ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.262.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 262

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
6 oktober 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China

1

 

*

Verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China

19

 

 

Verordening (EG) nr. 927/2009 van de Commissie van 5 oktober 2009 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

36

 

 

Verordening (EG) nr. 928/2009 van de Commissie van 5 oktober 2009 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/2010

38

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2009/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden in verband met de verlenging van bepaalde termijnen ( 1 )

40

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2009/735/EG

 

*

Besluit van de Raad van 24 september 2009 tot verlenging van de looptijd van de maatregelen van Besluit 2007/641/EG houdende afsluiting van het overleg met de Republiek Fiji-eilanden krachtens artikel 96 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en artikel 37 van de verordening tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking

43

 

 

Commissie

 

 

2009/736/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 5 oktober 2009 tot aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit, onder meer, Brazilië

50

 

 

2009/737/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 5 oktober 2009 tot beëindiging van de onderzoekprocedure betreffende door de Republiek ten oosten van de Uruguay ingestelde maatregelen die van invloed zijn op de invoer en verkoop van whisky in Uruguay

52

 

 

2009/738/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 5 oktober 2009 tot intrekking van Richtlijn 2009/124/EG tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de maximumgehalten aan arseen, theobromine, Datura sp., Ricinus communis L., Croton tiglium L. en Abrus precatorius L. betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 7705)  ( 1 )

54

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

6.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/1


VERORDENING (EG) Nr. 925/2009 VAN DE RAAD

van 24 september 2009

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorlopige maatregelen

(1)

De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 287/2009 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China („VRC”).

(2)

De procedure werd ingeleid na een klacht die door Eurométaux („de klager”) was ingediend namens producenten die een groot gedeelte, in dit geval meer dan 25 %, van de totale communautaire productie van bladaluminium vertegenwoordigen.

(3)

Zoals vermeld in overweging 13 van de voorlopige verordening had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2005 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

1.2.   Vervolg van de procedure

(4)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten voorlopige antidumpingmaatregelen in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd.

(5)

Na de instelling van de voorlopige antidumpingmaatregelen heeft de Commissie haar onderzoek betreffende dumping, schade en het belang van de Gemeenschap voortgezet en verdere analyses en controlebezoeken verricht in verband met de gegevens die sommige producenten-exporteurs en producenten in de Gemeenschap in de vragenlijst hadden verstrekt.

(6)

Bij de volgende vijf communautaire producenten werd ter plaatse een aanvullende controle verricht:

Novelis UK Limited, Bridgnorth, Verenigd Koninkrijk;

Novelis Luxembourg, Dudelange, Groothertogdom Luxemburg;

Novelis Foil France S.A.S., Rugles, Frankrijk;

Grupa Kęty SA, Kęty, Polen;

Hydro Aluminium Inasa, SA, Irurtzun, Spanje.

(7)

Bij het volgende met producenten-exporteurs verbonden bedrijf werd ter plaatse een aanvullende controle verricht:

Alcoa Transformación de Productos, S.L., Alicante, Spanje.

(8)

Bij de volgende drie producenten-exporteurs werd ter plaatse een aanvullende controle verricht:

Alcoa (Shanghai) Aluminium Products Co., Ltd, Shanghai, en Alcoa (Bohai) Aluminium Industries Co., Ltd, Hebei;

Shandong Loften Aluminium Foil Co., Ltd, Shandong;

Zhenjiang Dinsheng Aluminium Industries Joint-Stock Limited Company, Jiangsu.

(9)

Er is ook een bezoek gebracht aan de Shanghai Futures Exchange, Shanghai.

(10)

Alle belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wilde aanbevelen definitieve antidumpingmaatregelen in te stellen op de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de VRC en de bedragen die uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, definitief te innen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken.

(11)

De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

1.3.   Reikwijdte van het onderzoek

(12)

De Braziliaanse producent-exporteur voerde aan dat ook Rusland bij het onderzoek in beschouwing had moeten worden genomen daar de uit Rusland ingevoerde hoeveelheden en het overeenkomstige marktaandeel gedurende de hele beoordelingsperiode aanzienlijk waren en zelfs groter dan die van Armenië. Bovendien beweerde de Braziliaanse producent-exporteur dat de prijzen van de invoer uit Rusland op hetzelfde niveau lagen als de prijzen van de invoer uit de betrokken landen en dat uit voorlopig bewijsmateriaal bleek dat dumping plaatsvond op het moment dat het onderzoek werd geopend.

(13)

Na analyse van de klacht kwam de Commissie tot de conclusie dat er wat Rusland betreft niet voldoende voorlopig bewijsmateriaal voor dumping was. Bijgevolg werd het gerechtvaardigd geacht dat Rusland in de klacht niet in aanmerking werd genomen. Bij gebrek aan bewijsmateriaal voor dumping is het irrelevant of de hoeveelheden en/of het marktaandeel van de invoer van oorsprong uit Rusland daadwerkelijk groter waren dan die van een of meer landen die bij het onderzoek in beschouwing werden genomen. Het argument van de Braziliaanse producent-exporteur werd dan ook afgewezen.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(14)

De verwerkende ondernemingen in de Gemeenschap, d.w.z. de „herwikkelaars”, herhaalden dat het betrokken product ook consumentenrollen moet omvatten, d.w.z. rollen bladaluminium met een gewicht van minder dan 10 kg, omdat de instelling van definitieve maatregelen die alleen gelden voor de invoer van rollen bladaluminium met een gewicht van meer dan 10 kg („jumborollen”), zou kunnen leiden tot een toename van de uitvoer van consumentenrollen uit de betrokken landen tegen lage prijzen. Er werd ook aangevoerd dat beide producten in wezen dezelfde kenmerken hebben, met als enig verschil de verpakking.

(15)

In de overwegingen 15 tot en met 19 van de voorlopige verordening werd geconcludeerd dat consumentenrollen en jumborollen verschillende producten zijn uit het oogpunt van fysieke kenmerken en basistoepassingen. Deze bevindingen werden door het naderhand uitgevoerde onderzoek bevestigd. De fysieke verschillen tussen consumentenrollen en jumborollen zijn immers niet beperkt tot het verschil in verpakking, daar het betrokken product moet worden herwikkeld voordat het wordt herverpakt en aan de eindafnemer doorverkocht. Tevens werd vastgesteld dat de afnemers, verkoopkanalen en basistoepassingen verschillen. Het werd dan ook niet passend geacht consumentenrollen in de productomschrijving van dit onderzoek op te nemen.

(16)

In de overwegingen 97, 98 en 99 wordt nader ingegaan op de bewering dat de invoer van consumentenrollen in de plaats kan komen van de invoer van jumborollen.

(17)

Daar geen andere opmerkingen over het betrokken product en het soortgelijke product werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 14 tot en met 21 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   BEHANDELING ALS MARKTGERICHTE ONDERNEMING (BMO) EN REFERENTIELAND

3.1.   Armenië

(18)

De enige producent-exporteur in Armenië betwistte de voorlopige bevindingen in de overwegingen 24 tot en met 31 van de voorlopige verordening.

(19)

De onderneming verklaarde om te beginnen dat de Commissie zich vergiste in haar oordeel dat een onderneming in Armenië BMO moest aanvragen; volgens de onderneming is Armenië overeenkomstig de voorwaarden van de WTO-antidumpingovereenkomst een land met een markteconomie en moet Armenië worden geschrapt in de voetnoot bij artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening ter bestrijding van dumping.

(20)

Zoals echter vermeld in overweging 25 van de voorlopige verordening wordt Armenië specifiek genoemd in de voetnoot bij artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening als een van de landen zonder markteconomie. De behandeling van producenten-exporteurs in landen zonder markteconomie die lid van de WTO zijn, is beschreven in artikel 2, lid 7, onder b). In het kader van dit onderzoek zijn deze bepalingen volledig in acht genomen. Dit argument werd dan ook opnieuw afgewezen.

(21)

De onderneming verklaarde vervolgens dat zij voldeed aan het tweede BMO-criterium, terwijl in de overwegingen 27, 28 en 29 van de voorlopige verordening voorlopig was geconstateerd dat dit niet het geval was. De onderneming baseerde haar argument op de indiening van de rekeningen voor 2007, die niet waren overgelegd tijdens het controlebezoek aan de onderneming voordat voorlopige maatregelen werden ingesteld. De onderneming verklaarde opnieuw dat het tweede BMO-criterium volgens haar niet vereiste dat de rekeningen van de onderneming overeenkomstig de internationale boekhoudnormen werden opgesteld, en dat de Armeense nationale boekhoudnormen toereikend waren, aangezien Armenië lid van de WTO is.

(22)

Dit argument werd verworpen. De onderneming moet beschikken over één duidelijk stel rekeningen overeenkomstig de internationale boekhoudnormen. Uit de tekortkomingen die de accountants voor de boekjaren 2006 en 2007 constateerden, bleek duidelijk dat de rekeningen van de onderneming niet overeenkomstig de IAS waren opgesteld en dat de onderneming bijgevolg niet kon aantonen dat zij aan het tweede BMO-criterium voldeed. In de BMO-criteria wordt daadwerkelijk naar internationale normen verwezen en lidmaatschap van de WTO verandert daar niets aan. Bovendien is lidmaatschap van de WTO op zich geen garantie dat marktvoorwaarden prevaleren in de economische activiteit van een onderneming.

(23)

De onderneming verklaarde verder dat zij aan het derde BMO-criterium voldeed, terwijl in overweging 30 van de voorlopige verordening voorlopig was geconstateerd dat dit niet het geval was vanwege problemen betreffende de verkoop van aandelen door de Armeense staat, alsook de kosteloze toekenning van de grond van staatswege aan de onderneming. De onderneming verklaarde dat het feit dat de onderneming de grond gratis had gekregen, niet van betekenis was en dat deze kwestie en de aandelenkwestie, die de onderneming evenmin van betekenis acht, los van elkaar moeten worden gezien.

(24)

Dit argument werd ook verworpen. Het feit op zich dat de grond kosteloos werd verkregen en kan worden verkocht op voorwaarde dat de onderneming de kadastrale waarde (die aanzienlijk lager is dan de marktwaarde) aan de staat betaalt, maakt die grond voor de onderneming tot een belangrijk en waardevol bezit, dat niet in de rekeningen van de onderneming voorkomt, en heeft bijgevolg een aanzienlijk effect op de kosten van de onderneming. De onderneming kon ook niet aantonen dat de verstoring als gevolg van de verkoop van aandelen tegen een lagere prijs dan de nominale prijs, van geen betekenis was.

(25)

Derhalve kan worden geconcludeerd dat de twee problemen betreffende de inachtneming van het derde BMO-criterium wijzen op een verstoring die voortvloeit uit een situatie zonder markteconomie.

(26)

De bevinding dat deze onderneming BMO moet worden geweigerd, wordt bevestigd.

3.2.   VRC

(27)

Eén producent-exporteur in de VRC betwistte de voorlopige bevindingen in overweging 32 van de voorlopige verordening. Hij herhaalde dat de Commissie de prijs zoals genoteerd door de Shanghai Futures Exchange (SHFE) en de prijs op de London Metal Exchange (LME) niet exclusief btw met elkaar had mogen vergelijken en dat de prijzen zonder deze correctie tijdens het onderzoektijdvak vrijwel gelijk zouden zijn.

(28)

Dit argument werd afgewezen om de in overweging 38 van de voorlopige verordening vermelde redenen; de prijzen moeten immers op overeenkomstige basis met elkaar worden vergeleken. De Chinese producenten van het betrokken product betalen btw op hun aankopen van primair aluminium. Deze btw wordt vervolgens bij de verkoop van het eindproduct grotendeels teruggevorderd, ongeacht of het op de binnenlandse markt wordt verkocht (in welk geval de volledige btw terugvorderbaar is) of wordt uitgevoerd (in welk geval de Chinese overheid de btw-terugvordering beperkt tot bepaalde percentages voor bepaalde goederen op bepaalde tijdstippen). De meerekening van een klein gedeelte niet-terugvorderbare btw kan geen aanzienlijk effect hebben op de bovenstaande conclusies.

(29)

Voorts zij opgemerkt dat het aanzienlijke prijsverschil tussen de LME en de SHFE tijdens het OT wijst op staatsinmenging in het prijsvormingsmechanisme voor primair aluminium, een bevinding van de voorlopige verordening (overweging 32), die werd bevestigd na het bezoek van de diensten van de Commissie aan de SHFE.

(30)

Dit bezoek bevestigde dat de staat een vooraanstaande rol speelt bij de prijsvorming op de SHFE en zich inmengt in de prijsvormingsmechanismen, met name gezien het feit dat de staat niet alleen als verkoper van primair aluminium optreedt, maar ook als koper via het State Reserve Bureau en andere staatsorganen. Bovendien stelt de staat dagelijks prijsbeperkingen vast via de voorschriften van de SHFE, die door de staatstoezichthouder, de China Securities Regulatory Commission (CSRC), zijn goedgekeurd. Het is ook duidelijk dat de SHFE een gesloten beurs is voor in de VRC geregistreerde ondernemingen en Chinese burgers en dat er geen effectieve arbitrage is tussen de SHFE en de internationale beurzen buiten de VRC. Dit blijkt uit de aanzienlijke prijsverschillen tussen de SHFE en internationale beurzen zoals de LME. Bovendien is het zo dat, wanneer een SHFE-futuresovereenkomst leidt tot fysieke levering, deze alleen in een erkende opslagplaats in de VRC kan plaatsvinden, terwijl op internationale beurzen de levering over de hele wereld kan plaatsvinden. Deze leveringsvoorschriften zorgen ervoor dat de binnenlandse Chinese markt afgeschermd blijft van de wereldmarkt en dat de prijsverstoring alleen Chinese ondernemingen ten goede komt.

(31)

De voorlopige bevindingen in de overwegingen 22 tot en met 40 worden dan ook bevestigd.

3.3.   VRC en Armenië: individuele behandeling (IB)

(32)

Daar geen opmerkingen werden ontvangen, worden de voorlopige bevindingen betreffende de producent-exporteur in Armenië, zoals vermeld in overweging 42 van de voorlopige verordening, bevestigd.

(33)

Eén producent-exporteur in de VRC betwistte de voorlopige bevinding in overweging 42 van de voorlopige verordening dat hem IB moet worden geweigerd. De reden voor deze weigering was dat de staat een meerderheidsbelang in deze onderneming heeft. De onderneming verklaarde dat deze weigering ongedaan moest worden gemaakt omdat de staat dit belang had via een op de Hongkong Stock Exchange genoteerde onderneming en er geen staatsambtenaren zitting hadden in de raad van bestuur.

(34)

Deze argumenten werden afgewezen. De onderneming is voor meer dan de helft in handen van de staat en bijgevolg is de raad van bestuur, die de onderneming leidt, verantwoording verschuldigd aan de uiteindelijke aandeelhouder, namelijk de staat. De onderneming kon ook niet met bewijsmateriaal aantonen dat de besluiten van de onderneming niet blootstonden aan staatsinmenging via de besluiten van de raad van bestuur.

(35)

De voorlopige bevindingen in de overwegingen 41 en 42 van de voorlopige verordening worden dan ook bevestigd.

3.4.   Referentieland

(36)

Daar geen opmerkingen werden ontvangen, wordt de voorlopige bevinding dat Turkije een geschikt en redelijk referentieland is, zoals vermeld in de overwegingen 43 tot en met 52 van de voorlopige verordening, bevestigd.

4.   DUMPING

4.1.   Brazilië

(37)

Daar geen opmerkingen werden ontvangen, worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 53 tot en met 68 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.2.   Armenië

(38)

De enige producent-exporteur uit Armenië betwistte de voorlopige bevindingen in de overwegingen 69 tot en met 77 van de voorlopige verordening. De onderneming verklaarde dat de aftrek die krachtens artikel 2, lid 9, van de basisverordening had plaatsgevonden voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten („VAA-kosten”) en een redelijk winstbedrag voor verkoop via verbonden ondernemingen niet gerechtvaardigd was.

(39)

Uit onderzoek bleek dat bepaalde verkoop niet via verbonden importeurs in de Gemeenschap plaatsvond. In deze omstandigheden waren de correcties op grond van artikel 2, lid 9, van de basisverordening niet gerechtvaardigd en werden de berekeningen dienovereenkomstig herzien.

4.3.   VRC

(40)

Daar geen opmerkingen werden ontvangen, worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 78 tot en met 82 van de voorlopige verordening bevestigd.

(41)

Voor de berekening van de residuele dumpingmarge voor de VRC werd de voorlopige methode zoals vermeld in overweging 83 van de voorlopige verordening gewijzigd; de marge werd nu berekend op basis van een gewogen gemiddelde van i) de algemene dumpingmarge die werd vastgesteld voor de onderneming waaraan BMO noch IB werd toegekend, en ii) de transactie met de hoogste dumpingmarge van die onderneming, toegepast op de in Comext gevonden uitvoerprijzen (zijnde representatief voor de niet-medewerkende Chinese exporteurs). Zo werd de dumpingmarge voor het gehele land vastgesteld op 47,0 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring.

4.4.   Definitieve dumpingmarges

Land

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

Brazilië

Companhia Brasileira de Aluminio

27,6 %

Alle andere ondernemingen

27,6 %

VRC

Alcoa Bohai en Alcoa Shanghai

25,6 %

Shandong Loften

33,7 %

Zhenjiang Dingsheng

37,4 %

Alle andere ondernemingen

47,0 %

Armenië

RUSAL Armenal

33,4 %

Alle andere ondernemingen

33,4 %

5.   SCHADE

5.1.   Communautaire productie en definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(42)

Zoals vermeld in overweging 87 van de voorlopige verordening werd de klacht ingediend door Eurométaux namens vier communautaire producenten die aan het onderzoek meewerkten. Eén andere producent steunde de klacht en één producent maakte bezwaar. De vijf producenten namens wie de klacht werd ingediend of die de klacht steunden, worden bijgevolg geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening te vormen.

(43)

Daar geen opmerkingen over de productie en de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, worden de overwegingen 86 en 87 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.   Verbruik in de Gemeenschap

(44)

De Armeense producent-exporteur betwistte de vaststelling van het verbruik in de Gemeenschap met het argument dat de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de markt voor eigen gebruik in aanmerking had moeten worden genomen. Dezelfde onderneming argumenteerde ook dat de in de klacht vermelde geraamde gegevens geen betrouwbare basis waren om het verbruik in de Gemeenschap vast te stellen, en verwees daarvoor naar een onafhankelijk marktonderzoek.

(45)

Wat het beweerde interne gebruik betreft, bleek in het OT slechts een zeer beperkte hoeveelheid bestemd te zijn voor de markt voor intern gebruik. Dit betrof slechts één communautaire producent voor verkoop tijdens het eerste jaar van de beoordelingsperiode. Bijgevolg werd aangenomen dat het eventuele effect op de algemene situatie te verwaarlozen was.

(46)

Met betrekking tot de vaststelling van het totale verbruik in de Gemeenschap werd aangenomen dat de in de voorlopige fase gebruikte methode redelijk was en een vrij compleet beeld van de werkelijke situatie heeft opgeleverd. De Armeense producent-exporteur legde niet uit in welk opzicht de door de communautaire instellingen gebruikte methode niet redelijk was en als gevolg daarvan tot onbetrouwbare resultaten zou leiden. Het door de Armeense producent-exporteur aangehaalde onderzoek bleek niet direct relevant te zijn omdat het betrekking had op verschillende soorten bladaluminium en ook niet te controleren gegevens voor ondernemingen van buiten de Europese Unie bevatte. Bovendien werden de voorlopige bevindingen voor het totale verbruik in de Gemeenschap zoals vermeld in tabel 1 in overweging 90 van de voorlopige verordening bevestigd door andere belanghebbenden, onder meer importeurs die niet met de bedrijfstak van de Gemeenschap verbonden zijn.

(47)

Op grond van het bovenstaande werd geconcludeerd dat het totale verbruik in de Gemeenschap zoals vastgesteld in de voorlopige verordening een betrouwbaar beeld van de werkelijke situatie geeft.

(48)

Daar geen andere opmerkingen over het verbruik in de Gemeenschap werden ontvangen, worden de overwegingen 88, 89 en 90 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.3.   Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer

(49)

Na mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde de Braziliaanse producent-exporteur dat het product van oorsprong uit Brazilië aan hogere kwaliteitsnormen voldeed, zoals eisen inzake minimale treksterkte en rek, waardoor het meer toepassingsmogelijkheden bood en aan een breder afnemerspubliek kon worden verkocht, vergeleken met het door de andere twee betrokken landen uitgevoerde product. Er werd dus beweerd dat er twee verschillende marktsegmenten voor bladaluminium waren, afhankelijk van de kwaliteit van het product, en dat alleen het Braziliaanse product voldeed aan de normen om in het bovenste marktsegment van merkproducten te worden verkocht.

(50)

De Braziliaanse exporteur herhaalde ook dat hij voor zijn producten andere verkoopkanalen en distributiemethoden gebruikte. Er werd met name aangevoerd dat de Braziliaanse uitvoer hoofdzakelijk via handelaren plaatsvond, terwijl de Armeense en Chinese producenten-exporteurs rechtstreeks aan de herwikkelaars in de Gemeenschap verkopen. Tevens werd betoogd dat de Braziliaanse exporteur langdurige en stabiele zakenrelaties onderhoudt met specifieke afnemers in de Gemeenschap, terwijl de exporteurs uit Armenië en de VRC pas onlangs hun intrede op de communautaire markt hebben gedaan.

(51)

Ten slotte stelde dezelfde producent-exporteur dat de trends voor de ingevoerde hoeveelheden en het marktaandeel verschilden van die voor de andere landen van uitvoer, waaruit zou blijken dat de concurrentievoorwaarden inderdaad verschilden.

(52)

Met betrekking tot de eerste bewering, namelijk het verschil in kwaliteitsnormen, is uit het onderzoek gebleken dat de markt voor bladaluminium ondanks kwaliteitsverschillen hoofdzakelijk prijsgestuurd was en kwaliteitsverschillen slechts een geringe rol speelden bij de keuze van een leverancier. Deze bevindingen werden door de medewerkende importeurs en gebruikers bevestigd. Bijgevolg kon de niet-onderbouwde bewering van de Braziliaanse producent-exporteur als zou de markt voor bladaluminium in verschillende segmenten verdeeld zijn volgens de kwaliteitsverschillen van het product, in het kader van dit onderzoek niet worden bevestigd, zodat dit argument moest worden afgewezen.

(53)

In verband met de beweerde andere verkoopkanalen en distributiemethoden zij opgemerkt dat de Braziliaanse producent-exporteur niet betwist dat hij zijn producten zowel via een niet-verbonden handelaar als rechtstreeks aan herwikkelaars in de Gemeenschap verkocht. Op grond hiervan werd aangenomen dat dezelfde verkoopkanalen werden gebruikt. Het feit dat de Braziliaanse exporteur de voorbije jaren langdurige zakenrelaties heeft opgebouwd, sluit op zich niet uit dat voor die producten dezelfde concurrentievoorwaarden gelden als voor de producten van concurrenten die nieuwkomers zijn op een markt. De producent-exporteur beweerde niet of toonde niet aan dat zijn afnemers niet op andere leveranciers zouden overstappen mochten zij dit opportuun achten. Het feit dat de Braziliaanse exporteur kan bogen op een langdurige aanwezigheid op de communautaire markt, laat dan ook niet de conclusie toe dat voor zijn producten andere concurrentievoorwaarden gelden dan voor de uit Armenië en de VRC ingevoerde producten. Bijgevolg werd dit argument afgewezen.

(54)

Wat ten slotte de uiteenlopende invoertrends betreft, heeft de Braziliaanse producent-exporteur geen aanvullende informatie of aanvullend bewijsmateriaal ingediend, zodat de voorlopige bevindingen in overweging 93 worden bevestigd.

(55)

Na mededeling van de voorlopige bevindingen voerde de Armeense producent-exporteur aan dat de Armeense invoer voor de schadeanalyse niet cumulatief mocht worden beoordeeld gezien de geringe ingevoerde hoeveelheden, het kleine marktaandeel en de vlakke invoertrend, alsmede de beweerdelijk aanzienlijke kwaliteitsverschillen tussen het uit Armenië uitgevoerde product en de uit Brazilië en de VRC uitgevoerde producten.

(56)

Dit argument kon niet worden aanvaard omdat aan alle voorwaarden voor een cumulatieve beoordeling als vermeld in artikel 3, lid 4, van de basisverordening bleek te zijn voldaan:

zoals voorlopig werd vastgesteld en zoals in de overwegingen 38 en 39 wordt bevestigd, was de voor Armenië vastgestelde dumpingmarge meer dan minimaal in de zin van artikel 9, lid 3, van de basisverordening;

de uit Armenië ingevoerde hoeveelheid was niet verwaarloosbaar in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening, aangezien zij een marktaandeel van 5,26 % vertegenwoordigde, zoals vermeld in overweging 96 (tabel 4) van de voorlopige verordening. Voorts werd geconstateerd dat de invoer uit Armenië, ondanks de hernieuwde invoer uit de VRC en de aanzienlijke invoer uit Brazilië in de beoordelingsperiode, aanzienlijk is toegenomen tussen 2006 en het eind van het OT;

met betrekking tot de concurrentieverhoudingen tussen de uit de betrokken landen ingevoerde producten en met name met betrekking tot de argumenten die naar voren zijn gebracht betreffende aanzienlijke kwaliteitsverschillen tussen de ingevoerde producten, zoals vermeld in overweging 52, is gebleken dat de producten uit Armenië vrijwel dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en ongeacht hun specifieke kwaliteit voor dezelfde basistoepassingen worden gebruikt. Er zij ook opgemerkt dat deze producent-exporteur zijn voornemen te kennen gaf om de productie te verschuiven naar converter foil van nog hogere kwaliteit, wat erop wijst dat het argument betreffende de beweerdelijk slechte kwaliteit van de vervaardigde producten misschien overdreven is.

(57)

De in dit verband aangevoerde argumenten van de Armeense producent-exporteur werden dan ook afgewezen.

(58)

Daar geen andere opmerkingen zijn ontvangen met betrekking tot de cumulatieve beoordeling van de effecten van de betrokken invoer overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening, worden de voorlopige conclusies in de overwegingen 91 tot en met 94 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.4.   Invoer uit de betrokken landen

5.4.1.   Ingevoerde hoeveelheden en marktaandeel van de betrokken landen

(59)

Daar geen opmerkingen over de invoer uit de betrokken landen werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 95 en 96 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.4.2.   Prijzen

(60)

Daar geen opmerkingen over de prijzen van de betrokken invoer werden ontvangen, worden de bevindingen in overweging 97 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.4.3.   Prijsonderbieding

(61)

De producent-exporteur in Brazilië betwistte de methode die werd gebruikt om de op hem toepasselijke prijsonderbiedingsmarge te berekenen. In dit verband voerde de producent-exporteur aan dat de berekening van de prijsonderbiedingsmarges niet in hetzelfde handelsstadium plaatsvond. Zo werd betoogd dat de uitvoer uit Brazilië hoofdzakelijk bestemd was voor een niet-verbonden importeur die het product doorverkoopt aan herwikkelaars, terwijl de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap rechtstreeks naar de herwikkelaars ging. Daarom werd geargumenteerd dat de VAA-kosten en de winst van de handelaar bij de uitvoerprijs hadden moeten worden gevoegd. Uit het onderzoek is gebleken dat, in tegenstelling tot wat de Braziliaanse producent-exporteur beweerde, de uitvoer niet hoofdzakelijk voor een niet-verbonden importeur bestemd was, daar ruim 70 % van zijn uitvoer rechtstreeks naar de herwikkelaars ging. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat de bedrijfstak van de Gemeenschap het betrokken product inderdaad hoofdzakelijk aan herwikkelaars verkocht, ofschoon een zekere hoeveelheid ook aan handelaren werd verkocht. Daarom, en om ervoor te zorgen dat de vergelijking toch in hetzelfde handelsstadium werd gemaakt, werd besloten de verkoop aan de handelaar buiten beschouwing te laten en de berekening van de prijsonderbiedingsmarge uitsluitend op de rechtstreekse verkoop aan herwikkelaars te baseren. Aangezien laatstgenoemde verkoop meer dan 70 % van de totale verkoop van de producent-exporteur aan de Gemeenschap vertegenwoordigde, werd hij als representatief beschouwd.

(62)

Een ander argument dat door dezelfde producent-exporteur in Brazilië naar voren werd gebracht, was dat een correctie had moeten worden toegepast om rekening te houden met kwaliteitsverschillen tussen het ingevoerde product en het product van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Uit het onderzoek is echter duidelijk gebleken dat de kwaliteitskwestie geen doorslaggevende factor is, omdat de keuze van de eindgebruiker veeleer door de prijs wordt bepaald dan door eventuele kwaliteitsverschillen (bv. de dikte van het bladaluminium).

(63)

Op grond van het bovenstaande werd de gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge, uitgedrukt als percentage van de verkoopprijzen af fabriek van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers, voor Brazilië vastgesteld op 9,6 %.

(64)

Daar geen andere opmerkingen over de prijsonderbieding werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 98, 99 en 100 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.5.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(65)

Zoals vermeld in overweging 42 werden de schadefactoren vastgesteld op basis van de gecontroleerde informatie van vijf communautaire producenten. Een zesde communautaire producent heeft na de voorlopige vaststelling antwoorden op de vragenlijst ingediend, die echter niet meer konden worden gecontroleerd en bijgevolg bij de definitieve vaststelling niet in aanmerking konden worden genomen. Nadat alle controles ter plaatse waren uitgevoerd, moesten enkele schadefactoren worden herzien op basis van het in de bezochte ondernemingen aangetroffen bewijsmateriaal. Daarom moesten, ingevolge artikel 3, lid 5, van de basisverordening, het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Gemeenschap en de evaluatie van alle economische factoren die van invloed zijn op de situatie van deze bedrijfstak in de beoordelingsperiode, dienovereenkomstig worden herzien.

5.5.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

Tabel 1:   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2005

2006

2007

OT

Productie (t)

50 952

48 467

40 071

32 754

Productie (index)

100

95

79

64

Productiecapaciteit (t)

59 400

59 400

59 400

59 400

Productiecapaciteit (index)

100

100

100

100

Bezettingsgraad

86 %

81 %

67 %

55 %

Bezettingsgraad (index)

100

94

79

64

(66)

Zoals uit de bovenstaande tabel blijkt, vertoonde het productievolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap nog steeds een duidelijk negatieve trend tussen 2005 en het einde van het OT. Wat de totale productiecapaciteit betreft, werd de daling van de bezettingsgraad in de beoordelingsperiode door de definitieve bevindingen bevestigd.

5.5.2.   Verkoopvolume, marktaandeel, groei en gemiddelde eenheidsprijs in de EG

(67)

Onderstaande cijfers geven de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap weer.

Tabel 2:   Verkoopvolume, marktaandeel, prijzen en gemiddelde eenheidsprijs in de Gemeenschap

 

2005

2006

2007

IP

Verkoopvolume (t)

43 661

45 191

37 207

30 310

Verkoopvolume (index)

100

104

85

70

Marktaandeel

48 %

53 %

34 %

33 %

Eenheidsprijs (EUR/t)

2 566

3 045

3 219

3 068

Eenheidsprijs (index)

100

119

125

120

(68)

Hoewel, zoals voorlopig werd vastgesteld, het verbruik in de Gemeenschap in de beoordelingsperiode met 4 % is gestegen, is het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 30 % gedaald, wat betekent dat de bedrijfstak van de Gemeenschap geen profijt kon trekken van het toegenomen verbruik. Bijgevolg is het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap gedaald van 48 % in 2005 tot 33 % in het onderzoektijdvak.

(69)

Wat de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap betreft, hadden de definitieve bevindingen dan ook geen aanzienlijke wijzigingen in de voorlopig vastgestelde situatie tot gevolg.

5.5.3.   Voorraden

(70)

Onderstaande cijfers geven de omvang van de voorraden aan het einde van elke periode weer.

Tabel 3:   Voorraden

 

2005

2006

2007

OT

Voorraden (t)

1 789

1 711

2 148

2 355

Voorraden (index)

100

96

120

132

(71)

Zoals vermeld in overweging 107 van de voorlopige verordening is uit het onderzoek gebleken dat de voorraden niet als bruikbare schadefactor kunnen worden beschouwd omdat de productie grotendeels naar aanleiding van orders tot stand komt. Daarom wordt de voorraadtrend alleen ter informatie gegeven. De definitieve bevindingen wijzen nu weliswaar op een aanzienlijke toename van de voorraadniveaus met 32 %, maar dit bleek toe te schrijven aan een momentopname van de voorraad bij één onderneming, zodat dit niet representatief voor een trend kan zijn.

5.5.4.   Investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

Tabel 4:   Investeringen

 

2005

2006

2007

IP

Investeringen (EUR)

7 090 015

807 899

1 355 430

3 998 397

Investeringen (index)

100

11

19

56

(72)

De investeringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn aanzienlijk gedaald, wat betekent dat de in overweging 108 van de voorlopige verordening vastgestelde trend wordt bevestigd. Daar zich geen aanzienlijke wijzigingen hebben voorgedaan en geen opmerkingen over de investeringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap tussen 2005 en het einde van het OT werden ontvangen, worden de bevindingen in overweging 108 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.5.5.   Winstgevendheid, rendement van investeringen en kasstroom

Tabel 5:   Winstgevendheid, rendement van investeringen en kasstroom

 

2005

2006

2007

 

Winstgevendheid van verkoop in de Gemeenschap

–2,8 %

–2,6 %

0,2 %

–0,1 %

Rendement van totale investeringen

–43,7 %

– 439,1 %

19,3 %

–1,3 %

Kasstroom

2 %

1 %

4 %

5 %

(73)

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode licht verbeterd is, hoewel zij in het OT negatief bleef en met name duidelijk onder het streefniveau van 5 % bleef. Zoals weergegeven in de tabellen 1 en 2 hierboven, is uit het onderzoek gebleken dat de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap vooral tot uiting kwam in een aanzienlijke daling van het productievolume en het verkoopvolume van die bedrijfstak. Dit wijst erop dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, geconfronteerd met invoer tegen dumpingprijzen, aan verkoopvolume en marktaandeel heeft ingeboet in een poging om de verliezen weg te werken. Bij wijze van conclusie kan worden gesteld dat, ofschoon de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2007 een marginale winst boekte, hij in het OT opnieuw kleine verliezen maakte, zodat kan worden aangenomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden. De herziene bevindingen betreffende de winstgevendheid brachten geen wijziging in de voorlopige conclusies in dit verband en de definitieve bevindingen doen geen afbreuk aan de conclusie dat de totale winstgevendheid zeer laag, zo niet negatief, bleef niettegenstaande het feit dat het verbruik in 2007 en in het OT aanzienlijk is toegenomen.

(74)

Het rendement van investeringen werd op basis van de gecontroleerde gegevens van de bedrijfstak van de Gemeenschap herberekend aan de hand van dezelfde methode als die welke in overweging 110 van de voorlopige verordening wordt beschreven. Uit deze berekening bleek dat deze indicator in 2007 positief was, wat verband hield met de kleine winst die de bedrijfstak van de Gemeenschap in diezelfde periode heeft gemaakt.

(75)

Ook wat de kasstroom betreft, werden de definitieve bevindingen herzien op basis van de gecontroleerde gegevens van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze indicator bevestigt dat de bedrijfstak van de Gemeenschap probeerde te reageren op de invoer met dumping uit de betrokken landen door de verkoopprijzen op een zo hoog mogelijk niveau te houden, wat ten koste ging van het verkoopvolume en het marktaandeel.

5.5.6.   Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

Tabel 6:   Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

 

2005

2006

2007

IP

Aantal werknemers

482

460

386

343

Aantal werknemers (index)

100

95

80

71

Arbeidskosten

13 618 746

13 031 854

10 882 109

9 642 041

Arbeidskosten (index)

100

96

80

71

Gemiddelde loonkosten

28 226

28 359

28 195

28 122

Gemiddelde loonkosten (index)

100

100

100

100

Productiviteit (t/werknemer)

106

105

104

96

Productiviteit (index)

100

100

98

90

(76)

Na herziening van de gegevens kan worden geconcludeerd dat de trends inzake werkgelegenheid, productiviteit en lonen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap tussen 2005 en het einde van het OT in grote lijnen overeenkomen met die welke reeds in de voorlopige verordening werden beschreven. Daar zich geen aanzienlijke wijzigingen hebben voorgedaan en geen opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen in overweging 112 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.5.7.   Hoogte van de dumpingmarge

(77)

Daar hierover geen opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen in overweging 113 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.5.8.   Herstel van de gevolgen van eerdere dumping

(78)

Daar hierover geen opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen in overweging 114 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.5.9.   Groei

(79)

Daar hierover geen opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen in overweging 115 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.6.   Conclusie inzake schade

(80)

Daar geen andere opmerkingen over de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, wordt de conclusie in de overwegingen 116, 117 en 118 van de voorlopige verordening, namelijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden, bevestigd.

6.   OORZAKELIJK VERBAND

6.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(81)

De Armeense producent-exporteur voerde aan dat het marktaandeel van de Armeense invoer in de beoordelingsperiode gemiddeld niet groot genoeg was om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade te veroorzaken. Eén van de producenten-exporteurs in de VRC betoogde dat de invoer uit de VRC geen schade veroorzaakte omdat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap een stijgende trend vertoonde die gelijkliep met een toename van de invoer uit de VRC.

(82)

Zoals vermeld in de overwegingen 91 tot en met 94 van de voorlopige verordening en zoals bevestigd in de overwegingen 49 tot en met 58 van deze verordening, werd overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening voldaan aan de voorwaarden die voor de cumulatieve beoordeling van de invoer uit alle onderzochte landen gelden om de gevolgen van de invoer met dumping voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap te evalueren. Bijgevolg werd een analyse per land afzonderlijk van de invoer uit de betrokken landen inopportuun geacht, zodat de bovenvermelde argumenten moesten worden afgewezen.

(83)

Wat de ontwikkeling van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap betreft, leidden de herziene cijfers niet tot ingrijpende wijzigingen in het schadebeeld in zijn geheel. De bedrijfstak van de Gemeenschap zag zijn verliezen tussen 2005 en 2006 dalen en in 2007 was de bedrijfstak marginaal winstgevend (0,2 %). Dit winstniveau daalde in het OT en ging over in een klein verlies van – 0,1 %.

(84)

Er zij ook aan herinnerd dat, zoals in overweging 121 van de voorlopige verordening en in overweging 73 van deze verordening werd geconcludeerd, de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap vooral tot uiting kwam in een aanzienlijke daling van het productievolume en het verkoopvolume van die bedrijfstak. Dit wijst erop dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, geconfronteerd met invoer tegen dumpingprijzen, aan verkoopvolume en marktaandeel heeft ingeboet in een poging om de verliezen weg te werken. Bij wijze van conclusie wordt, ofschoon de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2007 een kleine winst boekte, bevestigd dat die bedrijfstak aanmerkelijke schade heeft geleden daar de herziene bevindingen betreffende de winstgevendheid verliezen in het OT aan het licht brachten. Aangezien de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap samenviel met de toename van de invoer uit de betrokken landen, worden de conclusies in overweging 123 van de voorlopige verordening bevestigd.

(85)

Derhalve wordt geconcludeerd dat de druk als gevolg van de invoer met dumping, waarvan de hoeveelheden en het marktaandeel vanaf 2006 aanmerkelijk stegen, in belangrijke mate bijdroeg tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade. De bovenvermelde argumenten worden dan ook van de hand gewezen.

6.2.   Gevolgen van andere factoren

6.2.1.   Invoer van oorsprong uit andere derde landen dan de VRC, Armenië en Brazilië

(86)

Daar geen opmerkingen over invoer van oorsprong uit andere derde landen dan de betrokken landen werden ontvangen, worden de conclusies in de overwegingen 124, 125 en 126 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.2.2.   Uitvoer door de bedrijfstak van de Gemeenschap

(87)

Daar geen opmerkingen over de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, worden de conclusies in de overwegingen 127 en 128 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.2.3.   Invoer door de bedrijfstak van de Gemeenschap

(88)

Eén producent-exporteur argumenteerde, onder verwijzing naar bepaalde marktinformatie, dat de hoeveelheid die een van de communautaire producenten vanuit zijn verbonden Chinese onderneming had ingevoerd, aanzienlijk was.

(89)

Deze beweringen konden echter niet worden bevestigd omdat de gecontroleerde cijfers van de desbetreffende Chinese producent-exporteur en zijn verbonden communautaire importeur de voorlopige conclusies in overweging 129 van de voorlopige verordening hebben bevestigd.

6.2.4.   Aan zichzelf te wijten schade

(90)

Enkele belanghebbenden herhaalden dat de communautaire producenten meer geïnteresseerd zouden zijn in de lucratievere markt voor aluminium converter foil („ACF”). Er werd aangevoerd dat ACF en het betrokken product (ook aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik genoemd) op dezelfde productielijnen worden vervaardigd en dat het dan ook relatief gemakkelijk is om van het ene op het andere product over te schakelen. De daling van het productievolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap is dan ook veeleer toe te schrijven aan de verhoging van de ACF-productie door de bedrijfstak van de Gemeenschap dan aan de toename van de invoer uit de betrokken landen. Er werd geargumenteerd dat de toename van de invoer uit de betrokken landen integendeel toe te schrijven was aan het ontoereikende aanbod van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt als gevolg van de verhoogde productie van ACF. De bevindingen in overweging 132 van de voorlopige verordening werden bekritiseerd omdat ze gebaseerd waren op de cijfers betreffende slechts één communautaire ACF-producent.

(91)

Het onderzoek heeft bevestigd dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde hoeveelheden ACF niet aanzienlijk zijn gestegen. Nader onderzoek heeft in feite uitgewezen dat geen van de communautaire producenten namens wie de klacht werd ingediend of die de klacht steunden, een aanzienlijk deel van zijn totale productievolume heeft verschoven naar AFC, zodat de beweringen in dit verband van de hand moesten worden gewezen. Op grond hiervan kon niet worden geconcludeerd dat aanzienlijke productiecapaciteiten inderdaad van het betrokken product naar ACF werden verschoven. In feite kunnen verschillende soorten bladaluminium door dezelfde walsmachines worden vervaardigd, zodat kan worden geconcludeerd dat, mocht de winstgevendheid van het betrokken product onder eerlijke handelsvoorwaarden worden hersteld, de bedrijfstak van de Gemeenschap misschien meer capaciteit beschikbaar zal stellen voor de fabricage van het betrokken product. Daarmee worden de voorlopige conclusies in overweging 132 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.2.5.   Ontwikkeling van het verbruik op de communautaire markt

(92)

Daar geen opmerkingen over het verbruik op de communautaire markt werden ontvangen, worden de conclusies in de overwegingen 133 en 134 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.2.6.   Ontwikkeling van de kosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(93)

Eén producent-exporteur voerde aan dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat was geweest zijn winstmarges te vergroten ondanks de stijging van de grondstoffenkosten, wat in tegenspraak is met de voorlopige conclusie in overweging 136 van de voorlopige verordening dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verkoopprijzen niet gelijk met de stijging van de grondstoffenkosten kon verhogen. Dit argument moest worden afgewezen. Ten eerste volgde de winstgroei, ook al bleek uit het onderzoek uiteindelijk een lichte verbetering van de winstgevendheid in 2007, niet dezelfde trend als het toegenomen verbruik in de Gemeenschap. Ten tweede resulteerde de kostenstijging bij doorberekening aan de afnemers in een aanzienlijke daling van het verkoopvolume en het marktaandeel, wat verband hield met de aanwezigheid van invoer met dumping op de markt waardoor de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden onderboden. Uit het onderzoek is ook gebleken dat de daling van het productievolume gerelateerd was aan een sterke toename van de invoer met dumping terwijl de productiecapaciteit stabiel bleef. Daardoor werden de productiekosten toegerekend aan lagere productievolumes, waardoor de kosten per eenheid stegen.

6.3.   Conclusie inzake het oorzakelijke verband

(94)

Daar geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de conclusies in de overwegingen 137 en 138 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

7.1.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(95)

Daar geen opmerkingen over het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, worden de conclusies in de overwegingen 142 tot en met 145 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.   Belang van de importeurs

(96)

Daar geen opmerkingen over het belang van de importeurs werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 146 tot en met 149 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.3.   Belang van de gebruikers

(97)

De herwikkelaars, die de belangrijkste gebruikers van het betrokken product in de Europese Gemeenschap zijn en door de Aluminium Foil Association worden vertegenwoordigd, argumenteerden dat:

in strijd met de voorlopige bevindingen in overweging 153 van de voorlopige verordening, de vervoerkosten van consumentenrollen uit de VRC slechts een klein percentage van de waarde van de goederen (ongeveer 1 % van de verkoopprijs) zouden uitmaken en er bijna geen verschil zou zijn met de vervoerkosten van het betrokken product (ongeveer 0,2 % van de verkoopprijs);

de grote productmix die door de communautaire herwikkelaars wordt aangeboden, geen voordeel zou zijn aangezien de detailhandelaren het betrokken product middels afzonderlijke overeenkomsten ook in grote hoeveelheden zouden kunnen betrekken bij importeurs/leveranciers van consumentenrollen;

in strijd met de voorlopige bevindingen in overweging 154 van de voorlopige verordening, de productie van ACF de prioriteit zou blijven van de communautaire producenten, die niet geïnteresseerd zijn in de fabricage van het betrokken product. Indien definitieve maatregelen zouden worden ingesteld, zou het aanbod van het betrokken product in de Gemeenschap ontoereikend zijn om in de behoeften van de herwikkelaars te voorzien;

in strijd met de voorlopige bevindingen in overweging 163 van de voorlopige verordening, eventuele definitieve maatregelen ook moeten gelden voor producten met een gewicht van minder dan 10 kg. Zo niet zouden deze maatregelen leiden tot een sterke toename van de invoer van consumentenrollen met dumping, vooral uit de VRC, wat voor de communautaire herwikkelaars ernstige negatieve gevolgen zou hebben, waardoor in de Gemeenschap 4 000 banen verloren zouden gaan. Deze mening werd gedeeld door producenten-exporteurs uit twee betrokken landen.

(98)

Het voor de vervoerkosten ingediende bewijsmateriaal werd betrouwbaar geacht en kon dan ook worden aanvaard. Het risico dat de invoer van het downstreamproduct in de plaats komt van de invoer van het betrokken product, wordt niet aangenomen als reden om geen antidumpingmaatregelen in te stellen. Er is immers geen bewijsmateriaal verstrekt of verkregen waaruit blijkt dat deze invoer aanzienlijk zou toenemen tegen prijzen waarmee die van de herwikkelaars in de Gemeenschap zouden worden onderboden. Oneerlijke handelspraktijken van producenten-exporteurs van het downstreamproduct zouden afzonderlijk moeten worden onderzocht op basis van voldoende voorlopig bewijsmateriaal. Bovendien wordt aangenomen dat, indien de VRC zou overschakelen op de fabricage van downstreamproducten in grotere hoeveelheden, dit zeer waarschijnlijk enige tijd in beslag zou nemen aangezien in nieuwe machines zou moeten worden geïnvesteerd en nieuwe verkoopkanalen zouden moeten worden geopend. Eventuele gevolgen zullen dan ook pas op middellange termijn voelbaar worden. Het argument met betrekking tot het aantal banen in de downstreamindustrie in de Gemeenschap werd niet gestaafd. Daarom worden de opgegeven cijfers niet betrouwbaar geacht. Op grond hiervan worden de voorlopige conclusies in de overwegingen 153 tot en met 162 van de voorlopige verordening bevestigd.

(99)

Daar geen andere opmerkingen over het belang van de Gemeenschap werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 150 tot en met 163 van de voorlopige verordening bevestigd.

8.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

8.1.   Schademarge

(100)

Eén producent-exporteur voerde aan dat de berekening van de schademarge moest worden gebaseerd op de productiekosten in plaats van op de verkoopprijs van het betrokken product. Dezelfde exporteur betoogde dat het streefniveau van de winstmarge dat werd gebruikt om de schademarge te berekenen, te hoog was en 1 % had moeten bedragen, wat beter in overeenstemming zou zijn met de huidige marktomstandigheden, met name de economische inzinking. Bovendien herhaalde deze producent-exporteur dat correcties hadden moeten worden toegepast voor verschillen in kwaliteit tussen het uitgevoerde product en het door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt vervaardigde en verkochte product.

(101)

Wat het eerste argument betreft, namelijk dat de schademarge moet worden vastgesteld op basis van de productiekosten, zij opgemerkt dat het gebruik van die methode geen enkel effect heeft op de resultaten, zodat zij irrelevant werd geacht. Met betrekking tot het streefniveau van de winstmarge werd, zoals vermeld in overweging 165 van de voorlopige verordening, voor producenten een zeer voorzichtige winstmarge vóór belastingen van 5 % gebruikt. Dit percentage werd ook in de klacht voorgesteld en in het vorige onderzoek gebruikt. Aangezien echter de voorgestelde winstmarge niet hoog genoeg was om de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat te stellen de productiecapaciteit en de nieuwe investeringen in stand te houden, moest zij worden afgewezen. In verband met het argument betreffende de kwaliteit van het product werd, zoals reeds vermeld in overweging 52, geconstateerd dat alle productsoorten vrijwel dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en ongeacht hun specifieke kwaliteit voor dezelfde basistoepassingen worden gebruikt. Daar geen bewijsmateriaal tot staving van deze beweringen is ontvangen, worden de voorlopige conclusies in de overwegingen 164, 165 en 166 van de voorlopige verordening bevestigd.

(102)

Een andere producent-exporteur argumenteerde dat de schademarge tot doel moest hebben verkoopprijzen op zodanige wijze vast te stellen dat een werkelijk verlies werd geneutraliseerd. Dit argument moest worden afgewezen omdat de schademarge het prijsniveau is dat redelijkerwijs haalbaar is voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als er geen sprake is van invoer met dumping.

(103)

Dezelfde producent-exporteur voerde verder aan dat het streefniveau van de winstmarge moest worden vastgesteld op het niveau van de werkelijke winst die aan het begin van de beoordelingsperiode werd behaald, in dit geval een verlies. Op grond hiervan zou de prijsbederfmarge minimaal zijn.

(104)

Dit argument moest worden afgewezen omdat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog steeds de nadelen ondervond van een vorige situatie van dumping vanuit Rusland en de VRC, alsook van invoer met dumping van oorsprong uit Brazilië. Daarom werd aangenomen dat een onderneming in deze sector onder normale concurrentievoorwaarden redelijkerwijs een winstmarge van 5 % kan behalen.

(105)

Zoals vermeld in overweging 61 werd, om ervoor te zorgen dat de vergelijking in hetzelfde handelsstadium plaatsvond, de verkoop van de producent-exporteur in Brazilië aan zijn niet-verbonden handelaar buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de prijsonderbiedingsmarge en bijgevolg ook bij de berekening van de schademarge.

(106)

Daar geen andere opmerkingen over de schademarge werden ontvangen, worden de overwegingen 164, 165 en 166 van de voorlopige verordening bevestigd.

(107)

De definitieve, voor het gehele land geldende schademarge voor de VRC werd berekend op basis van het gewogen gemiddelde van i) de schademarge van een onderneming in de VRC waaraan BMO noch IB werd toegekend, en ii) de hoogste schademarge van die onderneming, toegepast op de uitvoerprijzen zoals ontleend aan de gegevens van Eurostat (zijnde representatief voor de niet-medewerkende Chinese exporteurs). Zo werd de schademarge voor het gehele land vastgesteld op 30,0 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring.

8.2.   Definitieve maatregelen

(108)

Gelet op het voorgaande moet overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening een definitief antidumpingrecht worden ingesteld dat hoog genoeg is om een eind te maken aan de door de invoer met dumping veroorzaakte schade, maar dat het niveau van de vastgestelde dumpingmarge niet mag overschrijden.

(109)

De volgende definitieve antidumpingrechten worden voorgesteld:

Land

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

Definitieve schademarge

Definitief antidumping-recht

Brazilië

Companhia Brasileira de Aluminio

27,6 %

17,6 %

17,6 %

Alle andere ondernemingen

27,6 %

17,6 %

17,6 %

VRC

Alcoa Bohai en Alcoa Shanghai

25,6 %

6,4 %

6,4 %

Shandong Loften

33,7 %

20,3 %

20,3 %

Zhenjiang Dingsheng

37,4 %

24,2 %

24,2 %

Alle andere ondernemingen

47,0 %

30,0 %

30,0 %

Armenië

RUSAL Armenal

33,4 %

13,4 %

13,4 %

Alle andere ondernemingen

33,4 %

13,4 %

13,4 %

(110)

De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dit onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) zijn dus uitsluitend van toepassing op de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die vervaardigd zijn door de genoemde ondernemingen. Zij zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(111)

Verzoeken in verband met de toepassing van dit specifiek voor de genoemde onderneming geldende antidumpingrecht (bv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie (3) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.

8.3.   Definitieve inning van de voorlopige rechten

(112)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht, definitief te innen tot het bedrag van de ingestelde definitieve rechten. Wanneer het definitieve recht lager is dan het voorlopige recht, moeten de voorlopige, als zekerheid gestelde bedragen die het bedrag van het definitieve recht overschrijden, worden vrijgegeven.

8.4.   Vorm van de maatregelen

(113)

In de loop van het onderzoek boden de enige medewerkende producent-exporteur in Armenië en de enige medewerkende producent-exporteur in Brazilië overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening een prijsverbintenis aan.

(114)

Beide aangeboden prijsverbintenissen werden onderzocht. De verbintenis van de Braziliaanse exporteur maakt een einde aan de schadelijke gevolgen van dumping en beperkt het gevaar van ontwijking in voldoende mate. Met betrekking tot de door de Armeense exporteur aangeboden verbintenis bestaat, gezien de complexe structuur van de ondernemingsgroep en haar complexe verkoopkanalen, een groot gevaar van kruiscompensatie door verkoop van hetzelfde product, maar van andere oorsprong, aan dezelfde afnemers, alsook door verkoop van andere producten, afkomstig van andere verkoopondernemingen in dezelfde groep, aan dezelfde afnemers. De Armeense exporteur heeft na afloop van de in artikel 8, lid 2, van de basisverordening vastgestelde termijn een wezenlijk herzien verbintenisaanbod ingediend. Opgemerkt zij dat het herziene aanbod niet alleen vanwege het feit dat het na afloop van de termijn werd ingediend, maar bovendien om de volgende reden niet kan worden aanvaard. Hoewel de onderneming aanbood alleen rechtstreeks aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Europese Unie te verkopen, d.w.z. zonder haar twee verbonden ondernemingen in het verkoopkanaal in te schakelen, is uit het onderzoek gebleken dat de onderneming andere producten aan dezelfde afnemers in de Europese Unie verkocht. Bovendien kondigde de onderneming aan dat zij van plan was een nieuwe productsoort, namelijk ACF, naar de Europese Unie uit te voeren. Aangezien het mogelijk is dat deze nieuwe productsoort aan dezelfde afnemers in de Europese Unie wordt verkocht, kan zelfs het herziene aanbod het gevaar van kruiscompensatie niet in aanvaardbare mate beperken.

(115)

Bij Besluit 2009/736/EG (4) heeft de Commissie de door Companhia Brasileira de Aluminio (CBA) aangeboden prijsverbintenis aanvaard. De Raad erkent dat de aangeboden verbintenis een einde maakt aan de schadelijke gevolgen van de dumping en het gevaar van ontwijking in voldoende mate beperkt. Het aanbod van Rusal Armenal wordt afgewezen om de in overweging 114 vermelde redenen en ook vanwege de problemen die in verband met de rekeningen van de onderneming zijn geconstateerd, zoals uitgelegd in de overwegingen 21 en 22.

(116)

Om de Commissie en de douaneautoriteiten in staat te stellen effectief toezicht op de naleving van de verbintenis door CBA uit te oefenen, moet, wanneer de aanvraag voor het vrije verkeer bij de douaneautoriteit wordt ingediend, de vrijstelling van het antidumpingrecht afhankelijk worden gesteld van i) de overlegging van een verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de gegevens en de verklaring bevat die in bijlage II zijn vermeld; ii) het feit dat de ingevoerde goederen door de producent-exporteur zijn vervaardigd en verzonden en door hem direct aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap zijn gefactureerd, en iii) het feit dat de bij de douane aangegeven en aangeboden goederen exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur. Wanneer niet aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, is op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer het van toepassing zijnde antidumpingrecht verschuldigd.

(117)

Wanneer de Commissie ingevolge artikel 8, lid 9, van de basisverordening onder verwijzing naar specifieke transacties haar aanvaarding van een verbintenis wegens een schending opzegt en de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig verklaart, ontstaat op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld.

(118)

Importeurs moeten zich ervan bewust zijn dat op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld kan ontstaan, zoals beschreven in de overwegingen 116 en 117, ook al heeft de Commissie een verbintenis aanvaard van de fabrikant bij wie zij direct of indirect kopen; zij dienen dit als een normaal handelsrisico aan te merken.

(119)

Ingevolge artikel 14, lid 7, van de basisverordening moeten de douaneautoriteiten de Commissie onverwijld op de hoogte stellen wanneer zij aanwijzingen hebben dat de verbintenis wordt geschonden.

(120)

Om bovenstaande redenen acht de Commissie de door CBA aangeboden verbintenis aanvaardbaar en de door Armenal aangeboden verbintenis onaanvaardbaar; zij heeft de betrokken ondernemingen in kennis gesteld van de belangrijkste feiten, overwegingen en verplichtingen waarop de aanvaarding en de afwijzing zijn gebaseerd.

(121)

Als de verbintenissen worden geschonden of opgezegd of als de Commissie de aanvaarding van een verbintenis opzegt, is ingevolge artikel 8, lid 9, van de basisverordening automatisch het op grond van artikel 9, lid 4, van de basisverordening door de Raad ingestelde antidumpingrecht van toepassing.

9.   TOEZICHT

(122)

Om, gelet op het grote verschil tussen de hoogte van de rechten, het gevaar van ontwijking van de rechten zoveel mogelijk te beperken, moeten in dit geval bijzondere maatregelen worden genomen om de goede toepassing van de antidumpingrechten te garanderen. De bijzondere maatregelen omvatten onder meer:

(123)

De overlegging aan de douaneautoriteiten van de lidstaten van een geldige handelsfactuur die voldoet aan de vereisten die zijn vermeld in de bijlage bij deze verordening. Voor invoer die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaat, geldt het residuele antidumpingrecht dat van toepassing is op alle andere exporteurs.

(124)

Indien het volume van de uitvoer door één van de ondernemingen die een lager individueel recht genieten, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van niet meer dan 650 mm en een gewicht van meer dan 10 kg, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111910), van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China (de VRC).

2.   Het definitieve antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor de in lid 1 omschreven producten die door onderstaande ondernemingen zijn geproduceerd, is als volgt:

Land

Onderneming

Antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

Armenië

Closed Joint Stock Company Rusal-Armenal

13,4 %

A943

Alle andere ondernemingen

13,4 %

A999

VRC

Alcoa (Shanghai) Aluminium Products Co., Ltd, en Alcoa (Bohai) Aluminium Industries Co., Ltd

6,4 %

A944

Shandong Loften Aluminium Foil Co., Ltd

20,3 %

A945

Zhenjiang Dingsheng Aluminium Co., Ltd

24,2 %

A946

Alle andere ondernemingen

30,0 %

A999

Brazilië

Companhia Brasileira de Aluminio

17,6 %

A947

Alle andere ondernemingen

17,6 %

A999

3.   Niettegenstaande lid 1 is het definitieve antidumpingrecht niet van toepassing op invoer die overeenkomstig artikel 2 in het vrije verkeer is gebracht.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen betreffende douanerechten van toepassing.

5.   De individuele rechten voor de in lid 2 genoemde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur, opgesteld conform de voorschriften van bijlage I, wordt overgelegd. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het antidumpingrecht dat voor alle andere ondernemingen geldt, toegepast.

Artikel 2

1.   Ingevoerde goederen die voor het vrije verkeer zijn aangegeven en zijn gefactureerd door ondernemingen waarvan de Commissie verbintenissen heeft aanvaard en wier namen zijn vermeld in Besluit 2009/736/EG, zoals dat van tijd tot tijd wordt gewijzigd, zijn vrijgesteld van het bij artikel 1 ingestelde antidumpingrecht op voorwaarde dat:

de goederen door de genoemde ondernemingen zijn vervaardigd en verzonden en door hen direct aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap zijn gefactureerd, en

de goederen vergezeld gaan van een verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de gegevens en de verklaring bevat die in bijlage II bij deze verordening zijn vermeld, en

de bij de douane aangegeven en aangeboden goederen exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur.

2.   Er ontstaat een douaneschuld op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer:

wanneer ten aanzien van de in lid 1 beschreven ingevoerde goederen wordt vastgesteld dat aan een of meer van de in dat lid genoemde voorwaarden niet is voldaan, of

wanneer de Commissie haar aanvaarding van de verbintenis overeenkomstig artikel 8, lid 9, van de basisverordening intrekt bij een verordening of besluit waarin zij naar specifieke transacties verwijst en de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig verklaart.

Artikel 3

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige antidumpingrechten die op grond van Verordening (EG) nr. 287/2009 zijn ingesteld op bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van niet meer dan 650 mm en een gewicht van meer dan 10 kg, ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111910), van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de VRC, worden definitief geïnd tot het bedrag van het bij artikel 1 ingestelde definitieve recht. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 september 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

M. OLOFSSON


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2)  PB L 94 van 8.4.2009, blz. 17.

(3)  Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat H, kamer N-105 4/92, 1049 Brussel, België.

(4)  Zie bladzijde 50 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE I

De in artikel 1, lid 5, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring, ondertekend door een daartoe bevoegde werknemer van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft, bevatten met de volgende gegevens:

1.

de naam en functie van de bevoegde werknemer van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft;

2.

de volgende verklaring: „Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) bladaluminium die naar de Europese Gemeenschap is uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (betrokken land). Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”;

3.

datum en handtekening.


BIJLAGE II

De volgende gegevens moeten worden vermeld op de door de onderneming opgestelde handelsfactuur die de invoer in de Gemeenschap waarop een verbintenis van toepassing is, vergezelt:

1.

het opschrift „HANDELSFACTUUR — GOEDEREN DIE ONDER EEN VERBINTENIS VALLEN”;

2.

de naam van de onderneming die de handelsfactuur heeft opgesteld;

3.

het nummer van de handelsfactuur;

4.

de datum van afgifte van de handelsfactuur;

5.

de aanvullende Taric-code waaronder de in de factuur vermelde goederen aan de grens van de Gemeenschap worden ingeklaard;

6.

een nauwkeurige omschrijving van de goederen, met inbegrip van:

het productcodenummer (PCN) dat in de verbintenis wordt gebruikt,

een duidelijke omschrijving van de goederen die onder het betrokken PCN vallen,

het productcodenummer van de onderneming (company product code of CPC),

de Taric-code,

de hoeveelheid (in t);

7.

de verkoopvoorwaarden, met inbegrip van:

de prijs per ton,

de betalingsvoorwaarden,

de leveringsvoorwaarden,

het totale bedrag aan kortingen en rabatten;

8.

de naam van de onderneming die als importeur in de Gemeenschap de rechtstreekse ontvanger is van de handelsfactuur die de in het kader van de verbintenis geleverde goederen vergezelt;

9.

de naam van de werknemer van de onderneming die de handelsfactuur heeft opgesteld en de hiernavolgende ondertekende verklaring:

„Ondergetekende bevestigt dat de verkoop voor rechtstreekse uitvoer naar de Europese Gemeenschap van de goederen waarop deze factuur betrekking heeft, plaatsvindt in het kader en op de voorwaarden van de verbintenis die door [ONDERNEMING] werd aangeboden en door de Commissie bij Besluit 2009/736/EG (1) werd aanvaard. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.


(1)  PB L 262 van 6.10.2009, blz. 50.”.


6.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/19


VERORDENING (EG) Nr. 926/2009 VAN DE RAAD

van 24 september 2009

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op de artikelen 9 en 10,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Voorlopige maatregelen

(1)

Op 9 juli 2008 heeft de Commissie het bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”) gepubliceerd (2). Op 8 april 2009 heeft de Commissie bij Verordening (EG) nr. 289/2009 (3) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de VRC.

(2)

De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die door het Defence Committee of the Seamless Steel Tube Industry of the European Union („de klager”) werd ingediend namens producenten die samen een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de totale communautaire productie van de betreffende naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, vertegenwoordigen.

(3)

Zoals in overweging 13 van de voorlopige verordening is vermeld, had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2005 tot het einde van het OT (de „beoordelingsperiode”).

2.   Vervolg van de procedure

(4)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten voorlopige antidumpingmaatregelen in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd.

(5)

De Commissie heeft vervolgens alle informatie verzameld en gecontroleerd die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte. In het bijzonder heeft zij een aanvullende vragenlijst naar de in de steekproef opgenomen communautaire producenten gezonden om nadere informatie te verzamelen over de marktontwikkelingen en de ontwikkeling van de belangrijkste schade-indicatoren na het eind van het OT. Na de instelling van de voorlopige maatregelen werden extra controlebezoeken gebracht aan de volgende producenten van de betreffende naadloze buizen en pijpen in de Europese Unie:

Vallourec & Mannesmann Deutschland GmbH, Düsseldorf, Duitsland,

Vallourec & Mannesmann France, Boulogne-Billancourt, Frankrijk,

Tenaris-Dalmine SpA, Dalmine, Italië,

Tubos Reunidos SA, Amurrio, Spanje,

Productos Tubulares SA, Valle de Trapaga, Spanje.

Bovendien werd een controle ter plaatse verricht bij de klager in Boulogne-Billancourt, Frankrijk.

(6)

De Commissie heeft ook een nadere deskanalyse uitgevoerd van de antwoorden op de vragenlijst van alle vier in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs; dit betrof met name de controle van de door de volgende exporteurs verstrekte transactielijsten:

Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd,

Hengyang Valin Steel Tube Co. Ltd,

Shandong Luxing Steel Pipe Co. Ltd,

Tianjin Pipe International Economic & Trading Corporation.

(7)

De Commissie heeft alle belanghebbenden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan zij voornemens was de aanbeveling te doen een definitief antidumpingrecht op de betreffende naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de VRC in te stellen en de bedragen waarvoor uit hoofde van het voorlopige recht zekerheid was gesteld, definitief te innen („mededeling van de definitieve bevindingen”). Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken.

(8)

De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

3.   Steekproeven

(9)

Aangezien er geen opmerkingen over de steekpoeven van producenten-exporteurs in de VRC en communautaire producenten werden ontvangen, worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 11 en 12 van de voorlopige verordening bevestigd.

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(10)

Bij het betrokken product gaat het om bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, met rond profiel, met een uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm en een koolstofequivalent (carbon equivalent value, CEV) van niet meer dan 0,86 volgens de formule en chemische analyse van het Internationaal Instituut voor Lastechniek (4), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7304 19 10, ex 7304 19 30, ex 7304 23 00, ex 7304 29 10, ex 7304 29 30, ex 7304 31 20, ex 7304 31 80, ex 7304 39 10, ex 7304 39 52, ex 7304 39 58, ex 7304 39 92, ex 7304 39 93, ex 7304 51 81, ex 7304 51 89, ex 7304 59 10, ex 7304 59 92 en ex 7304 59 93 (5), van oorsprong uit de VRC.

(11)

Na de publicatie van de voorlopige verordening werd een tikfout gevonden in het nummer van het Technisch Verslag dat werd vermeld in de voetnoot bij overweging 14 van die verordening met betrekking tot de vaststelling van het koolstofequivalent. De juiste referentie is Technisch Verslag, 1967, IIW doc. IX-555-67, gepubliceerd door het Internationaal Instituut voor Lastechniek (International Institute of Welding — IIW).

(12)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen betoogde de China Iron and Steel Association („de CISA”) dat de GN-codes voor het betrokken product ook een aantal andere producten omvatten die buiten het onderzoek vallen, zoals producten met een uitwendige diameter van meer dan 406,4 mm of een CEV van meer dan 0,86, zodat de in het onderzoek gebruikte invoercijfers te hoog zouden zijn. In dit verband moet worden opgemerkt dat de onderhavige procedure niet van toepassing is op producten met een uitwendige diameter van meer dan 406,4 mm of een CEV van meer dan 0,86 volgens de formule en chemische analyse van het IWW. Bovendien werd bij geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs bewijs gevonden dat die producten in grotere hoeveelheden in de VRC worden geproduceerd. Daarom werd geconcludeerd dat er geen geloofwaardig bewijs is van de invoer van grotere hoeveelheden van dergelijke producten uit de VRC in de EG.

(13)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de CISA haar argument dat OCTG-buizen (voor de oliewinning gebruikte boorpijpen, exploitatiebuizen en bekledingsbuizen) niet onder de definitie van het betrokken product moeten vallen; zij wees erop dat in andere landen, zoals de Verenigde Staten, OCTG-buizen in het kader van antidumpingonderzoeken tot een afzonderlijke markt behoren. De Chinese overheid („het MOFCOM”) voerde soortgelijke argumenten aan.

(14)

Bovengenoemde argumenten zijn uitvoerig geanalyseerd, waarna werd vastgesteld dat de verschillende soorten naadloze buizen en pijpen, en ook OCTG-buizen, die onder de definitie van het product vallen, dezelfde fysische, chemische en technische eigenschappen hebben, wat betekent dat zij tot dezelfde productcategorie behoren. Het feit dat deze verschillende productsoorten qua eigenschappen en kost- en verkoopprijzen tot op zekere hoogteverschillen, is normaal. Bovendien kan het feit dat andere instanties onderzoek doen naar uitsluitend OCTG-buizen te maken hebben met de bijzonderheden van hun onderzoek, d.w.z. de aard van de aan het onderzoek ten gronde liggende klacht. Inderdaad werd vastgesteld dat de Verenigde Staten-autoriteiten niet hoefden te onderzoeken of OCTG-buizen dezelfde basiseigenschappen hebben als andere naadloze buizen en pijpen. Verder verschafte de bedrijfstak van de Gemeenschap bewijzen voor de onderlinge verwisselbaarheid van OCTG-buizen met gewone uiteinden en andere producten waarop het onderzoek betrekking heeft.

(15)

Ook werd aangevoerd dat bij de definitie van het betrokken product een buitensporig groot belang werd gehecht aan de wanddikte, de uitwendige diameter en de CEV-drempel, terwijl onvoldoende aandacht werd besteed aan technische eigenschappen zoals een grote drukbestendigheid en corrosievastheid en aan het bestaan van speciale normen voor OCTG-buizen van het American Petroleum Institute („API”).

(16)

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, aangezien de wanddikte niet wordt gebruikt voor de afbakening van de reikwijdte van het onderzoek, de uitwendige diameter en de CEV-drempel de meest geschikte elementen voor de identificatie van het betrokken product blijven. De uitwendige diameter wordt ook gebruikt om het product voor statistische en douanedoeleinden te onderscheiden. De CEV-drempel geeft aan in hoeverre een product kan worden gelast; deze drempel is vastgesteld op 0,86 om producten die gemakkelijk kunnen worden gelast te onderscheiden van producten waarvoor dit niet het geval is. Ten tweede blijkt uit door de bedrijfstak van de Gemeenschap verstrekte informatie dat OCTG-buizen net als andere buizen zowel een grote als een geringe drukbestendigheid en corrosievastheid kunnen hebben. Daarom konden noch de drukbestendigheid noch de corrosievastheid als criterium voor de definitie van het betrokken product worden gebruikt. Ten derde heeft het API speciale normen voor OCTG-buizen en lijnpijpen omdat die in de aardolie-industrie worden gebruikt. Voor buizen die in andere sectoren worden gebruikt, gelden evenwel soortgelijke normen, maar van andere organisaties (bv. de ASTM). Het feit dat een norm van een bepaalde organisatie afkomstig is, kan dus geen criterium voor de afbakening van de productomschrijving voor een antidumpingonderzoek zijn. Noch de CISA, noch het MOFCOM heeft derhalve steekhoudende alternatieven voor een betere afbakening van de productomschrijving aangedragen, en zij hebben ook nooit criteria voorgesteld die geschikter zouden zijn om het betrokken product te definiëren, afgezien van de hierboven genoemde grote corrosievastheid en drukbestendigheid. Ook heeft geen van beide partijen een CEV-drempel voorgesteld die een geschiktere drempel zou zijn. Daarom worden de argumenten inzake de definitie van het betrokken product afgewezen.

(17)

Op grond van bovenstaande overwegingen wordt definitief geconcludeerd dat het betrokken product onder meer OCTG-buizen omvat die in de aardolie-industrie worden gebruikt als boorpijpen, exploitatiebuizen en bekledingsbuizen, en worden de overwegingen 14 tot en met 19 van de voorlopige verordening definitief bevestigd.

C.   DUMPING

1.   Behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”)

(18)

Aangezien er geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 20 tot en met 27 van de voorlopige verordening met de BMO-bevindingen definitief bevestigd.

2.   Individuele behandeling („IB”)

(19)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen betoogde de klager dat een van de producenten-exporteurs waaraan voorlopig een IB was toegekend, geen IB had mogen krijgen omdat de staat een meerderheidsbelang in die onderneming zou hebben.

(20)

Nader onderzoek leerde dat de Chinese staat weliswaar (indirect) een aandeel in die onderneming heeft, maar dat de staat in het OT minderheidsaandeelhouder was. Eind 2008 (dus na het OT) verwierf de Chinese staat evenwel een veel groter aandeel in de holding, zodat de staat toen meerderheidsaandeelhouder werd. Bijgevolg was de Commissie van oordeel dat de producent-exporteur in kwestie niet aan de voorwaarden van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldeed en hem geen IB mocht worden toegekend.

(21)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de betrokken onderneming haar argument dat de Chinese staat pas na het OT meer aandelen had verworven. Bovendien betoogde zij dat dit grotere aandelenbezit duidelijk enkel en alleen bedoeld was om de holding in verband met de financiële crisis meer financiële armslag te geven. Zij voerde met name aan dat het grotere aandelenbezit niet van invloed was op de managementstructuur, de samenstelling van de raad van bestuur en de handelsactiviteiten. Volgens de onderneming had de wijziging in het aandelenbezit geen effect op haar besluiten met betrekking tot haar exportactiviteiten, die nog steeds zonder invloed van de staat werden genomen. Verder gaf de onderneming te kennen dat niet was aangetoond dat de staatsinvloed in dit geval van zodanige aard is dat toekenning van een individueel recht ontwijking van de maatregelen mogelijk zou hebben gemaakt.

(22)

Voor de toekenning van een IB moeten producenten-exporteurs aantonen dat zij aan de in artikel 9, lid 5, van de basisverordening genoemde criteria voldoen. Een ervan is dat de meerderheid van de aandelen in private handen moet zijn. Voor de bedoelde onderneming wordt evenwel sinds eind 2008 niet meer aan dat criterium voldaan.

(23)

Hoewel de eigendomsverhoudingen pas na het OT veranderden (maar wel voordat het onderzoek werd afgesloten) en gezien het voorlopige karakter van de bevindingen ten aanzien van de IB, wordt daarom geconcludeerd dat aan deze onderneming geen IB kan worden toegekend omdat zij niet aan de eisen van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldoet.

(24)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de IB werden ontvangen, worden de overwegingen 28 tot en met 32 van de voorlopige verordening, voor zover deze geen betrekking hebben op de in de overwegingen 19 tot en met 23 bedoelde onderneming, definitief bevestigd.

3.   Normale waarde

3.1.   Referentieland

(25)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen gaven drie partijen te kennen dat de Verenigde Staten niet geschikt zijn als referentieland omdat de marktomstandigheden er sterk afwijken van die in de VRC. Ook werd aangevoerd dat de berekening van de normale waarde gebaseerd was op de gegevens van een enkele, met een producent in de Gemeenschap verbonden producent, zodat deze gegevens niet representatief zouden zijn.

(26)

Volgens de basisverordening moet het referentieland op een redelijke wijze worden geselecteerd. Bovenbedoelde partijen verschaften geen deugdelijk bewijsmateriaal om aan te tonen dat de keus van de Verenigde Staten onredelijk was. In het bijzonder betwistten zij niet het concurrentievermogen van de Verenigde Staten-markt; wanneer het hieraan schortte, zou dat bijvoorbeeld van invloed kunnen zijn op het vastgestelde prijspeil. Overigens kwam geen van de partijen in kwestie met een voorstel voor een alternatief referentieland.

(27)

Met het oog op bovenstaande overwegingen wordt definitief geconcludeerd dat de Verenigde Staten een geschikt referentieland zijn, en worden de overwegingen 33 tot en met 38 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.   Vaststelling van de normale waarde

(28)

Aangezien er geen opmerkingen over de vaststelling van de normale waarde werden ontvangen, worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 39 tot en met 44 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Uitvoerprijs

(29)

Aangezien er geen opmerkingen over de vaststelling van de uitvoerprijs werden ontvangen, wordt overweging 45 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   Vergelijking

(30)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen wees een van de producenten-exporteurs erop dat de bij het productcontrolenummer toegepaste vereenvoudiging (met het oog op een hogere mate van vergelijkbaarheid tussen het betrokken product en het soortgelijke product uit het referentieland) tot een oneerlijke vergelijking leidde omdat hierdoor verschillende soorten naadloze buizen en pijpen als één productcategorie werden behandeld. In verband met deze opmerking werd besloten tot een andere groepering van de productcontrolenummers, met een gelijke mate van vergelijkbaarheid, namelijk op basis van de diameter en de wanddikte van de buizen en pijpen.

(31)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen zijn de Chinese uitvoerprijzen af fabriek naar beneden bijgesteld om rekening te houden met alle vervoerskosten. Terzelfder tijd werd de normale waarde verhoogd als gevolg van enkele correcties met betrekking tot vervoer en kortingen.

(32)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de vergelijking werden ontvangen, worden de overwegingen 46 en 47 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.   Dumpingmarge

(33)

Aangezien er geen opmerkingen over de berekening van de dumpingmarge werden ontvangen, worden de overwegingen 48 tot en met 51 van de voorlopige verordening, behoudens de in de overwegingen 30 en 31 vermelde wijzigingen, bevestigd.

(34)

De volgende definitieve dumpingmarges worden vastgesteld, in procenten van de cif-nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

Shandong Luxing Steel Pipe Co. Ltd

64,8 %

Andere medewerkende ondernemingen

48,6 %

Overige

73,1 %

D.   SCHADE

1.   Communautaire productie, bedrijfstak van de Gemeenschap en verbruik in de Gemeenschap

(35)

De CISA voerde aan dat er volgens informatie van een gespecialiseerd bureau (Steel Business Briefing) in 2007 in de EU-27 ten minste 40 communautaire producenten waren die tezamen ongeveer 5,8 miljoen ton van het soortgelijke product produceerden, hetgeen in strijd zou zijn met de gegevens ter zake in de voorlopige verordening. Verder voerde de CISA aan dat het verbruik in de Gemeenschap volgens informatie van de World Steel Association in 2007 ongeveer 4,6 miljoen ton bedroeg, veel meer dus dan in overweging 57 van de voorlopige verordening staat. Een Chinese producent-exporteur voerde soortgelijke argumenten aan.

(36)

Uit onderzoek van de verstrekte informatie bleek dat de gemelde cijfers betrekking hebben op alle naadloze buizen en pijpen, en niet op het soortgelijke product zoals dat wordt gedefinieerd in de voorlopige verordening en hierboven in de overwegingen 10 tot en met 17, dus ook op producten als buizen en pijpen met een diameter van meer dan 406,4 mm en roestvrij stalen buizen en pijpen. Dit verklaart het verschil tussen de informatie in overweging 35 en die in de voorlopige verordening. Overigens waren de namen en adressen van alle bekende communautaire producenten van het betrokken product in de niet-vertrouwelijke versie van de klacht vermeld. Indien er volgens de CISA nog andere producenten van het betrokken product in de Europese Unie waren, had zij tijdig voldoende bewijsmateriaal moeten verstrekken zodat die bedrijven hadden kunnen worden geïdentificeerd en in aanmerking hadden kunnen worden genomen.

(37)

Bovengenoemde argumenten worden daarom afgewezen en de overwegingen 53 tot en met 58 van de voorlopige verordening worden bevestigd.

2.   Invoer uit het betrokken land

a)   Volume, marktaandeel van de betrokken invoer en invoerprijzen

(38)

Naar aanleiding van opmerkingen van de CISA wordt verduidelijkt dat volgens overweging 60 van de voorlopige verordening de marktsegmenten OCTG-buizen en stroomopwekking elk minder dan 5 % van de totale invoer uit de VRC uitmaken. Aangezien er geen argumenten of andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 59 tot en met 63 van de voorlopige verordening bevestigd.

b)   Prijsonderbieding

(39)

Een producent-exporteur, drie communautaire producenten en de klager maakten opmerkingen over de berekening van de prijsonderbiedings- en de schademarge. Deze opmerkingen werden geanalyseerd en waar nodig werden de berekeningen gewijzigd.

(40)

Een van de producenten-exporteurs betoogde dat de correcties die werden aangebracht om de prijzen van de invoer uit de VRC en die van de overeenkomstige door de bedrijfstak van de Gemeenschap verkochte productsoorten op een eerlijke wijze met elkaar te vergelijken, niet geschikt waren omdat geen rekening werd gehouden met de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) en de winst van een onafhankelijke importeur. Volgens de klager waren de correcties daarentegen te groot. Ten aanzien van het argument van de producent-exporteur werd vastgesteld dat Chinese producenten-exporteurs en communautaire producenten hun producten in vele gevallen aan dezelfde afnemers verkochten. Daarom was een nieuwe correctie van de invoerprijzen niet geechtvaardigd. Na onderzoek van het bewijsmateriaal werd geconcludeerd dat de argumenten moesten worden afgewezen, en werden de twee partijen in kennis gesteld van de redenen daarvoor.

(41)

De klager voerde aan dat de berekening van de verschillen in handelsstadium onjuist was omdat de Chinese producenten-exporteurs ook rechtstreeks aan de gebruikers verkochten en dat voor dergelijke verkopen een correctie voor verschil in handelsstadium niet gerechtvaardigd is. Vastgesteld werd dat dit argument voor enkele Chinese producenten-exporteurs juist was; de correctie voor verschil in handelsstadium werd dienovereenkomstig aangepast. Voorts voerde de in overweging 40 bedoelde producent-exporteur aan dat wegens significante volumeverschillen tussen zijn invoer en de verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan de gebruikers het verschil in handelsstadium niet mag worden vastgesteld door de desbetreffende cijfers zonder meer te vergelijken, en stelde hij een andere formule voor de berekening van een herziene correctie voor verschillen in handelsstadium voor. De voorgestelde formule werd evenwel niet geschikt geacht omdat de resultaten hierdoor zouden worden verstoord. Het verzoek werd derhalve afgewezen.

(42)

Op grond van bovenstaande overwegingen wordt de in overweging 64 van de voorlopige verordening beschreven methode bevestigd en wordt de prijsonderbiedingsmarge, berekend zoals uiteengezet in overweging 65 van de voorlopige verordening, vastgesteld op 29 %.

3.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(43)

De CISA voerde aan dat een aantal in de steekproef opgenomen communautaire producenten geen volledig ingevulde vragenlijst hadden ingediend, zodat er sprake was van een geringe mate van medewerking die afbreuk deed aan de representativiteit van de steekproef. Afgezien van de in overweging 66, onder ii), van de voorlopige verordening bedoelde onderneming, die alleen gedeeltelijke informatie had ingediend, hebben alle in de steekproef opgenomen ondernemingen uiterlijk in de definitieve fase van het onderzoek alle gevraagde informatie verstrekt. Ook wanneer de enige onderneming die alleen gedeeltelijke informatie had verstrekt, buiten beschouwing wordt gelaten, is de steekproef met ongeveer 60 % van de totale communautaire productie representatief. Het argument werd daarom van de hand gewezen.

(44)

Voorts betoogde de CISA dat in tegenstelling tot hetgeen in overweging 86 van de voorlopige verordening werd beweerd, een grote communautaire producentengroep na het OT aanzienlijk had geïnvesteerd in de uitbreiding van zijn productiecapaciteit voor buizen voor de kernenergiesector. Deze informatie werd gecontroleerd, waarbij werd vastgesteld dat de betrokken investeringen waren gedaan om de productiecapaciteit voor andere producten dan het soortgelijke product (namelijk buizen en pijpen van roestvrij staal en gelaste buizen en pijpen) te vergroten. Het argument werd daarom van de hand gewezen.

(45)

Volgens de CISA en een Chinese producent-exporteur werd in overweging 87 van de voorlopige verordening ten onrechte beweerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog herstellende was van de gevolgen van eerdere dumping, want de klacht werd gesteund door ten minste drie Roemeense ondernemingen die tot medio 2006 zelf aan antidumpingmaatregelen onderworpen waren. Overweging 87 heeft evenwel duidelijk betrekking op de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel en niet op individuele ondernemingen; het is daarom normaal dat de situaties van individuele ondernemingen van elkaar kunnen afwijken zonder dat dit van invloed is op de algemene bevinding voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Het argument werd daarom van de hand gewezen.

(46)

Aangezien er geen andere argumenten of opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 66 tot en met 87 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Conclusie inzake schade

(47)

Het MOFCOM, de CISA en twee Chinese producenten-exporteurs voerden aan dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aan het eind van het OT niet kwetsbaar was, vooral gezien de recente hoge winstcijfers. De redenen waarom de bedrijfstak van de Gemeenschap aan het eind van het OT kwetsbaar werd geacht, zijn uiteengezet in overweging 89 van de voorlopige verordening. Daarin werd erkend dat de in het OT geleden schade weliswaar niet aanmerkelijk was, maar werd ook uitgelegd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap als gevolg van het grote aandeel van de invoer met dumping op de communautaire markt, aan de schadelijke gevolgen van dergelijke invoer met dumping zou worden blootgesteld, mochten de marktomstandigheden aanzienlijk veranderen. In dit verband mag niet uit het oog worden verloren dat de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts ten dele kon profiteren van de aanzienlijke toename van het verbruik en dat zijn marktaandeel in de beoordelingsperiode met vijf procentpunten is teruggelopen, zoals vermeld in overweging 88 van de voorlopige verordening. Bovendien wil het feit dat een bedrijfstak gedurende een uitzonderlijk gunstige periode met een zeer grote vraag goede winstcijfers laat zien, nog niet zeggen dat hij zich structureel in een solide economische en financiële positie bevindt, vooral indien de winst van dezelfde bedrijfstak voordien uiterst gering was of er zelfs verlies werd geleden. Zoals in overweging 86 van de voorlopige verordening al werd vermeld, was het door de vroegere slechte economische prestaties als gevolg van dumpingpraktijken niet mogelijk geweest het voor een langdurige levensvatbaarheid van deze zeer kapitaalintensieve bedrijfstak benodigde investeringsniveau op peil te houden. Ten slotte werd de EG-markt aan het eind van het OT opnieuw gekenmerkt door een aanzienlijk aandeel van zeer laaggeprijsde met dumping ingevoerde producten. Deze marktsituatie kon zeer gevaarlijk worden, want in het verleden, toen het niveau van de vraag nog normaal was, had een soortgelijke marktsituatie (die werd geanalyseerd in Verordening (EG) nr. 954/2006 van de Raad (6) de bedrijfstak van de Gemeenschap al ernstige schade toegebracht. Het argument wordt daarom afgewezen.

(48)

Een van de Chinese producenten-exporteurs betoogde verder dat in overweging 89 van de voorlopige verordening niet werd aangetoond dat de verandering in de daarin genoemde marktomstandigheden „voor een nabije toekomst duidelijk te voorzien is”, zoals de antidumpingovereenkomst van de WTO vereist. Een wijziging van de marktsituatie viel te verwachten, want het verbruik kan normaliter niet zeer lang op een uitzonderlijk hoog peil blijven. De analyse in de overwegingen 90 tot en met 126 van de voorlopige verordening wees op een duidelijke verslechtering, die in feite over een bepaalde periode plaatsvond. Dat het enige tijd duurt totdat sommige elementen en indicatoren van positieve in negatieve waarden verkeren, is niet in strijd met het feit dat dergelijke negatieve effecten in het licht van de bestaande tendensen al kunnen worden verwacht. Aan het eind van het OT kon de dreigende schade duidelijk worden voorzien en was het begin van de negatieve ontwikkeling die tot schade zou leiden ophanden, omdat de vraag in de laatste maanden van het OT al wat was ingezakt. Het argument werd daarom van de hand gewezen.

(49)

Aangezien er geen andere argumenten en opmerkingen werden ontvangen, wordt de conclusie inzake schade in de overwegingen 88 en 89 van de voorlopige verordening bevestigd.

E.   DREIGENDE SCHADE

1.   Waarschijnlijke ontwikkeling van het verbruik in de Gemeenschap, de invoer uit het betrokken land en de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap na het onderzoektijdvak

1.1.   Analyse uitgevoerd na de voorlopige maatregelen

(50)

Zoals in overweging 5 al werd vermeld, werd naar alle in de steekproef opgenomen communautaire producenten en naar de klager een aanvullende vragenlijst gezonden om nadere informatie te krijgen over de marktontwikkelingen en de ontwikkeling van de belangrijkste schade-indicatoren tot maart 2009. Ook werden de meest recente invoergegevens van Eurostat zorgvuldig geanalyseerd. Ter volledigheid worden hieronder de cijfers voor de tijd tussen het eind van het OT en maart 2009 („de tijd na het OT”) gegeven. Aangezien deze cijfers betrekking hebben op een periode van maar negen maanden, worden er geen volume-indexcijfers gegeven.

(51)

Na het OT liep het verbruik in de Gemeenschap aanzienlijk terug, nog sneller dan in overweging 91 van de voorlopige verordening werd verwacht. Tussen het eind van het OT en maart 2009 is de communautaire markt al met bijna 30 % (7) ingezakt.

 

2005

2006

2007

OT

Tijd na het OT

Verbruik in de Gemeenschap

2 565 285

2 706 560

3 150 729

3 172 866

1 720 968

(52)

Terzelfder tijd nam ook de invoer uit de VRC sterk af, maar door de nog sterkere inkrimping van het verbruik in de Gemeenschap steeg het marktaandeel van die invoer met ongeveer 18 %. De prijzen van de invoer uit de VRC stegen overeenkomstig de in overweging 98 van de voorlopige verordening vermelde cijfers.

VRC

2005

2006

2007

OT

Tijd na het OT

Invoervolume

26 396

136 850

470 413

542 840

306 866

Marktaandeel

1,0 %

5,1 %

14,9 %

17,1 %

17,8 %

Index (2005 = 100)

100

491

1 451

1 663

1 733

Uitvoerprijs

766,48

699,90

699,10

715,09

966,63

Index (2005 = 100)

100

91

91

93

138

(53)

In dezelfde periode nam ook de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap sterk af, zodat de bezettingsgraad van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in maart 2009 tot 60 % is gedaald. De verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt daalden sterk, maar in gelijke tred met de afname van het verbruik in de Gemeenschap, zodat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet veranderde. Nadat de prijzen in de tweede helft van 2008 waren gestegen, daalden zij in het eerste kwartaal van 2009, maar bleven wel hoger dan in het OT.

In de steekproef opgenomen communautaire producenten

2005

2006

2007

OT

Tijd na het OT

Productie

2 022 596

2 197 964

2 213 956

2 158 096

1 477 198

Productiecapaciteit

2 451 187

2 469 365

2 446 462

2 398 283

1 889 180

Bezettingsgraad

83 %

89 %

90 %

90 %

78 %

Index (2005 = 100)

100

108

110

109

88

Bedrijfstak van de Gemeenschap

2005

2006

2007

OT

Tijd na het OT

Verkoopvolume EG

1 766 197

1 907 126

2 061 033

2 017 525

1 093 175

Marktaandeel

68,8 %

70,5 %

65,4 %

63,6 %

63,5 %

Index (2005 = 100)

100

102

95

92

90

In de steekproef opgenomen communautaire producenten

2005

2006

2007

OT

Tijd na het OT

Verkoopprijs EG

983

1 047

1 188

1 192

1 415

Index (2005 = 100)

100

106

121

121

135

(54)

Ten slotte is de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk teruggelopen, nog sneller dan in overweging 110 van de voorlopige verordening werd vermeld, zodat deze in het eerste kwartaal van 2009 negatief (– 0,8 %) was.

In de steekproef opgenomen communautaire producenten

2005

2006

2007

OT

Tijd na het OT

Winstgevendheid

12,1 %

17,3 %

17,9 %

15,4 %

3,5 %

Index (2005 = 100)

100

143

147

127

20

(55)

Conclusie: de in de definitieve fase van het onderzoek verzamelde en gecontroleerde aanvullende informatie bevestigt de in de overwegingen 90 tot en met 112 van de voorlopige verordening gegeven analyse.

1.2.   Opmerkingen van diverse partijen

(56)

Eén producent-exporteur voerde aan dat het onderzoek van de schade, anders dan dat van de dumping, zich tot na het OT had uitgestrekt; de analyse werd immers ook gebaseerd op informatie en gegevens over de periode na juni 2008.

(57)

Om te beginnen wordt eraan herinnerd dat het OT en de beoordelingsperiode de basis vormen voor de beoordeling van de dreigende schade in de voorlopige verordening. In een zaak die betrekking heeft op dreigende schade, kan de voor het OT vastgestelde schade per definitie niet aanmerkelijk zijn, want dan zou het bij dat onderzoek gaan om werkelijke aanmerkelijke schade. De onderzoekende autoriteit moet daarom nagaan of de in artikel 3, lid 9, van de basisverordening genoemde factoren tot de conclusie leiden dat aanmerkelijke schade dreigt, ook al is er in het OT nog geen sprake van aanmerkelijke schade. Daarom is de onderzoekende autoriteit gerechtigd te controleren of na het eind van het OT plaatsvindende gebeurtenissen de bevinding in de voorlopige fase dat schade dreigt, bevestigen.

(58)

Het MOFCOM, de CISA en één Chinese producent-exporteur waren van oordeel dat uit overweging 91 van de voorlopige verordening niet duidelijk bleek wat de bron van de gebruikte informatie was en dat de prognoses en de andere informatie die door de communautaire producenten of de klager waren ingediend en waarnaar in de overwegingen 99, 101 en 108 van de voorlopige verordening werd verwezen, niet uit een objectieve bron afkomstig waren. Het MOFCOM betoogde voorts dat de onderzoekende autoriteit door het gebruik van dergelijke informatie niet de zorgvuldigheid had betracht die de antidumpingovereenkomst van de WTO bij onderzoeken naar dreigende schade verlangt.

(59)

Het uitvoerige bewijsmateriaal betreffende de verschillende bronnen van de in overweging 91 van de voorlopige verordening vermelde openbare informatie was ruim voor de publicatie van de voorlopige verordening beschikbaar in de dossiers die door de belanghebbenden konden worden geraadpleegd. De prognoses en de andere door de bedrijfstak van de Gemeenschap verstrekte informatie werden gecontroleerd en alleen in aanmerking genomen wanneer en voor zover die informatie betrouwbaar en nauwkeurig werd geacht. Dat de informatie was gecontroleerd, was al specifiek vermeld in overweging 100 van de voorlopige verordening, terwijl na de instelling van de voorlopige maatregelen nog aanvullende controlebezoeken werden uitgevoerd, zoals in overweging 5 is vermeld.

(60)

De in de overwegingen 56 en 58 genoemde argumenten worden daarom afgewezen.

(61)

De CISA voerde aan dat bij de beoordeling van de ontwikkeling van de invoer uit de VRC na het OT niet alleen rekening had moeten worden gehouden met de werkelijke invoer, maar ook met de ontvangen orders, omdat de werkelijke invoer gewoonlijk pas drie tot vier maanden na het plaatsen van de order plaatsvindt. Door dit tijdsverschil komt elke verandering in de hoogte van de vraag op de EG-markt pas na een paar maand in de werkelijke invoer tot uiting, wat zou verklaren waarom de invoer uit de VRC in november en december 2008 nog hoog was, terwijl de vraag op de EG-markt al begon af te nemen. Soortgelijke opmerkingen kwamen van een Chinese producent-exporteur.

(62)

Gewoonlijk wordt bij de beoordeling van de omvang en de gemiddelde prijzen van de invoer uit een bepaald land uitgegaan van de werkelijke invoer. Informatie over ontvangen orders kan in aanmerking worden genomen ter ondersteuning van andere informatie, maar kan maar zelden met voldoende controleerbaar bewijsmateriaal worden gestaafd. In elk geval is bij de analyse van het argument gebleken dat het verbruik in de Gemeenschap al in het derde kwartaal van 2008 begon af te nemen. Dit feit had dus al, bij een tijdsverschil van drie tot vier maanden, tot uiting moeten komen in de cijfers voor de invoer uit de VRC in het vierde kwartaal van 2008, maar die waren toen nog vrij hoog. Bovendien zou de scherpe daling van de invoer uit de VRC in het eerste kwartaal van 2009 gezien het tijdsverschil van drie tot vier maanden in verband kunnen staan met de verwachte antidumpingmaatregelen, en niet met de geringere vraag. Misschien waren de importeurs steeds minder bereid orders te plaatsen omdat de goederen dan zouden kunnen arriveren op een moment dat er wellicht al antidumpingmaatregelen waren ingesteld. De conclusie luidt derhalve dat een analyse op basis van ontvangen orders in plaats van op de werkelijke invoer alleen tot onzekerheid in het onderzoek zou hebben geleid, zonder dat er sprake was geweest van een significant andere conclusie. Het argument van de CISA ter zake wordt daarom verworpen.

(63)

Het MOFCOM, de CISA en een Chinese producent-exporteur voerden aan dat volgens diverse persberichten en/of jaarverslagen van enkele groepen communautaire producenten 2008 voor hen een goed jaar was geweest, wat in strijd zou zijn met de bevinding in de voorlopige verordening, met name in overweging 110, dat er schade dreigde.

(64)

Bij het onderzoek van dit argument werd vastgesteld dat de informatie waarnaar de CISA verwees, niet specifiek betrekking had op de Europese bedrijven waar het betrokken product werd geproduceerd. Zoals in overweging 44 al werd vermeld, zijn grote ondernemingsgroepen samengesteld uit diverse bedrijven die vaak zeer uiteenlopende producten vervaardigen. De algemene informatie betreffende een ondernemingsgroep als zodanig hoeft daarom niet representatief te zijn voor de economische situatie van de specifieke bedrijven die het betrokken product vervaardigen en op de communautaire markt verkopen. Ten slotte wordt eraan herinnerd dat de voor het onderzoek gebruikte informatie over de ondernemingen die het betrokken product vervaardigden, terdege was gecontroleerd. Het argument wordt daarom afgewezen.

(65)

Aangezien er geen andere opmerkingen ten aanzien van de overwegingen 90 tot en met 112 van de voorlopige verordening werden ontvangen, worden de daarin opgenomen bevindingen bevestigd.

2.   Dreigende schade

2.1.   Ontwikkeling van het volume van de invoer met dumping

(66)

Volgens de CISA was de in overweging 114 van de voorlopige verordening vermelde toename van de invoer uit de VRC het gevolg van een grotere vraag op de EG-markt. Soortgelijke opmerkingen kwamen van het MOFCOM en een Chinese producent-exporteur. De CISA wees ook de opvatting van de hand dat de ontwikkeling van de invoer uit de VRC het gevolg kon zijn van een strategische marktpenetratie, en benadrukte dat het onmogelijk is de Chinese uitvoer als gecoördineerde strategie te zien omdat deze van een groot aantal Chinese producenten afkomstig is.

(67)

Als de ontwikkeling van de invoer uit de VRC werkelijk zou voortvloeien uit de grotere vraag op de communautaire markt, zoals de CISA beweert, was het marktaandeel van die invoer min of meer stabiel gebleven, en was deze niet in de beoordelingsperiode van 1 % tot 17 % gestegen. De aanzienlijke toename van het marktaandeel van de invoer uit de VRC en het feit dat dit marktaandeel zich volledig anders ontwikkelde dan dat van de bedrijfstak van de Gemeenschap en dat van de invoer uit andere bronnen, wijst er duidelijk op dat aan de toename van de invoer uit de VRC andere elementen ten grondslag liggen. Deze conclusie wordt verder gesteund door het feit dat de invoer uit de VRC steeds tegen zeer lage dumpingprijzen plaatsvond, zoals in de overwegingen 63 tot en met 65 van de voorlopige verordening is uiteengezet. Bovendien hoeven exporteurs niet tot een gezamenlijke strategie te komen om toch een gelijk gedrag te ontwikkelen. Zodra duidelijk wordt dat bij een bepaald zeer laag prijspeil een succesvolle marktpenetratie mogelijk is, zal waarschijnlijk een convergentie naar een dergelijke succesvolle marktstrategie plaatsvinden zonder dat de exporteurs hun strategieën moeten coördineren. Daarom worden de argumenten in overweging 66 afgewezen en de bevindingen in overweging 114 van de voorlopige verordening bevestigd.

(68)

Verder voerde de CISA aan dat, in tegenstelling tot de beoordeling in de overwegingen 115 en 116 van de voorlopige verordening, de invoer uit de VRC in de tijd na het OT aanzienlijk afnam. Het is inderdaad juist dat, zoals in overweging 52 al is aangegeven, de invoer uit de VRC in de tijd na het OT sterk daalde. Uit overweging 116 van de voorlopige verordening blijkt echter duidelijk dat het niet zozeer om het volume van die invoer in absolute cijfers gaat, maar om de omvang in relatie tot het verbruik, met andere woorden om het marktaandeel op de totale communautaire markt. Zoals in overweging 52 ook is gezegd, is het marktaandeel van het betrokken product uit de VRC in de tijd na het OT licht toegenomen hoewel het volume in absolute cijfers terugliep. Overwegende dat i) de beoordeling op grond van de redenering in de overwegingen 115 en 116 van de voorlopige verordening gebaseerd was op de meest recente betrouwbare informatie over de invoer die ten tijde van de opstelling van de voorlopige bevindingen beschikbaar was, d.w.z. de invoergegevens voor november en december 2008, ii) deze gegevens in overeenstemming waren met de ontwikkeling van de invoer uit de VRC tot dat tijdstip, en iii) de redenering op relatieve en niet op absolute cijfers gebaseerd was, wordt geconcludeerd dat de beoordeling in de overwegingen 115 en 116 van de voorlopige verordening niet in strijd is met de in overweging 52 vermelde bevindingen. In elk geval kan de invoer uit de VRC om de in overweging 134 van de voorlopige verordening genoemde redenen door zijn omvang worden gezien als een element dat kan duiden op dreigende schade, ook al zouden de ingevoerde hoeveelheden sterker afnemen dan het verbruik, want de aanwezigheid van grote hoeveelheden laaggeprijsde Chinese goederen alleen al zal bij een afnemend verbruik een flinke neerwaartse druk op de algemene prijspeil op de markt uitoefenen. In elk geval behoeft geen van de in artikel 3, lid 9, van de basisverordening genoemde factoren op zich doorslaggevend te zijn voor de vaststelling van dreigende schade. Alle factoren moeten tezamen in aanmerking worden genomen. Het argument wordt daarom afgewezen en de bevindingen in overweging 115 van de voorlopige verordening worden bevestigd.

2.2.   Vrije capaciteit bij de exporteurs

(69)

De CISA betoogde dat de analyse in overweging 118 van de voorlopige verordening gebaseerd was op gegevens van de in de steekproef opgenomen exporteurs; het ging hierbij om de ondernemingen die het meest op de uitvoer gericht zijn, zodat hun gegevens de algemene situatie ten aanzien van de uitvoer uit de VRC niet correct weergeven. In plaats daarvan zou het in overweging 119 van de voorlopige verordening vermelde aandeel van de Chinese uitvoer naar de Europese Gemeenschap in de totale Chinese uitvoer in 2008 zijn afgenomen van 15 % naar 11 %. Ten slotte zou in de analyse in de overwegingen 117 tot en met 119 van de voorlopige verordening geen rekening zijn gehouden met de ontwikkeling van de vraag op de Chinese binnenlandse markt, die volgens de prognoses een groot deel van de productie uit de huidige overcapaciteit zal opnemen. In dit verband werd gewezen op een groot aantal projecten en plannen van de Chinese overheid om de binnenlandse vraag te steunen. Ook het MOFCOM voerde aan dat de ontwikkeling van de vraag op de Chinese binnenlandse markt in de voorlopige verordening niet was onderzocht.

(70)

De bevindingen met betrekking tot de in de steekproef opgenomen ondernemingen in overweging 118 van de voorlopige verordening worden duidelijk bevestigd door de trend in de algemene uitvoergegevens (overweging 119 van de voorlopige verordening), die op een zelfs nog grotere toename van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap in de beoordelingsperiode wezen. De CISA heeft geen doorslaggevend bewijs aangedragen ter onderbouwing van haar argument dat het aandeel van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap in de totale Chinese uitvoer van het betrokken product in 2008 niet langer zou stijgen, maar juist zou afnemen. In dit verband moet worden opgemerkt dat de gegevens uit de Chinese statistiek duidelijk betrekking hebben op een productomschrijving die aanzienlijk afwijkt van die van het betrokken product: niet alleen is de uitvoer naar Europa in deze statistiek veel groter dan de door Eurostat geregistreerde invoer voor het betrokken product, maar deze geeft ook een volledig andere ontwikkeling te zien. Het verstrekte bewijs kon daarom niet worden aanvaard. Wat de projecten van de Chinese overheid ter bevordering van de binnenlandse vraag betreft, kan het aangevoerde bewijsmateriaal niets veranderen aan de analyse omdat de effecten ervan op de vraag niet betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Bovendien is het voor de meeste genoemde projecten niet duidelijk of zij ook worden voltooid. Ten slotte lijkt het bij sommige door de CISA genoemde pijpleidingprojecten te gaan om projecten waarbij gebouwd wordt met grote gelaste pijpen en niet met de naadloze pijpen waarom het in deze procedure gaat. De argumenten in overweging 69 worden derhalve afgewezen.

(71)

De CISA was ook van mening dat in overweging 119 van de voorlopige verordening ten onrechte gewag werd gemaakt van een verleggingsscenario omdat de Chinese uitvoer naar de Verenigde Staten vooral zou bestaan uit producten (OCTG-buizen) die niet in grote hoeveelheden in de Europese Gemeenschap worden ingevoerd. De CISA voerde ook aan dat de prijzen voor de Europese Gemeenschap niet noodzakelijkerwijs lager waren dan die voor andere landen, maar dat de Europese Gemeenschap tot dusverre juist een aantrekkelijke markt voor de Chinese uitvoer is. Ten aanzien van dit argument moet worden vastgesteld dat de analyse in overweging 119 van de voorlopige verordening gebaseerd was op statistische gegevens die geen gedetailleerde verwijzingen naar specifieke productsoorten bevatten. In elk geval moet worden opgemerkt dat de voor de vervaardiging van het betrokken product benodigde uitrusting in zeer ruime mate ook gebruikt kan worden voor de vervaardiging van diverse andere soorten naadloze buien en pijpen. Het feit dat een bepaalde soort buizen als de OCTG-buizen niet in grote hoeveelheden in de Europese Gemeenschap wordt ingevoerd, is dan ook niet relevant voor de overweging inzake mogelijk beschikbare vrije capaciteit, want de voor de vervaardiging van dergelijke buizen gebruikte uitrusting kan eenvoudig worden aangepast voor de vervaardiging van andere soorten van het betrokken product die in veel grotere hoeveelheden op de EG-markt worden ingevoerd. Daarom worden de argumenten in overweging 66 afgewezen en de bevindingen in de overwegingen 117 tot en met 119 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.3.   Prijzen van de invoer uit de VRC

(72)

De CISA betoogde dat de prijzen van de invoer uit de VRC na het OT aanzienlijk zijn gestegen, maar de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet, zodat de prijsonderbieding ten tijde van het OT nadien aanzienlijk is verminderd of zelfs is opgeheven.

(73)

Zoals in de overwegingen 98 en 122 van de voorlopige verordening al is aangegeven, zijn de prijzen van de invoer uit diverse bronnen en ook uit de VRC na het OT aanzienlijk gestegen, net zoals de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Uit een analyse van de prijslijsten van de bedrijfstak van de Gemeenschap na het OT en van de prijzen van vergelijkbare uit de VRC ingevoerde producten is gebleken dat de prijsbewegingen parallel verliepen. Er werd dus geen bewijs gevonden ter staving van de stelling dat de in het OT vastgestelde prijsonderbieding aanzienlijk is verminderd of zelfs zou zijn opgeheven. De bevindingen in de overwegingen 120 tot en met 123 van de voorlopige verordening worden daarom bevestigd.

2.4.   Omvang van de voorraden

(74)

Aangezien geen opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de bevindingen in overweging 124 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.5.   Andere elementen

(75)

Volgens de CISA ging het bij de in overweging 125 van de voorlopige verordening genoemde mogelijke interventie van de Chinese overheid om een niet op feiten gebaseerd vermoeden. Zoals in de overwegingen 19 tot en met 23 is vermeld, is uit het onderzoek evenwel gebleken dat de in de voorlopige fase aan een van de Chinese producenten-exporteurs toegekende individuele behandeling later wegens de grotere omvang van de staatsbemoeienis — als gevolg van de slechter wordende economische situatie na het OT — moest worden ingetrokken. Dit feit geeft duidelijk steun aan de bevinding in overweging 125 van de voorlopige verordening, zodat het argument wordt afgewezen.

2.6.   Conclusies

(76)

Om te beginnen wordt opgemerkt dat de dreigende schade pas is vastgesteld nadat onder meer alle in artikel 3, leden 5 en 9, van de basisverordening genoemde factoren waren onderzocht.

(77)

De CISA betoogde dat de bevindingen in de voorlopige verordening niet aan de WTO-normen voor dit soort onderzoek voldeden, daar zij op bewijsmateriaal moeten berusten en niet het resultaat mogen zijn van veronderstellingen, ramingen of vage mogelijkheden; uit de prognoses en hypotheses moet een hoge mate van waarschijnlijkheid blijken; en alternatieve verklaringen voor een bepaalde conclusie moeten worden onderzocht.

(78)

In de voorlopige verordening wordt duidelijk aangegeven waarop de bevindingen ten aanzien van de verschillende elementen van het onderzoek berustten. Dit werd ondersteund door bewijsmateriaal, zoals statistische gegevens van Eurostat, antwoorden van medewerkende ondernemingen op vragenlijsten, door de klager verstrekte informatie over niet in de steekproef opgenomen ondernemingen, door belanghebbenden verstrekte informatie en andere, in de loop van het onderzoek op internet aangetroffen informatie. Al deze informatie kon, voor zover zij niet vertrouwelijk was, door belanghebbenden worden geraadpleegd.

(79)

De elementen met betrekking tot het onderzoek van de dreigende schade werden afzonderlijk en in detail in de voorlopige verordening bestudeerd, terwijl in de definitieve fase van het onderzoek, d.w.z. in de in deze verordening opgenomen bevindingen, — voor zover mogelijk — werd onderzocht en gecontroleerd in hoeverre de in de voorlopige fase opgestelde hypotheses en prognoses werkelijkheid zijn geworden. Er werden geen feiten, bewijzen of aanwijzingen gevonden die in strijd zouden zijn met de bevindingen in de voorlopige verordening. De prognoses en hypotheses in de voorlopige verordening waren derhalve geen vermoedens of veronderstellingen, maar het resultaat van een grondige analyse van de situatie.

(80)

Wat de in overweging 78 bedoelde verklaringen en interpretaties betreft, zij opgemerkt dat deze — net als die welke door de belanghebbenden naar voren werden gebracht — tijdens het onderzoek terdege zijn onderzocht en in deze en in de voorlopige verordening zijn behandeld.

(81)

Conclusie: het onderzoek van de ontwikkelingen na het eind van het OT en de analyse van de opmerkingen en constateringen van de belanghebbenden over de voorlopige verordening en over de mededeling van de definitieve bevindingen heeft geen bewijzen opgeleverd die de conclusie dat er vanaf het eind van het OT aanmerkelijke schade dreigde, op losse schroeven zetten. Daarom wordt het in overweging 77 opgenomen argument van de CISA afgewezen en worden de bevindingen in overweging 126 van de voorlopige verordening bevestigd.

F.   OORZAKELIJK VERBAND

1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(82)

Omdat geen specifieke opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 128 tot en met 135 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Gevolgen van andere factoren

a)   Import- en exportactiviteiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(83)

De CISA betoogde dat het feit dat de bedrijfstak van de Gemeenschap het betrokken product uit de VRC en andere landen invoerde, aantoonde dat hij over onvoldoende capaciteit beschikte om aan de vraag op de communautaire markt te voldoen. De reden hiervoor was dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in nieuwe productiecapaciteit had geïnvesteerd en zich vooral concentreerde op hoogwaardiger marktsegmenten. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat in overweging 136 van de voorlopige verordening werd uitgelegd dat die invoer op niet meer dan 2 % van de totale invoer uit de VRC werd geschat, terwijl er geen bewijs werd aangevoerd om aan te tonen dat het bedrag hoger was.

(84)

Verder vroeg de CISA zich af wat precies de redenen waren voor de in overweging 138 van de voorlopige verordening vermelde invoer door de groep ondernemingen in kwestie. Deze zaak werd nader onderzocht en bevestigd werd dat bepaalde productsoorten om redenen van kosteneffectiviteit door niet-Europese bedrijven van de groep werden vervaardigd. Zoals in overweging 138 van de voorlopige verordening al werd vermeld, is gecontroleerd of er bij die invoer geen sprake was van onderbieding van de communautaire prijs voor dezelfde productsoorten.

(85)

Ten slotte wees de CISA op een schijnbare inconsistentie tussen de vrij positieve schatting die de bedrijfstak van de Gemeenschap van zijn toekomstige uitvoer maakte en de algemene economische tendensen voor de markten van derde landen, die volgens de prognoses juist zouden verslechteren. In dit verband moet worden opgemerkt dat de analyse van de uitvoeractiviteiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap geen gevolgen heeft voor de vaststelling van schade of dreigende schade, die uitsluitend betrekking heeft op de activiteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap ten aanzien van het soortgelijke product op de communautaire markt. Als enkele van de communautaire producenten optimistisch zijn over hun uitvoeractiviteiten, kan dit alleen hebben geleid tot een te positieve prognose van hun algemene economische prestaties, maar het kan niet van invloed zijn op hun prestaties op de binnenlandse markt, die afzonderlijk worden geanalyseerd.

(86)

Daarom worden de argumenten in de overwegingen 83 tot en met 85 afgewezen en de bevindingen in de overwegingen 136 tot en met 141 van de voorlopige verordening bevestigd.

b)   Invoer uit derde landen

(87)

Bovendien voerde de CISA aan dat het niet volstaat de gemiddelde prijs van de invoer uit andere niet-EU-landen te onderzoeken, maar dat ook moet worden gekeken naar de precieze aard van deze producten. Bevestigd wordt dat telkens wanneer importeurs voldoende gedetailleerde informatie over prijzen beschikbaar stelden, er een uitvoerige analyse is gemaakt. Helaas zijn handelsstatistieken niet erg gedetailleerd, terwijl er door de vrij geringe medewerking van importeurs bij dit onderzoek voor de invoer uit andere landen slechts weinig gedetailleerde informatie over prijzen per product beschikbaar waren. Er werd evenwel door geen van de partijen met bewijsmateriaal gestaafde informatie verstrekt die tot een conclusie leidt die afwijkt van hetgeen in de overwegingen 142 tot en met 145 van de voorlopige verordening werd vermeld, zodat de bevindingen uit die overwegingen worden bevestigd.

c)   Concurrentie van andere communautaire producenten

(88)

Aangezien er geen specifieke opmerkingen ter zake werden ontvangen, wordt overweging 146 van de voorlopige verordening bevestigd.

d)   Productiekosten/kosten van grondstoffen

(89)

De CISA betoogde dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn productmix had gewijzigd om zich te concentreren op productsoorten met een hogere verkoopprijs, teneinde de gevolgen van een stijging van de productiekosten binnen de perken te houden. Hieruit zou blijken dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, anders dan in overweging 149 van de voorlopige verordening werd vermeld, voldoende middelen had om hogere kosten door te berekenen in de verkoopprijzen.

(90)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft in de loop van de tijd zeker geprobeerd zijn winst te maximaliseren door hogere kosten door te berekenen in de verkoopprijzen. Dit kan echter niet altijd maar doorgaan, en er komt een moment dat prijsverhogingen wegens de concurrentie op de markt niet langer mogelijk zijn. In een markt waar soortgelijke goederen tegen aanmerkelijk lagere prijzen worden verkocht, wordt de ruimte voor prijsverhogingen kleiner naarmate het marktaandeel van de laaggeprijsde goederen groter wordt. De opmerkingen van de CISA zijn derhalve niet in strijd met de bevindingen in de overwegingen 147 tot en met 149 van de voorlopige verordening, die dan ook worden bevestigd.

e)   Het inzakken van de communautaire markt voor naadloze buizen en pijpen ten gevolge van de economische teruggang

(91)

Het MOFCOM, de CISA en een Chinese producent-exporteur voerden aan dat de mondiale economische teruggang ten gronde ligt aan de economische problemen van de bedrijfstak van de Gemeenschap en zij concludeerden dat dit het oorzakelijk verband tussen de invoer uit de VRC en de beweerde schade of dreigende schade heeft verbroken. In dit verband moet worden opgemerkt dat de CISA zelf heeft erkend dat het verbruik op de markt tussen 2005 en het eind van het OT doorgaans uitzonderlijk hoog was en dat de afname van de vraag in het OT grotendeels kan worden toegeschreven aan het feit dat de markt voor dit product weer tot rust kwam. Het is niet duidelijk of de algemene economische teruggang als oorzaak van de schade kan worden beschouwd omdat uit de beschikbare informatie alleen blijkt dat het verbruik in de Europese Gemeenschap in de tijd na het OT weer op een niveau is gekomen dat voorheen normaal werd geacht. Dit lijkt erop te wijzen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap het aan de buitengewone omvang van het verbruik in de Gemeenschap in de beoordelingsperiode te danken heeft dat hij ondanks het grote marktaandeel van en de aanmerkelijke prijsonderbieding door de invoer met dumping uit de VRC geen aanmerkelijke schade heeft geleden. In elk geval wordt in overweging 150 van de voorlopige verordening niet uitgesloten dat de algemene economische teruggang mede de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap na het OT kan hebben veroorzaakt. Men kan echter niet stellen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap alleen door de gevolgen van de algemene economische teruggang schade heeft ondervonden en dat de invoer met dumping geen gevolgen had, terwijl duidelijk is dat het marktaandeel van de met dumping ingevoerde producten zeer groot was en dat er sprake was van een aanzienlijke onderbieding van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Het argument dat de economische teruggang het in de overwegingen 128 tot en met 135 van de voorlopige verordening genoemde oorzakelijke verband heeft verbroken, wordt daarom verworpen, terwijl in overweging 104 wordt ingegaan op de eventuele gevolgen die het ten opzichte van het OT gewijzigde economische klimaat voor de vaststelling van de hoogte van de maatregelen heeft.

(92)

De argumenten worden derhalve afgewezen en overweging 150 van de voorlopige verordening wordt bevestigd.

f)   Andere factoren

(93)

De CISA merkte op dat sommige communautaire producenten met hun afnemers kaderovereenkomsten tegen vooraf overeengekomen prijzen hebben gesloten, zodat de prijzen voor hen stabiel zijn gebleven. Terzelfder tijd zouden zij soortgelijke overeenkomsten tegen vaste prijzen hebben gesloten met hun leveranciers van ijzererts en andere grondstoffen, zodat zij niet konden profiteren van de sterke prijsdaling voor deze grondstoffen onmiddellijk na het eind van het OT.

(94)

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat slechts een beperkt aantal overeenkomsten met afnemers tegen vaste prijzen is gesloten en dat deze praktijk, gezien de looptijd van de overeenkomsten, geen belangrijke gevolgen kan hebben gehad. Deze conclusie wordt bevestigd door het feit dat de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap ook sterk zijn gestegen. Grondstofovereenkomsten tegen vaste prijzen lijken wereldwijd gangbaar te zijn, zodat de bedrijfstak van de Gemeenschap hierdoor geen voor- of nadelen ten opzichte van andere producenten van het soortgelijke product op de wereldmarkt zal hebben gehad. Daarom kan dit ook niet worden gezien als een factor die het oorzakelijke verband verbreekt. De argumenten in overweging 93 worden derhalve afgewezen.

3.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(95)

Aangezien er verder geen opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de overwegingen 151 tot en met 153 van de voorlopige verordening bevestigd.

G.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(96)

De klager en een aantal communautaire producenten herhaalden dat het bestaan van antidumpingmaatregelen gezien de schade veroorzakende dumping voor hen van wezenlijk belang was om hun activiteiten voort te zetten. Aangezien verder geen opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 155 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Belang van de andere communautaire producenten

(97)

Aangezien er geen specifieke opmerkingen ter zake werden ontvangen, wordt overweging 156 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Belang van niet-verbonden importeurs in de Gemeenschap

(98)

Een gebruiker, tevens importeur, van het betrokken product wees erop dat de GN-codes van het door hem ingevoerde product niet waren vermeld in het bericht van inleiding en dat hij er pas achter kwam dat het onderzoek ook die productsoorten betrof toen er voorlopige maatregelen waren ingesteld. Hij moest daarom onvoorzien antidumpingrechten betalen. Deze importeur werd ervan in kennis gesteld dat het bericht van inleiding een duidelijke omschrijving van het onderzochte product bevatte en dat de GN-codes alleen ter informatie werden vermeld. De juiste douane-indeling van het betrokken product maakt namelijk deel uit van het onderzoek, zodat het zeer wel mogelijk is dat de in de voorlopige verordening vermelde GN-codes enigszins afwijken van die in het bericht van inleiding.

(99)

Aangezien er verder geen opmerkingen ter zake werden ontvangen, wordt overweging 157 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Belang van de gebruikers

(100)

De in overweging 98 bedoelde gebruiker betoogde ook dat, mochten er definitieve maatregelen op het betrokken product worden ingesteld, dit ernstige leveringsproblemen voor zijn onderneming met zich mee zou brengen aangezien communautaire producenten het product met tegenzin leverden. Bij het onderzoek van dit argument kwam aan het licht dat die door deze partij ondervonden leveringsproblemen betrekking hadden op vroegere tijden toen bepaalde communautaire producenten de levering van zeer kleine hoeveelheden van de betrokken producten bij de toen zeer grote vraag op de markt niet rendabel achtten. Bij een normale vraag verdwijnt deze belemmering evenwel, vooral omdat andere gebruikers of importeurs van dezelfde productsoorten de vraag naar dergelijke producten uit de Gemeenschap wellicht doen toenemen in verband met de instelling van maatregelen. Op grond hiervan en ook omdat het gebruik in kwestie slechts een zeer klein deel van het totale verbruik van het betrokken product uitmaakt, wordt geconcludeerd dat de beschikbaarheid van leveranciers voor het betrokken product geen probleem kan zijn.

(101)

Een andere gebruiker, die het soortgelijke product uitsluitend van de bedrijfstak van de Gemeenschap betrekt, herhaalde zijn steun voor de instelling van maatregelen. Er waren geen andere opmerkingen van gebruikers over de voorlopige bevindingen. Aangezien verder geen opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 158 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap

(102)

Aangezien geen specifieke opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 159 van de voorlopige verordening definitief bevestigd.

H.   DEFINITIEVE MAATREGELEN

1.   Schademarge

(103)

De klager en een aantal tot de bedrijfstak van de Gemeenschap behorende producenten betoogden dat de voorlopig voor de berekening van de schademarge gehanteerde winstmarge van 3 % (overwegingen 161 tot en met 163 van de voorlopige verordening) uitzonderlijk laag is; het gaat immers niet alleen om een kapitaalintensieve industrie met hoge vaste kosten, maar de bedrijfstak van de Gemeenschap behaalde in de beoordelingsperiode bovendien een gemiddelde winstmarge van ruim boven de 3 %.

(104)

Het is bekend dat het soortgelijke product een uiterst kapitaalintensieve productie vergt. De marktsituatie is momenteel echter niet zodanig dat een duidelijke beoordeling kan worden gegeven van de bezettingsgraad in de nabije toekomst, en met name niet voor de looptijd van de maatregelen, wat gevolgen kan hebben voor de vaststelling van de winstmarge die normaliter zou worden behaald in een markt zonder dumpingpraktijken. Onder deze omstandigheden en ook omdat de bedrijfstak van de Gemeenschap altijd de mogelijkheid heeft om ingeval van gewijzigde omstandigheden een nieuw onderzoek aan te vragen, werd geconcludeerd dat de in de voorlopige fase en in een vroeger onderzoek met betrekking tot hetzelfde product vastgestelde bescheiden winstmarge van 3 % moet worden gehandhaafd. Wanneer de marktomstandigheden echter sterk veranderen, moet de winstmarge van 3 % wellicht worden herzien.

(105)

De in de overwegingen 164 en 165 van de voorlopige verordening beschreven methode voor de berekening van de schademarge werd toegepast, behoudens de in overweging 41 bedoelde kleine correctie. De schademarge voor het gehele land werd berekend als het gewogen gemiddelde van de schademarges die werden vastgesteld voor de meest representatieve productsoorten die werden verkocht door een producent-exporteur aan wie geen IB werd toegekend.

(106)

De aldus vastgestelde schademarges waren lager dan de vastgestelde dumpingmarge.

2.   Definitieve maatregelen

(107)

Gezien de conclusies ten aanzien van dumping, schade, oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap wordt in overeenstemming met artikel 9, lid 4, van de basisverordening geoordeeld dat op het betrokken product van oorsprong uit de VRC een definitief antidumpingrecht moet worden ingesteld, dat volgens de regel van het laagste recht gelijk moet zijn aan de dumpingmarge of aan de schademarge indien deze lager is; in het onderhavige geval was de schademarge steeds lager.

(108)

Op basis van het bovenstaande moeten de volgende definitieve antidumpingrechten worden vastgesteld:

Producent-exporteur

Antidumpingrecht

Shandong Luxing Steel Pipe Co. Ltd

17,7 %

Andere medewerkende ondernemingen

27,2 %

Alle andere ondernemingen

39,2 %

(109)

De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(110)

Verzoeken in verband met de toepassing van individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen (bv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie (8) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.

(111)

De Commissie heeft alle partijen in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van definitieve antidumpingrechten aan te bevelen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken. De opmerkingen van de partijen werden naar behoren onderzocht en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

(112)

Om een gelijke behandeling van nieuwe exporteurs en de in de bijlage bij deze verordening vermelde niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen te garanderen, moet het voor laatstgenoemde ondernemingen geldende gewogen gemiddelde recht eveneens gelden voor alle nieuwe exporteurs die anders voor een nieuw onderzoek krachtens artikel 11, lid 4, van de basisverordening in aanmerking zouden komen, daar artikel 11, lid 4, niet geldt wanneer gebruik is gemaakt van een steekproef.

3.   Verbintenissen

(113)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan het de bedoeling was de instelling van een definitief antidumpingrecht aan te bevelen, gaf een aantal niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC de wens te kennen om overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening een prijsverbintenis aan te bieden. Hoewel alle noodzakelijke voorwaarden waren uitgelegd, werd er evenwel binnen de hiervoor in artikel 8, lid 2, van de basisverordening gestelde termijn geen formeel aanbod gedaan en ook werd niet om verlenging van de termijn gevraagd. Het is daarom niet nodig de kwestie van verbintenissen in het kader van dit onderzoek uit te diepen.

I.   DEFINITIEVE INNING VAN HET VOORLOPIGE RECHT

(114)

Omdat het onderzoek heeft aangetoond dat er aan het eind van het OT sprake was van onmiddellijk dreigende schade (overweging 126 van de voorlopige verordening), de bevindingen in de overwegingen 50 tot en met 55 de negatieve ontwikkeling van diverse schade-indicatoren na het OT bevestigen en de dumpingmarge groot blijkt te zijn, wordt geconcludeerd dat er schade zou zijn geleden wanneer er geen voorlopige maatregelen waren ingesteld. Daarom wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht als zekerheid waren gesteld, definitief te innen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, met rond profiel, met een uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm en een koolstofequivalent (carbon equivalent value, CEV) van niet meer dan 0,86 volgens de formule en chemische analyse van het Internationaal Instituut voor Lastechniek (9), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7304 19 10, ex 7304 19 30, ex 7304 23 00, ex 7304 29 10, ex 7304 29 30, ex 7304 31 20, ex 7304 31 80, ex 7304 39 10, ex 7304 39 52, ex 7304 39 58, ex 7304 39 92, ex 7304 39 93, ex 7304 51 81, ex 7304 51 89, ex 7304 59 10, ex 7304 59 92 en ex 7304 59 93 (10) (Taric-codes 7304191020, 7304193020, 7304230020, 7304291020, 7304293020, 7304312020, 7304318030, 7304391010, 7304395220, 7304395830, 7304399230, 7304399320, 7304518120, 7304518930, 7304591010, 7304599230 en 7304599320), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   Het definitieve antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor de in lid 1 omschreven producten die door onderstaande ondernemingen zijn geproduceerd, is als volgt:

Onderneming

Antidumpingrecht (%)

Aanvullende Taric-code

Shandong Luxing Steel Pipe Co. Ltd, Qingzhou City, VRC

17,7

A949

Andere medewerkende ondernemingen, opgenomen in de bijlage

27,2

A950

Alle andere ondernemingen

39,2

A999

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen betreffende douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige antidumpingrechten die op grond van Verordening (EG) nr. 289/2009 van de Commissie zijn ingesteld op de betreffende naadloze buizen en pijpen van oorsprong uit de Volksrepubliek China worden definitief geïnd tegen het voorlopige recht.

Artikel 3

Wanneer een nieuwe producent-exporteur in de Volksrepubliek China ten genoegen van de Commissie aantoont dat:

hij het in artikel 1, lid 1, beschreven product in het onderzoektijdvak (1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008) niet naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd,

hij niet verbonden is met een exporteur of producent in de Volksrepubliek China voor wie de bij deze verordening ingestelde antidumpingmaatregelen gelden,

hij het betrokken product na het onderzoektijdvak waarop de maatregelen zijn gebaseerd daadwerkelijk naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid van dit product naar de Gemeenschap uit te voeren,

kan de Raad, met een gewone meerderheid, op een na raadpleging van het Raadgevend Comité door de Commissie ingediend voorstel, artikel 1, lid 2, wijzigen door de nieuwe producent-exporteur toe te voegen aan de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen en waarvoor bijgevolg het gewogen gemiddeld recht van 27,2 % geldt.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 september 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

M. OLOFSSON


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2)  PB C 174 van 9.7.2008, blz. 7.

(3)  PB L 94 van 8.4.2009, blz. 48.

(4)  Het CEV wordt vastgesteld volgens het Technisch Verslag van 1967, IIW doc. IX-555-67, gepubliceerd door het Internationaal Instituut voor Lastechniek (International Institute of Welding — IIW).

(5)  Zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1031/2008 van de Commissie van 19 september 2008 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 291 van 31.10.2008, blz. 1). De productomschrijving wordt bepaald door een combinatie van de beschrijving van het product in artikel 1, lid 1, en die in de desbetreffende GN-code.

(6)  PB L 175 van 29.6.2006, blz. 4.

(7)  Op basis van een vergelijking van gemiddelde volumes per maand.

(8)  Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, Kamer N105 04/092, 1049 Brussel, België.

(9)  Het CEV wordt vastgesteld volgens het Technisch Verslag van 1967, IIW doc. IX-555-67, gepubliceerd door het Internationaal Instituut voor Lastechniek (International Institute of Welding — IIW).

(10)  Zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1031/2008 van de Commissie van 19 september 2008 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 291 van 31.10.2008, blz. 1). De productomschrijving wordt bepaald door een combinatie van de beschrijving van het product in artikel 1, lid 1, en die in de desbetreffende GN-code.


BIJLAGE

Lijst van de in artikel 1, lid 2, bedoelde medewerkende producenten die onder de aanvullende Taric-code A950 vallen:

Naam van de onderneming

Stad

Handan Precise Seamless Steel Pipes Co. Ltd

Handan

Hengyang Valin MPM Co. Ltd

Hengyang

Hengyang Valin Steel Tube Co. Ltd

Hengyang

Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd

Huangshi

Jiangsu Huacheng Industry Group Co. Ltd

Zhangjiagang

Jiangyin City Seamless Steel Tube Factory

Jiangyin

Jiangyin Metal Tube Making Factory

Jiangyin

Pangang Group Chengdu Iron & Steel Co. Ltd

Chengdu

Shenyang Xinda Co. Ltd

Shenyang

Suzhou Seamless Steel Tube Works

Suzhou

Tianjin Pipe (Group) Corporation (TPCO)

Tianjin

Wuxi Dexin Steel Tube Co. Ltd

Wuxi

Wuxi Dongwu Pipe Industry Co. Ltd

Wuxi

Wuxi Seamless Oil Pipe Co. Ltd

Wuxi

Zhangjiagang City Yiyang Pipe Producing Co. Ltd

Zhangjiagang

Zhangjiagang Yichen Steel Tube Co. Ltd

Zhangjiagang


6.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/36


VERORDENING (EG) Nr. 927/2009 VAN DE COMMISSIE

van 5 oktober 2009

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 6 oktober 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 oktober 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

32,3

ZZ

32,3

0707 00 05

TR

114,4

ZZ

114,4

0709 90 70

TR

109,3

ZZ

109,3

0805 50 10

AR

71,1

CL

103,4

TR

84,6

UY

88,0

ZA

70,3

ZZ

83,5

0806 10 10

BR

235,1

EG

159,5

TR

94,4

US

152,0

ZZ

160,3

0808 10 80

BR

63,5

CL

85,7

NZ

44,5

US

80,9

ZA

66,2

ZZ

68,2

0808 20 50

AR

82,8

CN

51,8

TR

97,2

ZA

79,8

ZZ

77,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


6.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/38


VERORDENING (EG) Nr. 928/2009 VAN DE COMMISSIE

van 5 oktober 2009

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 877/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2009/2010

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2009/2010 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 877/2009 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 918/2009 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2009/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 877/2009 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 6 oktober 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 oktober 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 253 van 25.9.2009, blz. 3.

(4)  PB L 259 van 2.10.2009, blz. 3.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 6 oktober 2009

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

39,12

0,00

1701 11 90 (1)

39,12

3,17

1701 12 10 (1)

39,12

0,00

1701 12 90 (1)

39,12

2,87

1701 91 00 (2)

40,52

5,31

1701 99 10 (2)

40,52

2,18

1701 99 90 (2)

40,52

2,18

1702 90 95 (3)

0,41

0,27


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


RICHTLIJNEN

6.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/40


RICHTLIJN 2009/107/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 september 2009

tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden in verband met de verlenging van bepaalde termijnen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 16, lid 1, van Richtlijn 98/8/EG (3) voorziet in een overgangsperiode van tien jaar met ingang van 14 mei 2000, de datum waarop die richtlijn in werking is getreden, tijdens welke de lidstaten hun nationale systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden mogen blijven toepassen en met name toelaten dat op hun grondgebied biociden op de markt worden gebracht die werkzame stoffen bevatten welke nog niet voorkomen op de positieve communautaire lijst van die richtlijn, namelijk in de bijlagen I, IA of IB daarbij.

(2)

In artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG wordt een tienjarig werkprogramma vastgesteld, tevens met ingang van 14 mei 2000, waarbij een systematisch onderzoek van alle werkzame stoffen dient te gebeuren die voor die datum reeds op de markt waren als werkzame stoffen van een biocide zodat die stoffen, indien zij vanuit het standpunt van de menselijke en dierlijke gezondheid en vanuit ecologisch oogpunt aanvaardbaar worden geacht, moeten worden toegevoegd aan de positieve lijst van die richtlijn.

(3)

Artikel 12, lid 1, onder c), punt i) en lid 2, onder c), punt i), van Richtlijn 98/8/EG voorziet in de bescherming van alle voor het doeleind van die richtlijn ingediende gegevens gedurende een periode van tien jaar, eveneens met ingang van 14 mei 2000, tenzij in een bepaalde lidstaat een kortere beschermingsperiode is vastgesteld, waarbij in dat geval deze kortere beschermingsperiode van toepassing is op het grondgebied van die lidstaat. Die bescherming is uitsluitend van toepassing op gegevens die zijn ingediend ter ondersteuning van de opneming in de positieve lijst van Richtlijn 98/8/EG van in biociden gebruikte werkzame stoffen die reeds op de markt waren vóór de inwerkingtreding van Richtlijn 98/8/EG (de „bestaande” werkzame stoffen).

(4)

Zodra een bestaande werkzame stof is onderzocht en opgenomen in de positieve lijst van Richtlijn 98/8/EG, wordt de markt voor die stof geacht te zijn geharmoniseerd en worden de overgangsbepalingen voor het op de markt brengen van producten die de betrokken werkzame stof bevatten, vervangen door de bepalingen van de richtlijn.

(5)

Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG heeft de Commissie twee jaar voor de afloop van het tienjarige werkprogramma een rapport ingediend over de vordering van dat programma. Op basis van de conclusies van dat rapport wordt verwacht dat de beoordeling van een groot aantal werkzame stoffen niet tegen 14 mei 2010 zal zijn afgerond. Zelfs wanneer de opneming van bepaalde stoffen in de positieve lijst van Richtlijn 98/8/EG voor 14 mei 2010 is goedgekeurd, moeten de lidstaten de nodige tijd krijgen om de betrokken besluiten om te zetten en de betrokken producttoelatingen toe te kennen, in te trekken of te wijzigen teneinde te voldoen aan de geharmoniseerde bepalingen van Richtlijn 98/8/EG. Het risico is groot dat de nationale voorschriften op het eind van de overgangsperiode, op 14 mei 2010, niet langer van toepassing zijn, terwijl de geharmoniseerde bepalingen nog niet zijn vastgesteld. Een verlenging van het tienjarige werkprogramma wordt derhalve noodzakelijk geacht om de toetsing van alle voor beoordeling aangemelde werkzame stoffen te voltooien.

(6)

Voorts dient het einde van het beoordelingsprogramma samen te vallen met het einde van de overgangsperiode, zodat het op de markt brengen van biociden geregeld blijft door de nationale systemen of praktijken tot deze zijn vervangen door de geharmoniseerde bepalingen.

(7)

Ook ter wille van de coherentie en om te vermijden dat de gegevensbescherming wegvalt terwijl de beoordeling van werkzame stoffen nog aan de gang is, dient de beschermingsperiode van alle voor de doeleinden van Richtlijn 98/8/EG ingediende informatie te worden verlengd zodat die gegevens gedurende de volledige looptijd van het toetsingsprogramma beschermd blijven.

(8)

De voorgestelde verlenging van het toetsingsprogramma zal misschien niet volstaan om de toetsing van alle werkzame stoffen te voltooien. Anderzijds zou een aanmerkelijk langere termijn onvoldoende stimulansen bieden om de inspanningen te verhogen om het toetsingsprogramma tijdig af te ronden. Elke verlenging van het toetsingsprogramma en de overeenkomstige overgangsperiode voor alle na 14 mei 2014 resterende werkzame stoffen is beperkt tot een maximum van twee jaar en mag enkel plaatsvinden wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat het wetgevingsbesluit ter vervanging van Richtlijn 98/8/EG niet voor 14 mei 2014 in werking zal treden.

(9)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (4).

(10)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven de toetsingsperiode en de overeenkomstige overgangsperiode zo nodig met maximaal 2 jaar te verlengen voor alle resterende werkzame stoffen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze Richtlijn 98/8/EG, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(11)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (5) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Richtlijn 98/8/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder c), punt i), wordt vervangen door:

„i)

tot 14 mei 2014 voor gegevens die voor de doeleinden van deze richtlijn worden ingediend, tenzij die gegevens reeds krachtens nationale voorschriften inzake biociden worden beschermd. In dat geval blijven de gegevens in die lidstaat beschermd, totdat de resterende periode van gegevensbescherming krachtens de nationale voorschriften is verstreken, doch ten hoogste tot 14 mei 2014 of, in voorkomend geval, ten hoogste tot de datum tot wanneer de in artikel 16, lid 1, bedoelde overgangsperiode wordt verlengd krachtens artikel 16, lid 2;”;

b)

lid 2, onder c), punt i), wordt vervangen door:

„i)

tot 14 mei 2014 voor gegevens die voor de doeleinden van deze richtlijn worden ingediend, tenzij die gegevens reeds krachtens nationale voorschriften inzake biociden worden beschermd. In dat geval blijft de informatie in die lidstaat beschermd, totdat de resterende periode van gegevensbescherming krachtens de nationale voorschriften is verstreken, doch ten hoogste tot 14 mei 2014 of, in voorkomend geval, ten hoogste tot de datum tot wanneer de in artikel 16, lid 1, bedoelde overgangsperiode wordt verlengd krachtens artikel 16, lid 2;”.

2)

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   In verdere afwijking van artikel 3, lid 1, artikel 5, lid 1, en artikel 8, leden 2 en 4, en onverminderd de leden 2 en 3 van dit artikel, mag een lidstaat tot 14 mei 2014 zijn huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden blijven toepassen. Indien in een besluit om een werkzame stof op te nemen in bijlage I of IA een latere datum dan 14 mei 2014 wordt vastgelegd conform artikel 16, lid 3, blijft deze afwijking tot de datum die in dat besluit is vastgelegd van toepassing voor biociden die deze werkzame stof bevatten. Met name mag de lidstaat, overeenkomstig zijn nationale voorschriften, toelaten dat op zijn grondgebied een biocide op de markt wordt gebracht dat werkzame stoffen bevat die voor die productsoort niet in bijlage I of IA zijn genoemd. Die werkzame stoffen moeten op de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum op de markt zijn als werkzame stoffen van een biocide, bestemd voor andere doeleinden dan de in artikel 2, lid 2, onder c) en d), gedefinieerde.”;

b)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„2.   Na de aanneming van deze richtlijn start de Commissie een 14-jarig werkprogramma voor een systematisch onderzoek van alle werkzame stoffen die op de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum reeds op de markt zijn als werkzame stoffen van een biocide, bestemd voor andere doeleinden dan de in artikel 2, lid 2, onder c) en d), gedefinieerde. In voorschriften worden de opstelling en uitvoering van het programma opgenomen, met inbegrip van prioriteiten voor de beoordeling van de verschillende werkzame stoffen en een tijdschema. Deze voorschriften, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door ze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Uiterlijk twee jaar voor de voltooiing van het werkprogramma dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport over de vordering van het programma in. Op basis van de conclusies van dat rapport, kan worden beslist de in lid 1 bedoelde overgangsperiode en het 14-jarige werkprogramma met een periode van maximaal twee jaar te verlengen. Deze maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

ii)

in de tweede alinea worden de woorden „tijdens die periode van tien jaar” vervangen door „tijdens die periode van 14 jaar”.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk tegen 14 mei 2010 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 september 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitster

C. MALMSTRÖM


(1)  PB C 182 van 4.8.2009, blz. 75.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 24 maart 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 27 juli 2009.

(3)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(4)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(5)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

6.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/43


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 september 2009

tot verlenging van de looptijd van de maatregelen van Besluit 2007/641/EG houdende afsluiting van het overleg met de Republiek Fiji-eilanden krachtens artikel 96 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en artikel 37 van de verordening tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking

(2009/735/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (1) en gewijzigd in Luxemburg op 25 juni 2005 (2) (hierna de „ACS-EG-partnerschapsovereenkomst” genoemd), en met name op artikel 96,

Gelet op het Intern Akkoord van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de te nemen maatregelen en te volgen procedures voor de tenuitvoerlegging van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst (3), en met name op artikel 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (4), hierna „het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking”genoemd, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De in artikel 9 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst bedoelde essentiële elementen zijn geschonden.

(2)

De in artikel 3 van de verordening tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking bedoelde waarden zijn geschonden.

(3)

Op 18 april 2007 is, overeenkomstig artikel 96 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en artikel 37 van de verordening tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, formeel overleg geopend met de ACS-landen en de Republiek Fiji-eilanden, waarbij de autoriteiten van de Republiek Fiji-eilanden specifieke verbintenissen zijn aangegaan om de door de Europese Unie geïdentificeerde problemen te verhelpen.

(4)

Sommige van de in overweging 3 genoemde verbintenissen hebben reeds tot concrete initiatieven geleid. Toch moeten ettelijke belangrijke verbintenissen betreffende essentiële elementen van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de verordening tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking niet alleen nog worden uitgevoerd, maar moeten er recent ook belangrijke negatieve ontwikkelingen worden vastgesteld in verband met een aantal essentiële verbintenissen, zoals de afschaffing van de grondwet en een verdere aanzienlijke vertraging bij het organiseren van verkiezingen.

(5)

Besluit 2007/641/EG (5) loopt af op 1 oktober 2009.

(6)

Het is bijgevolg dienstig de geldigheidsduur van Besluit 2007/641/EG te verlengen,

BESLUIT:

Artikel 1

Besluit 2007/641/EG van de Raad wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 3 wordt lid 2 vervangen door:

„Het vervalt op 31 maart 2010. Het besluit wordt regelmatig herzien, ten minste om de zes maanden, en onverwijld indien nieuwe ontwikkelingen in de Republiek Fiji-eilanden of nieuw formeel overleg met de ACS-landen en de Republiek Fiji-eilanden leiden tot specifieke verbintenissen die tot herziening aanleiding geven.”.

2)

De bijlage wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 24 september 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

M. OLOFSSON


(1)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)  PB L 287 van 28.10.2005, blz. 4.

(3)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 376.

(4)  PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.

(5)  PB L 260 van 5.10.2007, blz. 15.


BIJLAGE

Zijne Excellentie Ratu Epeli Nailatikau

Vervangend president van de Republiek Fiji-eilanden

Suva

Republiek Fiji-eilanden

Excellentie,

De Europese Unie hecht groot belang aan de bepalingen van artikel 9 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, hierna „de overeenkomst van Cotonou” genoemd en artikel 3 van de verordening tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking. Het ACS-EG-partnerschap is gebaseerd op de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat, die essentiële elementen zijn van de Overeenkomst van Cotonou en de grondslag vormen van onze betrekkingen.

Op 11 december 2006 heeft de Raad van de Europese Unie de militaire machtsovername in Fiji veroordeeld.

In overeenstemming met artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, en omdat de militaire machtsovername van 5 december 2006 een schending vormde van de in artikel 9 van die overeenkomst genoemde essentiële elementen, heeft de Europese Unie, hierna „de Europese Unie” te noemen, Fiji uitgenodigd voor het in de genoemde overeenkomst bedoelde overleg, teneinde de situatie grondig te onderzoeken en voor zover nodig maatregelen te nemen om tot een oplossing te komen.

Het formele gedeelte van dat overleg ging op 18 april 2007 van start in Brussel. De Europese Unie was verheugd dat de interim-regering bij die gelegenheid enkele belangrijke verbintenissen bevestigde met betrekking tot de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de democratische beginselen en de rechtsstaat, zoals hierna wordt aangegeven, en positieve stappen voorstelde met betrekking tot hun tenuitvoerlegging.

Helaas heeft zich sedertdien een aantal negatieve ontwikkelingen voorgedaan, met name in april 2009, waardoor Fiji thans een aantal verbintenissen niet langer nakomt. Dit betreft vooral de afschaffing van de grondwet, de zeer aanzienlijke vertraging bij het organiseren van parlementsverkiezingen, en schendingen van de mensenrechten. Hoewel de naleving van de verbintenissen grote vertraging heeft opgelopen, blijft het grootste deel van deze verbintenissen nog zeer relevant voor de huidige situatie in Fiji en daarom is de lijst van verbintenissen als bijlage bij deze brief gevoegd. Aangezien Fiji een aantal essentiële verbintenissen heeft opgezegd, heeft dit voor Fiji geleid tot verliezen aan ontwikkelingshulp.

In een geest van partnerschap, dat immers de grondsteen vormt van de Overeenkomst van Cotonou, is de Europese Unie echter bereid opnieuw formeel overleg aan te gaan, zodra er redelijk vooruitzicht is op een positieve afloop van dit overleg. De interim-premier heeft recentelijk een plan voor hervormingen en het houden van verkiezingen gepresenteerd. De Europese Unie is bereid een dialoog aan te gaan over dit plan en te overwegen of het als basis kan dienen voor nieuw overleg. In dit verband heeft de Europese Unie besloten de bestaande passende maatregelen ten aanzien van Fiji te verlengen om aldus nieuw overleg een kans te geven. Hoewel een aantal passende maatregelen niet langer actueel is, besloot de Europese Unie deze niet eenzijdig te actualiseren, maar veeleer verdere mogelijkheden tot nieuw overleg met Fiji te exploreren. Het is bijgevolg van bijzonder belang dat de interim-regering zich verbindt tot een brede binnenlandse politieke dialoog en tot flexibiliteit met betrekking tot het tijdschema voor het komende hervormingsplan. Hoewel de Europese Unie altijd is uitgegaan en steeds zal blijven uitgaan van de essentiële elementen en fundamentele beginselen van de herziene Overeenkomst van Cotonou, met name wat betreft de sleutelrol van dialoog en het nakomen van wederzijdse verplichtingen, wordt er met klem op gewezen dat er van de kant van de Europese Unie geen vooraf bepaalde conclusies zijn met betrekking tot de uitkomst van toekomstig overleg.

Indien nieuw overleg resulteert in serieuze verbintenissen van Fiji, verbindt zich de Europese Unie ertoe deze passende maatregelen spoedig en in positieve zin te herzien. Indien echter de situatie in Fiji niet verbetert, zijn verdere verliezen aan ontwikkelingshulp voor Fiji in de toekomst onvermijdelijk.

In afwachting van nieuw overleg roept de Europese Unie Fiji op de versterkte politieke dialoog voort te zetten en te intensiveren.

De passende maatregelen zijn de volgende:

humanitaire hulp en directe steun aan maatschappelijke organisaties mogen worden voortgezet;

samenwerkingsactiviteiten die reeds lopende of nog in voorbereiding zijn, met name in het kader van het 8e en 9e Europees Ontwikkelingsfonds, hierna „het EOF”genoemd, mogen worden voortgezet;

de eindevaluatie van het 9e EOF kan worden uitgevoerd;

samenwerkingsactiviteiten die de terugkeer naar de democratie bevorderen en leiden tot beter bestuur, mogen worden voortgezet, behalve in bepaalde zeer uitzonderlijke omstandigheden;

de tenuitvoerlegging van begeleidende maatregelen voor de hervorming van de suikersector in 2006 mag worden voortgezet. De financieringsovereenkomst is op 19 juni 2007 op technisch niveau in Fiji ondertekend. De financieringsovereenkomst omvat overigens een opschortingsclausule;

de instemming van de interim-regering op 19 juni 2007 met het rapport van 7 juni 2007 van de onafhankelijke verkiezingsdeskundigen van het Forum van de eilanden in de Stille Oceaan („Pacific Islands Forum”) is in overeenstemming met verbintenis nr. 1, waarover de interim-regering op 18 april 2007 met de Europese Unie een akkoord bereikte. Bijgevolg mag de voorbereiding en ondertekening van het meerjarige indicatieve programma voor de begeleidende maatregelen van de suikerhervorming in 2008-2010 doorgaan;

de eindredactie, de ondertekening op technisch niveau en de tenuitvoerlegging van het landenstrategiedocument en het nationale indicatieve programma voor het 10e EOF met daarbij een indicatieve financiële bijdrage, alsmede de mogelijke toewijzing van een stimuleringstranche van maximaal 25 % van dat bedrag, is afhankelijk van de naleving van de verbintenissen met betrekking tot de mensenrechten en de rechtsstaat; daarbij geldt met name dat de interim-regering de grondwet moet respecteren; dat de onafhankelijkheid van het justitiële apparaat volledig moet worden gerespecteerd; dat de op 6 september 2007 opnieuw ingevoerde noodtoestand zo spoedig mogelijk wordt opgeheven; dat alle vermeende mensenrechtenschendingen moeten worden onderzocht of in behandeling worden genomen op basis van de verschillende procedures en binnen de daarvoor bestemde fora op de Fiji-eilanden; verder moet de interim-regering zich tot het uiterste inspannen om intimiderend bedoelde verklaringen van veiligheidsinstanties te vermijden;

de suikertoewijzing voor 2007 is nul;

de suikertoewijzing voor 2008 wordt beschikbaar gemaakt, mits er voldoende indicaties zijn van de geloofwaardige en tijdige voorbereiding van verkiezingen, in overeenstemming met de overeengekomen verbintenissen; dit betreft met name de vaststelling van de kieslijsten, de herziening van de grenzen van de kiesdistricten en de hervorming van de kieswet in overeenstemming met de grondwet; er moeten maatregelen zijn genomen voor het goede functioneren van het verkiezingsbureau, waaronder de benoeming van een verkiezingstoezichthouder vóór 30 september 2007, in overeenstemming met de grondwet;

de suikertoewijzing voor 2009 wordt beschikbaar gemaakt, mits er een legitieme regering is;

de suikertoewijzing voor 2010 wordt afhankelijk gesteld van de vorderingen met de tenuitvoerlegging van de suikertoewijzing voor 2009 en de voortzetting van het democratische proces;

aanvullende steun voor de voorbereiding en tenuitvoerlegging van de voornaamste verbintenissen, met name de steun voor het voorbereiden en/of houden van verkiezingen, is mogelijk bovenop de steun die in deze brief wordt beschreven;

de regionale samenwerking, en de deelname van Fiji daaraan, blijft intact;

de samenwerking met de Europese Investeringsbank en het Centrum voor de Ontwikkeling van het Bedrijfsleven mag worden voortgezet, mits de aangegane verbintenissen op tijd worden nagekomen.

De controle op de naleving van de verbintenissen geschiedt overeenkomstig de in de bijlage genoemde verbintenissen met betrekking tot monitoring, inzake regelmatige dialoog, samenwerking met missies en rapportage.

Voorts verwacht de Europese Unie van Fiji dat het volledig samenwerkt met het Forum van de eilanden in de Stille Oceaan („Pacific Islands Forum”) wat betreft de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Groep van Eminente Personen die door de ministers van Buitenlandse Zaken van het Forum op hun bijeenkomst van 16 maart 2007 in Vanuatu werden goedgekeurd.

De Europese Unie blijft de situatie in Fiji nauwlettend volgen. Op grond van artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou zal met Fiji een versterkte politieke dialoog worden gevoerd met het oog op de eerbiediging van de mensenrechten, het herstel van de democratie en de eerbiediging van de rechtsstaat totdat beide partijen concluderen dat de verbeterde dialoog zijn vrucht heeft afgeworpen.

Indien de tenuitvoerlegging van de verbintenissen door de interim-regering wordt vertraagd, wordt stopgezet of ongedaan wordt gemaakt, behoudt de Europese Unie zich het recht voor de passende maatregelen te wijzigen.

De Europese Unie benadrukt dat de privileges van Fiji in de samenwerking met de Europese Unie afhankelijk zijn van de eerbiediging van de essentiële elementen van de Overeenkomst van Cotonou en de waarden bedoeld in de verordening tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking. Teneinde de Europese Unie ervan te overtuigen dat de interim-regering bereid is de verbintenissen volledig na te komen, is het essentieel dat er snelle en substantiële vorderingen worden gemaakt bij de naleving van de overeengekomen verbintenissen.

Met de meeste hoogachting,

Gedaan te Brussel,

Voor de Commissie

Voor de Raad

Bijlage bij de bijlage

MET DE REPUBLIEK FIJI-EILANDEN OVEREENGEKOMEN VERBINTENISSEN

A.   Eerbiediging van de democratische beginselen

Verbintenis nr. 1

Er worden na 1 maart 2007 binnen 24 maanden vrije en eerlijke verkiezingen gehouden, afhankelijk van de bevindingen van de evaluatie door de onafhankelijke auditeurs die zijn benoemd door het secretariaat van het Forum van de eilanden in de Stille Oceaan („Pacific Islands Forum”). De procedures die voorafgaan aan de organisatie van de verkiezingen en de organisatie van de verkiezingen zelf zullen worden gecontroleerd en waar nodig aangepast en herzien op basis van wederzijds overeengekomen ijkpunten. Dit houdt met name het volgende in:

de interim-regering keurt vóór 30 juni 2007 een tijdschema goed met daarin de data waarop de verschillende stappen moeten worden voltooid die nodig zijn ter voorbereiding van de nieuwe parlementsverkiezingen;

in het tijdschema worden het tijdstip van de verkiezingen, de herziening van de districtgrenzen en de hervorming van de kieswet gespecificeerd;

de vaststelling van de districtgrenzen en de hervorming van de kieswet geschieden in overeenstemming met de grondwet;

er worden in overeenstemming met de grondwet maatregelen genomen voor het goede functioneren van het verkiezingsbureau, waaronder de benoeming van een verkiezingstoezichthouder vóór 30 september 2007;

de benoeming van de vicepresident geschiedt in overeenstemming met de grondwet.

Verbintenis nr. 2

De interim-regering houdt bij de goedkeuring van belangrijke wetgevende, fiscale en andere beleidsinitiatieven en veranderingen rekening met overleg dat is gepleegd met maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen.

B.   Rechtsstaat

Verbintenis nr. 1

De interim-regering spant zich tot het uiterste in om intimiderend bedoelde verklaringen van veiligheidsinstanties te vermijden.

Verbintenis nr. 2

De interim-regering eerbiedigt de grondwet van 1997 en garandeert dat grondwettelijke instellingen, zoals de Mensenrechtencommissie van de Fiji-eilanden, de Commissie voor de openbare dienst en de Commissie grondwettelijke instellingen normaal en onafhankelijk kunnen functioneren. De aanzienlijke onafhankelijkheid en het functioneren van de Grote Raad van Stamhoofden worden gewaarborgd.

Verbintenis nr. 3

De onafhankelijkheid van het justitiële apparaat wordt volledig gerespecteerd, zodat dit ongestoord kan functioneren en zijn vonnissen door alle betrokkenen worden geëerbiedigd. Daarbij wordt met name het volgende gegarandeerd:

de interim-regering zorgt ervoor dat het tribunaal bedoeld in artikel 138, lid 3, van de grondwet uiterlijk op 15 juli 2007 wordt aangesteld;

benoemingen en/of ontslagen van rechters geschieden voortaan strikt in overeenstemming met de grondwettelijke bepalingen en procedurele voorschriften;

leger, politie en interim-regering onthouden zich van inmenging in de activiteiten van het justitiële apparaat. Alle ambten binnen het justitiële apparaat worden ten volle geëerbiedigd.

Verbintenis nr. 4

Alle strafrechtelijke procedures in verband met corruptie worden via de gepaste justitiële kanalen afgehandeld; alle andere organen die worden ingesteld om vermeende gevallen van corruptie te onderzoeken, werken samen binnen de grondwettelijke grenzen.

C.   Mensenrechten en fundamentele vrijheden

Verbintenis nr. 1

De interim-regering stelt al het noodzakelijke in het werk om ervoor te zorgen dat vermeende mensenrechtenschendingen worden onderzocht of in behandeling worden genomen in overeenstemming met de verschillende procedures en binnen de daarvoor bestemde fora, overeenkomstig de wetgeving van de Fiji-eilanden.

Verbintenis nr. 2

De interim-regering stelt alles in het werk om de noodtoestand in mei 2007 op te heffen, afhankelijk van eventuele bedreigingen van de nationale veiligheid of de openbare orde en veiligheid.

Verbintenis nr. 3

De interim-regering zorgt ervoor dat de Mensenrechtencommissie van de Fiji-eilanden volledig onafhankelijk en in overeenstemming met de grondwet kan functioneren.

Verbintenis nr. 4

De vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid worden in al hun vormen gewaarborgd, in overeenstemming met de grondwet.

D.   Naleving van de verbintenissen

Verbintenis nr. 1

De interim-regering verbindt zich ertoe regelmatig een dialoog te voeren, zodat kan worden vastgesteld of er vooruitgang is geboekt, en verleent de autoriteiten/vertegenwoordigers van de Europese Unie en de Commissie onbeperkt toegang tot informatie over alle vraagstukken die verband houden met de mensenrechten en het vreedzaam herstel van de democratie en de rechtsstaat in Fiji.

Verbintenis nr. 2

De interim-regering werkt volledig mee met eventuele missies van de Europese Unie en de Commissie met het oog op de evaluatie van en het toezicht op de vooruitgang.

Verbintenis nr. 3

De interim-regering stelt eenmaal in de drie maanden, te beginnen op 30 juni 2007, voortgangsverslagen op met betrekking tot de essentiële elementen van de Overeenkomst van Cotonou en de verbintenissen.

Bepaalde vraagstukken kunnen alleen effectief worden aangepakt met een pragmatische benadering, rekening houdende met de realiteit van het heden en vooruitblikkend op de toekomst.


Commissie

6.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/50


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 5 oktober 2009

tot aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit, onder meer, Brazilië

(2009/736/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de „basisverordening”), en met name op de artikelen 8 en 9,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

(1)

De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 287/2009 (2) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China („VRC”).

(2)

Na de goedkeuring van de voorlopige antidumpingmaatregelen heeft de Commissie nader onderzoek verricht naar de dumping, de schade en het belang van de Gemeenschap. Dit onderzoek bevestigde de voorlopige bevindingen van schade veroorzakende dumping van het betrokken product.

(3)

De definitieve bevindingen en conclusies van het onderzoek worden uiteengezet in Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China (3).

B.   VERBINTENIS

(4)

Na de goedkeuring van de voorlopige antidumpingmaatregelen bood de enige medewerkende producent-exporteur in Brazilië, Companhia Brasileira de Aluminio (CBA), in overeenstemming met artikel 8, lid 1, van de basisverordening een prijsverbintenis aan. CBA bood aan het betrokken product te verkopen tegen een prijs op of boven het niveau waarop de schadelijke effecten van de bij het onderzoek vastgestelde dumping worden opgeheven. Het aanbod van CBA behelsde een enkele minimuminvoerprijs („MIP”) voor alle verschillende productsoorten teneinde het risico van ontwijking te beperken.

(5)

Verder voorzag het aanbod in een indexering van de MIP, omdat de prijs van het betrokken product direct gekoppeld is aan de prijs van de belangrijkste grondstof, primair aluminium, een wereldwijd verhandeld product waarvan de referentieprijs op de London Metal Exchange („LME”) wordt gepubliceerd.

(6)

De door de onderneming aangeboden MIP was gebaseerd op de geen schade veroorzakende prijs die voor het onderzoektijdvak werd berekend aan de hand van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(7)

Het aanbod van CBA voor een prijsverbintenis bevatte ook de bepaling dat CBA alle verkopen rechtstreeks met de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap zal sluiten en aan afnemers die producten kopen waarop de verbintenis van toepassing is, geen andere dan alleen die producten zal verkopen.

(8)

Verder verplichtte CBA zich ertoe de Commissie regelmatig gedetailleerde gegevens over haar uitvoer naar de Gemeenschap te verstrekken, zodat de Commissie effectief toezicht kan uitoefenen op de uitvoering van de verbintenis.

C.   OPMERKINGEN VAN PARTIJEN EN AANVAARDING VAN DE VERBINTENIS

(9)

De bedrijfstak van de Gemeenschap gaf te kennen dat de verbintenis aanvaardbaar kon zijn, maar alleen onder bepaalde voorwaarden, zoals het gebruik van een kunstmatige wisselkoers tussen de Amerikaanse dollar en de euro en vastlegging van een maximumhoeveelheid. Deze argumenten moeten beide worden verworpen, en wel om de volgende redenen. Met betrekking tot het gebruik van een kunstmatige wisselkoers moet worden opgemerkt dat de LME-prijs aan de hand van de gepubliceerde maandelijkse wisselkoers van Amerikaanse dollar in euro zal worden omgerekend, zodat het bedrag in euro onderhevig is aan wisselkoersschommelingen, wat een risico voor de onderneming is. Wat het tweede argument betreft, is een maximumhoeveelheid voor de Commissie in het onderhavige geval niet relevant gezien de zeer concurrerende markt voor het betrokken product in de Europese Gemeenschap en het feit dat er tijdens het onderzoek geen bewijs is ingediend of werd gevonden die de noodzaak van een dergelijk element aantoont. Er werden geen andere opmerkingen over deze aangeboden verbintenis gemaakt.

(10)

Gezien het bovenstaande is de door CBA aangeboden verbintenis aanvaardbaar.

(11)

Om de Commissie in staat te stellen effectief toezicht op de naleving van de verbintenissen door de onderneming uit te oefenen, zal, wanneer de aanvraag voor het vrije verkeer bij de desbetreffende douaneautoriteit wordt ingediend, de vrijstelling van het antidumpingrecht afhankelijk worden gesteld van i) de overlegging van een verbintenisfactuur die ten minste de gegevens bevat die in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 925/2009 zijn vermeld; ii) het feit dat de ingevoerde goederen door de genoemde onderneming zijn vervaardigd en door haar direct naar de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap zijn verzonden en aan deze zijn gefactureerd; en iii) het feit dat de bij de douane aangegeven en aangeboden goederen exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur. Wanneer geen verbintenisfactuur wordt overgelegd, of wanneer deze niet in overeenstemming is met het bij de douane aangeboden product, moet het toepasselijke antidumpingrecht worden betaald.

(12)

Om de naleving van deze verbintenis te waarborgen, zijn de importeurs er door bovengenoemde verordening van de Raad op gewezen dat niet-inachtneming van de in die verordening genoemde voorwaarden of intrekking van de aanvaarding van de verbintenis door de Commissie voor de desbetreffende transacties tot een douaneschuld kan leiden.

(13)

Als de verbintenis niet in acht wordt genomen of wordt opgezegd, of als de Commissie de aanvaarding van de verbintenis intrekt, is ingevolge artikel 8, lid 9, van de basisverordening het overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening ingestelde antidumpingrecht automatisch van toepassing,

BESLUIT:

Artikel 1

De verbintenis die door de hieronder vermelde producent-exporteur is aangeboden in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China wordt aanvaard.

Land

Onderneming

Aanvullende TARIC-code

Brazilië

Companhia Brasileira de Aluminio

A947

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 5 oktober 2009.

Voor de Commissie

Catherine ASHTON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2)  PB L 94 van 8.4.2009, blz. 17.

(3)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.


6.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/52


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 5 oktober 2009

tot beëindiging van de onderzoekprocedure betreffende door de Republiek ten oosten van de Uruguay ingestelde maatregelen die van invloed zijn op de invoer en verkoop van whisky in Uruguay

(2009/737/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van communautaire procedures op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (1), en met name op artikel 11, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

(1)

Op 2 september 2004 diende de Scotch Whisky Association (SWA) namens haar leden, die de Schotse whiskyindustrie vertegenwoordigen, een klacht in op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3286/94, hierna de „verordening” genoemd.

(2)

De klager beweerde dat de verkoop door de Gemeenschap van Schotse whisky in de Republiek ten oosten van de Uruguay door diverse belemmeringen voor het handelsverkeer in de zin van artikel 2, lid 1, van de verordening werd gehinderd. De beweerde belemmeringen voor het handelsverkeer hielden alle rechtstreeks verband met de Uruguayaanse IMESI-accijnzen (IMESI — Impuesto Específico Interno) en bestonden in:

a)

uitsluiting van drie jaar oude en oudere whisky's van de laagste accijnscategorie;

b)

ontoereikende transparantie en voorspelbaarheid van het IMESI-systeem;

c)

verplichte aanbrenging van accijnszegels op ingevoerde whisky's;

d)

verplichte betaling vooraf van accijnzen bij invoer.

(3)

De klager betoogde eveneens dat deze praktijken nadelige gevolgen voor het handelsverkeer in de zin van artikel 2, lid 4, van de verordening hadden.

(4)

Derhalve besloot de Commissie na overleg in het bij de verordening ingestelde Raadgevend Comité dat er voldoende bewijsmateriaal was voor een onderzoekprocedure naar de juridische en feitelijke aspecten van de zaak. Deze procedure werd op 23 oktober 2004 ingeleid (2).

B.   DE BEVINDINGEN VAN DE ONDERZOEKPROCEDURE

(5)

Tijdens de onderzoekprocedure toonden de Uruguayaanse autoriteiten zich bereid mogelijkheden te verkennen om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen. De diensten van de Commissie stemden in met een discussie over mogelijke manieren om de in de klacht genoemde problemen aan te pakken. Op basis van de discussie stelden de Uruguayaanse autoriteiten een oplossing met de volgende elementen voor:

a)

wat de praktijk van de Uruguayaanse autoriteiten betreft om alle drie jaar oude en oudere whisky's van de laagste accijnscategorie uit te sluiten (terwijl whisky's volgens de EU-wetgeving ten minste drie jaar moeten rijpen), stelde Uruguay voor de desbetreffende bepaling met ingang van 1 juli 2005 in te trekken;

b)

wat de discriminerende bepaling betreft dat op flessen ingevoerde whisky accijnszegels moeten worden aangebracht, verplichtte Uruguay zich zijn voorschriften uiterlijk op 30 juni 2005 te wijzigen en deze wijziging binnen 90 dagen in werking te laten treden;

c)

ten derde had de SWA ook betoogd dat het door Uruguay gehanteerde IMESI-systeem voor sterkedrank in strijd was met de GATT, omdat het niet op uniforme, onpartijdige en redelijke wijze werd toegepast. De Uruguayaanse autoriteiten stelden voor zich in te zetten voor een wijziging van de structuur van de IMESI-accijnzen teneinde deze uiterlijk in 2006 in overeenstemming te brengen met de op internationaal niveau meest gebruikelijke belastingstelsels;

d)

wat het vierde aspect betreft, d.w.z. de verplichte betaling vooraf van accijnzen bij invoer ter hoogte van 80 % van de douanewaarde van de goederen, stemden wij ermee in dat Uruguay zijn systeem van betaling vooraf van de IMESI-accijnzen kan handhaven om belastingontwijking te voorkomen.

C.   ONTWIKKELINGEN NA HET EIND VAN HET ONDERZOEK

(6)

De eerste twee door de Uruguayaanse autoriteiten voorgestelde stappen werden binnen de overeengekomen termijnen uitgevoerd, maar de IMESI-structuur werd pas gewijzigd toen Uruguay bij Decreet nr. 520/2007 van 27 december 2007 een nieuwe accijnswetgeving invoerde.

(7)

Begin 2008 verzocht de Commissie Uruguay om een aantal toelichtingen ten aanzien van de herziening van de structuur van het IMESI-systeem, die in mei 2009 werden verstrekt. Deze toelichtingen bevestigden dat de werking van het Uruguayaanse systeem nu in overeenstemming is met de desbetreffende WTO-verplichtingen en met de verbintenissen die Uruguay in verband met de oplossing is aangegaan.

D.   CONCLUSIE EN AANBEVELING

(8)

Gezien bovenstaande analyse wordt geoordeeld dat de onderzoekprocedure ertoe heeft geleid dat een bevredigende oplossing is bereikt ten aanzien van de belemmeringen voor het handelsverkeer waarvan in de klacht van de SWA gewag werd gemaakt. De onderzoekprocedure moet derhalve in overeenstemming met artikel 11, lid 1, van de verordening worden beëindigd.

(9)

Het Raadgevend Comité is geraadpleegd over de in dit besluit vervatte maatregelen,

BESLUIT:

Enig artikel

De onderzoekprocedure betreffende door de Republiek ten oosten van de Uruguay ingestelde maatregelen die van invloed zijn op de invoer en verkoop van whisky in Uruguay wordt beëindigd.

Gedaan te Brussel, 5 oktober 2009.

Voor de Commissie

Catherine ASHTON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 349 van 31.12.1994, blz. 71.

(2)  PB C 261 van 23.10.2004, blz. 3.


6.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/54


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 5 oktober 2009

tot intrekking van Richtlijn 2009/124/EG tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de maximumgehalten aan arseen, theobromine, Datura sp., Ricinus communis L., Croton tiglium L. en Abrus precatorius L. betreft

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 7705)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/738/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (1), en met name op artikel 5 bis,

Gelet op Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (2), en met name op artikel 11, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 8 van Richtlijn 2002/32/EG bepaalt dat de maatregelen tot aanpassing van bijlage I bij die richtlijn, die niet-essentiële onderdelen van die richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(2)

Artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalt dat de ontwerpmaatregelen onverwijld ter toetsing aan het Europees Parlement en de Raad moeten worden voorgelegd en dat de termijn voor de toetsing drie maanden bedraagt, gerekend vanaf de datum waarop het voorstel bij hen is ingediend.

(3)

De ontwerprichtlijn van de Commissie tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de maximumgehalten aan arseen, theobromine, Datura sp., Ricinus communis L., Croton tiglium L. en Abrus precatorius L. betreft is op 28 juli 2009 bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.

(4)

Richtlijn 2009/124/EG van de Commissie van 25 september 2009 tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de maximumgehalten aan arseen, theobromine, Datura sp., Ricinus communis L., Croton tiglium L. en Abrus precatorius L. betreft (3) is bij vergissing vastgesteld vóór het verstrijken van de toetsingstermijn.

(5)

Richtlijn 2009/124/EG moet daarom onverwijld worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Richtlijn 2009/124/EG wordt ingetrokken.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 5 oktober 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(2)  PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10.

(3)  PB L 254 van 26.9.2009, blz. 100.