetreffende internationale overeenkomsten, met inbegrip van de radioregelgeving van de ITU, en mogen zij overwegingen van openbare orde in aanmerking nemen.

2.   De lidstaten bevorderen de harmonisatie van het gebruik van radiofrequenties in de Gemeenschap in overeenstemming met de noodzaak een daadwerkelijk en efficiënt gebruik daarvan te waarborgen en met als doel voordelen voor de consumenten, zoals schaalvoordelen en interoperabiliteit van diensten. Zij handelen daarbij in overeenstemming met artikel 8 bis en Beschikking nr. 676/2002/EG (radiospectrumbeschikking).

3.   Tenzij anders bepaald in de tweede alinea zorgen de lidstaten ervoor dat alle soorten voor elektronischecommunicatiediensten gebruikte technologie kunnen worden gebruikt op de radiofrequentiebanden die in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht beschikbaar zijn verklaard voor elektronischecommunicatiediensten in hun nationale frequentietoewijzingsplannen.

De lidstaten kunnen echter proportionele en niet-discriminerende beperkingen opleggen met betrekking tot de soorten voor elektronischecommunicatiediensten gebruikte technologie, indien dat nodig is om:

a)

schadelijke interferentie te vermijden;

b)

de volksgezondheid te beschermen tegen elektromagnetische velden;

c)

de technische kwaliteit van de dienst te garanderen;

d)

te zorgen voor zoveel mogelijk gedeeld gebruik van de radiofrequenties;

e)

een efficiënt spectrumgebruik te waarborgen; of

f)

een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken overeenkomstig lid 4.

4.   Tenzij anders bepaald in de tweede alinea zorgen de lidstaten ervoor dat alle soorten elektronischecommunicatiediensten kunnen worden aangeboden op de radiofrequentiebanden die in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht beschikbaar zijn verklaard voor elektronischecommunicatiediensten in hun nationale frequentietoewijzingsplannen. De lidstaten kunnen echter proportionele en niet-discriminerende beperkingen opleggen met betrekking tot de soorten elektronischecommunicatiediensten die worden aangeboden, ook, waar nodig, om te voldoen aan vereisten van de radioregelgeving van de ITU.

Maatregelen die vereisen dat een elektronischecommunicatiedienst in een specifieke voor elektronischecommunicatiediensten beschikbare band wordt aangeboden, worden gerechtvaardigd door de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met de communautaire wetgeving gedefinieerd, zoals, maar niet beperkt tot:

a)

veiligheid van het menselijk leven;

b)

het bevorderen van de sociale, regionale of territoriale samenhang;

c)

het vermijden van een ondoelmatig gebruik van radiofrequenties; of

d)

de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit en pluralisme van de media, bijvoorbeeld door het aanbieden van radio- en televisieomroepdiensten.

Een maatregel die het verlenen van iedere andere elektronischecommunicatiedienst in een specifieke band verbiedt, mag alleen worden opgelegd wanneer zij gerechtvaardigd is op grond van de noodzaak de veiligheid van het menselijk leven te beschermen. De lidstaten mogen een dergelijke maatregel in uitzonderingsgevallen ook uitvaardigen voor de verwezenlijking van andere doelstellingen van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met de communautaire wetgeving gedefinieerd.

5.   De lidstaten heronderzoeken geregeld de noodzaak van de in de leden 3 en 4 bedoelde beperkingen en maatregelen en maken de resultaten van dat heronderzoek bekend.

6.   De leden 3 en 4 zijn van toepassing op spectrum dat is toegewezen voor elektronischecommunicatiediensten, algemene machtigingen die zijn afgegeven en individuele gebruiksrechten voor radiofrequenties die zijn verleend na 25 mei 2011.

Spectrumtoewijzingen, algemene machtigingen en individuele gebruiksrechten die bestonden op 25 mei 2011 vallen onder artikel 9 bis.

7.   Onverminderd het bepaalde in de bijzondere richtlijnen en rekening houdend met de relevante nationale omstandigheden, kunnen de lidstaten voorschriften vaststellen om hamsteren van spectrum te voorkomen, met name door strikte termijnen te bepalen waarbinnen de gebruiksrechten door de houder van de rechten daadwerkelijk moeten worden geëxploiteerd en door sancties toe te passen, met inbegrip van geldboetes of intrekking van de gebruiksrechten indien de termijnen niet worden nageleefd. Deze voorschriften moeten op evenredige, niet-discriminerende en transparante wijze worden opgesteld en toegepast.”.

11)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 9 bis

Toetsing van de beperkingen op bestaande rechten

1.   Gedurende een periode van vijf jaar, die ingaat op 25 mei 2011, mogen de lidstaten houders van rechten op het gebruik van radiofrequenties die vóór die datum zijn verleend en die voor een periode van ten minste vijf jaar na die datum geldig zullen blijven, toestaan een aanvraag in te dienen bij de bevoegde nationale instantie om beperkingen die overeenkomstig artikel 9, leden 3 en 4, op hun rechten zijn gesteld, opnieuw te onderzoeken.

Alvorens zij een besluit neemt, stelt de nationale regelgevende instantie de houder van het recht in kennis van haar hernieuwde toetsing van de beperkingen, waarbij zij haar bevindingen aangaande de omvang van dit recht vermeldt, en de houder een redelijke termijn toekent om zijn verzoek in te trekken.

Wanneer de houder zijn verzoek intrekt, blijft het recht ongewijzigd tot het verstrijken ervan en uiterlijk tot het eind van de periode van vijf jaar.

2.   Na de in lid 1 bedoelde periode van vijf jaar nemen de lidstaten alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat alle resterende algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten en spectrumtoewijzingen voor elektronischecommunicatiediensten die op 25 mei 2011 bestonden, voldoen aan het bepaalde in artikel 9, leden 3 en 4.

3.   Bij de toepassing van dit lid nemen de lidstaten passende maatregelen om een eerlijke mededinging te bevorderen.

4.   Ten behoeve van de toepassing van dit artikel genomen maatregelen zijn niet als verlening van nieuwe gebruiksrechten aan te merken en vallen derhalve niet onder de desbetreffende bepalingen van artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn).

Artikel 9 ter

Overdracht of verhuur van individuele rechten op het gebruik van radiofrequenties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen individuele rechten op het gebruik van radiofrequenties in de banden waarvoor hierin is voorzien in de krachtens lid 3 vastgestelde uitvoeringsmaatregelen, overeenkomstig de voorwaarden die aan de rechten op het gebruik van radiofrequenties zijn verbonden en overeenkomstig de nationale procedures kunnen overdragen of verhuren aan andere ondernemingen.

In andere banden kunnen de lidstaten voorzien in de mogelijkheid dat ondernemingen individuele rechten op het gebruik van radiofrequenties in overeenstemming met nationale procedures overdragen of verhuren aan andere ondernemingen.

De voorwaarden die aan de individuele rechten op het gebruik van radiofrequenties zijn verbonden, blijven gelden na de overdracht of de verhuur, tenzij door de bevoegde nationale instantie anders aangegeven.

De lidstaten kunnen ook bepalen dat de bepalingen van dit lid niet van toepassing zijn indien het individuele recht van de onderneming op het gebruik van radiofrequenties oorspronkelijk zonder kosten is verkregen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat het voornemen van een onderneming om de rechten op het gebruik van radiofrequenties over te dragen, evenals de daadwerkelijke overdracht van die rechten, overeenkomstig de nationale procedures wordt meegedeeld aan de bevoegde nationale instantie die verantwoordelijk is voor de verlening van individuele gebruiksrechten, en bekend wordt gemaakt. Wanneer het gebruik van radiofrequenties geharmoniseerd is via de toepassing van Beschikking nr. 676/2002/EG (Radiospectrumbeschikking) of andere Gemeenschapsmaatregelen, voldoet dergelijke overdracht aan zulk geharmoniseerd gebruik.

3.   De Commissie kan passende uitvoeringsmaatregelen aannemen ter vaststelling van banden waarvoor rechten op het gebruik van radiofrequenties tussen ondernemingen mogen worden overgedragen of verhuurd. Deze maatregelen hebben geen betrekking op frequenties die voor omroep worden gebruikt.

Deze technische uitvoeringsmaatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 22, lid 3.”.

12)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

leden 1 en 2 worden vervangen door:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties toezicht uitoefenen op de verlening van rechten van gebruik van alle nationale nummervoorraden en het beheer van de nationale nummerplannen. De lidstaten zorgen ervoor dat voor alle openbare elektronischecommunicatiediensten adequate nummers en nummerreeksen worden aangeboden. De nationale regelgevende instanties stellen objectieve, transparante en niet-discriminerende procedures op voor de verlening van gebruiksrechten voor de nationale nummervoorraden.

2.   De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat nationale nummeringsplannen en -procedures zo worden toegepast dat alle aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten gelijk worden behandeld. In het bijzonder zorgen de lidstaten ervoor dat een onderneming waaraan het gebruiksrecht voor een nummerreeks is verleend, andere aanbieders van elektronischecommunicatiediensten niet discrimineert wat de nummersequenties betreft die worden gebruikt om toegang te geven tot hun diensten.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De lidstaten ondersteunen harmonisatie van specifieke nummers of nummerreeksen binnen de Gemeenschap wanneer dat de werking van de interne markt en de ontwikkeling van pan-Europese diensten bevordert. De Commissie kan op dit gebied passende technische uitvoeringsmaatregelen nemen.

Deze maatregelen die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

13)

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, tweede alinea, eerste streepje, wordt vervangen door:

„—

handelt op basis van eenvoudige, efficiënte, transparante en openbare procedures die zonder discriminatie en onverwijld worden toegepast, en in ieder geval een besluit neemt binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag, behalve in gevallen van onteigening, en”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De lidstaten zorgen ervoor dat er, wanneer lokale of andere overheden de eigendom van of zeggenschap behouden over ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken en/of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten exploiteren, een daadwerkelijke structurele scheiding is tussen de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de in lid 1 bedoelde rechten en de activiteiten die verband houden met de eigendom of zeggenschap.”.

14)

Artikel 12 wordt vervangen door:

„Artikel 12

Collocatie en gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten voor aanbieders van elektronische communicatienetwerken

1.   Wanneer een onderneming die elektronischecommunicatienetwerken aanbiedt, krachtens de nationale wetgeving het recht heeft om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, dan wel een procedure kan volgen voor de onteigening of het gebruik van eigendom, moeten de nationale regelgevingsinstanties met volledige inachtneming van het evenredigheidsbeginsel het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom, met inbegrip van gebouwen, toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, masten, antennes, torens en andere ondersteuningsgebouwen, kabelgoten, leidingen, mangaten, straatkasten, verplicht kunnen stellen.

2.   De lidstaten kunnen houders van de in lid 1 bedoelde rechten het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom (met inbegrip van fysieke collocatie) voorschrijven of maatregelen treffen om de coördinatie van publieke werken te vergemakkelijken ten einde het milieu, de volksgezondheid en de openbare veiligheid te beschermen of om stedenbouwkundige of planologische redenen, doch zulks pas na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen. Dergelijke regelingen inzake gedeeld gebruik of coördinatie kunnen een omslagregeling bevatten voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale autoriteiten ook de bevoegdheid hebben om na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen, verplichtingen op te leggen voor het gedeeld gebruik van bekabeling in gebouwen of tot aan het eerste punt van samenkomst of distributie indien dit zich buiten het gebouw bevindt, aan de houders van de in lid 1 bedoelde rechten en/of aan de eigenaar van de bekabeling, indien dit wordt gerechtvaardigd omwille van het feit dat duplicatie van dergelijke infrastructuur economisch inefficiënt of fysiek onuitvoerbaar zou zijn. Dergelijke regelingen inzake gedeeld gebruik of coördinatie kunnen een omslagregeling voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom bevatten, waar nodig aangepast aan de risico’s.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde nationale autoriteiten van ondernemingen, indien daartoe verzocht door de bevoegde autoriteiten, kunnen verlangen de nodige informatie verstrekken, zodat deze autoriteiten, samen met de nationale regelgevende instanties, een gedetailleerd overzicht kunnen opstellen van de aard, de beschikbaarheid en de geografische locatie van de in lid 1 bedoelde faciliteiten en dit aan de belanghebbende partijen ter beschikking kunnen stellen.

5.   Maatregelen die door een nationale regelgevende instantie zijn genomen in overeenstemming met dit artikel moeten objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn. In voorkomend geval worden deze maatregelen in overleg met plaatselijke instanties uitgevoerd.”.

15)

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK III bis

VEILIGHEID EN INTEGRITEIT VAN NETWERKEN EN DIENSTEN

Artikel 13 bis

Veiligheid en integriteit

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden passende technische en organisatorische maatregelen nemen om de risico’s voor de veiligheid van hun netwerken of diensten goed te beheersen. Deze maatregelen zorgen, gezien de stand van de techniek, voor een veiligheidsniveau dat is afgestemd op de risico’s die zich voordoen. Er worden met name maatregelen genomen om de impact van veiligheidsincidenten op gebruikers en onderling verbonden netwerken zo laag mogelijk te houden.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die openbare communicatienetwerken aanbieden, alle nodige maatregelen nemen om te zorgen voor de integriteit van hun netwerken zodat kan worden gezorgd voor de continuïteit van de diensten die via deze netwerken worden geleverd.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden de bevoegde nationale regelgevende instantie in kennis stellen van elke inbreuk op de veiligheid of elk verlies van integriteit die een belangrijke impact had op de exploitatie van netwerken of diensten.

In voorkomend geval brengt de betrokken nationale regelgevende instantie de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten en de het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA) op de hoogte. De betrokken nationale regelgevende instantie kan het publiek hiervan op de hoogte brengen of eisen dat de ondernemingen dit doen, indien zij de bekendmaking van de schending in het algemeen belang acht.

Eenmaal per jaar dient de betrokken nationale regelgevende instantie bij de Commissie en ENISA een samenvattend verslag in over de kennisgevingen die zij heeft ontvangen en de maatregelen die overeenkomstig dit lid zijn genomen.

4.   De Commissie, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van ENISA, kan passende technische uitvoeringsmaatregelen nemen om de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde maatregelen te harmoniseren, met inbegrip van maatregelen die de omstandigheden, het formaat en de procedures definiëren die van toepassing zijn op de kennisgevingseisen. Deze technische uitvoeringsmaatregelen worden zoveel mogelijk gebaseerd op Europese en internationale normen, en beletten niet dat de lidstaten aanvullende eisen vaststellen om te voldoen aan de in de leden 1 en 2 genoemde doelstellingen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 13 ter

Toepassing en handhaving

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben om ondernemingen die openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden bindende instructies, ook met betrekking tot de termijnen voor de uitvoering, te geven met het oog op de uitvoering van artikel 13 bis.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben ondernemingen die openbare communicatienetwerken of openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden te vragen om:

a)

informatie te verschaffen die nodig is om de veiligheid en/of integriteit van hun diensten en netwerken te beoordelen, met inbegrip van gedocumenteerd veiligheidsbeleid; en

b)

een veiligheidscontrole te laten uitvoeren door een gekwalificeerde onafhankelijke instantie of een bevoegde nationale instantie en de resultaten ervan beschikbaar te stellen aan de nationale regelgevende instantie. De kosten van de controle worden door de onderneming gedragen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevingsinstanties alle nodige bevoegdheden hebben om gevallen van niet-naleving te onderzoeken, evenals de effecten ervan op de beveiliging en integriteit van de netwerken.

4.   Deze bepalingen laten artikel 3 van deze richtlijn onverlet.”.

16)

In artikel 14 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   Wanneer een onderneming aanmerkelijke marktmacht op een specifieke markt (de eerste markt) bezit, kan zij ook worden aangewezen als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht op een nauw verwante markt (de tweede markt) als de koppelingen tussen beide markten van dien aard zijn dat de marktmacht op de eerste markt op de tweede markt zo kan worden gebruikt dat de marktmacht van de onderneming wordt vergroot. Bijgevolg kunnen ingevolge de artikelen 9, 10, 11 en 13 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn) oplossingen worden toegepast om te voorkomen dat naar meer macht op de tweede markt wordt gestreefd, en wanneer die oplossingen ontoereikend blijken, kunnen oplossingen worden aangewend ingevolge artikel 17 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn).”.

17)

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het kopje wordt vervangen door:

Procedure voor het bepalen en definiëren van markten”;

b)

in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.   Na een openbare raadpleging, met inbegrip van raadpleging van de nationale regelgevende instanties, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC, neemt de Commissie volgens de raadplegingsprocedure van artikel 22, lid 2, een aanbeveling aan inzake relevante markten voor producten en diensten (de aanbeveling). Daarin worden de markten voor producten en diensten in de sector elektronische communicatie vermeld waarvan de kenmerken zodanig kunnen zijn dat het opleggen van regulerende verplichtingen als beschreven in de bijzondere richtlijnen gerechtvaardigd kan zijn, onverminderd markten die in bepaalde gevallen uit hoofde van het mededingingsrecht kunnen worden gedefinieerd. De Commissie definieert de markten overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht.”;

c)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De nationale regelgevende instanties bepalen, zoveel mogelijk rekening houdend met de aanbeveling en de richtsnoeren, de relevante markten die overeenkomen met de nationale omstandigheden, met name relevante geografische markten binnen hun grondgebied, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht. De nationale regelgevende instanties volgen de procedures van de artikelen 6 en 7 voordat zij markten definiëren die verschillen van de in de aanbeveling genoemde.”;

d)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Na raadpleging, met inbegrip van raadpleging van de nationale regelgevende instanties, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC, kan de Commissie volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 22, lid 3, een beschikking vaststellen waarin transnationale markten worden gedefinieerd.”.

18)

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

leden 1 en 2 worden vervangen door:

„1.   De nationale regelgevende instanties voeren een analyse uit van de relevante in de aanbeveling vermelde markten, en houden daarbij rekening met de in de aanbeveling genoemde markten, met maximale inachtneming van de richtsnoeren. De lidstaten zorgen ervoor dat deze analyse, in voorkomend geval, in samenwerking met de nationale mededingingsinstanties wordt uitgevoerd.

2.   Wanneer een nationale regelgevende instantie krachtens leden 3 en 4 van dit artikel, artikel 17, van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstenrichtlijn), of artikel 8 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn) moet bepalen of ten aanzien van ondernemingen verplichtingen moeten worden opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken, bepaalt zij overeenkomstig de richtsnoeren op basis van haar analyse volgens lid 1 van dit artikel of een relevante markt daadwerkelijk concurrerend is.”;

b)

de leden 4, 5 en 6 worden vervangen door:

„4.   Wanneer een nationale regelgevende instantie vaststelt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, gaat zij na welke ondernemingen op die markt afzonderlijk of gezamenlijk aanmerkelijke macht op de markt in de zin van artikel 14 hebben en legt zij de ondernemingen in kwestie passende specifieke wettelijke verplichtingen op als bedoeld in lid 2 van dit artikel of handhaaft zij deze verplichtingen wanneer zij reeds bestaan.

5.   In het geval van transnationale markten die worden omschreven in de beschikking als bedoeld in artikel 15, lid 4, dragen de betrokken nationale regelgevende instanties samen zorg voor de uitvoering van de marktanalyse, waarbij de richtsnoeren maximaal in acht worden genomen, en spreken zij zich op gecoördineerde wijze uit over het opleggen, handhaven, wijzigen of opheffen van wettelijke verplichtingen als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

6.   Voor de in de leden 3 en 4 genoemde maatregelen gelden de procedures van de artikelen 6 en 7. De nationale regelgevende instanties voeren een analyse uit van de relevante markt en delen conform artikel 7 de corresponderende ontwerpmaatregel mee:

a)

binnen drie jaar na de aanneming van een eerdere maatregel met betrekking tot die markt. De termijn kan in uitzonderlijke gevallen echter met maximaal nog eens drie jaar worden verlengd wanneer de NRI daartoe bij de Commissie een gemotiveerd verzoek heeft ingediend en de Commissie binnen één maand geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verlenging;

b)

voor markten waarvoor nog niet eerder kennisgeving is gedaan bij de Commissie, binnen twee jaar na goedkeuring van een herziene aanbeveling inzake relevante markten of;

c)

voor lidstaten die onlangs zijn toegetreden tot de Unie, binnen twee jaar na hun toetreding.”;

c)

het volgende nieuwe lid wordt ingevoegd:

„7.   Wanneer een regelgevende instantie haar analyse van een in de aanbeveling geïdentificeerde relevante markt niet binnen de in lid 6 vastgestelde termijn heeft uitgevoerd, verleent BEREC aan de betrokken nationale regelgevende instantie op haar verzoek bijstand bij de voltooiing van de analyse van de specifieke markt en de specifieke verplichtingen die moeten worden opgelegd. Met deze bijstand stelt de betrokken nationale regelgevende instantie conform artikel 7 de Commissie binnen zes maanden in kennis van de ontwerpmaatregel.”.

19)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1, eerste zin, wordt het woord „normen” vervangen door „niet-verplichte normen”;

b)

lid 2, derde alinea, wordt als volgt gewijzigd:

„Indien dergelijke normen en/of specificaties ontbreken, moedigen de lidstaten de toepassing aan van internationale normen of aanbevelingen die door de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU), de Europese Conferentie van de administraties van posterijen en van telecommunicatie (CEPT), de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) zijn aangenomen.”;

c)

de leden 4 en 5 worden vervangen door:

„4.   Wanneer de Commissie voornemens is de toepassing van bepaalde normen en/of specificaties verplicht te stellen, publiceert zij een mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en nodigt zij alle betrokken partijen uit om hun opmerkingen openbaar mee te delen. De Commissie neemt de nodige uitvoeringsmaatregelen en stelt de toepassing van de relevante normen verplicht door deze te vermelden als verplichte normen in de lijst van normen en/of specificaties die wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

5.   Wanneer de Commissie van mening is dat de in lid 1 bedoelde normen en/of specificaties niet langer bijdragen tot de levering van geharmoniseerde elektronischecommunicatiediensten of dat zij niet langer beantwoorden aan de behoeften van de consument of de technologische ontwikkeling in de weg staan, schrapt zij die normen en/of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen en/of specificaties volgens de raadplegingsprocedure van artikel 22, lid 2.”;

d)

in lid 6 worden de woorden „schrapt zij die normen en/of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen en/of specificaties volgens de procedure van artikel 22, lid 3” vervangen door „neemt zij passende uitvoeringsmaatregelen en schrapt zij die normen en/of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen en/of specificaties”;

e)

wordt het volgende lid ingevoegd:

6 bis.   „ De uitvoeringsmaatregelen die beogen niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, zoals beschreven in de leden 4 en 6, worden vastgesteld volgens de regelgevende procedure met toetsing als bedoeld in artikel 22, lid 3.”.

20)

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt het volgende punt c) toegevoegd:

„c)

leveranciers van digitale tv-diensten en apparatuur om samen te werken bij het aanbieden van interoperabele tv-diensten voor eindgebruikers met een handicap.”;

b)

lid 3 wordt geschrapt.

21)

Artikel 19 wordt vervangen door:

„Artikel 19

Harmonisatieprocedures

1.   De Commissie kan, wanneer zij vaststelt dat verschillen bij de tenuitvoerlegging door de nationale regelgevende instanties van de in deze richtlijn en de specifieke richtlijnen gespecificeerde taken obstakels opwerpen voor de interne markt, onverminderd artikel 9 van deze richtlijn en de artikelen 6 en 8 van Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn), zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC, een aanbeveling doen of een besluit vaststellen inzake de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen bij de verwezenlijking van de in artikel 8 uiteengezette doelstellingen.

2.   Wanneer de Commissie een aanbeveling doet overeenkomstig lid 1, handelt zij in overeenstemming met de in artikel 22, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van hun taken zoveel mogelijk rekening houden met dergelijke aanbevelingen. Wanneer een nationale regelgevende instantie besluit om een aanbeveling niet op te volgen, brengt zij de Commissie daarvan op de hoogte met vermelding van de motivering van haar standpunt.

3.   Besluiten die zijn genomen overeenkomstig lid 1 kunnen enkel de identificatie omvatten van een geharmoniseerde of gecoördineerde aanpak van de volgende aangelegenheden:

a)

de inconsequente uitvoering van algemene benaderingen bij de regelgeving door de nationale regelgevende instanties met betrekking tot de regulering van de elektronischecommunicatiemarkten ter toepassing van de artikelen 15 en 16, indien dit een obstakel opwerpt voor de interne markt. Dergelijke besluiten hebben geen betrekking op de specifieke kennisgevingen die overeenkomstig artikel 7 bis door de nationale regelgevende instanties worden gedaan.

In een dergelijk geval stelt de Commissie alleen een ontwerpbesluit voor:

na ten minste twee jaar volgend op de goedkeuring van een aanbeveling van de Commissie over hetzelfde onderwerp; en

zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van BEREC over de vaststelling van een dergelijk besluit, dat binnen drie maanden na het verzoek van de Commissie door BEREC wordt ingediend;

b)

nummering, met inbegrip van nummerreeksen, de meeneembaarheid van nummers en identificatienummers, nummer- en adresvertaalsystemen en toegang tot de 112-hulpdiensten.

4.   Het in lid 1 genoemde besluit, dat niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

5.   BEREC kan de Commissie op eigen initiatief advies verstrekken over de vraag of maatregelen moeten worden genomen overeenkomstig lid 1.”.

22)

Artikel 20, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Wanneer op een onder deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen vallend gebied een geschil in verband met de bestaande verplichtingen ontstaat tussen ondernemingen die diensten aanbieden waarbij een van de partijen een onderneming is die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbiedt in een lidstaat, neemt de betrokken nationale regelgevende instantie op verzoek van een van beide partijen en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen in lid 2, een bindend besluit om het geschil te beslechten, en wel zo spoedig mogelijk of in ieder geval binnen vier maanden, met uitzondering van uitzonderlijke omstandigheden. De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat alle partijen volledig met de nationale regelgevende instantie samenwerken.”.

23)

Artikel 21 wordt vervangen door:

„Artikel 21

Beslechting van grensoverschrijdende geschillen

1.   Wanneer op een onder deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen vallend gebied een grensoverschrijdend geschil ontstaat, en indien dat onder de bevoegdheid van nationale regelgevende instanties van ten minste twee lidstaten valt, is de procedure van de leden 2, 3 en 4 van toepassing.

2.   Elke partij kan het geschil voorleggen aan de betrokken nationale regelgevende instanties. De bevoegde nationale regelgevende instanties coördineren hun werkzaamheden en hebben het recht BEREC te raadplegen om een consistente oplossing voor het geschil te vinden, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 8.

Verplichtingen die ondernemingen worden opgelegd door de nationale regelgevende instanties in het kader van de beslechting van een geschil zijn in overeenstemming met deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen.

Elke nationale regelgevende instanties die bevoegd is in een dergelijk geschil kan BEREC verzoeken een aanbeveling te geven over de maatregelen die moeten worden genomen in overeenstemming met de bepalingen van de kaderrichtlijn en/of de bijzondere richtlijnen om het geschil op te lossen.

Wanneer een dergelijk verzoek is gericht tot BEREC moet de nationale regelgevende instantie met bevoegdheid voor alle aspecten van het geschil het advies van BEREC afwachten alvorens maatregelen te nemen om het geschil op te lossen, onverminderd de mogelijkheid voor nationale regelgevende instanties om daar waar nodig urgente maatregelen te nemen.

Alle door een nationale regelgevende instantie aan een onderneming opgelegde verplichtingen om een geschil op te lossen moeten de bepalingen van deze richtlijn of de bijzondere richtlijn in acht nemen en zoveel mogelijk rekening houden met de door BEREC gegeven aanbeveling.

3.   De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde nationale regelgevende instanties gezamenlijk besluiten een geschil niet te beslechten wanneer er andere mechanismen bestaan, met inbegrip van bemiddeling, die beter zouden kunnen bijdragen tot het tijdig beslechten van het geschil overeenkomstig artikel 8.

Zij stellen de partijen onverwijld daarvan in kennis. Wanneer het geschil binnen vier maanden niet is beslecht, indien het geschil niet voor de rechter is gebracht en indien een van beide partijen daarom verzoekt, coördineren de nationale regelgevende instanties hun werkzaamheden om een oplossing voor het geschil te vinden, overeenkomstig artikel 8, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de door BEREC gegeven aanbeveling.

4.   De procedure van lid 2, laat het recht van elk van beide partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.”.

24)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 21 bis

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten passend, doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 25 mei 2011 van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.”.

25)

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, de leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”;

b)

lid 4 wordt geschrapt.

26)

Artikel 27 wordt geschrapt.

27)

Bijlage I wordt geschrapt.

28)

Bijlage II wordt vervangen door:

„BIJLAGE II

Criteria die de nationale regelgevende instanties dienen te hanteren wanneer zij een evaluatie van een gezamenlijke machtspositie maken overeenkomstig artikel 14, lid 2, tweede alinea

Van twee of meer ondernemingen kan worden geconstateerd dat zij een gezamenlijke machtspositie hebben in de zin van artikel 14 indien zij, ook al zijn er geen structurele of andere banden tussen hen, opereren op een markt die gekenmerkt wordt door het ontbreken van werkelijke concurrentie en waar geen enkele afzonderlijke onderneming aanmerkelijke macht op de markt heeft. Conform het toepasselijke Gemeenschapsrecht en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake gezamenlijke machtsposities zal dit waarschijnlijk het geval zijn als de markt geconcentreerd is en een aantal typische kenmerken vertoont, waarvan de volgende in het kader van elektronische communicatie het meest relevant kunnen zijn:

geringe elasticiteit van de vraag;

vergelijkbare marktaandelen;

hoge juridische en economische drempels bij het betreden van de markt;

verticale integratie met collectieve leveringsweigering;

geen tegenwicht aan de koperszijde;

geen potentiële concurrentie.

Dit is een indicatieve, niet-limitatieve lijst, en de criteria zijn niet cumulatief. De lijst is veeleer slechts bedoeld ter illustratie van de factoren die als bewijs zouden kunnen dienen om beweringen dat er sprake is van een gezamenlijke machtspositie te staven.”.

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn)

Richtlijn 2002/19/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder a), wordt vervangen door:

„a)

„toegang”: het beschikbaar stellen van faciliteiten en/of diensten aan een andere onderneming, onder uitdrukkelijke voorwaarden, hetzij op exclusieve hetzij op niet-exclusieve basis, met het oog op het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of het aanbieden van diensten voor de informatiemaatschappij of inzake inhoud voor radio- en televisieomroepen. Deze term bestrijkt onder meer toegang tot netwerkelementen en verwante faciliteiten waarbij eventueel apparatuur kan worden verbonden met vaste of niet-vaste middelen (dit houdt met name toegang in tot het aansluitnet en tot faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om diensten te kunnen aanbieden via het aansluitnet); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, kabelgoten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot informatiesystemen of databases voor reservering, levering, bestelling, onderhouds- en herstelverzoeken en facturering; toegang tot nummervertaling of systemen met vergelijkbare functionaliteit; toegang tot vaste en mobiele netwerken, met name voor roaming; toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitaletelevisiediensten; toegang tot virtuele netwerkdiensten.”;

b)

punt e) wordt vervangen door:

„e)

„aansluitnet”: fysieke circuit dat het netwerkaansluitpunt verbindt met een verdeler of een soortgelijke voorziening in het vaste openbare elektronische communicatienetwerk.”.

2)

Artikel 4, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Exploitanten van openbare communicatienetwerken zijn gerechtigd en, wanneer hun daarom wordt verzocht door daartoe overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn) gemachtigde ondernemingen, verplicht te onderhandelen over interconnectie met het doel algemeen beschikbare elektronischecommunicatiediensten aan te bieden, teneinde de verlening en de interoperabiliteit van de diensten in de gehele Gemeenschap te waarborgen. Exploitanten verlenen andere ondernemingen toegang en interconnectie onder voorwaarden die verenigbaar zijn met de verplichtingen die door de nationale regelgevende instantie worden opgelegd uit hoofde van de artikelen 5 tot en met 8.”;

3)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„1.   Met het oog op de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), bevorderen, en waar nodig waarborgen de nationale regelgevende instanties overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn passende toegang en interconnectie, alsook interoperabiliteit van diensten, en oefenen zij daarbij hun bevoegdheid uit op een wijze die bevorderlijk is voor efficiëntie en duurzame concurrentie, efficiënte investeringen en innovatie, en die de eindgebruikers het grootste voordeel biedt.”;

ii)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„a ter)

in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is en voor zover noodzakelijk, verplichtingen kunnen opleggen aan ondernemingen die de toegang tot de eindgebruikers controleren om hun diensten interoperabel te maken.”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Overeenkomstig lid 1, opgelegde verplichtingen en voorwaarden zijn objectief, transparant, evenredig en niet-discriminerend en worden toegepast volgens de procedure van de artikelen 6, 7 en 7 bis van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).”;

c)

lid 3 wordt geschrapt;

d)

lid 4 wordt vervangen door:

„3.   Wat de in lid 1 genoemde toegang en interconnectie betreft, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale regelgevende instantie de bevoegdheid heeft indien gerechtvaardigd, op eigen initiatief in te grijpen ter waarborging van de beleidsdoelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), zulks overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en volgens de procedures van de artikelen 6 en 7, alsmede 20 en 21, van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).”.

4)

Artikel 6, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   In het licht van de markt- en technologische ontwikkelingen kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen nemen om bijlage I te wijzigen. Deze maatregelen die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 7 wordt geschrapt.

6)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt „de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13” vervangen door „de artikelen 9 tot en met 13 bis”;

b)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:

bij het eerste streepje wordt „de artikelen 5, leden 1, 2, en artikel 6” vervangen door „artikel 5, lid 1, en artikel 6”;

bij het tweede streepje wordt „Richtlijn 97/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatiesector (20)” vervangen door „Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (21)

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

„Wanneer een nationale regelgevende instantie in uitzonderlijke omstandigheden voornemens is aan exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht andere verplichtingen met betrekking tot toegang of interconnectie op te leggen dan die welke zijn vermeld in de artikelen 9 tot en met 13 van deze richtlijn, vraagt zij daarvoor toestemming aan de Commissie. De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) (22). De Commissie neemt overeenkomstig artikel 14, lid 2, een besluit dat de nationale regelgevende instantie toestaat of verhindert dergelijke maatregelen te nemen.

7)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De nationale regelgevende instanties kunnen overeenkomstig artikel 8 verplichtingen inzake transparantie met betrekking tot interconnectie en/of toegang opleggen op grond waarvan exploitanten nader genoemde informatie, zoals boekhoudkundige informatie, technische specificaties, netwerkkenmerken, eisen en voorwaarden voor levering en gebruik, met inbegrip van voorwaarden ter beperking van de toegang tot en/of het gebruik van diensten en toepassingen indien dergelijke voorwaarden door de lidstaten zijn toegestaan in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht, alsmede tarieven, openbaar moeten maken.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Onverminderd lid 3 zorgen de nationale regelgevende instanties ervoor dat, wanneer een exploitant verplichtingen uit hoofde van artikel 12 heeft aangaande groothandelstoegang tot netwerkinfrastructuur, er een referentieofferte wordt gepubliceerd die ten minste de in bijlage II genoemde elementen bevat.”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De Commissie kan de nodige wijzigingen van bijlage II goedkeuren om deze aan te passen aan de technologische en marktontwikkelingen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Bij de uitvoering van de bepalingen van dit lid kan de Commissie worden bijgestaan door BEREC.”.

8)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder a), wordt vervangen door:

„a)

derden toegang verlenen tot bepaalde netwerkelementen en/of faciliteiten, met inbegrip van toegang tot netwerkelementen die niet actief zijn en/of ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk, onder meer om carrierkeuze en/of carriervoorkeur en/of verkoopaanbod van abonneelijnen mogelijk te maken;”;

b)

lid 1, onder f), wordt vervangen door:

„f)

collocatie of andere vormen van gedeeld gebruik van bijbehorende faciliteiten aanbieden;”;

c)

in lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:

„j)

toegang verschaffen aan verwante diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten.”;

d)

in lid 2 worden de inleidende formule en punt a) vervangen door:

„2.   Wanneer de nationale regelgevende instanties overwegen de in lid 1 genoemde verplichtingen op te leggen, en in het bijzonder bij de evaluatie van de vraag of dergelijke verplichtingen wel evenredig zijn met de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) betrekken zij met name de volgende factoren in hun overwegingen:

a)

de technische en economische levensvatbaarheid van het gebruik of de installatie van concurrerende faciliteiten, in het licht van het tempo van de marktontwikkeling, rekening houdend met de aard van en het soort interconnectie en/of toegang, inclusief de levensvatbaarheid van andere toeleveringsproducten zoals toegang tot kabelgoten;”;

e)

in lid 2 worden de punten c) en d) vervangen door:

„c)

de door de eigenaar van de faciliteit verrichte initiële investering, rekening houdend met de verrichte overheidsinvesteringen en de aan de investering verbonden risico’s;

d)

de noodzaak om op de lange termijn de concurrentie in stand te houden, met speciale aandacht voor economisch doeltreffende concurrentie op basis van de infrastructuur;”;

f)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„3.   Als een exploitant in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel de verplichting wordt opgelegd toegang te verlenen, kunnen de nationale regelgevende instanties conform de Gemeenschapswetgeving technische of operationele voorwaarden opleggen aan de aanbieder en/of de gebruikers van die toegang, wanneer dat nodig is om de normale werking van het netwerk te garanderen. Verplichtingen om specifieke technische normen of specificaties te volgen moeten in overeenstemming zijn met de overeenkomstig artikel 17, 1id 1, van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) vastgestelde normen en specificaties.”.

9)

Artikel 13, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Een nationale regelgevende instantie kan overeenkomstig artikel 8 verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole opleggen, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke interconnectie- en/of toegangtypes, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers. Om investeringen door de exploitant in nieuwegeneratienetwerken ook aan te moedigen, houden de nationale regelgevende instanties rekening met de door de exploitant gedane investeringen, en laten zij toe dat hij een redelijke opbrengst krijgt uit zijn kapitaalinbreng, waarbij zij de specifieke risico’s van een bepaald nieuw netwerkproject waarin wordt geïnvesteerd in aanmerking nemen.”.

10)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 13 bis

Functionele scheiding

1.   Wanneer de nationale regelgevende instantie besluit dat de passende verplichtingen die zijn opgelegd krachtens de artikelen 9 tot en met 13 er niet in geslaagd zijn daadwerkelijke concurrentie tot stand te brengen en dat er belangrijke en blijvende concurrentieproblemen en/of markttekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot het aanbod op groothandelsniveau op bepaalde markten voor toegangsproducten, kan zij in overeenstemming met de bepalingen van de tweede alinea van artikel 8, lid 3, een verplichting opleggen aan verticaal geïntegreerde ondernemingen om activiteiten die verband houden met het aanbieden van de desbetreffende toegangsproducten op groothandelsniveau in een onafhankelijke bedrijfseenheid te plaatsen.

Die bedrijfseenheid moet toegangsproducten en diensten leveren aan alle ondernemingen met inbegrip van andere bedrijfseenheden binnen de moedermaatschappij, binnen de dezelfde tijdspanne, en tegen dezelfde voorwaarden, met inbegrip van de prijs en diensten en door middel van dezelfde systemen en processen.

2.   Wanneer een nationale regelgevende instantie voornemens is functionele scheiding verplicht te stellen, dient het hiertoe een verzoek in te dienen bij de Commissie met:

a)

bewijs dat de in lid 1 bedoelde besluiten van de nationale regelgevende instantie rechtvaardigt;

b)

een gemotiveerde evaluatie die stelt dat er binnen een redelijke termijn weinig of geen kans is op daadwerkelijke en duurzame op infrastructuur gegronde concurrentie;

c)

een analyse van de verwachte impact op de regelgevende instantie, de onderneming, met name op de werknemers van de gescheiden onderneming en op de elektronische communicatiesector als geheel, en op de stimuli om in haar sector als een geheel te investeren, met name in verband met de noodzaak te zorgen voor sociale en territoriale cohesie, en op andere belanghebbenden, met name de verwachte impact op de mededinging op het gebied van infrastructuur en eventuele gevolgen voor de consument;

d)

een analyse van de redenen waarom deze verplichting het efficiëntste middel zou zijn om de geïdentificeerde mededingingsproblemen/markttekortkomingen op te lossen.

3.   De ontwerpadviezen omvatten de volgende elementen:

a)

de exacte aard en het niveau van scheiding, waarbij met name de rechtsstatus van de afzonderlijke bedrijfseenheid wordt vermeld;

b)

de identificatie van de activa van de afzonderlijke bedrijfseenheid en de producten of diensten die door deze eenheid moeten worden geleverd;

c)

de bestuursregelingen om te zorgen voor de onafhankelijkheid van het personeel dat in dienst is bij de afzonderlijke bedrijfseenheid, en de dienovereenkomstige stimulerende structuur;

d)

voorschriften om te zorgen voor naleving van de wetgeving;

e)

voorschriften om te zorgen voor transparantie van de operationele procedures, met name naar de belanghebbenden toe;

f)

een toezichtprogramma om te zorgen voor naleving, met inbegrip van de publicatie van een jaarverslag.

4.   Naar aanleiding van het besluit van de Commissie inzake de ontwerpmaatregelen die moet worden genomen in overeenstemming met artikel 8, lid 3, voert de nationale regelgevende instantie een gecoördineerde analyse uit van de verschillende markten die verbonden zijn aan het toegangsnetwerk overeenkomstig de in artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) beschreven procedure. Op basis van dit onderzoek moet de nationale regelgevende instantie, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken.

5.   Een onderneming die functionele scheiding kreeg opgelegd kan worden onderworpen aan alle in de artikelen 9 tot en met 13 vermelde verplichtingen op elke specifieke markt wanneer is vastgesteld dat het een onderneming betreft met aanmerkelijke marktmacht overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), of andere verplichtingen die op grond van artikel 8, lid 3, door de Commissie zijn goedgekeurd.

Artikel 13 ter

Vrijwillige scheiding door een verticaal geïntegreerde onderneming

1.   Ondernemingen waarvan is vastgesteld dat zij aanmerkelijke marktmacht hebben in een of verschillende markten in overeenstemming met artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) brengen de nationale regelgevende instantie vooraf en tijdig, zodat de nationale regelgevende instantie het effect van de voorgenomen transactie kan beoordelen, op de hoogte wanneer zij voornemens zijn hun plaatselijke toegangsnetwerkactiva over te dragen of een belangrijk deel ervan aan een afzonderlijke rechtseenheid met een verschillende eigenaar, of een afzonderlijke bedrijfseenheid op te richten om alle kleinhandelaren, met inbegrip van de eigen kleinhandelafdelingen, volledige equivalente toegangsproducten aan te bieden.

Die ondernemingen stellen de nationale regelgevende instanties tevens in kennis van eventuele veranderingen van dat voornemen, alsmede van het eindresultaat van het scheidingsproces.

2.   De nationale regelgevende instantie onderzoekt welk het effect de voorgenomen transactie zal hebben op de bestaande regelgevende verplichtingen op grond van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).

Hiertoe voert de nationale regelgevende instantie een gecoördineerde analyse uit van de verschillende markten die verbonden zijn aan het toegangsnetwerk in overeenstemming met de in artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) beschreven procedure.

Op basis van dit onderzoek moet de nationale regelgevende instantie, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken.

3.   De juridisch en/of operationeel gescheiden bedrijfseenheden kunnen worden onderworpen aan alle in de artikelen 9 tot en met 13 vermelde verplichtingen op alle specifieke markten waar is vastgesteld dat de onderneming aanmerkelijke marktmacht heeft overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), of andere verplichtingen die de Commissie op grond van artikel 8, lid 3, heeft toegestaan.”.

11)

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”;

b)

lid 4 wordt geschrapt.

12)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

b)

definitie a) wordt vervangen door:

„a)

„subnetwerk”: een gedeeltelijk aansluitnetwerk dat het netwerkaansluitpunt verbindt met een concentratiepunt of een ander bepaald tussenliggend aansluitpunt in het vaste openbare elektronischecommunicatienetwerk;”;

c)

definitie c) wordt vervangen door:

„c)

„volledig ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk”: het verlenen van toegang aan een ontvanger tot het aansluitnetwerk of het subnetwerk van de exploitant met aanmerkelijke marktmacht, waarbij toestemming wordt verleend voor het gebruik van de volledige capaciteit van de netwerkinfrastructuur;”;

d)

definitie d) wordt vervangen door:

„d)

„gedeelde toegang tot het aansluitnetwerk”: het verlenen aan een ontvanger van toegang tot het aansluitnetwerk of subnetwerk van de aangemelde exploitant met aanmerkelijke marktmacht, waarbij toestemming wordt verleend voor het gebruik van een gespecificeerd deel van de capaciteit van de netwerkinfrastructuur, zoals een deel van de frequentie of iets gelijkwaardigs;”;

e)

punten 1, 2 en 3 van deel A worden vervangen door:

„1.

Netwerkelementen waartoe toegang wordt aangeboden, met in het bijzonder de volgende elementen, tezamen met passende bijbehorende faciliteiten:

a)

ontbundelde toegang tot aansluitnetwerken (volledige en gedeelde);

b)

ontbundelde toegang tot subnetwerken (volledige en gedeelde), met inbegrip van, indien relevant, toegang tot niet-actieve netwerkelementen voor de aanleg van omleidingsnetwerken;

c)

indien relevant, toegang tot kabelgoten voor het aanleggen van toegangsnetwerken.

2.

Informatie over de locaties van de fysieke aansluitpunten, waaronder straatkasten en distributienetwerken, beschikbaarheid van aansluitnetwerken, subnetwerken en omleidingsnetwerken op bepaalde delen van het toegangsnet, en indien relevant, informatie over de locaties van de kabelgoten en de beschikbaarheid in kabelgoten.

3.

Technische voorwaarden die verband houden met toegang tot en gebruik van aansluitnetwerken en subnetwerken, met inbegrip van de technische kenmerken van de tweeaderige metaalleiding, glasvezel of een equivalent, kabeldistributeurs en van kabelgoten, en bijbehorende faciliteiten, alsook, indien relevant, technische condities met betrekking tot toegang tot kabelgoten.”;

f)

punt 1 van deel B wordt vervangen door:

„1.

Informatie over de bestaande desbetreffende plaatsen van de aangemelde exploitanten met aanmerkelijke marktmacht of plaatsen van de apparatuur en de geplande modernisering ervan (23).

Artikel 3

Wijzigingen van Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn)

Richtlijn 2002/20/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De volgende definitie is eveneens van toepassing:

„algemene machtiging”: regelgeving door de lidstaten waarbij rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die overeenkomstig de richtlijn kunnen gelden voor alle of voor specifieke soorten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, overeenkomstig deze richtlijn.”.

2)

Aan artikel 3, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Ondernemingen die grensoverschrijdende elektronischecommunicatiediensten verlenen aan ondernemingen in diverse lidstaten zijn verplicht tot niet meer dan één kennisgeving per betrokken lidstaat.”.

3)

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

Gebruiksrechten voor radiofrequenties en nummers

1.   De lidstaten vergemakkelijken het gebruik van radiofrequenties in het kader van algemene machtigingen. De lidstaten kunnen zo nodig individuele gebruiksrechten verlenen teneinde:

schadelijke interferentie te vermijden;

de technische kwaliteit van de dienst te verzekeren;

een efficiënt spectrumgebruik te waarborgen, of

andere doelstellingen van algemeen belang te vervullen die door de lidstaten overeenkomstig het Gemeenschapsrecht worden bepaald.

2.   Wanneer individuele gebruiksrechten moeten worden verleend voor radiofrequenties en nummers, verlenen de lidstaten die rechten op verzoek aan alle ondernemingen die diensten of netwerken aanbieden of gebruiken in het kader van de algemene machtiging, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 6, 7 en 11, lid 1, onder c), van deze richtlijn en alle andere regels die een efficiënt gebruik van deze middelen moeten waarborgen overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).

Onverminderd de door de lidstaten vooraf aangenomen specifieke criteria voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties aan aanbieders van inhoud voor radio- en televisieomroepen welke noodzakelijk zijn om de doelstellingen van algemeen belang overeenkomstig het Gemeenschapsrecht na te streven worden dergelijke rechten verleend door middel van procedures die objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en in het geval van frequenties, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn). De procedures moeten open zijn behalve in gevallen waarin kan worden aangetoond dat het verlenen van individuele gebruiksrechten voor gebruik van radiofrequenties voor aanbieders van diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten van fundamenteel belang is om te kunnen voldoen aan een specifieke verplichting die door de lidstaten van te voren is gedefinieerd als noodzakelijk met het oog op het algemeen belang overeenkomstig de communautaire wetgeving.

Bij het verlenen van gebruiksrechten specificeren de lidstaten of en onder welke voorwaarden deze kunnen worden overgedragen door de houder van de rechten. In het geval van radiofrequenties zijn deze bepalingen overeenkomstig de artikelen 9 en 9 ter van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).

Wanneer lidstaten gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, moet de duur zijn aangepast aan de betrokken dienst, gelet op het nagestreefde doel, naar behoren rekening houdend met het feit dat een passende periode voor de afschrijving van investeringen nodig is.

Wanneer individuele rechten om radiofrequenties te mogen gebruiken worden verleend voor een periode van 10 jaar of meer en zulke rechten niet kunnen worden overgedragen of verhuurd tussen ondernemingen zoals toegestaan ingevolge artikel 9 ter van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn), zorgt de bevoegde nationale instantie ervoor dat de criteria om individuele gebruiksrechten te verlenen van toepassing zijn en in acht worden genomen voor de duur van de vergunning. Wanneer deze criteria niet langer van toepassing zijn, worden de individuele gebruiksrechten veranderd in een algemene machtiging voor het gebruik van radiofrequenties, mits dit vooraf wordt aangemeld en na een redelijke periode, of kan het recht vrij worden overgedragen of verhuurd tussen ondernemingen overeenkomstig artikel 9 ter van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).

3.   Besluiten over gebruiksrechten worden zo spoedig mogelijk, doch voor nummers uiterlijk binnen drie weken na ontvangst van de volledige aanvraag, door de nationale regelgevende instantie genomen, meegedeeld en gepubliceerd, en voor radiofrequenties die in het nationale frequentieplan zijn toegewezen voor elektronische communicaties binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag door de bevoegde instantie. Deze laatstgenoemde termijnen laten de toepasselijke internationale overeenkomsten betreffende het gebruik van radiofrequenties of van posities in de ruimte onverlet.

4.   Indien na overleg met de belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) is beslist dat gebruiksrechten voor nummers van uitzonderlijke economische waarde via vergelijkende en op mededinging gebaseerde selectieprocedures moeten worden verleend, kunnen de lidstaten de maximumperiode van drie weken met ten hoogste drie weken verlengen.

Artikel 7 is van toepassing op de vergelijkende en op mededinging gebaseerde selectieprocedure voor radiofrequenties.

5.   De lidstaten beperken het aantal te verlenen gebruiksrechten niet, tenzij dat noodzakelijk is om een efficiënt gebruik van radiofrequenties te waarborgen overeenkomstig artikel 7.

6.   De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat radiofrequenties daadwerkelijk en efficiënt worden gebruikt in overeenstemming met de artikelen 8 en 9, lid 2, van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn). Zij zorgen er ook voor dat de mededinging niet wordt verstoord als gevolg van een overdracht of accumulatie van gebruiksrechten voor radiofrequenties. Voor dergelijke doeleinden nemen de lidstaten passende maatregelen zoals een vermindering, intrekking of gedwongen verkoop van een recht om radiofrequenties te mogen gebruiken.”.

4)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De algemene machtiging voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de gebruiksrechten voor radiofrequenties en gebruiksrechten voor nummers kunnen alleen aan de in de bijlage genoemde voorwaarden worden onderworpen. Deze voorwaarden moeten niet-discriminerend, evenredig en transparant zijn en in het geval van gebruiksrechten voor radiofrequenties in overeenstemming met artikel 9 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).”;

b)

in lid 2 wordt „de artikelen 16, 17, 18 en 19 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstenrichtlijn)” vervangen door „artikel 17 van Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstenrichtlijn)”;

5)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de inleidende zin vervangen door:

„1.   Wanneer een lidstaat overweegt het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties te beperken of de duur van bestaande rechten te verlengen op andere wijze dan in overeenstemming met de in dergelijke rechten gespecificeerde voorwaarden, dient hij onder meer:”;

ii)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

elk besluit tot beperking van het verlenen van gebruiksrechten of het verlengen van gebruiksrechten met opgave van redenen bekend te maken;”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Wanneer de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties moet worden beperkt, verlenen de lidstaten deze rechten op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria. Dergelijke selectiecriteria moeten naar behoren belang hechten aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) en aan de eisen van artikel 9 van die richtlijn.”;

c)

in lid 5 wordt „artikel 9” vervangen door „artikel 9 bis”.

6)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:

„1.   De nationale regelgevende instanties houden toezicht op de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging of van het gebruik van gebruiksrechten en met de specifieke in artikel 6, lid 2, bedoelde verplichtingen overeenkomstig artikel 11.

De nationale regelgevende instanties kunnen eisen dat ondernemingen die onder de algemene machtiging vallende elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden of gebruiksrechten hebben ten aanzien van radiofrequenties of nummers, de nodige informatie verstrekken om na te gaan of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of aan de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, overeenkomstig artikel 11.

2.   Indien een nationale regelgevende instantie van oordeel is dat een onderneming niet voldoet aan een of meer voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of aan de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, deelt zij dit aan de onderneming mee en geeft zij de onderneming een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken.

3.   De instantie in kwestie kan eisen dat de in lid 2 bedoelde inbreuk wordt gestopt, hetzij onmiddellijk hetzij binnen een redelijke termijn en neemt passende en evenredige maatregelen met het oog op naleving.

In dit verband mogen de lidstaten de desbetreffende instanties de bevoegdheid geven om het volgende op te leggen:

a)

ontmoedigende geldelijke sancties waar zulks passend is, waaronder eventueel periodieke sancties met terugwerkende kracht; en

b)

opdracht om de levering van een dienst of dienstenpakket te staken die bij voortzetting zou leiden tot een aanzienlijke verstoring van de mededinging, zolang de toegangsverplichtingen die na een marktanalyse uitgevoerd overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) zijn opgelegd, niet worden nageleefd.

De maatregelen en de daaraan ten grondslag liggende redenen worden onverwijld meegedeeld aan de onderneming met opgave van een redelijke termijn binnen welke de onderneming aan de maatregel moet voldoen.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Niettegenstaande het bepaalde in de leden 2 en 3 moeten de lidstaten de desbetreffende instantie de bevoegdheid geven om waar zulks passend is geldelijke sancties op te leggen aan ondernemingen indien zij binnen een door de nationale regelgevende instantie bepaalde redelijke termijn geen informatie verstrekken overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van artikel 11, lid 1, onder a) of onder b), van deze richtlijn of van artikel 9 van Richtlijn 2002/19/EG (toegangsrichtlijn)”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De nationale regelgevende instanties kunnen, bij ernstige en herhaaldelijke niet-nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of van de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde maatregelen om naleving van de voorwaarden te verzekeren hebben gefaald, een onderneming beletten verder elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan te bieden, of de gebruiksrechten opschorten of intrekken. Sancties en straffen die doelmatig, evenredig en ontmoedigend zijn kunnen worden toegepast om de periode van een inbreuk te bestrijken, zelfs indien de inbreuk vervolgens is rechtgezet.”;

d)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   Ongeacht het bepaalde in de leden 2, 3 en 5 kan de betrokken instantie, wanneer zij over bewijzen beschikt dat een inbreuk op de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of op de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, een directe en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, of ernstige economische of bedrijfstechnische problemen voor andere aanbieders of gebruikers van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten tot gevolg zal hebben, in afwachting van een definitief besluit tussentijdse spoedmaatregelen nemen om een eind te maken aan de situatie. De betrokken onderneming krijgt vervolgens een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken en oplossingen voor te stellen. In voorkomend geval kan de instantie in kwestie de voorlopige maatregelen bevestigen die geldig zijn voor maximaal drie maanden.”.

7)

In artikel 11 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder a), wordt vervangen door:

„a)

controle, hetzij systematisch, hetzij per geval, op de naleving van de voorwaarden 1 en 2 van deel A, voorwaarden 2 en 6 van deel B en voorwaarden 2 en 7 van deel C van de bijlage en op de naleving van de in artikel 6, lid 2, genoemde verplichtingen;”;

b)

de volgende punten worden toegevoegd:

„g)

het waarborgen van efficiënt gebruik en efficiënt beheer van radiofrequenties;

h)

het evalueren van toekomstige ontwikkelingen van het netwerk of de diensten die gevolgen zouden kunnen hebben voor de groothandelsdiensten die beschikbaar zijn gesteld aan concurrenten.”;

c)

wordt de tweede alinea vervangen door:

„De in de punten a), b), d), e), f), g) en h) van de eerste alinea bedoelde informatie mag niet worden vereist vóór of als voorwaarde voor de toegang tot de markt.”.

8)

Artikel 14 wordt vervangen door:

„Artikel 14

Wijziging van rechten en verplichtingen

1.   Lidstaten zorgen ervoor dat de rechten, voorwaarden en procedures inzake algemene machtigingen en gebruiksrechten of rechten om faciliteiten te installeren alleen kunnen worden gewijzigd in objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radiofrequenties. Het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, zal op passende wijze worden bekendgemaakt en de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zullen over een adequate termijn kunnen beschikken om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken; deze termijn bedraagt behoudens uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken.

2.   De lidstaten mogen de rechten om faciliteiten te installeren of gebruiksrechten voor radiofrequenties niet vóór het verstrijken van de periode waarvoor zij verleend zijn beperken of intrekken, behalve in met redenen omklede gevallen en, waar nodig, in overeenstemming met de bijlage en met de relevante nationale bepalingen inzake compensatie voor de intrekking van rechten.”.

9)

Artikel 15, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle relevante informatie over rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen, heffingen en besluiten betreffende algemene machtigingen en gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren op zodanige wijze wordt gepubliceerd en geactualiseerd dat alle belanghebbende partijen gemakkelijk toegang hebben tot deze informatie.”;

10)

In artikel 17 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.   Onverminderd artikel 9 bis van Richtlijn 2001/21/EG (Kaderrichtlijn) zorgen de lidstaten ervoor dat de algemene machtigingen en de individuele gebruiksrechten die op 31 december 2009 reeds bestaan uiterlijk op 19 december 2011 in overeenstemming worden gebracht met de artikelen 5, 6 en 7 en de bijlage van deze richtlijn.

2.   Wanneer de toepassing van lid 1 leidt tot een beperking van de rechten of een verzwaring van de verplichtingen in het kader van reeds bestaande algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten, kunnen de lidstaten de geldigheid van die rechten of verplichtingen verlengen tot uiterlijk 30 september 2012, mits dit geen afbreuk doet aan de rechten van andere ondernemingen krachtens het Gemeenschapsrecht. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze verlengingen en de redenen daarvoor.”.

11)

De bijlage wordt gewijzigd als beschreven in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 4

Intrekking

Verordening (EG) nr. 2887/2000 wordt ingetrokken.

Artikel 5

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk 25 mei 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 26 mei 2011.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 25 november 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitster

Å. TORSTENSSON


(1)  PB C 224 van 30.8.2008, blz. 50.

(2)  PB C 257 van 9.10.2008, blz. 51.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 24 september 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 16 februari 2009 (PB C 103 E van 5.5.2009, blz. 1), standpunt van het Europees Parlement van 6 mei 2009, besluit van de Raad van 20 november 2009 en wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 november 2009.

(4)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.

(5)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.

(6)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.

(7)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.

(8)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

(9)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(10)  PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.

(11)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.

(12)  PB L 198 van 27.7.2002, blz. 49.

(13)  Verordening (EG) nr. 460/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 1).

(14)  Aanbeveling van de Commissie van 11 februari 2003 betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronischecommunicatiesector die overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen (PB L 114 van 8.5.2003, blz. 45).

(15)  PB L 336 van 30.12.2000, blz. 4.

(16)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(17)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.”;

(18)   Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau.”.

(19)  PB L 198 van 27.7.2002, blz. 49.”.

(20)  PB L 24 van 30.1.1998, blz. 1.

(21)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.”;

(22)  Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau.”.

(23)  Om redenen van openbare veiligheid kan de beschikbaarheid van deze informatie beperkt worden tot belanghebbenden.”.


BIJLAGE

De bijlage bij Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn) is gewijzigd als volgt:

1)

De eerste alinea wordt vervangen door:

„Deze bijlage bevat de volledige lijst van voorwaarden die kunnen worden verbonden aan algemene machtigingen (deel A), rechten om radiofrequenties te gebruiken (deel B) en rechten om nummers te gebruiken (deel C) als bedoeld in artikel 6, lid 1, en artikel 11, lid 1, onder a), van deze richtlijn, binnen de grenzen zoals aangegeven in de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).”.

2)

Deel A is gewijzigd als volgt:

a)

punt 4 wordt vervangen door:

„4.

Toegankelijkheid voor eindgebruikers van nummers van het nationale nummerplan, nummers van de Europese telefoonnummerruimte, de internationale universele gratis nummers en, waar zulks technisch en economisch haalbaar is, nummers van de nummerplannen van andere lidstaten, en de voorwaarden overeenkomstig Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn).”;

b)

punt 7 wordt vervangen door:

„7.

Voor de sector elektronische communicatie specifieke bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (1).

c)

punt 8 wordt vervangen door:

„8.

Voor de sector elektronische communicatie specifieke voorschriften inzake consumentenbescherming, met inbegrip van voorwaarden overeenkomstig Richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn), en voorwaarden inzake toegankelijkheid voor gebruikers met een handicap overeenkomstig artikel 7 van die richtlijn.”;

d)

in punt 11 wordt „Richtlijn 97/66/EG” vervangen door „Richtlijn 2002/58/EG”;

e)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„11 bis.

Voorwaarden voor het gebruik van mededelingen van overheidsinstanties aan het algemene publiek om het publiek te waarschuwen voor imminente dreigingen en om de gevolgen van grote rampen te verzachten.”;

f)

punt 12 wordt vervangen door:

„12.

Voorwaarden voor gebruik tijdens grote rampen of nationale noodsituaties om de communicatie tussen hulpdiensten en overheidsinstanties te waarborgen.”;

g)

punt 16 wordt vervangen door:

„16.

Beveiliging van openbare netwerken tegen ongeoorloofde toegang overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).”;

h)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„19.

Transparantieverplichtingen voor aanbieders van openbare communicatienetwerken die openbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden om eind-tot-eindverbindingen te waarborgen overeenkomstig de doelstellingen en beginselen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG, bekendmaking van de voorwaarden ter beperking van de toegang tot en/of het gebruik van diensten en toepassingen indien dergelijke voorwaarden door de lidstaten zijn toegestaan in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht alsmede, voor zover dit nodig en evenredig is, toegang van de nationale regelgevende instanties tot de informatie die zij nodig hebben om de juistheid van bedoelde bekendmaking te toetsen.”.

3)

Deel B wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1 wordt vervangen door:

„1.

Verplichting om een dienst aan te bieden of een soort technologie te gebruiken waarvoor de gebruiksrechten voor de frequentie zijn verleend, met inbegrip van in voorkomend geval de dekkingsvereisten en kwaliteitseisen.”;

b)

punt 2 wordt vervangen door:

„2.

Daadwerkelijk en efficiënt gebruik van frequenties overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).”;

c)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„9.

Specifieke verplichtingen voor experimenteel gebruik van radiofrequenties.”.

4)

In deel C wordt punt 1 als volgt gewijzigd:

„1.

Aanwijzing van de dienst waarvoor het nummer moet worden gebruikt, met inbegrip van alle vereisten met betrekking tot het verlenen van die dienst alsook, om twijfel te voorkomen, tariefbeginselen en maximumprijzen die voor de specifieke nummerreeks van toepassing kunnen zijn ter waarborging van de bescherming van de consument overeenkomstig artikel 8, lid 4, onder b), van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).”.


(1)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.”;


VERKLARING VAN DE COMMISSIE INZAKE NETNEUTRALITEIT

De Commissie hecht groot belang aan het handhaven van het open en neutrale karakter van het internet, met volledige inachtneming van de wil van de medewetgevers om netneutraliteit nu te verankeren als beleidsdoelstelling en regelgevingsprincipe dat door nationale regelgevingsinstanties moet worden bevorderd (1), naast het versterken van aanverwante transparantievereisten (2) en de totstandbrenging van vrijwaringsbevoegdheden voor nationale regelgevingsinstanties om verlaging van het kwaliteitsniveau van de diensten en belemmering of vertraging van het verkeer op openbare netwerken te voorkomen (3). De Commissie zal de tenuitvoerlegging van deze bepalingen in de lidstaten van nabij volgen en zal in haar jaarlijks voortgangsrapport aan het Europees Parlement en de Raad bijzondere aandacht besteden aan de wijze waarop de „netvrijheden” van de Europese burgers worden gevrijwaard. Intussen zal de Commissie de effecten van markt en technologische ontwikkelingen op de „netvrijheden” nagaan en aan het Europees Parlement en de Raad vóór eind 2010 verslag uitbrengen over de vraag of extra richtsnoeren nodig zijn; tevens zal zij een beroep doen op haar huidige bevoegdheden op het gebied van de concurrentiewetgeving om alle eventuele concurrentieverstorende praktijken die zich kunnen voordoen, aan te pakken.


(1)  Artikel 8, lid 4, onder g), van de kaderrichtlijn.

(2)  Artikelen 20, lid 1, onder b), en 21, lid 3, onder c) en d), van de universeledienstrichtlijn.

(3)  Artikel 22, lid 3, van de universeledienstrichtlijn.