ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.335.dut

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 335

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
17 december 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) ( 1 )

1

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

RICHTLIJNEN

17.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 335/1


RICHTLIJN 2009/138/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2009

betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, en artikel 55,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (3), Richtlijn 78/473/EEG van de Raad van 30 mei 1978 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op het gebied van de communautaire co-assurantie (4), Richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering (5), Tweede Richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten (6), Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (derde richtlijn schadeverzekering) (7), Richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende het aanvullend toezicht op verzekeringsondernemingen in een verzekeringsgroep (8), Richtlijn 2001/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van verzekeringsondernemingen (9), Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (10) en Richtlijn 2005/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2005 betreffende herverzekering (11). Ter wille van de duidelijkheid dient tot een herschikking van deze richtlijnen te worden overgegaan.

(2)

Ter vergemakkelijking van de toegang tot en de uitoefening van verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten dienen de grootste verschillen die op het gebied van de voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen geldende voorschriften tussen de nationale wetgevingen bestaan, te worden afgeschaft. Er dient derhalve een rechtskader tot stand te worden gebracht om verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de mogelijkheid te bieden op de gehele interne markt het verzekeringsbedrijf uit te oefenen, opdat het voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in de Gemeenschap gemakkelijker wordt gemaakt aldaar verbintenissen en de daaraan verbonden risico’s aan te gaan.

(3)

Voor de goede werking van de interne markt is het dienstig dat gecoördineerde voorschriften voor het toezicht op verzekeringsgroepen en, met het oog op de bescherming van schuldeisers, voor de saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures ten aanzien van verzekeringsondernemingen worden vastgesteld.

(4)

Het is passend dat bepaalde ondernemingen die verzekeringsdiensten verrichten, wegens hun omvang, hun rechtsvorm, hun aard (d.w.z. hun nauwe band met publieke verzekeringsstelsels) of de specifieke diensten die zij aanbieden, niet onder het bij deze richtlijn ingestelde kader vallen. Het is voorts wenselijk dat in verscheidene lidstaten bepaalde instellingen waarvan de activiteiten zich over een zeer beperkte sector uitstrekken en wettelijk tot een bepaald gebied of tot bepaalde personen zijn beperkt, van het toepassingsgebied worden uitgesloten.

(5)

Zeer kleine verzekeringsondernemingen die aan bepaalde voorwaarden voldoen, waaronder bruto premie-inkomsten van minder dan 5 miljoen EUR, worden van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten. Alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die reeds een vergunning overeenkomstig de huidige richtlijnen hebben, dienen die vergunning echter te behouden wanneer deze richtlijn ten uitvoer wordt gelegd. Ondernemingen die van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten zijn, moeten gebruik kunnen maken van de door het Verdrag gegarandeerde fundamentele vrijheden. Deze ondernemingen kunnen ervoor kiezen een vergunning overeenkomstig deze richtlijn aan te vragen om voordeel te halen uit de in de hele Gemeenschap geldende vergunning waarin deze richtlijn voorziet.

(6)

De lidstaten mogen vereisen dat ondernemingen die verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten uitoefenen en van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten zijn, zich laten registreren. De lidstaten mogen ook prudentieel en wettelijk toezicht op deze ondernemingen uitoefenen.

(7)

Bij Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (12), Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (13), Tweede Richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (14), Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (15) en Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (16) worden algemene voorschriften inzake jaarrekeningen, wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen, financiële instrumenten en kredietinstellingen, alsook definities op deze gebieden vastgesteld. Het is dienstig dat sommige van de in deze richtlijn neergelegde definities ook in het kader van deze richtlijn van toepassing zijn.

(8)

De toegang tot verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten dient afhankelijk te worden gesteld van de voorafgaande verlening van een vergunning. Bijgevolg is het noodzakelijk de voorwaarden en de procedure voor de verlening en voor een weigering van welke aard ook van een dergelijke vergunning vast te stellen.

(9)

De bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen bevatten geen regels betreffende de reikwijdte van de herverzekeringsactiviteiten waarvoor een verzekeringsonderneming een vergunning kan krijgen. Het is aan de lidstaten om te beslissen of zij hiervoor regels vaststellen.

(10)

Verwijzingen in deze richtlijn naar verzekerings- of herverzekeringsondernemingen moeten ook gelden voor captive verzekeringsondernemingen en captive herverzekeringsondernemingen, behalve wanneer voor die ondernemingen specifieke bepalingen zijn opgenomen.

(11)

Aangezien deze richtlijn een essentieel instrument voor de totstandbrenging van de interne markt vormt, dienen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waaraan in de lidstaat van herkomst vergunning is verleend, het recht te hebben overal in de Gemeenschap bepaalde van hun activiteiten of al hun activiteiten uit te oefenen, hetzij door bijkantoren op te richten, hetzij door diensten te verrichten. Het verdient daarom aanbeveling een noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot een wederzijdse erkenning van vergunningen en van toezichtstelsels, zodat één en dezelfde vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig is en het toezicht op een onderneming door de lidstaat van herkomst kan worden uitgeoefend.

(12)

Bij Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering) (17) worden voorschriften voor de aanwijzing van schaderegelaars vastgesteld. Deze voorschriften dienen in het kader van deze richtlijn toepasselijk te zijn.

(13)

Een herverzekeringsonderneming dient zich te beperken tot activiteiten op het gebied van herverzekering en verwante operaties. Deze eis mag een herverzekeringsonderneming evenwel niet beletten activiteiten te ontplooien zoals het verstrekken van statistisch of actuarieel advies aan of het uitvoeren van risicoanalyses of onderzoek voor haar cliënten. Ook kunnen daaronder vallen de functie van holdingonderneming en activiteiten met betrekking tot de financiële sector, in de zin van artikel 2, punt 8, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat (18). In elk geval laat deze eis de uitoefening van niet-verwante bank- en financiële activiteiten niet toe.

(14)

Ter bescherming van de verzekeringnemers dienen voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen effectieve solvabiliteitsvereisten te gelden die in een efficiënte allocatie van kapitaal binnen de Europese Unie resulteren. Gezien de marktontwikkelingen voldoet het bestaande stelsel niet meer. Het is bijgevolg noodzakelijk een nieuw regelgevingskader in te voeren.

(15)

In overeenstemming met de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Risk management in de context van de International Association of Insurance Supervisors, de International Accounting Standards Board en de International Actuarial Association en met recente ontwikkelingen in andere financiële sectoren dient een op het economische risico gebaseerde benadering te worden gevolgd die verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ertoe aanspoort hun risico’s naar behoren te meten en te beheren. De harmonisatie moet verder worden vergroot door de vaststelling van specifieke voorschriften voor de waardering van activa en passiva, met inbegrip van technische voorzieningen.

(16)

Het voornaamste doel van verzekerings- en herverzekeringsregelgeving en -toezicht is een adequate bescherming van verzekeringnemers en begunstigden te bewerkstelligen. Onder begunstigde wordt elke natuurlijke persoon of rechtspersoon verstaan die krachtens een verzekeringsovereenkomst een aanspraak heeft. Financiële stabiliteit en eerlijke en stabiele markten zijn andere doelstellingen van verzekerings- en herverzekeringsregelgeving en -toezicht die eveneens in aanmerking moeten worden genomen, maar die geen afbreuk mogen doen aan het voornaamste doel.

(17)

Er wordt verwacht dat deze richtlijn in een nog betere bescherming van de verzekeringnemers zal resulteren. De lidstaten zullen de toezichthoudende autoriteiten de middelen ter beschikking moeten stellen om hun in deze richtlijn vastgestelde verplichtingen te kunnen verwezenlijken. Dit omvat alle nodige voorzieningen, waaronder financiële en personele middelen.

(18)

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten dienen daarom over alle nodige middelen te beschikken om te garanderen dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen overal in de Gemeenschap hun activiteiten op een orderlijke wijze uitoefenen, ongeacht of deze activiteiten op grond van het recht van vestiging dan wel in het kader van het vrij verrichten van diensten worden verricht. Met het oog op de doeltreffendheid van het toezicht dienen alle acties die door de toezichthoudende autoriteiten worden ondernomen, proportioneel zijnaan de aard, omvang en complexiteit van de risico’s die inherent zijn aan het bedrijf van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, ongeacht het belang van de betrokken onderneming voor de algehele financiële stabiliteit van de markt.

(19)

Deze richtlijn mag niet te belastend zijn voor kleine en middelgrote verzekeringsondernemingen. Een van de middelen om deze doelstelling te verwezenlijken is een juiste toepassing van het proportionaliteitsbeginsel. Dit beginsel moet zowel worden toegepast op de vereisten voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen als op de uitoefening van toezichthoudende bevoegdheden.

(20)

Deze richtlijn mag met name niet te belastend zijn voor verzekeringsondernemingen die gespecialiseerd zijn in bepaalde soorten verzekeringen of diensten voor bepaalde cliëntsegmenten, en moet in acht nemen dat een dergelijke specialisatie een nuttig middel kan zijn om risico’s doeltreffend en doelmatig te beheersen. Daartoe, alsook met het oog op de juiste toepassing van het proportionaliteitsbeginsel, moet uitdrukkelijk worden toegestaan dat ondernemingen hun eigen gegevens gebruiken om de parameters in de modules voor verzekeringstechnische risico’s van de standaardformule voor het solvabiliteitskapitaalvereiste te kalibreren.

(21)

Deze richtlijn moet rekening houden met de specifieke aard van captive verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Aangezien die ondernemingen enkel risico’s dekken die verband houden met de industriële of commerciële groep waartoe zij behoren, moet overeenkomstig het proportionaliteitsbeginsel worden voorzien in een passende aanpak die aan de aard, omvang en complexiteit van hun activiteiten beantwoordt.

(22)

Bij het toezicht op herverzekeringsactiviteiten moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van het herverzekeringsbedrijf, met name de wereldwijde aard ervan en het feit dat de verzekeringnemers zelf verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn.

(23)

De toezichthoudende autoriteiten dienen in staat te zijn van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen alle informatie te verkrijgen die voor de uitoefening van het toezicht is vereist, zo nodig met inbegrip van gegevens die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming uit hoofde van de voorschriften betreffende financiële rapportage, beursnotering en andere wet- en regelgeving openbaar maakt.

(24)

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst dienen de verantwoordelijkheid te dragen voor het toezicht op de financiële soliditeit van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Te dien einde dienen zij periodieke controles en evaluaties te verrichten.

(25)

De toezichthouders mogen rekening houden met de impact op het risico- en vermogensbeheer van vrijwillige gedrags- en transparantiecodes zoals die in acht worden genomen door betrokken instellingen die handelen in niet-gereguleerde of alternatieve beleggingsinstrumenten.

(26)

Het uitgangspunt voor de adequaatheid van de kwantitatieve vereisten in de verzekeringssector is het solvabiliteitskapitaalvereiste. De toezichthoudende autoriteiten dienen derhalve de bevoegdheid te hebben om als uitvloeisel van het toezichtsproces, uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden, in de gevallen die in deze richtlijn zijn vermeld, een kapitaalopslagfactor op het solvabiliteitskapitaalvereiste op te leggen. Het is de bedoeling dat de standaardformule voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste het risicoprofiel van de meeste verzekerings- en herverzekeringsondernemingen weerspiegelt. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin de standaardbenadering het zeer specifieke risicoprofiel van een onderneming niet adequaat weergeeft.

(27)

Het opleggen van een kapitaalopslagfactor is uitzonderlijk in die zin dat het slecht als een maatregel in laatste instantie dient te worden gebruikt, als andere toezichthoudende maatregelen ondoeltreffend of ongeschikt zijn. Bovendien moet de term „uitzonderlijk” worden begrepen in de context van de specifieke situatie van elke onderneming, en niet in verhouding tot het aantal opslagfactoren dat op een bepaalde markt wordt toegepast.

(28)

De kapitaalopslagfactor moet worden gehandhaafd zolang de omstandigheden waaronder deze is opgelegd, niet zijn verholpen. Ingeval het geheel of gedeeltelijk interne model ernstige tekortkomingen vertoont of ingeval er van een ernstig tekortschietende governance sprake is, dienen de toezichthoudende autoriteiten ervoor te zorgen dat de betrokken onderneming alles in het werk stelt om de tekortkomingen te verhelpen die tot de toepassing van de kapitaalopslagfactor hebben geleid. Indien de standaardbenadering het zeer specifieke risicoprofiel van een onderneming niet adequaat weergeeft, kan de kapitaalopslagfactor echter gedurende achtereenvolgende jaren van toepassing blijven.

(29)

Bepaalde risico’s kunnen alleen op passende wijze worden aangepakt door middel van governancevereisten in plaats van op basis van of door middel van de kwantitatieve vereisten die in het solvabiliteitskapitaalvereiste tot uitdrukking komen. Een doeltreffend governancesysteem is derhalve van essentieel belang voor een adequaat bestuur van de verzekeringsonderneming en voor het toezichtstelsel.

(30)

Het governancesysteem omvat de Risk managementfunctie, de compliancefunctie, de interneauditfunctie en de actuariële functie.

(31)

Een functie is een administratieve capaciteit om bepaalde governancetaken uit te voeren. Het benoemen van een bepaalde functie betekent niet dat de onderneming niet vrij kan beslissen hoe zij deze functie in de praktijk wenst te organiseren, tenzij in deze richtlijn anders wordt aangegeven. Dit mag niet leiden tot onredelijk belastende vereisten, want er dient rekening te worden gehouden met de aard, omvang en complexiteit van de activiteiten van de onderneming. Daarom kunnen deze functies hetzij door het eigen personeel worden vervuld, hetzij op advies van externe deskundigen gebaseerd zijn, hetzij binnen de in deze richtlijn vastgestelde grenzen aan deskundigen worden uitbesteed.

(32)

Verder kan in kleinere en minder complexe ondernemingen meer dan één functie door één persoon of één organisatorische eenheid worden vervuld, behalve wat de interneauditfunctie betreft.

(33)

De functies die tot het governancesysteem behoren, worden beschouwd als sleutelfuncties en dus ook als belangrijke en kritieke functies.

(34)

Alle personen die betrokken zijn bij de uitvoering van sleutelfuncties moeten deskundig en betrouwbaar zijn. Echter, alleen op degenen die (eind)verantwoordelijk voor de uitvoering van sleutelfuncties is het vereiste van de verplichte kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteit van toepassing.

(35)

Voor de beoordeling van het vereiste niveau van deskundigheid moeten de beroepskwalificaties en -ervaring van de personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of die verantwoordelijk zijn voor andere sleutelfuncties, als aanvullende factoren in aanmerking worden genomen.

(36)

Als integraal onderdeel van hun bedrijfsstrategie dienen alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen regelmatig hun algehele solvabiliteitsbehoeften te beoordelen in het licht van hun specifieke risicoprofiel (beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit). Deze beoordeling vereist niet dat een intern model wordt ontwikkeld en dient evenmin om een ander kapitaalvereiste te berekenen dan het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste. De uitkomsten van elke beoordeling dienen in het kader van de voor toezichtdoeleinden te verstrekken informatie aan de toezichthoudende autoriteit te worden medegedeeld.

(37)

Om een doeltreffend toezicht op de uitbestede functies of activiteiten te kunnen uitoefenen, is het van essentieel belang dat de toezichthoudende autoriteiten van de uitbestedende verzekerings- of herverzekeringsonderneming toegang hebben tot alle relevante gegevens in het bezit van de instelling die de uitbestede functie of dienst uitvoert - ongeacht of deze instelling al dan niet onder toezicht staat - en dient de verzekerings- of herverzekeringsonderneming tevens het recht hebben controles ter plaatse te verrichten. Teneinde met de marktontwikkelingen rekening te houden en ervoor te zorgen dat de uitbestedingsvoorwaarden steeds worden nageleefd, dienen de toezichthoudende autoriteiten vooraf van de uitbesteding van kritieke of belangrijke functies of activiteiten in kennis te worden gesteld. Deze vereisten houden rekening met het werk van het Joint Forum en zijn in overeenstemming met de bestaande regels en praktijken in de banksector en met Richtlijn 2004/39/EG en de toepassing daarvan op kredietinstellingen.

(38)

Met het oog op de transparantie dienen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ten minste ieder jaar essentiële informatie over hun solvabiliteit en financiële toestand openbaar te maken, d.w.z. hetzij op papier, hetzij in elektronische vorm gratis aan het publiek beschikbaar te stellen. Het dient ondernemingen te worden toegestaan op vrijwillige basis aanvullende informatie openbaar te maken..

(39)

Er dient te worden voorzien in bepalingen voor de uitwisseling van informatie tussen de toezichthoudende autoriteiten en de autoriteiten of organen die uit hoofde van hun functie bijdragen tot de versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel. Het is daarom noodzakelijk te bepalen op welke voorwaarden de bovengenoemde uitwisseling van informatie mogelijk moet zijn. Wanneer informatie alleen met de uitdrukkelijke instemming van de toezichthoudende autoriteiten openbaar kan worden gemaakt, dienen deze autoriteiten bovendien in staat zijn eventueel strikte voorwaarden aan hun instemming te verbinden.

(40)

De toezichtconvergentie dient te worden bevorderd, niet alleen wat de toezichtinstrumenten maar ook wat de toezichtpraktijken betreft. Het bij Besluit 2009/79/EG van de Commissie (19) ingestelde Comité van Europese Toezichthouders op Verzekeringen en Bedrijfspensioenen (CETVB) dient in dit verband een belangrijke rol te spelen en regelmatig aan het Europees Parlement en de Commissie verslag uit te brengen over de gemaakte vorderingen.

(41)

Doel van de informatie en het verslag over kapitaalopslagfactoren die het CETVB moet indienen, is niet het in overeenstemming met deze richtlijn toegestane gebruik ervan te beperken, maar bij te dragen aan een nog grotere mate van convergentie in de toepassing van kapitaalopslagfactoren tussen de toezichthoudende autoriteiten in de verschillende lidstaten.

(42)

Om de administratieve lasten te beperken en dubbel werk te vermijden, dienen de toezichthoudende autoriteiten en de nationale statistische instanties samen te werken en informatie uit te wisselen.

(43)

Met het oog op de versterking van het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en op de bescherming van de verzekeringnemers dienen de wettelijke auditors in de zin van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen (20) verplicht te zijn onverwijld kennis te geven van alle feiten waarvan het aannemelijk is dat die een ernstige invloed hebben op de financiële positie of de administratieve organisatie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

(44)

Ter bescherming van de belangen van levensverzekeringnemers dienen verzekeringsondernemingen die gelijktijdig levens- en schadeverzekeringsactiviteiten uitoefenen, voor elk van deze activiteiten een gescheiden beheer te voeren. Deze ondernemingen dienen in het bijzonder aan dezelfde kapitaalvereisten onderworpen te zijn als die welke gelden voor een vergelijkbare verzekeringsgroep bestaande uit een levensverzekeringsonderneming en een schadeverzekeringsonderneming, met inachtneming van de grotere overdraagbaarheid van kapitaal in het geval van gemengde verzekeringsondernemingen.

(45)

Bij de beoordeling van de financiële positie van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen dient van solide economische beginselen te worden uitgegaan en optimaal gebruik te worden gemaakt van de van financiële markten herleidbare informatie en van algemeen beschikbare gegevens over verzekeringstechnische risico’s. In het bijzonder moeten de solvabiliteitsvereisten gebaseerd zijn op een economische waardering van de gehele balans.

(46)

De waarderingsnormen voor toezichtdoeleinden dienen zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de internationale ontwikkelingen op het gebied van de financiële verslaggeving teneinde de administratieve lasten voor verzekerings- of herverzekeringsondernemingen te beperken.

(47)

In overeenstemming met deze benadering dienen de kapitaalvereisten te worden gedekt door eigenvermogensbestanddelen die al dan niet in de balans zijn opgenomen. Aangezien alle financiële middelen de verliezen bij liquidatie en in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening niet volledig kunnen absorberen, dienen eigenvermogensbestanddelen volgens kwaliteitscriteria in drie tiers te worden ingedeeld en dient het voor de dekking van de kapitaalvereisten in aanmerking komend eigen vermogen dienovereenkomstig te worden beperkt. De voor eigenvermogensbestanddelen geldende bovengrenzen mogen alleen worden toegepast om de solvabiliteitspositie van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te bepalen en mogen de vrijheid van die ondernemingen op het gebied van hun interne kapitaalbeheer verder niet beperken.

(48)

In het algemeen wordt aangenomen dat activa, na aftrek van voorzienbare verplichtingen, beschikbaar zijn om verliezen ten gevolge van ten gevolge van ongunstige ontwikkelingen in het bedrijfsklimaat te absorberen, zowel in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening als bij liquidatie. Het overgrote deel van het overschot van de activa boven de verplichtingen, gewaardeerd overeenkomstig de in deze richtlijn vastgestelde beginselen, moet dus als kapitaal van hoge kwaliteit (Tier 1) worden beschouwd.

(49)

Binnen een onderneming zijn niet alle activa vrij van beperkingen. In bepaalde lidstaten vloeien bepaalde producten uit in structuren van afgezonderde fondsen („ring-fenced funds”) waarbij een bepaalde categorie verzekeringnemers meer rechten op de activa binnen hun eigen „fonds” heeft. Hoewel deze activa worden meegeteld bij de berekening van het overschot van de activa boven de verplichtingen met het oog op de vaststelling van het eigen vermogen, zijn zij in feite niet beschikbaar om risico’s buiten het afgezonderde fonds te dekken. Om in overeenstemming te zijn met de economische benadering, moet de beoordeling van de eigen middelen worden aangepast aan de verschillende aard van activa die deel uitmaken van een afgezonderde regeling. Ook bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste moet ermee rekening worden gehouden dat dergelijke afgezonderde fondsen met minder bundeling en diversificatie gepaard gaan.

(50)

In bepaalde lidstaten is het gebruikelijk dat verzekeraars levensverzekeringsproducten verkopen waarbij de verzekeringnemers en begunstigden bijdragen aan het risicokapitaal van de onderneming in ruil voor het gehele of gedeeltelijke rendement op de bijdragen. Deze geaccumuleerde winsten vormen surplusfondsen, die eigendom zijn van de rechtspersoon waarin zij gegenereerd zijn.

(51)

Surplusfondsen moeten worden gewaardeerd conform de in deze richtlijn vastgestelde economische benadering. Op dit punt kan niet worden volstaan met een loutere vermelding in de wettelijke jaarrekening dat de waardering van de surplusfondsen heeft plaatsgevonden. Naar analogie van de vereisten inzake eigen vermogen moeten de in deze richtlijn vastgestelde criteria voor de indeling in tiers ook op surplusfondsen worden toegepast. Dit betekent onder meer dat alleen surplusfondsen die volgens de voorschriften in aanmerking komen voor indeling in Tier 1 als Tier 1-kapitaal mogen worden beschouwd.

(52)

Onderlinge waarborgmaatschappijen en onderlinge verzekeringsmaatschappijen met variabele premies kunnen hun leden om suppletiebijdragen vragen teneinde de hoeveelheid financiële middelen die zij aanhouden om verliezen te absorberen, te vergroten. Voor onderlinge waarborgmaatschappijen en onderlinge verzekeringsmaatschappijen kunnen deze suppletiebijdragen van de leden een belangrijke bron van financiering vormen, ook wanneer deze maatschappijen met ongunstige ontwikkelingen in het bedrijfsklimaat geconfronteerd worden. Daarom moeten deze suppletiebijdragen van de leden voor solvabiliteitsdoeleinden als aanvullende eigenvermogensbestanddelen worden beschouwd en dienovereenkomstig worden behandeld. Met name in het geval van onderlinge waarborgmaatschappijen of onderlinge verzekeringsmaatschappijen van reders met variabele premies die uitsluitend maritieme risico’s verzekeren, is de mogelijkheid om op basis van met specifieke invorderingsregelingen een beroep te kunnen doen op suppletiebijdragen van de leden een gevestigde praktijk, en moet het goedgekeurde bedrag van deze suppletiebijdragen als kapitaal van goede kwaliteit (Tier 2) worden beschouwd. Ook in het geval van andere onderlinge waarborgmaatschappijen en onderlinge verzekeringsmaatschappijen met suppletiebijdragen van soortgelijke kwaliteit moet het goedgekeurde bedrag van deze suppletiebijdragen van de leden als kapitaal van goede kwaliteit (Tier 2) worden beschouwd.

(53)

Om verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in staat te stellen hun verbintenissen jegens verzekeringnemers en begunstigden na te komen, dienen de lidstaten voor te schrijven dat deze ondernemingen toereikende technische voorzieningen moeten vormen. De beginselen en de actuariële en statistische methoden die aan de berekening van deze technische voorzieningen ten grondslag liggen, dienen in heel de Gemeenschap te worden geharmoniseerd teneinde een grotere vergelijkbaarheid en transparantie te bewerkstelligen.

(54)

De berekening van de technische voorzieningen dient consistent te zijn met de waardering van activa en andere verplichtingen. Zij dient ook marktconform en in overeenstemming met de internationale ontwikkelingen op het gebied van de financiële verslaggeving en het toezicht te zijn.

(55)

De waarde van de technische voorzieningen moet dus overeenstemmen met het bedrag dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou moeten betalen indien zij haar contractuele rechten en verplichtingen met onmiddellijke ingang aan een andere onderneming zou overdragen. Bijgevolg moet de waarde van de technische voorzieningen overeenstemmen met het bedrag dat een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming (referentieonderneming) naar verwachting zou vragen voor de overname en het nakomen van de onderliggende verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen. Het bedrag van de technische voorzieningen dient de kenmerken van de onderliggende verzekeringsportefeuille te weerspiegelen. Bij de berekening van de technische voorzieningen mag derhalve alleen van ondernemingspecifieke informatie worden gebruikgemaakt voor zover die informatie verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in staat stelt de kenmerken van de onderliggende verzekeringsportefeuille beter weer te geven, bijvoorbeeld informatie over schaderegeling en kosten.

(56)

De aannames met betrekking tot de referentieonderneming waarvan wordt aangenomen dat zij de onderneming zal overnemen en de onderliggende verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen zal nakomen, moeten in de hele Gemeenschap worden geharmoniseerd. Met name de aannames met betrekking tot de referentieonderneming die bepalen of er bij de berekening van de risicomarge al dan niet en zo ja, in welke mate rekening moet worden gehouden met de diversificatie-effecten, moeten in het kader van de beoordeling van het effect van de uitvoeringsmaatregelen worden geanalyseerd en vervolgens op Gemeenschapsniveau worden geharmoniseerd.

(57)

Voor de berekening van de technische voorzieningen moet het mogelijk zijn redelijke interpolaties en extrapolaties van direct waarneembare marktwaarden te gebruiken.

(58)

De berekening van de verwachte contante waarde van verzekeringsverplichtingen dient op actuele en geloofwaardige informatie en realistische aannames te berusten en met financiële garanties en opties in verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten rekening te houden, zodat zij een economische waardering van verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen oplevert. Er dient te worden voorgeschreven dat daarbij van doeltreffende en geharmoniseerde actuariële methoden gebruik wordt gemaakt.

(59)

Om met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote ondernemingen rekening te houden, dient in vereenvoudigde methoden voor de berekening van de technische voorzieningen te worden voorzien.

(60)

Het toezichtsregime dient te voorzien in een risicogevoelig vereiste dat op een prospectieve berekening is gebaseerd om een accuraat en tijdig ingrijpen van de toezichthoudende autoriteiten zeker te stellen (het solvabiliteitskapitaalvereiste), alsook in een minimumveiligheidsniveau waaronder het bedrag van de financiële middelen niet mag dalen (het minimumkapitaalvereiste). Beide kapitaalvereisten dienen in de gehele Gemeenschap te worden geharmoniseerd opdat verzekeringnemers eenzelfde niveau van bescherming wordt geboden. Voor een goede werking van deze richtlijn moet er een adequate interventieladder zijn tussen het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste.

(61)

Om overmatige potentiële procyclische effecten van het financiële stelsel te beperken en te voorkomen dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen door tijdelijke ongunstige bewegingen op de financiële markten ongepast gedwongen worden om extra kapitaal bijeen te brengen of hun beleggingen te verkopen, moet de module marktrisico van de standaardformule voor het solvabiliteitskapitaalvereiste een symmetrisch aanpassingsmechanisme voor schommelende aandelenkoersen bevatten. In aanvulling daarop moeten er bepalingen komen die het toezichthoudende autoriteiten mogelijk maken om, wanneer zich uitzonderlijke dalingen op de financiële markten voordoen en het symmetrische correctiemechanisme niet toereikend is om verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in staat te stellen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste te voldoen, de termijn verlengen waarbinnen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hun in aanmerking komend eigen vermogen weer op het peil van het solvabiliteitskapitaalvereiste moeten brengen.

(62)

Het solvabiliteitskapitaalvereiste dient gelijk te zijn aan dat niveau van in aanmerking komende eigenvermogenbestanddelen, dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in staat stelt aanzienlijke verliezen te compenseren en dat verzekeringnemers en begunstigden redelijke zekerheid biedt dat betalingen zullen plaatsvinden wanneer deze verschuldigd zijn.

(63)

Om ervoor te zorgen dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, rekening houdend met wijzigingen in hun risicoprofiel van welke aard dan ook, doorlopend over voldoende in aanmerking komend eigen vermogen beschikken om het solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken, moeten deze ondernemingen het solvabiliteitskapitaalvereiste minstens een keer per jaar berekenen, het doorlopend volgen en het herberekenen indien hun risicoprofiel in aanzienlijke mate verandert.

(64)

Om een deugdelijk Risk management te bevorderen en de wettelijke kapitaalvereisten bij de in de branche gebruikelijke werkwijzen te doen aansluiten, dient als het solvabiliteitskapitaalvereiste te worden aangemerkt het economisch kapitaal dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten bezitten om te garanderen dat faillissement ten hoogste in een op 200 gevallen voorkomt of dat deze ondernemingen met een waarschijnlijkheid van ten minste 99,5 % nog steeds in staat zullen zijn om in de volgende twaalf maanden aan hun verplichtingen tegenover verzekeringnemers en begunstigden te voldoen. Dat economisch kapitaal dient te worden berekend op basis van het werkelijke risicoprofiel van de betrokken ondernemingen, waarbij rekening wordt gehouden met het effect van eventuele risicolimiteringstechnieken en diversificatie-effecten.

(65)

Er dient een standaardformule voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste te worden vastgesteld, zodat alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zich een oordeel over hun economisch kapitaal kunnen vormen. Wat de opzet van de standaardformule betreft, dient van modules te worden gebruikgemaakt, waarbij in een eerste fase dient te worden beoordeeld in hoeverre de betrokken onderneming aan elk afzonderlijk risico blootstaat, en deze afzonderlijke risicoposities vervolgens in een tweede fase bijeengevoegd dienen te worden. Ingeval het werkelijke verzekeringstechnische risicoprofiel van de onderneming beter wordt weerspiegeld indien ondernemingspecifieke parameters worden gehanteerd, moet dit worden toegestaan, mits deze parameters zijn verkregen door een standaardmethode toe te passen.

(66)

Om met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote ondernemingen rekening te houden, dient in vereenvoudigde methoden voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardformule te worden voorzien.

(67)

In het kader van de nieuwe risicogeoriënteerde benadering is principieel geen sprake van het concept van kwantitatieve beleggingsbeperkingen en criteria voor de bepaling van in aanmerking komende activa. Het dient echter wel mogelijk te zijn dergelijke kwantitatieve beleggingsbeperkingen en criteria vast te stellen om risico’s op te vangen die onvoldoende door een ondermodule van de standaardformule worden bestreken.

(68)

In overeenstemming met de risicogeoriënteerde benadering die ten aanzien van het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt gevolgd, dient het in bepaalde omstandigheden mogelijk te zijn voor de berekening van die vereiste geheel of gedeeltelijk interne modellen te gebruiken in plaats van de standaardformule. Teneinde verzekeringnemers en begunstigden eenzelfde niveau van bescherming te bieden, dienen dergelijke interne modellen vooraf volgens geharmoniseerde processen en normen door de toezichthoudende autoriteiten te worden goedgekeurd.

(69)

Wanneer het in aanmerking komend kernvermogen daalt tot onder het minimumkapitaalvereiste, dient de vergunning van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming te worden ingetrokken indien de betrokken onderneming niet in staat is om binnen een beperkte periode het in aanmerking komend kernvermogen wederom op het peil van het minimumkapitaalvereiste te brengen.

(70)

Het minimumkapitaalvereiste dient te voorzien in een minimumveiligheidsniveau waaronder het bedrag van de financiële middelen niet mag dalen. Dat niveau dient te worden berekend volgens een eenvoudige formule waarvoor een onder- en bovengrens op basis van de risicogeoriënteerhet solvabiliteitskapitaalvereiste geldt, zodat het optreden van de toezichthouders geleidelijk aan kan worden vergroot, en het dient op controleerbare gegevens gebaseerd te zijn.

(71)

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen dienen over activa van voldoende kwaliteit te beschikken om hun totale financiële behoeften te dekken. Alle beleggingen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen dienen te worden beheerd overeenkomstig het „prudent person”-beginsel.

(72)

De lidstaten mogen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij hun activa in bepaalde categorieën activa beleggen aangezien een dergelijke vereiste onverenigbaar kan zijn met de vrijmaking van het kapitaalverkeer als bedoeld in artikel 56 van het Verdrag.

(73)

De vaststelling van voorschriften op grond waarvan de lidstaten kunnen eisen dat activa die dienen ter dekking van de technische voorzieningen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming als zekerheden worden verstrekt, ongeacht de wijze waarop deze eis is geformuleerd, dient te worden verboden wanneer de verzekeraar herverzekerd is door een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan overeenkomstig deze richtlijn een vergunning is verleend, of door een verzekeringsonderneming van een derde land wanneer de toezichtregeling van dat derde land als gelijkwaardig is aangemerkt.

(74)

Het juridische kader bevat tot nog toe noch gedetailleerde criteria voor een prudentiële beoordeling van een voorgenomen verwerving noch een procedure voor de toepassing van deze criteria. Om te zorgen voor de nodige rechtszekerheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid met betrekking tot het beoordelingsproces en het resultaat ervan, dienen de criteria en het proces van prudentiële beoordeling derhalve te worden verduidelijkt. Bij Richtlijn 2007/44/EG zijn dergelijke criteria en procedures ingevoerd. Waar het verzekering en herverzekering betreft, dienen deze bepalingen te worden gecodificeerd en in deze richtlijn te worden verwerkt.

(75)

Maximale harmonisatie in de gehele Gemeenschap van deze procedures en prudentiële beoordelingen is derhalve van essentieel belang. De bepalingen inzake gekwalificeerde deelnemingen mogen de lidstaten evenwel niet beletten te verlangen dat de toezichthoudende autoriteiten in kennis worden gesteld van deelnemingen die onder de in deze bepalingen vastgestelde drempels liggen, zolang te dien einde ten hoogste één extra drempel van minder dan 10 % door een lidstaat wordt opgelegd. Ook mogen deze bepalingen de toezichthoudende autoriteiten niet beletten met algemene richtsnoeren aan te geven wanneer dergelijke deelnemingen worden beschouwd als resulterend in invloed van betekenis.

(76)

In het licht van de toenemende mobiliteit van de burgers van de Unie wordt wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen steeds vaker op grensoverschrijdende basis aangeboden. Opdat het systeem van de groene kaart en de overeenkomsten tussen de nationale bureaus van motorrijtuigenverzekeraars naar behoren blijven functioneren, is het aangewezen dat een lidstaat kan verlangen van verzekeringsondernemingen, die in het kader van dienstverrichting op zijn grondgebied wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen aanbieden, dat zij zich aansluiten bij en deelnemen in de financiering van zowel het nationale bureau als het garantiefonds van de betrokken lidstaat. De lidstaat van dienstverrichting dient van ondernemingen die wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen aanbieden te verlangen dat zij op zijn grondgebied een vertegenwoordiger aanstellen, die alle nodige informatie met betrekking tot vorderingen vergaart en de betrokken onderneming vertegenwoordigt.

(77)

In het kader van een interne markt is het in het belang van verzekeringnemers dat zij toegang hebben tot een zo breed mogelijk gamma van in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsproducten. De lidstaat van het risico of de lidstaat van de verbintenis dient er derhalve op toe te zien dat alle in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsproducten zonder enige belemmering op zijn grondgebied op de markt kunnen worden gebracht, voor zover dit niet in strijd is met de wettelijke bepalingen van algemeen belang die in deze lidstaat gelden en voor zover dit algemeen belang niet door de voorschriften van de lidstaat van herkomst wordt gewaarborgd.

(78)

Er moeten sancties kunnen worden opgelegd wanneer een verzekeringsonderneming zich in de lidstaat van het risico of de lidstaat van de verbintenis niet voegt naar de bepalingen van algemeen belang die op haar van toepassing zijn.

(79)

In het kader van een interne verzekeringsmarkt zullen consumenten een ruimere en meer gevarieerde keuze uit overeenkomsten hebben. Om ten volle van deze diversiteit en van een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, dienen zij vóór de sluiting van de overeenkomst en tijdens de hele duur ervan over de nodige inlichtingen te beschikken om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij hun behoeften past.

(80)

Een verzekeringsonderneming die hulpverleningsovereenkomsten aanbiedt, dient over de nodige middelen te beschikken om de door haar aangeboden prestaties in natura binnen een passende termijn te verstrekken. Er dienen derhalve specifieke bepalingen te worden vastgesteld voor de berekening van de Solvabiliteitskapitaalvereiste en de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste waaraan een dergelijke onderneming moet voldoen.

(81)

De daadwerkelijke uitoefening van het communautaire co-assurantiebedrijf voor activiteiten die op grond van hun aard of omvang voor dekking door internationale co-assurantie in aanmerking komen, dient te worden vergemakkelijkt door een minimum aan harmonisatie, teneinde verstoring van de mededinging en verschillen in behandeling te voorkomen. In deze context dient de eerste verzekeringsonderneming vorderingen te beoordelen en het bedrag van de technische voorzieningen vast te stellen. Bovendien dient op het terrein van de communautaire co-assurantie te worden voorzien in een bijzondere samenwerking zowel tussen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten onderling, als tussen deze autoriteiten en de Commissie.

(82)

Met het oog op de bescherming van verzekerden dient het nationale recht betreffende rechtsbijstandverzekering te worden geharmoniseerd. Elk mogelijk belangenconflict, met name als gevolg van het feit dat de verzekeringsonderneming een derde persoon heeft verzekerd of een persoon zowel voor rechtsbijstand als voor één of meer andere branches heeft verzekerd, moet zoveel mogelijk worden voorkomen of worden opgelost. Te dien einde kan op verschillende manieren een passend niveau van bescherming van verzekeringnemers worden bewerkstelligd. Voor welke oplossing ook wordt gekozen, het belang van de personen met rechtsbijstandverzekering dient op gelijkwaardige wijze te worden gewaarborgd.

(83)

Conflicten met betrekking tot rechtsbijstand tussen verzekerden en verzekeringsondernemingen dienen zo billijk en snel mogelijk te worden opgelost. Het is derhalve wenselijk dat de lidstaten voorzien in een arbitrageprocedure dan wel in een procedure die vergelijkbare garanties biedt.

(84)

In sommige lidstaten vervangt de particuliere of op vrijwillige basis gesloten ziekteverzekering geheel of gedeeltelijk de door de socialezekerheidsstelsels verleende dekking. Wegens haar bijzondere karakter onderscheidt deze ziekteverzekering zich in die zin van de andere schadeverzekerings- en levensverzekeringsbranches, dat moet worden gegarandeerd dat verzekeringnemers, ongeacht hun leeftijd of risicoprofiel, daadwerkelijk toegang hebben tot een particuliere of op vrijwillige basis gesloten ziekteverzekering. Gezien het karakter en de sociale gevolgen van ziekteverzekeringsovereenkomsten dienen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van het risico te kunnen verlangen dat zij in het geval van een particuliere of op vrijwillige basis gesloten ziekteverzekering stelselmatig in kennis worden gesteld van de algemene en bijzondere polisvoorwaarden, zodat zij zich ervan kunnen vergewissen dat deze overeenkomsten de door het socialezekerheidsstelsel geboden dekking geheel of gedeeltelijk kunnen vervangen. Die controle mag geen voorwaarde voor het op de markt brengen van de producten vormen.

(85)

Sommige lidstaten hebben daartoe bijzondere wettelijke bepalingen aangenomen. In het algemeen belang dienen dergelijke wettelijke bepalingen te kunnen worden vastgesteld of gehandhaafd, voor zover de vrijheid van vestiging of van dienstverrichting daardoor niet nodeloos wordt beperkt, met dien verstande dat deze bepalingen van gelijke toepassing dienen te zijn. De aard van deze wettelijke bepalingen kan verschillen naar gelang van de situatie in elke lidstaat. Het doel van bescherming van het algemeen belang kan ook worden bereikt door de ondernemingen die particuliere of op vrijwillige basis gesloten ziekteverzekering aanbieden ertoe te verplichten om standaardovereenkomsten aan te bieden waarvan de dekking gelijkloopt met die van de wettelijke socialezekerheidsstelsels en waarvoor de premie niet hoger is dan een voorgeschreven maximum, en om aan compensatiestelsels deel te nemen. Ook kan worden verlangd dat de technische grondslag voor de particuliere of op vrijwillige basis gesloten ziekteverzekering analoog is aan die van de levensverzekering.

(86)

De lidstaten van ontvangst dienen van verzekeringsondernemingen die op hun grondgebied voor eigen risico de verplichte arbeidsongevallenverzekering aanbieden, te kunnen verlangen dat zij de specifieke voorschriften naleven die ten aanzien van deze verzekering in hun nationale wetgeving zijn opgenomen. Dit mag echter niet gelden voor de voorschriften betreffende het financiële toezicht, die onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaat van herkomst moeten blijven vallen.

(87)

In sommige lidstaten zijn verzekeringstransacties niet onderworpen aan enige vorm van indirecte belasting, terwijl in de meeste lidstaten bijzondere heffingen en andere vormen van belasting, waaronder extra heffingen bestemd voor compensatie-instellingen, van toepassing zijn. De structuur en het tarief van deze heffingen en belastingen verschillen aanzienlijk naar gelang van de lidstaat waar zij van toepassing zijn. Er moet voorkomen worden dat de bestaande verschillen ernstige concurrentieverstoring tussen de lidstaten op het gebied van verzekeringdiensten met zich brengen. In afwachting van een latere harmonisatie kan de toepassing van de belastingregelingen en de andere heffingen van de lidstaten waar de risico’s zich bevinden of waar de verbintenissen zijn aangegaan, dat probleem verhelpen en is het aan de lidstaten om regelingen te treffen opdat deze heffingen en belastingen worden geïnd.

(88)

De lidstaten waar Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (21) niet van toepassing is, dienen, overeenkomstig deze richtlijn, de bepalingen van die verordening, toe te passen om te bepalen welk recht van toepassing is op verzekeringsovereenkomsten die binnen de werkingssfeer van artikel 7 van genoemde verordening vallen.

(89)

Om met de internationale aspecten van herverzekering rekening te houden, dient de mogelijkheid te worden geboden om internationale overeenkomsten met een derde land te sluiten met het doel de methoden vast te stellen voor het toezicht op herverzekeringsentiteiten die activiteiten uitoefenen op het grondgebied van elk van de partijen bij de overeenkomst. Tevens dient te worden voorzien in een flexibele procedure aan de hand waarvan de prudentiële gelijkwaardigheid met derde landen op een communautaire grondslag kan worden beoordeeld teneinde de liberalisering van herverzekeringsdiensten in derde landen te bevorderen, hetzij door middel van vestiging, hetzij in het kader van grensoverschrijdende dienstverrichting.

(90)

Wegens het bijzondere karakter van finite herverzekeringsactiviteiten dienen de lidstaten erop toe te zien dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die finite herverzekeringsovereenkomsten sluiten of finite herverzekeringsactiviteiten uitoefenen, de uit deze overeenkomsten of activiteiten voortvloeiende risico’s naar behoren kunnen onderkennen, meten en beheersen.

(91)

Er dienen passende voorschriften te worden vastgelegd voor Special Purpose Vehicles die risico’s van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen overnemen en die geen verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn. Bedragen die op een Special Purpose Vehicle kunnen worden verhaald, dienen te worden beschouwd als bedragen die onder herverzekerings- of retrocessieovereenkomsten als aftrekposten mogen worden aangemerkt.

(92)

Special Purpose Vehicles waarvoor toestemming is verleend vóór 31 oktober 2012 moeten ressorteren onder het recht van de lidstaat die toestemming heeft gegeven voor het Special Purpose Vehicle. Om toezichtarbitrage te voorkomen, moeten de bepalingen van deze richtlijn van toepassing zijn op alle nieuwe activiteiten die door een Special Purpose Vehicle worden begonnen na 31 oktober 2012.

(93)

Gezien het in toenemende mate grensoverschrijvende karakter van het verzekeringsbedrijf moeten verschillen tussen de regels van de lidstaten inzake Special Purpose Vehicles waarop de bepalingen van deze richtlijn van toepassing zijn, zoveel mogelijk beperkt worden, rekening houdend met hun toezichtstructuren.

(94)

De werkzaamheden met betrekking tot Special Purpose Vehicles moeten worden voortgezet, rekening houdend met de werkzaamheden die in andere financiële sectoren zijn verricht.

(95)

Maatregelen voor het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep dienen de met het toezicht op een verzekerings- of herverzekeringsonderneming belaste autoriteiten in staat te stellen om tot een beter gefundeerd oordeel over de financiële positie van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming te komen.

(96)

Voor zover zulks noodzakelijk is, dient bij het groepstoezicht met verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings rekening te worden gehouden. Deze richtlijn impliceert echter geenszins dat de lidstaten op elk van die ondernemingen afzonderlijk toezicht dienen uit te oefenen.

(97)

Hoewel de uitoefening van toezicht op de afzonderlijke verzekerings- en herverzekeringsondernemingen het wezenlijke beginsel van het verzekeringstoezicht blijft, moet worden uitgemaakt welke ondernemingen onder de werkingssfeer van het toezicht op groepsniveau vallen.

(98)

Overeenkomstig de communautaire en nationale wetgeving moeten ondernemingen, met name onderlinge waarborgmaatschappijen en onderlinge verzekeringsmaatschappijen, concentraties of groepen kunnen vormen, niet door kapitaalbanden, maar via geformaliseerde en langdurige financiële relaties op basis van contractuele of andere materiële erkenning die financiële solidariteit tussen die ondernemingen garandeert. Indien via een gecentraliseerde coördinatie een overheersende invloed wordt uitgeoefend, moet op die ondernemingen toezicht worden uitgeoefend volgens dezelfde regels als die welke gelden voor groepen die zijn gevormd door kapitaalbanden, teneinde de verzekeringnemers op afdoende wijze te beschermen en gelijke voorwaarden voor alle groepen te creëren.

(99)

Er dient in elk geval groepstoezicht te worden uitgeoefend op het niveau van de uiteindelijke deelnemende onderneming die haar hoofdkantoor in de Gemeenschap heeft. De lidstaten dienen evenwel in staat te zijn hun toezichthoudende autoriteiten toe te staan groepstoezicht op een beperkt aantal lagere niveaus uit te oefenen wanneer zij zulks noodzakelijk achten.

(100)

Voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een groep, dient de solvabiliteit op groepsniveau te worden berekend.

(101)

De geconsolideerde Solvabiliteitskapitaalvereiste van een groep moet de totale diversificatie van de risico’s van alle verzekerings- en herverzekeringsentiteiten binnen de groep in acht nemen zodat deze naar behoren beantwoordt aan de risicoblootstelling van de groep.

(102)

Tot een groep behorende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten een aanvraag kunnen indienen om de solvabiliteit zowel op groepsniveau als op individueel niveau op basis van een intern model te mogen berekenen.

(103)

Een aantal bepalingen van deze richtlijn voorziet uitdrukkelijk in een bemiddelende of raadgevende rol voor het CEVTB, maar dit mag niet uitsluiten dat het CEVTB ook met betrekking tot andere bepalingen een bemiddelende of raadgevende rol speelt.

(104)

Deze richtlijn houdt een innoverend toezichtsmodel in, waarin een sleutelrol is weggelegd voor de groepstoezichthouder, terwijl voor de solotoezichthouder een belangrijke rol erkend wordt en behouden blijft. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de toezichthouders gaan hand in hand met hun verantwoordingsplicht.

(105)

Alle verzekeringnemers en begunstigden moeten een gelijke behandeling krijgen, ongeacht hun nationaliteit of woonplaats. Daartoe moeten de lidstaten ervoor zorgen dat alle maatregelen die een toezichthoudende autoriteit op grond van haar nationale mandaat neemt, niet strijdig worden geacht met de belangen van die lidstaat of van de verzekeringnemers en begunstigden in die lidstaat. In alle omstandigheden van afwikkeling van vorderingen en liquidatie moeten de activa eerlijk worden verdeeld onder alle in aanmerking komende verzekeringnemers, ongeacht hun nationaliteit of woonplaats.

(106)

Er moet worden gewaarborgd dat het eigen vermogen op adequate wijze binnen de groep is verdeeld, en waar nodig beschikbaar is voor de bescherming van verzekeringnemers en begunstigden. Daarom dienen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep over voldoende eigen vermogen te beschikken om hun solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken.

(107)

Alle toezichthouders die bij het groepstoezicht zijn betrokken, moeten de genomen beslissingen kunnen begrijpen, met name wanneer deze beslissingen door de groepstoezichthouder zijn genomen. Zodra een van de toezichthouders relevante informatie tot zijn beschikking krijgt, moet hij deze daarom onmiddellijk met de andere toezichthouders delen, zodat alle toezichthouders een oordeel kunnen vormen op basis van dezelfde relevante informatie. Indien de betrokken toezichthouders geen overeenstemming kunnen bereiken, moet er degelijk advies worden ingewonnen bij het CEVTB om de situatie op te lossen.

(108)

De solvabiliteit van een verzekerings- of herverzekeringsdochteronderneming van een verzekeringsholding, een verzekeringsonderneming van een derde land of een herverzekeringsonderneming van een derde land kan worden beïnvloed door de financiële middelen van de groep waarvan die onderneming deel uitmaakt en door de wijze waarop die financiële middelen binnen die groep zijn verdeeld. De toezichthoudende autoriteiten dienen derhalve te beschikken over mogelijkheden tot het uitoefenen van het groepstoezicht en tot het nemen van passende maatregelen op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming wanneer de solvabiliteit van die onderneming in gevaar is of kan komen.

(109)

Risicoconcentraties en intragroeptransacties kunnen de financiële positie van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen beïnvloeden. De toezichthoudende autoriteiten dienen daarom in staat te zijn toezicht op dergelijke risicoconcentraties en intragroeptransacties uit te oefenen, rekening houdend met de aard van de banden tussen gereglementeerde alsook niet-gereglementeerde entiteiten, met inbegrip van verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings, en passende maatregelen op het niveau van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te nemen wanneer de solvabiliteit van die onderneming in gevaar is of kan komen.

(110)

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep dienen te beschikken over passende governancesystemen waarop controle moet worden uitgeoefend.

(111)

Voor alle aan groepstoezicht onderworpen verzekerings- en herverzekeringsgroepen dient uit de kring van de betrokken toezichthoudende autoriteiten een groepstoezichthouder te worden aangewezen. De rechten en plichten van de groepstoezichthouder dienen passende coördinatie- en beslissingsbevoegdheden te omvatten. De autoriteiten die bij het toezicht op tot eenzelfde groep behorende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen betrokken zijn, dienen coördinatieregelingen te treffen.

(112)

Aangezien groepstoezichthouders steeds meer bevoegdheden krijgen, moet ervoor worden gezorgd dat de criteria voor het kiezen van de groepstoezichthouder niet op arbitraire wijze kunnen worden omzeild. Met name indien de groepstoezichthouder rekening houdend met de groepsstructuur en het relatieve belang van de verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten op verschillende markten wordt gekozen, mogen transacties binnen de groep en groepsherverzekering niet dubbel worden geteld bij het beoordelen van het relatieve belang ervan op een markt.

(113)

De toezichthouders van alle lidstaten waar ondernemingen van de groep zijn gevestigd moeten bij het groepstoezicht betrokken zijn via een college van toezichthouders (het „college”). Zij moeten allemaal toegang hebben tot informatie die beschikbaar is bij andere toezichthoudende autoriteiten in het college en moeten op dynamische wijze en voortdurend bij de besluitvorming betrokken worden. Tussen de voor het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verantwoordelijke autoriteiten onderling, alsook tussen die autoriteiten en de autoriteiten die voor het toezicht op in andere financiële sectoren actieve ondernemingen verantwoordelijk zijn, dient samenwerking tot stand te worden gebracht.

(114)

De activiteiten van het college moeten in verhouding staan tot de aard, omvang en complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan de werkzaamheden van alle ondernemingen die deel uitmaken van de groep, alsook tot de grensoverschrijdende dimensie. Het college moet worden ingesteld om ervoor te zorgen dat procedures voor samenwerking, informatie-uitwisseling en overleg tussen de toezichthoudende autoriteiten van het college effectief worden toegepast overeenkomstig deze richtlijn. De toezichthoudende autoriteiten moeten het college gebruiken om convergentie van hun respectieve besluiten in de hand te werken en nauw samen te werken bij de uitvoering van hun toezichtactiviteiten in de gehele groep volgens geharmoniseerde criteria.

(115)

Deze richtlijn dient te voorzien in een raadgevende rol voor het CEVTB. De adviezen van de CETVB aan de desbetreffende toezichthouder zijn niet bindend voor deze laatste wanneer hij zijn besluit neemt. Wanneer hij een besluit neemt, moet de betrokken toezichthouder echter ten volle rekening houden met dit advies en uitleg geven wanneer hij daar in aanzienlijke mate van afwijkt.

(116)

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een groep waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor buiten de Gemeenschap heeft, dienen aan gelijkwaardige en passende regelingen voor het groepstoezicht onderworpen te zijn. Daartoe zijn transparantie van de regelgeving en uitwisseling van informatie met de autoriteiten van derde landen onder alle relevante omstandigheden vereist. Met het oog op een geharmoniseerde aanpak van de vaststelling en beoordeling van de gelijkwaardigheid van het toezicht op verzekerings- en herverzekerings-ondernemingen in derde landen moet worden bepaald dat de Commissie een bindend besluit neemt betreffende de gelijkwaardigheid van solvabiliteitregelingen in derde landen. Wat betreft landen ten aanzien waarvan de Commissie geen besluit heeft genomen, moet de gelijkwaardigheid worden beoordeeld door de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.

(117)

Aangezien de nationale wetgeving betreffende saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures nog niet is geharmoniseerd, dienen in het kader van de interne markt de wederzijdse erkenning van in de lidstaten geldende saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures ten aanzien van verzekeringsondernemingen en de noodzakelijke samenwerking te worden gewaarborgd, waarbij rekening wordt gehouden met de voor dergelijke maatregelen geldende beginselen van eenheid, universaliteit, coördinatie en openbaarmaking, en met de gelijke behandeling en bescherming van verzekeringsschuldeisers.

(118)

Er moet worden gegarandeerd dat de door de bevoegde instantie van een lidstaat vastgestelde saneringsmaatregelen die tot doel hebben de financiële soliditeit van een verzekeringsonderneming in stand te houden of te herstellen en liquidatie zoveel mogelijk te voorkomen, ten volle effect sorteren in heel de Gemeenschap. De gevolgen van dergelijke saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures ten aanzien van derde landen dienen evenwel onverlet te worden gelaten.

(119)

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de bevoegde instanties ter zake van saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures, en de toezichthoudende autoriteiten ter zake van verzekeringsondernemingen.

(120)

In de definitie van „bijkantoor” voor insolventiedoeleinden, dient er, overeenkomstig de geldende insolventiebeginselen, rekening mee te worden gehouden dat alleen de verzekeringsonderneming rechtspersoonlijkheid heeft. De wetgeving van de lidstaat van herkomst dient evenwel bepalend te zijn voor de wijze waarop de activa en passiva die worden beheerd door onafhankelijke personen die duurzaam gemachtigd zijn om namens de verzekeringsonderneming te handelen als waren zij een agentschap, bij de liquidatie van deze verzekeringsonderneming worden behandeld.

(121)

Er dienen voorwaarden te worden vastgesteld onder dewelke niet op insolventie berustende liquidatieprocedures, waarbij voor de uitkering van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering een rangindeling geldt, onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Een nationaal loongarantiestelsel kan gesubrogeerd worden in de vorderingen van werknemers van een verzekeringsonderneming uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst en -verhouding. De behandeling van zulke gesubrogeerde vorderingen dient te worden geregeld bij de wetgeving van de lidstaat van herkomst (lex concursus).

(122)

De vaststelling van saneringsmaatregelen vormt geen beletsel voor de opening van een liquidatieprocedure. Het dient derhalve mogelijk te zijn een liquidatieprocedure te openen zonder dat of nadat saneringsmaatregelen zijn vastgesteld. De liquidatieprocedure kan worden afgesloten met een gerechtelijk akkoord of met andere maatregelen van dezelfde strekking, waaronder saneringsmaatregelen.

(123)

De bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst dienen als enige gemachtigd te zijn om beslissingen inzake een liquidatieprocedure ten aanzien van een verzekeringsonderneming te nemen. Deze beslissingen dienen in heel de Gemeenschap effect te sorteren en door alle lidstaten te worden erkend. De beslissingen dienen overeenkomstig de in de lidstaat van herkomst geldende procedures te worden bekendgemaakt, alsook in het Publicatieblad van de Europese Unie. De informatie dient ook beschikbaar te worden gesteld aan bekende, in de Gemeenschap gevestigde schuldeisers, die het recht moeten hebben vorderingen of opmerkingen in te dienen.

(124)

In een liquidatieprocedure dienen alle activa en passiva van de verzekeringsonderneming in aanmerking te worden genomen.

(125)

Alle voorwaarden voor het openen, het verloop en het beëindigen van een liquidatieprocedure dienen te worden beheerst door het recht van de lidstaat van herkomst.

(126)

Teneinde een gecoördineerd optreden van de lidstaten mogelijk te maken, dienen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van alle andere lidstaten onverwijld op de hoogte te worden gebracht van het openen van een liquidatieprocedure.

(127)

Het is van het grootste belang dat verzekerden, verzekeringnemers, begunstigden, alsmede iedere benadeelde met het recht om tegen de verzekeringsonderneming een rechtstreekse vordering uit hoofde van verzekeringstransacties in te stellen, in het kader van de liquidatieprocedure bescherming genieten. Die bescherming mag niet gelden voor vorderingen die niet gebaseerd zijn op verplichtingen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten of verrichtingen, maar op burgerlijke aansprakelijkheid veroorzaakt door een tussenpersoon in onderhandelingen waarvoor deze tussenpersoon overeenkomstig het op de verzekeringsovereenkomst of verrichting toepasselijke recht krachtens de verzekeringsovereenkomst of verrichting niet aansprakelijk is. Om dat doel te bereiken, dienen de lidstaten de keuze te hebben tussen gelijkwaardige methoden voor een speciale behandeling van schuldeisers uit hoofde van verzekering, waarbij geen van deze methoden een lidstaat mag beletten een rangorde tussen diverse categorieën van vorderingen uit hoofde van verzekering aan te brengen. Bovendien moet voor een passend evenwicht worden gezorgd tussen de bescherming van schuldeisers uit hoofde van verzekering en andere bevoorrechte schuldeisers die door de wetgeving van de betrokken lidstaat worden beschermd.

(128)

De opening van een liquidatieprocedure dient tot gevolg te hebben dat de aan de verzekeringsonderneming verleende vergunning om het verzekeringsbedrijf uit te oefenen, wordt ingetrokken, voor zover dat nog niet was gebeurd.

(129)

Schuldeisers dienen het recht te hebben om in het kader van een liquidatieprocedure vorderingen of schriftelijke opmerkingen in te dienen. Vorderingen van schuldeisers die in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst zijn gevestigd, dienen op dezelfde wijze te worden behandeld als soortgelijke vorderingen in de lidstaat van herkomst, zonder onderscheid op grond van nationaliteit of verblijfplaats.

(130)

Ter bescherming van het gewettigd vertrouwen en van de rechtszekerheid van bepaalde handelingen in andere lidstaten dan de lidstaat van herkomst dient het recht te worden bepaald dat toepasselijk is op de gevolgen van de saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures voor aanhangige rechtsgedingen en voor de afzonderlijke executiemaatregelen die uit deze rechtsgedingen voortkomen.

(131)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (22).

(132)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om maatregelen vast te stellen met betrekking tot de aanpassing van de bijlagen en tot specificatie van met name de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten en van de door deze autoriteiten te ondernemen acties, alsook om meer gedetailleerde voorschriften vast te stellen op terreinen zoals het governancesysteem, de openbaarmaking, de beoordelingscriteria in verband met gekwalificeerde deelnemingen, de berekening van de technische voorzieningen en kapitaalvereisten, beleggingen en groepstoezicht. De Commissie moet ook worden gemachtigd om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen waarbij aan derde landen de status van gelijkwaardigheid met de bepalingen van deze richtlijn wordt verleend. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn en ter aanvulling van deze richtlijn met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing zoals bedoeld in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG, worden vastgesteld.

(133)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(134)

Richtlijn 64/225/EEG van de Raad van 25 februari 1964 ter opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten, voor wat betreft herverzekering en retrocessie (23), Richtlijn 73/240/EEG van de Raad van 24 juli 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging op het gebied van het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (24), Richtlijn 76/580/EEG van de Raad van 29 juni 1976 tot wijziging van Richtlijn 73/239/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (25) en Richtlijn 84/641/EEG van de Raad van 10 december 1984 houdende wijziging, inzonderheid wat de hulpverlening op reis betreft, van de eerste Richtlijn (73/239/EEG) tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (26) zijn achterhaald en dienen derhalve te worden ingetrokken.

(135)

De verplichting om deze richtlijn in nationaal recht om te zetten, dient beperkt te blijven tot de bepalingen die een materiële wijziging ten opzichte van de eerdere richtlijnen inhouden. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(136)

Deze richtlijn laat de verplichtingen van de lidstaten inzake de termijnen voor omzetting van de in bijlage VI, deel B, vermelde richtlijnen in nationaal recht onverlet.

(137)

De Commissie dient de adequaatheid van de bestaande garantiestelsels in de verzekeringssector te beoordelen en een passend wetgevingsvoorstel in te dienen.

(138)

In artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen (27) wordt verwezen naar de bestaande wetgevingsvoorschriften inzake solvabiliteitsmarges. Deze verwijzingen moeten behouden worden om de status quo te bewaren. De Commissie moet de herziening van Richtlijn 2003/41/EG overeenkomstig artikel 21, lid 4, daarvan zo spoedig mogelijk uitvoeren. De Commissie moet, met de steun van het CEVTB, een deugdelijk stelsel van solvabiliteitsregels betreffende instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen ontwikkelen, waarbij zij ten volle rekening moet houden met de essentiële onderscheidendheid ten opzichte van verzekeringen en dus niet vooruit mag lopen op de toepassing van deze richtlijn die deze instellingen zal worden opgelegd.

(139)

De toepassing van deze richtlijn wijzigt het risicoprofiel van de verzekeringsonderneming ten opzichte van de verzekeringnemer. De Commissie moet zo spoedig mogelijk en uiterlijk eind 2010 een voorstel indienen voor de herziening van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (28), rekening houdend met de gevolgen van deze richtlijn voor de verzekeringnemers.

(140)

Verdere verregaande hervormingen van het regelgevings- en toezichtsmodel voor de financiële sector in de Europese Unie zijn hoognodig en moeten spoedig door de Commissie worden voorgesteld, naar behoren rekening houdend met de conclusies die de werkgroep van deskundigen onder voorzitterschap van Jacques de Larosière op 25 februari 2009 heeft gepresenteerd. De Commissie moet de nodige wetgeving voorstellen om de vastgestelde tekortkomingen in de bepalingen inzake coördinatie- en samenwerkingsregelingen tussen de toezichthouders te verhelpen.

(141)

Het CEVTB moet worden geraadpleegd over hoe kwesties als sterker groepstoezicht en kapitaalbeheer binnen een groep van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen het beste kunnen worden aangepakt. Het CEVTB moet om advies worden gevraagd dat de Commissie kan helpen haar voorstellen op te stellen onder voorwaarden die verenigbaar zijn met een hoog niveau van bescherming van de verzekeringnemers (en de begunstigden) en met het waarborgen van de financiële stabiliteit. In dit verband moet het CEVTB worden gevraagd de Commissie te adviseren over de structuur en de beginselen aan de hand waarvan in de toekomst mogelijke wijzigingen in deze richtlijn kunnen worden aangebracht die nodig zijn om eventuele voorgestelde veranderingen door te voeren. De Commissie moet bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen, gevolgd door passende voorstellen, voor alternatieve regelingen voor het prudentieel toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van groepen, die het kapitaalbeheer binnen groepen efficiënter maken, mits zij zeker is dat er een passend ondersteunend regelgevingskader voor de invoering van een dergelijke regeling is.

Het is met name wenselijk dat een regeling voor groepsondersteuning functioneert op solide fundamenten, namelijk geharmoniseerde en financieel toereikende verzekeringsgarantieregelingen, een geharmoniseerd en wettelijk bindend kader van bevoegde instanties, centrale banken en ministeries van Financiën voor crisisbeheer, geschillenbeslechting en fiscale lastendeling dat toezichtbevoegdheden paart aan fiscale verantwoordelijkheid, een wettelijk bindend kader voor bemiddeling in geschillen in verband met het toezicht, een geharmoniseerd kader voor tijdig ingrijpen, en een geharmoniseerd kader voor de overdraagbaarheid van activa, insolventie en liquidatie dat de belemmeringen voor de overdraagbaarheid van vermogensbestanddelen in het nationale vennootschapsrecht wegneemt. In haar verslag moet de Commissie ook rekening houden met de uitwerking van diversificatie-effecten in de loop van de tijd en de risico’s die verbonden zijn aan het behoren tot een groep, de praktijk van het Risk management in een gecentraliseerde groep, de werking van groepsinterne modellen en het toezicht op intragroeptransacties en risicoconcentraties.

(142)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord inzake beter wetgeven (29) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze tabellen openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

INHOUDSTAFEL

TITEL I

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN INZAKE DE TOEGANG TOT EN UITOEFENING VAN HET DIRECTE VERZEKERINGS- EN HET HERVERZEKERINGSBEDRIJF

HOOFDSTUK I

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

AFDELING 1

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

AFDELING 2

Uitsluitingen van het toepassingsgebied

Onderafdeling 1

Algemeen

Onderafdeling 2

Schade

Onderafdeling 3

Leven

Onderafdeling 4

Herverzekering

AFDELING 3

Definities

HOOFDSTUK II

Toegang tot het bedrijf

HOOFDSTUK III

Toezichthoudende autoriteiten en algemene voorschriften

HOOFDSTUK IV

Voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening

AFDELING 1

Verantwoordelijkheid van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan

AFDELING 2

Governancesysteem

AFDELING 3

Bekendmaking van informatie

AFDELING 4

Gekwalificeerde deelneming

AFDELING 5

Beroepsgeheim, uitwisseling van informatie en bevordering van de convergentie van het toezicht

AFDELING 6

Accountantstaken

HOOFDSTUK V

Gelijktijdige uitoefening van het levens- en het schadeverzekeringsbedrijf

HOOFDSTUK VI

Voorschriften voor de waardering van acticva en verplichtingen, technische voorzieningen, eigen vermogen, het solvabiliteitskapitaalvereiste, het minimumkapitaalvereiste en beleggingsvoorschriften

AFDELING 1

Waardering van activa en verplichtingen

AFDELING 2

Voorschriften van technische voorzieningen

AFDELING 3

Eigen vermogen

Onderafdeling 1

Bepaling van het eigen vermogen

Onderafdeling 2

Indeling van het eigen vermogen

Onderafdeling 3

In aanmerking komend eigen vermogen

AFDELING 4

Solvabiliteitskapitaalvereiste

Onderafdeling 1

Algemene voorschriften voor de bepaling van het solvabiliteitskapitaalvereiste met de standaardformule of met een intern model

Onderafdeling 2

Solvabiliteitskapitaalvereiste - standaardformule

Onderafdeling 3

Solvabiliteitskapitaalvereiste - geheel en gedeeltelijk interne modellen

AFDELING 5

Minimumkapitaalvereiste

AFDELING 6

Beleggingen

HOOFDSTUK VII

In moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen

HOOFDSTUK VIII

Recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten

AFDELING 1

Vestiging van verzekeringsondernemingen

AFDELING 2

Vrij verrichten van diensten door verzekeringsondernemingen

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

Onderafdeling 2

Wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen

AFDELING 3

Bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

Onderafdeling 1

Verzekering

Onderafdeling 2

Herverzekering

AFDELING 4

Statische informatie

AFDELING 5

Behandeling van overeenkomsten van bijkantoren die in een liquidatieprocedure verwikkeld zijn

HOOFDSTUK IX

Binnen de gemeenschap gevestigde bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan het hoofdkantoor buiten de gemeenschap is gevestigd

AFDELING 1

Toegang tot het bedrijf

AFDELING 2

Herverzekering

HOOFDSTUK X

Dochterondernemingen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarop het recht van een derde land van toepassing is en verwerving van deelnemingen door zulke ondernemingen

TITEL II

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR VERZEKERING EN HERVERZEKERING

HOOFDSTUK I

Toepasselijk recht en voorwaarden van directe verzekeringsovereenkomsten

AFDELING 1

Toepasselijk recht

AFDELING 2

Verplichte verzekering

AFDELING 3

Algemeen belang

AFDELING 4

Voorwaarden van verzekeringsovereenkomsten en tarifering

AFDELING 5

Aan verzekeringnemers te verstrekken informatie

Onderafdeling 1

Schadeverzekering

Onderafdeling 2

Levensverzekering

HOOFDSTUK II

Specifieke bepalingen betreffende schadeverzekering

AFDELING 1

Algemene bepalingen

AFDELING 2

Communautaire co-assurantie

AFDELING 3

Hulpverlening

AFDELING 4

Rechtsbijstandverzekering

AFDELING 5

Ziektekostenverzekering

AFDELING 6

Arbeidsongevallenverzekering

HOOFDSTUK III

Specifieke bepalingen betreffende levensverzekering

HOOFDSTUK IV

Specifieke bepalingen betreffende herverzekering

TITEL III

TOEZICHT OP VERZEKERINGS- EN HERVERZEKERINGSONDERNEMINGEN IN EEN GROEP

HOOFDSTUK I

Groepstoezicht: definities, toepassing, bereik en niveaus

AFDELING 1

Definities

AFDELING 2

Toepassing en reikwijdte

AFDELING 3

Niveaus

HOOFDSTUK II

Financiele positie

AFDELING 1

Groepssolvabiliteit

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

Onderafdeling 2

Keuze van de berekeningsmethode en algemene beginselen

Onderafdeling 3

Toepassing van de berekeningsmethoden

Onderafdeling 4

Berekeningsmethoden

Onderafdeling 5

Toezicht op de groepssolvabiliteit van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die dochterondernemingen van een verzekeringsholding zijn

Onderafdeling 6

Toezicht op de groepssolvabiliteit van groepen met een gecentraliseerd risicobeheer

AFDELING 2

Risicoconcentratie en intragroeptransacties

AFDELING 3

Risicobeheer en interne controle

HOOFDSTUK III

Maatregelen om het groepstoezicht te vergemakkelijken

HOOFDSTUK IV

Derde landen

HOOFDSTUK V

Gemengde verzekeringsholdings

TITEL IV

SANERING EN LIQUIDATIE VAN VERZEKERINGSONDERNEMINGEN

HOOFDSTUK I

Toepassingsgebied en begripsomschrijvingen

HOOFDSTUK II

Saneringsmaatregelen

HOOFDSTUK III

Liquidatieprocedure

HOOFDSTUK IV

Gemeenschappelijke bepalingen

TITEL V

OVERIGE BEPALINGEN

TITEL VI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK I

Overgangsbepalingen

AFDELING 1

Verzekering

AFDELING 2

Herverzekering

HOOFDSTUK II

Slotbepalingen

BIJLAGE I

SCHADEVERZEKERINGSBRANCHES

A.

Indeling van de risico’s per branche

B.

Aanduiding van de vergunning die voor verscheidende branches tegelijk wordt gegeven

BIJLAGE II

LEVENSVERZEKERINGSBRANCHES

BIJLAGE III

RECHTSVORMEN VAN ONDERNEMINGEN

A.

Rechtsvormen van schadeverzekeringsondernemingen

B.

Rechtsvormen van levensverzekeringsondernemingen

C.

Rechtsvormen van herverzekeringsondernemingen:

BIJLAGE IV

STANDAARDFORMULE VOOR HET SOLVABILITEITSKAPITAALVEREISTE (SOLVENCY CAPITAL REQUIREMENT - SCR)

1.

Berekening van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste

2.

Berekening van module schadeverzekeringstechnisch risico

3.

Berekening van de module levensverzekeringstechnisch risico

4.

Berekening van de module marktrisico

BIJLAGE V

GROEPEN SCHADEVERZEKERINGSBRANCHES ALS BEDOELD IN ARTIKEL 159

BIJLAGE VI

 

Deel A

Ingetrokken richtlijnen en lijst van de opeenvolgende wijzigingen daarvan (als bedoeld in artikel 310)

Deel B

Termijnen voor de omzetting in nationaal recht (als bedoeld in artikel 310)

BIJLAGE VII

CONCORDANTIETABEL

TITEL I

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN INZAKE DE TOEGANG TOT EN UITOEFENING VAN HET DIRECTE VERZEKERINGS- EN HET HERVERZEKERINGSBEDRIJF

HOOFDSTUK I

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Afdeling 1

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze richtlijn stelt voorschriften vast betreffende:

1.

de toegang tot en de uitoefening van het directe verzekeringsbedrijf en het herverzekeringsbedrijf anders dan in loondienst in de Gemeenschap;

2.

het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsgroepen;

3.

de sanering en liquidatie van directe verzekeringsondernemingen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op directe schade- en levensverzekeringsondernemingen die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd of zich daar wensen te vestigen.

De richtlijn is, met uitzondering van Titel IV, ook van toepassing op herverzekeringsondernemingen die uitsluitend herverzekeringsactiviteiten uitoefenen en die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd of zich daar wensen te vestigen.

2.   Wat schadeverzekering betreft, is deze richtlijn van toepassing op activiteiten van de in deel A van bijlage I vermelde branches. Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, valt onder schadeverzekering ook de activiteit van hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden. Zij bestaat erin dat tegen voorafgaande betaling van een premie de verbintenis wordt aangegaan om onmiddellijke hulp te verlenen aan de begunstigde van een hulpverleningsovereenkomst wanneer deze in moeilijkheden verkeert ten gevolge van het zich voordoen van een onzeker voorval, in de gevallen en onder de voorwaarden welke in de overeenkomst zijn bepaald.

De hulp kan bestaan uit prestaties in geld of in natura. De prestaties in natura kunnen ook worden verstrekt met gebruikmaking van eigen personeel of uitrusting van de prestatieverstrekker.

Onderhoudsdiensten, dienstverlening na verkoop en de loutere aanwijzing omtrent of terbeschikkingstelling van hulp door een tussenpersoon vallen niet onder de hulpverleningsactiviteit.

3.   Met betrekking tot levensverzekeringen is deze richtlijn van toepassing op:

a)

de volgende levensverzekeringsactiviteiten voor zover zij uit een overeenkomst voortvloeien:

i)

levensverzekeringen, dat wil zeggen verzekeringen bij leven, bij overlijden, gemengde verzekeringen, levensverzekeringen met contraverzekering en verzekeringen in verband met huwelijk en geboorte;

ii)

lijfrenteverzekeringen;

iii)

aanvullende verzekeringen op een levensverzekering, met name verzekeringen tegen lichamelijk letsel, met inbegrip van arbeidsongeschiktheid, verzekeringen bij overlijden ten gevolge van een ongeval en verzekeringen tegen invaliditeit ten gevolge van ongeval of ziekte;

iv)

het in Ierland en het Verenigd Koninkrijk bestaande type niet-opzegbare ziekteverzekering van lange duur dat „permanent health Insurance not subject t/m cancellation” wordt genoemd;

b)

de volgende verrichtingen voor zover zij voortvloeien uit een overeenkomst en voor zover zij gecontroleerd worden door de instanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op particuliere verzekeringen:

i)

verrichtingen waarbij deelgenootschappen worden gevormd waarin de deelgenoten zich aaneensluiten om gezamenlijk hun bijdragen te kapitaliseren en het aldus gevormde vermogen te verdelen tussen de overlevenden of tussen de rechthebbenden van de overledenen (tontines);

ii)

kapitalisatieverrichtingen die zijn gebaseerd op een actuariële techniek, waarbij in ruil voor tevoren vastgestelde stortingen ineens of periodieke stortingen, verplichtingen worden aangegaan die voor wat betreft hun duur en hun bedrag bepaald zijn;

iii)

het beheer van collectieve pensioenfondsen, daaronder begrepen het beheer van beleggingen en met name van de activa welke staan tegenover de voorzieningen van de organen die uitkeringen verstrekken bij overlijden, bij leven of bij beëindiging of vermindering van de werkzaamheid;

iv)

verrichtingen als bedoeld onder punt iii), wanneer deze vergezeld gaan van een verzekeringsgarantie die betrekking heeft hetzij op het behoud van het kapitaal, hetzij op de betaling van een minimuminterest;

v)

door levensverzekeringsondernemingen gedane verrichtingen zoals die welke zijn bedoeld in boek IV, titel 4, hoofdstuk 1, van de Franse „Code des assurances”;

c)

de in de socialeverzekeringswetgeving omschreven of bedoelde verrichtingen in verband met de duur van het leven van de mens, voor zover deze in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat door levensverzekeringsondernemingen voor eigen risico worden verricht of beheerd.

Afdeling 2

Uitsluitingen van het toepassingsgebied

Onderafdeling 1

Algemeen

Artikel 3

Wettelijke regelingen

Onverminderd artikel 2, lid 3, onder c), heeft deze richtlijn geen betrekking op verzekeringen die vallen binnen een wettelijke regeling van sociale zekerheid.

Artikel 4

Uitsluiting van het toepassingsgebied op grond van de omvang

1.   Onverminderd artikel 3 en de artikelen 5 tot en met 10, is deze richtlijn niet van toepassing op een verzekeringsonderneming die aan alle onderstaande voorwaarden voldoet:

a)

de jaarlijkse bruto geboekte premie-inkomsten van de onderneming bedragen niet meer dan 5 miljoen EUR;

b)

de totale technische voorzieningen van de onderneming, zonder aftrek van de bedragen die op grond van herverzekeringsovereenkomsten en van Special Purpose Vehicles, als bedoeld in artikel 76, kunnen worden verhaald, bedragen niet meer dan 25 miljoen EUR;

c)

indien de onderneming tot een groep behoort, bedragen de totale technische voorzieningen van de groep, zonder aftrek van de bedragen die op grond van herverzekeringsovereenkomsten en Special Purpose Vehicles kunnen worden verhaald, niet meer dan 25 miljoen EUR;

d)

het bedrijf van de onderneming omvat geen verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten ter dekking van aansprakelijkheids-, krediet- en borgtochtverzekeringsrisico’s, tenzij deze bijkomende risico’s vormen in de zin van artikel 16, lid 1;

e)

het bedrijf van de onderneming omvat geen herverzekeringsactiviteiten ten bedrage van meer dan 0,5 miljoen EUR uitmaken van bruto geboekte premie-inkomsten, of meer dan 2,5 miljoen EUR van haar technische voorzieningen, zonder aftrek van de bedragen die op op grond van herverzekeringsovereenkomsten en van Special Purpose Vehicles kunnen worden verhaald, of meer dan 10 % uitmaken van haar bruto geboekte premie-inkomsten of meer dan 10 % uitmaken van haar technische voorzieningen, zonder aftrek van de bedragen die op grond van herverzekeringsovereenkomsten en van Special Purpose Vehicles kunnen worden verhaald.

2.   Als een van de in lid 1 genoemde bedragen drie achtereenvolgende jaren wordt overschreden, is de richtlijn vanaf het vierde jaar van toepassing.

3.   In afwijking van lid 1 is deze richtlijn van toepassing op alle ondernemingen die een vergunning voor het uitoefenen van verzekerings- en herverzekeringsactiviteiten aanvragen en waarvan de jaarlijkse bruto premie-inkomsten of de technische voorzieningen, zonder aftrek van de bedragen die op grond van herverzekeringsovereenkomsten en Special Purpose Vehicles kunnen worden verhaald, naar verwachting in de volgende vijf jaar de in lid 1 vastgestelde bedragen zullen overschrijden.

4.   Deze richtlijn is niet langer op verzekeringsondernemingen van toepassing wanneer de toezichthoudende autoriteit heeft bevestigd dat zij aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:

a)

geen van de in lid 1 genoemde bedragen is gedurende de laatste drie jaren overschreden; alsmede

b)

geen van de in lid 1 vastgestelde bedragen zal naar verwachting in de volgende vijf jaren worden overschreden.

Mits de verzekeringsonderneming in kwestie haar activiteiten uitvoert in overeenstemming met de artikelen 145 tot en met 149, is lid 1 van dit artikel niet van toepassing.

5.   Lid 1 en lid 4 beletten niet dat een onderneming overeenkomstig deze richtlijn een vergunning aanvraagt of haar vergunning behoudt.

Onderafdeling 2

Schade

Artikel 5

Verrichtingen

Met betrekking tot schadeverzekeringen heeft deze richtlijn geen betrekking op de volgende verrichtingen:

1.

kapitalisatieverrichtingen zoals deze door de wetgeving van elke lidstaat worden omschreven;

2.

verrichtingen van instellingen op het gebied van voorzorg en bijstand, waarvan de prestaties verschillen naar gelang van de beschikbare middelen en in het kader waarvan de bijdragen der leden forfaitair worden bepaald;

3.

verrichtingen van een organisatie die geen rechtspersoonlijkheid bezit, welke de onderlinge waarborg van haar leden tot doel hebben, zonder tot de betaling van premies of de vorming van technische reserves aanleiding te geven; of

4.

verrichtingen op het gebied van de exportkredietverzekering voor rekening of met garantie van de staat, of wanneer de staat de verzekeraar is.

Artikel 6

Hulpverlening

1.   Deze richtlijn heeft geen betrekking op de hulpverleningsactiviteit die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a)

de hulp wordt verleend bij een ongeval met of defect aan een wegvoertuig dat zich voordoet op het grondgebied van de lidstaat van de verlener van de dekking;

b)

de verplichting tot hulpverlening blijft beperkt tot de volgende verrichtingen:

i)

technische hulp ter plaatse, waarvoor de verlener van de dekking in de meeste gevallen eigen personeel en uitrusting gebruikt;

ii)

het vervoer van het voertuig naar de plaats van reparatie die het dichtst bij is of het meest geschikt is voor het uitvoeren van de reparatie, alsmede het eventuele vervoer van bestuurder en passagiers, normaliter met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats van waaruit zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten;

iii)

indien de lidstaat van herkomst van de verlener van de dekking dit bepaalt, het vervoer van het voertuig, eventueel begeleid door bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun vertrekpunt of hun oorspronkelijke bestemming binnen deze lidstaat; en

c)

de hulpverlening wordt niet uitgevoerd door een onderneming waarop deze richtlijn van toepassing is.

2.   In de in lid 1, onder b), in de punten i) en ii), bedoelde gevallen is de voorwaarde dat het ongeval of het defect zich heeft voorgedaan op het grondgebied van de lidstaat van de verlener van de dekking niet van toepassing wanneer de belanghebbende lid is van de organisatie die de dekking verleent, en de hulpverlening of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon van de lidmaatschapskaart, zonder betaling van een extra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke organisatie van het betrokken land op grond van een reciprociteitsovereenkomst of, in het geval van Ierland en het Verenigd Koninkrijk, wanneer de hulpverlening wordt verricht door een zelfde organisatie die in beide staten werkzaam is.

3.   Deze richtlijn heeft geen betrekking op verrichtingen als bedoeld in lid 1, onder b), in punt iii), indien het ongeval of defect zich op het grondgebied van Ierland of, voor het Verenigd Koninkrijk, op het grondgebied van Noord-Ierland heeft voorgedaan en het voertuig, eventueel begeleid door bestuurder en passagiers, wordt vervoerd naar de woonplaats, het vertrekpunt of de oorspronkelijke bestemming van laatstgenoemden binnen elk van deze beide grondgebieden.

4.   Deze richtlijn heeft geen betrekking op hulpverleningsactiviteiten van de Automobile Club du Grand-Duché de Luxembourg indien het ongeval of defect van een voertuig, buiten het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg heeft plaatsgevonden en de hulpverlening bestaat uit het vervoer van het bij dat ongeval of defect betrokken voertuig, eventueel begeleid door bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats.

Artikel 7

Onderlinge verzekeringsondernemingen

Deze richtlijn heeft geen betrekking op onderlinge verzekeringsondernemingen die schadeverzekeringsactiviteiten verrichten en die met een andere onderlinge verzekeringsonderneming een overeenkomst hebben gesloten welke voorziet in volledige herverzekering van de door hen gesloten verzekeringsovereenkomsten of in de vervanging van de cederende onderneming door de overnemende onderneming voor de nakoming van de uit deze verzekeringsovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen. In dit geval is de overnemende onderneming onderworpen aan de richtlijn.

Artikel 8

Instellingen

Tenzij hun statuten of het toepasselijke recht wijzigingen ondergaan ten aanzien van hun bevoegdheid, vallen de volgende instellingen die schadeverzekeringsactiviteiten verrichten, niet onder deze richtlijn:

1.

in Denemarken: Falck Danmark;

2.

in Duitsland: de volgende semioverheidsinstellingen:

a)

Postbeamtenkrankenkasse,

b)

Krankenversorgung der Bundesbahnbeamten;

3.

in Ierland: Voluntary Health Insurance Board;

4.

in Spanje: Consorcio de Compensación de Seguros.

Onderafdeling 3

Leven

Artikel 9

Verrichtingen en activiteiten

Met betrekking tot levensverzekeringen heeft deze richtlijn geen betrekking op de volgende verrichtingen en activiteiten:

1.

verrichtingen van instellingen op het gebied van voorzorg en bijstand, waarvan de prestaties verschillen naar gelang van de beschikbare middelen, en in het kader waarvan de bijdragen van de leden forfaitair worden vastgesteld;

2.

verrichtingen van andere instellingen dan de in artikel 2 bedoelde ondernemingen die ten doel hebben aan al dan niet in loondienst werkzame personen, die in het kader van een onderneming of van een groep van ondernemingen of van een beroep of meerdere beroepen omvattende sector zijn gegroepeerd, uitkeringen te verstrekken bij overlijden, bij leven of bij beëindiging of vermindering van de werkzaamheid, ongeacht of de uit deze verrichtingen voortvloeiende verbintenissen al dan niet volledig en voortdurend door wiskundige voorzieningen zijn gedekt;

3.

pensioenactiviteiten van pensioenverzekeraars als voorgeschreven in de wet op de pensioenen voor werknemers (TyEL) en aanverwante Finse wettelijke regelingen op voorwaarde dat:

a)

pensioenverzekeraars die reeds ingevolge de Finse wet verplicht zijn verschillende stelsels voor boekhouding en beheer van hun pensioenactiviteiten aan te houden, bovendien met ingang van 1 januari 1995 voor het uitvoeren van deze activiteiten verschillende rechtspersonen in het leven zullen roepen; en

b)

de Finse autoriteiten zonder enig onderscheid alle onderdanen en ondernemingen van de lidstaten zullen toestaan alle in artikel 2 genoemde activiteiten die met deze uitzondering in verband staan, uit te voeren, overeenkomstig de Finse wetgeving, zowel door middel van eigendom van of deelneming in een bestaande verzekeringsonderneming of verzekeringsgroep, als door middel van oprichting van of deelneming in nieuwe verzekeringsondernemingen of groepen van verzekeraars, waaronder pensioenverzekeraars.

Artikel 10

Organisaties, ondernemingen en instellingen

Met betrekking tot levensverzekeringen heeft deze richtlijn geen betrekking op de volgende ondernemingen en instellingen:

1.

instellingen die uitsluitend uitkeringen bij overlijden waarborgen, wanneer het bedrag van deze uitkeringen niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de begrafeniskosten voor een sterfgeval of wanneer deze uitkeringen in natura geschieden;

2.

het „Versorgungsverband deutscher Wirtschaftsorganisationen” in Duitsland, behoudens in geval van statutenwijziging ten aanzien van de bevoegdheid.

3.

het „Consorcio de Compensación de Seguros” in Spanje, tenzij de statuten worden gewijzigd wat het toepassingsgebied van de activiteiten of de bevoegdheid betreft.

Onderafdeling 4

Herverzekering

Artikel 11

Herverzekering

Wat herverzekering betreft, heeft deze richtlijn geen betrekking op de herverzekeringsactiviteit die de regering van een lidstaat om belangrijke redenen van openbaar belang uitoefent of volledig garandeert in de hoedanigheid van herverzekeraar in laatste instantie en wanneer een situatie op de markt, waarin het onmogelijk is om een adequate herverzekeringsdekking te verkrijgen, een dergelijk optreden noodzakelijk maakt.

Artikel 12

Herverzekeringsondernemingen die hun werkzaamheden beëindigen

1.   Herverzekeringsondernemingen die op 10 december 2007 het sluiten van nieuwe herverzekeringsovereenkomsten hebben gestaakt en uitsluitend hun bestaande portefeuille beheren met het oog op de beëindiging van hun werkzaamheden, vallen niet onder deze richtlijn.

2.   De lidstaten stellen een lijst op van de betrokken herverzekeringsondernemingen en delen deze lijst aan alle andere lidstaten mee.

Afdeling 3

definities

Artikel 13

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

verzekeringsonderneming: een directe schade- of levensverzekeringsonderneming waaraan overeenkomstig artikel 14 vergunning is verleend;

2.

verzekeringscaptive: een verzekeringsonderneming die hetzij eigendom is van een financiële onderneming die noch een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 212, lid 1, punt c), is, hetzij eigendom is van een niet-financiële onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor de risico’s van de onderneming of de ondernemingen waartoe zij behoort of voor een onderneming of ondernemingen van de groep waarvan zij lid is, verzekeringsdekking te bieden;

3.

verzekeringsonderneming van een derde land: een onderneming die overeenkomstig artikel 14 over een vergunning als verzekeringsonderneming zou moeten beschikken indien haar hoofdkantoor in de Gemeenschap lag;

4.

herverzekeringsonderneming: een onderneming waaraan overeenkomstig artikel 14 vergunning is verleend om herverzekeringsactiviteiten te verrichten;

5.

herverzekeringscaptive: een herverzekeringsonderneming die hetzij eigendom is van een financiële onderneming die noch een verzekerings- of erverzekeringsonderneming, noch een groep van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 212, lid 1, punt c), is, hetzij eigendom is van een niet-financiële onderneming, en die tot doel heeft uitsluitend voor de risico’s van de onderneming of de ondernemingen waartoe zij behoort of voor een onderneming of ondernemingen van de groep waarvan zij lid is, herverzekeringsdekking te bieden;

6.

herverzekeringsonderneming van een derde land: een onderneming die overeenkomstig artikel 14 over een vergunning als herverzekeringsonderneming zou moeten beschikken indien haar hoofdkantoor in de Gemeenschap lag;

7.

herverzekering: een van de volgende activiteiten:

a)

de activiteit waarbij risico’s worden aanvaard die door een verzekeringsonderneming, een verzekeringsonderneming van een derde land, een andere herverzekeringsonderneming of een herverzekeringsonderneming van een derde land worden overgedragen; of

b)

in het geval van de „association of underwriters, known as Lloyd’s”: een activiteit waarbij een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming dan de „association of underwriters, known as Lloyd’s” de risico’s overneemt die door een lid van Lloyd’s worden overgedragen;

8.

lidstaat van herkomst: een van de volgende lidstaten:

a)

bij schadeverzekeringen: de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt;

b)

bij levensverzekeringen: de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbintenis aangaat; of

c)

bij herverzekeringen: de lidstaat waar het hoofdkantoor van de herverzekeringsonderneming is gevestigd;

9.

lidstaat van ontvangst: de lidstaat waar een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een bijkantoor heeft of diensten verricht en die niet de lidstaat van herkomst is; in het geval van levens- en schadeverzekeringen wordt onder lidstaat van dienstverrichting verstaan de lidstaat van de verbintenis en de lidstaat waar het risico is gelegen; de verbintenis of het risico wordt gedekt door een verzekeringsonderneming of een bijkantoor in een andere lidstaat;

10.

toezichthoudende autoriteit: de nationale autoriteit of autoriteiten die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen toezicht uitoefenen op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;

11.

bijkantoor: een agentschap of bijkantoor van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst;

12.

vestiging: hoofdkantoor of bijkantoor van een onderneming;

13.

lidstaat van het risico: een van de volgende lidstaten:

a)

de lidstaat waar de goederen zich bevinden, wanneer de verzekering betrekking heeft hetzij op onroerend goed, hetzij op onroerend goed en op de inhoud daarvan, voor zover deze door dezelfde verzekeringsovereenkomst wordt gedekt;

b)

de lidstaat van registratie, wanneer de verzekering betrekking heeft op voer- en vaartuigen van om het even welk type;

c)

de lidstaat waar de verzekeringnemer de overeenkomst heeft gesloten, indien het overeenkomsten betreft met een looptijd van vier maanden of minder die betrekking hebben op tijdens een reis of vakantie gelopen risico’s, ongeacht de branche;

d)

in alle gevallen die niet uitdrukkelijk zijn genoemd onder a), b) of c): de lidstaat waarin zich een van het volgende bevindt:

i)

de gewone verblijfsplaats van de verzekeringnemer; of

ii)

indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst betrekking heeft;

14.

lidstaat van de verbintenis: de lidstaat waarin zich een van het volgende bevindt:

a)

de gewone verblijfplaats van de verzekeringnemer;

b)

indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is: de vestiging van die verzekeringnemer waarop de overeenkomst betrekking heeft;

15.

moederonderneming: een moederonderneming in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG;

16.

dochteronderneming: een dochteronderneming in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede dochterondernemingen daarvan;

17.

nauwe banden: een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door zeggenschap of deelneming, of een situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon;

18.

zeggenschap: de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, zoals bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG, of een gelijkaardige band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;

19.

intragroeptransactie: een transactie waarbij een verzekeraar of herverzekeraar direct of indirect steunt op andere ondernemingen in dezelfde groep of op een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die door nauwe banden verbonden is met de ondernemingen binnen die groep, om te voldoen aan een verplichting, al dan niet contractueel en al dan niet inzake betaling;

20.

deelneming: eigendom, rechtstreeks of door middel van zeggenschap van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming;

21.

gekwalificeerde deelneming: het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel van een percentage dat het mogelijk maakt om invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van deze onderneming;

22.

gereglementeerde markt: een van het volgende:

a)

in het geval van een markt in een lidstaat: een gereglementeerde markt zoals omschreven in artikel 4, lid 1, punt 14), van Richtlijn 2004/39/EG; of

b)

in het geval van een markt in een derde land: een financiële markt die aan de volgende voorwaarden voldoet:

i)

deze is erkend door de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming en beantwoordt aan vereisten die vergelijkbaar zijn met die van Richtlijn 2004/39/EG; en

ii)

de financiële instrumenten die op deze markt worden verhandeld, zijn van een kwaliteit die vergelijkbaar is met die van de instrumenten welke op de gereglementeerde markt(en) van de lidstaat van herkomst worden verhandeld;

23.

nationaal bureau: een nationaal bureau van verzekeraars, zoals omschreven in artikel 1, lid 3, van Richtlijn 72/166/EEG;

24.

nationaal garantiefonds: het orgaan genoemd in artikel 1, lid 4, van Richtlijn 84/5/EEG;

25.

financiële onderneming: een van de volgende ondernemingen:

a)

kredietinstelling, financiële instelling of onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht in de zin van artikel 4, respectievelijk punten 1), 5) en 21), van Richtlijn 2006/48/EG;

b)

verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding in de zin van artikel 212, lid 1, onder f);

c)

beleggingsonderneming of financiële instelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1), van Richtlijn 2004/39/EG; of

d)

gemengde financiële holding in de zin van artikel 2, punt 15), van Richtlijn 2002/87/EG;

26.

Special Purpose Vehicle: een onderneming, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid en anders dan een bestaande verzekeringsonderneming of herverzekeringsonderneming, die risico’s van verzekeringsondernemingen of herverzekeringsondernemingen overneemt en die zijn blootstelling aan deze risico’s volledig financiert door emissieprocedures of andere financieringsmechanismen waarbij de terugbetalingsrechten van de geldgevers van dit soort emissies of financieringsmechanismen achtergesteld zijn bij de herverzekeringsverplichtingen van de onderneming;

27.

„grote risicos”:

a)

de risico’s die behoren tot de in bijlage I, deel A, 4, 5, 6, 7, 11 en 12, vermelde branches;

b)

de risico’s die behoren tot de in bijlage I, deel A, 14 en 15, vermelde branches wanneer de verzekeringnemer in het kader van een bedrijf of beroep een industriële of commerciële activiteit dan wel een vrij beroep uitoefent en het risico daarop betrekking heeft;

c)

de risico’s die behoren tot de in bijlage I, deel A, 3, 8, 9, 10, 13 en 16, vermelde branches voor zover de verzekeringnemer ten minste twee van de drie volgende criteria overschrijdt:

i)

balanstotaal: 6 200 000 EUR;

ii)

netto-omzet in de zin van de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (30): 12 800 000 EUR;

iii)

gemiddeld personeelsbestand gedurende het boekjaar: 250.

Wanneer de verzekeringnemer deel uitmaakt van een groep ondernemingen waarvan de geconsolideerde jaarrekening overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG wordt opgesteld, worden de in de eerste alinea, onder c), vermelde criteria op basis van de geconsolideerde rekening toegepast.

De lidstaten kunnen aan de in de eerste alinea, onder c), genoemde categorie de risico’s toevoegen die door beroepsverenigingen, joint ventures of tijdelijke verenigingen worden verzekerd;

28.

uitbesteding: een overeenkomst van om het even welke vorm tussen een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en een al dan niet onder toezicht staande dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener hetzij rechtstreeks hetzij door middel van onderuitbesteding een proces, een dienst of een activiteit uitvoert die anders door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zelf zou worden uitgevoerd;

29.

functie in een governancesysteem: een interne capaciteit om praktische taken uit te voeren; een governancesysteem omvat de Risk managementfunctie, de compliancefunctie, de interneauditfunctie en de actuariële functie zijn governancefuncties;

30.

verzekeringstechnisch risico: het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door een ondeugdelijke prijsstelling en inadequate aannames met betrekking tot de voorzieningen;

31.

marktrisico: het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de financiële situatie als direct of indirect gevolg van schommelingen in het niveau en in de volatiliteit van de marktprijzen van activa, verplichtingen en financiële instrumenten;

32.

kredietrisico: het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de financiële situatie als gevolg van schommelingen in de kredietwaardigheid van emittenten van effecten, tegenpartijen en debiteuren waaraan verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de vorm van een tegenpartijrisico, spreadrisico of marktrisicoconcentraties blootstaan;

33.

operationeel risico: het risico op verliezen door inadequate of falende interne procedures, personeel of systemen of door externe gebeurtenissen;

34.

liquiditeitsrisico: het risico dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen geen beleggingen en andere activa te gelde kunnen maken om aan hun financiële verplichtingen te voldoen wanneer deze opeisbaar zijn;

35.

concentratierisico: alle risicoposities waaraan een potentieel verlies verbonden is dat groot genoeg is om de solvabiliteit of de financiële positie van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in gevaar te brengen;

36.

risicolimiteringstechnieken: alle technieken waarmee verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hun risico’s deels of in hun geheel kunnen overdragen aan een andere partij;

37.

diversificatie-effecten: de vermindering van de risicopositie van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en -groepen die verband houdt met de diversificatie van hun activiteiten en die voortvloeit uit het feit dat het tegenvallende resultaat uit hoofde van het ene risico kan worden gecompenseerd met het meevallende resultaat uit hoofde van een ander risico, wanneer er geen volledige correlatie tussen deze risico’s bestaat;

38.

kansverdelingsverwachting: een wiskundige functie waarbij een volledige reeks van elkaar uitsluitende toekomstige gebeurtenissen wordt gekoppeld aan een kans dat deze zich daadwerkelijk voordoen;

39.

risicomaatstaf: een wiskundige functie waarbij een financieel bedrag wordt gekoppeld aan een bepaalde kansverdelingsprognose en die monotoon toeneemt met de omvang van de risicopositie die aan deze kansverdelingsprognose ten grondslag ligt.

HOOFDSTUK II

Toegang tot het bedrijf

Artikel 14

Vergunningbeginsel

1.   De toegang tot het directe verzekeringsbedrijf of tot het herverzekeringsbedrijf dat onder deze richtlijn valt, wordt afhankelijk gesteld van het verkrijgen van een vergunning.

2.   De in lid 1 bedoelde vergunning moet bij de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst worden aangevraagd door:

a)

een onderneming die haar hoofdkantoor op het grondgebied van deze lidstaat vestigt; of

b)

een verzekeringsonderneming die, na een vergunning overeenkomstig lid 1 te hebben verkregen, haar werkzaamheden wil uitbreiden tot een gehele verzekeringsbranche of tot andere verzekeringsbranches dan die waarvoor zij reeds een vergunning heeft verkregen.

Artikel 15

Reikwijdte van de vergunning

1.   Een vergunning overeenkomstig artikel 14 geldt voor de gehele Gemeenschap. Zij stelt verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in staat aldaar werkzaamheden uit te oefenen, en omvat ook het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

2.   Onverminderd artikel 14 wordt de vergunning verleend per branche van directe verzekering als omschreven in bijlage I, deel A, of in bijlage II. Zij heeft betrekking op de gehele branche, behalve indien de aanvrager slechts een gedeelte van de tot deze branche behorende risico’s wenst te dekken.

De risico’s die tot een branche behoren kunnen niet onder een andere branche worden gerangschikt met uitzondering van de in artikel 16 genoemde gevallen.

Voor meerdere branches mag vergunning worden verleend, voor zover de nationale wetgeving van een lidstaat de gelijktijdige uitoefening van deze branches toestaat.

3.   Wat schadeverzekeringen betreft, mogen de lidstaten een vergunning verlenen voor de in bijlage I, deel B, vermelde groepen van branches.

De toezichthoudende autoriteiten mogen een vergunning die voor een branche is aangevraagd, beperken tot de uiteengezette werkzaamheden van het in artikel 23 genoemde programma van werkzaamheden.

4.   De ondernemingen waarop deze richtlijn betrekking heeft, mogen onverminderd artikel 16, lid 1, de in artikel 6 bedoelde hulpverlening slechts uitvoeren indien zij een vergunning hebben verkregen voor branche 18, bijlage I, punt A. In dat geval is deze richtlijn van toepassing op deze transacties.

5.   Wat herverzekeringen betreft, wordt de vergunning verleend voor schadeherverzekeringsactiviteiten, levensherverzekeringsactiviteiten of alle soorten herverzekeringsactiviteiten.

De aanvraag wordt onderzocht in het licht van het programma van werkzaamheden dat ingevolge artikel 18, lid 1, onder c), moet worden ingediend, en van de inachtneming van de voorwaarden die door de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, zijn vastgesteld.

Artikel 16

Bijkomende risico’s

1.   Een verzekeringsonderneming die een vergunning heeft verkregen voor het dekken van een hoofdrisico dat tot een branche of een aantal branches als genoemd in bijlage I, deel A, behoort, mag ook risico’s verzekeren die tot een andere branche behoren zonder dat voor deze risico’s een vergunning is vereist, mits de risico’s aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

ze hangen samen met het hoofdrisico;

b)

ze hebben betrekking op het object dat verzekerd is tegen het hoofdrisico; en

c)

ze worden verzekerd bij de overeenkomst die het hoofdrisico dekt.

2.   In afwijking van lid 1 mogen de risico’s die vallen onder de branches die genoemd worden in bijlage I, deel A, 14, 15 en 17, niet als bijkomende risico’s van andere branches worden beschouwd.

Het in branche 17 (rechtsbijstandverzekering) genoemde risico mag echter als bijkomend risico van branche 18 worden beschouwd indien aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden en aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het hoofdrisico heeft alleen betrekking op het bieden van hulp aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden; of

b)

de verzekering heeft betrekking op geschillen of risico’s die voortvloeien uit of samenhangen met het gebruik van zeeschepen.

Artikel 17

Rechtsvorm van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming

1.   De lidstaat van herkomst eist dat ondernemingen die in het kader van artikel 14 een vergunning aanvragen, een van de in bijlage III vermelde rechtsvormen aannemen.

2.   De lidstaten mogen ondernemingen oprichten die een publiekrechtelijke vorm hebben, mits deze instellingen beogen het verzekeringsbedrijf of het herverzekeringsbedrijf uit te oefenen onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden die voor privaatrechtelijke ondernemingen gelden.

3.   De Commissie mag uitvoeringsmaatregelen aannemen tot uitbreiding van de in bijlage III vermelde rechtsvormen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 18

Voorwaarden voor de verlening van een vergunning

1.   De lidstaat van herkomst eist dat ondernemingen die een vergunning aanvragen:

a)

als het om verzekeringsondernemingen gaat, hun doel beperken tot het verzekeringsbedrijf en verrichtingen die daaruit rechtstreeks voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit;

b)

als het om herverzekeringsondernemingen gaat, hun doel beperken tot herverzekeringswerkzaamheden en daarmee samenhangende verrichtingen. Dit vereiste kan tevens de functie van holding omvatten evenals werkzaamheden op het gebied van de financiële sector in de zin van artikel 2, punt 8, van Richtlijn 2002/87/EG;

c)

een programma van werkzaamheden overeenkomstig artikel 23 overleggen;

d)

het in artikel 129, lid 1, onder d), bedoelde in aanmerking komend kernvermogen aanhouden ter dekking van de absolute ondergrens van het het minimumkapitaalvereiste;

e)

aantonen dat zij in staat zijn om in aanmerking komend eigen vermogen aan te houden ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 100 en volgende;

f)

aantonen dat zij in staat zijn om in aanmerking komend kernvermogen aan te houden ter dekking van het minimumkapitaalvereiste als bedoeld in artikel 128 en volgende;

g)

aantonen dat zij in staat zullen zijn te voldoen aan het governancesysteem als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 2;

h)

wat schadeverzekeringen betreft, naam en adres mededelen van alle schaderegelaars die overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2000/26/EG zijn aangewezen in elke andere lidstaat dan de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, wanneer de te dekken risico’s zijn ingedeeld in branche 10 van bijlage I, deel A, van deze richtlijn, uitgezonderd de aansprakelijkheid van de vervoerder.

2.   Een verzekeringsonderneming die een vergunning aanvraagt voor de uitbreiding van haar werkzaamheden tot andere branches of voor de uitbreiding van een vergunning die slechts een deel van de in een branche ondergebrachte risico’s bestrijkt, moet een programma van werkzaamheden overeenkomstig artikel 23 overleggen.

Bovendien moet zij aantonen dat zij beschikt over het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste als bedoeld in artikel 100, lid 1, en artikel 128.

3.   Onverminderd lid 2 toont een onderneming die het levensverzekeringsbedrijf uitoefent en die een vergunning aanvraagt voor de in artikel 73 bedoelde uitbreiding van haar werkzaamheden tot de risico’s in de branches 1 of 2 van bijlage I, deel punt A, het volgende aan:

a)

zij beschikt over het in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor levensverzekerings-ondernemingen en de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor schadeverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 129, lid 1, onder d);

b)

zij verplicht zich tot dekking van de financiële minimumverplichtingen als bedoeld in artikel 74, lid 3, en volgende.

4.   Onverminderd lid 2 toont een onderneming die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent voor de risico’s in de branches 1 of 2 van bijlage I, deel A, en die een vergunning aanvraagt voor de in artikel 73 bedoelde uitbreiding van haar werkzaamheden tot levensverzekeringsrisico’s, het volgende aan:

a)

zij beschikt over het in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor levensverzekeringsondernemingen en de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste voor schadeverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 129, lid 1, onder d);

b)

zij verplicht zich tot dekking van de financiële minimumverplichtingen als bedoeld in artikel 74, lid 3, en volgende.

Artikel 19

Nauwe banden

Wanneer er nauwe banden bestaan tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en andere natuurlijke of rechtspersonen, verlenen de toezichthoudende autoriteiten slechts vergunning indien deze banden de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren.

De toezichthoudende autoriteiten weigeren de vergunning indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de verzekerings- of herverzekeringsonderneming nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken.

De toezichthoudende autoriteiten verlangen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de informatie die zij nodig hebben om zich ervan te kunnen vergewissen dat doorlopend aan de in de eerste alinea gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 20

Hoofdkantoor van de verzekerings- en herverzekeringsonderneming

De lidstaten eisen dat het hoofdkantoor van een verzekerings- en herverzekeringsonderneming zich bevindt in de lidstaat waar de statutaire zetel is gevestigd.

Artikel 21

Voorwaarden verzekeringsovereenkomst en tarieven

1.   De lidstaten eisen geen voorafgaande goedkeuring of systematische mededeling van de algemene en bijzondere voorwaarden van verzekeringsovereenkomsten, de tarieven, de met name voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondslagen en de formulieren en andere documenten waarvan de onderneming gebruik wil maken in haar betrekkingen met verzekeringnemers of cederende of retrocederende ondernemingen.

Bij levensverzekeringen mag de lidstaat van herkomst echter uitsluitend voor het toezicht op de naleving van de nationale bepalingen betreffende de actuariële beginselen een systematische mededeling van de voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondslagen eisen. Dit vereiste vormt geen voorwaarde vooraf voor het verlenen van een vergunning aan een levensverzekeringsonderneming.

2.   De lidstaten houden niet vast aan en gaan evenmin over tot invoering van de voorafgaande kennisgeving of de goedkeuring van voorgenomen tariefverhogingen, behalve dan als onderdeel van een algemeen prijscontrolesysteem.

3.   De lidstaten mogen ondernemingen die een vergunning aanvragen of hebben verkregen voor branche 18, onder A, van bijlage I onderwerpen aan het toezicht op de directe of indirecte middelen in de vorm van personeel en uitrusting, met inbegrip van de kwalificaties van de medische staf en de kwaliteit van de uitrusting waarover zij beschikken om hun verbintenissen na te komen die onder deze branche vallen.

4.   De lidstaten mogen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen handhaven of invoeren die de goedkeuring van de statuten en het mededelen van elk document dat voor de normale uitoefening van het toezicht vereist is, voorschrijven.

Artikel 22

Economische behoeften van de markt

De lidstaten eisen niet dat bij de behandeling van de aanvraag van een vergunning de economische behoeften van de markt in aanmerking worden genomen.

Artikel 23

Programma van werkzaamheden

1.   Het in artikel 18, lid 1, onder c), genoemde programma van werkzaamheden bevat gegevens of bewijsstukken betreffende:

a)

de aard van de risico’s of verbintenissen die de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming voornemens is te dekken;

b)

de aard van de herverzekeringsregelingen die de herverzekeringsonderneming voornemens is met cederende ondernemingen te treffen;

c)

de leidende beginselen op het gebied van herverzekering en retrocessie;

d)

de kernvermogensbestanddelen die de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste vormen;

e)

de te verwachten inrichtingskosten van de administratieve diensten en van het productienet, de financiële middelen ter dekking daarvan en, indien de te dekken risico’s tot branche 18, onder A, van bijlage I behoren, de middelen waarover de verzekeringsonderneming beschikt om de beloofde bijstand te verlenen.

2.   Naast de vereisten van lid 1 bevat het programma voor de eerste drie boekjaren:

a)

een opgave van de te verwachten balanspositie;

b)

een raming van het toekomstige solvabiliteitskapitaalvereiste, als bedoeld in hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 1, op basis van de onder a) genoemde te verwachten balanspositie, evenals de voor deze ramingen gehanteerde berekeningsmethode;

c)

een raming van het toekomstige minimumkapitaalvereiste, als bedoeld in de artikelen 128 en 129, op basis van de onder a) genoemde te verwachten balanspositie, evenals de voor deze ramingen gehanteerde berekeningsmethode;

d)

een raming van de financiële middelen ter dekking van de technische voorzieningen, het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste;

e)

met betrekking tot schade- en herverzekeringen ook het volgende:

i)

een raming van de beheerskosten met uitzondering van de inrichtingskosten, met name de algemene lopende kosten en de provisies;

ii)

een raming van de premies of bijdragen, alsmede een raming betreffende de schadegevallen;

f)

met betrekking tot levensverzekeringen ook een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke ontvangsten en uitgaven, zowel wat de directe verzekering en de geaccepteerde herverzekeringen als de cessies uit hoofde van herverzekering betreft.

Artikel 24

Aandeelhouders en vennoten met een gekwalificeerde deelneming

1.   De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst verlenen een onderneming geen vergunning die toegang tot verzekerings- of herverzekeringswerkzaamheden geeft voordat zij in kennis zijn gesteld van de identiteit van haar directe of onrechtstreekse aandeelhouders of vennoten, natuurlijke of rechtspersonen, die een gekwalificeerde deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van deze deelneming.

Deze autoriteiten weigeren een vergunning indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de aandeelhouders of vennoten.

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden de in de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten (31) bedoelde stemrechten, alsmede de in artikel 12, leden 4 en 5, van die richtlijn neergelegde voorwaarden voor samenvoeging daarvan, in aanmerking genomen.

De lidstaten houden geen rekening met stemrechten of aandelen die beleggingsondernemingen of kredietinstellingen kunnen houden als gevolg van het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, vermeld in bijlage I, deel A, punt 6, van Richtlijn 2004/39/EG, mits die rechten niet worden uitgeoefend of anderszins gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na de verwerving worden overgedragen.

Artikel 25

Weigering van de vergunning

Een besluit tot weigering van een vergunning moet nauwkeurig met redenen zijn omkleed en aan de betrokken onderneming officieel ter kennis worden gebracht.

De lidstaten voorzien in de mogelijkheid van beroep bij een rechterlijke instantie wanneer een vergunning wordt geweigerd.

In eenzelfde mogelijkheid van beroep wordt voorzien voor het geval dat de toezichthoudende autoriteiten zich niet zouden hebben uitgesproken omtrent de aanvraag van een vergunning binnen zes maanden na de datum van ontvangst van dit verzoek.

Artikel 26

Voorafgaande raadpleging van de autoriteiten van andere lidstaten

1.   De toezichthoudende autoriteiten van een andere betrokken lidstaat worden geraadpleegd alvorens een vergunning wordt verleend aan een van de volgende ondernemingen:

a)

een dochteronderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan in die lidstaat vergunning is verleend;

b)

een dochteronderneming van de moederonderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan in die lidstaat vergunning is verleend; of

c)

een onderneming die onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan in die lidstaat vergunning is verleend.

2.   De autoriteiten van een betrokken lidstaat die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op kredietinstellingen of beleggingsondernemingen, worden geraadpleegd alvorens een vergunning wordt verleend aan een van de volgende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen:

a)

een dochteronderneming van een kredietinstelling of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend;

b)

een dochteronderneming van de moederonderneming van een kredietinstelling of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend; of

c)

een onderneming die onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde relevante autoriteiten raadplegen elkaar in het bijzonder indien de geschiktheid van de aandeelhouders en de betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen van alle bij de leiding van een andere entiteit van dezelfde groep betrokken personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, worden beoordeeld.

Zij stellen elkaar in kennis van alle informatie over de geschiktheid van de aandeelhouders en de betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen van alle personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, welke van belang is voor de andere betrokken bevoegde autoriteiten, voor het verlenen van een vergunning en voor de doorlopende toetsing van de naleving van de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening.

HOOFDSTUK III

Toezichthoudende autoriteiten en algemene voorschriften

Artikel 27

Voornaamste doel van het toezicht

De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten van de noodzakelijke middelen worden voorzien en over de relevante deskundigheid en capaciteit alsook het relevante mandaat beschikken om het voornaamste doel van het toezicht, namelijk de bescherming van verzekeringnemers en begunstigden, te verwezenlijken.

Artikel 28

Financiële stabiliteit en procyclische effecten

Onverminderd het voornaamste doel van het toezicht als genoemd in artikel 27 zorgen de lidstaten ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten bij de uitoefening van hun algemene taken het mogelijke effect van hun beslissingen op de stabiliteit van de betrokken financiële systemen in de Europese Unie, met name in noodsituaties, naar behoren in overweging nemen, rekening houdend met de informatie die op dat moment beschikbaar is.

Wanneer zich uitzonderlijke bewegingen op de financiële markten voordoen, moeten de toezichthoudende autoriteiten rekening houden met de mogelijke procyclische effecten van hun optreden.

Artikel 29

Algemene toezichtvoorschriften

1.   Het toezicht berust op een prospectieve en op een risico gebaseerde benadering. Daarbij wordt doorlopend getoetst of het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf naar behoren werkt en of verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan de toezichtvoorschriften voldoen.

2.   Het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen omvat een passende combinatie van bij de toezichthouder uitgevoerde werkzaamheden en werkzaamheden op basis van onderzoeken ter plaatse bij de onder toezicht staande onderneming.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat deze richtlijn wordt toegepast op een wijze die proportioneel is aan de aard, omvang en complexiteit van de risico’s die verbonden zijn aan het bedrijf van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

4.   De Commissie zorgt ervoor dat de uitvoeringsmaatregelen aan het proportionaliteitsbeginsel voldoen zodat deze richtlijn op evenredige wijze wordt toegepast, met name wat kleine verzekeringsondernemingen betreft.

Artikel 30

Toezichthoudende autoriteiten en reikwijdte van het toezicht

1.   Het financiële toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met inbegrip van het toezicht op het bedrijf dat zij door middel van bijkantoren en in het kader van vrije dienstverrichting uitoefenen, behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaat van herkomst.

2.   Het financiële toezicht overeenkomstig lid 1 omvat het controleren, met betrekking tot het geheel van de werkzaamheden van de verzekerings- en herverzekeringsonderneming, van de solvabiliteit van de onderneming, de vorming van technische voorzieningen, de activa en het in aanmerking komend eigen vermogen, zulks overeenkomstig de in de lidstaat van herkomst geldende voorschriften of gebruiken, op grond van de communautaire bepalingen ter zake.

Wanneer aan de betrokken verzekeringsonderneming vergunning is verleend voor het dekken van de risico’s behorende tot de in bijlage I, deel A, punt 18, vermelde branche omvat het toezicht tevens het uitoefenen van controle op de technische middelen waarover de verzekeringsonderneming beschikt om de bijstand te kunnen verlenen waartoe zij zich heeft verbonden, voor zover de wetgeving van de lidstaat van herkomst voorziet in toezicht op deze middelen.

3.   Indien de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van het risico of van de verbintenis of, in het geval van een herverzekeringsonderneming, van de lidstaat van ontvangst, redenen hebben om aan te nemen dat de werkzaamheden van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar financiële soliditeit kunnen aantasten, stellen zij de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst van deze onderneming daarvan in kennis.

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst gaan na of de onderneming de in deze richtlijn neergelegde prudentiële beginselen in acht neemt.

Artikel 31

Transparantie en verantwoording

1.   De toezichthoudende autoriteiten verrichten hun taken op een transparante en verantwoorde wijze en beschermen daarbij vertrouwelijke informatie op behoorlijke wijze.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende informatie bekend wordt gemaakt:

a)

de bewoordingen van de wet en regelgeving en bestuursrechtelijke voorschriften en algemene richtsnoeren op het gebied van de verzekeringsregelgeving;

b)

de algemene criteria en methoden, waaronder de overeenkomstig artikel 34, lid 4, ontwikkelde hulpmiddelen, die gehanteerd worden in het toezichtsproces als bedoeld in artikel 36;

c)

geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de toepassing van het prudentiële kader;

d)

de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden die deze richtlijn biedt;

e)

de doelstellingen van het toezicht en de voornaamste functies en werkzaamheden daarbinnen.

De in de eerste alinea bedoelde informatie is voldoende om een onderlinge vergelijking van de aanpak van de toezichthoudende autoriteiten in de verschillende lidstaten mogelijk te maken.

De informatie wordt volgens een gemeenschappelijk model verstrekt en regelmatig bijgewerkt. De in de eerste alinea, punten a) tot en met e), bedoelde informatie is in elke lidstaat via één elektronische locatie toegankelijk.

3.   De lidstaten stellen transparante procedures vast voor de benoeming en het ontslag van de leden van de bestuursinstanties van hun toezichthoudende autoriteiten.

4.   De Commissie neemt voor lid 2 uitvoeringsmaatregelen aan waarin nadere invulling wordt gegeven aan de voornaamste aspecten van de bekendmaking van geaggregeerde statistische gegevens, alsmede het model, de structuur, de inhoud en de publicatiedatum van de informatie.

Deze uitvoeringsmaatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 32

Verbod op onthouding van toestemming aan herverzekeringsovereenkomsten of retrocessieovereenkomsten

1.   De lidstaat van herkomst van een verzekeringsonderneming onthoudt zijn toestemming niet aan een herverzekeringsovereenkomst die is gesloten met een herverzekeringsonderneming of verzekeringsonderneming waaraan overeenkomstig artikel 14 vergunning is verleend, om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële soliditeit van die herverzekeringsonderneming of verzekeringsonderneming.

2.   De lidstaat van herkomst van de herverzekeringsonderneming onthoudt zijn toestemming niet aan een retrocessieovereenkomst die door een onderneming is gesloten met een herverzekeringsonderneming of verzekeringsonderneming waaraan overeenkomstig artikel 14 een vergunning is verleend, om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële soliditeit van die herverzekeringsonderneming of verzekeringsonderneming.

Artikel 33

Toezicht op in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren

De lidstaten bepalen dat, wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de toezichthoudende autoriteit van de betrokken lidstaat van ontvangst daarvan in kennis te hebben gesteld, zelf of door personen die daartoe worden gemachtigd, ter plaatse de gegevens kunnen verifiëren die voor het financiële toezicht op de onderneming noodzakelijk zijn.

De autoriteiten van de betrokken lidstaat van ontvangst mogen aan deze verificaties deelnemen.

Artikel 34

Algemene toezichtsbevoegdheden

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten de bevoegdheid hebben om preventieve en corrigerende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij binnen elke lidstaat moeten naleven.

2.   De toezichthoudende autoriteiten hebben de bevoegdheid om alle nodige maatregelen te treffen, waaronder zo nodig ook maatregelen van administratieve of financiële aard, jegens verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en de leden van hun bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten de bevoegdheid hebben om alle informatie op te vragen die nodig is om overeenkomstig artikel 35 toezicht uit te oefenen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten de bevoegdheid hebben om in het kader van het toezichtsproces naast de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste zo nodig kwantitatieve hulpmiddelen te ontwikkelen voor de beoordeling van het vermogen van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen om het hoofd te bieden aan mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische omstandigheden die hun algehele financiële positie zouden kunnen aantasten. De toezichthoudende autoriteiten zijn bevoegd om voor te schrijven dat de ondernemingen dergelijke tests moeten verrichten.

5.   De toezichthoudende autoriteiten hebben de bevoegdheid onderzoeken ter plaatse te verrichten in de bedrijfsruimten van de verzekerings- en herverzekerings-ondernemingen.

6.   De toezichthoudende bevoegdheden worden tijdig en op proportionele wijze uitgeoefend.

7.   De in de leden 1 tot en met 5 genoemde bevoegdheden jegens verzekerings- en herverzekeringsondernemingen gelden ook voor uitbestede werkzaamheden van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.

8.   De in de leden 1 tot en met 5 en 7 genoemde maatregelen worden zo nodig onder dwang toegepast, in voorkomend geval door een beroep te doen op de gerechtelijke instanties.

Artikel 35

Voor toezichtsdoeleinden te verstrekken informatie

1.   De lidstaten schrijven voor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen bij de toezichthoudende autoriteiten de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie moeten indienen. Deze informatie bevat ten minste de gegevens die bij de uitvoering van het in artikel 36 bedoelde proces nodig zijn om:

a)

beoordelen van het door de ondernemingen toegepaste governancesysteem, de door hen verrichte werkzaamheden, de voor solvabiliteitsdoeleinden gehanteerde waarderingsgrondslagen, de risico’s en de Risk managementsystemen en hun kapitaalstructuur, -behoeften en -beheer;

b)

op basis van de uitoefening van hun toezichthoudende rechten en plichten elke passende beslissing te kunnen nemen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten de bevoegdheden hebben voor het volgende:

a)

zij mogen de aard, de reikwijdte en het model van de in lid 1 bedoelde informatie vaststellen en deze informatie bij verzekerings- en herverzekeringsondernemingen opvragen:

i)

in van tevoren bepaalde perioden;

ii)

wanneer zich van tevoren omschreven gebeurtenissen voordoen;

iii)

bij onderzoek naar de situatie van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

b)

zij mogen alle informatie inwinnen over overeenkomsten die in het bezit zijn van tussenpersonen, of over overeenkomsten die met derden worden aangegaan;

c)

zij mogen informatie opvragen bij externe deskundigen, zoals accountants en actuarissen.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie bestaat uit:

a)

kwalitatieve of kwantitatieve elementen of een passende combinatie daarvan;

b)

historische, huidige of prospectieve elementen of een passende combinatie daarvan;

c)

gegevens uit interne of externe bronnen of een passende combinatie daarvan.

4.   In de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie worden de volgende uitgangspunten in acht genomen:

a)

er moet rekening worden gehouden met de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken onderneming, en met name met de risico’s die aan die werkzaamheden verbonden zijn;

b)

zij moet toegankelijk, in alle essentiële opzichten volledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent zijn; en

c)

zij moet relevant, betrouwbaar en begrijpelijk zijn.

5.   De lidstaten schrijven voor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten beschikken over passende systemen en structuren om aan de leden 1 tot en met 4 te voldoen, en over een door het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming goedgekeurde schriftelijk vastgelegde beleidslijn die waarborgt dat de ingediende informatie altijd correct is.

6.   De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin nadere invulling wordt gegeven aan de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde informatie, teneinde te zorgen voor een passende convergentie van de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit.

Deze uitvoeringsmaatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 36

Toezichtsproces

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten de strategieën, processen en rapportageprocedures beoordelen en evalueren die de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hebben vastgesteld om te voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn worden vastgesteld.

Daarbij worden de kwalitatieve vereisten inzake het governancesysteem beoordeeld, worden de risico’s beoordeeld waarmee de betrokken ondernemingen geconfronteerd worden of geconfronteerd kunnen worden en wordt het vermogen van deze ondernemingen beoordeeld om deze risico’s te beoordelen en daarbij rekening te houden met de omgeving waarin zij opereren.

2.   De toezichthoudende autoriteiten controleren en evalueren met name of voldaan is aan de eisen in verband met:

a)

het governancesysteem, met inbegrip van de beoordeling van eigen risico en solvabiliteit, als beschreven in hoofdstuk IV, afdeling 2;

b)

de technische voorzieningen als beschreven in hoofdstuk VI, afdeling 2;

c)

de kapitaalvereisten als beschreven in hoofdstuk VI, afdelingen 4 en 5;

d)

de beleggingsvoorschriften als beschreven in hoofdstuk VI, afdeling 6;

e)

de kwaliteit en kwantiteit van het eigen vermogen als beschreven in hoofdstuk VI, afdeling 3;

f)

wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming een volledig of gedeeltelijk intern model gebruikt: of steeds wordt voldaan aan de vereisten die gesteld worden aan volledig of gedeeltelijk interne modellen als beschreven in hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 3.

3.   De toezichthoudende autoriteiten beschikken over passende signaleringshulpmiddelen waarmee ze kunnen constateren dat de financiële omstandigheden in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verslechteren, en waarmee ze kunnen volgen hoe deze verslechtering wordt verholpen.

4.   De toezichthoudende autoriteiten beoordelen de adequaatheid van de methoden en praktijken van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen om mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische omstandigheden in kaart te brengen die de algehele financiële positie van de betrokken onderneming zouden kunnen aantasten.

De toezichthoudende autoriteiten beoordelen het vermogen van de ondernemingen om het hoofd te bieden aan dergelijke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in de economische omstandigheden.

5.   De toezichthoudende autoriteiten hebben de nodige bevoegdheden om verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te verplichten zwakke punten of tekortkomingen te verhelpen die in het kader van het prudentiële toezichtsproces zijn geconstateerd.

6.   De onderzoeken, evaluaties en beoordelingen als bedoeld in de leden 1, 2 en 4 worden periodiek verricht.

De toezichthoudende autoriteiten stellen de minimale frequentie en de reikwijdte van deze onderzoeken, evaluaties en beoordelingen vast, waarbij rekening wordt gehouden met de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

Artikel 37

Opslagfactor van het kapitaalvereiste

1.   Als vervolg op het toezichtsproces kunnen de toezichthoudende autoriteiten in uitzonderlijke omstandigheden in een met redenen omkleed besluit voor een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een kapitaalopslagfactor van de kapitaalvereiste (capital add-on) vaststellen. Deze mogelijkheid doet zich alleen in de volgende gevallen voor:

a)

de toezichthoudende autoriteit komt tot de conclusie dat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de aannames die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit met de standaardformule overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2, is berekend, en:

i)

de vereiste overeenkomstig artikel 119 om een intern model te gebruiken, is niet aangewezen of is ondoeltreffend gebleken; of

ii)

in overeenstemming met artikel 119 een gedeeltelijk of volledig intern model wordt ontwikkeld;

b)

de toezichthoudende autoriteit komt tot de conclusie dat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de aannames die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals dit met een intern model of een gedeeltelijk intern model overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 3, is berekend, omdat met bepaalde kwantificeerbare risico’s onvoldoende rekening wordt gehouden en het niet binnen een passend tijdskader gelukt is om het model beter af te stemmen op het gegeven risicoprofiel; of

c)

de toezichthoudende autoriteit komt tot de conclusie dat het governancesysteem van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de normen van hoofdstuk IV, afdeling 2, dat zij door deze afwijkingen niet in staat is de risico’s waaraan de onderneming blootstaat of blootgesteld zou kunnen worden, op correcte wijze te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te rapporteren, en dat er geen andere maatregelen zijn die binnen een passend tijdskader tot voldoende verbetering zouden leiden.

2.   In de in lid 1, onder a) en b), van dit artikel genoemde gevallen wordt de opslagfactor zo berekend dat gewaarborgd is dat de onderneming voldoet aan artikel 101, lid 3.

In de in lid 1, onder c), van dit artikel genoemde gevallen staat de opslagfactor in verhouding tot de materiële risico’s die voortvloeien uit de tekortkomingen die aanleiding hebben gegeven tot het besluit van de toezichthoudende autoriteit om de opslagfactor vast te stellen.

3.   In de in lid 1, onder b) en c), genoemde gevallen zorgt de toezichthoudende autoriteit ervoor dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming alles in het werk stelt om de tekortkomingen te verhelpen die geleid hebben tot de toepassing van een opslagfactor.

4.   De opslagfactor als bedoeld in lid 1, wordt ten minste eenmaal per jaar door de toezichthoudende autoriteit geëvalueerd en wordt opgeheven wanneer de onderneming de tekortkomingen heeft verholpen die tot de toepassing van deze factor geleid hebben.

5.   Het inadequate solvabiliteitskapitaalvereiste wordt vervangen door het solvabiliteitskapitaalvereiste na toepassing van de opslagfactor.

Onverminderd de eerste alinea wordt bij de berekening van de risicomarge als bedoeld in artikel 77, lid 5, het solvabiliteitskapitaalvereiste vóór toepassing van de overeenkomstig lid 1, onder c), opgelegde opslagfactor gebruikt.

6.   De Commissie stelt uitvoeringsmaatregelen vast waarin nadere invulling wordt gegeven aan de omstandigheden waaronder een opslagfactor van het kapitaalvereiste mag worden toegepast, en aan de methoden voor de berekening ervan.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 38

Toezicht op uitbestede functies en werkzaamheden

1.   Onverminderd artikel 49 zorgen de lidstaten ervoor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die een functie of een verzekerings- of herverzekeringsactiviteit uitbesteden, de nodige maatregelen treffen opdat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de dienstverlener moet in verband met de uitbestede functie of activiteit samenwerken met de toezichthoudende autoriteiten van de verzekerings- en herverzekeringsonderneming;

b)

de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, hun accountants en de toezichthoudende autoriteiten moeten daadwerkelijk toegang hebben tot gegevens over de uitbestede functies of activiteiten;

c)

de toezichthoudende autoriteiten moeten daadwerkelijk toegang hebben tot de bedrijfsruimten van de dienstverlener en moeten hun toegangsrechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

2.   De lidstaat waar de dienstverlener is gevestigd, staat de toezichthoudende autoriteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming toe dat zij zelf of door middel van personen die zij daartoe machtigen, controles in de bedrijfsruimten van de dienstverlener verrichten. De toezichthoudende autoriteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt de relevante autoriteit van de lidstaat van de dienstverlener in kennis alvorens zij de controle ter plaatse verricht. Bij een niet onder toezicht staande entiteit is de in kennis te stellen autoriteit de toezichthoudende autoriteit.

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming mogen dergelijke controles ter plaatse delegeren aan de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat waar de dienstverlener is gevestigd.

Artikel 39

Portefeuilleoverdracht

1.   De lidstaten verlenen, onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden, verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor op hun grondgebied toestemming om hun portefeuille, ongeacht of deze uit in het kader van het recht van vestiging dan wel in het kader van vrije dienstverrichting gesloten overeenkomsten bestaat, geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een in de Gemeenschap gevestigde overnemende onderneming.

Zo’n overdracht mag alleen worden toegestaan indien de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de overnemende onderneming verklaren dat de overnemende onderneming, mede gelet op de overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 100, eerste alinea, bezit.

2.   Voor verzekeringsondernemingen zijn de leden 3 tot en met 6 van toepassing.

3.   Wanneer een bijkantoor voornemens is zijn portefeuille geheel of gedeeltelijk over te dragen, wordt de lidstaat van dit bijkantoor geraadpleegd.

4.   In de gevallen bedoeld in de leden 1 en 3 verlenen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de overdragende verzekeringsonderneming toestemming voor de overdracht, nadat zij de instemming hebben verkregen van de autoriteiten van de lidstaten waar de overeenkomsten uit hoofde van het recht van vestiging of het vrij verrichten van diensten zijn gesloten.

5.   De autoriteiten van de geraadpleegde lidstaten delen de autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de overdragende verzekeringsonderneming binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek hun advies of instemming mede.

Indien de geraadpleegde autoriteiten niet binnen deze termijn hebben gereageerd, geldt dat als stilzwijgende instemming.

6.   De overeenkomstig de leden 1 tot en met 5 toegestane portefeuilleoverdracht wordt hetzij alvorens, hetzij nadat toestemming is verleend, bekendgemaakt, overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van herkomst, de lidstaat van het risico of de lidstaat van de verbintenis.

Deze overdracht kan van rechtswege worden tegengeworpen aan de verzekeringnemers, aan de verzekerden en aan iedereen die uit de overgedragen overeenkomsten voortvloeiende rechten of plichten heeft.

De eerste twee alinea’s van dit lid doen geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om de verzekeringnemers de mogelijkheid te bieden de overeenkomst binnen een bepaalde termijn na de overdracht op te zeggen.

HOOFDSTUK IV

Voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening

Afdeling 1

Verantwoordelijkheid van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan

Artikel 40

Verantwoordelijkheid van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan

De lidstaten zorgen ervoor dat het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de eindverantwoordelijkheid draagt voor de naleving door de betrokken onderneming van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn worden vastgesteld.

Afdeling 2

Governancesysteem

Artikel 41

Algemene governancevereisten

1.   De lidstaten schrijven voor dat alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten beschikken over een doeltreffend governancesysteem dat voor een gezonde en prudente bedrijfsvoering zorgt.

Dit systeem bevat in elk geval een adequate transparante organisatiestructuur met een duidelijke verdeling en correcte scheiding van verantwoordelijkheden en een doeltreffend systeem voor de overdracht van informatie. Ook zorgt het ervoor dat de artikelen 42 tot en met 49 worden nageleefd.

Het governancesysteem wordt intern periodiek geëvalueerd.

2.   Het governancesysteem is proportioneel aan de aard, omvang en complexiteit van de verrichtingen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

3.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beschikken in elk geval voor het Risk managment, de interne controle, de interne audit en indien van toepassing, voor uitbestedingen over schriftelijk vastgelegde beleidslijnen. Zij zorgen ervoor dat deze beleidslijnen worden toegepast.

Deze schriftelijk vastgelegde beleidslijnen worden ten minste eenmaal per jaar geëvalueerd. Ze worden vooraf door het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan goedgekeurd en ze worden aangepast bij een duidelijke wijziging van het betrokken systeem of gebied.

4.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen treffen redelijke maatregelen, waaronder de ontwikkeling van noodplannen, om voor continuïteit en regelmatigheid in de verrichting van hun werkzaamheden te zorgen. Daartoe maakt de onderneming gebruik van passende en proportionele systemen, middelen en procedures.

5.   De toezichthoudende autoriteiten beschikken over passende middelen, methoden en bevoegdheden om het governancesysteem van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te verifiëren en om zich openbarende risico’s te evalueren die door deze ondernemingen worden geconstateerd en die hun financiële soliditeit kunnen aantasten.

De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om verbetering of versterking van het governancesysteem te kunnen eisen teneinde naleving van de in de artikelen 42 tot en met 49 neergelegde vereisten te waarborgen.

Artikel 42

Deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten waaraan personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, moeten voldoen

1.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zorgen ervoor dat alle personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, te allen tijde aan de volgende vereisten voldoen:

a)

hun beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring volstaan om een gezond en prudent bestuur mogelijk te maken (deskundigheid); en

b)

ze hebben een goede naam en integriteit (betrouwbaarheid).

2.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen stellen de toezichthoudende autoriteit in kennis van wijzigingen in de identiteit van de personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of verantwoordelijk zijn voor andere sleutelfuncties, en verstrekken daarbij alle informatie die nodig is om na te gaan of nieuwe personen die worden aangesteld om de onderneming te besturen, deskundig en betrouwbaar zijn.

3.   Als een van de in de leden 1 en 2 genoemde personen is vervangen omdat deze niet meer aan de vereisten van lid 1 voldoet, stellen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hun toezichthoudende autoriteit daarvan in kennis.

Artikel 43

Bewijs van goede naam

1.   Indien een lidstaat van zijn onderdanen een bewijs van betrouwbaarheid en het bewijs dat er voorheen geen faillissement heeft plaatsgehad of slechts één van deze twee bewijzen eist, aanvaardt deze lidstaat als voldoende bewijs voor onderdanen van andere lidstaten het overleggen van een uittreksel uit het strafregister of, bij ontbreken daarvan, van een door een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie van de lidstaat van herkomst of oorsprong afgegeven gelijkwaardig document waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.

2.   Wanneer het in lid 1 bedoelde document niet door de lidstaat van herkomst of oorsprong wordt afgegeven, kan dit worden vervangen door een verklaring onder ede - of, in de lidstaten waar niet in een eed is voorzien, door een plechtige verklaring - die door de betrokken onderdaan van de andere lidstaat wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie of, in voorkomend geval, van een notaris van de lidstaat van herkomst of oorsprong.

Die instantie of notaris geeft een attest af dat deze eed of deze plechtige verklaring bewijskracht geeft.

De in de eerste alinea bedoelde verklaring dat er geen faillissement heeft plaatsgehad, mag ook worden afgelegd ten overstaan van een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie van de betrokken lidstaat.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde documenten en attesten mogen bij overlegging niet ouder zijn dan drie maanden.

4.   De lidstaten wijzen de autoriteiten en organisaties aan die bevoegd zijn voor de afgifte van de in de leden 1 en 2 bedoelde documenten en stellen de overige lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Iedere lidstaat deelt de overige lidstaten en de Commissie tevens mede bij welke autoriteiten en organisaties de in de leden 1 en 2 bedoelde documenten tot staving van het verzoek om op het grondgebied van deze lidstaat de in artikel 2 bedoelde werkzaamheden te mogen uitoefenen, moeten worden ingediend.

Artikel 44

Risk management

1.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beschikken over een doeltreffend Risk managementsysteem dat bestaat uit strategieën, processen en rapportageprocedures die nodig zijn om op individueel en geaggregeerd niveau de risico’s waaraan zij blootstaan of blootgesteld zouden kunnen worden, alsook de onderlinge afhankelijkheden en relaties daartussen voortdurend te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te rapporteren.

Dit Risk managementsysteem is doeltreffend en goed geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocessen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en wordt op passende wijze in acht genomen door de personen die de onderneming daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen.

2.   Het Risk managementsysteem bestrijkt de risico’s waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in artikel 101, lid 4, alsook de risico’s waarmee bij de berekening ervan niet of onvolledig rekening wordt gehouden.

Het Risk managementsysteem bestrijkt in elk geval de volgende gebieden:

a)

aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen en reservevorming;

b)

afgestemd beheer van activa en passiva (asset-liability management - ALM);

c)

beleggingen, met name afgeleide instrumenten en vergelijkbare verbintenissen;

d)

beheer van het liquiditeits- en concentratierisico;

e)

beheer van het operationele risico;

f)

herverzekering en andere risicolimiteringstechnieken.

De in artikel 41, lid 3, bedoelde schriftelijk vastgelegde beleidslijn voor het Risk management bestaat uit gedragslijnen voor de in de tweede alinea van dit lid, onder a) tot en met f) genoemde punten.

3.   Wat het beleggingsrisico betreft, tonen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan dat zij voldoen aan hoofdstuk VI, afdeling 6.

4.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen voorzien in een Risk managementfunctie, die zo wordt opgezet dat het Risk managementsysteem gemakkelijker kan worden toegepast.

5.   Bij verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die gebruikmaken van een geheel of gedeeltelijk intern model dat goedgekeurd is overeenkomstig de artikelen 112 en 113, krijgt de Risk managementfunctie de volgende extra taken:

a)

zij zet het interne model op en past het toe;

b)

zij toetst en valideert het interne model;

c)

zij houdt informatie bij over het interne model en wijzigingen daarin;

d)

zij analyseert de werking van het interne model en stelt rapporten daarover op.

e)

zij verstrekt het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan informatie over de werking van het interne model en geeft daarbij aan waar verbeteringen noodzakelijk zijn, en zij houdt dit orgaan op de hoogte van de vorderingen die gemaakt zijn bij het verhelpen van eerder geconstateerde zwakke punten;

Artikel 45

Beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit

1.   In het kader van haar Risk managementsysteem beoordeelt elke verzekerings- en herverzekeringsonderneming haar eigen risico en solvabiliteit.

Bij deze beoordeling wordt in elk geval gekeken naar het volgende:

a)

de algehele solvabiliteitsbehoeften, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke risicoprofiel, de goedgekeurde risicotolerantielimieten en de bedrijfsstrategie van de onderneming;

b)

of de in hoofdstuk VI, afdelingen 4 en 5, vastgelegde kapitaalvereisten en de in hoofdstuk VI, afdeling 2, vastgelegde vereisten inzake de technische voorzieningen steeds worden nageleefd;

c)

de significantie waarmee het risicoprofiel van de betrokken onderneming afwijkt van de aannames die ten grondslag liggen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zoals vastgelegd in artikel 101, lid 3, en berekend met de standaardformule overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2, of met haar geheel of gedeeltelijk interne model overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 3.

2.   Met het oog op lid 1, onder a), beschikt de onderneming over processen die proportioneel zijn aan de aard, omvang en complexiteit van de risico’s die aan haar werkzaamheden verbonden zijn en waarmee zij de korte- en langetermijnrisico’s waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan, juist kan onderkennen en beoordelen. De onderneming geeft inzicht in de methoden die gebruikt zijn bij deze beoordeling.

3.   Bij gebruikmaking van een intern model wordt de beoordeling in het in lid 1, onder c), bedoelde geval samen met de herijking verricht waarbij de interne risicocijfers worden omgezet in de risicomaatstaf en de calibratie van het solvabiliteitskapitaalvereiste.

4.   De beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit maakt integraal deel uit van de bedrijfsstrategie en wordt steeds in aanmerking genomen bij de strategische beslissingen van de onderneming.

5.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verrichten de in lid 1 bedoelde beoordeling periodiek en verrichten deze onverwijld na een significante wijziging in hun risicoprofiel.

6.   De verzekerings- en herverzekeringsondernemingen stellen de toezichthoudende autoriteiten in het kader van de informatieverstrekking ingevolge artikel 35 ook in kennis van de resultaten van elke beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit.

7.   De beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit dient niet om een kapitaalvereiste te berekenen. het solvabiliteitskapitaalvereiste mag alleen worden aangepast overeenkomstig de artikelen 37, 231 tot en met 233en 238.

Artikel 46

Interne controle

1.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beschikken over een doeltreffend systeem van interne controle.

Dit systeem omvat in elk geval de administratieve en financiële verslagleggingsprocedures, een interne-controlekader, passende rapportageregelingen op alle niveaus en een compliancefunctie.

2.   In de compliancefunctie wordt aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan advies uitgebracht over de naleving van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in het kader van deze richtlijn worden vastgesteld. Ook worden daarin de mogelijke gevolgen van wijzigingen in het rechtskader voor de verrichtingen van de betrokken onderneming beoordeeld en compliancerisico’s vastgesteld en beoordeeld.

Artikel 47

Interne audit

1.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen voorzien in een doeltreffende interneauditfunctie.

In deze functie wordt geëvalueerd of het interne-controlesysteem en andere onderdelen van het governancesysteem adequaat en doeltreffend zijn.

2.   De interneauditfunctie is objectief en onafhankelijk van de operationele functies.

3.   Bevindingen en aanbevelingen van de interne audit worden gerapporteerd aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan, dat besluit welke maatregelen moeten worden getroffen met betrekking tot elk van de bevindingen en aanbevelingen van de interne audit en ervoor zorgt dat deze maatregelen worden uitgevoerd.

Artikel 48

Actuariële functie

1.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen voorzien in een doeltreffende actuariële functie:

a)

zij coördineert de berekening van technische voorzieningen;

b)

zij zorgt ervoor dat de gebruikte methodieken en onderliggende modellen en de bij de berekening van technische voorzieningen gehanteerde aannames correct zijn;

c)

zij beoordeelt of genoeg gegevens worden gebruikt bij de berekening van technische voorzieningen, en zij beoordeelt de kwaliteit ervan;

d)

zij toetst de beste schattingen („best estimates”) aan de ervaring;

e)

zij verstrekt het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan informatie over de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van technische voorzieningen;

f)

zij ziet toe op de berekening van technische voorzieningen in de artikel 82 genoemde gevallen;

g)

zij brengt advies uit over de algehele gedragslijn voor het aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen;

h)

zij brengt advies uit over de adequaatheid van herverzekeringsregelingen; en

i)

zij draagt ertoe bij dat het in artikel 44 bedoelde Risk managementsysteem doeltreffend wordt toegepast, met name wat betreft de risicomodellering die ten grondslag ligt aan de berekening van de kapitaalvereisten als beschreven in hoofdstuk VI, afdelingen 4 en 5, en de in artikel 45 bedoelde beoordeling.

2.   De actuariële functie wordt uitgeoefend door personen die kennis van actuariële en financiële wiskunde hebben die in verhouding staat tot de aard, omvang en complexiteit van de risico’s die aan de werkzaamheden van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden zijn, en die kunnen aantonen over relevante ervaring met de toepasselijke beroeps- en andere normen te beschikken.

Artikel 49

Uitbesteding

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen bij de uitbesteding van functies of van verzekerings- of herverzekeringswerkzaamheden volledig verantwoordelijk blijven voor de nakoming van al hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn.

2.   Uitbesteding van kritieke of belangrijke operationele functies of werkzaamheden mag niet tot het volgende leiden:

a)

er wordt wezenlijk afbreuk gedaan aan de kwaliteit van het governancesysteem van de betrokken onderneming;

b)

het operationele risico neemt onnodig toe;

c)

er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de toezichthoudende autoriteiten om te controleren of de onderneming haar verplichtingen nakomt;

d)

de continuïteit en toereikendheid van de dienstverlening aan de verzekeringnemers wordt ondermijnd.

3.   Vóór de uitbesteding van kritieke of belangrijke functies of werkzaamheden stellen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de toezichthoudende autoriteiten daarvan en van latere wezenlijke ontwikkelingen met betrekking tot deze functies of werkzaamheden tijdig in kennis.

Artikel 50

Uitvoeringsmaatregelen

1.   De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin nadere invulling wordt gegeven aan het volgende:

a)

de onderdelen van de in de artikelen 41, 44, 46 en 47 bedoelde systemen, en met name de gebieden die onder het in artikel 44, lid 2, bedoelde ALB en beleggingsbeleid van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen vallen;

b)

de in de artikelen 44 en 46 tot en met 48 bedoelde functies;

c)

de vereisten van artikel 42 en de desbetreffende functies;

d)

de voorwaarden waaronder uitbesteding, met name aan dienstverleners in derde landen, is toegestaan.

2.   Indien het nodig is om voor de nodige convergentie van de in artikel 45, lid 1, onder a), bedoelde beoordeling te zorgen, kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen vaststellen om de onderdelen van die beoordeling nader te omschrijven.

3.   Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Afdeling 3

Bekendmaking van informatie

Artikel 51

Rapport over de solvabiliteit en financiële positie: inhoud

1.   De lidstaten verplichten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen rekening houdend met de vereiste informatie van lid 3 en de beginselen van artikel 35, lid 4, jaarlijks een rapport te publiceren over hun solvabiliteit en financiële positie.

Dit rapport bevat hetzij integraal hetzij door verwijzingen naar, zowel qua aard als qua reikwijdte, gelijkwaardige informatie die al op grond van andere wet- of regelgeving is gepubliceerd, de volgende informatie:

a)

een beschrijving van de werkzaamheden en resultaten van de onderneming;

b)

een beschrijving van het governancesysteem en een beoordeling van de adequaatheid ervan voor het risicoprofiel van de onderneming;

c)

een beschrijving voor elke risicocategorie afzonderlijk van de risicopositie, -concentratie, -beheersing en -gevoeligheid;

d)

een beschrijving voor de activa, technische voorzieningen en andere verplichtingen afzonderlijk van de voor de waardering ervan gehanteerde grondslagen en methoden, met daarin een toelichting op de belangrijkste verschillen met de grondslagen en methoden die in jaarrekeningen voor de waardering ervan zijn gehanteerd;

e)

een beschrijving van het kapitaalbeheer, waaronder in elk geval het volgende:

i)

de structuur en het bedrag van het eigen vermogen, alsook de kwaliteit ervan;

ii)

het bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste;

iii)

de in artikel 304 beschreven mogelijkheid voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste;

iv)

informatie waarmee de belangrijkste verschillen tussen de aannames die ten grondslag liggen aan respectievelijk de standaardformule en enig door de onderneming gehanteerd intern model voor de berekening van haar solvabiliteitskapitaalvereiste inzichtelijk worden;

v)

wanneer in de rapportageperiode niet wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste of duidelijk niet is voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, en zelfs als de problemen inmiddels zijn opgelost: het bedrag van het tekort met daarbij een toelichting op de oorzaak en gevolgen ervan, waarbij ook wordt gemeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen.

2.   De in lid 1, onder e), in punt i), bedoelde beschrijving bevat een analyse van alle duidelijke verschillen ten opzichte van de vorige rapportageperiode en een toelichting op alle belangrijke verschillen met de waarde van deze elementen in jaarrekeningen, alsook een korte beschrijving van de overdraagbaarheid van kapitaal.

In de in lid 1, onder e), in punt ii) bedoelde informatie over het solvabiliteitskapitaalvereiste worden het bedrag dat overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdelingen 2 en 3, is berekend, en een eventuele opslagfactor van het kapitaalvereiste die overeenkomstig artikel 37 is toegepast of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming overeenkomstig artikel 110 moet hanteren, afzonderlijk vermeld, met daarbij beknopte informatie over de rechtvaardiging daarvan door de betrokken toezichthoudende autoriteit.

Wel mogen de lidstaten, onverminderd publicatieverplichtingen in het kader van andere wet- en regelgeving, bepalen dat, ook al wordt de totale solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in lid 1, punt e), onder ii), bekendgemaakt, de opslagfactor of het effect van de specifieke parameters die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming overeenkomstig artikel 110 moet hanteren, niet apart bekendgemaakt hoeft te worden gedurende een overgangsperiode die uiterlijk op 31 oktober 2017 verstrijkt.

Het gepubliceerde bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste gaat in voorkomend geval vergezeld van de mededeling dat het definitieve bedrag aan het oordeel van de toezichthoudende autoriteit is onderworpen.

Artikel 52

Informatie voor en rapporten van het CETVB

1.   De lidstaten verplichten de toezichthoudende autoriteiten om jaarlijks de volgende informatie te verstrekken aan het CEVTB:

a)

de gemiddelde opslagfactor van de kapitaalvereiste per onderneming en de verdeling van de opslagfactoren zoals de toezichthoudende autoriteiten deze in het voorgaande jaar hebben toegepast. Ze worden berekend als percentage van het solvabiliteitskapitaalvereiste en als volgt afzonderlijk aangegeven:

i)

voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen;

ii)

voor levensverzekeringsondernemingen;

iii)

voor schadeverzekeringsondernemingen;

iv)

voor verzekeringsondernemingen die zowel levensverzekerings- als schadeverzekeringsactiviteiten uitoefenen;

v)

voor herverzekeringsondernemingen;

b)

voor alle onder a) genoemde gegevens: het percentage van de opslagfactoren die respectievelijk op grond van artikel 37, lid 1, onder a), onder b) en onder c), zijn toegepast.

2.   Het CEVTB publiceert jaarlijks de volgende informatie:

a)

voor alle lidstaten samen: de totale verdeling van de opslagfactoren. Deze worden als percentage van het solvabiliteitskapitaalvereiste berekend voor:

i)

alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen;

ii)

levensverzekeringsondernemingen;

iii)

schadeverzekeringsondernemingen;

iv)

verzekeringsondernemingen die zowel levensverzekerings- als schadeverzekeringsactiviteiten uitoefenen;

v)

herverzekeringsondernemingen;

b)

voor elke lidstaat afzonderlijk: de verdeling van de als percentage van het solvabiliteitskapitaalvereiste berekende opslagfactoren over alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in die lidstaat;

c)

voor alle onder a) en b) genoemde gegevens: het percentage van de opslagfactoren die respectievelijk op grond van artikel 37, lid 1, onder a), onder b) en onder c), zijn toegepast.

3.   Het CEVTB verstrekt de in lid 2 genoemde informatie aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, met daarbij een rapport over de mate van toezichtconvergentie in de toepassing van opslagfactoren tussen de toezichthoudende autoriteiten in de verschillende lidstaten.

Artikel 53

Rapport over de solvabiliteit en financiële positie: toepasselijke beginselen

1.   De toezichthoudende autoriteiten staan verzekerings- en herverzekeringsondernemingen toe om bepaalde informatie niet bekend te maken indien:

a)

door de bekendmaking van de informatie de concurrenten van de onderneming duidelijk onterecht worden bevoordeeld;

b)

er sprake is van verplichtingen jegens verzekeringnemers of relaties met andere tegenpartijen op grond waarvan een onderneming aan geheimhouding of vertrouwelijkheid gebonden is.

2.   Wanneer de toezichthoudende autoriteit heeft toegestaan dat bepaalde informatie niet bekend wordt gemaakt, vermelden ondernemingen dit in het rapport over de solvabiliteit en financiële positie en vermelden ze de redenen hiervoor.

3.   De toezichthoudende autoriteiten staan verzekerings- en herverzekeringsondernemingen toe gebruik te maken van of te verwijzen naar informatie die al in het kader van wet- of regelgeving is gepubliceerd, mits deze informatie qua aard en strekking gelijkwaardig is aan die welke vereist is in het kader van artikel 51.

4.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de in artikel 51, lid 1, onder e), bedoelde informatie.

Artikel 54

Rapport over de solvabiliteit en financiële positie: actualiseringen en vrijwillige verstrekking van aanvullende informatie

1.   Bij belangrijke ontwikkelingen die duidelijk van invloed zijn op de relevantie van de informatie die overeenkomstig de artikelen 51 en 53 bekend wordt gemaakt, maken verzekerings- en herverzekeringsondernemingen informatie bekend over de aard en gevolgen van die belangrijke ontwikkeling.

Voor de toepassing van de eerste alinea worden in elk geval als belangrijke ontwikkelingen aangemerkt:

a)

er wordt geconstateerd dat het minimumkapitaalvereiste niet wordt nageleefd, en de toezichthoudende autoriteiten achten de onderneming niet in staat om een realistisch financieel kortetermijnplan in te dienen of ontvangen zo’n plan niet binnen een maand na de datum waarop de niet-naleving werd geconstateerd;

b)

er wordt geconstateerd dat het solvabiliteitskapitaalvereiste significant niet wordt nageleefd en de toezichthoudende autoriteiten ontvangen niet binnen twee maanden na de datum waarop de niet-naleving werd geconstateerd, een realistisch saneringsplan.

Met betrekking tot de tweede alinea, onder a), verplichten de toezichthoudende autoriteiten de betrokken onderneming om onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend te maken en daarbij een toelichting te geven op de oorzaak en gevolgen ervan, waarbij ook wordt gemeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks een in eerste instantie realistisch geacht financieel kortetermijnplan het probleem van niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste drie maanden na de constatering ervan nog steeds niet is opgelost, wordt dit aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij een toelichting gegeven op de oorzaak en gevolgen ervan, waarbij ook wordt gemeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland.

Met betrekking tot de tweede alinea, onder b), verplichten de toezichthoudende autoriteiten de betrokken onderneming om onmiddellijk het tekortschietende bedrag bekend te maken en daarbij een toelichting te geven op de oorzaak en gevolgen ervan, waarbij ook wordt gemeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen. Wanneer ondanks het in eerste instantie realistisch geachte saneringsplan het probleem van een duidelijke niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste zes maanden na de constatering ervan nog steeds niet is opgelost, wordt dit aan het eind van deze periode bekendgemaakt en wordt daarbij een toelichting gegeven op de oorzaak en gevolgen ervan, waarbij ook wordt gemeld welke corrigerende maatregelen zijn getroffen en welke verdere corrigerende maatregelen zijn gepland.

2.   Naast de al overeenkomstig de artikelen 51 en 53 en lid 1 van dit artikel verplicht bekend te maken informatie over of toelichtingen op hun solvabiliteit en financiële positie mogen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen vrijwillig ook alle andere informatie en toelichtingen bekendmaken die daarmee verband houden.

Artikel 55

Rapport over de solvabiliteit en financiële positie: gedragslijn en goedkeuring

1.   De lidstaten schrijven voor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen moeten beschikken over passende systemen en structuren om aan de vereisten van de artikelen 51, 53 en 54, lid 1, te voldoen, en over een schriftelijk vastgelegde gedragslijn die waarborgt dat de overeenkomstig de artikelen 51, 53 en 54 bekendgemaakte informatie altijd correct is.

2.   Het rapport over de solvabiliteit en financiële positie wordt door het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming goedgekeurd en pas na deze goedkeuring gepubliceerd.

Artikel 56

Rapport over de solvabiliteit en financiële positie: uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin nadere invulling wordt gegeven aan de informatie die bekend moet worden gemaakt, en aan de wijze waarop dit dient te geschieden.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Afdeling 4

gekwalificeerde deelneming

Artikel 57

Verwervingen

1.   De lidstaten schrijven voor dat iedere natuurlijke of rechtspersoon of dergelijke in onderlinge overeenstemming handelende personen (hierna „kandidaat-verwerver” genoemd), die besloten hebben om rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming te verwerven dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks een dergelijke gekwalificeerde deelneming verder te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal 20 %, 30 % of 50 % bereikt of overschrijdt dan wel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming hun dochteronderneming wordt (hierna „voorgenomen verwerving” genoemd), de toezichthoudende autoriteiten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarin zij een gekwalificeerde deelneming willen verwerven dan wel vergroten, daarvan vooraf schriftelijk kennis moeten geven onder vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in artikel 59, lid 4, bedoelde relevante informatie. De lidstaten hoeven de drempel van 30 % niet toe te passen wanneer zij overeenkomstig artikel 9, lid 3, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG een drempelwaarde van een derde toepassen.

2.   De lidstaten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die heeft besloten zijn rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming af te stoten, de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan vooraf schriftelijk in kennis moet stellen onder vermelding van de omvang van de betrokken deelneming van die persoon na de voorgenomen afstoting. Tot kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die heeft besloten de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen onder 20 %, 30 % of 50 % daalt of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ophoudt zijn dochteronderneming te zijn. De lidstaten hoeven de drempel van 30 % niet toe te passen wanneer zij overeenkomstig artikel 9, lid 3, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG een drempelwaarde van een derde toepassen.

Artikel 58

Beoordelingsperiode

1.   De toezichthoudende autoriteiten zenden de kandidaat-verwerver snel en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de ingevolge artikel 57, lid 1, vereiste kennisgeving, alsook na eventuele ontvangst op een later tijdstip van de in lid 2 bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging.

De toezichthoudende autoriteiten hebben vanaf de datum van de schriftelijke ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle door de lidstaat vereiste documenten van de in artikel 59, lid 4, bedoelde lijst die bij de kennisgeving gevoegd moeten worden, een termijn van 60 werkdagen (hierna „beoordelingsperiode” genoemd), om de in artikel 59, lid 1, bedoelde beoordeling (hierna „beoordeling” genoemd), uit te voeren.

De toezichthoudende autoriteiten stellen de kandidaat-verwerver bij de ontvangstbevestiging in kennis van de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt.

2.   De toezichthoudende autoriteiten mogen, indien nodig, tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, om aanvullende informatie verzoeken die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is.

Vanaf de datum van het verzoek van de toezichthoudende autoriteiten om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver wordt de beoordelingsperiode onderbroken. De onderbreking duurt ten hoogste 20 werkdagen. Aanvullende verzoeken van de toezichthoudende autoriteiten ter vervollediging of verduidelijking van de informatie staan ter discretie van de toezichthoudende autoriteiten, maar mogen geen onderbreking van de beoordelingsperiode tot gevolg hebben.

3.   De toezichthoudende autoriteiten mogen de in lid 2, tweede alinea, bedoelde onderbreking verlengen tot ten hoogste 30 werkdagen:

a)

indien de kandidaat-verwerver buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan reglementering onderworpen is; of

b)

indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechtspersoon is en niet onderworpen is aan toezicht uit hoofde van deze richtlijn of Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (32), Richtlijn 2004/39/EG of Richtlijn 2006/48/EG.

4.   Indien de toezichthoudende autoriteiten na voltooiing van de beoordeling besluiten om zich te verzetten tegen de voorgenomen verwerving, geven zij de kandidaat-verwerver daarvan binnen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden schriftelijk kennis en delen zij de redenen voor dat besluit mede. Onverminderd het nationale recht kan een passende motivering van het besluit op verzoek van de kandidaat-verwerver voor het publiek toegankelijk worden gemaakt. Dit neemt niet weg dat een lidstaat de toezichthoudende autoriteit kan toestaan deze informatie openbaar te maken zonder dat de kandidaat-verwerver daarom heeft verzocht.

5.   Indien de toezichthoudende autoriteiten zich binnen de beoordelingsperiode niet schriftelijk tegen de voorgenomen verwerving verzetten, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.

6.   De toezichthoudende autoriteiten mogen voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze periode zo nodig verlengen.

7.   De lidstaten mogen geen voorschriften inzake kennisgeving aan en goedkeuring door de toezichthoudende autoriteiten van rechtstreekse of onrechtstreekse verwervingen van stemrechten of kapitaal opleggen die strenger zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.

8.   De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan om nadere invulling te geven aan de aanpassingen van de criteria van artikel 59, lid 1, om rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen en om te zorgen voor een uniforme toepassing van de artikelen 57 tot en met 63.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 59

Beoordeling

1.   Bij de beoordeling van de in artikel 57, lid 1, bedoelde kennisgeving en de in artikel 58, lid 2, bedoelde informatie beoordelen de toezichthoudende autoriteiten, met het oog op de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die het doelwit van de verwerving is en rekening houdend met de waarschijnlijke invloed van de kandidaat-verwerver op de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving aan de hand van alle navolgende criteria:

a)

de reputatie van de kandidaat-verwerver;

b)

de reputatie en ervaring van de personen die het bedrijf van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als gevolg van de voorgenomen verwerving feitelijk gaan leiden;

c)

de financiële soliditeit van de kandidaat-verwerver, met name met betrekking tot de aard van de werkzaamheden die verricht en beoogd worden in de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die het doelwit van de verwerving is;

d)

of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële voorschriften op grond van deze richtlijn en, in voorkomend geval, aan de prudentiële voorschriften op grond van andere richtlijnen, met name Richtlijn 2002/87/EG, en met name of de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de toezichthoudende autoriteiten mogelijk zijn en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de toezichthoudende autoriteiten kan worden bepaald;

e)

of er goede redenen zijn om te vermoeden dat in verband met de voorgenomen verwerving geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van artikel 1 van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (33), of dat de voorgenomen verwerving het risico daarop zou kunnen vergroten.

2.   De toezichthoudende autoriteiten mogen zich alleen tegen de voorgenomen verwerving verzetten indien daarvoor goede redenen zijn op grond van de criteria van lid 1 of indien de door de kandidaat-verwerver verstrekte informatie onvolledig is.

3.   De lidstaten verbinden geen voorwaarden vooraf aan de omvang van de deelneming die verworven dient te worden, en staan hun toezichthoudende autoriteiten evenmin toe de voorgenomen verwerving te toetsen aan economische marktbehoeften.

4.   De lidstaten publiceren een lijst met informatie die nodig is voor de beoordeling en die bij de in artikel 57, lid 1, bedoelde kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten moet worden verstrekt. De vereiste informatie staat in verhouding tot en is afgestemd op de aard van de kandidaat-verwerver en van de voorgenomen verwerving. De lidstaten verlangen geen informatie die voor een prudentiële beoordeling niet relevant is.

5.   Niettegenstaande artikel 58, leden 1, 2 en 3, worden, wanneer de toezichthoudende autoriteit kennis wordt gegeven van twee of meer voornemens om een gekwalificeerde deelneming in dezelfde verzekerings- of herverzekeringsonderneming te verwerven of te vergroten, de kandidaat-verwervers door deze autoriteit op niet-discriminerende wijze behandeld.

Artikel 60

Verwervingen door gereglementeerde financiële ondernemingen

1.   De relevante toezichthoudende autoriteiten werken in onderling overleg samen bij de beoordeling indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen betreft:

a)

een kredietinstelling, verzekerings- of herverzekeringsonderneming, beleggingsonderneming of beheermaatschappij in de zin van punt 2 van artikel 1 bis van Richtlijn 85/611/EEG (hierna „icbe-beheermaatschappij” genoemd), waaraan vergunning is verleend in een andere lidstaat of in een andere sector dan die van de voorgenomen verwerving;

b)

de moederonderneming van een kredietinstelling, verzekerings- of herverzekeringsonderneming, beleggingsonderneming of icbe-beheermaatschappij waaraan vergunning is verleend in een andere lidstaat of in een andere sector dan die van de voorgenomen verwerving; of

c)

een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling, verzekerings- of herverzekeringsonderneming, beleggingsonder-neming of icbe-beheermaatschappij waaraan vergunning is verleend in een andere lidstaat of in een andere sector dan die van de voorgenomen verwerving.

2.   De toezichthoudende autoriteiten verstrekken elkaar zonder onnodige vertraging alle informatie die voor de beoordeling van essentieel belang of relevant is. Daartoe geven zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en delen zij uit eigen beweging alle essentiële informatie mee. In een besluit van de toezichthoudende autoriteit die aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming welke het doelwit van de verwerving is, vergunning heeft verleend, worden de standpunten en bedenkingen van de voor de kandidaat-verwerver verantwoordelijke toezichthoudende autoriteit vermeld.

Artikel 61

Door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de toezichthoudende autoriteit te verstrekken informatie

Zodra zij daarvan kennis heeft, stelt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van verwervingen of afstotingen van deelnemingen in haar kapitaal waardoor stijging boven of daling onder een van de drempels zoals bedoeld in respectievelijk artikel 57 en artikel 58, leden 1 tot en met 7, optreedt.

Tevens stelt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de toezichthoudende autoriteiten van haar lidstaat van herkomst ten minste eens per jaar in kennis van de namen van de aandeelhouders en vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen zoals deze bijvoorbeeld blijken uit de gegevens die worden vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit informatie die is ontvangen uit hoofde van de verplichtingen van beursgenoteerde vennootschappen.

Artikel 62

Gekwalificeerde deelneming: bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteit

De lidstaten bepalen dat, indien de door de in artikel 57 bedoelde personen uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou kunnen belemmeren, de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst van de onderneming waarin een gekwalificeerde deelneming wordt gewenst of vergroot, passende maatregelen moeten treffen om aan deze toestand een einde te maken. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit bindende aanwijzingen, sancties tegen bestuurders en schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten worden gehouden.

Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op natuurlijke of rechtspersonen die de in artikel 57 bedoelde kennisgevingsverplichting niet naleven.

Als een deelneming wordt verworven ondanks het bezwaar van de toezichthoudende autoriteiten, voorzien de lidstaten, onverminderd andere te treffen sancties, in:

1.

schorsing van de uitoefening van de betrokken stemrechten; of

2.

nietigheid van de uitgebrachte stemmen of de mogelijkheid dat ze nietig worden verklaard.

Artikel 63

Stemrechten

Voor de toepassing van deze afdeling worden de in de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2004/109/EG bedoelde stemrechten, alsmede de in artikel 12, leden 4 en 5, van die richtlijn neergelegde voorwaarden voor samenvoeging daarvan, in aanmerking genomen.

De lidstaten houden geen rekening met stemrechten of aandelen die beleggingsondernemingen of kredietinstellingen kunnen houden als gevolg van het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, vermeld in bijlage I, deel A, punt 6, bij Richtlijn 2004/39/EG, tenzij die rechten worden uitgeoefend of anderszins gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na de verwerving worden overgedragen.

Afdeling 5

Beroepsgeheim, uitwisseling van informatie en bevordering van de convergentie van het toezicht

Artikel 64

Beroepsgeheim

De lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de toezichthoudende autoriteiten, alsmede accountants en deskundigen die in opdracht van deze autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

Onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen, mogen vertrouwelijke gegevens waarvan deze personen beroepshalve kennis krijgen, aan geen enkele persoon of autoriteit worden bekendgemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm zodat individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen niet kunnen worden geïdentificeerd.

Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke beslissing in liquidatie verkeert, mogen evenwel vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen om de onderneming te redden, in het kader van burgerrechtelijke of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt.

Artikel 65

Uitwisseling van informatie tussen toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten

Artikel 64 belet niet dat tussen de toezichthoudende autoriteiten van de verschillende lidstaten uitwisseling van gegevens plaatsvindt. Deze gegevens vallen onder de in artikel 64 neergelegde geheimhoudingsplicht.

Artikel 66

Samenwerkingsovereenkomsten met derde landen

De lidstaten mogen met de toezichthoudende autoriteiten van derde landen of met de autoriteiten of instanties van derde landen, zoals omschreven in artikel 68, leden 1 en 2, alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van informatie sluiten, indien met betrekking tot de mee te delen informatie ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in deze afdeling bedoelde waarborgen. De uitwisseling van informatie dient te geschieden ten behoeve van het uitoefenen van de toezichthoudende taak van deze autoriteiten of instanties.

Informatie die een lidstaat aan een derde land zal meedelen en die afkomstig is van een andere lidstaat, mag alleen worden bekendgemaakt met de uitdrukkelijke instemming van de toezichthoudende autoriteit van die lidstaat die de informatie heeft meegedeeld en mag in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteit heeft ingestemd.

Artikel 67

Gebruik van vertrouwelijke informatie

De toezichthoudende autoriteiten die overeenkomstig de artikelen 64 of 65 vertrouwelijke gegevens ontvangen, mogen deze slechts gebruiken bij de uitoefening van hun taken en voor de volgende doeleinden:

1.

om te onderzoeken of aan de voorwaarden voor de toegang tot het verzekerings- of herverzekeringsbedrijf is voldaan en om de controle op de voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend te vergemakkelijken; in het bijzonder ten aanzien van het toezicht op de technische voorzieningen, het solvabiliteitskapitaalvereiste, het minimumkapitaalvereiste en het governancesysteem;

2.

om sancties op te leggen;

3.

in het kader van een administratief beroep tegen een besluit van de toezichthoudende autoriteiten;

4.

in rechtszaken ingevolge deze richtlijn.

Artikel 68

Uitwisseling van informatie met andere autoriteiten

1.   De artikelen 64 en 67 vormen geen beletsel voor het volgende:

a)

de uitwisseling van informatie tussen meerdere toezichthoudende autoriteiten in dezelfde lidstaat bij de uitoefening van hun toezichthoudende taak;

b)

de uitwisseling van informatie bij de uitoefening van hun toezichthoudende taak tussen de toezichthoudende autoriteiten en een van de volgende, zich in dezelfde lidstaat bevindende partijen:

i)

autoriteiten aan wie het toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen is opgedragen, alsmede autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten;

ii)

instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van verzekeringsondernemingen of herverzekeringsondernemingen en bij andere soortgelijke procedures;

iii)

met de wettelijke controle van de jaarrekening van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en andere financiële instellingen belaste personen;

c)

de verstrekking aan instanties die het beheer voeren over een gedwongen liquidatieprocedure of over een garantiefonds, van de informatie die nodig is voor de vervulling van hun taak.

De onder b) en c) bedoelde informatie mag ook tussen verschillende lidstaten worden uitgewisseld.

De door deze autoriteiten, instanties en personen ontvangen informatie valt onder de in artikel 64 neergelegde geheimhoudingsplicht.

2.   De artikelen 64 tot en met 67 beletten de lidstaten niet toe te staan dat informatie wordt uitgewisseld tussen de toezichthoudende autoriteiten en een van de volgende partijen:

a)

de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen en bij andere soortgelijke procedures;

b)

de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de personen belast met de wettelijke controle van de jaarrekening van verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen;

c)

de van de verzekeringsondernemingen of herverzekeringsondernemingen onafhankelijke actuarissen die wettelijk toezicht op deze ondernemingen uitoefenen, en de instanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op deze actuarissen.

De lidstaten die de eerste alinea toepassen, eisen dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de informatie dient bestemd te zijn voor de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde toezichthoudende taken;

b)

de ontvangen informatie dient onder het in artikel 64 vastgestelde beroepsgeheim te vallen;

c)

informatie die afkomstig is uit een andere lidstaat, mag alleen worden bekendgemaakt met de uitdrukkelijke instemming van de toezichthoudende autoriteit van wie deze afkomstig is, en mag in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteit heeft ingestemd.

De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de namen mee van de autoriteiten, personen of instanties die op grond van de eerste en tweede alinea informatie mogen ontvangen.

3.   De artikelen 64 tot en met 67 beletten de lidstaten niet om ter versterking van de stabiliteit en integriteit van het financiële stelsel toe te staan dat informatie wordt uitgewisseld tussen de toezichthoudende autoriteiten en de autoriteiten en instanties die belast zijn met de opsporing en het onderzoek van inbreuken op het vennootschapsrecht.

De lidstaten die de eerste alinea toepassen, eisen dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de informatie dient bestemd te zijn voor opsporing en onderzoek als bedoeld in de eerste alinea;

b)

de ontvangen informatie dient onder de in artikel 64 neergelegde geheimhoudingsplicht te vallen;

c)

informatie die afkomstig is uit een andere lidstaat, mag alleen worden bekendgemaakt met de uitdrukkelijke instemming van de toezichthoudende autoriteit van wie deze afkomstig is, en mag in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteit heeft ingestemd.

Indien de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties in een lidstaat bij de uitoefening van hun opsporings- of onderzoekstaken een beroep doen op personen die op grond van hun specifieke deskundigheid met een opdracht worden belast en die geen openbaar ambt bekleden, kan de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid tot uitwisseling van informatie tot deze personen worden verruimd op de in de tweede alinea genoemde voorwaarden.

Voor de toepassing van de tweede alinea, onder c), delen de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties aan de toezichthoudende autoriteiten van wie de informatie afkomstig is, de namen en de precieze verantwoordelijkheden mee van de personen aan wie deze informatie zal worden doorgegeven.

4.   De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de namen mee van de autoriteiten, personen of instanties die op grond van lid 3 informatie mogen ontvangen.

Artikel 69

Bekendmaking van informatie aan overheidsdiensten die met financiële wetgeving zijn belast

De artikelen 64 en 67 beletten de lidstaten niet om op grond van wettelijke bepalingen de bekendmaking toe te staan van bepaalde gegevens aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn ter zake van de wetgeving inzake het toezicht op kredietinstellingen, financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze gegevens mogen alleen worden verstrekt wanneer zulks ter wille van het prudentiële toezicht nodig is. De lidstaten bepalen evenwel dat de informatie die op grond van artikel 65 en artikel 68, lid 1, is ontvangen, en informatie welke is verkregen naar aanleiding van in artikel 32 bedoelde verificatie ter plaatse, alleen bekend mag worden gemaakt met uitdrukkelijke instemming van de toezichthoudende autoriteit van wie de informatie afkomstig was, of van de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

Artikel 70

Overdracht van informatie aan centrale banken en monetaire autoriteiten

Onverminderd deze afdeling mag een toezichthoudende autoriteit voor de uitoefening van hun taak dienstige informatie doen toekomen aan de volgende entiteiten:

1.

centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit;

2.

in voorkomend geval, andere overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de betalingssystemen.

Deze autoriteiten of instanties mogen ook aan de toezichthoudende autoriteiten informatie toezenden die deze nodig hebben ter uitvoering van artikel 67. De in dit verband ontvangen informatie valt onder het in deze afdeling neergelegde beroepsgeheim.

Artikel 71

Convergentie van het toezicht

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat in de mandaten van de toezichthoudende autoriteiten op passende wijze een EU-dimensie in aanmerking wordt genomen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten bij de uitoefening van hun taken aandacht schenken aan de convergentie van de toezichtinstrumenten en -praktijken bij de toepassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn worden vastgesteld. Te dien einde zorgen de lidstaten ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig Besluit 2009/79/EG deelnemen aan de werkzaamheden van het CETVB en terdege rekening houden met de in lid 3 van dit artikel bedoelde richtsnoeren en aanbevelingen van dit Comité.

3.   Het CETVB zorgt, indien nodig, voor juridisch niet-bindende richtsnoeren en aanbevelingen betreffende de uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn en de bijbehorende uitvoeringsmaatregelen om de convergentie van de toezichtpraktijken te bevorderen. Bovendien brengt het CETVB regelmatig en ten minste om de twee jaar verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de mate waarin de convergentie van het toezicht is gevorderd.

Afdeling 6

Accountantstaken

Artikel 72

Plichten van accountants

1.   De lidstaten bepalen ten minste dat personen die zijn toegelaten in de zin van de Achtste Richtlijn 84/253/EEG van de Raad van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag inzake de toelating van personen, belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden (34), en die bij een verzekerings- of herverzekeringsonderneming de wettelijke controle verrichten zoals bedoeld in artikel 51 van de Vierde Richtlijn 78/660/EEG, artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG of artikel 31 van Richtlijn 85/611/EEG, dan wel een andere wettelijke taak, verplicht zijn aan de toezichthoudende autoriteiten onverwijld melding te maken van elk feit of besluit met betrekking tot deze onderneming waarvan zij bij de uitvoering van die taken kennis hebben gekregen en dat tot het volgende kan leiden:

a)

een inbreuk ten gronde op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor vergunning of van specifieke voorschriften betreffende de uitoefening van de werkzaamheden van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen;

b)

aantasting van de bedrijfscontinuïteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

c)

weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of het uiten van voorbehouden;

d)

niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste; of

e)

niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste.

De in de eerste alinea bedoelde personen maken ook melding van alle feiten of besluiten waarvan zij kennis hebben gekregen bij de uitvoering van taken als beschreven in de eerste alinea, bij een onderneming die uit een zeggenschapsband voortvloeiende nauwe banden heeft met de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waar zij deze taken uitvoeren.

2.   Melding te goeder trouw aan de toezichthoudende autoriteiten door de personen die zijn toegelaten in de zin van Richtlijn 84/253/EEG, van in lid 1 bedoelde feiten of besluiten vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een overeenkomst of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid.

HOOFDSTUK V

Gelijktijdige uitoefening van het levens- en het schadeverzekeringsbedrijf

Artikel 73

Gelijktijdige uitoefening van het levens- en het schadeverzekeringsbedrijf

1.   Verzekeringsondernemingen mag geen vergunning worden verleend om gelijktijdig levens- en schadeverzekeringsactiviteiten uit te oefenen.

2.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten het volgende bepalen:

a)

ondernemingen waaraan vergunning is verleend om het levensverzekeringsbedrijf uit te oefenen, kunnen ook een vergunning verkrijgen voor schadeverzekeringsactiviteiten die betrekking hebben op de risico’s in de branches 1 en 2 in deel A van bijlage I;

b)

ondernemingen waaraan uitsluitend voor de risico’s in de branches 1 en 2 in deel A van bijlage I, vergunning is verleend, kunnen tevens een vergunning verkrijgen om het levensverzekeringbedrijf uit te oefenen.

Wel wordt overeenkomstig artikel 74 voor elk bedrijf een gescheiden beheer gevoerd.

3.   De lidstaten mogen bepalen dat de in lid 2 bedoelde ondernemingen voor al hun activiteiten de boekhoudkundige regels in acht moeten nemen die voor levensverzekeringsondernemingen gelden. Tevens mogen de lidstaten in afwachting van een latere coördinatie op dit gebied bepalen dat wat de liquidatieregels betreft, ten aanzien van de door deze ondernemingen verrichte activiteiten die verband houden met de risico’s in de branches 1 en 2 in deel A van bijlage I, ook de regels gelden die van toepassing zijn op levensverzekeringsactiviteiten.

4.   Wanneer een schadeverzekeringsonderneming financiële, commerciële of administratieve banden heeft met een levensverzekeringsonderneming, zien de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten van herkomst erop toe dat de rekeningen van de betrokken ondernemingen niet worden vertekend ten gevolge van tussen deze ondernemingen gesloten overeenkomsten of door afspraken die de verdeling van de kosten en inkomsten kunnen beïnvloeden.

5.   De ondernemingen die op de volgende data gelijktijdig levens- en schadeverzekeringsactiviteiten uitoefenden die onder deze richtlijn vallen, mogen zulks blijven doen mits zij overeenkomstig artikel 74 voor elk bedrijf een gescheiden beheer voeren:

a)

1 januari 1981 voor ondernemingen waaraan in Griekenland vergunning is verleend;

b)

1 januari 1986 voor ondernemingen waaraan in Spanje en Portugal vergunning is verleend;

c)

1 januari 1995 voor ondernemingen waaraan in Oostenrijk, Finland en Zweden vergunning is verleend;

d)

1 mei 2004 voor ondernemingen waaraan in Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië vergunning is verleend;

e)

1 januari 2007 voor ondernemingen waaraan in Bulgarije en Roemenië vergunning is verleend;

f)

15 maart 1979 voor alle andere ondernemingen.

De lidstaat van herkomst kan verzekeringsondernemingen ertoe verplichten binnen een door hem bepaalde termijn een einde te maken aan het gelijktijdig uitoefenen van levens- en schadeverzekeringsactiviteiten die zij op de in de eerste alinea genoemde data verrichtten.

Artikel 74

Scheiding van levens- en schadeverzekeringsbeheer

1.   Het in artikel 73 vermelde gescheiden beheer is zodanig opgezet dat het levensverzekeringsbedrijf gescheiden is van het schadeverzekeringsbedrijf.

De belangen van hen die uit hoofde van een levensverzekering en hen die uit hoofde van een schadeverzekering verzekerd zijn, mogen niet worden geschaad, en met name komen de winsten uit de levensverzekeringen ten goede aan degenen die een levensverzekering hebben gesloten alsof de levensverzekeringsonderneming uitsluitend het levensverzekeringsbedrijf uitoefent.

2.   Onverminderd de artikelen 100 en 128 berekenen de in artikel 73, leden 2 en 5, bedoelde verzekeringsondernemingen:

a)

een theoretische minimumkapitaalvereiste met betrekking tot hun levensverzekerings- of -herverzekeringsbedrijf. Deze vereiste wordt op basis van de in lid 6 bedoelde gescheiden boekhouding berekend alsof de betrokken onderneming alleen deze werkzaamheden zou verrichten; en

b)

een theoretische minimumkapitaalvereiste met betrekking tot hun schadeverzekerings- of -herverzekeringsbedrijf. Deze vereiste wordt op basis van de in lid 6 bedoelde gescheiden boekhouding berekend alsof de betrokken onderneming alleen deze werkzaamheden zou verrichten.

3.   De in artikel 73, leden 2 en 5, bedoelde verzekeringsondernemingen dekken ten minste de volgende vereisten met een overeenkomstig bedrag van in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen:

a)

de theoretische minimumkapitaalvereiste met betrekking tot hun levensverzekeringsbedrijf;

b)

de theoretische minimumkapitaalvereiste met betrekking tot hun schadeverzekeringsbedrijf.

De in de eerste alinea bedoelde financiële minimumverplichtingen respectievelijk voor het levens- en het schadeverzekeringsbedrijf mogen niet door het andere bedrijf worden gedragen.

4.   Zolang aan de in lid 3 bedoelde financiële minimumverplichtingen is voldaan en onder voorbehoud van kennisgeving ervan aan de toezichthoudende autoriteit mag de onderneming ter dekking van het in artikel 100 bedoelde solvabiliteitskapitaalvereiste de nog beschikbare expliciete in aanmerking komende eigenvermogensbestanddelen voor het ene of voor het andere bedrijf gebruiken.

5.   De toezichthoudende autoriteiten zien via een analyse van de resultaten van het levens- en het schadeverzekeringsbedrijf erop toe dat de leden 1 tot en met 4 worden nageleefd.

6.   De boekingen moeten zodanig worden gedaan dat de bronnen van de resultaten van levensverzekeringen en van schadeverzekeringen gescheiden tot uiting komen. Alle inkomsten, met name premies, uitbetalingen van herverzekeraars, inkomsten uit beleggingen, en uitgaven, met name verzekeringsuitkeringen, stortingen in de technische voorzieningen, herverzekeringspremies en beheeruitgaven voor het verzekeringsbedrijf worden op basis van hun oorsprong onderverdeeld. De bestanddelen welke beide werkzaamheden gemeen hebben, worden geboekt volgens een verdeelsleutel die door de toezichthoudende autoriteit moet zijn aanvaard.

De verzekeringsondernemingen stellen aan de hand van de boekinghouding een document op waarin de in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ter dekking van elk van de beide in lid 2 bedoelde theoretische minimumkapitaalvereisten duidelijk zijn onderscheiden, zulks overeenkomstig artikel 98, lid 4.

7.   Wanneer het bedrag aan in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ontoereikend is voor de dekking van de in lid 3, eerste alinea, bedoelde financiële minimumverplichtingen, passen de toezichthoudende autoriteiten op het bedrijf in kwestie de maatregelen van deze richtlijn toe, ongeacht de resultaten van het andere bedrijf.

In afwijking van lid 3, tweede alinea, kunnen deze maatregelen vergunning tot een overdracht van expliciete in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen van het ene bedrijf naar het andere inhouden.

HOOFDSTUK VI

Voorschriften voor de waardering van activa en verplichtingen, technische voorzieningen, eigen vermogen, het solvabiliteitskapitaalvereiste, het minimumkapitaalvereiste en beleggingsvoorschriften

Afdeling 1

Waardering van activa en verplichtingen

Artikel 75

Waardering van activa en passiva

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, tenzij anders vermeld, activa en passiva als volgt waarderen:

a)

activa worden gewaardeerd tegen het bedrag waarvoor ze kunnen worden verhandeld tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn;

b)

passiva worden gewaardeerd tegen het bedrag waarvoor ze kunnen worden overgedragen of afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn.

Bij de waardering van de onder b) bedoelde passiva wordt niet gecorrigeerd voor de eigen kredietwaardigheid van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

2.   De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan tot vaststelling van de methoden en aannames die gebruikt moeten worden bij de waardering van activa en passiva als beschreven in lid 1.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Afdeling 2

Voorschriften voor technische voorzieningen

Artikel 76

Algemeen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen technische voorzieningen vormen voor al hun verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers en begunstigden van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten.

2.   De waarde van de technische voorzieningen moet overeenstemmen met het huidige bedrag dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou moeten betalen indien zij haar verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen met onmiddellijke ingang op een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou overdragen.

3.   De berekening van technische voorzieningen maakt gebruik van en strookt met informatie van de financiële markten en algemeen beschikbare gegevens over verzekeringstechnische risico’s (marktconsistentie).

4.   Technische voorzieningen worden op een prudente, betrouwbare en objectieve wijze berekend.

5.   De berekening van technische voorzieningen wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 77 tot en met 82 en 86, uitgaande van de beginselen die zijn vastgesteld in de leden 2, 3 en 4 en rekening houdend met de beginselen die zijn vastgesteld in artikel 75, lid 1.

Artikel 77

Berekening van technische voorzieningen

1.   De waarde van technische voorzieningen is gelijk aan de som van een beste schatting en een risicomarge zoals beschreven in de leden 2 en 3.

2.   De beste schatting stemt overeen met het kansgewogen gemiddelde van toekomstige kasstromen, waarbij rekening wordt gehouden met de tijdswaarde van geld (verwachte contante waarde van toekomstige kasstromen) en gebruik wordt gemaakt van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur.

Bij de berekening van de beste schatting wordt uitgegaan van geactualiseerde en betrouwbare informatie en realistische aannames en worden deugdelijke, toepasselijke en relevante actuariële en statistische methoden gebruikt.

De kasstroomprognose die bij de berekening van de beste schatting wordt gebruikt, houdt rekening met alle instroom en uitstroom van kasmiddelen die nodig zijn voor de afwikkeling van de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen gedurende de looptijd ervan.

De beste schatting wordt bruto berekend, zonder aftrek van de bedragen die op herverzekeringsovereenkomsten en Special Purpose Vehicles kunnen worden verhaald. Overeenkomstig artikel 81 worden deze bedragen apart berekend.

3.   De risicomarge is zodanig dat de waarde van de technische voorzieningen gelijk is aan het bedrag dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen naar verwachting zouden vragen voor de overname en de nakoming van de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen.

4.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarderen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk.

Wanneer de toekomstige kasstromen in verband met verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen echter op betrouwbare wijze kunnen worden gerepliceerd met behulp van financiële instrumenten met een waarneembare betrouwbare marktwaarde, wordt de waarde van technische voorzieningen in verband met die toekomstige kasstromen bepaald op basis van de marktwaarde van deze financiële instrumenten. In dit geval zijn geen afzonderlijke berekeningen van de beste schatting en de risicomarge vereist.

5.   Wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de beste schatting en de risicomarge afzonderlijk ramen, wordt de risicomarge berekend door vaststelling van de kosten om een bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen te verschaffen dat gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste die nodig is om de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen gedurende de looptijd ervan te dragen.

Voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen wordt bij de bepaling van de kosten van dit bedrag hetzelfde percentage gehanteerd (het kapitaalkostenpercentage - COST-of-Capital rate) en dit percentage wordt periodiek herzien.

Het kapitaalkostenpercentage is gelijk aan de opslag op de relevante risicovrije rente die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou betalen die overeenkomstig afdeling 3 een bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen aanhoudt dat gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste die nodig is voor de verzekerings- en herverzekeringsverplichting gedurende de looptijd van die verplichting.

Artikel 78

Andere elementen die in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van technische voorzieningen

Naast hetgeen in artikel 77 is bepaald, nemen verzekerings- en herverzekerings-ondernemingen bij de berekening van technische voorzieningen het volgende in aanmerking:

1.

alle kosten die worden gemaakt bij het nakomen van verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen;

2.

inflatie, waaronder kosten- en claiminflatie;

3.

alle door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verwachte betalingen aan verzekeringnemers en begunstigden, waaronder toekomstige discretionaire winstdelingen, ongeacht of deze betalingen contractueel gegarandeerd zijn, tenzij ze onder artikel 91, lid 2, vallen.

Artikel 79

Waardering van financiële garanties en contractuele clausules in verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten

Bij de berekening van technische voorzieningen houden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen rekening met de waarde van financiële garanties en contractuele opties in verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten.

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hanteren met betrekking tot de kans dat verzekeringnemers gebruik zullen maken van bepaalde contractuele clausules, zoals voortijdige beëindiging of afkoop, realistische aannames die uitgaan van actuele en betrouwbare informatie. In de aannames wordt expliciet dan wel impliciet rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van toekomstige veranderingen in de financiële en niet-financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van deze opties.

Artikel 80

Onderverdeling

Bij de berekening van hun technische voorzieningen verdelen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hun verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen onder in homogene risicogroepen en ten minste in branches.

Artikel 81

Bedragen die op herverzekeringsovereenkomsten en Special Purpose Vehicles kunnen worden verhaald

Wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen de bedragen berekenen die op herverzekeringsovereenkomsten en Special Purpose Vehicles kunnen worden verhaald, worden de artikelen 76 tot en met 80 in acht genomen.

Bij de berekening van de bedragen die op herverzekeringsovereenkomsten en Special Purpose Vehicles kunnen worden verhaald, houden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen rekening met het tijdsverschil tussen verhaalde bedragen en rechtstreekse betalingen.

De uitkomst van deze berekening wordt gecorrigeerd voor de verwachte verliezen door wanbetaling van de tegenpartij. Deze correctie wordt gebaseerd op een beoordeling van de kans op wanbetaling door de tegenpartij en het daaruit resulterende gemiddelde verlies („loss-given-default”).

Artikel 82

Gegevenskwaliteit en gebruik van benaderingen, met inbegrip van ad hoc methoden voor technische voorzieningen

De lidstaten zorgen ervoor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beschikken over interne processen en procedures om de adequaatheid, volledigheid en juistheid te waarborgen van de gegevens waarvan gebruik wordt gemaakt bij de berekening van hun technische voorzieningen.

Indien in specifieke omstandigheden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen over onvoldoende degelijke gegevens beschikken om een betrouwbare actuariële methode toe te passen op een set of subset van hun verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen of op bedragen die op herverzekeringsovereenkomsten en Special Purpose Vehicles kunnen worden verhaald, mogen passende benaderingen, met inbegrip van ad hoc methoden, worden gebruikt voor de berekening van de beste schatting.

Artikel 83

Toetsing aan de praktijkervaring

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beschikken over processen en procedures die ervoor zorgen dat de beste schattingen en de aannames voor de berekening van de beste schattingen regelmatig worden getoetst aan de praktijkervaring.

Wanneer bij deze toetsing blijkt dat de door verzekerings- of herverzekeringsonderneming verrichte berekeningen van de beste schatting systematisch afwijken van de praktijkervaring, corrigeert de betrokken onderneming de gehanteerde actuariële methoden en/of aannames naar behoren.

Artikel 84

Toereikendheid van technische voorzieningen

Op verzoek van de toezichthoudende autoriteiten tonen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan dat hun technische voorzieningen toereikend zijn, dat de gehanteerde methoden toepasselijk en relevant zijn en dat de onderliggende statistische gegevens adequaat zijn.

Artikel 85

Verhoging van technische voorzieningen

Wanneer de berekening van technische voorzieningen door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen niet voldoet aan de artikelen 76 tot en met 83, mogen de toezichthoudende autoriteiten deze ondernemingen verplichten om de technische voorzieningen zodanig te verhogen dat deze overeenkomen met het overeenkomstig deze artikelen vastgestelde niveau.

Artikel 86

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen tot vaststelling van het volgende:

a)

actuariële en statistische methoden voor de berekening van de in artikel 77, lid 2, bedoelde beste schatting;

b)

de relevante risicovrije rentetermijnstructuur die moet worden gehanteerd bij de berekening van de in artikel 77, lid 2, bedoelde beste schatting;

c)

de omstandigheden waaronder technische voorzieningen als geheel worden berekend of als som van een beste schatting en een risicomarge, en de te hanteren methoden wanneer technische voorzieningen als geheel worden berekend;

d)

de methoden en aannames die gehanteerd moeten worden bij de berekening van de risicomarge, waaronder de bepaling van het bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen dat nodig is voor de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen en de calibratie van het kapitaalkostenpercentage;

e)

de branches op basis waarvan verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen voor de berekening van technische voorzieningen moeten worden onderverdeeld;

f)

de normen waaraan moet worden voldaan om de adequaatheid, volledigheid en juistheid te waarborgen van de gegevens die gebruikt worden bij de berekening van technische voorzieningen, alsmede de specifieke omstandigheden waarin benaderingen, met inbegrip van ad hoc methoden voor de berekening van de beste schatting toelaatbaar zijn;

g)

de methoden die moeten worden gehanteerd bij de berekening van de in artikel 81 bedoelde correctie voor wanbetaling van een tegenpartij om rekening te houden met de verwachte verliezen die daarvan het gevolg zijn;

h)

zo nodig vereenvoudigde methoden en technieken voor de berekening van technische voorzieningen, om ervoor te zorgen dat de onder a) en d) bedoelde actuariële en statistische methoden evenredig zijn aan de aard, omvang en complexiteit van de risico’s die door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met inbegrip van verzekerings- en herverzekeringscaptives, worden gedragen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Afdeling 3

Eigen vermogen

Onderafdeling 1

Bepaling van het eigen vermogen

Artikel 87

Eigen vermogen

Het eigen vermogen is de som van het in artikel 88 bedoelde kernvermogen en het in artikel 89 bedoelde aanvullend vermogen.

Artikel 88

Kernvermogen

Kernvermogen bestaat uit de volgende bestanddelen:

1.

het positieve verschil van activa ten opzichte van verplichtingen, die gewaardeerd zijn overeenkomstig artikel 75 en afdeling 2;

2.

achtergestelde verplichtingen.

Het in punt 1) bedoelde verschil wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden gehouden.

Artikel 89

Aanvullend vermogen

1.   Aanvullend vermogen bestaat uit bestanddelen die geen kernvermogen vormen en die kunnen worden opgevraagd om verliezen te compenseren.

Aanvullend vermogen kan bestaan uit de volgende bestanddelen, voor zover deze geen kernvermogen vormen:

a)

niet-gestort aandelen- of waarborgkapitaal dat niet is opgevraagd;

b)

kredietbrieven en garanties;

c)

andere juridisch bindende verplichtingen jegens de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

Bij onderlinge waarborgmaatschappijen en onderlinge verzekeringsmaatschappijen met variabele premies kan het aanvullend vermogen ook de suppletiebijdragen omvatten die zij van hun leden kunnen eisen binnen de volgende twaalf maanden.

2.   Wanneer een aanvullendvermogensbestanddeel gestort of opgevraagd is, wordt het behandeld als een actief en maakt het geen deel meer uit van het aanvullend vermogen.

Artikel 90

Goedkeuring van de toezichthoudende autoriteit voor aanvullend vermogen

1.   Het bedrag aan aanvullend vermogen dat bij de bepaling van het eigen vermogen in aanmerking wordt genomen, wordt vooraf door de toezichthoudende autoriteit goedgekeurd.

2.   Het bedrag toegewezen aan elk aanvullendvermogensbestanddeel moet het vermogen van het bestanddeel om verliezen te compenseren weerspiegelen en is gebaseerd op prudente en realistische aannames. Indien een aanvullendvermogensbestanddeel een vaste nominale waarde heeft, is het bedrag van dat bestanddeel gelijk aan zijn nominale waarde, mits het het vermogen van het bestanddeel om verliezen te compenseren weerspiegelt.

3.   De toezichthoudende autoriteiten geven goedkeuring voor een van het volgende:

a)

een financieel bedrag voor elk aanvullendvermogensbestanddeel;

b)

een methode om het bedrag van elk aanvullendvermogensbestanddeel te bepalen. In dit geval verleent de toezichthoudende autoriteit slechts voor een bepaalde periode goedkeuring voor het bedrag dat overeenkomstig deze methode is vastgesteld.

4.   Bij elk aanvullendvermogensbestanddeel baseren de toezichthoudende autoriteiten hun goedkeuring op een beoordeling van het volgende:

a)

de positie van de betrokken tegenpartijen, in verband met hun mogelijkheid en bereidheid te betalen;

b)

de invorderbaarheid van het vermogensbestanddeel, waarbij rekening wordt gehouden met de rechtsvorm van het bestanddeel en met de omstandigheden waaronder het bestanddeel niet zal kunnen worden gestort of opgevraagd;

c)

informatie over de afloop van eerdere opvragingen door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van dergelijk aanvullend vermogen, voor zover die informatie op betrouwbare wijze kan worden gebruikt om de verwachte afloop van toekomstige opvragingen te beoordelen.

Artikel 91

Surplusfondsen

1.   Surplusfondsen worden geacht geaccumuleerde winsten te zijn die niet aan de verzekeringnemers en begunstigden beschikbaar zijn gesteld.

2.   Voor zover de nationale wetgeving het toestaat, worden niet als verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen beschouwd wanneer deze voldoen aan de criteria vastgelegd in artikel 94, lid 1.

Artikel 92

Uitvoeringsmaatregelen

1.   De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin nadere invulling wordt gegeven aan:

a)

de criteria voor goedkeuring van de toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 90;

b)

de behandeling van deelnemingen in de zin van artikel 212, lid 2, derde alinea, in financiële en kredietinstellingen bij de bepaling van het eigen vermogen.

Deze maatregelen die boegen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

2.   Deelnemingen in financiële en kredietinstellingen als bedoeld in lid 1, onder b), bestaan uit:

a)

deelnemingen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in:

i)

kredietinstellingen en financiële instellingen in de zin van artikel 4, punten 1) en 5), van Richtlijn 2006/48/EG;

ii)

beleggingsondernemingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1), van Richtlijn 2004/39/EG;

b)

de in artikel 63 en artikel 64, lid 3, van Richtlijn 2006/48/EG bedoelde achtergestelde vorderingen en instrumenten van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met betrekking tot de onder a) genoemde entiteiten waarin zij een deelneming hebben.

Onderafdeling 2

Indeling van het eigen vermogen

Artikel 93

Kenmerken en elementen voor de indeling van eigen vermogen in tiers

1.   Eigenvermogensbestanddelen worden in drie tiers ingedeeld. De indeling van deze bestanddelen is afhankelijk van de vraag of ze kernvermogens- of aanvullendvermogensbestanddelen zijn en de mate waarin ze de volgende kenmerken bezitten:

a)

het bestanddeel blijft, ook bij liquidatie, beschikbaar of kan op verzoek opgevraagd worden om verliezen volledig te compenseren (permanente beschikbaarheid);

b)

bij liquidatie is het gehele bedrag van het bestanddeel beschikbaar om verliezen te compenseren en wordt de terugbetaling van het bestanddeel aan de houder ervan geweigerd totdat alle andere verplichtingen, waaronder verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen jegens verzekeringnemers en begunstigden van verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten, zijn nagekomen (achterstelling).

2.   Bij de beoordeling van de mate waarin de eigenvermogensbestanddelen, op dit moment en in de toekomst, de kenmerken bezitten die zijn vastgelegd onder a) en b) van lid 1, wordt voldoende rekening gehouden met de duur van het bestanddeel, met name of het bestanddeel gedateerd is of niet. Wanneer een eigenvermogensbestanddeel gedateerd is, moet rekening worden gehouden met de relatieve duur van het bestanddeel in vergelijking met de duur van de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen van de onderneming (voldoende looptijd).

Bovendien worden de volgende elementen in de beschouwing betrokken:

a)

of het bestanddeel vrij is van vereisten of stimulansen om de nominale som terug te betalen (afwezigheid van stimulansen voor terugbetaling);

b)

of het bestanddeel vrij is van verplichte vermogenskosten (afwezigheid van verplichte inherente kosten);

c)

of het bestanddeel niet bezwaard is (afwezigheid van bezwaringen).

Artikel 94

Belangrijkste criteria voor de indeling in tiers

1.   Kernvermogen wordt ingedeeld in Tier 1 wanneer het in hoge mate de kenmerken van artikel 93, lid 1, onder a) en b) bezit, rekening houdend met de elementen vastgelegd in artikel 93, lid 2.

2.   Kernvermogen wordt ingedeeld in Tier 2 wanneer het in hoge mate de kenmerken van artikel 93, lid 1, onder b) bezit, rekening houdend met de elementen vastgelegd in artikel 93, lid 2.

Aanvullende eigenvermogensbestanddelen worden ingedeeld in Tier 2 wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 93, lid 1, onder a) en b) bezitten, rekening houdend met de elementen vastgelegd in artikel 93, lid 2.

3.   Kern- en aanvullende eigenvermogensbestanddelen die niet onder de leden 1 en 2 vallen, worden ingedeeld in Tier 3.

Artikel 95

Indeling van het eigen vermogen in tiers

De lidstaten zorgen ervoor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hun eigenvermogensbestanddelen op basis van de criteria van artikel 94 indelen.

Daartoe verwijzen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in voorkomend geval naar het in artikel 97, lid 1, onder a), bedoelde overzicht van eigenvermogensbestanddelen.

Wanneer een eigenvermogensbestanddeel niet in dit overzicht voorkomt, wordt het overeenkomstig de eerste alinea beoordeeld en ingedeeld door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Deze indeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende autoriteit.

Artikel 96

Indeling van bepaalde eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen

Onverminderd artikel 95 en artikel 97, lid 1, punt a), gelden voor de toepassing van deze richtlijn de volgende indelingen:

1.

surplusfondsen die onder artikel 91, lid 2, vallen, worden ingedeeld in Tier 1;

2.

kredietbrieven en garanties die door een onafhankelijke trustee ten behoeve van schuldeisers uit hoofde van verzekering in trust worden gehouden en afgegeven zijn door kredietinstellingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG vergunning is verleend, worden ingedeeld in Tier 2;

3.

suppletiebijdragen welke onderlinge waarborgmaatschappijen of onderlinge verzekeringsmaatschappijen van reders met variabele premies die uitsluitend de in branches 6, 12 en 17 van deel A van de bijlage I genoemde risico’s verzekeren, van hun leden kunnen eisen binnen de volgende twaalf maanden, worden ingedeeld in Tier 2.

Overeenkomstig artikel 94, lid 2, tweede alinea, worden suppletiebijdragen welke onderlinge waarborgmaatschappijen of onderlinge verzekeringsmaatschappijen met variabele premies van hun leden kunnen eisen binnen de volgende twaalf maanden, die niet onder punt 3 van de eerste alinea vallen, ingedeeld in Tier 2, wanneer zij in hoge mate de kenmerken van artikel 93, lid 1, onder a) en b) bezitten, rekening houdend met de elementen vastgelegd in artikel 93, lid 2.

Artikel 97

Uitvoeringsmaatregelen

1.   De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen tot vaststelling van het volgende:

a)

een overzicht van eigenvermogensbestanddelen, met inbegrip van die welke bedoeld worden in artikel 96, die geacht worden aan de criteria van artikel 94 te voldoen. Het bevat voor elk eigenvermogensbestanddeel een nauwkeurige beschrijving van de elementen die de indeling ervan hebben bepaald;

b)

de methoden die de toezichthoudende autoriteiten moeten hanteren bij de verlening van goedkeuring voor de beoordeling en indeling van eigenvermogensbestanddelen die niet in het onder a) bedoelde overzicht voorkomen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

2.   De Commissie toetst het in lid 1, onder a), bedoelde overzicht periodiek aan de marktontwikkelingen en werkt deze zo nodig bij.

Onderafdeling 3

In aanmerking komend eigen vermogen

Artikel 98

In aanmerking komend eigen vermogen en grenzen met betrekking tot de tiers 1, 2 en 3

1.   Wat de naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste betreft, gelden voor de in aanmerking komende bedragen van de bestanddelen van Tier 2 en Tier 3 kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig dat gewaarborgd wordt dat ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in aanmerking komend eigen vermogen is meer dan een derde van het totale in aanmerking komend eigen vermogen;

b)

het in aanmerking komende bedrag van Tier 3-bestanddelen is minder dan een derde van het totale in aanmerking komend eigen vermogen.

2.   Wat de naleving van het minimumkapitaalvereiste betreft, geldt dat het bedrag van de in Tier 2 ingedeelde, in aanmerking komende kernvermogensbestanddelen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste is gebonden aan kwantitatieve grenzen. Die grenzen zijn zodanig dat ten minste gewaarborgd wordt dat het aandeel van Tier 1-bestanddelen in het in aanmerking komend kernvermogen meer is dan de helft van het totale in aanmerking komend kernvermogen.

3.   Het in aanmerking komend bedrag van het eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste overeenkomstig artikel 100 is gelijk aan de som van het bedrag van Tier 1, het in aanmerking komend bedrag van Tier 2 en het in aanmerking komend bedrag van Tier 3.

4.   Het in aanmerking komend bedrag van het kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste overeenkomstig artikel 128 is gelijk aan de som van het bedrag van Tier 1 en het in aanmerking komend bedrag van de in Tier 2 ingedeelde kernvermogensbestanddelen.

Artikel 99

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan tot vaststelling van het volgende:

a)

de kwantitatieve grenzen als bedoeld in artikel 98, leden 1 en 2;

b)

de aanpassingen die moeten worden gedaan om rekening te houden met het gebrek aan overdraagbaarheid van die eigenvermogensbestanddelen die enkel kunnen worden gebruikt ter dekking van verliezen in verband met een bepaald onderdeel van de verplichtingen of bepaalde risico’s (afgezonderde fondsen).

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Afdeling 4

solvabiliteitskapitaalvereiste

Onderafdeling 1

algemene voorschriften voor de bepaling van het solvabiliteitskapitaalvereiste met de standaardformule of met een intern model

Artikel 100

Algemeen

De lidstaten stellen verplicht dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in aanmerking komend eigen vermogen aanhouden ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste.

Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt hetzij overeenkomstig de standaardformule van onderafdeling 2 hetzij met een in onderafdeling 3 beschreven intern model berekend.

Artikel 101

Berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste

1.   Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 berekend.

2.   Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van de veronderstelling dat de onderneming haar bedrijf blijvend zal uitoefenen.

3.   Het solvabiliteitskapitaalvereiste wordt zo gekalibreerd dat rekening gehouden wordt met alle kwantificeerbare risico’s waaraan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming blootstaat. Het dekt bestaande verzekeringen, alsmede nieuwe verzekeringen die naar verwachting in de volgende twaalf maanden worden afgesloten. Bij de bestaande activiteiten dekt het uitsluitend onverwachte verliezen.

Het stemt overeen met de Value at Risk (VaR) van het kernvermogen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met een betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode van één jaar.

4.   De solvabiliteitskapitaalvereiste omvat ten minste de volgende risico’s:

a)

schadeverzekeringstechnisch risico;

b)

levensverzekeringstechnisch risico;

c)

ziektekostenverzekeringstechnisch risico;

d)

marktrisico;

e)

kredietrisico;

f)

operationeel risico.

Tot de in de eerste alinea, onder f), bedoelde operationele risico’s worden ook juridische risico’s gerekend, maar niet risico’s die voortvloeien uit strategische beslissingen en reputatie risico’s.

5.   Bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste houden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen rekening met het effect van risicolimiteringstechnieken, mits in het solvabiliteitskapitaalvereiste naar behoren rekening wordt gehouden met krediet- en andere risico’s die voortvloeien uit het gebruik van dergelijke technieken.

Artikel 102

Berekeningsfrequentie

1.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen berekenen het solvabiliteitskapitaal-vereiste ten minste eenmaal per jaar en melden de toezichthoudende autoriteiten de uitkomst van deze berekening.

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen houden in aanmerking komend eigen vermogen aan dat het laatst gemelde solvabiliteitskapitaalvereiste dekt.

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen controleren het bedrag van het in aanmerking komend eigen vermogen en het solvabiliteitskapitaalvereiste continu.

Indien het risicoprofiel van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de aannames die ten grondslag lagen aan het laatst gemelde solvabiliteitskapitaalvereiste, berekent de betrokken onderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste onverwijld opnieuw en meldt zij het aan de toezichthoudende autoriteiten.

2.   Wanneer er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk veranderd is sinds de datum waarop het solvabiliteitskapitaalvereiste voor het laatst is gemeld, mogen de toezichthoudende autoriteiten de betrokken onderneming verplichten het solvabiliteitskapitaalvereiste opnieuw te berekenen.

Onderafdeling 2

solvabiliteitskapitaalvereiste - standaardformule

Artikel 103

Samenstelling van de standaardformule

Het solvabiliteitskapitaalvereiste berekend op basis van de standaardformule is de som van de volgende bestanddelen:

a)

het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste zoals beschreven in artikel 104;

b)

het kapitaalvereiste voor het operationele risico, zoals beschreven in artikel 107;

c)

de correctie voor het verliescompensatievermogen van technische voorzieningen en uitgestelde belastingen, zoals beschreven in artikel 108.

Artikel 104

Opzet van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste

1.   Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste bestaat uit afzonderlijke risicomodules die overeenkomstig punt 1 van bijlage IV geaggregeerd worden.

Het bestaat uit ten minste de volgende modules:

a)

schadeverzekeringstechnisch risico;

b)

levensverzekeringstechnisch risico;

c)

ziektekostenverzekeringstechnisch risico;

d)

marktrisico;

e)

tegenpartijrisico.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), b) en c), worden verzekerings- en herverzekeringsverrichtingen ondergebracht in de verzekeringstechnische risicomodule die het best rekening houdt met de technische aard van de onderliggende risico’s.

3.   De correlatiecoëfficiënten voor de in lid 1 bedoelde aggregatie van de risicomodules, alsook de calibratie van de kapitaalvereisten voor elke risicomodule afzonderlijk resulteert in een algeheel solvabiliteitskapitaalvereiste dat voldoet aan de beginselen van artikel 101.

4.   Elk van de in lid 1 genoemde risicomodules wordt gekalibreerd aan de hand van een VaR-maatstaf met een betrouwbaarheidsgraad van 99,5 % over een periode van één jaar.

In voorkomend geval wordt bij de opzet van een risicomodule rekening gehouden met diversificatie-effecten.

5.   Voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen worden voor de risicomodules dezelfde opzet en specificaties gebruikt, zowel wat het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste als de in artikel 109 bedoelde vereenvoudigde berekeningen betreft.

6.   Wat risico’s in verband met rampen betreft, mogen geografische specificaties in voorkomend geval worden gebruikt voor de berekening van de modules voor levens-, schade- en ziektekostenverzekeringstechnische risico’s.

7.   Mits de toezichthoudende autoriteiten ermee instemmen, mogen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen bij de berekening van de modules voor levens-, schade- en ziektekostenverzekeringstechnische risico binnen de opzet van de standaardformule een onderset van de parameters ervan vervangen door parameters die kenmerkend zijn voor de betrokken onderneming.

Dergelijke parameters worden gekalibreerd op basis van de interne gegevens van de betrokken onderneming of van gegevens die rechtstreeks relevantie hebben voor de verrichtingen van de desbetreffende onderneming die gebruikmaakt van standaardmethoden.

Bij de verlening van goedkeuring controleren de toezichthoudende autoriteiten de volledigheid, juistheid en adequaatheid van de gebruikte gegevens.

Artikel 105

Berekening van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste

1.   Het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste wordt overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 berekend.

2.   De module schadeverzekeringstechnisch risico houdt rekening met het risico dat voortvloeit uit schadeverzekeringsverplichtingen en dat betrekking heeft op de gedekte gevaren en de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast.

Er wordt rekening gehouden met de onzekerheid in de resultaten van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met betrekking tot de bestaande verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen, alsmede met betrekking tot de nieuwe verzekeringen die naar verwachting in de komende twaalf maanden worden afgesloten.

Overeenkomstig punt 2 van bijlage IV wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende ondermodules:

a)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het tijdstip, de frequentie en de ernst van verzekerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen (premie- en voorzieningenrisico in de schadeverzekeringsbranche);

b)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over de prijsstelling en de aannames voor de voorzieningen in verband met extreme of uitzonderlijke gebeurtenissen (rampenrisico in de schadeverzekeringsbranche).

3.   De module levensverzekeringstechnisch risico houdt rekening met het risico dat voortvloeit uit levensverzekeringsverplichtingen en dat betrekking heeft op de gedekte gevaren en de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast.

Overeenkomstig punt 3 van bijlage IV wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende ondermodules:

a)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door veranderingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van sterftecijfers wanneer een stijging van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen (kortlevenrisico);

b)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door veranderingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van sterftecijfers wanneer een daling van het sterftecijfer leidt tot een stijging van de waarde van verzekeringsverplichtingen (langlevenrisico);

c)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door veranderingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van invaliditeits-, ziekte- en morbiditeitscijfers (invaliditeits- en morbiditeitsrisico);

d)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door veranderingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de kosten voor het nakomen van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten (kostenrisico in de levensverzekeringsbranche);

e)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de op de lijfrente toegepaste herzieningspercentages als gevolg van veranderingen in het wettelijk kader of in de gezondheidstoestand van de verzekerde (herzieningsrisico);

f)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door veranderingen in het niveau of de volatiliteit van de percentages van voortijdige beëindiging, beëindiging, verlenging of afkoop van de overeenkomst (afkooprisico);

g)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over de prijsstelling en de aannames voor de voorzieningen in verband met extreme of onregelmatige gebeurtenissen (rampenrisico in de levensverzekeringsbranche).

4.   De module ziektekostenverzekeringstechnisch risico houdt rekening met het risico dat voortvloeit uit ziektekostenverzekeringsverplichtingen ongeacht of hij een soortgelijke technische grondslag heeft als die van levensverzekeringen, en heeft betrekking op zowel de gedekte gevaren als de processen die in het kader van de bedrijfsuitoefening worden toegepast.

Het dekt in elk geval de volgende risico’s:

a)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door veranderingen in het niveau, de trend of de volatiliteit van de kosten voor het nakomen van verzekerings- of herverzekeringsovereenkomsten;

b)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door schommelingen in het tijdstip, de frequentie en de ernst van verzekerde gebeurtenissen en in het tijdstip en het bedrag van schaderegelingen ten tijde van de vorming van de voorzieningen;

c)

het risico op verliezen of op een ongunstige verandering in de waarde van verzekeringsverplichtingen door duidelijke onzekerheid over de prijsstelling en de aannames voor de voorzieningen in verband met de uitbraak van grote epidemieën en door een ongebruikelijke accumulatie van risico’s onder dergelijke extreme omstandigheden.

5.   De module marktrisico houdt rekening met het risico dat voortvloeit uit het niveau of de volatiliteit van de marktprijzen van financiële instrumenten die van invloed zijn op de activa en verplichtingen van de onderneming. Het houdt naar behoren rekening met de structurele mismatch tussen activa en verplichtingen, met name wat betreft de looptijd ervan.

Overeenkomstig punt 4 van bijlage IV wordt de module berekend als een combinatie van de kapitaalvereisten voor ten minste de volgende ondermodules:

a)

de gevoeligheid van de waarde van activa, verplichtingen en financiële instrumenten voor veranderingen in de rentetermijnstructuur of in de volatiliteit van de rente (renterisico);

b)

de gevoeligheid van de waarde van activa, verplichtingen en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de marktprijzen van aandelen (aandelenrisico);

c)

de gevoeligheid van de waarde van activa, verplichtingen en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de marktprijzen van vastgoed (vastgoedrisico);

d)

de gevoeligheid van de waarde van activa, verplichtingen en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van de kredietspreiding boven de risicovrije rentetermijnstructuur (spreadrisico);

e)

de gevoeligheid van de waarde van activa, verplichtingen en financiële instrumenten voor veranderingen in het niveau of in de volatiliteit van wisselkoersen (valutarisico);

f)

extra risico’s die een verzekerings- of herverzekeringsonderneming loopt hetzij door een gebrek aan diversificatie in de activaportefeuille hetzij door een sterke blootstelling aan het risico van wanbetaling van een enkele emittent van effecten of een groep van verbonden emittenten (marktrisicoconcentraties).

6.   De module tegenpartijrisico houdt rekening met potentiële verliezen als gevolg van onverwachte wanbetaling of een verslechtering van de kredietwaardigheid van de tegenpartijen en debiteuren van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de volgende twaalf maanden. Zij omvat risicolimiteringsovereenkomsten, zoals herverzekeringsovereenkomsten, securitisaties en afgeleide instrumenten, alsook kortlopende vorderingen op tussenpersonen en andere kredietvorderingen die niet onder de ondermodule spreadrisico vallen. De module houdt op passende wijze rekening met zekerheden of andere waarborgen die worden gehouden door of voor rekening van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de ermee gepaard gaande risico’s.

De module tegenpartijrisico houdt voor elke tegenpartij rekening met de algehele blootstelling van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan dit tegenpartijrisico, ongeacht de rechtsvorm van diens contractuele verplichtingen jegens deze onderneming.

Artikel 106

Berekening van de ondermodule aandelenrisico: symmetrisch aanpassingsmechanisme

1.   De ondermodule aandelenrisico die wordt berekend met de standaardformule omvat een symmetrische aanpassing van de aandelenkapitaaleis om het risico te dekken dat voortvloeit uit wijzigingen van de aandelenprijzen.

2.   De symmetrische aanpasing van de standaard aandelenkapitaaleis, die gekalibreerd zijn in overeenstemming met artikel 104, lid 4, ter dekking van de risico’s die voortvloeien uit wijzigingen van de aandelenprijzen, is gebaseerd op een functie van de huidige stand van een passende aandelenindex en een gewogen gemiddelde stand van die index. Het gewogen gemiddelde wordt berekend over een passende periode die dezelfde is voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.

3.   De symmetrische aanpassing van de standaard aandelenkapitaaleis, ter dekking van de risico’s die voortvloeien uit wijzigingen van de aandelenprijzen, resulteert niet in een aandelenkapitaaleis die meer dan 10 procentpunten lager of 10 procentpunten hoger dan de standaard aandelenkapitaaleis is.

Artikel 107

Kapitaalvereiste voor het operationele risico

1.   Het kapitaalvereiste voor het operationele risico houdt rekening met de operationele risico’s voor zover daarmee al geen rekening is gehouden in de risicomodules die in artikel 104 worden genoemd. Dit vereiste wordt gekalibreerd overeenkomstig artikel 101, lid 3.

2.   Bij levensverzekeringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemers, wordt in de berekening van het kapitaalvereiste voor het operationele risico rekening gehouden met het bedrag aan jaarlijkse kosten dat voor deze verzekeringsverplichtingen wordt gemaakt.

3.   Bij andere dan de in lid 2 bedoelde verzekerings- en herverzekeringstransacties wordt in de berekening van het kapitaalvereiste voor het operationele risico rekening gehouden met het volume van deze transacties wat betreft verdiende premies en technische voorzieningen die in verband met deze verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen worden aangehouden. In dit geval bedraagt het kapitaalvereiste voor de operationele risico’s niet meer dan 30 % van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste in verband met deze verzekerings- en herverzekeringstransacties.

Artikel 108

Correctie voor het vermogen van technische voorzieningen en uitgestelde belastingen om verliezen te compenseren

Bij de in artikel 103, onder c), bedoelde correctie voor het vermogen van technische voorzieningen en uitgestelde belastingen om verliezen te compenseren, wordt rekening gehouden met de potentiële compensatie van onverwachte verliezen door middel van een verlaging van de technische voorzieningen of uitgestelde belastingen dan wel een combinatie van de twee.

Bij deze correctie wordt rekening gehouden met het risicolimiteringseffect van toekomstige discretionaire uitkeringen uit hoofde van verzekeringsovereenkomsten voor zover verzekerings- en herverzekeringsondernemingen kunnen bepalen dat dergelijke uitkeringen mogen worden verlaagd om onverwachte verliezen te dekken. Het risicolimiteringseffect van toekomstige discretionaire uitkeringen bedraagt niet meer dan de som van de technische voorzieningen en uitgestelde belastingen in verband met deze toekomstige beschikbare uitkeringen.

Voor de toepassing van de tweede alinea wordt de waarde van de toekomstige discretionaire uitkeringen onder ongunstige omstandigheden vergeleken met de waarde van dergelijke uitkeringen bij de aannames die aan de berekening van de beste schatting ten grondslag liggen.

Artikel 109

Vereenvoudigingen in de standaardformule

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen mogen voor een bepaalde ondermodule of risicomodule een vereenvoudigde berekening toepassen wanneer dit op grond van de aard, omvang en complexiteit van hun risico’s billijk is en het onevenredig zou zijn om alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te verplichten om de standaardberekening toe te passen.

Vereenvoudigde berekeningen worden gekalibreerd overeenkomstig artikel 101, lid 3.

Artikel 110

Duidelijke afwijkingen van de aannames die aan de standaardformule voor de berekening ten grondslag liggen

Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet kan worden berekend volgens de standaardformule van onderafdeling 2, omdat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de aannames die ten grondslag liggen aan de standaardformule voor de berekening, mogen de toezichthoudende autoriteiten de betrokken onderneming in een met redenen omklede beslissing verplichten bij de berekening van de levens-, schade- en ziektekostenverzekeringstechnische risicomodules binnen de standaardformule een onderset van de parameters ervan vervangen door parameters die eigen zijn aan die onderneming, als bepaald in artikel 104, lid 7. Die specifieke parameters worden op zodanige wijze berekend dat gewaarborgd wordt dat de onderneming voldoet aan artikel 101, lid 3.

Artikel 111

Uitvoeringsmaatregelen

1.   Om ervoor te zorgen dat alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die het solvabiliteitskapitaalvereiste op basis van de standaardformule berekenen, gelijk worden behandeld, of om rekening te houden met marktontwikkelingen neemt de Commissie uitvoeringsmaatregelen aan tot vaststelling van het volgende:

a)

een standaardformule overeenkomstig de bepalingen van artikelen 101 en 103 tot en met 109;

b)

ondermodules die nodig zijn of die de risico’s die onder de risicomodules van artikel 104 vallen nauwkeuriger dekken, en latere bijstellingen ervan;

c)

de methoden, aannames en standaardparameters die gebruikt moeten worden bij de berekening van elk van de risicomodules of ondermodules van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste zoals beschreven in de artikelen 104, 105 en 304, het symmetrisch aanpassingsmechanisme en de passende periode, uitgedrukt in het aantal maanden, als bedoeld in artikel 106 alsmede de passende benadering voor de integratie van de in artikel 304 bedoelde methode in verband met het gebruik van deze methode in het solvabiliteitskapitaalvereiste als berekend volgens de standaardformule;

d)

de correlatieparameters, zo nodig met inbegrip van de in bijlage IV bedoelde parameters en de procedures om deze parameters bij te stellen;

e)

wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen risicolimiteringstechnieken hanteren, de methoden en aannames die gebruikt moeten worden voor de beoordeling van de veranderingen in het risicoprofiel van de betrokken onderneming en voor de correctie van de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste;

f)

de kwalitatieve criteria waaraan de onder e) bedoelde risicolimiteringstechnieken moeten voldoen om er zeker van te zijn dat het risico daadwerkelijk is overgedragen aan een derde partij;

g)

de methoden en parameters die gebruikt moeten worden voor de beoordeling van het kapitaalvereiste voor het operationele risico zoals beschreven in artikel 107, met inbegrip van het in artikel 107, lid 3, bedoelde percentage;

h)

de methoden en aanpassingen die gebruikt moeten worden om aan te geven dat er minder ruimte is voor risicodiversificatie voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in verband met afgezonderde fondsen;

i)

de methode die gebruikt moeten worden bij de berekening van de correctie voor het vermogen van technische voorzieningen of uitgestelde belastingen om verliezen te compenseren, zoals vastgelegd in artikel 108;

j)

de onderset van standaardparameters in de modules voor levens-, schade- en ziektekostenverzekeringstechnische risico’s die vervangen mogen worden door ondernemingsspecifieke parameters zoals beschreven in artikel 104, lid 7;

k)

de standaardmethoden die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet gebruiken voor de berekening van de ondernemingsspecifieke parameters als bedoeld onder j), en de criteria voor de volledigheid, juistheid en adequaatheid van de gebruikte gegevens waaraan moet worden voldaan voordat de toezichthoudende autoriteiten goedkeuring verlenen;

l)

de vereenvoudigde berekeningen voor specifieke ondermodules en risicomodules, alsook de criteria die verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met inbegrip van verzekerings- en herverzekeringscaptives, in acht moeten nemen om een van de in artikel 109 bedoelde vereenvoudigingen te mogen toepassen;

m)

de benadering die moet worden gebruikt met betrekking tot dochterondernemingen in de zin van artikel 212 bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste, met name bij de berekening van de ondermodule aandelenrisico als bedoeld in artikel 105, lid 5, rekening houdend met de waarschijnlijke afname van de volatiliteit van de waarde van die dochterondernemingen die voortvloeit uit de strategische aard van die investeringen en de invloed die wordt uitgeoefend door de deelnemende onderneming op die dochterondernemingen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

2.   De Commissie mag uitvoeringsmaatregelen aannemen tot vaststelling van kwantitatieve grenzen en criteria voor de bepaling van de in aanmerking komende activa om te voorkomen dat bepaalde risico’s niet voldoende worden gedekt door een ondermodule. Dergelijke uitvoeringsmaatregelen zijn van toepassing op tegenover technische voorzieningen staande activa, met uitzondering van activa die aangehouden worden voor levensverzekeringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico wordt gedragen door de verzekeringnemer. Die maatregelen worden door de Commissie herzien in het licht van de ontwikkelingen in de standaardformule en de financiële markten.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Onderafdeling 3

Solvabiliteitskapitaalvereiste - geheel en gedeeltelijk interne modellen

Artikel 112

Algemene voorschriften voor de goedkeuring van geheel en gedeeltelijk interne modellen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen het solvabiliteitskapitaalvereiste mogen berekenen met behulp van een geheel of gedeeltelijk intern model dat goedgekeurd is door de toezichthoudende autoriteiten.

2.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen mogen gedeeltelijk interne modellen gebruiken voor de berekening van een of meer van het volgende:

a)

een of meer risicomodules of ondermodules van het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste als genoemd in de artikelen 104 en 105;

b)

het kapitaalvereiste voor het operationele risico, zoals beschreven in artikel 107;

c)

de in artikel 108 bedoelde correctie.

Voorts mogen deelmodellen worden gebruikt voor het gehele bedrijf van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen of voor slechts een of meer belangrijke bedrijfsonderdelen.

3.   Bij een aanvraag voor goedkeuring dienen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ten minste gegevens die bewijzen dat het interne model voldoet aan de vereisten van de artikelen 120 tot en met 125.

Wanneer een zodanige aanvraag betrekking heeft op een gedeeltelijk intern model, worden de vereisten van de artikelen 120 tot en met 125 aangepast om rekening te houden met het beperkte toepassingsgebied van het model.

4.   De toezichthoudende autoriteiten nemen binnen zes maanden na ontvangst van de volledige aanvraag een beslissing over de aanvraag.

5.   De toezichthoudende autoriteiten verlenen alleen goedkeuring voor de aanvraag, als zij ervan overtuigd zijn dat de risico-onderkennings-, -meet-, -bewakings-, -beheer- en -rapportagesystemen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming deugdelijk zijn, en zij er met name van overtuigd zijn dat het interne model aan de vereisten van lid 3 voldoet.

6.   Een beslissing van de toezichthoudende autoriteiten om de aanvraag voor het gebruik van een intern model af te wijzen, wordt met redenen omkleed.

7.   Na van de toezichthoudende autoriteiten goedkeuring te hebben gekregen voor het gebruik van een intern model, kan van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, in een met redenen omkleed besluit, worden geëist dat zij een schatting verstrekken van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardformule van onderafdeling 2.

Artikel 113

Specifieke voorschriften voor de goedkeuring van gedeeltelijk interne modellen

1.   Bij een gedeeltelijk intern model verlenen de toezichthoudende autoriteiten alleen goedkeuring als dit model voldoet aan de vereisten van artikel 112 en aan de volgende aanvullende voorwaarden:

a)

de onderneming geeft een goede verklaring voor het beperkte toepassingsgebied van het model;

b)

het resulterende solvabiliteitskapitaalvereiste vormt een betere afspiegeling van het risicoprofiel van de onderneming en voldoet met name aan de grondslagen van onderafdeling 1;

c)

de opzet ervan sluit zodanig aan bij de grondslagen van onderafdeling 1 dat het gedeeltelijk interne model volledig kan worden geïntegreerd in de standaardformule voor het solvabiliteitskapitaalvereiste.

2.   Bij de beoordeling van een aanvraag voor het gebruik van een gedeeltelijk intern model dat slechts bepaalde ondermodules van een bepaalde risicomodule, of een aantal bedrijfsonderdelen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met betrekking tot een bepaalde risicomodule of delen van beide bestrijkt, mogen de toezichthoudende autoriteiten de betrokken verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verplichten tot de indiening van een realistisch overgangsplan om het toepassingsgebied van het model uit te breiden.

Het overgangsplan vermeldt hoe verzekerings- en herverzekeringsondernemingen het toepassingsgebied van het model zodanig denken uit te breiden tot andere ondermodules of bedrijfsonderdelen dat daarmee het belangrijkste deel van hun verzekeringstransacties met betrekking tot deze specifieke risicomodule wordt bestreken.

Artikel 114

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin nadere invulling wordt gegeven aan:

1.

de te volgen procedure voor de goedkeuring van een intern model;

2.

de aanpassingen in de normen van de artikelen 120 tot en met 125 om rekening te houden met het beperkte toepassingsgebied van het gedeeltelijk interne model.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 115

Gedragslijn voor de wijziging van geheel of gedeeltelijk interne modellen

In het kader van de eerste goedkeuringsprocedure voor een intern model keuren de toezichthoudende autoriteiten de gedragslijn voor de wijziging van het model van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming goed. Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen mogen hun interne model overeenkomstig deze gedragslijn wijzigen.

In de gedragslijn wordt aangegeven welke wijzigingen in het interne model ingrijpend en welke niet-ingrijpend zijn.

Ingrijpende wijzigingen in het interne model en wijzigingen in de gedragslijn worden altijd vooraf door de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 112 goedgekeurd.

Niet-ingrijpende wijzigingen in het interne model worden niet vooraf door de toezichthoudende autoriteiten goedgekeurd voor zover deze in overeenstemming zijn met de gedragslijn.

Artikel 116

Verantwoordelijkheden van de bestuurlijke, beleidsbepalende of toezichthoudende organen

De bestuurlijke, beleidsbepalende of toezichthoudende organen van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verlenen goedkeuring voor de indiening bij de toezichthoudende autoriteiten van de in artikel 112 bedoelde aanvraag voor goedkeuring van het interne model en de aanvraag voor goedkeuring van latere ingrijpende wijzigingen in dit model.

Het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan draagt de verantwoordelijkheid voor de invoering van systemen die ervoor zorgen dat het interne model naar behoren blijft werken.

Artikel 117

Terugkeer naar de standaardformule

Na overeenkomstig artikel 112 goedkeuring te hebben gekregen, vallen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen voor de berekening van het gehele of een deel van het solvabiliteitskapitaalvereiste niet terug op de standaardformule van onderafdeling 2, tenzij daarvoor goede redenen zijn en de bevoegde autoriteiten ermee akkoord gaan.

Artikel 118

Niet-naleving van de vereisten inzake het interne model

1.   Als verzekerings- en herverzekeringsondernemingen nadat ze van de toezichthoudende autoriteiten goedkeuring hebben gekregen voor het gebruik van een intern model, de vereisten van de artikelen 120 tot en met 125 niet meer naleven, dienen zij onverwijld bij de toezichthoudende autoriteiten hetzij een plan in om de situatie binnen een redelijke termijn te herstellen, hetzij informatie in waaruit blijkt dat dit geen noemenswaardige gevolgen heeft.

2.   Ingeval verzekerings- en herverzekeringsondernemingen het in lid 1 bedoelde plan niet uitvoeren, mogen de toezichthoudende autoriteiten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verplichten om het solvabiliteitskapitaalvereiste weer volgens de standaardformule van onderafdeling 2 te berekenen.

Artikel 119

Duidelijke afwijkingen van de aannames die aan de standaardformule voor de berekening ten grondslag liggen

Wanneer het solvabiliteitskapitaalvereiste beter niet kan worden berekend volgens de standaardformule van onderafdeling 2, omdat het risicoprofiel van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming duidelijk afwijkt van de aannames die ten grondslag liggen aan de standaardformule voor de berekening, mogen de toezichthoudende autoriteiten de betrokken onderneming in een met redenen omklede beslissing verplichten om een intern model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste of de relevante risicomodules daarvan te gebruiken.

Artikel 120

Gebruikstest

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen tonen aan dat het interne model algemeen wordt gebruikt in en een belangrijke rol speelt bij hun governancesysteem als bedoeld in de artikelen 41 tot en met 50, en met name

a)

hun Risk managementsysteem als beschreven in artikel 44 en hun besluitvormingsprocedures;

b)

hun procedures voor de beoordeling en allocatie van het economisch en solvabiliteitskapitaal, waaronder de in artikel 45 bedoelde beoordeling.

Voorts tonen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan dat de frequentie waarmee het solvabiliteitskapitaalvereiste met het interne model wordt berekend, aansluit bij de frequentie waarmee zij hun interne model gebruiken voor de andere in de eerste alinea vermelde doeleinden.

Het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan is er verantwoordelijk voor dat de opzet en werking van het interne model correct blijft en dat het risicoprofiel van de betrokken verzekerings- en herverzekeringsondernemingen correct tot uiting blijft komen in het interne model.

Artikel 121

Statistische kwaliteitsnormen

1.   Het interne model, en met name de berekening van de kansverdelingsprognose die eraan ten grondslag ligt, voldoet aan de criteria van de leden 2 tot en met 9.

2.   De methoden die gebruikt worden voor de berekening van de kansverdelingsprognose, berusten op deugdelijke, toepasselijke en relevante actuariële en statistische methoden en sluiten aan bij de methoden die gebruikt worden voor de berekening van technische voorzieningen.

De methoden die gebruikt worden voor de berekening van de kansverdelingsprognose, berusten op actuele en betrouwbare informatie en op realistische aannames.

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen kunnen tegenover de toezichthoudende autoriteiten de juistheid aantonen van de aannames die aan hun interne model ten grondslag liggen.

3.   Voor het interne model worden juiste, volledige en gepaste gegevens gebruikt.

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen werken de bij de berekening van de kansverdelingsprognose gebruikte gegevensbestanden ten minste eenmaal per jaar bij.

4.   Er wordt geen specifieke methode voor de berekening van de kansverdelingsprognose voorgeschreven.

Ongeacht de gekozen berekeningsmethode is het interne model voldoende in staat om risico’s zodanig te classificeren dat gewaarborgd is dat het overeenkomstig artikel 120 algemeen gebruikt wordt in en een belangrijke rol speelt in het governancesysteem van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, en met name in hun Risk managmentsysteem en besluitvormingsprocedures en bij hun allocatie van kapitaal.

Het interne model bestrijkt alle materiële risico’s waaraan verzekerings- en herverzekeringsondernemingen blootstaan. Interne modellen bestrijken in elk geval de risico’s die in artikel 101, lid 4, worden genoemd.

5.   Wat de diversificatie-effecten betreft, mogen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in hun interne model rekening houden met afhankelijkheden binnen risicocategorieën en dwars door risicocategorieën heen, mits de toezichthoudende autoriteiten overtuigd zijn van de deugdelijkheid van het systeem dat gebruikt wordt voor de meting van deze diversificatie-effecten.

6.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen mogen volledig rekening houden met het effect van risicolimiteringstechnieken in hun interne modellen, zolang krediet- en andere risico’s die voortvloeien uit het gebruik van deze technieken correct tot uiting komen in het interne model.

7.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beoordelen in hun model de bijzondere risico’s die verbonden zijn aan financiële garanties en contractuele clausules, wanneer deze van wezenlijk belang zijn. Ook beoordelen zij de risico’s die verbonden zijn aan clausules waarvan de verzekeringnemer gebruik kan maken, en aan contractuele clausules voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen. Daartoe houden zij rekening met de mogelijke gevolgen van toekomstige veranderingen in de financiële en niet-financiële omstandigheden voor de gebruikmaking van deze clausules.

8.   In hun interne model mogen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen rekening houden met beheeractiviteiten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij die onder bepaalde omstandigheden zullen verrichten.

In het in de eerste alinea bedoelde geval houdt de betrokken onderneming rekening met de tijd die nodig is voor de uitvoering van dergelijke activiteiten.

9.   In hun interne model houden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen rekening met alle door hen verwachte betalingen aan verzekeringnemers en begunstigden, ongeacht of deze contractueel gegarandeerd zijn.

Artikel 122

Kalibratienormen

1.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen mogen voor de interne modellering een andere periode of risicomaatstaf hanteren dan die welke in artikel 101, lid 3, worden genoemd, zolang deze ondernemingen de output van het interne model maar kunnen gebruiken voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste op een wijze die verzekeringnemers en begunstigden een bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van artikel 101.

2.   Waar dit uitvoerbaar is, leiden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen aan de hand van de VaR-maatstaf van artikel 101, lid 3, het solvabiliteitskapitaalvereiste rechtstreeks af uit de kansverdelingsprognose die hun interne model oplevert.

3.   Wanneer verzekerings- en herverzekeringsondernemingen het solvabiliteitskapitaalvereiste niet rechtstreeks kunnen afleiden uit de kansverdelingsprognose die hun interne model oplevert, mogen de toezichthoudende autoriteiten toestaan dat bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste benaderingen gebruikt worden, zolang deze ondernemingen maar tegenover de toezichthoudende autoriteiten kunnen aantonen dat verzekeringnemers een bescherming wordt geboden die gelijkwaardig is aan die van artikel 101.

4.   De toezichthoudende autoriteiten mogen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen verplichten om binnen hun interne model gebruik te maken van relevante benchmarkportefeuilles en van aannames die niet zozeer berusten op interne als wel op externe gegevens, teneinde de calibratie van het interne model te controleren en na te gaan of de specificatie ervan in overeenstemming is met de vaste marktpraktijk.

Artikel 123

Toeschrijving van winsten en verliezen

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen evalueren ten minste eenmaal per jaar voor elk bedrijfsonderdeel de oorzaken en bronnen van winsten en verliezen.

Zij tonen aan op welke wijze de categorisatie van risico’s in hun interne model de oorzaken en bronnen van winsten en verliezen verklaart. De categorisatie van risico’s en de toeschrijving van winsten en verliezen weerspiegelen het risicoprofiel van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.

Artikel 124

Valideringsnormen

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen voorzien in een regelmatige modelvalideringscyclus waarbij de prestatie van het interne model wordt gecontroleerd, de voortdurende deugdelijkheid van de specificatie ervan wordt herbeoordeeld en de uitkomsten ervan aan de praktijkervaring worden getoetst.

Het modelvalideringsproces omvat een doeltreffende statistische procedure voor de validering van het interne model waarmee verzekerings- en herverzekeringsondernemingen tegenover de toezichthoudende autoriteiten kunnen aantonen dat de resulterende kapitaalvereisten deugdelijk zijn.

De toegepaste statistische methode toetst de deugdelijkheid van de kansverdelingsprognose niet alleen aan de feitelijke verlieservaring, maar ook aan alle materiële nieuwe gegevens en daaraan gerelateerde informatie.

Het modelvalideringsproces omvat een analyse van de stabiliteit van het interne model en met name een toetsing van de gevoeligheid van de uitkomsten van het interne model voor wijzigingen in de voornaamste onderliggende aannames. Het proces omvat ook een beoordeling van de juistheid, volledigheid en adequaatheid van de gegevens waarvan het interne model gebruik maakt.

Artikel 125

Documentatienormen

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen documenteren de opzet en operationele bijzonderheden van hun interne model.

Uit de documentatie blijkt dat de artikelen 120 tot en met 124 worden nageleefd.

In de documentatie wordt een gedetailleerd beeld geschetst van de theorie, de aannames en de wiskundige en empirische grondslagen van het interne model.

Eventuele omstandigheden waaronder het interne model niet doeltreffend werkt, worden in de documentatie vermeld.

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen documenteren alle in artikel 115 bedoelde ingrijpende wijzigingen in hun interne model.

Artikel 126

Externe modellen en gegevens

Het gebruik van een model of gegevens van een derde partij wordt geen goede reden geacht om af te wijken van de in de artikelen 120 tot en met 125 beschreven vereisten waaraan het interne model moet voldoen.

Artikel 127

Uitvoeringsmaatregelen

Om te zorgen voor een geharmoniseerde aanpak voor het gebruik van interne modellen in de gehele Gemeenschap en om de beoordeling van het risicoprofiel en de uitoefening van het bedrijf van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen te verbeteren, neemt de Commissie voor de artikelen 120 tot en met 126 uitvoeringsmaatregelen aan.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Afdeling 5

Minimumkapitaalvereiste

Artikel 128

Algemeen

De lidstaten stellen verplicht dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in aanmerking komend kernvermogen aanhouden ter dekking van het minimumkapitaalvereiste.

Artikel 129

Berekening van het minimumkapitaalvereiste

1.   Het minimumkapitaalvereiste wordt berekend overeenkomstig de volgende grondslagen:

a)

het wordt op een duidelijke en eenvoudige wijze berekend, en wel zodanig dat de berekening kan worden gecontroleerd;

b)

het komt overeen met een bedrag aan in aanmerking komend kernvermogen waaronder verzekeringnemers en begunstigden blootstaan aan een ontoelaatbaar risiconiveau, indien verzekerings- en herverzekeringsondernemingen hun activiteiten zouden mogen voortzetten;

c)

de in lid 2 bedoelde lineaire functie die wordt gebruikt ter berekening van het minimumkapitaalvereiste wordt gekalibreerd aan de VaR van het kernvermogen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met een betrouwbaarheidsgraad van 85 % over een periode van één jaar;

d)

het heeft een absolute ondergrens van:

i)

2 200 000 EUR voor schadeverzekeringsondernemingen, schadeverzekeringscaptives daaronder begrepen, met uitzondering van het geval waarin alle of sommige van de risico’s in een van de branches 10 tot en met 15 van deel A van bijlage 1 worden gedekt, in welk geval het niet geringer is dan 3 200 000 EUR,

ii)

3 200 000 EUR voor levensverzekeringsondernemingen, levensverzekeringscaptives daaronder begrepen,

iii)

3 200 000 EUR voor herverzekeringsondernemingen, met uitzondering van het geval van herverzekeringscaptives, in welk geval het niet geringer is dan 1 000 000 EUR,

iv)

de som van de in punt i) en punt ii) vermelde bedragen voor verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 73, lid 5.

2.   Onverminderd lid 3, wordt het minimumkapitaalvereiste berekend als een lineaire functie van een set of onderset van de volgende variabelen: de technische voorzieningen van de onderneming, geschreven premies, risico dragend kapitaal, uitgestelde belasting en administratieve uitgaven. De gebruikte variabelen worden gemeten onder aftrek van herverzekering.

3.   Onverminderd lid 1, punt d), mag het minimumkapitaalvereiste niet dalen onder 25 %, noch uitstijgen boven 45 %, van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de onderneming, berekend overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2 of 3, inclusief de eventueel overeenkomstig artikel 37 opgelegde opslagfactor.

De lidstaten staan hun toezichthoudende autoriteiten gedurende een periode die niet later eindigt dan 31 oktober 2014 toe te verlangen dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming de in de eerste alinea bedoelde percentages uitsluitend toepast op het overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2, berekende solvabiliteitskapitaalvereiste van de onderneming.

4.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen berekenen het minimumkapitaalvereiste ten minste eenmaal per kwartaal en melden de toezichthoudende autoriteiten de uitkomsten van deze berekening.

Indien het minimumkapitaalvereiste van een onderneming wordt bepaald door een van beide in lid 3 bedoelde grenswaarden, verstrekt de onderneming de toezichthoudende autoriteit de informatie die nodig is voor een deugdelijk inzicht in de redenen die hieraan ten grondslag liggen.

5.   Uiterlijk op 31 oktober 2017 legt de Commissie aan het Europees Parlement en het bij Besluit 2004/9/EG (35) ingestelde Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen een verslag voor over de voorschriften die de lidstaten en de werkwijzen die de toezichthoudende autoriteiten ter uitvoering van de leden 1 tot en met 4 hebben ingevoerd.

Dit verslag moet met name handelen over het gebruik en de hoogte van de bovengrens en benedengrens bedoeld in lid 3, alsmede over eventuele problemen waarmee de toezichthoudende autoriteiten en de ondernemingen te kampen hebben bij de toepassing van dit artikel.

Artikel 130

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie stelt uitvoeringsmaatregelen vast waarin nadere invulling wordt gegeven aan de berekening van het in de artikelen 128 en 129 bedoelde minimumkapitaalvereiste.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 131

Overgangsregeling voor de naleving van het minimumkapitaalvereiste

In afwijking van artikelen 139 en 144 voldoen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, wanneer zij op 31 oktober 2012 voldoen aan de vereiste solvabiliteitsmarge als bedoeld in artikel 28 van Richtlijn 2002/83/EG, artikel 16 bis van Richtlijn 73/239/EEG of artikel 37, 38 of 39 van Richtlijn 2005/68/EG, maar niet beschikken over voldoende in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste, uiterlijk op 31 oktober 2013 aan artikel 128.

Indien de betrokken onderneming binnen de in de eerste alinea genoemde periode niet voldoet aan artikel 128, wordt haar vergunning volgens de nationale wettelijke procedures ingetrokken.

Afdeling 6

Beleggingen

Artikel 132

„Prudent person”-beginsel

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen al hun activa beleggen overeenkomstig het in de leden 2, 3 en 4 beschreven „prudent person”-beginsel.

2.   Wat de gehele activaportefeuille betreft, beleggen verzekerings- en herverzekeringsondernemingen alleen in activa en instrumenten waarvan de betrokken onderneming de risico’s goed kan onderkennen, meten, bewaken, beheren, beheersen en rapporteren en houden zij bij de beoordeling terdege rekening met de algehele solvabiliteitseisen in overeenstemming met artikel 45, lid 1, tweede alinea, onder a).

Voorts worden alle activa, en met name die ter dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste, zodanig belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel gewaarborgd zijn. Bovendien worden de activa zodanig gelokaliseerd dat hun beschikbaarheid gewaarborgd is.

Activa die tegenover technische voorzieningen staan, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en looptijd van de verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen. Deze activa worden belegd in het belang van alle verzekeringnemers en begunstigden waarbij rekening wordt gehouden met alle verwoorde beleidsdoelstellingen.

Bij een belangenconflict zorgen verzekeringsondernemingen of de entiteit die hun activaportefeuille beheert, ervoor dat de belegging in het belang van verzekeringnemers en begunstigden wordt gedaan.

3.   Onverminderd lid 2 zijn de tweede, derde en vierde alinea van dit lid van toepassing op activa die aangehouden worden voor levensverzekeringsovereenkomsten waarbij het beleggingsrisico door de verzekeringnemers wordt gedragen.

Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voorziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van rechten van deelneming in een icbe zoals omschreven in Richtlijn 85/611/EEG, of aan de waarde van activa die zijn opgenomen in een door de verzekeringsondernemingen gehouden intern fonds, dat gewoonlijk in fracties is verdeeld, moeten de technische voorzieningen met betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt worden door deze rechten van deelneming of fracties, dan wel, indien geen fracties zijn gecreëerd, door deze activa.

Indien de uitkeringen waarin een overeenkomst voorziet, rechtstreeks gekoppeld zijn aan een aandelenindex of aan een andere referentiewaarde dan die bedoeld in de tweede alinea, moeten de technische voorzieningen met betrekking tot deze uitkeringen zo exact mogelijk gedekt worden door de fracties die geacht worden de referentiewaarde te vertegenwoordigen of, indien geen fracties zijn gecreëerd, door activa met een toereikende veiligheid en verhandelbaarheid die zo nauw mogelijk aansluiten bij die waarop de betrokken referentiewaarde is gebaseerd.

Wanneer de uitkeringen als bedoeld in de tweede en derde alinea een gegarandeerd rendement of een andere gegarandeerde uitkering behelzen, is lid 4 van toepassing op de activa die tegenover de desbetreffende aanvullende technische voorzieningen staan.

4.   Onverminderd lid 2 zijn de tweede tot en met vijfde alinea van dit lid van toepassing op andere activa dan die welke onder lid 3 vallen.

Het gebruik van afgeleide instrumenten is toegestaan, voor zover deze bijdragen tot een vermindering van de risico’s of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken.

Beleggingen en activa die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde financiële markt, worden tot een prudent niveau beperkt.

De activa worden naar behoren gediversifieerd zodanig dat een bovenmatige afhankelijkheid van een bepaald actief, een bepaalde emittent of groep van ondernemingen, of een bepaalde geografische ruimte en bovenmatige risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.

Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, stellen de verzekeringsondernemingen niet bloot aan bovenmatige risicoconcentratie.

Artikel 133

Beleggingsvrijheid

1.   De lidstaten verplichten verzekerings- en herverzekeringsondernemingen niet te beleggen in bepaalde categorieën activa.

2.   Lidstaten onderwerpen de beleggingsbeslissingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of haar vermogensbeheerder niet aan enige vorm van voorafgaande goedkeuring of verplichtingen tot systematische kennisgeving.

3.   Dit artikel laat onverlet dat lidstaten bepalingen mogen vaststellen ter beperking van de soorten activa of referentiewaarden waaraan verzekeringsuitkeringen zijn verbonden. Dergelijke regels zijn alleen van toepassing wanneer het beleggingsrisico wordt gedragen door een verzekeringnemer, die een natuurlijke persoon is en zij zijn niet restrictiever dan de regels die zijn vastgesteld in Richtlijn 85/611/EEG.

Artikel 134

Lokalisatie van activa en verbod op verstrekking van activa als zekerheden

1.   Met betrekking tot verzekeringsrisico’s gelegen in de Gemeenschap verplichten de lidstaten niet dat de activa die worden aangehouden tegenover de technische voorzieningen met betrekking tot deze risico’s, binnen de Gemeenschap of in een bepaalde lidstaat gelokaliseerd zijn.

Bovendien schrijven lidstaten met betrekking tot bedragen die uit hoofde van herverzekeringsovereenkomsten kunnen worden verhaald op ondernemingen waaraan overeenkomstig deze richtlijn een vergunning is verleend of die hun hoofdkantoor hebben in een derde land met een solvabiliteitsregeling die overeenkomstig artikel 172 gelijkwaardig wordt geacht, evenmin voor dat de activa die voor deze verhaalbare bedragen staan, binnen de Gemeenschap gelokaliseerd moeten zijn.

2.   De lidstaten mogen voor de vorming van technische voorzieningen geen systeem met brutovoorzieningen handhaven of invoeren waarbij activa als zekerheden moeten worden verstrekt ter dekking van de voorziening voor onverdiende premies en van de voorzieningen voor te betalen schaden indien de herverzekeraar een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is waaraan overeenkomstig deze richtlijn een vergunning is verleend.

Artikel 135

Uitvoeringsmaatregelen

1.   Om een uniforme toepassing van deze richtlijn te waarborgen, mag de Commissie uitvoeringsmaatregelen vaststellen met kwalitatieve vereisten op de volgende gebieden:

a)

het onderkennen, meten, bewaken, beheersen en rapporteren van risico’s die voortvloeien uit beleggingen met betrekking tot de eerste alinea van artikel 132, lid 2;

b)

het onderkennen, meten, bewaken, beheersen en rapporteren van specifieke risico’s die voortvloeien uit beleggingen in afgeleide instrumenten en in in de tweede alinea van artikel 132, lid 4, bedoelde activa.

2.   Teneinde de samenhang tussen de verschillende sectoren te waarborgen en een einde te maken aan het uiteenlopen van de belangen van ondernemingen die leningen „herverpakken” in verhandelbare effecten en andere financiële instrumenten (initiatoren) en de belangen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die beleggen in deze effecten of instrumenten, stelt de Commissie uitvoeringsmaatregelen vast ten aanzien van:

a)

de vereisten waaraan moet worden voldaan door de initiator opdat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming mag beleggen in deze effecten of instrumenten die zijn uitgegeven na 1 januari 2011, met inbegrip van vereisten die waarborgen dat de initiator een netto economisch belang aanhoudt van niet minder dan 5 %;

b)

kwalitatieve vereisten waaraan moet worden voldaan door de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die in deze effecten of instrumenten beleggen.

3.   Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

HOOFDSTUK VII

In moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen

Artikel 136

Constatering en kennisgeving door de verzekerings- en herverzekeringsonderneming van een verslechtering van de financiële omstandigheden

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen beschikken over procedures om een verslechtering van de financiële omstandigheden te constateren en stellen de toezichthoudende autoriteiten onmiddellijk in kennis wanneer zo’n verslechtering zich voordoet.

Artikel 137

Niet-naleving van vereisten inzake technische voorzieningen

Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk VI, afdeling 2, kunnen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de onderneming haar de vrije beschikking over de activa ontnemen, na de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten van ontvangst van hun voornemen op de hoogte te hebben gebracht. De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst bepaalt daarbij op welke activa deze maatregelen van toepassing zullen zijn.

Artikel 138

Niet naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste

1.   Zodra verzekerings- en herverzekeringsondernemingen constateren dat niet meer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, of wanneer het gevaar dreigt dat er in de drie volgende maanden niet aan wordt voldaan, stellen zij de toezichthoudende autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis.

2.   Binnen twee maanden na de constatering dat niet wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, dient de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming bij de toezichthoudende autoriteit een realistisch saneringsplan ter goedkeuring in.

3.   De toezichthoudende autoriteit verplicht de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming om de nodige maatregelen te treffen om binnen zes maanden na de constatering dat het solvabiliteitskapitaalvereiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.

De toezichthoudende autoriteit mag deze periode zo nodig met drie maanden verlengen.

4.   Bij een uitzonderlijke koersdaling op de financiële markten kan de toezichthoudende autoriteit de in lid 3, tweede alinea, bedoelde periode verlengen met een passende periode, rekening houdend met alle relevante factoren.

De betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient om de drie maanden een voortgangsverslag in bij de toezichthoudende autoriteit waarin wordt aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen en welke vooruitgang er is geboekt om het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.

De in de eerste alinea bedoelde verlenging wordt ingetrokken als uit dat voortgangsverslag blijkt dat er geen duidelijke vooruitgang is geboekt bij het weer op peil brengen van het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste of bij het zodanig verlagen van het risicoprofiel dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste tussen de datum waarop is geconstateerd dat niet meer werd voldaan aan het solvabiliteitskapitaalverseiste en de datum van indiening van het voortgangsverslag.

5.   In uitzonderlijke omstandigheden kan de toezichthoudende autoriteit, indien zij van oordeel is dat de financiële positie van de betrokken onderneming nog verder zal verslechteren, eveneens de vrije beschikking over de activa van deze onderneming beperken of ontnemen. Deze toezichthoudende autoriteit stelt de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten van ontvangst in kennis van alle genomen maatregelen. Deze autoriteiten treffen op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst dezelfde maatregelen. De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst bepaalt daarbij op welke activa deze maatregelen van toepassing zullen zijn.

Artikel 139

Niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste

1.   Zodra verzekerings- en herverzekeringsondernemingen constateren dat niet meer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste, of wanneer het gevaar dreigt dat er in de drie volgende maanden niet aan wordt voldaan, stellen zij de toezichthoudende autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis.

2.   Binnen een maand na de constatering dat niet meer wordt voldaan het minimumkapitaalvereiste, dient de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming bij de toezichthoudende autoriteit ter goedkeuring een realistisch financieel kortetermijnplan in om het in aanmerkend komend kernvermogen binnen drie maanden na deze constatering op het niveau van het minimumkapitaalvereiste terug te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat weer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste.

3.   Voorts kan de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst de vrije beschikking over de activa van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming beperken of ontnemen. Zij brengt de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten van ontvangst daarvan op de hoogte. Deze autoriteiten treffen op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst dezelfde maatregelen. De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst bepaalt daarbij op welke activa deze maatregelen van toepassing zullen zijn.

Artikel 140

Verbod op de vrije beschikking over de op het grondgebied van een lidstaat gelokaliseerde activa

Wanneer de lidstaat van herkomst van de onderneming in de in de artikelen 137 tot en met 139 en artikel 144, lid 2, bedoelde gevallen daarom verzoekt, treffen de lidstaten overeenkomstig nationale wetgeving de nodige maatregelen om de vrije beschikking over de op hun grondgebied gelokaliseerde activa te kunnen ontnemen. De lidstaat van herkomst bepaalt daarbij op welke activa deze maatregelen van toepassing zullen zijn.

Artikel 141

Bevoegdheden van toezichthoudende autoriteiten bij de verslechtering van financiële omstandigheden

Onverminderd de artikelen 138 en 139 hebben de toezichthoudende autoriteiten bij een aanhoudende verslechtering van de solvabiliteitspositie van de onderneming de bevoegdheid om alle nodige maatregelen te treffen om in het geval van verzekeringsovereenkomsten de belangen van verzekeringnemers, alsook de verplichtingen uit hoofde van herverzekeringsovereenkomsten te beschermen.

Deze maatregelen zijn proportioneel en weerspiegelen derhalve de omvang en duur van de verslechtering van de solvabiliteitspositie van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

Artikel 142

Saneringsplan en financieel plan

1.   Het in artikel 138, lid 2, bedoelde saneringsplan en het in artikel 139, lid 2, bedoelde financieel plan bevatten ten minste de volgende gegevens of bewijsstukken:

a)

de te verwachten beheerskosten, met name lopende algemene kosten en provisies;

b)

een prognose van de ontvangsten en uitgaven, zowel wat het directe verzekeringsbedrijf en de geaccepteerde herverzekeringen als de cessies uit hoofde van herverzekering betreft;

c)

een opgave van de te verwachten balanspositie;

d)

een raming van de financiële middelen ter dekking van de technische voorzieningen en het solvabiliteits- en het minimumkapitaalvereiste;

e)

het algemene herverzekeringsbeleid.

2.   Indien de toezichthoudende autoriteiten op grond van lid 1 van dit artikel een saneringsplan als bedoeld in artikel 138, lid 2, of een financieel plan als bedoeld in artikel 139, lid 2, hebben verlangd, onthouden zij zich van de afgifte van een certificaat overeenkomstig artikel 39, zolang zij van mening zijn dat de rechten van de verzekeringnemers of de contractuele verplichtingen van de herverzekeringsonderneming in het gedrang komen.

Artikel 143

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin wordt aangegeven met welke factoren rekening wordt gehouden, met het oog op de toepassing van artikel 138, lid 4, met inbegrip van de maximale passende periode, uitgedrukt in totaal aantal maanden, die dezelfde is voor alle verzekerings- of herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 138, lid 4, eerste alinea.

Ter bevordering van de convergentie mag de Commissie uitvoeringsmaatregelen aannemen waarin nadere invulling wordt gegeven aan het in artikel 138, lid 2, bedoelde saneringsplan, het in artikel 139, lid 2 bedoelde financieel plan, alsmede aan artikel 141, waarbij ernaar gestreefd wordt procyclische effecten te vermijden.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing bedoeld in artikel 301, lid 3.

Artikel 144

Intrekking van de vergunning

1.   De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst kan een aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verleende vergunning in de volgende gevallen intrekken:

a)

de betrokken onderneming maakt geen gebruik van de vergunning binnen twaalf maanden, doet uitdrukkelijk afstand van de vergunning of heeft gedurende meer dan zes maanden haar werkzaamheden gestaakt, tenzij de vergunning volgens de bepalingen van de betrokken lidstaat in deze gevallen vervalt;

b)

de betrokken onderneming voldoet niet meer aan de vergunningsvoorwaarden;

c)

de betrokken onderneming schiet ernstig tekort in de verplichtingen die voortvloeien uit de op haar van toepassing zijnde regelgeving.

De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst trekt een aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verleende vergunning in indien de onderneming niet voldoet aan het minimumkapitaalvereiste en de toezichthoudende autoriteit het financieel plan duidelijk inadequaat acht, of indien de betrokken onderneming er niet in slaagt om binnen drie maanden na de constatering dat niet meer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste, het goedgekeurde financieel plan te volgen.

2.   Wanneer de vergunning wordt ingetrokken of vervalt, stelt de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst de toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaten daarvan in kennis. Deze autoriteiten treffen passende maatregelen om te beletten dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming op hun grondgebied nieuwe werkzaamheden aanvangt.

De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst neemt samen met deze autoriteiten alle passende maatregelen om de belangen van de verzekerden te beschermen, en beperkt met name de vrije beschikking over de activa van de verzekeringsonderneming overeenkomstig artikel 140.

3.   Een besluit tot intrekking van de vergunning is vermeldt alle gronden en wordt ter kennis van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming gebracht.

HOOFDSTUK VIII

Recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten

Afdeling 1

Vestiging van verzekeringsondernemingen

Artikel 145

Voorwaarden voor het vestigen van een bijkantoor

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een verzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen, de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis stelt.

Met een bijkantoor wordt gelijkgesteld: elke duurzame aanwezigheid van een onderneming op het grondgebied van een lidstaat, ook indien die aanwezigheid niet de vorm heeft van een bijkantoor, maar enkel bestaat uit een bureau, beheerd door eigen personeel van de onderneming of door een zelfstandig persoon die echter gemachtigd is duurzaam voor die onderneming op te treden zoals een agentschap zou doen.

2.   De lidstaten verlangen dat een verzekeringsonderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen, de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld doet gaan van de volgende gegevens:

a)

de naam van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij het bijkantoor wenst te vestigen;

b)

haar programma van werkzaamheden, waarin ten minste de aard van de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld;

c)

de naam van een persoon aan wie voldoende bevoegdheden zijn verleend om de verzekeringsonderneming of, in het geval van Lloyd’s, de betrokken „underwriters” te verbinden ten opzichte van derden en te vertegenwoordigen en om haar of hen tegenover de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaat van ontvangst te vertegenwoordigen. (hierna „algemeen gevolmachtigde” genoemd);

d)

het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd en afgeleverd, waaronder de mededelingen aan de algemeen gevolmachtigde.

In het geval van Lloyd’s mogen zich bij eventuele geschillen in de lidstaat van ontvangst welke voortvloeien uit aangegane verbintenissen, voor de verzekerden geen grotere moeilijkheden voordoen dan bij vergelijkbare geschillen met klassieke verzekeraars.

3.   Ingeval een schadeverzekeringsonderneming haar bijkantoor de risico’s wil laten dekken die zijn ingedeeld in branche 10 in deel A van bijlage I, met uitzondering van de wettelijke aansprakelijkheid van de vervoerder, moet zij een verklaring overleggen waarin staat dat zij is toegetreden tot het nationale bureau en het nationale garantiefonds van de lidstaat van ontvangst.

4.   In geval van wijziging van de inhoud van een van de overeenkomstig lid 2, onder b), c) en d), verstrekte gegevens, stelt de verzekeringsonderneming de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van het bijkantoor schriftelijk van de betreffende wijziging in kennis, zulks ten minste een maand vóór de toepassing van de wijziging, zodat de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van het bijkantoor overeenkomstig artikel 146 hun onderscheiden verplichtingen kunnen vervullen.

Artikel 146

Mededeling van informatie

1.   Tenzij de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst, gelet op het betrokken project, redenen hebben om te twijfelen aan de deugdelijkheid van het governancesysteem of aan de financiële positie van de verzekeringsonderneming of de betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen overeenkomstig artikel 42 van de algemeen gevolmachtigde, doen zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in artikel 145, lid 2, bedoelde informatie mededeling van deze informatie aan de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stellen zij de betrokken verzekeringsonderneming daarvan in kennis.

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst verklaren tevens dat de verzekeringsonderneming het vereiste solvabiliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste dekt zoals berekend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 100 en 129.

2.   Wanneer de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst weigeren de in artikel 145, lid 2, bedoelde informatie mee te delen aan de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, delen zij de redenen van deze weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle informatie aan de betrokken verzekeringsonderneming mee.

Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst.

3.   Voordat het bijkantoor van de verzekeringsonderneming met zijn werkzaamheden aanvangt, delen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in voorkomend geval binnen twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie, aan de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst de voorwaarden, verband houdende met het algemeen belang, mede waaronder deze werkzaamheden in de lidstaat van ontvangst moeten worden uitgeoefend. De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst geeft deze informatie door aan de betrokken verzekeringsonderneming.

De verzekeringsonderneming kan het bijkantoor bepalen en met de werkzaamheden aanvangen vanaf de datum waarop de toezichthoudende activiteit van de lidstaat van herkomst deze mededeling heeft ontvangen of, indien zo’n mededeling niet werd ontvangen, bij het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde periode.

Afdeling 2

Vrij verrichten van diensten door verzekeringsondernemingen

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 147

Voorafgaande kennisgeving aan de lidstaat van herkomst

Een verzekeringsonderneming die voornemens is haar werkzaamheden voor het eerst in het kader van het vrij verrichten van diensten in één of meer lidstaten uit te oefenen, stelt de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan vooraf in kennis, met opgave van de aard van de risico’s of verbintenissen die zij wenst aan te gaan.

Artikel 148

Kennisgeving door de lidstaat van herkomst

1.   De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen binnen één maand na de in artikel 147 bedoelde kennisgeving de lidstaat of lidstaten op het grondgebied waarvan een verzekeringsonderneming voornemens is in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaamheden uit te oefenen, de volgende informatie toekomen:

a)

een verklaring waaruit blijkt dat de verzekeringsonderneming het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste dekt zoals berekend overeenkomstig de artikelen 100 en 129;

b)

de verzekeringsbranches die de verzekeringsonderneming mag uitoefenen;

c)

de aard van de risico’s of verbintenissen die de verzekeringsonderneming voornemens is aan te gaan in de lidstaat van ontvangst.

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst stelt, tegelijkertijd de betrokken verzekeringsonderneming in kennis van die mededeling.

2.   De lidstaten op wier grondgebied een schadeverzekeringsonderneming voornemens is, in het kader van het vrij verrichten van diensten, de in branche 10 in deel A van bijlage I ingedeelde risico’s te dekken, met uitzondering van de wettelijke aansprakelijkheid van de vervoerder, mogen eisen dat de verzekeringsonderneming het volgende toezendt:

a)

naam en adres van de vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder h);

b)

een verklaring waarin staat dat zij is toegetreden tot het nationale bureau en het nationale garantiefonds van de lidstaat van ontvangst.

3.   Wanneer de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst de in lid 1 bedoelde informatie niet meedelen binnen de daarin gestelde termijn, delen zij de redenen van deze weigering binnen diezelfde termijn aan de verzekeringsonderneming mee.

Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst.

4.   De verzekeringsonderneming mag haar werkzaamheden aanvangen vanaf de datum waarop haar bericht is gegeven van de in lid 1, eerste alinea, bedoelde mededeling.

Artikel 149

Wijzigingen in de aard van de risico’s of verbintenissen

Wanneer een verzekeringsonderneming voornemens is in de in artikel 145 bedoelde informatie een wijziging aan te brengen, volgt zij daartoe de procedure van de artikelen 147 en 148.

Onderafdeling 2

Wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen

Artikel 150

Verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen

1.   Wanneer een schadeverzekeringsonderneming, via een vestiging in een bepaalde lidstaat, dekking verleent voor een in branche 10 in deel A van bijlage I ingedeeld risico in een andere lidstaat, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, verlangt de lidstaat van ontvangst van deze onderneming dat zij toetreedt tot en bijdraagt aan de financiering van zijn nationale bureau en het nationale garantiefonds.

2.   De in lid 1 bedoelde financiële bijdrage wordt alleen gedaan voor de in het kader van de dienstverrichting gedekte risico’s van branche 10 in deel A van bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder. Deze bijdrage wordt berekend op dezelfde grondslag als geldt voor schadeverzekeringsondernemingen die voor deze risico’s vanuit een vestiging in deze lidstaat dekking verlenen.

De berekening geschiedt op basis van de premie-inkomsten van de verzekeringsonderneming uit die branche in de lidstaat van ontvangst of het aantal daar gedekte risico’s in deze branche.

3.   De lidstaat van ontvangst mag van een verzekeringsonderneming verlangen dat haar diensten voldoen aan de voorschriften van deze lidstaat inzake dekking van verzwaarde risico’s, voor zover die voorschriften ook van toepassing zijn op de daar gevestigde schadeverzekeringsondernemingen.

Artikel 151

Non-discriminatie van personen die een vordering indienen

De lidstaat van ontvangst verplicht de schadeverzekeringsonderneming ervoor te zorgen dat het feit dat zij in het kader van dienstverrichting dekking voor een risico van branche 10 in deel A van bijlage I verleent, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, er niet toe leidt dat personen die een vordering, ontstaan uit voorvallen die zich op het grondgebied van deze staat hebben voorgedaan, indienen, in een nadeliger positie verkeren dan wanneer de onderneming vanuit een vestiging aldaar werkzaam zou zijn.

Artikel 152

Vertegenwoordiger

1.   Voor de in artikel 151 genoemde doeleinden verlangt de lidstaat van ontvangst van de schadeverzekeringsonderneming dat zij een op zijn grondgebied woonachtige of gevestigde vertegenwoordiger aanstelt, die alle nodige informatie over vorderingen vergaart, en over voldoende bevoegdheden beschikt om de onderneming te vertegenwoordigen tegenover personen die schade hebben geleden en een vordering kunnen indienen - met inbegrip van de betaling van dergelijke vorderingen - en deze onderneming te vertegenwoordigen of zo nodig te laten vertegenwoordigen voor de rechter en de autoriteiten van die lidstaat in verband met deze vorderingen.

Ook mag deze vertegenwoordiger worden verplicht de schadeverzekeringsonderneming bij de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst te vertegenwoordigen wanneer het gaat om de controle op het bestaan en de geldigheid van verzekeringsovereenkomsten voor wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen.

2.   De lidstaat van ontvangst mag de vertegenwoordiger niet verplichten zich namens de schadeverzekeringsonderneming die hem heeft aangesteld, bezig te houden met andere dan de in lid 1 genoemde werkzaamheden.

3.   De aanstelling van de vertegenwoordiger wordt niet beschouwd als de opening van een bijkantoor in de zin van artikel 145.

4.   Indien de verzekeringsonderneming heeft nagelaten een vertegenwoordiger aan te wijzen, kunnen de lidstaten toestaan dat de krachtens artikel 4 van Richtlijn 2000/26/EG aangewezen schaderegelaar de functie van een krachtens lid 1 van dit artikel aangewezen vertegenwoordiger vervult.

Afdeling 3

Bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

Onderafdeling 1

Verzekering

Artikel 153

Taal

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst mogen verlangen dat de informatie die zij mogen vragen over het bedrijf van de verzekeringsondernemingen die op het grondgebied van deze lidstaat werkzaam zijn, hun in de officiële taal of talen van deze lidstaat wordt verstrekt.

Artikel 154

Voorafgaande kennisgeving en voorafgaande goedkeuring

1.   De lidstaat van ontvangst stelt geen bepalingen vast waarin de voorafgaande goedkeuring of de systematische mededeling wordt geëist van de algemene en bijzondere voorwaarden van verzekeringsovereenkomsten, tarieven of, in het geval van levensverzekeringen, de met name voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondslagen en de formulieren en andere documenten waarvan een verzekeringsonderneming gebruik wil maken in haar betrekkingen met de verzekeringnemers.

2.   Voor het toezicht op de naleving van zijn nationale bepalingen betreffende verzekeringsovereenkomsten mag de lidstaat van ontvangst van een verzekeringsonderneming die op zijn grondgebied het verzekeringsbedrijf wenst uit te oefenen, slechts een niet-systematische mededeling van deze voorwaarden of andere documenten verlangen zonder dat dit vereiste voor de verzekeringsonderneming een voorwaarde vooraf voor de uitoefening van haar werkzaamheden vormt.

3.   De lidstaat van ontvangst mag niet vasthouden aan of overgaan tot invoering van een vereiste voor voorafgaande kennisgeving of goedkeuring van voorgenomen tariefverhogingen, behalve dan als onderdeel van een algemeen prijscontrolesysteem.

Artikel 155

Verzekeringsondernemingen die niet aan de wettelijke voorschriften voldoen

1.   Indien de toezichthoudende autoriteiten van een lidstaat van ontvangst vaststellen dat een verzekeringsonderneming die een bijkantoor op het grondgebied van deze lidstaat heeft of daar in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaam is, zich niet houdt aan de rechtsvoorschriften die in deze lidstaat op haar van toepassing zijn, verzoeken zij de betrokken verzekeringsonderneming een einde te maken aan deze onregelmatigheid.

2.   Indien de betrokken verzekeringsonderneming niet het nodige doet, stellen de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken lidstaat de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

Deze toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst treffen onverwijld alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de betrokken verzekeringsonderneming een einde maakt aan de onregelmatigheid.

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst brengen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst op de hoogte van de getroffen maatregelen.

3.   Indien de verzekeringsonderneming ondanks de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen of omdat die maatregelen ontoereikend blijken te zijn of in het geheel niet worden getroffen in die lidstaat, inbreuk blijft maken op de in de lidstaat van ontvangst geldende wettelijke voorschriften, kunnen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, na de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte te hebben gebracht, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te sanctioneren met inbegrip van, voor zover zulks volstrekt noodzakelijk is, het de onderneming beletten op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst nog nieuwe verzekeringsovereenkomsten te sluiten.

De lidstaten zorgen ervoor dat de voor dergelijke maatregelen noodzakelijke kennisgevingen op hun grondgebied aan de verzekeringsondernemingen kunnen worden betekend.

4.   De leden 1, 2 en 3 laten de bevoegdheid van de betrokken lidstaten onverlet om passende noodmaatregelen te treffen om onregelmatigheden op hun grondgebied te voorkomen en te sanctioneren. Zo kunnen zij onder meer een verzekeringsonderneming beletten op hun grondgebied nog nieuwe verzekeringsovereenkomsten te sluiten.

5.   De leden 1, 2 en 3 laten de bevoegdheid van de lidstaten onverlet om inbreuken op hun grondgebied te bestraffen.

6.   Indien de verzekeringsonderneming die een inbreuk heeft gepleegd, in de betrokken lidstaat een vestiging heeft of er goederen bezit, kunnen de toezichthoudende autoriteiten van deze lidstaat, overeenkomstig de nationale wetgeving, de voor deze inbreuk vastgestelde nationale administratieve sancties ten uitvoer leggen ten aanzien van deze vestiging of deze goederen.

7.   Een op grond van de leden 2 tot en met 6 genomen maatregel die beperkingen van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf inhoudt, moet met redenen worden omkleed en ter kennis van de betrokken verzekeringsonderneming worden gebracht.

8.   Een verzekeringsonderneming legt aan de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst op hun verzoek alle voor de toepassing van de leden 1 tot en met 7 gevraagde documenten over, voor zover ook verzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in deze lidstaat daartoe zijn gehouden.

9.   De lidstaten verstrekken de Commissie informatie over het aantal en de aard van de gevallen die hebben geleid tot een weigering in de zin van artikel 146 of artikel 148 waarin maatregelen zijn genomen overeenkomstig lid 4 van dit artikel.

Op basis van deze informatie verstrekt de Commissie om de twee jaar informatie aan het Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen.

Artikel 156

Reclame

Verzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in een lidstaat mogen met alle beschikbare communicatiemiddelen in de lidstaat van ontvangst reclame maken voor hun diensten, mits zij de om redenen van algemeen belang vastgestelde voorschriften inzake vorm en inhoud van dergelijke reclame in acht nemen.

Artikel 157

Belastingen en heffingen op premies

1.   Onverminderd een latere harmonisatie is een verzekeringsovereenkomst uitsluitend onderworpen aan de indirecte belastingen en parafiscale heffingen op verzekeringspremies in de lidstaat van het risico of de verbintenis.

Met het oog op de toepassing van de eerste alinea worden de roerende zaken die zich bevinden in een op het grondgebied van een lidstaat gelegen onroerende zaak, met uitzondering van commerciële transitogoederen, aangemerkt als een risico in deze lidstaat, ook al worden de onroerende zaak en de inhoud daarvan niet door dezelfde verzekeringsovereenkomst gedekt.

In het geval van Spanje is een verzekeringsovereenkomst ook onderworpen aan de extra heffingen die bij wet zijn ingesteld ten behoeve van het Spaanse „Consorcio de compensación de seguros” voor het vervullen van zijn taak met betrekking tot de compensatie van verliezen die het gevolg zijn van uitzonderlijke gebeurtenissen die zich in deze lidstaat voordoen.

2.   Het recht dat krachtens artikel 178 van deze richtlijn en Verordening (EG) nr. 593/2008 op de overeenkomst van toepassing is, is niet van invloed op de belastingregeling die van toepassing is.

3.   Elke lidstaat past wat betreft de maatregelen om de verschuldigde indirecte belastingen en parafiscale heffingen als bedoeld in lid 1, te innen zijn eigen nationale bepalingen toe op de verzekeringsondernemingen die op zijn grondgebied risico’s dekken of verbintenissen aangaan.

Onderafdeling 2

Herverzekering

Artikel 158

Herverzekeringsondernemingen die niet aan de wettelijke voorschriften voldoen

1.   Indien de toezichthoudende autoriteiten van een lidstaat vaststellen dat een herverzekeringsonderneming die een bijkantoor op het grondgebied van deze lidstaat heeft of daar in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaam is, zich niet houdt aan de wettelijke voorschriften die in deze lidstaat op haar van toepassing zijn, vereisen zij van de betrokken herverzekeringsonderneming een einde te maken aan deze onregelmatigheid. Tegelijkertijd stellen zij de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze bevindingen in kennis.

2.   Indien de herverzekeringsonderneming ondanks de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen inbreuk blijft maken op de in de lidstaat van ontvangst geldende rechtsregels of indien deze maatregelen ontoereikend blijken, kunnen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, na de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte te hebben gebracht, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te sanctioneren met inbegrip van, voor zover zulks volstrekt noodzakelijk is, het de onderneming beletten op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst nog nieuwe verzekeringsovereenkomsten te sluiten.

De lidstaten zorgen ervoor dat de voor dergelijke maatregelen noodzakelijke kennisgevingen op hun grondgebied aan de herverzekeringsondernemingen kunnen worden betekend.

3.   Een op grond van de leden 1 en 2 genomen maatregel die sancties en beperkingen van de uitoefening van het herverzekeringsbedrijf inhoudt, wordt met redenen omkleed en ter kennis van de betrokken herverzekeringsonderneming gebracht.

Afdeling 4

Statistische informatie

Artikel 159

Statistische informatie over grensoverschrijdende werkzaamheden

Elke verzekeringsonderneming stelt, afzonderlijk voor in het kader van het recht van vestiging en in het kader van het vrij verrichten van diensten tot stand gekomen transacties, de toezichthoudende autoriteit van haar lidstaat van herkomst in kennis van het bedrag aan premies, schadegevallen en provisies, telkens zonder aftrek van herverzekering door de lidstaat, en wel als volgt:

a)

voor schadeverzekeringen: per branchegroep zoals vermeld in deel B van bijlage V;

b)

voor levensverzekeringen: voor elk van de branches I tot en met IX zoals vermeld in bijlage II.

Wat betreft branche 10 in deel A van bijlage I, met uitzondering van de aansprakelijkheid van de vervoerder, brengt de betrokken onderneming deze toezichthoudende autoriteit ook op de hoogte van de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen.

De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst deelt de in de eerste en de tweede alinea bedoelde informatie binnen een redelijke termijn in geaggregeerde vorm mee aan de toezichthoudende autoriteiten van een betrokken lidstaat als zij daarom verzoeken.

Afdeling 5

Behandeling van overeenkomsten van bijkantoren die in een liquidatieprocedure verwikkeld zijn

Artikel 160

Liquidatie van verzekeringsondernemingen

In geval van liquidatie van een verzekeringsonderneming worden de verbintenissen die voortvloeien uit overeenkomsten die door een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten zijn gesloten, op dezelfde wijze nagekomen als de verbintenissen die voortvloeien uit de andere verzekeringsovereenkomsten van deze onderneming, zonder onderscheid naar nationaliteit voor zover het de verzekerden en begunstigden betreft.

Artikel 161

Liquidatie van herverzekeringsondernemingen

In geval van liquidatie van een herverzekeringsonderneming worden de verbintenissen die voortvloeien uit overeenkomsten die door een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten zijn gesloten, op dezelfde wijze nagekomen als de verbintenissen die voortvloeien uit de andere herverzekeringsovereenkomsten van deze onderneming.

HOOFDSTUK IX

Binnen de gemeenschap gevestigde bijkantoren van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan het hoofdkantoor buiten de gemeenschap is gevestigd

Afdeling 1

Toegang tot het bedrijf

Artikel 162

Vergunningbeginselen en -voorwaarden

1.   Voor iedere onderneming waarvan het hoofdkantoor buiten de Gemeenschap is gevestigd, stellen de lidstaten de toegang op hun grondgebied tot het in artikel 2, lid 1, eerste alinea, bedoelde bedrijf afhankelijk van een vergunning.

2.   Een lidstaat mag een vergunning verlenen, indien de onderneming ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

zij is bevoegd tot de uitoefening van het verzekeringsbedrijf krachtens de nationale wetgeving waaronder zij ressorteert;

b)

zij richt een bijkantoor op het grondgebied van de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, op;

c)

zij verbindt zich ertoe, ter zetel van het bijkantoor een specifieke boekhouding te voeren voor het bedrijf dat zij aldaar uitoefent en er alle bescheiden met betrekking tot de behandelde zaken te bewaren;

d)

zij wijst een algemeen gevolmachtigde aan, die door de toezichthoudende autoriteiten moet worden toegelaten;

e)

zij beschikt in de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd over activa welke ten minste de helft van de in artikel 129, lid 1, onder d), voor het minimumkapitaalvereiste aangegeven absolute ondergrens dienen te bedragen, en deponeert een vierde gedeelte van deze absolute ondergrens bij wijze van waarborg;

f)

zij verbindt zich ertoe te voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste overeenkomstig de artikelen 100 en 128;

g)

zij deelt naam en adres mede van de schaderegelaar die is aangewezen in iedere andere lidstaat dan de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, wanneer de te dekken risico’s zijn ingedeeld bij branche 10 in deel A van bijlage I, uitgezonderd de aansprakelijkheid van de vervoerder;

h)

zij legt een programma van werkzaamheden overeenkomstig artikel 163 over;

i)

zij voldoet aan de governancevereisten van hoofdstuk IV, deel 2.

3.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „bijkantoor” verstaan een duurzame aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat van een in lid 1 bedoelde onderneming waaraan in die lidstaat vergunning is verleend en die het verzekeringsbedrijf uitoefent.

Artikel 163

Programma van werkzaamheden van het bijkantoor

1.   Het in artikel 162, lid 2, onder h), genoemde programma van werkzaamheden van het bijkantoor bevat het volgende:

a)

de aard van de risico’s of verbintenissen die de onderneming voornemens is aan te gaan;

b)

de leidende beginselen op het gebied van de herverzekering;

c)

ramingen van het toekomstige solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in hoofdstuk VI, afdeling 4, op basis van een te verwachten balanspositie, alsook de berekeningsmethode die is gehanteerd om deze ramingen te bepalen;

d)

ramingen van het toekomstige minimumkapitaalvereiste als bedoeld in hoofdstuk VI, afdeling 5, op basis van een te verwachten balanspositie, alsook de berekeningsmethode die is gehanteerd om deze ramingen te bepalen;

e)

de omvang van het in aanmerking komend eigen vermogen en het in aanmerking komend kernvermogen van de onderneming ten opzichte van het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste als bedoeld in hoofdstuk VI, afdelingen 4 en 5;

f)

de te verwachten inrichtingskosten van de administratieve diensten en van het productienet, de financiële middelen ter dekking daarvan en, wanneer de te dekken risico’s zijn ingedeeld bij branche 18 in deel A van bijlage I, de beschikbare middelen voor het verlenen van de bijstand;

g)

informatie over de structuur van het governancesysteem.

2.   Naast de in lid 1 opgesomde elementen bevat het programma van werkzaamheden voor de eerste drie boekjaren voorts het volgende:

a)

een opgave van de te verwachten balanspositie;

b)

een raming van de financiële middelen ter dekking van de technische voorzieningen, het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste;

c)

met betrekking tot schadeverzekering:

i)

een raming van de kosten van beheer met uitzondering van de inrichtingskosten, met name de algemene lopende kosten en de provisies;

ii)

een raming van de premies of bijdragen, alsmede een raming betreffende de schadegevallen;

d)

met betrekking tot levensverzekering, een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke uitgaven en ontvangsten, zowel wat de directe transacties en de geaccepteerde herverzekeringen als de cessies uit hoofde van herverzekering betreft.

3.   Met betrekking tot levensverzekeringen mogen de lidstaten van een verzekeringsonderneming systematische mededeling eisen van de voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondslagen, zonder dat dit vereiste voor een levensverzekeringsonderneming een voorwaarde vooraf voor de uitoefening van haar werkzaamheden mag vormen.

Artikel 164

Portefeuilleoverdracht

1.   De lidstaten verlenen, onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden, aan de op hun grondgebied gevestigde bijkantoren, als bedoeld in dit hoofdstuk, toestemming om hun verzekeringsportefeuille geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een in dezelfde lidstaat gevestigde overnemer, indien de toezichthoudende autoriteiten van die lidstaat, of in voorkomend geval van de in artikel 167 bedoelde lidstaat, verklaren dat de overnemende overneming, na de overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het in artikel 100, eerste alinea, bedoelhet solvabiliteitskapitaalvereiste bezit.

2.   De lidstaten verlenen, onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden, aan de op hun grondgebied gevestigde bijkantoren, als bedoeld in dit hoofdstuk, toestemming om hun verzekeringsportefeuille geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een verzekeringsonderneming die haar hoofdkantoor in een andere lidstaat heeft, indien de toezichthoudende autoriteiten van die lidstaat verklaren dat de overnemende onderneming, na de overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het in artikel 100, eerste alinea, bedoelhet solvabiliteitskapitaalvereiste bezit.

3.   Indien een lidstaat, onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden, aan de op zijn grondgebied gevestigde bijkantoren, als bedoeld in dit hoofdstuk, toestemming verleent om hun verzekeringsportefeuille geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigd bijkantoor, als bedoeld in dit hoofdstuk, verzekert hij zich ervan dat de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van de overnemende onderneming, of in voorkomend geval die van de in artikel 167 bedoelde lidstaat, het volgende verklaren:

a)

dat de overnemende onderneming, na de overdracht, het vereiste in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste bezit;

b)

dat de wetgeving van de lidstaat van de overnemende onderneming in de mogelijkheid van een dergelijke overdracht voorziet; en

c)

dat die lidstaat met de overdracht instemt.

4.   In de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde gevallen verleent de lidstaat waar het overdragende bijkantoor is gevestigd, toestemming voor de overdracht na de instemming te hebben verkregen van de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat waar het risico is gelegen of van de lidstaat van de verbintenis, wanneer deze niet de lidstaat is waar het overdragende bijkantoor is gevestigd.

5.   De toezichthoudende autoriteiten van de geraadpleegde lidstaten delen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst van het overdragende bijkantoor hun advies of hun instemming mede binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek. Indien de geraadpleegde autoriteiten niet binnen die termijn hebben gereageerd, geldt zulks als een gunstig advies of een stilzwijgende instemming.

6.   De overeenkomstig de leden 1 tot en met 5 toegestane overdracht wordt in de lidstaat van het risico of in de lidstaat van de verbintenis bekendgemaakt onder de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden.

Deze overdracht kan van rechtswege worden tegengeworpen aan de verzekeringnemers, aan de verzekerden en aan allen voor wie uit de overgedragen overeenkomsten rechten of verplichtingen voortvloeien.

Artikel 165

Technische voorzieningen

De lidstaten leggen de ondernemingen de verplichting op passende technische voorzieningen te vormen, welke overeenkomen met de op hun grondgebied aangegane verzekerings- en herverzekeringsverplichtingen, berekend overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 2. Zij schrijven tevens voor dat de ondernemingen hun activa en passiva overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 1, moeten waarderen en hun eigen vermogen overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 3, moeten bepalen.

Artikel 166

Solvabiliteitskapitaalvereiste en minimumkapitaalvereiste

1.   Iedere lidstaat verplicht de op zijn grondgebied opgerichte bijkantoren over een in aanmerking komend eigen vermogen te beschikken dat bestaat uit de in artikel 98, lid 3, genoemde bestanddelen.

Het solvabiliteitskapitaalvereiste en het minimumkapitaalvereiste worden berekend overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VI, afdelingen 4 en 5.

Voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereistehet minimumkapitaalvereiste worden echter, zowel voor schade- als voor levensverzekering uitsluitend de verrichtingen van het betrokken bijkantoor in aanmerking genomen.

2.   Het vereiste in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste en de absolute ondergrens van dit minimumkapitaalvereiste worden gevormd overeenkomstig artikel 98, lid 4.

3.   Het in aanmerking komend kernvermogen mag niet kleiner zijn dan de helft van de in artikel 129, lid 1, onder d), bedoelde absolute ondergrens.

Het in artikel 162, lid 2, onder e), bedoelde gestorte depot wordt onder het in aanmerking komend kernvermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste gerekend.

4.   De activa die tegenover het solvabiliteitskapitaalvereiste staan, moeten gelokaliseerd zijn binnen de lidstaat van bedrijfsuitoefening ter grootte van het minimumkapitaalvereiste, en, voor het resterende gedeelte, binnen de Gemeenschap.

Artikel 167

Voordelen voor ondernemingen met een vergunning in meer dan één lidstaat

1.   Ondernemingen die in verscheidene lidstaten een vergunning aangevraagd of verkregen hebben, kunnen om de volgende voordelen verzoeken, die slechts gezamenlijk kunnen worden toegekend:

a)

het in artikel 166 bedoelde solvabiliteitskapitaalvereiste wordt berekend op basis van het geheel van de werkzaamheden die zij binnen de Gemeenschap uitoefenen;

b)

de uit hoofde van artikel 162, lid 2, onder e), vereiste waarborg wordt in slechts één van deze lidstaten gestort;

c)

de activa die tegenover het minimumkapitaalvereiste staan, zijn overeenkomstig artikel 134 gelokaliseerd in één van de lidstaten waar zij werkzaam zijn.

In de in de eerste alinea, onder a), bedoelde gevallen worden bij deze berekeningen uitsluitend de transacties van alle binnen de Gemeenschap gevestigde bijkantoren in aanmerking genomen.

2.   De aanvraag om in aanmerking te komen voor de in lid 1 bedoelde voordelen wordt bij de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken lidstaten ingediend. In deze aanvraag wordt de autoriteit aangegeven die in de toekomst toezicht op de solvabiliteit voor het geheel van de werkzaamheden van de bijkantoren gevestigd in de Gemeenschap dient te houden. De keuze van de autoriteit moet door de onderneming met redenen worden omkleed.

De in artikel 162, lid 2, onder e), bedoelde waarborg wordt bij die lidstaat gestort.

3.   De voordelen van lid 1 mogen slechts worden toegekend wanneer de toezichthoudende autoriteiten van alle lidstaten waar de aanvraag is ingediend, hun toestemming verlenen.

Deze voordelen worden van kracht op het tijdstip waarop de gekozen toezichthoudende autoriteit de andere toezichthoudende autoriteiten heeft medegedeeld, de controle van de solvabiliteit voor het geheel van de werkzaamheden van de in de Gemeenschap gevestigde bijkantoren op zich te nemen.

De gekozen toezichthoudende autoriteit ontvangt van de andere lidstaten de nodige inlichtingen om de totale solvabiliteit van de op hun grondgebied gevestigde bijkantoren te kunnen controleren.

4.   De krachtens de leden 1, 2 en 3 toegekende voordelen worden op verzoek van één of meer betrokken lidstaten door alle betrokken lidstaten gelijktijdig ingetrokken.

Artikel 168

Verslaglegging, prudentiële en statistische informatie en ondernemingen in moeilijkheden

In het kader van deze afdeling zijn artikel 34, artikel 139, lid 3, artikel 140 en artikel 141 van toepassing.

Voor de toepassing van de artikelen 137 tot en met 139 in het geval van een onderneming die de in artikel 167, leden 1, 2 en 3, voorziene voordelen geniet, wordt de toezichthoudende autoriteit die de solvabiliteit controleert van de in de Gemeenschap gevestigde bijkantoren voor het geheel van hun werkzaamheden, gelijkgesteld met de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat op wiens grondgebied het hoofdkantoor van de communautaire onderneming zich bevindt.

Artikel 169

Scheiding van schade- en levensverzekeringsbedrijf

1.   De in deze afdeling bedoelde bijkantoren mogen het schade- en het levensverzekeringsbedrijf niet gelijktijdig in dezelfde lidstaat uitoefenen.

2.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten bepalen dat de in deze afdeling bedoelde bijkantoren die op de voor hen geldende datum als bedoeld in artikel 73, lid 5, eerste alinea, deze twee werkzaamheden op het grondgebied van een lidstaat gelijktijdig uitoefenden, deze daar kunnen blijven uitoefenen, mits zij overeenkomstig artikel 74 een gescheiden beheer voeren voor elk van deze werkzaamheden.

3.   Elke lidstaat die uit hoofde van de tweede alinea van artikel 73, lid 5, de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen verplicht heeft een einde te maken aan het gelijktijdig uitoefenen van de werkzaamheden die zij op de voor hen geldende datum, bedoeld in de eerste alinea van artikel 73, lid 5, verrichtten, moet deze verplichting ook opleggen aan de in deze afdeling bedoelde bijkantoren die op zijn grondgebied zijn gevestigd en aldaar de twee werkzaamheden gelijktijdig uitoefenen.

De lidstaten mogen bepalen dat de in deze afdeling bedoelde bijkantoren waarvan het hoofdkantoor de twee werkzaamheden gelijktijdig uitoefent en die op de voor hen geldende datum, bedoeld in de eerste alinea van artikel 73, lid 5, op het grondgebied van een lidstaat uitsluitend het levensverzekeringsbedrijf uitoefenden, hun werkzaamheden kunnen blijven verrichten. Indien de onderneming het schadeverzekeringsbedrijf op dit grondgebied wil uitoefenen, mag zij het levensverzekeringsbedrijf nog slechts verrichten via een dochteronderneming.

Artikel 170

Intrekking van de vergunning van ondernemingen waaraan in meerdere lidstaten vergunning is verleend

Bij intrekking van de vergunning door de in artikel 167, lid 2, bedoelde autoriteit, stelt deze de toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaten waar de onderneming werkzaam is, hiervan in kennis; deze autoriteiten treffen de nodige maatregelen.

Wanneer het besluit tot intrekking is gebaseerd op adequaatheid van de algemene solvabiliteit zoals deze is vastgesteld door de lidstaten die de in artikel 167 bedoelde instemming hebben verleend, trekken ook de lidstaten die partij zijn bij die instemming hun vergunning in.

Artikel 171

Overeenkomsten met derde landen

De Gemeenschap kan, in overeenkomstig het Verdrag met één of meer derde landen gesloten overeenkomsten, besluiten tot toepassing van bepalingen welke afwijken van die van deze afdeling, teneinde, op basis van wederkerigheid, aan de verzekeringnemers en verzekerden van de lidstaten een voldoende bescherming te waarborgen.

Afdeling 2

Herverzekering

Artikel 172

Gelijkwaardigheid

1.   De Commissie stelt uitvoeringsmaatregelen vast die criteria bevatten om te bepalen of de solvabiliteitsregeling van een derde land die wordt toegepast op herverzekeringsactiviteiten van ondernemingen waarvan het hoofdkantoor in dat derde land is gelegen, gelijkwaardig is aan die van titel I.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

2.   De Commissie kan volgens de regelgevingsprocedure van artikel 301, lid 2, en rekening houdend met de overeenkomstig lid 1 vastgestelde criteria besluiten of de solvabiliteitsregeling van een derde land die wordt toegepast op herverzekeringsactiviteiten van ondernemingen waarvan het hoofdkantoor in dat derde land is gelegen, gelijkwaardig is aan die van titel I.

Deze besluiten worden regelmatig geëvalueerd.

3.   Ingeval de solvabiliteitsregeling van een derde land overeenkomstig lid 2 gelijkwaardig is geacht aan die van deze richtlijn, worden herverzekeringsovereenkomsten met ondernemingen waarvan het hoofdkantoor in dat derde land is gelegen, op dezelfde wijze behandeld als herverzekeringsovereenkomsten met ondernemingen waaraan overeenkomstig deze richtlijn vergunning is verleend.

Artikel 173

Verbod op het verstrekken van activa als zekerheden

De lidstaten mogen voor de vorming van technische voorzieningen geen systeem met brutovoorzieningen handhaven of invoeren waarbij activa als zekerheden moeten worden verstrekt ter dekking van de voorziening voor onverdiende premies en van de voorzieningen voor te betalen schaden indien de herverzekeraar een verzekerings- of een herverzekeringsonderneming is van een derde land, waarvan de solvabiliteitsregeling overeenkomstig artikel 172 gelijkwaardig wordt geacht aan die van deze richtlijn.

Artikel 174

Beginsel en voorwaarden voor de uitoefening van herverzekeringsactiviteiten

Een lidstaat past op herverzekeringsondernemingen van derde landen die herverzekeringsactiviteiten op zijn grondgebied aanvangen of reeds verrichten, geen bepalingen toe die leiden tot een gunstigere behandeling dan die welke geldt voor herverzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor in die lidstaat hebben.

Artikel 175

Overeenkomsten met derde landen

1.   De Commissie kan bij de Raad voorstellen indienen voor onderhandelingen over overeenkomsten met een of meer derde landen over de middelen voor de uitoefening van toezicht op:

a)

herverzekeringsondernemingen uit derde landen die herverzekeringsactiviteiten uitoefenen in de Gemeenschap;

b)

herverzekeringsondernemingen uit de Gemeenschap die herverzekeringsactiviteiten uitoefenen op het grondgebied van een derde land.

2.   De in lid 1 bedoelde overeenkomsten beogen in het bijzonder, onder voorwaarden van gelijkwaardige prudentiële regelgeving, een doeltreffende markttoegang te waarborgen voor herverzekeringsondernemingen op het grondgebied van elke partij bij de overeenkomst en te zorgen voor de wederzijdse erkenning van toezichtregels en -gewoonten op het gebied van herverzekering. Zij beogen tevens het volgende:

a)

dat de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten de informatie kunnen verkrijgen die nodig is voor het toezicht op herverzekeringsondernemingen waarvan het hoofdkantoor zich in de Gemeenschap bevindt en die activiteiten uitoefenen op het grondgebied van de betrokken derde landen;

b)

dat de toezichthoudende autoriteiten van derde landen de informatie kunnen verkrijgen die nodig is voor het toezicht op herverzekeringsondernemingen waarvan het hoofdkantoor op hun grondgebied is gevestigd en die activiteiten in de Gemeenschap uitoefenen.

3.   Onverminderd artikel 300, leden 1 en 2, van het Verdrag onderzoekt de Commissie met het Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen het resultaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde onderhandelingen en de daaruit voortvloeiende situatie.

HOOFDSTUK X

Dochterondernemingen van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarop het recht van een derde land van toepassing is en verwerving van deelnemingen door zulke ondernemingen

Artikel 176

Informatieverstrekking aan de Commissie door de lidstaten

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten stellen de Commissie en de toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaten in kennis van elke vergunningverlening voor een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming waarvan één of meer moederondernemingen onder het recht van een derde land vallen.

In deze kennisgeving wordt ook melding gemaakt van de structuur van de betrokken groep.

Indien een onderneming die onder het recht van een derde land valt, een deelneming verwerft in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend, waardoor deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming een dochteronderneming van deze onderneming van het derde land wordt, stellen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst de Commissie en de toezichthoudende autoriteiten van de overige lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 177

Behandeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van de Gemeenschap door derde landen

1.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de algemene moeilijkheden die hun verzekerings- of herverzekeringsondernemingen ondervinden bij de vestiging en bedrijfsuitoefening in een derde land of bij de uitoefening van hun activiteiten in een derde land.

2.   De Commissie dient periodiek een verslag in bij de Raad waarin de behandeling in derde landen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend wordt onderzocht met betrekking tot het volgende:

a)

de vestiging in derde landen van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend;

b)

de verwerving van deelnemingen in verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen;

c)

de uitoefening van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten door deze gevestigde ondernemingen;

d)

de grensoverschrijdende verrichting van verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten van de Gemeenschap naar derde landen.

De Commissie legt deze verslagen, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen of aanbevelingen, voor aan de Raad.

TITEL II

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR VERZEKERING EN HERVERZEKERING

HOOFDSTUK I

Toepasselijk recht en voorwaarden van directe verzekeringsovereenkomsten

Afdeling 1

Toepasselijk recht

Artikel 178

Toepasselijk recht

Lidstaten waar Verordening (EG) nr. 593/2008 niet van toepassing is, passen de bepalingen van genoemde verordening toe om te bepalen welk recht van toepassing is op verzekeringsovereenkomsten die binnen de werkingssfeer van artikel 7 van deze verordening vallen.

Afdeling 2

Verplichte verzekering

Artikel 179

Aanverwante verplichtingen

1.   Schadeverzekeringsondernemingen kunnen overeenkomsten voor verplichte verzekeringen aanbieden en sluiten onder de in dit artikel omschreven voorwaarden.

2.   Wanneer een lidstaat de verplichting tot verzekering oplegt, voldoet een verzekeringsovereenkomst slechts aan deze verplichting indien zij voldoet aan de specifieke bepalingen met betrekking tot die verzekering die deze lidstaat heeft vastgesteld.

3.   Wanneer de verzekeringsonderneming in een lidstaat die een verzekeringsplicht oplegt, verplicht is het beëindigen van de dekking aan de toezichthoudende autoriteiten te melden, kan deze beëindiging aan benadeelde derden slechts worden tegengeworpen onder de door deze lidstaat bepaalde voorwaarden.

4.   Elke lidstaat deelt de Commissie de risico’s mee waarvoor zijn wetgeving een verzekeringsplicht oplegt, en geeft daarbij het volgende aan:

a)

de specifieke bepalingen betreffende deze verzekering;

b)

de gegevens die moeten voorkomen in de verklaring die de schadeverzekeringsonderneming aan de verzekerde moet afgeven wanneer deze lidstaat een bewijs verlangt dat aan de verzekeringsplicht is voldaan.

Een lidstaat kan eisen dat de in de eerste alinea onder b) bedoelde gegevens een verklaring van de verzekeringsonderneming bevatten, dat de overeenkomst in overeenstemming is met de specifieke bepalingen betreffende deze verzekering.

De Commissie maakt de in de eerste alinea onder b) bedoelde gegevens bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Afdeling 3

Algemeen belang

Artikel 180

Algemeen belang

Noch de lidstaat van het risico noch de lidstaat van de verbintenis mogen de verzekeringnemer beletten een overeenkomst te sluiten met een verzekeringsonderneming die volgens de voorwaarden van artikel 14 een vergunning heeft verkregen, voor zover deze sluiting van de overeenkomst niet in strijd is met de wettelijke bepalingen van algemeen belang die in de lidstaat van het risico of in de lidstaat van de verbintenis gelden.

Afdeling 4

Voorwaarden van verzekeringsovereenkomsten en tarifering

Artikel 181

Schadeverzekering

1.   De lidstaten eisen geen voorafgaande goedkeuring of systematische mededeling van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten, de tarieven, en de formulieren en andere documenten waarvan een verzekeringsonderneming gebruik wil maken in haar betrekkingen met de verzekeringnemers.

Uitsluitend voor het toezicht op de naleving van de nationale bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomsten kunnen de lidstaten een niet-systematische mededeling van deze voorwaarden en andere documenten eisen. Deze vereisten mogen voor de verzekeringsonderneming geen voorwaarde vooraf voor de uitoefening van haar werkzaamheden vormen.

2.   Een lidstaat die bepaalde verzekeringen verplicht stelt, kan eisen dat verzekeringsondernemingen hun toezichthoudende autoriteit in kennis stellen van de algemene en bijzondere voorwaarden van dergelijke verzekeringen voordat van deze voorwaarden gebruik wordt gemaakt.

3.   De lidstaten kunnen de verplichting van voorafgaande kennisgeving of van goedkeuring van voorgestelde tariefverhogingen alleen als onderdeel van een algemeen prijscontrolesysteem handhaven of invoeren.

Artikel 182

Levensverzekering

De lidstaten eisen geen voorafgaande goedkeuring of systematische mededeling van de algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten, de tarieven, de met name voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondslagen en de formulieren en andere documenten waarvan de levensverzekeringsonderneming gebruik wil maken in haar betrekkingen met de verzekeringnemers.

Uitsluitend voor het toezicht op de naleving van de nationale bepalingen betreffende de actuariële beginselen, kan de lidstaat van herkomst evenwel een systematische mededeling van de voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondslagen eisen. Deze vereisten mogen voor de verzekeringsonderneming geen voorwaarde vooraf voor de uitoefening van haar werkzaamheden vormen.

Afdeling 5

Aan verzekeringnemers te verstrekken informatie

Onderafdeling 1

Schadeverzekering

Artikel 183

Algemene informatie aan verzekeringnemers

1.   Alvorens een schadeverzekeringsovereenkomst af te sluiten wordt de verzekeringnemer door de schadeverzekeringsonderneming in kennis gesteld van het volgende:

a)

het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, wanneer de partijen geen vrijheid van rechtskeuze hebben;

b)

het feit dat de partijen het toepasselijk recht vrij kunnen kiezen, en de keuze die de verzekeraar voorstelt.

De verzekeringsonderneming stelt de verzekeringnemer tevens in kennis van de regelingen voor het behandelen van klachten van verzekeringnemers over de overeenkomst, met inbegrip, in voorkomend geval, van het bestaan van een instantie die belast is met het onderzoeken van klachten, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de verzekeringnemer een gerechtelijke procedure aan te spannen.

2.   De in lid 1 bedoelde verplichtingen gelden enkel wanneer de verzekeringnemer een natuurlijke persoon is.

3.   De gedetailleerde voorschriften voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden vastgesteld door de lidstaat waar het risico is gelegen.

Artikel 184

Aanvullende informatie ingeval de schadeverzekering wordt aangeboden op grond van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten

1.   Wanneer een schadeverzekering wordt aangeboden op grond van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten, wordt aan de verzekeringnemer vóór het aangaan van enige verbintenis meegedeeld in welke lidstaat het hoofdkantoor en, in voorkomend geval, het bijkantoor waarmee de overeenkomst wordt gesloten, is gevestigd.

Wanneer aan de verzekeringnemer documenten worden verstrekt, wordt daarin de in de eerste alinea bedoelde informatie vermeld.

De in de eerste en de tweede alinea bedoelde verplichtingen gelden niet voor grote risico’s.

2.   In de overeenkomst of andere documenten waarbij de dekking wordt verleend, alsmede in het verzekeringsvoorstel wanneer de verzekeringnemer daardoor wordt gebonden, wordt het adres vermeld van het hoofdkantoor en, in voorkomend geval, van het bijkantoor van de schadeverzekeringsonderneming dat de dekking verleent.

De lidstaten kunnen eisen dat de naam en het adres van de vertegenwoordiger van de schadeverzekeringsonderneming als bedoeld in artikel 148, lid 2, onder a), ook in de in de eerste alinea van dit lid bedoelde documenten zijn opgenomen.

Onderafdeling 2

Levensverzekering

Artikel 185

Informatie aan verzekeringnemers

1.   Vóór de sluiting van de levensverzekeringsovereenkomst worden aan de verzekeringnemer ten minste de in de leden 2 tot en met 4 vermelde gegevens medegedeeld.

2.   De volgende inlichtingen betreffende de levensverzekeringsonderneming worden medegedeeld:

a)

naam of firmanaam, rechtsvorm;

b)

naam van de lidstaat waar het hoofdkantoor en, in voorkomend geval, het bijkantoor waarmee de overeenkomst zal worden gesloten, is gevestigd;

c)

adres van het hoofdkantoor en, in voorkomend geval, van het bijkantoor waarmee de overeenkomst zal worden gesloten;

d)

een concrete verwijzing naar het in artikel 51 bedoelde rapport over de solvabiliteit en financiële positie, zodat de verzekeringnemer gemakkelijk kennis kan nemen van deze informatie.

3.   De volgende inlichtingen betreffende de verbintenis worden medegedeeld:

a)

omschrijving van elke verzekeringsdekking en keuzemogelijkheid;

b)

looptijd van de overeenkomst;

c)

wijze van beëindiging van de overeenkomst;

d)

wijze en duur van betaling van de premies;

e)

wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen;

f)

gegevens over de afkoop- en premievrije waarden en in hoeverre deze zijn gegarandeerd;

g)

inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken;

h)

opsomming van de gebruikte fracties in fractieverzekeringen;

i)

gegevens over de aard van de tegenover de fractieverzekeringen staande activa;

j)

wijze van uitoefening van het recht van opzegging;

k)

algemene informatie betreffende de op het type overeenkomst toepasselijke belastingregeling;

l)

regelingen voor het behandelen van klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden over de overeenkomst, met inbegrip, in voorkomend geval, van het bestaan van een instantie die belast is met het onderzoeken van klachten, onverminderd de mogelijkheid voor de verzekeringnemer een gerechtelijke procedure aan te spannen;

m)

het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, hetzij wanneer de partijen geen vrijheid van rechtskeuze hebben, hetzij ten gevolge van de keuze die de levensverzekeringsonderneming voorstelt als zulks wel het geval is.

4.   Bovendien wordt specifieke informatie verstrekt om ervoor te zorgen dat de verzekeringnemer goed begrijpt welke risico’s hij loopt door de overeenkomst te sluiten.

5.   De verzekeringnemer wordt gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst ingelicht over elke wijziging van de volgende gegevens:

a)

de algemene en bijzondere voorwaarden;

b)

de naam of firmanaam, de rechtsvorm of het adres van het hoofdkantoor van de levensverzekeringsonderneming en, in voorkomend geval, van het bijkantoor waarmede de overeenkomst is gesloten;

c)

alle in lid 3, onder d) tot en met j), bedoelde inlichtingen in het geval van aanhangsels bij de overeenkomst of wijzing van de daarop van toepassing zijnde wetgeving;

d)

elk jaar inlichtingen betreffende de situatie van de winstdeling.

Wanneer de verzekeraar in samenhang met een aanbod voor het afsluiten van een levensverzekeringsovereenkomst cijfers verstrekt met betrekking tot de som van potentiële betalingen die verder gaan dan de contractueel overeengekomen betalingen, legt de verzekeraar de verzekeringnemer een modelberekening voor waarin de potentiële uitkering aan het eind van de looptijd wordt vermeld op basis van een berekening van de premie bij drie verschillende rentepercentages. Dit geldt niet voor termijnverzekeringen en -overeenkomsten. De verzekeraar deelt de verzekeringnemer op duidelijke en begrijpelijke wijze mee dat de modelberekening slechts een voorbeeld is, dat is gebaseerd op theoretische aannamen, en dat de verzekeringnemer uit de modelberekening geen contractuele aanspraken mag afleiden;

In geval van verzekeringen met winstdeling stelt de verzekeraar de verzekeringnemer jaarlijks schriftelijk in kennis van de stand van zijn vorderingen met inbegrip van de winstdeling. Indien de verzekeraar cijfers over de mogelijke toekomstige ontwikkeling van de winstdeling heeft verstrekt, wijst hij de verzekeringnemer bovendien op afwijkingen tussen de feitelijke ontwikkeling en de aanvankelijke gegevens.

6.   De in de leden 2 tot en met 5 bedoelde inlichtingen worden duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk verstrekt in een officiële taal van de lidstaat van de verbintenis.

Deze inlichtingen mogen evenwel ook in een andere taal worden gesteld indien de verzekeringnemer daarom verzoekt en de wetgeving van de lidstaat zulks toestaat, dan wel indien de verzekeringnemer vrij het toepasselijke recht kan kiezen.

7.   De lidstaat van de verbintenis mag van de levensverzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in de leden 2 tot en met 5 vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.

8.   De gedetailleerde voorschriften voor de toepassing van de leden 1 tot en met 7 worden door de lidstaat van de verbintenis vastgesteld.

Artikel 186

Opzegtermijn

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat verzekeringnemers die een individuele levensverzekeringsovereenkomst aangaan, beschikken over een termijn van 14 tot 30 dagen, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij ervan in kennis zijn gesteld dat de overeenkomst is gesloten, om deze overeenkomst op te zeggen.

De kennisgeving van de verzekeringnemers waarin zij de overeenkomst opzeggen, heeft ten gevolge dat zij voor de toekomst worden ontheven van alle uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

De andere rechtsgevolgen en de voorwaarden van de opzegging worden beheerst door het op de overeenkomst toepasselijke recht, met name voor wat betreft de wijze waarop de verzekeringnemer ervan in kennis wordt gesteld dat de overeenkomst gesloten is.

2.   De lidstaten beschikken in de volgende gevallen over de mogelijkheid lid 1 niet toe te passen:

a)

ingeval een overeenkomst een looptijd van ten hoogste zes maanden heeft;

b)

ingeval de verzekeringnemer, vanwege zijn positie of de omstandigheden waarin de overeenkomst is gesloten, geen bijzondere bescherming nodig heeft.

Ingeval lidstaten van de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid gebruikmaken, specificeren zij dat feit in hun wetgeving.

HOOFDSTUK II

Specifieke bepalingen betreffende schadeverzekering

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 187

Overeenkomstvoorwaarden

De algemene en bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten omvatten geen voorwaarden die bestemd zijn om in een afzonderlijk geval rekening te houden met de bijzondere aspecten van het te dekken risico.

Artikel 188

Afschaffing van monopolies

De lidstaten zien erop toe dat de monopolies die voor de toegang tot bepaalde branches van het verzekeringsbedrijf aan de op hun grondgebied gevestigde en in artikel 8 bedoelde instellingen zijn verleend, ophouden te bestaan.

Artikel 189

Deelneming aan nationale garantieregelingen

De lidstaten van ontvangst mogen schadeverzekeringsondernemingen verplichten om te zijn aangesloten bij, en om onder dezelfde voorwaarden als de op hun grondgebied toegelaten schadeverzekeringsondernemingen deel te nemen aan, elke regeling die bedoeld is om de betaling van schadevergoeding aan verzekerden en benadeelde derden te garanderen.

Afdeling 2

Communautaire co-assurantie

Artikel 190

Communautaire co-assurantietransacties

1.   Deze afdeling is van toepassing op communautaire co-assurantietransacties die op een of meer in de branches 3 tot en met 16 van deel A van bijlage I ingedeelde risico’s betrekking hebben en die voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

het risico is een groot risico;

b)

het risico wordt gedekt door verscheidene, als „co-assuradeuren” optredende verzekeringsondernemingen zonder hoofdelijke aansprakelijkheid, door middel van één enkele overeenkomst tegen één premie voor het gehele risico, en voor dezelfde tijdsduur; één van hen is de eerste verzekeringsonderneming;

c)

het risico is binnen de Gemeenschap gelegen;

d)

voor de dekking van het risico wordt de eerste verzekeringsonderneming behandeld als ware zij de verzekeringsonderneming die het volledige risico dekt;

e)

ten minste een van de co-assuradeuren neemt deel aan de overeenkomst via zijn hoofdkantoor of een bijkantoor, gevestigd in een andere lidstaat dan die van de eerste verzekeringsonderneming;

f)

de eerste verzekeringsonderneming neemt volledig de taak op zich die volgens de geldende gebruiken inzake co-assurantie de hare is; zij stelt met name de verzekerings- en tariferingscondities vast.

2.   De artikelen 147 tot en met 152 zijn alleen op de eerste verzekeringsonderneming van toepassing.

3.   Op co-assurantietransacties die niet aan de in lid 1 gestelde voorwaarden voldoen blijven de bepalingen van deze richtlijn van toepassing met uitzondering van die van deze afdeling.

Artikel 191

Deelneming aan communautaire co-assurantie

Het recht tot deelneming aan communautaire co-assurantie wordt voor verzekeringsondernemingen van geen andere voorwaarden dan die van deze afdeling afhankelijk gesteld.

Artikel 192

Technische voorzieningen

De omvang van de technische voorzieningen wordt door de verschillende co-assuradeuren bepaald volgens de regels die zijn vastgesteld door hun lidstaat van herkomst of, bij gebreke daarvan, volgens de in die staat geldende gebruiken.

De technische voorzieningen zijn echter ten minste gelijk aan die welke door de eerste verzekeringsonderneming zijn bepaald volgens de regels die gelden in haar lidstaat van herkomst.

Artikel 193

Statistische gegevens

De lidstaten van herkomst zien erop toe dat co-assuradeuren over statistische gegevens beschikken waaruit de omvang van de communautaire co-assurantietransacties waaraan zij deelnemen, alsmede de betrokken lidstaten, blijken.

Artikel 194

Behandeling van co-assurantieovereenkomsten bij liquidatieprocedures

In geval van liquidatie van een verzekeringsonderneming worden de verplichtingen die voortvloeien uit de deelneming aan een communautaire co-assurantieovereenkomst op dezelfde wijze nagekomen als de verplichtingen die voortvloeien uit de andere verzekeringsovereenkomsten van deze onderneming, zonder onderscheid naar nationaliteit van verzekerden en begunstigden.

Artikel 195

Uitwisseling van informatie tussen toezichthoudende autoriteiten

Voor de toepassing van deze afdeling verstrekken de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten elkaar alle nodige inlichtingen in het kader van de in titel I, hoofdstuk IV, afdeling 5, bedoelde samenwerking.

Artikel 196

Samenwerking bij de toepassing

De Commissie en de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten werken nauw samen teneinde de moeilijkheden te onderzoeken welke bij de toepassing van deze afdeling mochten rijzen.

In het kader van deze samenwerking worden met name eventuele handelwijzen onderzocht die aan het licht zouden brengen dat de eerste verzekeringsonderneming niet de taak op zich neemt die volgens de geldende gebruiken inzake co-assurantie de hare is of de dekking van de risico’s kennelijk niet de deelneming van verscheidene verzekeraars behoeft.

Afdeling 3

Hulpverlening

Artikel 197

Met hulpverlening op reis gelijk te stellen activiteiten

De lidstaten kunnen deze richtlijn van toepassing verklaren op hulpverlening aan in moeilijkheden verkerende personen onder andere omstandigheden dan bedoeld in artikel 2, lid 2.

Indien een lidstaat gebruikmaakt van deze mogelijkheid, worden deze activiteiten gelijkgesteld met de activiteiten van branche 18 van deel A van bijlage I.

De tweede alinea doet geen afbreuk aan de indelingsmogelijkheden waarin bijlage I voorziet voor activiteiten die duidelijk tot andere branches behoren.

Afdeling 4

Rechtsbijstandverzekering

Artikel 198

Toepassingsgebied van deze afdeling

1.   Deze afdeling is van toepassing op de in branche 17 van deel A van bijlage I bedoelde verzekering voor rechtsbijstand, waarbij een verzekeringsonderneming tegen betaling van een premie de verbintenis aangaat om de kosten van gerechtelijke procedures te dragen en andere diensten te verlenen die voortvloeien uit de door de verzekering geboden dekking, met name met het oog op:

a)

het verhaal van door de verzekerde geleden schade, door middel van een minnelijke schikking of van een civielrechtelijke of strafrechtelijke procedure;

b)

de verdediging of vertegenwoordiging van de verzekerde in een civielrechtelijke, strafrechtelijke, administratieve of andere procedure of in geval van een tegen deze persoon gerichte vordering.

2.   Deze afdeling is niet van toepassing op:

a)

de rechtsbijstandverzekering indien deze betrekking heeft op geschillen of risico’s die voortvloeien uit of verband houden met het gebruik van zeeschepen;

b)

de activiteit die wordt uitgeoefend door een verzekeringsonderneming die dekking biedt tegen wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de verdediging of vertegenwoordiging van de verzekerde in gerechtelijke of administratieve procedures voor zover die activiteit krachtens die verzekering tegelijkertijd in het eigenbelang van de betrokken verzekeringsonderneming wordt uitgeoefend;

c)

indien een lidstaat dit bepaalt, de rechtsbijstandactiviteit die wordt uitgeoefend door een verzekeraar van hulpverlening die aan de volgende voorwaarden voldoet:

i)

de activiteit wordt verricht in een andere lidstaat dan die waar de gewone verblijfplaats van de verzekerde zich bevindt;

ii)

de activiteit maakt deel uit van een overeenkomst die alleen betrekking heeft op het bieden van hulp aan in moeilijkheden verkerende personen die op reis zijn of zich buiten hun woonplaats of gewone verblijfplaats bevinden.

In het in de eerste alinea, onder c), bedoelde geval wordt in de overeenkomst afzonderlijk verklaard dat de betrokken dekking beperkt is tot de in dat punt bedoelde omstandigheden en slechts een aanvulling is van de hulpverlening.

Artikel 199

Afzonderlijke overeenkomsten

Voor de rechtsbijstandverzekering wordt een afzonderlijke overeenkomst opgemaakt, die los staat van overeenkomsten die andere branches betreffen, of wordt in de overeenkomst een afzonderlijk hoofdstuk opgenomen waarin de inhoud van de rechtsbijstandsdekking en, indien de lidstaat zulks verlangt, de daarmee overeenkomende premie worden vermeld.

Artikel 200

Schaderegeling

1.   De lidstaat van herkomst ziet erop toe dat verzekeringsondernemingen, overeenkomstig de door de lidstaat gemaakte keuze, of naar eigen keuze indien de lidstaat zulks toestaat, ten minste een van de in de leden 2, 3 en 4 beschreven schaderegelingsmethoden toepassen.

Ongeacht de gekozen oplossing worden personen die voor rechtsbijstand zijn verzekerd, geacht gelijkwaardige dekking uit hoofde van deze afdeling te genieten.

2.   Verzekeringsondernemingen dragen er zorg voor dat geen enkel lid van het personeel dat zich bezighoudt met de rechtsbijstandschaderegeling of met het geven van juridische adviezen met betrekking tot deze regeling, terzelfder tijd een soortgelijke werkzaamheid uitoefent in een andere onderneming die met de eerste verzekeringsonderneming financiële, commerciële of administratieve banden heeft en die één of meer andere branches van bijlage I uitoefent.

Meerbrancheverzekeringsondernemingen dragen er zorg voor dat geen enkel lid van het personeel dat zich bezighoudt met de rechtsbijstandschaderegeling of met het geven van juridische adviezen met betrekking tot deze regeling, terzelfder tijd een soortgelijke werkzaamheid uitoefent voor een door hen beoefende andere branche.

3.   De verzekeringsonderneming vertrouwt de schaderegeling van de branche rechtsbijstand toe aan een juridisch zelfstandige onderneming. Deze onderneming wordt vermeld in de afzonderlijke overeenkomst of het afzonderlijke hoofdstuk bedoeld in artikel 199.

Wanneer deze juridisch zelfstandige onderneming banden heeft met een verzekeringsonderneming die één of meer branches genoemd in deel A van bijlage I beoefent, mogen de medewerkers van de juridisch zelfstandige onderneming die zich bezighouden met de regeling van schadegevallen of met het geven van juridische adviezen betreffende de regeling van schadegevallen, niet terzelfder tijd voor de andere verzekeringsonderneming dezelfde of een soortgelijke werkzaamheid uitoefenen. De lidstaten kunnen dezelfde beperking opleggen aan de leden van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan.

4.   In de overeenkomst wordt de bepaling opgenomen dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van de overeenkomst het recht heeft het optreden van de verzekeraar te eisen, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat van zijn keuze of, voor zover het nationale recht zulks toestaat, een ander gekwalificeerd persoon.

Artikel 201

Vrije keuze van een advocaat

1.   In elke overeenkomst inzake rechtsbijstandverzekering wordt uitdrukkelijk bepaald dat:

a)

indien een advocaat of andere persoon die volgens het nationaal recht gekwalificeerd is, wordt gevraagd de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen, de verzekerde vrij is om deze advocaat of andere persoon te kiezen;

b)

de verzekerden vrij zijn om een advocaat of, indien zij daar de voorkeur aan geven en voor zover het nationale recht zulks toestaat, een andere gekwalificeerde persoon te kiezen om hun belangen te behartigen wanneer zich een belangenconflict voordoet.

2.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „advocaat” verstaan ieder die gerechtigd is zijn beroepswerkzaamheden uit te oefenen onder een van de benamingen bedoeld in Richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten (36).

Artikel 202

Uitzondering op de vrije keuze van een advocaat

1.   De lidstaten kunnen een rechtsbijstandverzekering van de toepassing van artikel 201, lid 1, vrijstellen indien aan elk van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a)

de verzekering is beperkt tot zaken die voortvloeien uit het gebruik van wegvoertuigen op het grondgebied van de betrokken lidstaat;

b)

de verzekering is verbonden met een overeenkomst voor hulpverlening in geval van een ongeval of pech waarbij een wegvoertuig betrokken is;

c)

noch de rechtsbijstandverzekeraar noch de verzekeraar van hulpverlening verzekeren een aansprakelijkheidsbranche;

d)

er worden maatregelen genomen om te verzekeren dat de rechtsbijstand en de vertegenwoordiging van elk van de partijen bij een geschil door volkomen onafhankelijke advocaten geschiedt indien deze partijen door dezelfde verzekeringsonderneming zijn verzekerd.

2.   Een krachtens lid 1 van dit artikel verleende vrijstelling laat de toepassing van artikel 200 onverlet.

Artikel 203

Arbitrage

De lidstaten voorzien in een arbitrageprocedure of andere procedures welke vergelijkbare garanties inzake objectiviteit bieden voor de regeling van een geschil tussen de rechtsbijstandverzekeraar en de verzekerde, onverminderd de eventueel bij het nationale recht geboden mogelijkheid om een rechtsvordering in te stellen.

De verzekeringsovereenkomst verleent de verzekerde het recht om van dergelijke procedures gebruik te maken.

Artikel 204

Belangenconflict

Telkens wanneer zich een belangenconflict voordoet of er een verschil van mening bestaat over de geschillenbeslechting, brengt de rechtsbijstandverzekeraar, of in voorkomend geval het schaderegelingskantoor de verzekerde op de hoogte van het in artikel 201, lid 1, bedoelde recht en van de mogelijkheid om gebruik te maken van de in artikel 203 bedoelde procedure.

Artikel 205

Afschaffing van het verbod op cumulering

De lidstaten heffen alle bepalingen op waarbij een verzekeringsonderneming wordt verboden op hun grondgebied de rechtsbijstandverzekering met andere branches te cumuleren.

Afdeling 5

Ziektekostenverzekering

Artikel 206

Ziektekostenverzekering als alternatief voor sociale zekerheid

1.   Lidstaten waar overeenkomsten tot dekking van risico’s van branche 2 van deel A van bijlage I de door het wettelijk stelsel van sociale zekerheid geboden dekking geheel of gedeeltelijk kunnen vervangen, kunnen verlangen:

a)

dat deze overeenkomsten voldoen aan de door die lidstaat vastgestelde bijzondere wettelijke bepalingen ter bescherming van het algemeen belang waarop deze verzekering betrekking heeft; en

b)

dat de toezichthoudende autoriteiten van deze lidstaat in kennis worden gesteld van de algemene en bijzondere voorwaarden van deze verzekering, alvorens deze in omloop wordt gebracht.

2.   De lidstaten kunnen eisen dat het systeem voor ziektekostenverzekering in de zin van lid 1 wordt beheerd op een technische basis die vergelijkbaar is met die van levensverzekeringen waarbij aan elk van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a)

de premies worden berekend op basis van ziektetafels en andere relevante statistische gegevens van de lidstaat waar het risico is gelegen volgens de bij verzekeringen gehanteerde wiskundige methode;

b)

er wordt een ouderdomsreserve aangelegd;

c)

de verzekeringsonderneming mag de overeenkomst slechts opzeggen binnen een door de lidstaat van het risico vastgestelde periode;

d)

de overeenkomst voorziet in de mogelijkheid dat premies kunnen worden verhoogd en uitbetalingen verlaagd, ook bij lopende overeenkomsten;

e)

de overeenkomst voorziet in de mogelijkheid dat de verzekeringnemer zijn lopende overeenkomst wijzigt in een nieuwe overeenkomst die in overeenstemming is met lid 1, die door dezelfde verzekeringsonderneming of hetzelfde bijkantoor wordt aangeboden en waarbij met zijn verkregen rechten rekening wordt gehouden.

In het onder e) van de eerste alinea bedoelde geval wordt de ouderdomsreserve in aanmerking genomen en mag een nieuw medisch onderzoek slechts worden verlangd wanneer de dekking wordt uitgebreid.

De toezichthoudende autoriteiten van deze lidstaten maken de onder a) van de eerste alinea bedoelde ziektetafels en andere relevante statistische gegevens bekend en zenden die toe aan de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

De premies moeten op basis van redelijke actuariële hypothesen voldoende zijn om de verzekeringsondernemingen in staat te stellen om, gelet op alle aspecten van hun financiële situatie, aan al hun verplichtingen te voldoen. De lidstaat van herkomst eist dat de technische grondslag voor de premieberekening aan zijn toezichthoudende autoriteiten wordt meegedeeld, alvorens het product in omloop wordt gebracht.

Het bepaalde in de derde en de vierde alinea is eveneens van toepassing, wanneer bestaande overeenkomsten worden gewijzigd.

Afdeling 6

Arbeidsongevallenverzekering

Artikel 207

Verplichte arbeidsongevallenverzekering

De lidstaten kunnen van de verzekeringsondernemingen die op hun grondgebied voor eigen risico de verplichte arbeidsongevallenverzekering uitoefenen, verlangen dat zij de specifieke voorschriften naleven die in hun nationale wetgeving ten aanzien van deze verzekering zijn opgenomen, met uitzondering van de bepalingen inzake het financieel toezicht, die onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaat van herkomst vallen.

HOOFDSTUK III

Specifieke bepalingen betreffende levensverzekering

Artikel 208

Verbod op verplichte overdracht van een deel van de afgesloten verzekeringen

De lidstaten mogen aan levensverzekeringsondernemingen niet de verplichting opleggen aan één of meer door de nationale wetgeving aangewezen lichamen een deel van de door hen afgesloten verzekeringen die betrekking hebben op de in artikel 2, lid 3, genoemde werkzaamheden over te dragen.

Artikel 209

Premies voor nieuwe zaken

De premies voor nieuwe zaken zijn op basis van redelijke actuariële hypothesen voldoende om de levensverzekeringsonderneming in staat te stellen aan al haar verplichtingen te voldoen en met name toereikende technische voorzieningen te vormen.

Hiertoe kan rekening worden gehouden met alle aspecten van de financiële positie van de levensverzekeringsonderneming, zonder dat de inbreng van middelen anders dan de premies en de opbrengst daarvan een systematisch en permanent karakter heeft, op een wijze waardoor de solvabiliteit van de betrokken onderneming op termijn in gevaar zou kunnen komen.

HOOFDSTUK IV

Specifieke bepalingen betreffende herverzekering

Artikel 210

Finite herverzekering

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die finite herverzekeringsovereenkomsten sluiten of finite herverzekeringsactiviteiten uitoefenen, in staat zijn de uit deze overeenkomsten of activiteiten voortvloeiende risico’s naar behoren te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren, te beheersen en te rapporteren.

2.   Om te garanderen dat ten aanzien van finite herverzekeringsactiviteiten een geharmoniseerde benadering wordt gevolgd, kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen aannemen waarin nadere invulling wordt gegeven aan het bepaalde in lid 1 met betrekking tot de bewaking, het beheer en de beheersing van risico’s die uit finite herverzekeringsactiviteiten voortvloeien.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, onder meer door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

3.   In de zin van de leden 1 en 2 wordt onder „finite herverzekering” verstaan een herverzekering krachtens welke het expliciete maximale verliespotentieel, uitgedrukt als hoogste overgedragen economisch risico, dat voortvloeit uit een significante overdracht van zowel verzekeringstechnische risico’s als tijdsrisico, hoger is, voor een beperkt maar significant bedrag, dan de premie geldend voor de volledige looptijd van de overeenkomst, in combinatie met ten minste een van de volgende kenmerken:

a)

op nadrukkelijke en concrete wijze rekening houden met de tijdswaarde van het geld;

b)

contractuele bepalingen met als bedoeling de verdeling van de economische effecten tussen de twee partijen in de tijd te effenen met het oog op het bereiken van het nagestreefde niveau van risico-overdracht.

Artikel 211

Special Purpose Vehicle

1.   De lidstaten stellen de vestiging van Special Purpose Vehicles op hun grondgebied afhankelijk van de voorafgaande toestemming van de toezichthouder.

2.   Om te garanderen dat ten aanzien van Special Purpose Vehicles een geharmoniseerde benadering wordt gevolgd, neemt de Commissie uitvoeringsmaatregelen aan tot vaststelling van het volgende:

a)

reikwijdte van de vergunning;

b)

verplichte voorwaarden die in alle afgesloten overeenkomsten moeten voorkomen;

c)

de in artikel 42 bedoelde betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen voor de personen die het Special Purpose Vehicle leiden;

d)

betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen voor aandeelhouders of leden met een gekwalificeerde deelneming in het Special Purpose Vehicle;

e)

deugdelijke administratieve en boekhoudprocedures, adequate internecontrolemechanismen en vereisten op het gebied van Risk management;

f)

boekhoudeisen, alsmede prudentiële en statistische informatievereisten;

g)

solvabiliteitsvereisten.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, onder meer door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

3.   Special Purpose Vehicles waarvoor toestemming is verleend vóór 31 oktober 2012, ressorteren onder het recht van de lidstaat die toestemming heeft gegeven voor het Special Purpose Vehicle. Voor alle nieuwe activiteiten die door een Special Purpose Vehicle worden begonnen na die datum, gelden evenwel lid 1 en lid 2 van dit artikel.

TITEL III

TOEZICHT OP VERZEKERINGS- EN HERVERZEKERINGSONDERNEMINGEN IN EEN GROEP

HOOFDSTUK I

Groepstoezicht: definities, toepassing, bereik en niveaus

Afdeling 1

Definities

Artikel 212

Definities

1.   In deze titel wordt verstaan onder:

a)

„deelnemende onderneming”: een onderneming die een moederonderneming is of een andere onderneming die een deelneming bezit, of een onderneming die met een andere onderneming verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG;

b)

„verbonden onderneming”: een dochteronderneming of iedere andere onderneming waarin een deelneming bestaat, of een onderneming die met een andere onderneming verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG;

c)

„groep”: een groep ondernemingen

i)

die bestaat uit een deelnemende onderneming, haar dochterondernemingen en de deelnemingen van de deelnemende onderneming en haar dochterondernemingen, alsook ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG; of

ii)

die stoelt op de totstandbrenging, middels contract of op een andere wijze, van nauwe en duurzame financiële banden tussen die ondernemingen, met inbegrip van onderlinge waarborgmaatschappijen of onderlinge verzekeringsmaatschappijen, waarbij:

een van deze ondernemingen via centrale coördinatie feitelijk een overheersende invloed uitoefent op de besluiten, ook financiële besluiten, van de andere ondernemingen die deel uitmaken van de groep; alsmede

voor de vorming en ontbinding van dergelijke banden ter wille van deze titel vooraf toestemming moet worden verleend door de groepstoezichthouder;

de onderneming die de gecentraliseerde coördinatie uitoefent, wordt beschouwd als de moederonderneming en de andere ondernemingen als dochterondernemingen;

d)

„groepstoezichthouder”: de toezichthoudende autoriteit die verantwoordelijk is voor het groepstoezicht en overeenkomstig artikel 247 is aangewezen;

e)

„college van toezichthouders”: een permanente maar flexibele structuur voor samenwerking en coördinatie tussen de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken lidstaten;

f)

„verzekeringsholding”: een moederonderneming die geen gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is, en waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verkrijgen en houden van deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, dan wel verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is;

g)

„gemengde verzekeringsholding”: een moederonderneming die geen verzekeringsonderneming, verzekeringsonderneming van een derde land, herverzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming van een derde land, verzekeringsholding of gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is, en die onder haar dochterondernemingen ten minste één verzekerings- of herverzekeringsonderneming telt.

2.   Voor de toepassing van deze titel verstaan de toezichthoudende autoriteiten onder moederonderneming ook iedere onderneming die naar hun mening feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent.

Onder dochteronderneming verstaan zij ook iedere onderneming waarop een moederonderneming naar hun mening feitelijk een overheersende invloed uitoefent.

Onder deelneming verstaan zij ook het rechtstreeks of middellijk bezit van stemrechten of kapitaal van een onderneming waarop naar de mening van de toezichthoudende autoriteiten feitelijk een aanzienlijke invloed wordt uitgeoefend.

Afdeling 2

Toepassing en reikwijdte

Artikel 213

Toepassing van groepstoezicht

1.   De lidstaten stellen overeenkomstig deze titel toezicht op groepsniveau in op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een groep.

De bepalingen van deze richtlijn, waarin de voorschriften voor het toezicht op individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zijn vastgelegd, blijven op deze ondernemingen van toepassing, behalve wanneer in deze titel anders is bepaald.

2.   De lidstaten zien erop toe dat het toezicht op groepsniveau als volgt wordt uitgeoefend:

a)

overeenkomstig de artikelen 218 tot en met 258 op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die een deelnemende onderneming in ten minste één verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming, verzekeringsonderneming van een derde land of herverzekeringsonderneming van een derde land zijn;

b)

overeenkomstig de artikelen 218 tot en met 258 op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding met hoofdkantoor in de Gemeenschap is;

c)

overeenkomstig de artikelen 260tot en met 263 op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming een verzekeringsholding met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap of een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is;

d)

overeenkomstig artikel 265 op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming een gemengde verzekeringsholding is.

3.   In de in lid 2, onder a) of b), bedoelde gevallen, waarin de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de verzekeringsholding met hoofdkantoor in de Gemeenschap een verbonden onderneming van een gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële holding is die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht is onderworpen, kan de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, besluiten op het niveau van deze deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of deze verzekeringsholding het in artikel 244 van deze richtlijnbedoelde toezicht op de risicoconcentratie, het in artikel 245 van deze richtlijn bedoelde toezicht op intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen.

Artikel 214

Reikwijdte van het groepstoezicht

1.   De uitoefening van het groepstoezicht overeenkomstig artikel 213 betekent niet dat de toezichthoudende autoriteiten een toezichtsfunctie moeten uitoefenen ten aanzien van de verzekeringsonderneming van een derde land, de herverzekeringsonderneming van een derde land, de verzekeringsholding of de gemengde verzekeringsholding als zodanig, onverminderd artikel 257 wat verzekeringsholdings betreft.

2.   De groepstoezichthouder kan per geval besluiten om bij het in artikel 213 bedoelde groepstoezicht een onderneming niet in aanmerking te nemen, indien

a)

de onderneming gevestigd is in een derde land waar er juridische belemmeringen bestaan voor het doorgeven van de benodigde informatie, onverminderd het bepaalde in artikel 229;

b)

de bij het toezicht te betrekken onderneming in het licht van de doeleinden van groepstoezicht van te verwaarlozen betekenis is; of

c)

het in aanmerking nemen van de onderneming in het licht van de doeleinden van het groepstoezicht misplaatst of misleidend zou zijn.

Indien evenwel op grond van de eerste alinea, onder b), verscheidene ondernemingen van dezelfde groep individueel genomen buiten beschouwing mogen worden gelaten, moeten deze toch in aanmerking worden genomen indien zij gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.

Indien de groepstoezichthouder in de in de eerste alinea, onder b) en c), bedoelde gevallen van mening is dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet bij het groepstoezicht in aanmerking moet worden genomen, raadpleegt hij de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten alvorens een besluit te nemen.

Indien de groepstoezichthouder in een van de in de eerste alinea, onder b) en c), bedoelde gevallen besluit om een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet bij het groepstoezicht in aanmerking te nemen, mogen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat waar deze onderneming is gevestigd, de onderneming die aan het hoofd van de groep staat verzoeken alle informatie te verstrekken die het toezicht op de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan vergemakkelijken.

Afdeling 3

Niveaus

Artikel 215

Uiteindelijke moederonderneming op Gemeenschapsniveau

1.   Ingeval de in artikel 213, lid 2, onder a) en b), bedoelde deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding zelf een dochteronderneming van een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming of van een andere verzekeringsholding met hoofdkantoor in de Gemeenschap is, zijn de artikelen 218 tot en met 258 alleen van toepassing op het niveau van de uiteindelijke moederverzekerings- of -herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding met hoofdkantoor in de Gemeenschap.

2.   Ingeval de in lid 1 bedoelde uiteindelijke moederverzekerings- of -herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding met hoofdkantoor in de Gemeenschap een dochteronderneming van een overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG aan aanvullend toezicht onderworpen onderneming is, kan de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, besluiten op het niveau van deze uiteindelijke moederonderneming het in artikel 244 bedoelde toezicht op de risicoconcentratie, het in artikel 245 bedoelde toezicht op intragroeptransacties of beide niet uit te oefenen.

Artikel 216

Uiteindelijke moederonderneming op nationaal niveau

1.   Ingeval het hoofdkantoor van de in artikel 213, lid 2, onder a) en b), bedoelde deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding met hoofdkantoor in de Gemeenschap niet in dezelfde lidstaat is gelegen als de in artikel 215 bedoelde uiteindelijke moederonderneming op Gemeenschapsniveau, kunnen de lidstaten hun toezichthoudende autoriteiten toestaan dat zij, na raadpleging van de groepstoezichthouder en deze uiteindelijke moederonderneming op Gemeenschapsniveau, besluiten de uiteindelijke moederverzekerings- of -herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding op nationaal niveau aan het groepstoezicht te onderwerpen.

In een dergelijk geval legt de toezichthoudende autoriteit haar besluit uit aan zowel de groepstoezichthouder als de uiteindelijke moederonderneming op Gemeenschapsniveau.

De artikelen 218 tot en met 258 zijn mutatis mutandis van toepassing, behoudens het bepaalde in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel.

2.   De toezichthoudende autoriteit kan het groepstoezicht op de uiteindelijke moederonderneming op nationaal niveau beperken tot een of meer afdelingen van hoofdstuk II.

3.   Ingeval de toezichthoudende autoriteit besluit hoofdstuk II, afdeling 1, op de uiteindelijke moederonderneming op nationaal niveau toe te passen, wordt de methodekeuze die overeenkomstig artikel 220 door de groepstoezichthouder met betrekking tot de in artikel 215 bedoelde uiteindelijke moederonderneming op Gemeenschapsniveau wordt gemaakt, als definitief erkend en door de toezichthoudende autoriteit van de betrokken lidstaat toegepast.

4.   Ingeval de toezichthoudende autoriteit besluit hoofdstuk II, afdeling 1, op de uiteindelijke moederonderneming op nationaal niveau toe te passen en ingeval de in artikel 215 bedoelde uiteindelijke moederonderneming op Gemeenschapsniveau overeenkomstig artikel 231 of artikel 233, lid 5, toestemming heeft gekregen zowel het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als het solvabiliteitskapitaalvereiste van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de groep op basis van een intern model te berekenen, wordt dat besluit als definitief erkend en door de toezichthoudende autoriteit van de betrokken lidstaat toegepast.

Ingeval de toezichthoudende autoriteit in een dergelijke situatie van mening is dat het risicoprofiel van de uiteindelijke moederonderneming op nationaal niveau duidelijk afwijkt van het op Gemeenschapsniveau goedgekeurde interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de toezichthoudende autoriteit, kan deze toezichthoudende autoriteit besluiten op het uit de toepassing van dit model voor deze onderneming resulterenhet solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep een opslagfactor toe te passen, of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, verlangen dat deze onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep op basis van de standaardformule berekent.

De toezichthoudende autoriteit legt deze besluiten uit aan zowel de onderneming als de groepstoezichthouder.

5.   Ingeval de toezichthoudende autoriteit besluit hoofdstuk II, afdeling 1, op de uiteindelijke moederonderneming op nationaal niveau toe te passen, is het deze onderneming niet toegestaan overeenkomstig de artikelen 236 of 243 een aanvraag in te dienen om één of meer van haar dochterondernemingen aan de artikelen 238 tot en met 239 te onderwerpen.

6.   Ingeval de lidstaten hun toezichthoudende autoriteiten toestaan het in lid 1 bedoelde besluit te nemen, bepalen zij dat dergelijke besluiten niet kunnen worden genomen of gehandhaafd wanneer de uiteindelijke moederonderneming op nationaal niveau een dochteronderneming van de in artikel 215 bedoelde uiteindelijke deelnemende onderneming op Gemeenschapsniveau is en deze laatste overeenkomstig de artikelen 237 of 243 toestemming heeft gekregen om deze dochteronderneming aan de artikelen 238 tot en met 239 te onderwerpen.

7.   De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen aannemen waarin nadere invulling wordt gegeven aan de omstandigheden waaronder het in lid 1 bedoelde besluit kan worden genomen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 217

Moederonderneming die meerdere lidstaten bestrijkt

1.   Ingeval de lidstaten hun toezichthoudende autoriteiten toestaan het in artikel 216 bedoelde besluit te nemen, staan zij hun ook toe te besluiten een overeenkomst te sluiten met toezichthoudende autoriteiten van andere lidstaten waar een andere verbonden uiteindelijke moederonderneming op nationaal niveau aanwezig is, teneinde groepstoezicht uit te oefenen op het niveau van een ONDERgroep die meerdere lidstaten bestrijkt.

Wanneer de betrokken toezichthoudende autoriteiten een overeenkomst in de zin van de eerste alinea hebben gesloten, mag geen groepstoezicht worden uitgeoefend op het niveau van een in artikel 216 bedoelde uiteindelijke moederonderneming die in andere lidstaten aanwezig is dan de lidstaat waar de in de eerste alinea van dit lid bedoelde ONDERgroep is gevestigd.

2.   Het bepaalde in artikel 216, leden 2 tot en met 6, is mutatis mutandis van toepassing.

3.   De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen aannemen waarin nadere invulling wordt gegeven aan de omstandigheden waaronder het in lid 1 bedoelde besluit kan worden genomen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

HOOFDSTUK II

Financiële positie

Afdeling 1

Groepssolvabiliteit

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 218

Toezicht op groepssolvabiliteit

1.   Op de groepssolvabiliteit wordt toezicht uitgeoefend overeenkomstig de leden 2 en 3, van dit artikel, artikel 246 en hoofdstuk III.

2.   In het in artikel 213, lid 2, onder a), bedoelde geval schrijven de lidstaten voor dat de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen ervoor moeten zorgen dat er in de groep in aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep zoals berekend overeenkomstig de onderafdelingen 2, 3 en 4.

3.   In het in artikel 213, lid 2, onder b), bedoelde geval schrijven de lidstaten voor dat de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep ervoor moeten zorgen dat er in de groep in aanmerking komend eigen vermogen beschikbaar is dat altijd ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep zoals berekend overeenkomstig onderafdeling 5.

4.   De in de leden 2 en 3 bedoelde kapitaalvereisten worden overeenkomstig hoofdstuk III door de groepstoezichthouder aan toezicht onderworpen. Het bepaalde in artikel 136 en in artikel 138, leden 1 tot en met 4, is van overeenkomstige toepassing.

5.   Zodra de deelnemende onderneming heeft vastgesteld dat het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep niet meer wordt nageleefd of wanneer het gevaar dreigt dat het in de drie volgende maanden niet wordt nageleefd en zij de groepstoezichthouder daarvan in kennis heeft gesteld, deelt de groepstoezichthouder dit mede aan de andere toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders, dat de situatie van de groep vervolgens analyseert.

Artikel 219

Berekeningsfrequentie

1.   De groepstoezichthouder zorgt ervoor dat de in artikel 218, leden 2 en 3, bedoelde berekeningen ten minste eenmaal per jaar worden uitgevoerd, hetzij door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, hetzij door de verzekeringsholding.

De voor de berekening benodigde gegevens en de resultaten van de berekening worden aan de groepstoezichthouder voorgelegd door de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming, of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding of door de tot de groep behorende onderneming die door de groepstoezichthouder na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en met de groep zelf is aangewezen.

2.   Het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wordt continu door de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en de verzekeringsholding bewaakt. Wanneer het risicoprofiel van de groep in aanzienlijke mate afwijkt van de veronderstellingen die aan het laatst gerapporteerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, wordt het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep onmiddellijk herberekend en aan de groepstoezichthouder medegedeeld.

Indien er aanwijzingen zijn dat het risicoprofiel van de groep in aanzienlijke mate is gewijzigd sinds de datum waarop de laatste rapportage van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep heeft plaatsgevonden, kan de groepstoezichthouder een herberekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep verlangen.

Onderafdeling 2

Keuze van de berekeningsmethode en algemene beginselen

Artikel 220

Methodekeuze

1.   De solvabiliteit op het niveau van de groep van de in artikel 213, lid 2, onder a), bedoelde verzekerings- en herverzekeringsondernemingen wordt berekend overeenkomstig de technische beginselen en één van de methoden die in de artikelen 221 tot en met 233 zijn beschreven.

2.   De lidstaten bepalen dat de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep van in artikel 213, lid 2, onder a), bedoelde verzekerings- en herverzekeringsondernemingen wordt uitgevoerd volgens de in de artikelen 230 tot en met 232 bedoelde methode 1.

De lidstaten staan hun toezichthoudende autoriteiten evenwel toe om, indien zij met betrekking tot een bepaalde groep de rol van groepstoezichthouder vervullen, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de groep zelf, te besluiten de in de artikelen 233 en 234 bedoelde methode 2 of een combinatie van de methoden 1 en 2 toe te passen indien de uitsluitende toepassing van methode 1 ongepast zou zijn.

Artikel 221

Opneming van het proportionele deel

1.   Bij de berekening van de groepssolvabiliteit wordt rekening gehouden met het proportionele deel dat de deelnemende verzekeringsonderneming in met haar verbonden verzekeringsondernemingen bezit.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt onder proportioneel deel het volgende verstaan:

a)

ofwel, bij toepassing van methode 1, de percentages die worden gebruikt voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening;

b)

ofwel, bij toepassing van methode 2, het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat rechtstreeks of middellijk het eigendom is van de deelnemende onderneming.

Ongeacht welke methode wordt toegepast, wordt echter, indien de verbonden onderneming een dochteronderneming is en onvoldoende in aanmerking komend eigen vermogen bezit om haar solvabiliteitskapitaalvereiste te dekken, het totale solvabiliteitstekort van de dochteronderneming in aanmerking genomen.

Ingeval de toezichthoudende autoriteiten van oordeel zijn dat de aansprakelijkheid van de moederonderneming die een gedeelte van het kapitaal in eigendom heeft, strikt tot dat gedeelte van het kapitaal is beperkt, kan de groepstoezichthouder niettemin toestaan dat het solvabiliteitstekort van de dochteronderneming op proportionele grondslag in aanmerking wordt genomen.

2.   In de onderstaande gevallen bepaalt de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de groep zelf, het proportionele deel dat in aanmerking wordt genomen:

a)

indien tussen sommige van de ondernemingen in een groep geen kapitaalbanden bestaan;

b)

indien een toezichthoudende autoriteit heeft bepaald dat het rechtstreekse of onrechtstreekse bezit van stemrechten of kapitaal van een onderneming als een deelneming moet worden aangemerkt, omdat naar haar mening feitelijk een aanzienlijke invloed op de betrokken onderneming wordt uitgeoefend;

c)

indien een toezichthoudende autoriteit heeft bepaald dat een onderneming een moederonderneming van een andere onderneming is, omdat zij naar de mening van de toezichthoudende autoriteit feitelijk een aanzienlijke invloed op die andere onderneming uitoefent.

Artikel 222

Uitsluiting van het meermaals gebruiken van in aanmerking komend eigen vermogen

1.   Het is niet toegestaan dat eigen vermogen dat voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komt, meerdere malen wordt gebruikt voor de verschillende verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die bij de berekening betrokken zijn.

Daartoe worden bij de berekening van de groepssolvabiliteit en voor zover de in onderafdeling 4 beschreven methoden daarin nog niet voorzien, de volgende bedragen van de berekening uitgesloten:

a)

de waarde van activa van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor het solvabiliteitskapitaalvereiste van een van de met haar verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;

b)

de waarde van activa van een met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonder-neming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor het solvabiliteitskapitaalvereiste van die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

c)

de waarde van activa van een met de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonder-neming die de financiering vertegenwoordigen van eigen vermogen dat in aanmerking komt voor het solvabiliteitskapitaalvereiste van andere met die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

2.   Onverminderd lid 1 mogen onderstaande vermogensbestanddelen alleen in de berekening worden betrokken voor zover zij in aanmerking komen voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de betrokken verbonden onderneming:

a)

surplusfondsen uit hoofde van artikel 91, lid 2, die gegenereerd worden in een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende levensverzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend;

b)

het geplaatste maar niet-gestorte aandelenkapitaal van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend.

De volgende bestanddelen worden in elk geval van de berekening uitgesloten:

i)

geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal dat een potentiële verplichting van de zijde van de deelnemende onderneming vormt;

ii)

geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming dat een potentiële verplichting van de zijde van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming vormt;

iii)

geplaatst maar niet-gestort aandelenkapitaal van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming dat een potentiële verplichting van de zijde van een andere met dezelfde deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming vormt.

3.   Indien de toezichthoudende autoriteiten van mening zijn dat bepaald - ander dan in lid 2 bedoeld - eigen vermogen dat voor het solvabiliteitskapitaalvereiste van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming in aanmerking komt, niet effectief beschikbaar mag worden gesteld voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, mag dat eigen vermogen slechts in de berekening worden opgenomen voor zover het in aanmerking komt voor de dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden onderneming.

4.   De som van de in de leden 2 en 3 bedoelde vermogensbestanddelen mag het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet overschrijden.

5.   In aanmerking komend eigen vermogen dat afkomstig is van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, en waarvan de inaanmerkingneming voorafgaande toestemming van de toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 90 vereist, mag alleen in de berekening worden betrokken voor zover daarvoor toestemming is gekregen van de toezichthoudende autoriteit die voor het toezicht op die verbonden onderneming verantwoordelijk is.

Artikel 223

Uitsluiting van de schepping van kapitaal binnen een groep

1.   Bij de berekening van de groepssolvabiliteit wordt geen rekening gehouden met het voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen dat afkomstig is van de wederzijdse financiering tussen de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming en:

a)

een daarmee verbonden onderneming;

b)

een daarin deelnemende onderneming; of

c)

een andere verbonden onderneming van een van haar deelnemende ondernemingen.

2.   Bij de berekening van de groepssolvabiliteit wordt geen rekening gehouden met het voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen van een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, wanneer het desbetreffende eigen vermogen afkomstig is van de wederzijdse financiering met een andere met die deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden onderneming.

3.   Er wordt ten minste geacht van wederzijdse financiering sprake te zijn wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een van de met haar verbonden ondernemingen houdster is van aandelen in, of leningen verstrekt aan een andere onderneming die, rechtstreeks of onrechtstreeks, houdster is van voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen van de eerste ondernemingen.

Artikel 224

Waardering

De activa en passiva worden gewaardeerd overeenkomstig artikel 75.

Onderafdeling 3

Toepassing van de berekeningsmethoden

Artikel 225

Verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen

Wanneer er meerdere verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met een verzekerings- of herverzekeringsonderneming verbonden zijn, wordt bij de berekening van de groepssolvabiliteit elk van deze verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in aanmerking genomen.

De lidstaten kunnen voorschrijven dat, wanneer de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar hoofdkantoor heeft in een andere lidstaat dan die van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend, bij de berekening met betrekking tot de verbonden onderneming rekening moet worden gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor het voldoen aan dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen als voorgeschreven in die andere lidstaat.

Artikel 226

Verzekeringstussenholding

1.   Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met een deelneming in een verbonden verzekeringsonderneming, een verbonden herverzekeringsonderneming, een verzekeringsonderneming van een derde land of een herverzekeringsonderneming van een derde land middels een verzekeringstussenholding, wordt met de positie van de verzekeringstussenholding rekening gehouden.

Louter voor deze berekening wordt de verzekeringstussenholding behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan de voorschriften van titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdelingen 1, 2 en 3, met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan dezelfde voorwaarden als die van titel I, hoofdstuk VI, afdeling 3, onderafdelingen 1, 2 en 3, met betrekking tot het voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen.

2.   Indien een verzekeringstussenholding achtergestelde schuldvorderingen of ander in aanmerking komend eigen vermogen bezit waarvoor overeenkomstig artikel 98 een bovengrens geldt, worden deze bestanddelen slechts als in aanmerking komend eigen vermogen erkend ten belope van het bedrag dat wordt verkregen door de in artikel 98 vastgelegde bovengrens toe te passen op het totale in aanmerking komend eigen vermogen op groepsniveau in vergelijking met het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.

In aanmerking komend eigen vermogen van een verzekeringstussenholding dat de voorafgaande toestemming van de toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 90 zou vereisen indien het in bezit van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming zou zijn, mag alleen in de berekening van de groepssolvabiliteit worden betrokken voor zover daarvoor toestemming is gekregen van de groepstoezichthouder.

Artikel 227

Verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van derde landen

1.   Bij de berekening overeenkomstig artikel 233 van de groepssolvabiliteit van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land deelnemende onderneming is, wordt louter voor deze berekening de onderneming van het derde land op dezelfde wijze behandeld als een verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

Wanneer het derde land waar deze onderneming haar hoofdkantoor heeft, de betrokken onderneming onderwerpt aan een vergunning en haar een solvabiliteitsregeling oplegt die ten minste gelijkwaardig is aan die van titel I, hoofdstuk VI, kunnen de lidstaten evenwel voorschrijven dat bij de berekening met betrekking tot deze onderneming rekening wordt gehouden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het voor het voldoen aan dat vereiste in aanmerking komend eigen vermogen als voorgeschreven door het betrokken derde land.

2.   De verificatie of de regeling van het derde land ten minste gelijkwaardig is, wordt uitgevoerd door de groepstoezichthouder op verzoek van de deelnemende onderneming of op eigen initiatief.

Hierbij raadpleegt de groepstoezichthouder de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen alvorens een besluit over de gelijkwaardigheid te nemen.

3.   De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen die criteria bevatten om te bepalen of de solvabiliteitsregeling van een derde land gelijkwaardig is aan die van titel I, hoofdstuk VI.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

4.   Na raadpleging van het Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen kan de Commissie volgens de regelgevingsprocedure van artikel 301, lid 2, en rekening houdend met de overeenkomstig lid 3 van dit artikel vastgestelde criteria besluiten of de solvabiliteitsregeling van een derde land gelijkwaardig is aan die van titel I, hoofdstuk VI.

Deze besluiten worden regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen om rekening te houden met eventuele wijzigingen in de solvabiliteitsregeling van titel I, hoofdstuk VI, en in de solvabiliteitsregeling van het derde land.

5.   Wanneer de Commissie overeenkomstig lid 4 een besluit neemt over de gelijkwaardigheid van de solvabiliteitsregeling van een derde land, is lid 2 niet van toepassing.

Wanneer in een overeenkomstig lid 4 door de Commissie aangenomen besluit wordt geconcludeerd dat de solvabiliteitsregeling van een derde land niet gelijkwaardig is, is de in lid 1, tweede alinea, bedoelde optie om rekening te houden met het solvabiliteitskapitaalvereiste en met het in aanmerking komend eigen vermogen als voorgeschreven door het betrokken derde land, niet van toepassing en wordt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van het derde land uitsluitend in overeenstemming met lid 1, eerste alinea, behandeld.

Artikel 228

Verbonden kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en financiële instellingen

Bij de berekening van de groepssolvabiliteit van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die een in een kredietinstelling, beleggingsonderneming of financiële instelling deelnemende onderneming is, staan de lidstaten hun deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen toe om mutatis mutandis de methoden 1 of 2 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toe te passen. Methode 1 van deze bijlage wordt echter alleen toegepast indien de groepstoezichthouder tevreden is met het niveau van geïntegreerd beheer en interne controle van de entiteiten die onder de consolidatie zouden vallen. De gekozen methode wordt consequent toegepast in de tijd.

De lidstaten staan hun toezichthoudende autoriteiten evenwel toe om, indien zij met betrekking tot een bepaalde groep de rol van groepstoezichthouder vervullen, op verzoek van de deelnemende onderneming of op eigen initiatief te besluiten een in de eerste alinea bedoelde deelneming van het voor de groepssolvabiliteit van de deelnemende onderneming in aanmerking komend eigen vermogen af te trekken.

Artikel 229

Onbeschikbaarheid van de benodigde informatie

Wanneer de betrokken toezichthoudende autoriteiten niet beschikken over de voor de berekening van de groepssolvabiliteit van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming benodigde informatie over een verbonden onderneming met hoofdkantoor in een lidstaat of een derde land, wordt de boekwaarde van deze onderneming in de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming in mindering gebracht op het voor de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen vermogen.

In dat geval worden met deze deelneming verband houdende niet operationele meerwaarden niet als voor de groepssolvabiliteit in aanmerking komend eigen vermogen aanvaard.

Onderafdeling 4

Berekeningsmethoden

Artikel 230

Methode 1 (standaardmethode): methode op basis van consolidatie van jaarrekeningen

1.   De groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming wordt berekend aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening.

De groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming is het verschil tussen:

a)

het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor de dekking van het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste;

b)

het op basis van geconsolideerde gegevens berekende solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.

De voorschriften van titel I, hoofdstuk VI, afdeling 3, onderafdelingen 1, 2 en 3, en van titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdelingen 1, 2 en 3, zijn van toepassing voor de berekening van het voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen en van het op basis van geconsolideerde gegevens bereken het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau.

2.   Het op basis van geconsolideerde gegevens bereken het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau (het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep) wordt berekend aan de hand van hetzij de standaardformule, hetzij een goedgekeurd intern model, op een wijze die strookt met de algemene beginselen vervat in titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdelingen 1 en 2, en in titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdelingen 1resp. 3.

Het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep is ten minste gelijk aan de som van:

a)

het in artikel 129 bedoelde minimumkapitaalvereiste (het minimumkapitaalvereiste) van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

b)

het proportionele deel van de minimumkapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.

Dit minimum wordt gedekt door het in aanmerking komend eigen kernvermogen dat overeenkomstig artikel 98, lid 4, is bepaald.

Om uit te maken of dit in aanmerking komend eigen vermogen aanvaardbaar is voor de dekking van het minimale geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep, zijn de beginselen van de artikelen 221 tot en met 229 mutatis mutandis van toepassing. Het bepaalde in artikel 139, leden 1 en 2, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 231

Intern model van een groep

1.   Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en haar verbonden ondernemingen, of de verbonden ondernemingen van een verzekeringsholding gezamenlijk een aanvraag indienen om zowel het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de groep op basis van een intern model te mogen berekenen, bepalen de betrokken toezichthoudende autoriteiten in onderling overleg of zij deze aanvraag al dan niet inwilligen en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd.

De in de eerste alinea bedoelde aanvraag wordt alleen bij de groepstoezichthouder ingediend.

De groepstoezichthouder stelt de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten onverwijld daarvan in kennis.

2.   De betrokken toezichthoudende autoriteiten doen alles wat in hun vermogen ligt om binnen zes maanden na de datum van ontvangst door de groepstoezichthouder van de volledige aanvraag een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen.

De groepstoezichthouder doet de volledige aanvraag onverwijld aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten toekomen.

3.   Tijdens de in lid 2 bedoelde periode kunnen de groepstoezichthouder en elk van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen raadplegen. Het Comité wordt ook geraadpleegd indien de deelnemende onderneming hierom verzoekt.

Wanneer het Comité wordt geraadpleegd, worden alle betrokken toezichthoudende autoriteiten daarvan in kennis gesteld en wordt de in lid 2 bedoelde periode met twee maanden verlengd.

4.   Wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen niet overeenkomstig lid 3, eerste alinea, is geraadpleegd en er binnen zes maanden na de datum van ontvangst door de groepstoezichthouder van de volledige aanvraag geen gezamenlijk besluit van de betrokken toezichthoudende autoriteiten is, verzoekt de groepstoezichthouder het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen binnen nogmaals twee maanden advies uit te brengen aan alle betrokken toezichthoudende autoriteiten. De groepstoezichthouder neemt binnen drie weken na ontvangst van dat advies een besluit en houdt daarbij volledig rekening met het advies.

5.   Ongeacht de vraag of het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen is geraadpleegd of niet, bevat het besluit van de groepstoezichthouder een volledige opgaaf van redenen met inachtneming van de door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten geuite standpunten.

De groepstoezichthouder doet het besluit aan de aanvrager en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten toekomen.

Dat besluit wordt als doorslaggevend erkend en door de betrokken toezichthoudende autoriteiten toegepast.

6.   Indien er binnen de in respectievelijk lid 2 en lid 3 vastgestelde termijnen geen gezamenlijk besluit is, neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over de aanvraag.

Bij het nemen van zijn besluit houdt de groepstoezichthouder naar behoren rekening met het volgende:

a)

de tijdens de toepasselijke termijn door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten geuite standpunten en voorbehouden;

b)

wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen is geraadpleegd, het advies van dat comité.

Het besluit bevat een volledige opgaaf van redenen en een toelichting op elke aanzienlijke afwijking van de standpunten van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen.

De groepstoezichthouder doet het besluit aan de aanvrager en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten toekomen.

Het besluit wordt als definitief erkend en door de betrokken toezichthoudende autoriteiten toegepast.

7.   Ingeval één van de betrokken toezichthoudende autoriteiten van mening is dat het risicoprofiel van een onder haar toezicht staande verzekerings- of herverzekeringsonderneming significant afwijkt van de aannames die ten grondslag liggen aan het op groepsniveau goedgekeurde interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende aan de bezorgdheid van de toezichthoudende autoriteit tegemoet is gekomen, kan deze autoriteit overeenkomstig artikel 37 besluiten op het uit de toepassing van dit interne model voor deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming resulterende solvabiliteitskapitaalvereiste een opslagfactor toe te passen.

In uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, kan de toezichthoudende autoriteit verlangen dat de betrokken onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de in titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdelingen 1 en 2, bedoelde standaardformule. Overeenkomstig artikel 37, lid 1, onder a) en c), kan de toezichthoudende autoriteit op het uit de toepassing van de standaardformule resulterende solvabiliteitskapitaalvereiste van de betrokken verzekerings- of herverzekeringsonderneming een opslagfactor toepassen.

De toezichthoudende autoriteit legt eventuele in de eerste en de tweede alinea bedoelde besluiten uit aan zowel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming als de groepstoezichthouder.

Artikel 232

Groepsopslagfactor van het kapitaalvereiste

Bij het bepalen of het geconsolideerhet solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep het risicoprofiel van de groep adequaat weergeeft, besteedt de groepstoezichthouder bijzondere aandacht aan elk geval waarin de omstandigheden die worden genoemd in artikel 37, lid 1, onder a) tot en met c), zich op groepsniveau kunnen voordoen, met name indien:

a)

specifieke risico’s op groepsniveau onvoldoende gedekt zijn door de standaardformule of het gebruikte interne model omdat deze moeilijk te kwantificeren vallen;

b)

opslagfactoren overeenkomstig artikel 37 en artikel 229, lid 6, door de betrokken toezichthoudende autoriteiten op het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn toegepast.

Ingeval het risicoprofiel van de groep niet adequaat wordt weergegeven, kan op het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep een opslagfactor worden toegepast.

Het bepaalde in artikel 37, leden 1 tot en met 5, tezamen met de overeenkomstig artikel 37, lid 6, genomen uitvoeringsmaatregelen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 233

Methode 2 (alternatieve methode): aftrek en aggregatie

1.   De groepssolvabiliteit van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming is het verschil tussen:

a)

het geaggregeerde in aanmerking komend eigen vermogen van de groep zoals bepaald in lid 2;

b)

de waarde in de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en het geaggregeerhet solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep zoals bepaald in lid 3.

2.   Het geaggregeerde in aanmerking komend eigen vermogen van de groep is gelijk aan de som van:

a)

het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

b)

het proportionele deel van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming in het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

3.   Het geaggregeerhet solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep is gelijk aan de som van:

a)

het solvabiliteitskapitaalvereiste van de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

b)

het proportionele deel van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

4.   Wanneer de deelneming in de verbonden verzekerings- of herverzekeringsonderneming geheel of ten dele bestaat in de vorm van middellijke onrechtstreekse eigendom, dan wordt in de waarde in de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen de waarde van die middellijke eigendom meegenomen, met inachtneming van de desbetreffende successieve interesten, en worden in de in lid 2, onder b), en lid 3, onder b), bedoelde bestanddelen de overeenkomstige proportionele delen meegenomen van respectievelijk het eigen vermogen dat in aanmerking komt voor het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verbonden verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.

5.   Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en haar verbonden ondernemingen, of de verbonden ondernemingen van een verzekeringsholding gezamenlijk een aanvraag indienen om het solvabiliteitskapitaalvereiste van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de groep op basis van een intern model te mogen berekenen, is artikel 231 mutatis mutandis van toepassing.

6.   Bij het bepalen of het overeenkomstig lid 3 berekende geaggregeerhet solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep het risicoprofiel van de groep adequaat weergeeft, besteden de betrokken toezichthoudende autoriteiten bijzondere aandacht aan eventuele specifieke risico’s op groepsniveau die onvoldoende gedekt zijn omdat deze moeilijk te kwantificeren vallen.

Ingeval het risicoprofiel van de groep duidelijk afwijkt van de aannames die aan het geaggregeerhet solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep ten grondslag liggen, kan op het geaggregeerhet solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep een opslagfactor toegepast.

Het bepaalde in artikel 37, leden 1 tot en met 5, tezamen met de overeenkomstig artikel 37, lid 6, genomen uitvoeringsmaatregelen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 234

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin nadere invulling wordt gegeven aan de technische beginselen en methoden vervat in de artikelen 220 tot en met 229 en de toepassing van de artikelen 230 tot en met 233 om een eenvormige toepassing in de Gemeenschap te bevorderen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Onderafdeling 5

Toezicht op de groepssolvabiliteit van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die dochterondernemingen van een verzekeringsholding zijn

Artikel 235

Groepssolvabiliteit van een verzekeringsholding

Ingeval verzekerings- en herverzekeringsondernemingen dochterondernemingen van een verzekeringsholding zijn, draagt de groepstoezichthouder er zorg voor dat de solvabiliteit van de groep op het niveau van de verzekeringsholding wordt berekend met toepassing van artikel 220, lid 2, tot en met artikel 233.

Bij deze berekening wordt de moederonderneming behandeld als betrof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming die onderworpen is aan de voorschriften van titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdelingen 1, 2 en 3, met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste en aan dezelfde voorwaarden als die van titel I, hoofdstuk VI, afdeling 3, onderafdelingen 1, 2 en 3, met betrekking tot het voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen.

Onderafdeling 6

Toezicht op de groepssolvabiliteit van groepen met een gecentraliseerd risicobeheer

Artikel 236

Dochterondernemingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming: voorwaarden

De lidstaten schrijven voor dat de voorschriften van de artikelen 238 tot en met 239 van toepassing zijn op elke verzekerings- of herverzekeringsonderneming die de dochteronderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)

de dochteronderneming ten aanzien waarvan de groepstoezichthouder geen besluit overeenkomstig artikel 214, lid 2, heeft genomen, valt onder het groepstoezicht dat overeenkomstig deze titel door de groepstoezichthouder op het niveau van de moederonderneming wordt uitgeoefend;

b)

de Risk managementprocessen en internecontrolemechanismen van de moederonderneming bestrijken de dochteronderneming, en de moederonderneming toont ten genoegen van de betrokken toezichthoudende autoriteiten aan dat er van een prudente bedrijfsvoering van de dochteronderneming sprake is;

c)

aan de moederonderneming is een vergunning verleend als bedoeld in artikel 246, lid 4, derde alinea;

d)

aan de moederonderneming is een vergunning verleend als bedoeld in artikel 256, lid 2;

e)

de moederonderneming heeft een aanvraag ingediend om aan de artikelen 238 en 239 te worden onderworpen en deze aanvraag is ingewilligd volgens de procedure van artikel 237.

Artikel 237

Dochterondernemingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming: besluit over de aanvraag

1.   Bij aanvragen om aan de voorschriften van de artikelen 238 en 239 te mogen worden onderworpen, bepalen de betrokken toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders, in overleg, of zij de aanvraag al dan niet inwilligen en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd.

De in de eerste alinea bedoelde aanvraag wordt alleen ingediend bij de toezichthoudende autoriteit die vergunning voor de dochteronderneming heeft verleend. Die toezichthoudende autoriteit stelt de andere toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders onverwijld in kennis en doet de volledige aanvraag onverwijld aan hen toekomen.

2.   De betrokken toezichthoudende autoriteiten doen alles wat in hun vermogen ligt om binnen drie maanden na de datum van ontvangst door alle toezichthoudende autoriteiten van het college van de volledige aanvraag een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen.

3.   Indien zich binnen de in lid 2 genoemde termijn een verschil van mening over de goedkeuring van de in lid 1 bedoelde aanvraag voordoet, kan de groepstoezichthouder of een van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen raadplegen. Indien het Comité wordt geraadpleegd, worden alle betrokken toezichthoudende autoriteiten daarvan in kennis gesteld en wordt de in lid 2 bedoelde termijn met een maand verlengd.

Wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen is geraadpleegd, bestuderen de betrokken toezichthoudende autoriteiten dit advies naar behoren alvorens een gezamenlijk besluit te nemen.

4.   De toezichthoudende autoriteit die een vergunning heeft verleend aan de dochteronderneming doet het in de leden 2 en 3 bedoelde gezamenlijk besluit schriftelijk, met opgaaf van redenen en met een verklaring van elke aanzienlijke afwijking van de standpunten van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen, indien dat geraadpleegd is, aan de aanvrager toekomen. Het gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend en door de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken lidstaten toegepast.

5.   Indien er binnen de in de in de leden 2 en 3 vastgestelde termijnen geen gezamenlijk besluit van de betrokken toezichthoudende autoriteiten is, neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over de aanvraag.

Bij het nemen van zijn besluit houdt de groepstoezichthouder naar behoren rekening met het volgende:

a)

de tijdens de toepasselijke termijn door de betrokken toezichthoudende autoriteiten geuite standpunten en voorbehouden;

b)

de tijdens de toepasselijke termijn door de andere toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders geuite voorbehouden;

c)

wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen is geraadpleegd, het advies van dit comité.

Het besluit bevat eenvolledige opgaaf van redenen en een toelichting op elke aanzienlijke afwijking van de voorbehouden van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en van het advies van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen. De groepstoezichthouder doet een kopie van het besluit aan de aanvrager en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten toekomen.

Artikel 238

Dochterondernemingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming: vaststelling van het solvabiliteitskapitaalvereiste

1.   Onverminderd artikel 231 wordt het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochteronderneming berekend overeenkomstig de leden 2, 4 en 5 van dit artikel.

2.   Ingeval het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochteronderneming wordt berekend op basis van een overeenkomstig artikel 231 op groepsniveau goedgekeurd intern model en indien de toezichthoudende autoriteit die aan de dochteronderneming vergunning heeft verleend van mening is dat het risicoprofiel duidelijk afwijkt van dit interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende aan de bezorgdheden van de toezichthoudende autoriteit tegemoet is gekomen, kan deze autoriteit in de in artikel 37 bedoelde gevallen voorstellen op het uit de toepassing van dit interne model voor deze dochteronderneming resulterenhet solvabiliteitskapitaalvereiste een opslagfactor toe te passen, of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, te verlangen dat deze onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de standaardformule. De toezichthoudende autoriteit bespreekt dit voorstel in het college van toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochteronderneming als het college van toezichthouders mede.

3.   Ingeval het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochteronderneming wordt berekend op basis van de standaardformule en indien de toezichthoudende autoriteit die aan de dochteronderneming vergunning heeft verleend van mening is dat het risicoprofiel van die onderneming duidelijk afwijkt van de aannames die aan de standaardformule ten grondslag liggen, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de toezichthoudende autoriteit, kan deze autoriteit in uitzonderlijke omstandigheden voorstellen dat de onderneming een onderset van de parameters die in de standaardformule voor de berekening worden gebruikt, vervangt door parameters die kenmerkend zijn voor die onderneming bij de berekening van de levens-, schade- en bijzondere-ziektekostenverzekeringstechnische risicomodules, zoals uiteengezet in artikel 110 of in de in artikel 37 bedoelde gevallen op het solvabiliteitskapitaalvereiste van die dochteronderneming een opslagfactor toe te passen.

De toezichthoudende autoriteit bespreekt dit voorstel in het college van toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochteronderneming als het college van toezichthouders mede.

4.   Het college van toezichthouders doet alles wat in zijn vermogen ligt om tot overeenstemming te komen over het voorstel van de toezichthoudende autoriteit die voor de dochteronderneming een vergunning heeft verleend, of over andere mogelijke maatregelen.

5.   Indien de toezichthoudende autoriteit en de groepstoezichthouder het oneens zijn, wordt de zaak binnen de maand na de indiening van het voorstel door de toezichthoudende autoriteit, ter raadpleging voorgelegd aan het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen, dat binnen de twee maanden nadat de zaak is voorgelegd advies daarover uitbrengt.

De toezichthoudende autoriteit die de dochteronderneming vergunning heeft verleend, bestudeert dit advies alvorens een definitief besluit te nemen.

Het besluit bevat een volledige opgaaf van redenen met inachtneming van de door de andere toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders geuite standpunten, met inbegrip van de voorbehouden en het advies van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen.

Het besluit wordt voorgelegd aan de dochteronderneming en het college van toezichthouders.

Artikel 239

Dochterondernemingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming: niet-naleving van het solvabiliteits- en minimumkapitaalvereiste

1.   In geval van niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste en onverminderd artikel 138 doet de toezichthoudende autoriteit die aan de dochteronderneming vergunning heeft verleend, het college van toezichthouders onverwijld het saneringsplan toekomen dat de dochteronderneming heeft ingediend om binnen zes maanden na de constatering dat het solvabiliteitskapitaalvereiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat het solvabiliteitskapitaalvereiste weer wordt nageleefd.

Het college van toezichthouders doet alles wat in zijn vermogen ligt om tot overeenstemming te komen over het voorstel van de toezichthoudende autoriteit met het oog op de goedkeuring van het herstelplan binnen vier maanden na de datum waarop voor het eerst is geconstateerd dat het solvabiliteitskapitaalvereiste niet wordt nageleefd.

Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de toezichthoudende autoriteit die aan de dochteronderneming vergunning heeft verleend over de goedkeuring van het saneringsplan, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten en voorbehouden van de andere toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders.

2.   Indien de toezichthoudende autoriteit die aan de dochteronderneming vergunning heeft verleend, volgens artikel 136 een verslechtering van de financiële omstandigheden constateert, stelt hij het college van toezichthouders onverwijld in kennis van de voorgestelde maatregelen. Behalve in noodsituaties moeten de te nemen maatregelen worden besproken in het college van toezichthouders.

Het college van toezichthouders doet alles wat in zijn vermogen ligt om tot overeenstemming te komen over het voorstel over de voorgestelde maatregelen die genomen moeten worden binnen één maand na het tijdstip van inkennisstelling.

Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist de toezichthoudende autoriteit die aan de dochteronderneming vergunning heeft verleend, over de goedkeuring van de voorgestelde maatregelen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten en voorbehouden van de andere toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders.

3.   In geval van niet-naleving van het minimumkapitaalvereiste en onverminderd artikel 139 doet de toezichthoudende autoriteit die aan de dochteronderneming vergunning heeft verleend, het college van toezichthouders onverwijld het financieel kortetermijnplan dat de dochteronderneming heeft ingediend toekomen om binnen drie maanden na de datum waarop voor het eerst wordt vastgesteld dat het minimumkapitaalvereiste niet wordt nageleefd, het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het minimumkapitaalvereiste weer op peil te brengen of haar risicoprofiel zodanig te verlagen dat het minimumkapitaalvereiste weer wordt nageleefd. Ook het college van toezichthouders moet in kennis worden gesteld van alle maatregelen die worden genomen om toe te zien op de naleving van het minimumkapitaalvereiste op het niveau van de dochteronderneming.

Artikel 240

Dochterondernemingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming: einde van de toepasselijkheid van de afwijkingen voor een dochteronderneming

1.   De voorschriften waarin de artikelen 238 en 239 voorzien, zijn niet meer van toepassing indien:

a)

er niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 236, onder a);

b)

er niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 236, onder b), en de groep laat na om binnen een passende termijn wederom aan deze voorwaarde te voldoen;

c)

er niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 236, onder c) en d).

Indien de groepstoezichthouder in het in de eerste alinea, onder a), bedoelde geval na raadpleging van het college van toezichthouders besluit de dochteronderneming niet langer in het door hem uitgevoerde groepstoezicht te betrekken, stelt hij de betrokken toezichthoudende autoriteit en de moederonderneming onmiddellijk daarvan in kennis.

Voor de toepassing van artikel 236, onder b), c) en d), behoort het tot de verantwoordelijkheid van de moederonderneming om ervoor te zorgen dat doorlopend aan de voorwaarden wordt voldaan. Ingeval niet aan de voorwaarde wordt voldaan, stelt zij de groepstoezichthouder en de toezichthoudende autoriteit van de betrokken dochteronderneming onverwijld daarvan in kennis. De moederonderneming presenteert een plan opdat binnen een passende termijn wederom aan alle voorwaarden wordt voldaan.

Onverminderd de derde alinea verifieert de groepstoezichthouder ten minste eenmaal per jaar op eigen initiatief of nog steeds aan de voorwaarden van artikel 236, onder b), c) en d), is voldaan. De groepstoezichthouder verricht een dergelijke verificatie ook op verzoek van de betrokken toezichthoudende autoriteit wanneer deze zich ernstig zorgen maakt over de vraag of nog steeds aan deze voorwaarde is voldaan.

Wanneer de verrichte verificatie tekortkomingen aan het licht brengt, verlangt de groepstoezichthouder van de moederonderneming dat deze een plan presenteert opdat binnen een passende termijn wederom aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Indien de groepstoezichthouder na raadpleging van het college van toezichthouders vaststelt dat het in de derde of vijfde alinea bedoelde plan ontoereikend is, of later constateert dat het niet binnen de overeengekomen termijn wordt uitgevoerd, concludeert de groepstoezichthouder dat niet langer aan de voorwaarde van artikel 236, onder c) en d), is voldaan en stelt hij de betrokken toezichthoudende autoriteit onmiddellijk daarvan in kennis.

2.   De regeling waarin de artikelen 238 en 239 voorzien, wordt opnieuw van toepassing indien de moederonderneming een nieuwe aanvraag indient en de aanvraag volgens de procedure van artikel 237 wordt ingewilligd.

Artikel 241

Dochterondernemingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming: uitvoeringsmaatregelen

Teneinde een eenvormige toepassing van de artikelen 236 tot en met 240 te waarborgen, neemt de Commissie uitvoeringsmaatregelen aan tot vaststelling van het volgende:

a)

de criteria die moeten worden gehanteerd bij de toetsing of aan de voorwaarden van artikel 236 is voldaan;

b)

de criteria die moeten worden gehanteerd bij de toetsing van wat verstaan moet worden onder de in artikel 239, lid 2, genoemde noodsituaties;

c)

de procedures die de toezichthoudende autoriteiten moeten volgen bij de uitwisseling van informatie, de uitoefening van hun rechten en de vervulling van hun plichten overeenkomstig de artikelen 237 tot en met 240.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 242

Herziening

1.   Uiterlijk op 31 oktober 2014 evalueert de Commissie de toepassing van titel III, waarbij zij met name let op de samenwerking van de toezichthoudende autoriteiten binnen de colleges van toezichthouders en de werking daarvan, de rechtsvorm van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen en de toezichtpraktijk bij de vaststelling van de opslagfactoren, en brengt zij hiervan verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, indien nodig vergezeld van voorstellen tot herziening.

2.   Uiterlijk op 31 oktober 2015 evalueert de Commissie de baten van een versterking van het groepstoezicht en het kapitaalbeheer binnen een groep van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen onder verwijzing naar COM(2008)0119 en het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement over dit voorstel van 16 oktober 2008 (A6-0413/2008). Deze evaluatie moet ook maatregelen bevatten die genomen kunnen worden om te zorgen voor een solide grensoverschrijdend beheer van verzekeringsconcerns, met name ten aanzien van risico’s en vermogensbeheer. In haar evaluatie houdt de Commissie onder meer rekening met nieuwe ontwikkelingen en vorderingen op het gebied van:

a)

een geharmoniseerd kader voor tijdig ingrijpen;

b)

praktijken van het Risk management in een gecentraliseerde groepen werking van groepsinterne modellen, met inbegrip van stresstests;

c)

transacties binnen een groep en risicoconcentratie;

d)

de uitwerking van diversificatie- en concentratie-effecten in de loop van de tijd;

e)

een wettelijk bindend kader voor bemiddeling in geschillen in verband met het toezicht;

f)

een geharmoniseerd kader van procedures voor de overdraagbaarheid van activa, insolventie en liquidatie ter eliminering van de belemmeringen voor de overdraagbaarheid van vermogensbestanddelen in het nationale vennootschapsrecht;

g)

een gelijkwaardig niveau van bescherming van verzekeringnemers en begunstigden van ondernemingen van dezelfde groep, met name in crisissituaties;

h)

een geharmoniseerde, financieel toereikende en voor de hele Europese Unie geldende oplossing voor verzekeringsgarantieregelingen;

i)

een geharmoniseerd en wettelijk bindend kader van bevoegde instanties, centrale banken en ministeries van financiën voor crisisbeheer, geschillenbeslechting en fiscale lastendeling dat toezichtbevoegdheden paart aan fiscale verantwoordelijkheid.

De Commissie legt aan het Europees Parlement en de Raad een verslag en eventueel voorstellen ter herziening voor.

Artikel 243

Dochterondernemingen van een verzekeringsholding

De artikelen 236 tot en met 242 zijn mutatis mutandis van toepassing op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die dochterondernemingen van een verzekeringsholding zijn.

Afdeling 2

Risicoconcentratie en intragroeptransacties

Artikel 244

Toezicht op risicoconcentratie

1.   Het toezicht op de risicoconcentratie op groepsniveau wordt uitgeoefend overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel, artikel 246 en hoofdstuk III.

2.   De lidstaten schrijven voor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen of verzekeringsholdings regelmatig en ten minste eenmaal per jaar iedere significante risicoconcentratie op het niveau van de groep aan de groepstoezichthouder moeten rapporteren.

De benodigde informatie wordt aan de groepstoezichthouder medegedeeld door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die aan het hoofd van de groep staat of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding of door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de groep welke door de groepstoezichthouder na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en met de groep is aangewezen.

De risicoconcentraties staan onder controle van de groepstoezichthouder.

3.   Na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de groep bepaalt de groepstoezichthouder welke categorieën risico’s door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een specifieke groep in elk geval moeten worden gerapporteerd.

Bij het bepalen van, of het geven van een oordeel over de categorieën risico’s houden de groepstoezichthouder en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten rekening met de specifieke groeps- en Risk managementstructuur van de groep.

Met het oog op de aanmerking als significante risicoconcentratie die moet worden gerapporteerd, stelt de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de groep, passende drempels vast op basis van eisen inzake het solvabiliteitsvermogen, de technische voorzieningen, of beide.

Bij het toezicht op de risicoconcentraties let de groepstoezichthouder vooral op mogelijke besmettingsrisico’s in de groep, het risico van belangenconflicten en het niveau of de omvang van de risico’s.

4.   Voor de toepassing van de leden 2 en 3 kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen aannemen met betrekking tot de definitie en onderkenning van een significante risicoconcentratie en de rapportage van een dergelijke risicoconcentratie.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 245

Toezicht op intragroeptransacties

1.   Het toezicht op de intragroeptransacties wordt uitgeoefend overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel, artikel 246 en hoofdstuk III.

2.   De lidstaten schrijven voor dat verzekerings- en herverzekeringsondernemingen of verzekeringsholdings regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante intragroeptransacties door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep aan de groepstoezichthouder moeten rapporteren, met inbegrip van transacties met een natuurlijke persoon die nauwe banden heeft met een onderneming van die groep.

Daarnaast schrijven de lidstaten voor dat zeer significante intragroeptransacties moeten worden gerapporteerd zodra zulks praktisch mogelijk is.

De benodigde informatie wordt aan de groepstoezichthouder medegedeeld door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming die aan het hoofd van de groep staat of, indien aan het hoofd van de groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, door de verzekeringsholding of door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in de groep welke door de groepstoezichthouder na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en met de groep is aangewezen.

De intragroeptransacties staan onder controle van de groepstoezichthouder.

3.   Na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de groep bepaalt de groepstoezichthouder welke categorieën intragroeptransacties door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een specifieke groep in elk geval moeten worden gerapporteerd. Het bepaalde in artikel 244, lid 3, is van overeenkomstige toepassing.

4.   Voor de toepassing van de leden 2 en 3 kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen aannemen met betrekking tot de definitie en onderkenning van een significante intragroeptransactie en de rapportage van een dergelijke intragroeptransactie.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Afdeling 3

Risicobeheer en interne controle

Artikel 246

Toezicht op het governancesysteem

1.   De vereisten van titel I, hoofdstuk IV, afdeling 2, zijn mutatis mutandis van toepassing op het niveau van de groep.

Onverminderd de eerste alinea worden de Risk management- en internecontrolesystemen en rapportageprocedures in alle ondernemingen die overeenkomstig artikel 213, lid 2, onder a) en b), onder het groepstoezicht vallen consequent toegepast, zodat deze systemen en rapportageprocedures op het niveau van de groep kunnen worden gecontroleerd.

2.   Onverminderd lid 1 omvatten de internecontrolesystemen van de groep ten minste het volgende:

a)

adequate procedures met betrekking tot de groepssolvabiliteit om alle bestaande materiële risico’s te bepalen en te meten en het in aanmerking komend eigen vermogen naar behoren af te stemmen op de risico’s;

b)

gedegen rapportage- en financiële-verslaggevingsprocedures om de intragroeptransacties en de risicoconcentratie te bewaken en te beheren.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde systemen en rapportageprocedures worden overeenkomstig de voorschriften van hoofdstuk III door de groepstoezichthouder gecontroleerd.

4.   De lidstaten schrijven voor dat de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de verzekeringsholding de bij artikel 45 voorgeschreven beoordeling op het niveau van de groep moeten uitvoeren. De op groepsniveau uitgevoerde beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit wordt overeenkomstig de voorschriften van hoofdstuk III door de groepstoezichthouder gecontroleerd.

Wanneer de berekening van de solvabiliteit op het niveau van de groep wordt uitgevoerd volgens de in artikel 230 bedoelde methode, dan zorgt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de verzekeringsholding ervoor dat de groepstoezichthouder een helder inzicht heeft in het verschil tussen de som van de solvabiliteitskapitaalvereisten van alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van de groep en het geconsolideerde solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep.

Indien de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of de verzekeringsholding daartoe besluiten en de groepstoezichthouder daarmee instemt, mag zij alle bij artikel 45 voorgeschreven beoordelingen tegelijkertijd op het niveau van de groep en op het niveau van een dochteronderneming van de groep uitvoeren en mag zij een enkel document opstellen dat op alle beoordelingen betrekking heeft.

Alvorens overeenkomstig de derde alinea zijn instemming te geven raadpleegt de groepstoezichthouder de leden van het college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening houdt met hun standpunten en voorbehouden.

Indien de groep gebruik maakt van de bij de derde alinea geboden mogelijkheid, doet zij het document tegelijkertijd aan alle betrokken toezichthoudende autoriteiten toekomen. De gebruikmaking van deze mogelijkheid ontslaat de betrokken dochterondernemingen niet van de verplichting om ervoor te zorgen dat aan de vereisten van artikel 45 is voldaan.

HOOFDSTUK III

Maatregelen om het groepstoezicht te vergemakkelijken

Artikel 247

Groepstoezichthouder

1.   Uit de kring van toezichthoudende autoriteiten van de betrokken lidstaten wordt één enkele toezichthouder aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en uitoefening van het groepstoezicht (hierna de „groepstoezichthouder” genoemd).

2.   Ingeval dezelfde toezichthoudende autoriteit bevoegd is voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep, wordt de functie van groepstoezichthouder door deze toezichthoudende autoriteit uitgeoefend.

In alle andere gevallen wordt, behoudens het bepaalde in lid 3, de functie van groepstoezichthouder uitgeoefend door de volgende autoriteit:

a)

indien aan het hoofd van een groep een verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de toezichthoudende autoriteit die aan deze onderneming vergunning heeft verleend;

b)

indien aan het hoofd van een groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de toezichthoudende autoriteit die op grond van de volgende criteria wordt aangewezen:

i)

indien de moederonderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een verzekeringsholding is, de toezichthoudende autoriteit die aan deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming vergunning heeft verleend;

ii)

indien meerdere verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in de Gemeenschap dezelfde verzekeringsholding als moederonderneming hebben en aan een van deze ondernemingen vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzekeringsholding haar hoofdkantoor heeft, de toezichthoudende autoriteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan in die lidstaat vergunning is verleend;

iii)

indien meerdere verzekeringsholdings met hoofdkantoor in verschillende lidstaten aan het hoofd van de groep staan en er in elk van deze lidstaten een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is, de toezichthoudende autoriteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal;

iv)

indien meerdere verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in de Gemeenschap dezelfde verzekeringsholding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzekeringsholding haar hoofdkantoor heeft, de toezichthoudende autoriteit die vergunning heeft verleend aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal;

v)

indien de groep een groep is zonder moederonderneming, of in elk geval niet bedoeld onder i) tot en met iv) de toezichthoudende autoriteit die vergunning heeft verleend aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal.

3.   In bijzondere gevallen kunnen de betrokken toezichthoudende autoriteiten op verzoek van een van de autoriteiten gezamenlijk besluiten om af te wijken van de criteria van lid 2 indien de toepassing ervan, gelet op de structuur van de groep en het relatieve belang van de activiteiten van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de verschillende lidstaten, ongepast zou zijn, en een andere toezichthoudende autoriteit als groepstoezichthouder aanwijzen.

In dat verband kan elk van de betrokken toezichthoudende autoriteiten verzoeken om een discussie te openen over de vraag of de in lid 2 bedoelde criteria gepast zijn. Een dergelijke discussie vindt niet vaker dan eenmaal per jaar plaats.

De betrokken toezichthoudende autoriteiten doen alles wat in hun vermogen ligt om binnen drie maanden na het verzoek om de opening van een discussie een gezamenlijk besluit over de keuze van de groepstoezichthouder te nemen. Alvorens hun besluit te nemen, bieden de toezichthoudende autoriteiten de groep de gelegenheid haar standpunt kenbaar te maken.

4.   Gedurende de in lid 3, derde alinea, bedoelde periode van drie maanden kan elk van de betrokken toezichthoudende autoriteiten verzoeken om raadpleging van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen. Wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen wordt geraadpleegd, wordt die periode met twee maanden verlengd.

5.   Wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen is geraadpleegd, houden de betrokken toezichthoudende autoriteiten naar behoren rekening met het advies van dit comité alvorens een gezamenlijk besluit te nemen. Het gezamenlijk besluit wordt volledig met redenen omkleed en bevat een verklaring van elke belangrijke afwijking van het advies van het comité.

6.   Indien er geen gezamenlijk besluit is tot afwijking van de in lid 2 vermelde criteria, wordt de functie van groepstoezichthouder uitgeoefend door de toezichthoudende autoriteit die daarvoor overeenkomstig lid 2 in aanmerking komt.

7.   Het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen stelt het Europees Parlement, de Raad en de Commissie ten minste eenmaal per jaar in kennis van alle belangrijke problemen met de toepassing van de leden 2, 3 en 6.

Indien zich belangrijke problemen voordoen bij de toepassing van de in de leden 2 en 3 vermelde criteria, neemt de Commissie uitvoeringsmaatregelen aan om deze criteria nader te specificeren.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

8.   Ingeval er in een lidstaat meerdere toezichthoudende autoriteiten bevoegd zijn voor de uitoefening van het prudentiële toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, treft de betrokken lidstaat de nodige maatregelen om de coördinatie tussen deze autoriteiten te verzekeren.

Artikel 248

Rechten en plichten van de groepstoezichthouder en de andere toezichthouders - College van toezichthouders

1.   De rechten en plichten van de groepstoezichthouder met betrekking tot het groepstoezicht omvatten het volgende:

a)

het coördineren van de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het toezicht door een toezichthoudende autoriteit;

b)

het toezicht op en het beoordelen van de financiële situatie van de groep;

c)

het beoordelen van de naleving door de groep van de voorschriften inzake solvabiliteit, risicoconcentratie en intragroeptransacties, zoals neergelegd in de artikelen 218 tot en met 245;

d)

het beoordelen van het governancesysteem van de groep zoals bepaald in artikel 246, en van de vraag of de leden van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de deelnemende onderneming aan de vereisten van de artikelen 42 en 257 voldoen;

e)

het plannen en coördineren, aan de hand van bijeenkomsten die minstens eenmaal per jaar plaatsvinden, of andere passende middelen, van toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de betrokken toezichthoudende autoriteiten en rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de risico’s die verbonden zijn met de bedrijfsuitoefening van alle ondernemingen die onderdeel van de groep zijn;

f)

andere taken, maatregelen en besluiten die bij deze richtlijn aan de groepstoezichthouder zijn toegewezen of uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeien, met name het leiden van het in de artikelen 231 en 233 vastgelegde validatieproces van een intern model op groepsniveau en het leiden van het proces voor het toestaan van de toepassing van de in de artikelen 237 tot en met 240 vastgelegde regeling.

2.   Om de uitvoering van de groepstoezichtstaken als bedoeld in lid 1 te vergemakkelijken, wordt een door de groepstoezichthouder voorgezeten college van toezichthouders ingesteld.

Dit college van toezichthouders zorgt ervoor dat de samenwerking, de informatie-uitwisseling en de onderlinge raadpleging tussen de toezichthoudende autoriteiten van het college effectief hun beslag krijgen overeenkomstig titel III, ten einde de convergentie van hun besluiten en activiteiten te bevorderen.

3.   De groepstoezichthouder en de toezichthoudende autoriteiten van alle lidstaten waar de zetel van alle dochterondernemingen gevestigd is, zijn lid van het college.

Ook de toezichthoudende autoriteiten van belangrijke bijkantoren en verbonden ondernemingen kunnen deelnemen aan de colleges van toezichthouders. Hun deelneming beperkt zich echter tot het doel van een efficiënte uitwisseling van informatie.

Met het oog op de doeltreffende werking van het college kan het nodig zijn dat bepaalde activiteiten door een beperkt aantal toezichthoudende autoriteiten van het college worden uitgevoerd.

4.   Onverminderd elke ter uitvoering van deze richtlijn genomen maatregel stoelt de oprichting en werking van de colleges op coördinatieafspraken tussen de groepstoezichthouder en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.

Bij verschil van mening over de coördinatieafspraken kan elk lid van het college de zaak voorleggen aan het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen.

De door het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen uitgebrachte adviezen worden door de groepstoezichthouder, na overleg met de betrokken toezichthoudende autoriteiten binnen twee maanden na ontvangst, naar behoren in overweging genomen alvorens een definitief besluit te nemen. Het besluit bevat een volledige opgaaf van redenen en met een verklaring van elke aanzienlijke afwijking van de adviezen van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen. De groepstoezichthouder doet het besluit aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten toekomen.

5.   Onverminderd elke ter uitvoering van deze richtlijn genomen maatregel worden in de in lid 4 bedoelde coördinatieafspraken de procedures gespecificeerd voor:

a)

het besluitvormingsproces tussen de betrokken toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig de artikelen 231, 232 en 247;

b)

het overleg uit hoofde van lid 4 van dit artikel en artikel 218, lid 5.

Onverminderd de rechten en plichten die deze richtlijn vaststelt voor de groepstoezichthouder en de andere toezichthoudende autoriteiten, kunnen in de coördinatieafspraken nog andere taken worden toevertrouwd aan de groepstoezichthouder of de andere toezichthoudende autoriteiten, ingeval dit leidt tot een efficiënter toezicht op de groep en het geen afbreuk doet aan de toezichtactiviteiten van de leden van het college van toezichthouders ten opzichte van hun individuele verantwoordelijkheden.

De coördinatieafspraken kunnen ook procedures bevatten voor:

a)

het overleg tussen de betrokken toezichthoudende autoriteiten, met name als bedoeld in de artikelen 213 tot en met 217, 219 tot en met 221, 227, 244 tot en met 246, 250, 256, 260 en 262;

b)

de samenwerking met andere toezichthoudende autoriteiten.

6.   Het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen werkt richtsnoeren uit voor de operationele werking van de colleges van toezichthouders, op basis van integrale evaluaties van de werkzaamheden van de colleges teneinde de mate van onderlinge convergentie te beoordelen. Deze evaluaties worden ten minste om de drie jaar uitgevoerd. De lidstaten zorgen ervoor dat de groepstoezichthouder het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen informatie verstrekt over de werking van de colleges van toezichthouders en gerezen moeilijkheden die van belang zijn voor deze evaluaties.

7.   Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 6 neemt de Commissie uitvoeringsmaatregelen aan met het oog op de coördinatie van het groepstoezicht, onder meer de definitie van wat een belangrijk bijkantoor is.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 249

Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen toezichthoudende autoriteiten

1.   De voor het toezicht op de individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep verantwoordelijke autoriteiten en de groepstoezichthouder werken nauw met elkaar samen, met name in gevallen waarin een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met financiële moeilijkheden wordt geconfronteerd.

Teneinde te garanderen dat deze toezichthoudende autoriteiten, waaronder de groepstoezichthouder, over dezelfde hoeveelheid relevante informatie beschikken, verstrekken zij, onverminderd hun respectieve verantwoordelijkheden, en ongeacht of zij in dezelfde lidstaat gevestigd zijn, elkaar al deze informatie teneinde de uitoefening van de toezichthoudende taken door de andere autoriteiten krachtens deze richtlijn mogelijk te maken en te vergemakkelijken. In dit verband delen de betrokken toezichthoudende autoriteiten en de groepstoezichthouder elkaar onmiddellijk alle relevante informatie mede zodra deze beschikbaar is. De in deze alinea bedoelde informatie omvat onder meer essentiële of relevante informatie over het optreden van de groep en de toezichthoudende autoriteiten en essentiële of relevante informatie die door de groep is verstrekt.

2.   De voor het toezicht op de individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep verantwoordelijke autoriteiten en de groepstoezichthouder beleggen ten minste in de volgende gevallen onverwijld een vergadering van alle bij een groep betrokken toezichthoudende autoriteiten:

a)

wanneer zij constateren dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet langer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste van een afzonderlijke verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

b)

wanneer zij constateren dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau berekend op basis van geconsolideerde gegevens of het geaggregeerhet solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep, naar gelang van de methode die overeenkomstig titel III, hoofdstuk II, afdeling 1, onderafdeling 4, wordt gebruikt;

c)

wanneer zich andere uitzonderlijke omstandigheden voordoen of hebben voorgedaan.

3.   De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin wordt bepaald welke gegevens systematisch door de groepstoezichthouder moeten worden vergaard en onder de overige betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten worden verspreid, dan wel door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten aan de groepstoezichthouder moeten worden medegedeeld.

Teneinde de convergentie van de toezichtrapportage te bevorderen, neemt de Commissie uitvoeringsmaatregelen aan waarin nader wordt gespecificeerd welke gegevens essentieel of relevant zijn voor het toezicht op groepsniveau.

De in dit lid bedoelde maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 250

Overleg tussen toezichthoudende autoriteiten

1.   Voordat de betrokken toezichthoudende autoriteiten enig besluit nemen dat voor de toezichthoudende taken van andere toezichthoudende autoriteiten van belang is, plegen zij onverminderd artikel 248 in het college van toezichthouders onderling overleg over de volgende aangelegenheden:

a)

veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de bestuursstructuur van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in een groep die goedkeuring of machtiging door toezichthoudende autoriteiten vereisen; en

b)

door de toezichthoudende autoriteiten getroffen belangrijke sancties of buitengewone maatregelen, zoals onder meer het toepassen van een opslagfactor op het solvabiliteitskapitaalvereiste op grond van artikel 37 en het opleggen van enigerlei beperking op het gebruik van een intern model voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste op grond van titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 3.

De groepstoezichthouder wordt altijd geraadpleegd voor de toepassing van punt b).

Voorts plegen de betrokken toezichthoudende autoriteiten, wanneer een besluit is gebaseerd op van andere toezichthoudende autoriteiten ontvangen informatie, onderling overleg alvorens het besluit te nemen.

2.   Onverminderd artikel 248 kan een toezichthoudende autoriteit besluiten geen overleg te plegen in spoedeisende gevallen of indien dat overleg de doeltreffendheid van haar besluit in gevaar kan brengen. In dat geval stelt de toezichthoudende autoriteit de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten onverwijld daarvan in kennis.

Artikel 251

Verzoeken van de groepstoezichthouder aan andere toezichthoudende autoriteiten

De groepstoezichthouder kan de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat waar de moederonderneming haar hoofdkantoor heeft en die niet zelf het groepstoezicht overeenkomstig artikel 247 uitoefenen, verzoeken om van de moederonderneming alle informatie te vragen die relevant is voor de uitoefening van zijn coördinatierechten en -plichten als omschreven in artikel 248, en die informatie aan de groepstoezichthouder door te geven.

Indien de groepstoezichthouder in artikel 254, lid 2, bedoelde informatie nodig heeft die reeds aan een andere toezichthoudende autoriteit is verstrekt, treedt hij zo mogelijk met deze autoriteit in contact teneinde dubbele rapportage aan de diverse bij het toezicht betrokken autoriteiten te voorkomen.

Artikel 252

Samenwerking met voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen verantwoordelijke autoriteiten

Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming en hetzij een kredietinstelling in de zin van Richtlijn 2006/48/EG, hetzij een beleggingsonderneming in de zin van Richtlijn 2004/39/EG, hetzij beide, rechtstreeks of middellijk onrechtstreeks verbonden zijn, dan wel een gemeenschappelijke deelnemende onderneming hebben, werken de betrokken toezichthoudende autoriteiten nauw samen met de autoriteiten die voor het toezicht op die andere ondernemingen verantwoordelijk zijn.

Onverminderd hun respectieve bevoegdheden verstrekken deze autoriteiten elkaar alle informatie die de vervulling van hun taak kan vergemakkelijken, in het bijzonder die in het kader van deze titel.

Artikel 253

Beroepsgeheim en vertrouwelijkheid

De lidstaten geven toestemming voor de uitwisseling van informatie tussen hun toezichthoudende autoriteiten onderling en tussen hun toezichthoudende autoriteiten en andere autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 249 tot en met 252.

In het kader van het groepstoezicht ontvangen informatie, en met name de uitwisseling van informatie tussen toezichthoudende autoriteiten onderling en tussen toezichthoudende autoriteiten en andere autoriteiten waarin deze titel voorziet, valt onder het bepaalde in artikel 295.

Artikel 254

Toegang tot informatie

1.   De lidstaten zien erop toe dat de onder het groepstoezicht vallende natuurlijke en rechtspersonen, alsook hun verbonden ondernemingen en deelnemende ondernemingen, in staat zijn onderling informatie uit te wisselen die relevant kan zijn voor het groepstoezicht.

2.   De lidstaten bepalen dat hun voor de uitoefening van het groepstoezicht verantwoordelijke autoriteiten toegang dienen te krijgen tot alle voor dat toezicht relevante informatie, ongeacht de aard van de betrokken onderneming. Artikel 35 is mutatis mutandis van toepassing.

De betrokken toezichthoudende autoriteiten mogen zich alleen zelf rechtstreeks tot de ondernemingen in de groep wenden om de benodigde informatie te verkrijgen, indien deze informatie aan de onder het groepstoezicht vallende verzekerings- of herverzekeringsonderneming is gevraagd, maar door deze onderneming niet binnen een redelijke termijn is verstrekt.

Artikel 255

Verificatie van informatie

1.   De lidstaten zien erop toe dat hun toezichthoudende autoriteiten op hun grondgebied, de in artikel 254 bedoelde informatie zelf, dan wel via personen die zij daartoe aanwijzen, ter plaatse kunnen verifiëren in de lokalen van:

a)

de aan het groepstoezicht onderworpen verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

b)

verbonden ondernemingen van deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

c)

moederondernemingen van deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

d)

verbonden ondernemingen van een moederonderneming van deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

2.   Indien de toezichthoudende autoriteiten in bepaalde gevallen de informatie wensen te verifiëren betreffende een al dan niet gereglementeerde onderneming die deel uitmaakt van een groep en in een andere lidstaat is gevestigd, verzoeken zij de toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaat om deze verificatie uit te voeren.

De autoriteiten die een dergelijk verzoek ontvangen, geven hieraan binnen het kader van hun bevoegdheden gevolg door de verificatie zelf te verrichten, door toe te staan dat de verificatie door een auditor of een deskundige wordt verricht, dan wel door de verzoekende autoriteit toestemming te verlenen om de verificatie zelf te verrichten. De groepstoezichthouder wordt in kennis gesteld van het gevolg dat aan het verzoek is gegeven.

Indien zij dat wenst, kan de verzoekende toezichthoudende autoriteit aan de verificatie deelnemen als zij deze niet zelf verricht.

Artikel 256

Verslag over de solvabiliteit en financiële toestand van de groep

1.   De lidstaten schrijven voor dat deelnemende verzekerings- en herverzekeringsondernemingen of verzekeringsholdings jaarlijks een verslag over de solvabiliteit en de financiële toestand op het niveau van de groep openbaar moeten maken. De artikelen 51 en 53 tot en met 55 zijn mutatis mutandis van toepassing.

2.   Indien een deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding daartoe besluit en de groepstoezichthouder daarmee instemt, kan zij één enkel verslag over de solvabiliteit en de financiële toestand verstrekken, dat het volgende bevat:

a)

de informatie op het niveau van de groep welke overeenkomstig lid 1 openbaar moet worden gemaakt;

b)

de informatie voor een van de dochterondernemingen binnen de groep welke overeenkomstig de artikelen 51 en 53 tot en met 55 individueel te identificeren moet zijn en openbaar moet worden gemaakt.

Alvorens overeenkomstig de eerste alinea zijn instemming te geven raadpleegt de groepstoezichthouder de leden van het college van toezichthouders, waarbij hij naar behoren rekening houdt met hun standpunten en voorbehouden.

3.   Indien het in lid 2 bedoelde verslag niet de informatie bevat die de toezichthoudende autoriteit die aan een dochteronderneming binnen een groep vergunning heeft verleend, van vergelijkbare ondernemingen verlangt, en indien wezenlijke informatie ontbreekt, heeft de betrokken toezichthoudende autoriteit de bevoegdheid om van de betrokken dochteronderneming te verlangen dat zij de nodige aanvullende informatie openbaar maakt.

4.   De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin nadere invulling wordt gegeven aan de informatie die bekend moet worden gemaakt, en aan de wijze waarop dit dient te geschieden in het dubbelverslag over de solvabiliteit en de financiële positie.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 257

bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van verzekeringsholdings

De lidstaten eisen dat alle personen die de verzekeringsholding feitelijk besturen, betrouwbaar en deskundig genoeg zijn om deze functies uit te oefenen.

Het bepaalde in artikel 42 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 258

Handhavingsmaatregelen

1.   Indien de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen in een groep de voorschriften van de artikelen 218 tot en met 246 niet naleven, of indien de voorschriften in acht worden genomen maar de solvabiliteit toch dreigt te worden ondermijnd, of indien de intragroeptransacties of de risicoconcentraties de financiële positie van de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedreigen, wordt door de volgende autoriteiten verlangd dat de nodige maatregelen worden getroffen om de situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten:

a)

de groepstoezichthouder wat de verzekeringsholding betreft;

b)

de toezichthoudende autoriteiten wat de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen betreft.

Indien de groepstoezichthouder in het in de eerste alinea, onder a), bedoelde geval geen van de toezichthoudende autoriteiten is van de lidstaat waar de verzekeringsholding haar hoofdkantoor heeft, stelt de groepstoezichthouder deze toezichthoudende autoriteiten in kennis van zijn bevindingen opdat deze de nodige maatregelen kunnen nemen.

Indien de groepstoezichthouder in het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval geen van de toezichthoudende autoriteiten is van de lidstaat waar de verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar hoofdkantoor heeft, stelt de groepstoezichthouder deze toezichthoudende autoriteiten in kennis van zijn bevindingen opdat deze de nodige maatregelen kunnen nemen.

Onverminderd lid 2, bepalen de lidstaten welke maatregelen hun toezichthoudende autoriteiten met betrekking tot verzekeringsholdings kunnen nemen.

Waar nodig coördineren de betrokken toezichthoudende autoriteiten, met inbegrip van de groepstoezichthouder, hun handhavingsmaatregelen.

2.   Onverminderd hun strafrechtelijke bepalingen zien de lidstaten erop toe dat sancties of maatregelen kunnen worden opgelegd aan verzekeringsholdings die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen overtreden welke ter uitvoering van deze titel zijn vastgesteld, of aan de feitelijke bestuurders daarvan. De toezichthoudende autoriteiten werken nauw samen opdat de genoemde sancties of maatregelen doeltreffend zijn, inzonderheid als het hoofdkantoor van een verzekeringsholding zich elders dan haar centrale administratie of hoofdvestiging bevindt.

3.   De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen aannemen met het oog op de coördinatie van de in de leden 1 en 2 bedoelde handhavingsmaatregelen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

Artikel 259

Verslaglegging door het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen

1.   Het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen verschijnt jaarlijks in het Europees Parlement op een algemene commissiehoorzitting. Wanneer het bijwonen van deze hoorzitting samenvalt met de rapportageverplichting van het Comité uit hoofde van artikel 71, lid 3, kan, wat het Europees Parlement betreft, aan die verplichting worden voldaan door de aanwezigheid van het Comité op die hoorzitting.

2.   Op die in lid 1 bedoelde hoorzitting brengt het comité onder meer verslag uit over alle relevante en belangrijke ervaringen met betrekking tot de toezichtwerkzaamheden en de samenwerking tussen toezichthouders uit hoofde van titel III, en met name over:

a)

het proces van de benoeming van de groepstoezichthouder, het aantal groepstoezichthouders en de geografische spreiding;

b)

de werking van het college van toezichthouders, in het bijzonder de betrokkenheid en het engagement van toezichthoudende autoriteiten die geen groepstoezichthouder zijn.

3.   Het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen mag ter voege van lid 1 ook verslag uitbrengen over de belangrijkste lessen die zijn getrokken uit de evaluaties als bedoeld in artikel 248, lid 6.

HOOFDSTUK IV

Derde landen

Artikel 260

Moederondernemingen van buiten de Gemeenschap: verificatie van gelijkwaardigheid

1.   In het in artikel 213, lid 2, onder c), bedoelde geval verifiëren de betrokken toezichthoudende autoriteiten of de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor buiten de Gemeenschap heeft, onderworpen zijn aan door een toezichthoudende autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht uit hoofde van de bepalingen van deze titel betreffende het toezicht op groepsniveau op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 213, lid 2, onder a) en b).

De verificatie geschiedt door de toezichthoudende autoriteit die de groepstoezichthouder zou zijn indien de criteria van artikel 247, lid 2, van toepassing waren, hetzij op verzoek van de moederonderneming of van een van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend, hetzij op haar eigen initiatief, tenzij de Commissie al eerder een uitspraak heeft gedaan over de gelijkwaardigheid van het betrokken derde land. Daarbij raadpleegt die toezichthoudende autoriteit de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen alvorens een besluit te nemen.

2.   De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen nemen waarbij criteria worden vastgesteld om te bepalen of de regeling van een derde land voor het groepstoezicht gelijkwaardig is aan die waarin deze titel voorziet. Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

3.   Na raadpleging van het Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen kan de Commissie volgens de regelgevingsprocedure van artikel 301, lid 2, en rekening houdend met de overeenkomstig lid 2 vastgestelde criteria besluiten of de regeling van een derde land voor het groepstoezicht gelijkwaardig is aan die waarin deze titel voorziet.

Deze besluiten worden regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen om rekening te houden met eventuele wijzigingen in de regeling voor het groepstoezicht waarin deze titel voorziet, alsook in de regeling van het derde land voor het groepstoezicht en andere wijzigingen in de regelgeving die van invloed kunnen zijn op het besluit over de gelijkwaardigheid.

Wanneer de Commissie overeenkomstig de eerste alinea een besluit ten aanzien van een derde land heeft genomen, wordt dat besluit als definitief erkend voor de in lid 1 bedoelde verificatie.

Artikel 261

Moederondernemingen van buiten de Gemeenschap: gelijkwaardigheid

1.   Als sprake is van gelijkwaardig toezicht als bedoeld in artikel 260, vertrouwen de lidstaten op het gelijkwaardige groepstoezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthoudende autoriteiten van het derde land, overeenkomstig lid 2.

2.   De artikelen 247 tot en met 258 gelden mutatis mutandis voor de samenwerking met toezichthoudende autoriteiten van derde landen.

Artikel 262

Moederondernemingen van buiten de Gemeenschap: ontbreken van gelijkwaardigheid

1.   Indien een gelijkwaardig toezicht als bedoeld in artikel 260 ontbreekt, passen de lidstaten naar analogie op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen ofwel de artikelen 218 tot en met 258, met uitzondering van de artikelen 236 tot en met 243, ofwel één van de in lid 2 van dit artikel bedoelde methoden toe.

De algemene beginselen en methoden vervat in de artikelen 218 tot en met 258 zijn van toepassing op het niveau van de verzekeringsholding, de verzekeringsonderneming van het derde land of de herverzekeringsonderneming van het derde land.

Uitsluitend voor de berekening van de groepssolvabiliteit wordt de moederonderneming behandeld alsof het een verzekerings- of herverzekeringsonderneming was die onderworpen is aan dezelfde voorwaarden als die van titel I, hoofdstuk VI, afdeling 3, onderafdelingen 1, 2 en 3, wat het voor het solvabiliteitskapitaalvereiste in aanmerking komend eigen vermogen betreft, en aan:

a)

een overeenkomstig de beginselen van artikel 226 bepaald solvabiliteitskapitaalvereiste als het een verzekeringsholding is;

b)

een overeenkomstig de beginselen van artikel 227 bepaald solvabiliteitskapitaalvereiste als het een verzekeringsonderneming van een derde land of een herverzekeringsonderneming van een derde land is.

2.   De lidstaten staan hun toezichthoudende autoriteiten toe andere methoden toe te passen die een passend toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep waarborgen. Deze methoden moeten zijn goedgekeurd door de groepstoezichthouder, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.

De toezichthoudende autoriteiten kunnen meer bepaald verlangen dat een verzekeringsholding met hoofdkantoor in de Gemeenschap wordt opgericht, en op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de groep aan het hoofd waarvan deze verzekeringsholding staat, deze titel toepassen.

De gekozen methoden bieden de mogelijkheid de doeleinden van het groepstoezicht als omschreven in deze titel te verwezenlijken en worden aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en de Commissie medegedeeld.

Artikel 263

Moederondernemingen van buiten de Gemeenschap: niveaus

Ingeval de in artikel 260 bedoelde moederonderneming zelf een dochteronderneming van een verzekeringsholding met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap, dan wel een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land is, voeren de lidstaten de verificatie waarin artikel 260 voorziet, alleen uit op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming die een verzekeringsholding van een derde land, een verzekeringsonderneming van een derde land of een herverzekeringsonderneming van een derde land is.

De lidstaten staan hun toezichthoudende autoriteiten evenwel toe om, bij gebreke van een gelijkwaardig toezicht als bedoeld in artikel 260, een nieuwe verificatie uit te voeren op een lager niveau waar er een moederonderneming van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bestaat, ongeacht of het een verzekeringsholding van een derde land, een verzekeringsonderneming van een derde land of een herverzekeringsonderneming van een derde land betreft.

In een dergelijk geval legt de in artikel 260, lid 1, tweede alinea, bedoelde toezichthoudende autoriteit haar besluit uit aan de groep.

Artikel 262 is mutatis mutandis van toepassing.

Artikel 264

Samenwerking met toezichthoudende autoriteiten van derde landen

1.   De Commissie kan aan de Raad voorstellen doen voor onderhandelingen over overeenkomsten met één of meer derde landen over de middelen tot praktische uitoefening van het groepstoezicht op:

a)

verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die als deelnemende ondernemingen ondernemingen in de zin van artikel 213 met hoofdkantoor in een derde land hebben; alsmede

b)

verzekeringsondernemingen van derde landen of herverzekeringsondernemingen van derde landen die als deelnemende ondernemingen ondernemingen in de zin van artikel 213 met hoofdkantoor in de Gemeenschap hebben.

2.   De in lid 1 bedoelde overeenkomsten hebben in het bijzonder ten doel te waarborgen dat:

a)

de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten de informatie kunnen verkrijgen die nodig is voor het toezicht op groepsniveau op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor in de Gemeenschap hebben en die dochterondernemingen of deelnemingen in ondernemingen buiten de Gemeenschap hebben; alsmede

b)

de toezichthoudende autoriteiten van derde landen de informatie kunnen verkrijgen die nodig is voor het toezicht op groepsniveau op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor op hun grondgebied hebben en die dochterondernemingen of deelnemingen in ondernemingen in één of meer lidstaten hebben.

3.   Onverminderd artikel 300, leden 1 en 2, van het Verdrag onderzoekt de Commissie, bijgestaan door het Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, het resultaat van de in lid 1 bedoelde onderhandelingen.

HOOFDSTUK V

Gemengde verzekeringsholdings

Artikel 265

Intragroeptransacties

1.   De lidstaten zien erop toe dat ingeval de moederonderneming van één of meer verzekerings- of herverzekeringsondernemingen een gemengde verzekeringsholding is, de toezichthoudende autoriteiten die voor het toezicht op deze verzekerings- of herverzekeringsondernemingen verantwoordelijk zijn, algemeen toezicht uitoefenen op transacties tussen deze verzekerings- of herverzekeringsondernemingen en de gemengde verzekeringsholding en haar verbonden ondernemingen.

2.   De artikelen 245, 249 tot en met 255 en 258 zijn mutatis mutandis van toepassing.

Artikel 266

Samenwerking met derde landen

Wat de samenwerking met derde landen betreft, is artikel 264 mutatis mutandis van toepassing.

TITEL IV

SANERING EN LIQUIDATIE VAN VERZEKENINGSONDERNEMINGEN

HOOFDSTUK I

Toepassingsgebied en begripsomschrijvingen

Artikel 267

Toepassingsgebied van deze titel

Deze titel is van toepassing op saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures betreffende:

a)

verzekeringsondernemingen;

b)

op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde bijkantoren van verzekeringsondernemingen van derde landen.

Artikel 268

Definities

1.   Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

a)

bevoegde instanties: de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures;

b)

„bijkantoor”: een duurzame aanwezigheid van een verzekeringsonderneming op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, welke het verzekeringsbedrijf uitoefent;

c)

„saneringsmaatregelen”: maatregelen die enigerlei optreden van de bevoegde instanties behelzen en bestemd zijn om de financiële positie van een verzekeringsonderneming in stand te houden of te herstellen, en van dien aard zijn dat ze de bestaande rechten van andere partijen dan de verzekeringsonderneming zelf aantasten; daartoe behoren onder meer doch niet uitsluitend maatregelen die opschorting van de betalingen, opschorting van executiemaatregelen of verlaging van de schuldvorderingen kunnen behelzen;

d)

„liquidatieprocedure”: een collectieve procedure die het te gelde maken van de activa van een verzekeringsonderneming en het op toepasselijke wijze verdelen van de opbrengst onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden behelst, en die noodzakelijkerwijs een optreden van de bevoegde instanties behelst, ook wanneer de collectieve procedure wordt afgesloten met een gerechtelijk akkoord of een andere maatregel van dezelfde strekking, ongeacht of de procedure op insolventie berust en of de procedure vrijwillig dan wel verplicht is;

e)

bewindvoerder: een persoon of orgaan, aangewezen door de bevoegde instanties om het beheer over saneringsmaatregelen te voeren;

f)

„liquidateur”: een persoon of orgaan, aangewezen door de bevoegde instanties of door de bestuursorganen van de verzekeringsonderneming om het beheer over een liquidatieprocedure te voeren;

g)

„schuldvordering uit hoofde van verzekering”: een bedrag dat door een verzekeringsonderneming verschuldigd is aan verzekerden, verzekeringnemers, begunstigden of benadeelden die een rechtstreekse vordering hebben tegen de verzekeringsonderneming en dat voortvloeit uit een verzekeringsovereenkomst of uit verrichtingen als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder b) en c), in het directe verzekeringsbedrijf, met inbegrip van de gereserveerde bedragen voor deze personen, zolang niet alle elementen van de schuld bekend zijn.

De premies die een verzekeringsonderneming als gevolg van de niet-sluiting of annulering van de in punt g) van de eerste alinea bedoelde verzekeringsovereenkomsten en verrichtingen overeenkomstig het op die overeenkomsten of verrichtingen toepasselijke recht verschuldigd is vóór de opening van de liquidatieprocedure, worden ook beschouwd als schuldvorderingen uit hoofde van verzekering.

2.   Voor de toepassing van deze titel op de saneringsmaatregelen en de liquidatieprocedure met betrekking tot een in een lidstaat gevestigd bijkantoor van een verzekeringsonderneming van een derde land, wordt verstaan onder:

a)

„lidstaat van herkomst”: de lidstaat waarin aan het bijkantoor vergunning is verleend overeenkomstig de artikelen 145 tot en met 149;

b)

„toezichthoudende autoriteiten”: de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst;

c)

„bevoegde instanties”: de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst.

HOOFDSTUK II

Saneringsmaatregelen

Artikel 269

Vaststelling van saneringsmaatregelen Toepasselijk recht

1.   Alleen de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst zijn bevoegd te beslissen om ten aanzien van een verzekeringsonderneming, met inbegrip van haar bijkantoren, saneringsmaatregelen ten uitvoer te leggen.

2.   De saneringsmaatregelen beletten niet dat in de lidstaat van herkomst een liquidatieprocedure wordt geopend.

3.   De saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de procedures die gelden in de lidstaat van herkomst, tenzij in de artikelen 285 tot en met 292 anders is bepaald.

4.   Overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst vastgestelde saneringsmaatregelen hebben zonder verdere formaliteiten volledige rechtswerking in de gehele Gemeenschap, ook jegens derden in andere lidstaten, en zelfs indien de wetgeving van die andere lidstaten niet in dergelijke saneringsmaatregelen voorziet of de tenuitvoerlegging daarvan afhankelijk stelt van voorwaarden die niet zijn vervuld.

5.   Saneringsmaatregelen hebben rechtswerking in de gehele Gemeenschap zodra zij rechtswerking hebben in de lidstaat van herkomst.

Artikel 270

Kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten

De bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst stellen de toezichthoudende autoriteiten van deze lidstaat onverwijld in kennis van hun beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel; zij doen dit zo mogelijk vóór de vaststelling van de maatregel of anders onmiddellijk daarna.

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de toezichthoudende autoriteiten van alle andere lidstaten onverwijld in kennis van de beslissing tot vaststelling van saneringsmaatregelen, alsmede van de mogelijke concrete gevolgen van die maatregelen.

Artikel 271

Bekendmaking van beslissingen tot vaststelling van saneringsmaatregelen

1.   Wanneer er tegen een saneringsmaatregel in de lidstaat van herkomst beroep openstaat, maken de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst, de bewindvoerder of elke in de lidstaat van herkomst daartoe gemachtigde persoon de beslissing over de saneringsmaatregel bekend overeenkomstig de in de lidstaat van herkomst geldende bekendmakingsprocedures en maken zij voorts, zo snel mogelijk, in het Publicatieblad van de Europese Unie een uittreksel uit het document waarin de saneringsmaatregel wordt vastgesteld bekend.

De toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaten die overeenkomstig artikel 270 van de beslissing tot een saneringsmaatregel in kennis zijn gesteld, kunnen op de door hen passend geachte wijze zorg dragen voor de bekendmaking van deze beslissing op hun eigen grondgebied.

2.   De in lid 1 bedoelde bekendmaking vermeldt de bevoegde instantie van de lidstaat van herkomst en het toepasselijke recht als bepaald in artikel 269, lid 3, alsmede de eventueel aangewezen bewindvoerder. De bekendmaking geschiedt in een officiële taal van de lidstaat waar de informatie wordt bekendgemaakt.

3.   De saneringsmaatregelen zijn van toepassing onafhankelijk van de bepalingen betreffende de bekendmaking van de leden 1 en 2 en hebben volledige rechtswerking jegens de schuldeisers, tenzij de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst of het recht van die lidstaat anders bepalen.

4.   De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing indien de saneringsmaatregelen uitsluitend raken aan rechten van aandeelhouders, leden of werknemers van een verzekeringsonderneming, beschouwd in die hoedanigheid, tenzij het op de saneringsmaatregelen toepasselijke recht anders bepaalt.

De bevoegde instanties bepalen op welke wijze de in de eerste alinea bedoelde partijen overeenkomstig het toepasselijke recht dienen te worden geïnformeerd.

Artikel 272

Kennisgeving aan bekende schuldeisers Recht tot het indienen van vorderingen

1.   Schrijft het recht van de lidstaat van herkomst voor dat een vordering moet worden ingediend om erkend te kunnen worden, of dat een saneringsmaatregel ter kennis moet worden gebracht van de schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of hoofdkantoor in die lidstaat, dan stellen de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst of de bewindvoerder ook de bekende schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of hoofdkantoor in de andere lidstaten in kennis, overeenkomstig het bepaalde in artikel 281 en artikel 283, lid 1.

2.   Indien de het recht van de lidstaat van herkomst bepaalt dat schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of hoofdkantoor in die lidstaat het recht hebben vorderingen in te dienen of opmerkingen met betrekking tot hun vorderingen te maken, geldt dit recht ook voor schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of hoofdkantoor in de andere lidstaten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 282 en artikel 283, lid 2.

HOOFDSTUK III

Liquidatieprocedure

Artikel 273

Opening van een liquidatieprocedure - Kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten

1.   Alleen de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst zijn bevoegd om een beslissing te nemen aangaande de opening van een liquidatieprocedure ten aanzien van een verzekeringsonderneming, met inbegrip van haar in andere lidstaten gevestigde bijkantoren. Deze beslissing kan worden genomen zonder dat of nadat saneringsmaatregelen zijn vastgesteld.

2.   Een overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst genomen beslissing tot opening van een liquidatieprocedure ten aanzien van een verzekeringsonderneming, met inbegrip van haar bijkantoren in andere lidstaten, wordt zonder verdere formaliteiten in de gehele Gemeenschap erkend en heeft aldaar rechtswerking zodra zij die heeft in de lidstaat waar de procedure wordt geopend.

3.   De bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst stellen de toezichthoudende autoriteiten van deze lidstaat onverwijld in kennis van de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure, indien mogelijk voordat de procedure wordt geopend of anders onmiddellijk daarna.

De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de toezichthoudende autoriteiten van alle andere lidstaten onverwijld in kennis van de beslissing tot opening van de liquidatieprocedure, alsmede van de mogelijke concrete gevolgen van deze procedure.

Artikel 274

Toepasselijk recht

1.   Tenzij in de artikelen 285 tot en met 292 anders is bepaald, is ten aanzien van de beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming, de liquidatieprocedure en de rechtsgevolgen het recht van de lidstaat van herkomst van toepassing.

2.   Het recht van de lidstaat van herkomst bepaalt ten minste het volgende:

a)

welke goederen tot de boedel behoren en de status van goederen die na de opening van de liquidatieprocedure zijn verkregen;

b)

de respectieve bevoegdheden van de verzekeringsonderneming en de liquidateur;

c)

de voorwaarden waaronder een verrekening kan worden tegengeworpen;

d)

de gevolgen van de liquidatieprocedure voor lopende overeenkomsten waarbij de verzekeringsonderneming partij is;

e)

de gevolgen van de liquidatieprocedure voor individuele vervolgingen, met uitzondering van aanhangige rechtsgedingen als bedoeld in artikel 292;

f)

welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de verzekeringsonderneming en de status van vorderingen die na de opening van de liquidatieprocedure zijn ontstaan;

g)

de regels betreffende indiening, verificatie en toelating van de vorderingen;

h)

de regels betreffende de verdeling van de opbrengst van de te gelde gemaakte goederen, de rangindeling van de vorderingen, en de rechten van schuldeisers die na de opening van de liquidatieprocedure gedeeltelijk zijn voldaan op grond van een zakelijk recht of ingevolge verrekening;

i)

de voorwaarden voor en de gevolgen van de beëindiging van de liquidatieprocedure, met name door een gerechtelijk akkoord;

j)

de rechten van de schuldeisers nadat de liquidatieprocedure beëindigd is;

k)

de partij voor wier rekening de kosten en uitgaven van de liquidatieprocedure zijn; en

l)

de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen.

Artikel 275

Behandeling van vorderingen uit hoofde van verzekering

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat schuldvorderingen uit hoofde van verzekering boven alle andere schuldvorderingen op de verzekeringsonderneming worden gerangschikt op een van beide of beide hierna volgende wijzen:

a)

met betrekking tot de activa ter dekking van de technische voorzieningen zijn schuldvorderingen uit hoofde van verzekering absoluut bevoorrecht boven alle andere vorderingen op de verzekeringsonderneming; of

b)

met betrekking tot de algehele activa van de verzekeringsonderneming zijn schuldvorderingen uit hoofde van verzekering bevoorrecht boven alle andere vorderingen op de verzekeringsonderneming, met als enige uitzonderingen:

i)

vorderingen van werknemers uit hoofde van arbeidsovereenkomst en arbeidsbetrekking;

ii)

vorderingen van de fiscus;

iii)

vorderingen van socialezekerheidsstelsels;

iv)

vorderingen op activa waarop een zakelijk recht gevestigd is.

2.   Onverminderd lid 1 kunnen de lidstaten voorschrijven dat alle of een deel van de uitgaven in verband met de liquidatieprocedure, als vastgelegd in het nationale recht, voorrang krijgen boven vorderingen uit hoofde van verzekering.

3.   De lidstaten die kiezen voor de optie van lid 1, onder a), verlangen dat de verzekeringsondernemingen een speciaal register aanleggen en bijhouden overeenkomstig artikel 276.

Artikel 276

Speciaal register

1.   Iedere verzekeringsonderneming houdt op haar hoofdkantoor een speciaal register bij van de activa ter dekking van de overeenkomstig het recht van de lidstaat van herkomst berekende en gevormde technische voorzieningen.

2.   Indien de verzekeringsonderneming tegelijkertijd schadeverzekerings- en levensverzekeringsactiviteiten uitoefent, houdt zij op haar hoofdkantoor voor elk van beide branches afzonderlijke registers bij.

Indien een lidstaat verzekeringsondernemingen evenwel toestaat om de levensverzekeringsbranche te beoefenen en de risico’s die zijn ingedeeld in de branches 1 en 2 van deel A van bijlage I te dekken, kan zij bepalen dat die verzekeringsondernemingen voor hun gehele bedrijf slechts één register dienen bij te houden.

3.   Het totale bedrag van de ingeschreven activa, die gewaardeerd zijn overeenkomstig het recht van de lidstaat van herkomst, is te allen tijde ten minste gelijk aan het bedrag van de technische voorzieningen.

4.   Wanneer in het register ingeschreven activa bezwaard zijn met een ten gunste van een schuldeiser of van een derde gevestigd zakelijk recht waardoor een gedeelte van het bedrag van die activa niet beschikbaar is ter dekking van verplichtingen, wordt van deze situatie melding gemaakt in het register en wordt het niet-beschikbare bedrag niet meegeteld bij de berekening van het in lid 3 bedoelde totale bedrag.

5.   De behandeling van de activa in geval van liquidatie van de verzekeringsonderneming met betrekking tot de methode van artikel 275, lid 1, punt a, wordt bepaald door de wetgeving van de lidstaat van herkomst, behalve wanneer de artikelen 286, 287 of 288 op die activa van toepassing zijn:

a)

wanneer de activa die worden gebruikt voor het dekken van technische voorzieningen worden bezwaard met een ten gunste van een schuldeiser of een derde gevestigd zakelijk recht, zonder dat voldaan is aan de voorwaarden van lid 4;

b)

wanneer deze activa bezwaard zijn met een eigendomsvoorbehoud ten gunste van een schuldeiser of een derde; of

c)

wanneer een schuldeiser recht heeft op verrekening van zijn vordering met de vordering van de verzekeringsonderneming.

6.   Zodra een liquidatieprocedure is geopend, wordt de samenstelling van de activa die overeenkomstig de leden 1 tot en met 5 zijn ingeschreven in het register, niet meer veranderd; in de registers worden geen wijzigingen aangebracht, behalve voor de correctie van zuiver materiële fouten, tenzij de bevoegde instantie daarvoor toestemming geeft.

Door de liquidateurs wordt aan deze activa evenwel de kapitaalopbrengst ervan toegevoegd, alsmede het bedrag van het premie-incasso (zuivere premies) in de betrokken branche voor de periode tussen het tijdstip van opening van de liquidatieprocedure en het tijdstip van uitkering van de vorderingen uit hoofde van verzekering, of tot het tijdstip van portefeuilleoverdracht.

7.   Indien de opbrengst van de te gelde gemaakte activa lager is dan het bedrag waarvoor zij in de registers gewaardeerd zijn, rechtvaardigen de liquidateurs die situatie voor de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

Artikel 277

Subrogatie door een garantiestelsel

De lidstaat van herkomst kan voorschrijven dat als een in die lidstaat ingesteld garantiestelsel gesubrogeerd is in vorderingen uit hoofde van verzekering, het bepaalde in artikel 275, lid 1, niet geldt voor vorderingen van dat stelsel.

Artikel 278

Dekking van bevoorrechte vorderingen met activa

De lidstaten die kiezen voor de optie van artikel 275, lid 1, onder b), verlangen dat elke verzekeringsonderneming de vorderingen die overeenkomstig artikel 275, lid 1, onder b), bevoorrecht kunnen zijn boven vorderingen uit hoofde van verzekering en die vermeld zijn in de jaarrekening van de verzekeringsonderneming, te allen tijde en onafhankelijk van een eventuele liquidatie dekt met activa.

Artikel 279

Intrekking van de vergunning

1.   Wanneer ten aanzien van een verzekeringsonderneming wordt beslist een liquidatieprocedure te openen, wordt de vergunning van deze onderneming conform de procedure van artikel 144 ingetrokken, behalve voor zover nodig voor de toepassing van lid 2.

2.   De in lid 1 bedoelde intrekking van de vergunning belet niet dat de liquidateur en andere door de bevoegde instanties daartoe aangewezen personen bepaalde activiteiten van de verzekeringsonderneming voortzetten, voor zover zulks ten behoeve van de liquidatie noodzakelijk of aangewezen is.

De lidstaat van herkomst kan bepalen dat deze activiteiten met de instemming en onder toezicht van de toezichthoudende autoriteiten van deze lidstaat worden verricht.

Artikel 280

Bekendmaking van beslissingen tot opening van liquidatieprocedures

1.   De bevoegde instantie, de liquidateur of iedere door de bevoegde instantie daartoe aangewezen persoon draagt zorg voor de openbaarmaking van de beslissing tot opening van de liquidatieprocedure overeenkomstig de in de lidstaat van herkomst geldende bekendmakingsprocedures alsmede voor de opneming van een uittreksel uit die beslissing in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De toezichthoudende autoriteiten van alle andere lidstaten die overeenkomstig artikel 273, lid 3, van de beslissing tot opening van de liquidatieprocedure in kennis zijn gesteld, kunnen op de door hen passend geachte wijze zorg dragen voor de bekendmaking van deze beslissing op hun eigen grondgebied.

2.   De in lid 1 bedoelde bekendmaking vermeldt de bevoegde instantie van de lidstaat van herkomst, het toepasselijke recht en de aangewezen liquidateur. De bekendmaking geschiedt in een officiële taal van de lidstaat waar de informatie wordt bekendgemaakt.

Artikel 281

Kennisgeving aan bekende schuldeisers

1.   Wanneer een liquidatieprocedure wordt geopend, stellen de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst, de liquidateur of iedere door de bevoegde instanties daartoe aangewezen persoon de bekende schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of hoofdkantoor in andere lidstaten, daarvan onverwijld individueel en schriftelijk in kennis.

2.   De in lid 1 bedoelde kennisgeving betreft de in acht te nemen termijnen, de sancties ten aanzien van die termijnen, het orgaan of de instantie waarbij de vorderingen of opmerkingen betreffende vorderingen moeten worden ingediend en andere maatregelen.

Het bericht vermeldt ook of schuldeisers met een voorrecht of een zakelijke zekerheid hun vorderingen moeten indienen.

In geval van vorderingen uit hoofde van verzekering vermeldt het bericht tevens welke de algemene gevolgen van de liquidatieprocedure voor de verzekeringsovereenkomsten zijn, inzonderheid de datum waarop de verzekeringsovereenkomsten of verrichtingen geen effect meer sorteren, alsmede de rechten en verplichtingen van de verzekerde in verband met de overeenkomst of verrichting.

Artikel 282

Recht om vorderingen in te dienen

1.   Schuldeisers, met inbegrip van overheidsinstanties van de lidstaten, met gewone verblijfplaats, woonplaats of hoofdkantoor in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, hebben het recht vorderingen of schriftelijke opmerkingen betreffende hun vorderingen in te dienen.

2.   De vorderingen van alle in lid 1 bedoelde schuldeisers krijgen dezelfde behandeling en dezelfde rangindeling als soortgelijke vorderingen die schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of hoofdkantoor in de lidstaat van herkomst kunnen indienen. Bevoegde autoriteiten moeten derhalve zonder discriminatie in de gehele Gemeenschap opereren.

3.   Behoudens wanneer het recht van de lidstaat van herkomst een andere oplossing toelaat, zendt een schuldeiser aan de bevoegde instantie een afschrift van eventuele bewijsstukken, en doet hij opgave van het volgende:

a)

de aard en het bedrag van de vordering;

b)

de datum van ontstaan van de vordering;

c)

of hij voor de vordering aanspraak maakt op een voorrecht, een zakelijke zekerheid of een eigendomsvoorbehoud;

d)

in voorkomend geval, op welke activa zijn zekerheid betrekking heeft.

De overeenkomstig artikel 275 aan vorderingen uit hoofde van verzekering verleende voorrang hoeft niet te worden vermeld.

Artikel 283

Talen en vorm

1.   De in artikel 281, lid 1, bedoelde kennisgeving geschiedt in een officiële taal van de lidstaat van herkomst.

Hiertoe wordt gebruikgemaakt van een formulier dat in alle officiële talen van de Europese Unie één van de volgende opschriften draagt:

a)

„Oproep tot indiening van schuldvorderingen. Termijnen”; of

b)

„Oproep tot indiening van opmerkingen betreffende schuldvorderingen. Termijnen” wanneer het recht van de lidstaat van herkomst voorziet in de indiening van opmerkingen betreffende de vorderingen.

Wanneer de bekende schuldeiser evenwel houder is van een vordering uit hoofde van verzekering, geschiedt de in artikel 281, lid 1, bedoelde kennisgeving in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar de gewone verblijfplaats, de woonplaats of het hoofdkantoor van de schuldeiser is gelegen.

2.   Schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of hoofdkantoor in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, kunnen hun vorderingen, of de opmerkingen betreffende hun vorderingen, indienen in een officiële taal van die lidstaat.

In dat geval moet de verklaring van indiening van een vordering (respectievelijk de opmerkingen betreffende een vordering) echter in een officiële taal van de lidstaat van herkomst het opschrift dragen: „Indiening van een vordering” (respectievelijk „Indiening van opmerkingen betreffende een vordering”).

Artikel 284

Regelmatig informeren van de schuldeisers

1.   De liquidateurs houden de schuldeisers regelmatig op passende wijze op de hoogte van het verloop van de liquidatie.

2.   De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten kunnen de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst om informatie verzoeken over het verloop van de liquidatieprocedure.

HOOFDSTUK IV

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 285

Gevolgen voor bepaalde overeenkomsten en rechten

In afwijking van de artikelen 269 en 274, worden de gevolgen van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure beheerst door het volgende recht:

a)

met betrekking tot arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, uitsluitend het recht van de lidstaat dat op de arbeidsovereenkomst of -betrekking van toepassing is;

b)

met betrekking tot overeenkomsten die recht geven op het genot of de verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend het recht van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is; en

c)

met betrekking tot rechten van de verzekeringsonderneming op een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig dat is onderworpen aan inschrijving in een openbaar register, uitsluitend het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden.

Artikel 286

Zakelijke rechten van derden

1.   De vaststelling van saneringsmaatregelen of de opening van een liquidatieprocedure raakt niet aan het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde op materiële of immateriële, roerende of onroerende goederen - zowel bepaalde goederen als gehelen, met een wisselende samenstelling, van onbepaalde goederen - die toebehoren aan de verzekeringsonderneming en die zich op het tijdstip waarop de procedure wordt geopend of de maatregelen worden genomen op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden.

2.   Tot de rechten in de zin van lid 1 behoren ten minste:

a)