ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.203.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 203

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
5 augustus 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 703/2009 van de Raad van 27 juli 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op walsdraad van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van de procedure betreffende de invoer van walsdraad van oorsprong uit de Republiek Moldavië en Turkije

1

 

 

Verordening (EG) nr. 704/2009 van de Commissie van 4 augustus 2009 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

14

 

 

Verordening (EG) nr. 705/2009 van de Commissie van 4 augustus 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 696/2009 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 augustus 2009

16

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2009/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (Gecodificeerde versie) ( 1 )

19

 

*

Richtlijn 2009/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (Gecodificeerde versie) ( 1 )

52

 

*

Richtlijn 2009/98/EG van de Commissie van 4 augustus 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde booroxide als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen ( 1 )

58

 

*

Richtlijn 2009/99/EG van de Commissie van 4 augustus 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde chloorfacinon als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen ( 1 )

62

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2009/598/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 9 juli 2009 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan matrassen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 4597)  ( 1 )

65

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Beschikking 2009/599/GBVB van de Raad van 4 augustus 2009 tot uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2006/795/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

81

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

5.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/1


VERORDENING (EG) Nr. 703/2009 VAN DE RAAD

van 27 juli 2009

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op walsdraad van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van de procedure betreffende de invoer van walsdraad van oorsprong uit de Republiek Moldavië en Turkije

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Voorlopige maatregelen

(1)

De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 112/2009 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op walsdraad van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”) en de Republiek Moldavië („de RM”).

(2)

Er zij aan herinnerd dat de procedure werd ingeleid na een klacht die door Eurofer („de klager”) was ingediend namens producenten die goed zijn voor een groot gedeelte, in dit geval meer dan 25 %, van de totale productie walsdraad in de Gemeenschap.

2.   Vervolg van de procedure

(3)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten voorlopige antidumpingmaatregelen in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd. De Commissie heeft alle nadere informatie verzameld en gecontroleerd die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte. Daartoe werd bij de volgende onderneming een aanvullende controle verricht:

Producent in de Gemeenschap:

Celsa UK Holding Limited, Cardiff, Verenigd Koninkrijk

(4)

De Commissie heeft ook haar onderzoek in verband met het belang van de Gemeenschap voortgezet en de gegevens geanalyseerd die sommige gebruikers in de Gemeenschap in de vragenlijst hadden verstrekt.

(5)

Er zij aan herinnerd dat, zoals in overweging 13 van de voorlopige verordening is vermeld, het onderzoek naar de dumping en de schade betrekking had op de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 („het onderzoektijdvak” of „het OT”). Het onderzoek van de Commissie naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 2004 tot het eind van het OT („de beoordelingsperiode”).

(6)

Enkele belanghebbenden voerden aan dat de keuze van het jaar 2004 dat voor de risicobeoordeling in aanmerking was genomen onjuist was, omdat 2004 volgens hen een uitzonderlijk goed jaar was wat de vraag en de winstmarges betreft. Daarom betoogden zij dat 2004 van de beoordelingsperiode moest worden uitgesloten.

(7)

Opgemerkt zij dat het onderzoektijdvak overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de basisverordening een onmiddellijk aan de procedure voorafgaande periode moet beslaan. Er zij aan herinnerd dat dit onderzoek op 8 mei 2008 werd geopend. Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling beslaat normaliter drie of vier jaar voorafgaand aan de procedure en eindigt met het einde van het tijdvak van het onderzoek naar dumping. Deze praktijk is ook in deze procedure gevolgd. Daarom is de vraag of het jaar 2004 of een ander in de beoordelingsperiode vallend jaar al dan niet uitzonderlijk was, niet relevant voor de keuze van deze periode.

(8)

Alle partijen werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de aanbeveling zou worden gedaan definitieve antidumpingmaatregelen in te stellen op walsdraad van oorsprong uit de VRC en de bedragen die uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, definitief te innen, en de procedure betreffende de invoer van walsdraad van oorsprong uit de RM en Turkije te beëindigen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken.

(9)

De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en waar nodig werden de voorlopige bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(10)

Bij het betrokken product gaat het om walsdraad van ijzer of van niet-gelegeerd staal en om walsdraad van gelegeerd staal, met uitzondering van dat van roestvrij staal, van oorsprong uit de VRC, de RM en Turkije („het betrokken product” of „walsdraad”), doorgaans aangegeven onder de GN-codes 7213 10 00, 7213 20 00, 7213 91 10, 7213 91 20, 7213 91 41, 7213 91 49, 7213 91 70, 7213 91 90, 7213 99 10, 7213 99 90, 7227 10 00, 7227 20 00, 7227 90 10, 7227 90 50 en 7227 90 95. Het betrokken product omvat geen walsdraad van roestvrij staal.

(11)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde één belanghebbende partij aan dat walsdraad dat onder GN-code 7213 91 90 valt, niet tot het betrokken product moet worden gerekend omdat de aan de klager en zijn wettelijke vertegenwoordiger verleende volmacht geen betrekking op dit specifieke producttype had.

(12)

In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de klacht de bovengenoemde GN-code omvatte. In de tweede plaats wordt het betrokken product bij het begin van het onderzoek gedefinieerd, voornamelijk op basis van de fysische, chemische en technische eigenschappen. Tot slot worden de desbetreffende GN-codes waaronder de invoer van het betrokken product wordt aangegeven, pas vastgesteld tijdens het onderzoek, en met name bij het instellen van de definitieve rechten. Dit blijkt ook duidelijk uit de tekst van het bericht van inleiding, waarin wordt vermeld dat de relevante GN-codes slechts ter informatie worden verstrekt (3). Bovendien werd geconcludeerd dat het walsdraad dat onder de bovengenoemde GN-code wordt aangegeven de basiseigenschappen heeft die in het bericht van inleiding zijn aangegeven, en dat het daarom wel degelijk onder de beschrijving van het betrokken product valt. Deze claim werd dan ook afgewezen.

(13)

Eén producent-exporteur en één gebruiker voerden aan dat een specifiek type walsdraad, namelijk „bandenkoord”, ingedeeld onder GN-code 7213 91 20, aanzienlijk verschilt van andere typen walsdraad wat betreft de fysische en technische eigenschappen, eindgebruik, uitwisselbaarheid en perceptie door de consument. Daarom betoogden zij dat bandenkoord van dit onderzoek moest worden uitgesloten.

(14)

Dit standpunt en specifieke argumenten zijn nauwkeurig geanalyseerd. In de eerste plaats werd vastgesteld dat de verschillende typen walsdraad, inclusief „bandenkoord”, die onder de productdefinitie vielen, dezelfde fysische, chemische en technische eigenschappen hebben, hetgeen betekent dat zij tot dezelfde productcategorie behoren.

(15)

In de tweede plaats kan weliswaar worden betoogd dat bandenkoord een meer geperfectioneerd en duurder type is dan andere typen walsdraad die onder dit onderzoek vallen, maar dit betekent niet dat de eigenschappen van bandenkoord dat uit de VRC wordt ingevoerd, significant verschillen van die van bandenkoord dat in de Gemeenschap wordt geproduceerd.

(16)

Bovendien bleek uit het onderzoek dat tijdens de beoordelingsperiode bandenkoord uit het betrokken land werd ingevoerd. Hoewel er slechts beperkte hoeveelheden werden ingevoerd, bleek hieruit dat de bij dit onderzoek betrokken producenten-exporteurs dit type walsdraad konden produceren.

(17)

Op basis van de bovenstaande feiten en overwegingen kon bandendraad niet van dit onderzoek worden uitgesloten. Het argument moet daarom worden afgewezen.

(18)

Aangezien er geen opmerkingen over het betrokken product en het soortgelijke product werden ontvangen, worden de overwegingen 13 en 14 van de voorlopige verordening bevestigd.

C.   DUMPING

1.   Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO)

1.1.   VRC

(19)

Aangezien geen andere opmerkingen over de BMO-status van de Chinese producenten-exporteurs werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 27 tot en met 31 van de voorlopige verordening bevestigd.

1.2.   RM

(20)

Er zij aan herinnerd dat de enige medewerkende Moldavische exporteur aan geen van de vijf BMO-criteria voldeed. Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde de exporteur zijn eerdere opmerkingen over de beslissing van de Commissie om hem geen BMO toe te kennen. Deze opmerkingen waren reeds in de bevindingen betreffende de BMO en in de mededeling van de voorlopige bevindingen aan de orde gekomen. De Moldavische exporteur betwistte de bevindingen betreffende alle vijf BMO-criteria, maar leverde geen enkel bewijs om zijn standpunten te ondersteunen.

(21)

Met name betoogt de exporteur dat de Commissie zichzelf tegenspreekt door te stellen dat de zogenoemde autoriteiten van de regio Trans-Dnjestrië van de RM de rol van „de staat” spelen wanneer zij criterium 1 beoordeelt, maar niet wanneer zij criterium 4 beoordeelt. In dit verband moet worden opgemerkt dat de zogenoemde autoriteiten van de regio Trans-Dnjestrië duidelijk in staat zijn in te grijpen in het management van de onderneming. Dit heeft dan ook een direct effect op de beoordeling van criterium 1. Anderzijds zijn de zogenoemde autoriteiten van de regio Trans-Dnjestrië van de RM niet erkend en verschaffen zij daarom niet de rechtszekerheid en de stabiliteit die in criterium 4 worden vereist. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(22)

Wat criterium 1 betreft, betoogde de exporteur met name dat de bedrijfsleiding uit privépersonen bestaat en dat er geen connectie is geconstateerd tussen zijn directie en de zogenoemde autoriteiten van de regio Trans-Dnjestrië van de RM. Uit het onderzoek is echter gebleken dat de voorzitter en andere directieleden van de onderneming actief deelnemen aan de wetgevende organen van de zogenoemde autoriteiten van de regio Trans-Dnjestrië van de RM. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(23)

Wat criterium 2 betreft, betoogde de exporteur met name dat het terughoudende advies in het auditverslag over de jaarrekening van de onderneming irrelevant was. Dit terughoudende advies heeft echter betrekking op de waarde van alle vaste activa en kan daarom niet als irrelevant worden aangemerkt. Bij de verificatie was de onderneming niet beschikbaar om dit advies toe te lichten. Er is in dit verband geen aanvullend bewijs verschaft. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(24)

Wat criterium 3 betreft, herhaalde de onderneming haar argument dat zij na haar privatisering aan haar huidige eigenaren was verkocht onder markconforme voorwaarden, en dat eventuele eerdere verstoringen zouden zijn weggenomen. Er werd echter geen bewijsmateriaal tot staving van deze bewering verstrekt en de conclusie in overweging 45 van de voorlopige verordening wordt bijgevolg bevestigd.

(25)

Wat criterium 5 betreft, betoogde de onderneming met name dat deze kwestie irrelevant was omdat haar jaarrekeningen in Verenigde Staten-dollars zijn opgesteld, en niet in zogenaamde Trans-Dnjestrische roebels (TMR-roebels). Het blijft echter een feit dat de TMR-roebel in diverse dagelijkse transacties van de onderneming wordt gebruikt, en dat de wisselkoers van de TMR-roebel ten opzichte van andere valuta niet irrelevant is voor de beoordeling voor dit criterium. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(26)

Daarom leidden deze argumenten niet tot een wijziging van de voorlopige beslissing om de Moldavische medewerkende producent-exporteur geen BMO toe te kennen en worden de conclusies van de overwegingen 32 tot en met 49 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Individuele behandeling („IB”)

(27)

Aangezien er geen andere opmerkingen over IB werden ontvangen, worden de overwegingen 50 tot en met 53 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Normale waarde

3.1.   Turkije

(28)

Eén producent-exporteur betoogde dat bepaalde herziene en gecontroleerde gegevens over zijn binnenlandse verkoop niet in aanmerking waren genomen bij de vaststelling van de normale waarde. Volgens een andere producent-exporteur was de door berekening vastgestelde normale waarde onjuist berekend als gevolg van een administratieve fout. Deze argumenten zijn onderzocht en voor zover nodig zijn er correcties aangebracht.

(29)

Weer een andere producent-exporteur bracht naar voren dat hij alleen een „niet-standaard” type van het betrokken product uitvoert, terwijl zijn binnenlandse verkoop zowel „standaard” als „niet-standaard”-producten betreft. Volgens hem leidde deze methode tot een oneerlijke vergelijking en moest de normale waarde worden berekend door alleen de prijzen van de uitvoer en de binnenlandse verkoop van „niet-standaard” producten te vergelijken.

(30)

Uit het onderzoek bleek echter niet dat er zoveel verschillen tussen „standaard” en „niet-standaard”-producten waren - zoals de producent-exporteur wel beweerde - dat dit ten koste ging van de vergelijkbaarheid. Beide categorieën vallen onder de productbeschrijving van het soortgelijke product. Bovendien bleek uit het onderzoek dat de onderneming beide typen voor dezelfde prijs verkocht. Dit argument moest daarom buiten beschouwing worden gelaten.

(31)

Aangezien geen andere opmerkingen over de methode voor de berekening van de normale waarde voor Turkije werden ontvangen, worden de voorlopige conclusies in de overwegingen 54 tot en met 63 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.   VRC en RM

(32)

Er zijn geen opmerkingen ontvangen over de normale waarde voor de VRC en de RM die zijn vastgesteld zoals omschreven in overweging 64 van de voorlopige verordening. De voorlopige conclusies worden dan ook bevestigd.

4.   Referentieland

(33)

Turkije was om de in de overwegingen 65 tot en met 74 van de voorlopige verordening vermelde redenen voorlopig gekozen als referentieland. Na de mededeling van de voorlopige bevindingen maakte de klager, Eurofer, bezwaar tegen het gebruik van Turkije als referentieland in plaats van Brazilië zoals aanvankelijk was beoogd. Eurofer herhaalde de eerder naar voren gebrachte argumenten, namelijk a) dat er voldoende mededinging op de Braziliaanse markt is en b) dat de Turkse staalindustrie gesubsidieerd wordt en daardoor ongeschikt is om de normale waarde vast te stellen. Bovendien betoogde Eurofer dat aangezien uit het onderzoek was gebleken dat Turkije zich aan dumping schuldig maakte, dit land volgens het gebruik van de Commissie niet als referentieland mag worden gebruikt.

(34)

Er zij aan herinnerd dat de binnenlandse prijzen in Brazilië boven de gepubliceerde wereldmarktprijzen bleken te liggen. Ook de winstmarge van de Braziliaanse producent op de binnenlandse markt bleek zeer hoog te zijn, vooral in vergelijking met de winstmarge die voor de bedrijfstak van de Gemeenschap redelijk wordt geacht. Zoals in de voorlopige verordening is vermeld, wordt dit beschouwd als een aanwijzing dat de mededinging op de Braziliaanse markt onvoldoende is.

(35)

In Turkije blijkt er duidelijk meer mededinging op de binnenlandse markt te zijn dan in Brazilië. Weliswaar is vastgesteld dat de Turkse exporteurs zich schuldig maken aan dumping, maar dit betekent niet noodzakelijkerwijze dat de voor dat land vastgestelde normale waarde onbetrouwbaar is.

(36)

Eurofer voerde ook aan dat Turkije niet geschikt was als referentieland omdat de Turkse ondernemingen kennelijk werden gesubsidieerd. Er werd echter geen bewijs geleverd om deze bewering te staven.

(37)

Gezien het bovenstaande worden de conclusies van de overwegingen 65 tot en met 74 van de voorlopige verordening bevestigd en is Turkije in deze procedure gebruikt als referentieland overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

5.   Uitvoerprijs

(38)

Volgens één producent-exporteur had de uitvoerprijs niet door berekening moeten worden vastgesteld, zoals uiteengezet in overweging 76 van de voorlopige verordening. Uit onderzoek bleek dit argument gerechtvaardigd te zijn, vooral omdat de functies van de onderneming, die haar transacties buiten de Gemeenschap verrichtte, de toepassing van artikel 2, lid 9, van de basisverordening niet rechtvaardigden.

(39)

Een andere producent-exporteur betoogde dat aftrek voor commissies op de verkoop via een verbonden onderneming niet gerechtvaardigd was. Bij onderzoek bleek dit argument gegrond te zijn, vooral omdat de verbonden onderneming geen soortgelijke functies als die van een agent vervulde. De uitvoerprijzen zijn daarom dienovereenkomstig herzien.

(40)

Daar geen andere opmerkingen over de vaststellingsmethode van de uitvoerprijs werden ontvangen, worden de voorlopige conclusies in overweging 75 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.   Vergelijking

(41)

De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken in het stadium af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(42)

Zoals vermeld in overweging 79 van de voorlopige verordening, werden — voor zover dit van toepassing en gerechtvaardigd was — correcties uitgevoerd voor verschillen in de kosten van vervoer, verscheping, verzekering, verpakking, bankkosten, kredietkosten en commissies.

(43)

Verscheidene exporteurs betwistten de berekening van de correcties voor de kosten van binnenlands vervoer, verscheping, bankkosten, kredietkosten en commissies en stelden alternatieve berekeningen voor. Gezien het verschafte bewijs in de antwoorden op de vragenlijsten en informatie en bewijzen die tijdens de controlebezoeken werden verzameld, werden de meeste van deze argumenten niet gegrond verklaard en werden de correcties zoals die in het voorlopige stadium berekend waren, dan ook gehandhaafd. Toch zijn enkele van de argumenten aanvaard, voor zover gerechtvaardigd, en zijn er correcties toegepast in verband met de kredietkosten, commissies en douanekosten bij uitvoer.

7.   Dumpingmarges

(44)

Voor de onderneming waaraan IB werd toegekend, werd de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening.

7.1.   VRC

(45)

Na de correcties op de normale waarden in het referentieland zijn de definitieve antidumpingmarges voor de Chinese producenten-exporteurs als volgt:

Onderneming

Dumpingmarge

Valin Group

38,6 %

Alle andere ondernemingen

52,3 %

7.2.   RM

(46)

Na de instelling van voorlopige maatregelen werd overwogen dat het gebruik van alle beschikbare uitvoergegevens voor de RM een nauwkeuriger beeld van de door dat land gehanteerde dumpingpraktijken zou verschaffen. Dienovereenkomstig werd de voor het gehele land geldende dumpingmarge berekend op basis van de uitvoerprijzen van alle bekende producenten.

(47)

Na de correcties van de normale waarden van het referentieland en de uitvoerprijs en na aanpassingen zoals hierboven omschreven, werd de voor het gehele land geldende definitieve dumpingmarge voor de RM vastgesteld op 16,2 %.

7.3.   De Turkse producenten-exporteurs

(48)

Gezien het bovenstaande zijn de definitieve antidumpingmarges voor de Turkse producenten-exporteurs als volgt:

Naam van de onderneming

Dumpingmarge

Kroman Çelik Sanayli AS

18,8 %

Çolakoglu Metalurji AS

7,6 %

Iskenderun Demir ve Çelik AȘ

10,5 %

Habas Sinai ve Tibbi Gazlar Istihsal Endustri AS

7,1 %

Icdas Celik Enerji Tersane ve Ulasim Sanayii AS

3,9 %

Alle andere ondernemingen

18,8 %

D.   SCHADE

1.   Communautaire productie

(49)

Omdat opmerkingen over de communautaire productie uitbleven en bij gebrek aan samenwerking van de in overweging 91 van de voorlopige verordening genoemde stille producenten worden de overwegingen 89 tot en met 92 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(50)

Aangezien er geen opmerkingen over de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, wordt overweging 93 van de voorlopige verordening bevestigd.

(51)

Er zij aan herinnerd dat er geen steekproeven zijn genomen voor de schadeanalyse, aangezien de twintig medewerkende producenten bestonden uit vier groepen ondernemingen en twee onafhankelijke producenten. In vervolg op de instelling van de voorlopige maatregelen zoals genoemd in overweging 3 werd bij nog een communautaire producent een controle ter plaatse verricht om de in de vragenlijst verschafte gegevens te verifiëren.

3.   Verbruik in de Gemeenschap

(52)

Er zij aan herinnerd dat het verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van Eurostatgegevens over de totale invoer en gegevens over de totale verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap en de andere communautaire producenten op de communautaire markt, waaronder een op de gegevens in de klacht gebaseerde schatting van de verkoop door de stille producenten.

(53)

Eén belanghebbende betwistte de gebruikte methode om het totale verbruik in de Gemeenschap vast te stellen. Volgens hem moest de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor intern gebruik en interne verkoop worden meegeteld in het verbruik van de Gemeenschap en bij de schadebeoordeling, aangezien dit interne gebruik en deze interne verkoop rechtstreeks concurreerden met de verkoop op de vrije markt, inclusief invoer.

(54)

Opgemerkt moet worden dat, zoals in de overwegingen 119 tot en met 143 van de voorlopige verordening wordt vermeld, de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor intern gebruik bij de beoordeling van de schade is onderzocht. Volgens de vaste praktijk van de instellingen van de Gemeenschap is het intern gebruik, d.w.z. interne overdrachten van hetzelfde product door de geïntegreerde communautaire producenten voor verdere verwerking, echter niet opgenomen in het verbruikscijfer in de Gemeenschap omdat deze overdrachten niet concurreren met verkopen door onafhankelijke verkopers op de vrije markt.

(55)

Het verzoek om de interne verkoop — d.w.z. de verkoop aan verbonden ondernemingen — mee te tellen in het verbruik van de Gemeenschap is toegewezen, omdat het de verbonden ondernemingen volgens de bij het onderzoek verzamelde gegevens vrij stond om walsdraad van andere leveranciers te kopen. Bovendien bleken de gemiddelde prijzen van de verkoop door communautaire producenten aan verbonden partijen te stroken met de gemiddelde prijzen van de verkoop aan niet-verbonden partijen.

(56)

Na de controle van de gegevens die door nog een communautaire producent waren verstrekt, zoals vermeld in de overwegingen 3 en 51, zijn de gegevens over de totale verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt lichtelijk herzien. Daarom zijn de gegevens over het verbruik in de Gemeenschap in tabel 1 van de voorlopige verordening als volgt aangepast:

Tabel 1

Verbruik in de Gemeenschap

2004

2005

2006

2007

OT

Ton

22 510 446

21 324 498

23 330 122

23 919 163

23 558 858

Index

100

95

104

106

105

Bron: Eurostat, gegevens in de klacht en antwoorden op de vragenlijst

(57)

Over de beoordelingsperiode genomen is het verbruik in de Gemeenschap met 5 % toegenomen. De toename is begonnen in 2006, na een tijdelijke daling met 5 % in 2005. Daarna heeft het verbruik zich hersteld en is het tot in 2007 gestegen, gevolgd door een lichte afname tijdens het OT. Het inzinken van het verbruik in 2005 was voornamelijk het gevolg van een lagere vraag in de bouwnijverheid.

4.   Invoer in de Gemeenschap uit de VRC, de RM en Turkije

4.1.   Cumulatie

(58)

Om een definitieve beoordeling van de voorwaarden voor de cumulatie van de invoer uit de betrokken landen te maken, werd dezelfde methode als uiteengezet in overweging 99 van de voorlopige verordening toegepast, in het licht van de opmerkingen die na de instelling van de voorlopige maatregelen van de partijen zijn ontvangen. Wat de RM betreft, werd er ook rekening mee gehouden dat — zoals in overweging 46 reeds werd vermeld — ook andere Moldavische producenten het betrokken product naar de Gemeenschap uitvoerden.

(59)

Zoals in overweging 101 van de voorlopige verordening werd uiteengezet, is de invoer uit Turkije niet gecumuleerd met de invoer uit de VRC en de RM, aangezien overwogen werd dat de voorwaarden voor de mededinging tussen de Turkse en de andere relevante marktdeelnemers, vooral wat hun prijsbeleid betreft, niet gelijk waren. De verkoopprijzen van alle medewerkende producenten-exporteurs in Turkije waren namelijk niet lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap en zij waren relatief hoog in vergelijking met die van andere marktdeelnemers op de communautaire markt.

(60)

Eén belanghebbende voerde aan dat de argumenten in overweging 101 van de voorlopige verordening niet verenigbaar waren met de basisverordening. Volgens hem was het voldoende dat de dumpingmarge van de Turkse invoer aanzienlijk boven de de minimis-drempel lag en dat het volume van de invoer niet verwaarloosbaar was om deze invoer te cumuleren met andere invoer met dumping uit de RM en de VRC. Ook betoogde hij dat het uitblijven van maatregelen zou leiden tot een sterke toename van invoer met dumping uit Turkije naar de communautaire markt.

(61)

Benadrukt moet worden dat artikel 3, lid 4, van de basisverordening specifiek voorschrijft dat de mededingingsvoorwaarden van de relevante marktdeelnemers op de communautaire markt zorgvuldig moeten worden onderzocht in de context van een cumulatieve beoordeling van de invoer uit landen die aan een antidumpingonderzoek zijn onderworpen. Bovendien lag het prijsniveau van de Turkse marktdeelnemers in alle gevallen boven de geen schade veroorzakende prijzen die volgens de in overweging 179 van de voorlopige verordening beschreven methode waren vastgesteld. Daarom was er geen reden om een cumulatieve beoordeling van Turkse invoer met invoer uit de VRC en de RM toe te laten of om antidumpingmaatregelen in te stellen om de beweerde sterke toename van invoer uit dat land te voorkomen. Daarom moest het argument worden afgewezen.

(62)

Een andere belanghebbende betwistte de voorlopige conclusie dat invoer uit de RM moest worden gecumuleerd met die uit de VRC, met als argument dat het volume van de invoer uit de RM zeer gering was in vergelijking met dat uit de VRC, en dat zij de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het OT in wezen niet onderboden.

(63)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen werd aanvullende informatie over de Moldavische uitvoer naar de Gemeenschap ontvangen, die tot herziene berekeningen van de prijsonderbieding en de schademarges voor de RM leidde, zoals in de overwegingen 71 en 107 nader wordt uiteengezet.

(64)

Uit de herziene berekeningen bleek dat de invoer uit de RM de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt tijdens het OT niet onderbood. Bovendien bleek de schademarge lager te zijn dan de de minimis-drempel die naar analogie van artikel 9, lid 3, van de basisverordening werd toegepast. Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat de invoer van walsdraad van oorsprong uit de RM afzonderlijk moet worden beoordeeld.

4.2.   Invoer met dumping uit de VRC

(65)

Aangezien de verbruikscijfers enigszins werden aangepast zoals vermeld in overweging 56, werd het marktaandeel van de invoer uit de VRC dienovereenkomstig herzien. De invoer uit de VRC ontwikkelde zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 2

Totale invoer met dumping uit de VRC

2004

2005

2006

2007

OT

Hoeveelheid (t)

70 816

134 176

633 631

1 459 968

1 174 556

Index

100

189

895

2 062

1 659

Marktaandeel

0,3 %

0,6 %

2,7 %

6,1 %

5,0 %

Index

100

200

863

1 940

1 585

Prijzen (EUR/t)

374

430

378

409

419

Index

100

115

101

109

112

Bron: Eurostat.

(66)

De invoer met dumping uit de VRC nam in het OT aanzienlijk toe van 70 000 t in 2004 tot 1,1 miljoen ton in 2007, dus werd bijna verzeventienvoudigd. De piek van deze invoer lag in 2007, waarna, in overeenstemming met de ontwikkeling van het verbruik in de Gemeenschap, een lichte daling werd ingezet.

(67)

Hoewel de gemiddelde prijzen van de invoer met dumping uit de VRC tijdens de beoordelingsperiode met 12 % stegen, werd geconstateerd dat zij, met name tijdens het OT, de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderboden, zodat het marktaandeel van de betrokken landen aanzienlijk steeg van 0,3 % in 2004 tot 5,0 % aan het eind van het OT, hetgeen neerkomt op een stijging met 4,7 procentpunt.

4.3.   Prijsonderbieding

(68)

De in overweging 106 van de voorlopige verordening beschreven methode voor vaststelling van prijsonderbieding wordt bevestigd. Naar aanleiding van het controlebezoek ter plaatse bij één communautaire producent, die in overweging 3 wordt vermeld, werd de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap opnieuw vastgesteld, waarbij rekening werd gehouden met de gecontroleerde gegevens die van deze communautaire producent werden verkregen.

(69)

Eén partij betoogde dat aangezien aan geen enkele producent in de RM een BMO of een IB was toegekend, de Commissie de prijsonderbieding en de schademarge voor de RM moest berekenen met behulp van Eurostatgegevens, en niet met de gegevens die van de producenten-exporteurs in de RM waren verkregen.

(70)

Het is de praktijk van de instelling om in een antidumpingonderzoek, en vooral bij de prijsvergelijking, de meest betrouwbare gegevens te gebruiken die beschikbaar zijn. Dit zijn doorgaans de gegevens die ter plaatse bij de medewerkende partijen zijn verzameld en geverifieerd. In dit geval waren prijsgegevens die ter plaatse bij de medewerkende producent in de RM waren verzameld beschikbaar en werden deze gebruikt om de voorlopige prijsonderbiedingsmarge voor de medewerkende producent in de RM vast te stellen. Het argument dat Eurostatgegevens gebruikt moeten worden, wordt daarom niet aanvaard.

(71)

Niettemin werd overwogen dat bij de berekening van de definitieve onderbiedingsmarge voor de RM de beschikbare prijsgegevens over alle invoer uit de RM in de Gemeenschap — inclusief de invoer van andere Moldavische producenten zoals genoemd in overweging 46 — in aanmerking moeten worden genomen. Daarom werd gebruikgemaakt van alle beschikbare prijsgegevens, naar behoren gecorrigeerd zodat zij de gewogen gemiddelde uitvoerprijzen naar de eerste onafhankelijke afnemer op cif-basis weerspiegelden. Op deze basis bleek de invoer uit de RM de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet te onderbieden; de definitieve prijsonderbiedingsmarge voor de RM is zelfs negatief, namelijk gemiddeld -1,2 %.

(72)

Wat de invoer uit de VRC betreft, wordt eraan herinnerd dat slechts één Chinese producent-exporteur meewerkte aan het onderzoek. Op basis van de hierboven beschreven methode en correcties op de gegevens van de bedrijfstak van de Gemeenschap en op basis van vergelijkbare producttypen werd voor de enige medewerkende Chinese exporteur een prijsonderbiedingsmarge van 4,2 % vastgesteld. Voor alle andere producenten in de VRC werd de prijsonderbieding vastgesteld volgens de in overweging 108 van de voorlopige verordening uiteengezette methode. Op grond hiervan werd voor de Chinese invoer een gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van 7,3 % vastgesteld.

5.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(73)

Gezien de conclusie dat de invoer uit de RM niet moet worden gecumuleerd met de invoer uit de VRC en afzonderlijk moet worden beoordeeld, zoals uiteengezet in overweging 64, heeft het onderzoek van het effect van de invoer met dumping op de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap betrekking op de invoer van oorsprong uit de VRC.

(74)

Zoals vermeld in overweging 3, werd nog een communautaire producent ter plaatse gecontroleerd. Naar aanleiding hiervan werden enkele schade-indicatoren dienovereenkomstig gecorrigeerd. Deze betreffen de verkoopvolumes aan de eerste onafhankelijke afnemer op de communautaire markt, gemiddelde verkoopprijzen af fabriek van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden afnemers, voorraadgegevens, winst-gevendheid, kasstroom, rendement van investeringen en werkgelegenheid.

(75)

Tabel 3 geeft het herziene volume, verkocht aan de eerste onafhankelijke afnemer op de communautaire markt weer. Opgemerkt moet worden dat de tendens, ondanks de herziene cijfers, vergelijkbaar is met de tendens die in de voorlopige verordening wordt weergegeven.

Tabel 3

 

2004

2005

2006

2007

OT

Verkoopvolume (t)

7 505 684

6 738 112

7 522 435

7 548 130

7 489 831

Index

100

90

100

101

100

Marktaandeel

33,4 %

31,6 %

32,2 %

31,6 %

31,8 %

Index

100

95

97

95

95

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(76)

Gezien het bovenstaande zijn de gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden afnemers op de communautaire markt dienovereenkomstig herzien. Daarom zijn de gemiddelde verkoopprijzen voor de jaren 2006 tot het eind van het OT licht gewijzigd ten opzichte van de cijfers in de voorlopige verordening.

Tabel 4

 

2004

2005

2006

2007

OT

Gemiddelde prijs (EUR/t)

414

409

434

468

475

Index

100

99

105

113

115

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(77)

Wat de voorraadgegevens betreft, moet worden opgemerkt dat de lichte wijzigingen die in de gegevens over de bedrijfstak van de Gemeenschap voor de jaren 2006 tot het eind van het OT zijn aangebracht, de in overweging 119 van de voorlopige verordening weergegeven analyse van de tendens niet hebben veranderd.

Tabel 5

 

2004

2005

2006

2007

OT

Voorraden (t)

657 667

530 578

691 338

699 511

594 420

Index

100

81

105

106

90

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(78)

In vervolg op de voorlopige verordening zijn ook de werkgelegenheidscijfers van de jaren 2004 tot het eind van het OT licht gewijzigd. Aangezien er geen nadere opmerkingen van de belanghebbenden werden ontvangen, worden de overwegingen 120 tot en met 122 van de voorlopige verordening bevestigd.

Tabel 6

 

2004

2005

2006

2007

OT

Werkgelegenheid — voltijdequivalent (VTE)

4 216

4 029

3 920

4 195

4 310

Index

100

96

93

100

102

Arbeidskosten (EUR/VTE)

41 300

43 200

45 400

45 300

44 700

Index

100

104

110

110

108

Productiviteit (Index)

100

95

107

98

95

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(79)

De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap is vastgesteld volgens dezelfde methode die in overweging 123 van de voorlopige verordening is uiteengezet. In vervolg op de herzieningen van de gegevens van de bedrijfstak van de Gemeenschap naar aanleiding van de controle ter plaatse van nog een communautaire producent, zoals beschreven in overweging 3, zijn ook deze cijfers lichtelijk herzien. Tijdens de beoordelingsperiode nam de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap af van 14,2 % in 2004 tot 7,3 % aan het eind van het OT. Aangezien er geen nadere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de overwegingen 124, 125 en 126 van de voorlopige verordening bevestigd.

Tabel 7

 

2004

2005

2006

2007

OT

Winstgevendheid

14,2 %

8,0 %

8,4 %

7,9 %

7,3 %

Index

100

56

59

55

51

Kasstroom (1 000 EUR)

493 954

272 166

361 573

286 917

278 604

Index

100

55

73

55

56

Investeringen (1 000 EUR)

147 897

136 031

231 726

221 808

200 126

Index

100

92

157

150

135

Rendement van investeringen

68 %

49 %

50 %

46 %

47 %

Index

100

72

74

68

68

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

5.1.   Groei

(80)

Gezien het bovenstaande kan worden gesteld dat de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt stagneerde tussen 2004 en het eind van het OT, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap geen voordeel kon behalen uit de groei van het verbruik in de Gemeenschap, die tussen 2004 en het eind van het OT 5 % bedroeg. Dit had tot gevolg dat zijn marktaandeel in die periode met 1,6 procentpunten daalde.

5.2.   Hoogte van de werkelijke dumpingmarge

(81)

Aangezien hierover geen andere opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 128 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.   Conclusie inzake schade

(82)

Geconcludeerd kan worden dat de kleine herzieningen van enkele schade-indicatoren naar aanleiding van de controle ter plaatse van nog een communautaire producent, zoals weergegeven in de tabellen 2 tot en met 7, de conclusie in overweging 132 van de voorlopige verordening niet hebben gewijzigd.

(83)

Uitgaande van bovenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak va de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.

E.   OORZAKELIJK VERBAND

1.   Gevolgen van de invoer uit de VRC

(84)

Onderzocht is of de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping van het betrokken product van oorsprong uit de VRC zodanige schade heeft geleden dat deze als aanmerkelijk kan worden beschouwd.

(85)

Uit het onderzoek is gebleken dat de invoer met dumping uit de VRC in de beoordelingsperiode bijna is verzeventienvoudigd, namelijk tot 1,1 miljoen ton tussen 2004 en het eind van het OT. De stijging was vooral zeer groot tussen 2006 en het eind van het OT. Het marktaandeel van de invoer met dumping uit de VRC op de communautaire markt steeg van 0,3 % in 2004 tot 5,0 % aan het eind van het OT. In de praktijk komt dit overeen met de gehele toename van het verbruik in de Gemeenschap in de beoordelingsperiode.

(86)

In hetzelfde tijdvak bleef het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt weliswaar stabiel, maar daalde zijn marktaandeel met 1,6 procentpunten van 33,4 % naar 31,8 %.

(87)

Hoewel de invoer met dumping in de beoordelingsperiode overeenkomstig de gestegen grondstofprijzen 12 % duurder werd, was er toch sprake van prijsonderbieding van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt in rekening gebrachte prijzen. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon de stijging van de grondstofprijzen daarom niet volledig doorberekenen. De winstgevendheid van de verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt nam daardoor af van 14,2 % in 2004 tot 7,3 % tijdens het OT.

(88)

Aangenomen wordt dat door de voortdurende druk die werd uitgeoefend door laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC op de communautaire markt, de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in staat was om de prijzen in lijn te brengen met de gestegen productiekosten. Daarom wordt geconcludeerd dat de snelle toename van laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC een sterk negatief effect had op de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

2.   Gevolgen van andere factoren

(89)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de ontwikkeling van de vraag, productie voor intern gebruik, verkoop van hoogwaardige producten, invoer uit derde landen en van andere producenten in de Gemeenschap werden ontvangen, worden de overwegingen 139, 143 tot en met 149 en 151 tot en met 155 van de voorlopige verordening bevestigd.

(90)

Eén partij achtte de vaststelling van de toename van grondstofprijzen, genoemd in overweging 142 van de voorlopige verordening, niet correct. Volgens haar is het moeilijk de kostenstijging volledig op de klanten af te wentelen. Bovendien stelden zij dat de negatieve uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap de verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap verklaarde.

(91)

Wat het effect van de grondstofprijzen betreft, wordt eraan herinnerd dat uit het onderzoek bleek dat de productiekosten van walsdraad voor de bedrijfstak van de Gemeenschap met 25 % zijn gestegen. Dit moet worden gezien tegen de achtergrond van een stijging met slechts 15 % van de gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Het is goed mogelijk dat het in sommige markten moeilijk is de kostenstijging volledig op de afnemers af te wentelen, maar tijdens dit onderzoek is niet gebleken dat dit geldt voor de walsdraadmarkt. Integendeel: walsdraad is te beschouwen als een basisproduct dat wordt verkocht in een transparante markt waarin alle deelnemers het prijsniveau kennen. Wanneer er effectieve handelsvoorwaarden heersen, moet het mogelijk zijn de stijgingen van de kostprijs door te berekenen in de verkoopprijs van walsdraad. Daarom is de conclusie in overweging 142 als steekhoudend aan te merken en moet het argument worden verworpen.

(92)

Wat de uitvoerprestaties betreft, was er inderdaad, om de in overweging 150 van de voorlopige verordening vermelde redenen, een dalende tendens in de uitvoerverkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Aangezien het aandeel van de uitvoer in verhouding tot de verkoop aan afnemers binnen de Gemeenschap relatief laag is, en de verkoopprijzen van de laatstgenoemde relatief lager waren, kan de daling van het uitvoervolume geen verklaring voor de hoogte van de geleden schade zijn. Er werd geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat deze conclusie onjuist is. Daarom wordt de conclusie in overweging 150 van de voorlopige verordening bevestigd.

(93)

Op basis van het bovenstaande en aangezien er geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 156 tot en met 159 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Invoer uit Turkije

(94)

Naar aanleiding van de overwegingen 60 en 61, en omdat er geen opmerkingen over de invoer uit Turkije werden ontvangen, worden de overwegingen 160, 161 en 162 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Invoer uit de RM

(95)

In vervolg op de herzieningen van de gegevens van de bedrijfstak van de Gemeenschap, gebaseerd op de verificatie van het antwoord van nog een communautaire producent en rekening houdend met alle invoerverkoop van oorsprong uit de RM, werd geconcludeerd dat de invoer uit de RM de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het OT niet onderbood. Bovendien bleek overeenkomstig overweging 64 uit de vergelijking van de Moldavische uitvoerprijs met de geen schade veroorzakende prijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap, dat de schademarge onder de de minimis-drempel lag.

(96)

Gezien het bovenstaande luidde de conclusie dat er geen duidelijk oorzakelijk verband is tussen de invoer uit de RM en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade.

F.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1.   Opmerking vooraf

(97)

Gezien het bovenstaande moet worden opgemerkt dat alleen het effect van de instelling van antidumpingrechten op de invoer van oorsprong uit de VRC is beoordeeld voor de analyse van het belang van de Gemeenschap.

2.   Bedrijfstak van de Gemeenschap

(98)

In vervolg op de voorlopige verordening is opnieuw onderzocht of de instelling van antidumpingmaatregelen op de invoer van oorsprong uit de VRC in het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap is.

(99)

Gezien het bovenstaande en aangezien er geen opmerkingen over het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, worden de overwegingen 164 tot en met 167 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Importeurs

(100)

Aangezien er geen opmerkingen over de importeurs werden ontvangen, worden de overwegingen 168 en 169 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Gebruikers

(101)

Eén belanghebbende betwijfelde of alle invoer in de communautaire markt uit landen die voorwerp van dit onderzoek waren, was inbegrepen in het in overweging 171 van de voorlopige verordening genoemde percentage, dat aangeeft welk deel van de invoer van walsdraad bepaalde gebruikers voor hun rekening nemen. Bovendien betoogden sommige belanghebbenden dat er geen alternatieve leveranciers beschikbaar zouden zijn als er antidumpingmaatregelen zouden worden ingesteld, en dat dit tot een tekort in de aanvoer zou leiden.

(102)

Naar aanleiding van het argument met betrekking tot de totale invoer is het totaal van de invoer van walsdraad opnieuw beoordeeld. Inderdaad bleek uit onderzoek dat de totale hoeveelheid ingevoerde walsdraad die door de medewerkende gebruikers werd verbruikt hoger is dan eerder in het voorlopige stadium werd vastgesteld. Hierdoor is de in overweging 171 van de voorlopige verordening genoemde totale invoer van de gebruikers verhoogd met 30 %. Hieruit is te concluderen dat de in overweging 171 van de voorlopige verordening genoemde gebruikers tijdens het OT samen goed waren voor ongeveer 20 % van alle invoer van walsdraad uit de VRC.

(103)

Wat betreft het argument dat er geen alternatieve leveranciers zouden zijn wanneer er antidumpingmaatregelen worden ingesteld, bleek uit het onderzoek dat er inderdaad enige problemen waren in de toelevering door communautaire producenten aan bepaalde gebruikers. Uit het onderzoek kwam echter geen bewijs naar voren dat deze problemen van blijvende aard waren. Bovendien moet worden opgemerkt dat er andere leveranciers beschikbaar zijn, namelijk in andere derde landen die niet aan maatregelen zijn onderworpen. Dit argument werd dan ook afgewezen.

(104)

Gezien het bovenstaande en omdat er geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 173 tot en met 175 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   Conclusie over het belang van de Gemeenschap

(105)

Op grond van het bovenstaande luidt de conclusie dat er in deze zaak geen dwingende redenen zijn die tegen de instelling van antidumpingrechten op walsdraad van oorsprong uit de VRC pleiten.

G.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

1.   Schademarge

(106)

Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, werd de in overweging 179 van de voorlopige verordening vermelde methode om de geen schade veroorzakende prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap te bepalen, bevestigd. Dezelfde herzieningen als beschreven in de overwegingen 68 en 72 zijn echter ook toegepast op de definitieve berekening van de schademarges. Bovendien werd de winstmarge die in de berekeningen van de schademarge werd gebruikt, vastgesteld op basis van de prijs af fabriek om de geen schade veroorzakende prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap af fabriek tijdens het OT te verkrijgen.

(107)

Wat de RM betreft, werd het overeenkomstig de inhoud van overweging 71 passend geacht om bij de berekening van de definitieve schademarge de prijsgegevens te gebruiken die voor alle uitvoer vanuit de RM naar de Gemeenschap beschikbaar zijn. Daarom werd gebruikgemaakt van alle beschikbare prijsgegevens, naar behoren gecorrigeerd zodat zij de gewogen gemiddelde uitvoerprijzen naar de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap op cif-basis weerspiegelden. Op die basis bleek de definitieve schademarge voor invoer vanuit de RM onder de in overweging 64 genoemde de minimis-drempel te liggen.

(108)

Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog meer schade lijdt door invoer uit de VRC.

(109)

De Commissie heeft alle partijen in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van definitieve antidumpingrechten aan te bevelen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken. De opmerkingen van de partijen werden naar behoren onderzocht en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

2.   Definitieve maatregelen

(110)

Gelet op het voorgaande moeten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening, definitieve antidumpingrechten op invoer uit de VRC worden ingesteld die overeenstemmen met de dumpingmarge of met de schademarge indien deze lager is. In dit geval moeten alle antidumpingrechten dus op het niveau van de vastgestelde schademarges worden vastgesteld. Gelet op artikel 9, lid 3, van de basisverordening dient het onderzoek betreffende de RM en Turkije beëindigd te worden, aangezien de schademarge voor die landen onder het de minimis-niveau ligt.

(111)

Er behoeven geen definitieve antidumpingrechten te worden ingesteld op invoer van oorsprong uit de RM en Turkije.

(112)

De voorgestelde antidumpingrechten zijn als volgt:

Onderneming

Schademarge

Dumpingmarge

Antidumpingrecht

Valin Group (VRC)

7,9 %

38,6 %

7,9 %

VRC, residueel recht

24,0 %

52,3 %

24,0 %

3.   Definitieve inning van de voorlopige rechten

(113)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht, definitief te innen tot het bedrag van de ingestelde definitieve rechten. Wanneer het definitieve recht lager is dan het voorlopige recht, moeten de voorlopige, als zekerheid gestelde bedragen die het bedrag van het definitieve recht overschrijden, worden vrijgegeven. Wanneer het definitieve recht hoger is dan het voorlopige recht, worden uitsluitend de bedragen die uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid werden gesteld, definitief geïnd.

H.   BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE

(114)

Gezien de bevindingen met betrekking tot de invoer van oorsprong uit de RM en Turkije moet de procedure betreffende die twee landen worden beëindigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op walsdraad van ijzer of van niet-gelegeerd staal en op walsdraad van gelegeerd staal, met uitzondering van dat van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China, ingedeeld onder de GN-codes 7213 10 00, 7213 20 00, 7213 91 10, 7213 91 20, 7213 91 41, 7213 91 49, 7213 91 70, 7213 91 90, 7213 99 10, 7213 99 90, 7227 10 00, 7227 20 00, 7227 90 10, 7227 90 50 en 7227 90 95.

2.   Het definitieve antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor de in lid 1 omschreven producten die door onderstaande bedrijven zijn geproduceerd, is als volgt:

Land

Onderneming

Recht

Aanvullende Taric-codes

Volksrepubliek China

Valin Group

7,9 %

A930

 

Alle andere ondernemingen

24,0 %

A999

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen betreffende douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De antidumpingprocedure betreffende walsdraad van oorsprong uit de Republiek Moldavië en Turkije wordt beëindigd.

Artikel 3

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige antidumpingrechten die op grond van Verordening (EG) nr. 112/2009 van de Commissie zijn ingesteld op walsdraad van oorsprong uit de Volksrepubliek China worden definitief geïnd tot het bedrag van het in artikel 1 ingestelde definitieve recht. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het definitieve bedrag van het antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven. De bedragen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 112/2009 van de Commissie als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht op walsdraad van oorsprong uit de Republiek Moldavië, worden vrijgegeven.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

C. BILDT


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2)  PB L 38 van 7.2.2009, blz. 3.

(3)  PB C 113 van 8.5.2008, blz. 20.


5.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/14


VERORDENING (EG) Nr. 704/2009 VAN DE COMMISSIE

van 4 augustus 2009

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 5 augustus 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 augustus 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

27,8

XS

22,4

ZZ

25,1

0707 00 05

MK

23,0

TR

89,6

ZZ

56,3

0709 90 70

TR

100,0

ZZ

100,0

0805 50 10

AR

57,6

UY

66,6

ZA

58,9

ZZ

61,0

0806 10 10

EG

163,3

MA

135,1

TR

155,7

ZA

125,8

ZZ

145,0

0808 10 80

AR

109,5

BR

68,7

CL

79,4

CN

81,7

NZ

95,4

ZA

83,1

ZZ

86,3

0808 20 50

AR

79,7

CL

73,4

TR

147,2

ZA

102,6

ZZ

100,7

0809 20 95

TR

279,8

US

318,7

ZZ

299,3

0809 30

TR

145,3

ZZ

145,3

0809 40 05

BA

39,5

ZZ

39,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


5.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/16


VERORDENING (EG) Nr. 705/2009 VAN DE COMMISSIE

van 4 augustus 2009

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 696/2009 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 augustus 2009

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 1 augustus 2009, zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 696/2009 van de Commissie (3).

(2)

Aangezien het berekende gemiddelde van de invoerrechten 5 EUR per ton verschilt van het vastgestelde recht, moet een overeenkomstige aanpassing van de bij Verordening (EG) nr. 696/2009 vastgestelde invoerrechten plaatsvinden.

(3)

Verordening (EG) nr. 696/2009 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 696/2009 worden vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 5 augustus 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 augustus 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125.

(3)  PB L 201 van 1.8.2009, blz. 3.


BIJLAGE I

Vanaf 5 augustus 2009 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(EUR/t)

1001 10 00

HARDE TARWE van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

ZACHTE TARWE, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed

0,00

1002 00 00

ROGGE

65,86

1005 10 90

MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden

27,91

1005 90 00

MAÏS, andere dan zaaigoed (2)

27,91

1007 00 90

GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

70,85


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd, komt de importeur op grond van artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96 in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt,

2 EUR/t als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten

31.7.2009-3.8.2009

1.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:

(EUR/t)

 

Zachte tarwe (1)

Maïs

Harde tarwe van hoge kwaliteit

Harde tarwe van gemiddelde kwaliteit (2)

Harde tarwe van lage kwaliteit (3)

Gerst

Beurs

Minnéapolis

Chicago

Notering

169,99

96,54

Fob-prijs VSA

170,60

160,60

140,60

71,58

Golfpremie

16,48

Grote-Merenpremie

6,22

2.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:

Vrachtkosten: Golf van Mexico–Rotterdam:

21,10 EUR/t

Vrachtkosten: Grote Meren–Rotterdam:

19,60 EUR/t


(1)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


RICHTLIJNEN

5.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/19


RICHTLIJN 2009/61/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 juli 2009

betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen

(Gecodificeerde versie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 78/933/EEG van de Raad van 17 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Richtlijn 78/933/EEG is één van de bijzondere richtlijnen van het bij Richtlijn 74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen geregelde EG-typegoedkeuringssysteem, thans geregeld in Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan (5) en stelt de technische voorschriften vast betreffende het ontwerp en de constructie van landbouw- of bosbouwtrekkers met betrekking tot de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen. Deze technische voorschriften beogen de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten, teneinde de uitvoering van de bij Richtlijn 2003/37/EG geregelde EG-typegoedkeuringsprocedure ten aanzien van elk type trekker mogelijk te maken. Derhalve zijn de bepalingen van Richtlijn 2003/37/EG betreffende land- of bosbouwtrekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines, alsmede de systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan op de onderhavige richtlijn van toepassing.

(3)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Onder landbouw- of bosbouwtrekker wordt verstaan ieder motorvoertuig op wielen of rupsbanden met ten minste twee assen, waarvan de hoofdfunctie in het tractievermogen ligt en dat in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd. De trekker kan zijn ingericht voor het vervoer van een lading en van meerijders.

2.   Deze richtlijn geldt slechts voor de in lid 1 omschreven trekkers, gemonteerd op luchtbanden, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid die ligt tussen 6 en 40 km/h.

Artikel 2

1.   De lidstaten mogen de EG-goedkeuring of de nationale goedkeuring van een trekker niet weigeren om redenen die verband houden met de installatie van de verplichte of facultatieve verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, vermeld in de punten 1.5.7 tot en met 1.5.21 van bijlage I, indien deze overeenkomstig de voorschriften van deze bijlage zijn aangebracht.

2.   Ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan deze richtlijn geldt dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van deze richtlijn:

niet langer de EG-typegoedkeuring mogen verlenen;

de nationale typegoedkeuring mogen weigeren.

3.   Ten aanzien van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan deze richtlijn geldt dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van deze richtlijn:

de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG vergezeld gaan, als niet langer geldig moeten beschouwen voor de toepassing van artikel 7, lid 1, van die richtlijn;

de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van deze nieuwe voertuigen mogen weigeren.

Artikel 3

De lidstaten mogen de registratie niet weigeren of de verkoop, het in het verkeer brengen of het gebruik van trekkers niet verbieden om redenen die verband houden met de installatie van verplichte of facultatieve verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen vermeld in de punten 1.5.7 tot en met 1.5.21 van bijlage I, indien deze overeenkomstig de voorschriften van deze bijlage zijn aangebracht.

Artikel 4

De lidstaat die tot EG-goedkeuring is overgegaan, treft de nodige maatregelen om op de hoogte te worden gesteld van elke wijziging van een der in bijlage I, punt 1.1, bedoelde onderdelen of kenmerken. De bevoegde autoriteiten van deze lidstaat beoordelen of het gewijzigde type trekker moet worden onderworpen aan nieuwe proefnemingen aan de hand waarvan een nieuw keuringsrapport wordt opgesteld. Indien uit deze proefnemingen blijkt dat niet aan de voorschriften van deze richtlijn is voldaan, wordt de wijziging niet toegestaan.

Artikel 5

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlagen I en II aan de technische vooruitgang aan te passen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 3, van Richtlijn 2003/37/EG bedoelde procedure.

Artikel 6

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 7

Richtlijn 78/933/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage III, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.

Artikel 8

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2010.

Artikel 9

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

E. ERLANDSSON


(1)  PB C 175 van 27.7.2007, blz. 40.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 19 februari 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 juni 2009.

(3)  PB L 325 van 20.11.1978, blz. 16.

(4)  Zie bijlage III, deel A.

(5)  PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.


BIJLAGE I

INSTALLATIE VAN VERLICHTINGS- EN LICHTSIGNAALINRICHTINGEN

1.   DEFINITIES

1.1.   Type trekker voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen

Onder „type trekker voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen”, worden trekkers verstaan die onderling geen wezenlijke verschillen vertonen, met name ten aanzien van de volgende punten:

1.1.1.

buitenafmetingen en uitwendige vorm van de trekker;

1.1.2.

aantal en plaats van de inrichtingen.

Niet als „andere typen trekkers” worden beschouwd, de trekkers die verschillen vertonen in de zin van de punten 1.1.1 en 1.1.2 welke echter geen wijzigingen meebrengen qua aard, aantal, plaats en geometrische zichtbaarheid van de voor het betrokken type trekker voorgeschreven lichten; alsmede de al dan niet van facultatieve lichten voorziene trekkers.

1.2.   Dwarsvlak

Onder „dwarsvlak” verstaat men een verticaal vlak dat loodrecht staat op het middenlangsvlak van de trekker.

1.3.   Onbelaste trekker

Onder „onbelaste trekker” verstaat men de trekker in bedrijfsklare toestand zoals omschreven onder punt 2.1.1 van bijlage I, model inlichtingenformulier van Richtlijn 2003/37/EG.

1.4.   Trekker in belaste toestand

Onder „trekker in belaste toestand” verstaat men de trekker die is belast tot zijn technisch toelaatbaar maximumgewicht, als aangegeven door de constructeur, die eveneens de verdeling van de belasting over de assen vaststelt.

1.5.   Licht

Onder „licht” verstaat men een inrichting voor het verlichten van de weg (koplicht) of het uitzenden van een lichtsignaal. De achterkentekenplaatverlichting en de retroflectoren worden eveneens als lichten beschouwd.

1.5.1.   Gelijkwaardige lichten

Onder „gelijkwaardige lichten” verstaat men lichten met dezelfde functie die in het land waar de trekker is ingeschreven zijn toegelaten; de kenmerken van deze lichten kunnen verschillen van die van de lichten die reeds op de trekker bevestigd zijn bij de goedkeuring, mits zij voldoen aan de in deze bijlage voorgeschreven eisen.

1.5.2.   Afzonderlijke lichten

Onder „afzonderlijke lichten” verstaat men lichten met verschillende lenzen, verschillende lichtbronnen en verschillende lamphuizen.

1.5.3.   Gegroepeerde lichten

Onder „gegroepeerde lichten” verstaat men lichten met verschillende lenzen en lichtbronnen, maar met een zelfde lamphuis.

1.5.4.   Gecombineerde lichten

Onder „gecombineerde lichten” verstaat men lichten met verschillende lenzen, maar met een zelfde lichtbron en met een zelfde lamphuis.

1.5.5.   Samengebouwde lichten

Onder „samengebouwde lichten” verstaat men lichten met verschillende lichtbronnen (of één lichtbron die op verschillende manieren werkt), geheel of gedeeltelijk gemeenschappelijke lenzen en een zelfde lamphuis.

1.5.6.   Camoufleerbaar koplicht

Onder „camoufleerbaar koplicht” verstaat men een koplicht dat geheel of gedeeltelijk aan het oog kan worden onttrokken wanneer dit niet in gebruik is. Dit kan gebeuren of door een verschuifbaar kapje of door verplaatsing van het licht, dan wel op iedere andere geschikte manier. „Intrekbaar licht” wordt meer in het bijzonder genoemd een camoufleerbaar licht, dat in de carrosserie kan worden verzonken.

1.5.6.1.   Verstelbare koplichten

Onder „verstelbare koplichten” verstaat men op de trekker gemonteerde lichten die ten opzichte van de trekker in zekere mate kunnen worden versteld en waarvan de lens niet camoufleerbaar is.

1.5.7.   Groot licht

Onder „groot licht” verstaat men een licht dat de weg vóór de trekker over een grote afstand verlicht.

1.5.8.   Dimlicht

Onder „dimlicht” verstaat men een licht waarmede de weg vóór de trekker wordt verlicht zonder dat hierdoor de bestuurders van het tegemoetkomend verkeer of andere weggebruikers worden verblind of gehinderd.

1.5.9.   Mistlicht voor

Onder „mistlicht voor” verstaat men een licht dat dient voor een betere verlichting van de weg bij mist, sneeuwval, onweer of stofwolken.

1.5.10.   Achteruitrijlicht

Onder „achteruitrijlicht” verstaat men een licht bestemd tot verlichting van de weg achter de trekker en om de overige weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig achteruitrijdt, of achteruit gaat rijden.

1.5.11.   Richtingaanwijzer

Onder „richtingaanwijzer” verstaat men een licht bestemd om de andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het voornemen heeft naar rechts of naar links van richting te veranderen.

1.5.12.   Waarschuwingsknipperlicht

Onder „waarschuwingsknipperlicht” verstaat men de inrichting die de gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers mogelijk maakt en die is bestemd om aan te geven dat de trekker tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor de overige weggebruikers.

1.5.13.   Stoplicht

Onder „stoplicht” verstaat men een licht bestemd om de weggebruikers die zich achter de trekker bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsrem bedient.

1.5.14.   Achterkentekenplaatverlichting

Onder „achterkentekenplaatverlichting” verstaat men de inrichting die de plaats verlicht waar zich de kentekenplaat aan de achterzijde bevindt; deze kan uit verschillende optische elementen bestaan.

1.5.15.   Breedtelicht

Onder „breedtelicht” verstaat men een licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van de trekker kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van de trekker.

1.5.16.   Achterlicht

Onder „achterlicht” verstaat men een licht dat, van de achterzijde gezien, de aanwezigheid van de trekker kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig.

1.5.17.   Mistlicht achter

Onder „mistlicht achter” verstaat men een licht dat de trekker bij dichte mist van achteren beter waarneembaar maakt.

1.5.18.   Parkeerlicht

Onder „parkeerlicht” verstaat men een licht dat dient om de aanwezigheid van een binnen de bebouwde kom geparkeerde trekker zonder aanhanger aan te geven. Het vervangt in dat geval de breedte- en achterlichten.

1.5.19.   Markeringslicht

Onder „markeringslicht” verstaat men een licht dat op het breedste punt van de trekker zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van de trekker wordt aangegeven. Dit licht is bestemd om voor bepaalde trekkers de breedte- en achterlichten aan te vullen door in het bijzonder de aandacht te vestigen op de breedte.

1.5.20.   Retroflector

Onder „retroflector” verstaat men een inrichting die dient om de aanwezigheid van een trekker kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot deze trekker behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt.

In de zin van deze richtlijn worden niet als retroflector aangemerkt:

retroflecterende kentekenplaten;

andere retroflecterende platen en tekens die volgens de gebruiksvoorschriften van een lidstaat moeten worden gebruikt, met betrekking tot bepaalde categorieën voertuigen of bepaalde verrichtingen.

1.5.21.   Werklicht

Onder „werklicht” verstaat men een licht bestemd om een werkterrein of -proces te verlichten.

1.6.   Lichtdoorlatend gedeelte van een licht

1.6.1.   Lichtdoorlatend gedeelte van een licht bestemd voor het verlichten van de weg

Onder „lichtdoorlatend gedeelte van een licht bestemd voor het verlichten van de weg” (punten 1.5.7 tot en met 1.5.10) verstaat men de orthogonale projectie van de gehele opening van de reflector op een dwarsvlak. Indien de lens (lenzen) van het licht slechts een gedeelte van de totale reflectoropening beslaat (beslaan), wordt slechts de projectie van dat gedeelte in aanmerking genomen. Bij een dimlicht wordt het lichtdoorlatende gedeelte aan de kant van de snede begrensd door het op de lens zichtbare spoor van de snede. Indien de reflector en de lens onderling verstelbaar zijn, wordt de gemiddelde instelstand gebruikt.

1.6.2.   Lichtdoorlatend gedeelte van een signaallicht dat geen retroflector is

Onder „lichtdoorlatend gedeelte van een signaallicht dat geen retroflector is” (punten 1.5.11 tot en met 1.5.19) verstaat men de orthogonale projectie van het licht op een vlak loodrecht op zijn referentie-as dat raakt aan het lichtdoorlatende uitwendige oppervlak van het licht; deze projectie is begrensd door de bekleding van de schermranden die in dit vlak liggen en die slechts 98 % van de totale lichtsterkte van het licht in de richting van de referentie-as doorlaten. Om de onder-, boven- en zijranden van het licht te bepalen, worden slechts schermen met horizontale of verticale rand in aanmerking genomen.

1.6.3.   Lichtdoorlatend gedeelte van een retroflector

Onder „lichtdoorlatend gedeelte van een retroflector” (punt 1.5.20), verstaat men de orthogonale projectie van het weerkaatsende oppervlak van de retroflector in een vlak dat loodrecht staat op de referentie-as ervan, dat wordt begrensd door met deze as evenwijdig lopende raakvlakken aan de buitenste retroflecterende delen. Om de onder-, boven- en zijranden van de lichten te bepalen, worden slechts verticale en horizontale vlakken in aanmerking genomen.

1.6.4.   Zichtbaar vlak

Onder „zichtbaar vlak”, in een bepaalde waarnemingsrichting, verstaat men de orthogonale projectie van het uitvalsvlak van het licht op een vlak loodrecht op de waarnemingsrichting (zie tekening in aanhangsel 1).

1.7.   Referentie-as

Onder „referentie-as” verstaat men de voor de lichtinrichting karakteristieke as bepaald door de fabrikant van het licht om de richting aan te geven waarin het licht uitstraalt (H = 0 °, V = 0 °) bij het vaststellen van de hoeken voor fotometrische metingen en het plaatsen van het licht op de trekker.

1.8.   Referentiepunt

Onder „referentiepunt” verstaat men het snijpunt van de referentie-as met het uitvalsvlak van het door de lamp uitgestraalde licht zoals opgegeven door de fabrikant van het licht.

1.9.   Geometrische zichtbaarheidshoeken

Onder „geometrische zichtbaarheidshoeken” verstaat men hoeken die het veld bepalen van de kleinste ruimtehoek waarbinnen het zichtbare vlak van het licht waarneembaar moet zijn. Dit veld van de ruimtehoek wordt bepaald door de segmenten van een bol waarvan het middelpunt samenvalt met het referentiepunt van het licht en waarvan de equator evenwijdig is aan de weg. Deze segmenten worden bepaald uitgaande van de referentie-as. De horizontale hoeken β komen overeen met de geografische lengte, de verticale hoeken α met de geografische breedte. Binnen de geometrische zichtbaarheidshoeken mag de voortplanting van het licht van enig deel van het zichtbare vlak niet worden gehinderd.

Hindernissen die bestaan bij de goedkeuring van het licht, indien deze is vereist, worden buiten beschouwing gelaten.

1.10.   Punt van de grootste breedte

Onder „punt van de grootste breedte”, aan elke kant van de trekker, verstaat men het raakpunt van het vlak evenwijdig aan het middenlangsvlak van de trekker aan de zijkant ervan, waarbij de volgende uitstekende delen buiten beschouwing worden gelaten:

1.10.1.

banden, in de buurt van het punt waar ze de grond raken en aansluitingen van de bandenspanningsverklikkers;

1.10.2.

eventueel op de wielen aangebrachte anti-slipinrichtingen;

1.10.3.

achteruitkijkspiegels;

1.10.4.

aan de zijkant van het voertuig aangebrachte richtingaanwijzers, markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en parkeerlichten;

1.10.5.

door de douane op de lading aangebrachte verzegelingen en inrichtingen ter bevestiging en bescherming van deze verzegelingen.

1.11.   Grootste breedte

Onder „grootste breedte” verstaat men de afstand tussen de twee onder 1.10 bepaalde verticale vlakken.

1.12.   Eén enkel licht

Onder „één enkel licht” verstaat men elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die dezelfde functie vervullen en van dezelfde kleur zijn en die een verlichtingsinrichting vormen waarvan de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60 % beslaan van het oppervlak van de kleinste rechthoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de genoemde lichten kan worden beschreven en, indien goedkeuring vereist is, mits een dergelijke combinatie als één enkel licht wordt goedgekeurd.

Deze combinatiemogelijkheid is niet van toepassing op groot licht, dimlicht en mistlichten voor.

1.13.   Twee lichten of een even aantal lichten

Onder „twee lichten of een even aantal lichten” verstaat men één enkel lichtdoorlatend gedeelte van het licht dat de vorm heeft van een band, wanneer dit gedeelte symmetrisch is ten opzichte van het middenlangsvlak van de trekker en wanneer dit zich uitstrekt tot op ten minste 400 mm van het punt van grootste breedte van de trekker, aan weerszijden hiervan, met een minimumlengte van 800 mm. De verlichting van dit gedeelte moet plaatsvinden door middel van ten minste twee lichtbronnen die zo dicht mogelijk bij de uiteinden ervan zijn aangebracht. Het lichtdoorlatende gedeelte van het licht kan bestaan uit een aantal naast elkaar geplaatste elementen, voor zover de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op hetzelfde dwarsvlak ten minste 60 % beslaan van het oppervlak van de kleinste rechthoek die daarom is beschreven.

1.14.   Afstand tussen twee lichten

Onder „afstand tussen twee lichten”, die in dezelfde richting schijnen, verstaat men de afstand tussen de orthogonale projecties, op een vlak dat loodrecht staat op de referentie-assen, van de omtrekken van beide lichtdoorlatende gedeelten die naar gelang van het geval in punt 1.6 zijn gedefinieerd.

1.15.   Facultatief

Onder „facultatief” verstaat men een licht waarvan de aanwezigheid aan de keuze van de fabrikant wordt overgelaten.

1.16.   Verklikkersignaal voor de werking

Onder „verklikkersignaal voor de werking” verstaat men een verklikkersignaal dat aangeeft dat een inrichting, die in werking is gesteld, al of niet correct functioneert.

1.17.   Inschakelverklikkerlicht

Onder „inschakelverklikkerlicht” verstaat men een verklikkerlicht dat wel aangeeft dat een inrichting in werking is gesteld, doch niet of deze al of niet correct functioneert.

2.   VERZOEK OM EG-GOEDKEURING

2.1.

Het verzoek om EG-goedkeuring van een type trekker, voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, wordt ingediend door de fabrikant van de trekker of diens gevolmachtigde.

2.2.

Deze aanvraag gaat vergezeld van de volgende in drievoud opgestelde bescheiden en van de volgende gegevens:

2.2.1.

beschrijving van het type trekker wat betreft de onder punt 1.1 genoemde gegevens;

2.2.2.

lijst van de door de fabrikant vastgestelde inrichtingen die de verlichtings- en lichtsignaaluitrusting vormen. Deze lijst kan voor elke functie verschillende typen inrichtingen bevatten; elk type moet duidelijk zijn omschreven (met name goedkeuringsmerk, naam en adres van de fabrikant, enzovoort); voorts kan de lijst voor elke functie de volgende aanvullende vermelding bevatten: „of gelijkwaardige inrichtingen”;

2.2.3.

tekening van de gehele verlichtings- en lichtsignaaluitrusting met aanduiding van de plaats van de verschillende lichten op de trekker;

2.2.4.

tekening(en) met voor elk licht de aanduiding van de lichtdoorlatende gedeelten in de zin van punt 1.6.

2.3.

Een onbelaste trekker, voorzien van een verlichtings- en lichtsignaaluitrusting, zoals beschreven in punt 2.2.2, die representatief is voor het goed te keuren type trekker, moet ter beschikking worden gesteld van de technische dienst die met de goedkeuringsproeven is belast.

2.4.

De mededeling als bedoeld in bijlage II wordt bij het goedkeuringsformulier gevoegd.

3.   ALGEMENE BEPALINGEN

3.1.   De verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen moeten zo zijn aangebracht dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks de trillingen waaraan zij kunnen zijn blootgesteld, de kenmerken behouden die in deze bijlage zijn voorgeschreven en dat de trekker voldoet aan de voorschriften van deze bijlage. In het bijzonder moet een onopzettelijk veroorzaakte ontregeling van de lichten uitgesloten zijn.

3.1.1.

De trekkers moeten zijn voorzien van elektrische verbindingen voor gebruik van een afneembare signaalinrichting. De trekker moet in het bijzonder zijn voorzien van de vaste contactdoos aanbevolen in ISO-normen R 1724 (elektrische verbindingen voor voertuigen met elektrische uitrusting van 6 of 12 V; deze hebben meer in het bijzonder betrekking op particuliere auto’s en lichte aanhangwagens of caravans) (1e uitgave — april 1970) of ISO R 1185 (elektrische verbindingen tussen trekkende en getrokken voertuigen met elektrische uitrusting van 24 V voor internationaal handelsvervoer) (1e uitgave — maart 1970). Ten aanzien van de ISO-norm R 1185 is de functie van contact 2 beperkt tot het achterlicht en het markeringslicht aan de linkerzijde.

3.2.   De sub 1.5.7, 1.5.8 en 1.5.9 beschreven lichten moeten zo zijn aangebracht dat een juiste instelling van de stand gemakkelijk uitvoerbaar is.

3.3.   Voor alle lichtsignaalinrichtingen moet de referentie-as van het op de trekker aangebrachte licht evenwijdig zijn aan het vlak waarop de trekker op de weg rust alsmede aan het middenlangsvlak van de trekker. Voor alle richtingen is een tolerantie van ± 3 ° toegestaan. Indien door de fabrikant bijzondere aanwijzingen voor de installatie zijn gegeven, moeten ook deze in acht worden genomen.

3.4.   Behoudens bijzondere voorschriften, worden de hoogte en de instelling van de lichten gecontroleerd bij een onbelaste trekker die op een plat horizontaal vlak rust.

3.5.   Behalve in geval van bijzondere voorschriften moeten de lichten die een stel vormen:

3.5.1.

symmetrisch ten opzichte van het middenlangsvlak zijn aangebracht,

3.5.2.

symmetrisch ten opzichte van elkaar, en ten opzichte van het middenlangsvlak zijn,

3.5.3.

aan dezelfde colorimetrische voorschriften voldoen,

3.5.4.

vrijwel overeenkomstige fotometrische kenmerken bezitten.

3.6.   Bij trekkers waarvan de uitwendige vorm asymmetrisch is, moeten de voorwaarden van de punten 3.5.1 en 3.5.2 zoveel mogelijk in acht worden genomen. Aan deze voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan indien de afstand van beide lichten tot het middenlangsvlak en tot het vlak waarop de trekker op de weg rust, gelijk is.

3.7.   Lichten met verschillende functies kunnen afzonderlijk of gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd in een zelfde inrichting voorkomen, mits al deze lichten aan de desbetreffende voorschriften voldoen.

3.8.   De maximumhoogte boven de grond wordt gemeten vanaf het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte en de minimumhoogte vanaf het laagste punt.

3.9.   Behoudens bijzondere voorschriften mag geen enkel licht knipperen, behalve de richtingaanwijzers en het waarschuwingsknipperlicht.

3.10.   Geen enkel rood licht mag vanaf de voorzijde zichtbaar zijn en geen enkel wit licht vanaf de achterzijde, met uitzondering van het (de) achteruitrijlicht(en) en de werklichten.

Of aan deze voorwaarde is voldaan wordt als volgt nagegaan:

3.10.1.

Voor de zichtbaarheid van een rood licht vanaf de voorzijde: een rood licht mag niet rechtstreeks zichtbaar zijn voor het oog van een waarnemer die zich verplaatst in zone 1 van een dwarsvlak dat zich op 25 meter vóór de trekker bevindt (zie tekening in aanhangsel 2, figuur 1).

3.10.2.

Voor de zichtbaarheid van een wit licht vanaf de achterzijde: een wit licht mag niet rechtstreeks zichtbaar zijn voor het oog van een waarnemer die zich verplaatst in zone 2 van een dwarsvlak dat zich op 25 meter achter de trekker bevindt (zie tekening in aanhangsel 2, figuur 2).

3.10.3.

In hun respectieve vlakken worden de door het oog van de waarnemer bestreken zones 1 en 2 begrensd:

3.10.3.1.

in de hoogte door twee horizontale vlakken respectievelijk op 1 en 2,20 m boven de grond,

3.10.3.2.

in de breedte door twee verticale vlakken naar voren en twee verticale vlakken naar achteren die een hoek van 15 ° naar buiten vormen ten opzichte van het middenvlak van de trekker en die door het (de) raakpunt(en) gaan van de trekker met de verticale vlakken evenwijdig aan het middenvlak en die de grootste breedte van de trekker bij brede spoorbreedte afbakenen.

Indien er verschillende raakpunten zijn wordt voor zone 1 het voorste raakpunt en voor zone 2 het achterste raakpunt gekozen.

3.11.   De schakelingen van de elektrische installatie moeten zodanig zijn dat de breedtelichten, de achterlichten, de markeringslichten (indien aanwezig) en de achterkentekenplaatverlichting slechts tegelijkertijd kunnen worden ontstoken en gedoofd.

3.12.   De schakelingen van de elektrische installatie moeten zodanig zijn dat het groot licht, het dimlicht en de mistlichten voor en achter slechts kunnen worden ontstoken indien de sub 3.11 aangegeven lichten eveneens branden. Deze voorwaarde geldt echter niet voor groot of dimlicht wanneer lichtsignalen worden gegeven door het met korte tussenpozen ontsteken en doven van het dimlicht of van een groot licht of door het met korte tussenpozen afwisselend ontsteken van groot en dimlicht.

3.13.   De door de lichten uitgestraalde lichtkleuren zijn als volgt:

groot licht: wit;

dimlicht: wit;

mistlicht voor: wit of geel;

achteruitrijlicht: wit;

richtingaanwijzer: ambergeel;

waarschuwingsknipperlicht: ambergeel;

stoplicht: rood;

achterkentekenplaatverlichting: wit;

breedtelicht: wit;

achterlicht: rood;

mistlicht achter: rood;

parkeerlicht: wit voorzijde, rood achterzijde, ambergeel indien samengebouwd met zijrichtingaanwijzers;

werklicht: geen voorschriften;

markeringslichten: wit voorzijde, rood achterzijde;

niet-driehoekige achterretroflector: rood.

3.14.   De functie van inschakel-verklikkerlicht kan worden vervuld door het verklikkersignaal voor de werking.

3.15.   Camoufleerbare lichten

3.15.1.

Het camoufleren van lichten is verboden, met uitzondering van het groot licht, het dimlicht en de mistlichten voor, die mogen worden gecamoufleerd als ze niet in werking zijn.

3.15.2.

Een licht dat zich in bedrijfsstand bevindt moet in deze stand blijven indien het onder 3.15.2.1 genoemde defect alleen of tezamen met één der defecten genoemd onder 3.15.2.2 optreedt.

3.15.2.1.

Ontbreken van drijfkracht voor de bediening van het licht.

3.15.2.2.

Onopzettelijke stroomonderbreking, storing, kortsluiting aan de massa in de stroomkringen, een defect in de water- of luchtleidingen, schuifkabels, solenoïden of andere onderdelen met behulp waarvan de voor de camouflage-inrichting bestemde drijfkracht wordt ingeschakeld of overgebracht.

3.15.3.

In geval van defect aan de bediening van de camouflage-inrichting moet een gecamoufleerd licht zonder gereedschap in zijn bedrijfsstand kunnen worden gebracht.

3.15.4.

Het moet mogelijk zijn de lichten in bedrijfsstand te brengen en ze te ontsteken met behulp van één schakelaar, hetgeen de mogelijkheid niet uitsluit om ze, zonder ze te ontsteken, in bedrijfsstand te brengen. Bij gegroepeerde lichten voor groot en dimlicht echter wordt genoemde schakelaar slechts vereist voor het ontsteken van het dimlicht.

3.15.5.

Het mag van de plaats van de bestuurder niet mogelijk zijn opzettelijk de beweging van de ontstoken koplichten te stoppen, voordat ze hun bedrijfsstand hebben bereikt. Ingeval er gevaar bestaat dat andere weggebruikers door de beweging van de koplichten worden verblind, moeten deze lichten pas kunnen gaan branden nadat zij de bedrijfsstand hebben bereikt.

3.15.6.

Een verlichtingsinrichting moet bij temperaturen tussen - 30 °C en + 50 °C binnen drie seconden na de eerste bedieningshandeling zijn bedrijfsstand bereiken.

3.16.   Verstelbare lichten

3.16.1.

Bij trekkers met een spoorbreedte die kleiner is dan of gelijk aan 1 150 mm mogen de richtingaanwijzers, de breedtelichten en achterlichten, alsmede de stoplichten verstelbaar zijn indien

3.16.1.1.

deze lichten zichtbaar blijven, zelfs als ze versteld zijn, en

3.16.1.2.

deze lichten in de voor het wegverkeer vereiste stand kunnen worden vergrendeld. Deze vergrendeling dient automatisch te geschieden.

4.   BIJZONDERE SPECIFICATIES

4.1.   Groot licht

4.1.1.   Aanwezigheid

Facultatief.

4.1.2.   Aantal

2 of 4.

4.1.3.   Installatieschema

Geen bijzondere specificaties.

4.1.4.   Plaats

4.1.4.1.   In de breedterichting

De buitenste randen van het lichtdoorlatende gedeelte mogen zich in geen geval dichter bij het punt van de grootste breedte van de trekker bevinden dan de buitenste randen van het lichtdoorlatende gedeelte van het dimlicht.

4.1.4.2.   In de hoogterichting

Geen bijzondere specificaties.

4.1.4.3.   In de lengterichting

Zo ver mogelijk vooraan de trekker; in geen geval mag de bestuurder direct of indirect door het via de achteruitkijkspiegels en/of andere lichtweerkaatsende oppervlakten van de trekker weerkaatste licht van deze lichten worden gehinderd.

4.1.5.   Geometrische zichtbaarheid

De zichtbaarheid van het lichtdoorlatende gedeelte, ook van velden die niet verlicht lijken vanuit de betrokken observatierichting, moet gewaarborgd zijn binnen een divergerende ruimte die begrensd wordt door krommen die de gehele omtrek van het lichtdoorlatende gedeelte raken en die een hoek van ten minste 5 ° maken met de referentie-as van het koplicht.

4.1.6.   Richting

Naar voren.

Afgezien van de inrichtingen die nodig zijn om een juiste afstelling te waarborgen en bij aanwezigheid van twee paar lichten voor groot licht, kan een paar koplichten dat uitsluitend voor „groot licht” dient, beweegbaar zijn afhankelijk van de draaiing van het stuurwiel, waarbij deze lichten om een vrijwel verticale as draaien.

4.1.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met het dimlicht en andere voorlichten.

4.1.8.   Mag niet „gecombineerd” zijn

met enig ander licht.

4.1.9.   Mag „samengebouwd” zijn

4.1.9.1.

met het dimlicht, tenzij het groot licht beweegbaar is met de draaiing van het stuurwiel;

4.1.9.2.

met het breedtelicht;

4.1.9.3.

met het mistlicht voor;

4.1.9.4.

met het parkeerlicht.

4.1.10.   Functionele elektrische schakeling

4.1.10.1

Het ontsteken van de lichten voor groot licht kan gelijktijdig of paarsgewijze plaatsvinden. Bij overgang van gedimde lichtbundels naar ongedimde lichtbundels is het ontsteken van ten minste één paar lichten voor groot licht vereist. Bij overgang van ongedimde lichtbundels naar gedimde lichtbundels moeten alle lichten voor groot licht gelijktijdig worden gedoofd.

4.1.10.2.

Het dimlicht kan tegelijk met het groot licht blijven branden.

4.1.11.   Inschakel-verklikkerlicht

Verplicht.

4.1.12.   Overige voorschriften

4.1.12.1.

De maximale sterkte van alle ongedimde lichtbundels die tegelijkertijd kunnen worden ontstoken mag niet meer bedragen dan 225 000 candela.

4.1.12.2.

Deze maximale sterkte wordt verkregen door optelling van de afzonderlijke maximale sterkten gemeten tijdens de typegoedkeuring en aangeduid op de betrokken goedkeuringsformulieren.

4.2.   Dimlicht

4.2.1.   Aanwezigheid

Verplicht.

4.2.2.   Aantal

2.

4.2.3.   Installatieschema

Geen bijzondere bepalingen.

4.2.4.   Plaats

4.2.4.1.   In de breedterichting

Geen bijzondere bepalingen.

4.2.4.2.   In de hoogterichting

4.2.4.2.1.

indien slechts twee dimlichten worden geïnstalleerd:

minimaal 500 mm;

maximaal 1 200 mm

boven het wegdek.

Deze waarde mag evenwel tot 1 500 mm worden verhoogd indien de hoogte van 1 200 mm ingevolge de constructie van de trekker niet in acht kan worden genomen, rekening houdende met de gebruiksomstandigheden van de trekker en van zijn werkuitrusting;

4.2.4.2.2.

voor trekkers die zijn uitgerust voor het monteren van frontaal gedragen inrichtingen, zijn naast de sub 4.2.4.2.1 vermelde lichten twee bijkomende dimlichten toegelaten op een hoogte van maximaal 3 000 mm, indien de elektrische aansluiting zodanig is uitgevoerd dat er geen twee paar dimlichten tegelijk kunnen zijn ingeschakeld.

4.2.4.3.   In de lengterichting

Zo ver mogelijk vooraan de trekker; in geen geval mag de bestuurder direct of indirect door het via achteruitkijkspiegels en/of andere lichtweerkaatsende oppervlakken van de trekker weerkaatste licht van deze lichten worden gehinderd.

4.2.5.   Geometrische zichtbaarheid

Deze wordt bepaald door de hoeken α en β als aangegeven in punt 1.9.:

α

=

15 ° naar boven en 10 ° naar beneden;

β

=

45 ° naar buiten en 5 ° naar binnen.

Binnen dit veld moet het lichtdoorlatende gedeelte van het licht nagenoeg geheel zichtbaar zijn.

Plaatdelen of andere uitrustingsstukken in de buurt van het koplicht mogen geen nevenwerkingen veroorzaken die hinder opleveren voor andere weggebruikers.

4.2.6.   Richting

4.2.6.1.

De richting van de gedimde lichten mag niet veranderen met de draaiing van het stuurwiel.

4.2.6.2.

Wanneer de hoogte van dimlichten ten minste 500 mm of meer en ten hoogste 1 200 mm bedraagt, moet de gedimde lichtbundel tussen 0,5 en 4 % omlaag gericht kunnen worden.

4.2.6.3.

Wanneer de hoogte van de dimlichten groter is dan 1 200 mm en ten hoogste 1 500 mm bedraagt wordt de in punt 4.2.6.2 genoemde maximumgrens van 4 % verhoogd tot 6 %; de in punt 4.2.4.2.2 genoemde dimlichten moeten zodanig zijn gericht dat de horizontale lijn tussen het verlichte en het niet-verlichte vlak, gemeten op 15 meter van het licht, zich bevindt op een hoogte die hoogstens gelijk is aan de helft van de afstand tussen de grond en het midden van het licht.

4.2.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met het groot licht en de andere voorlichten.

4.2.8.   Mag niet „gecombineerd” zijn

met enig ander licht.

4.2.9.   Mag „samengebouwd” zijn met

4.2.9.1.

het groot licht, tenzij dit beweegbaar is met de draaiing van het stuurwiel;

4.2.9.2.

de overige voorlichten.

4.2.10.   Functionele elektrische schakeling

Bij inschakeling van het dimlicht moet tegelijkertijd het groot licht uitgaan.

Het dimlicht mag tegelijk met het groot licht blijven branden.

4.2.11   Inschakel-verklikkerlicht

Facultatief.

4.2.12.   Overige voorschriften

De voorschriften onder 3.5.2 zijn niet van toepassing op de lichtbundels van het dimlicht.

4.3.   Mistlicht voor

4.3.1.   Aanwezigheid

Facultatief.

4.3.2.   Aantal

2.

4.3.3.   Installatieschema

Geen bijzondere bepalingen.

4.3.4.   Plaats

4.3.4.1.   In de breedterichting

Geen bijzondere bepalingen.

4.3.4.2.   In de hoogterichting

Ten minste 250 mm boven het wegdek.

Geen enkel punt van het lichtdoorlatende gedeelte mag zich boven het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte van het dimlicht bevinden.

4.3.4.3.   In de lengterichting

Zo ver mogelijk vooraan de trekker; in geen geval mag de bestuurder direct of indirect door het via achteruitkijkspiegels en/of andere lichtweerkaatsende oppervlakken van de trekker weerkaatste licht van deze lichten worden gehinderd.

4.3.5.   Geometrische zichtbaarheid

Deze wordt bepaald door de hoeken α en β als aangegeven in punt 1.9.

α

=

5 ° naar boven en naar beneden;

β

=

45 ° naar buiten en 5 ° naar binnen.

4.3.6.   Richting

De richting van de mistlichten mag niet veranderen met de draaiing van het stuurwiel.

Zij moeten naar voren zijn gericht zonder dat tegemoetkomende bestuurders of andere weggebruikers door het licht worden verblind of gehinderd.

4.3.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met andere voorlichten.

4.3.8.   Mag niet „gecombineerd” zijn

met andere voorlichten.

4.3.9.   Mag „samengebouwd” zijn:

4.3.9.1.

met de lichten voor groot licht die niet beweegbaar zijn met de draaiing van het stuurwiel, wanneer er vier lichten voor groot licht zijn;

4.3.9.2.

met de breedtelichten;

4.3.9.3.

met het parkeerlicht.

4.3.10.   Functionele elektrische schakeling

De mistlichten voor moeten afzonderlijk van het groot licht of het dimlicht kunnen worden gedoofd en ontstoken, en vice-versa.

4.3.11.   Inschakel-verklikkerlicht

Facultatief.

4.4.   Achteruitrijlicht

4.4.1.   Aanwezigheid

Facultatief.

4.4.2.   Aantal

1 of 2.

4.4.3.   Installatieschema

Geen bijzondere bepalingen.

4.4.4.   Plaats

4.4.4.1.   In de breedterichting

Geen bijzondere bepalingen.

4.4.4.2.   In de hoogterichting

Minimaal 250 mm en maximaal 1 200 mm boven het wegdek.

4.4.4.3.   In de lengterichting

Achteraan de trekker.

4.4.5.   Geometrische zichtbaarheid

Deze wordt bepaald door de hoeken α en β als aangegeven in punt 1.9.

α

=

15 ° naar boven en 5 ° naar beneden;

β

=

45 ° naar rechts en naar links indien er slechts één licht is;

β

=

45 ° naar buiten en 30 ° naar binnen indien er twee lichten zijn.

4.4.6.   Richting

Naar achteren.

4.4.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met elk ander licht aan de achterzijde.

4.4.8.   Mag niet „gecombineerd” zijn

met enig ander licht.

4.4.9.   Mag niet „samengebouwd” zijn

met enig ander licht.

4.4.10.   Functionele elektrische schakeling

Dit licht mag uitsluitend branden als de versnellingshefboom in „achteruit” staat en als de inrichting met behulp waarvan de motor wordt in- of uitgeschakeld (het contact) zich in een zodanige stand bevindt dat de motor kan draaien.

Dit licht mag niet kunnen aangaan of aanblijven indien aan een van de hierboven genoemde voorwaarden niet is voldaan.

4.4.11.   Verklikkerlicht

Facultatief.

4.5.   Richtingaanwijzers

4.5.1.   Aanwezigheid (zie aanhangsel 3)

Verplicht. De verschillende typen richtingaanwijzers zijn ingedeeld in categorieën (1, 2 en 5), die overeenkomstig een installatieschema (A tot en met D) op een trekker worden aangebracht.

Schema A is slechts toegestaan bij trekkers die niet langer zijn dan 4,60 m, waarbij de afstand tussen de buitenranden van de lichtdoorlatende oppervlakken niet meer dan 1,60 m mag bedragen.

De schema’s B, C en D zijn op alle trekkers van toepassing.

Aanvullende richtingaanwijzers zijn facultatief.

4.5.2.   Aantal

Het aantal inrichtingen moet zodanig zijn dat zij aanwijzingen kunnen geven die beantwoorden aan één van de in punt 4.5.3 bedoelde installatieschema’s.

4.5.3.   Montageschema (zie aanhangsel 3)

A

2 voorrichtingaanwijzers (categorie 1);

2 achterrichtingaanwijzers (categorie 2).

Deze lichten mogen onafhankelijk, gegroepeerd of gecombineerd zijn.

B

2 voorrichtingaanwijzers (categorie 1);

2 zijrichtingaanwijzers (categorie 5);

2 achterrichtingaanwijzers (categorie 2).

De voor- en de zijlichten mogen onafhankelijk, gegroepeerd of gecombineerd zijn.

C

2 voorrichtingaanwijzers (categorie 1);

2 achterrichtingaanwijzers (categorie 2);

2 zijrichtingaanwijzers (categorie 5).

D

2 voorrichtingaanwijzers (categorie 1);

2 achterrichtingaanwijzers (categorie 2).

4.5.4.   Plaats

4.5.4.1.   In de breedterichting

De rand van het verste van het middenlangsvlak van de trekker verwijderde lichtdoorlatende oppervlak mag zich op niet meer dan 400 mm van het uiteinde van de trekker bevinden.

De minimale afstand tussen de binnenranden van beide lichtdoorlatende oppervlakken moet 500 mm bedragen.

Wanneer de verticale afstand tussen de achterrichtingaanwijzer en het overeenkomstige achterlicht 300 mm of minder bedraagt, mag de afstand tussen het punt van grootste breedte van de trekker en de buitenrand van de achterrichtingaanwijzer niet meer dan 50 mm meer bedragen dan de afstand tussen het punt van grootste breedte van de trekker en het overeenkomstige achterlicht.

Het lichtdoorlatende gedeelte van voorrichtingaanwijzers moet zich op minstens 40 mm bevinden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten of mistlichten. Een kleinere afstand wordt toegestaan indien de lichtsterkte ter plaatse van de referentie-as van de richtingaanwijzer ten minste 400 candela bedraagt.

4.5.4.2.   In de hoogterichting:

Boven het wegdek:

minimaal 500 mm voor richtingaanwijzers van categorie 5;

minimaal 400 mm voor richtingaanwijzers van de categorieën 1 en 2;

maximaal 1 900 mm voor alle categorieën,

indien het in verband met de constructie van de trekker niet mogelijk is deze maximale grens aan te houden, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte zich op een hoogte van 2 300 mm bevinden voor de richtingaanwijzers van categorie 5, voor die van de categorieën 1 en 2 van schema A, voor die van de categorieën 1 en 2 van schema B en voor die van de categorieën 1 en 2 van schema D en op een hoogte van 2 100 mm voor die van de categorieën 1 en 2 van de andere schema’s;

maximaal 4 000 mm voor facultatieve richtingaanwijzers.

4.5.4.3.   In de lengterichting

De afstand tussen het referentiepunt van het lichtdoorlatende gedeelte van de zijrichtingaanwijzers (schema’s B en C) en het dwarsvlak dat de maximale lengte van de trekker aan de voorzijde begrenst, mag niet meer bedragen dan 1 800 mm. Indien het op grond van de constructie van de trekker niet mogelijk is de minimale zichtbaarheidshoeken aan te houden, mag deze afstand worden gebracht op 2 600 mm.

4.5.5.   Geometrische zichtbaarheid

Horizontale hoeken:

Zie aanhangsel 3.

Verticale hoeken:

15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak kan tot 10 ° worden teruggebracht bij zijrichtingaanwijzers van de schema’s B en C als de hoogte ervan minder dan 1 500 mm bedraagt. Dit geldt ook voor de lichten van categorie 1 van de schema’s B en D.

4.5.6.   Richting

Indien de fabrikant bijzondere montagevoorschriften heeft gegeven, moeten deze worden opgevolgd.

4.5.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met een of meer lichten die niet mogen worden gecamoufleerd.

4.5.8.   Mag niet „gecombineerd” zijn

met enig ander licht, behalve overeenkomstig de in punt 4.5.3 vermelde schema’s.

4.5.9.   Mag slechts „samengebouwd” zijn

met het parkeerlicht, uitsluitend voor wat betreft de richtingaanwijzers van categorie 5.

4.5.10.   Functionele elektrische schakeling

Het inschakelen van de richtingaanwijzers moet onafhankelijk van de ontsteking van de andere lichten geschieden. Alle richtingaanwijzers die zich aan dezelfde zijde van de trekker bevinden worden met dezelfde schakelaar bediend en dienen synchroon te knipperen.

4.5.11.   Verklikkersignaal (voor de werking)

Vereist voor alle richtingaanwijzers die niet rechtstreeks voor de bestuurder zichtbaar zijn. Het kan optisch en/of akoestisch zijn.

Een optische inrichting moet knipperen, en uitgaan of aanblijven zonder te knipperen of een duidelijk waarneembare frequentiewijziging vertonen indien een van de richtingaanwijzers, met uitzondering van de zijverklikkerlichten, niet goed functioneert. Bij een uitsluitend akoestische inrichting moet het signaal goed hoorbaar zijn en bij storing een duidelijk waarneembare frequentiewijziging ondergaan.

Indien een trekker ingericht is om een aanhangwagen te trekken, moet dit voertuig uitgerust zijn met een speciale optische verklikker voor de richtingaanwijzers van de aanhangwagen, behalve indien het verklikkersignaal van de trekker het mogelijk maakt het defect zijn van één van de richtingaanwijzers van het aldus gevormde samenstel te ontdekken.

4.5.12.   Overige voorschriften

Knipperlicht met een frequentie van 90 ± 30 perioden per minuut.

Het lichtsignaal moet binnen een seconde na het inschakelen functioneren en binnen anderhalve seconde voor het eerst doven.

Indien een trekker ingericht is om een aanhangwagen te trekken, moet de schakelaar van de richtingaanwijzers van de trekker tevens de richtingaanwijzers van de aanhangwagen in werking kunnen stellen.

Wanneer een richtingaanwijzer door een andere oorzaak dan kortsluiting defect is, moeten de andere knipperlichten blijven werken, doch in dit geval mag de frequentie afwijken van die welke is voorgeschreven.

4.6.   Waarschuwingsknipperlicht

4.6.1.   Aanwezigheid

Verplicht

4.6.2.

Aantal

overeenkomstig de voorschriften van de desbetreffende rubrieken van punt 4.5.

4.6.3.

Installatieschema

4.6.4.

Plaats

4.6.4.1.

in de breedterichting

4.6.4.2.

in de hoogterichting

4.6.4.3.

in de lengterichting

4.6.5.

Geometrische zichtbaarheid

4.6.6.

Richting

4.6.7.

Mag/mag niet „gegroepeerd” zijn met

4.6.8.

Mag/mag niet „gecombineerd” zijn met

4.6.9.

Mag/mag niet „samengebouwd” zijn met

4.6.10.   Functionele elektrische schakeling

De bediening van het signaal moet geschieden door middel van een afzonderlijke schakelaar die alle richtingaanwijzers synchroon moet laten functioneren.

4.6.11.   Inschakel-verklikkerlicht

Vereist. Knipperlicht dat kan werken in combinatie met het in punt 4.5.11 voorgeschreven verklikkersignaal.

4.6.12.   Overige voorschriften

Overeenkomstig de voorschriften van punt 4.5.12. Indien een trekker is ingericht om een aanhangwagen te trekken, moet de schakelaar van het waarschuwingsknipperlicht tevens de richtingaanwijzers van de aanhangwagen in werking kunnen stellen. Het waarschuwingsknipperlicht moet kunnen werken, ook al bevindt zich de inrichting waarmede de motor wordt aangezet of afgezet zich in een zodanige stand dat het draaien van de motor onmogelijk is.

4.7.   Stoplicht

4.7.1.   Aanwezigheid

Verplicht.

4.7.2.   Aantal

2.

4.7.3.   Installatieschema

Geen bijzondere bepalingen.

4.7.4.   Plaats

4.7.4.1.   In de breedterichting

Minimaal 500 mm tussen de beide lichten. Deze afstand kan tot 400 mm worden teruggebracht wanneer de grootste breedte van de trekker minder dan 1 400 mm bedraagt.

4.7.4.2.   In de hoogterichting

Minimaal 400 mm en maximaal 1 900 mm boven het wegdek, of 2 300 mm indien het door de vorm van de carrosserie niet mogelijk is de maximumhoogte van 1 900 mm aan te houden.

4.7.4.3.   In de lengterichting

Aan de achterzijde van de trekker.

4.7.5.   Geometrische zichtbaarheid

Horizontale hoek:

45 ° naar buiten en naar binnen.

Verticale hoek:

15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag tot 10 ° worden beperkt als het licht zich op minder dan 1 500 mm boven het wegdek bevindt en tot 5 ° als het licht zich op minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt.

4.7.6.   Richting

Naar achteren.

4.7.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met een of meer lichten aan de achterzijde.

4.7.8.   Mag niet „gecombineerd” zijn

met enig ander licht.

4.7.9.   Mag „samengebouwd” zijn

met het achterlicht of het parkeerlicht.

4.7.10.   Elektrische schakeling

Moet gaan branden zodra de bedrijfsrem wordt bediend.

4.7.11.   Verklikkersignaal voor de werking

Facultatief. Indien aanwezig, moet het een niet knipperend lichtsein zijn dat gaat branden bij slechte werking van de stoplichten.

4.7.12.   Overige voorschriften

De lichtsterkte van de stoplichten moet aanzienlijk groter zijn dan die van de achterlichten.

4.8.   Achterkentekenplaatverlichting

4.8.1.   Aanwezigheid

Verplicht.

4.8.2.

Aantal

Zodanig dat de plaats waar zich de kentekenplaat bevindt goed verlicht wordt

4.8.3.

Installatieschema

4.8.4.

Plaats

4.8.4.1.

In de breedterichting

4.8.4.2.

In de hoogterichting

4.8.4.3.

In de lengterichting

4.8.5.

Geometrische zichtbaarheid

4.8.6.

Richting

4.8.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met een of meerdere lichten aan de achterzijde.

4.8.8.   Mag „gecombineerd” zijn

met de achterlichten.

4.8.9.   Mag niet „samengebouwd” zijn

met enig ander licht.

4.8.10.   Functionele elektrische schakeling

De verlichting mag uitsluitend tegelijk met de achterlichten branden.

4.8.11.   Inschakel-verklikkerlicht

Facultatief. Indien aanwezig, moet de functie ervan worden vervuld door het voor de breedtelichten en achterlichten voorgeschreven verklikkerlicht.

4.9.   Breedtelicht

4.9.1.   Aanwezigheid

Verplicht.

4.9.2.   Aantal

2 of 4 (cf. punt 4.2.4.2.2).

4.9.3.   Installatieschema

Geen bijzondere bepalingen.

4.9.4.   Plaats

4.9.4.1.   In de breedterichting

Het punt van het lichtdoorlatende gedeelte dat het verst verwijderd is van het middenlangsvlak van de trekker mag zich niet verder dan 400 mm bevinden van het punt van de grootste breedte van de trekker.

De afstand tussen de binnenranden van de beide lichtdoorlatende oppervlakken moet minimaal 500 mm bedragen.

4.9.4.2.   In de hoogterichting

Boven het wegdek: minimaal 400 mm, maximaal 1 900 mm, of maximaal 2 300 mm indien het door de vorm van de opbouw niet mogelijk is de maximumhoogte van 1 900 mm aan te houden.

4.9.4.3.   In de lengterichting

Geen nadere bepalingen, op voorwaarde dat de lichten naar voren gericht zijn en dat aan onderstaande eisen met betrekking tot de geometrische zichtbaarheidshoeken wordt voldaan.

4.9.5.   Geometrische zichtbaarheid

Horizontale hoek

Voor de beide breedtelichten 10 ° naar binnen en 80 ° naar buiten. De hoek van 10 ° naar binnen kan tot 5 ° worden beperkt, indien door de vorm van de opbouw 10 ° niet kan worden aangehouden. Bij trekkers waarvan de grootste breedte niet meer bedraagt dan 1 400 mm kan, indien het door de vorm van de opbouw niet mogelijk is een hoek van 10 ° aan te houden, de hoek tot 3 ° worden teruggebracht.

Verticale hoek

15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag worden verminderd tot 10 ° indien het licht zich op minder dan 1 500 mm boven het wegdek bevindt en tot 5 ° indien het zich op minder dan 750 mm boven het wegdek bevindt.

4.9.6.   Richting

Naar voren.

4.9.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met elk ander voorlicht.

4.9.8.   Mag niet „gecombineerd” zijn

met enig ander licht.

4.9.9.   Mag „samengebouwd” zijn

met elk ander voorlicht.

4.9.10.   Functionele elektrische schakeling

Geen bijzondere bepalingen.

4.9.11.   Verklikkerlicht

Verplicht. Dit verklikkerlicht mag geen knipperlicht zijn. Het is niet vereist wanneer de dashbordverlichting slechts samen met de breedtelichten kan worden ontstoken.

4.10.   Achterlicht

4.10.1.   Aanwezigheid

Verplicht.

4.10.2.   Aantal

2.

4.10.3.   Installatieschema

Geen bijzondere bepalingen.

4.10.4.   Plaats

4.10.4.1.   In de breedterichting

Het punt van het lichtdoorlatend gedeelte dat het verst is verwijderd van het middenlangsvlak van de trekker mag zich niet verder dan 400 mm bevinden van het punt van de grootste breedte van de trekker.

De minimale afstand tussen de binnenranden van de beide lichtdoorlatende gedeelten moet 500 mm bedragen. Deze afstand kan tot 400 mm worden teruggebracht wanneer de grootste breedte van de trekker minder dan 1 400 mm bedraagt.

4.10.4.2.   In de hoogterichting

Boven het wegdek, minimaal 400 mm, maximaal 1 900 mm of 2 300 mm indien het door de vorm van de opbouw niet mogelijk is de maximumhoogte van 1 900 mm aan te houden.

4.10.4.3.   In de lengterichting

Aan de achterzijde van de trekker

4.10.5.   Geometrische zichtbaarheid

Horizontale hoek

Voor de beide achterlichten

45 ° naar binnen en 80 ° naar buiten of,

80 ° naar binnen en 45 ° naar buiten.

Verticale hoek

15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag worden verminderd tot 10 ° indien het licht zich op minder dan 1 500 mm boven het wegdek bevindt; tot 5 ° indien deze hoogte minder dan 750 mm bedraagt.

4.10.6.   Richting

Naar achteren.

4.10.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met elk ander licht aan de achterzijde.

4.10.8.   Mag „gecombineerd” zijn

met de achterkentekenplaatverlichting.

4.10.9.   Mag „samengebouwd” zijn

met het stoplicht, het mistlicht achter of het parkeerlicht.

4.10.10.   Functionele elektrische schakeling

Geen bijzondere bepalingen.

4.10.11.   Inschakel-verklikkerlicht

Verplicht. Het moet gecombineerd zijn met dat van de breedtelichten.

4.11.   Mistlicht achter

4.11.1.   Aanwezigheid

Facultatief.

4.11.2.   Aantal

1 of 2.

4.11.3.   Installatieschema

Het moet voldoen aan de geometrische zichtbaarheidsvoorwaarden.

4.11.4.   Plaats

4.11.4.1.   In de breedterichting

Bij aanwezigheid van één mistlicht achter moet dit zich bevinden aan de kant van het middenlangsvlak van de trekker tegengesteld aan de verkeersrichting (rechts of links verkeer) die is voorgeschreven in het land van inschrijving.

In ieder geval moet de afstand tussen het mistlicht achter en het stoplicht groter zijn dan 100 mm.

4.11.4.2.   In de hoogterichting

Boven het wegdek, minimaal 400 mm, maximaal 1 900 mm of 2 100 mm indien het door de vorm van de opbouw niet mogelijk is de maximumhoogte van 1 900 mm aan te houden.

4.11.4.3.   In de lengterichting

Aan de achterzijde van de trekker.

4.11.5.   Geometrische zichtbaarheid

Horizontale hoek

25 ° naar binnen en naar buiten

Verticale hoek

5 ° boven en onder het horizontale vlak.

4.11.6.   Richting

Naar achteren.

4.11.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met elk ander licht aan de achterzijde.

4.11.8.   Mag niet „gecombineerd” zijn

met enig ander licht.

4.11.9.   Mag „samengebouwd” zijn

met de achterlichten of het parkeerlicht.

4.11.10.   Functionele elektrische schakeling

Dit licht mag alleen kunnen worden ontstoken als het dimlicht of de mistlichten voor branden.

Indien zich aan de voorkant van de trekker mistlichten bevinden moet het doven van het mistlicht achter mogelijk zijn onafhankelijk van de mistlichten voor.

4.11.11.   Inschakel-verklikkerlicht

Verplicht. Afzonderlijk niet-knipperend licht.

4.12.   Parkeerlicht

4.12.1.   Aanwezigheid

Facultatief.

4.12.2.   Aantal

Afhankelijk van het installatieschema.

4.12.3.   Installatieschema

twee lichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde, of

één licht aan elke kant van de trekker.

4.12.4.   Plaats

4.12.4.1.   In de breedterichting

Het punt van het lichtdoorlatend gedeelte dat het verst verwijderd is van het middenlangsvlak van de trekker mag zich niet verder dan 400 mm bevinden van het punt van de grootste breedte van de trekker. Als er twee parkeerlichten zijn moeten deze zich bovendien op de zijkanten van de trekker bevinden.

4.12.4.2.   In de hoogterichting

Boven het wegdek: minimaal 400 mm, maximaal 1 900 mm of 2 100 mm indien het door de constructie van de opbouw niet mogelijk is de maximumhoogte van 1 900 mm aan te houden.

4.12.4.3.   In de lengterichting

Geen bijzondere bepalingen.

4.12.5.   Geometrische zichtbaarheid

Horizontale hoek

45 ° naar binnen, naar voren en naar achteren.

Verticale hoek

15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag worden verminderd tot 10 ° indien het licht zich op minder dan 1 500 mm boven het wegdek bevindt en tot 5 ° indien deze hoogte minder dan 750 mm bedraagt.

4.12.6.   Richting

Zodanig dat de lichten voldoen aan de zichtbaarheidsvoorwaarden naar voren en naar achteren.

4.12.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met elk ander licht.

4.12.8.   Mag niet „gecombineerd” zijn

met enig ander licht.

4.12.9.   Mag „samengebouwd” zijn

aan de voorkant van de trekker: met de breedtelichten, het dimlicht, het groot licht en de mistlichten voor;

aan de achterkant van de trekker: met de achterlichten, de stoplichten en de mistlichten achter;

met de richtingaanwijzers van categorie 5.

4.12.10.   Functionele elektrische schakeling

De schakeling moet ontsteken mogelijk maken van de parkeerlichten aan dezelfde zijde van de trekker, zonder dat enig ander licht daardoor gaat branden.

4.12.11.   Verklikkerlicht

Facultatief. Indien aanwezig, mag het niet verward kunnen worden met het verklikkerlicht voor de breedtelichten.

4.12.12.   Overige voorschriften

De functie van dit licht kan ook worden vervuld door het breedtelicht en het achterlicht, die aan één zijde van de trekker tegelijk kunnen worden ontstoken.

4.13.   Markeringslicht

4.13.1.   Aanwezigheid

Facultatief op trekkers met een breedte van meer dan 2,10 m.

Verboden op alle overige trekkers.

4.13.2.   Aantal

2 zichtbaar van voren en 2 zichtbaar van achteren.

4.13.3.   Installatieschema

Geen bijzondere bepalingen.

4.13.4.   Plaats

4.13.4.1.   In de breedterichting

Zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van de trekker.

4.13.4.2.   In de hoogterichting

Zo hoog mogelijk als verenigbaar is met de eis ten aanzien van de plaats in de breedterichting en de symmetrie der lichten.

4.13.4.3.   In de lengterichting

Geen bijzondere bepalingen.

4.13.5.   Geometrische zichtbaarheid

Horizontale hoek

80 ° naar buiten.

Verticale hoek

5 ° boven en 20 ° onder het horizontale vlak.

4.13.6.   Richting

Zodanig dat de lichten voldoen aan de zichtbaarheidsvoorwaarden naar voren en naar achteren.

4.13.7.

Mag niet „gegroepeerd” zijn

met enig ander licht, behoudens het in punt 4.2.4.2.2 bedoelde geval.

4.13.8.

Mag niet „gecombineerd” zijn

4.13.9.

Mag niet „samengebouwd” zijn

4.13.10.   Functionele elektrische schakeling

Geen bijzondere bepalingen.

4.13.11.   Verklikkerlicht

Facultatief.

4.13.12.   Overige voorschriften

Voor zover aan alle overige voorwaarden is voldaan, mogen het licht dat zichtbaar is van voren en het licht dat zichtbaar is van achter aan dezelfde kant van de trekker in één richting zijn verenigd.

De plaats van een markeringslicht ten opzichte van het overeenkomstige breedte- of achterlicht moet zodanig zijn dat de afstand tussen de projecties op een verticaal dwarsvlak door de dichtstbijzijnde punten van de lichtdoorlatende gedeelten van de twee betrokken lichten niet minder dan 200 mm bedraagt.

4.14.   Niet-driehoekige achterretroflector

4.14.1.   Aanwezigheid

Verplicht.

4.14.2.   Aantal

2 of 4 (cf, punt 4.14.5.2).

4.14.3.   Installatieschema

Geen bijzondere bepalingen.

4.14.4.   Plaats

4.14.4.1.   In de breedterichting

Het punt van het lichtdoorlatende gedeelte dat het verst verwijderd is van het middenlangsvlak van de trekker, mag zich niet verder dan 400 mm van het punt van de grootste breedte van de trekker bevinden.

Afstand tussen de binnenranden van de retroflectoren: minimaal 600 mm. Deze afstand kan tot 400 mm worden teruggebracht wanneer de grootste breedte van de trekker minder dan 1 300 mm bedraagt.

4.14.4.2.   In de hoogterichting

Boven het wegdek: minimaal 400 mm, maximaal 900 mm. De maximumwaarde mag worden verhoogd tot 1 200 mm, wanneer het onmogelijk is de hoogte van 900 mm aan te houden zonder gebruikmaking van installatie-inrichtingen die gemakkelijk beschadigd of ontregeld dreigen te worden.

4.14.4.3.   In de lengterichting

Geen bijzondere voorschriften.

4.14.5.   Geometrische zichtbaarheid

4.14.5.1.

 

Horizontale hoek

30 ° naar binnen en naar buiten.

 

Verticale hoek

15 ° boven en onder het horizontale vlak. De verticale hoek onder het horizontale vlak mag worden verminderd tot 5 ° indien de hoogte van het licht minder dan 750 mm bedraagt.

4.14.5.2.

Als de bepalingen inzake plaats en zichtbaarheid niet in acht kunnen worden genomen, mogen vier retroflectoren worden geïnstalleerd die aan de volgende installatievoorschriften beantwoorden:

4.14.5.2.1.

Voor twee daarvan gelden de volgende eisen: een maximale hoogte van 900 mm boven het wegdek, een minimale afstand tussen de binnenranden van 400 mm en een verticale zichtbaarheidshoek boven het horizontale vlak van 15 °.

4.14.5.2.2.

De overige twee moeten een hoogte van maximaal 2 300 mm boven het wegdek hebben en dienen te voldoen aan de voorschriften van de punten 4.14.4.1 en 4.14.5.1.

4.14.6.   Richting

Naar achteren gericht.

4.14.7.   Mag „gegroepeerd” zijn

met elk ander licht.

4.14.8.   Overige voorschriften

Het lichtdoorlatende gedeelte van de retroflector kan bepaalde delen gemeen hebben met dat van ieder ander licht aan de achterzijde.

4.15.   Werklicht

4.15.1.   Aanwezigheid

Facultatief.

4.15.2.   Aantal

Geen bijzondere bepalingen.

4.15.3.

Installatieschema

geen bijzondere voorschriften.

4.15.4.

Plaats

4.15.4.1.

In de breedterichting

4.15.4.2.

In de hoogterichting

4.15.4.3.

In de lengterichting

4.15.5.

Geometrische zichtbaarheid

4.15.6.

Richting

4.15.7.

Mag „gegroepeerd” zijn

met enig ander licht.

4.15.8

Mag niet „gecombineerd” zijn

4.15.9.

Mag niet „samengebouwd” zijn

4.15.10.   Functionele elektrische schakeling

De ontsteking van deze lamp moet onafhankelijk zijn van de ontsteking van alle andere lichten, aangezien deze niet ter verlichting van de weg of voor signalisatie in het verkeer dient.

4.15.11.   Verklikkerlicht

Facultatief.

5.   OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

5.1.

Elke trekker van een serie moet overeenstemmen met het goedgekeurde type voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen en de in deze richtlijn genoemde kenmerken daarvan.

Aanhangsel 1

Image

Aanhangsel 2

Image

Image

Aanhangsel 3

Richtingaanwijzers: geometrische zichtbaarheid

Image


BIJLAGE II

MODEL

Aanduiding van de Administratie

BIJLAGE BIJ HET EG-GOEDKEURINGSFORMULIER VAN EEN TYPE TREKKER MET BETREKKING TOT DE INSTALLATIE VAN DE VERLICHTINGS- EN LICHTSIGNAALINRICHTINGEN

Artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan

EG-goedkeuringsnummer: …

1.   Merk (firma): …

2.   Type en handelsbenaming: …

3.   Naam en adres van de fabrikant: …

4.   Eventueel, naam en adres van diens gevolmachtigde: …

5.   De op de ter goedkeuring aangeboden trekker aanwezige verlichtingsinrichtingen (1): …

5.1.

Groot licht: ja/neen (2)

5.2.

Dimlicht: ja/neen (2)

5.3.

Mistlichten voor: ja/neen (2)

5.4.

Achteruitrijlichten: ja/neen (2)

5.5.

Voorrichtingaanwijzers: ja/neen (2)

5.6.

Achterrichtingaanwijzers: ja/neen (2)

5.7.

Zijrichtingaanwijzers: ja/neen (2)

5.8.

Waarschuwingsknipperlicht: ja/neen (2)

5.9.

Stoplichten: ja/neen (2)

5.10.

Achterkentekenplaatverlichting: ja/neen (2)

5.11.

Breedtelichten: ja/neen (2)

5.12.

Achterlichten: ja/neen (2)

5.13.

Mistlichten achter: ja/neen (2)

5.14.

Parkeerlichten: ja/neen (2)

5.15.

Markeringslichten: ja/neen (2)

5.16.

Niet-driehoekige retroflectoren achterzijde: ja/neen (2)

5.17.

Werklicht: ja/neen (2)

6.   Gelijkwaardige lichten: ja/neen (2) (zie punt 15):

7.   De trekker is op

… ter goedkeuring aangeboden.

8.   Technische dienst belast met de goedkeuringsproeven:

9.   Datum van het door deze dienst afgegeven goedkeuringsrapport: …

10.   Nummer van het door deze dienst afgegeven goedkeuringsrapport: …

11.   De EG-goedkeuring met betrekking tot de verlichtings- en lichtsignaalinrichingen is verleend/geweigerd (2).

12.   Plaats: …

13.   Datum: …

14.   Handtekening:

15.   Aan dit formulier zijn de volgende stukken gehecht, die het hierboven aangegeven goedkeuringsnummer dragen: … lijst(en) van de door de fabrikant vastgestelde inrichtingen die de verlichtings- en lichtsignaaluitrusting vormen; voor iedere inrichting worden het fabrieksmerk en het type goedkeuringsmerk aangegeven.

Deze lijst(en) omvat(ten) een opsomming van de „gelijkwaardige lichten” (2).

16.   Opmerkingen:


(1)  De onder punt 2.2.3 van bijlage I bij Richtlijn 2009/61/EG van 13 juli 2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen.

(2)  Doorhalen hetgeen niet van toepassing is.


BIJLAGE III

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 7)

Richtlijn 78/933/EEG van de Raad

(PB L 325 van 20.11.1978, blz. 16)

 

Richtlijn 82/890/EEG van de Raad

(PB L 378 van 31.12.1982, blz. 45)

Uitsluitend wat de verwijzingen door artikel 1, lid 1, naar Richtlijn 78/933/EEG betreft

Richtlijn 97/54/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 277 van 10.10.1997, blz. 24)

Uitsluitend wat de verwijzingen door artikel 1 naar Richtlijn 78/933/EEG betreft

Richtlijn 1999/56/EG van de Commissie

(PB L 146 van 11.6.1999, blz. 31)

 

Richtlijn 2006/26/EG van de Commissie

(PB L 65 van 7.3.2006, blz. 22)

Uitsluitend wat de verwijzingen door artikel 3 en bijlage III naar Richtlijn 78/933/EEG betreft

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 7)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

78/933/EEG

25 april 1980

82/890/EEG

22 juni 1984

97/54/EG

22 september 1998

23 september 1998

1999/56/EG

30 juni 2000 (1)

2006/26/EG

31 december 2006 (2)


(1)  Overeenkomstig artikel 2 van Richtlijn 1999/56/EG:

„1.   Met ingang van 1 juli 2000 mogen de lidstaten:

noch voor een type trekker de EG-typegoedkeuring, de afgifte van het in artikel 10, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 74/150/EEG bedoelde document, of de nationale typegoedkeuring weigeren,

noch het voor de eerste maal in het verkeer brengen van trekkers verbieden,

indien deze trekkers voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 78/933/EEG, als gewijzigd bij deze richtlijn.

2.   Met ingang van 1 januari 2001 mogen de lidstaten:

niet langer het in artikel 10, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 74/150/EEG bedoelde document afgeven voor een type trekker, indien dit niet voldoet aan de voorschriften van Richtlijn 78/933/EEG, als gewijzigd bij deze richtlijn,

de nationale typegoedkeuring weigeren voor een type trekker, indien dit niet voldoet aan de voorschriften van Richtlijn 78/933/EEG, als gewijzigd bij deze richtlijn.”

(2)  Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2006/26/EG:

„1.   Met ingang van 1 januari 2007 geldt ten aanzien van voertuigen die voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:

a)

niet de EG-typegoedkeuring of de nationale typegoedkeuring mogen weigeren, en

b)

niet de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen mogen verbieden.

2.   Met ingang van 1 juli 2007 geldt ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:

a)

niet langer de EG-typegoedkeuring mogen verlenen, en

b)

de nationale typegoedkeuring mogen weigeren.

3.   Met ingang van 1 juli 2009 geldt ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan de Richtlijnen 74/151/EEG, 78/933/EEG, 77/311/EEG en 89/173/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, dat de lidstaten om redenen die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende richtlijn:

a)

de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG vergezeld gaan, als niet langer geldig moeten beschouwen voor de toepassing van artikel 7, lid 1, van die richtlijn, en

b)

de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van deze nieuwe voertuigen mogen weigeren.”.


BIJLAGE IV

Concordantietabel

Richtlijn 78/933/EEG

Richtlijn 2006/26/EG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1

 

Artikel 1

Artikel 2

 

Artikel 5

Artikel 2

Artikelen 3 tot en met 5

 

Artikelen 3 tot en met 5

Artikel 6

 

Artikel 7, lid 1

 

Artikel 7, lid 2

 

Artikel 6

 

Artikel 7

 

Artikel 8

Artikel 8

 

Artikel 9

Bijlage I

 

Bijlage I

Bijlage II

 

Bijlage II

 

Bijlage III

 

Bijlage IV


5.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/52


RICHTLIJN 2009/68/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 juli 2009

betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen

(Gecodificeerde versie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 79/532/EEG van de Raad van de Raad van 17 mei 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Richtlijn 79/532/EEG is één van de bijzondere richtlijnen van het bij Richtlijn 74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen geregelde EG-typegoedkeuringssysteem, thans geregeld in Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan (5) en stelt de technische voorschriften vast betreffende het ontwerp en de constructie van landbouw- of bosbouwtrekkers met betrekking tot de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen. Deze technische voorschriften beogen de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten, teneinde de uitvoering van de bij Richtlijn 2003/37/EG geregelde EG-goedkeuringsprocedure ten aanzien van elk type trekker mogelijk te maken. Derhalve zijn de bepalingen van Richtlijn 2003/37/EG betreffende land- of bosbouwtrekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines, alsmede de systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan op de onderhavige richtlijn van toepassing.

(3)

Richtlijn 2009/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (6) heeft de gemeenschappelijke voorschriften betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen vastgesteld. Die verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen vertonen dezelfde kenmerken als die van motorvoertuigen en derhalve kunnen de inrichtingen waarvoor een EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk is verleend overeenkomstig de reeds ter zake vastgestelde richtlijnen in het kader van de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, tevens voor trekkers worden gebruikt.

(4)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder „trekker” (landbouw- of bosbouwtrekker) verstaan ieder motorvoertuig op wielen of rupsbanden met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd. De trekker kan zijn ingericht voor het vervoer van een lading en van meerijders.

2.   Deze richtlijn geldt slechts voor de in lid 1 omschreven trekkers, gemonteerd op luchtbanden en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid die ligt tussen 6 en 40 km/h.

Artikel 2

De lidstaten mogen de EG-typegoedkeuring of de nationale typegoedkeuring van een trekker niet weigeren om redenen die verband houden met de volgende lichten of reflectoren, indien deze het in bijlage I bedoelde EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk dragen en overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2009/61/EG zijn aangebracht:

a)

de koplichten voor groot licht en/of dimlicht, alsmede de elektrische gloeilampen voor deze koplichten;

b)

de markeringslichten;

c)

de breedtelichten;

d)

de achterlichten;

e)

de stoplichten;

f)

de richtingaanwijzers;

g)

de retroflectoren;

h)

de achterkentekenplaatverlichting;

i)

de mistlichten vóór, alsmede de lampen daarvan;

j)

de mistlichten achter;

k)

de achteruitrijlichten;

l)

de parkeerlichten.

Artikel 3

De lidstaten mogen de inschrijving niet weigeren of de verkoop, het in het verkeer brengen of het gebruik van een trekker niet verbieden om redenen die verband houden met de volgende lichten of reflectoren, indien deze het in bijlage I bedoelde EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk dragen en overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2009/61/EG zijn aangebracht:

a)

de koplichten voor groot licht en/of dimlicht, alsmede de elektrische gloeilampen voor deze koplichten;

b)

de markeringslichten;

c)

de breedtelichten;

d)

de achterlichten;

e)

de stoplichten;

f)

de richtingaanwijzers;

g)

de retroflectoren;

h)

de achterkentekenplaatverlichting;

i)

de mistlichten vóór, alsmede de lampen daarvan;

j)

de mistlichten achter;

k)

de achteruitrijlichten;

l)

de parkeerlichten.

Artikel 4

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van bijlage I aan de technische vooruitgang aan te passen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 20, lid 3, van Richtlijn 2003/37/EG bedoelde procedure.

Artikel 5

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 6

Richtlijn 79/532/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage II, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 7

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2010.

Artikel 8

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

E. ERLANDSSON


(1)  PB C 162 van 25.6.2008, blz. 40.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 17 juni 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 juni 2009.

(3)  PB L 145 van 13.6.1979, blz. 16.

(4)  Zie bijlage II, deel A.

(5)  PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.

(6)  Zie bladzijde 19 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE I

1.

Koplichten voor groot licht en/of dimlicht, alsmede elektrische gloeilampen voor deze koplichten:

 

EG-goedkeuringsmerk bedoeld in Richtlijn 76/761/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende koplichten van motorvoertuigen voor groot licht en/of dimlicht, alsmede betreffende lichtbronnen (gloeilampen en andere) voor gebruik in goedgekeurde verlichtingseenheden van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (1).

 

Het bepaalde in Richtlijn 76/761/EEG geldt ook voor de goedkeuring van speciale koplichten voor landbouw- en bosbouwtrekkers die bestemd zijn voor het verkrijgen van zowel een ongedimde als een gedimde lichtbundel en die een diameter (D) hebben van minder dan 160 mm, met de volgende wijzigingen:

a)

de in punt 2.1 van bijlagen II tot en met VI, VIII en IX bij Richtlijn 76/761/EEG vastgestelde minima voor de verlichtingssterkte worden verlaagd volgens de verhouding

((D – 45)/(160 – 45))2

maar mogen niet minder bedragen dan de volgende absolute minima:

3 lux, in punt 75 R, of in punt 75 L;

5 lux, in punt 50 R, of in punt 50 L;

1,5 lux, in zone IV.

Noot: Is het zichtbare vlak van het koplicht niet rond, dan is de diameter gelijk aan de diameter van de cirkel die eenzelfde oppervlakte beslaat als het nuttige zichtbare vlak van het koplicht;

b)

in plaats van het symbool CR van punt 5.2.3.5 van bijlage I bij Richtlijn 76/761/EEG wordt op het koplicht het symbool M aangebracht in een driehoek met een naar beneden gerichte hoek.

2.

Markeringslichten, breedtelichten, achterlichten en stoplichten:

EG-goedkeuringsmerk bedoeld in Richtlijn 76/758/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (2).

3.

Richtingaanwijzers:

EG-goedkeuringsmerk bedoeld in Richtlijn 76/759/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende richtingaanwijzers van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (3).

4.

Retroflectoren:

EG-goedkeuringsmerk bedoeld in Richtlijn 76/757/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende retroreflectoren voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (4).

5.

Achterkentekenplaatverlichting:

EG-goedkeuringsmerk bedoeld in Richtlijn 76/760/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de achterkentekenplaatverlichting van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (5).

6.

Voormistlichten:

EG-goedkeuringsmerk bedoeld in Richtlijn 76/762/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende voormistlichten voor motorvoertuigen (6).

7.

Mistlichten achter:

EG-goedkeuringsmerk bedoeld in Richtlijn 77/538/EEG van de Raad van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de mistlichten achter van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (7).

8.

Achteruitrijlichten:

EG-goedkeuringsmerk bedoeld in Richtlijn 77/539/EEG van de Raad van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende acheruitrijlichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (8).

9.

Parkeerlichten:

EG-goedkeuringsmerk bedoeld in Richtlijn 77/540/EEG van de Raad van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende parkeerlichten van motorvoertuigen (9).


(1)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 96.

(2)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 54.

(3)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 71.

(4)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 32.

(5)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 85.

(6)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 122.

(7)  PB L 220 van 29.8.1977, blz. 60.

(8)  PB L 220 van 29.8.1977, blz. 72.

(9)  PB L 220 van 29.8.1977, blz. 83.


BIJLAGE II

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 6)

Richtlijn 79/532/EEG van de Raad

(PB L 145 van 13.6.1979, blz. 16)

 

Richtlijn 82/890/EEG van de Raad

(PB L 378 van 31.12.1982, blz. 45)

uitsluitend wat de verwijzing naar Richtlijn 79/532/EEG in artikel 1, lid 1, betreft

Richtlijn 97/54/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 277 van 10.10.1997, blz. 24)

uitsluitend wat de verwijzing naar Richtlijn 79/532/EEG in artikel 1, eerste streepje, betreft

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 6)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

79/532/EEG

21 november 1980

82/890/EEG

21 juni 1984

97/54/EG

22 september 1998

23 september 1998


BIJLAGE III

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 79/532/EEG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, aanhef en slotwoorden

Artikel 2, aanhef

Artikel 2, streepjes

Artikel 2, punten a) t/m l)

Artikel 3, aanhef en slotwoorden

Artikel 3, aanhef

Artikel 3, streepjes

Artikel 3, punten a) t/m l)

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 6

Artikel 8

Bijlage

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage III


5.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/58


RICHTLIJN 2009/98/EG VAN DE COMMISSIE

van 4 augustus 2009

tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde booroxide als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name op artikel 16, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB van Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Booroxide is in die lijst opgenomen.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is booroxide overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 8 (houtconserveringsmiddelen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG.

(3)

Nederland is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 7 juli 2006 bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing door het Permanent Comité voor biociden op 20 februari 2009 in een beoordelingsverslag opgenomen.

(5)

Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat van biociden die als houtconserveringsmiddel worden gebruikt en booroxide bevatten, kan worden verwacht dat ze aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Booroxide dient derhalve in bijlage I te worden opgenomen om ervoor te zorgen dat in alle lidstaten overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG toelatingen voor biociden die als houtconserveringsmiddel worden gebruikt en booroxide bevatten, kunnen worden verleend, gewijzigd of ingetrokken.

(6)

Er zijn evenwel onaanvaardbare risico’s gesignaleerd bij de behandeling in situ van hout in de openlucht en bij behandeld hout dat is blootgesteld aan verwering. Bijgevolg dient geen toelating voor deze toepassingen te worden gegeven, tenzij gegevens zijn overgelegd die aantonen dat de producten zonder onaanvaardbare risico’s voor het milieu kunnen worden gebruikt.

(7)

Niet alle mogelijke toepassingen zijn op Gemeenschapsniveau beoordeeld. Daarom is het passend dat de lidstaten de risico’s beoordelen voor de milieucompartimenten en bevolkingsgroepen die bij de risicobeoordeling op Gemeenschapsniveau niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen, en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

(8)

In het licht van de conclusies van het beoordelingsverslag dient te worden vereist dat bij de toelating van producten die booroxide bevatten en als houtconserveringsmiddel worden gebruikt, specifieke risicobeperkende maatregelen worden voorgeschreven. Met name dienen er adequate maatregelen te worden genomen om de bodem en het aquatische milieu te beschermen, aangezien er tijdens de beoordeling onaanvaardbare risico’s voor deze milieucompartimenten zijn gesignaleerd. Daarnaast moeten de producten ook met geschikte beschermingsmiddelen worden gebruikt als de voor professionele en industriële gebruikers gesignaleerde risico’s niet op andere manieren kunnen worden beperkt.

(9)

Het is belangrijk dat de bepalingen van deze richtlijn in alle lidstaten tegelijkertijd worden toegepast teneinde een gelijke behandeling van biociden die op de markt zijn en als werkzame stof booroxide bevatten, te waarborgen en tevens de goede werking van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken.

(10)

Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven om zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit met zich meebrengt te voldoen en om ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat.

(11)

Na de opneming moeten de lidstaten een redelijke periode krijgen voor de uitvoering van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG en met name voor de verlening, wijziging of intrekking van toelatingen voor biociden van productsoort 8 die booroxide bevatten, om ervoor te zorgen dat ze aan Richtlijn 98/8/EG voldoen.

(12)

Richtlijn 98/8/EG moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 augustus 2010 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 september 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 4 augustus 2009.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)  PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.


BIJLAGE

De volgende vermelding wordt als „nr. 23” in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG toegevoegd:

Nr.

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheid van de werkzame stof in het biocide zoals het op de markt wordt gebracht

Datum van opneming

Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3

(behalve voor producten die meer dan een werkzame stof bevatten; in dat geval is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die wordt vastgesteld in het laatste besluit voor de opneming van de werkzame stoffen daarvan)

Datum waarop de opneming verstrijkt

Productsoort

Specifieke bepalingen (1)

„23

booroxide

diboortrioxide

EC-nr.: 215-125-8

CAS-nr.: 1303-86-2

975 g/kg

1 september 2011

31 augustus 2013

31 augustus 2021

8

Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de mogelijk aan dit product blootgestelde bevolkingsgroepen en de toepassings- of blootstellingsscenario’s die bij de risicobeoordeling op Gemeenschapsniveau niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen.

Wanneer de lidstaten toelating verlenen voor een product, beoordelen zij de risico’s en zien zij er vervolgens op toe dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s te beperken.

Er kan voor een product alleen toelating worden verleend als uit de aanvraag blijkt dat de risico’s tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.

De lidstaten zorgen ervoor dat bij toelating de volgende voorwaarden worden gesteld:

1.

Bij de toepassing van voor industrieel en professioneel gebruik toegelaten producten dienen passende persoonlijke beschermingsmiddelen te worden gebruikt, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product het bewijs wordt geleverd dat de risico’s voor de industriële en/of professionele gebruiker op een andere wijze tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden gereduceerd.

2.

Gelet op de voor de bodem en het aquatische compartiment gesignaleerde risico’s mogen producten alleen worden toegelaten voor de behandeling in situ van hout in de openlucht of voor hout dat aan verwering zal worden blootgesteld, wanneer gegevens worden overgelegd die aantonen dat het product zal voldoen aan de eisen van artikel 5 en bijlage VI, indien nodig door middel van passende risicobeperkende maatregelen. Met name moet op de etiketten en/of veiligheidsinformatiebladen van producten die voor industrieel gebruik worden toegelaten, worden vermeld dat pas behandeld hout na de behandeling onder een afdak en/of op een ondoordringbare harde ondergrond moet worden opgeslagen om rechtstreekse verliezen naar de bodem of naar water te voorkomen en dat verliezen met het oog op hergebruik of verwijdering moeten worden opgevangen.”


(1)  Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm


5.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/62


RICHTLIJN 2009/99/EG VAN DE COMMISSIE

van 4 augustus 2009

tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde chloorfacinon als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name op artikel 16, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Chloorfacinon is in deze lijst opgenomen.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is chloorfacinon overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 14 (rodenticiden), zoals gedefinieerd in bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG.

(3)

Spanje is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 31 januari 2006 bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 20 februari 2009 in een beoordelingsverslag opgenomen.

(5)

Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat van biociden die als rodenticide worden gebruikt en chloorfacinon bevatten, kan worden verwacht dat ze — behalve bij onvoorziene voorvallen met kinderen — geen risico’s voor de mens opleveren. Er is een risico gesignaleerd voor andere dieren dan de doelsoorten. Chloorfacinon wordt echter voorlopig als essentieel voor de volksgezondheid en de hygiëne beschouwd. Het is derhalve terecht chloorfacinon in bijlage I op te nemen om ervoor te zorgen dat in alle lidstaten overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG toelatingen voor biociden die als rodenticide worden gebruikt en chloorfacinon bevatten, kunnen worden verleend, gewijzigd of ingetrokken.

(6)

In het licht van de conclusies van het beoordelingsverslag dient te worden vereist dat er op het niveau van producttoelatingen specifieke risicobeperkende maatregelen worden toegepast voor producten die chloorfacinon bevatten en als rodenticide worden gebruikt. Die maatregelen moeten gericht zijn op het beperken van het risico van primaire en secundaire blootstelling van mensen, andere dieren dan de doelsoorten en het milieu. Daartoe dienen er bepaalde algemeen geldende beperkingen te worden opgelegd, zoals een maximale concentratie, een verbod om de werkzame stof in de handel te brengen in producten die niet gebruiksklaar zijn en het gebruik van een bitterstof, terwijl andere voorwaarden door de lidstaten per geval dienen te worden opgelegd.

(7)

Gezien de gesignaleerde risico’s dient chloorfacinon voor slechts vijf jaar in bijlage I te worden opgenomen en dient er overeenkomstig artikel 10, lid 5, onder i), tweede alinea, van Richtlijn 98/8/EG een vergelijkende risicobeoordeling te worden uitgevoerd voordat de opneming in bijlage I wordt verlengd.

(8)

Het is belangrijk dat de bepalingen van deze richtlijn in alle lidstaten tegelijkertijd worden toegepast teneinde een gelijke behandeling van biociden die op de markt zijn en als werkzame stof chloorfacinon bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken.

(9)

Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven om zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit met zich meebrengt te voldoen en om ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat.

(10)

Na de opneming moeten de lidstaten een redelijke periode krijgen voor de uitvoering van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG en met name voor de verlening, wijziging of intrekking van toelatingen voor biociden van productsoort 14 die chloorfacinon bevatten, om ervoor te zorgen dat ze aan Richtlijn 98/8/EG voldoen.

(11)

Richtlijn 98/8/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(12)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn gewijzigd.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2010 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen.

Zij passen die bepalingen met ingang van 1 juli 2011 toe.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 4 augustus 2009.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)  PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.


BIJLAGE

De volgende vermelding wordt als „nr. 12” in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG toegevoegd:

Nr.

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheid van de werkzame stof in het biocide zoals het op de markt wordt gebracht

Datum van opneming

Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3

(behalve voor producten die meer dan een werkzame stof bevatten; in dat geval is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die wordt vastgesteld in het laatste besluit voor de opneming van de werkzame stoffen daarvan)

Datum waarop de opneming verstrijkt

Productsoort

Specifieke bepalingen (1)

„12

chloorfacinon

chloorfacinon

EC-nr.: 223-003-0

CAS-nr.: 3691-35-8

978 g/kg

1 juli 2011

30 juni 2013

30 juni 2016

14

Vanwege de gesignaleerde risico’s voor andere dieren dan de doelsoorten moet er overeenkomstig artikel 10, lid 5, onder i), tweede alinea, van Richtlijn 98/8/EG een vergelijkende risicobeoordeling voor de werkzame stof worden uitgevoerd voordat de opneming in deze bijlage wordt verlengd.

De lidstaten zorgen ervoor dat bij toelating de volgende voorwaarden worden gesteld:

1.

De nominale concentratie van de werkzame stof in andere producten dan traceerpoeder mag niet meer bedragen dan 50 mg/kg en alleen kant-en-klare producten mogen worden toegelaten.

2.

Producten die als traceerpoeder worden gebruikt, mogen alleen voor gebruik door daarvoor opgeleide professionele gebruikers in de handel worden gebracht.

3.

De producten moeten een bitterstof en zo mogelijk een kleurstof bevatten.

4.

De primaire en secundaire blootstelling van mensen, andere dieren dan de doelsoorten en het milieu worden zo veel mogelijk beperkt door alle passende en beschikbare risicobeperkende maatregelen in overweging te nemen en toe te passen. Daaronder vallen onder meer de beperking tot uitsluitend professioneel gebruik, de vaststelling van een maximale verpakkingsgrootte en de verplichting om veilige, niet te openen lokdozen te gebruiken.”


(1)  Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

5.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/65


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 9 juli 2009

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan matrassen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 4597)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/598/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1980/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren (1), en met name op artikel 6, lid 1, tweede alinea,

Na raadpleging van het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1980/2000 kan de communautaire milieukeur worden toegekend aan een product waarvan de eigenschappen werkelijk kunnen bijdragen tot verbeteringen van essentiële milieuaspecten.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1980/2000 is bepaald dat per productengroep specifieke criteria voor de milieukeur, opgesteld op grond van de door het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie vastgelegde criteria, worden vastgesteld.

(3)

In de verordening is eveneens bepaald dat de herziening van de milieucriteria en van de eisen inzake beoordeling en controle op de naleving van de criteria tijdig vóór het eind van de geldigheidsperiode van de voor de desbetreffende productengroep gespecificeerde criteria moet plaatsvinden.

(4)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1980/2000 heeft er een tijdige herziening plaatsgevonden van de milieucriteria, alsmede van de bij Beschikking 2002/740/EG van de Commissie van 3 september 2002 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan matrassen vastgestelde eisen inzake beoordeling en controle (2). De milieucriteria en eisen inzake beoordeling en controle zijn geldig tot en met 31 maart 2010.

(5)

In het licht van die herziening dient, rekening houdend met de markt- en wetenschappelijke ontwikkelingen, de definitie van de productengroep te worden gewijzigd en dienen nieuwe milieucriteria te worden vastgesteld.

(6)

De milieucriteria alsmede de eisen inzake beoordeling en controle moeten vier jaar geldig zijn vanaf de datum van vaststelling van deze beschikking.

(7)

Beschikking 2002/740/EG dient derhalve te worden vervangen.

(8)

De producenten van producten die op grond van de criteria in Beschikking 2002/740/EG een milieukeur voor matrassen hebben gekregen moet een overgangsperiode worden toegestaan, zodat zij over voldoende tijd beschikken om hun producten aan de herziene criteria en eisen aan te passen. De producenten moeten tot het einde van de geldigheidsperiode van Beschikking 2002/740/EG ook aanvragen kunnen indienen overeenkomstig de criteria daarin of overeenkomstig de criteria in deze beschikking.

(9)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   De productengroep „matrassen” omvat:

a)

matrassen, die worden gedefinieerd als producten voor gebruik binnenshuis die een oppervlak bieden dat bestemd is om op te slapen of te rusten. De producten bestaan uit een hoes van textiel die met materiaal is gevuld en die op een bestaande ondersteunende bedconstructie kan worden gelegd;

b)

het materiaal waarmee de matrassen zijn gevuld, dat kan bestaan uit: latexschuimrubber, polyurethaanschuim en springveren;

c)

houten bedbodems die de matrassen ondersteunen.

2.   De productengroep omvat springverenmatrassen, die worden gedefinieerd als een gestoffeerde bedbodem bestaande uit springveren, die aan de bovenzijde met vulmateriaal zijn bedekt, alsmede matrassen voorzien van verwijderbare en/of wasbare hoezen.

3.   De productengroep omvat noch luchtmatrassen en waterbedden, noch matrassen geclassificeerd volgens Richtlijn 93/42/EEG van de Raad (3).

Artikel 2

Voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan producten die vallen onder de productengroep matrassen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1980/2000, dient een matras te voldoen aan de in de bijlage bij deze beschikking beschreven criteria.

Artikel 3

De milieucriteria voor de productengroep „matrassen” en de eisen voor beoordeling en controle zijn vier jaar geldig vanaf de datum van vaststelling van deze beschikking.

Artikel 4

Het voor administratieve doeleinden aan de productengroep „matrassen” toegekende codenummer is „014”.

Artikel 5

Beschikking 2002/740/EG wordt ingetrokken.

Artikel 6

1.   Aanvragen voor de milieukeur voor producten die vallen onder de productengroep matrassen die vóór de datum van vaststelling van deze beschikking zijn ingediend, worden geëvalueerd aan de hand van de in Beschikking 2002/740/EG vastgestelde voorwaarden.

2.   Aanvragen voor de milieukeur voor producten die vallen onder de productengroep matrassen die na de datum van vaststelling van deze beschikking maar uiterlijk op 31 maart 2010 worden ingediend, mogen berusten op zowel de in Beschikking 2002/740/EG als de in onderhavige beschikking vastgestelde criteria.

Bedoelde aanvragen worden geëvalueerd overeenkomstig de criteria waarop ze berusten.

3.   Indien de milieukeur wordt toegekend op grond van een aanvraag die overeenkomstig de in Beschikking 2002/740/EG vastgestelde criteria is geëvalueerd, mag die milieukeur tot en met twaalf maanden vanaf de datum van vaststelling van deze beschikking worden gebruikt.

Artikel 7

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2009.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 237 van 21.9.2000, blz. 1.

(2)  PB L 236 van 4.9.2002, blz. 10.

(3)  PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1.


BIJLAGE

KADER

Doelstellingen van de criteria

Deze criteria zijn hoofdzakelijk gericht op:

het gebruik van op duurzamere wijze vervaardigde materialen (uitgaande van een levenscyclusanalyse),

beperking van het gebruik van voor het milieu toxische stoffen,

beperking van het gehalte aan toxische residuen,

beperking van de bijdrage van matrassen aan de luchtverontreiniging binnenshuis,

bevordering van de duurzaamheid van de producten, die bovendien voldoen aan de zes RE-beginselen (UNEP 2007):

RE-think (heroverweeg) het product en zijn functies. Het product kan bijvoorbeeld doeltreffender worden gebruikt,

RE-duce (verminder) het energie- en materiaalverbruik alsmede de sociaal-economische gevolgen gedurende de levenscyclus van een product,

RE-use (hergebruik). Ontwerp het product zodanig dat het kan worden gedemonteerd en de onderdelen kunnen worden hergebruikt,

RE-cycle (recycleer). Kies voor recycleerbare materialen,

RE-pair (repareer). Zorg dat het product eenvoudig te repareren valt, bv. dankzij eenvoudig te vervangen modules.,

RE-place (vervang) schadelijke stoffen door een veiliger alternatief.

De criteria worden vastgesteld op een niveau waardoor wordt bevorderd dat met geringe milieueffecten vervaardigde matrassen het keurmerk krijgen.

Eisen inzake beoordeling en controle

Bij elk criterium worden de specifieke eisen inzake beoordeling en controle vermeld.

Wanneer de aanvrager verplicht is documentatie, analysen, testverslagen of ander bewijsmateriaal in te dienen waaruit blijkt dat aan de criteria wordt voldaan, wordt ervan uitgegaan dat deze, zoals aangewezen, afkomstig kunnen zijn van de aanvrager en/of diens leverancier(s) en/of hun leverancier(s), enzovoort.

Zo mogelijk dient een overeenstemmingsbeoordeling te worden uitgevoerd door ter zake erkende laboratoria die voldoen aan de algemene eisen van EN: ISO 17025.

Indien nodig kunnen de bevoegde instanties aanvullende documentatie verlangen en onafhankelijke controles uitvoeren.

De bevoegde instanties wordt aangeraden bij de beoordeling van aanvragen en het toezicht op de inachtneming van de criteria rekening te houden met de toepassing van erkende milieuzorgsystemen, zoals EMAS of ISO 14001, en milieuverklaringen voor producten (NB: toepassing van dergelijke verklaringen en milieuzorgsystemen is niet verplicht).

MILIEUCRITERIA

NB: Er zijn specifieke criteria vastgesteld voor de volgende materialen: latexschuimrubber, polyurethaanschuim, draad en springveren, kokosvezels, hout, textielvezels en weefsels. Andere materialen waarvoor geen specifieke criteria voor het materiaal worden vermeld, zijn toegestaan. Aan de criteria voor latexschuimrubber, polyurethaanschuim of kokosvezels moet uitsluitend worden voldaan indien genoemde materialen meer dan 5 % van het totale gewicht van de matras uitmaken.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet gedetailleerde informatie verstrekken over de samenstelling van de matrassen.

1.   Latexschuimrubber

NB: Aan de volgende criteria moet alleen worden voldaan indien latexschuimrubber meer dan 5 % van het totale gewicht van de matras uitmaakt.

1.1.   Extraheerbare zware metalen

De concentraties van de onderstaande metalen mogen de volgende waarden niet overschrijden:

antimoon

0,5 ppm

arseen

0,5 ppm

lood

0,5 ppm

Cadmium

0,1 ppm

chroom (totaal)

1,0 ppm

kobalt

0,5 ppm

koper

2,0 ppm

nikkel

1,0 ppm

kwik

0,02 ppm.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: vermalen monster wordt geëxtraheerd overeenkomstig DIN 38414-S4, L/S = 10. Filtratie met een 0,45 μm membraanfilter. Analyse door middel van atoomemissiespectroscopie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES) of met hydride of koudedamptechniek.

1.2.   Formaldehyde

De concentratie van formaldehyde mag niet hoger zijn dan 20 ppm zoals gemeten met EN: ISO 14184-1. Als alternatief mag de concentratie niet hoger zijn dan 0,005 mg/m3 zoals gemeten met de kamerproef.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode is gebruikt: EN: ISO 14184-1. Een staal van 1 g in 100 g water gedurende één uur verwarmd tot 40 °C. Formaldehyde in het extract fotometrisch bepaald met acetylaceton.

Als alternatief kan de emissiekamerproef worden gebruikt: ENV 13419-1, met EN: ISO 16000-3 of VDI 3484-1 voor het nemen en analyseren van luchtmonsters. Het monster wordt minder dan een week na de vervaardiging van het schuim genomen. Verpakking van het monster: luchtdicht verpakt, afzonderlijk, in aluminiumfolie en PE-folie. Voorbereiding: het verpakte monster moet gedurende ten minste 24 uur bij kamertemperatuur worden opgeslagen, waarna het monster uit de verpakking wordt gehaald en onmiddellijk naar de proefkamer wordt overgebracht. Testomstandigheden: het monster wordt op een monsterhouder geplaatst die ervoor zorgt dat de lucht er van alle zijden bij kan komen; klimaatfactoren zoals in ENV 13419-1; ten behoeve van de vergelijking van testresultaten moet de ventilatiesnelheid (q = n/l) voor het specifieke gebied 1 zijn; de ventilatiesnelheid moet tussen 0,5 en 1 liggen; 24 uur na het laden van de kamer wordt begonnen met het nemen van luchtmonsters en uiterlijk 30 uur na het laden wordt hiermee gestopt.

1.3.   Vluchtige organische stoffen (VOS)

De concentratie van VOS mag niet hoger zijn dan 0,5 mg/m3. Binnen deze context zijn VOS organische verbindingen met een dampdruk van ten minste 0,01 kPa bij 293,15 K, of een soortgelijke vluchtigheid in de relevante gebruiksomstandigheden.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode is gebruikt: kamerproef (met dezelfde voorwaarden als in het criterium vastgesteld in punt 1.2 inzake formaldehyde) met DIN ISO 16000-6 voor het nemen en analyseren van luchtmonsters.

1.4.   Kleurstoffen, pigmenten, vlamvertragende producten en hulpchemicaliën

Alle gebruikte kleurstoffen, pigmenten, vlamvertragende producten en hulpchemicaliën moeten voldoen aan de (onderstaande) desbetreffende criteria:

a)   Verontreinigingen in kleurstoffen: kleurmaterie met vezelaffiniteit (al dan niet oplosbaar)

Het gehalte ionische verontreinigingen in de gebruikte kleurstoffen mag niet hoger zijn dan: Ag 100 ppm; As 50 ppm; Ba 100 ppm; Cd 20 ppm; Co 500 ppm; Cr 100 ppm; Cu 250 ppm; Fe 2 500 ppm; Hg 4 ppm; Mn 1 000 ppm; Ni 200 ppm; Pb 100 ppm; Se 20 ppm; Sb 50 ppm; Sn 250 ppm; Zn 1 500 ppm.

Metalen die een integrerend bestanddeel van het kleurstofmolecuul vormen (bv. metaalcomplexkleurstoffen of bepaalde reactieve kleurstoffen) worden niet in aanmerking genomen wanneer wordt bepaald of aan deze waarden wordt voldaan; deze hebben alleen betrekking op verontreinigingen.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat aan dit criterium is voldaan.

b)   Verontreinigingen in pigmenten: niet oplosbare kleurmaterie zonder vezelaffiniteit

Het gehalte ionische verontreinigingen in de gebruikte pigmenten mag niet hoger zijn dan: As 50 ppm; Ba 100 ppm, Cd 50 ppm; Cr 100 ppm; Hg 25 ppm; Pb 100 ppm; Se 100 ppm Sb 250 ppm; Zn 1 000 ppm.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat aan dit criterium is voldaan.

c)   Chroombeitskleuring

Chroombeitskleuring is niet toegestaan.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat dit proces niet is gebruikt.

d)   Azokleurstoffen

Er mogen geen azokleurstoffen worden gebruikt waaruit bij ontleding een van de volgende aromatische amines kan worden gevormd:

4-aminodifenyl

(92-67-1)

Benzidine

(92-87-5)

4-chloor-o-toluïdine

(95-69-2)

2-nafthylamine

(91-59-8)

o-amino-azotolueen

(97-56-3)

2-amino-4-nitrotolueen

(99-55-8)

p-chlooraniline

(106-47-8)

2,4-diaminoanisol

(615-05-4)

4,4′-diaminodifenylmethaan

(101-77-9)

3,3′-dichloorbenzidine

(91-94-1)

3,3′-dimethoxybenzidine

(119-90-4)

3,3′-dimethylbenzidine

(119-93-7)

3,3′-dimenthyl-4,4′-diaminodifenylmethaan

(838-88-0)

p-cresidine

(120-71-8)

4,4′-oxydianiline

(101-80-4)

4,4′-thiodianiline

(139-65-1)

o-toluïdine

(95-53-4)

2,4-diaminotolueen

(95-80-7)

2,4,5-trimethylaniline

(137-17-7)

4-aminoazobenzeen

(60-09-3)

o-anisidine

(90-04-0)

2,4-Xylidine

 

2,6-Xylidine

 

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt. Indien een controle op deze verklaring wordt uitgevoerd, moet de volgende norm worden gebruikt: EN 14 362-1 en 2. (NB: Wat de aanwezigheid van 4-aminoazobenzeen betreft, kunnen fout-positieve bepalingen voorkomen en is bevestiging dus aanbevolen).

e)   Kleurstoffen die carcinogeen, mutageen of toxisch voor de voortplanting zijn

De volgende kleurstoffen mogen niet worden gebruikt:

C.I. Basic Red 9,

C.I. Disperse Blue 1,

C.I. Acid Red 26,

C.I. Basic Violet 14,

C.I. Disperse Orange 11,

C.I. Direct Black 38,

C.I. Direct Blue 6,

C.I. Direct Red 28,

C.I. Disperse Yellow 3.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt.

Er mag geen gebruik worden gemaakt van kleurstoffen of kleurpreparaten die meer dan 0,1 gewichtspercent bevatten van stoffen waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende risicozinnen (of combinaties daarvan) wordt voorgeschreven:

R40 (carcinogene effecten zijn niet uitgesloten),

R45 (kan kanker veroorzaken),

R46 (kan erfelijke genetische schade veroorzaken),

R49 (kan kanker veroorzaken bij inademing),

R60 (kan de vruchtbaarheid schaden),

R61 (kan het ongeboren kind schaden),

R62 (mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid),

R63 (mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind),

R68 (onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten),

zoals bepaald in Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (1).

Als alternatief kan indeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (2) in aanmerking worden genomen. In dat geval mogen er aan de grondstoffen geen stoffen of preparaten worden toegevoegd waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende risicozinnen (of combinaties daarvan) wordt of kan worden voorgeschreven: H351, H350, H340, H350i, H360F, H360D, H361f, H361d H360FD, H361fd, H360Fd, H360Df, H341.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt.

f)   Potentieel sensibiliserende kleurstoffen

De volgende kleurstoffen mogen niet worden gebruikt:

C.I. Disperse Blue 3

C.I. 61 505

C.I. Disperse Blue 7

C.I. 62 500

C.I. Disperse Blue 26

C.I. 63 305

C.I. Disperse Blue 35

 

C.I. Disperse Blue 102

 

C.I. Disperse Blue 106

 

C.I. Disperse Blue 124

 

C.I. Disperse Brown 1

 

C.I. Disperse Orange 1

C.I. 11 080

C.I. Disperse Orange 3

C.I. 11 005

C.I. Disperse Orange 37

 

C.I. Disperse Orange 76

(voorheen aangeduid als Orange 37)

 

C.I. Disperse Red 1

C.I. 11 110

C.I. Disperse Red 11

C.I. 62 015

C.I. Disperse Red 17

C.I. 11 210

C.I. Disperse Yellow 1

C.I. 10 345

C.I. Disperse Yellow 9

C.I. 10 375

C.I. Disperse Yellow 39

 

C.I. Disperse Yellow 49.

 

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt.

1.5.   Metaalcomplexkleurstoffen

Metaalcomplexkleurstoffen op basis van koper, lood, chroom of nikkel mogen niet worden gebruikt.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt.

1.6.   Chloorfenolen

Er mag geen chloorfenol (zouten en esters) aanwezig zijn in concentraties die hoger zijn dan 0,1 ppm, met uitzondering van mono- en dichloorfenolen (zouten en esters) die 1 ppm niet mogen overschrijden.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode is gebruikt: vermaling van 5 g monster, extractie van het chloorfenol of natriumzout. Analyse door middel van gaschromatografie (GC), detectie met een massaspectrometer of ECD.

1.7.   Butadieen

De concentratie van butadieen mag niet hoger zijn dan 1 ppm.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode is gebruikt: vermaling en weging van het monster. Bemonstering met headspace sampler. Analyse met gaschromatografie, detectie door vlamionisatiedetector.

1.8.   Nitrosaminen

De concentratie van N-nitrosaminen mag niet hoger zijn dan 0,0005 mg/m3 zoals gemeten met de kamerproef.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode is gebruikt: de kamerproef (met voorwaarden zoals in criterium 1.2 inzake formaldehyde) met Hauptverband der gewerblichen Berufsgenossenschaften ZH 1/120.23 (of gelijkwaardig) voor het nemen en analyseren van luchtmonsters.

2.   PUR-schuim

NB: Aan de onderstaande criteria hoeft alleen te worden voldaan indien het PUR-schuim meer dan 5 % van het totale gewicht van de matras uitmaakt.

2.1.   Extraheerbare zware metalen

De concentraties van deze metalen dienen te voldoen aan de desbetreffende vereiste voor latexschuimrubber die in criterium 1.1 nader wordt toegelicht.

Beoordeling en controle: dezelfde vereisten als in het in punt 1.1 vastgestelde criterium.

2.2.   Formaldehyde

De concentratie van formaldehyde dient te voldoen aan de desbetreffende vereiste voor latexschuimrubber die in criterium 1.2 nader wordt toegelicht.

Beoordeling en controle: dezelfde vereisten als in het in punt 1.2 vastgestelde criterium.

2.3.   Vluchtige organische stoffen (VOS)

PUR-schuim dient te voldoen aan de desbetreffende vereiste voor latexschuimrubber die in criterium 1.3 nader wordt toegelicht.

Beoordeling en controle: dezelfde vereisten als in het in punt 1.3 vastgestelde criterium.

2.4.   Kleurstoffen, pigmenten, vlamvertragende producten en hulpchemicaliën

PUR-schuim dient te voldoen aan de desbetreffende vereiste voor latexschuimrubber die in criterium 1.4 nader wordt toegelicht.

Beoordeling en controle: dezelfde vereisten als in het in punt 1.4 vastgestelde criterium.

2.5.   Metaalcomplexkleurstoffen

PUR-schuim dient te voldoen aan de desbetreffende vereiste voor latexschuimrubber die in criterium 1.5 nader wordt toegelicht.

Beoordeling en controle: dezelfde vereisten als in het in punt 1.5 vastgestelde criterium.

2.6.   Organisch tin

Mono-, di- en triorganische tinverbindingen mogen niet worden gebruikt.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen waarin staat dat deze verbindingen niet zijn gebruikt. Tests zijn niet noodzakelijk. Indien echter (bijvoorbeeld voor controle of monitoring) tests zouden worden uitgevoerd, dient de volgende testmethode te worden gebruikt: elke methode waarmee specifiek een organische tinverbinding wordt gemeten, zonder dat de aanwezigheid van anorganische tinsamenstellingen zoals tinoctoaat wordt gemeten.

2.7.   Blaasmiddelen

Gehalogeneerde organische verbindingen mogen niet worden gebruikt als blaasmiddelen of hulpblaasmiddelen.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze blaasmiddelen niet zijn gebruikt.

3.   Draad en springveren

NB: Aan de onderstaande criteria hoeft alleen te worden voldaan indien het PUR-schuim meer dan 5 % van het totale gewicht van de matras uitmaakt.

3.1.   Ontvetten

Wanneer draad en/of springveren worden ontvet en/of schoongemaakt met organische oplosmiddelen, moet daarbij een gesloten schoonmaak/ontvettingssysteem worden gebruikt.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet de desbetreffende verklaring indienen.

3.2.   Galvaniseren

Het oppervlak van springveren mag niet worden bekleed met een galvanische metaallaag.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet de desbetreffende verklaring indienen.

4.   Kokosvezels

Wanneer de kokosvezels voorzien zijn van een latexlaag, moet de latex voldoen aan de criteria voor latexschuimrubber.

NB: Aan dit criterium hoeft alleen te worden voldaan wanneer kokosvezels meer dan 5 % van het totale gewicht van de matras uitmaken.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat er geen kokosvezels zijn gebruikt die zijn voorzien van een latexlaag, of moet de testverslagen indienen zoals vereist in punt 1 voor latexschuimrubber.

5.   Hout

5.1.   Duurzaam bosbeheer

Wanneer draad en/of springveren worden ontvet en/of schoongemaakt met organische oplosmiddelen, moet daarbij een gesloten schoonmaak/ontvettingssysteem worden gebruikt.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet de desbetreffende verklaring indienen.

a)

Al het nieuwe massieve hout uit bossen (zgn. „virgin solid wood”) moet afkomstig zijn uit bossen die zodanig worden beheerd dat de beginselen en maatregelen worden toegepast die erop gericht zijn een duurzaam bosbeheer te verzekeren. In Europa moeten de hierboven genoemde beginselen en maatregelen ten minste overeenstemmen met de definitie van duurzaam bosbeheer (sustainable forest management — SFM) goedgekeurd in Resolutie 1 van de tweede ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa (Helsinki, 16-17 juni 1993), de pan-Europese operationele richtsnoeren voor duurzaam bosbeheer, zoals onderschreven door de derde ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa (Lissabon, 2-4 juni 1998) en de verbeterde pan-Europese indicatoren voor SFM, aangenomen door de ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa, bijeenkomst van deskundigen op 7-8 oktober 2002 en onderschreven op de vierde ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa (Wenen, 28-30 april 2003). Buiten Europa moeten zij ten minste beantwoorden aan de principes voor bosbeheer van de UNCED (Rio de Janeiro, juni 1992) en, wanneer deze van toepassing zijn, aan de criteria of richtsnoeren voor duurzaam bosbeheer zoals vastgesteld als onderdeel van diverse internationale en regionale initiatieven (ITTO, Montreal-proces, Tarapoto-proces, „Dry-Zone Africa”-initiatief van UNEP/FAO).

b)

Ten minste 60 % van het nieuwe massieve hout uit bossen, zoals in het criterium van punt a) gespecificeerd, moet afkomstig zijn uit duurzaam beheerde bossen die door een onafhankelijke derde overeenkomstig boscertificeringssystemen zijn gecertificeerd op grond van de criteria in paragraaf 15 van de Resolutie van de Raad van 15 december 1998 over een bosbouwstrategie voor de EU en de verder uitgewerkte versie daarvan.

c)

Hout uit bossen die niet als duurzaam beheerde bossen zijn gecertificeerd mag niet afkomstig zijn van:

grond waarvan de rechten worden betwist of primaire oerbossen;

illegale kap: hout dat is gekapt, verhandeld of vervoerd op een wijze die inbreuk pleegt op de toepasselijke nationale wetgeving en internationale verdragen (dergelijke wetgeving kan bijvoorbeeld betrekking hebben op CITES-soorten, witwaspraktijken, corruptie en omkoping (3), en andere relevante nationale wetgeving);

niet gecertificeerde hoogwaardige bossen (high conservation value): bossen die zijn aangeduid voor natuurbescherming, waar geen bosbouw mag worden gepleegd, dus bossen waar op grond van bepaalde beschermende regelingen geen bosbouw mogelijk is.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet de soorten, hoeveelheden en herkomst aangeven van het in het product met de milieukeur gebruikte hout. De herkomst van nieuw massief hout moet voldoende nauwkeurig worden vermeld om controles, zo nodig, mogelijk te maken.

Bij nieuw massief hout uit gecertificeerde duurzaam beheerde bossen is toezicht op een bewakingsketen vereist als bewijs van levering van duurzame bosbouwproducten. De producent moet aantonen dat er maatregelen zijn genomen voor het verkrijgen van een betrouwbaar certificaat van de bewakingsketen, d.w.z. een traceerbaarheidsprocedure, de inschrijvingsbrief voor deelname aan een regeling of de aanvraagbrief voor toezicht door derden op de bewakingsketen.

Bij nieuw massief hout uit niet gecertificeerde duurzaam beheerde bossen moet de aanvrager en/of zijn leverancier de soorten, hoeveelheden en herkomst van het gebruikte hout aangeven. De herkomst moet voldoende nauwkeurig worden vermeld, zodat kan worden gecontroleerd of het hout uit goed beheerde bossen komt. De toepasselijke verklaringen, concessie, gedragscode of melding die aantonen dat aan de eisen in het criterium van de punten a) en c) wordt voldaan, moeten beschikbaar worden gesteld. Er moeten getuigschriften van bestaande bosbouwcertificeringsregelingen worden ingediend, die aantonen dat aan de eisen ter voorkoming van het gebruik van grondstoffen uit controversiële bronnen wordt voldaan.

5.2.   Formaldehyde dat vrijkomt uit onbehandelde grondstoffen op houtbasis

Grondstoffen op houtbasis zijn toegestaan in een matras wanneer ze voldoen aan de volgende eisen:

Spaanplaat: het formaldehyde dat uit spaanplaat in onbewerkte vorm vrijkomt, dus voorafgaand aan machinale bewerking of het aanbrengen van een coating, mag niet meer bedragen dan 50 % van de drempelwaarde waardoor de spaanplaat overeenkomstig EN 312-1 als E1 kan worden geclassificeerd.

Beoordeling en controle: de aanvrager en/of zijn leverancier moet bewijsmateriaal indienen dat de materialen op houtbasis overeenkomstig de Europese norm EN 312-1 aan deze eis voldoen.

Vezelplaat: het formaldehyde dat wordt gemeten in een vezelplaat mag niet meer bedragen dan 50 % van de drempelwaarde waardoor de vezelplaat overeenkomstig EN 622-1 kan worden geclassificeerd als vezelplaat met de kwaliteit van klasse A. Als klasse A geclassificeerde vezelplaat wordt echter geaccepteerd indien de vezelplaat niet meer dan 50 % van al het gebruikte hout en alle gebruikte materialen op houtbasis in het product uitmaakt.

Beoordeling en controle: de aanvrager en/of zijn leverancier moet bewijsmateriaal indienen dat de materialen op houtbasis overeenkomstig de Europese norm EN 13986 (april 2005) aan deze eis voldoen.

6.   Textiel (vezels en weefsel)

Textiel dat wordt gebruikt om de matras af te dekken moet voldoen aan de volgende criteria voor kleurstoffen en andere chemische producten, en voor gebruiksgeschiktheid (textiel dat de communautaire milieukeur heeft gekregen voldoet aan deze criteria):

6.1.   Biociden

Chloorfenolen (en de zouten en esters daarvan), pcb’s en organotinverbindingen mogen niet worden gebruikt gedurende het vervoer of de opslag van matrassen en halffabricaten van matrassen.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze stoffen of verbindingen niet op het garen, het weefsel en het eindproduct zijn gebruikt. Indien er een controle op deze verklaring wordt uitgevoerd, moeten de volgende testmethode en drempelwaarde worden gebruikt: een geschikte extractiemethode, derivatisering met azijnzuuranhydride, bepaling met behulp van capillaire gaschromatografie met elektronvangstdetectie, grenswaarde 0,05 ppm.

6.2.   Hulpchemicaliën

Alkylfenolethoxylaten (APEO′s), lineaire alkylbenzeensulfonaten (LAS), bis(gehydrogeneerde talkalkyl) dimethylammoniumchloride (DTDMAC), distearyldimethylammoniumchloride (DSDMAC), di(geharde talk) dimethylammoniumchloride (DHTDMAC), ethyleendiaminetetraacetaat (EDTA) en diethyleentriaminepentaacetaat (DTPA) mogen niet worden gebruikt en mogen geen bestanddeel zijn van gebruikte preparaten of formuleringen.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze stoffen niet worden gebruikt.

6.3.   Detergenten, wasverzachters en complexvormers

Op elke locatie voor natte processen moeten ten minste 95 gewichtspercenten van de wasverzachters, complexvormers en detergenten voldoende afbreekbaar of verwijderbaar in waterzuiveringsinstallaties zijn.

Het bovenstaande geldt met uitzondering van oppervlakteactieve stoffen in detergenten op elke locatie voor natte processen, die uiteindelijk aeroob biologisch afbreekbaar moeten zijn.

Beoordeling en controle:„voldoende biologisch afbreekbaar of verwijderbaar” is overeenkomstig de definitie bij het criterium voor hulpstoffen en appreteermiddelen voor vezels en garens. De aanvrager moet adequate documentatie, veiligheidsinformatiebladen, testverslagen en/of verklaringen indienen, waarin de desbetreffende testmethoden en resultaten worden vermeld en waarin wordt aangetoond dat voor alle gebruikte detergenten, wasverzachters en complexvormers aan dit criterium wordt voldaan.

„Uiteindelijke aerobe biologische afbreekbaarheid” moet worden geïnterpreteerd zoals vastgesteld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad (4). De aanvrager moet geschikte documentatie, veiligheidsinformatiebladen, testverslagen en/of verklaringen indienen, waarin de desbetreffende testmethoden en resultaten worden vermeld en waarin wordt aangetoond dat voor alle gebruikte detergenten, wasverzachters en complexvormers aan dit criterium wordt voldaan.

6.4.   Bleekmiddelen

Gechloreerde middelen mogen niet worden gebruikt voor het bleken van garens, weefsels en eindproducten.

Deze eis is niet van toepassing op de productie van synthetische cellulosevezels.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat er geen gechloreerde bleekmidden worden gebruikt.

6.5.   Verontreinigingen in kleurstoffen

Kleurmaterie met vezelaffiniteit (al dan niet oplosbaar)

Het gehalte ionische verontreinigingen in de gebruikte kleurstoffen mag niet hoger zijn dan: Ag 100 ppm; As 50 ppm; Ba 100 ppm; Cd 20 ppm; Co 500 ppm; Cr 100 ppm; Cu 250 ppm; Fe 2 500 ppm; Hg 4 ppm; Mn 1 000 ppm; Ni 200 ppm; Pb 100 ppm; Se 20 ppm; Sb 50 ppm; Sn 250 ppm; Zn 1 500 ppm.

Metalen die een integrerend bestanddeel van het kleurstofmolecuul vormen (bv. metaalcomplexkleurstoffen of bepaalde reactieve kleurstoffen) worden niet in aanmerking genomen wanneer wordt bepaald of aan deze waarden wordt voldaan; deze hebben alleen betrekking op verontreinigingen.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat aan dit criterium is voldaan.

6.6.   Verontreinigingen in pigmenten

Onoplosbare kleurmaterie zonder vezelaffiniteit

Het gehalte van de ionische verontreinigingen in de gebruikte pigmenten mag niet hoger zijn dan: As 50 ppm; Ba 100 ppm, Cd 50 ppm; Cr 100 ppm; Hg 25 ppm; Pb 100 ppm; Se 100 ppm Sb 250 ppm; Zn 1 000 ppm.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat aan dit criterium is voldaan.

6.7.   Chroombeitskleuring

Chroombeitskleuring is niet toegestaan.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat dit proces niet is gebruikt.

6.8.   Metaalcomplexkleurstoffen

Indien er metaalcomplexkleurstoffen op basis van koper, chroom of nikkel worden gebruikt:

mag, wanneer bij het verven van cellulose metaalcomplexkleurstoffen in het verfrecept zijn opgenomen, minder dan 20 % van elk van deze gebruikte (d.w.z. in het proces ingevoerde) metaalcomplexkleurstoffen terechtkomen in het afvalwater dat bestemd is om (in het bedrijf zelf of daarbuiten) te worden gezuiverd.

Wanneer bij alle andere verfprocessen metaalcomplexkleurstoffen in het verfrecept zijn opgenomen, mag minder dan 7 % van elk van deze gebruikte (d.w.z. in het proces ingevoerde) metaalcomplexkleurstoffen terechtkomen in het afvalwater dat bestemd is om (in het bedrijf zelf of daarbuiten) te worden gezuiverd.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze stoffen niet worden gebruikt, of documentatie en testverslagen waarbij de volgende testmethoden worden gebruikt: ISO 8288 voor Cu en Ni of EN 1233 voor Cr;

mag de lozing in water na zuivering niet hoger zijn dan: Cu 75 mg/kg (vezel, garen of weefsel), Cr 50 mg/kg of Ni 75 mg/kg.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze stoffen niet zijn gebruikt, of documentatie en testverslagen waarbij de volgende testmethoden worden gebruikt: ISO 8288 voor Cu en Ni of EN 1233 voor Cr.

6.9.   Azokleurstoffen

Er mogen geen azokleurstoffen worden gebruikt waaruit bij ontleding een van de volgende aromatische amines kan worden gevormd:

4-aminodifenyl

(92-67-1)

Benzidine

(92-87-5)

4-chloor-o-toluïdine

(95-69-2)

2-nafthylamine

(91-59-8)

o-amino-azotolueen

(97-56-3)

2-amino-4-nitrotolueen

(99-55-8)

p-chlooraniline

(106-47-8)

2,4-diaminoanisol

(615-05-4)

4,4′-diaminodifenylmethaan

(101-77-9)

3,3′-dichloorbenzidine

(91-94-1)

3,3′-dimethoxybenzidine

(119-90-4)

3,3′-dimethylbenzidine

(119-93-7)

3,3′-dimenthyl-4,4′-diaminodifenylmethaan

(838-88-0)

p-cresidine

(120-71-8)

4,4′-oxydianiline

(101-80-4)

4,4′-thiodianiline

(139-65-1)

o-toluïdine

(95-53-4)

2,4-diaminotolueen

(95-80-7)

2,4,5-trimethylaniline

(137-17-7)

4-aminoazobenzeen

(60-09-3)

o-anisidine

(90-04-0)

2,4-Xylidine

 

2,6-Xylidine

 

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt. Indien een controle op deze verklaring wordt uitgevoerd, moet de volgende norm worden gebruikt: EN 14 362-1 en 2. (NB: Wat de aanwezigheid van 4-aminoazobenzeen betreft, kunnen fout-positieve bepalingen voorkomen en is bevestiging dus aanbevolen).

6.10.   Kleurstoffen die carcinogeen, mutageen of toxisch voor de voortplanting zijn

a)

De volgende kleurstoffen mogen niet worden gebruikt:

C.I. Basic Red 9,

C.I. Disperse Blue 1,

C.I. Acid Red 26,

C.I. Basic Violet 14,

C.I. Disperse Orange 11,

C.I. Direct Black 38,

C.I. Direct Blue 6,

C.I. Direct Red 28,

C.I. Disperse Yellow 3.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt.

b)

Er mag geen gebruik worden gemaakt van kleurstoffen of kleurpreparaten die meer dan 0,1 gewichtspercent bevatten van stoffen waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende risicozinnen (of combinaties daarvan) wordt voorgeschreven:

R40 (carcinogene effecten zijn niet uitgesloten),

R45 (kan kanker veroorzaken),

R46 (kan erfelijke genetische schade veroorzaken),

R49 (kan kanker veroorzaken bij inademing),

R60 (kan de vruchtbaarheid schaden),

R61 (kan het ongeboren kind schaden),

R62 (mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid),

R63 (mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind),

R68 (onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten),

zoals bepaald in Richtlijn 67/548/EEG.

Als alternatief kan indeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 in aanmerking worden genomen. In dat geval mogen er aan de grondstoffen geen stoffen of preparaten worden toegevoegd waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende risicozinnen (of combinaties daarvan) wordt of kan worden voorgeschreven: H351, H350, H340, H350i, H360F, H360D, H361f, H361d H360FD, H361fd, H360Fd, H360Df, H341.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt.

6.11.   Potentieel sensibiliserende kleurstoffen

De volgende kleurstoffen mogen niet worden gebruikt:

C.I. Disperse Blue 3

C.I. 61 505

C.I. Disperse Blue 7

C.I. 62 500

C.I. Disperse Blue 26

C.I. 63 305

C.I. Disperse Blue 35

 

C.I. Disperse Blue 102

 

C.I. Disperse Blue 106

 

C.I. Disperse Blue 124

 

C.I. Disperse Brown 1

 

C.I. Disperse Orange 1

C.I. 11 080

C.I. Disperse Orange 3

C.I. 11 005

C.I. Disperse Orange 37

 

C.I. Disperse Orange 76

(voorheen aangeduid als Orange 37)

 

C.I. Disperse Red 1

C.I. 11 110

C.I. Disperse Red 11

C.I. 62 015

C.I. Disperse Red 17

C.I. 11 210

C.I. Disperse Yellow 1

C.I. 10 345

C.I. Disperse Yellow 9

C.I. 10 375

C.I. Disperse Yellow 39

 

C.I. Disperse Yellow 49.

 

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt.

6.12.   Kleurvastheid bij transpiratie (zuur en alkalisch)

De kleurvastheid bij transpiratie (zuur en alkalisch) moet ten minste op niveau 3-4 (kleurverandering en vlekken) liggen.

Niveau 3 is echter toegestaan wanneer het weefsel zowel donker gekleurd is (standaarddiepte > 1/1) als gemaakt is van geregenereerde wol of van meer dan 20 % zijde.

Dit criterium geldt niet voor witte producten of producten die niet geverfd of bedrukt zijn.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet testverslagen indienen waarbij de norm EN: ISO 105 E04 (zuur en alkalisch, vergelijking met een multivezelweefsel) wordt gebruikt.

6.13.   Kleurvastheid bij nat wrijven

De kleurvastheid bij nat wrijven moet ten minste op niveau 2-3 liggen. Niveau 2 is echter toegestaan voor met indigo geverfd denim.

Dit criterium geldt niet voor witte producten of producten die niet geverfd of bedrukt zijn.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet testverslagen indienen waarbij de norm EN: ISO 105 X12 wordt gebruikt.

6.14.   Kleurvastheid bij droog wrijven

De kleurvastheid bij droog wrijven moet ten minste op niveau 4 liggen.

Niveau 3-4 is echter toegestaan voor met indigo geverfd denim.

Dit criterium geldt niet voor witte producten of producten die niet geverfd of bedrukt zijn.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet testverslagen indienen waarbij de norm EN: ISO 105 X12 wordt gebruikt.

7.   Lijm

Lijmen die organische oplosmiddelen bevatten, mogen niet worden gebruikt. (Dit criterium is niet van toepassing op lijmen gebruikt voor occasionele herstellingen.) Binnen deze context zijn VOS alle organische verbindingen met een dampdruk van ten minste 0,01 kPa bij 293,15 K, of met een soortgelijke vluchtigheid in de relevante gebruiksomstandigheden.

Er mag geen hechtmiddel worden gebruikt waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende risicozinnen (of combinaties daarvan) wordt voorgeschreven:

carcinogeen (R45, R49, R40),

schadelijk voor de voortplanting (R46, R40),

schadelijk voor de genen (R60-R63),

toxisch (R23-R28),

overeenkomstig de regelgeving inzake de indeling en het kenmerken van gevaarlijke chemische stoffen volgens EU-classificatiesystemen (Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (5).

Als alternatief kan indeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 in aanmerking worden genomen. In dat geval mogen er aan de grondstoffen geen stoffen of preparaten worden toegevoegd waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende risicozinnen (of combinaties daarvan) wordt of kan worden voorgeschreven: H351, H350, H340, H350i, H360F, H360D, H361f, H361d H360FD, H361fd, H360Fd, H360Df, H331, H330, H311, H301, H310, H300, H370, H372.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat de gebruikte lijmen aan dit criterium voldoen, alsmede documentatie ter staving.

8.   VOS en SVOS op de gehele matras

De VOS die in de proefkamer uit de gehele matras vrijkomen mogen niet hoger zijn dan de volgende waarden, analoog aan de „health risk assessment process for emissions of volatile organic compounds (VOC) from building products” (evaluatie van de risico's voor de gezondheid van vluchtige organische stoffen (VOS) afkomstig van producten voor bouwdoeleinden) die in 2005 door de AgBB werd opgesteld (te vinden op www.umweltbundesamt.de/building-products/agbb.htm).

Stof

Eindwaarde 7e dag

Eindwaarde 28e dag

Formaldehyde

< 60 μg/m3

(< 0,05 ppm)

< 60 μg/m3

(< 0,05 ppm)

Overige aldehyden

< 60 μg/m3

(< 0,05 ppm)

< 60 μg/m3

(< 0,05 ppm)

Totaal aan organische verbindingen (C6-C16)

< 500 μg/m3

< 200 μg/m3

Totaal aan organische verbindingen (hoger dan C16)

< 100 μg/m3

< 40 μg/m3

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een proefkameranalyse indienen op grond van de normen EN 13419-1 en EN 13419-2. De VOS-analyse moet voldoen aan ISO 16000-6.

9.   In de gehele matras gebruikte vlamvertragende producten

In het product mogen uitsluitend vlamvertragende producten worden gebruikt die chemisch gebonden zijn aan de materialen van de matras of aan de oppervlakken van de materialen (reactieve vlamvertragers). Indien voor de gebruikte vlamvertragers een of meer van de onderstaande risicozinnen wordt voorgeschreven, moeten deze reactieve vlamvertragers bij toepassing een zodanige chemische verandering ondergaan dat geen van deze risicozinnen nog op hen van toepassing is. (Minder dan 0,1 % van de vlamvertrager mag nog dezelfde vorm hebben als vóór het aanbrengen.)

R40 (carcinogene effecten zijn niet uitgesloten),

R45 (kan kanker veroorzaken),

R46 (kan erfelijke genetische schade veroorzaken),

R49 (kan kanker veroorzaken bij inademing),

R50 (zeer vergiftig voor in het water levende organismen),

R51 (vergiftig voor in het water levende organismen),

R52 (schadelijk voor in het water levende organismen),

R53 (kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

R60 (kan de vruchtbaarheid schaden),

R61 (kan het ongeboren kind schaden),

R62 (mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid),

R63 (mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind),

R68 (onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten),

zoals bepaald in Richtlijn 67/548/EEG.

Vlamvertragers die uitsluitend fysisch met de materialen of coatings van de matras worden vermengd, zijn uitgesloten (additieve vlamvertragers).

Als alternatief kan indeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 in aanmerking worden genomen. In dat geval mogen er aan de grondstoffen geen stoffen of preparaten worden toegevoegd waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende risicozinnen (of combinaties daarvan) wordt of kan worden voorgeschreven: H351, H350, H340, H350i, H400, H410, H411, H412, H413, H360F, H360D, H361f, H361d H360FD, H361fd, H360Fd, H360Df, H341.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat er geen additieve vlamvertragers zijn gebruikt en, indien die er zijn, aangeven welke reactieve vlamvertragers zijn gebruikt, alsmede documentatie (zoals veiligheidsinformatiebladen) en/of verklaringen dat deze vlamvertragers aan dit criterium voldoen.

10.   Biociden in het eindproduct

Uitsluitend biociden die in bijlage I, IA en IB bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden opgenomen werkzame stoffen bevatten (6), en uitsluitend die biociden waarvan de werkzame stoffen krachtens bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG zijn goedgekeurd voor gebruik in matrassen, zijn toegestaan.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen dat er geen biociden zijn gebruikt, of een lijst van gebruikte biociden.

11.   Duurzaamheid

Een matras voor huishoudelijk gebruik gaat naar verwachting tien jaar mee. De levensverwachting varieert echter bij matrassen die elders worden gebruikt, zoals in gevangenissen of hotels.

Matras voor volwassenen:

hoogteverlies: < 15 %,

stevigheidsverlies: < 20 %.

Babymatras:

hoogteverlies: < 15 %,

stevigheidsverlies: < 20 %.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: EN 1957. Met het hoogte- en stevigheidsverlies wordt bedoeld het verschil tussen de waarden die aan het begin van de duurzaamheidsproef (na 100 cycli) en die welke na afronding van de proef (na 30 000 cycli) worden gemeten.

12.   Verpakkingseisen

De gebruikte verpakking moet:

gemaakt zijn van recycleerbaar materiaal,

overeenkomstig ISO 11469 een kenmerk dragen dat het soort kunststof aangeeft.

Op de verpakking dient de volgende tekst te worden vermeld:

„Meer informatie over de vraag waarom dit product de milieukeur van de EU heeft gekregen, is te vinden op de website: http://www.ecolabel.eu

Vraag de plaatselijke overheid hoe u uw oude matras het best kunt verwijderen.”.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een monster van de verpakking van het product verstrekken alsmede van de informatie die bij het product wordt geleverd, tezamen met een verklaring dat aan dit criterium is voldaan.

13.   Informatie op de milieukeur

Kader 2 van de milieukeur dient de volgende tekst te bevatten:

„Beperkt de luchtverontreiniging binnenshuis tot een minimum”,

„Beperking van gevaarlijke stoffen”,

„Duurzaam en van hoge kwaliteit”.

Beoordeling en controle: de aanvrager dient een monster van de verpakking van het product met het etiket te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan dit criterium is voldaan.


(1)  PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.

(2)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(3)  Dit zijn de onderwerpen waarop de mededeling van de Commissie over het EU-actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) betrekking heeft.

(4)  PB L 104 van 8.4.2004, blz. 1.

(5)  PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.

(6)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

5.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/81


BESCHIKKING 2009/599/GBVB VAN DE RAAD

van 4 augustus 2009

tot uitvoering van Gemeenschappelijk Standpunt 2006/795/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt 2006/795/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea (1), en met name op artikel 6, lid 1, in samenhang met artikel 23, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 20 november 2006 Gemeenschappelijk Standpunt 2006/795/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea („DVK”) aangenomen, dat diende ter uitvoering van Resolutie 1718 (2006) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (UNSCR 1718 (2006)).

(2)

De Raad heeft op 27 juli 2009 Gemeenschappelijk Standpunt 2009/573/GBVB (2) vastgesteld, tot wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2006/795/GBVB, waarbij uitvoering werd gegeven aan Resolutie 1874 (2009) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

(3)

Het krachtens Resolutie 1718 (2006) van de Verenigde Naties (UNSCR 1718 (2006)) ingestelde Sanctiecomité heeft op 24 april en 16 juli 2009 de lijst van personen en entiteiten vastgesteld waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn.

(4)

De in bijlage I bij Gemeenschappelijk Standpunt 2006/795/GBVB vervatte lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, moet dienovereenkomstig gewijzigd worden,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Hierbij wordt de lijst van personen en entiteiten in bijlage I bij Gemeenschappelijk Standpunt 2006/795/GBVB vervangen door de lijst in de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking treedt in werking op de dag waarop zij wordt aangenomen.

Artikel 3

Deze beschikking wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 4 augustus 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

C. BILDT


(1)  PB L 322 van 22.11.2006, blz. 32.

(2)  PB L 197 van 29.7.2009, blz. 111.


BIJLAGE

„BIJLAGE I

a)   Lijst van personen bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), en artikel 4, lid 1, onder a)

 

Naam

Alias

Geboortedatum

Datum van aanwijzing

Overige informatie

1.

Yun Ho-jin

a.k.a. Yun Ho-chin

13.10.1944

16.7.2009

Directeur van Namchongang Trading Corporation; verantwoordelijk voor de invoer van producten voor het uraniumverrijkingsprogramma.

2.

Ri Je-son

a.k.a. Ri Che-son

1938

16.7.2009

Directeur van het Algemeen Bureau voor Atoomenergie (GBAE), hoofd van het agentschap dat leiding geeft aan het nucleaire programma van de Democratische Volksrepubliek Korea; faciliteert verscheidene nucleaire activiteiten waaronder het GBAE-beheer van het nucleair onderzoekscentrum van Yongbyon en de Namchongang Trading Corporation.

3.

Hwang Sok-hwa

 

 

16.7.2009

Directrice van het Algemeen Bureau voor Atoomenergie (GBAE); betrokken bij het nucleaire programma van de Democratische Volksrepubliek Korea; werkte als hoofd van het Wetenschappelijk Bureau van het GBAE voor het Wetenschappelijk Comité van het gemeenschappelijk instituut voor nucleair onderzoek.

4.

Ri Hong-sop

 

1940

16.7.2009

Voormalig directeur van het nucleair onderzoekscentrum van Yongbyon, gaf leiding aan drie kernactiviteiten ter ondersteuning van de productie van plutonium voor kernwapens. de splijtstofproductie-installatie, de kernreactor en de opwerkingsfaciliteit.

5.

Han Yu-ro

 

 

16.7.2009

Directeur van de Korea Ryongaksan General Trading Corporation; betrokken bij het ballistischerakettenprogramma van de Democratische Volksrepubliek Korea.


b)   Lijst van entiteiten bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a)

 

Naam

Alias

Vestiging

Datum van aanwijzing

Overige informatie

1.

Korea Mining Development Trading Corporation

a.k.a. CHANGGWANG SINYONG CORPORATION; a.k.a. EXTERNAL TECHNOLOGY GENERAL CORPORATION; a.k.a. DPRKN MINING DEVELOPMENT TRADING COOPERATION; a.k.a. „KOMID”

Central District, Pyongyang, DPRK.

24.4.2009

Voornaamste wapenhandelaar en belangrijkste exporteur van goederen en apparatuur in verband met ballistische raketten en conventionele wapens.

2.

Korea Ryonbong General Corporation

a.k.a. KOREA YONBONG GENERAL CORPORATION; f.k.a. LYONGAKSAN GENERAL TRADING CORPORATION

Pot’onggang District, Pyongyang, DPRK; Rakwon-dong, Pothonggang District, Pyongyang, DPRK.

24.4.2009

Defensieconglomeraat gespecialiseerd in aankopen voor de defensie-industrieën en in ondersteuning van verkoopactiviteiten op militair gebied van de Democratische Volksrepubliek Korea.

3.

Tanchon Commercial Bank

f.k.a. CHANGGWANG CREDIT BANK; f.k.a., KOREA CHANGGWANG CREDIT BANK

Saemul 1-Dong Pyongchon District, Pyongyang, DPRK.

24.4.2009

Voornaamste financiële entiteit van de Democratische Volksrepubliek Korea voor de verkoop van conventionele wapens, ballistische raketten en goederen in verband met de assemblage en vervaardiging van dergelijke wapens.

4.

Namchongang Trading Corporation

a.k.a. NCG; a.k.a. NAMCHONGANG TRADING; a.k.a. NAM CHON GANG CORPORATION; a.k.a. NOMCHONGANG TRADING CO.; a.k.a. NAM CHONG GAN TRADING CORPORATION

Pyongyang, DPRK.

16.7.2009

Namchongang is een Noord-Koreaanse handelsmaatschappij, ondergeschikt aan het Algemeen Bureau voor Atoomenergie (GBAE). Namchongang was betrokken bij de aankoop van Japanse vacuümpompen die gesignaleerd zijn in een Noord-Koreaanse kerninstallatie, en bij de aankoop van nucleair materiaal via een Duitser. Het was vanaf einde jaren negentig ook betrokken bij de aankoop van aluminium pijpen en ander materieel dat speciaal geschikt is voor een uraniumverrijkingsprogramma. De vertegenwoordiger van het bedrijf is een oud-diplomaat die in 2007 de Noord-Koreaanse contactpersoon was voor de inspectie van de kerninstallatie van Yongbyon door het Internationale Agentschap voor Atoomenergie (IAEA). De activiteiten van Namchongang op het gebied van proliferatie zijn een bron van grote zorg gezien de Noord-Koreaanse proliferatieactiviteiten in het verleden.

5.

Hongkong Electronics

a.k.a. HONG KONG ELECTRONICS KISH CO

Sanaee St., Kish Island, Iran.

16.7.2009

Eigendom van of gecontroleerd door, treedt op of zegt op te treden voor of namens de Tanchon Commercial Bank en KOMID. Hongkong Electronics heeft sinds 2007 miljoenen dollars uit aan proliferatie gerelateerde fondsen doorgesluisd namens de Tanchon Commercial Bank en KOMID (beide in april 2009 door het Comité aangewezen. Hongkong Electronics heeft het overmaken van geld van Iran naar Noord-Korea, namens KOMID, gefaciliteerd.

6.

Korea Hyoksin Trading Corporation

a.k.a. KOREA HYOKSIN EXPORT AND IMPORT CORPORATION

Rakwon-dong, Pothonggang District, Pyongyang, DPRK.

16.7.2009

Een Noord-Koreaans bedrijf, gevestigd in Pyongyang, dat ondergeschikt is aan de Korea Ryonbong General Corporation (in april 2009 door het Comité aangewezen) en betrokken is bij de ontwikkeling van massavernietigingswapens.

7.

General Bureau of Atomic Energy (GBAE)

a.k.a. General Department of Atomic Energy (GDAE)

Haeudong, Pyongchen District, Pyongyang, DPRK.

16.7.2009

Het GBAE is verantwoordelijk voor het Noord-Koreaanse nucleaire programma: daaronder vallen het kernonderzoekscentrum van Yongbyon en zijn 5 MWe (25 MWt) onderzoeksreactor voor plutoniumproductie, alsmede zijn splijtstofproductie- en opwerkingsfaciliteit. Het GBAE heeft met het Internationale Agentschap voor Atoomenergie vergaderingen en besprekingen gehad over nucleaire vraagstukken. Het GBAE is het belangrijkste overheidsorgaan van Noord-Korea voor de nucleaire programma’s, zoals de exploitatie van het nucleair onderzoekscentrum van Yongbyon.

8.

Korean Tangun Trading Corporation

 

Pyongyang, DPRK.

16.7.2009

De Korea Tangun Trading Corporation is ondergeschikt aan de Tweede Academie voor Natuurwetenschappen en de hoofdverantwoordelijke voor de aankoop van producten en technologieën ten behoeve van onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s op defensiegebied, met inbegrip van (maar niet beperkt tot) de ontwikkeling en aankoop van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen, ook van goederen die op grond van multilaterale regelingen gecontroleerd worden of verboden zijn.”