ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.316.dut

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 316

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
2 december 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1121/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en V van die verordening ingestelde steunregelingen

27

 

*

Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector

65

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

2.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 316/1


VERORDENING (EG) Nr. 1120/2009 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2009

houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (1), en met name op artikel 36, artikel 39, lid 2, artikel 41, lid 4, artikel 43, lid 3, artikel 57, lid 2, artikel 68, lid 7, artikel 69, lid 6, eerste alinea, onder a), en lid 7, vierde alinea, artikel 71, lid 6, tweede alinea, en lid 10, artikel 142, onder c), d), f), g), h) en q), en de artikelen 147 en 148,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (2) is ingrijpend gewijzigd. Vervolgens is Verordening (EG) nr. 639/2009 van de Commissie van 22 juli 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft specifieke steun (3) vastgesteld. Aangezien verdere wijzigingen in Verordening (EG) nr. 795/2004 nodig zijn, moeten Verordening (EG) nr. 795/2004 en Verordening (EG) nr. 639/2009 duidelijkheidshalve worden opgenomen in één verordening met alle uitvoeringsbepalingen van titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009.

(2)

Omwille van de rechtszekerheid en duidelijkheid moeten bepaalde begrippen worden gedefinieerd. Wat hakhout met korte omlooptijd betreft, moet het de lidstaten worden toegestaan zelf te bepalen welke variëteiten klimatologisch en agronomisch gezien geschikt zijn voor het grondgebied.

(3)

In artikel 28 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is bepaald aan welke minimumvereisten moet worden voldaan, maar het is niet aangewezen om artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder b), toe te passen op landbouwers die in het kader van regelingen inzake gekoppelde steun nog rechtstreekse betalingen ontvangen zonder over hectaren te beschikken. Typische voorbeelden van dergelijke regelingen zijn de schapen- en geitenpremies, als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 10, van die verordening of de rund- en kalfsvleesbetalingen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 11, van die verordening. Deze landbouwers verkeren in dezelfde situatie als landbouwers die over bijzondere toeslagrechten beschikken; daarom moeten zij, teneinde een optimaal effect van genoemde regelingen te bewerkstelligen, voor de toepassing van artikel 28, lid 1, van die verordening op dezelfde wijze worden behandeld als landbouwers die over bijzondere toeslagrechten beschikken.

(4)

Om de waarde per eenheid van de toeslagrechten gemakkelijker te kunnen berekenen, dient te worden voorzien in duidelijke afrondingsregels en in de mogelijkheid om bestaande toeslagrechten op te splitsen wanneer het aangegeven of met het toeslagrecht overgedragen perceel niet meer dan een deel van een hectare bedraagt, alsmede in regels inzake de fusie van toeslagrechten en delen van toeslagrechten.

(5)

Op grond van artikel 51, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 mag de integratie van groenten en fruit in de bedrijfstoeslagregeling worden uitgesteld. Er moet worden voorzien in passende regels om dit uitstel mogelijk te maken. Met name mogen de lidstaten op grond van de derde alinea van die bepaling het ingevolge artikel 68 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad (4) genomen besluit herzien teneinde de integratie in de bedrijfstoeslagregeling te versnellen. Gezien artikel 38 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is het evenwel voor de toepassing van artikel 51, lid 1, derde alinea, van die verordening noodzakelijk dat de betrokken arealen in aanmerking komen voor de bedrijfstoeslagregeling. Derhalve moeten de lidstaten het op grond van artikel 51, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 genomen besluit kunnen herzien.

(6)

Er moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld voor het beheer van de nationale reserve.

(7)

Artikel 41, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorziet in de mogelijkheid om toeslagrechten uit de nationale reserve toe te wijzen. Het verdient aanbeveling regels voor de berekening van het aantal en de waarde van de op die manier toe te wijzen toeslagrechten vast te stellen. Om enige flexibiliteit te bieden aan de lidstaten, die de beste inschatting kunnen maken van de situatie van de landbouwers die een aanvraag voor dergelijke maatregelen indienen, mag het maximumaantal toe te wijzen toeslagrechten niet hoger zijn dan het aantal aangegeven hectaren, en mag de waarde ervan niet hoger zijn dan een op basis van objectieve criteria door de lidstaat vast te stellen bedrag.

(8)

In bepaalde omstandigheden kunnen landbouwers meer toeslagrechten hebben dan grond om deze te activeren, zulks als gevolg van het verstrijken van een verhuurcontract, waarbij ook te denken valt aan het gezamenlijk gebruik van een voederareaal. Derhalve moet een mechanisme worden ingevoerd om de steun voor de landbouwer te kunnen blijven garanderen door deze op de resterende beschikbare hectaren te concentreren. Om misbruik van het mechanisme te voorkomen, moet evenwel een aantal voorwaarden inzake de toegang tot dat mechanisme worden vastgesteld.

(9)

Krachtens Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt de nationale reserve gevuld met ongebruikte toeslagrechten of, op facultatieve basis, met inhoudingen op de verkoop van toeslagrechten of op verkooptransacties die hebben plaatsgevonden vóór een bepaalde datum die de lidstaten bij een verdere ontkoppeling moeten vaststellen. Er moet dan ook een datum worden vastgesteld waarna de ongebruikte toeslagrechten aan de nationale reserve vervallen.

(10)

Voor het geval een inhouding op de verkoop van toeslagrechten wordt toegepast, moeten maximumpercentages en criteria voor de toepassing ervan worden vastgesteld en worden gedifferentieerd om rekening te houden met de soorten overdrachten en over te dragen toeslagrechten Dergelijke inhoudingen mogen er echter niet toe leiden dat de overdracht van toeslagrechten ernstig wordt gehinderd of onmogelijk wordt. Bij regionale toepassing in het hybride model mag de inhouding echter niet van invloed zijn op de regionale basiswaarde van toeslagrechten, maar alleen op de bedragen die verband houden met de historische referenties.

(11)

Om het beheer van de nationale reserve te vergemakkelijken, dient te worden voorzien in de mogelijkheid deze op regionaal niveau te beheren, behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 41, lid 2, of in voorkomend geval artikel 41, lid 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009, waarin de lidstaten ertoe verplicht zijn toeslagrechten te verlenen.

(12)

In artikel 33, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 is bepaald dat in het kader van de bedrijfstoeslagregeling steun voor landbouwers beschikbaar moet worden gesteld via een toewijzing of overdracht van toeslagrechten. Om te voorkomen dat de juridische status van het bedrijf wordt gewijzigd om de regels inzake de normale overdracht van een bedrijf met de bijbehorende referentiebedragen te omzeilen, moeten voorwaarden worden gehanteerd voor een feitelijke of verwachte vererving, voor fusies en voor splitsingen.

(13)

Krachtens artikel 62, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 mag een landbouwer in een nieuwe lidstaat die de bedrijfstoeslagregeling heeft ingevoerd, zijn toeslagrechten alleen zonder grond overdragen indien hij in de zin van artikel 34 van die verordening ten minste 80 % van zijn toeslagrechten gedurende ten minste één kalenderjaar heeft gebruikt. Om rekening te houden met overdrachten van grond die hebben plaatsgevonden in de periode vóór de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, is het gerechtvaardigd de overdracht van een bedrijf of een deel ervan samen met de toekomstige toeslagrechten te beschouwen als een geldige overdracht van toeslagrechten met grond in de zin van artikel 43 van die verordening, mits wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden, en met name de voorwaarde dat de verkoper een aanvraag tot vaststelling van de toeslagrechten moet indienen, aangezien die verordening bepaalt dat alleen degenen die in de referentieperiode de betrokken rechtstreekse betaling hebben ontvangen, toegang dienen te krijgen tot de regeling.

(14)

Krachtens artikel 41, lid 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 mag de Commissie bijzondere situaties omschrijven die recht geven op de vaststelling van referentiebedragen voor bepaalde landbouwers die door een dergelijke situatie in de referentieperiode geen rechtstreekse betalingen of slechts een deel daarvan konden ontvangen. Het is derhalve dienstig die bijzondere situaties op te sommen en tevens regels vast te stellen om te voorkomen dat een landbouwer op grond van verschillende situaties toegewezen toeslagrechten cumuleert, waarbij de Commissie zich het recht voorbehoudt om zo nodig verdere gevallen aan de lijst toe te voegen. Bovendien moet de lidstaten de flexibiliteit worden geboden om het toe te wijzen referentiebedrag vast te stellen.

(15)

Lidstaten waar, overeenkomstig de nationale wetgeving of de gangbare praktijk, onder de definitie van langetermijnverhuur ook verhuur voor een periode van vijf jaar valt, dienen de toestemming te krijgen om deze kortere termijn toe te passen.

(16)

Er moet voor worden gezorgd dat, indien een landbouwer met pensioen gaat of overlijdt en hij schikkingen heeft getroffen om zijn bedrijf of een deel ervan over te dragen aan een familielid dat of andere erfgenaam die voornemens is de landbouwactiviteit op dit bedrijf voort te zetten, de overdracht van het bedrijf of het deel ervan vlot kan verlopen, met name wanneer de over te dragen grond tijdens de referentieperiode verhuurd was aan een derde persoon met dien verstande dat de mogelijkheid dat de erfgenaam de landbouwactiviteit zou voortzetten, werd opengelaten.

(17)

Landbouwers die investeringen hebben gedaan die tot een verhoging van de rechtstreekse betalingen hadden kunnen leiden als de bedrijfstoeslagregeling niet was ingevoerd of de relevante sector niet was ontkoppeld, moeten eveneens in aanmerking komen voor toeslagrechten. Er moeten specifieke regels worden vastgesteld voor de berekening van de toeslagrechten in het geval waarin een landbouwer reeds toeslagrechten in eigendom heeft of niet over hectaren beschikt. Evenzo zou een landbouwer die grond heeft gekocht of gehuurd of heeft deelgenomen aan nationale programma’s voor de omschakeling van productie waarbij hij in de referentieperiode voor die grond of productie in het kader van de bedrijfstoeslagregeling een relevante rechtstreekse betaling had kunnen ontvangen, niet over toeslagrechten beschikken hoewel hij die grond heeft verworven of aan die programma’s heeft deelgenomen om een landbouwactiviteit uit te oefenen die in de toekomst nog steeds voor bepaalde rechtstreekse betalingen in aanmerking zou kunnen komen. Het dient derhalve mogelijk te zijn om ook in dergelijke gevallen toeslagrechten toe te wijzen.

(18)

Voor een goed beheer van de regeling moeten regels worden vastgesteld voor overdrachten en voor wijzigingen in toeslagrechten, en met name de fusie van delen van toeslagrechten.

(19)

Krachtens artikel 43, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 mag een lidstaat beslissen dat toeslagrechten alleen binnen eenzelfde regio mogen worden overgedragen of gebruikt. Om praktische problemen te voorkomen, moeten specifieke regels worden vastgesteld voor bedrijven die in twee of meer regio’s liggen.

(20)

Krachtens artikel 39 van Verordening (EG) nr. 73/2009 mag onder bepaalde voorwaarden hennep worden geproduceerd. In dit verband moet de lijst van toegestane rassen worden vastgesteld en moet voor de certificering van die rassen worden gezorgd.

(21)

Met het oog op de vaststelling van bijzondere toeslagrechten moeten specifieke regels worden vastgesteld voor de berekening van de grootvee-eenheden, waarbij moet worden verwezen naar de omrekeningstabel die geldt voor de rundvleessector en de schapen- en geitensector.

(22)

Voor het geval dat lidstaten besluiten gebruik te maken van de mogelijkheid de bedrijfstoeslagregeling te regionaliseren, moeten er specifieke bepalingen worden vastgesteld om de berekening van het regionale referentiebedrag voor bedrijven die in twee of meer regio’s liggen, te vergemakkelijken, en om te garanderen dat het regionale bedrag in het eerste jaar van toepassing van de regeling volledig wordt toegewezen. Een aantal bepalingen van deze verordening, met name die inzake de vorming van de nationale reserve, de aanvankelijke toewijzing van toeslagrechten en de overdracht van toeslagrechten, moet met het oog op de toepassing ervan in het regionale model worden aangepast.

(23)

Er moet een gemeenschappelijk kader worden geschapen voor specifieke oplossingen voor bepaalde situaties die bij een verdere ontkoppeling ontstaan.

(24)

Titel III, hoofdstuk 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorziet in specifieke steun voor landbouwers. Het is dienstig uitvoeringsbepalingen voor dat hoofdstuk vast te stellen.

(25)

Overeenkomstig artikel 68, lid 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009 moet de uit hoofde van dit artikel verleende specifieke steun in overeenstemming zijn met andere communautaire steunmaatregelen of uit staatssteun gefinancierde maatregelen. Om een overzichtelijk beheer van de regelingen te garanderen, moet dubbele financiering van dergelijke maatregelen uit hoofde van zowel de specifieke steun als andere communautaire steunregelingen worden uitgesloten. Gelet op de diverse mogelijkheden voor de tenuitvoerlegging van de specifieke steun is het de taak van de lidstaten om de samenhang te garanderen overeenkomstig hun besluit tot tenuitvoerlegging van de specifieke steunmaatregelen binnen het bij Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde kader en in overeenstemming met de bij die verordening vastgestelde voorwaarden.

(26)

Aangezien landbouwers steeds verplicht zijn de wettelijke voorschriften na te leven, mag de specifieke steun niet dienen om hen te compenseren voor de nakoming van deze verplichting.

(27)

Krachtens artikel 68, lid 1, onder a), i), van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan specifieke steun worden verleend voor specifieke soorten landbouw die belangrijk zijn voor de bescherming of de verbetering van het milieu. Teneinde de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten te handhaven en tevens te garanderen dat de maatregelen goed worden beheerd, dient het aan de lidstaten te worden overgelaten om de specifieke soorten landbouw vast te stellen, waarbij de maatregelen evenwel niet te verwaarlozen en meetbare milieuvoordelen moeten inhouden.

(28)

Krachtens artikel 68, lid 1, onder a), ii), van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan specifieke steun worden verleend voor de verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten. Als hulp voor de lidstaten dient een indicatieve lijst van te vervullen voorwaarden te worden vastgesteld.

(29)

Krachtens artikel 68, lid 1, onder a), iii), van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan specifieke steun worden verleend voor het verbeteren van de afzet van landbouwproducten, met inachtneming van artikel 68, lid 2, onder c), van die verordening op grond waarvan moet worden voldaan aan de in de artikelen 2 tot en met 5 van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (5) vastgestelde criteria. Het is dienstig de inhoud van de subsidiabele maatregelen te preciseren, alsook de toepasselijke bepalingen van Verordening (EG) nr. 501/2008 van de Commissie van 5 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (6).

(30)

Krachtens artikel 68, lid 1, onder a), iv), van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan specifieke steun worden verleend voor de toepassing van aangescherpte dierenwelzijnsnormen. Om aangescherpte dierenwelzijnsnormen te bereiken, dient te worden bepaald dat de lidstaten een regeling moeten invoeren aan de hand waarvan de plannen van de aanvragers op diverse dierenwelzijnsaspecten kunnen worden beoordeeld.

(31)

Krachtens artikel 68, lid 1, onder a), v), van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan specifieke steun worden verleend voor specifieke landbouwactiviteiten die meerwaarde voor het landbouwmilieu opleveren. Overeenkomstig artikel 68, lid 2, onder a), mag de steun worden verleend voor zover deze door de Commissie is goedgekeurd. Derhalve dient een gedetailleerd kader te worden vastgesteld waaraan de lidstaten moeten voldoen bij de vaststelling van de subsidiabiliteitscriteria voor de steun. Voorts dient de procedure voor de aanmelding, de beoordeling en de goedkeuring van de maatregel door de Commissie te worden vastgesteld.

(32)

Krachtens artikel 68, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan specifieke steun worden verleend om de specifieke nadelen te verhelpen waarmee landbouwers in specifieke sectoren, die actief zijn in economisch of ecologisch kwetsbare gebieden, worden geconfronteerd, of voor economisch kwetsbare soorten landbouw in deze sectoren. Teneinde ervoor te zorgen dat de lidstaten over de nodige discretionaire bevoegdheid beschikken om de maatregelen goed te beheren, dient de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de voor steun in aanmerking komende gebieden en/of soorten landbouw en de vaststelling van het passende niveau aan de lidstaten te worden toegewezen. Teneinde verstoring van de markt te voorkomen, is het dienstig dat de betalingen niet gebaseerd zijn op schommelingen van de marktprijzen en niet gelijk te stellen zijn met een systeem van variabele inkomenstoeslagen waarbij de lidstaten de landbouwers nationale landbouwsteun betalen op basis van het verschil tussen een richtprijs en de prijs op de interne markt.

(33)

Krachtens artikel 68, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan specifieke steun worden verleend in gebieden waar herstructurerings- en ontwikkelingsprogramma’s lopen om te voorkomen dat het land wordt verlaten, en/of om landbouwers te compenseren voor specifieke nadelen in die gebieden. Met name is het dienstig te voorzien in bepalingen betreffende de vaststelling van referentiebedragen per voor steun in aanmerking komende landbouwer, de toewijzing van toeslagrechten en de berekening van de verhoging van de waarde ervan, alsook in bepalingen betreffende de controle van de programma’s door de lidstaten, die met het oog op coherentie in overeenstemming moeten zijn met die welke voor de toewijzing van bedragen uit de nationale reserve zijn vastgesteld.

(34)

Krachtens artikel 68, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan specifieke steun worden verleend in de vorm van bijdragen aan oogst-, dier- en plantverzekeringspremies. Er dient een minimumkader te worden vastgesteld waarbinnen de lidstaten, overeenkomstig hun nationale wetgeving, voorschriften vaststellen betreffende de wijze waarop de financiële bijdrage aan oogst-, dier- en plantverzekeringspremies wordt toegewezen teneinde een passend niveau van de bijdragen te handhaven en tevens de belangen van de landbouwgemeenschap te vrijwaren.

(35)

In artikel 68, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 73/2009 is voorzien in bepalingen inzake specifieke steun ter compensatie van landbouwers voor bepaalde economische verliezen ten gevolge van dier- of plantenziekten en milieuongevallen, in de vorm van financiële bijdragen aan onderlinge fondsen. Er dient een minimumkader te worden vastgesteld waarbinnen de lidstaten, overeenkomstig hun nationale wetgeving, voorschriften vaststellen waarin wordt bepaald hoe de financiële bijdrage aan onderlinge fondsen wordt toegewezen teneinde een passend niveau van de bijdragen te handhaven en tevens de belangen van de landbouwgemeenschap te vrijwaren.

(36)

De in artikel 69, lid 6, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bedragen worden door de Commissie overeenkomstig lid 7 van dat artikel berekend. Derhalve dienen voor elke lidstaat de betrokken bedragen te worden vastgesteld, alsook de voorwaarden voor de herziening van deze bedragen door de Commissie.

(37)

Krachtens artikel 46 van Verordening (EG) nr. 73/2009 moeten de lidstaten de regio’s definiëren op basis van objectieve criteria, en in artikel 47 van die verordening is bepaald dat de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen en op basis van objectieve criteria de bedrijfstoeslagregeling mogen regionaliseren. Daarom moeten vóór het aflopen van de toepasselijke termijnen alle nodige gegevens en informatie worden verstrekt.

(38)

Er moeten data voor de kennisgeving aan de Commissie worden vastgesteld voor gevallen waarin een lidstaat besluit gebruik te maken van een van de mogelijkheden die geboden worden in artikel 28, leden 1 en 2, artikel 38, artikel 41, leden 2 tot en met 5, artikel 45, leden 1 en 3, artikel 46, leden 1 en 3, artikel 47, leden 1 tot en met 4, artikel 49, artikel 51, lid 1, artikel 67, lid 1, de artikelen 68 tot en met 72 en artikel 136 van Verordening (EG) nr. 73/2009.

(39)

Om de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling te kunnen beoordelen, moeten de uitvoeringsbepalingen en termijnen voor de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de lidstaten worden vastgesteld en moet de Commissie op de hoogte worden gebracht van de oppervlakten waarvoor op nationaal en, in voorkomend geval, regionaal niveau steun is uitbetaald.

(40)

De Verordeningen (EG) nr. 795/2004 en (EG) nr. 639/2009 dienen daarom te worden ingetrokken.

(41)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

Bij deze verordening worden bepalingen vastgesteld ter uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien in titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 en van de onderhavige verordening wordt verstaan onder:

a)

„bouwland”: voor de teelt van gewassen gebruikte grond of grond die overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 73/2009 in een goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden, ongeacht of die grond zich al dan niet onder een kas of onder een vaste of verplaatsbare beschutting bevindt;

b)

„blijvende teelten”: niet in de vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, andere dan blijvend grasland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren, met inbegrip van boomkwekerijgewassen (kwekerijproducten) en van hakhout met korte omlooptijd;

c)

„blijvend grasland”: grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf werd opgenomen, met uitzondering van de overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad (7) braakgelegde oppervlakten, de overeenkomstig de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad (8) braakgelegde oppervlakten en de overeenkomstig artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (9) braakgelegde oppervlakten; in dit verband wordt onder „grassen of andere kruidachtige voedergewassen” verstaan: alle kruidachtige planten die in de lidstaat traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen (ongeacht of het betrokken grasland al dan niet voor het weiden van dieren wordt gebruikt). De lidstaten kunnen de in bijlage I genoemde akkerbouwgewassen ertoe rekenen;

d)

„grasland”: voor de productie van (ingezaaid of natuurlijk) gras gebruikt bouwland; voor de toepassing van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 73/2009 omvat grasland mede blijvend grasland;

e)

„verkoop”: de verkoop of elke andere definitieve overdracht van de eigendom van grond of toeslagrechten; grondverkooptransacties waarbij de grond wordt overgedragen aan openbare autoriteiten en/of voor gebruik in het algemeen belang, en waarbij die overdracht plaatsvindt voor andere dan landbouwdoeleinden, vallen daar niet onder;

f)

„(ver)huur”: (ver)huur en daarmee vergelijkbare soorten tijdelijke transacties;

g)

„overdracht, verkoop of verhuur van toeslagrechten met grond”: (onverminderd artikel 27, lid 1, van de onderhavige verordening) de verkoop of verhuur van toeslagrechten in combinatie met, respectievelijk, de verkoop of verhuur over dezelfde periode van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren in de zin van artikel 34 van Verordening (EG) nr. 73/2009, waarover de cedent beschikt. De overdracht van alle bijzondere toeslagrechten in de zin van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 73/2009 waarover de landbouwer beschikt, wordt beschouwd als een overdracht van toeslagrechten met grond;

h)

„fusie”: de fusie van twee of meer aparte landbouwers tot één nieuwe landbouwer in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 waarvoor de verantwoordelijkheid op het gebied van beheer, winst en financiële risico’s wordt genomen door de landbouwers die oorspronkelijk de bedrijven beheerden, of door één van hen;

i)

„splitsing”:

i)

de splitsing van één landbouwer in ten minste twee nieuwe, aparte landbouwers in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 waarvan er ten minste één op het gebied van beheer, winst en financiële risico’s onder de verantwoordelijkheid blijft van ten minste één van de rechts- of natuurlijke personen die oorspronkelijk het bedrijf beheerden, of

ii)

de splitsing van één landbouwer waarbij ten minste één nieuwe, aparte landbouwer in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 ontstaat en waarbij een andere landbouwer op het gebied van beheer, winst en financiële risico’s onder de verantwoordelijkheid blijft van de landbouwer die oorspronkelijk het bedrijf beheerde;

j)

„productie-eenheid”: ten minste één areaal dat in de relevante referentieperiode recht heeft gegeven op rechtstreekse betalingen en dat ook een voederareaal kan zijn, of één dier dat in de referentieperiode recht zou hebben gegeven op rechtstreekse betalingen, in voorkomend geval vergezeld van een overeenkomstig premierecht;

k)

„voederareaal”: de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele kalenderjaar voor de veehouderij beschikbaar was, met inbegrip van het gezamenlijk gebruikte areaal en de percelen die voor gemengde teelten werden gebruikt; daaronder vallen niet:

gebouwen, bossen, vijvers en wegen,

oppervlakten die werden gebruikt voor andere gewassen die voor communautaire steun in aanmerking kwamen, of voor blijvende teelten of tuinbouw,

oppervlakten die in aanmerking kwamen in het kader van de steunregeling voor landbouwers die bepaalde akkerbouwgewassen verbouwen, werden gebruikt in het kader van de steunregeling voor gedroogde voedergewassen of onder een nationaal braakleggingsprogramma vielen;

l)

„landbouwers die met hun landbouwactiviteiten beginnen” (voor de toepassing van artikel 41, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009): een natuurlijke of rechtspersoon die in de vijf jaar voorafgaand aan het opstarten van de nieuwe landbouwactiviteit geen landbouwactiviteit heeft verricht in eigen naam en voor eigen risico en evenmin de controle heeft gehad over een rechtspersoon die een landbouwactiviteit ontplooide.

In het geval van een rechtspersoon mag (mogen) de natuurlijke persoon (personen) die de controle over de rechtspersoon heeft (hebben), in de vijf jaar voorafgaand aan het opstarten van de landbouwactiviteit door de rechtspersoon geen landbouwactiviteit hebben verricht in eigen naam en voor eigen risico en ook niet de controle hebben gehad over een rechtspersoon die een landbouwactiviteit uitoefende in die periode;

m)

„boomkwekerijgewassen (kwekerijproducten)”: die welke zijn gedefinieerd in punt G/5 van bijlage I bij Beschikking 2000/115/EG van de Commissie (10);

n)

„hakhout met korte omlooptijd”: oppervlakten beplant met de boomsoorten van GN-code 0602 90 41, bestaande uit blijvende houtgewassen waarvan de wortelstokken of stelen na de oogst in de grond blijven, die in het daaropvolgende seizoen nieuwe scheuten vormen en die opgenomen zijn in een door de lidstaten met ingang van 2010 op te stellen lijst waarin de voor gebruik als hakhout met korte omlooptijd geschikte soorten en de maximale omlooptijd ervan worden vermeld;

o)

„specifieke steunmaatregelen”: maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de in artikel 68, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde specifieke steun;

p)

„andere communautaire steuninstrumenten”:

i)

maatregelen als bedoeld in de Verordeningen (EG) nr. 1698/2005, (EG) nr. 509/2006 (11), (EG) nr. 510/2006 (12), (EG) nr. 834/2007 (13), (EG) nr. 1234/2007 (14) en (EG) nr. 3/2008 van de Raad, en

ii)

maatregelen die worden gefinancierd uit het Europees Landbouwgarantiefonds uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad (15), met inbegrip van veterinaire en fytosanitaire maatregelen.

TITEL II

UITVOERING

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Afdeling 1

Activering van toeslagrechten en subsidiabiliteit van grond

Artikel 3

Feitelijke en verwachte vererving

1.   Indien een feitelijke of verwachte vererving van invloed is op de toewijzing van toeslagrechten, verzoekt de landbouwer die het bedrijf of het deel van een bedrijf heeft ontvangen, in zijn naam om berekening van de toeslagrechten voor dat bedrijf of dat deel van een bedrijf.

Het referentiebedrag wordt vastgesteld op basis van de geërfde productie-eenheden.

2.   In gevallen van herroepbare verwachte vererving kan de aangewezen erfgenaam slechts eenmaal, uiterlijk op de datum voor indiening van een aanvraag tot betaling in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, toegang krijgen tot de bedrijfstoeslagregeling.

Gevallen waarin sprake is van overdracht in het kader van een huurcontract of van feitelijke of verwachte vererving van een landbouwer die een natuurlijke persoon is en tijdens de desbetreffende referentieperiode een bedrijf of een deel ervan huurde, wat recht zou geven op toeslagrechten of op een verhoging van de waarde van toeslagrechten, worden op dezelfde manier behandeld als vererving van een bedrijf.

3.   Indien een landbouwer als bedoeld in lid 1 reeds recht heeft op toeslagrechten of op een verhoging van de waarde van toeslagrechten, wordt het referentiebedrag vastgesteld op basis van, respectievelijk, de som van de referentiebedragen die verband houden met zijn oorspronkelijke bedrijf, en de geërfde productie-eenheden.

4.   Voor de toepassing van deze verordening wordt uitgegaan van de definitie in de nationale wetgeving van „feitelijke vererving” en van „verwachte vererving”.

Artikel 4

Wijzigingen in juridische status of benaming

Bij wijzigingen in juridische status of benaming krijgt een landbouwer onder dezelfde omstandigheden toegang tot de bedrijfstoeslagregeling als de landbouwer die het bedrijf oorspronkelijk beheerde, binnen de grenzen van de toeslagrechten waarover het oorspronkelijke bedrijf beschikte, of — bij toewijzing van toeslagrechten of een verhoging van de waarde van toeslagrechten — binnen de grenzen die golden voor toewijzingen aan het oorspronkelijke bedrijf.

Indien de juridische status van de rechtspersoon verandert, of de natuurlijke persoon een rechtspersoon wordt of omgekeerd, is de landbouwer die het nieuwe bedrijf beheert, de landbouwer die op het gebied van beheer, winst en financiële risico’s de controle had over het oorspronkelijke bedrijf.

Artikel 5

Fusies en splitsingen

Indien een fusie of splitsing van invloed is op de toewijzing van toeslagrechten of leidt tot een verhoging van de waarde van toeslagrechten, krijgt/krijgen de landbouwer/landbouwers die het nieuwe bedrijf/de nieuwe bedrijven beheert/beheren, toegang tot de bedrijfstoeslagregeling onder dezelfde voorwaarde als de landbouwer/landbouwers die het oorspronkelijke bedrijf/de oorspronkelijke bedrijven beheerde/beheerden.

Het referentiebedrag wordt vastgesteld op basis van de productie-eenheden die verband houden met het oorspronkelijke bedrijf of de oorspronkelijke bedrijven.

Artikel 6

Minimumvereisten

Voor de toepassing van artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden landbouwers die de schapen- of geitenpremies als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 10, van die verordening of de rund- of kalfsvleesbetalingen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 11, van die verordening ontvangen en die over minder hectaren beschikken dan de door de desbetreffende lidstaat gekozen drempel, op dezelfde wijze behandeld als landbouwers die over bijzondere toeslagrechten beschikken als genoemd in artikel 44, lid 1, van die verordening.

Artikel 7

Berekening van de waarde per eenheid van de toeslagrechten

1.   Toeslagrechten worden tot op drie decimalen nauwkeurig berekend en naar boven of naar beneden afgerond tot op het dichtstbijzijnde tweede decimaal. Indien het resultaat van de berekening precies halverwege ligt, wordt het bedrag naar boven afgerond tot op het dichtstbijzijnde tweede decimaal.

2.   Indien de oppervlakte van een perceel dat overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 73/2009 met een toeslagrecht wordt overgedragen, een deel van een hectare bedraagt, mag de landbouwer het benodigde deel van het betrokken toeslagrecht samen met de grond overdragen tegen een waarde die wordt berekend op basis van het betrokken deel. Het resterende deel van het toeslagrecht blijft ter beschikking van de landbouwer tegen een dienovereenkomstig berekende waarde.

Onverminderd artikel 43, lid 2, van die verordening wordt, als een landbouwer een deel van een toeslagrecht overdraagt zonder grond, de waarde van de twee delen proportioneel berekend.

3.   De lidstaten kunnen toeslagrechten wijzigen middels een fusie van delen van dezelfde soort toeslagrechten die een landbouwer in eigendom heeft. Lid 1 is van toepassing op het resultaat van een dergelijke fusie.

Artikel 8

Aangifte en gebruik van toeslagrechten

1.   De toeslagrechten mogen slechts eenmaal per jaar ter verkrijging van de bedrijfstoeslag worden aangegeven door de landbouwer die over deze toeslagrechten beschikt op de uiterste datum waarop overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie (16) de verzamelaanvraag moet worden ingediend.

Een landbouwer die gebruikmaakt van de mogelijkheid de verzamelaanvraag overeenkomstig artikel 14 van die verordening te wijzigen, mag echter ook toeslagrechten aangeven waarover hij beschikt op de datum waarop hij de wijzigingen aan de bevoegde autoriteit meedeelt, mits de betrokken toeslagrechten niet door een andere landbouwer voor hetzelfde jaar worden aangegeven.

Wanneer de landbouwer de betrokken toeslagrechten via overdracht van een andere landbouwer verkrijgt en die andere landbouwer die toeslagrechten reeds had aangegeven, is de aanvullende aangifte van die toeslagrechten slechts ontvankelijk indien de cedent de bevoegde autoriteit reeds overeenkomstig artikel 12 van de onderhavige verordening in kennis heeft gesteld van de overdracht en hij die toeslagrechten binnen de in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 gestelde toepasselijke termijnen uit zijn eigen verzamelaanvraag laat schrappen.

2.   Indien een landbouwer, nadat hij de percelen die overeenstemmen met al zijn beschikbare gehele toeslagrechten overeenkomstig artikel 35, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 heeft aangegeven, nog over een perceel beschikt dat een deel van een hectare bedraagt, mag hij daarnaast nog een geheel toeslagrecht aangeven dat recht geeft op een naar evenredigheid van de oppervlakte van dat perceel berekende betaling. Voor de toepassing van artikel 42 van die verordening wordt het toeslagrecht evenwel als volledig gebruikt beschouwd.

Artikel 9

Overwegend gebruik voor landbouwdoeleinden

Voor de toepassing van artikel 34, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt landbouwgrond van een bedrijf die ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, aangemerkt als overwegend voor landbouwdoeleinden gebruikte grond indien het uitoefenen van de landbouwactiviteit geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten.

De lidstaten stellen de criteria vast voor de toepassing van het bepaalde in de eerste alinea op hun grondgebied.

Afdeling 2

Specifieke subsidiabiliteitscriteria

Artikel 10

Hennepproductie

Met het oog op de toepassing van artikel 39 van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden slechts toeslagrechten betaald voor henneparealen die zijn ingezaaid met zaad van de rassen uit de overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad (17) gepubliceerde gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen die geldt op 15 maart van het jaar waarvoor de betaling wordt verleend, behalve wanneer het de rassen Finola en Tiborszallasi betreft. Het zaad is gecertificeerd overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad (18).

Artikel 11

Uitgestelde integratie van groenten en fruit in de bedrijfstoeslagregeling

1.   Tot en met 31 december 2010 kunnen de lidstaten die gebruik hebben gemaakt van een van de in artikel 51, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde mogelijkheden, besluiten secundaire teelten toe te laten op de subsidiabele hectaren gedurende een periode van ten hoogste drie maanden die elk jaar op 15 augustus of op de in bijlage II voor de betrokken lidstaat en regio genoemde datum begint.

2.   Wanneer de lidstaten gebruik hebben gemaakt van een van de in artikel 51, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde mogelijkheden, kan hij binnen twee weken na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening zo nodig het besluit herzien dat uit hoofde van artikel 51, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is genomen.

Afdeling 3

Overdracht van toeslagrechten

Artikel 12

Overdracht van toeslagrechten

1.   Toeslagrechten mogen op elk moment van het jaar worden overgedragen.

2.   De cedent stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de overdracht haar beslag zal krijgen, binnen een door die lidstaat te bepalen termijn daarvan in kennis.

3.   Een lidstaat mag eisen dat de cedent de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de overdracht haar beslag zal krijgen, in kennis stelt van de overdracht binnen een door die lidstaat te bepalen termijn, maar niet vroeger dan zes weken vóór de overdracht en met inachtneming van de uiterste datum voor indiening van een aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling. De overdracht vindt plaats zoals in de kennisgeving is vermeld, tenzij de bevoegde autoriteit bezwaar maakt tegen de overdracht en zij de cedent daarvan binnen de bovenbedoelde termijn in kennis stelt.

De bevoegde autoriteit mag alleen bezwaar maken tegen een overdracht die niet in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 73/2009 en met de onderhavige verordening.

4.   Voor de toepassing van artikel 62, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt het door de landbouwer gebruikte percentage van de toeslagrechten berekend ten opzichte van het aantal in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling aan hem toegewezen toeslagrechten met uitzondering van de samen met grond verkochte toeslagrechten en moet dit percentage gedurende één kalenderjaar zijn gebruikt.

Artikel 13

Regionale begrenzing

1.   Onverminderd artikel 50, lid 1, en artikel 62, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 definiëren lidstaten die gebruikmaken van de bij artikel 43, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid, de regio op het passende territoriale niveau, uitgaande van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen.

2.   De lidstaat definieert de in lid 1 bedoelde regio uiterlijk één maand vóór de overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EG) nr. 73/2009 door de lidstaat vastgestelde datum, en wel in het eerste jaar van toepassing van de in artikel 43, lid 1, derde alinea, van die verordening genoemde mogelijkheid.

Het is een landbouwer wiens bedrijf zich in de betrokken regio bevindt, niet toegestaan om zijn toeslagrechten die overeenstemmen met het aantal hectaren dat hij in het eerste jaar van toepassing van de in artikel 46, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vermelde mogelijkheid heeft aangegeven, of dat hij in het eerste jaar van toepassing van de in artikel 43, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vermelde mogelijkheid aangeeft, buiten die regio over te dragen of te gebruiken.

Het is een landbouwer wiens bedrijf zich gedeeltelijk in de betrokken regio bevindt, niet toegestaan om zijn toeslagrechten die overeenstemmen met het aantal in die regio gelegen hectaren dat hij in het eerste jaar van toepassing van de genoemde mogelijkheid aangeeft, buiten die regio over te dragen of te gebruiken.

3.   De in artikel 43, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde beperking op de overdracht van toeslagrechten is niet van toepassing op een feitelijke of verwachte vererving van toeslagrechten zonder een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren.

Afdeling 4

Bijzondere toeslagrechten

Artikel 14

Berekening van grootvee-eenheden voor bijzondere toeslagrechten

1.   Voor de toepassing van artikel 44, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn de tijdens de referentieperiode uitgeoefende en in grootvee-eenheden (GVE) uitgedrukte landbouwactiviteiten die welke overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 795/2004 zijn berekend.

2.   Voor de toepassing van artikel 65 van Verordening (EG) nr. 73/2009 en voor de berekening van de gedurende de toepassing van de artikelen 67 en 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 uitgeoefende en in GVE uitgedrukte landbouwactiviteiten, als bedoeld in artikel 44, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt de volgende omrekeningstabel toegepast op het gemiddelde aantal dieren dat is vastgesteld met het oog op de verlening van een in de artikelen 67 en 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde rechtstreekse betaling in de desbetreffende referentieperiode:

Mannelijke runderen en vaarzen ouder dan 24 maanden, zoogkoeien, melkkoeien

1,0 GVE

Mannelijke runderen en vaarzen van zes maanden tot 24 maanden

0,6 GVE

Mannelijke en vrouwelijke runderen van minder dan zes maanden

0,2 GVE

Schapen

0,15 GVE

Geiten

0,15 GVE

Gaat het om de slachtpremie en zijn de vereiste gegevens over de leeftijd van de dieren niet beschikbaar, dan mag de lidstaat voor de omrekening van stieren, ossen, koeien en vaarzen in GVE de coëfficiënt 0,7 gebruiken, en voor kalveren de coëfficiënt 0,25.

Voor een dier waarvoor verschillende premies zijn betaald, wordt een coëfficiënt toegepast die het gemiddelde is van de voor die verschillende premies geldende coëfficiënten.

3.   Het aantal GVE als bedoeld in de leden 1 en 2, wordt berekend naar evenredigheid van de toeslagrechten waarvoor de landbouwer in het jaar van integratie van de regeling inzake gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling of van uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling geen hectaren bezit en waarvoor hij om toewijzing van de aan speciale voorwaarden onderworpen toeslagrechten verzoekt. Het wordt toegepast te beginnen met de toeslagrechten met de laagste waarde.

Dit verzoek wordt alleen gedaan in het eerste jaar van integratie van de regeling inzake gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling of van uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling. De datum voor de indiening van het verzoek wordt door de lidstaat vastgesteld. Het verzoek mag in de daaropvolgende jaren worden hernieuwd voor hetzelfde aantal in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bijzondere toeslagrechten als het aantal in het voorgaande jaar, of voor het overgebleven deel van die toeslagrechten ingeval een aantal van die toeslagrechten is overgedragen of ingeval een aantal van die toeslagrechten met een overeenkomstig aantal hectaren wordt aangegeven.

In die gevallen wordt het aantal GVE opnieuw berekend naar evenredigheid van de overgebleven toeslagrechten waarvoor de landbouwer om toepassing van de speciale voorwaarden verzoekt.

Als toeslagrechten eenmaal met een overeenkomstig aantal hectaren zijn aangegeven of zijn overgedragen, kan voor die toeslagrechten geen verzoek tot herstel van de in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde voorwaarden worden ingediend, onverminderd artikel 44, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

4.   Om toe te zien op de naleving van de in GVE uitgedrukte minimale landbouwactiviteit, bepalen de lidstaten aan de hand van de omrekeningstabel van lid 2 het aantal dieren overeenkomstig één van de volgende methoden:

a)

de lidstaten verzoeken elke producent om op basis van zijn bedrijfsregister, vóór een door de lidstaten te bepalen datum, maar niet later dan de betalingsdatum, het aantal GVE aan te geven, en/of

b)

de lidstaten maken voor de bepaling van het aantal GVE gebruik van het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad (19) opgezette gecomputeriseerde gegevensbestand, op voorwaarde dat de lidstaten hebben vastgesteld dat dit gegevensbestand met het oog op de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling voldoende garanties biedt inzake de juistheid van de erin opgeslagen gegevens.

5.   Aan de eis inzake de minimale landbouwactiviteit wordt geacht te zijn voldaan, indien het aantal GVE tijdens een door de lidstaten te bepalen periode of op door de lidstaten vast te stellen data 50 % bereikt. Alle tijdens het betrokken kalenderjaar verkochte of geslachte dieren worden in aanmerking genomen.

6.   De lidstaten moeten de maatregelen treffen die nodig zijn om artikel 30 van Verordening (EG) nr. 73/2009 toe te passen op producenten die, door middel van abnormaal hoge GVE-aantallen tijdens een deel van het jaar, op kunstmatige wijze de voorwaarden creëren om aan de eis inzake de minimale landbouwactiviteit te voldoen.

HOOFDSTUK 2

Nationale reserve

Afdeling 1

Toevoeging aan de nationale reserve

Artikel 15

Ongebruikte toeslagrechten

1.   Behalve bij overmacht of in uitzonderlijke omstandigheden worden ongebruikte toeslagrechten geacht aan de nationale reserve te zijn vervallen op de dag na de uiterste datum voor wijziging van de aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, in het kalenderjaar waarin de in artikel 28, lid 3, en artikel 42 van Verordening (EG) nr. 73/2009 vermelde periode verstrijkt.

Een toeslagrecht wordt als ongebruikt beschouwd wanneer daarvoor tijdens de in de eerste alinea bedoelde periode geen betaling is verleend. Toeslagrechten waarvoor een aanvraag is ingediend en die gepaard gaan met een geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 2, punt 23, van Verordening (EG) nr. 1122/2009, worden als gebruikt beschouwd.

Indien de voor de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling geconstateerde oppervlakte kleiner is dan de aangegeven oppervlakte, geldt het volgende om uit te maken welke van de toeslagrechten overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EG) nr. 73/2009 moeten worden toegevoegd aan de nationale reserve:

a)

de geconstateerde oppervlakte wordt in aanmerking genomen te beginnen met de toeslagrechten met de hoogste waarde;

b)

eerst worden de toeslagrechten met de hoogste waarde toegewezen aan die oppervlakte en vervolgens vindt toewijzing plaats in dalende volgorde van de waarde.

2.   Landbouwers mogen vrijwillig toeslagrechten aan de nationale reserve afstaan.

Artikel 16

Inhoudingen op de verkoop van toeslagrechten

1.   Lidstaten die gebruikmaken van de bij artikel 43, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid, kunnen besluiten aan de nationale reserve te laten vervallen:

a)

bij verkoop van toeslagrechten zonder grond: maximaal 30 % van de waarde van elk toeslagrecht of het gelijkwaardige, in aantal toeslagrechten uitgedrukte bedrag. Gedurende de eerste drie jaar waarin de bedrijfstoeslagregeling wordt toegepast, mag dit echter 50 % zijn in plaats van 30 %, en/of

b)

bij verkoop van toeslagrechten met grond: maximaal 10 % van de waarde van elk toeslagrecht of het gelijkwaardige, in aantal toeslagrechten uitgedrukte bedrag, en/of

c)

bij verkoop van toeslagrechten met een volledig bedrijf: maximaal 5 % van de waarde van elk toeslagrecht en/of het gelijkwaardige, in aantal toeslagrechten uitgedrukte bedrag.

Bij verkoop van toeslagrechten met of zonder grond aan een landbouwer die met zijn landbouwactiviteiten begint, en bij feitelijke of verwachte vererving van toeslagrechten, wordt geen inhouding toegepast.

2.   Bij de vaststelling van de in lid 1 vermelde percentages mogen de lidstaten in elk van de in lid 1, onder a), b) en c), vermelde gevallen het percentage differentiëren op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen.

3.   Indien een lidstaat die de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig artikel 59, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 heeft geregionaliseerd of gebruikmaakt van de bij artikel 48, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid, beslist om gebruik te maken van de bij artikel 43, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid, zijn de in de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel vastgestelde verlagingspercentages van toepassing, nadat een vrijstelling die gelijk is aan de overeenkomstig artikel 59, lid 2 of lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of overeenkomstig artikel 46, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 berekende regionale waarde per eenheid, in mindering is gebracht op de waarde van de toeslagrechten.

Afdeling 2

Toewijzing van uit de nationale reserve afkomstige toeslagrechten

Artikel 17

Vaststelling van toeslagrechten

1.   Indien een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 41, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid, kunnen landbouwers toeslagrechten uit de nationale reserve ontvangen overeenkomstig de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden en overeenkomstig de door de betrokken lidstaat vastgestelde objectieve criteria.

2.   Indien een landbouwer die geen toeslagrechten heeft, toeslagrechten uit de nationale reserve aanvraagt, mag het aantal toeslagrechten dat hij ontvangt, het aantal hectaren waarover hij op dat tijdstip beschikt (in eigendom of gehuurd), niet overschrijden.

3.   Indien een landbouwer die toeslagrechten heeft, toeslagrechten uit de nationale reserve aanvraagt, mag het aantal toeslagrechten dat hij ontvangt, het aantal hectaren waarover hij beschikt en waarvoor hij geen toeslagrechten heeft, niet overschrijden.

De waarde per eenheid van elk toeslagrecht dat hij reeds in eigendom heeft, mag worden verhoogd.

4.   De waarde van elk overeenkomstig lid 2 of lid 3, met uitzondering van de tweede alinea van lid 3, ontvangen toeslagrecht wordt berekend door een referentiebedrag dat door de lidstaat is vastgesteld op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, te delen door het aantal toe te wijzen toeslagrechten.

Artikel 18

Toepassing van artikel 41, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bij minder hectaren dan toeslagrechten

1.   Lidstaten die gebruikmaken van de bij artikel 41, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid, mogen op verzoek overeenkomstig dit artikel in de betrokken regio’s toeslagrechten toewijzen aan landbouwers die minder hectaren aangeven dan het aantal dat overeenstemt met de toeslagrechten die zij in het kader van de artikelen 43 en 59 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 hadden gekregen.

In dat geval staat de landbouwer aan de nationale reserve alle toeslagrechten af die hij in eigendom heeft of die hij ontvangen had moeten hebben, met uitzondering van toeslagrechten die onderworpen zijn aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Voor de toepassing van het onderhavige artikel worden met „toeslagrechten” alleen de toeslagrechten bedoeld die de lidstaat in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling heeft toegewezen, met inbegrip van het jaar van integratie van de gekoppelde steun.

2.   Het aantal uit de nationale reserve toegewezen toeslagrechten is gelijk aan het aantal door de landbouwer in het jaar van het verzoek aangegeven hectaren.

3.   De waarde per eenheid van de uit de nationale reserve toegewezen toeslagrechten wordt berekend door het referentiebedrag van de landbouwer te delen door het aantal door hem aangegeven hectaren.

4.   De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op een landbouwer die minder dan 50 % van het totale aantal hectaren waarover hij in de referentieperiode beschikte (gehuurd of in eigendom), aangeeft.

5.   Voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 zijn de door verkoop of verhuur overgedragen hectaren die niet door een daarmee overeenkomend aantal hectaren zijn vervangen, begrepen in het aantal hectaren dat de landbouwer aangeeft.

6.   De betrokken landbouwer geeft alle hectaren aan waarover hij op het moment van de aanvraag beschikt.

Artikel 19

Algemene bepalingen inzake landbouwers die zich in een bijzondere situatie bevinden

1.   Voor de toepassing van artikel 41, lid 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden onder „landbouwers die zich in een bijzondere situatie bevinden” de in de artikelen 20 tot en met 23 van de onderhavige verordening vermelde landbouwers verstaan.

2.   Indien een landbouwer die zich in een bijzondere situatie bevindt, voldoet aan de voorwaarde voor de toepassing van twee of meer van de artikelen 20, 21 en 22, ontvangt hij een aantal overeenkomstig artikel 17, leden 2 en 3, vastgestelde toeslagrechten waarvan de waarde overeenstemt met de hoogste waarde die hij kan krijgen indien elk van de artikelen waarvoor hij aan de voorwaarden voldoet, afzonderlijk wordt toegepast.

Indien een landbouwer ook in het kader van artikel 22 in aanmerking komt voor toeslagrechten, is het totale aantal toe te wijzen toeslagrechten niet hoger dan het overeenkomstig dat artikel vastgestelde aantal.

3.   Indien het in de artikelen 20 en 22 bedoelde verhuurcontract verstrijkt na de uiterste datum die in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling geldt voor indiening van een aanvraag in het kader van die regeling, mag de betrokken landbouwer na het verstrijken van dat verhuurcontract een aanvraag tot vaststelling van zijn toeslagrechten indienen uiterlijk op een door de lidstaat te bepalen datum, die echter niet later mag zijn dan de uiterste datum voor wijziging van de steunaanvraag in het volgende jaar.

4.   Lidstaten waar, overeenkomstig de nationale wetgeving of de gangbare praktijk, onder de definitie van langetermijnverhuur ook verhuur voor vijf jaar valt, mogen beslissen om de artikelen 20, 21 en 22 op verhuurcontracten voor vijf jaar toe te passen.

Artikel 20

Overdracht van verhuurde grond

1.   Een landbouwer die, ten gevolge van een gratis of tegen een symbolische prijs verrichte overdracht in het kader van verkoop of van verhuur voor ten minste zes jaar of ten gevolge van een feitelijke of verwachte vererving, een bedrijf of een deel van een bedrijf in bezit heeft gekregen dat tijdens de referentieperiode aan een derde persoon was verhuurd en dat afkomstig is van een landbouwer die vanwege zijn pensionering geen landbouwactiviteiten meer uitoefent of overleden is vóór de datum die in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfsregeling geldt voor indiening van een aanvraag in het kader van die regeling, kan toeslagrechten ontvangen die zijn berekend door een referentiebedrag dat door de lidstaat is vastgesteld op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, te delen door een aantal hectaren dat niet groter is dan het aantal hectaren van het bedrijf of het deel van een bedrijf dat hij in bezit heeft gekregen.

2.   De in lid 1 bedoelde landbouwer kan elke persoon zijn die het in lid 1 bedoelde bedrijf of deel van een bedrijf in bezit kan krijgen ten gevolge van feitelijke of verwachte vererving.

Artikel 21

Investeringen

1.   De lidstaten kunnen de waarde van toeslagrechten verhogen of deze toewijzen in het geval van landbouwers die geïnvesteerd hebben in een sector die in het kader van titel III, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 onderworpen is aan integratie in de bedrijfstoeslagregeling, zulks op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen.

Bij de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde criteria houden de lidstaten rekening met de referentieperiode en/of andere voor de integratie van de desbetreffende sector gehanteerde criteria.

2.   Lid 1 is van overeenkomstige toepassing ingeval de toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling in het kader van artikel 122 van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt beëindigd.

Artikel 22

Huur en aankoop van verhuurde grond

1.   Landbouwers die wat betreft de invoering van de bedrijfstoeslagregeling vóór 2009 hetzij tussen het einde van de relevante referentieperiode voor de invoering van de bedrijfstoeslagregeling en 15 mei 2004, hetzij vóór 31 januari 2009 in geval van toepassing van titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voor een periode van ten minste zes jaar een bedrijf of een deel van een bedrijf hebben gehuurd waarvoor de verhuurvoorwaarden niet kunnen worden aangepast, kunnen toeslagrechten ontvangen die zijn berekend door een referentiebedrag dat door de lidstaat is vastgesteld op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, te delen door een aantal hectaren dat niet groter is dan het aantal hectaren dat zij hebben gehuurd.

Bij de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde criteria houden de lidstaten met name rekening met situaties waarin landbouwers niet over andere hectaren beschikken dan gehuurde hectaren.

2.   Lid 1 is van toepassing op landbouwers die wat betreft de invoering van de bedrijfstoeslagregeling vóór 2009 hetzij in de referentieperiode voor de invoering ervan of vóór 15 mei 2004 hetzij — in geval van toepassing van titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 — vóór 31 januari 2009 een bedrijf of een deel van een bedrijf hebben gekocht waarvan de grond in de relevante referentieperiode werd verhuurd, en die binnen één jaar na het verstrijken van het verhuurcontract met hun landbouwactiviteiten beginnen of deze uitbreiden.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt onder „verhuurde grond” verstaan grond die ten tijde van of na de aankoop viel onder een verhuurcontract dat nooit is verlengd tenzij de verlenging door een wettelijke verplichting was opgelegd.

Artikel 23

Bestuursrechtelijke besluiten en gerechtelijke uitspraken

Een landbouwer die op grond van een definitieve gerechtelijke uitspraak of een definitief bestuursrechtelijk besluit van de bevoegde autoriteit van een lidstaat recht heeft op de toewijzing van toeslagrechten of op een verhoging van de waarde van de reeds bestaande toeslagrechten, ontvangt het aantal toeslagrechten en de waarde daarvan die in die uitspraak of dat besluit zijn vastgesteld, op een door de lidstaat te bepalen datum, die echter niet later mag zijn dan de uiterste datum voor indiening van een aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling na de datum van de uitspraak of het besluit; daarbij wordt rekening gehouden met de toepassing van artikel 34 en/of artikel 35 van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Afdeling 3

Regionaal beheer

Artikel 24

Regionale reserves

1.   De lidstaten mogen de nationale reserve op regionaal niveau beheren.

In dat geval wijzen de lidstaten de bedragen die op nationaal niveau beschikbaar zijn, aan het regionale niveau toe op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen.

2.   Besloten kan worden dat de aan elk regionaal niveau toegewezen bedragen alleen voor toewijzing binnen de betrokken regio beschikbaar zijn, behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 41, lid 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 of, afhankelijk van de keuze van de lidstaat, in geval van toepassing van artikel 41, lid 2, van die verordening.

TITEL III

TOEWIJZING VAN TOESLAGRECHTEN

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 25

Aanvragen

1.   De waarde, het aantal en een verhoging van toeslagrechten die zijn toegewezen op basis van de aanvraag die landbouwers hebben ingediend, kunnen voorlopig zijn. De definitieve waarde en het definitieve aantal worden uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling of van integratie van gekoppelde steun vastgesteld, nadat de op grond van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 73/2009 uit te voeren ter zake relevante controles zijn verricht.

2.   Onder voorbehoud van de definitieve vaststelling van toeslagrechten mogen landbouwers aanvragen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling indienen op basis van voorlopige toeslagrechten of, indien een lidstaat gebruikmaakt van de bij de artikelen 26 en 27 geboden mogelijkheid, van toeslagrechten die zijn verworven op grond van de in die artikelen bedoelde clausules in privaatrechtelijke contracten.

3.   De aanvrager bewijst ten genoegen van de lidstaat dat hij op de datum waarop hij toeslagrechten aanvraagt, landbouwer is in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009.

4.   Een lidstaat kan bepalen dat aanvragen tot vaststelling van de toeslagrechten slechts mogen worden ingediend voor bedrijven met een landbouwareaal van een bepaalde minimumomvang. Deze minimumomvang mag evenwel niet groter zijn dan het overeenkomstig artikel 28, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde minimum.

Met het oog op de vaststelling van de in artikel 60 of 65 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bijzondere toeslagrechten wordt in afwijking van artikel 28, lid 1, van die verordening geen minimumomvang vastgesteld.

Artikel 26

Clausule in privaatrechtelijke verkoopcontracten

1.   Indien in een verkoopcontract dat is afgesloten of gewijzigd uiterlijk op de datum die hetzij in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling hetzij in het jaar van integratie van gekoppelde steun geldt voor indiening van een aanvraag voor de toewijzing van toeslagrechten, is bepaald dat het gehele bedrijf of een deel ervan wordt verkocht samen met de toeslagrechten of de verhoging van de waarde van de toeslagrechten die moeten worden toegewezen voor de hectaren of het overgedragen bedrijfsgedeelte, kan de lidstaat de via het verkoopcontract gesloten transactie beschouwen als een overdracht van toeslagrechten met grond.

2.   De verkoper dient een aanvraag tot toewijzing of verhoging van de toeslagrechten in, voegt bij die aanvraag een kopie van het verkoopcontract en geeft in die aanvraag de productie-eenheden en het aantal hectaren aan waarvoor hij voornemens is de toeslagrechten over te dragen.

3.   Een lidstaat mag de koper toestaan om in naam van de verkoper en met diens uitdrukkelijke toestemming een aanvraag tot toewijzing van de toeslagrechten in te dienen. In dat geval gaat de lidstaat na of de verkoper op de datum van de overdracht voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria, en met name aan de voorwaarde van artikel 25, lid 3. De koper dient een aanvraag tot betaling in het kader van de bedrijfstoeslagregeling in en voegt bij die aanvraag een kopie van het verkoopcontract.

4.   Een lidstaat mag eisen dat de aanvragen van de verkoper en de koper samen worden ingediend of dat de tweede aanvraag een verwijzing naar de eerste bevat.

Artikel 27

Clausule in privaatrechtelijke verhuurcontracten

1.   Een clausule in een verhuurcontract waarin wordt voorzien in de overdracht van een aantal toeslagrechten dat niet groter is dan het aantal verhuurde hectaren, kan worden beschouwd als verhuur van toeslagrechten met grond in de zin van artikel 43, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009, indien:

a)

een landbouwer zijn bedrijf of een deel ervan aan een andere landbouwer heeft verhuurd uiterlijk op de datum die in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling of in het jaar van integratie van de gekoppelde steun geldt voor de indiening van een aanvraag in het kader van die regeling,

b)

het verhuurcontract verstrijkt na de uiterste datum voor indiening van een aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, en

c)

hij beslist zijn toeslagrechten te verhuren aan de landbouwer aan wie hij het bedrijf of een deel ervan heeft verhuurd.

2.   De verhuurder dient een aanvraag tot toewijzing of verhoging van de toeslagrechten in, voegt bij die aanvraag een kopie van het verhuurcontract en geeft in die aanvraag het aantal hectaren aan waarvoor hij voornemens is de toeslagrechten te verhuren.

3.   De huurder dient een aanvraag tot betaling in het kader van de bedrijfstoeslagregeling in en voegt bij die aanvraag een kopie van het verhuurcontract.

4.   Een lidstaat mag eisen dat de aanvragen van de huurder en de verhuurder samen worden ingediend of dat de tweede aanvraag een verwijzing naar de eerste bevat.

HOOFDSTUK 2

Invoering van de bedrijfstoeslagregeling in de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast

Artikel 28

Algemene bepalingen

1.   Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, geldt de onderhavige verordening voor de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast.

2.   Elke verwijzing in de onderhavige verordening naar artikel 41 van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt gelezen als een verwijzing naar artikel 57 van die verordening.

3.   Voor de toepassing van artikel 57, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 mogen de nieuwe lidstaten een representatieve periode bepalen die voorafgaat aan het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling.

4.   Elke verwijzing in de onderhavige verordening naar de „referentieperiode” wordt gelezen als een verwijzing naar het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling of naar de op grond van artikel 59, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde representatieve periode.

Artikel 29

Aanvankelijke toewijzing van toeslagrechten

1.   Onverminderd artikel 59, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 stellen de nieuwe lidstaten, voor de toepassing van artikel 59, lid 2, van die verordening, het in dat lid bedoelde aantal subsidiabele hectaren vast aan de hand van het aantal hectaren dat is aangegeven voor de vaststelling van de toeslagrechten in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling.

2.   In afwijking van lid 1 mogen nieuwe lidstaten het in artikel 59, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde aantal subsidiabele hectaren vaststellen op basis van het aantal hectaren dat is aangegeven voor het jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling.

Indien het aantal subsidiabele hectaren dat door de landbouwers is aangegeven in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, kleiner is dan het aantal subsidiabele hectaren dat overeenkomstig de eerste alinea is vastgesteld, mag een nieuwe lidstaat de bedragen die overeenstemmen met de niet-aangegeven hectaren, volledig of gedeeltelijk herverdelen in de vorm van een toeslag op elk toeslagrecht dat in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling is toegewezen. De toeslag wordt berekend door het betrokken bedrag te delen door het aantal toegewezen toeslagrechten.

3.   Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 59, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid, kan hij, met ingang van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, bepalen welke landbouwers in aanmerking komen voor de regeling, het in dat lid bedoelde aantal hectaren voorlopig vaststellen en een voorlopige controle van de in artikel 25, lid 3, van de onderhavige verordening bedoelde voorwaarden verrichten.

Onverminderd artikel 61 van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt de waarde van de toeslagrechten berekend door het in artikel 59, lid 1, van die verordening bedoelde bedrag te delen door het totale aantal op grond van dit lid toegewezen toeslagrechten.

4.   De landbouwer wordt ten minste één maand vóór de overeenkomstig artikel 56, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde uiterste datum voor het indienen van de steunaanvraag in kennis gesteld van de voorlopige toeslagrechten.

Voor de berekening van de in artikel 44, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde, in grootvee-eenheden (GVE) uitgedrukte landbouwactiviteiten, wordt het aantal dieren dat door een landbouwer wordt gehouden in een door de lidstaat vast te stellen periode, in GVE omgerekend aan de hand van de omrekeningstabel van artikel 14, lid 2. Voor de controle van de minimale landbouwactiviteiten in de nieuwe lidstaten als bedoeld in artikel 44, lid 2, onder b), is artikel 14, leden 4, 5 en 6, van toepassing.

HOOFDSTUK 3

Integratie van gekoppelde steun

Afdeling 1

Integratie van de sector groenten en fruit in de bedrijfstoeslagregeling

Artikel 30

Algemene voorschriften

1.   Voor de bepaling van het bedrag en het aantal van de toeslagrechten in het kader van de integratie van de sector groenten en fruit in de bedrijfstoeslagregeling geldt het volgende: deel A van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 is van toepassing behoudens het bepaalde in artikel 31 van de onderhavige verordening en — in het geval dat de lidstaat gebruik heeft gemaakt van de bij artikel 59 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geboden mogelijkheid — behoudens het bepaalde in artikel 32 van de onderhavige verordening.

2.   In voorkomend geval wordt het bepaalde in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 73/2009 toegepast ten aanzien van de waarde van alle toeslagrechten die vóór de integratie van de steun voor groenten en fruit bestonden, en ten aanzien van de referentiebedragen die zijn berekend voor de steun voor groenten en fruit.

3.   Voor de toepassing van de onderhavige verordening ten aanzien van de sector groenten en fruit is het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling het jaar van de vaststelling door de lidstaat van de in deel A van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bedragen en subsidiabele hectaren, rekening houdend met de in de tweede alinea van punt 2 van dat deel bedoelde facultatieve overgangsperiode van drie jaar.

Artikel 31

Specifieke voorschriften

1.   Indien de landbouwer op de uiterste datum voor de indiening van een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten helemaal geen toeslagrechten of enkel bijzondere toeslagrechten in eigendom heeft, ontvangt hij toeslagrechten die voor groenten en fruit overeenkomstig deel A van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn berekend.

De eerste alinea is ook van toepassing in het geval dat de landbouwer toeslagrechten heeft gehuurd tussen het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling en het jaar van de integratie van de sector groenten en fruit.

2.   Indien de landbouwer, uiterlijk op de uiterste datum voor de indiening van een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten, toeslagrechten toegewezen heeft gekregen of heeft gekocht of ontvangen, worden de waarde en het aantal van de toeslagrechten die hij in eigendom heeft, als volgt herberekend:

a)

het aantal toeslagrechten is gelijk aan het aantal toeslagrechten dat hij in eigendom heeft, verhoogd met het aantal hectaren dat overeenkomstig deel A, punt 3, van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 is bepaald voor groenten en fruit, consumptieaardappelen en boomkwekerijgewassen (kwekerijproducten);

b)

de waarde wordt verkregen door de som van de waarde van de toeslagrechten die hij in eigendom heeft, en het referentiebedrag dat overeenkomstig deel A, punt 2, van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 is berekend voor groenten en fruit, te delen door het overeenkomstig het bepaalde onder a) van het onderhavige lid vastgestelde aantal.

Bijzondere toeslagrechten worden bij de in dit lid bedoelde berekening niet in aanmerking genomen.

3.   De toeslagrechten die zijn verhuurd vóór de uiterste datum die geldt voor de indiening van een aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, worden in aanmerking genomen bij de in lid 2 bedoelde berekening. De toeslagrechten die zijn verhuurd door middel van een contractclausule zoals bedoeld in artikel 27, worden evenwel alleen indien de verhuurvoorwaarden kunnen worden aangepast, in aanmerking genomen bij de in lid 2 van het onderhavige artikel bedoelde berekening.

Artikel 32

Regionale uitvoering

1.   Indien een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de bij artikel 59, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geboden mogelijkheid, ontvangt elke landbouwer een aantal toeslagrechten dat gelijk is aan het aantal nieuwe subsidiabele hectaren groenten en fruit, consumptieaardappelen en boomkwekerijgewassen (kwekerijproducten) dat hij in zijn verzamelaanvraag in 2008 heeft aangegeven.

De waarde van de toeslagrechten wordt berekend op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

2.   In afwijking van lid 1, eerste alinea, kunnen de lidstaten het extra aantal toeslagrechten per landbouwer vaststellen op basis van objectieve criteria, zulks overeenkomstig deel A van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 voor groenten en fruit, consumptieaardappelen en boomkwekerijgewassen (kwekerijproducten).

Afdeling 2

Wijn

Onderafdeling 1

Integratie van de steunprogramma’s voor wijn in de bedrijfstoeslagregeling

Artikel 33

Algemene voorschriften

1.   Voor de bepaling van het bedrag en het aantal van de toeslagrechten in het kader van de integratie van de steunprogramma’s voor wijn in de bedrijfstoeslagregeling is het bepaalde in deel C van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van toepassing behoudens het bepaalde in artikel 34 van de onderhavige verordening en, in het geval dat de lidstaat gebruik heeft gemaakt van de bij artikel 59 of artikel 71 septies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geboden mogelijkheid, of van artikel 47 of 58 van Verordening (EG) nr. 73/2009, het bepaalde in artikel 35 van de onderhavige verordening.

2.   Met ingang van 1 januari 2009 mogen de lidstaten bepalen welke landbouwers in aanmerking komen voor de toewijzing van toeslagrechten afkomstig uit de integratie van de steunprogramma’s voor wijn in de bedrijfstoeslagregeling.

3.   Voor de toepassing van artikel 18 van de onderhavige verordening met betrekking tot de wijnsector is het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling het jaar waarin de lidstaat de in deel C van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bedragen en in aanmerking te nemen hectaren vaststelt.

Artikel 34

Specifieke voorschriften

1.   Indien de landbouwer op de overeenkomstig de onderhavige verordening vastgestelde uiterste datum voor de indiening van een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten helemaal geen toeslagrechten of enkel bijzondere toeslagrechten in eigendom heeft, ontvangt hij toeslagrechten die voor wijn overeenkomstig deel C van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn berekend.

De eerste alinea is ook van toepassing in het geval dat de landbouwer toeslagrechten heeft gehuurd tussen het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling en het jaar van de integratie van de steunprogramma’s.

2.   Indien de landbouwer uiterlijk op de overeenkomstig de onderhavige verordening vastgestelde uiterste datum voor de indiening van een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten, toeslagrechten toegewezen heeft gekregen of heeft gekocht of ontvangen, worden de waarde en het aantal van de toeslagrechten die hij in eigendom heeft, als volgt herberekend:

a)

het aantal toeslagrechten is gelijk aan het aantal toeslagrechten dat hij in eigendom heeft, verhoogd met het aantal hectaren dat overeenkomstig deel C van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 is vastgesteld;

b)

de waarde wordt verkregen door de som van de waarde van de toeslagrechten die hij in eigendom heeft, en het referentiebedrag dat overeenkomstig deel C van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009 is berekend, te delen door het overeenkomstig het bepaalde onder a) van het onderhavige lid vastgestelde aantal.

Bijzondere toeslagrechten worden bij de in dit lid bedoelde berekening niet in aanmerking genomen.

3.   Toeslagrechten die zijn verhuurd vóór de overeenkomstig deze verordening vastgestelde uiterste datum voor de indiening van een aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, worden in aanmerking genomen bij de in lid 2 bedoelde berekening.

Artikel 35

Regionale uitvoering

1.   Indien een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de bij artikel 59 of artikel 71 septies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geboden mogelijkheid, of van artikel 47 of 58 van Verordening (EG) nr. 73/2009 artikel, ontvangt elke landbouwer een aantal toeslagrechten dat gelijk is aan het aantal nieuwe subsidiabele met wijnstokken beplante hectaren dat hij in zijn verzamelaanvraag in 2009 heeft aangegeven.

De waarde van de toeslagrechten wordt berekend op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

2.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten, overeenkomstig deel C van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009, het aantal toeslagrechten per landbouwer vaststellen op basis van objectieve criteria.

Onderafdeling 2

Rooien

Artikel 36

Regionaal gemiddelde

Voor de bepaling van de waarde van de toeslagrechten op grond van deel B van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt het regionale gemiddelde door de lidstaten vastgesteld op het adequate territoriale niveau. Het wordt vastgesteld op een door de lidstaat te bepalen datum. Het kan jaarlijks worden herzien. Het wordt gebaseerd op de waarde van de in de betrokken regio aan de landbouwers toegewezen toeslagrechten. Het wordt niet per productiesector gedifferentieerd.

TITEL IV

SPECIFIEKE STEUN

HOOFDSTUK 1

Algemene voorschriften

Artikel 37

Subsidiabiliteit met betrekking tot specifieke steunmaatregelen

1.   De lidstaten stellen subsidiabiliteitscriteria voor specifieke steunmaatregelen vast in overeenstemming met het bij Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde kader en de bij de onderhavige titel vastgestelde voorwaarden.

2.   De lidstaten leggen het bepaalde in deze titel, en met name in lid 1, ten uitvoer in overeenstemming met objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen.

Artikel 38

Samenhang en cumulatie van de steun

1.   De lidstaten zorgen voor samenhang tussen:

a)

de specifieke steunmaatregelen en de in het kader van andere communautaire steuninstrumenten uitgevoerde maatregelen;

b)

de verschillende specifieke steunmaatregelen;

c)

de specifieke steunmaatregelen en de uit staatssteun gefinancierde maatregelen.

De lidstaten zorgen er met name voor dat specifieke steunmaatregelen geen belemmering vormen voor de goede werking van in het kader van andere communautaire steuninstrumenten uitgevoerde maatregelen of uit staatssteun gefinancierde steunmaatregelen van de staten.

2.   Wanneer steun op grond van een specifieke steunmaatregel ook mag worden verleend op grond van een maatregel in het kader van andere communautaire steuninstrumenten of op grond van een andere specifieke steunmaatregel, zorgen de lidstaten ervoor dat landbouwers voor een bepaalde actie slechts steun kunnen ontvangen op grond van één van deze maatregelen.

Artikel 39

Voorwaarden voor steunmaatregelen

1.   Specifieke steunmaatregelen zijn niet bedoeld ter compensatie van de nakoming van bindende verplichtingen en met name van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie zoals vastgesteld in respectievelijk de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 73/2009 of andere in artikel 39, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde eisen.

2.   Specifieke steunmaatregelen zijn niet bestemd voor de financiering van belastingen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de door hen uitgevoerde specifieke steunmaatregelen verifieerbaar en controleerbaar zijn.

HOOFDSTUK 2

Specifieke voorschriften

Artikel 40

Specifieke soorten landbouw die belangrijk zijn voor de bescherming of de verbetering van het milieu

De lidstaten stellen de specifieke soorten landbouw vast die belangrijk zijn voor de bescherming of de verbetering van het milieu en die op grond van artikel 68, lid 1, onder a), i), van Verordening (EG) nr. 73/2009 in aanmerking komen voor een jaarlijkse extra betaling. Deze specifieke soorten landbouw houden niet te verwaarlozen en meetbare milieuvoordelen in.

Artikel 41

Verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten

De in artikel 68, lid 1, onder a), ii), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde jaarlijkse extra betalingen voor de verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten maken het de landbouwers mogelijk:

a)

te voldoen aan de voorwaarden voor toetreding tot voedselkwaliteitsregelingen zoals vastgesteld in de in artikel 68, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 vermelde besluiten en in Verordening (EG) nr. 1898/2006 van de Commissie (20), Verordening (EG) nr. 1216/2007 van de Commissie (21), Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie (22) en Verordening (EG) nr. 114/2009 van de Commissie (23), of

b)

toe te treden tot particuliere of nationale regelingen inzake certificering van de voedselkwaliteit.

Wordt de specifieke steun verleend voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), dan zijn de voorwaarden van artikel 22, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie (24) van overeenkomstige toepassing.

Artikel 42

Verbetering van de afzet van landbouwproducten

1.   De in artikel 68, lid 1, onder a), iii), bedoelde jaarlijkse extra betalingen voor de verbetering van de afzet van landbouwproducten zetten landbouwers ertoe aan de afzet van hun landbouwproducten te verbeteren via een betere informatie over en/of bevordering van de kwaliteit of de kenmerken van hun producten of productiemethoden.

2.   De artikelen 4, 5 en 6 van en de bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 501/2008 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 43

Toepassing van aangescherpte dierenwelzijnsnormen

1.   Bij de vaststelling van de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de in artikel 68, lid 1, onder a), iv), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde specifieke steun voor landbouwers die aangescherpte praktijken inzake dierenwelzijn toepassen, houden de lidstaten in voorkomend geval rekening met:

a)

het houderijsysteem,

b)

de omvang van het bedrijf in termen van dichtheid of aantal dieren en personele middelen, en

c)

het bedrijfsbeheerssysteem.

2.   Aangescherpte praktijken inzake dierenwelzijn zijn praktijken die verder gaan dan de minimumeisen van de geldende communautaire en nationale wetgeving en met name van de in bijlage II, punt C, bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde besluiten. Deze praktijken kunnen de in artikel 27, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1974/2006 bedoelde strengere normen omvatten.

Artikel 44

Specifieke landbouwactiviteiten die meerwaarde voor het landbouwmilieu opleveren

1.   Bij de vaststelling van de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de in artikel 68, lid 1, onder a), v), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde specifieke steun voor landbouwers die specifieke landbouwactiviteiten uitoefenen die meerwaarde voor het landbouwmilieu opleveren, houden de lidstaten in voorkomend geval rekening met:

a)

milieudoelstellingen in het gebied waar de maatregel zal worden toegepast, en

b)

eventuele steun die reeds wordt toegekend in het kader van andere communautaire steuninstrumenten, andere specifieke steunmaatregelen of steunmaatregelen van de staten.

2.   Artikel 27, leden 2 tot en met 6, leden 8, 9 en 13, artikel 48 en artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1974/2006 zijn van overeenkomstige toepassing op specifieke steun voor landbouwers die specifieke landbouwactiviteiten uitoefenen die meerwaarde voor het landbouwmilieu opleveren.

3.   De Commissie gaat na of de door de lidstaten bij haar aangemelde voorgenomen specifieke steunmaatregelen voor landbouwers die specifieke landbouwactiviteiten uitoefenen die meerwaarde voor het landbouwmilieu opleveren, in overeenstemming zijn met Verordening (EG) nr. 73/2009 en de onderhavige verordening.

Is de Commissie van oordeel dat de voorgenomen maatregelen in overeenstemming zijn met de genoemde verordeningen, dan keurt zij de maatregelen binnen vier maanden na ontvangst van de overeenkomstig artikel 50, lid 3, van de onderhavige verordening verstrekte informatie goed op grond van artikel 68, lid 2, onder a), ii), van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Is de Commissie van oordeel dat de voorgenomen maatregelen niet in overeenstemming zijn met de genoemde verordeningen, dan verzoekt zij de lidstaat om de voorgenomen maatregelen dienovereenkomstig te herzien en ze bij de Commissie aan te melden. Zij keurt de maatregelen goed wanneer zij van oordeel is dat deze op passende wijze zijn herzien.

Artikel 45

Specifieke nadelen waarmee landbouwers in de sectoren zuivel, rund- en kalfsvlees, schapenvlees, geitenvlees en rijst worden geconfronteerd

1.   Bij de vaststelling van de subsidiabiliteitscriteria voor de in artikel 68, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde specifieke steun om de specifieke nadelen te verhelpen waarmee landbouwers in specifieke sectoren, die actief zijn in economisch of ecologisch kwetsbare gebieden, worden geconfronteerd, of, in diezelfde sectoren, voor economisch kwetsbare soorten landbouw, stellen de lidstaten de economisch en/of ecologisch kwetsbare soorten landbouw vast die in aanmerking komen voor steun, met name rekening houdend met de betrokken productiestructuren en -voorwaarden.

2.   De specifieke steun is niet gebaseerd op schommelingen van de marktprijzen en niet gelijk te stellen met een systeem van variabele inkomenstoeslag.

Artikel 46

Gebieden met herstructurerings- en/of ontwikkelingsprogramma’s

1.   De subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de in artikel 68, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde specifieke steunmaatregelen in gebieden met herstructurerings- en/of ontwikkelingsprogramma’s om te voorkomen dat het land wordt verlaten, en/of om landbouwers te compenseren voor specifieke nadelen in die gebieden, hebben met name betrekking op:

a)

de wijze waarop de individuele referentiebedragen voor voor steun in aanmerking komende landbouwers moeten worden vastgesteld, en

b)

de herstructurerings- en/of ontwikkelingsprogramma’s en/of de voorwaarden voor de goedkeuring daarvan.

2.   Wanneer een landbouwer die geen toeslagrechten heeft, de in lid 1 bedoelde steun aanvraagt, mag het aantal toeslagrechten dat hij ontvangt, het aantal hectaren waarover hij op dat tijdstip beschikt (in eigendom of gehuurd), niet overschrijden.

Wanneer een landbouwer die toeslagrechten heeft, de in lid 1 bedoelde steun aanvraagt, mag het aantal toeslagrechten dat hij ontvangt, het aantal hectaren waarover hij beschikt en waarvoor hij geen toeslagrechten heeft, niet overschrijden.

De waarde per eenheid van elk toeslagrecht dat de landbouwer reeds bezit, mag worden verhoogd.

De waarde van elk overeenkomstig het bepaalde in dit lid, met uitzondering van de derde alinea, ontvangen toeslagrecht wordt berekend door het door de lidstaat vastgestelde individuele referentiebedrag te delen door het aantal in de tweede alinea bedoelde toeslagrechten.

3.   De in artikel 131, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde verhoging van de in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling toegekende bedragen per hectare wordt vastgesteld door het referentiebedrag van de landbouwer te delen door het aantal voor betalingen in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling aangegeven subsidiabele hectaren.

4.   De lidstaten zien erop toe dat de specifieke nadelen voor landbouwers in gebieden met herstructurerings- en ontwikkelingsprogramma’s waarvoor de specifieke steun wordt verleend, niet worden gecompenseerd uit hoofde van andere bepalingen van deze programma’s voor hetzelfde doel.

Artikel 47

Oogst-, dier- en plantverzekering

1.   De lidstaten stellen de voorwaarden vast waaraan contracten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de in artikel 68, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde specifieke steun in de vorm van bijdragen aan oogst-, dier- en plantverzekeringspremies.

2.   De contracten omvatten:

a)

de gedekte bijzondere risico’s,

b)

de gedekte bijzondere economische verliezen, en

c)

de verzekeringspremie, exclusief belastingen.

3.   De contracten dekken niet meer dan een jaarproductie. Bestrijkt de looptijd van een contract delen van twee kalenderjaren, dan zorgen de lidstaten ervoor dat geen dubbele compensatie voor hetzelfde contract wordt verleend.

4.   De lidstaten voorzien in regels voor de berekening van de verloren gegane jaarproductie van een landbouwer overeenkomstig artikel 70, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

5.   De landbouwer stelt de lidstaat jaarlijks in kennis van het nummer van zijn verzekeringspolis en verstrekt een kopie van het contract alsook een bewijs van betaling van de premie.

Artikel 48

Onderlinge fondsen voor dier- en plantenziekten en milieuongevallen

1.   De door de lidstaten overeenkomstig artikel 71, lid 9, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde voorschriften voor onderlinge fondsen die in aanmerking kunnen komen voor financiële bijdragen voor dier- en plantenziekten en milieuongevallen als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder e), van die verordening, omvatten met name:

a)

de voorwaarden voor de financiering van het onderlinge fonds,

b)

de uitbraken van dier- of plantenziekten of milieuongevallen die aanleiding kunnen geven tot de betaling van vergoedingen aan landbouwers, inclusief in voorkomend geval het geografische toepassingsgebied,

c)

de criteria om te beoordelen of een bepaalde gebeurtenis aanleiding geeft tot de betaling van vergoedingen aan landbouwers,

d)

de methoden voor de berekening van de extra kosten die economische verliezen in de zin van artikel 71, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 vormen,

e)

de berekening van de in artikel 71, lid 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde administratieve kosten,

f)

eventuele beperkingen van de voor een financiële bijdrage in aanmerking komende kosten overeenkomstig artikel 71, lid 7, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009,

g)

een procedure voor de accreditering van een bepaald onderling fonds naar nationaal recht,

h)

procedurevoorschriften, en

i)

de conformiteitsaudits en audits met betrekking tot de goedkeuring van de rekeningen waaraan het onderlinge fonds na accreditering wordt onderworpen.

2.   Wanneer de uit het onderlinge fonds te betalen vergoeding wordt gefinancierd uit een commerciële lening, bedraagt de looptijd van de lening minimaal één jaar en maximaal 5 jaar.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun landbouwgemeenschappen in kennis worden gesteld van:

a)

alle geaccrediteerde onderlinge fondsen,

b)

de voorwaarden voor lidmaatschap van een bepaald onderling fonds, en

c)

de financieringsvoorschriften van het onderlinge fonds.

Artikel 49

Financiële bepalingen voor specifieke steunmaatregelen

1.   De in artikel 69, lid 6, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bedragen zijn vastgesteld in bijlage III bij de onderhavige verordening.

2.   Voor de toepassing van artikel 69, lid 7, vierde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 kunnen de lidstaten vanaf 2010 uiterlijk op 1 augustus van elk kalenderjaar verzoeken om een herziening van de in lid 1 van dit artikel bedoelde bedragen wanneer het overeenkomstig artikel 69, lid 7, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voor het betrokken begrotingsjaar berekende bedrag meer dan 20 % afwijkt van het in bijlage III bij de onderhavige verordening vastgestelde bedrag.

De door de Commissie herziene bedragen gelden vanaf het kalenderjaar volgende op dat van het verzoek.

TITEL V

KENNISGEVINGEN EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Kennisgevingen

Artikel 50

Kennisgeving van besluiten

1.   Lidstaten die gebruikmaken van de bij artikel 28, leden 1 en 2, artikel 38, artikel 41, leden 2 tot en met 5, artikel 45, leden 1 en 3, artikel 46, leden 1 en 3, artikel 47, leden 1 tot en met 4, de artikelen 48 en 49, artikel 51, lid 1, en artikel 67 van Verordening (EG) nr. 73/2009 of artikel 11, lid 2, van de onderhavige verordening geboden mogelijkheid, stellen de Commissie in kennis van alle gegevens van het besluit, alsmede de motivering en de objectieve criteria waarop het besluit om de desbetreffende mogelijkheid toe te passen is gebaseerd, en wel:

a)

voor besluiten die gelden voor 2010, binnen twee weken na:

i)

de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening, of

ii)

de datum waarop het besluit is genomen als deze datum na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening valt, en

b)

uiterlijk 1 augustus 2010 in de overige gevallen.

Lidstaten die een nieuw besluit inzake de gebruikmaking van de bij artikel 41, leden 2 tot en met 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheden nemen, stellen de Commissie in kennis van alle gegevens van het besluit, alsmede de motivering en de objectieve criteria waarop het besluit om de desbetreffende mogelijkheid toe te passen is gebaseerd, en wel binnen twee weken na de datum waarop het besluit is genomen.

2.   Wanneer een nieuwe lidstaat voornemens is de toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling te beëindigen overeenkomstig artikel 122, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009, stelt hij de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, in kennis van alle gegevens over de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, inclusief de bij artikel 55, lid 3, artikel 57, leden 3 tot en met 6, artikel 59, lid 3, en artikel 61 van die verordening geboden mogelijkheden, en van de objectieve criteria waarop de besluiten berusten.

3.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het eerste toepassingsjaar in kennis van elke door hen geplande specifieke steunmaatregel.

De inhoud van de informatie wordt overeenkomstig deel A van bijlage IV verstrekt, behalve voor specifieke steunmaatregelen voor specifieke landbouwactiviteiten die meerwaarde voor het landbouwmilieu opleveren, waarvoor de inhoud van de informatie overeenkomstig deel B van die bijlage wordt verstrekt.

Artikel 51

Statistieken en verslagen

De lidstaten delen aan de hand van het door de Commissie aan hen beschikbaar gestelde formulier langs elektronische weg de volgende informatie aan de Commissie mee:

1.

uiterlijk op 1 september van het betrokken jaar:

a)

het totale aantal aanvragen dat in het kader van de bedrijfstoeslagregeling voor het lopende jaar is ingediend, samen met het overeenkomstige totale bedrag van de toeslagrechten en het totale aantal daarmee gepaard gaande subsidiabele hectaren; in geval van regionale uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling worden deze gegevens naar regio uitgesplitst. Voor het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling worden de gegevens gebaseerd op de voorlopige toeslagrechten;

b)

indien de maatregelen op grond van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden toegepast, delen de lidstaten voor elk van de betrokken maatregelen en, in voorkomend geval, sectoren het totale bedrag van de steun mee die voor het lopende jaar is aangevraagd;

2.

uiterlijk op 1 mei van het volgende jaar, voor het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling dezelfde informatie als bedoeld in punt 1, onder a), maar dan op basis van de definitieve toeslagrechten;

3.

uiterlijk op 15 september van het volgende jaar:

a)

de totale waarde van de bestaande toeslagrechten, al dan niet in het gegeven jaar geactiveerd, en het aantal voor activering vereiste hectaren. De informatie wordt uitgesplitst naar soort toeslagrechten en, bij regionale uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling, naar regio;

b)

definitieve gegevens over het totale aantal voor het voorgaande jaar aanvaarde aanvragen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling en het overeenkomstige totale bedrag van de betalingen die zijn verleend, in voorkomend geval na toepassing van de in de artikelen 7 en 9, artikel 11, leden 1 en 2, en de artikelen 21, 22 en 23 van Verordening (EG) nr. 73/2009 vermelde maatregelen, alsmede de totale som van de per 31 december van het voorgaande jaar in de nationale reserve resterende bedragen en het totale aantal daarmee gepaard gaande subsidiabele hectaren; in geval van regionale uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling worden deze gegevens naar regio uitgesplitst;

c)

wat artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 betreft, voor het voorgaande jaar het totale aantal begunstigden en het bedrag van de betalingen die per maatregel en in voorkomend geval per sector zijn verleend, en

d)

het door de lidstaten aan de Commissie toe te zenden jaarverslag over de tenuitvoerlegging van artikel 71 van Verordening (EG) nr. 73/2009 met daarin de informatie die in bijlage V bij de onderhavige verordening wordt vermeld;

4.

uiterlijk op 1 oktober 2012 een verslag over de in 2009, 2010 en 2011 uitgevoerde specifieke steunmaatregelen, de impact ervan op de doelstellingen en eventueel ondervonden problemen.

HOOFDSTUK 2

Slotbepalingen

Artikel 52

Intrekking

De Verordeningen (EG) nr. 795/2004 en (EG) nr. 639/2009 worden ingetrokken.

Zij blijven evenwel van toepassing voor steunaanvragen betreffende de premieperioden die vóór 1 januari 2010 ingaan.

Artikel 53

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2010, met uitzondering van artikel 11, lid 2, en artikel 50, lid 1, onder a), welke van toepassing zijn vanaf de inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2009.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

(2)  PB L 141 van 30.4.2004, blz. 1.

(3)  PB L 191 van 23.7.2009, blz. 17.

(4)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1.

(5)  PB L 3 van 5.1.2008, blz. 1.

(6)  PB L 147 van 6.6.2008, blz. 3.

(7)  PB L 215 van 30.7.1992, blz. 85.

(8)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.

(9)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(10)  PB L 38 van 12.2.2000, blz. 1.

(11)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 1.

(12)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(13)  PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1.

(14)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(15)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.

(16)  Zie bladzijde 65 van dit Publicatieblad.

(17)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1.

(18)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74.

(19)  PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1.

(20)  PB L 369 van 23.12.2006, blz. 1.

(21)  PB L 275 van 19.10.2007, blz. 3.

(22)  PB L 250 van 18.9.2008, blz. 1.

(23)  PB L 38 van 7.2.2009, blz. 26.

(24)  PB L 368 van 23.12.2006, blz. 15.


BIJLAGE I

Lijst van akkerbouwgewassen als bedoeld in artikel 2, onder c)

GN-code

Omschrijving

I.   

GRANEN

1001 10 00

Durumtarwe

1001 90

Tarwe en mengkoren andere dan durumtarwe

1002 00 00

Rogge

1003 00

Gerst

1004 00 00

Haver

1005

Mais

1007 00

Graansorgho

1008

Boekweit, gierst (andere dan sorgho) en kanariezaad; andere granen

0709 90 60

Suikermais

II.   

OLIEHOUDENDE ZADEN

1201 00

Sojabonen

ex 1205 00

Raapzaad

ex 1206 00 10

Zonnebloempitten

III.   

EIWITHOUDENDE GEWASSEN

0713 10

Erwten

0713 50

Paarden- en duivenbonen

ex 1209 29 50

Niet-bittere lupinen

IV.   

VLAS

ex 1204 00

Lijnzaad (Linum usitatissimum L.)

ex 5301 10 00

Vlas, ruw of geroot, geteeld voor vezels (Linum usitatissimum L.)

V.   

HENNEP

ex 5302 10 00

Hennep, ruw of geroot, geteeld voor vezels (Cannabis sativa L.)


BIJLAGE II

Data als bedoeld in artikel 11, lid 1

Lidstaat en regio’s

Datum

Spanje: Castilla-La Mancha

1 juni

Spanje: Aragón, Asturias, Baleares, Cantabria, Castilla y León, Cataluña, Galicia, Madrid, Murcia, País Vasco, la Rioja, Comunidad Valenciana

1 juli

Spanje: Andalucía

1 september

Spanje: Extremadura

15 september

Spanje: Navarra

15 augustus

Frankrijk: Aquitaine, Midi-Pyrénées en Languedoc-Roussillon

1 juli

Frankrijk: Alsace, Auvergne, Bourgogne, Bretagne, Centre, Champagne-Ardenne, Corse, Franche-Comté, Île-de-France, Limousin, Lorraine, Nord-Pas-de-Calais, Basse-Normandie, Haute-Normandie, Pays-de-la-Loire (met uitzondering van de departementen Loire-Atlantique en Vendée), Picardie, Poitou-Charentes, Provence-Alpes-Côte-d’Azur en Rhône-Alpes

15 juli

Frankrijk: de departementen Loire-Atlantique en Vendée

15 oktober

Oostenrijk

30 juni


BIJLAGE III

Overeenkomstig artikel 69, lid 6, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 berekende bedragen als bedoeld in artikel 49, lid 1

(in miljoen EUR)

België

8,6

Denemarken

15,8

Duitsland

42,6

Ierland

23,9

Griekenland

74,3

Spanje

144,4

Frankrijk

97,4

Italië

144,9

Luxemburg

0,8

Malta

0,1

Nederland

31,7

Oostenrijk

11,9

Portugal

21,7

Finland

4,8

Slovenië

2,4

Zweden

13,9

Verenigd Koninkrijk

42,8


BIJLAGE IV

Ingevolge artikel 50, lid 3, aan de Commissie te verstrekken informatie

DEEL A

Voor alle specifieke steunmaatregelen, behalve voor maatregelen voor specifieke landbouwactiviteiten die meerwaarde voor het landbouwmilieu opleveren, omvat de informatie:

a)

de titel van elke maatregel met verwijzing naar de betrokken bepaling van artikel 68, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

b)

een beschrijving van elke maatregel, met ten minste de volgende gegevens:

i)

de betrokken sectoren,

ii)

de looptijd,

iii)

de doelstellingen,

iv)

de geldende subsidiabiliteitsvoorwaarden,

v)

een indicatief steunniveau,

vi)

het voor de maatregel vastgestelde totaalbedrag,

vii)

de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de begrotingsmaxima, en

viii)

de financieringsbron;

c)

eventuele bestaande maatregelen die worden uitgevoerd in het kader van andere communautaire steunregelingen of andere uit nationale middelen gefinancierde steunmaatregelen in hetzelfde gebied of dezelfde sector als de specifieke steunmaatregel en in voorkomend geval de afbakening daarvan;

d)

in voorkomend geval een beschrijving van:

i)

de in artikel 68, lid 1, onder a), i), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde specifieke soorten landbouw die belangrijk zijn voor de bescherming of de verbetering van het milieu;

ii)

de in artikel 68, lid 1, onder a), iv), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde aangescherpte dierenwelzijnsnormen;

iii)

de in artikel 68, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde economisch of ecologisch kwetsbare gebieden en/of de economisch kwetsbare soorten landbouw, alsook de in artikel 68, lid 3, van die verordening bedoelde huidige productie;

iv)

de in artikel 68, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde herstructurerings- en/of ontwikkelingsprogramma’s.

DEEL B

Voor specifieke steunmaatregelen voor specifieke landbouwactiviteiten die meerwaarde voor het landbouwmilieu opleveren, omvat de informatie:

a)

de titel van de maatregel;

b)

het geografische toepassingsgebied van de maatregel;

c)

een beschrijving van de voorgenomen maatregel en de verwachte milieugevolgen met betrekking tot de milieubehoeften en -prioriteiten, en specifieke verifieerbare doelstellingen;

d)

de beweegredenen voor de steunverlening, de reikwijdte en de acties, de indicatoren, de gekwantificeerde streefwaarden en in voorkomend geval de begunstigden;

e)

de criteria en administratieve voorschriften die garanderen dat acties niet tevens uit andere communautaire steunregelingen worden gefinancierd;

f)

het in artikel 48, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1974/2006 bedoelde bewijs, zodat de Commissie kan controleren of de berekeningen coherent en aannemelijk zijn;

g)

een gedetailleerde beschrijving van de nationale uitvoering van de in bijlage II, deel A, punt 5.3.2.1, bij Verordening (EG) nr. 1974/2006 bedoelde minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere relevante dwingende eisen;

h)

een beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte agronomische veronderstellingen en parameters (inclusief een beschrijving van de voor elk specifiek type van verbintenis relevante basiseisen zoals vastgesteld in artikel 39, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005) die worden toegepast bij de berekeningen ter rechtvaardiging van: a) de extra kosten en b) de gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de aangegane verbintenis; waar dat relevant is, moet in het kader van die methodologie rekening worden gehouden met de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 73/2009 toegekende steun; in voorkomend geval, de omrekeningsmethode die overeenkomstig artikel 27, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1974/2006 voor andere eenheden wordt gebruikt;

i)

de steunbedragen;

j)

in voorkomend geval, de in bijlage II, deel A, punt 5.3.2.1.4, vijfde en zesde streepje, bij Verordening (EG) nr. 1974/2006 bedoelde informatie.


BIJLAGE V

In het in artikel 51, lid 3, onder d), bedoelde jaarverslag over onderlinge fondsen op te nemen informatie

De te verstrekken informatie omvat:

a)

een lijst van geaccrediteerde onderlinge fondsen en het aantal aangesloten landbouwers per fonds;

b)

in voorkomend geval, de administratieve kosten voor de oprichting van nieuwe onderlinge fondsen;

c)

de bron van financiering overeenkomstig artikel 69, lid 6, onder a) of c), van Verordening (EG) nr. 73/2009 en in voorkomend geval het bedrag van de toegepaste lineaire verlaging en de betrokken betalingen;

d)

per geaccrediteerd fonds, de soorten vergoede economische verliezen, uitgesplitst naar oorzaak in de zin van artikel 71, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

e)

per geaccrediteerd fonds, het aantal landbouwers dat een vergoeding heeft ontvangen, uitgesplitst naar soort economisch verlies en naar oorzaak in de zin van artikel 71, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

f)

de uitgaven van elk geaccrediteerd fonds, uitgesplitst naar soort economisch verlies;

g)

het percentage en het bedrag dat door elk fonds is betaald in de vorm van de in artikel 71, lid 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde financiële bijdrage, en

h)

de bij de tenuitvoerlegging van de specifieke steunmaatregel betreffende onderlinge fondsen opgedane ervaring.


2.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 316/27


VERORDENING (EG) Nr. 1121/2009 VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2009

houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en V van die verordening ingestelde steunregelingen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (1), en met name op artikel 29, lid 4, onder a), artikel 87, lid 4, artikel 89, lid 2, artikel 91, lid 2, artikel 101, lid 2, tweede alinea, artikel 103, lid 1, artikel 142, onder c), e), q) en s), en artikel 147,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (2) is ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr. 73/2009. Bij Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen (3) zijn de bepalingen vastgesteld ter uitvoering van de steunregelingen die bij de titels IV en IV bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003 waren ingesteld. Verordening (EG) nr. 1973/2004 moet worden aangepast aan de bij Verordening (EG) nr. 73/2009 doorgevoerde wijzigingen, en met name de wijzigingen in titel IV en in de hoofdstukken 2 en 4 van titel V van laatstgenoemde verordening. Verordening (EG) nr. 1973/2004 moet duidelijkheids- en eenvoudigheidshalve worden ingetrokken en worden vervangen door een nieuwe verordening.

(2)

Met het oog op een doelmatig beheer van de regelingen die zijn ingesteld bij titel IV van Verordening (EG) nr. 73/2009, moeten de in het kader van een aantal van deze regelingen toe te kennen betalingen beperkt blijven tot arealen met een bepaalde minimumgrootte („areaalbetaling”). Bij de vaststelling van de minimumgrootte van een areaal moet rekening worden gehouden met de bijzondere omvang van landbouwbedrijven in een aantal lidstaten of met de specifieke omstandigheden bij een aantal teelten.

(3)

Voorkomen moet worden dat land wordt ingezaaid uitsluitend om in aanmerking te komen voor areaalbetalingen. Er moeten bepaalde voorwaarden betreffende de inzaai en de teelt van gewassen worden gesteld, vooral voor eiwithoudende gewassen en rijst en groenten en fruit. Wegens de verscheidenheid van de landbouwmethoden in de Gemeenschap moet worden voldaan aan plaatselijke normen.

(4)

Voor een perceel dat in een bepaald jaar wordt beteeld, dient slechts één aanvraag voor een areaalbetaling te worden toegestaan, tenzij de steun betrekking heeft op de productie van zaaizaad. Areaalbetalingen kunnen worden toegekend voor gewassen die worden gesubsidieerd op grond van een regeling in het kader van het structuur- of milieubeleid van de Gemeenschap.

(5)

In steunregelingen is bepaald dat, indien de oppervlakte, de hoeveelheid of het aantal dieren waarvoor steun wordt aangevraagd, groter is dan een bepaald maximum, de oppervlakte, de hoeveelheid of het aantal waarvoor de steun wordt aangevraagd, in het betrokken jaar proportioneel wordt verlaagd. Daarom moet worden bepaald op welke wijze en vóór welke datum de lidstaten de Commissie de gegevens moeten verstrekken en de Commissie moeten informeren over de oppervlakten, hoeveelheden of aantallen waarvoor de steun is betaald.

(6)

De betalingsvoorwaarden voor en de berekening van de gewasspecifieke betaling voor rijst hangen niet alleen af van het basisareaal dat of de basisarealen die in artikel 75 van Verordening (EG) nr. 73/2009 voor elke producerende lidstaat is of zijn vastgesteld, maar ook van de eventuele onderverdeling van een basisareaal in subbasisarealen en van de objectieve criteria die de betrokken lidstaat voor die onderverdeling heeft gekozen, van de teeltvoorwaarden die gelden voor de beteelde percelen, en van de minimumgrootte van het areaal. Daarom zijn uitvoeringsbepalingen nodig met betrekking tot de wijze waarop de basisarealen en subbasisarealen worden vastgesteld, beheerd en beteeld.

(7)

Overeenkomstig artikel 76 van Verordening (EG) nr. 73/2009 moet bij een overschrijding van het basisareaal de gewasspecifieke betaling voor rijst worden verlaagd. De bij de berekening van die verlaging te hanteren criteria en coëfficiënten moeten worden vastgesteld.

(8)

Voor het toezicht op de gewasspecifieke betalingen voor rijst heeft de Commissie bepaalde informatie nodig over het gebruik van de basisarealen en subbasisarealen. Daartoe dient te worden bepaald welke informatie de lidstaten de Commissie moeten verstrekken en welke termijnen daarvoor gelden.

(9)

De artikelen 77 en 78 van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorzien in steun aan landbouwers die voor de zetmeelproductie bestemde aardappelen produceren, mits een teeltcontract is gesloten, en binnen de contingenten zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (4). Daarom moeten de voorwaarden voor de toekenning van deze steun worden vastgesteld en moet waar nodig worden verwezen naar de bestaande bepalingen met betrekking tot de bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 ingestelde contingenteringsregeling.

(10)

De normen voor niet-bittere lupinen en de tests om uit te maken of een monster uit niet-bittere dan wel uit bittere lupinen bestaat, moeten worden vastgesteld.

(11)

In sommige regio’s worden eiwithoudende gewassen om landbouwkundige redenen van oudsher gemengd met granen ingezaaid. Het verkregen product bestaat hoofdzakelijk uit eiwithoudende gewassen. De aldus ingezaaide oppervlakten moeten daarom voor de toekenning van de premie voor eiwithoudende gewassen als oppervlakten met eiwithoudende gewassen worden beschouwd.

(12)

Met het oog op een doelmatige steunverlening voor noten en een goed beheer van de betrokken steunregeling mag de toegekende areaalsteun niet worden gebruikt om marginale aanplantingen of geïsoleerde bomen te financieren. Daarom moet het om een gespecialiseerde boomgaard gaan, waarbij een minimale perceelsgrootte en een minimale boomdichtheid moeten worden vastgesteld.

(13)

In artikel 87 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is bepaald dat rechtstreekse steun kan worden toegekend voor de productie van zaaizaad van een of meer soorten. Die steun mag alleen worden toegekend voor de productie van basiszaad of gecertificeerd zaad en deze producten moeten duidelijk worden omschreven door verwijzing naar de richtlijnen betreffende de certificering en het in de handel brengen van zaaizaad: Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (5), Richtlijn 66/402/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (6) en Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (7).

(14)

Om controles mogelijk te maken, moeten het basiszaad en het gecertificeerd zaad worden geproduceerd in het kader van vermeerderingscontracten of -aangiften, waarvan een kopie bij de verzamelaanvraag moet worden gevoegd, en moeten de zaadhandelaren en de kwekers officieel zijn erkend of geregistreerd.

(15)

Op grond van bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 73/2009 mag in het geval van Cannabis sativa L. de productiesteun alleen worden betaald voor basiszaad en gecertificeerd zaad van rassen met een tetrahydrocannabinolgehalte van ten hoogste 0,2 %. Met het oog op een uniforme toepassing in de gehele Gemeenschap van de regels voor de steunverlening moet worden vastgesteld welke rassen van Cannabis sativa L. in het kader van artikel 39 van Verordening (EG) nr. 73/2009 in aanmerking komen voor rechtstreekse betalingen.

(16)

Titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorziet in een gewasspecifieke betaling voor katoen. Voor de toepassing van die regeling moeten uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld. Deze moeten onder meer betrekking hebben op de verlening van een vergunning voor grond die geschikt is voor de productie van katoen, en op de toelating van rassen. Voorts moet een criterium worden vastgesteld om aan te geven wat onder inzaai wordt verstaan. Een minimale gewasdichtheid die door de lidstaat is vastgesteld met inachtneming van de bodem- en klimaatgesteldheid en van de specifieke regionale kenmerken, is een objectief criterium om uit te maken of de inzaai correct is uitgevoerd.

(17)

De lidstaten moeten de brancheorganisaties voor de productie van katoen erkennen op basis van objectieve criteria met betrekking tot de omvang en de interne werking van die organisaties. Bij de vaststelling van de minimale omvang van een brancheorganisatie moet er rekening mee worden gehouden dat elk bij die brancheorganisatie aangesloten egreneringsbedrijf toereikende hoeveelheden niet-geëgreneerde katoen in ontvangst moet kunnen nemen.

(18)

Om het beheer van de steunregeling niet te ingewikkeld te maken, mag een producent slechts bij één brancheorganisatie zijn aangesloten. Om dezelfde reden mag een tot een brancheorganisatie behorende producent die zich ertoe verbindt de door hem geproduceerde katoen te leveren, deze katoen alleen leveren aan een bij diezelfde organisatie aangesloten egreneringsbedrijf.

(19)

In het kader van de steunregeling voor katoen moeten de lidstaten hun producenten bepaalde informatie over de katoenteelt verstrekken, zoals de toegelaten rassen, de objectieve criteria voor de verlening van een vergunning voor grond en de minimale gewasdichtheid. Met het oog op de tijdige voorlichting van de landbouwers moet de lidstaat deze informatie vóór een bepaalde datum aan hen verstrekken.

(20)

In titel IV, hoofdstuk 1, afdelingen 8 en 9, van Verordening (EG) nr. 73/2009 is bepaald dat voor groenten en fruit steun mag worden verleend, mits een verwerkingscontract is gesloten. Daartoe dient te worden verlangd dat ten aanzien van de betrokken landbouwgrondstoffen een contract wordt gesloten tussen, enerzijds, een erkende eerste verwerker en, anderzijds, een teler of een erkende producentenorganisatie die hem vertegenwoordigt of, in het geval van de overgangsbetalingen voor groenten en fruit en de overgangsbetaling voor zacht fruit, een erkende inzamelaar die de teler vertegenwoordigt.

(21)

Om te garanderen dat de grondstoffen die afkomstig zijn van de oppervlakten waarvoor de overgangsbetalingen voor groenten en fruit en de overgangsbetaling voor zacht fruit worden verleend, uiteindelijk worden verwerkt, moet een regeling voor de erkenning van eerste verwerkers en inzamelaars worden ingesteld. Dergelijke erkende marktdeelnemers moeten aan minimumeisen voldoen, waarbij zij bij niet-nakoming van hun verplichtingen sancties opgelegd krijgen overeenkomstig op nationaal niveau door de bevoegde autoriteiten vast te stellen nadere regels.

(22)

Om het totaalbedrag voor de overgangsbetalingen voor groenten en fruit op passende wijze te kunnen beheren, moeten de lidstaten vroeg in het jaar een indicatief steunbedrag per hectare en vóór de periode waarin de betalingen worden verricht, het definitieve steunbedrag per hectare vaststellen.

(23)

De criteria waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 10, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde premies in de schapen- en geitenvleessectoren, en met name de voorwaarden die daaraan moeten worden verbonden, moeten worden vastgesteld.

(24)

Op grond van artikel 101, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan in bepaalde gebieden van de Gemeenschap aan producenten van geitenvlees een premie worden verleend. Bijgevolg moet aan de hand van de in dat lid vastgestelde criteria worden bepaald om welke gebieden het gaat.

(25)

Op grond van artikel 102, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 kunnen landbouwers met een bedrijf waarvan de voor landbouw gebruikte oppervlakte voor ten minste 50 % in probleemgebieden ligt, in aanmerking komen voor een aanvullende premie. In artikel 101, lid 2, is sprake van de specifieke geografische gebieden waar de producenten van geitenvlees voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de geitenpremie. Bepaald dient te worden dat de landbouwers die aan de bovenbedoelde criteria voldoen, een aangifte moeten indienen waaruit blijkt dat ten minste de helft van de oppervlakte die zij voor landbouwproductie gebruiken, is gelegen in probleemgebieden of in gebieden waar de geitenpremie kan worden toegekend.

(26)

Ten behoeve van de controle of de aanvragen voor de ooienpremie correct zijn wat het gevraagde premieniveau betreft, moeten de lidstaten een inventaris opstellen van de landbouwers die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkopen.

(27)

Voor de uitvoering van het bij de artikelen 104, 105 en 106 van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingevoerde stelsel van individuele maxima kunnen, op terreinen zoals met name het gebruik van om niet toegekende rechten, het gebruik van normale rechten inclusief een minimumgebruik, de tijdelijke verhuur en de overdracht van rechten, de kennisgeving van wijzigingen van het individuele maximum en de overdracht van rechten via de nationale reserve, de bestaande administratieve regels verder worden toegepast. Sommige van die regels zijn specifieke bepalingen voor naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen zoals, wat het gebruik van rechten betreft, het geval van kleine landbouwers en van landbouwers die deelnemen aan een extensiveringsprogramma of aan een programma voor vervroegde uittreding, en, wat overdrachten betreft, het erven van premierechten en het geval van landbouwers die uitsluitend weidegrond in overheids- of collectief bezit gebruiken.

(28)

De Commissie moet de uitvoering van de nieuwe regelingen nauwlettend volgen en daarom moeten de lidstaten de essentiële informatie over de toepassing van de premievoorschriften naar behoren aan haar verstrekken.

(29)

In voorkomend geval moet aan de Commissie nadere informatie worden verstrekt over de nationale voorschriften voor de extra betalingen en over de tenuitvoerlegging van die betalingen.

(30)

Titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 11, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorziet in rund- en kalfsvleesbetalingen. De criteria om voor die betalingen in aanmerking te komen, en met name de voorwaarden die daaraan moeten worden verbonden, moeten worden vastgesteld.

(31)

Bepaald dient te worden dat het in artikel 110, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde administratieve document op nationaal niveau wordt ontworpen en beschikbaar wordt gesteld. In verband met de specifieke omstandigheden op het gebied van het beheer en de controle in de lidstaten moeten verschillende vormen van administratieve documenten worden toegestaan.

(32)

Artikel 110, lid 3, onder a), en artikel 116, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 stellen de toekenning van de speciale premie en van de slachtpremie afhankelijk van de inachtneming van een aanhoudperiode. Bijgevolg moet die periode nader worden omschreven en moet de duur ervan worden vastgesteld.

(33)

Het is wenselijk dat de toekenningsregeling voor de bij het slachten verleende speciale premie de nodige samenhang vertoont met die voor de slachtpremie. Gepreciseerd dient te worden welke soorten documenten het dier moeten volgen totdat het wordt geslacht, verzonden of uitgevoerd. Met het oog op de specifieke omstandigheden in het geval van toekenning van de speciale premie bij het slachten, moet worden aangegeven welke leeftijdsvoorwaarden voor ossen gelden en van welke aanbiedingsvorm van geslachte volwassen runderen wordt uitgegaan.

(34)

Het in artikel 111 van Verordening (EG) nr. 73/2009 omschreven begrip „zoogkoe” dient te worden gepreciseerd. Het is dienstig daartoe met dezelfde rassen te werken als in Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen (8). Bovendien kunnen de belangrijkste bestaande voorschriften verder worden toegepast, vooral wat de gemiddelde melkopbrengst en de aanvullende nationale premie betreft.

(35)

De bestaande administratieve bepalingen kunnen verder worden toegepast, vooral op het gebied van de individuele maxima, de kennisgevingen met betrekking tot de individuele maxima en de nationale reserve, de om niet verkregen rechten, het gebruik van de rechten, de overdracht en de tijdelijke verhuur van rechten en de overdrachten via de nationale reserve.

(36)

De Commissie moet op basis van de beschikbare informatie bepalen welke lidstaten voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 115 van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde specifieke regeling. De bijzondere voorschriften voor de toekenning van de premie moeten worden bepaald.

(37)

Specifieke bepalingen moeten worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de regels inzake termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden op de aanhoudperioden.

(38)

Ter vereenvoudiging dient de steunaanvraag voor dieren in het kader van het geïntegreerd systeem als aanvraag voor de slachtpremie te gelden mits daarin alle ter rechtvaardiging van de betaling van die premie benodigde elementen zijn opgenomen en mits het dier in dezelfde of een andere lidstaat wordt geslacht of wordt uitgevoerd.

(39)

Het dient mogelijk te worden gemaakt het gecomputeriseerde gegevensbestand zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (9) te gebruiken om het beheer van de slachtpremie te vergemakkelijken, mits de betrokken lidstaat van oordeel is dat dit gegevensbestand voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de juistheid van de erin opgenomen gegevens die nodig zijn voor de betaling van die premie.

(40)

Voor kalveren kan de slachtpremie slechts worden toegekend als deze dieren een bepaald gewicht niet overschrijden. Daarom moet worden bepaald op welke standaardaanbiedingsvorm van geslachte kalveren dit maximumgewicht betrekking heeft.

(41)

Om ervoor te zorgen dat de landbouwers de betalingen zo snel mogelijk ontvangen, dient te worden voorzien in de verstrekking van voorschotten. Voorkomen moet echter worden dat het voorschot hoger is dan de definitieve betaling na toepassing van het nationale of regionale maximum. Daarom dient de lidstaten te worden toegestaan het voor te schieten percentage te verlagen waar het gaat om de premieregelingen waarvoor een dergelijk maximum geldt.

(42)

Aangegeven moet worden welke datum bepalend is voor de elementen waarmee bij de toepassing van de regelingen inzake de speciale premie en de zoogkoeienpremie rekening moet worden gehouden. Omwille van een doeltreffend en samenhangend beheer dient dat in de regel de datum te zijn waarop de aanvraag wordt ingediend. Voor de speciale premie die bij het slachten wordt toegekend, dient evenwel een specifieke regeling te worden getroffen om overdracht naar het volgende jaar ter verkrijging van een hogere premie te voorkomen. Bij de slachtpremie is de datum waarop het dier wordt geslacht of uitgevoerd, representatiever voor de werkelijkheid.

(43)

Om te voorkomen dat een groot aantal aanvragen zou moeten worden beheerd waarmee een zeer lage betaling per bedrijf is gemoeid, hebben Bulgarije, Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië en Slowakije overeenkomstig artikel 124, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 verzocht de minimumgrootte van de in aanmerking komende oppervlakte per bedrijf te mogen vaststellen op meer dan 0,3 ha.

(44)

De nieuwe lidstaten in de zin van artikel 2, onder g), van Verordening (EG) nr. 73/2009 die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, hebben geschat welk deel van hun oppervlakte cultuurgrond op 30 juni 2003 in een goede landbouwconditie verkeerde, en hebben voorgesteld het aan te passen op basis van de minimumgrootte van de in aanmerking komende oppervlakte per bedrijf.

(45)

Op grond van artikel 132 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bestaat in de nieuwe lidstaten de mogelijkheid om, na goedkeuring door de Commissie, aan landbouwers betaalde rechtstreekse steun aan te vullen. De algemene voorschriften voor de toepassing van deze mogelijkheid dienen te worden vastgesteld.

(46)

Gelet op de specifieke bepalingen inzake de steun voor energiegewassen waarin titel IV, hoofdstuk 5, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet, en het braakleggingsprogramma waarin titel IV, hoofdstuk 10, van die verordening voorziet, met name wat betreft meerjarige gewassen, en om onnodige administratieve lasten voor landbouwers en verwerkers na de afschaffing van deze steun weg te nemen, moeten overgangsbepalingen voor een soepele afschaffing ervan en voor de vrijgave van de door de inzamelaars en verwerkers gestelde zekerheden worden vastgesteld.

(47)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij de onderhavige verordening worden uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de volgende bij titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde steunregelingen:

a)

de gewasspecifieke betaling voor rijst als bedoeld in afdeling 1 daarvan;

b)

de steun voor zetmeelaardappeltelers als bedoeld in afdeling 2 daarvan;

c)

de premie voor eiwithoudende gewassen als bedoeld in afdeling 3 daarvan;

d)

de areaalbetaling voor noten als bedoeld in afdeling 4 daarvan;

e)

de steun voor zaaizaad als bedoeld in afdeling 5 daarvan;

f)

de gewasspecifieke betaling voor katoen als bedoeld in afdeling 6 daarvan;

g)

de overgangsbetalingen voor groenten en fruit en de overgangsbetaling voor zacht fruit als bedoeld in de afdelingen 8 en 9 daarvan;

h)

premies in de schapen- en geitenvleessectoren als bedoeld in afdeling 10 daarvan;

i)

de rund- en kalfsvleesbetalingen als bedoeld in afdeling 11 daarvan.

2.   Bij de onderhavige verordening worden uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de volgende bij titel V van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde steunregelingen:

a)

de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in hoofdstuk 2 daarvan;

b)

de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen als bedoeld in hoofdstuk 4 daarvan.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van de onderhavige verordening gelden de definities in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 73/2009, in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie (10) en in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie (11).

Met name is de in artikel 2, onder n), van Verordening (EG) nr. 1120/2009 opgenomen definitie van „hakhout met korte omlooptijd” van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de regeling inzake een enkele areaalbetaling.

Artikel 3

Cumulatie van areaalbetalingen

In een bepaald jaar mag voor een beteeld perceel niet meer dan één aanvraag voor een areaalbetaling als vermeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 worden ingediend.

Artikel 4

Kennisgeving van de aanvragen van landbouwers en de desbetreffende betalingen

1.   De lidstaten delen aan de hand van het door de Commissie aan hen beschikbaar gestelde formulier langs elektronische weg de volgende informatie aan de Commissie mee:

a)

uiterlijk op 1 september van het betrokken jaar:

i)

de totale oppervlakte waarvoor de steun is aangevraagd in het geval van:

de gewasspecifieke betaling voor rijst als bedoeld in artikel 73 van Verordening (EG) nr. 73/2009,

de premie voor eiwithoudende gewassen als bedoeld in artikel 79 van Verordening (EG) nr. 73/2009,

de areaalbetaling voor noten als bedoeld in artikel 82 van Verordening (EG) nr. 73/2009, uitgesplitst naar categorie notenboom,

de gewasspecifieke betaling voor katoen als bedoeld in artikel 88 van Verordening (EG) nr. 73/2009,

de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in artikel 122 van Verordening (EG) nr. 73/2009;

ii)

het totale aantal aanvragen in het geval van de premies voor schapen en geiten als bedoeld in artikel 99 van Verordening (EG) nr. 73/2009, uitgesplitst naar categorie vrouwelijk dier en naar premiecategorie;

b)

uiterlijk op 15 oktober van het betrokken jaar, de totale geconstateerde oppervlakte in het geval van de premie voor eiwithoudende gewassen als bedoeld in artikel 79 van Verordening (EG) nr. 73/2009;

c)

uiterlijk op 31 januari van het volgende jaar:

i)

de totale geconstateerde oppervlakte, gebruikt voor de berekening van de verlagingscoëfficiënt in het geval van:

de gewasspecifieke betaling voor rijst als bedoeld in artikel 73 van Verordening (EG) nr. 73/2009, uitgesplitst naar basisareaal en subbasisareaal,

de areaalbetaling voor noten als bedoeld in artikel 82 van Verordening (EG) nr. 73/2009, uitgesplitst naar categorie notenboom,

de gewasspecifieke betaling voor katoen als bedoeld in artikel 88 van Verordening (EG) nr. 73/2009,

de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in artikel 122 van Verordening (EG) nr. 73/2009;

ii)

het totale aantal mannelijke runderen waarvoor de in artikel 110 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde speciale premie is aangevraagd, uitgesplitst naar leeftijdstranche en naar categorie (stier of os);

iii)

het totale aantal koeien waarvoor de in artikel 111 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde zoogkoeienpremie is aangevraagd, uitgesplitst naar regeling als genoemd in artikel 111, lid 2, onder a) en b);

d)

uiterlijk op 1 maart van het volgende jaar, het totale aantal dieren waarvoor de in artikel 116 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde slachtpremie is aangevraagd, met de vermelding of het om geslachte dan wel om uitgevoerde dieren gaat, uitgesplitst naar categorie (kalf of volwassen dier);

e)

uiterlijk op 31 juli van het volgende jaar, de totale hoeveelheid waarvoor de steun daadwerkelijk is betaald in het geval van de in artikel 87 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steun voor zaaizaad, uitgesplitst naar zaadsoort als vermeld in bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 73/2009.

2.   In de in lid 1 bedoelde kennisgevingen worden de oppervlakten uitgedrukt in hectaren tot twee cijfers achter de komma; de hoeveelheden worden uitgedrukt in tonnen tot drie cijfers achter de komma.

3.   Indien de op grond van lid 1 te verstrekken informatie wijzigingen ondergaat, met name als gevolg van de controles of van correcties of verbeteringen van bestaande cijfers, wordt de bijgewerkte informatie binnen één maand na de wijziging aan de Commissie toegezonden.

TITEL II

SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN VOOR TITEL IV VAN VERORDENING (EG) Nr. 73/2009

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 5

Specifieke vereisten inzake minimumoppervlakten en de inzaai en teelt

1.   De gewasspecifieke betaling voor rijst, de premie voor eiwithoudende gewassen, de steun voor zaaizaad en de betalingen voor groenten en fruit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder respectievelijk a), c), e) en g), worden slechts toegekend voor de oppervlakten per gewastype waarvoor een steunaanvraag voor ten minste 0,3 hectare is ingediend. Voorts is elk beteeld perceel niet kleiner dan de minimumgrootte die de lidstaat binnen de in artikel 13, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 aangegeven grenzen heeft vastgesteld.

In het geval van Malta worden de in artikel 1, lid 1, onder a), c), e), en g), bedoelde rechtstreekse betalingen slechts toegekend voor de oppervlakten per gewastype waarvoor een aanvraag voor ten minste 0,1 hectare is ingediend, waarbij elk beteeld perceel niet kleiner is dan de minimumgrootte die de lidstaat binnen de in artikel 13, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 aangegeven grenzen heeft vastgesteld.

In het geval van Griekenland worden de in artikel 1, lid 1, onder g), bedoelde overgangsbetalingen voor groenten en fruit slechts toegekend voor de oppervlakten per gewastype waarvoor een aanvraag voor ten minste 0,1 hectare is ingediend, waarbij elk beteeld perceel niet kleiner is dan de minimumgrootte die de lidstaat binnen de in artikel 13, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 aangegeven grenzen heeft vastgesteld.

In het geval van Bulgarije, Letland, Hongarije en Polen wordt de in artikel 1, lid 1, onder g), bedoelde betaling voor zacht fruit slechts toegekend voor de oppervlakten per gewastype waarvoor een aanvraag voor ten minste 0,1 hectare is ingediend, waarbij elk beteeld perceel niet kleiner is dan de minimumgrootte die de lidstaat binnen de in artikel 13, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 aangegeven grenzen heeft vastgesteld.

2.   Alleen percelen die ten minste 0,10 hectare groot zijn, komen in aanmerking voor de in artikel 1, lid 1, onder d), bedoelde areaalbetaling. De lidstaten mogen evenwel op basis van objectieve criteria en met inachtneming van de specifieke kenmerken van de betrokken oppervlakte een hogere minimale perceelgrootte vaststellen.

3.   De gewasspecifieke betaling voor rijst, de premie voor eiwithoudende gewassen en de betalingen voor groenten en fruit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder respectievelijk a), c) en g), worden slechts toegekend voor volledig ingezaaide of beplante oppervlakten waarop alle normale teeltwerkzaamheden in overeenstemming met de plaatselijke normen zijn uitgevoerd.

Artikel 6

Verlagingscoëfficiënten

De coëfficiënt voor de verlaging van de oppervlakten in de in artikel 76, artikel 81, lid 2, en artikel 84, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde gevallen worden vóór de toekenning van de betalingen aan de landbouwers en uiterlijk op 31 januari van het volgende jaar vastgesteld op basis van de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b) en c), van de onderhavige verordening verstrekte gegevens.

HOOFDSTUK 2

Gewasspecifieke betaling voor rijst

Artikel 7

Uiterste data voor de inzaai

Om voor de gewasspecifieke betaling voor rijst in aanmerking te komen, is de aangegeven oppervlakte ingezaaid uiterlijk op:

a)

30 juni voorafgaande aan de betrokken oogst wat Frankrijk, Italië, Portugal en Spanje betreft;

b)

31 mei voorafgaande aan de betrokken oogst wat de overige in artikel 74, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde producerende lidstaten betreft.

Artikel 8

Verlagingscoëfficiënt

De in artikel 76 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde verlagingscoëfficiënt voor de gewasspecifieke betaling voor rijst wordt berekend overeenkomstig bijlage I bij de onderhavige verordening.

Artikel 9

Kennisgevingen

De lidstaten kunnen de onderverdeling van hun in artikel 75 van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde basisareaal of basisarealen in subbasisarealen en de objectieve criteria waarop die onderverdelingen zijn gebaseerd, jaarlijks herzien. Zij zenden deze informatie uiterlijk op 15 mei voorafgaande aan de betrokken oogst aan de Commissie toe.

HOOFDSTUK 3

Steun voor zetmeelaardappeltelers

Artikel 10

Subsidiabiliteit

De in artikel 77 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steun voor zetmeelaardappeltelers wordt toegekend voor aardappelen die onder een teeltcontract zoals bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 571/2009 van de Commissie (12) vallen, op basis van het nettogewicht van de aardappelen zoals bepaald met behulp van een van de methoden zoals beschreven in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2235/2003 van de Commissie (13), en van het zetmeelgehalte van de geleverde aardappelen, in overeenstemming met de in bijlage II bij die verordening vastgestelde waarden.

Behalve bij toepassing van artikel 5, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 571/2009 wordt geen steun voor zetmeelaardappelen toegekend voor aardappelen met een zetmeelgehalte van minder dan 13 %.

Artikel 11

Minimumprijs

Aan de steun voor zetmeelaardappeltelers wordt de voorwaarde verbonden dat wordt bewezen dat, in overeenstemming met de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 2235/2003 vastgestelde waarden, een prijs franco fabriek is betaald die niet lager is dan de in artikel 95 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 vastgestelde prijs.

Artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 571/2009 is van toepassing.

Artikel 12

Betaling

1.   Onverminderd artikel 29 van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt de steun voor zetmeelaardappelen door de lidstaat waar het bedrijf is gevestigd dat de aardappelen voor de vervaardiging van het aardappelzetmeel levert, uitbetaald per landbouwer nadat al diens hoeveelheden voor het verkoopseizoen aan het aardappelmeelbedrijf zijn geleverd, zulks binnen vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop het in artikel 11 van de onderhavige verordening bedoelde bewijs is geleverd en is voldaan aan de in artikel 10 van de onderhavige verordening gestelde voorwaarden.

2.   Vanaf 1 december van het verkoopseizoen kunnen de lidstaten voorschotten verstrekken op basis van de verschillende delen van de hoeveelheid zetmeelaardappelen per landbouwer die voor dat verkoopseizoen aan het aardappelmeelbedrijf zijn geleverd. Elk voorschot wordt verstrekt voor de geleverde hoeveelheid zetmeelaardappelen waarvoor het in artikel 11 bedoelde bewijs is geleverd en is voldaan aan de in artikel 10 gestelde voorwaarden.

HOOFDSTUK 4

Premie voor eiwithoudende gewassen

Artikel 13

Niet-bittere lupinen

Voor de premie voor eiwithoudende gewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt onder „niet-bittere lupinen” verstaan: de lupinerassen die zaad opleveren dat niet meer dan 5 % bittere zaden bevat. Het gehalte aan bittere zaden wordt berekend aan de hand van de in bijlage II bij de onderhavige verordening vermelde test.

Artikel 14

Mengsels van granen en eiwithoudende gewassen

In regio’s waar eiwithoudende gewassen van oudsher vermengd met granen worden ingezaaid, wordt op verzoek van de aanvrager de premie voor eiwithoudende gewassen betaald mits de aanvrager ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat bewijst dat de eiwithoudende gewassen in het mengsel overheersen.

HOOFDSTUK 5

Areaalbetaling voor noten

Artikel 15

Voorwaarden voor de betaling van de communautaire steun

1.   De in artikel 82 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde areaalbetaling wordt slechts uitbetaald voor percelen landbouwgrond die zijn beplant met notenbomen en die op de overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 vastgestelde datum voldoen aan de voorwaarden van de leden 2 en 3 van het onderhavige artikel.

Wanneer een perceel is beplant met verschillende soorten notenbomen en de steun naargelang van de soort wordt gedifferentieerd, wordt de steun slechts uitbetaald indien op dat perceel, van ten minste één notenboomsoort, het in lid 2 van het onderhavige artikel vastgestelde minimumaantal bomen per hectare voorkomt.

2.   Het aantal notenbomen per hectare mag niet kleiner zijn dan:

i)

125 voor hazelnoten;

ii)

50 voor amandelen;

iii)

50 voor walnoten;

iv)

50 voor pistaches;

v)

30 voor sint-jansbrood.

De lidstaten mogen evenwel op basis van objectieve criteria en met inachtneming van de specifieke kenmerken van de betrokken producten een hogere minimale boomdichtheid vaststellen.

3.   In de in lid 1, tweede alinea, bedoelde gevallen is het niveau van de toe te kennen steun het niveau dat overeenstemt met de soort waarvoor de subsidiabiliteitscriteria zijn vervuld en waarvoor het bedrag het hoogste is.

Artikel 16

Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de nationale steun

Artikel 15 van de onderhavige verordening is van toepassing op de in de artikelen 86 en 120 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde nationale steun.

Onverminderd artikel 86 van Verordening (EG) nr. 73/2009, kan de lidstaat nadere criteria vaststellen om voor de steun in aanmerking te komen, mits die criteria stroken met de doelstellingen van de steunregeling op milieu-, plattelands-, maatschappelijk en economisch gebied en niet tot discriminatie tussen producenten leiden. De lidstaten stellen de nodige regelingen vast om te controleren of de landbouwers aan die nadere criteria voldoen.

Artikel 17

Kennisgevingen

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie in elk geval vóór de uiterste datum voor de indiening van een aanvraag die de lidstaten overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 hebben vastgesteld, de volgende informatie:

a)

uiterlijk op 31 maart: de hogere dichtheidsniveaus en de betrokken criteria zoals bedoeld in artikel 15, lid 2, van de onderhavige verordening en de nadere criteria zoals bedoeld in artikel 16;

b)

uiterlijk op 15 mei: in het geval dat de lidstaat de steun overeenkomstig artikel 82, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 differentieert, het niveau van de areaalbetaling per product en/of het gewijzigde nationale gegarandeerde areaal (NGA).

2.   Elke wijziging van de overeenkomstig lid 1 aan de Commissie te verstrekken informatie geldt vanaf het volgende jaar en wordt door de betrokken lidstaat ter kennis gebracht van de Commissie met vermelding van de objectieve criteria die de wijziging rechtvaardigen.

HOOFDSTUK 6

Steun voor zaaizaad

Artikel 18

Certificering van zaaizaad

De steun voor zaaizaad als bedoeld in artikel 87 van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 23 van de onderhavige verordening verleend voor de productie van basiszaad en gecertificeerd zaad zoals gedefinieerd in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG en 2002/57/EG, welk zaaizaad voldoet aan de in die richtlijnen vastgestelde normen en voorwaarden.

Artikel 19

Productie van zaaizaad

1.   Het zaaizaad wordt geproduceerd:

a)

hetzij op grond van een vermeerderingscontract dat is gesloten tussen een zaadhandelaar of een kweker enerzijds, en een zaadvermeerderingsbedrijf anderzijds,

b)

hetzij rechtstreeks door de zaadhandelaar of de kweker zelf; tot staving van deze productie dient een vermeerderingsaangifte te zijn gedaan.

2.   De in lid 1 bedoelde zaadhandelaren en kwekers worden door de lidstaten erkend of geregistreerd. Erkenning of registratie door een lidstaat geldt voor de gehele Gemeenschap.

3.   Een zaadhandelaar of een kweker die zaad vermeerdert of laat vermeerderen in een andere lidstaat dan die waar hij overeenkomstig lid 2 is erkend of geregistreerd, verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat op hun verzoek alle informatie die nodig is voor de controle op het recht op steun.

Artikel 20

Territoriale steunvoorwaarden

De lidstaten kennen de steun slechts toe voor zaaizaad dat op hun grondgebied is geoogst tijdens het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen begint waarvoor de steun is vastgesteld.

De steun wordt aan de zaadvermeerderingsbedrijven toegekend onder zodanige voorwaarden dat de begunstigden gelijk worden behandeld ongeacht hun plaats van vestiging in de Gemeenschap.

Artikel 21

In de handel brengen van het zaaizaad

De steun wordt slechts toegekend voor zover de begunstigde het betrokken zaaizaad uiterlijk op 15 juni van het jaar volgende op de oogst werkelijk voor inzaai in de handel heeft gebracht. Onder „in de handel brengen” wordt verstaan: het ter beschikking of in voorraad houden, met het oog op verkoop tentoonstellen, te koop aanbieden, verkopen of leveren aan een andere persoon.

Artikel 22

Voorschotten

De lidstaten kunnen vanaf 1 december van het jaar waarvoor de steun wordt toegekend, aan de zaadvermeerderingsbedrijven voorschotten toekennen. Een dergelijke betaling staat in verhouding tot de hoeveelheid zaaizaad die reeds voor inzaai in de handel is gebracht in de zin van artikel 21, en is slechts mogelijk indien aan alle voorwaarden van het onderhavige hoofdstuk is voldaan.

Artikel 23

Henneprassen

De henneprassen (Cannabis sativa L.) die voor de steun voor zaaizaad krachtens artikel 87, lid 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 in aanmerking komen, zijn die welke worden bedoeld in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1120/2009.

HOOFDSTUK 7

Gewasspecifieke betaling voor katoen

Artikel 24

Verlening van een vergunning voor landbouwgrond met het oog op de productie van katoen

De lidstaten stellen de objectieve criteria vast op basis waarvan voor grond een vergunning wordt verleend ten behoeve van de toekenning van de gewasspecifieke betaling voor katoen zoals bedoeld in artikel 88 van Verordening (EG) nr. 73/2009.

De criteria zijn gebaseerd op een of meer van de volgende elementen:

a)

de landbouweconomie van de regio’s waarvoor de productie van katoen belangrijk is;

b)

de bodem- en klimaatgesteldheid op de betrokken oppervlakten;

c)

het beheer van het irrigatiewater;

d)

milieuvriendelijke vruchtwisselingen en teelttechnieken.

Artikel 25

Toelating van rassen voor inzaai

De lidstaten laten de in de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen opgenomen rassen toe die zijn aangepast aan de marktbehoeften.

Artikel 26

Voorwaarden voor subsidiabiliteit

De in artikel 89, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde inzaai van oppervlakten wordt gerealiseerd door te zorgen voor een minimale gewasdichtheid die door de lidstaat wordt vastgesteld met inachtneming van de bodem- en klimaatgesteldheid en eventueel van de specifieke regionale kenmerken.

Artikel 27

Landbouwwerkzaamheden

De lidstaten mogen specifieke voorschriften vaststellen met betrekking tot de landbouwwerkzaamheden die nodig zijn om het gewas in normale groeiomstandigheden in stand te houden en te oogsten.

Artikel 28

Erkenning van brancheorganisaties

1.   Elk jaar erkennen de lidstaten vóór 31 december met het oog op de inzaai in het volgende jaar elke brancheorganisatie voor de productie van katoen die daarom verzoekt en die:

a)

een door de lidstaat vastgesteld totaal areaal van ten minste 4 000 ha bestrijkt dat voldoet aan de in artikel 24 bedoelde criteria voor de verlening van een vergunning, en die ten minste één egreneringsbedrijf omvat;

b)

overeenkomstig de nationale en de communautaire regelgeving voorschriften inzake de interne werking heeft vastgesteld, met name inzake lidmaatschapsvoorwaarden en ledenbijdragen.

2.   Wanneer wordt geconstateerd dat een erkende brancheorganisatie de in lid 1 vastgestelde erkenningscriteria niet in acht neemt, trekt de lidstaat de erkenning in tenzij de niet-inachtneming van de betrokken criteria binnen een redelijke termijn wordt verholpen. Lidstaten die voornemens zijn de erkenning in te trekken, delen dat aan de brancheorganisatie mee onder vermelding van de redenen voor de intrekking. De lidstaat stelt de brancheorganisatie in de gelegenheid om binnen een bepaalde termijn haar opmerkingen in te dienen. De lidstaten voorzien in de toepassing van passende sancties in het geval dat de erkenning wordt ingetrokken.

Landbouwers die zijn aangesloten bij een erkende brancheorganisatie waarvan de erkenning overeenkomstig de eerste alinea van dit lid wordt ingetrokken, verliezen hun recht op de in artikel 92, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bepaalde verhoging van de steun.

Artikel 29

Verplichtingen van de producenten

1.   Een producent mag slechts bij één brancheorganisatie zijn aangesloten.

2.   Een producent die bij een brancheorganisatie is aangesloten, levert zijn katoenproductie aan een egreneringsbedrijf dat tot diezelfde organisatie behoort.

3.   De aansluiting van producenten bij een erkende brancheorganisatie moet voortvloeien uit een vrijwillige toetreding.

Artikel 30

Mededelingen aan de producenten

1.   De lidstaten delen de katoenproducerende landbouwers vóór 31 januari van het betrokken jaar het volgende mee:

a)

de toegelaten rassen; de rassen die na die datum overeenkomstig artikel 25 worden toegelaten, moeten evenwel vóór 15 maart van hetzelfde jaar aan de landbouwers worden meegedeeld;

b)

de criteria om voor grond een vergunning te verlenen;

c)

de in artikel 26 bedoelde minimale gewasdichtheid;

d)

de vereiste landbouwwerkzaamheden.

2.   Indien de toelating van een ras wordt ingetrokken, stellen de lidstaten de landbouwers daar uiterlijk op 31 januari van in kennis met het oog op de inzaai in het volgende jaar.

HOOFDSTUK 8

Overgangsbetalingen voor groenten en fruit en overgangsbetaling voor zacht fruit

Artikel 31

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)

„aanvrager”: een landbouwer die in de artikelen 96 en 98 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde oppervlakten beteelt om de bij die artikelen ingestelde steunbedragen te verkrijgen;

b)

„steun”: de bij artikel 96 van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde overgangsbetalingen voor groenten en fruit of de bij artikel 98 van die verordening ingestelde overgangsbetaling voor zacht fruit;

c)

„eerste verwerker”: een gebruiker van een landbouwgrondstof zoals bedoeld in de artikelen 96 en 98 van Verordening (EG) nr. 73/2009 die de eerste verwerking daarvan uitvoert met het oog op de verkrijging van één of meer van de in artikel 1, lid 1, onder j), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten;

d)

„inzamelaar”: een persoon die door middel van een contract dat hij sluit met een aanvrager in de zin van punt a), ten minste een van de in artikel 54, lid 2, vierde alinea, of artikel 98, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde producten voor eigen rekening koopt;

e)

„erkende producentenorganisatie”: een rechtspersoon of een duidelijk omschreven onderdeel van een rechtspersoon die of dat aan de in artikel 122, artikel 125 bis, lid 1, en artikel 125 ter, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gestelde eisen voldoet en overeenkomstig artikel 125 ter van die verordening door de betrokken lidstaat is erkend, alsmede overeenkomstig de artikelen 125 sexies en 103 bis van die verordening erkende producentengroeperingen.

Artikel 32

Contract

1.   Onverminderd de toepassing door de lidstaten van de mogelijkheid waarin artikel 97, lid 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorziet, wordt het in artikel 97, lid 3, en artikel 98, lid 2, van die verordening bedoelde contract voor verwerking gesloten tussen, enerzijds, een erkende eerste verwerker in de zin van artikel 33 en, anderzijds, een aanvrager of een erkende producentenorganisatie die hem vertegenwoordigt, of een erkende inzamelaar in de zin van artikel 33 die de aanvrager vertegenwoordigt.

Indien de erkende producentenorganisatie tevens als erkende eerste verwerker fungeert, kan het contract de vorm van een leveringsverbintenis aannemen.

2.   Het contract of de leveringsverbintenis bevat ten minste de volgende informatie:

a)

de naam en het adres van de partijen bij het contract of de leveringsverbintenis;

b)

de betrokken soorten en de met elke soort beteelde oppervlakte;

c)

als dat passend is, een verbintenis van de aanvrager om de totale geoogste hoeveelheid of de door de lidstaten vastgestelde minimumhoeveelheden aan de eerste verwerker te leveren.

In het geval dat het contract wordt gesloten tussen een erkende eerste verwerker en een erkende producentenorganisatie of een erkende inzamelaar die de aanvrager vertegenwoordigt, bevat het contract tevens de naam en het adres van de betrokken aanvragers zoals bedoeld onder a), en voor elke betrokken aanvrager de soorten en de beteelde oppervlakte zoals bedoeld onder b).

Artikel 33

Erkenning van de eerste verwerkers en de inzamelaars

1.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk zetten de lidstaten een regeling voor de erkenning van de op hun grondgebied gevestigde eerste verwerkers en inzamelaars op. Met name stellen zij voorwaarden voor de erkenning vast die ten minste het volgende garanderen:

a)

de erkende eerste verwerkers en inzamelaars beschikken over de administratieve capaciteit om de in artikel 32 bedoelde contracten te beheren;

b)

de erkende eerste verwerkers beschikken over een passende productiecapaciteit.

2.   De lidstaten zetten een procedure voor controles inzake de erkenning op.

3.   De overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad (14), Verordening (EG) nr. 2202/96 van de Raad (15) en Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad verleende erkenningen blijven geldig voor de toepassing van dit hoofdstuk.

4.   Wanneer blijkt dat een erkende eerste verwerker of inzamelaar de bij dit hoofdstuk vastgestelde verplichtingen niet nakomt of de op basis van dit hoofdstuk vastgestelde nationale bepalingen niet naleeft, of wanneer een erkende eerste verwerker of inzamelaar de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1122/2009 door de bevoegde autoriteiten te verrichten controles niet aanvaardt of vergemakkelijkt, leggen de lidstaten passende boeten op. De hoogte van de boeten wordt berekend in het licht van de ernst van de overtreding.

5.   Ten minste twee maanden vóór de overeenkomstig artikel 11, lid 2, of artikel 13, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 vastgestelde datum maken de lidstaten een lijst van de erkende eerste verwerkers en inzamelaars openbaar.

Artikel 34

Steunniveau bij de overgangsbetalingen voor groenten en fruit

1.   Ter uitvoering van artikel 97, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en vóór 15 maart van het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, stellen de lidstaten het indicatieve steunbedrag per hectare vast en maken zij dat bedrag openbaar.

2.   Ter uitvoering van artikel 97, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 stellen de lidstaten het definitieve steunbedrag per hectare vast op basis van de geconstateerde oppervlakte.

HOOFDSTUK 9

Premies in de schapen- en geitenvleessectoren

Afdeling 1

Aanvragen en betalingen

Artikel 35

Aanvragen en aanhoudperiode

1.   Naast hetgeen is vereist in het kader van het bij titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde geïntegreerd beheers- en controlesysteem (hierna „het geïntegreerd systeem” genoemd), vermelden de landbouwers in hun aanvraag voor de ooien- en geitenpremies en de aanvullende premies of zij in het jaar waarvoor de premies worden aangevraagd, al dan niet schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkopen.

2.   Aanvragen voor ooien- en geitenpremies en aanvullende premies worden bij de bevoegde autoriteit ingediend gedurende één enkele, door de betrokken lidstaat vastgestelde periode, die niet eerder begint dan op 1 november en niet later afloopt dan op 30 april, respectievelijk vóór en na het begin van het jaar waarvoor de aanvragen worden ingediend.

3.   De in artikel 103, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde periode waarvoor de landbouwer zich ertoe verbindt om gedurende die periode op zijn bedrijf het aantal ooien en/of geiten te houden waarvoor de premies worden aangevraagd (hierna „de aanhoudperiode” genoemd), duurt 100 dagen en gaat in op de eerste dag na afloop van de in lid 2 bedoelde periode voor de indiening van de aanvragen.

Artikel 36

Gebieden die in aanmerking komen voor de geitenpremie

In alle in bijlage III bij de onderhavige verordening genoemde gebieden wordt voldaan aan de in artikel 101, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde criteria.

De lidstaten gaan echter op regelmatige basis na of in alle in deze bijlage III genoemde gebieden die tot hun respectieve grondgebieden behoren, nog steeds aan die criteria wordt voldaan. Na deze evaluatie stellen de lidstaten de Commissie van elke noodzakelijke wijziging van bijlage III in kennis vóór 31 juli van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de wijziging zal gelden. In de kennisgeving wordt met name aangegeven welke in bijlage III genoemde gebieden of delen daarvan niet langer voldoen aan de in artikel 101, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde criteria, alsmede welke gebieden eventueel aan die criteria voldoen maar nog niet in bijlage III bij de onderhavige verordening zijn opgenomen. Voor die mogelijke nieuwe gebieden doen de lidstaten de Commissie een gedetailleerde motivering van hun voorstel toekomen.

Artikel 37

Aanvraag voor de aanvullende premie en voor de geitenpremie

1.   Om in aanmerking te komen voor de aanvullende premie of voor de geitenpremie dient een landbouwer op wiens bedrijf ten minste 50 % maar minder dan 100 % van de oppervlakte cultuurgrond ligt in de in artikel 102, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde gebieden of in de in bijlage III bij de onderhavige verordening genoemde gebieden, overeenkomstig de leden 2 en 3 van het onderhavige artikel een aangifte of aangiften in waarin de ligging van zijn grond is vermeld.

2.   Een landbouwer die elk jaar in het kader van een steunaanvraag zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 een aangifte van de totale oppervlakte cultuurgrond van zijn bedrijf moet indienen, vermeldt in die aangifte welke voor landbouw gebruikte percelen liggen in gebieden zoals bedoeld in artikel 102, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 of in gebieden die zijn genoemd in bijlage III bij de onderhavige verordening, naargelang van het geval.

Een landbouwer die de in de eerste alinea bedoelde aangifte niet hoeft in te dienen, dient elk jaar een specifieke aangifte in die in voorkomend geval wordt opgesteld met gebruikmaking van het systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond dat een onderdeel is van het geïntegreerd systeem.

In die specifieke aangifte moet de ligging worden aangegeven van alle gronden die de landbouwer in eigendom heeft, pacht of op basis van enigerlei afspraak gebruikt, waarbij de oppervlakte ervan wordt vermeld en opgave wordt gedaan van die voor landbouw gebruikte percelen die liggen in gebieden zoals bedoeld in artikel 102, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 of in gebieden die zijn genoemd in bijlage III bij de onderhavige verordening, naargelang van het geval. De lidstaten kunnen bepalen dat de specifieke aangifte moet worden opgenomen in de aanvraag voor de ooien- en/of de geitenpremie. De lidstaten kunnen ook verlangen dat de specifieke aangifte wordt gedaan met behulp van een formulier voor de „verzamelaanvraag”.

3.   De bevoegde nationale autoriteit kan de overlegging verlangen van een eigendomsbewijs, een pachtcontract of een schriftelijke overeenkomst tussen landbouwers en, in voorkomend geval, een verklaring van de plaatselijke of regionale autoriteit die voor landbouw gebruikte grond beschikbaar heeft gesteld aan de betrokken landbouwer. In deze verklaring wordt de aan de landbouwer beschikbaar gestelde oppervlakte vermeld onder opgave van de percelen die liggen in gebieden zoals bedoeld in artikel 102, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 of in gebieden die zijn genoemd in bijlage III bij de onderhavige verordening, naargelang van het geval.

Artikel 38

Verweidende landbouwers

1.   In de premieaanvragen van landbouwers wier bedrijf is gevestigd in een van de in artikel 102, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde geografische gebieden en die in aanmerking wensen te komen voor de aanvullende premie, wordt vermeld:

a)

op welke plaats of plaatsen de verweiding (transhumance) in het lopende jaar zal plaatsvinden;

b)

welke periode van ten minste 90 dagen zoals bedoeld in artikel 102, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 voor het lopende jaar is bepaald.

2.   De premieaanvragen van de in lid 1 bedoelde landbouwers gaan vergezeld van documenten waaruit blijkt dat de verweiding in de twee voorgaande jaren werkelijk heeft plaatsgevonden, tenzij dit onmogelijk was door overmacht of door het effect van deugdelijk aangetoonde natuurlijke omstandigheden die een nadelige invloed hadden op het leven van de kudde, en gaan met name vergezeld van een verklaring van de plaatselijke of regionale autoriteit op de plaats van verweiding waarin wordt bevestigd dat de verweiding werkelijk gedurende ten minste 90 opeenvolgende dagen heeft plaatsgevonden.

Bij de administratieve controles van de aanvragen vergewissen de lidstaten zich ervan dat de in de premieaanvraag genoemde plaats van verweiding werkelijk ligt in een gebied zoals bedoeld in artikel 102, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Artikel 39

Betaling van de premies

1.   De premies worden aan de landbouwer betaald op basis van het aantal ooien en/of geiten dat hij gedurende de gehele in artikel 35, lid 3, bedoelde aanhoudperiode op zijn bedrijf houdt.

2.   De premies worden betaald voor dieren die op de laatste dag van de aanhoudperiode aan de definities van artikel 100 van Verordening (EG) nr. 73/2009 beantwoorden.

Artikel 40

Inventaris van de landbouwers die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkopen

Voor elk jaar stellen de lidstaten uiterlijk op de dertigste dag van de aanhoudperiode op basis van de in artikel 35, lid 1, bedoelde opgaven van de landbouwers een inventaris op van de landbouwers die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkopen.

Bij de opstelling van de inventaris houden de lidstaten rekening met de resultaten van de controles en met elke andere informatiebron waarover de bevoegde autoriteit beschikt, waaronder met name de informatie die van verwerkende of distributiebedrijven wordt verkregen over de verkoop van schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk door landbouwers.

Artikel 41

Kennisgeving

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 oktober van elk jaar in kennis van de eventuele wijzigingen van de in artikel 102, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en artikel 38 van de onderhavige verordening bedoelde lijst van de geografische gebieden waar verweiding wordt toegepast.

Afdeling 2

Maxima, reserves en overdrachten

Artikel 42

Om niet verkregen rechten

Behalve in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen is het een landbouwer die om niet premierechten heeft verkregen uit de nationale reserve, gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop hij die rechten heeft verkregen, niet toegestaan zijn rechten over te dragen of tijdelijk te verhuren.

Artikel 43

Gebruik van de premierechten

1.   Een landbouwer die over rechten beschikt, kan deze gebruiken door ze zelf te doen gelden en/of ze tijdelijk aan een andere landbouwer te verhuren.

2.   Wanneer een landbouwer in een bepaald jaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten heeft gebruikt, wordt het niet-gebruikte deel aan de nationale reserve toegevoegd behalve in de volgende gevallen:

a)

in het geval van een landbouwer die over ten hoogste 20 premierechten beschikt en die in elk van twee opeenvolgende kalenderjaren niet telkens ten minste het minimumpercentage van zijn rechten heeft gebruikt, in welk geval alleen het deel dat in het tweede kalenderjaar niet is gebruikt, aan de nationale reserve wordt toegevoegd;

b)

in het geval van een landbouwer die deelneemt aan een door de Commissie erkend extensiveringsprogramma;

c)

in het geval van een landbouwer die deelneemt aan een door de Commissie erkend programma voor vervroegde uittreding dat geen verplichting tot overdracht en/of tijdelijke verhuur van rechten inhoudt;

d)

in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen.

3.   Tijdelijke verhuur is alleen voor hele jaren mogelijk en moet ten minste het in artikel 44, lid 1, bedoelde minimumaantal dieren betreffen. Na afloop van elke periode van tijdelijke verhuur, die niet meer dan drie opeenvolgende jaren mag omvatten, neemt de landbouwer, behalve in geval van overdracht van rechten, al zijn rechten voor zichzelf terug voor ten minste twee opeenvolgende jaren. Indien de landbouwer niet in elk van die twee jaren telkens ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten zelf doet gelden, moet de lidstaat, behalve in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen, hem jaarlijks het niet door hemzelf geldend gemaakte deel van de rechten ontnemen en dit deel toevoegen aan de nationale reserve.

Voor landbouwers die deelnemen aan een door de Commissie erkend programma voor vervroegde uittreding, kunnen de lidstaten evenwel voorzien in een van dat programma afhankelijke verlenging van de totale duur van de tijdelijke verhuur.

Landbouwers die zich hebben verbonden tot deelneming aan een extensiveringsprogramma op grond van de in artikel 2, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad (16) bedoelde maatregel of aan een extensiveringsprogramma op grond van de artikelen 22 en 23 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad (17) of van artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (18), mogen tijdens de duur van die deelneming hun rechten niet tijdelijk verhuren en/of overdragen. Deze bepaling geldt evenwel niet in het geval dat het programma de mogelijkheid biedt om rechten over te dragen en/of tijdelijk te verhuren aan landbouwers die rechten moeten verkrijgen voor hun deelneming aan andere dan de in deze alinea bedoelde maatregelen.

4.   De premierechten worden voor minimaal 70 % gebruikt.

De lidstaten kunnen dit percentage echter verhogen tot 100 %. Zij stellen de Commissie vooraf in kennis van het percentage dat zij voornemens zijn toe te passen.

Artikel 44

Overdracht en tijdelijke verhuur van rechten

1.   Voor een gedeeltelijke overdracht van premierechten waarbij geen bedrijf wordt overgedragen, kunnen de lidstaten op basis van hun productiestructuur een minimumaantal over te dragen rechten vaststellen. Dit minimum mag niet meer dan tien premierechten bedragen.

2.   De overdracht en de tijdelijke verhuur van premierechten zijn eerst van kracht nadat de landbouwer die de rechten overdraagt en/of verhuurt en de landbouwer die de rechten ontvangt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat daarvan in kennis hebben gesteld.

Deze kennisgeving geschiedt binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn en uiterlijk op de datum waarop de termijn voor de indiening van premieaanvragen in die lidstaat afloopt, tenzij de overdracht het gevolg is van een erfenis. In dit laatste geval moet de landbouwer die de rechten ontvangt, de nodige wettelijke documenten kunnen overleggen om te bewijzen dat hij/zij de rechtverkrijgende is van de overleden landbouwer.

3.   In het geval van een overdracht waarbij geen bedrijf wordt overgedragen, kan het aantal premierechten dat zonder compensatie aan de nationale reserve moet worden afgestaan, in geen geval minder dan één bedragen.

Artikel 45

Wijziging van het individuele maximum

Bij overdracht of tijdelijke verhuur van premierechten stelt de lidstaat het nieuwe individuele maximum vast en deelt hij de betrokken landbouwers binnen 60 dagen te rekenen vanaf de laatste dag van de periode waarin zij hun aanvraag hebben ingediend, mee over hoeveel premierechten zij beschikken.

De eerste alinea is niet van toepassing in geval van een overdracht als gevolg van een erfenis onder de in artikel 44, lid 2, tweede alinea, bepaalde voorwaarden.

Artikel 46

Landbouwers die geen eigenaar zijn van de door hen geëxploiteerde grond

Landbouwers die uitsluitend overheidsgrond of grond in collectief bezit exploiteren en die besluiten daarop niet langer dieren te weiden en al hun rechten aan een andere landbouwer over te dragen, worden gelijkgesteld met landbouwers die hun bedrijf verkopen of overdragen. In alle andere gevallen worden dergelijke landbouwers gelijkgesteld met landbouwers die alleen hun premierechten overdragen.

Artikel 47

Overdracht via de nationale reserve

Indien een lidstaat bepaalt dat de overdracht van premierechten via de nationale reserve moet lopen, past hij nationale bepalingen toe die analoog zijn aan die van deze afdeling. In dat geval geldt bovendien het volgende:

a)

de lidstaat kan bepalen dat ook de tijdelijke verhuur van premierechten via de nationale reserve moet lopen;

b)

wanneer premierechten worden overgedragen of, in geval van toepassing van het bepaalde onder a), tijdelijk worden verhuurd, wordt de overdracht aan de reserve eerst van kracht nadat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat daarvan kennis hebben gegeven aan de landbouwer die de rechten overdraagt en/of verhuurt, en wordt de overdracht uit de reserve aan een andere landbouwer eerst van kracht nadat de genoemde autoriteiten daarvan kennis hebben gegeven aan die landbouwer.

Bovendien moeten de in de eerste alinea bedoelde nationale bepalingen garanderen dat de lidstaat voor het andere dan het in artikel 105, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde deel van de premierechten een vergoeding betaalt die overeenkomt met die waartoe een rechtstreekse overdracht tussen landbouwers zou hebben geleid, gelet op met name de ontwikkeling van de productie in de betrokken lidstaat. Deze vergoeding is gelijk aan die welke wordt verlangd van de landbouwers die gelijkwaardige premierechten uit de nationale reserve ontvangen.

Artikel 48

Berekening van de individuele maxima

Bij de aanvankelijke berekening en de latere wijzigingen van de individuele maxima voor de premierechten worden alleen gehele getallen in aanmerking genomen.

Daartoe wordt, wanneer de einduitkomst van de berekening geen geheel getal is, afgerond op het naaste gehele getal. Ligt het berekende getal evenwel precies halverwege tussen twee gehele getallen, dan wordt afgerond op het naasthogere gehele getal.

Artikel 49

Kennisgeving

1.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 december van elk jaar in kennis van eventuele wijzigingen in het deel van de overgedragen premierechten dat overeenkomstig artikel 105, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 aan de nationale reserve moet worden afgestaan en, in voorkomend geval, van de maatregelen die zijn genomen op grond van artikel 105, lid 3, van die verordening.

2.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 30 april van elk jaar in kennis van:

a)

het aantal premierechten dat in het voorgaande jaar zonder compensatie aan de nationale reserve is afgestaan als gevolg van overdrachten van rechten zonder dat een bedrijf is overgedragen;

b)

het aantal ongebruikte premierechten dat in het voorgaande jaar op grond van artikel 106, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 aan de nationale reserve is toegevoegd;

c)

het aantal premierechten dat in het voorgaande jaar is toegekend op grond van artikel 106, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

d)

het aantal premierechten dat in het voorgaande jaar uit de nationale reserve is toegekend aan landbouwers in probleemgebieden.

HOOFDSTUK 10

Rundvleesbetalingen

Afdeling 1

Speciale premie

Artikel 50

Aanvragen

1.   Naast hetgeen is vereist in het kader van het geïntegreerd systeem, bevat elke aanvraag voor rechtstreekse betalingen zoals bedoeld in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 73/2009, met betrekking tot de speciale premie waarin het onderhavige hoofdstuk voorziet, de volgende informatie:

a)

de onderverdeling van het aantal dieren naar leeftijdstranche;

b)

de referenties van de paspoorten of de administratieve documenten die de dieren waarvoor de aanvraag wordt ingediend, vergezellen.

2.   Aanvragen kunnen alleen worden ingediend voor dieren die op de begindatum van de in artikel 53 bedoelde aanhoudperiode:

a)

wanneer het om stieren gaat, ten minste zeven maanden oud zijn;

b)

wanneer het om ossen gaat:

i)

in het geval van de eerste leeftijdstranche, ten minste 7 maanden en ten hoogste 19 maanden oud zijn;

ii)

in het geval van de tweede leeftijdstranche, ten minste 20 maanden oud zijn.

Artikel 51

Toekenning van de premie

Voor dieren die niet voor de speciale premie in aanmerking zijn genomen doordat de in artikel 110, lid 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde proportionele verlaging is toegepast, kan geen aanvraag meer worden ingediend voor dezelfde leeftijdstranche en wordt de premie als betaald beschouwd.

Artikel 52

Paspoorten en administratieve documenten

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat zorgen ervoor dat de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde paspoorten of de in artikel 110, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde gelijkwaardige nationale administratieve documenten garanderen dat slechts een premie per dier en per leeftijdstranche wordt toegekend.

Daartoe verlenen de lidstaten elkaar de nodige bijstand.

2.   De lidstaten kunnen voorschrijven dat het in lid 1 bedoelde nationale administratieve document moet zijn:

a)

een document dat elk individueel dier vergezelt;

b)

een door de landbouwer bijgehouden algemene lijst met alle voor het administratieve document voorgeschreven informatie, mits de betrokken dieren vanaf het tijdstip waarop de eerste aanvraag wordt ingediend tot het tijdstip waarop zij als slachtdier op de markt worden gebracht, bij dezelfde landbouwer blijven;

c)

een algemene lijst die wordt bijgehouden door de centrale autoriteiten en die alle voor het administratieve document voorgeschreven informatie bevat, mits de lidstaat of het gebied van de lidstaat waar van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, alle dieren waarvoor een aanvraag is ingediend ter plaatse controleert, de verplaatsingen van deze dieren controleert en alle gecontroleerde dieren van een individueel merkteken voorziet, hetgeen de landbouwers moeten toestaan;

d)

een algemene lijst die wordt bijgehouden door de centrale autoriteiten en die alle voor het administratieve document voorgeschreven informatie bevat, mits de lidstaat de nodige maatregelen neemt om te voorkomen dat de premie tweemaal voor dezelfde leeftijdstranche wordt toegekend, en dat hij ervoor zorgt dat voor elk dier desgevraagd onmiddellijk informatie over de status op premiegebied van dit dier wordt verstrekt.

3.   De lidstaten die besluiten van één of een aantal van de in lid 2 bedoelde mogelijkheden gebruik te maken, stellen de Commissie daarvan tijdig in kennis en delen haar de desbetreffende uitvoeringsbepalingen mee.

Artikel 53

Aanhoudperiode

De duur van de in artikel 110, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde aanhoudperiode bedraagt twee maanden te rekenen vanaf de dag na die waarop de aanvraag is ingediend.

De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat de landbouwer andere begindata kan vaststellen, mits deze niet later zijn dan twee maanden na de dag waarop de aanvraag is ingediend.

Artikel 54

Regionaal maximum

1.   Wanneer de toepassing van de in artikel 110, lid 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde proportionele verlaging een aantal subsidiabele dieren oplevert dat geen geheel getal is, wordt voor het gedeelte achter de komma een overeenkomstig gedeelte van het premiebedrag per eenheid toegekend. Daarbij wordt alleen met het eerste cijfer achter de komma rekening gehouden.

2.   Wanneer de lidstaten besluiten hun grondgebied in regio's in de zin van artikel 109, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 in te delen of de binnen hun grondgebied bestaande regio's te wijzigen, stellen zij de Commissie vóór 1 januari van het betrokken jaar van dit besluit in kennis waarbij zij de betrokken regio's omschrijven en de daarvoor toegekende maxima vermelden. De Commissie wordt telkens vóór 1 januari van het betrokken jaar in kennis gesteld van eventuele latere wijzigingen.

Artikel 55

Begrenzing van het aantal dieren per bedrijf

1.   Wanneer een lidstaat besluit het bij artikel 110, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde maximumaantal van 90 dieren per bedrijf en per leeftijdstranche te wijzigen of niet toe te passen, stelt hij de Commissie daarvan vóór 1 januari van het betrokken kalenderjaar in kennis.

Wanneer een lidstaat bovendien een minimumaantal dieren per bedrijf vaststelt waarop de proportionele verlaging niet wordt toegepast als het niet wordt overschreden, stelt hij de Commissie daarvan vóór 1 januari van het betrokken kalenderjaar in kennis.

2.   Latere wijzigingen van de overeenkomstig lid 1 meegedeelde besluiten worden vóór 1 januari van het betrokken jaar ter kennis van de Commissie gebracht.

Artikel 56

Toekenning van de premie bij het slachten

1.   De lidstaten kunnen de speciale premie als volgt bij het slachten toekennen:

a)

wanneer het om stieren gaat, voor de enige leeftijdstranche;

b)

wanneer het om ossen gaat, voor de eerste of de tweede leeftijdstranche of voor beide leeftijdstranches samen.

2.   De lidstaten die besluiten de speciale premie overeenkomstig lid 1 bij het slachten toe te kennen, bepalen dat de premie ook wordt toegekend bij de verzending van subsidiabele dieren naar een andere lidstaat of bij de uitvoer ervan naar een derde land.

3.   Wanneer een lidstaat heeft besloten de speciale premie overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel bij het slachten toe te kennen, is het bepaalde in deze afdeling en in artikel 77 en artikel 78, leden 1 en 2, van overeenkomstige toepassing op de toekenning van de premie.

4.   De steunaanvraag bevat niet alleen de in artikel 78, lid 1, bedoelde informatie, maar geeft ook aan of het om een stier dan wel een os gaat, en gaat vergezeld van een document dat de voor de toepassing van artikel 52 benodigde gegevens bevat. Het betreft een van de volgende documenten, naar keuze van de lidstaat:

a)

het paspoort of een exemplaar van het paspoort ingeval het gebruikte paspoortmodel verscheidene exemplaren omvat;

b)

een kopie van het paspoort ingeval het gebruikte paspoortmodel uit slechts één enkel exemplaar bestaat dat aan de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde bevoegde autoriteit moet worden teruggegeven; in dat geval neemt de lidstaat de maatregelen die nodig zijn om zich ervan te vergewissen dat de in de kopie vermelde gegevens in overeenstemming zijn met het origineel;

c)

het nationale administratieve document wanneer, in de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde gevallen, het paspoort niet voorhanden is.

De lidstaten kunnen de toepassing van het nationale administratieve document schorsen. In dat geval nemen zij de maatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat de premie tweemaal voor dezelfde leeftijdstranche wordt toegekend voor dieren die intracommunautair zijn verhandeld.

Wanneer het gecomputeriseerde gegevensbestand zoals bedoeld in artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 1760/2000 naar het oordeel van de lidstaat de informatie bevat die nodig is om te garanderen dat per dier en per leeftijdstranche slechts één premie wordt toegekend, hoeft de steunaanvraag niet van het in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde document vergezeld te gaan.

Ingeval de lidstaat gebruikmaakt van de in artikel 78, lid 2, eerste alinea, bedoelde mogelijkheid, neemt hij in afwijking van de eerste alinea van het onderhavige lid de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de landbouwer kan bepalen voor welke dieren hij de speciale premie aanvraagt.

5.   Voor stieren wordt in het bewijs van slachting het geslacht gewicht vermeld.

6.   In geval van verzending wordt het bewijs van verzending geleverd door middel van een verklaring van de verzender waarin met name de lidstaat van bestemming van het dier is aangegeven.

In dat geval bevat de steunaanvraag de volgende informatie:

a)

de naam en het adres van de verzender (of een gelijkwaardige code);

b)

het identificatienummer van het dier;

c)

een verklaring dat het dier ten minste negen maanden oud is.

De steunaanvraag wordt ingediend voordat het dier het grondgebied van de betrokken lidstaat verlaat, en het bewijs van verzending wordt ingediend binnen drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop het dier het grondgebied van de betrokken lidstaat heeft verlaten.

Artikel 57

Bijzonderheden van de toekenningsregeling

1.   In geval van toepassing van artikel 56 en in afwijking van artikel 53 wordt de premie betaald aan de landbouwer die het dier heeft gehouden gedurende een aanhoudperiode van ten minste twee maanden die minder dan één maand vóór de datum van slachting of verzending of minder dan twee maanden vóór de datum van uitvoer van het dier eindigde.

Wanneer het om ossen gaat, gelden voor de betaling van de premie de volgende regels:

a)

de premie voor de eerste leeftijdstranche mag slechts worden betaald indien de landbouwer het dier gedurende ten minste 2 maanden heeft gehouden terwijl het ten minste 7 maanden en minder dan 22 maanden oud was;

b)

de premie voor de tweede leeftijdstranche mag slechts worden betaald indien de landbouwer het dier gedurende ten minste 2 maanden heeft gehouden terwijl het ten minste 20 maanden oud was;

c)

de premies voor de twee leeftijdstranches mogen slechts samen worden betaald indien de landbouwer het dier gedurende ten minste vier opeenvolgende maanden heeft gehouden met inachtneming van de onder a) en b) vastgestelde leeftijdsvoorwaarden;

d)

alleen de premie voor de tweede leeftijdstranche mag worden betaald indien het dier uit een andere lidstaat is verzonden toen het ten minste 19 maanden oud was.

2.   Het geslacht gewicht wordt bepaald op basis van een heel geslacht dier dat voldoet aan de in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1183/2006 van de Raad (19) vastgestelde eisen.

Voor hele geslachte dieren met een daarvan afwijkende aanbiedingsvorm worden de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1249/2008 van de Commissie (20) vermelde correctiecoëfficiënten toegepast.

Voor dieren die worden geslacht in een slachthuis dat niet verplicht is het communautaire indelingsschema voor geslachte volwassen runderen toe te passen, kan de lidstaat toestaan dat het gewicht wordt bepaald op basis van het levend gewicht van het geslachte dier. In dat geval wordt ervan uitgegaan dat het geslacht gewicht ten minste 185 kg bedraagt als het levend gewicht van het geslachte dier ten minste 340 kg bedroeg.

Artikel 58

Kennisgeving

Vóór het begin van het betrokken kalenderjaar stellen de lidstaten de Commissie in kennis van hun besluit of hun gewijzigde besluit over de toepassing van artikel 56, en in voorkomend geval van de betrokken uitvoeringsregelingen.

Afdeling 2

Zoogkoeienpremie

Artikel 59

Koeien van een vleesras

Voor de toepassing van artikel 109, onder d), en artikel 115, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden koeien van de in bijlage IV bij de onderhavige verordening vermelde runderrassen niet als koeien van een vleesras beschouwd.

Artikel 60

Maximum voor individueel quotum

1.   Wanneer een lidstaat besluit het maximum van 120 000 kg voor het individueel quotum zoals vastgesteld in artikel 111, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 te wijzigen of niet toe te passen, stelt hij de Commissie vóór 1 januari van het betrokken kalenderjaar daarvan in kennis.

2.   Latere wijzigingen van de overeenkomstig lid 1 meegedeelde besluiten worden uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar ter kennis van de Commissie gebracht.

Artikel 61

Aanhoudperiode

De in artikel 111, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde aanhoudperiode van zes maanden gaat in op de dag na die waarop de aanvraag is ingediend.

Artikel 62

Aanvragen

1.   Onverminderd de eisen waaraan in het kader van het geïntegreerd systeem moet worden voldaan, bevat de in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde aanvraag voor rechtstreekse betalingen, ingeval daarin ook een aanvraag voor de krachtens artikel 111, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 toe te kennen premie is opgenomen:

a)

een verklaring waarin het individueel melkquotum is aangegeven dat voor de landbouwer beschikbaar is op 31 maart voorafgaande aan het begin van het twaalf maanden omvattende tijdvak voor de toepassing van de overschotheffingsregeling dat in het betrokken kalenderjaar aanvangt; ingeval deze hoeveelheid op de datum van indiening van de aanvraag niet bekend is, wordt de bevoegde autoriteit zo spoedig mogelijk daarvan in kennis gesteld;

b)

de verbintenis van de landbouwer om in de periode van twaalf maanden die aanvangt op de datum waarop de aanvraag wordt ingediend, zijn individueel quotum niet tot boven de in artikel 111, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde kwantitatieve beperking te verhogen.

Punt b) is niet van toepassing indien de lidstaat de bovenbedoelde kwantitatieve beperking heeft afgeschaft.

2.   De aanvragen voor een zoogkoeienpremie worden ingediend binnen een door de lidstaten vast te stellen totale periode van zes maanden in de loop van een kalenderjaar.

De lidstaat kan afzonderlijke perioden of uiterste data voor de indiening van de aanvragen binnen die totale periode en het aantal premieaanvragen dat een landbouwer per kalenderjaar mag indienen, vaststellen.

Artikel 63

Gemiddelde melkopbrengst

De gemiddelde melkopbrengst wordt berekend op basis van de in bijlage V vermelde gemiddelde melkopbrengsten. Voor deze berekening kan de lidstaat evenwel een door hem erkend document gebruiken waarin de gemiddelde melkopbrengst van de melkveestapel van de landbouwer wordt gecertificeerd.

Artikel 64

Aanvullende nationale premie

1.   Een aanvullende nationale zoogkoeienpremie zoals bedoeld in artikel 111, lid 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 mag uitsluitend worden toegekend aan landbouwers die voor hetzelfde kalenderjaar de zoogkoeienpremie ontvangen.

De aanvullende nationale zoogkoeienpremie wordt toegekend binnen de grenzen van het aantal voor de zoogkoeienpremie in aanmerking genomen dieren, in voorkomend geval na toepassing van de in artikel 115, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde proportionele verlaging.

2.   De lidstaten kunnen voor de toekenning van de aanvullende nationale zoogkoeienpremie extra voorwaarden vaststellen. Zij stellen de Commissie lang genoeg voordat deze voorwaarden worden toegepast, daarvan in kennis.

3.   De Commissie besluit uiterlijk op 31 augustus van elk kalenderjaar welke lidstaten voldoen aan de in artikel 111, lid 5, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 65

Individueel maximum

De lidstaten stellen voor elke landbouwer een individueel maximum vast overeenkomstig artikel 112, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Artikel 66

Kennisgeving

1.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 december van elk jaar in kennis van:

a)

eventuele wijzigingen in de verlaging als bedoeld in artikel 113, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

b)

in voorkomend geval, de wijzigingen in de op grond van artikel 113, lid 3, onder a), van die verordening genomen maatregelen.

2.   De lidstaten delen aan de hand van het door de Commissie aan hen beschikbaar gestelde formulier uiterlijk op 31 juli van elk kalenderjaar langs elektronische weg het volgende aan de Commissie mee:

a)

het aantal premierechten dat in het voorgaande kalenderjaar zonder compensatie aan de nationale reserve is afgestaan in verband met overdrachten van rechten zonder bedrijfsoverdracht;

b)

het aantal ongebruikte premierechten zoals bedoeld in artikel 69, lid 2, dat in het voorgaande kalenderjaar aan de nationale reserve is toegevoegd;

c)

het aantal rechten dat in het voorgaande kalenderjaar is toegekend op grond van artikel 114, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Artikel 67

Om niet verkregen premierechten

Behalve in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen mag een landbouwer die om niet premierechten uit de nationale reserve heeft verkregen, zijn rechten gedurende de volgende drie kalenderjaren niet overdragen en/of tijdelijk verhuren.

Artikel 68

Gebruik van de premierechten

1.   Een landbouwer die over rechten beschikt, kan deze gebruiken door ze zelf te doen gelden en/of ze tijdelijk aan een andere landbouwer te verhuren.

2.   Wanneer een landbouwer in een bepaald kalenderjaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten heeft gebruikt, wordt het niet-gebruikte deel aan de nationale reserve toegevoegd behalve in de volgende gevallen:

a)

in het geval van een landbouwer die over ten hoogste zeven premierechten beschikt en die in elk van twee opeenvolgende kalenderjaren niet telkens ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten heeft gebruikt, in welk geval alleen het deel dat in het tweede kalenderjaar niet is gebruikt, aan de nationale reserve wordt toegevoegd,

b)

in het geval van een landbouwer die deelneemt aan een door de Commissie erkend extensiveringsprogramma,

c)

in het geval van een landbouwer die deelneemt aan een door de Commissie erkend programma voor vervroegde uittreding dat geen verplichting tot overdracht en/of tijdelijke verhuur van rechten inhoudt, of

d)

in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen.

3.   Tijdelijke verhuur is alleen voor hele kalenderjaren mogelijk en moet ten minste het in artikel 69, lid 1, bedoelde minimumaantal dieren betreffen. Na afloop van elke periode van tijdelijke verhuur, die niet meer dan drie opeenvolgende jaren mag omvatten, neemt de landbouwer, behalve in geval van overdracht van rechten, al zijn rechten voor zichzelf terug voor ten minste twee opeenvolgende kalenderjaren. Indien de landbouwer niet in elk van die twee jaren telkens ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten zelf doet gelden, ontneemt de lidstaat, behalve in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen, hem jaarlijks het niet door hemzelf geldend gemaakte deel van de rechten en voegt dit deel toe aan de nationale reserve.

Voor landbouwers die deelnemen aan een door de Commissie erkend programma voor vervroegde uittreding, kunnen de lidstaten evenwel voorzien in een van dat programma afhankelijke verlenging van de totale duur van de tijdelijke verhuur.

Landbouwers die zich hebben verbonden tot deelneming aan een extensiveringsprogramma op grond van de in artikel 2, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2078/92 bedoelde maatregel of aan een extensiveringsprogramma op grond van de artikelen 22 en 23 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 of van artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005, mogen tijdens de duur van die deelneming hun rechten niet tijdelijk verhuren en/of overdragen. Deze alinea geldt evenwel niet in het geval dat het programma de mogelijkheid biedt om rechten over te dragen en/of tijdelijk te verhuren aan landbouwers die rechten moeten verkrijgen voor hun deelneming aan andere dan de in deze alinea bedoelde maatregelen.

4.   De premierechten worden voor minimaal 70 % gebruikt. De lidstaten kunnen dit percentage echter verhogen tot 100 %.

De lidstaten stellen de Commissie vooraf in kennis van het percentage dat zij voornemens zijn toe te passen, of van elke wijziging van het betrokken percentage.

Artikel 69

Overdracht en tijdelijke verhuur van rechten

1.   Voor een gedeeltelijke overdracht van premierechten waarbij geen bedrijf wordt overgedragen, kunnen de lidstaten op basis van hun productiestructuur een minimumaantal over te dragen rechten vaststellen. Dit minimum mag niet meer dan vijf premierechten bedragen.

2.   De overdracht en de tijdelijke verhuur van premierechten zijn eerst van kracht nadat de landbouwer die de rechten overdraagt en/of verhuurt en de landbouwer die de rechten ontvangt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat daarvan gezamenlijk in kennis hebben gesteld.

Deze kennisgeving geschiedt binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn en uiterlijk op de datum waarop de landbouwer die de rechten ontvangt zijn premieaanvraag indient, tenzij de overdracht van rechten het gevolg is van een erfenis. In dit laatste geval moet de landbouwer die de rechten ontvangt, de nodige wettelijke documenten kunnen overleggen om te bewijzen dat hij/zij de rechtverkrijgende is van de overleden landbouwer.

Artikel 70

Wijziging van het individuele maximum

Bij overdracht of tijdelijke verhuur van premierechten stelt de lidstaat het nieuwe individuele maximum vast en deelt hij de betrokken landbouwers binnen 60 dagen te rekenen vanaf de laatste dag van de periode waarin zij hun aanvraag hebben ingediend, mee over hoeveel premierechten zij beschikken.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer de overdracht het gevolg is van een erfenis.

Artikel 71

Landbouwers die geen eigenaar zijn van de door hen geëxploiteerde grond

Landbouwers die uitsluitend overheidsgrond of grond in collectief bezit exploiteren en die besluiten de exploitatie van die grond niet voort te zetten en al hun rechten aan een andere landbouwer over te dragen, worden gelijkgesteld met landbouwers die hun bedrijf verkopen of overdragen. In alle andere gevallen worden dergelijke landbouwers gelijkgesteld met landbouwers die alleen hun premierechten overdragen.

Artikel 72

Overdracht via de nationale reserve

Indien een lidstaat overeenkomstig artikel 113, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bepaalt dat de overdracht van premierechten zonder overdracht van het bedrijf via de nationale reserve moet lopen, past hij nationale bepalingen toe die analoog zijn aan die van de artikelen 69, 70 en 71 van de onderhavige verordening. In dat geval geldt bovendien het volgende:

de lidstaat kan bepalen dat ook de tijdelijke verhuur van premierechten via de nationale reserve moet lopen;

wanneer premierechten worden overgedragen of, in geval van toepassing van het bepaalde in het eerste streepje, tijdelijk worden verhuurd, wordt de overdracht aan de reserve eerst van kracht nadat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat daarvan kennis hebben gegeven aan de landbouwer die de rechten overdraagt en/of verhuurt, en wordt de overdracht uit de reserve aan een andere landbouwer eerst van kracht nadat de genoemde autoriteiten daarvan kennis hebben gegeven aan die landbouwer.

Bovendien moeten de bovenbedoelde nationale bepalingen garanderen dat de lidstaat voor het andere dan het in artikel 113, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde deel van de premierechten een vergoeding betaalt die overeenkomt met die waartoe een rechtstreekse overdracht tussen landbouwers zou hebben geleid, gelet op met name de ontwikkeling van de productie in de betrokken lidstaat. Deze vergoeding is gelijk aan die welke wordt verlangd van de landbouwers die gelijkwaardige premierechten uit de nationale reserve ontvangen.

Artikel 73

Rechten op gedeeltelijke premies

1.   Wanneer bij de berekeningen overeenkomstig de artikelen 65 tot en met 72 de uitkomst geen geheel getal is, wordt uitsluitend met het eerste cijfer achter de komma rekening gehouden.

2.   Wanneer de toepassing van de bepalingen van deze afdeling leidt tot rechten op gedeeltelijke premies, hetzij bij een landbouwer, hetzij bij de nationale reserve, worden deze gedeelten bij elkaar opgeteld.

3.   Wanneer een landbouwer recht heeft op een gedeeltelijke premie, wordt slechts het daarmee overeenkomende deel van het bedrag per eenheid van de premie en, in voorkomend geval, van de in artikel 64 bedoelde aanvullende nationale premie toegekend.

Artikel 74

Specifieke regeling voor vaarzen

1.   De lidstaten die gebruik wensen te maken van de bij artikel 115, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid, stellen de Commissie daarvan in kennis en verstrekken haar tegelijkertijd de desbetreffende gegevens aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt of de bij artikel 115, lid 1, van die verordening vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

De betrokken lidstaten delen in voorkomend geval ook het specifieke maximum mee dat zij hebben vastgesteld.

De Commissie besluit welke lidstaten voldoen aan de in artikel 115, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde voorwaarden.

De bij de inwerkingtreding van de onderhavige verordening geldende besluiten blijven van toepassing.

2.   De lidstaten die voldoen aan de bij artikel 115, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde voorwaarden, stellen de Commissie vóór 1 januari van het betrokken jaar in kennis van elke wijziging van het specifieke nationale maximum dat zij hebben vastgesteld.

3.   De lidstaten die de specifieke regeling toepassen, stellen criteria vast om te garanderen dat de premie wordt betaald aan landbouwers van wie de vaarzen bestemd zijn voor de vernieuwing van koeienbestanden. Deze criteria kunnen met name een leeftijdsgrens en/of voorwaarden met betrekking tot het ras omvatten. De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 31 december van het jaar vóór het betrokken jaar in kennis van de vastgestelde criteria. De Commissie wordt uiterlijk op 31 december van het jaar vóór het betrokken jaar in kennis gesteld van eventuele latere wijzigingen.

4.   Wanneer de toepassing van de in artikel 115, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde proportionele verlaging een aantal subsidiabele dieren oplevert dat geen geheel getal is, wordt voor het gedeelte achter de komma een overeenkomstig gedeelte van het bedrag per eenheid van de premie en, in voorkomend geval, van de in artikel 64 bedoelde aanvullende nationale premie toegekend. Daarbij wordt alleen met het eerste cijfer achter de komma rekening gehouden.

5.   In de lidstaten die de specifieke regeling toepassen, moet de in artikel 111, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde verplichting inzake het minimumaantal te houden dieren voor 100 % met zoogkoeien worden nagekomen wanneer de landbouwer een aanvraag voor zoogkoeien heeft ingediend, en voor 100 % met vaarzen wanneer de landbouwer een aanvraag voor vaarzen heeft ingediend.

6.   De artikelen 65 tot en met 73 zijn niet van toepassing op deze specifieke regeling.

Artikel 75

Afronding van het aantal dieren

Wanneer de berekening van het maximumaantal vaarzen op basis van het in artikel 111, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde percentage een uitkomst oplevert die geen geheel getal is, wordt op het naastlagere gehele getal afgerond als het eerste cijfer achter de komma minder dan 5 is, en op het naasthogere gehele getal als dat cijfer 5 of meer is.

Afdeling 3

Gemeenschappelijke bepalingen inzake de speciale premie en de zoogkoeienpremie

Artikel 76

Aanvragen voor de speciale premie en de zoogkoeienpremie

De lidstaten kunnen om administratieve redenen bepalen dat, wat de speciale premie en de zoogkoeienpremie betreft, de in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steunaanvragen voor rechtstreekse betalingen betrekking moeten hebben op een minimumaantal dieren, met dien verstande dat dit aantal niet hoger mag zijn dan drie.

Afdeling 4

Slachtpremie

Artikel 77

Deelnamemelding

De lidstaat kan bepalen dat elke landbouwer, om voor de in artikel 116 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde slachtpremie voor een bepaald kalenderjaar in aanmerking te komen, vóór of tegelijk met de indiening van de eerste aanvraag voor dat kalenderjaar een deelnamemelding moet indienen.

De lidstaat kan evenwel de eerder ingediende deelnamemelding als geldig blijven beschouwen wanneer de landbouwer er geen wijzigingen in aanbrengt.

Artikel 78

Aanvragen

1.   De steunaanvraag bevat de voor de betaling van de slachtpremie benodigde informatie, en met name de geboortedatum van het dier voor de na 1 januari 1998 geboren dieren.

De steunaanvraag wordt ingediend binnen een door de lidstaat te bepalen termijn die niet langer mag duren dan zes maanden na het slachten van het dier of, in geval van uitvoer, na de datum waarop het dier het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten. Deze termijn mag niet later dan eind februari van het volgende jaar verstrijken behoudens door de betrokken lidstaat vast te stellen uitzonderingsgevallen bij de verzending of de uitvoer van dieren. Onverminderd deze termijn, kunnen de lidstaten perioden en uiterste data voor de indiening van de steunaanvragen vaststellen en kunnen zij bepalen hoeveel aanvragen elke landbouwer per kalenderjaar mag indienen.

De lidstaten kunnen toestaan dat de aanvraag door een andere persoon dan de landbouwer wordt ingediend. In dat geval moeten in de aanvraag de naam en het adres zijn vermeld van de landbouwer die voor de slachtpremie in aanmerking kan komen.

Behalve dat moet worden voldaan aan de in het kader van het geïntegreerd systeem gestelde eisen, bevat elke aanvraag:

a)

in geval van toekenning bij het slachten, een verklaring van het slachthuis met de volgende informatie of een door het slachthuis opgesteld of geviseerd document dat ten minste dezelfde informatie bevat:

i)

de naam en het adres van het slachthuis (of een gelijkwaardige code),

ii)

de slachtdatum en het identificatienummer en het slachtnummer van de dieren,

iii)

voor kalveren, het geslacht gewicht behalve bij toepassing van artikel 79, lid 4;

b)

in geval van uitvoer van het dier naar een derde land:

i)

de naam en het adres van de exporteur (of een gelijkwaardige code),

ii)

het identificatienummer van de dieren,

iii)

de aangifte ten uitvoer, waarin voor de na 1 januari 1998 geboren dieren de leeftijd is vermeld en waarin voor kalveren, behalve bij toepassing van artikel 79, lid 4, het levend gewicht is aangegeven, dat niet meer dan 300 kg mag bedragen,

iv)

het bewijs dat het dier het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, geleverd op dezelfde wijze als voor uitvoerrestituties.

De lidstaat kan bepalen dat de in de vierde alinea, onder a) en b), bedoelde informatie wordt verstrekt via een of meer door de lidstaat erkende instanties, waartoe gebruik mag worden gemaakt van informatietechnologie.

De lidstaat controleert geregeld en onverwachts de juistheid van de afgegeven verklaringen of documenten en, in voorkomend geval, van de in de vierde alinea bedoelde informatie.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten bepalen dat de in het in artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde gecomputeriseerde gegevensbestand opgenomen informatie over het slachten van de dieren die door de slachthuizen aan de bevoegde autoriteit wordt verstrekt, als aanvragen voor de slachtpremie namens de landbouwers worden beschouwd, mits dat gegevensbestand naar het oordeel van de lidstaat voldoende garanties biedt ten aanzien van de juistheid van de erin opgenomen gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de regeling inzake de slachtpremie en, in voorkomend geval, voor de betaling van de speciale premie bij het slachten.

De lidstaat kan evenwel bepalen dat een aanvraag noodzakelijk is. In dat geval kan hij voorschrijven van welke soorten informatie de aanvraag vergezeld moet gaan.

De lidstaten die hebben besloten dit lid toe te passen, stellen de Commissie in kennis van elke latere wijziging voordat deze ten uitvoer wordt gelegd.

De lidstaten zien erop toe dat de aan het betaalorgaan verstrekte informatie alle gegevens bevat die nodig zijn voor de betaling, en met name:

a)

de aantallen dieren van de in artikel 116, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde typen die in het betrokken jaar zijn geslacht;

b)

de gegevens over de naleving van de in dat artikel gestelde voorwaarden met betrekking tot de leeftijd en het geslacht gewicht van de dieren en over de inachtneming van de in artikel 80 van de onderhavige verordening bedoelde aanhoudperiode;

c)

in voorkomend geval, de gegevens die nodig zijn voor de betaling van de speciale premie bij het slachten.

3.   Voor dieren die na de in artikel 80 bedoelde aanhoudperiode intracommunautair zijn verhandeld, stelt het slachthuis het in lid 1, vierde alinea, onder a), van het onderhavige artikel bedoelde document op, zelfs indien de lidstaat waar de betrokken dieren werden geslacht, de in lid 2 van het onderhavige artikel bepaalde afwijking toepast.

Twee lidstaten kunnen evenwel, wanneer hun systemen voor elektronische gegevensoverdracht compatibel zijn, overeenkomen om lid 2 toe te passen.

De lidstaten verlenen elkaar wederzijds bijstand met het oog op een doeltreffende controle op de echtheid van de verstrekte documenten en/of de juistheid van de uitgewisselde gegevens. Daartoe verstrekt de lidstaat van betaling de lidstaat waar de dieren zijn geslacht, regelmatig een overzicht per slachthuis van de uit deze laatste lidstaat ontvangen slachtverklaringen (of informatie ter vervanging daarvan).

Artikel 79

Gewicht en aanbiedingsvorm van de geslachte dieren

1.   Voor de toepassing van artikel 116, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt ervan uitgegaan dat de geslachte kalveren onthuid, zonder ingewanden en verbloed, zonder kop en zonder poten, en met lever, nieren en niervet, worden aangeboden.

2.   Het in aanmerking te nemen gewicht is het geslacht gewicht na afkoeling of het warm geslacht gewicht, dat zo snel mogelijk na het slachten wordt vastgesteld, verminderd met 2 %.

3.   Wanneer het geslachte dier zonder lever, nieren en/of niervet wordt aangeboden, wordt het gewicht ervan vermeerderd met:

a)

3,5 kg voor de lever;

b)

0,5 kg voor de nieren;

c)

3,5 kg voor het niervet.

4.   De lidstaat kan bepalen dat, indien het om een kalf gaat dat bij het slachten of de uitvoer minder dan zes maanden oud is, aan de in artikel 116, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 gestelde voorwaarde met betrekking tot het gewicht wordt geacht te zijn voldaan.

Kan het geslacht gewicht niet in het slachthuis worden bepaald, dan wordt aan de in artikel 116, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 gestelde voorwaarde met betrekking tot het gewicht geacht te zijn voldaan indien het levend gewicht niet meer dan 300 kg bedraagt.

Artikel 80

Aanhoudperiode

1.   De slachtpremie wordt betaald aan de landbouwer die het dier heeft gehouden gedurende een aanhoudperiode van ten minste twee maanden die minder dan één maand vóór het slachten van het dier of minder dan twee maanden vóór de uitvoer ervan eindigde.

2.   Voor kalveren die worden geslacht vóór de leeftijd van drie maanden, bedraagt de aanhoudperiode één maand.

Artikel 81

Nationale maxima

1.   De in artikel 116, leden 1 en 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde nationale maxima worden vastgesteld in bijlage VI bij de onderhavige verordening.

2.   Wanneer de toepassing van de in artikel 116, lid 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde proportionele verlaging een aantal subsidiabele dieren oplevert dat geen geheel getal is, wordt voor het gedeelte achter de komma een overeenkomstig gedeelte van het bedrag per eenheid van de slachtpremie toegekend. Daarbij wordt alleen met het eerste cijfer achter de komma rekening gehouden.

Afdeling 5

Algemene bepalingen

Artikel 82

Betaling van voorschotten

1.   Overeenkomstig artikel 29, lid 4, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 betaalt de bevoegde autoriteit de landbouwer op basis van de resultaten van de administratieve controles en de controles ter plaatse voor het aantal subsidiabel geachte dieren een voorschot ten bedrage van 60 % van de speciale premie, de zoogkoeienpremie en de slachtpremie.

Voor de speciale premie, de specifieke regeling voor vaarzen zoals bedoeld in artikel 74 en de slachtpremie kan de lidstaat het percentage van het voorschot verlagen, doch niet tot minder dan 40 %.

Het voorschot mag pas worden betaald vanaf 16 oktober van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt aangevraagd.

2.   Bij de eindafrekening van de premie wordt een bedrag uitgekeerd dat gelijk is aan het verschil tussen het betaalde voorschot en het bedrag van de premie waarop de landbouwer recht heeft.

Artikel 83

Jaar van toerekening

1.   Het ontstaansfeit op basis waarvan wordt bepaald aan welk jaar de dieren worden toegerekend waarvoor de regelingen inzake de speciale premie en de zoogkoeienpremie worden toegepast, en van welk aantal grootvee-eenheden (GVE) moet worden uitgegaan voor de berekening van de veebezetting, wordt geacht plaats te vinden op de datum van indiening van de aanvraag.

Wordt de speciale premie evenwel overeenkomstig artikel 56 toegekend, dan is het toe te passen premiebedrag het bedrag dat gold op 31 december van het jaar waarin het dier is geslacht of uitgevoerd, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

het dier is uiterlijk op 31 december geslacht of uitgevoerd;

b)

de premieaanvraag voor dat dier is na die datum ingediend.

2.   Wat de slachtpremie betreft, wordt voor de toepassing van het steunbedrag en voor de berekening van de proportionele verlaging overeenkomstig artikel 81 het jaar waarin het dier is geslacht of uitgevoerd, aangemerkt als jaar van toerekening.

Artikel 84

Sancties op het illegale gebruik of het illegaal voorhanden hebben van bepaalde stoffen of producten

Voor de gevallen van recidive bij het illegale gebruik of het illegaal voorhanden hebben van stoffen of producten die op grond van de relevante communautaire regelgeving in de veterinaire sector niet zijn toegestaan, bepalen de lidstaten in het licht van de ernst van de overtreding de duur van de uitsluiting uit de steunregelingen zoals bedoeld in artikel 119, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Artikel 85

Bepaling van het individueel melkquotum

Tot het einde van het laatste van de zeven opeenvolgende tijdvakken zoals vastgesteld in artikel 66 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad kan een lidstaat in afwijking van de in artikel 62, lid 1, onder a), van de onderhavige verordening genoemde data besluiten dat voor melkproducenten die in overeenstemming met artikel 65, onder i) en k), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 of op grond van ter uitvoering van de artikelen 73, 74 en 75 van die verordening vastgestelde nationale bepalingen individuele quota met ingang van 31 maart, respectievelijk 1 april geheel of gedeeltelijk vrijgeven dan wel overnemen, 1 april de datum is die bepalend is voor het beschikbare individueel melkquotum dat de melkproducent maximaal mag hebben om voor de zoogkoeienpremie in aanmerking te komen, en voor het maximumaantal zoogkoeien.

Artikel 86

Bepaling van de aanhoudperioden

De laatste dag van de in artikel 53, artikel 57, lid 1, artikel 61 en artikel 80 bedoelde aanhoudperioden is de dag vóór de dag met dezelfde cijferaanduiding als die van de dag waarop de aanhoudperiode ingaat, ongeacht of het al dan niet een werkdag betreft.

Artikel 87

Identificatie en registratie van dieren

Voor dieren die vóór 1 januari 1998 zijn geboren, met uitzondering van dieren die intracommunautair worden verhandeld, wordt de verplichting tot identificatie en registratie van de dieren zoals bedoeld in artikel 117 van Verordening (EG) nr. 73/2009 nagekomen overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 2008/71/EG van de Raad (21).

TITEL III

SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN VOOR TITEL V VAN VERORDENING (EG) Nr. 73/2009

HOOFDSTUK 1

Regeling inzake een enkele areaalbetaling

Artikel 88

Minimumgrootte van het in aanmerking komende areaal per bedrijf

De overeenkomstig artikel 124, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 op een hoger niveau dan 0,3 ha vastgestelde minimumgrootten van het in aanmerking komende areaal per bedrijf waarvoor betalingen kunnen worden aangevraagd, zijn vermeld in bijlage VII bij de onderhavige verordening.

Artikel 89

Landbouwarealen

De landbouwarealen in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling zoals bedoeld in artikel 124, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009, zijn vermeld in bijlage VIII bij de onderhavige verordening.

Artikel 90

Productie van hennep

De in artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 opgenomen bepalingen inzake henneprassen zijn van overeenkomstige toepassing voor de toekenning van steun in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling.

HOOFDSTUK 2

Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen

Artikel 91

Verlagingscoëfficiënt

Indien in een bepaalde sector de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen het maximumniveau zouden overtreffen dat de Commissie overeenkomstig artikel 132, lid 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009 heeft toegestaan, wordt de hoogte van de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in de betrokken sector proportioneel verlaagd door toepassing van een verlagingscoëfficiënt.

Artikel 92

Subsidiabiliteitsvoorwaarden

Voor de toepassing van artikel 132, lid 7, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 houdt de Commissie met name rekening met de in artikel 132, lid 5, van die verordening bedoelde specifieke totaalbedragen per (sub)sector en met de subsidiabiliteitsvoorwaarden die gelden voor de overeenkomstige rechtstreekse betaling die op dat moment geldt voor andere dan de nieuwe lidstaten als bedoeld in artikel 132, lid 2, vierde alinea, van die verordening.

Voor de toepassing van artikel 132 van Verordening (EG) nr. 73/2009 en van het onderhavige hoofdstuk wordt onder „overeenkomstige rechtstreekse betaling die op dat moment geldt voor andere dan de nieuwe lidstaten” verstaan: welke rechtstreekse betaling dan ook die in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 is vermeld, die wordt toegekend in het jaar waarin de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen worden aangevraagd, en waarvoor soortgelijke subsidiabiliteitsvoorwaarden gelden als voor de betrokken aanvullende nationale rechtstreekse betaling.

Artikel 93

Controles

De nieuwe lidstaten passen adequate controlemaatregelen toe om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 132, lid 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009 door de Commissie verleende toestemming.

Artikel 94

Jaarverslag

De nieuwe lidstaten dienen een verslag met informatie over de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in vóór 30 juni van het jaar na de tenuitvoerlegging van die betalingen. Het verslag bevat ten minste het volgende:

a)

informatie over alle wijzigingen in de situatie die van invloed zijn op de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen;

b)

voor elke aanvullende nationale rechtstreekse betaling, het aantal begunstigden, het totale bedrag aan toegekende aanvullende nationale steun, het aantal hectaren, dieren of andere eenheden waarvoor de betaling is toegekend;

c)

een verslag over de krachtens artikel 93 toegepaste controlemaatregelen.

Artikel 95

Staatssteun

Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen die worden toegekend in strijd met de toestemming van de Commissie zoals bedoeld in artikel 132, lid 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009, worden beschouwd als onrechtmatige staatssteun in de zin van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (22).

TITEL IV

INTREKKINGEN, OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 96

Intrekking

1.   Verordening (EG) nr. 1973/2004 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2010.

Zij blijft evenwel van toepassing voor de steunaanvragen betreffende het premiejaar 2009 en eerdere premiejaren.

2.   Verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 1973/2004 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IX.

Artikel 97

Overgangsbepalingen

In afwijking van artikel 32, lid 2, en artikel 159, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1973/2004 vindt de verwerking van de in 2009 geoogste grondstoffen bij de steun voor energiegewassen zoals vastgesteld in hoofdstuk 8 van die verordening, en bij het vrijwillige braakleggingsprogramma zoals vastgesteld in hoofdstuk 16 van die verordening, uiterlijk op de door de betrokken lidstaat bepaalde datum, doch niet later dan 31 juli 2011 plaats.

Bij andere dan eenjarige gewassen die na 2009 worden geoogst, zijn de hoofdstukken 8 en 16 van Verordening (EG) nr. 1973/2004 vanaf 2010 niet meer van toepassing op de oogst daarvan en worden de zekerheden die overeenkomstig artikel 31, lid 3, en artikel 158, lid 1, zijn gesteld, vrijgegeven op een door de betrokken lidstaat te bepalen datum, doch uiterlijk op 31 juli 2010.

Artikel 98

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing voor de steunaanvragen betreffende de premieperioden die ingaan op of na 1 januari 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2009.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1.

(3)  PB L 345 van 20.11.2004, blz. 1.

(4)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(5)  PB 125 van 11.7.1966, blz. 2298/66.

(6)  PB 125 van 11.7.1966, blz. 2309/66.

(7)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74.

(8)  PB L 281 van 4.11.1999, blz. 30.

(9)  PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1.

(10)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(11)  Zie bladzijde 65 van dit Publicatieblad.

(12)  PB L 171 van 1.7.2009, blz. 6.

(13)  PB L 339 van 24.12.2003, blz. 36.

(14)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29.

(15)  PB L 297 van 21.11.1996, blz. 49.

(16)  PB L 215 van 30.7.1992, blz. 85.

(17)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.

(18)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(19)  PB L 214 van 4.8.2006, blz. 1.

(20)  PB L 337 van 16.12.2008, blz. 3.

(21)  PB L 213 van 8.8.2008, blz. 31.

(22)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.


BIJLAGE I

GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR RIJST

Berekening van de in artikel 8 bedoelde verlagingscoëfficiënt

1.   Voor de constatering van een mogelijke overschrijding van het basisareaal zoals bedoeld in artikel 76 van Verordening (EG) nr. 73/2009 houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat rekening met, enerzijds, de in artikel 75 van die verordening vastgestelde basisarealen of de subbasisarealen en, anderzijds, het totaal van de oppervlakten waarvoor voor die basisarealen en subbasisarealen steunaanvragen zijn ingediend.

2.   Bij de vaststelling van de totale oppervlakte waarvoor steunaanvragen zijn ingediend, wordt geen rekening gehouden met aanvragen of delen van aanvragen die blijkens een controle duidelijk ongerechtvaardigd zijn.

3.   Indien voor bepaalde basisarealen of subbasisarealen een overschrijding wordt geconstateerd, stelt de lidstaat voor die basisarealen of subbasisarealen met inachtneming van de in artikel 6 van de onderhavige verordening gestelde termijn het tot twee cijfers achter de komma berekende overschrijdingspercentage vast. Wanneer een overschrijding te verwachten is, stelt de lidstaat de landbouwers daarvan onmiddellijk in kennis.

4.   De coëfficiënt voor de verlaging van de gewasspecifieke betaling voor rijst wordt overeenkomstig artikel 76 van Verordening (EG) nr. 73/2009 berekend met behulp van de volgende formule:

Verlagingscoëfficiënt = referentieoppervlakte van het subbasisareaal gedeeld door de totale oppervlakte waarvoor voor dit subbasisareaal steunaanvragen zijn ingediend.

De verlaagde gewasspecifieke betaling voor rijst wordt berekend met behulp van de volgende formule:

Verlaagde gewasspecifieke steun voor rijst = gewasspecifieke steun voor rijst vermenigvuldigd met de verlagingscoëfficiënt.

Deze verlagingscoëfficiënt en deze verlaagde gewasspecifieke betaling voor rijst worden voor elk subbasisareaal berekend na toepassing van de herverdeling zoals bedoeld in artikel 76, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009. Van de herverdeling profiteren de subbasisarealen waarvoor de maximumoppervlakte is overschreden. De herverdeling gebeurt naar evenredigheid van de overschrijdingen die zijn geconstateerd voor de subbasisarealen waarvoor de maximumoppervlakte is overschreden.


BIJLAGE II

IN ARTIKEL 13 BEDOELDE TEST OM HET GEHALTE AAN BITTERE ZADEN VAN LUPINEN VAST TE STELLEN

De test wordt uitgevoerd op een monster van 200 korrels uit een hoeveelheid van 1 kg per partij van maximaal 20 ton.

De test beperkt zich tot het aantonen van bittere korrels in het monster. De homogeniteitstolerantie bedraagt 1 op 100 korrels. Als testmethode wordt de korrelsnijmethode volgens von Sengbusch (1942), Ivanov en Smirnova (1932) en Eggebrecht (1949) toegepast. De droge of geweekte korrels worden overdwars doorgesneden. De gehalveerde korrels worden gedurende tien seconden op een zeef in een jodiumoplossing gedompeld en vervolgens gedurende vijf seconden met water afgespoeld. De snijvlakken van de bittere korrels verkleuren en worden bruin, maar die van de korrels die weinig alkaloïden bevatten blijven geel.

Voor de bereiding van de jodiumoplossing wordt 14 g kaliumjodide in zo weinig mogelijk water opgelost, daarna wordt 10 g jodium toegevoegd en vervolgens wordt de oplossing met water aangevuld tot 1 000 cm3. De oplossing moet één week worden bewaard alvorens te worden gebruikt. Zij wordt in bruine flessen bewaard. Vóór gebruik wordt deze basisoplossing drie- tot vijfmaal verdund.


BIJLAGE III

GEBIEDEN WAAR DE GEITENPREMIE KAN WORDEN TOEGEKEND

1.   Bulgarije: het gehele grondgebied.

2.   Cyprus: het gehele grondgebied.

3.   Portugal: het gehele grondgebied, met uitzondering van de Azoren.

4.   Slovenië: het gehele grondgebied.

5.   Slowakije: alle bergstreken in de zin van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1257/1999.


BIJLAGE IV

LIJST VAN DE IN ARTIKEL 59 BEDOELDE RUNDERRASSEN

Angler Rotvieh (Angeln) — Rød dansk mælkerace (RMD) — German Red — Lithuanian Red

Ayrshire

Armoricaine

Bretonne pie noire

Fries-Hollands (FH), Française frisonne pie noire (FFPN), Friesian-Holstein, Holstein, Black and White Friesian, Red and White Friesian, Frisona española, Frisona Italiana, Zwartbonten van België/pie noire de Belgique, Sortbroget dansk mælkerace (SDM), Deutsche Schwarzbunte, Schwarzbunte Milchrasse (SMR), Czarno-biała, Czerwono-biała, Magyar Holstein-Friz, Dutch Black and White, Estonian Holstein, Estonian Native, Estonian Red, British Friesian, črno-bela, German Red and White, Holstein Black and White, Red Holstein

Groninger Blaarkop

Guernsey

Jersey

Malkeborthorn

Reggiana

Valdostana Nera

Itäsuomenkarja

Länsisuomenkarja

Pohjoissuomenkarja.


BIJLAGE V

IN ARTIKEL 63 BEDOELDE GEMIDDELDE MELKOPBRENGST

(in kg)

België

6 920

Tsjechië

5 682

Estland

5 608

Spanje

6 500

Frankrijk

5 550

Cyprus

6 559

Letland

4 796

Litouwen

4 970

Hongarije

6 666

Oostenrijk

4 650

Polen

3 913

Portugal

5 100

Slowakije

5 006


BIJLAGE VI

IN ARTIKEL 81, LID 1, BEDOELDE NATIONALE MAXIMA VOOR DE SLACHTPREMIE

 

Volwassen runderen

Kalveren

België

335 935

Spanje

1 982 216

25 629

Portugal

325 093

70 911


BIJLAGE VII

MINIMUMGROOTTE VAN HET IN AANMERKING KOMENDE AREAAL PER BEDRIJF IN HET KADER VAN DE REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING

Nieuwe lidstaten

Minimumgrootte van het in aanmerking komende areaal per bedrijf, zoals bedoeld in artikel 124, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 (in ha)

Bulgarije

1

Bedrijven met ten minste 0,5 ha blijvende teelten kunnen echter betalingen aanvragen

Cyprus

0,3

Tsjechië

1

Estland

1

Hongarije

1

Bedrijven met meer dan 0,3 ha boom- of wijngaard kunnen echter betalingen aanvragen

Letland

1

Litouwen

1

Polen

1

Roemenië

1

Slowakije

1


BIJLAGE VIII

LANDBOUWAREAAL IN HET KADER VAN DE REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING

Nieuwe lidstaten

Landbouwareaal in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling zoals bedoeld in artikel 124, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 (× 1 000 ha)

Bulgarije

3 492

Cyprus

140

Tsjechië

3 469

Estland

800

Hongarije

4 829

Letland

1 475

Litouwen

2 574

Polen

14 337

Roemenië

8 716

Slowakije

1 880


BIJLAGE IX

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1973/2004

De onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 5

Artikel 2, lid 2

Artikel 5, lid 3

Artikel 2, lid 3

Artikel 3

Artikel 2, lid 5

Artikel 13

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 6

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 14

Artikel 12

Artikel 7

Artikel 13

Artikel 8

Artikel 14

Artikel 9

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 10

Artikel 20

Artikel 11

Artikel 21

Artikel 12

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 36 bis

Artikel 37

Artikel 38

Artikel 39

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 18

Artikel 47

Artikel 19

Artikel 48

Artikel 20

Artikel 49

Artikel 21

Artikel 49 bis

Artikel 22

Artikel 50

Artikel 23

Artikel 51

Artikel 52

Artikel 53

Artikel 54

Artikel 55

Artikel 56

Artikel 57

Artikel 58

Artikel 59

Artikel 60

Artikel 61

Artikel 62

Artikel 63

Artikel 64

Artikel 65

Artikel 66

Artikel 67

Artikel 68

Artikel 69

Artikel 70

Artikel 35

Artikel 71

Artikel 36

Artikel 72

Artikel 37

Artikel 73

Artikel 38

Artikel 74

Artikel 39

Artikel 75

Artikel 40

Artikel 76

Artikel 41

Artikel 77

Artikel 42

Artikel 78

Artikel 43

Artikel 79

Artikel 44

Artikel 80

Artikel 45

Artikel 81

Artikel 46

Artikel 82

Artikel 47

Artikel 83

Artikel 48

Artikel 84

Artikel 49

Artikel 85

Artikel 86

Artikel 87

Artikel 50

Artikel 88

Artikel 51

Artikel 89

Artikel 52

Artikel 90

Artikel 53

Artikel 91

Artikel 54

Artikel 92

Artikel 55

Artikel 93

Artikel 56

Artikel 94

Artikel 57

Artikel 95

Artikel 58

Artikel 96

Artikel 97

Artikel 98

Artikel 99

Artikel 59

Artikel 100

Artikel 60

Artikel 101

Artikel 61

Artikel 102

Artikel 62

Artikel 103

Artikel 63

Artikel 104

Artikel 64

Artikel 105

Artikel 65

Artikel 106

Artikel 66

Artikel 107

Artikel 67

Artikel 108

Artikel 68

Artikel 109

Artikel 69

Artikel 110

Artikel 70

Artikel 111

Artikel 71

Artikel 112

Artikel 72

Artikel 113

Artikel 73

Artikel 114

Artikel 74

Artikel 115

Artikel 75

Artikel 116

Artikel 76

Artikel 117

Artikel 118

Artikel 118 bis

Artikel 118 ter

Artikel 118 quater

Artikel 118 quinquies

Artikel 119

Artikel 120

Artikel 77

Artikel 121

Artikel 78

Artikel 122

Artikel 79

Artikel 123

Artikel 80

Artikel 124

Artikel 81

Artikel 125

Artikel 126

Artikel 82

Artikel 127

Artikel 83

Artikel 128

Artikel 129

Artikel 84

Artikel 130

Artikel 85

Artikel 130 bis

Artikel 86

Artikel 131

Artikel 132

Artikel 87

Artikel 133

Artikel 134

Artikel 88

Artikel 135

Artikel 89

Artikel 90

Artikel 136

Artikel 137

Artikel 138

Artikel 139

Artikel 91

Artikel 139 bis

Artikel 92

Artikel 140

Artikel 93

Artikel 141

Artikel 94

Artikel 142

Artikel 95

Artikel 142 bis

Artikel 143

Artikel 144

Artikel 145

Artikel 146

Artikel 147

Artikel 148

Artikel 149

Artikel 150

Artikel 151

Artikel 152

Artikel 153

Artikel 154

Artikel 155

Artikel 156

Artikel 157

Artikel 158

Artikel 159

Artikel 160

Artikel 163

Artikel 164

Artikel 165

Artikel 166

Artikel 167

Artikel 168

Artikel 169

Artikel 170

Artikel 171

Artikel 171 bis

Artikel 24

Artikel 171 bis bis

Artikel 25

Artikel 171 bis ter

Artikel 26

Artikel 171 bis quater

Artikel 27

Artikel 171 bis quinquies

Artikel 28

Artikel 171 bis sexies

Artikel 29

Artikel 171 bis septies

Artikel 30

Artikel 171 bis octies

Artikel 171 bis nonies

Artikel 171 bis decies

Artikel 171 ter

Artikel 171 ter bis

Artikel 171 ter ter

Artikel 171 ter quater

Artikel 171 quater

Artikel 171 quater bis

Artikel 171 quater ter

Artikel 171 quater quater

Artikel 171 quater quinquies

Artikel 171 quater sexies

Artikel 171 quater septies

Artikel 171 quater octies

Artikel 171 quater nonies

Artikel 171 quater decies

Artikel 171 quater undecies

Artikel 171 quater duodecies

Artikel 171 quater terdecies

Artikel 171 quater quaterdecies

Artikel 171 quater quindecies

Artikel 171 quater sexdecies

Artikel 171 quater septdecies

Artikel 171 quinquies

Artikel 31

Artikel 171 quinquies bis

Artikel 32

Artikel 171 quinquies ter

Artikel 33

Artikel 171 quinquies quater

Artikel 34

Artikel 172

Artikel 96

Artikel 97

Artikel 173

Artikel 98

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

Bijlage I

Bijlagen III, IV, V, VI, VII, VIII en IX

Bijlage X

Bijlage III

Bijlagen XI, XII, XIII en XIV

Bijlage XV

Bijlage IV

Bijlage XVI

Bijlage V

Bijlage XVII

Bijlage VI

Bijlagen XVIII en XIX

Bijlage XX

Bijlage VII

Bijlage XXI

Bijlage VIII

Bijlagen XXII tot en met XXX


2.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 316/65


VERORDENING (EG) Nr. 1122/2009 VAN DE COMMISSIE

van 30 november 2009

tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op de artikelen 85 quinvicies en 103 septvicies bis, juncto artikel 4,

Gelet op Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003, en met name op artikel 142, onder b) tot en met e), h), k) tot en met o), q) en s),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 is ingetrokken bij en vervangen door Verordening (EG) nr. 73/2009, bij welke een reeks wijzigingen in de bedrijfstoeslagregeling en bepaalde andere regelingen inzake rechtstreekse betalingen zijn doorgevoerd. Tegelijk is bij laatstgenoemde verordening een aantal regelingen inzake rechtstreekse betalingen met ingang van 2010 afgeschaft. Bovendien is bij die verordening een aantal wijzigingen doorgevoerd in het stelsel van verlagingen of uitsluitingen ten aanzien van de rechtstreekse betalingen aan een landbouwer die niet voldoet aan bepaalde voorwaarden op het gebied van de volksgezondheid, de diergezondheid en de gezondheid van planten, het milieu en het dierenwelzijn („randvoorwaarden”).

(2)

De regelingen inzake rechtstreekse betalingen zijn ingevoerd als gevolg van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 1992 en zijn verder ontwikkeld in het kader van de daaropvolgende hervormingen van dit beleid. De regelingen zijn onderworpen aan een geïntegreerd beheers- en controlesysteem (hierna „geïntegreerd systeem” genoemd). Dit systeem, dat is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 24 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij de Verordeningen (EG) nr. 1782/2003 en (EG) nr. 73/2009 van de Raad, en inzake de randvoorwaarden waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad (2), is een effectief en efficiënt middel gebleken om de regelingen inzake rechtstreekse betalingen uit te voeren. Verordening (EG) nr. 73/2009 bouwt voort op dat systeem.

(3)

Gezien de bij Verordening (EG) nr. 73/2009 doorgevoerde wijzigingen in de rechtstreekse betalingen moet Verordening (EG) nr. 796/2004 worden ingetrokken en vervangen, maar de nieuwe verordening moet wel blijven berusten op de beginselen van Verordening (EG) nr. 796/2004. Tegelijk moeten de verwijzingen in Verordening (EG) nr. 796/2004 naar Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad (3) als gevolg van de opname van de wijnsector in Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad worden vervangen door verwijzingen naar laatstgenoemde verordening. Omwille van de samenhang moet een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 796/2004 worden opgenomen in Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie (4), bij welke Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (5) is ingetrokken en vervangen.

(4)

Verordening (EG) nr. 73/2009 biedt de lidstaten een keuzevrijheid wat de toepassing van sommige van de bij die verordening vastgestelde steunregelingen betreft. Daarom moeten in de onderhavige verordening regels worden vastgesteld voor het beheer en de controles die in de lidstaten nodig zijn in verband met de mogelijkheid om bepaalde steunregelingen al dan niet toe te passen. De desbetreffende bepalingen van de onderhavige verordening zijn dan ook alleen van toepassing voor zover de lidstaten de betrokken keuzen hebben gemaakt.

(5)

Verordening (EG) nr. 73/2009 legt de lidstaten en de individuele landbouwers als onderdeel van de randvoorwaarden bepaalde verplichtingen op ten aanzien van de handhaving van blijvend grasland. Het is noodzakelijk nadere regels vast te stellen voor de bepaling van het aandeel blijvend grasland in de totale oppervlakte landbouwgrond dat moet worden gehandhaafd, en aan te geven welke individuele verplichtingen door de landbouwers moeten worden nagekomen wanneer blijkt dat het aldus bepaalde aandeel blijvend grasland terugloopt.

(6)

Om een doeltreffende controle mogelijk te maken en te voorkomen dat meerdere steunaanvragen worden ingediend bij verschillende betaalorganen binnen één lidstaat, moeten de lidstaten een enkel systeem opzetten om de identiteit te registreren van de landbouwers die onder het geïntegreerd systeem vallende steunaanvragen indienen.

(7)

Er zijn nadere regels nodig met betrekking tot het systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond dat de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 73/2009 moeten toepassen. Volgens dat artikel moet daarbij gebruik worden gemaakt van technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem (GIS). Verduidelijkt dient te worden op welk niveau dat systeem moet worden toegepast en hoe gedetailleerd de in het GIS beschikbare gegevens moeten zijn.

(8)

Voor een behoorlijke tenuitvoerlegging van de bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde bedrijfstoeslagregeling moeten de lidstaten een identificatie- en registratiesysteem opzetten waarbij de toeslagrechten traceerbaar moeten zijn en dat het onder meer mogelijk maakt kruiscontroles te verrichten om de voor de bedrijfstoeslagregeling aangegeven oppervlakten te vergelijken met de toeslagrechten waarover elke landbouwer beschikt, en om de verschillende toeslagrechten als zodanig onderling te vergelijken.

(9)

Voor het toezicht op de nakoming van de verschillende verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden moet een controlesysteem met passende verlagingen worden ingevoerd. Het is in dit verband noodzakelijk dat verschillende autoriteiten binnen de lidstaten informatie uitwisselen over de steunaanvragen, de steekproeven voor controledoeleinden, de resultaten van de controles ter plaatse enz. Aangegeven dient te worden wat de basiselementen van een dergelijk systeem moeten zijn.

(10)

Met het oog op vereenvoudiging moet het de lidstaten worden toegestaan dat zij besluiten alle steunaanvragen op grond van de titels III en IV van Verordening (EG) nr. 73/2009 op te nemen in de verzamelaanvraag.

(11)

De lidstaten moeten de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat het geïntegreerd systeem goed kan werken wanneer met betrekking tot dezelfde landbouwer meer dan één betaalorgaan verantwoordelijk is.

(12)

Om doeltreffende controles mogelijk te maken, moeten elke vorm van grondgebruik en elk gebruik van de betrokken steunregelingen tegelijk worden aangegeven. Daarom moet worden voorzien in de indiening van een verzamelsteunaanvraag die alle op enigerlei wijze oppervlaktegebonden steunaanvragen omvat. Bovendien moeten de landbouwers die geen van de onder de verzamelaanvraag vallende steunbedragen aanvragen, een verzamelaanvraag indienen als zij over landbouwgrond beschikken. Het moet de lidstaten evenwel worden toegestaan om landbouwers van deze verplichting vrij te stellen wanneer de autoriteiten al over de informatie beschikken.

(13)

De lidstaten moeten voor de indiening van de verzamelaanvraag een uiterste datum vaststellen, die niet later mag zijn dan 15 mei teneinde een tijdige verwerking en controle van de aanvraag mogelijk te maken. In verband met de bijzondere klimaatgesteldheid in Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden moet het deze lidstaten echter worden toegestaan een latere datum vast te stellen, die niet later mag zijn dan 15 juni. Bovendien moet diezelfde rechtsgrond worden gebruikt om te voorzien in de mogelijkheid van incidentele afwijkingen voor het geval dat in de toekomst de klimaatgesteldheid in een bepaald jaar een dergelijke afwijking nodig maakt.

(14)

In de verzamelaanvraag moet de landbouwer niet alleen zijn oppervlakte cultuurgrond, maar ook zijn toeslagrechten aangeven en daarbij alle informatie voegen die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt. Het moet de lidstaten evenwel worden toegestaan om van bepaalde verplichtingen af te wijken wanneer de in het desbetreffende jaar toe te wijzen toeslagrechten nog niet definitief zijn vastgesteld.

(15)

Ter vereenvoudiging van de aanvraagprocedures en overeenkomstig artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 moet er in deze context voor worden gezorgd dat de lidstaten de landbouwer zo veel mogelijk voorgedrukte informatie verstrekken.

(16)

Alle specifieke informatie over de productie van hennep, noten, zetmeelaardappelen, zaden, katoen, groenten en fruit en over de specifieke steun die onder de verzamelaanvraag valt, moet tegelijk met de verzamelaanvraag worden verstrekt of eventueel later, wanneer dit vanwege de aard van de informatie aangewezen is. Voorts moet worden bepaald dat in de verzamelaanvraag ook de arealen moeten worden aangegeven waarvoor geen steun wordt aangevraagd. Afhankelijk van de vorm van grondgebruik kan het belangrijk zijn over nadere informatie te beschikken, om welke reden bepaalde vormen van grondgebruik afzonderlijk moeten worden aangegeven, terwijl andere samen in één rubriek kunnen worden aangegeven. Er moet evenwel worden toegestaan dat van dit voorschrift wordt afgeweken ingeval de lidstaten de betrokken informatie reeds ontvangen.

(17)

Om een doeltreffend toezicht mogelijk te maken, moet elke lidstaat bovendien de minimumomvang bepalen van de percelen landbouwgrond waarvoor een steunaanvraag kan worden ingediend.

(18)

Om de landbouwers zo veel mogelijk flexibiliteit te bieden bij de planning van het grondgebruik, moet hun worden toegestaan om hun verzamelaanvraag te wijzigen tot de data waarop normaliter de inzaai plaatsvindt, mits alle bijzondere voorschriften in het kader van de verschillende steunregelingen in acht worden genomen en mits voor het gedeelte van de aanvraag waarop de wijziging betrekking heeft, de bevoegde autoriteit de landbouwer nog niet over fouten in de verzamelaanvraag heeft geïnformeerd en hem evenmin kennis heeft gegeven van een te verrichten controle ter plaatse waarbij vervolgens fouten aan het licht komen. Na de wijziging moet de mogelijkheid worden geboden om de desbetreffende bewijsstukken of contracten die moeten worden ingediend, aan te passen.

(19)

Voor een effectief beheer is het van essentieel belang dat de aanvraag voor een waardeverhoging of toewijzing van toeslagrechten in het kader van de bedrijfstoeslagregeling tijdig wordt ingediend. Daarom moeten de lidstaten voor de indiening van de aanvraag een uiterste datum vaststellen, die niet later mag zijn dan 15 mei. Ter vereenvoudiging van de procedures moet het de lidstaten worden toegestaan dat zij bepalen dat de aanvraag tegelijk met de verzamelaanvraag mag worden ingediend. Om deze reden moet het Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden echter worden toegestaan een latere datum vast te stellen, die niet later mag zijn dan 15 juni.

(20)

Ingeval een lidstaat ervoor kiest de verschillende steunregelingen voor dieren toe te passen, moeten gemeenschappelijke bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de in de steunaanvragen voor dieren op te nemen gegevens.

(21)

Krachtens artikel 117 van Verordening (EG) nr. 73/2009 kunnen premies in het kader van de steunregelingen voor rundvee alleen worden betaald voor dieren die naar behoren geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (6). Daarom moeten landbouwers die op grond van de betrokken steunregelingen aanvragen indienen, tijdig toegang krijgen tot de desbetreffende informatie.

(22)

De steun aan suikerbieten- en suikerriettelers, de afzonderlijke betaling voor suiker en de afzonderlijke betaling voor groenten en fruit hebben per definitie geen betrekking op een landbouwareaal, zodat de bepalingen inzake de verzamelaanvraag niet van toepassing zijn op die betalingen. Daarom dient voor die betalingen in een passende aanvraagprocedure te worden voorzien.

(23)

Er moeten verdere eisen worden gesteld aan de aanvraag voor specifieke steun in het kader van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009, met uitzondering van areaalbetalingen en betalingen voor dieren. Vanwege de mogelijke diversiteit van de specifiekesteunmaatregelen is het van bijzonder belang dat de landbouwer alle informatie verstrekt die nodig is om te bepalen of aanspraak kan worden gemaakt op steun. Om praktische redenen moet het de lidstaten worden toegestaan te bepalen dat de bewijsstukken op een latere datum worden ingediend dan de datum die is vastgesteld voor de indiening van de aanvraag.

(24)

In geval van toepassing van artikel 68, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn de begunstigden niet de landbouwers, maar de onderlinge fondsen die de landbouwers vergoed hebben voor economische verliezen. Aan de steunaanvraag van onderlinge fondsen moeten bijzondere eisen worden gesteld, zulks gezien de informatie die nodig is om te bepalen of zij aanspraak kunnen maken op de betaling.

(25)

Het algemene kader dient te worden vastgesteld voor de invoering van vereenvoudigde procedures voor de communicatie tussen de landbouwer en de autoriteiten van de lidstaat. Dit kader dient met name te voorzien in de mogelijkheid gebruik te maken van elektronische middelen. Evenwel dient in het bijzonder te zijn gegarandeerd dat de aldus verstrekte gegevens volkomen betrouwbaar zijn en dat de betrokken procedures zonder enige discriminatie tussen landbouwers worden toegepast. Voorts moeten de nationale autoriteiten, teneinde het beheer voor de landbouwers en voor henzelf te vereenvoudigen, over de mogelijkheid beschikken om de bewijsstukken die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op bepaalde betalingen kan worden gemaakt, niet bij de landbouwer, maar rechtstreeks bij de informatiebron op te vragen.

(26)

Steunaanvragen die kennelijke fouten bevatten, moeten te allen tijde verbeterd kunnen worden.

(27)

Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de situaties waarin de uiterste datum voor de indiening van de diverse aanvragen, documenten of wijzigingen op een feestdag, op een zaterdag of op een zondag valt.

(28)

Inachtneming van de termijnen voor de indiening van de steunaanvragen, wijziging van de verzamelaanvragen en de bewijsstukken, contracten of aangiften is absoluut noodzakelijk om de nationale overheidsdiensten in staat te stellen doeltreffende controles op de juistheid van de steunaanvragen te programmeren en vervolgens uit te voeren. Daarom moet worden bepaald binnen welke termijnen een te late indiening nog aanvaardbaar is. Bovendien moeten verlagingen worden toegepast om de landbouwers ertoe aan te zetten de uiterste data in acht te nemen.

(29)

Met het oog op een tijdige vaststelling van de toeslagrechten is het voor de lidstaten van essentieel belang dat de landbouwers de aanvragen van toeslagrechten op tijd indienen. Daarom mag de extra termijn voor de indiening van deze aanvragen niet meer bedragen dan de extra termijn voor de indiening van enige andere steunaanvraag. Ook moet een ontradend verlagingspercentage worden toegepast tenzij de vertraging te wijten is aan overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.

(30)

De landbouwers moeten hun steunaanvragen te allen tijde geheel of gedeeltelijk kunnen intrekken mits de bevoegde autoriteit de landbouwer nog niet over fouten in de steunaanvraag heeft geïnformeerd en hem evenmin kennis heeft gegeven van een te verrichten controle ter plaatse.

(31)

Op de naleving van de bepalingen van de steunregelingen die in het kader van het geïntegreerd systeem worden beheerd, moet een doeltreffend toezicht worden uitgeoefend. Daartoe en met het oog op een geharmoniseerd toezichtniveau in alle lidstaten moeten de criteria en technische procedures voor de uitvoering van administratieve controles en van controles ter plaatse tot in de details worden aangegeven niet alleen ten aanzien van de subsidiabiliteitscriteria die voor de steunregelingen zijn vastgesteld, maar ook ten aanzien van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden. Voor de uitoefening van toezicht is het van essentieel belang dat controles ter plaatse mogelijk zijn. Daarom moeten aanvragen worden afgewezen als een landbouwer deze controles verhindert.

(32)

De aankondiging van controles ter plaatse op de subsidiabiliteit of op de naleving van de randvoorwaarden mag alleen worden toegestaan als daarmee het doel van de controles niet in gevaar komt, en er moeten in elk geval passende termijnen worden vastgesteld. Voorts moet specifieke sectorale regelgeving inzake besluiten of normen in het kader van de randvoorwaarden die voorschrijft dat controles ter plaatse niet mogen worden aangekondigd, in acht worden genomen.

(33)

Er moet worden bepaald dat de lidstaten de diverse controles waar dat dienstig is, moeten combineren.

(34)

Met het oog op een effectieve opsporing van onregelmatigheden bij de administratieve controles moeten voorschriften worden vastgesteld voor met name de inhoud van de kruiscontroles. Onregelmatigheden moeten aanleiding geven tot een vervolgactie in de vorm van een passende procedure.

(35)

Een fout die vaak wordt ontdekt bij de kruiscontroles, is een iets te hoge aangifte van de totale oppervlakte landbouwgrond binnen een referentieperceel. Als een referentieperceel is vermeld in steunaanvragen van twee of meer landbouwers die steun op grond van dezelfde steunregeling aanvragen, en als de totale aangegeven oppervlakte de oppervlakte landbouwgrond overtreft met een verschil dat binnen de tolerantie voor de meting van percelen landbouwgrond blijft, moet de lidstaat eenvoudigheidshalve kunnen besluiten tot een evenredige vermindering van de betrokken oppervlakten. De betrokken landbouwers moeten echter het recht hebben beroep aan te tekenen tegen een dergelijk besluit.

(36)

In het geval dat een lidstaat in het kader van de bij artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid betalingen verleent voor oppervlakten of dieren, moet hetzelfde controlepercentage worden toegepast als het percentage dat geldt voor andere oppervlaktegebonden betalingen en betalingen voor dieren. Bij de andere specifiekesteunmaatregelen moeten de begunstigden worden beschouwd als een aparte populatie waarvoor een specifiek minimumpercentage controles moet gelden.

(37)

Het minimumaantal landbouwers bij wie in het kader van de verschillende steunregelingen controles ter plaatse moeten worden verricht, dient te worden bepaald. Voor het geval dat lidstaten kiezen voor toepassing van de verschillende steunregelingen voor dieren, moet ten aanzien van de landbouwers die steun in het kader van die regelingen aanvragen, een geïntegreerde bedrijfsgerichte aanpak worden voorgeschreven.

(38)

De constatering van belangrijke onregelmatigheden en gevallen van niet-naleving moet tot gevolg hebben dat in het lopende en/of het volgende jaar meer controles ter plaatse worden verricht om een aanvaardbare mate van zekerheid omtrent de juistheid van de betrokken steunaanvragen te verkrijgen. De uitbreiding van de steekproef moet, wanneer het gaat om de naleving van de randvoorwaarden, worden toegespitst op de betrokken besluiten of normen.

(39)

Controles ter plaatse bij landbouwers die steunaanvragen indienen, hoeven niet noodzakelijk op elk individueel dier of perceel landbouwgrond te worden uitgevoerd. In bepaalde gevallen kunnen steekproefcontroles worden verricht. Waar dit is toegestaan, moet de steekproef echter groot genoeg zijn om betrouwbare en representatieve resultaten te garanderen wat de te verschaffen mate van zekerheid betreft. In sommige gevallen kan het nodig zijn de steekproef tot een volledige controle uit te breiden. De lidstaten moeten de criteria voor de keuze van de te controleren steekproef vaststellen.

(40)

De steekproef die overeenkomt met het minimumpercentage controles ter plaatse, moet gedeeltelijk op basis van een risicoanalyse en gedeeltelijk op aselecte wijze worden getrokken. De bevoegde autoriteit moet de risicofactoren vaststellen aangezien zij in een betere positie verkeert om de desbetreffende risicofactoren te kiezen. Om voor een relevante en doelmatige risicoanalyse te zorgen, moet de doeltreffendheid van de risicoanalyse op jaarbasis worden beoordeeld en verhoogd door de relevantie van elke risicofactor te bepalen, de resultaten van de op aselecte wijze gekozen steekproef en die van de op de risicoanalyse gebaseerde steekproef met elkaar te vergelijken en rekening te houden met de specifieke situatie in de lidstaten.

(41)

Voor een doeltreffende controle ter plaatse is het van belang dat het personeel dat de controles uitvoert, wordt geïnformeerd over de reden om de betrokken landbouwer voor de controle ter plaatse te selecteren. De lidstaten moeten aantekening houden van die informatie.

(42)

In bepaalde gevallen is het van belang om vóór de ontvangst van alle aanvragen controles ter plaatse uit te voeren, en daarom moet het de lidstaten worden toegestaan om vóór het einde van de aanvraagperiode een gedeeltelijke selectie van de steekproef uit te voeren.

(43)

Om de nationale autoriteiten en alle bevoegde communautaire autoriteiten in staat te stellen vervolgactiviteiten te ontplooien naar aanleiding van de verrichte controles ter plaatse, moeten de bijzonderheden over de controles worden opgetekend in een controleverslag. De landbouwer of een vertegenwoordiger dient in de gelegenheid te worden gesteld het verslag te ondertekenen. In het geval van controles ter plaatse door middel van teledetectie moet het de lidstaten echter worden toegestaan dit recht uitsluitend te verlenen wanneer de controle onregelmatigheden aan het licht brengt. Ongeacht de aard van de controle ter plaatse moet bij ontdekking van onregelmatigheden een kopie van het verslag aan de landbouwer worden verstrekt.

(44)

Voor een deugdelijk toezicht moeten controles ter plaatse van oppervlaktegebonden regelingen betrekking hebben op alle aangegeven percelen landbouwgrond. Om de zaken te vereenvoudigen, moet niettemin worden toegestaan dat de feitelijke constatering van de percelen beperkt blijft tot een steekproef die 50 % van de percelen omvat. De steekproef moet echter betrouwbaar en representatief zijn en moet, indien anomalieën worden geconstateerd, worden uitgebreid. De steekproefresultaten moeten worden geëxtrapoleerd naar de rest van de populatie. Er moet nader worden aangegeven dat de lidstaten voor controles ter plaatse gebruik mogen maken van bepaalde technische hulpmiddelen.

(45)

Voor de constatering van de oppervlakten en voor de meetmethoden moeten uitvoeringsvoorschriften worden vastgesteld die een meting garanderen van een kwaliteit die gelijkwaardig is aan die welke is voorgeschreven in de technische normen die zijn opgesteld op het niveau van de Gemeenschap.

(46)

De ervaring leert dat bij de constatering van de oppervlakte van percelen landbouwgrond die voor areaalbetalingen in aanmerking komen, moet worden bepaald tot welke maximale breedte bepaalde elementen, in het bijzonder heggen, sloten en muren, mogen worden meegerekend. Met het oog op specifieke milieueisen moet enige flexibiliteit worden toegestaan binnen de grenzen die in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van de regionale opbrengsten.

(47)

Er moet worden vastgesteld onder welke voorwaarden mag worden aangenomen dat percelen landbouwgrond met bomen in aanmerking komen voor de oppervlaktegebonden regelingen. Ook moet worden bepaald welke administratieve procedure bij gezamenlijk gebruikte percelen moet worden gevolgd.

(48)

De voorwaarden waaronder controles ter plaatse door middel van teledetectie mogen worden uitgevoerd, moeten worden vastgesteld en bepaald dient te worden dat fysieke controles moeten worden verricht in het geval dat foto-interpretatie geen duidelijke resultaten oplevert. Door bijvoorbeeld de weersomstandigheden kunnen er gevallen zijn waarin de extra controles die na een verhoging van het percentage controles ter plaatse nodig zijn, niet meer middels teledetectie kunnen worden verricht. In dat geval moeten zij met de traditionele middelen worden verricht.

(49)

In het kader van de bedrijfstoeslagregeling kunnen landbouwers met bijzondere toeslagrechten steun ontvangen als zij aan een zekere activiteiteneis voldoen. Om op doeltreffende wijze na te gaan of aan deze eis wordt voldaan, moeten de lidstaten procedures vaststellen voor controles ter plaatse bij landbouwers met bijzondere toeslagrechten.

(50)

Gezien de bijzondere kenmerken van de bij titel IV, hoofdstuk 1, afdelingen 5, 6 en 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde steunregelingen voor zaaizaad, katoen en suiker moeten voor die steunregelingen specifieke controlebepalingen worden vastgesteld.

(51)

Krachtens artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan bij henneprassen aanspraak worden gemaakt op rechtstreekse betalingen mits het gehalte aan tetrahydrocannabinol (THC) van de rassen maximaal 0,2 % bedraagt. Ter uitvoering van dit voorschrift moet worden vastgesteld hoe de lidstaten het THC-gehalte van hennep moeten controleren.

(52)

Voorts moet voor vezelhennep worden bepaald hoeveel tijd moet verlopen tussen de bloei en de oogst om op doeltreffende wijze aan de controleverplichtingen die voor vezelhennep gelden, te kunnen voldoen.

(53)

Voor het geval dat een lidstaat kiest voor toepassing van de verschillende steunregelingen voor dieren, moet worden bepaald op welke tijdstippen de controles ter plaatse bij de aanvragers van steun in het kader van die steunregelingen moeten worden verricht en wat zij minimaal moeten inhouden. Voor een doeltreffende controle op de juistheid van de aangiften in de steunaanvragen en van de meldingen aan het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen is het van essentieel belang dat een groot deel van die controles ter plaatse wordt uitgevoerd gedurende de periode waarin de dieren nog op het bedrijf moeten worden aangehouden.

(54)

Voor het geval dat een lidstaat kiest voor toepassing van de verschillende steunregelingen voor rundvee, moet, aangezien op grond van artikel 117 van Verordening (EG) nr. 73/2009 een behoorlijke identificatie en registratie van de runderen een voorwaarde voor subsidiabiliteit is, ervoor worden gezorgd dat de communautaire steun alleen voor behoorlijk geïdentificeerde en geregistreerde runderen wordt toegekend. Ook runderen waarvoor nog geen steunaanvraag is ingediend maar waarvoor dit in de toekomst het geval zou kunnen zijn, moeten in dit opzicht worden gecontroleerd omdat als gevolg van de opzet van verscheidene van de steunregelingen voor rundvee in veel gevallen pas steun voor runderen wordt aangevraagd nadat de dieren het bedrijf hebben verlaten.

(55)

Bij schapen en geiten moeten de controles ter plaatse met name gericht zijn op de naleving van de aanhoudperiode en op de juistheid van de inschrijvingen in het register.

(56)

Voor het geval dat een lidstaat kiest voor toepassing van de slachtpremie, moeten bijzondere voorschriften worden vastgesteld voor controles ter plaatse in de slachthuizen om na te gaan of de dieren waarvoor deze premie is aangevraagd, daarvoor in aanmerking komen en of de informatie in het gecomputeriseerde gegevensbestand correct is. De lidstaten moeten kunnen kiezen uit twee verschillende grondslagen voor de selectie van de aan dergelijke controles te onderwerpen slachthuizen.

(57)

Naast de communautaire controlebepalingen inzake de uitvoer in het algemeen moeten bijzondere bepalingen voor de na uitvoer van runderen toegekende slachtpremie worden vastgesteld, omdat de controledoelstellingen verschillen.

(58)

Bijzondere controlebepalingen zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1082/2003 van de Commissie van 23 juni 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad (7) inzake de minimaal te verrichten controles in het kader van de identificatie- en registratieregeling voor runderen. Wanneer op grond van die verordening controles worden verricht, moeten de resultaten daarvan ten behoeve van het geïntegreerd systeem worden opgenomen in het controleverslag.

(59)

Voorts moeten bepalingen inzake het controleverslag worden vastgesteld in geval van controles ter plaatse in slachthuizen of van toekenning van de premie na uitvoer. Omwille van de samenhang moet ook worden bepaald dat bij niet-naleving van het bepaalde in titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 of in Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (8) een exemplaar van de controleverslagen moet worden toegezonden aan de instanties die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van die verordeningen.

(60)

Ingeval een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid om specifieke steun toe te kennen, moeten de controlebepalingen van de onderhavige verordening zo veel mogelijk worden toegepast. Wanneer het niet mogelijk is om die bepalingen toe te passen, moeten de lidstaten zorgen voor een gelijkwaardig controleniveau. Er moeten bijzondere controle-eisen worden gesteld aan betalingsaanvragen van onderlinge fondsen en betalingsaanvragen in het kader van investeringen.

(61)

Bij Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden ingevoerd voor de landbouwers die betalingen ontvangen in het kader van de in bijlage I bij die verordening genoemde regelingen inzake rechtstreekse betalingen, en is voorzien in een stelsel van verlagingen en uitsluitingen voor het geval dat niet aan die verplichtingen wordt voldaan. Dat stelsel is ook van toepassing op betalingen in het kader van de artikelen 85 septdecies, 103 octodecies en 103 novodecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007. De nadere voorschriften voor dat stelsel moeten worden vastgesteld.

(62)

Nader geregeld dient te worden welke autoriteiten in de lidstaten de controles op de naleving van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden moeten uitvoeren.

(63)

In sommige gevallen kan het nuttig zijn dat de lidstaten administratieve controles op de naleving van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden uitvoeren. De lidstaten mogen echter niet tot het verrichten van dergelijke controles worden verplicht.

(64)

Het minimumpercentage controles op de nakoming van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden moet worden bepaald. Dat controlepercentage moet worden vastgesteld op 1 % van de aan de randvoorwaarden onderworpen landbouwers binnen het bevoegdheidsterrein van elke controleautoriteit, welke 1 % moet worden geselecteerd op basis van een passende risicoanalyse.

(65)

De lidstaten moeten het minimumpercentage controles kunnen realiseren op het niveau van elke bevoegde controleautoriteit, op het niveau van het betaalorgaan of op het niveau van een besluit of norm of een groep besluiten of normen.

(66)

Indien in de voor het besluit of de normen geldende specifieke regelgeving minimumpercentages controles zijn vastgesteld, moeten de lidstaten deze percentages in acht nemen. Het moet de lidstaten echter worden toegestaan een uniform percentage toe te passen voor de controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden. Indien de lidstaten voor deze mogelijkheid kiezen, moet elk geval van niet-naleving dat bij controles ter plaatse op grond van de sectorale regelgeving wordt ontdekt, in het kader van de randvoorwaarden worden gemeld en aan vervolgactie worden onderworpen.

(67)

Bij Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn bepalingen vastgesteld op grond waarvan de bevoegde autoriteit in bepaalde gevallen moet verifiëren of de landbouwer een corrigerende actie heeft ondernomen. Om te voorkomen dat het controlesysteem wordt verzwakt, vooral wat de steekproeftrekking voor controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden betreft, moet worden verduidelijkt dat dergelijke verificaties niet mogen worden meegerekend bij de vaststelling van de minimaal te controleren steekproef.

(68)

De steekproef voor controles op de naleving van de randvoorwaarden moet worden getrokken hetzij op basis van de steekproeven van landbouwers die zijn geselecteerd voor een controle ter plaatse met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria, hetzij uit de totale populatie van landbouwers die aanvragen om rechtstreekse betalingen hebben ingediend. In het laatste geval moeten bepaalde subopties worden toegestaan.

(69)

De steekproeftrekking voor controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden kan worden verbeterd door het mogelijk te maken dat bij de risicoanalyse rekening wordt gehouden met de deelneming door landbouwers aan het in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bedrijfsadviseringssysteem en met de deelneming door landbouwers aan ter zake relevante certificeringssystemen. Wanneer rekening wordt gehouden met de deelneming aan die systemen, moet echter worden aangetoond dat de landbouwers die eraan deelnemen, minder risico opleveren dan de landbouwers die er niet aan deelnemen.

(70)

De controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden maken doorgaans verscheidene bezoeken aan hetzelfde landbouwbedrijf noodzakelijk. Om de last te verminderen die de controles niet alleen voor de landbouwers maar ook voor de overheidsdiensten betekenen, moet het mogelijk worden gemaakt de controles tot één controlebezoek te beperken. Het tijdstip van dat bezoek moet worden verduidelijkt. De lidstaten moeten er evenwel voor zorgen dat voor de eisen en normen binnen hetzelfde kalenderjaar een representatieve en doeltreffende controle wordt uitgevoerd.

(71)

Om de controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden te vereenvoudigen en een beter gebruik te maken van de bestaande controlecapaciteit, moet worden bepaald dat controles ter plaatse op het niveau van de landbouwbedrijven kunnen worden vervangen door administratieve controles of controles op het niveau van ondernemingen mits die controles ten minste even doeltreffend zijn.

(72)

Voorts dient het voor de lidstaten mogelijk te zijn om bij de uitvoering van controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden gebruik te maken van objectieve indicatoren voor bepaalde eisen of normen. Die indicatoren moeten evenwel rechtstreeks verband houden met de eisen of normen waarvoor zij gelden, en betrekking hebben op alle te controleren elementen.

(73)

Er moeten regels worden vastgesteld voor specifieke verslagen over controles op de naleving van de randvoorwaarden. De gespecialiseerde controleurs in het veld moeten daarin melding maken van alle eventuele bevindingen en ook van de ernst daarvan om het betaalorgaan in staat te stellen de betrokken verlagingen vast te stellen of in voorkomend geval tot uitsluiting van rechtstreekse betalingen te besluiten.

(74)

De landbouwers moeten in kennis worden gesteld van alle gevallen van niet-naleving die eventueel bij een controle ter plaatse worden geconstateerd. Er moet een bepaalde termijn worden vastgesteld waarbinnen de landbouwers die informatie moeten ontvangen. Overschrijding van die termijn mag de betrokken landbouwers echter niet vrijwaren van de gevolgen die anders aan de geconstateerde niet-naleving zouden zijn verbonden.

(75)

Bij de vaststelling van verlagingen en uitsluitingen moet rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en met de bijzondere problemen die door overmacht of door buitengewone en natuurlijke omstandigheden kunnen worden veroorzaakt. Wat de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden betreft, mogen verlagingen en uitsluitingen alleen worden toegepast wanneer de landbouwer nalatig is geweest of met opzet heeft gehandeld. De verlagingen en uitsluitingen moeten worden gedifferentieerd naar gelang van de ernst van de onregelmatigheid en moeten gaan tot de volledige uitsluiting van een of meer steunregelingen gedurende een bepaalde periode. Wat de subsidiabiliteitscriteria betreft, moet bij de vaststelling van de verlagingen en uitsluitingen rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende steunregelingen.

(76)

Om het de lidstaten mogelijk te maken de controles, met name op de naleving van de randvoorwaarden, doeltreffend uit te voeren, moeten landbouwers overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 alle oppervlakten aangeven waarover zij beschikken, ongeacht of zij er al dan niet steun voor aanvragen. Voorzien dient te worden in een regeling die ervoor moet zorgen dat landbouwers deze verplichting nakomen.

(77)

Voor de constatering van oppervlakten en de berekening van verlagingen moet worden bepaald welke oppervlakten tot dezelfde gewasgroep behoren. Een oppervlakte die voor steun in het kader van meer dan een steunregeling wordt aangegeven, dient meer dan eenmaal in aanmerking te worden genomen.

(78)

Voor betaling van steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling dient het aantal toeslagrechten gelijk te zijn aan het aantal subsidiabele hectaren. Voor de toepassing van deze regeling moet daarom worden bepaald dat bij verschillen tussen de aangegeven toeslagrechten en de aangegeven oppervlakte, de bedrijfstoeslag wordt berekend op basis van het kleinste aantal. Om te voorkomen dat de berekening op niet-bestaande toeslagrechten wordt gebaseerd, moet worden bepaald dat het aantal voor de berekening gebruikte toeslagrechten niet hoger mag zijn dan het aantal toeslagrechten waarover de landbouwer beschikt.

(79)

Wat steunaanvragen voor oppervlakten betreft, hebben onregelmatigheden normaliter betrekking op delen van die oppervlakten. Daarom kan een te hoge aangifte voor een bepaald perceel worden gecompenseerd door een te lage aangifte voor andere percelen die tot dezelfde gewasgroep behoren. Bepaald dient te worden dat steunaanvragen binnen een bepaalde tolerantiemarge alleen worden aangepast aan de feitelijk geconstateerde oppervlakte en dat slechts met de toepassing van verlagingen wordt begonnen zodra deze marge is overschreden.

(80)

Voorts is, wat de aanvragen voor oppervlaktegebonden betalingen betreft, het verschil tussen de in de aanvraag aangegeven totale oppervlakte en de totale oppervlakte die als subsidiabel is geconstateerd, vaak onbeduidend klein. Ter voorkoming van een groot aantal geringe aanpassingen van aanvragen moet worden bepaald dat de steunaanvraag niet aan de geconstateerde oppervlakte hoeft te worden aangepast tenzij een bepaalde mate van verschil wordt overschreden.

(81)

Speciale bepalingen zijn nodig om rekening te houden met de bijzondere aspecten van steunaanvragen in het kader van de steunregelingen voor zetmeelaardappelen, zaaizaad en katoen.

(82)

In geval van een opzettelijk te hoge aangifte moeten bijzondere verlagingsvoorschriften gelden.

(83)

Er moeten uitvoeringsvoorschriften worden vastgesteld voor de berekeningsgrondslag voor premies voor dieren.

(84)

Het moet de landbouwers worden toegestaan de runderen en de schapen en geiten onder bepaalde voorwaarden en binnen de grenzen zoals aangegeven in de desbetreffende sectorale regelgeving, te vervangen.

(85)

Wat steunaanvragen voor dieren betreft, heeft een onregelmatigheid tot gevolg dat het betrokken dier niet subsidiabel is. Verlagingen moeten worden toegepast vanaf het eerste dier waarvoor een onregelmatigheid wordt ontdekt, maar wanneer voor niet meer dan drie dieren onregelmatigheden worden ontdekt, moet de sanctie minder streng zijn ongeacht om welk percentage van de dieren het gaat. In alle andere gevallen moet de hoogte van de sanctie afhankelijk zijn van het percentage dieren waarvoor onregelmatigheden worden ontdekt.

(86)

Voor schapen en geiten moet een aantal specifieke bepalingen worden vastgesteld in verband met de bijzondere kenmerken van de sector.

(87)

Wanneer een landbouwer als gevolg van natuurlijke omstandigheden niet kan voldoen aan de uit de sectorale regelgeving voortvloeiende verplichtingen tot het aanhouden van dieren, dienen geen verlagingen of uitsluitingen te worden toegepast.

(88)

Voor het geval dat een lidstaat kiest voor toepassing van de slachtpremie, moet vanwege het belang van de slachthuizen voor het behoorlijk functioneren van een aantal steunregelingen voor rundvee, ook een sanctieregeling worden vastgesteld voor gevallen waarin slachthuizen door grove nalatigheid of met opzet met onjuiste verklaringen of aangiften komen.

(89)

Ingeval de specifieke steun als bedoeld in artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 als oppervlaktegebonden betaling of als betaling voor dieren wordt toegekend, dienen de daartoe vast te stellen bepalingen inzake verlagingen en uitsluitingen zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing te zijn. In de overige gevallen moeten de lidstaten voor elke maatregel in het kader van de specifieke steun voorzien in gelijkwaardige verlagingen en uitsluitingen.

(90)

Met het oog op de toepassing van adequate verlagingen wanneer de bevindingen dat rechtvaardigen, moet informatie over de resultaten van de controles op de naleving van de randvoorwaarden ter beschikking worden gesteld van alle betaalorganen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de verschillende betalingen waarvoor eisen in het kader van de randvoorwaarden gelden.

(91)

Ook moet voor gevallen waarin een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 23, lid 2, of artikel 24, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid om geen verlaging toe te passen indien het gaat om een geval van niet-naleving van gering belang of om een bedrag van ten hoogste 100 EUR, worden bepaald hoe dient te worden gehandeld ten aanzien van landbouwers die de van hen verlangde corrigerende actie niet uitvoeren.

(92)

Wat de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden betreft, moeten de verlagingen en uitsluitingen niet alleen overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel worden gedifferentieerd, maar moet ook worden bepaald dat herhaalde inbreuken op dezelfde verplichting in het kader van de randvoorwaarden op een gegeven ogenblik, nadat de landbouwer een voorafgaande waarschuwing is gegeven, moeten worden behandeld als een opzettelijke niet-naleving.

(93)

In de regel dienen geen verlagingen of uitsluitingen met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria te worden toegepast wanneer de landbouwer feitelijk juiste informatie heeft verstrekt of kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(94)

Ten aanzien van landbouwers die op enig tijdstip onjuistheden in steunaanvragen melden aan de bevoegde nationale autoriteiten, dienen ongeacht de oorzaak van de onjuistheden geen verlagingen of uitsluitingen te worden toegepast mits de landbouwer niet op de hoogte is gebracht van het voornemen van de bevoegde autoriteit een controle ter plaatse uit te voeren, en de autoriteit de landbouwer niet reeds van een onregelmatigheid in de aanvraag in kennis heeft gesteld.

(95)

Hetzelfde dient te gelden voor onjuiste gegevens in het gecomputeriseerde gegevensbestand, zulks enerzijds ten aanzien van runderen waarvoor steun is aangevraagd en waarvoor de betrokken onregelmatigheden niet alleen een niet-naleving van een verplichting in het kader van de randvoorwaarden maar ook een inbreuk op een subsidiabiliteitscriterium betekenen, en anderzijds ten aanzien van runderen waarvoor geen steun is aangevraagd en waarvoor de betrokken onregelmatigheden slechts relevant zijn vanuit het oogpunt van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden.

(96)

In artikel 31 van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden genoemd die door de lidstaten moeten worden erkend. Wanneer een landbouwer door dergelijke gevallen niet aan zijn verplichtingen kan voldoen, mag hij zijn recht op de steunbetaling niet verliezen. Wel moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen de landbouwer kennisgeving van een dergelijk geval moet doen.

(97)

Het beheer van kleine bedragen brengt veel werk mee voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan bedragen onder een bepaald minimum niet uit te betalen.

(98)

Er moeten nadere bepalingen worden vastgesteld om te zorgen voor een billijke toepassing van verschillende verlagingen ten aanzien van een of meer steunaanvragen van dezelfde landbouwer. De verlagingen en uitsluitingen waarin de onderhavige verordening voorziet, moeten worden toegepast onverminderd verdere sancties op grond van welke andere bepalingen van communautair of nationaal recht dan ook.

(99)

Er moet een volgorde worden vastgesteld voor de berekening van mogelijke verlagingen voor elke steunregeling. Om ervoor te zorgen dat de diverse voor de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening vastgestelde begrotingsmaxima in acht worden genomen, moet met name worden bepaald dat de betalingen met een coëfficiënt moeten worden verlaagd om overschrijding van de maxima te voorkomen.

(100)

In de artikelen 7, 10 en 11 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is bepaald dat de som van de in een bepaald kalenderjaar aan een landbouwer verschuldigde rechtstreekse betalingen moet worden verlaagd en, in voorkomend geval, moet worden aangepast op grond van respectievelijk de modulatie en de financiële discipline. De uitvoeringsbepalingen moeten voorzien in de grondslag voor de berekening van deze verlagingen en aanpassingen bij de berekening van het bedrag van de betalingen aan landbouwers.

(101)

Opdat het beginsel van goede trouw in de gehele Gemeenschap op uniforme wijze wordt toegepast wat de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen betreft, moet worden bepaald onder welke voorwaarden een beroep op dit beginsel kan worden gedaan, onverminderd de behandeling van de betrokken uitgaven in het kader van de goedkeuring van de rekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (9).

(102)

Er moeten regels worden vastgesteld voor het geval dat een landbouwer te veel toeslagrechten heeft ontvangen of de waarde van elk van de toeslagrechten op een te hoog niveau is vastgesteld en dit niet onder artikel 137 van Verordening (EG) nr. 73/2009 valt. In sommige gevallen waarin een onterechte toewijzing van toeslagrechten niet van invloed was op de totale waarde van de toeslagrechten, doch slechts op het aantal toeslagrechten van de landbouwer moeten de lidstaten echter de toewijzing, of in voorkomend geval het type van toeslagrechten, corrigeren zonder de waarde ervan te verlagen. Dit dient echter alleen te gelden als de landbouwer de fout redelijkerwijs niet zelf had kunnen ontdekken. Voorts hebben in bepaalde gevallen ten onrechte toegewezen toeslagrechten betrekking op zeer kleine bedragen en is voor de intrekking van deze toeslagrechten een aanzienlijke administratieve inspanning nodig. Omwille van de eenvoud en omwille van het evenwicht tussen de administratieve inspanning en het in te trekken bedrag moet een minimumbedrag worden vastgesteld waaronder van intrekking mag worden afgezien. Bovendien moet een regeling worden getroffen voor het geval dat dergelijke toeslagrechten zijn overgedragen, en voor het geval dat bij de overdracht van toeslagrechten het bepaalde in artikel 46, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of in artikel 43, artikel 62, leden 1 en 2, en artikel 68, lid 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 niet is nageleefd.

(103)

Geregeld moet worden wat de gevolgen zijn van de overdracht van een bedrijf in zijn geheel waarvoor op grond van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen die onder het geïntegreerd systeem vallen, aan bepaalde verplichtingen moet worden voldaan.

(104)

In het algemeen moeten de lidstaten alle verdere maatregelen nemen die voor een behoorlijke werking van het geïntegreerd systeem noodzakelijk zijn. Zo nodig moeten de lidstaten elkaar bijstaan.

(105)

Voor zover dat relevant is, moet de Commissie worden geïnformeerd over de maatregelen die de lidstaten nemen om hun toepassing van het geïntegreerd systeem te wijzigen. Om de Commissie in staat te stellen een doeltreffend toezicht uit te oefenen op het geïntegreerd systeem, moeten de lidstaten haar bepaalde jaarlijkse controlestatistieken toezenden. Bovendien moeten de lidstaten de Commissie informeren over de maatregelen die zij nemen met betrekking tot de instandhouding van blijvend grasland, en over verlagingen die overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden toegepast.

(106)

Artikel 9 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bevat voorschriften inzake de bedragen die uit de modulatie voortvloeien. Een deel van de bedragen moet worden toegewezen volgens een verdeelsleutel waarvoor voorschriften moeten worden opgesteld die berusten op de in dat artikel vastgestelde criteria.

(107)

De onderhavige verordening dient van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2010. Derhalve moet Verordening (EG) nr. 796/2004 met ingang van die datum worden ingetrokken. Zij moet evenwel van toepassing blijven voor steunaanvragen die betrekking hebben op verkoopseizoenen of premieperioden die vóór 1 januari 2010 zijn ingegaan.

(108)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

TITEL I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Toepassingsgebied

De onderhavige verordening bevat bepalingen ter uitvoering van de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (hierna „het geïntegreerd systeem” genoemd) dat is ingesteld bij titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009, en ter uitvoering van de randvoorwaarden waarin is voorzien bij de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad. Zij geldt onverminderd de specifieke bepalingen van de verordeningen inzake de afzonderlijke steunregelingen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Voorts wordt verstaan onder:

1.

„perceel landbouwgrond”: een aaneengesloten stuk grond dat door één landbouwer is aangegeven en dat niet meer dan één enkele gewasgroep omvat; in het geval echter dat in het kader van de onderhavige verordening een afzonderlijke aangifte van het gebruik van een oppervlakte binnen een gewasgroep nodig is, wordt het perceel landbouwgrond, indien noodzakelijk, verder begrensd door dat specifieke gebruik; de lidstaten mogen aanvullende criteria vaststellen voor een verdere afbakening van een perceel landbouwgrond;

2.

„blijvend grasland”: blijvend grasland als gedefinieerd in artikel 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 1120/2009 (10);

3.

„identificatie- en registratieregeling voor runderen”: de identificatie- en registratieregeling voor runderen die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1760/2000;

4.

„oormerk”: het oormerk om dieren individueel te identificeren als bedoeld in artikel 3, onder a), en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1760/2000;

5.

„gecomputeriseerd gegevensbestand voor runderen”: het in artikel 3, onder b), en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde gecomputeriseerde gegevensbestand;

6.

„dierpaspoort”: het in artikel 3, onder c), en artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde dierpaspoort;

7.

„register”: het register dat houders van dieren bijhouden overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 21/2004 of artikel 3, onder d), en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000;

8.

„elementen van de identificatie- en registratieregeling voor runderen”: de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 genoemde elementen;

9.

„identificatiecode”: de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde identificatiecode;

10.

„onregelmatigheid”: elke niet-inachtneming van de voor de toekenning van de betrokken steun relevante voorschriften;

11.

„verzamelaanvraag”: de aanvraag om rechtstreekse betalingen op grond van de bedrijfstoeslagregeling en de andere oppervlaktegebonden steunregelingen;

12.

„oppervlaktegebonden steunregelingen”: de bedrijfstoeslagregeling, de oppervlaktegebonden betalingen in het kader van specifieke steun, en alle steunregelingen die zijn vastgesteld bij de titels IV en V van Verordening (EG) nr. 73/2009, met uitzondering van die welke zijn vastgesteld bij titel IV, afdelingen 7, 10 en 11, van die verordening, van de afzonderlijke suikerbetaling die is vastgesteld bij artikel 126 van die verordening, en van de afzonderlijke betaling voor groenten en fruit die is vastgesteld bij artikel 127 van die verordening;

13.

„steunaanvraag voor dieren”: de aanvraag tot betaling van steun op grond van de regeling inzake schapen- en geitenpremies en de regelingen inzake rundvleesbetalingen zoals vastgesteld in titel IV, respectievelijk afdelingen 10 en 11, van Verordening (EG) nr. 73/2009, en tot veebetalingen of grootvee-eenhedenbetalingen in het kader van specifieke steun;

14.

„specifieke steun”: de in artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steun;

15.

„grondgebruik”: het gebruik van de grond in de zin van het type van gewas of bodembedekker of het ontbreken van een gewas;

16.

„steunregelingen voor rundvee”: de in artikel 108 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steunregelingen;

17.

„steunregeling voor schapen en geiten”: de in artikel 99 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steunregeling;

18.

„runderen waarvoor steun is aangevraagd”: runderen waarvoor in het kader van de steunregelingen voor rundvee of in het kader van specifieke steun een steunaanvraag voor dieren is ingediend;

19.

„runderen waarvoor geen steun is aangevraagd”: runderen waarvoor nog geen steunaanvraag voor dieren is ingediend, maar die in aanmerking kunnen komen voor steun op grond van de steunregelingen voor rundvee;

20.

„potentieel premiabel dier”: een dier dat a priori kan voldoen aan de voorwaarden om recht te geven op de steun in het betrokken aanvraagjaar;

21.

„aanhoudperiode”: de periode waarin een dier waarvoor steun is aangevraagd, overeenkomstig de navolgende bepalingen van Verordening (EG) nr. 1121/2009 (11) op het bedrijf moet worden gehouden:

a)

de artikelen 53 en 57, wat de speciale premie voor mannelijke runderen betreft;

b)

artikel 61, wat de zoogkoeienpremie betreft;

c)

artikel 80, wat de slachtpremie betreft;

d)

artikel 35, lid 3, wat de schapen- en geitenpremies betreft;

22.

„houder van dieren”: een natuurlijke of rechtspersoon die permanent of tijdelijk verantwoordelijk is voor dieren, ook tijdens het vervoer of op een markt;

23.

„geconstateerde oppervlakte”: de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan; in het geval van de bedrijfstoeslagregeling kan de aangegeven oppervlakte slechts als geconstateerd worden beschouwd indien deze daadwerkelijk gepaard gaat met een overeenkomstig aantal toeslagrechten;

24.

„geconstateerd dier”: een dier waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan;

25.

„premieperiode”: de periode waarop steunaanvragen betrekking hebben, ongeacht het tijdstip waarop zij zijn ingediend;

26.

„geografisch informatiesysteem” (hierna „GIS” genoemd): de in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem;

27.

„referentieperceel”: een geografisch begrensde oppervlakte met een in het GIS geregistreerde unieke identificatie in het identificatiesysteem van de lidstaat als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 73/2009;

28.

„geografisch materiaal”: kaarten of andere documenten die worden gebruikt voor communicatie over de inhoud van het GIS tussen de aanvragers van steun en de lidstaten;

29.

„nationaal referentiesysteem van coördinaten”: een systeem als bedoeld in Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (12), dat een gestandaardiseerde meting en een unieke identificatie van percelen landbouwgrond in de gehele betrokken lidstaat mogelijk maakt;

30.

„betaalorgaan”: de in artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde diensten en instanties;

31.

„randvoorwaarden”: de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van Verordening (EG) nr. 73/2009;

32.

„terreinen van de randvoorwaarden”: de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde verschillende gebieden die worden onderscheiden voor de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, en de in artikel 6 van die verordening bedoelde eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie;

33.

„besluit”: elk van de afzonderlijke richtlijnen en verordeningen die zijn vermeld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 73/2009;

34.

„normen”: de overeenkomstig artikel 6 van en bijlage III bij Verordening (EG) nr. 73/2009 door de lidstaten vastgestelde normen, alsmede de bij artikel 4 van de onderhavige verordening vastgestelde verplichtingen inzake blijvend grasland;

35.

„eis”: indien gebruikt in de context van de randvoorwaarden, elke afzonderlijke uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis die is gebaseerd op een van de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde artikelen van een bepaald besluit, welke eis inhoudelijk verschilt van de andere in hetzelfde besluit gestelde eisen;

36.

„niet-naleving”: elke niet-naleving van de eisen en normen;

37.

„gespecialiseerde controle-instanties”: de in artikel 48 van de onderhavige verordening bedoelde nationale bevoegde controleautoriteiten die er overeenkomstig artikel 22, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 op moeten toezien dat de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie worden nageleefd;

38.

„die volgen op de betaling/dat volgt op de betaling”: voor de toepassing van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden in de zin van de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007: met ingang van 1 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de eerste betaling is toegekend.

TITEL II

INSTANDHOUDING VAN BLIJVEND GRASLAND

Artikel 3

Instandhouding van het blijvend grasland op het niveau van de lidstaat

1.   Onverminderd de uitzonderingen waarin artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorziet, zorgt de lidstaat overeenkomstig de eerste alinea van dat lid voor de handhaving van het aandeel blijvend grasland in de totale oppervlakte landbouwgrond. Deze verplichting geldt op nationaal of regionaal niveau.

Indien evenwel de overeenkomstig lid 4, onder a), lid 5, onder a), lid 6, onder a), en lid 7, onder a), van het onderhavige artikel bepaalde oppervlakte blijvend grasland in absolute cijfers wordt gehandhaafd, wordt de in artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 neergelegde verplichting als nagekomen beschouwd.

2.   Voor de toepassing van artikel 6, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 zorgen de lidstaten ervoor dat het in lid 1 bedoelde aandeel niet met meer dan 10 % afneemt ten opzichte van het aandeel in het relevante referentiejaar zoals vermeld in artikel 6, lid 2, eerste alinea, van die Verordening (hierna het „referentieaandeel” genoemd).

3.   Het in lid 1 bedoelde aandeel wordt jaarlijks bepaald op basis van de door de landbouwers voor het betrokken jaar aangegeven oppervlakten.

4.   Voor de andere dan de nieuwe lidstaten wordt het referentieaandeel als volgt vastgesteld:

a)

het blijvend grasland is het in 2003 door de landbouwers aangegeven blijvend grasland plus het in 2005 overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven blijvend grasland waarvoor in 2003 geen ander grondgebruik dan grasland is aangegeven tenzij de landbouwer kan aantonen dat de betrokken grond in 2003 geen blijvend grasland was.

In 2005 als blijvend grasland aangegeven oppervlakten die in 2003 in aanmerking kwamen voor de in artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad (13) bedoelde areaalbetaling voor akkerbouwgewassen, worden buiten beschouwing gelaten.

Grond die in 2003 blijvend grasland was en die is bebost overeenkomstig artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt buiten beschouwing gelaten;

b)

de totale oppervlakte landbouwgrond is de in 2005 door de landbouwers aangegeven totale oppervlakte landbouwgrond.

5.   Voor de nieuwe lidstaten die voor het jaar 2004 de bij artikel 143 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde regeling inzake een enkele areaalbetaling niet hebben toegepast, wordt het referentieaandeel als volgt vastgesteld:

a)

het blijvend grasland is het in 2004 door de landbouwers aangegeven blijvend grasland plus het in 2005 overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven blijvend grasland waarvoor in 2004 geen ander grondgebruik dan grasland is aangegeven tenzij de landbouwer kan aantonen dat de betrokken grond in 2004 geen blijvend grasland was.

In 2005 als blijvend grasland aangegeven oppervlakten die in 2004 in aanmerking kwamen voor de in artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 bedoelde areaalbetaling voor akkerbouwgewassen, worden buiten beschouwing gelaten.

Grond die in 2004 blijvend grasland was en die is bebost overeenkomstig artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt buiten beschouwing gelaten;

b)

de totale oppervlakte landbouwgrond is de in 2005 door de landbouwers aangegeven totale oppervlakte landbouwgrond.

6.   Voor de nieuwe lidstaten die voor het jaar 2004 de bij artikel 143 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde regeling inzake een enkele areaalbetaling hebben toegepast, wordt het referentieaandeel als volgt vastgesteld:

a)

het blijvend grasland is het in 2005 door de landbouwers overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven blijvend grasland.

Grond die in 2005 blijvend grasland was en die is bebost overeenkomstig artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt buiten beschouwing gelaten;

b)

de totale oppervlakte landbouwgrond is de in 2005 door de landbouwers aangegeven totale oppervlakte landbouwgrond.

7.   Voor Bulgarije en Roemenië wordt het referentieaandeel als volgt vastgesteld:

a)

het blijvend grasland is het in 2007 door de landbouwers overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven blijvend grasland.

Grond die in 2005 blijvend grasland was en die is bebost overeenkomstig artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt buiten beschouwing gelaten;

b)

de totale oppervlakte landbouwgrond is de in 2007 door de landbouwers aangegeven totale oppervlakte landbouwgrond.

8.   Ingeval uit objectieve elementen blijkt dat de feitelijke ontwikkeling van het blijvend glasland niet tot uiting komt in de ontwikkeling van het aandeel, dan passen de lidstaten het referentieaandeel aan. In dat geval wordt de Commissie onverwijld in kennis gesteld van de aanpassing en de redenen daarvoor.

Artikel 4

Instandhouding van het blijvend grasland op individueel niveau

1.   Indien blijkt dat het in artikel 3, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde aandeel blijvend grasland afneemt, legt de betrokken lidstaat op nationaal of regionaal niveau aan de landbouwers die steun aanvragen in het kader van welke dan ook van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde regelingen inzake rechtstreekse betalingen, de verplichting op dat zij blijvend grasland niet zonder voorafgaande toestemming mogen omzetten.

Indien aan de in de eerste alinea bedoelde toestemming de voorwaarde wordt verbonden dat een oppervlakte blijvend grasland wordt aangelegd, wordt die oppervlakte in afwijking van de definitie in artikel 2, punt 2, vanaf de eerste dag van de omzetting als blijvend grasland beschouwd. Dergelijke oppervlakten moeten voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen worden gebruikt gedurende de vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting.

2.   Indien blijkt dat de nakoming van de in artikel 3, lid 2, van de onderhavige verordening neergelegde verplichting niet kan worden gegarandeerd, legt de betrokken lidstaat, ter aanvulling van de overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel genomen maatregelen, op nationaal of regionaal niveau aan de landbouwers die steun aanvragen in het kader van welke dan ook van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde regelingen inzake rechtstreekse betalingen, de verplichting op dat die landbouwers die beschikken over land dat van blijvend grasland in land voor andere vormen van grondgebruik is omgezet, land opnieuw in blijvend grasland moeten omzetten.

Deze verplichting geldt voor blijvend grasland dat aldus is omgezet sinds de begindatum van de periode van 24 maanden voorafgaande aan de meest recente datum waarop overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de onderhavige verordening de verzamelaanvragen in de betrokken lidstaat uiterlijk moesten worden ingediend.

In een dergelijk geval zetten de landbouwers een percentage van de betrokken oppervlakte opnieuw in blijvend grasland om of leggen zij een daarmee overeenkomende oppervlakte blijvend grasland aan. Dit percentage wordt berekend op basis van de door de landbouwer in een ander grondgebruik omgezette oppervlakte en de oppervlakte die nodig is om het evenwicht te herstellen.

Indien het betrokken land echter is overgedragen nadat het in land voor andere vormen van grondgebruik was omgezet, geldt deze verplichting slechts indien de overdracht na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft plaatsgevonden.

In afwijking van artikel 2, lid 2, worden oppervlakten die opnieuw in blijvend grasland worden omgezet of waarop blijvend grasland wordt aangelegd, vanaf de eerste dag van de heromzetting of aanleg als „blijvend grasland” beschouwd. Dergelijke oppervlakten worden voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen gebruikt gedurende de vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting ervan.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde verplichtingen voor landbouwers gelden niet in het geval dat landbouwers blijvend grasland hebben aangelegd in het kader van programma’s op grond van Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad (14), Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad (15) en Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (16).

DEEL II

HET GEÏNTEGREERD BEHEERS- EN CONTROLESYSTEEM

TITEL I

SYSTEEMEISEN EN RANDVOORWAARDEN

HOOFDSTUK I

Identificatie- en registratiesysteem

Artikel 5

Identificatie van de landbouwers

Onverminderd artikel 19, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 garandeert het in artikel 15, lid 1, onder f), van die verordening bedoelde enkele systeem om de identiteit te registreren van elke landbouwer die een steunaanvraag indient, een unieke identificatie voor alle steunaanvragen die door dezelfde landbouwer worden ingediend.

Artikel 6

Identificatie van de percelen landbouwgrond

1.   Het in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond wordt toegepast op het niveau van referentiepercelen zoals kadastrale of topografische percelen die een unieke identificatie van elk referentieperceel garanderen.

Voor de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling en de regeling inzake een enkele areaalbetaling wordt voor elk referentieperceel een maximumoppervlakte vastgesteld die voor steun in het kader van deze regelingen in aanmerking komt. Het GIS functioneert op basis van een nationaal referentiesysteem van coördinaten. Indien verschillende coördinatensystemen worden gebruikt, zijn deze binnen elke lidstaat onderling compatibel.

De lidstaten zorgen er bovendien voor dat de percelen landbouwgrond op betrouwbare wijze worden geïdentificeerd en verlangen met name dat de verzamelaanvraag vergezeld gaat van de door de bevoegde autoriteit bepaalde gegevens of documenten die het mogelijk maken elk perceel landbouwgrond te lokaliseren en te meten.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat voor ten minste 75 % van de referentiepercelen waarop een steunaanvraag betrekking heeft, ten minste 90 % van de oppervlakte van het referentieperceel subsidiabel is op grond van de bedrijfstoeslagregeling dan wel de regeling inzake een enkele areaalbetaling. Deze beoordeling wordt op jaarbasis verricht met gebruikmaking van passende statistische methoden.

Artikel 7

Identificatie en registratie van de toeslagrechten

1.   Het in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten is een elektronisch register op het niveau van de lidstaat en garandeert, met name ten behoeve van de in artikel 28 van de onderhavige verordening bedoelde kruiscontroles, een doeltreffende traceerbaarheid van de toeslagrechten, in het bijzonder wat de volgende elementen betreft:

a)

houder;

b)

waarde;

c)

datum van vaststelling;

d)

datum van de meest recente activering;

e)

herkomst, met name wat de wijze van verkrijging betreft: oorspronkelijk aan de betrokkene toegewezen, afkomstig uit de nationale reserve, gekocht, gehuurd of geërfd;

f)

soort toeslagrecht, met name de bijzondere toeslagrechten als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 73/2009, en toeslagrechten die worden toegewezen overeenkomstig artikel 68, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 73/2009;

g)

voor zover van toepassing, regionale beperkingen.

2.   De lidstaten die meer dan één betaalorgaan hebben, kunnen besluiten het elektronische register te laten functioneren op het niveau van het betaalorgaan. In dat geval zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat de verschillende registers onderling compatibel zijn.

HOOFDSTUK II

Randvoorwaarden

Artikel 8

Controlesysteem voor de randvoorwaarden

1.   De lidstaten zetten een systeem op dat een doeltreffende controle op de inachtneming van de randvoorwaarden garandeert. Overeenkomstig titel III, hoofdstuk III, van het onderhavige deel voorziet dat systeem met name in:

a)

wanneer de bevoegde controleautoriteit niet het betaalorgaan is, het doorgeven van de nodige informatie over de landbouwers die rechtstreekse betalingen aanvragen, door het betaalorgaan aan de gespecialiseerde controle-instanties en/of, voor zover van toepassing, via de in artikel 20, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde coördinerende autoriteit;

b)

de methoden die moeten worden toegepast om de te controleren steekproeven te selecteren;

c)

aanwijzingen omtrent de aard en omvang van de te verrichten controles;

d)

controleverslagen waarin met name melding van elke ontdekte niet-naleving wordt gemaakt en de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling daarvan worden beoordeeld;

e)

wanneer de bevoegde controleautoriteit niet het betaalorgaan is, het doorgeven van de controleverslagen door de gespecialiseerde controle-instanties aan het betaalorgaan of aan de in artikel 20, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde coördinerende autoriteit of aan beide;

f)

de toepassing van het stelsel van verlagingen en uitsluitingen door het betaalorgaan.

2.   De lidstaten kunnen voorzien in een procedure volgens welke de landbouwer het betaalorgaan opgave doet van de elementen die nodig zijn om de voor hem geldende eisen en normen te bepalen.

Artikel 9

Uitbetaling van de steun in verband met controles op de naleving van de randvoorwaarden

Ingeval de in titel III, hoofdstuk III, van het onderhavige deel bedoelde controles op de naleving van de randvoorwaarden niet vóór de uitbetaling kunnen worden voltooid, worden de bedragen die onverschuldigd blijken te zijn betaald, teruggevorderd overeenkomstig artikel 80.

TITEL II

STEUNAANVRAGEN

HOOFDSTUK I

De verzamelaanvraag

Artikel 10

Algemene bepalingen inzake de verzamelaanvraag

1.   De lidstaten kunnen besluiten dat alle steunaanvragen op grond van de titels III en IV van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden opgenomen in de verzamelaanvraag. In dat geval zijn de hoofdstukken II tot en met V van de onderhavige titel van overeenkomstige toepassing wat de bijzondere voorwaarden betreft die voor het aanvragen van steun op grond van de betrokken regelingen zijn vastgesteld.

2.   Wanneer met betrekking tot dezelfde landbouwer meer dan één betaalorgaan verantwoordelijk is voor het beheer van steunregelingen waarvoor een verzamelaanvraag moet worden ingediend, neemt de betrokken lidstaat passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de verzamelaanvraag gevraagde informatie ter beschikking van alle betrokken betaalorganen wordt gesteld.

Artikel 11

Uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag

1.   Een landbouwer die steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, mag slechts één verzamelaanvraag per jaar indienen.

Een landbouwer die geen steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, maar steun aanvraagt in het kader van een andere in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde steunregeling of steun overeenkomstig de artikelen 85 septdecies, 103 octodecies en 103 novodecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007, dient in het geval dat hij beschikt over landbouwgrond een verzamelaanvraag in en geeft daarin de betrokken oppervlakten op overeenkomstig artikel 13 van de onderhavige verordening.

Een landbouwer voor wie alleen verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden gelden als bedoeld in de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007, dient in elk kalenderjaar waarin die verplichtingen gelden, een verzamelaanvraag in.

De lidstaten kunnen de landbouwers evenwel van de in de tweede en de derde alinea bedoelde verplichting vrijstellen indien de betrokken informatie aan de bevoegde autoriteiten beschikbaar wordt gesteld in het kader van andere beheers- en controlesystemen die compatibiliteit met het geïntegreerd systeem als bedoeld in artikel 26 van Verordening (EG) nr. 73/2009 garanderen.

2.   De verzamelaanvraag wordt ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum, die niet later is dan 15 mei. Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden mogen echter een latere datum vaststellen, die niet later is dan 15 juni.

Bij de vaststelling van die uiterste datum houden de lidstaten er rekening mee hoeveel tijd het kost voordat alle betrokken gegevens voor een behoorlijk administratief en financieel beheer van de steun beschikbaar zijn, en zorgen zij ervoor dat doeltreffende controles kunnen worden geprogrammeerd.

Volgens de in artikel 141, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde procedure kan worden toegestaan de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde data op te schuiven in bepaalde gebieden waar de normale data door uitzonderlijke weersomstandigheden niet toepasbaar zijn.

Artikel 12

Inhoud van de verzamelaanvraag

1.   De verzamelaanvraag bevat alle informatie die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en met name:

a)

de identiteit van de landbouwer;

b)

de betrokken steunregeling of -regelingen;

c)

ten behoeve van de bedrijfstoeslagregeling, de identificatie van de toeslagrechten volgens het in artikel 7 bedoelde identificatie- en registratiesysteem;

d)

de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, uitgedrukt in hectaren tot twee cijfers achter de komma, de ligging ervan en, voor zover relevant, het grondgebruik op die percelen en het feit dat het al dan niet om een geïrrigeerd perceel gaat;

e)

een verklaring van de landbouwer dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden die voor de betrokken steunregelingen gelden.

2.   Ten behoeve van de identificatie van de toeslagrechten als bedoeld in lid 1, onder c), wordt op de overeenkomstig artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten volgens het in artikel 7 van de onderhavige verordening bedoelde identificatie- en registratiesysteem.

3.   Ten behoeve van de identificatie van alle percelen landbouwgrond op het bedrijf zoals bedoeld in lid 1, onder d), wordt op de overeenkomstig artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren melding gemaakt van de oppervlakte per referentieperceel die maximaal voor steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling in aanmerking komt. Voorts worden op het geografische materiaal dat overeenkomstig het genoemde lid 2 aan de landbouwer wordt bezorgd, de grenzen en de unieke identificatie van de referentiepercelen aangegeven en geeft de landbouwer daarop de ligging van elk perceel landbouwgrond aan.

4.   Bij de indiening van het aanvraagformulier corrigeert de landbouwer het in de leden 2 en 3 bedoelde voorbedrukte formulier indien zich wijzigingen, met name overdrachten van toeslagrechten overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 73/2009, hebben voorgedaan of indien bepaalde informatie op het voorbedrukte formulier onjuist is.

Indien de correctie betrekking heeft op de oppervlakte van het referentieperceel, vermeldt de landbouwer de oppervlakte van elk betrokken perceel landbouwgrond volgens de bijgestelde gegevens en geeft hij zo nodig de nieuwe grenzen van het referentieperceel aan.

5.   Voor het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling kunnen de lidstaten van het onderhavige artikel en artikel 13 inzake de toeslagrechten afwijken indien deze nog niet definitief zijn vastgesteld op de uiterste datum die voor de indiening van de verzamelaanvraag is bepaald.

De in de eerste alinea bedoelde afwijkingen zijn ook mogelijk ten aanzien van het eerste jaar indien nieuwe sectoren aan de bedrijfstoeslagregeling worden toegevoegd en de toeslagrechten nog niet definitief zijn vastgesteld voor de landbouwers voor wie deze toevoeging van belang is.

Artikel 13

Specifieke eisen met betrekking tot de verzamelaanvraag en aangiften van bijzondere vormen van grondgebruik

1.   Ingeval een landbouwer voornemens is hennep te produceren overeenkomstig artikel 39 van Verordening (EG) nr. 73/2009, bevat de verzamelaanvraag:

a)

alle informatie die nodig is voor de identificatie van de met hennep ingezaaide percelen, met een opgave van de gebruikte henneprassen;

b)

een opgave van de gebruikte hoeveelheden zaaizaad (kilogram per hectare);

c)

de overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad (17), en met name artikel 12 daarvan, op de verpakking van het zaaizaad gebruikte officiële etiketten of andere door de betrokken lidstaat als gelijkwaardig erkende documenten.

In afwijking van de eerste alinea, onder c), worden de etiketten, indien de inzaai na de uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag plaatsvindt, uiterlijk op 30 juni ingediend. In het geval dat de etiketten ook bij andere nationale autoriteiten moeten worden ingediend, kunnen de lidstaten bepalen dat die etiketten aan de landbouwer worden teruggegeven nadat zij overeenkomstig dat punt zijn ingediend. Op de teruggegeven etiketten wordt vermeld dat zij voor een aanvraag zijn gebruikt.

2.   In het geval van een aanvraag om de areaalbetaling voor noten als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt in de verzamelaanvraag het aantal notenbomen vermeld, uitgesplitst naar soort.

3.   In het geval van een aanvraag om steun voor zetmeelaardappelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009, bevat de verzamelaanvraag een kopie van het teeltcontract; de lidstaten kunnen evenwel voor de indiening van deze kopie een latere uiterste datum bepalen, die niet later mag zijn dan 30 juni.

4.   In het geval van een aanvraag om steun voor zaaizaad als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bevat de verzamelaanvraag:

a)

een kopie van het vermeerderingscontract of de vermeerderingsaangifte; de lidstaten kunnen evenwel voor de indiening van deze kopie een latere uiterste datum bepalen, die niet later mag zijn dan 15 september;

b)

een opgave van de op elk perceel ingezaaide zaadsoort;

c)

een opgave van de door vermeerdering geproduceerde hoeveelheden gecertificeerd zaaizaad, aangegeven in kwintalen (100 kg) tot één cijfer achter de komma; de lidstaten kunnen evenwel voor de verstrekking van die informatie een latere uiterste datum bepalen, die niet later mag zijn dan 15 juni van het jaar volgende op de oogst;

d)

een kopie van de bewijsstukken waaruit blijkt dat de bedoelde hoeveelheden zaaizaad officieel zijn gecertificeerd; de lidstaten kunnen evenwel voor de verstrekking van die informatie een latere uiterste datum bepalen, die niet later mag zijn dan 15 juni van het jaar volgende op de oogst.

5.   In het geval van een aanvraag om de gewasspecifieke betaling voor katoen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009, bevat de verzamelaanvraag:

a)

de naam van het ras van het gebruikte katoenzaad;

b)

in voorkomend geval, de naam en het adres van de erkende brancheorganisatie waarvan de landbouwer lid is.

6.   In het geval van een aanvraag om overgangsbetalingen voor groenten en fruit als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 8, van Verordening (EG) nr. 73/2009 of een aanvraag om de overgangsbetaling voor zacht fruit als bedoeld in afdeling 9 van dat hoofdstuk bevat de verzamelaanvraag een kopie van het verwerkingscontract of de leveringsverbintenis als bedoeld in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1121/2009.

De lidstaten kunnen voor de afzonderlijke indiening van de in de eerste alinea bedoelde informatie een latere uiterste datum bepalen, die niet later mag zijn dan 1 december van het jaar van de aanvraag.

7.   In het geval van een aanvraag die betrekking heeft op een oppervlaktegebonden maatregel in het kader van specifieke steun, bevat de verzamelaanvraag alle door de lidstaat gevraagde documenten.

8.   De in artikel 6, lid 2, en artikel 38 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde vormen van grondgebruik en de in bijlage VI bij die verordening bedoelde vormen van grondgebruik of de voor de in artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde specifieke steun aangegeven oppervlakten ingeval die oppervlakten niet op grond van het onderhavige artikel hoeven te worden aangegeven, worden in een afzonderlijke rubriek op de verzamelaanvraag aangegeven.

Vormen van grondgebruik die niet dienstig zijn voor de in de titels III, IV en V van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde steunregelingen en die evenmin in bijlage VI bij die verordening worden bedoeld, worden aangegeven in een of meer rubrieken „andere vormen van grondgebruik”.

De lidstaten kunnen bepalen dat de eerste en de tweede alinea niet van toepassing zijn ingeval de betrokken informatie ter beschikking van de bevoegde autoriteiten wordt gesteld in het kader van andere beheers- en controlesystemen die compatibiliteit met het geïntegreerd systeem als bedoeld in artikel 26 van Verordening (EG) nr. 73/2009 garanderen.

9.   Elke lidstaat stelt de minimumoppervlakte vast van de percelen landbouwgrond waarvoor een aanvraag kan worden ingediend. De minimumoppervlakte mag echter niet groter zijn dan 0,3 ha.

Artikel 14

Wijzigingen in de verzamelaanvraag

1.   Na de uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag mogen individuele percelen landbouwgrond of individuele toeslagrechten aan de verzamelaanvraag worden toegevoegd mits de in de betrokken steunregelingen gestelde eisen in acht worden genomen.

Voor individuele percelen landbouwgrond of toeslagrechten die reeds in de verzamelaanvraag zijn aangegeven, mogen onder dezelfde voorwaarden wijzigingen met betrekking tot het grondgebruik of de steunregeling worden aangebracht.

Indien de in de eerste en de tweede alinea bedoelde wijzigingen gevolgen hebben voor in te dienen bewijsstukken of contracten, wordt het aanbrengen van de desbetreffende wijzigingen in die bewijsstukken of contracten eveneens toegestaan.

2.   Onverminderd de uiterste data voor de indiening van de verzamelaanvraag die overeenkomstig artikel 11, lid 2, eerste alinea, zijn vastgesteld door Estland, Letland, Litouwen, Finland of Zweden, worden de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde wijzigingen uiterlijk op 31 mei van het betrokken kalenderjaar schriftelijk aan de bevoegde autoriteit meegedeeld, behalve in het geval van Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden, waar deze uiterlijk op 15 juni van het betrokken kalenderjaar worden meegedeeld.

3.   Indien de bevoegde autoriteit de landbouwer reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in de verzamelaanvraag of indien zij hem heeft geïnformeerd over haar voornemen een controle ter plaatse te verrichten en indien die controle ter plaatse vervolgens onregelmatigheden aan het licht brengt, zijn wijzigingen als bedoeld in lid 1 niet toegestaan voor de percelen landbouwgrond waarop de onregelmatigheden betrekking hebben.

HOOFDSTUK II

Aanvragen van toeslagrechten

Artikel 15

Toewijzing of verhoging van toeslagrechten

1.   Aanvragen tot toewijzing of, in voorkomend geval, verhoging van toeslagrechten in het kader van de bedrijfstoeslagregeling worden ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum, doch niet later dan op 15 mei in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, van integratie van gekoppelde steun, van toepassing van de artikelen 46, 47 en 48 van Verordening (EG) nr. 73/2009 of in de jaren van toepassing van de artikelen 41, 57 of artikel 68, lid 1, onder c), van die verordening. Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden mogen echter een latere datum vaststellen, die niet later mag zijn dan 15 juni.

2.   De lidstaten mogen beslissen dat de aanvraag tot toewijzing van de toeslagrechten op hetzelfde moment mag worden ingediend als de aanvraag tot betaling in het kader van de bedrijfstoeslagregeling.

HOOFDSTUK III

Steunaanvragen voor dieren

Artikel 16

Eisen met betrekking tot steunaanvragen voor dieren

1.   Een steunaanvraag voor dieren bevat alle informatie die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en met name:

a)

de identiteit van de landbouwer;

b)

een verwijzing naar de verzamelaanvraag indien deze reeds is ingediend;

c)

het aantal dieren van elk type waarvoor steun wordt aangevraagd en, wat runderen betreft, hun identificatiecode;

d)

in voorkomend geval, de verbintenis van de landbouwer om de onder c) bedoelde dieren gedurende de aanhoudperiode op zijn bedrijf te houden en een opgave van de plaats of plaatsen waar deze dieren zullen worden aangehouden, en van de betrokken periode of perioden;

e)

in voorkomend geval, het individuele maximum voor de betrokken dieren;

f)

in voorkomend geval, de individuele referentiehoeveelheid melk waarover de landbouwer beschikte op 31 maart of, indien de betrokken lidstaat besluit gebruik te maken van de bij artikel 85 van Verordening (EG) nr. 1121/2009 vastgestelde afwijking, op 1 april van het betrokken kalenderjaar; ingeval deze hoeveelheid op de datum van indiening van de aanvraag niet bekend is, wordt zij zo spoedig mogelijk aan de bevoegde autoriteit meegedeeld;

g)

een verklaring van de landbouwer dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden die voor de betrokken steun gelden.

Indien een dier gedurende de aanhoudperiode naar een andere plaats wordt overgebracht, stelt de landbouwer de bevoegde autoriteit daarvan vooraf schriftelijk in kennis, tenzij de betrokken lidstaat besluit deze informatie niet te vragen, waarvoor aan de voorwaarde moet zijn voldaan dat het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen de mate van zekerheid en implementatie biedt die voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen nodig is, en dat dit bestand voldoende informatie bevat om te bepalen waar de dieren zich bevinden.

2.   De lidstaten garanderen elke houder van dieren het recht om zonder beperkingen, met redelijke tussenpozen en binnen een niet al te lange termijn informatie te verkrijgen over de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgeslagen gegevens die betrekking hebben op hem en zijn dieren. Bij de indiening van zijn steunaanvraag verklaart de landbouwer dat die gegevens juist en volledig zijn, dan wel corrigeert hij de onjuiste gegevens of voegt hij de ontbrekende gegevens toe.

3.   De lidstaten kunnen besluiten dat sommige van de in lid 1 bedoelde gegevens niet in de steunaanvraag hoeven te worden opgenomen indien zij reeds aan de bevoegde autoriteit zijn meegedeeld.

Met name kunnen de lidstaten procedures invoeren die het mogelijk maken de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens te gebruiken ten behoeve van de steunaanvraag, mits het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen de mate van zekerheid en implementatie biedt die voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen nodig is. Dergelijke procedures kunnen bestaan in een systeem waarbij een landbouwer steun kan aanvragen voor alle dieren die op een door de lidstaat te bepalen datum op basis van de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens voor steun in aanmerking komen. In dat geval nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te garanderen dat:

a)

overeenkomstig de voor de betrokken steunregeling geldende voorschriften de begin- en de einddatum van de desbetreffende aanhoudperiode duidelijk worden aangegeven en bij de landbouwer bekend zijn;

b)

het de landbouwer bekend is dat alle potentieel premiabele dieren die niet correct geïdentificeerd of geregistreerd overeenkomstig de identificatie- en registratieregeling voor runderen blijken te zijn, worden beschouwd als in artikel 65 van de onderhavige verordening bedoelde dieren ten aanzien waarvan onregelmatigheden zijn vastgesteld.

4.   De lidstaten kunnen bepalen dat sommige van de in lid 1 bedoelde gegevens kunnen of moeten worden verstrekt via een instantie of instanties die zij hebben erkend. De landbouwer blijft evenwel verantwoordelijk voor de verstrekte gegevens.

HOOFDSTUK IV

Steun voor telers van suikerbieten en suikerriet, afzonderlijke suikerbetaling en afzonderlijke betaling voor groenten en fruit

Artikel 17

Eisen met betrekking tot aanvragen om de steun voor suikerbieten- en suikerriettelers, de afzonderlijke suikerbetaling en de afzonderlijke betaling voor groenten en fruit

1.   Landbouwers die de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steun voor suikerbieten- en suikerriettelers aanvragen, die de in artikel 126 van die verordening bedoelde afzonderlijke suikerbetaling aanvragen, en die de in artikel 127 van die verordening bedoelde afzonderlijke betaling voor groenten en fruit aanvragen, dienen een steunaanvraag in die alle informatie bevat die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en met name:

a)

de identiteit van de landbouwer;

b)

een verklaring van de landbouwer dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden die voor de betrokken steun gelden.

De aanvraag om de steun voor suikerbieten- en suikerriettelers bevat tevens een kopie van het in artikel 94 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde leveringscontract.

2.   De in lid 1 bedoelde steunaanvragen worden ingediend uiterlijk op een door de lidstaten te bepalen datum die niet later dan 15 mei en, in het geval van Estland, Letland en Litouwen, niet later dan 15 juni mag zijn.

De lidstaten kunnen bepalen dat de in lid 1, tweede alinea, bedoelde kopie van het leveringscontract mag worden ingediend op een latere datum, die niet later mag zijn dan 1 december van het jaar van de aanvraag.

HOOFDSTUK V

Aanvragen van specifieke steun, met uitzondering van areaalbetalingen en betalingen voor dieren

Artikel 18

Eisen met betrekking tot aanvragen van specifieke steun, met uitzondering van areaalbetalingen en betalingen voor dieren

1.   Landbouwers die specifieke steun aanvragen die niet valt onder de aanvragen als bedoeld in de hoofdstukken I, II of III van de onderhavige titel, dienen een steunaanvraag in die alle informatie bevat die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en met name:

a)

de identiteit van de landbouwer;

b)

een verklaring van de landbouwer dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden die voor de betrokken steun gelden;

c)

in voorkomend geval, de bewijsstukken die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op de steun uit hoofde van de maatregel kan worden gemaakt.

De steunaanvraag wordt uiterlijk op een door de lidstaten te bepalen datum ingediend. Die datum biedt voldoende tijd om de subsidiabiliteitsvoorwaarden vóór betaling te toetsen, zulks overeenkomstig artikel 29, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder c), bevat de aanvraag van een landbouwer die specifieke steun voor een investeringsactiviteit aanvraagt, ook een kopie van de desbetreffende bewijsstukken, zoals facturen en documenten waaruit blijkt dat de landbouwer de betalingen heeft verricht. Wanneer de kopieën of documenten niet kunnen worden overgelegd, worden de betalingen van de landbouwer gestaafd door stukken met vergelijkbare bewijskracht.

3.   Voor de toepassing van lid 1, onder c), bevat de aanvraag van een landbouwer die specifieke steun op grond van artikel 68, lid 1, onder a), punt v), van Verordening (EG) nr. 73/2009 aanvraagt, ingeval de individuele betaling berust op daadwerkelijke kosten of daadwerkelijk verbeurde inkomsten ook een kopie van de desbetreffende bewijsstukken waaruit de daadwerkelijk gemaakte extra kosten en verbeurde inkomsten als bedoeld in artikel 68, lid 2, onder a), punt i), van die verordening blijken.

4.   Voor de toepassing van lid 1, onder c), bevat de aanvraag van een landbouwer die specifieke steun op grond van artikel 68, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009 aanvraagt, ook een kopie van het verzekeringscontract als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1120/2009, en een bewijs van betaling van de premie.

5.   De lidstaten kunnen bepalen dat de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde kopieën en documenten afzonderlijk op een latere datum mogen worden ingediend. Die datum biedt voldoende tijd om de subsidiabiliteitsvoorwaarden vóór betaling te toetsen, zulks overeenkomstig artikel 29, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Artikel 19

Aanvragen door onderlinge fondsen

1.   Onderlinge fondsen die specifieke steun aanvragen, dienen een steunaanvraag in die alle informatie bevat die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en met name:

a)

de identiteit van het onderlinge fonds;

b)

een documentatie van de gebeurtenis die aanleiding geeft tot de vergoedingen aan de aangesloten landbouwers;

c)

de data waarop de vergoedingen aan aangesloten landbouwers zijn uitgekeerd;

d)

de identiteit van de aangesloten landbouwers die de vergoeding van het fonds hebben gekregen;

e)

het totale bedrag aan vergoedingen dat is uitgekeerd;

f)

een verklaring van het onderlinge fonds dat het kennis heeft genomen van de voorwaarden die voor de betrokken steun gelden.

2.   De lidstaten stellen een uiterste datum vast waarop aanvragen van onderlinge fondsen voor specifieke steun moeten zijn ingediend. Die datum biedt voldoende tijd om de subsidiabiliteitsvoorwaarden vóór betaling te toetsen, zulks overeenkomstig artikel 29, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

HOOFDSTUK VI

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 20

Vereenvoudiging van procedures

1.   Onverminderd de specifieke bepalingen van de onderhavige verordening en van Verordening (EG) nr. 73/2009, kunnen de lidstaten toestaan of verlangen dat enigerlei mededelingen overeenkomstig de onderhavige verordening van de landbouwer aan de autoriteiten en omgekeerd worden gedaan met behulp van elektronische middelen. In dat geval worden passende maatregelen genomen om er met name voor te zorgen dat:

a)

de landbouwer ondubbelzinnig wordt geïdentificeerd;

b)

de landbouwer aan alle in het kader van de betrokken steunregeling gestelde eisen voldoet;

c)

de verzonden gegevens betrouwbaar zijn met het oog op een goed beheer van de betrokken steunregeling; indien gebruik wordt gemaakt van de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens, moet dat gegevensbestand de mate van zekerheid en implementatie bieden die nodig is voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen;

d)

indien begeleidende documenten niet langs elektronische weg kunnen worden verzonden, die documenten door de bevoegde autoriteiten worden ontvangen binnen dezelfde termijnen als die welke gelden bij verzending zonder elektronische middelen;

e)

geen discriminatie bestaat tussen landbouwers die niet-elektronische middelen gebruiken voor de indiening, en landbouwers die kiezen voor verzending langs elektronische weg.

2.   Wat de indiening van steunaanvragen betreft, kunnen de lidstaten onder de in lid 1 bepaalde voorwaarden voorzien in vereenvoudigde procedures voor het geval dat de autoriteiten reeds over bepaalde gegevens beschikken, en met name voor het geval dat de situatie niet is veranderd sinds de meest recente indiening van een steunaanvraag in het kader van de betrokken steunregeling.

3.   Indien mogelijk, mag de bevoegde autoriteit de informatie die wordt verlangd in samen met de steunaanvraag in te dienen bewijsstukken, rechtstreeks bij de bron van de informatie inwinnen.

Artikel 21

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de artikelen 11 tot en met 20, mag een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend.

Artikel 22

Afwijking van de uiterste datum van indiening

In afwijking van artikel 5, lid 1, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 (18) van de Raad wordt, indien de uiterste datum voor de indiening, in het kader van de onderhavige titel, van een steunaanvraag of van welke bewijsstukken, contracten of aangiften dan ook, of indien de uiterste datum voor wijzigingen in de verzamelaanvraag op een feestdag, een zaterdag of een zondag valt, die uiterste datum geacht op de eerstvolgende werkdag te vallen.

De eerste alinea is ook van toepassing op aanvragen van landbouwers in het kader van de bedrijfstoeslagregeling als bedoeld in artikel 56 van Verordening (EG) nr. 73/2009, en op aanvragen van landbouwers voor toeslagrechten als bedoeld in artikel 15 van de onderhavige verordening.

Artikel 23

Te late indiening

1.   Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 75, wordt bij indiening van een steunaanvraag in het kader van de onderhavige verordening na de desbetreffende uiterste datum een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend.

Onverminderd eventuele door de lidstaten te nemen bijzondere maatregelen in verband met de noodzaak dat enigerlei bewijsstukken tijdig worden ingediend om de programmering en uitvoering van doeltreffende controles mogelijk te maken, geldt de eerste alinea ook voor documenten, contracten of aangiften die overeenkomstig de artikelen 12 en 13 bij de bevoegde autoriteit moeten worden ingediend, voor zover die documenten, contracten of aangiften onmisbaar zijn om voor de betrokken steun in aanmerking te komen. In dat geval wordt de verlaging toegepast op het bedrag dat zou zijn betaald voor de betrokken steun.

Wordt de aanvraag meer dan 25 kalenderdagen te laat ingediend, dan wordt deze afgewezen.

2.   Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 75 wordt bij indiening van een wijziging in een verzamelaanvraag na de in artikel 14, lid 2, bepaalde uiterste datum een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen die verband houden met het werkelijke grondgebruik op de betrokken percelen landbouwgrond.

Wijzigingen in een verzamelaanvraag worden slechts aanvaard tot en met de in lid 1, derde alinea, bedoelde uiterste datum voor een te late indiening van een verzamelaanvraag. Indien die datum evenwel niet later is dan de in artikel 14, lid 2, bepaalde uiterste datum, worden wijzigingen van een verzamelaanvraag niet meer aanvaard na de in artikel 14, lid 2, bepaalde uiterste datum.

Artikel 24

Te late indiening van een aanvraag voor de toewijzing van toeslagrechten

Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 75, wordt bij indiening van een aanvraag tot toewijzing of, in voorkomend geval, verhoging van toeslagrechten na de uiterste datum die overeenkomstig artikel 15 van de onderhavige verordening of overeenkomstig artikel 56, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 is vastgesteld, een verlaging met 3 % per werkdag toegepast op de in het betrokken jaar te betalen bedragen voor de aan de landbouwer toe te wijzen toeslagrechten.

Wordt de aanvraag meer dan 25 kalenderdagen te laat ingediend, dan wordt deze afgewezen en worden er geen toeslagrechten aan de landbouwer toegewezen.

Artikel 25

Intrekking van steunaanvragen

1.   Een steunaanvraag kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk schriftelijk worden ingetrokken.

Ingeval een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 16, lid 3, tweede alinea, geboden mogelijkheden, kan hij bepalen dat de melding aan het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen van een dier dat het bedrijf heeft verlaten, een schriftelijke intrekking kan vervangen.

2.   Indien de bevoegde autoriteit de landbouwer reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in de steunaanvraag of indien zij hem heeft geïnformeerd over haar voornemen een controle ter plaatse te verrichten en indien die controle ter plaatse vervolgens onregelmatigheden aan het licht brengt, is intrekking van de gedeelten van de steunaanvraag waarop die onregelmatigheden betrekking hebben, niet toegestaan.

3.   Intrekking als bedoeld in lid 1, brengt de aanvrager in de positie waarin hij zich vóór de indiening van de betrokken steunaanvraag of de betrokken gedeelten daarvan bevond.

TITEL III

CONTROLES

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke regels

Artikel 26

Algemene beginselen

1.   De administratieve controles en de controles ter plaatse waarin deze verordening voorziet, worden zo uitgevoerd dat een doeltreffende verificatie wordt gegarandeerd van de naleving van de voorwaarden voor de steunverlening en van de eisen en normen die relevant zijn in het kader van de randvoorwaarden.

2.   Indien de landbouwer of zijn vertegenwoordiger de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert, worden de betrokken steunaanvragen afgewezen.

Artikel 27

Aankondigingen van controles ter plaatse

1.   Mits het doel van de controle niet in gevaar komt, mogen controles ter plaatse worden aangekondigd. De periode tussen aankondiging en controle wordt strikt beperkt tot het noodzakelijke minimum en bedraagt niet meer dan 14 dagen. Voor controles ter plaatse met betrekking tot steunaanvragen voor dieren bedraagt de periode tussen aankondiging en controle evenwel, behalve in deugdelijk gemotiveerde gevallen, niet meer dan 48 uur. Voorts gelden in het geval dat de regelgeving inzake de besluiten en normen die relevant zijn voor de randvoorwaarden, voorschrijft dat controles ter plaatse onaangekondigd moeten worden uitgevoerd, die voorschriften ook in het geval van controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden.

2.   Waar dat dienstig is, worden controles ter plaatse in het kader van deze verordening tegelijk met andere in communautaire regelgeving voorgeschreven controles verricht.

HOOFDSTUK II

Controles met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria

Afdeling I

Administratieve controles

Artikel 28

Kruiscontroles

1.   De in artikel 20 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde administratieve controles maken de opsporing van onregelmatigheden, in het bijzonder de automatische opsporing daarvan met behulp van computermiddelen, mogelijk en omvatten kruiscontroles:

a)

met betrekking tot de aangegeven toeslagrechten, respectievelijk de aangegeven percelen om te voorkomen dat dezelfde steun meer dan eenmaal voor hetzelfde kalenderjaar of verkoopseizoen wordt toegekend en dat steun in het kader van de in de bijlagen I en IV bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde oppervlaktegebonden steunregelingen ten onrechte wordt gecumuleerd;

b)

met betrekking tot de toeslagrechten om na te gaan of deze bestaan en of is voldaan aan de voorwaarden om voor de betrokken steun in aanmerking te komen;

c)

door de in de verzamelaanvraag aangegeven percelen landbouwgrond te vergelijken met de in het systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond opgenomen referentiepercelen om na te gaan of de oppervlakten als zodanig voor steun in aanmerking komen;

d)

door de toeslagrechten te vergelijken met de geconstateerde oppervlakte om na te gaan of de toeslagrechten gepaard gaan met een gelijk aantal subsidiabele hectaren als omschreven in artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

e)

met gebruikmaking van het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden om voor de betrokken steun in aanmerking te komen, en om te voorkomen dat dezelfde steun meer dan eenmaal voor hetzelfde kalenderjaar wordt toegekend;

f)

door de in de verzamelaanvraag aangegeven percelen landbouwgrond te vergelijken met de aan een officieel onderzoek onderworpen percelen waarvoor is gebleken dat zij voldoen aan de voorwaarden zoals vastgesteld in artikel 87, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009;

g)

door de in de verzamelaanvraag aangegeven percelen landbouwgrond te vergelijken met de percelen waarvoor de lidstaat overeenkomstig artikel 89 van Verordening (EG) nr. 73/2009 een vergunning voor de productie van katoen heeft verleend;

h)

door de vermelding van de landbouwer in de verzamelaanvraag dat hij lid is van een erkende brancheorganisatie, de in artikel 13, lid 5, onder b), van de onderhavige verordening bedoelde gegevens en de door de betrokken erkende brancheorganisaties verstrekte gegevens met elkaar te vergelijken om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 92, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bepaalde verhoging van de steun;

i)

door de informatie die is verstrekt in het in artikel 94 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde leveringscontract, te vergelijken met de door de suikerfabrikant verstrekte informatie over de leveringen.

2.   Uit de kruiscontroles voortvloeiende indicaties omtrent onregelmatigheden geven aanleiding tot een vervolgactie in de vorm van enige andere passende administratieve procedure en, zo nodig, een controle ter plaatse.

3.   Indien een referentieperceel in steunaanvragen van twee of meer landbouwers in het kader van dezelfde steunregeling is vermeld en indien de totale aangegeven oppervlakte de oppervlakte landbouwgrond overtreft met een verschil dat valt binnen de overeenkomstig artikel 34, lid 1, vastgestelde meettolerantie, kan de lidstaat besluiten tot een evenredige vermindering van de betrokken oppervlakten. In dat geval kan elke betrokken landbouwer beroep tegen het verminderingsbesluit aantekenen met als motief dat te zijnen nadele door wie ook van de overige betrokken landbouwers een aangifte van diens oppervlakten is gedaan die in grotere mate te hoog is dan die tolerantie.

Artikel 29

Administratieve controles van specifieke steun

1.   Bij elke maatregel in het kader van specifieke steun waarbij administratieve controles technisch gezien mogelijk zijn, moeten alle aanvragen worden gecontroleerd. De controles garanderen met name dat:

a)

aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor specifieke steun is voldaan;

b)

er geen sprake is dubbele financiering middels andere Gemeenschapsregelingen;

c)

landbouwers niet worden overgecompenseerd ten aanzien van de financiële bijdragen waarin artikel 70, lid 3, en artikel 71, lid 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorzien;

d)

in voorkomend geval, bewijsstukken zijn ingediend waaruit blijkt dat aanspraak kan worden gemaakt op steun.

2.   Om na te gaan of aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan, mogen de lidstaten, waar dat passend is, gebruikmaken van bewijsmateriaal dat van andere diensten, instanties of organisaties is ontvangen. Daarbij moet evenwel gewaarborgd zijn dat de dienst, instantie of organisatie in kwestie werkt volgens normen die voldoende zijn om te kunnen controleren of de subsidiabiliteitscriteria in acht zijn genomen.

Afdeling II

Controles ter plaatse

Onderafdeling I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 30

Controlepercentage

1.   Het totale aantal controles ter plaatse dat elk jaar wordt uitgevoerd, betreft ten minste 5 % van alle landbouwers die een aanvraag indienen voor de bedrijfstoeslagregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling of oppervlaktegebonden betalingen in het kader van specifieke steun. De lidstaten zorgen ervoor dat de controles ter plaatse ten minste 3 % betreffen van de landbouwers die steun aanvragen in het kader van elk van de andere oppervlaktegebonden steunregelingen die zijn ingesteld bij de titels III, IV en V van Verordening (EG) nr. 73/2009.

2.   Het totale aantal controles ter plaatse dat elk jaar wordt uitgevoerd, betreft ten minste:

a)

het in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde minimum van 30 % of 20 % van de voor de productie van hennep aangegeven arealen.

Indien de lidstaat voor deze teelt reeds een systeem van voorafgaande teeltvergunningen heeft ingevoerd en de Commissie reeds vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 796/2004 in kennis heeft gesteld van zijn uitvoeringsbepalingen en voorwaarden met betrekking tot dat systeem, worden alle wijzigingen van die uitvoeringsbepalingen of voorwaarden binnen een redelijke termijn aan de Commissie meegedeeld;

b)

5 % van alle landbouwers die steun aanvragen in het kader van de steunregelingen voor rundvee, veebetalingen of grootvee-eenhedenbetalingen voor runderen in het kader van specifieke steun of specifieke steun op basis van het individuele melkquotum dat overeenkomstig artikel 65 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is vastgesteld, of specifieke steun op basis van de werkelijke melkproductie. Indien het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen echter niet de mate van zekerheid en implementatie biedt die nodig is voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen, dan wordt dit percentage verhoogd tot 10 %.

Voor elk van de steunregelingen betreffen de controles ter plaatse ook ten minste 5 % van alle dieren waarvoor steun wordt aangevraagd;

c)

5 % van alle landbouwers die steun aanvragen in het kader van de steunregeling voor schapen en geiten en veebetalingen of grootvee-eenhedenbetalingen voor schapen en geiten in het kader van specifieke steun. Die controles ter plaatse betreffen ook ten minste 5 % van alle dieren waarvoor steun wordt aangevraagd. Indien het in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 21/2004 bedoelde geautomatiseerde gegevensbestand voor schapen en geiten echter niet de mate van zekerheid en implementatie biedt die nodig is voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen, dan wordt dit percentage verhoogd tot 10 % van de landbouwers;

d)

10 % van alle andere dan de in lid 1 en in de punten b) en c) van het onderhavige lid bedoelde landbouwers die een aanvraag indienen voor specifieke steun, met uitzondering van de in artikel 68, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde maatregel;

e)

10 % van de andere diensten, instanties of organisaties die bewijsmateriaal leveren op basis waarvan wordt nagegaan of aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan, zulks als bedoeld in artikel 29, lid 2;

f)

100 % van de onderlinge fondsen die steun aanvragen, als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 73/2009;

g)

wat de aanvragen om de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde gewasspecifieke betaling voor katoen betreft, 20 % van de brancheorganisaties die overeenkomstig artikel 91 van die verordening zijn erkend en waarvoor landbouwers in hun verzamelaanvraag verklaren er lid van te zijn;

h)

wat de aanvragen om de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steun voor telers van suikerbieten en suikerriet betreft, in het kader van de controles bij de suikerfabrikanten op de hoeveelheid quotumsuiker die is verkregen uit overeenkomstig artikel 94 van die verordening geleverde suikerbieten of geleverd suikerriet, ten minste 5 % van de aanvragers die aan de betrokken fabrikant hebben geleverd.

3.   Indien bij de controles ter plaatse belangrijke onregelmatigheden met betrekking tot een bepaalde steunregeling of in een regio of deelregio worden vastgesteld, verricht de bevoegde autoriteit in het lopende jaar de nodige extra controles ter plaatse en verhoogt zij dienovereenkomstig het percentage landbouwers bij wie in het volgende jaar een controle ter plaatse moet worden verricht.

4.   Indien is bepaald dat bepaalde onderdelen van een controle ter plaatse op basis van een steekproef mogen worden uitgevoerd, moet die steekproef een controleniveau garanderen dat betrouwbare en representatieve resultaten oplevert. De lidstaten stellen de criteria voor de selectie van de steekproef vast. Indien de controle van de steekproef onregelmatigheden aan het licht brengt, worden de omvang en de basis van de steekproef dienovereenkomstig uitgebreid.

Artikel 31

Selectie van de steekproef voor controles

1.   De steekproeven voor controles ter plaatse op grond van de onderhavige verordening worden door de bevoegde autoriteit geselecteerd aan de hand van een risicoanalyse en van een element van representativiteit voor de ingediende steunaanvragen.

Om voor het element van representativiteit te zorgen kiezen de lidstaten op aselecte wijze tussen 20 % en 25 % van het in artikel 30, leden 1 en 2, bedoelde minimumaantal landbouwers bij wie een controle ter plaatse moet worden verricht.

Indien het aantal ter plaatse te controleren landbouwers evenwel groter is dan het in artikel 30, leden 1 en 2, bedoelde minimumaantal landbouwers bij wie een controle ter plaatse moet worden verricht, mag de extra steekproef voor ten hoogste 25 % uit op aselecte wijze gekozen landbouwers bestaan.

2.   De doeltreffendheid van de risicoanalyse wordt elk jaar beoordeeld en verhoogd door:

a)

de relevantie van elke risicofactor te bepalen;

b)

de resultaten van de op de risicoanalyse gebaseerde steekproef en die van de in lid 1, tweede alinea, bedoelde op aselecte wijze gekozen steekproef met elkaar te vergelijken;

c)

rekening te houden met de specifieke situatie in de lidstaat.

3.   Voor elke landbouwer die voor een controle ter plaatse is geselecteerd, houdt de bevoegde autoriteit aantekening van de redenen waarom dit is gebeurd. De met de controle ter plaatse belaste controleur wordt vóór het begin van de controle ter plaatse over deze redenen geïnformeerd.

4.   Waar dat passend is, mag vóór het einde van de betrokken aanvraagperiode op basis van de beschikbare informatie een gedeeltelijke selectie van de steekproef voor controles worden uitgevoerd. De voorlopige steekproef wordt aangevuld wanneer alle desbetreffende aanvragen beschikbaar zijn.

Artikel 32

Controleverslag

1.   Over elke controle ter plaatse die in het kader van deze afdeling wordt verricht, wordt een controleverslag opgesteld dat een nader onderzoek van de verrichte controle mogelijk maakt. Dit verslag bevat met name de volgende informatie:

a)

de gecontroleerde steunregelingen en -aanvragen;

b)

de aanwezige personen;

c)

de gecontroleerde percelen landbouwgrond, de opgemeten percelen landbouwgrond, in voorkomend geval, met vermelding van het meetresultaat per betrokken perceel, en de gebruikte meettechnieken;

d)

het getelde aantal dieren van elke soort en, in voorkomend geval, de nummers van de oormerken, de gecontroleerde inschrijvingen in het register, gegevens van het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen en/of het geautomatiseerde gegevensbestand voor schapen en geiten en bewijsstukken, evenals de resultaten van de controles en, in voorkomend geval, de bijzondere opmerkingen over individuele dieren en/of hun identificatiecode;

e)

of de landbouwer van het voorgenomen bezoek in kennis is gesteld en, zo ja, hoe lang van tevoren;

f)

gegevens over eventuele specifieke controles die in het kader van afzonderlijke steunregelingen moeten worden verricht;

g)

gegevens over eventuele andere verrichte controles.

2.   De landbouwer wordt in de gelegenheid gesteld het verslag te ondertekenen om zijn aanwezigheid bij de controle te bevestigen, en er opmerkingen aan toe te voegen. Indien onregelmatigheden worden vastgesteld, ontvangt de landbouwer een kopie van het controleverslag.

De lidstaten kunnen besluiten dat de landbouwer of zijn vertegenwoordiger in het geval van een controle ter plaatse door middel van teledetectie als bedoeld in artikel 35, niet in de gelegenheid wordt gesteld het controleverslag te ondertekenen indien de controle door middel van teledetectie geen onregelmatigheden aan het licht heeft gebracht. Indien als gevolg van een dergelijke controle onregelmatigheden worden ontdekt, wordt gelegenheid tot ondertekening van het verslag gegeven voordat de bevoegde autoriteit uit de bevindingen haar conclusies trekt met betrekking tot de eventueel daaruit voortvloeiende verlagingen of uitsluitingen.

Onderafdeling II

Controles ter plaatse van de verzamelaanvraag wat de oppervlaktegebonden steunregelingen betreft

Artikel 33

Onderdelen van de controles ter plaatse

De controles ter plaatse hebben betrekking op alle percelen landbouwgrond waarvoor steun is aangevraagd in het kader van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde steunregelingen, met uitzondering van de percelen waarop aanvragen om steun voor zaaizaad als bedoeld in artikel 87, van die verordening betrekking hebben. De feitelijke constatering van de oppervlakten als onderdeel van een controle ter plaatse mag evenwel worden beperkt tot een steekproef die ten minste 50 % omvat van de percelen landbouwgrond waarvoor een aanvraag is ingediend in het kader van de bij de titels III, IV en V van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde steunregelingen, mits de steekproef ten aanzien van de gecontroleerde oppervlakte en de aangevraagde steun een controleniveau garandeert dat betrouwbare en representatieve resultaten oplevert. Indien deze steekproefsgewijze controle anomalieën aan het licht brengt, wordt de steekproef van percelen landbouwgrond die daadwerkelijk worden geïnspecteerd, uitgebreid.

De lidstaten mogen gebruikmaken van teledetectie overeenkomstig artikel 35 en, indien mogelijk, van GNSS-technieken (Global Navigation Satellite System - wereldwijd satellietnavigatiesysteem).

Artikel 34

Constatering van de oppervlakten

1.   De oppervlakte van de percelen landbouwgrond wordt geconstateerd met behulp van enig middel waarvoor is aangetoond dat het een meting garandeert van een kwaliteit die ten minste gelijkwaardig is aan die welke is voorgeschreven in een geldende technische norm die is opgesteld op het niveau van de Gemeenschap.

Een meettolerantie wordt vastgesteld die gelijk is aan een maximaal 1,5 m brede buffer, toegepast op de omtrek van het perceel landbouwgrond. Voor elk perceel landbouwgrond is de maximumtolerantie in absolute waarde niet groter dan 1,0 ha.

2.   De totale oppervlakte van een perceel landbouwgrond kan in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat het volgens de gebruikelijke normen van de betrokken lidstaat of regio om een volledig gebruikt perceel gaat. Is dit niet het geval, dan wordt de werkelijk gebruikte oppervlakte in aanmerking genomen.

Voor de regio’s waar bepaalde elementen, met name heggen, sloten en muren, van oudsher deel uitmaken van de goede landbouwmethoden op het gebied van teelten of grondgebruik, kunnen de lidstaten besluiten dat de oppervlakte van die elementen als een onderdeel van de volledig gebruikte oppervlakte moet worden beschouwd op voorwaarde dat zij een door de lidstaten te bepalen totale breedte niet overschrijdt. Die breedte moet overeenkomen met een traditionele breedte in de betrokken regio en mag niet meer dan 2 m bedragen.

Wanneer de lidstaten vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening de Commissie conform artikel 30, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 796/2004 in kennis hebben gesteld van een breedte van meer dan 2 m, mag deze breedte onverminderd worden toegepast.

3.   Alle elementen waarop de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde besluiten betrekking hebben of die kunnen behoren bij de goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in artikel 6 van en bijlage III bij die verordening, maken deel uit van de totale oppervlakte van het betrokken perceel landbouwgrond.

4.   Onverminderd artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt een perceel landbouwgrond met bomen voor de toepassing van de oppervlaktegebonden steunregelingen als een subsidiabele oppervlakte beschouwd mits het op dat perceel mogelijk is landbouwactiviteiten of, indien van toepassing, de voorgenomen productie op soortgelijke wijze te beoefenen als op percelen zonder bomen in dezelfde regio.

5.   Wanneer een oppervlakte gezamenlijk wordt gebruikt, verdelen de bevoegde autoriteiten deze oppervlakte denkbeeldig over de betrokken landbouwers in verhouding tot de mate waarin zij deze oppervlakte gebruiken, of tot hun recht om deze oppervlakte te gebruiken.

6.   Of de percelen landbouwgrond voor de steun in aanmerking komen, wordt nagegaan met behulp van welk geschikt middel ook. Daartoe worden zo nodig aanvullende bewijzen verlangd.

Artikel 35

Teledetectie

1.   Een lidstaat die gebruikmaakt van de bij artikel 33, tweede alinea, geboden mogelijkheid controles ter plaatse uit te voeren door middel van teledetectie, verricht:

a)

een foto-interpretatie van satellietbeelden of luchtfoto’s van alle percelen landbouwgrond per aanvraag die moeten worden gecontroleerd, met het doel de vegetatie te herkennen en de oppervlakte te meten;

b)

een fysieke veldinspectie van alle percelen landbouwgrond waarvoor niet op basis van de foto-interpretatie ten genoegen van de bevoegde autoriteit kan worden geconcludeerd dat de aangifte juist is.

2.   De in artikel 30, lid 3, bedoelde extra controles worden met behulp van middelen voor een traditionele controle ter plaatse verricht indien zij in het lopende jaar niet meer door middel van teledetectie kunnen worden verricht.

Artikel 36

Controles ter plaatse met betrekking tot bijzondere toeslagrechten

De lidstaten stellen procedures vast voor de controles ter plaatse bij landbouwers die bijzondere toeslagrechten aangeven, op de naleving van de activeringsverplichting als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 73/2009.

Artikel 37

Onderdelen van de controles ter plaatse met betrekking tot aanvragen om steun voor zaaizaad

De controles ter plaatse met betrekking tot de aanvragen om steun voor zaaizaad als bedoeld in artikel 87 van Verordening (EG) nr. 73/2009, omvatten met name:

a)

controles op het niveau van de landbouwer die de steun aanvraagt:

i)

controles van alle percelen om de soort of rassengroep na te gaan van het zaaizaad dat op elk aangegeven perceel wordt geproduceerd;

ii)

controles van documenten om ten minste de eerste bestemming na te gaan van het zaaizaad waarvoor steun is aangevraagd;

iii)

alle door de lidstaten nodig geachte controles om te garanderen dat geen steun wordt betaald voor niet-gecertificeerd zaaizaad of voor zaaizaad uit derde landen;

b)

indien de eerste bestemming van het zaaizaad een kweker of een zaadhandelaar is, aanvullende controles in hun bedrijven om zich ervan te vergewissen dat:

i)

het zaaizaad daadwerkelijk in overeenstemming met het vermeerderingscontract door de kweker of zaadhandelaar is gekocht en betaald;

ii)

de betaling van het zaaizaad is verwerkt in de financiële boekhouding van de kweker of zaadhandelaar;

iii)

het zaaizaad daadwerkelijk voor inzaai in de handel is gebracht. Daartoe worden bij de kweker of zaadhandelaar fysieke controles en controles van de voorraad- en de financiële boekhouding verricht;

c)

in voorkomend geval, controles op het niveau van de eindgebruikers.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), punt iii), wordt onder „in de handel brengen” verstaan: het ter beschikking of in voorraad houden, met het oog op verkoop tentoonstellen, te koop aanbieden, verkopen of leveren aan een andere persoon.

Artikel 38

Controles ter plaatse bij erkende brancheorganisaties

Tijdens de controles ter plaatse bij erkende brancheorganisaties in het kader van aanvragen om de gewasspecifieke betaling voor katoen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt nagegaan of wordt voldaan aan de criteria voor de erkenning van die organisaties, en wordt de lijst van hun leden gecontroleerd.

Artikel 39

Controles ter plaatse bij de suikerfabrikanten

Tijdens de controles ter plaatse bij suikerfabrikanten in het kader van de aanvragen om de steun voor telers van suikerbieten en suikerriet, als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009, worden geverifieerd:

a)

de informatie in de door de landbouwer bezorgde leveringscontracten;

b)

de juistheid van de aan de bevoegde autoriteit verstrekte informatie over de leveringen;

c)

de certificering van de voor de leveringen gebruikte weeginrichtingen;

d)

de resultaten van de officiële laboratoriumanalyses die zijn verricht om het procentuele gehalte aan sacharose van de geleverde suikerbieten of het geleverde suikerriet te bepalen.

Artikel 40

Controle op het gehalte aan tetrahydrocannabinol van geteelde hennep

1.   Het systeem dat de lidstaten overeenkomstig artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 moeten gebruiken om het gehalte aan tetrahydrocannabinol (hierna „THC” genoemd) van het geteelde gewas te bepalen, is het in bijlage I bij de onderhavige verordening beschreven systeem.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat houdt de dossiers met de bevindingen inzake THC bij. Deze dossiers omvatten voor elk ras ten minste de gegevens inzake het tot op twee decimalen nauwkeurige, in procent uitgedrukte THC-gehalte van elk monster, de gebruikte procedure, het aantal uitgevoerde tests, een vermelding van het punt waar het monster is genomen en de op nationaal niveau getroffen maatregelen.

Indien het THC-gehalte van een monster echter hoger ligt dan het in artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde maximum, zendt de lidstaat aan de hand van het door de Commissie aan hen beschikbaar gestelde formulier uiterlijk op 15 november van het betrokken verkoopseizoen een verslag over alle voor dit ras geconstateerde THC-resultaten toe aan de Commissie. Dit verslag omvat voor elk monster de gegevens inzake het tot op twee decimalen nauwkeurige, in procent uitgedrukte THC-gehalte, de gebruikte procedure, het aantal uitgevoerde tests, een vermelding van het punt waar het monster is genomen en de op nationaal niveau getroffen maatregelen.

3.   Indien het gemiddelde van alle monsters van een bepaald ras hoger ligt dan het in artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde maximale THC-gehalte, maken de lidstaten met betrekking tot dat ras in het volgende verkoopseizoen gebruik van de in bijlage I bij de onderhavige verordening opgenomen procedure B. Deze procedure wordt tevens gedurende de daaropvolgende verkoopseizoenen gebruikt, tenzij bij alle analyses van het betrokken ras een THC-gehalte wordt geconstateerd dat lager ligt dan het in artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde maximum.

Indien tijdens het tweede jaar het gemiddelde van alle monsters van een bepaald ras hoger ligt dan het in artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde maximale THC-gehalte, verzoekt de lidstaat te worden gemachtigd om de handel in dit ras overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad (19) te verbieden. Dit verzoek wordt uiterlijk op 15 november van het betrokken verkoopseizoen aan de Commissie toegezonden. Met ingang van het daaropvolgende jaar komt het ras waarvoor een dergelijk verzoek is ingediend, niet in aanmerking voor rechtstreekse betalingen in de betrokken lidstaat.

4.   Hennep wordt gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder geteeld in normale groeiomstandigheden in overeenstemming met de plaatselijke gebruiken, zodat de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde controles kunnen worden verricht.

De lidstaat kan echter toestemming geven om hennep te oogsten na het begin van de bloei maar vóór het einde van de periode van tien dagen na het einde van de bloei, mits de controleurs aangeven op welke representatieve delen van elk betrokken perceel het gewas gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder moet worden geteeld om volgens de in bijlage I vastgestelde methode te kunnen worden gecontroleerd.

Onderafdeling III

Controles ter plaatse van de steunaanvragen voor dieren

Artikel 41

Tijdstip van de controles ter plaatse

1.   Ten minste 60 % van het in artikel 30, lid 2, onder b), tweede alinea, vastgestelde minimumpercentage controles ter plaatse wordt gespreid over de gehele aanhoudperiode van de betrokken steunregeling uitgevoerd. Het resterende percentage controles ter plaatse wordt gespreid over het jaar uitgevoerd.

Wanneer de aanhoudperiode echter vóór de indiening van de aanvraag ligt of wanneer deze niet van tevoren kan worden vastgesteld, worden de in artikel 30, lid 2, onder b), tweede alinea, vastgestelde controles ter plaatse gespreid over het jaar uitgevoerd.

2.   Ten minste 50 % van het in artikel 30, lid 2, onder c), vastgestelde minimumpercentage controles ter plaatse wordt gespreid over de gehele aanhoudperiode uitgevoerd. Het minimumpercentage controles ter plaatse wordt evenwel volledig gespreid over de gehele aanhoudperiode uitgevoerd in de lidstaten waar ten aanzien van de bij Verordening (EG) nr. 21/2004 ingestelde regeling voor schapen en geiten geen sprake is van een volledige implementatie en toepassing, in het bijzonder wat de identificatie van de dieren en het naar behoren bijhouden van de registers betreft.

Artikel 42

Onderdelen van de controles ter plaatse

1.   De controles ter plaatse hebben betrekking op alle dieren waarvoor op grond van de te controleren steunregelingen steunaanvragen zijn ingediend en, wat de steunregelingen voor rundvee betreft, ook op de runderen waarvoor geen steun is aangevraagd.

De controles ter plaatse omvatten met name een controle om na te gaan of het aantal op het bedrijf aanwezige dieren waarvoor steunaanvragen zijn ingediend, en het aantal runderen waarvoor geen steun is aangevraagd, overeenstemmen met het aantal in de registers ingeschreven dieren en, voor runderen, met het aantal dieren dat aan het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen is gemeld.

2.   Met betrekking tot de steunregelingen voor rundvee omvatten de controles ter plaatse ook:

a)

controles op de juistheid van de inschrijvingen in het register en van de meldingen aan het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen op basis van een steekproef van bewijsstukken zoals aankoop- en verkoopfacturen, slachtverklaringen, veterinaire certificaten en, in voorkomend geval, dierpaspoorten, ten aanzien van de dieren waarvoor steunaanvragen zijn ingediend in de zes maanden vóór de controle ter plaatse; worden echter anomalieën ontdekt, dan wordt de controle uitgebreid tot de periode van twaalf maanden vóór de controle ter plaatse;

b)

controles om op basis van een steekproef na te gaan of de informatie in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen overeenstemt met die in het register, ten aanzien van de dieren waarvoor steunaanvragen zijn ingediend in de zes maanden vóór de controle ter plaatse; worden echter anomalieën ontdekt, dan wordt de controle uitgebreid tot de periode van twaalf maanden vóór de controle ter plaatse;

c)

controles om na te gaan of alle op het bedrijf aanwezige dieren die nog in het kader van de aanhoudverplichting worden gehouden, voor de aangevraagde steun in aanmerking komen;

d)

controles om na te gaan of alle op het bedrijf aanwezige runderen met oormerken zijn geïdentificeerd en, in voorkomend geval vergezeld gaan van dierpaspoorten en of zij zijn ingeschreven in het register en naar behoren zijn gemeld aan het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen.

De onder d) bedoelde controles worden individueel verricht voor elk afzonderlijk nog in het kader van de aanhoudverplichting gehouden mannelijk rund waarvoor een andere aanvraag om de speciale rundvleespremie is ingediend dan een aanvraag op grond van artikel 110, lid 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009. In alle andere gevallen kan de controle betreffende een correcte vermelding van de gegevens op de dierpaspoorten en in het register en betreffende de melding aan het gegevensbestand worden verricht op basis van een steekproef.

3.   Met betrekking tot de steunregelingen voor schapen en geiten omvatten de controles ter plaatse ook:

a)

een controle aan de hand van het register om na te gaan of alle dieren waarvoor steunaanvragen zijn ingediend, gedurende de gehele aanhoudperiode op het bedrijf zijn gehouden;

b)

een controle op de juistheid van de inschrijvingen in het register in de zes maanden vóór de controle ter plaatse op basis van een steekproef van bewijsstukken zoals aankoop- en verkoopfacturen en veterinaire certificaten die betrekking hebben op de periode van zes maanden vóór de controle ter plaatse; worden echter anomalieën ontdekt, dan wordt de controle uitgebreid tot de periode van twaalf maanden vóór de controle ter plaatse.

Artikel 43

Maatregelen met betrekking tot de controles ter plaatse in de slachthuizen

1.   In het geval dat een lidstaat gebruikmaakt van de desbetreffende mogelijkheden die bij artikel 53 van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden geboden, worden ten aanzien van de in artikel 110, lid 6, van die verordening bedoelde speciale rundvleespremie en de in artikel 116 van die verordening bedoelde slachtpremie controles ter plaatse verricht in de slachthuizen. In dat geval verrichten de lidstaten controles ter plaatse:

a)

hetzij bij ten minste 30 %, geselecteerd op basis van een risicoanalyse, van alle slachthuizen, in welk geval de controles een steekproef betreffen die ten minste 5 % omvat van het totale aantal runderen die in de twaalf maanden vóór de controle ter plaatse in het betrokken slachthuis zijn geslacht,

b)

hetzij bij ten minste 20 %, geselecteerd op basis van een risicoanalyse, van de slachthuizen die vooraf zijn erkend volgens door de lidstaten te bepalen bijzondere betrouwbaarheidscriteria, in welk geval de controles een steekproef betreffen die ten minste 2 % omvat van het totale aantal runderen die in de twaalf maanden vóór de controle ter plaatse in het betrokken slachthuis zijn geslacht.

2.   De controles ter plaatse in de slachthuizen omvatten een controle achteraf van de documenten, een vergelijking met de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens en controles van de overeenkomstig artikel 78, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1121/2009 aan andere lidstaten verstrekte overzichten van de slachtverklaringen of van de gegevens ter vervanging daarvan.

3.   De controles ter plaatse in de slachthuizen omvatten op een steekproef gebaseerde fysieke controles van de slachtingen die worden uitgevoerd op de dag van de controle ter plaatse. Zo nodig wordt nagegaan of de voor weging aangeboden geslachte dieren in aanmerking komen voor steun.

Artikel 44

Controlemaatregelen met betrekking tot de na uitvoer toegekende premie

1.   In het geval dat een lidstaat gebruikmaakt van de desbetreffende mogelijkheden die bij artikel 53 van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden geboden, worden ten aanzien van de slachtpremie die overeenkomstig artikel 116 van die verordening wordt toegekend voor naar derde landen uitgevoerde runderen, alle laadverrichtingen onderworpen aan controles ter plaatse die als volgt worden verricht:

a)

bij het inladen wordt geverifieerd of alle runderen zijn geïdentificeerd met oormerken; bovendien wordt ten minste 10 % van de aan deze verificatie onderworpen runderen individueel gecontroleerd om hun identificatie te verifiëren;

b)

bij het verlaten van het grondgebied van de Gemeenschap:

i)

wordt, indien het vervoermiddel van een officieel douanezegel is voorzien, gecontroleerd of het zegel onbeschadigd is. Is het zegel onbeschadigd, dan wordt alleen een steekproefcontrole verricht bij twijfel omtrent de regelmatigheid van de lading;

ii)

wordt, indien het vervoermiddel niet van een officieel douanezegel is voorzien of indien het douanezegel beschadigd is, ten minste 50 % van de bij het inladen individueel gecontroleerde runderen nogmaals aan een dergelijke controle onderworpen.

2.   De dierpaspoorten worden overeenkomstig artikel 6, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 aan de bevoegde autoriteit overhandigd.

3.   Het betaalorgaan controleert de steunaanvragen op basis van de betalingsdossiers en de overige beschikbare informatie, waarbij het bijzondere aandacht besteedt aan de documenten over de uitvoer en aan de opmerkingen van de bevoegde controleautoriteiten, en gaat na of de dierpaspoorten overeenkomstig lid 2 zijn overhandigd.

Artikel 45

Bijzondere bepalingen met betrekking tot het controleverslag

1.   Indien de lidstaten controles ter plaatse op grond van de onderhavige verordening verrichten samen met controles op grond van Verordening (EG) nr. 1082/2003, wordt het in artikel 32 van de onderhavige verordening bedoelde controleverslag aangevuld met de overeenkomstig artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1082/2003 opgestelde verslagen.

2.   Wat de in artikel 43, leden 1 en 2, bedoelde controles ter plaatse in de slachthuizen betreft, mag het in artikel 32 bedoelde controleverslag bestaan in een vermelding in de boekhouding van het slachthuis waaruit blijkt welke dieren aan de controles zijn onderworpen. Wat de in artikel 43, lid 3, bedoelde fysieke controles van de slachtingen betreft, worden in het verslag onder meer de identificatiecode, het geslacht gewicht en de slachtdatum vermeld voor alle dieren die op de dag van de controle ter plaatse zijn geslacht en gecontroleerd.

3.   Wat de in artikel 44 bedoelde controles betreft, mag het controleverslag beperkt blijven tot een vermelding van de aldus gecontroleerde dieren.

4.   Indien de overeenkomstig de onderhavige verordening verrichte controles ter plaatse gevallen van niet-naleving van het bepaalde in titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 of in Verordening (EG) nr. 21/2004 aan het licht brengen, wordt onverwijld een kopie van het in artikel 32 van de onderhavige verordening bedoelde controleverslag toegezonden aan de voor de toepassing van die verordeningen verantwoordelijke autoriteiten.

Onderafdeling IV

Controles ter plaatse van specifieke steun

Artikel 46

Bijzondere bepalingen met betrekking tot specifieke steun

1.   Ten aanzien van de in het kader van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde specifieke steun passen de lidstaten het bepaalde in de onderhavige titel toe. Mocht dit echter wegens de structuur van de betrokken regeling niet passend zijn, dan zorgt de lidstaat voor controles waarbij een controleniveau wordt gegarandeerd dat gelijkwaardig is aan het controleniveau waarin de onderhavige titel voorziet.

Daarbij geldt voor de lidstaten met name het volgende:

a)

bij de controle van aanvragen van onderlinge fondsen voor betalingen, als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 73/2009, gaan zij na of:

i)

de landbouwers wel in aanmerking kwamen voor de vergoeding uit het fonds;

ii)

de vergoeding daadwerkelijk overeenkomstig artikel 71 van Verordening (EG) nr. 73/2009 aan aangesloten landbouwers is betaald;

b)

bij de controle ter plaatse van investeringsactiviteiten waarvoor steun is verschuldigd in het kader van de specifieke steun waarin artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 voorziet, gaan zij na of de investering is gedaan.

De in de tweede alinea, onder a), bedoelde controles kunnen worden verricht middels een steekproef die ten minste 10 % van de betrokken landbouwers omvat.

2.   Mits de lidstaat ervoor zorgt dat de doeltreffendheid van de controles ten minste gelijk is aan die welke wordt gerealiseerd wanneer de controles worden uitgevoerd door middel van controles ter plaatse, mogen controles op het niveau van de landbouwbedrijven worden vervangen door administratieve controles of door controles op het niveau van de diensten, instanties of organisaties die bewijsmateriaal leveren op basis waarvan wordt nagegaan of aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan, zulks overeenkomstig het bepaalde in artikel 29, lid 2.

HOOFDSTUK III

Controles met betrekking tot de randvoorwaarden

Afdeling I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 47

Algemene voorschriften betreffende niet-naleving

1.   Voor de toepassing van het onderhavige hoofdstuk wordt onder „herhaalde” niet-naleving verstaan: een meer dan eenmaal binnen een periode van drie opeenvolgende kalenderjaren geconstateerde niet-naleving van dezelfde eis, norm of in artikel 4 bedoelde verplichting, mits de landbouwer van een eerdere niet-naleving in kennis is gesteld en, naar gelang van het geval, de mogelijkheid heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om die eerdere niet-naleving te beëindigen.

2.   Bij de bepaling van de „omvang” van een niet-naleving wordt er met name rekening mee gehouden of de niet-naleving verstrekkende invloed heeft dan wel of de invloed tot het landbouwbedrijf zelf beperkt blijft.

3.   De „ernst” van een niet-naleving is met name afhankelijk van het belang van de gevolgen van de niet-naleving, gelet op de doelstellingen van de betrokken eis of norm.

4.   Of een niet-naleving een „permanent karakter” draagt, is met name afhankelijk van de duur van de periode waarin de effecten blijven bestaan, of van de mogelijkheden om die effecten met redelijke middelen te beëindigen.

Artikel 48

Bevoegde controleautoriteit

1.   De gespecialiseerde controle-instanties zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de controles op de naleving van de betrokken eisen en normen.

De betaalorganen zijn verantwoordelijk voor de vaststelling van verlagingen of uitsluitingen in individuele gevallen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk III.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten besluiten dat de controles met betrekking tot alle of bepaalde eisen, normen, besluiten of terreinen van de randvoorwaarden door het betaalorgaan moeten worden uitgevoerd, mits de lidstaat garandeert dat de controles ten minste even doeltreffend zijn als bij uitvoering door een gespecialiseerde controle-instantie.

Afdeling II

Administratieve controles

Artikel 49

Administratieve controles

Afhankelijk van de betrokken eisen, normen, besluiten of terreinen van de randvoorwaarden, kunnen de lidstaten besluiten tot de uitvoering van administratieve controles, en met name van controles waarin reeds is voorzien in het kader van de controlesystemen die voor de eis, de norm, het besluit of het terrein van de randvoorwaarden in kwestie gelden.

Afdeling III

Controles ter plaatse

Artikel 50

Minimumpercentage controles

1.   De bevoegde controleautoriteit voert voor de eisen en normen waarvoor zij verantwoordelijk is, controles ter plaatse uit bij ten minste 1 % van alle landbouwers die steunaanvragen in het kader van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen in de zin van artikel 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009 hebben ingediend en die onder haar ressorteren. De bevoegde controleautoriteit voert voor de eisen en normen waarvoor zij verantwoordelijk is, ook controles uit bij ten minste 1 % van alle landbouwers voor wie in het betrokken kalenderjaar verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden als bedoeld in de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gelden en die onder haar ressorteren.

Het in de eerste alinea bedoelde minimumpercentage controles mag worden bereikt op het niveau van elke bevoegde controleautoriteit of op het niveau van elk besluit, elke norm of elke groep besluiten of normen. In de gevallen waarin de controles niet overeenkomstig artikel 48 door het betaalorgaan worden uitgevoerd, mag dat minimumpercentage evenwel worden bereikt op het niveau van elk betaalorgaan.

Indien in de voor het besluit of de normen geldende regelgeving reeds een minimumpercentage controles is vastgesteld, wordt in de betrokken gevallen dat percentage toegepast in plaats van het in de eerste alinea vermelde minimumpercentage. Als andere mogelijkheid kunnen de lidstaten besluiten dat welke gevallen van niet-naleving dan ook die worden ontdekt bij welke controles ter plaatse dan ook op grond van de voor de besluiten en normen geldende regelgeving die worden verricht buiten de in de eerste alinea bedoelde steekproef, worden gemeld aan de bevoegde controleautoriteit die verantwoordelijk is voor het betrokken besluit of de betrokken norm, en worden onderworpen aan een vervolgactie door die autoriteit. Het bepaalde in de onderhavige titel is van toepassing.

2.   Bij de vaststelling van het minimumpercentage controles als bedoeld in lid 1 van het onderhavige artikel, wordt geen rekening gehouden met de vereiste maatregelen als bedoeld in artikel 23, lid 2, of in artikel 24, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

3.   Indien de controles ter plaatse een belangrijke mate van niet-naleving van een bepaald besluit of een bepaalde norm aan het licht brengen, wordt het aantal in de volgende controleperiode voor dat besluit of die norm te verrichten controles ter plaatse verhoogd. Ten aanzien van een bepaald besluit kan de bevoegde controleautoriteit besluiten om deze extra controles ter plaatse te beperken tot de eisen die het meest zijn overtreden.

Artikel 51

Selectie van de steekproef voor controles

1.   Onverminderd de controles die worden uitgevoerd naar aanleiding van niet-nalevingen die op enige andere wijze onder de aandacht van de bevoegde controleautoriteit worden gebracht, wordt de selectie van elk van de steekproeven met overeenkomstig artikel 50 te controleren landbouwbedrijven naargelang van het geval gebaseerd op een risicoanalyse overeenkomstig de geldende regelgeving of op een aan de eisen of normen aangepaste risicoanalyse. Die risicoanalyse mag worden verricht op het niveau van de individuele landbouwbedrijven of op het niveau van categorieën landbouwbedrijven of geografische gebieden of, in het in lid 5, tweede alinea, onder b), van het onderhavige artikel genoemde geval, op het niveau van ondernemingen.

Bij de risicoanalyse mag rekening worden gehouden met één van of allebei de volgende omstandigheden:

a)

de deelneming door de landbouwer aan het in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bedrijfsadviseringssysteem;

b)

de deelneming door de landbouwer aan een certificeringssysteem indien het betrokken systeem relevant is voor de betrokken eisen en normen.

Onverminderd artikel 50, lid 1, kan een lidstaat besluiten landbouwers die rechtstreekse betalingen ontvangen en landbouwers voor wie verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden als bedoeld in de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gelden, te selecteren op basis van dezelfde risicoanalyse.

2.   Om voor het element van representativiteit te zorgen, wordt tussen 20 % en 25 % van het in artikel 50, lid 1, eerste alinea, bedoelde minimumaantal landbouwers bij wie een controle ter plaatse moet worden verricht, op aselecte wijze gekozen.

Indien het aantal ter plaatse te controleren landbouwers evenwel groter is dan het in artikel 50, lid 1, eerste alinea, bedoelde minimumaantal landbouwers bij wie een controle ter plaatse moet worden verricht, bestaat de extra steekproef voor ten hoogste 25 % uit op aselecte wijze gekozen landbouwers.

3.   Waar dat passend is, mag vóór het einde van de betrokken aanvraagperiode op basis van de beschikbare informatie een gedeeltelijke selectie van de steekproef voor controles worden uitgevoerd. De voorlopige steekproef wordt aangevuld wanneer alle desbetreffende aanvragen beschikbaar zijn.

4.   De steekproeven met overeenkomstig artikel 50 te controleren landbouwers worden geselecteerd uit de steekproeven met landbouwers die reeds overeenkomstig de artikelen 30 en 31 zijn geselecteerd en voor wie de desbetreffende eisen of normen gelden. De in artikel 50, lid 1, eerste alinea, tweede zin, bedoelde steekproef wordt echter geselecteerd uit landbouwers voor wie de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 voor het betrokken kalenderjaar gelden.

5.   In afwijking van lid 4 kunnen de steekproeven met overeenkomstig artikel 50 te controleren landbouwers worden geselecteerd uit de populatie van de landbouwers die steunaanvragen in het kader van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen in de zin van artikel 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009 hebben ingediend en uit de landbouwers voor wie de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gelden, en die verplicht zijn de desbetreffende eisen of normen na te leven.

In dat geval:

a)

mogen, indien op basis van de op het niveau van de landbouwbedrijven verrichte risicoanalyse wordt geconcludeerd dat niet-ontvangers van rechtstreekse steun een groter risico opleveren dan de landbouwers die steun hebben aangevraagd, landbouwers uit deze laatste groep worden vervangen door niet-ontvangers; in dat geval bereikt het totale aantal gecontroleerde landbouwers niettemin het in artikel 50, lid 1, bepaalde controlepercentage; dergelijke vervangingen worden naar behoren gemotiveerd en gedocumenteerd;

b)

mag, indien dat doeltreffender is, de risicoanalyse worden verricht op het niveau van ondernemingen, in het bijzonder slachthuizen, handelaren of leveranciers, veeleer dan op het niveau van de landbouwbedrijven; in dat geval mogen de aldus gecontroleerde landbouwers worden meegerekend bij de bepaling of het in artikel 50, lid 1, genoemde controlepercentage is bereikt.

6.   Besloten kan worden met een combinatie van de in de leden 4 en 5 bepaalde procedures te werken ingeval een dergelijke combinatie het controlesysteem doeltreffender maakt.

Artikel 52

Constatering van de naleving van de eisen en normen

1.   Waar toepasselijk, wordt de naleving van de eisen en normen geconstateerd met behulp van de middelen die zijn bepaald in de voor de betrokken eis of norm geldende regelgeving.

2.   In andere gevallen wordt, waar dat passend is, voor de constatering enig door de bevoegde controleautoriteit bepaald geschikt middel gebruikt dat een precisie garandeert die ten minste overeenkomt met die welke volgens de nationale bepalingen voor officiële constateringen is vereist.

3.   Waar dat passend is, mogen voor de controles ter plaatse teledetectietechnieken worden toegepast.

Artikel 53

Onderdelen van de controles ter plaatse

1.   Bij de uitvoering van de controles op de in artikel 50 bedoelde steekproef zorgt de bevoegde controleautoriteit ervoor dat alle aldus geselecteerde landbouwers worden gecontroleerd ten aanzien van hun naleving van de eisen en normen die onder haar verantwoordelijkheid vallen.

Onverminderd de eerste alinea geldt dat, indien het minimumpercentage controles overeenkomstig artikel 50, lid 1, tweede alinea, wordt bereikt op het niveau van elk besluit, elke norm of elke groep besluiten of normen, de geselecteerde landbouwers worden gecontroleerd ten aanzien van hun naleving van het betrokken besluit, de betrokken norm of de betrokken groep besluiten of normen.

In het algemeen wordt elke voor een controle ter plaatse geselecteerde landbouwer gecontroleerd op een tijdstip waarop de naleving van het merendeel van de eisen en normen waarvoor hij is geselecteerd, kan worden gecontroleerd. De lidstaten garanderen evenwel dat gedurende het jaar een passende mate van controle voor alle eisen en normen wordt gerealiseerd.

2.   De controles ter plaatse hebben, voor zover van toepassing, betrekking op alle landbouwgrond van het bedrijf. De feitelijke veldinspectie als onderdeel van een controle ter plaatse mag evenwel worden beperkt tot een steekproef die ten minste de helft omvat van de percelen landbouwgrond op het bedrijf waarvoor de eis of norm geldt, mits die steekproef ten aanzien van de eisen en normen een controleniveau garandeert dat betrouwbare en representatieve resultaten oplevert. Indien deze steekproefsgewijze controle niet-nalevingen aan het licht brengt, wordt de steekproef van percelen landbouwgrond die feitelijk worden geïnspecteerd, uitgebreid.

Voorts kan, indien dat in de voor het besluit of de normen geldende regelgeving zo is bepaald, de feitelijke inspectie inzake de naleving van de eisen en normen als onderdeel van een controle ter plaatse worden beperkt tot een representatieve steekproef uit de te controleren objecten. De lidstaten zorgen er echter voor dat de controles worden uitgevoerd voor alle eisen en normen waarvan de naleving op het tijdstip van het bezoek kan worden gecontroleerd.

3.   De in lid 1 bedoelde controles worden in de regel uitgevoerd als onderdeel van één controlebezoek en hebben betrekking op de eisen en normen waarvan de naleving ten tijde van dat bezoek kan worden gecontroleerd, met het doel elke eventuele niet-naleving van die eisen en normen op te sporen en bovendien de gevallen te identificeren waarvoor moet worden voorgesteld verdere controles te verrichten.

4.   Mits de lidstaat ervoor zorgt dat de doeltreffendheid van de controles ten minste gelijk is aan die welke wordt gerealiseerd wanneer de controles worden uitgevoerd door middel van controles ter plaatse, mogen controles op het niveau van de landbouwbedrijven worden vervangen door administratieve controles of door controles op het niveau van ondernemingen zoals bedoeld in artikel 51, lid 5, tweede alinea, onder b).

5.   Bij de uitvoering van controles ter plaatse mogen de lidstaten gebruikmaken van objectieve controle-indicatoren voor bepaalde eisen en normen, mits zij ervoor zorgen dat de doeltreffendheid van de controle inzake de betrokken eisen en normen ten minste gelijk is aan die van de controles ter plaatse die worden uitgevoerd zonder indicatoren te gebruiken.

De indicatoren houden rechtstreeks verband met de eisen of normen die zij vertegenwoordigen, en hebben betrekking op alle elementen die bij een controle inzake die eisen of normen moeten worden gecontroleerd.

6.   De controles ter plaatse die betrekking hebben op de in artikel 50, lid 1, bedoelde steekproef, worden uitgevoerd in hetzelfde kalenderjaar als dat waarin de steunaanvragen zijn ingediend.

Artikel 54

Controleverslag

1.   Over elke controle ter plaatse in het kader van het onderhavige hoofdstuk, ongeacht of de betrokken landbouwer voor de controle ter plaatse is geselecteerd overeenkomstig artikel 51 of naar aanleiding van niet-nalevingen die op enige andere wijze onder de aandacht van de bevoegde controleautoriteit zijn gebracht, stelt de bevoegde controleautoriteit een controleverslag op.

Het verslag bestaat uit de volgende gedeelten:

a)

een algemeen gedeelte dat met name de volgende informatie bevat:

i)

de voor de controle ter plaatse geselecteerde landbouwer;

ii)

de aanwezige personen;

iii)

of de landbouwer van het bezoek in kennis was gesteld en, zo ja, hoe lang van tevoren;

b)

een gedeelte waarin de voor elk van de besluiten en normen verrichte controles afzonderlijk worden behandeld en dat met name de volgende informatie bevat:

i)

de eisen en normen waarop de controle ter plaatse betrekking had;

ii)

de aard en omvang van de verrichte controles;

iii)

de bevindingen;

iv)

de besluiten en normen ten aanzien waarvan gevallen van niet-naleving zijn vastgesteld;

c)

een evaluatiegedeelte waarin het belang van de niet-naleving voor elk besluit en/of elke norm in kwestie overeenkomstig artikel 24, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt beoordeeld aan de hand van de criteria „ernst”, „omvang”, „permanent karakter” en „herhaling”, met vermelding van welke factoren ook die tot een opwaartse of neerwaartse bijstelling van de toe te passen verlaging zouden moeten leiden.

Indien de bepalingen inzake de betrokken eis of norm speelruimte laten om verder geen werk van de vastgestelde niet-naleving te maken, wordt daar in het verslag melding van gemaakt. Hetzelfde geldt in het geval dat een lidstaat overeenkomstig artikel 26, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 een extra termijn gunt voor de naleving van nieuwe ingevoerde communautaire normen of overeenkomstig dat artikel jonge landbouwers een extra termijn gunt om aan de bestaande communautaire normen te voldoen.

2.   De landbouwer wordt van elk geconstateerd geval van niet-naleving in kennis gesteld binnen drie maanden na de datum van de controle ter plaatse.

Tenzij de landbouwer overeenkomstig artikel 24, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 onmiddellijk een corrigerende actie heeft ondernomen waarmee een einde wordt gemaakt aan de geconstateerde niet-naleving, wordt het feit dat overeenkomstig die bepaling een corrigerende actie moet worden ondernomen, ter kennis van de landbouwer gebracht binnen de termijn zoals vastgesteld in de eerste alinea.

Ingeval de lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid om een verlaging of uitsluiting niet toe te passen, wordt de betrokken landbouwer uiterlijk binnen één maand na het besluit om de verlaging of uitsluiting van betalingen niet toe te passen, ervan in kennis gesteld dat een corrigerende actie moet worden ondernomen.

3.   Onverminderd eventuele bijzondere bepalingen in de voor de eisen en normen geldende regelgeving, wordt het controleverslag binnen één maand na de controle ter plaatse voltooid. Deze termijn kan echter in deugdelijk gemotiveerde gevallen, met name de noodzaak van een chemische of fysische analyse, tot drie maanden worden verlengd.

Indien de bevoegde controleautoriteit niet het betaalorgaan is, wordt het verslag binnen een maand na de voltooiing ervan aan het betaalorgaan of de coördinerende autoriteit toegezonden.

TITEL IV

GRONDSLAG VOOR DE BEREKENING VAN DE STEUNBEDRAGEN, VERLAGINGEN EN UITSLUITINGEN

HOOFDSTUK I

Niet-aangifte van oppervlakten

Artikel 55

Niet-aangifte van alle oppervlakten

1.   Indien een landbouwer voor een bepaald jaar niet alle in artikel 13, lid 8, bedoelde oppervlakten aangeeft en het verschil tussen enerzijds de totale in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte en anderzijds de som van de aangegeven oppervlakte en de totale oppervlakte van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3 % van de aangegeven oppervlakte, wordt het totale bedrag van de rechtstreekse betalingen die in dat jaar aan die landbouwer moeten worden gedaan, verlaagd met maximaal 3 % afhankelijk van de ernst van het verzuim.

2.   Lid 1 is ook van toepassing op betalingen die verband houden met de regelingen waarin de artikelen 85 septdecies, 103 octodecies en 103 novodecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 voorzien, wanneer voor de landbouwer verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden als bedoeld in de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van die verordening gelden. Het verlagingspercentage is van toepassing op het totale te betalen bedrag, gedeeld door het in de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van die verordening bedoelde aantal jaren.

HOOFDSTUK II

Bevindingen met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria

Afdeling I

Bedrijfstoeslagregeling en andere oppervlaktegebonden steunregelingen

Artikel 56

Algemene beginselen

1.   Voor de toepassing van de onderhavige afdeling worden, waar dat relevant is, de volgende gewasgroepen onderscheiden:

a)

de oppervlakten die worden aangegeven ter activering van toeslagrechten in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, waarbij al naar het geval voor elke oppervlakte wordt voldaan aan de specifieke voorwaarden die ervoor gelden;

b)

de oppervlakten die worden aangegeven in het kader van de bij titel V, hoofdstuk 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde regeling inzake een enkele areaalbetaling;

c)

een groep voor elk van de oppervlakten voor de toepassing van een andere oppervlaktegebonden steunregeling waarvoor een verschillend steunbedrag geldt;

d)

oppervlakten die worden aangegeven onder de rubriek „andere vormen van grondgebruik”.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), wordt het gemiddelde in aanmerking genomen van de waarden van de verschillende toeslagrechten waarvoor de desbetreffende aangegeven oppervlakte wordt gebruikt.

2.   Indien dezelfde oppervlakte dient als basis voor steunaanvragen in het kader van meer dan één oppervlaktegebonden steunregeling, wordt die oppervlakte voor elk van die steunregelingen afzonderlijk in aanmerking genomen.

Artikel 57

Bepaling van de berekeningsgrondslag in het licht van de aangegeven oppervlakten

1.   Voor de aanvragen om steun in het kader van de oppervlaktegebonden steunregelingen, met uitzondering van die voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdelingen 2 en 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geldt dat, indien de voor een gewasgroep geconstateerde oppervlakte groter blijkt te zijn dan de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte, de aangegeven oppervlakte wordt gebruikt voor de berekening van de steun.

2.   Voor een aanvraag om steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling geldt dat:

indien er een verschil is tussen de aangegeven toeslagrechten en de aangegeven oppervlakte, de bedrijfstoeslag wordt berekend op basis van de kleinste oppervlakte;

indien het aantal aangegeven toeslagrechten hoger is dan het aantal toeslagrechten waarover de landbouwer beschikt, de aangegeven toeslagrechten worden verlaagd tot het aantal toeslagrechten waarover de landbouwer beschikt.

3.   Onverminderd verlagingen en uitsluitingen overeenkomstig de artikelen 58 en 60 van de onderhavige verordening, geldt voor aanvragen om steun in het kader van de oppervlaktegebonden steunregelingen, met uitzondering van die voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdelingen 2 en 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 dat, indien voor een gewasgroep de in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, de betrokken steun wordt berekend op basis van de voor die gewasgroep geconstateerde oppervlakte.

Onverminderd artikel 30 van Verordening (EG) nr. 73/2009 geldt echter dat, indien in het kader van de bij de titels III, IV en V van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde steunregelingen het verschil tussen de totale geconstateerde oppervlakte en de totale met het oog op betaling aangegeven oppervlakte niet meer bedraagt dan 0,1 ha, de geconstateerde oppervlakte wordt geacht gelijk te zijn aan de aangegeven oppervlakte. Voor deze berekening worden uitsluitend te hoge aangiften van oppervlakten op het niveau van de gewasgroep in aanmerking genomen.

Het bepaalde in de tweede alinea geldt niet wanneer dat verschil meer dan 20 % van de totale met het oog op betaling aangegeven oppervlakte uitmaakt.

Artikel 58

Verlagingen en uitsluitingen bij een te hoge aangifte

Indien voor een gewasgroep de oppervlakte die is aangegeven met het oog op welke oppervlaktegebonden steunregeling dan ook, met uitzondering van die voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdelingen 2 en 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009, groter is dan de overeenkomstig artikel 57 van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte, wordt de steun berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of meer dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt.

Bedraagt het verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, dan wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend.

Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de overeenkomstig artikel 57 van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte. Dat bedrag wordt verrekend overeenkomstig artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie (20). Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

Artikel 59

Verlagingen in geval van onregelmatigheden met betrekking tot de voor de betaling van de steun voor zetmeelaardappelen en zaaizaad aangegeven oppervlakten

1.   Indien wordt vastgesteld dat de feitelijk met aardappelen beteelde oppervlakte meer dan 10 % kleiner is dan de oppervlakte die is aangegeven voor de betaling van de steun voor zetmeelaardappelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt de te betalen steun verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil.

2.   Indien wordt vastgesteld dat de feitelijk met zaaizaad beteelde oppervlakte meer dan 10 % groter is dan de oppervlakte die is aangegeven voor de betaling van de steun voor zaaizaad als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt de te betalen steun verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil.

3.   Indien wordt vastgesteld dat de in lid 1 of lid 2 bedoelde onregelmatigheden het gevolg zijn van opzet van de landbouwer, wordt het totale in lid 1 of lid 2 bedoelde steunbedrag geweigerd.

In dat geval wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag dat gelijk is aan dat steunbedrag. Dat bedrag wordt verrekend overeenkomstig artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006. Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

Artikel 60

Opzettelijk te hoge aangifte

Wanneer de verschillen tussen de aangegeven oppervlakte en de overeenkomstig artikel 57 geconstateerde oppervlakte het gevolg zijn van opzettelijk te hoge aangiften, wordt voor het betrokken kalenderjaar de steun waarop de landbouwer overeenkomstig artikel 57 in het kader van de betrokken steunregeling aanspraak zou kunnen maken, niet toegekend als die verschillen meer dan 0,5 % van de geconstateerde oppervlakte of meer dan één hectare bedragen.

Bovendien wordt, wanneer dat verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt, de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de overeenkomstig artikel 57 geconstateerde oppervlakte. Dat bedrag wordt verrekend overeenkomstig artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006. Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

Artikel 61

Verlagingen en uitsluitingen met betrekking tot steunaanvragen voor zaaizaad

1.   Indien wordt vastgesteld dat zaaizaad waarvoor een steunaanvraag is ingediend, niet daadwerkelijk voor inzaai in de handel is gebracht als bedoeld in artikel 37, eerste alinea, onder b), punt iii), wordt de voor de betrokken soort te betalen steun na toepassing van de verlagingen die eventueel overeenkomstig artikel 59 moeten worden toegepast, met 50 % verlaagd indien de niet in de handel gebrachte hoeveelheid meer dan 2 % doch niet meer dan 5 % bedraagt van de hoeveelheid waarop de steunaanvraag betrekking heeft. Bedraagt de niet in de handel gebrachte hoeveelheid meer dan 5 %, dan wordt voor het betrokken verkoopseizoen geen steun voor zaaizaad toegekend.

2.   Indien wordt vastgesteld dat steun is aangevraagd voor niet officieel gecertificeerd zaaizaad of voor zaaizaad dat niet is geoogst in de betrokken lidstaat gedurende het kalenderjaar waarin het verkoopseizoen begint waarvoor de steun is vastgesteld, wordt voor dat verkoopseizoen en het daaropvolgende verkoopseizoen geen steun toegekend.

Artikel 62

Verlagingen en uitsluitingen met betrekking tot de gewasspecifieke betaling voor katoen

Onverminderd verlagingen en uitsluitingen overeenkomstig de artikelen 58 en 60 van de onderhavige verordening, geldt dat, wanneer wordt vastgesteld dat de landbouwer de uit artikel 30, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1121/2009 voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, hij het recht op de in artikel 92, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bepaalde verhoging van de steun verliest. Bovendien wordt voor die landbouwer de overeenkomstig artikel 90 van Verordening (EG) nr. 73/2009 te verlenen steun voor katoen per subsidiabele hectare verlaagd met het bedrag van de in artikel 92, lid 2, van die verordening bepaalde verhoging.

Afdeling II

Dierpremies

Artikel 63

Berekeningsgrondslag

1.   Wanneer een individueel maximum geldt, wordt het in de steunaanvragen aangegeven aantal dieren verlaagd tot het voor de betrokken landbouwer vastgestelde maximum.

2.   In geen geval kan steun worden toegekend voor een groter aantal dieren dan het in de steunaanvraag aangegeven aantal.

3.   Onverminderd de artikelen 65 en 66 wordt, indien het in een steunaanvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, de steun berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.

4.   Indien onregelmatigheden met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen worden vastgesteld, geldt het volgende:

a)

een rund dat één van de twee oormerken is kwijtgeraakt, wordt als geconstateerd beschouwd mits het duidelijk en individueel kan worden geïdentificeerd aan de hand van de andere elementen van de identificatie- en registratieregeling voor runderen;

b)

indien het bij de vastgestelde onregelmatigheden om onjuiste vermeldingen in het register of op de dierpaspoorten gaat, wordt het betrokken dier slechts als niet-geconstateerd beschouwd indien dergelijke fouten bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden worden vastgesteld. In alle andere gevallen worden de betrokken dieren na de eerste vaststelling als nietgeconstateerd beschouwd.

Het bepaalde in artikel 21 is van toepassing op de in het kader van de identificatie- en registratieregeling voor runderen opgetekende of gemelde gegevens.

Artikel 64

Vervanging

1.   De op het bedrijf aanwezige runderen worden slechts als geconstateerd aangemerkt indien zij in de steunaanvraag zijn geïdentificeerd. Zoogkoeien of vaarzen waarvoor overeenkomstig artikel 111 of artikel 115 van Verordening (EG) nr. 73/2009 steun is aangevraagd, mogen evenwel gedurende de aanhoudperiode binnen de in die artikelen genoemde grenzen worden vervangen zonder dat het recht op betaling van de aangevraagde steun verloren gaat.

2.   Vervangingen als bedoeld in lid 1, vinden plaats binnen 20 dagen na de datum waarop het feit waardoor het dier moet worden vervangen zich voordoet, en worden uiterlijk drie dagen na de dag van de vervanging in het register opgetekend. De bevoegde autoriteit waarbij de aanvraag is ingediend, wordt daarvan binnen zeven dagen na de vervanging in kennis gesteld.

In het geval dat een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 16, lid 3, tweede alinea, geboden mogelijkheden, kan die lidstaat evenwel bepalen dat de meldingen aan het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen dat een dier het bedrijf heeft verlaten en een ander dier binnen de in de eerste alinea van het onderhavige artikel gestelde termijn op het bedrijf is aangekomen, in de plaats kunnen komen van die aan de bevoegde autoriteit toe te zenden informatie.

3.   Indien een landbouwer steun voor zowel ooien als geiten aanvraagt en er geen verschil in de hoogte van de betaalde steun is, mag een ooi door een geit en een geit door een ooi worden vervangen. Ooien en geiten waarvoor overeenkomstig artikel 101 van Verordening (EG) nr. 73/2009 steun is aangevraagd, mogen gedurende de aanhoudperiode binnen de in dat artikel genoemde grenzen worden vervangen zonder dat het recht op betaling van de aangevraagde steun verloren gaat.

4.   Vervangingen als bedoeld in lid 3, vinden plaats binnen tien dagen na de datum waarop het feit waardoor het dier moet worden vervangen zich voordoet, en worden uiterlijk drie dagen na de dag van de vervanging in het register opgetekend. De bevoegde autoriteit waarbij de aanvraag is ingediend, wordt daarvan binnen zeven dagen na de vervanging in kennis gesteld.

Artikel 65

Verlagingen en uitsluitingen ten aanzien van runderen waarvoor steun is aangevraagd

1.   Indien ten aanzien van een steunaanvraag in het kader van de steunregelingen voor rundvee een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig artikel 63, lid 3, geconstateerde aantal, wordt het totale bedrag van de steun waarop de landbouwer voor de betrokken premieperiode in het kader van die regelingen aanspraak kan maken, verlaagd met het overeenkomstig lid 3 van het onderhavige artikel te bepalen percentage indien voor niet meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld.

2.   Indien voor meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt het totale bedrag van de steun waarop de landbouwer voor de betrokken premieperiode in het kader van de in lid 1 bedoelde regelingen aanspraak kan maken, verlaagd met:

a)

het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage indien dit niet hoger is dan 10 %;

b)

tweemaal het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage indien dit hoger dan 10 % maar niet hoger dan 20 % is.

Is het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage hoger dan 20 %, dan wordt voor de betrokken premieperiode de steun waarop de landbouwer overeenkomstig artikel 63, lid 3, in het kader van die regelingen aanspraak zou kunnen maken, geweigerd.

Is het overeenkomstig lid 3 van het onderhavige artikel bepaalde percentage hoger dan 50 %, dan wordt de landbouwer bovendien nogmaals van steun uitgesloten voor het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig artikel 63, lid 3, geconstateerde aantal dieren. Dat bedrag wordt verrekend overeenkomstig artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006. Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

3.   Voor de bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt, uitgaande van de runderen waarvoor gedurende de betrokken premieperiode in het kader van alle steunregelingen voor rundvee samen steun is aangevraagd, het aantal van die runderen waarvoor onregelmatigheden zijn vastgesteld, gedeeld door het totale aantal voor die premieperiode geconstateerde runderen.

Bij toepassing van artikel 16, lid 3, tweede alinea, worden potentieel premiabele dieren die niet correct geïdentificeerd of geregistreerd overeenkomstig de identificatie- en registratieregeling voor runderen blijken te zijn, beschouwd als dieren ten aanzien waarvan onregelmatigheden zijn vastgesteld. Wat de in artikel 116 van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde slachtpremie betreft, worden voor de toepassing van de onderhavige alinea alleen daadwerkelijk in het desbetreffende jaar geslachte dieren als potentieel premiabel beschouwd.

In het geval van de in artikel 111 van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde zoogkoeienpremie geldt dat vastgestelde onregelmatigheden met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen evenredig worden verdeeld tussen het aantal dieren dat nodig is om de premie te ontvangen, en de dieren die nodig zijn voor de levering van melk en zuivelproducten als bedoeld in artikel 111, lid 2, onder b), van die verordening. Die onregelmatigheden worden echter eerst toegerekend aan het aantal dieren dat niet nodig is binnen de individuele maxima als bedoeld in artikel 111, lid 2, onder b), en artikel 112 van die verordening.

4.   Indien het verschil tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig artikel 63, lid 3, geconstateerde aantal het gevolg is van opzettelijke onregelmatigheden, wordt voor de betrokken premieperiode de steun waarop de landbouwer overeenkomstig artikel 63, lid 3, in het kader van de betrokken steunregeling of -regelingen voor rundvee aanspraak zou kunnen maken, geweigerd.

Is het overeenkomstig lid 3 van het onderhavige artikel bepaalde verschil groter dan 20 %, dan wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig artikel 63, lid 3, geconstateerde aantal dieren. Dat bedrag wordt verrekend overeenkomstig artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006. Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

Artikel 66

Verlagingen en uitsluitingen ten aanzien van schapen en geiten waarvoor steun is aangevraagd

1.   Wanneer ten aanzien van steunaanvragen in het kader van de steunregeling voor schapen en geiten een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het aantal dieren dat overeenkomstig artikel 63, lid 3, is geconstateerd, is het bepaalde in artikel 65, leden 2, 3 en 4, van overeenkomstige toepassing vanaf het eerste dier waarvoor onregelmatigheden worden vastgesteld.

2.   Indien wordt vastgesteld dat een producent van schapenvlees die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkoopt, heeft verzuimd deze verkoopactiviteit in zijn premieaanvraag te vermelden, wordt het premiebedrag waarop hij aanspraak kan maken, verlaagd tot het premiebedrag dat geldt voor producenten van schapenvlees die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkopen, minus het verschil tussen dit laatste premiebedrag en het volledige bedrag van de ooienpremie.

3.   Indien ten aanzien van aanvragen om de aanvullende premie wordt vastgesteld dat minder dan 50 % van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in gebieden als bedoeld in artikel 102, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt de aanvullende premie niet betaald en worden de ooien- en de geitenpremie verlaagd met een bedrag dat overeenkomt met 50 % van de aanvullende premie.

4.   Indien wordt vastgesteld dat minder dan 50 % van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in de gebieden die zijn vermeld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1121/2009, wordt de geitenpremie niet betaald.

5.   Indien wordt vastgesteld dat een verweidende producent die een aanvraag om de aanvullende premie heeft ingediend, niet ten minste 90 % van zijn dieren gedurende ten minste 90 dagen in een gebied als bedoeld in artikel 102, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 heeft geweid, wordt de aanvullende premie niet betaald en wordt de ooien- of de geitenpremie verlaagd met een bedrag dat overeenkomt met 50 % van de aanvullende premie.

6.   Indien wordt vastgesteld dat een onregelmatigheid als bedoeld in de leden 2, 3, 4 of 5 met opzet is begaan, wordt het totale in die leden bedoelde steunbedrag geweigerd.

In dat geval wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag dat gelijk is aan dat steunbedrag. Dat bedrag wordt verrekend overeenkomstig artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006. Indien het bedrag niet volledig overeenkomstig dat artikel kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.

7.   Wanneer voor landbouwers die ooien en geiten houden die recht geven op hetzelfde premieniveau, bij een controle ter plaatse een verschil blijkt in de samenstelling van de kudde wat de aantallen dieren per soort betreft, worden de dieren geacht tot dezelfde groep te behoren.

Artikel 67

Natuurlijke omstandigheden

De verlagingen en uitsluitingen waarin de artikelen 65 en 66 voorzien, zijn niet van toepassing in het geval dat de landbouwer als gevolg van het effect van natuurlijke omstandigheden op de veestapel of kudde niet kan voldoen aan zijn verbintenis de dieren waarvoor steun is aangevraagd, gedurende de gehele aanhoudperiode te houden, mits hij de bevoegde autoriteit daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld binnen tien werkdagen na de vaststelling van een vermindering van het aantal dieren.

Onverminderd de feitelijke omstandigheden waarmee in individuele gevallen rekening moet worden gehouden, kunnen de bevoegde autoriteiten met name de volgende gevallen van natuurlijke omstandigheden in een veestapel of kudde erkennen:

a)

sterfte van een dier als gevolg van een ziekte;

b)

sterfte van een dier als gevolg van een ongeval waarvoor de landbouwer niet verantwoordelijk kan worden gesteld.

Artikel 68

Onjuiste verklaringen en aangiften van slachthuizen

Ten aanzien van de aangiften of verklaringen van slachthuizen in verband met de in artikel 110, lid 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde speciale rundvleespremie en de in artikel 116 van die verordening vastgestelde slachtpremie geldt dat, indien wordt vastgesteld dat een slachthuis door grove nalatigheid of met opzet met een onjuiste verklaring of aangifte is gekomen, de betrokken lidstaat passende nationale sancties toepast. Worden dergelijke onregelmatigheden een tweede maal vastgesteld, dan wordt het betrokken slachthuis voor een periode van ten minste één jaar uitgesloten van het recht om met het oog op de toekenning van premies aangiften te doen of verklaringen af te geven.

Afdeling III

Specifieke steun

Artikel 69

Bevindingen met betrekking tot de specifieke steun

Wat betreft de betalingen die verschuldigd zijn in het kader van specifieke steun, stellen de lidstaten voor elke maatregel voorschriften voor verlagingen en uitsluitingen vast die inhoudelijk gelijkwaardig zijn aan die waarin de onderhavige titel voorziet. In het geval van oppervlaktegebonden betalingen of betalingen voor dieren is het bepaalde in de onderhavige titel van overeenkomstige toepassing. Voorts is, in voorkomend geval, artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie (21) van overeenkomstige toepassing.

Ten aanzien van het bewijsmateriaal van diensten, instanties of organisaties, als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de onderhavige verordening geldt dat, indien wordt vastgesteld dat door grove nalatigheid of met opzet onjuist bewijsmateriaal is geleverd, de betrokken lidstaat passende nationale sancties toepast. Worden dergelijke onregelmatigheden een tweede maal vastgesteld, dan wordt de betrokken dienst, instantie of organisatie voor een periode van ten minste één jaar uitgesloten van het recht om met het oog op de toekenning van premies bewijsmateriaal te leveren.

HOOFDSTUK III

Bevindingen met betrekking tot de randvoorwaarden

Artikel 70

Algemene beginselen en definities

1.   Voor de toepassing van het onderhavige hoofdstuk is artikel 47 van toepassing.

2.   Voor de toepassing van artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 op landbouwers voor wie de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden als bedoeld in de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gelden, wordt onder de indiening van de in artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steunaanvraag de jaarlijkse indiening van de verzamelaanvraag verstaan.

3.   Indien meer dan één betaalorgaan verantwoordelijk is voor het beheer van de verschillende in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde steunregelingen, van de in artikel 36, onder a), punten i) tot en met v), en onder b), punten i), iv) en v), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregelen en van de betalingen die verband houden met de regelingen waarin de artikelen 85 septdecies, 103 octodecies en 103 novodecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 voorzien, zorgen de lidstaten ervoor dat geconstateerde gevallen van niet-naleving en, in voorkomend geval, de overeenkomstige verlagingen en uitsluitingen onder de aandacht van alle bij die betalingen betrokken betaalorganen worden gebracht, met inbegrip van gevallen waarin de niet-inachtneming van subsidiabiliteitscriteria tevens een niet-naleving inhoudt en omgekeerd. De lidstaten zorgen er in voorkomend geval voor dat één verlagingspercentage wordt toegepast.

4.   Gevallen van niet-naleving worden geacht te zijn „geconstateerd” indien zij worden vastgesteld doordat controles van welke aard ook overeenkomstig de onderhavige verordening zijn uitgevoerd of nadat zij op welke andere wijze ook onder de aandacht van de bevoegde controleautoriteit of, in voorkomend geval, het betaalorgaan zijn gebracht.

5.   Behoudens overmacht en buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 75 van de onderhavige verordening wordt, wanneer een landbouwer voor wie de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden als bedoeld in de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gelden, geen verzamelaanvraag heeft ingediend op de in artikel 11 van de onderhavige verordening bedoelde uiterste datum, een verlaging van 1 % per werkdag toegepast. De maximale verlaging bedraagt 25 %. De verlaging is van toepassing op het totale, in het kader van de betalingen op grond van de regelingen waarin de artikelen 85 septdecies, 103 octodecies en 103 novodecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 voorzien, te betalen bedrag, gedeeld door het in de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van die verordening bedoelde aantal jaren.

6.   Indien meer dan één geval van niet-naleving is geconstateerd ten aanzien van verschillende besluiten of normen die tot hetzelfde terrein van de randvoorwaarden behoren, worden die gevallen voor de vaststelling van de verlaging overeenkomstig artikel 71, lid 1, en artikel 72, lid 1, beschouwd als één geval van niet-naleving.

7.   Een geval van niet-naleving van een norm die tevens een eis inhoudt, wordt als één geval van niet-naleving beschouwd. Voor de berekening van de verlagingen wordt de niet-naleving dan geacht onder de eis te vallen.

8.   Voor de toepassing van de verlagingen wordt het verlagingspercentage toegepast op het totale bedrag van:

a)

de som van de rechtstreekse betalingen die is toegekend of moet worden toegekend aan de betrokken landbouwer op grond van steunaanvragen die hij heeft ingediend of nog zal indienen in de loop van het kalenderjaar van de bevinding, en

b)

de som van de betalingen die verband houdt met de regelingen waarin de artikelen 85 septdecies, 103 octodecies en 103 novodecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 voorzien, gedeeld door het in de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van die verordening bedoelde aantal jaren.

Artikel 71

Toepassing van verlagingen in geval van nalatigheid

1.   Onverminderd artikel 77, geldt dat, indien een geconstateerd geval van niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de landbouwer, een verlaging wordt toegepast. Deze verlaging bedraagt in de regel 3 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.

Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit in het in artikel 54, lid 1, onder c), bedoelde evaluatiegedeelte van het controleverslag besluiten om dat percentage te verlagen tot 1 % of te verhogen tot 5 % van het bovenbedoelde totale bedrag dan wel in de in artikel 54, lid 1, onder c), tweede alinea, bedoelde gevallen, in het geheel geen verlagingen op te leggen.

2.   Ingeval de lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid om een verlaging of uitsluiting niet toe te passen, en de landbouwer de situatie niet binnen een bepaalde termijn heeft gecorrigeerd, wordt de verlaging of uitsluiting alsnog toegepast.

Deze termijn wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld en verstrijkt uiterlijk aan het einde van het jaar na dat waarin de bevinding is gedaan.

3.   Ingeval de lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 24, lid 2, tweede en derde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid om een geval van niet-naleving als van gering belang te beschouwen, en de landbouwer de situatie niet binnen een bepaalde termijn heeft gecorrigeerd, wordt een verlaging toegepast.

Deze termijn wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld en verstrijkt uiterlijk aan het einde van het jaar na dat waarin de bevinding is gedaan.

Het betrokken geval van niet-naleving wordt niet als van gering belang beschouwd en overeenkomstig lid 1 wordt een verlaging van ten minste 1 % toegepast.

Voorts wordt een geval van niet-naleving dat als van gering belang is aangemerkt en door de landbouwer binnen de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde termijn is gecorrigeerd, voor de toepassing van lid 5 niet als een niet-naleving beschouwd.

4.   Ingeval meer dan één geval van niet-naleving is geconstateerd en de gevallen van niet-naleving betrekking hebben op verschillende terreinen van de randvoorwaarden, wordt de in lid 1 bepaalde procedure voor de vaststelling van de verlaging afzonderlijk toegepast op elk geval van niet-naleving.

De daaruit voortvloeiende verlagingspercentages worden bij elkaar opgeteld. De maximale verlaging is evenwel niet hoger dan 5 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.

5.   Onverminderd de gevallen van opzettelijke niet-naleving als bedoeld in artikel 72 wordt, indien herhaalde niet-nalevingen zijn geconstateerd, bij de eerste herhaling een percentage dat overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel is vastgesteld voor de herhaalde niet-naleving, vermenigvuldigd met de factor drie. Mocht dat percentage overeenkomstig artikel 70, lid 6, zijn vastgesteld, dan bepaalt het betaalorgaan hiertoe het percentage dat zou zijn toegepast ten aanzien van de herhaalde niet-naleving van de betrokken eis of norm.

In het geval van verdere herhalingen wordt de vermenigvuldigingsfactor drie telkens toegepast op het resultaat van de verlaging die voor de vorige herhaalde niet-naleving is vastgesteld. De maximale verlaging is evenwel niet hoger dan 15 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.

Zodra het maximum van 15 % is bereikt, deelt het betaalorgaan de betrokken landbouwer mee dat, indien dezelfde niet-naleving nogmaals wordt geconstateerd, zal worden aangenomen dat hij met opzet heeft gehandeld in de zin van artikel 72. Indien daarna een verdere niet-naleving wordt geconstateerd, wordt het toe te passen verlagingspercentage vastgesteld door het resultaat van de vorige vermenigvuldiging, in voorkomend geval vóór de toepassing van de in de tweede alinea, laatste zin, bedoelde beperking tot 15 %, te vermenigvuldigen met de factor drie.

6.   Ingeval een herhaalde niet-naleving wordt geconstateerd samen met een andere niet-naleving of een andere herhaalde niet-naleving, worden de daaruit voortvloeiende verlagingspercentages bij elkaar opgeteld. Onverminderd het bepaalde in lid 5, derde alinea, is de maximale verlaging evenwel niet hoger dan 15 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.

Artikel 72

Toepassing van verlagingen en uitsluitingen in geval van opzettelijke niet-naleving

1.   Onverminderd artikel 77 geldt dat, indien de geconstateerde niet-naleving door de landbouwer met opzet is begaan, de verlaging die moet worden toegepast op het totale bedrag als bedoeld in artikel 70, lid 8, in de regel 20 % van dat totale bedrag bedraagt.

Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit in het in artikel 54, lid 1, onder c), bedoelde evaluatiegedeelte van het controleverslag besluiten om dat percentage te verlagen tot niet minder dan 15 % of, in voorkomend geval, dat percentage te verhogen tot maximaal 100 % van dat totale bedrag.

2.   Indien het geval van opzettelijke niet-naleving betrekking heeft op een bepaalde steunregeling, wordt de landbouwer voor het betrokken kalenderjaar van die steunregeling uitgesloten. Is er sprake van een extreem geval wat de omvang, de ernst of het permanente karakter van de betrokken niet-naleving betreft of zijn herhaalde opzettelijke niet-nalevingen geconstateerd, dan wordt de landbouwer bovendien in het daaropvolgende kalenderjaar van de betrokken steunregeling uitgesloten.

HOOFDSTUK IV

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 73

Uitzonderingen op de toepassing van verlagingen en uitsluitingen

1.   De in de hoofdstukken I en II bedoelde verlagingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing indien de landbouwer feitelijk juiste gegevens heeft verstrekt of indien hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

2.   De in de hoofdstukken I en II bedoelde verlagingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing op de gedeelten van de steunaanvraag waarvoor de landbouwer de bevoegde autoriteit schriftelijk meedeelt dat de steunaanvraag onjuist is of onjuist is geworden sinds de indiening ervan, mits de landbouwer niet op de hoogte is gebracht van het voornemen van de bevoegde autoriteit een controle ter plaatse uit te voeren, en de bevoegde autoriteit de landbouwer niet reeds van onregelmatigheden in de aanvraag in kennis heeft gesteld.

De in de eerste alinea bedoelde mededeling van de landbouwer heeft tot gevolg dat de steunaanvraag wordt aangepast aan de feitelijke situatie.

Artikel 74

Wijzigingen en correcties van de gegevens in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen

Ten aanzien van runderen waarvoor steun is aangevraagd, geldt artikel 73 vanaf het tijdstip waarop de steunaanvraag wordt ingediend, voor fouten en omissies in de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens.

Ten aanzien van runderen waarvoor geen steun is aangevraagd, geldt hetzelfde voor de overeenkomstig hoofdstuk III toe te passen verlagingen en uitsluitingen.

Artikel 75

Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden

1.   Indien een landbouwer door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 31 van Verordening (EG) nr. 73/2009, zijn verplichtingen niet heeft kunnen nakomen, behoudt hij zijn recht op de steun voor de oppervlakte of dieren die subsidiabel was/waren toen de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheid zich voordeed. Voorts wordt, wanneer de randvoorwaarden als gevolg van dergelijke overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet worden nageleefd, de overeenkomstige verlaging niet toegepast.

2.   Gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 31 van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden, samen met de desbetreffende bewijzen ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk aan die autoriteit gemeld binnen tien werkdagen vanaf de dag waarop dit voor de landbouwer mogelijk is.

TITEL V

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 76

Minimumbetalingen

De lidstaten kunnen besluiten dat indien de steun in het kader van een bepaalde steunaanvraag niet meer dan 100 EUR bedraagt, die steun niet wordt toegekend.

Artikel 77

Cumulatie van verlagingen

Indien een geval van niet-naleving tevens een onregelmatigheid inhoudt en daardoor relevant is voor de toepassing van verlagingen of uitsluitingen overeenkomstig zowel hoofdstuk II als hoofdstuk III van titel IV, geldt het volgende:

a)

de verlagingen of uitsluitingen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk II, worden toegepast ten aanzien van de betrokken steunregelingen;

b)

de verlagingen en uitsluitingen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk III, worden toegepast op het totale bedrag aan betalingen die verschuldigd zijn in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling en alle steunregelingen waarvoor geen onder a) bedoelde verlagingen of uitsluitingen worden toegepast.

De in de eerste alinea bedoelde verlagingen en uitsluitingen worden overeenkomstig artikel 78, lid 2, toegepast onverminderd verdere sancties op grond van andere bepalingen van communautair of nationaal recht.

Artikel 78

Toepassing van verlagingen voor elke steunregeling

1.   Het bedrag van de betaling die aan een landbouwer verschuldigd is in het kader van een in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 vermelde steunregeling, wordt door de lidstaten berekend op basis van de in de betrokken steunregeling gestelde voorwaarden, waarbij zo nodig rekening wordt gehouden met de overschrijding van het basisareaal, van het gegarandeerde maximumareaal of van het aantal dieren waarvoor de premies kunnen worden ontvangen.

2.   Voor elke in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 vermelde steunregeling worden zo nodig verlagingen of uitsluitingen toegepast in verband met onregelmatigheden, de modulatie, de financiële discipline of omdat de aanvraag te laat is ingediend, percelen niet zijn aangegeven, de begrotingsmaxima zijn overschreden of de randvoorwaarden niet zijn toegepast, zulks op de wijze en in de volgorde zoals hierna aangegeven:

a)

de verlagingen of uitsluitingen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk II, worden toegepast ten aanzien van onregelmatigheden;

b)

het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt a), dient als basis voor de berekening van de verlagingen die eventueel overeenkomstig de artikelen 23 en 24 moeten worden toegepast in geval van een te late indiening van de aanvraag;

c)

het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt b), dient als basis voor de berekening van de verlagingen die eventueel overeenkomstig artikel 55 moeten worden toegepast in geval van het niet aangeven van percelen landbouwgrond;

d)

wat de steunregelingen betreft waarvoor overeenkomstig artikel 51, lid 2, artikel 69, lid 3, artikel 123, lid 1, en artikel 128, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 een begrotingsmaximum wordt vastgesteld of overeenkomstig artikel 126, lid 2, artikel 127, lid 2, en artikel 129, lid 2, van die verordening een begrotingsmaximum wordt toegepast, telt de lidstaat de uit de toepassing van de punten a), b) en c) voortvloeiende bedragen bij elkaar op.

Voor elk van die steunregelingen wordt een coëfficiënt bepaald door het bedrag van het betrokken begrotingsmaximum te delen door de som van de in de eerste alinea bedoelde bedragen. Indien de verkregen coëfficiënt hoger is dan 1, wordt een coëfficiënt toegepast die gelijk is aan 1.

Voor de berekening van de betaling die aan een individuele landbouwer verschuldigd is in het kader van een steunregeling waarvoor een begrotingsmaximum is vastgesteld, wordt het uit de toepassing van de punten a), b) en c) van de eerste alinea voortvloeiende bedrag vermenigvuldigd met de overeenkomstig de in de tweede alinea bepaalde coëfficiënt.

Artikel 79

Grondslag voor de berekening van verlagingen in verband met de modulatie, de financiële discipline en de randvoorwaarden

1.   Verlagingen in verband met de modulatie zoals bedoeld in de artikelen 7 en 10 van Verordening (EG) nr. 73/2009 en, in voorkomend geval, in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 378/2007 van de Raad (22), alsmede verlagingen in verband met de financiële discipline zoals bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 73/2009 en verlagingen zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, van die verordening, worden overeenkomstig de in artikel 78 van de onderhavige verordening vastgestelde procedure toegepast op de som van de betalingen die voortvloeien uit de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde steunregelingen waarop elke landbouwer aanspraak kan maken.

2.   Het uit de toepassing van lid 1 voortvloeiende bedrag van de betaling dient als basis voor de berekening van verlagingen die vanwege de niet-naleving van de randvoorwaarden overeenkomstig titel IV, hoofdstuk III, moeten worden toegepast.

Artikel 80

Terugvordering van onverschuldigde betalingen

1.   In geval van een onverschuldigde betaling betaalt de landbouwer het betrokken bedrag, verhoogd met de overeenkomstig lid 2 berekende rente, terug.

2.   De rente wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugbetalingsverplichting aan de landbouwer en de terugbetaling of verrekening.

Het toe te passen rentetarief wordt berekend overeenkomstig het nationale recht, maar mag niet lager zijn dan het rentetarief dat geldt bij de terugvordering van bedragen op grond van nationale bepalingen.

3.   De in lid 1 bedoelde terugbetalingsverplichting geldt niet indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde autoriteit of van een andere autoriteit en indien de landbouwer de fout redelijkerwijs niet zelf had kunnen ontdekken.

Heeft de fout evenwel betrekking op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, dan geldt het bepaalde in de eerste alinea slechts indien het terugvorderingsbesluit niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

Artikel 81

Intrekking van ten onrechte toegewezen toeslagrechten

1.   Onverminderd artikel 137 van Verordening (EG) nr. 73/2009 geldt dat, indien na de toewijzing van de toeslagrechten aan de landbouwers overeenkomstig Verordening (EG) nr. 795/2004 of Verordening (EG) nr. 1120/2009 blijkt dat een aantal toeslagrechten ten onrechte aan een landbouwer is toegewezen, de betrokken landbouwer die ten onrechte toegewezen toeslagrechten afstaat aan de in artikel 41 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde nationale reserve.

In het geval dat de betrokken landbouwer ondertussen toeslagrechten heeft overgedragen aan andere landbouwers, geldt de in de eerste alinea bedoelde verplichting ook voor de overnemers naar evenredigheid van het aantal toeslagrechten dat aan hen is overgedragen, indien de landbouwer aan wie de toeslagrechten aanvankelijk waren toegewezen, niet meer over voldoende toeslagrechten beschikt om de waarde van de ten onrechte toegewezen toeslagrechten te compenseren.

De ten onrechte toegewezen toeslagrechten worden geacht van meet af aan niet te zijn toegewezen.

2.   Onverminderd artikel 137 van Verordening (EG) nr. 73/2009 geldt dat, indien na de toewijzing van de toeslagrechten aan de landbouwers overeenkomstig Verordening (EG) nr. 795/2004 of Verordening (EG) nr. 1120/2009 blijkt dat de waarde van bepaalde toeslagrechten te hoog is, die waarde dienovereenkomstig wordt aangepast. Deze aanpassing vindt ook plaats voor toeslagrechten die intussen aan andere landbouwers zijn overgedragen. De waarde van de verlaging wordt toegewezen aan de in artikel 41 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde nationale reserve.

De toeslagrechten worden geacht van meet af aan tegen de uit de aanpassing voortvloeiende waarde te zijn toegewezen.

3.   Wanneer voor de toepassing van de leden 1 en 2 vast komt te staan dat het aantal van de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 795/2004 of Verordening (EG) nr. 1120/2009 aan een landbouwer toegewezen toeslagrechten onjuist is, en wanneer de onterechte toewijzing geen invloed heeft op de totale waarde van de toeslagrechten die de landbouwer heeft ontvangen, voert de lidstaat een herberekening van de toeslagrechten uit en corrigeert hij zo nodig het type van de aan de landbouwer toegewezen toeslagrechten.

Het bepaalde in de eerste alinea geldt echter niet als de landbouwers de fouten redelijkerwijs zelf hadden kunnen ontdekken.

4.   De lidstaten kunnen besluiten ten onrechte toegewezen toeslagrechten niet in te trekken indien het totale bedrag dat ten onrechte aan de landbouwer is toegewezen, niet meer dan 50 EUR bedraagt. Bovendien kunnen de lidstaten besluiten om in de gevallen waarin de in lid 3 bedoelde totale waarde niet meer dan 50 EUR bedraagt, de herberekening niet uit te voeren.

5.   Indien een landbouwer toeslagrechten heeft overgedragen zonder het bepaalde in artikel 46, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of in artikel 43, leden 1 en 2, artikel 62, leden 1 en 3, en artikel 68, lid 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 na te leven, wordt de situatie hersteld alsof de overdracht niet heeft plaatsgevonden.

6.   Onverschuldigd betaalde bedragen worden teruggevorderd overeenkomstig artikel 80.

Artikel 82

Overdracht van bedrijven

1.   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)

„overdracht van een bedrijf”: de verkoop of verhuring of overdracht via welke soortgelijke transactie ook van de betrokken productie-eenheden;

b)

„cedent”: de landbouwer wiens bedrijf wordt overgedragen aan een ander bedrijfshoofd;

c)

„overnemer”: de landbouwer aan wie het bedrijf wordt overgedragen.

2.   Indien, nadat een steunaanvraag is ingediend en voordat aan alle voorwaarden voor de toekenning van de steun is voldaan, een bedrijf in zijn geheel wordt overgedragen aan een andere landbouwer, wordt aan de cedent geen steun toegekend voor het overgedragen bedrijf.

3.   De door de cedent aangevraagde steun wordt toegekend aan de overnemer mits:

a)

de overnemer binnen een door de lidstaten te bepalen termijn na de overdracht de bevoegde autoriteit van de overdracht in kennis stelt en om betaling van de steun verzoekt;

b)

de overnemer alle door de bevoegde autoriteit verlangde bewijzen levert;

c)

ten aanzien van het overgedragen bedrijf aan alle voorwaarden voor toekenning van de steun wordt voldaan.

4.   Zodra de overnemer overeenkomstig lid 3, onder a), de bevoegde autoriteit van de overdracht in kennis heeft gesteld en om betaling van de steun heeft verzocht:

a)

gaan alle rechten en verplichtingen van de cedent die voortvloeien uit de juridische band die als gevolg van de steunaanvraag tussen de cedent en de bevoegde autoriteit is ontstaan, over op de overnemer;

b)

worden alle voor de toekenning van de steun vereiste handelingen die de cedent vóór de overdracht heeft verricht en alle aangiften die de cedent vóór de overdracht heeft gedaan, aan de overnemer toegeschreven voor de toepassing van de betrokken communautaire voorschriften;

c)

wordt het overgedragen bedrijf in voorkomend geval voor het betrokken verkoopseizoen of de betrokken premieperiode als een afzonderlijk bedrijf beschouwd.

5.   Indien in het geval dat de steunaanvraag wordt ingediend nadat de voor de toekenning van de steun vereiste handelingen zijn verricht, een bedrijf in zijn geheel aan een andere landbouwer wordt overgedragen nadat die handelingen zijn begonnen maar voordat aan alle voorwaarden voor toekenning van de steun is voldaan, kan de steun aan de overnemer worden toegekend mits de in lid 3, onder a) en b), gestelde voorwaarden worden nageleefd. In dat geval is het bepaalde in lid 4, onder b), van toepassing.

6.   De lidstaten kunnen, waar dat passend is, besluiten de steun aan de cedent toe te kennen. In dat geval:

a)

wordt geen steun toegekend aan de overnemer;

b)

zorgen de lidstaten voor een overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de leden 2 tot en met 5.

Artikel 83

Aanvullende maatregelen en wederzijdse bijstandsverlening door de lidstaten

De lidstaten nemen alle aanvullende maatregelen die voor een goede toepassing van het geïntegreerd systeem nodig zijn, en verlenen elkaar de nodige bijstand ten behoeve van de uitvoering van de bij deze verordening voorgeschreven controles.

In dit verband kunnen de lidstaten in de gevallen waarin deze verordening niet in passende verlagingen en uitsluitingen voorziet, voorschriften vaststellen inzake passende nationale sancties tegen producenten of andere marktdeelnemers, zoals de bij de procedure voor de toekenning van steun betrokken slachthuizen of verenigingen, teneinde ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de voor controledoeleinden gestelde eisen zoals de verplichting een register van de dieren op het bedrijf bij te houden of de in bepaalde gevallen geldende meldplicht.

Artikel 84

Kennisgevingen

1.   De lidstaten dienen voor de onder het geïntegreerd systeem vallende steunregelingen uiterlijk op 15 juli van elk jaar bij de Commissie een verslag over het voorgaande kalenderjaar in dat met name de volgende informatie bevat:

a)

de stand van zaken bij de tenuitvoerlegging van het geïntegreerd systeem, waarbij met name wordt vermeld voor welke mogelijkheden is gekozen wat de controle op de naleving van de randvoorwaarden betreft, welke bevoegde controle-instanties voor die controle verantwoordelijk zijn en welke concrete maatregelen zijn getroffen met het oog op het beheer en de controle van de specifieke steun;

b)

het aantal aanvragers evenals de totale oppervlakte, het totale aantal dieren en het totaal van de hoeveelheden;

c)

het aantal aanvragers evenals de totale oppervlakte, het totale aantal dieren en het totaal van de hoeveelheden waarop de controles betrekking hadden;

d)

de resultaten van de verrichte controles, met vermelding van toegepaste verlagingen en uitsluitingen als bedoeld in titel IV;

e)

de resultaten van de met betrekking tot de randvoorwaarden verrichte controles als bedoeld in titel III, hoofdstuk III.

2.   De lidstaten delen de Commissie aan de hand van het door de Commissie aan hen beschikbaar gestelde formulier uiterlijk op 31 oktober van elk jaar langs elektronische weg mee hoeveel het aandeel blijvend grasland in de totale oppervlakte landbouwgrond bedraagt, als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de onderhavige verordening.

3.   In deugdelijk gemotiveerde uitzonderlijke situaties kunnen de lidstaten in overleg met de Commissie van de in de leden 1 en 2 genoemde uiterste data afwijken.

4.   De in het kader van het geïntegreerd systeem opgestelde computergegevens dienen ter ondersteuning bij het verzamelen van de in sectorale regelgeving genoemde informatie die de lidstaten aan de Commissie moeten verstrekken.

5.   In geval van toepassing van een lineaire verlaging van de rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en artikel 79 van de onderhavige verordening, stellen de lidstaten de Commissie onverwijld in kennis van het toegepaste verlagingspercentage.

Artikel 85

Verdeelsleutel

De verdeelsleutel voor de in artikel 9, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde met vier procentpunten overeenkomende bedragen wordt samengesteld door uit te gaan van het aandeel van de lidstaten enerzijds in het landbouwareaal en anderzijds in de werkgelegenheid in de landbouw, waaraan een gewicht van respectievelijk 65 % en 35 % wordt toegekend.

Het aldus berekende aandeel van elke lidstaat in areaal en werkgelegenheid wordt aangepast aan de hand van zijn bruto binnenlands product (bbp) per inwoner, uitgedrukt in koopkrachtpariteit, waartoe een derde wordt gebruikt van het verschil ten opzichte van het gemiddelde voor de lidstaten waarvoor de modulatie wordt toegepast.

Daarbij worden de volgende onderliggende gegevens, gebaseerd op de in augustus 2003 bij Eurostat beschikbare gegevens, gebruikt:

a)

voor het landbouwareaal, de enquête inzake de structuur van de landbouwbedrijven 2000 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1166/2008 van het Europees Parlement en de Raad (23);

b)

voor de werkgelegenheid in de landbouw, de tot een jaarreeks behorende gegevens over de werkgelegenheid in de landbouw, jacht en visserij volgens de enquête naar de arbeidskrachten 2001 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad (24);

c)

voor het bbp per inwoner in koopkracht, het driejaarsgemiddelde op basis van de gegevens in de nationale rekeningen 1999-2001.

DEEL III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 86

Intrekking

1.   Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken.

Zij blijft evenwel van toepassing voor de steunaanvragen betreffende verkoopseizoenen of premieperioden die vóór 1 januari 2010 zijn ingegaan.

2.   Verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 796/2004 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de in bijlage II opgenomen concordantietabel.

Artikel 87

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing voor de steunaanvragen betreffende de verkoopseizoenen of premieperioden die ingaan op of na 1 januari 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 november 2009.

Voor de Commissie

Mariann FISHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 141 van 30.4.2004, blz. 18.

(3)  PB L 148 van 6.6.2008, blz. 1.

(4)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(5)  PB L 141 van 30.4.2004, blz. 1.

(6)  PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1.

(7)  PB L 156 van 25.6.2003, blz. 9.

(8)  PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8.

(9)  PB L 171 van 2.7.2005, blz. 6.

(10)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(11)  Zie bladzijde 27 van dit Publicatieblad.

(12)  PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1.

(13)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 1.

(14)  PB L 215 van 30.7.1992, blz. 85.

(15)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.

(16)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(17)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74.

(18)  PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1.

(19)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1.

(20)  PB L 171 van 23.6.2006, blz. 90.

(21)  PB L 368 van 23.12.2006, blz. 74.

(22)  PB L 95 van 5.4.2007, blz. 1.

(23)  PB L 321 van 1.12.2008, blz. 14.

(24)  PB L 77 van 14.3.1998, blz. 3.


BIJLAGE I

Communautaire methode voor de kwantitatieve bepaling van het gehalte aan Δ9-tetrahydrocannabinol in henneprassen

1.   Doel en toepassingsgebied

Het doel van deze methode is de bepaling van het gehalte aan Δ9-tetrahydrocannabinol (hierna „THC” genoemd) van henneprassen (Cannabis sativa L.). Al naar gelang van het geval wordt procedure A of B gevolgd, zoals hieronder beschreven.

De methode berust op de kwantitatieve bepaling van Δ9-THC door middel van gaschromatografie na extractie met een oplosmiddel.

1.1.   Procedure A

Procedure A wordt gebruikt voor de in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 73/2009 en artikel 30, lid 2, onder a), van de onderhavige verordening bedoelde controle op de productie.

1.2.   Procedure B

Procedure B wordt gebruikt in de in artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en artikel 40, lid 3, van de onderhavige verordening bedoelde gevallen.

2.   Bemonstering

2.1.   Monsterneming

a)

Procedure A: Uit een populatie van een bepaald hennepras wordt van elke geselecteerde plant een stuk van 30 cm met ten minste één vrouwelijke bloemtop genomen. De monsterneming wordt overdag uitgevoerd in de periode tussen 20 dagen na het begin en tien dagen na het einde van de bloei en hierbij wordt een systematische route gevolgd zodat een representatieve steekproef van het perceel verkregen wordt; daarbij wordt de rand van het perceel niet bemonsterd.

De lidstaat kan toestaan dat monsters worden genomen in de periode tussen het begin van de bloei en 20 dagen na het begin van de bloei, op voorwaarde dat voor elk geteeld ras overeenkomstig de eerste alinea andere representatieve monsters worden genomen in de periode tussen 20 dagen na het begin en tien dagen na het einde van de bloei.

b)

Procedure B: Uit een populatie van een bepaald hennepras wordt het bovenste derde van elke geselecteerde plant genomen. De monsterneming wordt overdag uitgevoerd in de tien dagen na het einde van de bloei en hierbij wordt een systematische route gevolgd zodat een representatieve steekproef van het perceel verkregen wordt; daarbij wordt de rand van het perceel niet bemonsterd. Bij een tweehuizig ras worden alleen de vrouwelijke planten bemonsterd.

2.2.   Omvang van het monster

Procedure A: van elk perceel worden monsters van 50 planten genomen.

Procedure B: van elk perceel worden monsters van 200 planten genomen.

Elk monster wordt zonder aandrukken in een stoffen of papieren zak gedaan en naar het analyselaboratorium gezonden.

De lidstaat kan bepalen dat een tweede monster voor een eventuele contra-analyse wordt genomen en hetzij door de teler, hetzij door de voor de analyse verantwoordelijke instantie wordt bewaard.

2.3.   Droging en opslag van het monster

De monsters moeten zo snel mogelijk en in elk geval binnen 48 uur worden gedroogd volgens ongeacht welke methode waarbij de temperatuur onder 70 °C blijft.

De monsters worden gedroogd tot constant gewicht en een vochtigheid van 8 tot 13 %.

De droge monsters worden zonder aandrukken in het donker op een temperatuur beneden 25 °C bewaard.

3.   Bepaling van het THC-gehalte

3.1.   Wijze van bereiding van het analysemonster

De droge monsters worden van stengels en zaden van meer dan 2 mm ontdaan.

De gedroogde monsters worden tot een halffijn poeder gemalen (maaswijdte van de zeef: 1 mm).

Het poeder mag maximaal tien weken droog, in het donker en op een temperatuur beneden 25 °C bewaard worden.

3.2.   Reagentia en extractievloeistof

Reagentia

Δ9-tetrahydrocannabinol voor chromatografie,

squalaan voor chromatografie als interne standaard.

Extractievloeistof

35 mg squalaan per 100 ml hexaan.

3.3.   Extractie van Δ9-THC

100 mg poedervormig analysemonster wordt afgewogen en in een centrifugebuis gedaan; 5 ml extractievloeistof met interne standaard wordt toegevoegd.

Het monster wordt gedurende 20 minuten in een ultrasoonbad geplaatst. Het wordt gedurende vijf minuten op 3 000 toeren per minuut gecentrifugeerd en daarna wordt de bovenstaande vloeistof met de opgeloste THC afgeschonken. Deze vloeistof wordt in de chromatograaf geïnjecteerd en daarna wordt een kwantitatieve bepaling verricht.

3.4.   Gaschromatografie

a)

Apparatuur

Gaschromatograaf voorzien van een vlamionisatiedetector en een split/splitless-injector.

Kolom waarmee een goede scheiding van cannabinoïden wordt verkregen, bijvoorbeeld een glazen capillaire kolom van 25 m lengte en 0,22 mm diameter,

geïmpregneerd met een apolaire fase van het type 5 % fenyl-methyl-siloxaan.

b)

IJkoplossingen

Ten minste drie punten voor procedure A en vijf punten voor procedure B, met de punten 0,04 en 0,50 mg/ml Δ9-THC per ml extractievloeistof.

c)

Instelling van de apparatuur

De volgende instellingen worden als voorbeeld voor de onder a) genoemde kolom gegeven:

temperatuur van de oven: 260 °C

temperatuur van de injector: 300 °C

temperatuur van de detector: 300 °C

d)

Geïnjecteerd volume: 1 μl

4.   Resultaten

Het resultaat wordt in twee decimalen uitgedrukt als g Δ9-THC per 100 g van het analysemonster, gedroogd tot constant gewicht. Het resultaat mag een maximale afwijking van 0,03 % in absolute waarde hebben.

Procedure A: per te analyseren monster wordt één bepaling verricht.

Als het resultaat boven de in artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vermelde grens ligt, wordt per te analyseren monster een tweede bepaling verricht en wordt het gemiddelde van de twee bepalingen als resultaat genomen.

Procedure B: per te analyseren monster worden twee bepalingen verricht, waarvan het gemiddelde wordt genomen.


BIJLAGE II

Verordening (EG) nr. 796/2004

De onderhavige verordening

Verordening (EG) nr. 1120/2009

Artikel 1

Artikel 1

 

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, onder a)

Artikel 2, punt 1 bis

Artikel 2, punt 1

 

Artikel 2, punt 1 ter

 

Artikel 2, punt 2

Artikel 2, onder c)

Artikel 2, punt 2 bis

Artikel 2, onder d)

Artikel 2, punt 3

Artikel 2, punt 3

 

Artikel 2, punt 4

Artikel 2, punt 4

 

Artikel 2, punt 5

Artikel 2, punt 5

 

Artikel 2, punt 6

Artikel 2, punt 6

 

Artikel 2, punt 7

Artikel 2, punt 7

 

Artikel 2, punt 8

Artikel 2, punt 8

 

Artikel 2, punt 9

Artikel 2, punt 9

 

Artikel 2, punt 10

Artikel 2, punt 10

 

Artikel 2, punt 11

Artikel 2, punt 11

 

Artikel 2, punt 12

Artikel 2, punt 12

 

Artikel 2, punt 13

Artikel 2, punt 14

 

Artikel 2, punt 14

 

Artikel 2, punt 15

Artikel 2, punt 15

 

Artikel 2, punt 16

Artikel 2, punt 16

 

Artikel 2, punt 17

Artikel 2, punt 17

 

Artikel 2, punt 18

Artikel 2, punt 18

 

Artikel 2, punt 19

Artikel 2, punt 19

 

Artikel 2, punten 20 tot en met 36

Artikel 2, respectievelijk punten 21 tot en met 37

 

Artikel 2, punt 37

 

Artikel 2, voorlaatste alinea

Artikel 2, punt 38

 

Artikel 2, laatste alinea

 

Artikel 3, leden 1 tot en met 7

Artikel 3, leden 1 tot en met 7

 

Artikel 4

Artikel 4

 

Artikel 5

Artikel 5

 

Artikel 6

Artikel 6

 

Artikel 7

Artikel 7

 

Artikel 8, lid 1

Artikel 34, lid 4

 

Artikel 8, lid 2

Artikel 34, lid 5

 

Artikel 9, eerste alinea

Artikel 8, lid 1

 

Artikel 9, tweede alinea

Artikel 8, lid 2

 

Artikel 10

Artikel 9

 

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 1

 

Artikel 11, lid 2, eerste alinea

Artikel 11, lid 2, eerste alinea

 

Artikel 11, lid 2, tweede alinea

Artikel 11, lid 2, derde alinea

 

Artikel 11, lid 2, derde alinea

Artikel 11, lid 2, tweede alinea

 

Artikel 11, lid 3

Artikel 10, lid 2

 

Artikel 12, lid 1, onder a) tot en met d)

Artikel 12, lid 1, onder respectievelijk a) tot en met d)

 

Artikel 12, lid 1, onder e)

 

Artikel 12, lid 1, onder f)

Artikel 12, lid 1, onder e)

 

Artikel 12, leden 2, 3 en 4

Artikel 12, leden 2, 3 en 4

 

Artikel 13, lid 1, eerste en tweede alinea

Artikel 13, lid 1

 

Artikel 13, lid 1, derde alinea

 

Artikel 13, leden 2, 3 en 4

 

Artikel 13, lid 5

Artikel 13, lid 2

 

Artikel 13, lid 6

 

Artikel 13, lid 7

Artikel 13, lid 3

 

Artikel 13, lid 8

Artikel 13, lid 4

 

Artikel 13, lid 9

 

Artikel 13, lid 10

Artikel 13, lid 5

 

Artikel 13, leden 11 en 12

 

Artikel 13, lid 13 bis

Artikel 13, lid 6

 

Artikel 13, lid 14

Artikel 20, lid 3

 

Artikel 14, lid 1, eerste alinea

Artikel 13, lid 8, eerste alinea

 

Artikel 14, lid 1, tweede alinea

 

Artikel 14, lid 1, derde alinea

Artikel 13, lid 8, tweede alinea

 

Artikel 14, lid 1, vierde alinea

Artikel 13, lid 8, derde alinea

 

Artikel 14, lid 1 bis

Artikel 55, leden 1 en 2

 

Artikel 14, lid 2

Artikel 12, lid 5

 

Artikel 14, lid 3

Artikel 10, lid 1

 

Artikel 14, lid 4

Artikel 13, lid 9

 

Artikel 15

Artikel 14

 

Artikel 15 bis

 

Artikel 16, leden 1, 2 en 3

Artikel 16, respectievelijk leden 1, 2 en 3

 

Artikel 16, lid 3, derde alinea

Artikel 65, lid 3, derde alinea

 

Artikel 16, lid 4

Artikel 16, lid 4

 

Artikel 17

 

Artikel 17 bis

Artikel 17

 

Artikel 18

Artikel 20

 

Artikel 19

Artikel 21

 

Artikel 20

Artikel 22

 

Artikel 21

Artikel 23

 

Artikel 21 bis, leden 1 en 2

Artikel 24

 

Artikel 21 bis, lid 3, tweede alinea

Artikel 15, lid 1

 

Artikel 22

Artikel 25

 

Artikel 23

Artikel 26

 

Artikel 23 bis, lid 1, eerste en tweede alinea

Artikel 27, lid 1

 

Artikel 23 bis, lid 2

Artikel 27, lid 2