ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.206.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 206

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
8 augustus 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC)

1

 

 

Verordening (EG) nr. 724/2009 van de Commissie van 7 augustus 2009 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

9

 

*

Verordening (EG) nr. 725/2009 van de Commissie van 7 augustus 2009 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Pan de Cruz de Ciudad Real (BGA))

11

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2009/603/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 5 augustus 2009 tot vaststelling van voorschriften voor de registratie van producenten van batterijen en accu's overeenkomstig Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 6054)  ( 1 )

13

 

 

2009/604/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 7 augustus 2009 betreffende de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor 2009 aan een tweejarig proefproject op het gebied van luchtkwaliteit in scholen

16

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2009/605/GBVB van de Raad van 7 augustus 2009 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2009/137/GBVB houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie in Kosovo

20

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

8.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 206/1


VERORDENING (EG) Nr. 723/2009 VAN DE RAAD

van 25 juni 2009

betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 171 en artikel 172, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 171 van het Verdrag kan de Gemeenschap gemeenschappelijke ondernemingen of andere structuren in het leven roepen die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van programma's voor communautair onderzoek en communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie.

(2)

De ondersteuning en ontwikkeling van onderzoeksinfrastructuren in Europa is reeds lang een doelstelling van de Gemeenschap, zoals meest recentelijk blijkt uit Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (4) en meer in het bijzonder uit Beschikking 2006/974/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma „Capaciteiten” (5).

(3)

Terwijl de traditionele steun voor het gebruik en de ontwikkeling van Europese onderzoeksinfrastructuren voornamelijk wordt verleend in de vorm van subsidies aan bestaande onderzoeksinfrastructuren in de lidstaten, is in de afgelopen jaren gebleken dat er extra inspanningen nodig zijn om de ontwikkeling van nieuwe structuren te stimuleren door de totstandbrenging van een passend rechtskader dat de oprichting en de exploitatie van dergelijke structuren op communautair niveau moet vergemakkelijken.

(4)

Dit probleem werd herhaaldelijk aangekaart zowel op politiek niveau door de lidstaten en de communautaire instellingen als door de diverse actoren binnen de Europese onderzoeksgemeenschap, zoals ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten en, in het bijzonder, het Europees Strategieforum voor onderzoeksinfrastructuren (ESFRI).

(5)

Hoewel in de communautaire OTO-kaderprogramma's reeds lang wordt erkend dat infrastructuren voor wetenschappelijk onderzoek van wereldniveau cruciaal zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 163 van het Verdrag vastgestelde communautaire OTO-doelstellingen, zijn de voorschriften voor de oprichting, financiering en werking van deze onderzoeksinfrastructuren nog steeds versnipperd en van regio tot regio verschillend. Aangezien de Europese onderzoeksinfrastructuren concurreren met de onderzoeksinfrastructuren van de mondiale partners van de Gemeenschap, die fors investeren en nog zullen investeren in moderne, grootschalige onderzoeksinfrastructuren, en aangezien die onderzoeksinfrastructuren steeds complexer en duurder worden, zodat zij buiten het bereik liggen van afzonderlijke lidstaten of zelfs werelddelen, moeten thans de mogelijkheden van artikel 171 van het Verdrag ten volle worden benut en ontwikkeld door een rechtskader tot stand te brengen waarin de procedures en de voorwaarden worden vastgesteld voor de oprichting en werking van Europese onderzoeksinfrastructuren op communautair niveau, die nodig zijn voor de goede uitvoering van de communautaire OTO-programma's. Dit nieuwe rechtskader vormt een aanvulling op andere rechtsvormen naar nationaal, internationaal of Gemeenschapsrecht.

(6)

Anders dan gezamenlijke technologie-initiatieven (GTI’s), die de vorm aannemen van gemeenschappelijke ondernemingen waarvan de Gemeenschap lid is en waaraan zij financiële bijdragen betaalt, moet een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (hierna „ERIC” genoemd) niet worden beschouwd als een door de gemeenschappen opgericht orgaan in de zin van artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (6) (het Financieel Reglement), maar wel als een juridische entiteit waarvan de Gemeenschap niet noodzakelijkerwijze lid is en waaraan zij geen financiële bijdragen betaalt in de zin van artikel 108, lid 2, onder f), van het Financieel Reglement.

(7)

Gelet op de nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Gemeenschap bij het op complementaire wijze programmeren en uitvoeren van hun respectieve onderzoeksactiviteiten, zoals is voorgeschreven in de artikelen 164 en 165 van het Verdrag, moeten de belangstellende lidstaten, afzonderlijk of samen met andere bevoegde entiteiten en rekening houdend met hun activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling en met de eisen van de Gemeenschap, omschrijven wat hun behoeften zijn inzake de oprichting van onderzoeksinfrastructuren in deze juridische vorm. Om dezelfde redenen moeten belangstellende lidstaten lid kunnen worden van een ERIC, en moeten daarvoor in aanmerking komende landen die met het kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling geassocieerd zijn (hierna „geassocieerde landen” genoemd), derde landen en gespecialiseerde intergouvernementele organisaties ook kunnen deelnemen. Naast volwaardig lid moeten de lidstaten onder de in zijn statuten vermelde voorwaarden waarnemer van een ERIC kunnen worden.

(8)

De voornaamste taak van een krachtens deze verordening opgericht ERIC moet zijn het zonder winstoogmerk oprichten en exploiteren van een onderzoeksinfrastructuur, waarbij het grootste deel van zijn middelen aan deze hoofdtaak moet worden gespendeerd. Om innovatie en kennis- en technologieoverdracht te bevorderen, moet worden toegestaan dat het ERIC een aantal beperkte economische activiteiten uitoefent, mits die nauw in verband staan met zijn hoofdtaak en de vervulling daarvan niet in gevaar brengen. De oprichting van onderzoeksinfrastructuren met de status van ERIC sluit niet uit dat ook ten aanzien van onderzoeksinfrastructuren van pan-Europees belang met een andere rechtsvorm kan worden erkend dat zij bijdragen tot de vooruitgang van Europees onderzoek, met inbegrip van de uitvoering van de door het ESFRI ontwikkelde routekaart. De Commissie moet ervoor zorgen dat ESFRI-leden en andere belangstellende partijen worden geïnformeerd over deze alternatieve rechtsvormen.

(9)

Onderzoeksinfrastructuren moeten de wetenschappelijke excellentie van het communautaire onderzoek en het concurrentievermogen van de communautaire economie op basis van prognoses voor de middellange of de lange termijn helpen vrijwaren door een doeltreffende ondersteuning van Europese onderzoeksactiviteiten. Daartoe moeten zij daadwerkelijk openstaan voor de gehele Europese onderzoeksgemeenschap, conform hun statutaire bepalingen, en het doel hebben de Europese wetenschappelijke capaciteiten uit te tillen boven het huidige niveau en aldus bij te dragen aan de ontwikkeling van de Europese onderzoeksruimte.

(10)

Om te komen tot een doeltreffende procedure voor de oprichting van een ERIC, moeten de entiteiten die een ERIC willen oprichten, daartoe een verzoek indienen bij de Commissie, die met de hulp van onafhankelijke deskundigen onder wie zich ESFRI-leden kunnen bevinden, moet beoordelen of de voorgestelde onderzoeksinfrastructuur in overeenstemming is met deze verordening. Dit verzoek dient een verklaring van de gastlidstaat te bevatten dat hij het ERIC, voor de toepassing van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (7) en van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (8), vanaf het tijdstip van oprichting erkent als internationale instelling. Het ERIC moet tevens bepaalde vrijstellingen kunnen genieten als internationale organisatie voor de toepassing van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (9), met inachtneming van de voorschriften inzake staatssteun.

(11)

Ten behoeve van de transparantie moet de beschikking tot oprichting van een ERIC worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Om dezelfde reden moeten de essentiële elementen van zijn statuten bij die beschikking worden gevoegd.

(12)

Opdat een ERIC zijn taken zo doeltreffend mogelijk kan uitoefenen, moet het vanaf de dag waarop de beschikking tot oprichting ervan in werking treedt, rechtspersoonlijkheid hebben en over een zo ruim mogelijke rechtsbevoegdheid beschikken. Om te kunnen bepalen welk recht van toepassing is, moet het ERIC een statutaire zetel hebben binnen het grondgebied van een ERIC-lid dat een lidstaat of een geassocieerd land is.

(13)

Van een ERIC moeten ten minste drie lidstaten lid zijn; ook daarvoor in aanmerking komende geassocieerde landen, derde landen die geen geassocieerd land zijn en gespecialiseerde intergouvernementele organisaties kunnen lid worden.

(14)

Gelet op de communautaire dimensie van deze verordening, moeten de lidstaten samen de meerderheid van stemmen in de ledenvergadering van een ERIC hebben.

(15)

Met het oog op de implementatie van dit kader, moeten in de statuten nadere regelingen worden vastgesteld die de Commissie in staat moeten stellen te onderzoeken of een verzoek in overeenstemming is met het in deze verordening neergelegde kader.

(16)

Er moet worden bewerkstelligd dat een ERIC over de nodige flexibiliteit beschikt om zijn statuten te kunnen wijzigen maar ook dat de Gemeenschap, die het ERIC opricht, zeggenschap behoudt over bepaalde essentiële elementen. Wanneer een wijziging betrekking heeft op een essentieel onderdeel van de aan de beschikking tot oprichting van het ERIC gehechte statuten, kan deze wijziging pas effect sorteren na te zijn goedgekeurd bij een beschikking van de Commissie die wordt aangenomen volgens dezelfde procedure als die welke voor de oprichting van het ERIC geldt. Andere wijzigingen moeten ter kennis worden gebracht van de Commissie, die bezwaar moet kunnen aantekenen indien zij van mening is dat de wijziging in strijd is met deze verordening.

(17)

Een ERIC moet eigen organen oprichten met het oog op het doeltreffende beheer van zijn activiteiten. In de statuten moet worden bepaald op welke wijze deze organen het ERIC in rechte vertegenwoordigen.

(18)

Een ERIC moet zijn activiteiten uitoefenen conform deugdelijke begrotingsbeginselen voor de uitoefening van zijn financiële verantwoordelijkheid.

(19)

Een ERIC komt in aanmerking voor financiering conform titel VI van het Financieel Reglement. Ook financiering in het kader van het cohesiebeleid is mogelijk conform de toepasselijke Gemeenschapswetgeving.

(20)

Opdat het ERIC zijn taken zo doeltreffend mogelijk kan uitoefenen en als logisch uitvloeisel van zijn rechtspersoonlijkheid, moet het aansprakelijk zijn voor zijn schulden. Om de leden in staat te stellen passende oplossingen voor hun aansprakelijkheid te vinden, moet de mogelijkheid worden geboden om in de statuten verschillende aansprakelijkheidsregelingen op te nemen die verder gaan dan de tot de bijdrage van elk lid beperkte aansprakelijkheid.

(21)

Aangezien het ERIC wordt opgericht op basis van het Gemeenschapsrecht, moet op het consortium, naast het recht van de staat van zijn statutaire zetel, ook het Gemeenschapsrecht van toepassing zijn. Het ERIC kan echter ook in een andere staat een plaats van bedrijfsuitoefening hebben. Voor de in de statuten omschreven specifieke punten moet het recht van die andere staat gelden. Voorts dient een ERIC onderworpen te zijn aan uitvoeringsvoorschriften die in overeenstemming zijn met die statuten.

(22)

De lidstaten kunnen wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen toepassen of vaststellen mits deze niet strijdig zijn met de werkingssfeer of de doelstellingen van deze verordening.

(23)

Om op adequate wijze te kunnen controleren of deze verordening wordt nageleefd, moet een ERIC de Commissie en de betrokken overheidsinstanties zijn jaarverslag toezenden, alsook alle informatie over omstandigheden die de uitvoering van zijn taken ernstig in gevaar dreigen te brengen. Indien de Commissie, door lezing van het jaarverslag of anderszins, over aanwijzingen komt te beschikken dat het ERIC een ernstige inbreuk op deze verordening of andere toepasselijke wettelijke voorschriften pleegt, moet zij het ERIC en/of zijn leden verzoeken om uitleg te verschaffen en/of maatregelen te nemen. In extreme gevallen en wanneer geen corrigerende maatregelen zijn genomen, kan de Commissie de beschikking tot oprichting van het ERIC intrekken; dat heeft de ontbinding van het ERIC tot gevolg.

(24)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van een rechtskader voor Europese onderzoeksinfrastructuren tussen meerdere lidstaten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt in het kader van hun nationale grondwettelijke stelsels, wegens het transnationale karakter van het probleem, en zij derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(25)

Aangezien deze verordening voornamelijk is ingesteld met het oog op een doeltreffende uitvoering van de communautaire programma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie en de voor de uitvoering ervan vereiste maatregelen derhalve hoofdzakelijk beheersmaatregelen zijn, dienen deze te worden aangenomen overeenkomstig de beheersprocedure van artikel 4 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (10),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een rechtskader vastgesteld met de voorschriften en procedures voor en de gevolgen van de oprichting van een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (hierna een „ERIC” genoemd).

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „onderzoeksinfrastructuur”: faciliteiten, middelen en verwante diensten die door de wetenschappelijke gemeenschap worden gebruikt om op alle gebieden kwalitatief hoogstaand onderzoek te verrichten. Deze definitie omvat de belangrijkste apparatuur en instrumenten die voor wetenschappelijke doelen worden gebruikt; kennisgebaseerde hulpbronnen zoals verzamelingen, archieven of gestructureerde wetenschappelijke informatie; op informatie- en communicatietechnologie gebaseerde infrastructuren zoals gridnetwerken, computers, software en verbindingen, alsook andere apparatuur die onontbeerlijk is voor excellentie in onderzoek. Dergelijke infrastructuren kunnen zich op één enkele plaats bevinden dan wel verspreid zijn over meerdere plaatsen (in een netwerk georganiseerd);

b)   „derde land”: een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is;

c)   „geassocieerd land”: een derde land dat partij is bij een internationale overeenkomst met de Gemeenschap, onder de voorwaarden en op basis waarvan het financieel bijdraagt aan alle of sommige communautaire programma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

Artikel 3

Taak en andere activiteiten

1.   Een ERIC heeft als hoofdtaak een onderzoeksinfrastructuur op te richten en te beheren.

2.   Een ERIC verricht zijn hoofdtaak zonder winstoogmerk. Het ERIC mag evenwel beperkte economische activiteiten uitoefenen mits deze nauw verbonden zijn met zijn hoofdtaak en de vervulling ervan niet in gevaar brengen.

3.   Een ERIC boekt de kosten en ontvangsten van zijn economische activiteiten afzonderlijk en vraagt daarvoor marktprijzen dan wel, wanneer deze niet kunnen worden vastgesteld, de volledige kosten plus een redelijke marge.

Artikel 4

Voorschriften voor de infrastructuur

De door een ERIC op te richten onderzoeksinfrastructuur voldoet aan de volgende voorschriften:

a)

zij is nodig voor de uitvoering van Europese onderzoeksprogramma's en -projecten, daaronder begrepen de goede uitvoering van de communautaire programma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie;

b)

zij biedt een toegevoegde waarde voor de versterking en structurering van de Europese onderzoeksruimte (EOR) en zorgt op internationaal niveau voor een aanzienlijke verbetering op de relevante wetenschappelijke en technologische gebieden;

c)

zij is met inachtneming van de statutaire bepalingen van het ERIC effectief toegankelijk voor onderzoekers van de lidstaten en de geassocieerde landen;

d)

zij draagt bij tot de mobiliteit van de kennis en/of van de onderzoekers in de Europese onderzoeksruimte (EOR) en zorgt ervoor dat het intellectuele potentieel van alle lidstaten van de Unie beter wordt benut, en

e)

zij draagt bij tot het verspreiden en optimaliseren van de resultaten van de activiteiten inzake communautair onderzoek en communautaire technologische ontwikkeling en demonstratie.

Artikel 5

Verzoek tot oprichting van een ERIC

1.   De entiteiten die een ERIC willen oprichten (hierna de „aanvragers” genoemd), dienen daartoe een verzoek in bij de Commissie. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend in een van de officiële talen van de instellingen van de Unie en bevat de volgende gegevens:

a)

een aan de Commissie gericht verzoek om oprichting van het ERIC;

b)

de ontwerpstatuten van het ERIC als bedoeld in artikel 10;

c)

een technische en wetenschappelijke beschrijving van de door het ERIC op te richten en te beheren onderzoeksinfrastructuur, waarbij met name nader wordt ingegaan op de in artikel 4 vermelde voorschriften;

d)

een verklaring van de gastlidstaat dat hij het ERIC vanaf het tijdstip van oprichting erkent als internationale instelling in de zin van artikel 143, onder g), en artikel 151, lid 1, onder b), van Richtlijn 2006/112/EG en in de zin van artikel 23, lid 1, tweede streepje, van Richtlijn 92/12/EEG. De beperkingen en voorwaarden voor de in deze bepalingen bedoelde vrijstellingen worden vastgesteld in een overeenkomst tussen de leden van het ERIC.

2.   De Commissie beoordeelt het verzoek op basis van de in deze verordening gestelde voorwaarden. In het kader van deze beoordeling wint zij het advies in van onafhankelijke deskundigen, met name op het gebied van de voorgenomen activiteiten van het ERIC. Het resultaat van deze beoordeling wordt meegedeeld aan de aanvragers, die zo nodig wordt verzocht het verzoek aan te vullen of te wijzigen.

Artikel 6

Beschikking op het verzoek

1.   Rekening houdend met de resultaten van de in artikel 5, lid 2, bedoelde beoordeling en volgens de in artikel 20 bedoelde procedure:

a)

stelt de Commissie een beschikking tot oprichting van het ERIC vast, nadat zij heeft geconstateerd dat aan de voorschriften van deze verordening is voldaan, of

b)

wijst de Commissie het verzoek af indien zij tot de conclusie komt dat niet is voldaan aan de voorschriften van deze verordening, onder meer wanneer de in artikel 5, lid 1, onder d), bedoelde verklaring ontbreekt.

2.   De beschikking op het verzoek wordt ter kennis gebracht van de aanvragers. Bij een eventuele weigering wordt de beschikking in heldere en nauwkeurige bewoordingen aan de aanvragers toegelicht.

De beschikking tot oprichting van het ERIC wordt ook bekendgemaakt in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   De in het verzoek opgenomen essentiële elementen van de statuten, vermeld in artikel 10, onder b) tot en met f) en onder g), i) tot en met vi), worden aan de beschikking tot oprichting van het ERIC gehecht.

Artikel 7

Status van een ERIC

1.   Een ERIC heeft rechtspersoonlijkheid vanaf de datum waarop de beschikking tot oprichting ervan in werking treedt.

2.   Een ERIC heeft in elke lidstaat de ruimste handelingsbevoegdheid die krachtens het nationale recht van die lidstaat aan rechtspersonen wordt toegekend. Het kan in het bijzonder roerende en onroerende goederen en intellectuele eigendom verwerven, bezitten en vervreemden, contracten sluiten en in rechte optreden.

3.   Een ERIC is een internationale organisatie in de zin van artikel 15, onder c), van Richtlijn 2004/18/EG.

Artikel 8

Zetel en naam

1.   Een ERIC heeft een statutaire zetel, die is gevestigd op het grondgebied van een lid dat ofwel een lidstaat is, ofwel een met een communautair programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie geassocieerd land.

2.   Een ERIC heeft een naam die de afkorting „ERIC” bevat.

Artikel 9

Criteria voor het lidmaatschap

1.   De volgende entiteiten kunnen lid worden van een ERIC:

a)

lidstaten;

b)

geassocieerde landen;

c)

derde landen die geen geassocieerd land zijn;

d)

intergouvernementele organisaties.

2.   Een ERIC heeft ten minste drie lidstaten als lid. Andere lidstaten kunnen op elk ogenblik lid van een ERIC worden onder billijke en redelijke voorwaarden die in de statuten zijn vastgesteld, en kunnen onder de in de statuten vastgestelde voorwaarden waarnemer zonder stemrechten worden. Verdere geassocieerde landen en derde landen die geen geassocieerd land zijn, alsook intergouvernementele organisaties kunnen, onder voorbehoud van de instemming van de in artikel 12, onder a) bedoelde ledenvergadering, ook lid worden overeenkomstig de in de statuten vastgestelde voorwaarden en procedures voor het verkrijgen van de status van lid.

3.   De lidstaten hebben samen de meerderheid van de stemrechten in de ledenvergadering.

4.   Lidstaten, geassocieerde landen of derde landen kunnen, met het oog op de uitoefening van bepaalde rechten en de tenuitvoerlegging van welbepaalde verplichtingen als lid van het ERIC, worden vertegenwoordigd door één of meer publieke entiteiten, met inbegrip van regio's, of door één of meer private entiteiten met een openbaredienstverleningstaak.

5.   Geassocieerde landen die lid worden van een ERIC, alsook derde landen en intergouvernementele organisaties die een ERIC willen oprichten of er lid van willen worden, erkennen dat het ERIC rechtspersoonlijkheid en handelingsbevoegdheid heeft conform artikel 7, leden 1 en 2, en dat het is onderworpen aan de in artikel 15 bedoelde rechtsvoorschriften.

6.   Geassocieerde landen en derde landen die een ERIC willen oprichten of er lid van willen worden, behandelen het ERIC op de wijze die voortvloeit uit artikel 5, lid 1, onder d), en artikel 7, lid 3.

Artikel 10

Statuten

De statuten van een ERIC bevatten ten minste het volgende:

a)

een lijst van leden, waarnemers en in voorkomend geval van entiteiten die leden vertegenwoordigen, alsook de voorwaarden en de procedure voor wijzigingen in het lidmaatschap en de vertegenwoordiging van het ERIC, conform artikel 9;

b)

de taken en activiteiten van het ERIC;

c)

de statutaire zetel, conform artikel 8, lid 1;

d)

de naam van het ERIC, conform artikel 8, lid 2;

e)

de duur en ontbindingsprocedure, conform artikel 16;

f)

de aansprakelijkheidsregeling, overeenkomstig artikel 14, lid 2;

g)

de basisbeginselen betreffende:

i)

het beleid inzake toegang voor gebruikers;

ii)

het beleid inzake wetenschappelijke evaluatie;

iii)

het beleid inzake verspreiding;

iv)

het beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten;

v)

het personeelsbeleid, met inbegrip van het gelijkekansenbeleid;

vi)

het aanbestedingsbeleid, met inachtneming van de beginselen inzake transparantie, non-discriminatie en mededinging;

vii)

in voorkomend geval buitengebruikstelling;

viii)

het beleid inzake gegevens;

h)

de rechten en verplichtingen van de leden, waaronder de verplichting bij te dragen aan een sluitende begroting en stemrechten;

i)

de organen van het ERIC, hun rol, taken, samenstelling en besluitvormingsprocedures, met inbegrip van de wijze waarop de statuten worden gewijzigd, conform de artikelen 11 en 12;

j)

de vaststelling van de werktaal of werktalen;

k)

verwijzing naar de uitvoeringsvoorschriften van de statuten.

De statuten zijn beschikbaar voor het publiek op de website van het ERIC en op zijn statutaire zetel.

Artikel 11

Wijziging van de statuten

1.   Elke wijziging van de statuten in verband met de kwesties als bedoeld in artikel 10, onder b) tot en met f), en onder g), i) tot en met vi), wordt door het ERIC ter goedkeuring aan de Commissie voorgelegd. Een dergelijke wijziging treedt niet in werking voordat de beschikking houdende goedkeuring ervan in werking is getreden. De Commissie past mutatis mutandis artikel 5, lid 2, en artikel 6 toe.

2.   Elke andere wijziging van de statuten dan de in lid 1 bedoelde wijzigingen wordt binnen tien dagen na de aanneming ervan door het ERIC aan de Commissie voorgelegd.

3.   De Commissie kan binnen zestig dagen na het voorleggen van een dergelijke wijziging daartegen bezwaar maken, onder opgave van de redenen waarom de wijziging niet voldoet aan de voorschriften van deze verordening.

4.   De wijziging treedt niet in werking voordat de bezwaartermijn is verstreken of voordat de Commissie van die termijn afstand heeft gedaan of voordat de gemaakte bezwaren zijn opgeheven.

5.   Het verzoek om wijziging bevat het volgende:

a)

de tekst van de voorgestelde of, in voorkomend geval, vastgestelde wijziging, met inbegrip van de datum waarop deze in werking treedt;

b)

de gewijzigde, geconsolideerde versie van de statuten.

Artikel 12

Organisatie van het ERIC

De statuten voorzien ten minste in de volgende organen met de volgende bevoegdheden:

a)

een ledenvergadering die volledige beslissingsbevoegdheid heeft, met inbegrip van de vaststelling van de begroting;

b)

een directeur of een raad van bestuur, die door de ledenvergadering wordt aangesteld als het uitvoerende orgaan en de vertegenwoordiger in rechte van het ERIC.

In de statuten wordt omschreven op welke wijze de leden van de raad van bestuur het ERIC in rechte vertegenwoordigen.

Artikel 13

Begrotingsbeginselen, boekhouding en controles

1.   Alle ontvangsten en uitgaven van een ERIC worden voor elk begrotingsjaar geraamd en in de begroting opgenomen. De ontvangsten en uitgaven van de begroting zijn in evenwicht.

2.   De leden van een ERIC zorgen ervoor dat de kredieten worden gebruikt volgens de beginselen van goed financieel beheer.

3.   De begroting wordt opgesteld, uitgevoerd en aan rekening en verantwoording onderworpen met inachtneming van het transparantiebeginsel.

4.   De rekeningen van een ERIC gaan vergezeld van een verslag over het beheer op financieel en begrotingsgebied in het betrokken begrotingsjaar.

5.   Wat de opstelling, neerlegging, controle en openbaarmaking van de jaarrekening betreft, is een ERIC onderworpen aan de voorschriften van het toepasselijke recht.

Artikel 14

Aansprakelijkheid en verzekeringen

1.   Een ERIC is aansprakelijk voor zijn schulden.

2.   De financiële aansprakelijkheid van de leden voor de schulden van het ERIC is beperkt tot hun respectieve bijdragen aan het consortium. De leden kunnen in de statuten bepalen dat zij een algemene aansprakelijkheid aanvaarden die verder gaat dan hun respectieve bijdragen of dat zij een onbeperkte aansprakelijkheid aanvaarden.

3.   In geval van beperkte financiële aansprakelijkheid van zijn leden sluit het ERIC de nodige verzekeringen af tegen alle aan de bouw en de werking van de infrastructuur inherente risico's.

4.   De Gemeenschap is niet aansprakelijk voor de schulden van het ERIC.

Artikel 15

Toepasselijk recht en rechterlijke bevoegdheid

1.   De oprichting en interne werking van een ERIC zijn onderworpen aan:

a)

het Gemeenschapsrecht, meer bepaald deze verordening, en de in artikel 6, lid 1, onder a), en artikel 11, lid 1, bedoelde beschikkingen;

b)

het recht van de staat waar het ERIC zijn statutaire zetel heeft, voor kwesties die niet of slechts gedeeltelijk worden geregeld door de onder a) bedoelde besluiten;

c)

de statuten en de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften.

2.   Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd voor het ERIC betreffende geschillen tussen de leden en voor geschillen tussen de leden en het ERIC, alsook voor alle geschillen waarbij de Gemeenschap partij is.

3.   De communautaire wetgeving inzake rechterlijke bevoegdheid is van toepassing op geschillen tussen een ERIC en derden. Voor geschillen die niet onder de communautaire wetgeving vallen, wordt overeenkomstig het recht van de staat waar het ERIC zijn statutaire zetel heeft, bepaald welk gerecht bevoegd is voor de beslechting van het geschil in kwestie.

Artikel 16

Ontbinding en insolventie

1.   In de statuten wordt vastgesteld volgens welke procedure het ERIC wordt ontbonden na een besluit van de ledenvergadering. De ontbinding kan leiden tot het overdragen van de activiteiten aan een andere juridische entiteit.

2.   Onverwijld en uiterlijk tien dagen na de vaststelling van het ontbindingsbesluit door de ledenvergadering, stelt het ERIC de Commissie van dat besluit in kennis. De Commissie publiceert een passende kennisgeving in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   Onverwijld en uiterlijk tien dagen na afsluiting van de ontbindingsprocedure stelt het ERIC de Commissie van die afsluiting in kennis. De Commissie publiceert een passende kennisgeving in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie. Het ERIC houdt op te bestaan op de dag van publicatie van de kennisgeving.

4.   Indien het ERIC op enig moment niet in staat is zijn schulden te betalen, stelt het de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De Commissie publiceert een passende kennisgeving in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 17

Verslaglegging en controle

1.   Een ERIC stelt een jaarlijks activiteitenverslag op waarin het met name verantwoording aflegt over zijn in artikel 3 bedoelde wetenschappelijke, operationele en financiële activiteiten. Dit verslag wordt goedgekeurd door de ledenvergadering en wordt binnen zes maanden na het einde van het overeenkomstige begrotingsjaar bij de Commissie en de betrokken overheidsinstanties ingediend. Dat verslag wordt openbaar gemaakt.

2.   Een ERIC en de betrokken lidstaten stellen de Commissie in kennis van elke omstandigheid die de goede uitvoering van de taak van het ERIC ernstig in gevaar dreigt te brengen of die zijn vermogen om de in het kader van deze verordening vastgestelde voorwaarden na te leven dreigt te beperken.

3.   Indien de Commissie over aanwijzingen komt te beschikken dat een ERIC een ernstige inbreuk pleegt op deze verordening, op de op basis daarvan genomen beschikkingen of op andere toepasselijke rechtsvoorschriften, verzoekt zij het ERIC en/of zijn leden om uitleg.

4.   Indien de Commissie, na het ERIC en/of zijn leden in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een redelijke termijn opmerkingen in te dienen, tot de conclusie komt dat het ERIC een ernstige inbreuk pleegt op deze verordening, op de op basis daarvan genomen beschikkingen of op andere toepasselijke rechtsvoorschriften, kan zij het ERIC en zijn leden voorstellen corrigerende maatregelen te nemen.

5.   Indien er geen corrigerende maatregelen worden genomen, kan de Commissie de beschikking tot oprichting van het ERIC intrekken volgens de in artikel 20 bedoelde procedure. Dit besluit wordt ter kennis gebracht van het ERIC en bekendgemaakt in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie. Dat heeft de ontbinding van het ERIC tot gevolg.

Artikel 18

Passende maatregelen

De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening daadwerkelijk wordt toegepast.

Artikel 19

Verslaglegging en herziening

Uiterlijk op 27 juli 2014 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing ervan en stelt zij in voorkomend geval wijzigingen voor.

Artikel 20

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een beheerscomité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxembourg, 25 juni 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

L. MIKO


(1)  Advies van 19 februari 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van 14 januari 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB C 76 van 31.3.2009, blz. 6.

(4)  PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.

(5)  PB L 54 van 22.2.2007, blz. 101.

(6)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(7)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(8)  PB L 76 van 23.3.1992, blz. 1.

(9)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.

(10)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


8.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 206/9


VERORDENING (EG) Nr. 724/2009 VAN DE COMMISSIE

van 7 augustus 2009

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 8 augustus 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 augustus 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

29,6

XS

23,3

ZZ

26,5

0707 00 05

MK

25,2

TR

103,3

ZZ

64,3

0709 90 70

TR

103,3

ZZ

103,3

0805 50 10

AR

63,9

TR

92,6

UY

61,1

ZA

67,6

ZZ

71,3

0806 10 10

EG

153,7

MA

103,9

TR

143,0

ZA

127,8

ZZ

132,1

0808 10 80

AR

90,8

BR

67,5

CL

81,0

CN

96,2

NZ

86,6

US

85,7

ZA

79,6

ZZ

83,9

0808 20 50

AR

131,4

AU

112,1

CL

101,7

TR

146,6

ZA

90,8

ZZ

116,5

0809 20 95

CA

365,6

TR

275,1

US

335,1

ZZ

325,3

0809 30

TR

144,2

ZZ

144,2

0809 40 05

IL

138,0

ZZ

138,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


8.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 206/11


VERORDENING (EG) Nr. 725/2009 VAN DE COMMISSIE

van 7 augustus 2009

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Pan de Cruz de Ciudad Real (BGA))

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de aanvraag van Spanje tot registratie van de benaming „Pan de Cruz de Ciudad Real” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 augustus 2009.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 324 van 19.12.2008, blz. 26.


BIJLAGE

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 510/2006 genoemde levensmiddelen:

Categorie 2.4.   Brood, gebak, cakes, snoepgoed, koekjes en andere bakkerswaren

SPANJE

Pan de Cruz de Ciudad Real (BGA)


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

8.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 206/13


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 5 augustus 2009

tot vaststelling van voorschriften voor de registratie van producenten van batterijen en accu's overeenkomstig Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 6054)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/603/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (1), en met name op artikel 17,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2006/66/EG voorziet in de registratie van producenten van batterijen en accu’s. Teneinde die producenten nodeloze administratieve lasten te besparen, dienen procedurele voorschriften te worden vastgesteld die in de hele Gemeenschap van toepassing zijn.

(2)

Het is passend te specificeren welke informatie producenten van batterijen en accu's bij de indiening van hun registratieaanvraag moeten verstrekken; daarbij dienen overlappingen met voorschriften in het kader van andere registratieprocedures te worden vermeden.

(3)

Eventuele registratievergoedingen dienen evenredig en kostengerelateerd te zijn, zodat de betrokken producenten onnodige administratieve kosten bespaard blijven.

(4)

De maatregelen waarin deze beschikking voorziet, zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is opgericht bij artikel 18, lid 1, van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (2),

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Voorschriften inzake de registratie

De schriftelijke of elektronische registratie van producenten van batterijen en accu's vindt plaats bij de nationale autoriteiten of bij door de lidstaten daartoe gemachtigde nationale organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, hierna de „registratie-instanties” genoemd.

De registratieprocedure kan deel uitmaken van een andere producentenregistratieprocedure.

Producenten van batterijen en accu’s hoeven zich slechts éénmaal te laten registreren in een lidstaat waar zij voor het eerst beroepsmatig batterijen en accu’s op de nationale markt brengen, en krijgen bij de registratie een registratienummer toegekend.

Artikel 2

Door de producenten te verstrekken informatie.

Producenten van batterijen en accu's verstrekken de registratie-instanties de in de bijlage vermelde informatie.

Ten behoeve van de in artikel 1, tweede alinea, bedoelde registratie wordt van de producenten van batterijen en accu’s geen andere dan de in de bijlage vermelde informatie verlangd.

Artikel 3

Registratievergoedingen

Indien de registratie-instanties een registratievergoeding verlangen, dient deze kostengerelateerd en evenredig te zijn.

Registratie-instanties die een registratievergoeding verlangen, stellen de bevoegde nationale autoriteiten in kennis van de ter vaststelling van de vergoeding toegepaste kostenberekeningsmethodiek.

Artikel 4

Wijziging van registratiegegevens.

De lidstaten zien erop toe dat als er zich een wijziging voordoet in de door de producenten overeenkomstig de bijlage van deze beschikking verstrekte gegevens, de producenten de betrokken registratie-instantie daarvan uiterlijk een maand na de wijziging in kennis stellen.

Artikel 5

Uitschrijving uit het register

Wanneer producenten niet langer als producent in een lidstaat actief zijn, schrijven zij zich uit middels een kennisgeving aan de betrokken registratie-instantie.

Artikel 6

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 5 augustus 2009.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1.

(2)  PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9.


BIJLAGE

MET HET OOG OP DE REGISTRATIE TE VERSTREKKEN INFORMATIE

1.

Naam van de producent en (in voorkomend geval) de commerciële benamingen waaronder hij in de lidstaat zijn activiteiten ontplooit.

2.

Adres(sen) van de producent: postcode en plaats, straatnaam en huisnummer, land, URL en telefoonnummer alsook, in voorkomend geval, contactpersoon, faxnummer en e-mailadres van de producent.

3.

Vermelding van het type batterijen of accu’s dat door de producent op de markt wordt gebracht: draagbare batterijen en accu’s, industriële batterijen en accu’s of autobatterijen en -accu’s.

4.

Informatie over de wijze waarop de producent zijn verantwoordelijkheden nakomt: door middel van een individuele of een collectieve regeling.

5.

Datum van de registratieaanvraag.

6.

Nationale identificatiecode van de producent, inclusief Europees belastingnummer of nationaal belastingnummer van de producent (facultatief).

7.

Een verklaring dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw is.


8.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 206/16


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 7 augustus 2009

betreffende de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor 2009 aan een tweejarig proefproject op het gebied van luchtkwaliteit in scholen

(2009/604/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (1), en met name op artikel 49, lid 6, onder a) en b), en artikel 75, lid 2,

Gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (2), met name op artikel 90,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2009 bevat begrotingsonderdeel 17 03 09 — Proefproject — Onderzoek op het gebied van gezondheid, milieu, vervoer en klimaatverandering (HETC) — Verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten.

(2)

Overeenkomstig artikel 49, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 („het Financieel Reglement”) moet eerst een basisbesluit worden vastgesteld alvorens de in de begroting opgenomen kredieten voor een actie van de Gemeenschappen of de Unie kunnen worden besteed.

(3)

Overeenkomstig artikel 49, lid 6, onder a) en b), van het Financieel Reglement mogen kredieten voor proefprojecten van experimentele aard om de haalbaarheid en het nut van een actie te bepalen en kredieten voor voorbereidende acties op gebieden die onder het toepassingsgebied van het EG-Verdrag vallen, om voorstellen voor te bereiden met het oog op de vaststelling van toekomstige acties, in afwijking van artikel 49, lid 1, zonder basisbesluit worden besteed, voor zover de gefinancierde acties onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen of de Europese Unie vallen.

(4)

Overeenkomstig artikel 75, lid 2, van het Financieel Reglement wordt de vastlegging van een uitgave voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling of de door haar gedelegeerde autoriteiten.

(5)

Met betrekking tot het plaatsen van opdrachten waarvoor de besteding van de desbetreffende kredieten wordt geregeld door een jaarlijks werkprogramma dat een voldoende gedetailleerd kader vormt, wordt dit werkprogramma overeenkomstig artikel 90, lid 2, van Verordening (EC, Euratom) nr. 2342/2002 („de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement”) ook als financieringsbesluit voor de betrokken subsidies en overheidsopdrachten beschouwd.

(6)

De begrotingsautoriteit heeft in de begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2009 specifieke financiering opgenomen voor begrotingsonderdeel 17 03 09 — Proefproject — Onderzoek op het gebied van gezondheid, milieu, vervoer en klimaatverandering (HETC) — Verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten.

(7)

Het jaarlijkse werkprogramma voor het „Proefproject — Onderzoek op het gebied van gezondheid, milieu, vervoer en klimaatverandering (HETC) — Verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten”, dat het financieringsbesluit zal zijn voor dat project in de zin van artikel 75 van het Financieel Reglement en artikel 90 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement, moet worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Artikel 1

Het in de bijlage opgenomen werkprogramma wordt goedgekeurd en wordt gefinancierd door begrotingsonderdeel 17 03 09 van de algemene begroting van de Europese Unie voor 2009, tot een maximaal bedrag van 4 000 000 EUR.

Artikel 2

Dit besluit is een financieringsbesluit in de zin van artikel 75 van het Financieel Reglement en artikel 90 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement.

De directeur-generaal voor Gezondheid en consumentenbescherming is met de uitvoering ervan belast.

Gedaan te Brussel, 7 augustus 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.


BIJLAGE

Proefproject — Onderzoek op het gebied van gezondheid, milieu, vervoer en klimaatverandering (HETC) — Verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten (begrotingsonderdeel 17 03 09)

1.   INLEIDING

1.1.   Begrotingsonderdeel: 17 03 09

1.2.   Basisbesluit

Proefproject in de zin van artikel 49, lid 6, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1525/2007 (2).

1.3.   Algemene doelstellingen van het proefproject

De begrotingsautoriteit heeft de Commissie een krediet toegekend voor de financiering van een proefproject dat tot doel heeft de kennis inzake de binnenluchtkwaliteit in scholen en kinderdagverblijven te verbeteren.

In het verleden is minder onderzoek gedaan naar de binnenluchtkwaliteit dan naar de buitenluchtkwaliteit, ook al is het onderzoek naar de buitenluchtkwaliteit in bepaalde gevallen ook van toepassing op de binnenluchtkwaliteit. Er bestaat ook al heel wat wetgeving over de buitenluchtkwaliteit, terwijl de regelgeving inzake de binnenluchtkwaliteit nog erg fragmentarisch is en op versnipperde initiatieven berust. De binnenluchtkwaliteit in scholen werd bovendien veel minder onderzocht dan de binnenluchtkwaliteit in andere omgevingen. Aangezien ongeveer 20 % van de EU-bevolking dagelijks een groot deel van de tijd in scholen doorbrengt en de incidentie van astma en andere aandoeningen van de luchtwegen in Europa, in het bijzonder bij kinderen, snel stijgt, wordt met het project beoogd:

problemen met de binnenluchtkwaliteit in scholen op te sporen en te analyseren, en daarbij vooral aandacht te besteden aan ventilatie, gebouwen, onderhoud en schoonmaak;

de doeltreffendheid van een goede ventilatie voor het verminderen van de luchtvervuiling in scholen te evalueren;

de gevolgen van klimaatverandering (frequentere hitte- en koudegolven en meer verontreinigende stoffen in de lucht) in scholen voor de gezondheid van de kinderen te evalueren;

het effect te beoordelen van maatregelen ter bestrijding van buitenluchtverontreiniging, met inbegrip van maatregelen op korte termijn, op de binnenluchtkwaliteit in scholen en op de blootstelling van de kinderen op school;

passende aanbevelingen te doen om problemen met de binnenluchtkwaliteit in scholen aan te pakken.

1.4.   Specifieke prioriteiten voor 2009

1.

Metingen verrichten in schoolgebouwen om nieuwe gegevens te verkrijgen inzake concentraties van de belangrijkste vervuilende stoffen in scholen.

2.

Het gecombineerde effect van vervoer (verkeer) en klimaatverandering op schoolomgevingen beoordelen.

3.

De gezondheidseffecten voor kinderen van de blootstelling aan binnenluchtverontreinigende stoffen beoordelen en aanbevelingen doen om aandoeningen van de luchtwegen te voorkomen en hun incidentie te verminderen door de kwaliteit van de schoolomgeving te verbeteren en andere maatregelen in dat verband te nemen.

4.

Binnenluchtverontreinigende stoffen in schoolomgevingen systematisch in kwantitatieve termen aan specifieke bronnen toewijzen. Indien de belangrijkste bronnen worden gevonden, kunnen de verontreinigende stoffen worden verminderd. In deze context is het verwerven van een beter inzicht in de chemische emissies van consumentenproducten en bouwmaterialen prioritair.

5.

De mechanismen van chemische en biochemische interactie in de typische binnenluchtmengsels in scholen en op verschillende geografische breedtegraden onderzoeken en de methodologie ontwikkelen voor een betere evaluatieprocedure van het gezondheidsrisico wat de gevolgen van dergelijke interacties voor het uiteindelijke gezondheidsrisico betreft.

6.

Op basis van het bovenstaande Europese richtsnoeren voor gezonde scholen in Europa ontwikkelen.

In het verleden hebben de Commissie en het Parlement reeds steun verleend aan twee projecten op hetzelfde gebied:

In 2001 steunde de Commissie een project voor gezondere luchtwegen in scholen in vijf Europese steden in Denemarken, Frankrijk, Italië, Noorwegen en Zweden. Uit het project bleken gemeenschappelijke problemen zoals een slechte ventilatie en een hoge concentratie van partikels, schimmels en allergenen. De conclusie luidde dat een vergelijkbaar onderzoek in alle lidstaten bijzonder nuttig zou zijn (3).

In 2008 vond de officiële presentatie plaats van een door het Europees Parlement gefinancierd proefproject inzake blootstelling aan chemicaliën in de binnenlucht en daarmee mogelijk verband houdende gezondheidsrisico's. Er werd ook onderzoek gedaan in scholen en kleuterscholen in steden in geselecteerde EU-lidstaten. Er werd gewezen op de noodzaak van verder onderzoek naar de gevolgen van binnenluchtverontreiniging voor de volksgezondheid (in het bijzonder in ruimten waar kinderen vaak verblijven, zoals scholen en kleuterscholen) in de Europese Unie (4).

In 2009 werd, rekening houdend met de beschikbare middelen, besloten dat het proefproject een betere geografische dekking in de EU moest hebben, in het bijzonder in de nieuwe lidstaten. Ook kandidaat-lidstaten en landen uit Centraal- en Oost-Europa moeten in het project worden opgenomen. Het is de bedoeling richtsnoeren op te stellen voor passende maatregelen voor uiteenlopende situaties in Europa.

Het proefproject moet op vorige projecten voortbouwen en synergieën tot stand brengen met bestaande projecten op dit gebied (zoals HITEA) (5).

2.   SOORT FINANCIËLE BIJSTAND: AANBESTEDING

2.1.   Verdeling van de middelen tussen uit te voeren onderdelen/maatregelen (zie onderstaande punten)

Totaal beschikbaar bedrag: 4 000 000 EUR. Na een openbare aanbesteding zal één allesomvattend dienstencontract worden toegewezen.

2.2.   Verwachte resultaten van te ondersteunen maatregelen

De aanbesteding heeft tot doel meer inzicht te verwerven in de binnenluchtkwaliteit in scholen omdat kinderen, die bijzonder gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, het grootste deel van de tijd op school doorbrengen. Daarnaast is het ook de bedoeling dat met deze studie meer kennis wordt verzameld over de talrijke situaties die zich in scholen in heel Europa kunnen voordoen. Naderhand zullen richtsnoeren worden gepubliceerd om in die uiteenlopende situaties een gezonde schoolomgeving te creëren.

2.3.   Indicatief tijdschema

Aanbesteding

Uiterlijk einde eerste helft 2009

Selectie en ondertekening van het contract

Uiterlijk eind 2009


(1)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 343 van 27.12.2007, blz. 9.

(3)  http://ec.europa.eu/health/ph_projects/2002/pollution/pollution_2002_04_en.htm

(4)  http://www.bookshop.europa.eu/eubookshop/download.action?fileName=LBNA23087ENC_002.pdf&eubphfUid=582569&catalogNbr=LB-NA-23087-EN-C

(5)  HITEA: Health Effects of Indoor Pollutants: Integrating microbial, toxicological and epidemiological approaches. http://www.hitea.eu/


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

8.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 206/20


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2009/605/GBVB VAN DE RAAD

van 7 augustus 2009

tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2009/137/GBVB houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie in Kosovo (1)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14, artikel 18, lid 5, en artikel 23, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 16 februari 2009 heeft de Raad Gemeenschappelijk Optreden 2009/137/GBVB (2) vastgesteld, houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) in Kosovo.

(2)

In artikel 5, lid 1, van Gemeenschappelijk Optreden 2009/137/GBVB werd een financieel referentiebedrag van 645 000 EUR voorzien ter dekking van de kosten in verband met het mandaat van de SVEU tot en met 28 februari 2010. Het financieel referentiebedrag moet met 102 000 EUR worden verhoogd ter dekking van de uitgaven in verband met de uitbreiding van het contactpunt in Belgrado.

(3)

Gemeenschappelijk Optreden 2009/137/GBVB moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 5, lid 1, van Gemeenschappelijk Optreden 2009/137/GBVB wordt vervangen door:

„1.   Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 maart 2009 tot en met 28 februari 2010 bedraagt 747 000 EUR.”.

Artikel 2

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 7 augustus 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

C. BILDT


(1)  Op grond van Resolutie 1244 (1999) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

(2)  PB L 46 van 17.2.2009, blz. 69.