ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.322.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 322

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
9 december 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 1197/2009 van de Raad van 30 november 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2115/2005 tot vaststelling van een herstelplan voor zwarte heilbot in het kader van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan

1

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2009/139/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de voorgeschreven opschriften op twee- of driewielige motorvoertuigen ( 1 )

3

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2009/904/EG

 

*

Beschikking van de Raad van 26 november 2009 met betrekking tot het standpunt dat de Europese Gemeenschap zal innemen bij de heronderhandeling van de monetaire overeenkomst met de Republiek San Marino

12

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Kaderbesluit 2009/905/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over de accreditatie van aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten

14

 

 

V   Besluiten die zijn aangenomen vanaf 1 december 2009 op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Euratom-Verdrag

 

 

BESLUITEN WAARVAN PUBLICATIE VERPLICHT IS

 

 

Verordening (EU) nr. 1198/2009 van de Commissie van 8 december 2009 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

17

 

 

Verordening (EU) nr. 1199/2009 van de Commissie van 8 december 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1159/2009 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 december 2009

19

 

 

2009/906/GBVB

 

*

Besluit 2009/906/GBVB van de Raad van 8 december 2009 inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH)

22

 

 

2009/907/GBVB

 

*

Besluit 2009/907/GBVB van de Raad van 8 december 2009 houdende wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust

27

 

 

BESLUITEN WAARVAN PUBLICATIE NIET VERPLICHT IS

 

 

2009/908/EU

 

*

Besluit van de Raad van 1 december 2009 tot vaststelling van de voorschriften tot toepassing van het besluit van de Europese Raad betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad en betreffende het voorzitterschap van de voorbereidende instanties van de Raad

28

 

 

2009/909/EU

 

*

Besluit van de Raad van 1 december 2009 tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de voorzitter van de Europese Raad

35

 

 

2009/910/EU

 

*

Besluit van de Raad van 1 december 2009 tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

36

 

 

2009/911/EU

 

*

Besluit van de Raad van 1 december 2009 houdende benoeming van de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie

37

 

 

2009/912/EU

 

*

Besluit van de Raad van 1 december 2009 tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie

38

 

 

2009/913/EU

 

*

Besluit in onderlinge overeenstemming genomen door de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van 7 december 2009 betreffende de plaats van de zetel van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators

39

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Beschikking 2009/442/EG van de Commissie van 5 juni 2009 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft toezicht en verslaglegging (PB L 148 van 11.6.2009)

40

 

*

Rectificatie van Beschikking 2009/721/EG van de Commissie van 24 september 2009 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, (ELFPO) hebben verricht (PB L 257 van 30.9.2009)

40

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/1


VERORDENING (EG) Nr. 1197/2009 VAN DE RAAD

van 30 november 2009

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2115/2005 tot vaststelling van een herstelplan voor zwarte heilbot in het kader van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2115/2005 van de Raad (1) voorziet in de tenuitvoerlegging van het herstelplan voor zwarte heilbot dat is goedgekeurd in het kader van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (hierna „NAFO” genoemd).

(2)

Tijdens haar 29e jaarvergadering in september 2007 heeft de NAFO een aantal wijzigingen van dit herstelplan aangenomen. Deze wijzigingen hebben betrekking op verscherpte maatregelen inzake rapportage van de vangsten en aanvullende controlemaatregelen ter versterking van de inspecties op zee van vaartuigen die het gereglementeerde gebied van de NAFO binnenvaren en verlaten.

(3)

Met het oog op de tenuitvoerlegging van de in het herstelplan ingevoerde wijzigingen, dient Verordening (EG) nr. 2115/2005 bijgevolg te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2115/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 5 bis

Binnenvaart in het gereglementeerde gebied van de NAFO

1.   In artikel 5, lid 1, bedoelde vissersvaartuigen mogen het gereglementeerde gebied van de NAFO slechts binnenvaren om er op zwarte heilbot te vissen, indien zij:

a)

minder dan 50 t vangsten aan boord hebben, of

b)

voldoen aan het bepaalde in de leden 2, 3 en 4.

2.   Vissersvaartuigen met 50 t of meer vangsten van buiten het gereglementeerde gebied van de NAFO aan boord, delen via e-mail of fax ten laatste 72 uur vóór binnenvaart in het gereglementeerde gebied van de NAFO, de volgende gegevens mee aan het NAFO-secretariaat:

a)

de hoeveelheid aan boord gehouden vangsten,

b)

de positie (lengtegraad/breedtegraad) waar het vaartuig volgens de kapitein vermoedelijk met vissen zal beginnen, en

c)

de geschatte tijd van aankomst op die positie.

3.   Een inspectievaartuig dat naar aanleiding van de in lid 2 bedoelde mededeling laat weten van plan te zijn een inspectie uit te voeren, deelt met het oog op het uitvoeren van die inspectie de coördinaten van een controlepunt mee aan het betrokken vissersvaartuig. Het controlepunt is niet meer dan 60 zeemijl verwijderd van de positie waar het vissersvaartuig volgens de kapitein vermoedelijk met vissen zal beginnen.

4.   Het in lid 2 bedoelde vissersvaartuig mag in de volgende gevallen met vissen beginnen:

a)

indien het daartoe een kennisgeving ontvangt van het NAFO-secretariaat;

b)

indien het, na de overeenkomstig lid 3 uitgevoerde inspectie, van het inspectievaartuig bericht ontvangt dat het met vissen mag beginnen;

c)

indien het inspectievaartuig binnen drie uur na aankomst van het vissersvaartuig op het overeenkomstig lid 3 aangewezen controlepunt, nog niet met de inspectie is begonnen;

d)

indien het tegen het moment van binnenvaart in het gereglementeerde gebied van de NAFO noch van het NAFO-secretariaat, noch van een inspectievaartuig bericht heeft ontvangen dat een inspectievaartuig van plan is een inspectie overeenkomstig lid 3 uit te voeren.”.

2)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder b), wordt vervangen door:

„b)

de vijfdaagse hoeveelheden zwarte heilbot, inclusief nulaangiften. Deze mededeling vindt voor de eerste maal plaats niet later dan aan het einde van de tiende dag na de datum waarop het vaartuig NAFO-deelgebied 2 en de sectoren 3KLMNO is binnengevaren,”;

b)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

„2.   Na ontvangst sturen de lidstaten de in lid 1 bedoelde mededelingen door aan de Commissie. De Commissie stuurt de in lid 1, onder b), bedoelde mededeling onverwijld door aan het NAFO-secretariaat.

3.   Wanneer ervan uit wordt gegaan dat met de overeenkomstig lid 2 meegedeelde vangsten zwarte heilbot 75 % van de toegewezen quota van de lidstaten is opgebruikt, delen de kapiteins de in lid 1, onder b), bedoelde gegevens elke drie dagen mee.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 november 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

B. ASK


(1)  PB L 340 van 23.12.2005, blz. 3.


RICHTLIJNEN

9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/3


RICHTLIJN 2009/139/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2009

betreffende de voorgeschreven opschriften op twee- of driewielige motorvoertuigen

(gecodificeerde versie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 93/34/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de voorgeschreven opschriften op twee- of driewielige motorvoertuigen (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Richtlijn 93/34/EEG is een van de bijzondere richtlijnen van het bij Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen geregelde EG-typegoedkeuringssysteem, thans geregeld in Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (5) en bevat technische voorschriften betreffende het ontwerp en de constructie van twee- of driewielige motorvoertuigen met betrekking tot de voorgeschreven opschriften. Deze technische voorschriften beoogden de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten, teneinde de uitvoering van de bij Richtlijn 2002/24/EG geregelde EG-typegoedkeuringsprocedure ten aanzien van elk type voertuig mogelijk te maken. Derhalve zijn de bepalingen van Richtlijn 2002/24/EG betreffende voertuigsystemen, onderdelen en afzonderlijke technische eenheden daarvan op de onderhavige richtlijn van toepassing.

(3)

Deze richtlijn dient bepaalde lidstaten niet te beletten om, met betrekking tot de voorgeschreven opschriften op twee- of driewielige motorvoertuigen, op niet-discriminerende wijze bijzondere bindende voorschriften te handhaven voor de toepassing van de verkeersvoorschriften, voor zover die specifieke eisen betrekking hebben op het gebruik van die voertuigen en geen wijzigingen van de constructie inhouden die een beletsel zouden kunnen vormen voor de communautaire goedkeuring van dat type voertuigen.

(4)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze richtlijn is van toepassing op de voorgeschreven opschriften van elk type voertuig als omschreven in artikel 1 van Richtlijn 2002/24/EG.

Artikel 2

De procedure voor het verlenen van de EG-typegoedkeuring, wat de voorgeschreven opschriften van een type twee- of driewielig motorvoertuig betreft, alsmede de voorwaarden voor het vrije verkeer van deze voertuigen, zijn vastgesteld bij Richtlijn 2002/24/EG in respectievelijk hoofdstuk II en hoofdstuk III.

Artikel 3

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de bepalingen van bijlage I aan te passen aan de vooruitgang van de techniek, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, van Richtlijn 2002/24/EG bedoelde procedure.

Artikel 4

1.   Het is de lidstaten niet toegestaan voor twee- of driewielige voertuigen die voldoen aan deze richtlijn, het verlenen van de EG-typegoedkeuring te weigeren of de registratie, de verkoop en het in verkeer brengen van dergelijke voertuigen te verbieden om redenen die verband houden met de voorgeschreven opschriften.

2.   De lidstaten weigeren, om redenen die verband houden met de voorgeschreven opschriften, EG-typegoedkeuring te verlenen voor nieuwe typen twee- of driewielige motorvoertuigen die niet voldoen aan deze richtlijn.

3.   De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de belangrijkste bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied aannemen.

Artikel 5

Richtlijn 93/34/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage II, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 6

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juni 2010.

Artikel 7

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 25 november 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitster

Å. TORSTENSSON


(1)  PB C 77 van 31.3.2009, blz. 41.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 18 november 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 november 2009.

(3)  PB L 188 van 29.7.1993, blz. 38.

(4)  Zie bijlage II, deel A.

(5)  PB L 124 van 9.5.2002, blz. 1.


BIJLAGE I

VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE VOORGESCHREVEN OPSCHRIFTEN OP TWEE- OF DRIEWIELIGE MOTORVOERTUIGEN

1.   ALGEMEEN

1.1.

Ieder voertuig moet voorzien zijn van een plaat en de opschriften die onder de volgende punten zijn beschreven. De plaat en de opschriften worden aangebracht door de fabrikant of zijn gemachtigde.

2.   CONSTRUCTIEPLAAT

2.1.

Een constructieplaat, waarvan een voorbeeld is weergegeven in aanhangsel 1, moet op een duidelijk zichtbare en gemakkelijk toegankelijke plaats vast worden aangebracht op een onderdeel dat, zolang het voertuig in gebruik is, normaal niet voor vervanging in aanmerking komt; de plaat moet goed leesbaar en onuitwisbaar in de aangegeven volgorde onderstaande gegevens bevatten:

2.1.1.

de naam van de fabrikant;

2.1.2.

het typegoedkeuringsmerk zoals omschreven in artikel 8 van Richtlijn 2002/24/EG;

2.1.3.

het identificatienummer van het voertuig (INV);

2.1.4.

het geluidsniveau tijdens stilstand: … dB(A) bij … toeren/min.

2.2.

Het typegoedkeuringsmerk volgens de voorschriften van punt 2.1.2, de waarde van het geluidsniveau tijdens stilstand, alsmede het aantal toeren per minuut volgens de voorschriften van punt 2.1.4 worden niet opgenomen in de EG-typegoedkeuring wat betreft de voorgeschreven opschriften. Deze gegevens moeten wel op ieder in overeenstemming met het goedgekeurde type gefabriceerde voertuig worden aangebracht.

2.3.

De fabrikant kan aanvullende gegevens aanbrengen onder of naast de voorgeschreven opschriften, buiten een duidelijk afgebakende rechthoek die uitsluitend de in de punten 2.1.1 tot en met 2.1.4 (zie aanhangsel 1) voorgeschreven gegevens bevat.

3.   IDENTIFICATIENUMMER VAN HET VOERTUIG

Het identificatienummer van het voertuig is een gestructureerde combinatie van tekens die de fabrikant aan ieder voertuig geeft. Het doel ervan is de mogelijkheid te bieden om — zonder gebruikmaking van verdere informatie — ieder voertuig door bemiddeling van de fabrikant gedurende 30 jaar duidelijk te identificeren. Het identificatienummer moet aan de volgende voorschriften voldoen:

3.1.

het identificatienummer van het voertuig moet zijn aangegeven op de constructieplaat. Om te voorkomen dat het wordt uitgewist of gewijzigd, moet het ook in het chassis of het frame worden gehamerd of geponst op een plaats die gemakkelijk bereikbaar is en die zich bevindt in de rechterhelft van het voertuig;

3.1.1.

het identificatienummer van het voertuig moet uit de volgende drie groepen bestaan:

3.1.1.1.

de eerste groep bestaat uit een aan de fabrikant van het voertuig toegekende code, waarmee de genoemde fabrikant kan worden geïdentificeerd. Deze code bestaat uit drie tekens (letters of cijfers) die door de bevoegde instanties van het land waarin de fabrikant zijn hoofdkantoor heeft, zijn toegekend met de toestemming van het internationale bureau dat daartoe gemachtigd is door de Internationale Normalisatieorganisatie (ISO). Met het eerste teken wordt een geografisch gebied aangeduid, met het tweede teken een land binnen een geografisch gebied en met het derde teken een bepaalde fabrikant. Wanneer de fabrikant minder dan 500 voertuigen per jaar produceert, is het derde teken altijd een negen. Ter identificatie van deze fabrikant kent bovengenoemde instantie ook het derde, vierde en vijfde teken van de derde groep toe;

3.1.1.2.

de tweede groep bestaat uit zes tekens (letters of cijfers) ter aanduiding van de algemene kenmerken van het voertuig (type, variant en, in het geval van bromfietsen, versie) waarbij elk kenmerk meerdere tekens kan omvatten. Indien de fabrikant één of meer van deze tekens niet gebruikt, moeten de niet gebruikte ruimten naar keuze van de fabrikant worden opgevuld met lettertekens of met cijfers;

3.1.1.3.

de derde groep bestaat uit acht tekens waarvan de vier laatste cijfers moeten zijn, en hiermee moet in combinatie met de twee andere groepen een bepaald voertuig ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd. Om het vereiste aantal tekens te verkrijgen moet iedere niet gebruikte plaats worden opgevuld met een nul;

3.1.2.

het identificatienummer van het voertuig moet indien mogelijk op één regel staan. Deze regel moet vooraan en achteraan worden afgebakend door een symbool dat niet identiek is met een Arabisch cijfer of een Latijnse hoofdletter, of daarmee kan worden verward.

In uitzonderingsgevallen en om technische redenen mogen ook twee regels worden gebruikt. Hierbij is een scheiding binnen een van de drie groepen echter niet toegestaan en moet iedere regel vooraan en achteraan worden afgebakend door een symbool dat niet identiek is met een Arabisch cijfer of een Latijnse hoofdletter, of daarmee kan worden verward.

Genoemd symbool mag ook tussen de drie groepen (punt 3.1.1) die zich op één regel bevinden, worden aangebracht.

Tussen de tekens mogen geen tussenruimten zijn.

4.   GEBRUIKTE TEKENS

4.1.

Voor alle in de punten 2 en 3 bedoelde opschriften moeten Latijnse letters en Arabische cijfers worden gebruikt. De voor de aanduidingen zoals vermeld in de punten 2.1.1, 2.1.3 en 3 gebruikte Latijnse letters moeten hoofdletters zijn.

4.2.

Voor de tekens van het identificatienummer van het voertuig:

4.2.1.

is het gebruik van de letters I, O en Q, alsmede van streepjes, sterretjes of andere bijzondere tekens niet toegestaan;

4.2.2.

moeten de letters en cijfers de volgende minimumhoogten hebben:

4.2.2.1.

4 mm voor de direct op het frame of een gelijkaardige constructie van het voertuig aangebrachte tekens;

4.2.2.2.

3 mm voor de op de constructieplaat aangebrachte tekens.

Aanhangsel 1

Voorbeeld van een constructieplaat

Onderstaand voorbeeld is niet bepalend voor de gegevens die in werkelijkheid op de constructieplaten zullen worden vermeld noch voor de afmetingen van de plaat zelf of die van de cijfers en de letters: het is uitsluitend indicatief bedoeld.

De aanvullende gegevens als bedoeld in punt 2.3 mogen onder of naast de voorgeschreven gegevens in onderstaande rechthoek worden geplaatst.

STELLA FABBRICA MOTOCICLI

e3 5364

3 G S K L M 3 A C 8 B 1 2 0 0 0 0

80 dB(A) — 3 750 rev/min

Legenda:

In bovenstaand voorbeeld is het betreffende voertuig gebouwd door „Stella Fabbrica Motocicli” en goedgekeurd in Italië (e3) onder nummer 5364.

De betekenis van het identificatienummer (3GSKLM3AC8B120000) is als volgt:

eerste groep (3GS):

—   3: geografisch gebied (Europa);

—   G: land binnen het geografische gebied (Duitsland);

—   S: fabrikant (Stella Fabbrica Motocicli);

tweede groep (KLM3AC):

—   KL: type voertuig;

—   M3: variant (carrosserie van het voertuig);

—   AC: versie (motor van het voertuig);

derde groep (8B120000):

:

8B12

:

identificatie van het voertuig in combinatie met de twee overige groepen van het identificatienummer;

:

0000

:

niet gebruikte ruimten die worden opgevuld met een nul om tot het vereiste aantal tekens te komen.

Het geluidsniveau bij stilstand is 80 dB(A) bij 3 750 toeren/min.

Aanhangsel 2

Inlichtingenformulier wat betreft de voorgeschreven opschriften op een type twee- of driewielig motorvoertuig

(bij de EG-typegoedkeuringsaanvraag te voegen ingeval deze los van de aanvraag om EG-typegoedkeuring van het voertuig wordt ingediend)

Volgnummer (door de aanvrager toegekend): …

Bij de aanvraag om typegoedkeuring wat betreft de voorgeschreven opschriften op een type twee- of driewielig motorvoertuig moeten de inlichtingen worden verstrekt als bedoeld in de volgende punten in bijlage II, deel I, onder A, van Richtlijn 2002/24/EG:

0.1

0.2

0.4 tot en met 0.6

9.3.1 tot en met 9.3.3.

Aanhangsel 3

Naam van de administratie

EG-typegoedkeuringscertificaat wat betreft de voorgeschreven opschriften op een type twee- of driewielig motorvoertuig

MODEL

Verslag nr. … van de technische dienst … d.d. …

EG-typegoedkeuringsnr.: … Uitbreidingsnr.: …

1.

Fabrieks- of handelsmerk van het voertuig: …

2.

Type voertuig: …

3.

Naam en adres van de constructeur: …

4.

Naam en adres van de eventuele gemachtigde van de constructeur: …

5.

Voertuig ter keuring aangeboden op: …

6.

De EG-typegoedkeuring is verleend/geweigerd (1):

7.

Plaats: …

8.

Datum: …

9.

Handtekening: …


(1)  Doorhalen wat niet van toepassing is.


BIJLAGE II

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 5)

Richtlijn 93/34/EEG van de Raad

(PB L 188 van 29.7.1993, blz. 38)

 

Richtlijn 1999/25/EG van de Commissie

(PB L 104 van 21.4.1999, blz. 19)

 

Richtlijn 2006/27/EG van de Commissie

(PB L 66 van 8.3.2006, blz. 7)

Uitsluitend artikel 2 en bijlage II

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 5)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

93/34/EEG

14 december 1994

14 juni 1995

1999/25/EG

31 december 1999

1 januari 2000 (1)

2006/27/EG

31 december 2006 (2)


(1)  In overeenstemming met artikel 2 van Richtlijn 1999/25/EG:

„1.   Met ingang van 1 januari 2000 mogen de lidstaten om redenen die verband houden met de voorgeschreven opschriften:

noch de EG-goedkeuring van een type twee- of driewielig motorvoertuig weigeren,

noch de inschrijving, de verkoop of het in het verkeer brengen van twee- of driewielige motorvoertuigen verbieden,

voor zover de voorgeschreven opschriften voldoen aan de eisen van Richtlijn 93/34/EEG als gewijzigd bij deze richtlijn.

2.   Met ingang van 1 juli 2000 weigeren de lidstaten EG-goedkeuring voor elk type twee- of driewielig motorvoertuig om redenen die verband houden met de voorgeschreven opschriften indien niet is voldaan aan de eisen van Richtlijn 93/34/EEG als gewijzigd bij deze richtlijn.”.

(2)  In overeenstemming met artikel 5 van Richtlijn 2006/27/EG:

„1.   Met ingang van 1 januari 2007 is het de lidstaten niet toegestaan voor twee- of driewielige voertuigen die voldoen aan respectievelijk de Richtlijnen […], 93/34/EEG, […], zoals gewijzigd bij deze richtlijn, het verlenen van EG-typegoedkeuring te weigeren of de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen te verbieden om redenen die verband houden met het voorwerp van de richtlijn in kwestie.

2.   Met ingang van 1 juli 2007 weigeren de lidstaten, om redenen die verband houden met het voorwerp van de richtlijn in kwestie, EG-typegoedkeuring te verlenen voor nieuwe typen twee- of driewielige motorvoertuigen die niet voldoen aan respectievelijk de Richtlijnen […], 93/34/EEG, […], zoals gewijzigd bij deze richtlijn.”.


BIJLAGE III

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 93/34/EEG

Richtlijn 2006/27/EG

Deze richtlijn

Artikelen 1, 2 en 3

 

Artikelen 1, 2 en 3

Artikel 4, lid 1

 

Artikel 5, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 2

 

Artikel 4, lid 3

 

Artikel 5

 

Artikel 6

Artikel 5

 

Artikel 7

Bijlage

 

Bijlage I

 

Bijlage II

 

Bijlage III


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/12


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 26 november 2009

met betrekking tot het standpunt dat de Europese Gemeenschap zal innemen bij de heronderhandeling van de monetaire overeenkomst met de Republiek San Marino

(2009/904/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 111, lid 3,

Gezien de aanbeveling van de Commissie,

Na raadpleging van de Europese Centrale Bank,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met ingang van de datum van de invoering van de euro is de Gemeenschap bevoegd voor monetaire en wisselkoersaangelegenheden.

(2)

Het is aan de Raad om besluiten te nemen over de regelingen voor de onderhandelingen over en de sluiting van overeenkomsten inzake aangelegenheden betreffende het monetaire of wisselkoersregime.

(3)

Op 29 november 2000 heeft de Italiaanse Republiek, namens de Gemeenschap, een monetaire overeenkomst met de Republiek San Marino gesloten.

(4)

Op 10 februari 2009 heeft de Raad in zijn conclusies de Commissie verzocht de werking van de bestaande monetaire overeenkomsten te evalueren en te bezien of de maxima voor de uitgifte van munten kunnen worden verhoogd.

(5)

In de mededeling over de werking van de monetaire overeenkomsten met Monaco, San Marino en Vaticaanstad heeft de Commissie geconcludeerd dat de monetaire overeenkomst met de Republiek San Marino in zijn huidige vorm dient te worden gewijzigd om tot een consequentere benadering te komen van de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de landen die een monetaire overeenkomst hebben ondertekend.

(6)

Er dient bijgevolg zo spoedig mogelijk opnieuw over de monetaire overeenkomst met de Republiek San Marino te worden onderhandeld, zodat de nieuwe regeling op 1 januari 2010 in werking treedt, samen met de nieuwe regels voor het in omloop brengen van euromunten die zijn neergelegd in de op 10 februari 2009 door de Raad in zijn conclusies onderschreven aanbeveling van de Commissie van 19 december 2008 betreffende gemeenschappelijke richtsnoeren voor de nationale zijde en de uitgifte van voor circulatie bestemde euromuntstukken (1),

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

De Italiaanse Republiek stelt de Republiek San Marino ervan in kennis dat het noodzakelijk is de bestaande monetaire overeenkomst tussen de Italiaanse Republiek, namens de Europese Gemeenschap, en de Republiek San Marino (hierna: „de overeenkomst” genoemd) zo spoedig mogelijk te wijzigen en biedt aan te heronderhandelen over de desbetreffende bepalingen van de overeenkomst.

Artikel 2

Bij de heronderhandeling van de overeenkomst met de Republiek San Marino streeft de Gemeenschap de volgende wijzigingen na:

a)

De overeenkomst wordt gesloten tussen de Gemeenschap en de Republiek San Marino. De tekst van de overeenkomst is een gecodificeerde tekst van de huidige overeenkomst en de wijzigingen.

b)

De Republiek San Marino verbindt zich ertoe door middel van directe omzettingen of eventuele gelijkwaardige instrumenten alle passende maatregelen te nemen:

voor de toepassing van alle relevante communautaire bancaire en financiële wetgeving, met name die welke betrekking heeft op de werkzaamheden van en het toezicht op de betrokken instellingen;

voor de toepassing van alle relevante Gemeenschapswetgeving betreffende de voorkoming van witwassen van geld, de preventie van fraude en vervalsing van contante en girale betaalmiddelen, medailles en penningen, en de statistische rapportageverplichtingen.

De Republiek San Marino ziet erop toe dat alle relevante communautaire bancaire en financiële wetgeving uiterlijk op 1 januari 2015 op haar grondgebied ten uitvoer is gelegd. De overeenkomst bevat een bijlage met de termijnen voor de aanneming van dergelijke maatregelen.

c)

De methode voor de berekening van de plafonds voor de uitgifte van euromunten door de Republiek San Marino wordt herzien. Voor de berekening van het nieuwe uitgifteplafond wordt een methode gehanteerd waarbij een vast en een variabel deel worden gecombineerd: met het vaste deel wordt beoogd buitensporige speculatie door muntverzamelaars met muntstukken van de Republiek San Marino te vermijden door aan de vraag van de verzamelaarsmarkt te voldoen, terwijl het variabele deel wordt berekend op basis van de gemiddelde muntuitgifte per hoofd van de bevolking van de Republiek Italië in het jaar n-1, vermenigvuldigd met het aantal inwoners van San Marino.

d)

Er wordt een gemengd comité ingesteld om de bij de tenuitvoerlegging van de overeenkomst gemaakte vorderingen te monitoren. Het comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Republiek San Marino, de Italiaanse Republiek, de Commissie en de ECB. Het beschikt over de mogelijkheid jaarlijks het vaste deel te herzien om met de inflatie en de ontwikkeling van de verzamelaarsmarkt rekening te houden. Het neemt zijn besluiten met eenparigheid van stemmen. Het gemengd comité stelt zijn reglement van orde vast.

e)

De euromunten van de Republiek San Marino worden geslagen door het Instituto Poligrafico e Zecca dello Stato. De Republiek San Marino beschikt echter over de mogelijkheid een andere contractant aan te wijzen onder de Munten van de Europese Unie die euromunten slaan, mits het gemengd comité daarmee instemt. Met het oog op de goedkeuring door de Europese Centrale Bank van de totale omvang van de uitgifte wordt de hoeveelheid munten die de Republiek San Marino uitgeeft, opgeteld bij de hoeveelheid munten die wordt uitgegeven door de Republiek Italië.

f)

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen wordt aangewezen als de instantie die verantwoordelijk is voor het beslechten van geschillen die uit de toepassing van de overeenkomst kunnen rijzen.

Indien de Gemeenschap of de Republiek San Marino van mening is dat de andere partij een uit de monetaire overeenkomst voortvloeiende verplichting niet is nagekomen, kan de zaak aanhangig worden gemaakt bij het Hof van Justitie. Het arrest van het Hof is bindend voor de partijen, die gehouden zijn de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest binnen de termijn die het Hof van Justitie in zijn arrest heeft vastgesteld. Ingeval de Gemeenschap of de Republiek San Marino nalaat om binnen de gestelde termijn de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest, kan de andere partij de overeenkomst onmiddellijk opzeggen.

Artikel 3

De onderhandelingen met de Republiek San Marino worden namens de Gemeenschap gevoerd door de Italiaanse Republiek en de Commissie. De Italiaanse Republiek en de Commissie zijn bevoegd, de overeenkomst in naam van de Gemeenschap te paraferen. De ECB wordt volledig betrokken bij de onderhandelingen en haar instemming is vereist voor de onderwerpen die binnen haar bevoegdheidssfeer vallen. De Italiaanse Republiek en de Commissie leggen de ontwerpovereenkomst ter advies voor aan het Economisch en Financieel Comité (hierna: „EFC” genoemd).

Artikel 4

Bij de parafering van de overeenkomst verwerft de Commissie de bevoegdheid om namens de Gemeenschap de overeenkomst te sluiten, tenzij het EFC of de ECB van mening is dat de overeenkomst aan de Raad moet worden voorgelegd.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek, de Commissie en de ECB.

Gedaan te Brussel, 26 november 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BJÖRKLUND


(1)  PB L 9 van 14.1.2009, blz. 52.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG

9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/14


KADERBESLUIT 2009/905/JBZ VAN DE RAAD

van 30 november 2009

over de accreditatie van aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 30, lid 1, onder a) en c), en artikel 34, lid 2, onder b),

Gezien het initiatief van het Koninkrijk Zweden en het Koninkrijk Spanje (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie heeft zichzelf tot doel gesteld de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in stand te houden en te ontwikkelen; gezamenlijk optreden van de lidstaten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken moet tot een hoog niveau van zekerheid leiden.

(2)

Deze doelstelling moet worden bereikt door criminaliteit te voorkomen en te bestrijden via nauwere samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten in de lidstaten, met eerbiediging van de beginselen en regels op het gebied van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat waarop de Unie is gebaseerd en welke de lidstaten gemeen hebben.

(3)

Uitwisseling van informatie en inlichtingen over criminaliteit en criminele activiteiten is van doorslaggevend belang om de rechtshandhavingsautoriteiten in staat te stellen met succes strafbare feiten en activiteiten op te sporen, te voorkomen en te onderzoeken. Gezamenlijk optreden op het gebied van politiële samenwerking in de zin van artikel 30, lid 1, onder a), van het Verdrag betreffende de Europese Unie houdt in dat relevante informatie moet worden verwerkt, waarop passende voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens van toepassing moeten zijn.

(4)

Door de intensievere uitwisseling van informatie in verband met forensisch bewijsmateriaal en het toegenomen gebruik van bewijs uit een lidstaat in gerechtelijke procedures van een andere lidstaat, is het nodig gemeenschappelijke normen voor aanbieders van forensische diensten vast te stellen.

(5)

Aan informatie uit forensisch onderzoek in een lidstaat kleeft thans nog altijd enige onzekerheid in een andere lidstaat, die te maken heeft met de wijze waarop een voorwerp is behandeld, de methoden die zijn gebruikt en de wijze waarop de resultaten geïnterpreteerd zijn.

(6)

In punt 3.4, onder h), van het Actieplan van de Raad en de Commissie ter uitvoering van het Haags Programma voor de versterking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie (2) beklemtonen de lidstaten dat er voor 2008 kwaliteitsnormen voor forensische laboratoria moeten worden bepaald.

(7)

Het is met name van belang gemeenschappelijke normen voor aanbieders van forensische diensten in te voeren wanneer het gaat om gevoelige persoonsgegevens zoals DNA-profielen en dactyloscopische gegevens.

(8)

Conform artikel 7, lid 4, van Besluit 2008/616/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 betreffende de uitvoering van Besluit 2008/615/JBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (3), nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de integriteit van beschikbaar gestelde of voor vergelijking naar andere lidstaten gezonden DNA-profielen te waarborgen en ervoor te zorgen dat de genomen maatregelen voldoen aan internationale normen zoals EN ISO/IEC 17025 „algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria” (hierna „EN ISO/IEC 17025”).

(9)

DNA-profielen en dactyloscopische gegevens worden niet alleen gebruikt in strafzaken, maar zijn ook van essentieel belang voor het identificeren van slachtoffers, in het bijzonder na rampen.

(10)

De accreditatie van aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten is een belangrijke stap naar een veiliger en effectievere uitwisseling van forensische informatie binnen de Unie.

(11)

De accreditatie wordt verleend door de nationale accreditatie-instantie die exclusieve bevoegdheid heeft om na te gaan of een laboratorium voldoet aan de eisen die zijn bepaald door geharmoniseerde normen. Een accreditatie-instantie wordt gemachtigd door de staat. Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten (4), bevat gedetailleerde bepalingen over de bevoegdheid van deze nationale accreditatie-instanties. Zo regelt artikel 7 van die verordening de grensoverschrijdende accreditatie in gevallen waarin accreditatie door een andere nationale accreditatie-instantie wordt gewenst.

(12)

Het ontbreken van een akkoord om een gemeenschappelijke accreditatienorm voor de analyse van wetenschappelijk bewijs toe te passen, is een leemte waarin moet worden voorzien; daarom is het noodzakelijk een juridisch bindend instrument aan te nemen inzake de accreditatie van alle aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten. Accreditatie biedt de nodige garanties dat laboratoriumactiviteiten verlopen conform de toepasselijke internationale normen, in het bijzonder EN ISO/IEC 17025, en de toepasselijke richtsnoeren.

(13)

Een accreditatienorm biedt elke lidstaat de mogelijkheid om, indien hij dat wenst, op het onder zijn rechtsmacht vallende grondgebied aanvullende normen voor laboratoriumactiviteiten voor te schrijven.

(14)

Accreditatie zal bijdragen tot wederzijds vertrouwen in de geldigheid van de gebruikte basismethoden voor analyse. Accreditatie geeft echter niet aan welke methode moet worden gebruikt, maar enkel dat de gebruikte methode geschikt moet zijn om het beoogde doel te bereiken.

(15)

Elke maatregel die niet in een laboratorium wordt genomen, valt buiten het toepassingsgebied van dit kaderbesluit. Zo vallen het nemen van dactyloscopische gegevens of maatregelen die op de plaats van het incident of de plaats van het delict worden genomen of buiten laboratoria verrichte forensische analyses niet onder het toepassingsgebied ervan.

(16)

Dit kaderbesluit beoogt niet de nationale voorschriften betreffende de rechterlijke toetsing van forensisch bewijsmateriaal te harmoniseren.

(17)

Dit besluit doet geen afbreuk aan de geldigheid, vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke nationale regels, van de resultaten van laboratoriumactiviteiten die vóór de inwerkingtreding ervan zijn verricht, ook indien de aanbieder van forensische diensten niet behoefde te voldoen aan EN ISO/IEC 17025,

HEEFT HET VOLGENDE KADERBESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1.   Doel van dit kaderbesluit is te bewerkstelligen dat de resultaten van laboratoriumactiviteiten die worden verricht door geaccrediteerde aanbieders van forensische diensten in een lidstaat, door de autoriteiten die bevoegd zijn voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken van strafbare feiten worden erkend als gelijkwaardig aan de resultaten van laboratoriumactiviteiten die worden verricht door aanbieders van forensische diensten die in iedere andere lidstaat zijn geaccrediteerd voor EN ISO/IEC 17025.

2.   Dat doel wordt bereikt door er zorg voor te dragen dat aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten, geaccrediteerd worden door een nationale accreditatie-instantie indien ze voldoen aan EN ISO/IEC 17025.

Artikel 2

Werkingssfeer

Dit kaderbesluit is van toepassing op laboratoriumactiviteiten op het gebied van:

a)

DNA-profielen; en

b)

dactyloscopische gegevens.

Artikel 3

Definities

In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:

a)

„laboratoriumactiviteit”: elke maatregel die wordt genomen in een laboratorium bij het lokaliseren en veiligstellen van sporen op voorwerpen, alsmede het ontwikkelen, analyseren en interpreteren van forensisch bewijs met het oog op het verlenen van deskundig advies of het uitwisselen van forensisch bewijs;

b)

„resultaten van laboratoriumactiviteiten”: uitkomsten van analyses en rechtstreeks daarmee samenhangende interpretaties;

c)

„aanbieder van forensische diensten”: een openbare of particuliere organisatie die forensische laboratoriumactiviteiten verricht op verzoek van de bevoegde rechtshandhavings- of gerechtelijke autoriteiten;

d)

„nationale accreditatie-instantie”: de enige instantie in een lidstaat die door die staat gemachtigd is accreditaties te verlenen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008;

e)

„DNA-profiel”: een letter- of een cijfercode die een set identificatiekenmerken van het niet-coderende gedeelte van een geanalyseerd menselijk DNA-monster vertegenwoordigt, dat wil zeggen de specifieke moleculaire structuur op de verschillende DNA-gebieden (-loci);

f)

„dactyloscopische gegevens”: beelden van vingerafdrukken, van latente vingerafdrukken, van handpalmafdrukken en van latente handpalmafdrukken, alsook de templates van die beelden (gecodeerde minutiae).

Artikel 4

Accreditatie

De lidstaten dragen er zorg voor dat aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten, geaccrediteerd worden door een nationale accreditatie-instantie indien ze voldoen aan EN ISO/IEC 17025.

Artikel 5

Erkenning van de resultaten

1.   Elke lidstaat draagt er zorg voor dat de resultaten van geaccrediteerde aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten in andere lidstaten, door zijn autoriteiten die bevoegd zijn voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken van strafbare feiten worden erkend als gelijkwaardig aan de resultaten van binnenlandse aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten en die zijn geaccrediteerd voor EN ISO/IEC 17025.

2.   Dit kaderbesluit laat de nationale voorschriften betreffende de rechterlijke toetsing van bewijsmateriaal onverlet.

Artikel 6

Kosten

1.   Elke lidstaat draagt de kosten voor de overheid die voortvloeien uit dit kaderbesluit overeenkomstig de nationale regelingen.

2.   De Commissie beraadt zich op de wijze waarop financiële bijstand kan worden verstrekt uit de algemene begroting van de Europese Unie voor nationale en transnationale projecten die ten doel hebben bij te dragen aan de uitvoering van dit kaderbesluit, onder meer voor de uitwisseling van ervaring, verspreiding van kennis en bekwaamheidstests.

Artikel 7

Toepassing

1.   De lidstaten nemen de maatregelen die nodig zijn om uiterlijk 30 november 2013 aan de bepalingen van dit kaderbesluit met betrekking tot DNA-profielen te voldoen.

2.   De lidstaten nemen de maatregelen die nodig zijn om uiterlijk 30 november 2015 aan de bepalingen van dit kaderbesluit met betrekking tot dactyloscopische gegevens te voldoen.

3.   De lidstaten zenden aan het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie de tekst toe van de bepalingen waarmee zij uiterlijk 30 mei 2016 hun verplichtingen uit hoofde van dit kaderbesluit in hun nationale recht omzetten.

4.   Op basis van de in lid 3 bedoelde informatie en van andere informatie die op verzoek door de lidstaten wordt verstrekt, legt de Commissie vóór 1 juli 2018 een verslag over de uitvoering en toepassing van dit kaderbesluit voor aan de Raad.

5.   De Raad gaat uiterlijk in 2018 na in hoeverre de lidstaten aan dit kaderbesluit hebben voldaan.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Dit kaderbesluit treedt in werking op de twintigste dag volgend op zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 30 november 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

B. ASK


(1)  PB C 174 van 28.7.2009, blz. 7.

(2)  PB C 198 van 12.8.2005, blz. 1.

(3)  PB L 210 van 6.8.2008, blz. 12.

(4)  PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.


V Besluiten die zijn aangenomen vanaf 1 december 2009 op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Euratom-Verdrag

BESLUITEN WAARVAN PUBLICATIE VERPLICHT IS

9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/17


VERORDENING (EU) Nr. 1198/2009 VAN DE COMMISSIE

van 8 december 2009

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 december 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 december 2009.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

29,4

MA

43,4

TN

81,6

TR

64,5

ZZ

54,7

0707 00 05

MA

52,9

TR

78,4

ZZ

65,7

0709 90 70

MA

43,6

TR

118,8

ZZ

81,2

0805 10 20

AR

70,4

MA

53,2

TR

52,2

ZA

60,0

ZZ

59,0

0805 20 10

MA

66,7

ZZ

66,7

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

CN

132,8

HR

55,1

IL

68,7

TR

77,7

ZZ

83,6

0805 50 10

TR

69,5

ZZ

69,5

0808 10 80

AU

161,8

CA

65,1

CN

77,8

MK

24,5

US

92,3

ZA

106,2

ZZ

88,0

0808 20 50

CN

69,2

US

223,0

ZZ

146,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/19


VERORDENING (EU) Nr. 1199/2009 VAN DE COMMISSIE

van 8 december 2009

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1159/2009 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 december 2009

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 1 december 2009, zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1159/2009 van de Commissie (3).

(2)

Aangezien het berekende gemiddelde van de invoerrechten 5 EUR/t verschilt van het vastgestelde recht, moet een overeenkomstige aanpassing van de bij Verordening (EG) nr. 1159/2009 vastgestelde invoerrechten plaatsvinden.

(3)

Verordening (EG) nr. 1159/2009 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 1159/2009 worden vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 9 december 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 december 2009.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125.

(3)  PB L 314 van 1.12.2009, blz. 3.


BIJLAGE I

Vanaf 9 december 2009 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(EUR/t)

1001 10 00

HARDE TARWE van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

8,78

1001 90 91

ZACHTE TARWE, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed

0,00

1002 00 00

ROGGE

37,85

1005 10 90

MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden

17,53

1005 90 00

MAÏS, andere dan zaaigoed (2)

17,53

1007 00 90

GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

37,85


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd, komt de importeur op grond van artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96 in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt,

2 EUR/t als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten

30.11.2009-7.12.2009

1.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:

(EUR/t)

 

Zachte tarwe (1)

Maïs

Harde tarwe van hoge kwaliteit

Harde tarwe van gemiddelde kwaliteit (2)

Harde tarwe van lage kwaliteit (3)

Gerst

Beurs

Minnéapolis

Chicago

Notering

152,42

103,68

Fob-prijs VSA

131,77

121,77

101,77

75,75

Golfpremie

14,49

Grote-Merenpremie

13,89

2.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:

Vrachtkosten: Golf van Mexico–Rotterdam:

22,85 EUR/t

Vrachtkosten: Grote Meren–Rotterdam:

46,48 EUR/t


(1)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/22


BESLUIT 2009/906/GBVB VAN DE RAAD

van 8 december 2009

inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 28 en artikel 43, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 19 november 2007 Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH) (1) vastgesteld. Dit gemeenschappelijk optreden verstrijkt op 31 december 2009.

(2)

De commando- en controlestructuur van de EUPM dient de contractuele aansprakelijkheden van het hoofd van de missie ten aanzien van de Commissie voor de uitvoering van de begroting van de EUPM onverlet te laten.

(3)

Voor de EUPM moet de wachtdienst in werking worden gesteld.

(4)

De EUPM heeft mogelijk plaats in een verslechterende situatie die de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, uiteengezet in artikel 21 van het Verdrag, kan schaden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Missie

1.   De bij Gemeenschappelijk Optreden 2002/210/GBVB (2) ingestelde politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH) wordt voortgezet met ingang van 1 januari 2010.

2.   De EUPM treedt op in overeenstemming met de missieverklaring vervat in artikel 2 en verricht de kerntaken die omschreven zijn in artikel 3.

Artikel 2

Missieverklaring

Als onderdeel van de meer algemene benadering van de rechtsstaat in Bosnië en Herzegovina en de regio, behoudt de EUPM de resterende bevoegdheden op het gebied van politiehervorming en verantwoordingsplicht, steunt zij in hoofdzaak de desbetreffende wetshandhavingsinstanties van BiH bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en corruptie, en concentreert zij zich daarbij met name op de wetshandhavingsinstanties op nationaal niveau, op versterking van de interactie tussen de politie en de openbare aanklager en op regionale en internationale samenwerking.

De EUPM zal operationeel advies verstrekken aan de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) om hem in zijn taak te steunen. Door haar werk en haar netwerk in het land draagt de EUPM bij tot de algemene inspanningen om ervoor te zorgen dat de Europese Unie volledig over de ontwikkelingen in BiH is geïnformeerd.

De EUPM treedt op in overeenstemming met de algemene doelstellingen van bijlage 11 van het Algemeen Kaderakkoord voor vrede in Bosnië en Herzegovina, die worden ondersteund door de instrumenten van de Europese Gemeenschap.

Artikel 3

Kerntaakstelling

Voor het verwezenlijken van de missie heeft de EUPM de volgende kerntaken:

1.

versterken van de operationele capaciteit en het gezamenlijk vermogen van de wetshandhavingsinstanties die betrokken zijn bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en corruptie;

2.

verlenen van bijstand en steun bij de planning en uitvoering van onderzoeken ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit en corruptie met een systematische aanpak;

3.

bijstand verlenen bij en bevorderen van de ontwikkeling van de recherchevermogens van BiH;

4.

versterken van de samenwerking tussen politie en aanklagers;

5.

versterken van de samenwerking tussen politie en penitentiair stelsel;

6.

bijdragen tot een passende mate van verantwoordingsplicht.

Artikel 4

Structuur van de missie

1.   De structuur van de EUPM is als volgt:

a)

een hoofdkwartier in Sarajevo, bestaande uit het hoofd van de missie en personeel als omschreven in het operatieplan (OPLAN);

b)

vier regionale kantoren in Sarajevo, Banja Luka, Mostar en Tuzla;

c)

missielocaties op hoog niveau bij de desbetreffende wetshandhavingsinstanties die betrokken zijn bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en corruptie, en op andere belangrijke niveaus indien zulks nodig wordt geacht (staatsinlichtingendienst, grenspolitie, autoriteit voor indirecte belastingen, directoraat voor politiecoördinatie, bureau van de openbare aanklager, enz.).

2.   Het bovenstaande zal nader worden uitgewerkt in het OPLAN. De Raad keurt het Operationeel Concept (CONOPS) en het OPLAN goed.

Artikel 5

Civiele operationele commandant

1.   De directeur van het civiele plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC) is de civiele operationele commandant van de EUPM.

2.   De civiele operationele commandant oefent, onder politiek toezicht en strategische aansturing van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en onder algemeen gezag van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands- en veiligheidsbeleid (HV), het commando en de controle op strategisch niveau over de EUPM.

3.   De civiele bevelhebber zorgt voor een adequate en efficiënte uitvoering van de besluiten van de Raad, alsmede de besluiten van het PVC, mede, waar nodig, door middel van instructies op strategisch niveau aan het hoofd van de missie en door middel van het verlenen van advies en technische bijstand aan hem.

4.   Alle gedetacheerde personeelsleden blijven onder het volledige gezag staan van de nationale autoriteiten van de betrokken zendstaat of EU-instelling. De nationale autoriteiten dragen de operationele controle (OPCON) over hun personeel, teams en eenheden over aan de civiele operationele commandant.

5.   De civiele operationele commandant heeft de algehele verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de Europese Unie zich naar behoren van haar zorgplicht kwijt.

6.   De civiele operationele commandant en de SVEU plegen, indien nodig, onderling overleg.

Artikel 6

Hoofd van de missie

1.   Het hoofd van de missie neemt de verantwoordelijkheid voor de EUPM op zich en oefent het commando en de controle erover uit op het terrein.

2.   Het hoofd van de missie oefent het commando en de controle uit over het personeel, de teams en de eenheden van de bijdragende staten die door de civiele operationele commandant ter beschikking zijn gesteld, en draagt de administratieve en logistieke verantwoordelijkheid voor de aan de EUPM ter beschikking gestelde activa, middelen en informatie.

3.   Het hoofd van de missie geeft instructies aan alle personeelsleden van de EUPM, met het oog op de effectieve uitvoering van de EUPM op het terrein, en zorgt voor de coördinatie en de dagelijkse leiding van de operatie volgens de instructies op strategisch niveau van de civiele operationele commandant.

4.   Het hoofd van de missie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting van de EUPM. Daartoe ondertekent het hoofd van de missie een contract met de Commissie.

5.   Het hoofd van de missie is verantwoordelijk voor het tuchtrechtelijk toezicht op het personeel. Voor gedetacheerd personeel wordt het tuchtrecht uitgeoefend door de betrokken nationale of EU-autoriteit.

6.   Het hoofd van de missie vertegenwoordigt de EUPM in het operatiegebied en zorgt voor passende zichtbaarheid.

7.   Het hoofd van de missie zorgt, in voorkomend geval, voor coördinatie met andere EU-actoren op het terrein. Het hoofd van de missie krijgt, onder volledige eerbiediging van de commandostructuur, ter plaatse politieke aansturing van de SVEU.

Artikel 7

Personeel van de EUPM

1.   De getalsterkte en het competentieniveau van de EUPM-personeelsleden zijn in overeenstemming met de in artikel 2 vastgestelde missieverklaring en de in artikel 4 vastgestelde structuur.

2.   De EUPM bestaat voornamelijk uit personeel dat door de lidstaten of de instellingen van de Europese Unie wordt gedetacheerd. Elke lidstaat of instelling van de Europese Unie draagt de kosten in verband met elk door hem of haar gedetacheerd personeelslid, met inbegrip van kosten voor vervoer van en naar de plaats van detachering, salarissen, ziektekosten en andere vergoedingen dan dagvergoedingen, en ongemakken- en gevarentoeslagen.

3.   Internationaal civiel personeel en lokaal personeel kunnen ook naar behoefte op contractbasis door de EUPM worden aangeworven indien de vereiste functies niet worden vervuld door personeel dat door de lidstaten gedetacheerd is. Onderdanen van deelnemende derde staten mogen, indien nodig, bij wijze van uitzondering op contractbasis worden aangenomen in met redenen omklede gevallen waarin geen geschikte sollicitaties uit de lidstaten beschikbaar zijn.

4.   Alle personeelsleden houden zich aan de minimale operationele beveiligingsnormen die specifiek zijn voor de missie en het beveiligingsplan voor de missie ter ondersteuning van het EU-veiligheidsbeleid ter plaatse. Wat betreft de bescherming van gerubriceerde EU-informatie die aan hen is toevertrouwd bij de uitoefening van hun taak, nemen zij de beveiligingsbeginselen en minimumnormen bedoeld in Besluit 2001/264/EG van de Raad van 19 maart 2001 tot vaststelling van beveiligingsvoorschriften van de Raad (3) (hierna „de beveiligingsvoorschriften van de Raad” genoemd) in acht.

Artikel 8

Status van het personeel van de missie en van de EUPM

1.   Er worden voor de duur van de EUPM de nodige regelingen getroffen voor de voortzetting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en BiH van 4 oktober 2002 betreffende de activiteiten van de EUPM in BiH.

2.   De staat of EU-instelling die een personeelslid heeft gedetacheerd, is verantwoordelijk voor de afhandeling van met de detachering verband houdende schade-eisen van of betreffende het personeelslid. De betrokken bijdragende staat of EU-instelling is verantwoordelijk voor het instellen van eventuele vorderingen tegen het gedetacheerde personeelslid.

3.   De arbeidsvoorwaarden en de rechten en plichten van het internationale en het plaatselijke civiele personeel staan in contracten tussen het hoofd van de missie en de betrokken personeelsleden.

Artikel 9

Commandostructuur

1.   De EUPM heeft, als crisisbeheersingsoperatie, een gemeenschappelijke commandostructuur.

2.   Het PVC oefent, onder de verantwoordelijkheid van de Raad, het politieke toezicht op en de strategische aansturing van de EUPM uit.

3.   De civiele operationele commandant is, onder het politieke toezicht en de strategische aansturing van het PVC en onder algemeen gezag van de HV, de commandant van de EUPM op strategisch niveau en geeft, in die hoedanigheid, instructies aan het hoofd van de missie en verleent hem advies en technische ondersteuning.

4.   De civiele operationele commandant brengt via de HV verslag uit aan de Raad.

5.   Het hoofd van de missie oefent het commando en de controle op het terrein uit over de EUPM en legt rechtstreeks verantwoording af aan de civiele operationele commandant.

Artikel 10

Politiek toezicht en strategische aansturing

1.   Het PVC zorgt, onder de verantwoordelijkheid van de Raad, voor het politieke toezicht op en de strategische aansturing van de EUPM. De Raad machtigt het PVC hierbij om de noodzakelijke besluiten te nemen overeenkomstig artikel 38, derde alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Deze machtiging omvat de bevoegdheid om op voordracht van de HV een hoofd van de missie te benoemen en het CONOPS en het OPLAN te wijzigen. De beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de doelstellingen en de beëindiging van de EUPM blijven berusten bij de Raad.

2.   Het PVC brengt op geregelde tijdstippen verslag uit aan de Raad.

3.   Het PVC ontvangt, zoals voorgeschreven, op geregelde tijdstippen door de civiele bevelhebber en het hoofd van de missie opgestelde verslagen over aangelegenheden die onder hun bevoegdheden vallen.

Artikel 11

Deelname door derde landen

1.   Onder volledige eerbiediging van de beslissingsautonomie van de Unie en het institutionele kader van de Unie kunnen derde landen worden uitgenodigd om bij te dragen aan de EUPM, met dien verstande dat zij de kosten dragen van het uitzenden van het personeel, met inbegrip van salarissen, verzekering tegen alle risico’s, dagvergoedingen en kosten voor vervoer van en naar BiH, en dat zij een passende bijdrage aan de werkingskosten van de EUPM leveren.

2.   De derde landen die aan de EUPM bijdragen, hebben bij de dagelijkse leiding van de EUPM dezelfde rechten en plichten als de lidstaten.

3.   Hierbij machtigt de Raad het PVC om de noodzakelijke besluiten betreffende de aanvaarding van de voorgestelde bijdragen te nemen en een Comité van contribuanten in te stellen.

4.   De nadere regelingen betreffende de deelneming van derde landen worden vastgesteld in overeenkomstig artikel 37 van het Verdrag te sluiten overeenkomsten. De HV kan over deze regelingen onderhandelen. Wanneer de Europese Unie en een derde staat een overeenkomst tot vaststelling van een kader voor de deelneming van die derde staat aan EU-crisisbeheersingsoperaties hebben gesloten, zijn in het kader van de missie de bepalingen van die overeenkomst van toepassing.

Artikel 12

Financiële regelingen

1.   Het financiële referentiebedrag voor het jaar 2010 dat de uitgaven in verband met de EUPM moet dekken, bedraagt 14 100 000 EUR.

2.   Alle uitgaven worden beheerd overeenkomstig de voorschriften en procedures van de Gemeenschap die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie. Het hoofd van de missie is verantwoordelijk voor het beheer van een opslagplaats voor gebruikte uitrusting, die ook kan worden ingezet wanneer er in het kader van EVDB-operaties dringende behoeften ontstaan. Onderdanen van deelnemende derde landen en onderdanen van het gastland mogen inschrijven bij aanbestedingen.

3.   Het hoofd van de missie brengt volledig verslag uit aan de Commissie, onder wier toezicht hij staat, over de in het kader van zijn contract ondernomen activiteiten.

4.   De financiële regelingen moeten voldoen aan de operationele vereisten van de EUPM, met inbegrip van de verenigbaarheid van uitrusting en de interoperabiliteit van zijn teams.

5.   De uitgaven in verband met de EUPM komen voor financiering in aanmerking vanaf 1 januari 2010.

Artikel 13

Beveiliging

1.   De civiele operationele commandant stuurt de planning van de beveiligingsmaatregelen door het hoofd van de missie aan en zorgt voor een adequate en efficiënte uitvoering daarvan voor de EUPM overeenkomstig de artikelen 5 en 9, in overleg met de Dienst beveiliging van het secretariaat-generaal van de Raad.

2.   Het hoofd van de missie is verantwoordelijk voor de veiligheid van de EUPM en voor de naleving van de minimumbeveiligingsvereisten die op de EUPM van toepassing zijn, conform het beleid van de Europese Unie inzake de veiligheid van personeel dat op grond van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de daarvan afgeleide teksten in een operationele hoedanigheid wordt ingezet buiten de EU.

3.   Het hoofd van de missie wordt bijgestaan door een speciaal voor de missie bestemde hoge veiligheidsfunctionaris, die verslag uitbrengt aan het hoofd van de missie en die tevens nauwe, functionele betrekkingen onderhoudt met de Dienst beveiliging van het secretariaat-generaal van de Raad.

4.   Het hoofd van de missie wijst locale veiligheidsfunctionarissen aan voor de vier regionale kantoren die, onder het gezag van de hoge veiligheidsfunctionaris, verantwoordelijk zijn voor het dagelijks beheer van alle veiligheidsaspecten van de respectieve onderdelen van de EUPM.

5.   De personeelsleden van de EUPM volgen, overeenkomstig het OPLAN, vóór hun indiensttreding een verplichte veiligheidsopleiding. Zij krijgen regelmatig ter plaatse herhalingscursussen, die worden georganiseerd door de hoge veiligheidsfunctionaris.

Artikel 14

Coördinatie

1.   Onverminderd de commandostructuur werkt het hoofd van de missie tevens in nauwe coördinatie samen met de delegatie van de Europese Unie in BiH, met de bedoeling de samenhang van de EU-maatregelen ter ondersteuning van BiH te verzekeren.

2.   Het hoofd van de missie werkt in nauwe coördinatie met de hoofden van EU-missies in BiH.

3.   Het hoofd van de missie werkt samen met de andere internationale actoren die in het land aanwezig zijn, met name de OVSE, de Raad van Europa en het internationale programma ter ondersteuning van opleidingen op recherchegebied (ICITAP).

Artikel 15

Vrijgave van gerubriceerde gegevens

1.   De HV is gemachtigd gerubriceerde gegevens en documenten van de Europese Unie tot op het niveau „RESTREINT UE” die ten behoeve van de EUPM zijn opgesteld, indien dit passend en in overeenstemming met de behoeften van de EUPM is, overeenkomstig de beveiligingsvoorschriften van de Raad vrij te geven aan de bij dit besluit optreden betrokken derde landen.

2.   Indien er sprake is van een specifieke en onmiddellijke operationele behoefte, is de HV voorts gemachtigd gerubriceerde gegevens en documenten van de Europese Unie tot op het niveau „RESTREINT UE” die ten behoeve van de EUPM zijn opgesteld, overeenkomstig de beveiligingsvoorschriften van de Raad vrij te geven aan het gastland. In alle andere gevallen worden deze gegevens en documenten vrijgegeven aan het gastland volgens de daartoe bestemde procedures voor de samenwerking tussen het gastland en de EU.

3.   De HV is gemachtigd niet-gerubriceerde documenten van de Europese Unie betreffende de beraadslagingen van de Raad over de EUPM die onder de geheimhoudingsplicht van artikel 6, lid 1, van het reglement van orde van de Raad vallen, vrij te geven aan de derde landen die bij dit besluit zijn betrokken (4).

Artikel 16

Evaluatie

Op basis van een zesmaandelijkse evaluatie overeenkomstig de beoordelingscriteria van het CONOPS en het OPLAN kunnen de activiteiten van de EUPM, indien nodig, worden aangepast.

Artikel 17

Wachtdienstvermogen

Voor de EUPM wordt het wachtdienstvermogen geactiveerd.

Artikel 18

Inwerkingtreding en duur

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011. Over de begroting voor 2011 wordt door de Raad een afzonderlijk besluit genomen.

Artikel 19

Bekendmaking

1.   Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Het besluit van het PVC uit hoofde van artikel 10, lid 1, met betrekking tot de benoeming van het hoofd van de missie wordt eveneens bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 december 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

C. BILDT


(1)  PB L 303 van 21.11.2007, blz. 40.

(2)  PB L 70 van 13.3.2002, blz. 1.

(3)  PB L 101 van 11.4.2001, blz. 1.

(4)  Besluit 2006/683/EG, Euratom van de Raad van 15 september 2006 tot vaststelling van het Reglement van orde van de Raad (PB L 285 van 16.10.2006, blz. 47).


9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/27


BESLUIT 2009/907/GBVB VAN DE RAAD

van 8 december 2009

houdende wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 28 en artikel 43, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 10 november 2008 heeft de Raad Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB aangenomen inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (1).

(2)

In het licht van de tijdens het eerste jaar van de operatie opgedane ervaring moet Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB worden gewijzigd om de zeemacht van de Europese Unie in staat te stellen een bijdrage te leveren aan het toezicht op de visserijactiviteiten voor de kust van Somalië.

(3)

Piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust blijven de scheepvaart in het gebied en met name de verstrekking van voedselhulp door het Wereldvoedselprogramma aan de Somalische bevolking bedreigen.

(4)

Derhalve moet de operatie met een jaar worden verlengd.

(5)

Op 30 november 2009 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties Resolutie 1897 (2009) aangenomen.

(6)

Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

BESLUIT:

Artikel 1

Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

a)

Aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:

„3.   Voorts zal Atalanta een bijdrage leveren aan het toezicht op de visserijactiviteiten voor de kust van Somalië.”;

b)

Artikel 2, punt f), wordt vervangen door:

„f)

stelt zich in verbinding en werkt samen met de organisaties en entiteiten, alsmede met de Staten die in de regio actief zijn ter bestrijding van piraterij en gewapende overvallen voor de kust van Somalië, met name het vlootverband „Combined Task Force 150”, dat optreedt in het kader van operatie „Enduring Freedom”;

g)

staat, zodra aan land voldoende vooruitgang is geboekt op het gebied van maritieme capaciteitsopbouw, met inbegrip van beveiligingsmaatregelen voor de uitwisseling van informatie, de Somalische autoriteiten bij door de in de loop van de operatie verzamelde gegevens betreffende visserijactiviteiten beschikbaar te stellen.”;

c)

Artikel 16, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De militaire operatie van de EU verstrijkt op 12 december 2010.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 december 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

C. BILDT


(1)  PB L 301 van 12.11.2008, blz. 33.


BESLUITEN WAARVAN PUBLICATIE NIET VERPLICHT IS

9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/28


BESLUIT VAN DE RAAD

van 1 december 2009

tot vaststelling van de voorschriften tot toepassing van het besluit van de Europese Raad betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad en betreffende het voorzitterschap van de voorbereidende instanties van de Raad

(2009/908/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 16, lid 9,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 236, onder b),

Gelet op het besluit van de Europese Raad van 1 december 2009 betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad (1), en met name op artikel 2, derde alinea, en artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor de toepassing van het besluit van de Europese Raad betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad (hierna „het besluit van de Europese Raad”) dienen voorschriften te worden vastgesteld.

(2)

Deze toepassingsvoorschriften betreffen onder meer de volgorde waarin vooraf bepaalde groepen van drie lidstaten bij toerbeurt gedurende achtereenvolgende perioden van 18 maanden het voorzitterschap zullen uitoefenen, rekening houdend met het feit dat er sinds 1 januari 2007, overeenkomstig het reglement van orde van de Raad, een regeling bestaat betreffende de 18 maanden-programma's van de Raad die worden overeengekomen door de drie lidstaten die in de betrokken periode het voorzitterschap uitoefenen.

(3)

Bij de samenstelling van de groepen moet overeenkomstig artikel 1 van het besluit van de Europese Raad rekening worden gehouden met de verscheidenheid van de lidstaten en het geografisch evenwicht binnen de Unie.

(4)

De taakverdeling tussen de lidstaten binnen elke groep vloeit voort uit artikel 1, lid 2, van voornoemd besluit van de Europese Raad. In beide in artikel 2, lid 1, van het onderhavige besluit genoemde gevallen stellen de lidstaten binnen elke groep zelf in onderling overleg de praktische regelingen voor hun samenwerking vast.

(5)

Deze toepassingsvoorschriften dienen voorts specifieke regels te bevatten voor de uitoefening van het voorzitterschap van de voorbereidende instanties van de Raad Buitenlandse Zaken, als bepaald in artikel 2, derde alinea, van het besluit van de Europese Raad.

(6)

De meeste van deze voorbereidende instanties moeten worden voorgezeten door een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (hierna „de hoge vertegenwoordiger”), terwijl het voorzitterschap van de andere voorbereidende instanties bij het zesmaandelijkse voorzitterschap blijft berusten. Voor instanties waarvan het voorzitterschap wordt uitgeoefend door een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger kan een overgangsperiode van toepassing zijn.

(7)

Voorbereidende instanties die volgens een ander systeem dan het zesmaandelijkse voorzitterschap worden voorgezeten, moeten in dit besluit worden vermeld, overeenkomstig artikel 2, derde alinea, van het besluit van de Europese Raad.

(8)

Het voorzitterschap van de niet in dit besluit genoemde voorbereidende instanties wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van het besluit van de Europese Raad uitgeoefend,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

De volgorde waarin de lidstaten met ingang van 1 januari 2007 het voorzitterschap van de Raad uitoefenen, is vastgesteld in het besluit van de Raad van 1 januari 2007 houdende vaststelling van de volgorde voor de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad (2).

De indeling van deze volgorde van voorzitterschappen in groepen van drie lidstaten, overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het besluit van de Europese Raad, staat in bijlage I van dit besluit.

Artikel 2

1.   Ieder lid van de in artikel 1, eerste alinea, bedoelde groep zit bij toerbeurt gedurende een periode van zes maanden alle Raadsformaties voor, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken. De andere leden van de groep staan het voorzitterschap in al zijn verantwoordelijkheden bij op basis van het 18 maanden-programma van de Raad.

2.   De leden van de in artikel 1 bedoelde groep kunnen onderling tot andere regelingen besluiten.

3.   In beide in de leden 1 en 2 beschreven gevallen stellen de lidstaten binnen elke groep zelf in onderling overleg de praktische regelingen voor hun samenwerking vast.

Artikel 3

De Raad neemt vóór 1 juli 2017 een besluit over de volgorde waarin de lidstaten vanaf 1 juli 2020 het voorzitterschap zullen uitoefenen.

Artikel 4

Het voorzitterschap van de voorbereidende instanties van de Raad Buitenlandse Zaken wordt toegewezen overeenkomstig de voorschriften van bijlage II.

Artikel 5

De in bijlage III genoemde voorbereidende instanties worden voorgezeten door de in die bijlage genoemde vaste voorzitterschappen.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 1 december 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

B. ASK


(1)  PB L 315 van 2.12.2009, blz. 50.

(2)  PB L 1 van 4.1.2007, blz. 11.


BIJLAGE I

Duitsland

januari-juni

2007

Portugal

juli-december

2007

Slovenië

januari-juni

2008

Frankrijk

juli-december

2008

Tsjechië

januari-juni

2009

Zweden

juli-december

2009

Spanje

januari-juni

2010

België

juli-december

2010

Hongarije

januari-juni

2011

Polen

juli-december

2011

Denemarken

januari-juni

2012

Cyprus

juli-december

2012

Ierland

januari-juni

2013

Litouwen

juli-december

2013

Griekenland

januari-juni

2014

Italië

juli-december

2014

Letland

januari-juni

2015

Luxemburg

juli-december

2015

Nederland

januari-juni

2016

Slowakije

juli-december

2016

Malta

januari-juni

2017

Verenigd Koninkrijk

juli-december

2017

Estland

januari-juni

2018

Bulgarije

juli-december

2018

Oostenrijk

januari-juni

2019

Roemenië

juli-december

2019

Finland

januari-juni

2020


BIJLAGE II

VOORZITTERSCHAP VAN DE VOORBEREIDENDE INSTANTIES VAN DE RAAD BUITENLANDSE ZAKEN (1)

Het voorzitterschap van de in de categorieën 1 tot en met 4 van onderstaande tabel genoemde voorbereidende instanties van de Raad Buitenlandse Zaken wordt als volgt georganiseerd:

1)

Categorie 1 (voorbereidende instanties op handels- en ontwikkelingsgebied):

De voorbereidende instanties worden voorgezeten door het zesmaandelijkse voorzitterschap.

2)

Categorie 2 (geografisch ingedeelde voorbereidende instanties)

De voorbereidende instanties worden voorgezeten door een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger.

3)

Categorie 3 (horizontale voorbereidende instanties, hoofdzakelijk GBVB)

De voorbereidende instanties worden voorgezeten door een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger, behalve de volgende voorbereidende instanties, die door het zesmaandelijkse voorzitterschap worden voorgezeten:

Groep raden buitenlandse betrekkingen (RELEX);

Groep terrorisme (internationale aspecten) (COTER);

Groep toepassing specifieke maatregelen inzake terrorismebestrijding (COCOP);

Groep consulaire zaken (COCON);

Groep internationaal publiekrecht (COJUR); en

Groep zeerecht (COMAR).

4)

Categorie 4 (met het GVDB verband houdende voorbereidende instanties)

De met het GVDB verband houdende voorbereidende instanties worden voorgezeten door een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger (2).

De hoge vertegenwoordiger en het zesmaandelijkse voorzitterschap werken nauw samen teneinde de samenhang tussen alle voorbereidende instanties voor de Raad Buitenlandse Zaken te waarborgen.

Voor de categorieën 3 en 4 blijft het voorzitterschap van de voorbereidende instanties bij het zesmaandelijkse voorzitterschap berusten gedurende een overgangsperiode van ten hoogste zes maanden na de aanneming van het besluit van de Raad betreffende de inrichting en de werking van de Europese dienst voor extern optreden (EEAS). Voor categorie 2 is die overgangsperiode ten hoogste twaalf maanden.

Regels voor de benoeming van de voorzitters

Wanneer het besluit van de Europese Raad of dit besluit bepaalt dat een voorbereidende instantie (PVC en bevoegde werkgroepen) wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger, is de hoge vertegenwoordiger belast met de benoeming van de voorzitter. Die benoemingen geschieden op basis van competentie, en er wordt gezorgd voor geografisch evenwicht en transparantie. De hoge vertegenwoordiger ziet erop toe dat de persoon die hij of zij voornemens is tot voorzitter te benoemen, het vertrouwen van de lidstaten geniet. Indien de betrokkene nog geen lid is van de EEAS, wordt hij lid overeenkomstig de aanwervingsprocedures van de EEAS, ten minste voor de duur van de aanstelling. Een evaluatie van de werking van deze regeling zal worden verricht in het kader van het in 2012 geplande situatieverslag betreffende de EEAS.

1.

Voorbereidende instanties op het gebied van handel en ontwikkeling

Comité van artikel 207

Groep ACS

Groep ontwikkelingssamenwerking (DEVGEN)

Groep EVA

Groep goederen voor tweeërlei gebruik

Groep handelsvraagstukken

Groep grondstoffen

Groep stelsel van algemene preferenties

Groep voorbereiding internationale conferenties over ontwikkeling/UNCCD Woestijnvorming/UNCTAD

Groep humanitaire hulp en voedselhulp

Groep exportkredieten

2.

Geografisch ingedeelde voorbereidende instanties

Groep Mashrek/Maghreb (COMAG/MaMa)

Groep Oost-Europa en Centraal-Azië (COEST)

Groep Westelijke Balkan (COWEB)

Groep Midden-Oosten/Golf (COMEM/MOG)

Groep Azië-Oceanië (COASI)

Groep Latijns-Amerika (COLAT)

Groep trans-Atlantische betrekkingen (COTRA)

Groep Afrika (COAFR)

3.

Horizontale voorbereidende instanties (hoofdzakelijk GBVB)

Groep raden buitenlandse betrekkingen (RELEX)

Groep Nicolaidis

Groep wereldwijde ontwapening en wapenbeheersing (CODUN)

Groep non-proliferatie (CONOP)

Groep export van conventionele wapens (COARM)

Groep rechten van de mens (COHOM)

Groep terrorisme (internationale aspecten) (COTER) (3)

Groep toepassing specifieke maatregelen inzake terrorismebestrijding (COCOP) (3)

Groep OVSE en Raad van Europa (COSCE)

Groep Verenigde Naties (CONUN)

Ad hoc Groep vredesproces in het Midden-Oosten (COMEP)

Groep internationaal publiekrecht (COJUR, COJUR-ICC)

Groep zeerecht (COMAR)

Groep consulaire zaken (COCON)

Groep administratieve zaken en protocol GBVB (COADM)

4.

Met het GVDB verband houdende voorbereidende instanties

Militair Comité (EUMC)

Werkgroep van het Militair Comité (EUMCWG)

Politiek-militaire Groep (PMG)

Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing (CIVCOM)

Groep Europees bewapeningsbeleid


(1)  Na 1 december 2009 dient spoedig een evaluatie te worden verricht van de werkingssfeer en de organisatie van de operationele structuren op het gebied van buitenlandse zaken, met name op ontwikkelingsgebied. De nadere regelingen betreffende het voorzitterschap van de geëvalueerde werkgroepen moeten in voorkomend geval aan de in deze bijlage toegelichte algemene beginselen worden aangepast.

(2)  Het Militair Comité (EUMC) en de Werkgroep van het Militair Comité (EUMCWG) zullen ook in de toekomst door een verkozen voorzitterschap worden voorgezeten, zoals het geval was vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

(3)  Over de status van de Groep terrorisme (internationale aspecten) (COTER) en de Groep toepassing specifieke maatregelen inzake terrorismebestrijding (COCOP) zal ook van gedachten worden gewisseld in de JBZ-overlegstructuren.


BIJLAGE III

VOORZITTERS VAN DE VOORBEREIDENDE RAADSINSTANTIES MET EEN VASTE VOORZITTER

Verkozen voorzitters

 

Economisch en Financieel Comité

 

Comité voor de werkgelegenheid

 

Comité voor sociale bescherming

 

Militair Comité (1)

 

Comité voor de economische politiek

 

Comité financiële diensten

 

Werkgroep van het Militair Comité (1)

 

Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen)

Voorgezeten door het secretariaat-generaal van de Raad

 

Beveiligingscomité

 

Groep voorlichting

 

Groep juridische informatica

 

Groep elektronische communicatie

 

Groep codificatie

 

Groep juristen-vertalers

 

Groep nieuwe gebouwen


(1)  Zie ook bijlage II.


9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/35


BESLUIT VAN DE RAAD

van 1 december 2009

tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de voorzitter van de Europese Raad

(2009/909/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 243,

Gelet op Verordening nr. 422/67/EEG, 5/67/Euratom van de Raad van 25 juli 1967 tot vaststelling van de geldelijke regeling voor de voorzitter en de leden van de Commissie, de president, de rechters en de griffier van, alsmede de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, de president, de leden en de griffier van het Gerecht van eerste aanleg, alsmede de president, de leden en de griffier van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens het Verdrag van Lissabon wordt de Europese Raad een instelling van de Europese Unie, en wordt daarbij het ambt van voorzitter van de Europese Raad ingesteld; de ambtstermijn bedraagt tweeënhalf jaar en kan eenmaal worden verlengd.

(2)

De arbeidsvoorwaarden van de voorzitter van de Europese Raad dienen te worden vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

1.   De bepalingen van Verordening nr. 422/67/EEG, 5/67/Euratom van de Raad van 25 juli 1967 die gelden voor de voorzitter van de Commissie, gelden naar analogie voor de voorzitter van de Europese Raad.

2.   Het maandelijkse basissalaris van de voorzitter van de Europese Raad stemt overeen met het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van 138 % op het basissalaris van een ambtenaar van de Europese Unie in rang 16, derde salaristrap.

Artikel 2

Dit besluit wordt door de voorzitter van de Raad ter kennis van de voorzitter van de Europese Raad gebracht.

Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 1 december 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

B. ASK


(1)  PB L 187 van 8.8.1967, blz. 1.


9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/36


BESLUIT VAN DE RAAD

van 1 december 2009

tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

(2009/910/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 243,

Gelet op Verordening nr. 422/67/EEG, 5/67/Euratom van de Raad van 25 juli 1967 tot vaststelling van de geldelijke regeling voor de voorzitter en de leden van de Commissie, de president, de rechters en de griffier van, alsmede de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, de president, de leden en de griffier van het Gerecht van eerste aanleg, alsmede de president, de leden en de griffier van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij het Verdrag van Lissabon wordt de functie van hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid ingesteld, die, overeenkomstig artikel 18 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie voert, de Raad Buitenlandse Zaken voorzit en een van de vicevoorzitters van de Commissie is.

(2)

De arbeidsvoorwaarden van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid moeten worden vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

1.   De bepalingen van Verordening nr. 422/67/EEG, 5/67/Euratom van de Raad van 25 juli 1967 die gelden voor de leden van de Commissie, met inbegrip van de bepalingen die gelden voor de vicevoorzitters van de Commissie, gelden naar analogie voor de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

2.   In afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 1, van Verordening nr. 422/67/EEG, 5/67/Euratom van de Raad van 25 juli 1967, stemt het maandelijkse basissalaris van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid overeen met het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van 130 % op het basissalaris van een ambtenaar van de Europese Unie in rang 16, salaristrap 3.

Artikel 2

Dit besluit wordt door de voorzitter van de Raad ter kennis van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid gebracht.

Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 1 december 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

B. ASK


(1)  PB L 187 van 8.8.1967, blz. 1.


9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/37


BESLUIT VAN DE RAAD

van 1 december 2009

houdende benoeming van de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie

(2009/911/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 240, lid 2, eerste alinea,

Overwegende dat de secretaris-generaal van de Raad moet worden benoemd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

De heer Pierre de BOISSIEU wordt benoemd tot secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie voor de periode van 1 december 2009 tot en met de dag na de vergadering van de Europese Raad van juni 2011.

Artikel 2

Dit besluit wordt door de voorzitter van de Raad ter kennis van de heer Pierre de BOISSIEU gebracht.

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 1 december 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

B. ASK


9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/38


BESLUIT VAN DE RAAD

van 1 december 2009

tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie

(2009/912/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 243,

Overwegende dat de arbeidsvoorwaarden voor de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie moeten worden vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie ontvangt een basissalaris dat overeenkomt met het basissalaris van een ambtenaar van de Europese Unie in rang 16, salaristrap 3, vermenigvuldigd met 100 %. Hij ontvangt de gezinstoelagen en toelagen van andere aard als bepaald in het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (1).

Hij heeft tevens recht op regelingen voor de vergoeding van kosten en voor sociale zekerheid, die naar analogie van de regelingen in het statuut worden vastgelegd, en artikel 17 van bijlage VII bij het statuut is naar analogie op hem van toepassing.

Artikel 2

Op de in de eerste alinea van artikel 1 genoemde bezoldiging wordt een door de Raad vastgesteld aanpassingscoëfficiënt toegepast overeenkomstig de artikelen 64 en 65 van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie voor de ambtenaren met standplaats België.

Artikel 3

De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie geniet een standplaatstoelage die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2290/77 van de Raad van 18 oktober 1977 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer (2), alsmede een pensioenregeling en een overbruggingstoelage in geval van beëindiging van de dienst, die naar analogie van het bepaalde in die verordening worden vastgesteld.

Artikel 4

Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/28 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen (3) is van toepassing op de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie.

Artikel 5

Behalve indien anderszins is voorzien in dit besluit, zijn de artikelen 11 tot en met 14 en artikel 17 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en alle relevante bepalingen van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, met uitzondering van artikel 52, van toepassing op de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie.

Artikel 6

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 december 2009.

Dit besluit wordt door de voorzitter van de Raad ter kennis van de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie gebracht.

Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 1 december 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

B. ASK


(1)  Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).

(2)  PB L 268 van 20.10.1977, blz. 1.

(3)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 8.


9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/39


BESLUIT IN ONDERLINGE OVEREENSTEMMING GENOMEN DOOR DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN

van 7 december 2009

betreffende de plaats van de zetel van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators

(2009/913/EU)

DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN,

Gelet op artikel 341 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (1) is besloten tot de oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators.

(2)

De plaats van de zetel van dit agentschap dient te worden vastgesteld,

BESLUITEN

Artikel 1

Het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators wordt gevestigd in Ljubljana.

Artikel 2

Dit besluit, dat in het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt, wordt van kracht op de datum waarop het wordt bekendgemaakt.

Gedaan te Brussel, 7 december 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

M. OLOFSSON


(1)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1.


Rectificaties

9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/40


Rectificatie van Beschikking 2009/442/EG van de Commissie van 5 juni 2009 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft toezicht en verslaglegging

( Publicatieblad van de Europese Unie L 148 van 11 juni 2009 )

Op de tweede bladzijde van de inhoudsopgave, op het einde van de titel van Beschikking 2009/442/EG van de Commissie, wordt de voetnootreferentie „(1)” geschrapt.

Op bladzijde 18 wordt de ondertitel „(Voor de EER relevante tekst)” geschrapt.


9.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/40


Rectificatie van Beschikking 2009/721/EG van de Commissie van 24 september 2009 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, (ELFPO) hebben verricht

( Publicatieblad van de Europese Unie L 257 van 30 september 2009 )

Bladzijde 37, bijlage, in de tabel „Begrotingspost 6711”, kolom „Maatregel”:

in plaats van:

„Plattelandsontwikkeling ELFPO As 2 (2007 DE06RPO 020)”,

te lezen:

„Plattelandsontwikkeling ELFPO As 2 (2007 DE06RPO 019)”.