ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.188.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 188

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
18 juli 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG ( 1 )

1

 

*

Verordening (EG) nr. 596/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft — Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing — Deel vier

14

 

*

Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (Gecodificeerde versie)

93

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 444/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PB L 142 van 6.6.2009)

127

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

18.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/1


VERORDENING (EG) Nr. 595/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juni 2009

betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De interne markt bestaat uit een gebied zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal moet worden gewaarborgd. Te dien einde is een uitgebreid communautair typegoedkeuringssysteem voor motorvoertuigen ingesteld. De technische voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies moeten dus worden geharmoniseerd om te voorkomen dat de voorschriften van lidstaat tot lidstaat verschillen en om voor een hoog niveau van milieubescherming te zorgen.

(2)

Deze verordening is een nieuwe bijzondere verordening in het kader van de communautaire typegoedkeuringsprocedure krachtens Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (3). Daarom moeten de bijlagen IV, VI en XI bij die richtlijn dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Op verzoek van het Europees Parlement is voor de communautaire voertuigwetgeving een nieuwe regelgevingsaanpak ingevoerd. Daarom moeten bij deze verordening uitsluitend fundamentele bepalingen over voertuigemissies worden vastgesteld, terwijl de technische specificaties moeten worden vastgesteld bij volgens comitéprocedures goedgekeurde uitvoeringsmaatregelen.

(4)

Volgens het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap, dat is vastgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 (4), is het noodzakelijk de verontreiniging te verminderen tot een niveau waarbij de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid, vooral bij gevoelige bevolkingsgroepen, en het milieu als geheel zo klein mogelijk zijn. Bij communautaire wetgeving zijn passende normen vastgesteld voor de kwaliteit van de omgevingslucht ter bescherming van de volksgezondheid, en in het bijzonder van gevoelige personen, alsook voor nationale emissieplafonds. In aansluiting op haar Mededeling van 4 mei 2001 inzake het programma „Schone lucht voor Europa” (CAFE) heeft de Commissie op 21 september 2005 een andere Mededeling goedgekeurd, getiteld „Thematische strategie inzake luchtverontreiniging”. Een van de conclusies van die thematische strategie is dat de emissies door de vervoersector (vervoer door de lucht, over zee en over het land), door de huishoudens en door de energie- en de landbouwsector en de industrie verder moeten worden verminderd om de EU-doelstellingen inzake luchtkwaliteit te verwezenlijken. De vermindering van de voertuigemissies moet in dit verband als onderdeel van een algehele strategie worden gezien. De Euro VI-normen zijn een van de maatregelen ter vermindering van de werkelijke emissie van luchtverontreinigende stoffen tijdens het gebruik, waaronder deeltjes en ozonprecursoren zoals stikstofoxiden (NOx) en koolwaterstoffen.

(5)

Om de EU-doelstellingen inzake luchtkwaliteit te halen, moet onverminderd worden gestreefd naar een vermindering van de voertuigemissies. Daarom moet de industrie duidelijke informatie krijgen over de toekomstige emissiegrenswaarden alsook een passend tijdschema voor de verwezenlijking en de ontwikkeling van de nodige technische oplossingen.

(6)

Met name, is het noodzakelijk dat de emissie van NOx door zware bedrijfsvoertuigen daalt om de luchtkwaliteit te verbeteren en te voldoen aan de grenswaarden voor verontreiniging en de nationale emissieplafonds. Als al in een vroeg stadium grenswaarden voor de emissie van NOx worden vastgesteld, wordt de voertuigfabrikanten zekerheid geboden voor de planning voor de hele Europese Unie op lange termijn.

(7)

Bij het vaststellen van emissienormen moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het concurrentievermogen van de markten en de fabrikanten, de directe en indirecte kosten voor het bedrijfsleven en de voordelen op verschillende gebieden, zoals de aanmoediging van innovatie, betere luchtkwaliteit, lagere gezondheidskosten en extra levensjaren.

(8)

Een onbeperkte toegang tot reparatie-informatie — via een gestandaardiseerd formaat voor het vinden van technische informatie — en effectieve concurrentie op de markt voor reparatie- en onderhoudsinformatiediensten is nodig om de werking van de interne markt te verbeteren, met name wat het vrije verkeer van goederen, het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten betreft. Een groot deel van deze informatie betreft systemen inzake boorddiagnose (OBD) en de interactie daarvan met andere voertuigsystemen. Er moet worden vastgesteld aan welke technische specificaties de informatieverstrekking op de websites van fabrikanten moeten voldoen, en er moeten gerichte maatregelen komen om een redelijke toegang voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) te waarborgen.

(9)

Uiterlijk 7 augustus 2013 moet de Commissie de werking van het systeem inzake onbeperkte toegang tot alle voertuigreparatie- en onderhoudsinformatie herzien om te bepalen of het aangewezen is alle bepalingen betreffende de toegang tot voertuigreparatie- en onderhoudsinformatie in het herziene typegoedkeuringskaderrichtlijn te consolideren. Indien de bepalingen inzake toegang tot dergelijke informatie op deze wijze zijn geconsolideerd, worden de overeenkomstige bepalingen van deze verordening ingetrokken, op voorwaarde dat de bestaande rechten van toegang tot reparatie- en onderhoudinformatie worden gehandhaafd.

(10)

De Commissie dient de ontwikkeling te bevorderen van een internationaal standaardformaat voor onbeperkte en gestandaardiseerde toegang tot reparatie- en onderhoudinformatie, bijvoorbeeld via de werkzaamheden van het Europese Comité voor Standaardisatie (CEN).

(11)

Het is zeer belangrijk een gemeenschappelijke Europese standaard voor voertuig-OBD en reparatie- en onderhoudsinformatie vast te stellen. Tot op het ogenblik waarop deze standaard is goedgekeurd, dient voertuig-OBD en reparatie- en onderhoudsinformatie te worden voorgesteld op een toegankelijke wijze en in een formaat dat niet-discriminerende toegang verzekert. De informatie dient beschikbaar te worden gemaakt op de websites van de fabrikanten of, indien dit vanwege de aard van de informatie niet mogelijk is, in een ander geëigend formaat.

(12)

De Commissie moet emissies waarvoor nog geen regelgeving bestaat en die vrijkomen als gevolg van het toenemende gebruik van nieuwe brandstofformules, motortechnologie en emissiecontrolesystemen, opnieuw beoordelen. Zo nodig dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel indienen om deze emissies te reglementeren.

(13)

De invoering van voertuigen op alternatieve brandstof, die mogelijk een geringe emissie van NOx en deeltjes hebben, moet worden aangemoedigd. Daarom moeten grenswaarden voor koolwaterstoffen, niet-methaan-koolwaterstoffen en methaan worden vastgesteld.

(14)

Met het oog op de beheersing van de emissies van ultrafijne deeltjes (PM 0,1 μm en kleiner) moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven voor emissies van deeltjes, naast de momenteel gevolgde aanpak op basis van de deeltjesmassa, ook een aanpak op basis van het deeltjesaantal vast te stellen. De aanpak op basis van het deeltjesaantal moet uit de resultaten van het deeltjesmeetprogramma van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) putten en met de bestaande ambitieuze doelstellingen voor het milieu stroken.

(15)

Om deze milieudoelstellingen te verwezenlijken dient vermeld te worden dat de grenzen voor het deeltjesaantal moeten beantwoorden aan de beste resultaten die op dit moment met deeltjesfilters behaald kunnen worden met gebruikmaking van de best beschikbare technologie.

(16)

De Commissie moet wereldwijd geharmoniseerde rijcycli opnemen in de testprocedure die ten grondslag ligt aan de verordeningen betreffende EG-typegoedkeuring met betrekking tot emissies. Voorts moet worden overwogen om draagbare emissiemeetsystemen voor de controle van de werkelijke emissies tijdens het gebruik in te zetten en procedures voor de controle van de emissies buiten de cyclus (off-cycle emissions,) in te voeren.

(17)

Het aanbrengen van deeltjesfilters in bestaande bedrijfsvoertuigen met dieselmotor kan tot verhoogde stikstofdioxide (NO2) NO2-emissie leiden. In het kader van de thematische strategie inzake luchtverontreiniging moet de Commissie derhalve een wetgevingsvoorstel formuleren met het oog op de harmonisatie van de nationale regelingen inzake het aanbrengen van filters in bestaande voertuigen en er daarbij op toe zien dat de milieueisen worden opgenomen.

(18)

Boorddiagnosesystemen zijn belangrijk voor de emissiebeheersing tijdens het gebruik van een voertuig. Omdat het belangrijk is de emissies in reële omstandigheden te beheersen, moet de Commissie de voorschriften voor boorddiagnosesystemen en de tolerantiedrempels voor de foutencontrole regelmatig opnieuw bekijken.

(19)

Om na te gaan in welke mate deze sector als geheel tot de mondiale emissies van broeikasgassen bijdraagt, moet de Commissie metingen van het brandstofverbruik en de emissie van kooldioxide (CO2) door zware bedrijfsvoertuigen invoeren.

(20)

Om de markt voor schone energie-efficiënte voertuigen te stimuleren moet de Commissie nagaan of het mogelijk is een definitie en een methodologie van energieverbruik en CO2-emissies te ontwikkelen die geldt voor het hele voertuig en niet alleen voor de motor, zonder vooruit te lopen op het gebruik van virtuele en reële tests. Bij deze definitie en bij de methodologie dient ook aandacht te worden besteed aan alternatieve aandrijvingsmechanismen (bijvoorbeeld hybride voertuigen) en het effect van verbeteringen aan voertuigen zoals aerodynamische vorm, gewicht, laadvermogen en rolweerstand. Indien een geschikte voorstellingsmethode en vergelijking kan worden vastgesteld, dan moet het afgeleide brandstofverbruik en de CO2-emissie voor het publiek beschikbaar worden gemaakt voor afzonderlijke voertuigtypen.

(21)

Om de werkelijke emissies tijdens het gebruik, inclusief emissies buiten de cyclus, beter te kunnen beheersen en om de procedure betreffende de overeenstemming tijdens het gebruik te vereenvoudigen, dienen, binnen een passend tijdschema, een testmethode en prestatievoorschriften op basis van het gebruik van draagbare emissiemeetsystemen te worden vastgesteld.

(22)

Om de EU-doelstellingen inzake luchtkwaliteit te halen, moet de Commissie geharmoniseerde bepalingen invoeren om ervoor te zorgen dat de emissies van zware bedrijfsvoertuigen en -motoren buiten de cyclus afdoende worden beheerst over een breed scala van motorbedrijfs- en omgevingsomstandigheden.

(23)

De correcte werking van het nabehandelingssysteem, met name in het geval van NOx, is een basisvereiste om aan de normen inzake verontreinigende emissies te voldoen. In dit verband moeten maatregelen worden vastgesteld die de goede werking garanderen van systemen die gebruikmaken van een reagens.

(24)

De lidstaten kunnen het in de handel brengen van voertuigen die aan de communautaire voorschriften voldoen, met financiële stimulansen bespoedigen. Deze verordening mag geen afbreuk doen aan het recht van de lidstaten om emissies op te nemen in de methode voor de berekening van voertuigbelastingen.

(25)

De lidstaten dienen zich te baseren op de Euro VI-normen om maatregelen vast te stellen die ervoor zorgen dat bestaande zware bedrijfsvoertuigen worden aangepast.

(26)

De lidstaten moeten regels vaststellen voor overtredingen van deze verordening en ervoor zorgen dat deze worden toegepast. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn.

(27)

De in Richtlijn 80/1269/EEG van de Raad van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het motorvermogen van motorvoertuigen (5) vervatte voorschriften inzake het motorvermogen van motorvoertuigen moeten in deze verordening en in Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (6) worden opgenomen. Bijgevolg moet Verordening (EG) nr. 715/2007 dienovereenkomstig worden gewijzigd en moet Richtlijn 80/1269/EEG worden ingetrokken.

(28)

Om de communautaire wetgeving te vereenvoudigen moet de bestaande wetgeving inzake de emissies van zware voertuigen, te weten Richtlijn 2005/55/EG (7) en Richtlijn 2005/78/EG van de Commissie (8), door een verordening worden vervangen. Door het gebruik van een verordening worden de gedetailleerde technische voorschriften rechtstreeks van toepassing op fabrikanten, goedkeuringsinstanties en technische diensten en kunnen ze snel en efficiënt worden bijgewerkt. Daarom moeten de Richtlijnen 2005/55/EG en 2005/78/EG worden ingetrokken en moet Verordening (EG) nr. 715/2007 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(29)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (9).

(30)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven op het deeltjesaantal gebaseerde grenswaarden in bijlage I op te nemen, indien nodig het toelaatbare niveau van de NO2-component in de NOx-grenswaarde te bepalen, specifieke procedures, tests en voorschriften voor typegoedkeuringen, alsook een meetprocedure voor het deeltjesaantal vast te stellen, en maatregelen vast te stellen inzake emissies buiten de cyclus, het gebruik van draagbare emissiemeetsystemen, toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie en de bij de emissiemeting te gebruiken testcycli. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft, tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening, door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(31)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de voltooiing van de interne markt door de invoering van gemeenschappelijke technische voorschriften betreffende emissies van motorvoertuigen, en de waarborging van de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie voor onafhankelijke marktdeelnemers op dezelfde basis als voor erkende handelaren en reparatiebedrijven, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt gemeenschappelijke technische voorschriften vast voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen, motoren en vervangingsonderdelen wat hun emissies betreft.

Voorts stelt deze verordening voorschriften vast voor de overeenstemming van voertuigen en motoren tijdens het gebruik, de duurzaamheid van systemen voor verontreinigingsbeheersing, OBD-systemen, de meting van het brandstofverbruik en de emissie van CO2 en de toegankelijkheid van de OBD van het voertuig en de reparatie- en onderhoudsinformatie.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op motorvoertuigen van de categorieën M1, M2, N1 en N2, zoals gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG, met een referentiemassa van meer dan 2 610 kg en op alle motorvoertuigen van de categorieën M3 en N3, zoals gedefinieerd in die bijlage.

Deze verordening geldt onverminderd artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 715/2007.

Op verzoek van de fabrikant wordt de typegoedkeuring die krachtens deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan is verleend voor een voltooid voertuig uitgebreid tot het onvoltooide voertuig met een referentiemassa van niet meer dan 2 610 kg. De typegoedkeuring wordt uitgebreid als de fabrikant kan aantonen dat alle koetswerkcombinaties die naar verwachting op het onvoltooide voertuig zullen worden aangebracht de referentiemassa van het voertuig vergroten tot boven 2 610 kg.

Op verzoek van de fabrikant wordt de typegoedkeuring die krachtens deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan voor een voertuig is verleend uitgebreid tot varianten en versies ervan met een referentiemassa van meer dan 2 380 kg, mits dit voertuig ook voldoet aan de eisen in verband met de meting van uitgestoten broeikasgassen en brandstofverbruik die worden vastgesteld in Verordening (EG) nr. 715/2007 en de maatregelen ter uitvoering daarvan.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „motor”: de aandrijvingsbron van een voertuig waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid, zoals omschreven in punt 25 van artikel 3 van Richtlijn 2007/46/EG, kan worden verleend;

2.   „verontreinigende gassen”: de als uitlaatgassen uitgestoten koolmonoxide, stikstofoxiden, uitgedrukt in NO2-equivalent, en koolwaterstoffen;

3.   „verontreinigende deeltjes”: de bestanddelen van de uitlaatgassen die bij een maximumtemperatuur van 325 K (52 °C) uit het verdunde uitlaatgas worden verwijderd door middel van de filters zoals beschreven in de testprocedure voor de controle van de gemiddelde uitlaatemissies;

4.   „uitlaatemissies”: de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes;

5.   „motorcarter”: de ruimten in of buiten de motor die met het oliecarter zijn verbonden door in- of uitwendige verbindingen waaruit gassen en dampen kunnen ontsnappen;

6.   „systeem voor verontreinigingsbeheersing”: de onderdelen van een voertuig die de uitlaatemissies regelen en/of beperken;

7.   „boorddiagnosesysteem(OBD)”: een systeem in een voertuig of verbonden met een motor dat storingen kan herkennen en, indien van toepassing, daarvan via een alarmsysteem melding kan maken, door middel van in een computergeheugen opgeslagen informatie kan aangeven in welk gebied de storing waarschijnlijk is opgetreden, en de mogelijkheid biedt deze gegevens buiten het voertuig te lezen;

8.   „manipulatiestrategie”: een emissiebeheersingsstrategie die de doelmatigheid van de emissiebeheersingssystemen vermindert onder omgevings- of motorbedrijfsomstandigheden die hetzij bij een normaal gebruik van het voertuig, hetzij buiten de testprocedures van de typegoedkeuring optreden;

9.   „origineel systeem voor verontreinigingsbeheersing”: een systeem voor verontreinigingsbeheersing of samenstel van dergelijke systemen dat onder de voor het betrokken voertuig verleende typegoedkeuring valt;

10.   „vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing”: een systeem voor verontreinigingsbeheersing of samenstel van dergelijke systemen dat bedoeld is ter vervanging van een origineel systeem voor verontreinigingsbeheersing en dat kan worden goedgekeurd als technische eenheid zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 25, van Richtlijn 2007/46/EG;

11.   „reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen”: alle informatie die nodig is voor diagnose, onderhoud, inspectie, periodieke controle, reparatie, herprogrammering of re-initialisatie dan wel diagnostische ondersteuning op afstand van het voertuig en die de fabrikanten aan hun erkende handelaren en reparatiebedrijven verstrekken, met inbegrip van alle latere wijzigingen van en aanvullingen op deze informatie. Deze informatie omvat alle gegevens die nodig zijn voor het aanbrengen van onderdelen of uitrustingsstukken op voertuigen;

12.   „fabrikant”: persoon of instantie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeurings- en vergunningsprocedure en die instaat voor overeenstemming van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of instantie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid onderworpen aan de goedkeuringsprocedure;

13.   „onafhankelijke marktdeelnemer”: ondernemingen, met uitzondering van erkende handelaren en reparatiebedrijven, die direct of indirect bij de herstelling en het onderhoud van motorvoertuigen betrokken zijn, met name reparateurs, fabrikanten of distributeurs van reparatieapparatuur, -gereedschap of reserveonderdelen, uitgevers van technische informatie, automobielclubs, wegenwachtdiensten, bedrijven die keurings- en controlediensten aanbieden en bedrijven die opleidingen aanbieden voor installateurs, fabrikanten en reparateurs van uitrustingsstukken voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden;

14.   „voertuig dat op alternatieve brandstof rijdt”: een voertuig dat qua ontwerp geschikt is om op ten minste één soort brandstof te rijden die ofwel bij atmosferische temperatuur en druk gasvormig is, ofwel in substantiële mate van niet-minerale oliën is afgeleid;

15.   „referentiemassa”: de massa van het voertuig in rijklare toestand, verminderd met een massa van 75 kg voor de bestuurder en vermeerderd met een massa van 100 kg;

16.   „manipulatie”: het onwerkzaam maken, aanpassen of wijzigen van het emissiebeheersing- of aandrijfsysteem van het voertuig, met inbegrip van software of andere onderdelen voor logische besturing van deze systemen, met als al dan niet bedoeld gevolg dat de emissieprestaties van het voertuig slechter worden.

De Commissie kan de in punt 7 van de eerste alinea bedoelde definitie aanpassen om aan te sluiten bij de technische vooruitgang in OBD-systemen. Die maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 4

Verplichtingen van de fabrikanten

1.   De fabrikanten tonen aan dat voor alle nieuwe voertuigen die in de Gemeenschap verkocht, geregistreerd of in het verkeer gebracht worden, voor alle nieuwe motoren die in de Gemeenschap verkocht of in gebruik genomen worden en voor alle nieuwe vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing waarvoor overeenkomstig artikel 8 en artikel 9 typegoedkeuring nodig is en die in de Gemeenschap verkocht of in gebruik genomen worden, typegoedkeuring is verleend overeenkomstig deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan.

2.   De fabrikanten zien erop toe dat de typegoedkeuringsprocedures voor de controle van de overeenstemming van de productie, de duurzaamheid van de systemen voor verontreinigingsbeheersing en de overeenstemming tijdens het gebruik worden nageleefd.

De door de fabrikant genomen technische maatregelen waarborgen dat de uitlaatemissies overeenkomstig deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan gedurende de hele normale levensduur van de voertuigen onder normale gebruiksomstandigheden effectief worden beperkt.

De afgelegde afstand en de periode waarna de duurzaamheid van de systemen voor verontreinigingsbeheersing en de overeenstemming van in gebruik zijnde voertuigen of motoren in het kader van de typegoedkeuring moeten worden getest, zijn als volgt:

a)

160 000 km of, indien dit eerder is, vijf jaar, voor motoren die in voertuigen van de categorieën M1, N1 en M2 worden ingebouwd;

b)

300 000 km of, indien dit eerder is, zes jaar, voor motoren die in voertuigen van de categorieën N2, N3 met een maximale technisch toelaatbare massa van ten hoogste 16 t en M3, klasse I, klasse II en klasse A, alsmede klasse B met een maximale technisch toelaatbare massa van ten hoogste 7,5 t, worden ingebouwd;

c)

700 000 km of, indien dit eerder is, zeven jaar, voor motoren die in voertuigen van de categorieën N3 met een maximale technisch toelaatbare massa van meer dan 16 t en M3, klasse III en klasse B met een maximale technisch toelaatbare massa van meer dan 7,5 t, worden ingebouwd.

3.   De Commissie stelt specifieke procedures en voorschriften voor de toepassing van de leden 1 en 2 van dit artikel vast. Die maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden aangenomen volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 5

Voorschriften en tests

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de emissiegrenswaarden in bijlage I worden nageleefd.

2.   De fabrikanten rusten hun voertuigen en motoren zo uit dat de onderdelen die van invloed kunnen zijn op de emissies zodanig ontworpen, geconstrueerd en gemonteerd zijn dat de motor of het voertuig onder normale gebruiksomstandigheden kan voldoen aan deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan.

3.   Het gebruik van manipulatiestrategieën die de doelmatigheid van de emissiebeheersingssystemen verminderen, is verboden.

4.   De Commissie stelt maatregelen voor de uitvoering van dit artikel vast, onder meer maatregelen met betrekking tot:

a)

uitlaatemissies, met inbegrip van: testcycli, het gebruik van draagbare emissiemeetsystemen voor de controle van de werkelijk bij gebruik veroorzaakte emissies, de controle en beperking van emissies buiten de cyclus, de vaststelling van grenswaarden voor het deeltjesaantal met inachtneming van de bestaande ambitieuze milieueisen, en emissies bij stationair toerental;

b)

motorcarteremissies;

c)

OBD-systemen en de prestaties van systemen voor verontreinigingsbeheersing tijdens het gebruik;

d)

de duurzaamheid van systemen voor verontreinigingsbeheersing en vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing, de overeenstemming van in gebruik zijnde motoren en voertuigen, de overeenstemming van de productie en de verkeerswaardigheid;

e)

CO2-emissies en brandstofverbruik;

f)

uitbreiding van typegoedkeuringen;

g)

testapparatuur;

h)

referentiebrandstoffen zoals benzine, diesel, gasvormige brandstoffen en biobrandstoffen, zoals bio-ethanol, biodiesel en biogas;

i)

meting van het motorvermogen;

j)

correcte werking en regeneratie van emissiebeheersingssystemen;

k)

specifieke bepalingen om de correcte werking van de NOx-beheersingsmaatregelen te garanderen; dergelijke bepalingen zorgen ervoor dat voertuigen niet kunnen werken als de maatregelen ter beperking van NOx onwerkzaam zijn, bijvoorbeeld als gevolg van het ontbreken van een noodzakelijk reagens of een verkeerde of uitgeschakelde uitlaatgasrecirculatiestroom (EGR).

Die maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 6

Toegang tot informatie

1.   De fabrikanten bieden onafhankelijke marktdeelnemers onbeperkte en gestandaardiseerde toegang tot informatie van het voertuig-OBD, diagnoseapparatuur en andere apparatuur alsmede instrumenten, met inbegrip van relevante software, en reparatie- en onderhoudsinformatie.

De fabrikanten stellen een gestandaardiseerde, veilige en niet plaatsgebonden structuur ter beschikking om onafhankelijke reparatiebedrijven in de gelegenheid te stellen werkzaamheden te verrichten die ingrepen in het veiligheidssysteem van het voertuig vereisen.

In het geval van typegoedkeuring in meerdere stadia is de voor elke goedkeuring verantwoordelijke fabrikant ook verantwoordelijk voor het leveren van reparatie-informatie betreffende dat stadium aan zowel de eindfabrikant als de onafhankelijke marktdeelnemers. De eindfabrikant is verantwoordelijk voor het leveren van informatie betreffende het hele voertuig aan onafhankelijke marktdeelnemers.

De artikelen 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 715/2007 zijn mutatis mutandis van toepassing.

Tot het moment waarop deze standaard bijvoorbeeld via het CEN is goedgekeurd, dient voertuig-OBD en reparatie- en onderhoudsinformatie te worden gepresenteerd op een toegankelijke wijze en in een niet-discriminerend formaat.

Die informatie dient beschikbaar te worden gemaakt op de websites van de fabrikanten of, indien dit vanwege de aard van de informatie niet mogelijk is, in een ander geëigend formaat.

2.   De Commissie bepaalt en actualiseert, met het oog op de toepassing van lid 1, de passende technische specificaties betreffende de manier waarop de voertuig-OBD en de reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen zullen worden verstrekt. De Commissie houdt rekening met de actuele informatietechnologie, verwachte ontwikkelingen op het gebied van de voertuigtechnologie, bestaande ISO-normen en de mogelijkheid van een wereldwijde ISO-norm.

De Commissie kan andere maatregelen vaststellen die nodig zijn om lid 1 ten uitvoer te leggen.

Die maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 7

Verplichtingen met betrekking tot systemen die met een verbruiksreagens werken

1.   Systemen die met een verbruiksreagens werken mogen door de fabrikanten, reparateurs en gebruikers van de voertuigen niet worden gemanipuleerd.

2.   De gebruikers van voertuigen rijden niet met het voertuig zonder verbruiksreagens.

Artikel 8

Tijdschema voor de toepassing van de typegoedkeuring van voertuigen en motoren

1.   Met ingang van 31 december 2012 weigeren de nationale autoriteiten om redenen die verband houden met de emissies de EG-typegoedkeuring of nationale typegoedkeuring van nieuwe voertuig- of motortypen die niet aan deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan voldoen.

Typegoedkeuringscertificaten krachtens eerdere emissiefasen dan Euro VI mogen worden verleend voor voertuigen en motoren die naar derde landen worden uitgevoerd, op voorwaarde dat op die certificaten duidelijk is vermeld dat de voertuigen en motoren in kwestie niet in de Gemeenschap in de handel mogen worden gebracht.

2.   Met ingang van 31 december 2013 beschouwen de nationale autoriteiten certificaten van overeenstemming van nieuwe voertuigen die niet aan deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan voldoen, als niet meer geldig voor de toepassing van artikel 26 van Richtlijn 2007/46/EG en verbieden zij de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen om redenen die verband houden met de emissies.

Met ingang van diezelfde datum en behalve in het geval van vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen verbieden de nationale autoriteiten de verkoop of het gebruik van nieuwe motoren die niet aan deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan voldoen.

3.   Onverminderd de leden 1 en 2 van dit artikel en afhankelijk van de inwerkingtreding van de in artikel 4, lid 3, in artikel 5, lid 4, en in artikel 6, lid 2, eerste alinea, bedoelde uitvoeringsmaatregelen mogen de nationale autoriteiten, om redenen die verband houden met de emissies, niet weigeren EG-typegoedkeuring of nationale typegoedkeuring te verlenen voor een nieuw voertuig- of motortype en mogen zij de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig en de verkoop of het gebruik van nieuwe motoren niet verbieden, indien dat voertuig of die motoren aan deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan voldoen.

Artikel 9

Verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de typegoedkeuring van vervangingsonderdelen

De verkoop of montage op een voertuig van nieuwe vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing die bestemd zijn om te worden gemonteerd op krachtens deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan goedgekeurde voertuigen, is verboden indien zij niet van een type zijn waarvoor overeenkomstig deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan typegoedkeuring is verleend.

Artikel 10

Financiële stimulansen

1.   Afhankelijk van de inwerkingtreding van de uitvoeringsmaatregelen bij deze verordening kunnen de lidstaten voorzien in financiële stimulansen voor in serie geproduceerde motorvoertuigen die aan deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan voldoen.

Deze stimulansen gelden voor alle nieuwe voertuigen die in de desbetreffende lidstaat in de handel worden gebracht en aan deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan voldoen. Zij lopen echter uiterlijk op 31 december 2013 af.

2.   Afhankelijk van de inwerkingtreding van de uitvoeringsmaatregelen bij deze verordening kunnen de lidstaten financiële stimulansen toekennen om ervoor te zorgen dat reeds in gebruik zijnde voertuigen voldoen aan de in bijlage I vastgestelde emissiegrenswaarden en dat voertuigen die niet aan deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan voldoen, worden gesloopt.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde financiële stimulansen bedragen voor elk type motorvoertuig niet meer dan de extra kosten voor de technische apparatuur waarmee aan de in bijlage I vermelde emissiegrenswaarden wordt voldaan, inclusief de kosten van de montage op het voertuig.

4.   De Commissie wordt in kennis gesteld van plannen om de in de leden 1 en 2 bedoelde financiële stimulansen in te voeren of te wijzigen.

Artikel 11

Sancties

1.   De lidstaten stellen de sancties vast die bij overtreding van deze verordening en de maatregelen ter uitvoering ervan worden opgelegd en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 7 februari 2011 in kennis van de desbetreffende bepalingen en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen.

2.   Fabrikanten wordt in ieder geval een sanctie opgelegd als zij:

a)

valse verklaringen afleggen tijdens goedkeuringsprocedures of procedures die tot herroeping leiden;

b)

testresultaten voor typegoedkeuring of overeenstemming tijdens het gebruik vervalsen;

c)

gegevens of technische specificaties achterhouden die tot herroeping of intrekking van een typegoedkeuring kunnen leiden;

d)

manipulatiestrategieën gebruiken;

e)

toegang tot informatie weigeren.

Fabrikanten, reparateurs en gebruikers van voertuigen wordt in ieder geval een sanctie opgelegd als zij systemen voor beheersing van de emissie van NOx manipuleren. Dit geldt bijvoorbeeld voor manipulatie van systemen die met een verbruiksreagens werken.

Gebruikers van de voertuigen wordt in ieder geval een sanctie opgelegd als zij met het voertuig rijden zonder verbruiksreagens.

Artikel 12

Herziening van de specificaties

1.   Na de afronding van de relevante onderdelen van het deeltjesmeetprogramma van de VN/ECE, dat wordt uitgevoerd onder leiding van het Wereldforum voor de harmonisatie van voertuigreglementen, zal de Commissie, zonder het niveau van milieubescherming in de Gemeenschap te verlagen:

a)

als extra controle op de emissie van deeltjes op deeltjesaantal gebaseerde grenswaarden invoeren die zijn vastgesteld op een niveau dat is afgestemd op de technologieën die op dat ogenblik effectief gebruikt worden om te voldoen aan de begrenzing voor deeltjes massa;

b)

een meetprocedure voor het deeltjesaantal vaststellen.

Ook zal de Commissie, zonder het niveau van milieubescherming in de Gemeenschap te verlagen, indien nodig een grenswaarde voor NO2-emissie vaststellen naast de grenswaarde voor de totale NOx-emissie. De grenswaarde voor NO2-emissie wordt vastgesteld op een niveau dat is afgestemd op de prestaties van de op dat tijdstip bestaande technologieën.

Die maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2.   De Commissie zal correlatiefactoren vaststellen tussen de Europese transiënte cyclus (ETC) en de Europese stationaire cyclus (ESC) zoals beschreven in Richtlijn 2005/55/EG, en de wereldwijd geharmoniseerde transiënte rijcyclus (WHTC) en de wereldwijd geharmoniseerde stationaire rijcyclus (WHSC), en de grenswaarden dienovereenkomstig aanpassen. Die maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.   De Commissie beoordeelt regelmatig de procedures, tests en voorschriften zoals bedoeld in artikel 5, lid 4, evenals de testcycli voor het meten van emissies.

Blijkt bij deze beoordeling dat deze niet langer adequaat zijn of niet langer de echte emissies weerspiegelen, dan worden zij aangepast teneinde adequaat de emissies bij reëel rijden op de weg te weerspiegelen. Die maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.   De Commissie beoordeelt regelmatig de in artikel 3, punt 2, genoemde verontreinigende stoffen. Indien de Commissie concludeert dat het nodig is de emissies van additionele verontreinigende stoffen te reguleren, dan dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot wijziging van deze verordening in.

Artikel 13

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het technisch comité motorvoertuigen (TCMV), vastgesteld bij artikel 40, lid 1, van Richtlijn 2007/46/EG.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 14

Uitvoering

Uiterlijk op 1 april 2010 stelt de Commissie de in artikel 4, lid 3, artikel 5, lid 4, artikel 6, lid 2 en artikel 12, lid 1, onder a) en b), bedoelde uitvoeringsmaatregelen vast.

Artikel 15

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 715/2007

Verordening (EG) nr. 715/2007 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 5, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:

i)

na punt h) wordt het woord „en” geschrapt;

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„j)

het meten van het motorvermogen.”.

2)

Artikel 14, lid 6, wordt geschrapt.

Artikel 16

Wijzigingen van Richtlijn 2007/46/EG

De bijlagen IV, VI en XI bij Richtlijn 2007/46/EG worden overeenkomstig bijlage II bij deze verordening gewijzigd.

Artikel 17

Intrekking

1.   Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG worden ingetrokken met ingang van 31 december 2013.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 7 augustus 2009. Artikel 8, lid 3, en artikel 10 zijn echter van toepassing met ingang van 7 augustus 2009, en de punten 1 a) i), 1 b) i), 2 a), 3 a) i), 3 b) i), 3 c) i), 3 d) i) en 3 e) i) van bijlage II zijn van toepassing met ingang van 31 december 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 juni 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

Š. FÜLE


(1)  PB C 211 van 19.8.2008, blz. 12.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 16 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 juni 2009.

(3)  PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(4)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 375 van 31.12.1980, blz. 46.

(6)  PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.

(7)  Richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PB L 275 van 20.10.2005, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2005/78/EG van de Commissie van 14 november 2005 tot uitvoering van Richtlijn 2005/55/EG en tot wijziging van de bijlagen I, II, III, IV en VI daarbij (PB L 313 van 29.11.2005, blz. 1).

(9)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


BIJLAGE I

Euro VI-emissiegrenswaarden

 

Grenswaarden

CO

(mg/kWh)

THC:

(mg/kWh)

NMHC

(mg/kWh)

CH4

(mg/kWh)

NOx  (1)

(mg/kWh)

NH3

(ppm)

Deeltjesmassa

(mg/kWh)

Deeltjesaantal (2)

(#/kWh)

ESC (CI)

1 500

130

 

 

400

10

10

 

ETC (CI)

4 000

160

 

 

400

10

10

 

ETC (PI)

4 000

 

160

500

400

10

10

 

WHSC (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

WHTC (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

Noot:

PI

=

elektrische ontsteking

CI

=

compressieontsteking


(1)  Het toelaatbare niveau van de NO2-component in de NOx-grenswaarde kan in een later stadium worden bepaald.

(2)  De norm voor het deeltjesaantal zal in een later stadium en vóór 1 april 2010 worden vastgesteld.

(3)  De grenswaarden voor de WHSC en de WHTC, die in de plaats komen van de grenswaarden voor ESC en ETC, worden in een later stadium ingevoerd, zodra correlatiefactoren met betrekking tot de huidige cycli (ESC en ETC) zijn vastgesteld, maar vóór 1 april 2010.


BIJLAGE II

Wijzigingen van Richtlijn 2007/46/EG

Richtlijn 2007/46/EG wordt hierbij als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage IV, deel I, wordt als volgt gewijzigd:

a)

de tabel wordt als volgt gewijzigd:

i)

de punten 40 en 41 worden geschrapt;

ii)

het volgende punt wordt ingevoegd:

Onderwerp

Regelgeving

Publicatieblad

Van toepassing op

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

„41 bis

Emissies (Euro VI) van zware bedrijfsvoertuigen/ toegang tot informatie

Verordening (EG) nr. 595/2009

PB L 188, 18.7.2009, p. 1

X12

X12

X

X12

X12

X”

 

 

 

 

iii)

de volgende noot wordt toegevoegd:

„(12)

Voor voertuigen met een referentiemassa van meer dan 2 610 kg waarvoor geen typegoedkeuring is verleend (op verzoek van de fabrikant en op voorwaarde dat hun massa niet meer dan 2 840 kg bedraagt) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007.”;

b)

in het aanhangsel wordt de tabel als volgt gewijzigd:

i)

de punten 40 en 41 worden geschrapt;

ii)

het volgende punt wordt ingevoegd:

 

Onderwerp

Regelgeving

Publicatieblad

M1

„41 bis

Emissies (Euro VI) van zware bedrijfsvoertuigen, met uitzondering van de voorschriften inzake boorddiagnose (OBD) en toegang tot informatie/toegang tot informatie

Verordening (EG) nr. 595/2009

PB L 188, 18.7.2009, p. 1

A”

2)

In het aanhangsel van bijlage VI wordt de tabel als volgt gewijzigd:

a)

de punten 40 en 41 worden geschrapt;

b)

het volgende punt wordt ingevoegd:

Onderwerp

Regelgeving

Gewijzigd bij

Te gebruiken voor versies

„41 bis

Emissies (Euro VI) van zware bedrijfsvoertuigen/toegang tot informatie

Verordening (EG) nr. 595/2009”

 

 

3)

Bijlage XI wordt als volgt gewijzigd:

a)

in aanhangsel 1 wordt de tabel als volgt gewijzigd:

i)

de punten 40 en 41 worden geschrapt;

ii)

het volgende punt wordt ingevoegd:

Nummer

Onderwerp

Regelgeving

M1 ≤ 2 500 (1) kg

M1 > 2 500 (1) kg

M2

M3

„41 bis

Emissies (Euro VI) van zware bedrijfsvoertuigen/ toegang tot informatie

Verordening (EG) nr. 595/2009

G + H

G + H

G + H

G + H”

b)

in aanhangsel 2 wordt de tabel als volgt gewijzigd:

i)

de punten 40 en 41 worden geschrapt;

ii)

het volgende punt wordt ingevoegd:

Nummer

Onderwerp

Regelgeving

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

„41 bis

Emissies (Euro VI) van zware bedrijfsvoertuigen/ toegang tot informatie

Verordening (EG) nr. 595/2009

X

X

X

X

X

X”

 

 

 

 

c)

in aanhangsel 3 wordt de tabel als volgt gewijzigd:

i)

de punten 40 en 41 worden geschrapt;

ii)

het volgende punt wordt ingevoegd:

Nummer

Onderwerp

Regelgeving

M1

„41 bis

Emissies (Euro VI) van zware bedrijfsvoertuigen/toegang tot informatie

Verordening (EG) nr. 595/2009

X”

d)

in aanhangsel 4 wordt de tabel als volgt gewijzigd:

i)

de punten 40 en 41 worden geschrapt;

ii)

het volgende punt wordt ingevoegd:

Nummer

Onderwerp

Regelgeving

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

„41 bis

Emissies (Euro VI) van zware bedrijfsvoertuigen/ toegang tot informatie

Verordening (EG) nr. 595/2009

H

H

H

H

H”

 

 

 

 

e)

in aanhangsel 5 wordt de tabel als volgt gewijzigd:

i)

de punten 40 en 41 worden geschrapt;

ii)

het volgende punt wordt ingevoegd:

Nummer

Onderwerp

Regelgeving

Mobiele kraan van categorie N3

„41 bis

Emissies (Euro VI) van zware bedrijfsvoertuigen/toegang tot informatie

Verordening (EG) nr. 595/2009

V”


18.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/14


VERORDENING (EG) Nr. 596/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juni 2009

tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft

Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing — Deel vier

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, artikel 55, artikel 71, lid 1, artikel 80, lid 2, artikel 95, artikel 152, lid 4, onder a) en b), artikel 175, lid 1, en artikel 285, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (4) is gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (5), waardoor de regelgevingsprocedure met toetsing is ingevoerd voor de aanneming van maatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van een volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag aangenomen basisbesluit, onder meer door sommige van deze niet-essentiële onderdelen te schrappen of door het basisbesluit aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen.

(2)

Overeenkomstig de verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (6) betreffende Besluit 2006/512/EG, vergt de toepassing van deze nieuwe procedure op reeds geldende, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag aangenomen besluiten, dat deze besluiten volgens de geldende procedures worden aangepast.

(3)

Daar de wijzigingen die daartoe moeten worden aangebracht aan de besluiten alleen betrekking hebben op de comitéprocedures, dienen zij in het geval van richtlijnen niet te worden omgezet door de lidstaten,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de lijst in bijlage genoemde besluiten worden overeenkomstig die bijlage aangepast aan Besluit 1999/468/EG, zoals gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG.

Artikel 2

De verwijzingen naar de bepalingen van de in de bijlage genoemde besluiten moeten worden gelezen als verwijzingen naar deze bepalingen, zoals aangepast bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 juni 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

Š. FÜLE


(1)  PB C 224 van 30.8.2008, blz. 35.

(2)  PB C 117 van 14.5.2008, blz. 1.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 16 december 2008 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 28 mei 2009.

(4)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(5)  PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11.

(6)  PB C 255 van 21.10.2006, blz. 1.


BIJLAGE

1.   ONDERNEMINGEN

1.1.   Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines  (1)

Met betrekking tot Richtlijn 97/68/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om vast te stellen onder welke voorwaarden de wijzigingen die nodig zijn in het licht van de technische vooruitgang moeten worden aangenomen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 97/68/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 97/68/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4, lid 2, laatste zin, wordt vervangen door:

„De Commissie wijzigt bijlage VIII. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 7 bis, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   De Commissie past bijlage VII aan ter opneming van de aanvullende, specifieke informatie die vereist kan zijn in verband met het typegoedkeuringscertificaat voor motoren die bestemd zijn voor montage in binnenschepen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 14 wordt vervangen door:

„Artikel 14

Met uitzondering van de bepalingen van bijlage I, punten 1, 2.1 tot en met 2.8 en 4, worden alle wijzigingen die nodig zijn om de bijlagen aan de technische vooruitgang aan te passen door de Commissie vastgesteld.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 14 bis wordt vervangen door:

„Artikel 14 bis

De Commissie stelt een onderzoek in naar eventuele technische problemen die de voorschriften van fase II kunnen opleveren voor bepaalde motortoepassingen, in het bijzonder mobiele machines waarin motoren van de klassen SH:2 en SH:3 gemonteerd zijn. Indien uit dat onderzoek van de Commissie blijkt dat de motoren van bepaalde mobiele machines, in het bijzonder motoren voor multipositionele apparatuur die bestemd is voor professioneel gebruik, om technische redenen niet kunnen voldoen aan de vereisten die zijn opgenomen in de gestelde termijnen, dient zij uiterlijk 31 december 2003 een verslag in, vergezeld van passende voorstellen voor verlenging van de in artikel 9 bis, lid 7, bedoelde termijnen en/of verdere afwijkingen voor de duur van ten hoogste vijf jaar voor dergelijke machines, behalve in uitzonderlijke omstandigheden. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”;

b)

lid 3 wordt geschrapt.

6)

Bijlage I, punt 4.1.2.7, laatste zin, wordt vervangen door:

„Het controlegebied waarop het niet te overschrijden percentage van toepassing is en de uitgesloten bedrijfsomstandigheden worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

7)

Bijlage III, punt 1.3.2, laatste alinea, wordt vervangen door:

„Voor de invoering van de samengestelde koude/warme-startsequentie worden de symbolen (bijlage I, sectie 2.18), de testsequentie (bijlage III) en berekeningsvergelijkingen (bijlage III, appendix 3) gewijzigd door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

1.2.   Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek  (2)

Met betrekking tot Richtlijn 98/79/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om bijzondere maatregelen inzake gezondheidsbewaking vast te stellen en om bijlage II te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 98/79/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de vaststelling van verboden, beperkingen of bijzondere eisen voor bepaalde producten, de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen.

Bijgevolg wordt Richtlijn 98/79/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 6, lid 2, van Richtlijn 90/385/EEG ingestelde comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (3) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

2)

Artikel 10, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen opdat de in de leden 1 en 3 bedoelde kennisgevingen onverwijld worden geregistreerd in de in artikel 12 beschreven databank.

De wijze van uitvoering van dit artikel, met name de modellen van de kennisgeving en het begrip „belangrijke wijziging”, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 7, lid 2.”.

3)

Artikel 11, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De lidstaten stellen de andere lidstaten op verzoek in kennis van de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde gegevens. De procedures ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 7, lid 2.”.

4)

Artikel 12, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De procedures ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 7, lid 2.”.

5)

Artikel 13 wordt vervangen door:

„Artikel 13

Wanneer een lidstaat ten aanzien van een bepaald product of een bepaalde groep producten van mening is dat de beschikbaarheid van dergelijke producten omwille van de bescherming van de gezondheid en de veiligheid en/of om de naleving van de vereisten van de volksgezondheid te waarborgen, overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag verboden, beperkt of aan bepaalde eisen onderworpen moet zijn, kan hij alle nodige en gerechtvaardigde overgangsmaatregelen nemen. Hij brengt de Commissie en de andere lidstaten daarvan op de hoogte en vermeldt de redenen voor zijn beslissing. Waar mogelijk raadpleegt de Commissie de belanghebbende partijen en de lidstaten en, indien de nationale maatregelen gerechtvaardigd zijn, neemt zij de nodige communautaire maatregelen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 7, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 7, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.”.

6)

Artikel 14, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Wanneer een lidstaat van mening is dat:

a)

de lijst van de onder bijlage II vallende hulpmiddelen moet worden gewijzigd of uitgebreid, of

b)

de conformiteit van een hulpmiddel of een categorie hulpmiddelen, in afwijking van artikel 9, door toepassing van één of meer van de in artikel 9 bedoelde alternatieve procedures moet worden vastgesteld,

dient deze lidstaat bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek in om de nodige maatregelen te treffen.

De onder a) bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 7, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De onder b) bedoelde maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 7, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.”.

1.3.   Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit  (4)

Met betrekking tot Richtlijn 1999/5/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om te besluiten welke aanvullende eisen er gelden voor apparatuur van bepaalde apparatuurcategorieën of apparatuur van een bepaalde soort; om de datum vast te stellen (inclusief een eventuele overgangsperiode) waarop moet worden voldaan aan bepaalde aanvullende essentiële eisen voor bepaalde apparatuurcategorieën of voor apparatuur van een bepaalde soort, en om de vorm vast te stellen van het merkteken betreffende de apparatuurcategorie dat moet worden aangebracht op specifieke soorten radioapparatuur. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 1999/5/EC onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 1999/5/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De Commissie kan besluiten dat apparatuur van bepaalde apparatuurcategorieën of apparatuur van een bepaalde soort zo geconstrueerd moet zijn dat:

a)

zij via netwerken onderling functioneert met andere apparatuur en dat zij in de Gemeenschap kan worden aangesloten op interfaces van hetzelfde type, en/of dat

b)

zij het netwerk of de werking daarvan niet schaadt noch misbruik maakt van de netwerkmiddelen en zo een onaanvaardbare achteruitgang van de dienst veroorzaakt, en/of dat

c)

zij voorzieningen bevat om de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker en de abonnee te beschermen, en/of dat

d)

zij geschikt is voor bepaalde voorzieningen die fraude moeten voorkomen, en/of dat

e)

zij geschikt is voor bepaalde voorzieningen die de toegang tot alarmdiensten moeten waarborgen, en/of dat

f)

zij geschikt is voor bepaalde voorzieningen die het gebruik ervan door gebruikers met een handicap vergemakkelijken.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15 bis bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 5, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   In geval van onvolkomenheden in de geharmoniseerde normen met betrekking tot de essentiële eisen kan de Commissie, na overleg met het comité overeenkomstig de procedure van artikel 14, aanbevelingen voor de interpretatie van de geharmoniseerde normen, of voor de voorwaarden waaronder de overeenstemming met die normen een vermoeden van conformiteit doet ontstaan, bekendmaken in het Publicatieblad van de Europese Unie. Na overleg met het comité kan de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 14 geharmoniseerde normen schrappen door bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.”.

3)

Artikel 6, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Wanneer een besluit wordt genomen inzake de toepassing van de essentiële eisen overeenkomstig artikel 3, lid 3, stelt de Commissie de datum vast waarop aan die vereisten moet worden voldaan.

Wordt vastgesteld dat een apparatuurcategorie moet voldoen aan specifieke, in artikel 3, lid 3, genoemde essentiële eisen, dan kan de apparatuur van die categorie die voor het eerst op de markt werd gebracht vóór de door de Commissie vastgestelde datum gedurende een redelijke termijn die door de Commissie wordt bepaald, verder op de markt worden gebracht.

De in de eerste en tweede zin bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15 bis bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 15 bis

Regelgevingsprocedure met toetsing

Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

5)

Bijlage VII, punt 5, wordt vervangen door:

„5.

De apparatuurcategorie wordt vermeld in een vorm die de Commissie vaststelt.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15 bis bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

1.4.   Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen  (5)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 141/2000 moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om de definities van „gelijkwaardig geneesmiddel” en „klinische superioriteit” aan te nemen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 141/2000 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 141/2000 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie neemt volgens de regelgevingsprocedure van artikel 10 bis, lid 2, de voor de uitvoering van lid 1 van dit artikel vereiste bepalingen aan in de vorm van een toepassingsverordening.”.

2)

Artikel 5, lid 8, wordt vervangen door:

„8.   Het Bureau brengt het definitieve advies van het comité onmiddellijk ter kennis van de Commissie, die binnen 30 dagen na ontvangst van het advies een besluit neemt. Is bij uitzondering het ontwerp-besluit niet in overeenstemming met het advies van het comité, dan wordt het besluit vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 10 bis, lid 2. Het besluit wordt ter kennis gebracht van de initiatiefnemer en aan het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten meegedeeld.”.

3)

Artikel 8, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   De Commissie neemt de definities van de uitdrukkingen „gelijkwaardig geneesmiddel” en „klinische superioriteit” aan in de vorm van een toepassingsverordening.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10 bis, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Het volgende artikel 10 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 10 bis

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik, waarnaar wordt verwezen in artikel 121, lid 1, van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (6).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (7) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

1.5.   Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik  (8)

Met betrekking tot Richtlijn 2001/20/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om beginselen vast te stellen betreffende goede klinische praktijken, alsmede gedetailleerde regels overeenkomstig deze goede praktijken, specifieke vereisten vast te stellen en een aantal bepalingen aan te passen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2001/20/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2001/20/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De Commissie stelt beginselen van goede klinische praktijk en gedetailleerde richtsnoeren die met deze beginselen in overeenstemming zijn, vast en herziet indien nodig deze beginselen en gedetailleerde richtsnoeren, om rekening te houden met de vooruitgang van wetenschap en techniek. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De Commissie maakt de beginselen en gedetailleerde regels bekend.”.

2)

Artikel 13, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten nemen passende maatregelen opdat voor de vervaardiging en de invoer van geneesmiddelen voor onderzoek een vergunning vereist is.

De Commissie stelt de eisen vast waaraan de aanvrager, evenals later de houder, ten minste moet voldoen om een vergunning te verkrijgen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 20 wordt vervangen door:

„Artikel 20

De Commissie past deze richtlijn aan aan de vooruitgang van wetenschap en techniek.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 21 wordt vervangen door:

„Artikel 21

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik, waarnaar wordt verwezen in artikel 121, lid 1, van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (9).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

1.6.   Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik  (10)

Met betrekking tot Richtlijn 2001/82/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om een aantal bepalingen en bijlagen aan te passen, en om specifieke toepassingsvoorwaarden vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2001/82/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2001/82/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 10, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   In afwijking van artikel 11 stelt de Commissie een lijst op van de substanties die voor de behandeling van paardachtigen onontbeerlijk zijn en waarvoor de wachttijd volgens het controlemechanisme bedoeld in de Beschikkingen 93/623/EEG en 2000/68/EG ten minste zes maanden bedraagt.

Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 11, lid 2, derde alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie kan deze specifieke wachttijden echter wijzigen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 13, lid 1, vierde alinea, wordt vervangen door:

„Voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die bestemd zijn voor vissen en bijen of andere door de Commissie te bepalen diersoorten, beloopt de in de tweede alinea bedoelde termijn echter dertien jaar.

Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 17, lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Indien nieuwe wetenschappelijke kennis dit rechtvaardigt, kan de Commissie de bepalingen van de eerste alinea, onder b) en c), aanpassen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 39, lid 1, derde alinea, wordt vervangen door:

„Deze voorzieningen worden door de Commissie vastgesteld in de vorm van een uitvoeringsverordening. Deze verordening, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

6)

Artikel 50 bis, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie stelt de wijzigingen vast die noodzakelijk zijn om de bepalingen van lid 1 aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang aan te passen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

7)

Artikel 51, eerste alinea, wordt vervangen door:

„De in artikel 50, onder f), bedoelde beginselen en richtsnoeren inzake goede praktijken bij het vervaardigen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik worden vastgesteld door de Commissie in de vorm van een richtlijn. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

8)

Artikel 67, onder aa), wordt vervangen door:

„aa)

geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ten behoeve van dieren die voor de productie van levensmiddelen bestemd zijn.

De lidstaten mogen echter vrijstellingen van deze eis toestaan op grond van criteria die door de Commissie worden vastgesteld. Deze criteria — waarbij het gaat om maatregelen die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen — worden vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De lidstaten mogen nationale bepalingen blijven toepassen tot:

i)

de toepassingsdatum van het overeenkomstig de vorige alinea genomen besluit, of

ii)

1 januari 2007, indien er op 31 december 2006 nog geen besluit in die zin is genomen;”.

9)

Artikel 68, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De Commissie stelt de wijzigingen in de lijst van de in lid 1 genoemde substanties vast.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

10)

Artikel 75, lid 6, wordt vervangen door:

„6.   De Commissie kan lid 5 wijzigen in het licht van de ervaring die is opgedaan met de toepassing ervan.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

11)

Artikel 79 wordt vervangen door:

„Artikel 79

De Commissie stelt de wijzigingen vast die ter aanpassing van de artikelen 72 tot en met 78 aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang noodzakelijk kunnen zijn.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

12)

Artikel 88 wordt vervangen door:

„Artikel 88

De Commissie stelt de wijzigingen vast die noodzakelijk zijn voor de aanpassing van bijlage I aan de technische vooruitgang.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

13)

Artikel 89 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„2 bis.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Het reglement van orde van het Permanent Comité wordt openbaar gemaakt.”.

1.7.   Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines  (11)

Met betrekking tot Richtlijn 2006/42/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de voorwaarden vast te stellen voor het bijwerken van de indicatieve lijst van veiligheidscomponenten en voor de maatregelen betreffende de beperking van het in de handel brengen van potentieel gevaarlijke machines. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2006/42/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2006/42/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

Specifieke maatregelen

1.   De Commissie kan iedere passende maatregel nemen betreffende de volgende punten:

a)

het bijwerken van de in artikel 2, tweede alinea, onder c), vermelde indicatieve lijst van veiligheidscomponenten in bijlage V;

b)

de in artikel 9 bedoelde beperking van het in de handel brengen van machines.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2.   De Commissie kan volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure iedere passende maatregel nemen voor de praktische toepassing van deze richtlijn, met inbegrip van maatregelen om ervoor te zorgen dat de lidstaten met elkaar en met de Commissie samenwerken, als bedoeld in artikel 19, lid 1.”.

2)

Artikel 9, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   In de in lid 1 bedoelde gevallen raadpleegt de Commissie de lidstaten en de andere betrokken partijen en deelt mee welke maatregelen zij wenst te treffen om op communautair niveau een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van personen te verzekeren.

Naar behoren rekening houdend met het resultaat van deze raadpleging, neemt de Commissie de noodzakelijke maatregelen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”;

b)

lid 4 wordt geschrapt.

2.   MILIEU

2.1.   Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB/PCT)  (12)

Met betrekking tot Richtlijn 96/59/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de referentiemeetmethoden voor het bepalen van het gehalte aan PCB’s van verontreinigde materialen vast te stellen alsook technische normen voor de andere methoden voor verwijdering van de PCB’s, en om, zo nodig, uitsluitend met het oog op artikel 9, lid 1, onder b) en c), vast te stellen wat andere minder gevaarlijke vervangingsproducten van PCB’s zijn. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 96/59/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 96/59/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

1.   Overeenkomstig de regelgevingsprocedure van artikel 10 bis, lid 2, stelt de Commissie een lijst beschikbaar van productienamen van condensatoren, weerstanden of inductoren die PCB’s bevatten.

2.   De Commissie:

a)

stelt de referentiemeetmethoden voor het bepalen van het gehalte aan PCB’s van verontreinigde materialen vast. Metingen die voor de vaststelling van de referentiemethoden zijn verricht, blijven geldig;

b)

stelt, zo nodig, uitsluitend met het oog op artikel 9, lid 1, onder b) en c), vast wat andere minder gevaarlijke vervangingsproducten van PCB’s zijn.

De Commissie kan technische normen vaststellen voor de andere methoden voor verwijdering van de PCB’s waarnaar wordt verwezen in artikel 8, lid 2, tweede zin.

De in de eerste en tweede alinea bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10 bis, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 10 bis

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 18 van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) ingestelde comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

2.2.   Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water  (14)

Met betrekking tot Richtlijn 98/83/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de bijlagen II en III aan de vooruitgang van wetenschap en techniek aan te passen en om in bijlage II bijzonderheden inzake controle vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 98/83/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 98/83/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 7, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   Voor de in het onderhavige artikel bedoelde controles kunnen communautaire richtsnoeren worden opgesteld volgens de in artikel 12, lid 2, vastgelegde beheersprocedure.”.

2)

Artikel 11, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Ten minste om de vijf jaar past de Commissie de bijlagen II en III aan de vooruitgang van wetenschap en techniek aan.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 12, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

4)

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De vorm en de minimuminhoud van de in lid 2 bedoelde verslagen worden, met name gelet op de in artikel 3, lid 2, artikel 5, leden 2 en 3, artikel 7, lid 2, artikel 8, artikel 9, leden 6 en 7, en artikel 15, lid 1, bedoelde maatregelen bepaald en zo nodig gewijzigd volgens de beheersprocedure van artikel 12, lid 2.”;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   Samen met het in lid 2 bedoelde eerste verslag over deze richtlijn, brengen de lidstaten eveneens verslag uit aan de Commissie over de maatregelen die zij hebben getroffen of voornemens zijn te treffen om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 6, lid 3, en van bijlage I, deel B, opmerking 10. In voorkomend geval, wordt een voorstel betreffende de vorm van dit verslag ingediend, overeenkomstig de beheersprocedure van artikel 12, lid 2.”.

5)

Artikel 15, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Dit verzoek wordt bestudeerd volgens de beheersprocedure van artikel 12, lid 2.”.

6)

Bijlage I, deel C, opmerking 10, punt 1, wordt vervangen door:

„1.

De op grond van opmerking 8 vereiste maatregelen inzake controlefrequenties, en die uit hoofde van opmerking 9 inzake controlefrequenties, controlemethodes en de belangrijkste locaties voor de controlepunten als bedoeld in bijlage II, worden aangenomen door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Bij de opstelling van deze maatregelen houdt de Commissie onder meer rekening met de relevante bepalingen krachtens de bestaande wetgeving of passende controleprogramma’s, inclusief de controleresultaten daarvan.”.

7)

Bijlage II, tabel A, punt 2, wordt vervangen door:

„2.   Audit

Audit heeft tot doel de informatie te verstrekken die nodig is om uit te maken of alle parameterwaarden van de richtlijn al dan niet worden nageleefd. Alle parameters vastgesteld volgens artikel 5, leden 2 en 3, moeten aan audit worden onderworpen, tenzij door de bevoegde autoriteiten kan worden vastgesteld dat gedurende een door hen te bepalen periode een parameter naar alle waarschijnlijkheid niet in bepaald water voorkomt in concentraties die kunnen leiden tot het risico dat de betrokken parameterwaarde wordt overschreden. Dit punt is niet van toepassing op de parameters voor radioactiviteit; met inachtneming van de opmerkingen 8, 9 en 10 van bijlage I, deel C, wordt de radioactiviteit gecontroleerd overeenkomstig de door de Commissie aangenomen controlevoorschriften. De maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, door haar aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

8)

Bijlage III, punt 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

„De volgende beginselen voor methoden voor microbiologische parameters worden gegeven als referentie wanneer een CEN/ISO-methode wordt opgegeven of als leidraad, in afwachting van de eventuele toekomstige aanneming door de Commissie van verdere internationale CEN/ISO-methoden, voor deze parameters. De lidstaten kunnen alternatieve methoden gebruiken mits aan artikel 7, lid 5, wordt voldaan.

Deze maatregelen betreffende verdere internationale CEN/ISO-methoden, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2.3.   Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen  (15)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 2037/2000 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om bijlage VI aan te passen; om het berekende niveau van het methylbromide dat de importeurs of producenten voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer op de markt mogen brengen of voor eigen rekening mogen gebruiken, vast te stellen en te verlagen; om een regeling vast te stellen teneinde aan elke producent en importeur van de vastgestelde berekende niveaus van methylbromide quota toe te wijzen; om zo nodig wijzigingen vast te stellen en eventueel tijdschema’s voor geleidelijke eliminatie van de in bijlage VII opgesomde kritische toepassingen van halonen; om te besluiten of de einddatum voor het verbod op het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen moet worden bijgesteld; om de lijst en data inzake de beheersing van het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen te wijzigen; om de lijst van gegevens betreffende het verzoek om een invoervergunning en bijlage IV te wijzigen; om de lijst met gereguleerde stoffen bevattende producten en de codes van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage V te wijzigen; om de datum te vervroegen van het uitvoerverbod voor teruggewonnen, gerecycleerde en geregenereerde halonen voor kritische toepassingen, en om de rapportagevoorschriften te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 2037/2000 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 2037/2000 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, zestiende streepje, wordt vervangen door:

„—   „technische hulpstoffen”: gereguleerde stoffen die in op 1 september 1997 bestaande installaties als chemische hulpstoffen worden gebruikt bij de in bijlage VI genoemde toepassingen waarbij de emissie te verwaarlozen is. Rekening houdend met deze criteria stelt de Commissie volgens de beheersprocedure van artikel 18, lid 2, een lijst van ondernemingen op die gereguleerde stoffen als technische hulpstof mogen gebruiken met maximumemissieniveaus voor iedere onderneming op de lijst.

Op grond van nieuwe gegevens of technische ontwikkelingen waaronder de toetsing die volgens Besluit nr. X/14 van de conferentie der partijen bij het Protocol van Montreal wordt verricht, kan de Commissie:

a)de lijst van ondernemingen wijzigen volgens de beheersprocedure van artikel 18, lid 2;b)bijlage VI wijzigen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing..

2)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2, onder iii), derde alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie neemt maatregelen om het berekende niveau van het methylbromide dat de producenten en importeurs voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer op de markt mogen brengen of voor eigen rekening mogen gebruiken te verlagen in verband met de technische en economische verkrijgbaarheid van alternatieve stoffen of technieken en de internationale ontwikkelingen dienaangaande binnen het Protocol van Montreal. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 3, onder ii), wordt vervangen door:

„ii)

De Commissie kan overgaan tot wijziging van de regeling om aan elke producent en importeur van de onder d) tot en met f) vastgestelde berekende niveaus quota toe te wijzen, die in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2003 en in elke periode van twaalf maanden daarna van toepassing zijn.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

c)

lid 4, onder iv), wordt vervangen door:

„iv)

Lid 1, onder c), is niet van toepassing op het op de markt brengen en het gebruik van teruggewonnen, gerecycleerde of geregenereerde halonen in bestaande brandbeveiligingssystemen tot en met 31 december 2002 en evenmin op het op de markt brengen en het gebruik van halonen voor kritische toepassingen zoals bepaald in bijlage VII. De bevoegde autoriteit van de lidstaat stelt de Commissie ieder jaar in kennis van de hoeveelheden halonen die gebruikt zijn voor kritische toepassingen, de getroffen maatregelen ter beperking van de emissies van halonen en de geschatte hoeveelheid emissies, en deelt haar mee welke activiteiten gaande zijn om geschikte alternatieven te vinden en te gebruiken.

De Commissie toetst de kritische toepassingen, genoemd in bijlage VII, ieder jaar en stelt zo nodig wijzigingen vast, en eventueel tijdschema’s voor geleidelijke eliminatie, met inachtneming van de beschikbaarheid van technisch en economisch haalbare alternatieven of technologieën die met het oog op milieu en gezondheid aanvaardbaar zijn.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder c, punt v), vijfde alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie dient het resultaat van het onderzoek in bij het Europees Parlement en de Raad. In voorkomend geval besluit zij of de datum van 1 januari 2015 moet worden bijgesteld. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   De Commissie kan de in lid 1 vermelde lijst en data wijzigen, in het licht van de met de uitvoering van deze verordening opgedane ervaring of om rekening te houden met de vooruitgang van de techniek, maar kan de daarin vastgelegde perioden in geen geval overschrijden, onverminderd de afwijkingen waarin in lid 7 is voorzien.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 6, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De Commissie kan in de lijst van lid 3 en in bijlage IV wijzigingen aanbrengen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 9, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Als richtsnoer voor de douanediensten van de lidstaten bevat bijlage V een lijst met gereguleerde stoffen bevattende producten en de desbetreffende codes van de gecombineerde nomenclatuur. De Commissie kan in het licht van de door de partijen opgestelde lijsten in deze lijst aanvullingen en wijzigingen aanbrengen, dan wel onderdelen daaruit schrappen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

6)

Artikel 11, lid 1, onder d), wordt vervangen door:

„d)

teruggewonnen, gerecycleerde en geregenereerde halonen die voor kritische toepassingen zijn opgeslagen in installaties waarvoor de bevoegde instantie vergunning heeft verleend, of die de bevoegde instantie exploiteert, tot en met 31 december 2009, om te voorzien in de behoeften voor de in bijlage VII genoemde kritische toepassingen, en halonen bevattende producten en apparatuur om te voorzien in de behoeften voor de in bijlage VII genoemde kritische toepassingen. Na de door de Commissie vóór 1 januari 2005 verrichte evaluatie van de uitvoer van dergelijke teruggewonnen, gerecycleerde en geregenereerde halonen voor kritische toepassingen, kan de Commissie een besluit nemen tot een verbod op die uitvoer op een eerdere datum dan 31 december 2009. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

7)

Artikel 18, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

8)

Artikel 19, lid 6, wordt vervangen door:

„6.   Teneinde de in het kader van het protocol aangegane verbintenissen na te komen of de praktische toepassing van de rapportagevoorschriften te verbeteren, kan de Commissie de in de leden 1 tot en met 4 vervatte rapportagevoorschriften wijzigen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2.4.   Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen  (16)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 166/2006 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de in artikel 8, lid 3, bedoelde maatregelen vast te stellen; om de bijlagen II en III van deze verordening aan te passen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek; om de bijlagen II en III van deze verordening aan te passen als gevolg van wijzigingen van de bijlagen bij het VN-ECE-Protocol betreffende registers inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen zoals besloten op de bijeenkomst van de partijen bij het protocol. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 166/2006 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 166/2006 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 8, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Wanneer de Commissie vaststelt dat er geen gegevens over de uitstoot vanuit diffuse bronnen bestaan, neemt zij, voor zover zulks dienstig is, met gebruikmaking van internationaal aanvaarde methodologieën de nodige maatregelen om te bereiken dat er een begin wordt gemaakt met de rapportage inzake de uitstoot van relevante verontreinigende stoffen vanuit een of meer diffuse bronnen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 18 wordt vervangen door:

„Artikel 18

Wijzigingen van de bijlagen

De Commissie stelt alle wijzigingen van de bijlagen vast die noodzakelijk zijn om:

a)

de bijlagen II of III aan te passen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek;

b)

de bijlagen II en III aan te passen als gevolg van wijzigingen van de bijlagen bij het protocol zoals besloten op de bijeenkomst van de partijen bij het protocol.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Het volgende lid wordt toegevoegd aan artikel 19:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

2.5.   Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG  (17)

Met betrekking tot Richtlijn 2006/7/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de analysemethodes voor de respectievelijk in bijlage I en bijlage V genoemde parameters en monsternemingsvoorschriften aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, en om de EN/ISO-norm inzake de gelijkwaardigheid van microbiologische methoden te specificeren. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2006/7/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2006/7/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 15 wordt vervangen door:

„Artikel 15

Technische aanpassingen en uitvoeringsmaatregelen

1.   De Commissie stelt volgens de regelgevingsprocedure van artikel 16, lid 2, het volgende vast:

a)

gedetailleerde regels voor de toepassing van artikel 8, lid 1, artikel 12, lid 1, onder a), en artikel 12, lid 4;

b)

richtsnoeren voor een gemeenschappelijke methode voor de beoordeling van afzonderlijke monsters.

2.   De Commissie stelt de volgende maatregelen vast:

a)

het specificeren van de EN/ISO-norm inzake de gelijkwaardigheid van microbiologische methoden met het oog op artikel 3, lid 9;

b)

aanpassingen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van de analysemethodes voor de in bijlage I genoemde parameters;

c)

aanpassingen van bijlage V aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 16, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.   De Commissie dient uiterlijk op 24 maart 2010 een ontwerp in van de maatregelen die overeenkomstig lid 1,onder a), met betrekking tot artikel 12, lid 1), onder a), moeten worden genomen. Alvorens dit te doen raadpleegt zij vertegenwoordigers van de lidstaten, de regionale en lokale autoriteiten, relevante toeristische en consumentenorganisaties en andere belanghebbende partijen. Na de vaststelling van de regels in kwestie publiceert zij deze op internet.”.

2)

Artikel 16, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

2.6.   Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën  (18)

Met betrekking tot Richtlijn 2006/21/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de uitvoering van artikel 13, lid 6; om de technische voorschriften voor de afvalkarakterisering in bijlage II aan te vullen; om de definitie in artikel 3, punt 3, te interpreteren; om de criteria voor de classificatie van afvalvoorzieningen overeenkomstig bijlage III te bepalen; om geharmoniseerde normen voor de benodigde steekproef- en analysemethoden vast te stellen, en om de bijlagen aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2006/21/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2006/21/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 22 wordt vervangen door:

„Artikel 22

1.   De Commissie stelt volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure het volgende vast:

a)

de bepalingen die nodig zijn voor de harmonisatie en periodieke toezending van de informatie bedoeld in artikel 7, lid 5, en artikel 12, lid 6;

b)

technische richtsnoeren voor het stellen van een financiële zekerheid overeenkomstig artikel 14, lid 2;

c)

technische richtsnoeren voor inspecties overeenkomstig artikel 17.

2.   De Commissie stelt de bepalingen vast die nodig zijn voor de volgende punten, met voorrang voor de punten b), c) en d):

a)

uitvoering van artikel 13, lid 6, met inbegrip van technische voorschriften voor de definitie van in zwak zuur scheidbaar cyanide en de meetmethode hiervoor;

b)

aanvulling van de technische voorschriften voor de afvalkarakterisering in bijlage II;

c)

interpretatie van de definitie in artikel 3, punt 3;

d)

bepaling van de criteria voor de classificatie van afvalvoorzieningen overeenkomstig bijlage III;

e)

vaststelling van geharmoniseerde normen voor de benodigde steekproef- en analysemethoden voor de technische uitvoering van deze richtlijn.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.   De Commissie stelt alle verdere wijzigingen vast die nodig zijn voor aanpassing van de bijlagen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Deze wijzigingen worden aangebracht teneinde een hoog niveau van milieubescherming te bereiken.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 23, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

3.   EUROSTAT

3.1.   Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad van 23 oktober 1995 inzake geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen  (19)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 2494/95 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om regels vast te stellen ter verkrijging van vergelijkbare GICP’s en om de betrouwbaarheid en relevantie van GICP’s te handhaven en te versterken. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 2494/95 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten deze maatregelen volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 2494/95 als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 3 wordt „van artikel 14” vervangen door „van artikel 14, lid 2”.

2)

Artikel 4, derde alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie (Eurostat) zal regels vaststellen ter verkrijging van vergelijkbare GICP’s. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 5, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De uitvoeringsmaatregelen van deze verordening — die noodzakelijk zijn om de vergelijkbaarheid van de GICP’s te verzekeren en om hun betrouwbaarheid en relevantie te handhaven en te versterken — worden, vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. De Commissie verzoekt de ECB om advies over de maatregelen die zij voornemens is aan het comité voor te leggen.”.

4)

In artikel 8, lid 3, wordt „van artikel 14” vervangen door „van artikel 14, lid 2”.

5)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Productie van resultaten

De lidstaten verwerken de verzamelde gegevens, teneinde het GICP — dat een index van het Laspeyres-type moet zijn die geldt voor de categorieën van de internationale COICOP-indeling (Classification of Individual Consumption by Purpose) (20), die door de Commissie zullen worden aangepast ten behoeve van de vaststelling van vergelijkbare GICP’s — te produceren. De Commissie omschrijft de methoden, procedures en formules die de naleving van het vergelijkbaarheidsvereiste garanderen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

6)

In artikel 11 wordt „van artikel 14” vervangen door „van artikel 14, lid 2”.

7)

Artikel 14 wordt vervangen door:

„Artikel 14

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma, dat is opgericht bij Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad (21), hierna: „het Comité”.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (22) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

8)

Artikel 15, tweede alinea, wordt vervangen door:

„In het kader van die verslagen bepaalt de Commissie haar standpunt ten aanzien van het verloop van de in artikel 14 bedoelde procedure en stelt zij in voorkomend geval de door haar passend geachte wijzigingen voor.”.

3.2.   Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad van 9 maart 1998 betreffende de organisatie van een steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap  (23)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 577/98 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om extra variabelen toe te voegen; om de definities, de controleregels en de codering van de variabelen aan te passen; om een lijst van structurele variabelen vast te stellen, en om de minimale steekproefomvang en de frequentie waarmee de enquête wordt gehouden, vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 577/98 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 577/98 als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1, vijfde alinea, derde streepje, wordt „van artikel 8” vervangen door „van artikel 8, lid 2”.

2)

Artikel 4, leden 2, 3 en 4, wordt vervangen door:

„2.   De in lid 1 bedoelde informatie kan worden aangevuld met een extra reeks variabelen, hierna „speciale module” genoemd.

Ieder jaar wordt een meerjarig programma van speciale modules vastgesteld door de Commissie.

In dit programma wordt voor iedere speciale module het onderwerp, de referentieperiode, de omvang van de steekproef (gelijk aan of kleiner dan die genoemd in artikel 3) en de termijnen voor indiening van de resultaten (eventueel afwijkend van de in artikel 6 genoemde termijnen) vastgesteld.

De betrokken lidstaten en regio’s en de gedetailleerde lijst van de in het kader van een speciale module te verzamelen informatie worden ten minste twaalf maanden voor het begin van de referentieperiode voor deze module vastgesteld.

De omvang van een speciale module mag niet groter zijn dan elf variabelen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 8, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.   De definities, de controleregels, de codering van de variabelen, de door de ontwikkeling van technieken en concepten noodzakelijke bijwerking van de lijst van enquêtevariabelen en een lijst van de principes bij de formulering van de vragen over de arbeidssituatie worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 8, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.   Op voorstel van de Commissie kan uit de in lid 1 genoemde kenmerken van de enquête een lijst van variabelen, hierna „structurele variabelen” genoemd, worden vastgesteld die slechts als jaarlijkse gemiddelden met als referentieperiode 52 weken en niet als kwartaalgemiddelden hoeven te worden verzameld. De lijst van structurele variabelen, de minimale steekproefomvang en de frequentie waarmee de enquête wordt gehouden, worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 8, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Spanje, Finland en het Verenigd Koninkrijk kunnen een onderzoek verrichten naar de structurele variabelen per kwartaal tijdens een overgangsperiode tot eind 2007.”.

3)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma, dat is ingesteld bij Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad (24).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (25) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

3.3.   Verordening (EG) nr. 1165/98 van de Raad van 19 mei 1998 inzake kortetermijnstatistieken  (26)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 1165/98 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om Europese steekproefprogramma’s goed te keuren en uit te voeren; om de bijlagen aan te passen, en om de uitvoeringsmaatregelen van deze verordening vast te stellen, met inbegrip van de maatregelen om rekening te houden met de economische en technische ontwikkelingen inzake het verzamelen en statistisch verwerken van gegevens en het toezenden van de variabelen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 1165/98 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1165/98 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4, lid 2, onder d), wordt vervangen door:

„d)

deelname aan door Eurostat gecoördineerde Europese steekproefprogramma’s met het oog op de productie van Europese schattingen.

De in de eerste alinea genoemde programma’s worden uitgewerkt in de bijlagen. Maatregelen ter goedkeuring en tenuitvoerlegging ervan worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Er worden Europese steekproefprogramma’s opgezet als de nationale steekproefprogramma’s niet aan de Europese voorschriften voldoen. Daarnaast kunnen de lidstaten ervoor kiezen aan een Europees steekproefprogramma deel te nemen als dergelijke programma’s mogelijkheden creëren voor substantiële reducties in de kosten van het statistisch systeem of in de lasten voor het bedrijfsleven die voortvloeien uit het moeten voldoen aan de Europese voorschriften. Bij deelname aan een Europees steekproefprogramma moeten de voorwaarden van een lidstaat voor de verstrekking van de desbetreffende variabele worden nageleefd, rekening houdend met het doel van dit programma. De Europese steekproefprogramma’s kunnen gericht zijn op de voorwaarden, de mate van gedetailleerdheid en de termijnen voor het verstrekken van de gegevens.”.

2)

In artikel 16, lid 1, wordt „van artikel 18” vervangen door „van artikel 18, lid 2”.

3)

De artikelen 17 en 18 worden vervangen door:

„Artikel 17

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie stelt de uitvoeringsmaatregelen van deze verordening vast, met inbegrip van de maatregelen om rekening te houden met de economische en technische ontwikkelingen inzake het verzamelen en statistisch verwerken van gegevens en het toezenden van de variabelen. Daarbij wordt het beginsel in acht genomen dat de baten van de maatregel hoger moeten zijn dan de kosten, en dat de uitvoering daarvan ten opzichte van de initiële bepalingen van deze verordening geen aanzienlijke extra middelen van de lidstaten of van de ondernemingen mogen vergen. De uitvoeringsbepalingen van deze verordening betreffen met name:

a)

het gebruik van bijzondere eenheden (artikel 2),

b)

de bijwerking van de lijst van variabelen (artikel 3),

c)

de definities en de juiste vorm van de ingediende variabelen (artikel 3),

d)

het opzetten van Europese steekproefprogramma’s (artikel 4),

e)

de frequentie waarmee de statistieken worden opgesteld (artikel 5),

f)

de indelings- en samenvoegingsniveaus voor de variabelen (artikel 6),

g)

de indieningstermijnen (artikel 8),

h)

de criteria voor de kwaliteitsmeting (artikel 10),

i)

de overgangsperiodes (artikel 13, lid 1),

j)

de gedurende de overgangsperiode verleende ontheffingen (artikel 13, lid 2),

k)

het organiseren van pilotstudies (artikel 16),

l)

het eerste basisjaar voor de tijdreeksen van de NACE Rev. 2,

m)

voor tijdreeksen van vóór 2009 die worden verstrekt overeenkomstig de NACE Rev. 2: de mate van gedetailleerdheid, de vorm, de eerste referentieperiode, en de referentieperiode.

De onder de punten j) en k) vermelde maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

De onder punten a) tot en met i), en l) en m), vermelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 18

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma, dat is opgericht bij Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad (27).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (28) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4)

Bijlage A („Industrie”) wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt a) („Reikwijdte”) wordt vervangen door:

„a)   Reikwijdte

Deze bijlage is van toepassing op alle activiteiten die zijn opgenomen in de secties B tot en met E van de NACE Rev. 2, of in voorkomend geval, op alle producten die zijn opgenomen in de secties B tot en met E van de CPA. De informatie is niet vereist voor 37, 38.1, 38.2 en 39 van de NACE Rev. 2. De lijst van activiteiten kan worden herzien door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

punt b) („Eenheid van waarneming”), lid 3, wordt vervangen door:

„3.

Tot het gebruik van andere eenheden van waarneming kan worden besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

c)

punt c) („Lijst van variabelen”) wordt als volgt gewijzigd:

i)

lid 2, laatste zin, wordt vervangen door:

„De Commissie zal bepalen hoe de nodige gegevenskwaliteit kan worden gewaarborgd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

ii)

de leden 3 en 4 worden vervangen door:

„3.

Vanaf het begin van de eerste referentieperiode kan de informatie over nieuwe orders (nr. 130, 131 en 132) bij benadering worden aangegeven met een andere vooruitlopende indicator, die op basis van gegevens uit conjunctuurenquêtes mag worden berekend. Deze benadering is toegestaan voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de verordening. Deze periode wordt met ten hoogste vijf jaar verlengd, tenzij anders wordt besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.

Vanaf het begin van de eerste referentieperiode kan de informatie over het aantal werkzame personen (nr. 210) bij benadering worden aangegeven aan de hand van het aantal werknemers (nr. 211). Deze benadering is toegestaan voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de verordening. Deze periode wordt met ten hoogste vijf jaar verlengd, tenzij anders wordt besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

iii)

lid 8, laatste zin, wordt vervangen door:

„De lijst van activiteiten kan worden herzien door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

iv)

lid 10, laatste zin, wordt vervangen door:

„De lijst van activiteiten kan worden herzien door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

d)

punt d) („Vorm”), lid 2, wordt vervangen door:

„2.

Bovendien worden de variabelen productie (nr. 110) en aantal gewerkte uren (nr. 220) in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens verstrekt.

Wanneer andere variabelen door het aantal werkdagen worden beïnvloed, mogen de lidstaten deze variabelen eveneens in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens verstrekken. De lijst van variabelen die in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens moeten worden opgesteld, kan worden gewijzigd door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

e)

punt f) („Mate van gedetailleerdheid”), leden 8 en 9, wordt vervangen door:

„8.

Voor de invoerprijzenvariabele (nr. 340) kan de Commissie de voorwaarden vaststellen voor de toepassing van een Europees steekproefprogramma zoals omschreven in artikel 4, lid 2, eerste alinea, onder d). Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

9.

Bij de verstrekking van de variabelen voor de buitenlandse markten (nrs. 122, 132 en 312) moet onderscheid worden gemaakt tussen eurolanden en niet-eurolanden. Dat onderscheid moet worden gemaakt voor de totale industrie, gedefinieerd als secties B tot en met E van de NACE Rev. 2, de BIG’s, en het sectie- (1 letter) en afdelingsniveau (2 cijfers) van de NACE Rev. 2. De informatie over NACE Rev. 2 D en E is niet vereist voor variabele 122. Ook bij de verstrekking van de variabele invoerprijzen (nr. 340) moet onderscheid worden gemaakt tussen eurolanden en niet-eurolanden. Dat onderscheid moet worden gemaakt voor de totale industrie, gedefinieerd als secties B tot en met E van de CPA, de BIG’s, en het sectie- (1 letter) en afdelingsniveau (2 cijfers) van de CPA. Voor het onderscheid tussen eurolanden en niet-eurolanden kan de Commissie de voorwaarden vaststellen voor de toepassing van een Europees steekproefprogramma zoals omschreven in artikel 4, lid 2, eerste alinea, onder d). Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Het Europese steekproefprogramma kan de reikwijdte van de variabele invoerprijzen beperken tot de invoer van producten uit niet-eurolanden. Lidstaten die een andere munteenheid dan de euro hanteren, hoeven voor de variabelen 122, 132, 312 en 340 geen onderscheid tussen eurolanden en niet-eurolanden te maken.”;

f)

in punt j) („Overgangsperiode”) worden alle verwijzingen naar artikel 18 vervangen door verwijzingen naar artikel 18, lid 2.

5)

Bijlage B („Bouwnijverheid”) wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt b) („Eenheid van waarneming”), lid 4, wordt vervangen door:

„4.

Tot het gebruik van andere eenheden van waarneming kan worden besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

punt c) („Lijst van variabelen”) wordt als volgt gewijzigd:

i)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.

Vanaf het begin van de eerste referentieperiode kan de informatie over het aantal werkzame personen (nr. 210) bij benadering worden aangegeven aan de hand van het aantal werknemers (nr. 211). Deze benadering is toegestaan voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de verordening. Deze periode wordt met ten hoogste vijf jaar verlengd, tenzij anders wordt besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

ii)

lid 6, laatste alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie beslist uiterlijk op 11 augustus 2008 of artikel 17, lid b), wordt ingeroepen om met ingang van basisjaar 2010 de bouwkostenvariabele door de afzetprijzenvariabele te vervangen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

c)

punt d) („Vorm”), lid 2, wordt vervangen door:

„2.

Bovendien worden de variabelen voor de productie (nrs. 110, 115, 116) en het aantal gewerkte uren (nr. 220) in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens verstrekt. Wanneer andere variabelen door het aantal werkdagen worden beïnvloed, mogen de lidstaten deze variabelen eveneens in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens verstrekken. De lijst van variabelen die in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens moeten worden opgesteld, kan worden gewijzigd door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

d)

in punt j) („Overgangsperiode”) worden alle verwijzingen naar artikel 18 vervangen door verwijzingen naar artikel 18, lid 2.

6)

Bijlage C („Detailhandel en reparatie”) wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt b) („Eenheid van waarneming”), lid 2, wordt vervangen door:

„2.

Tot het gebruik van andere eenheden van waarneming kan worden besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

punt c) („Lijst van variabelen”) wordt als volgt gewijzigd:

i)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.

Vanaf het begin van de eerste referentieperiode kan de informatie over het aantal werkzame personen (nr. 210) bij benadering worden aangegeven aan de hand van het aantal werknemers (nr. 211). Deze benadering is toegestaan voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de verordening. Deze periode wordt met ten hoogste vijf jaar verlengd, tenzij anders wordt besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

ii)

lid 4, laatste alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie beslist uiterlijk op 11 augustus 2008 of artikel 17, lid b), wordt ingeroepen om met ingang van basisjaar 2010 de variabelen gewerkte uren (nr. 220) en brutolonen (nr. 230) op te nemen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

c)

punt d) („Vorm”), lid 2, wordt vervangen door:

„2.

De variabelen voor de omzet (nr. 120) en het verkoopvolume (nr. 123) worden tevens in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens verstrekt. Wanneer andere variabelen door het aantal werkdagen worden beïnvloed, mogen de lidstaten deze variabelen eveneens in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens verstrekken. De lijst van variabelen die in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens moeten worden verstrekt, kan worden gewijzigd door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

d)

Punt g) („Termijnen voor de indiening van de gegevens”), lid 2, wordt vervangen door:

„2.

De variabelen nrs. 120 (omzet) en 330/123 (deflator van de verkoop/volume van de verkoop) worden binnen één maand met de onder f), punt 3, van deze bijlage vastgestelde mate van gedetailleerdheid verstrekt. Een lidstaat kan opteren voor deelname aan de variabelen nrs. 120 (omzet) en 330/123 (deflator van de verkoop/volume van de verkoop) met bijdragen op basis van de toewijzing van een Europees steekproefprogramma zoals omschreven in artikel 4, lid 2, eerste alinea, onder d). Hoe de toewijzing gebeurt, wordt bepaald door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

e)

in punt j) („Overgangsperiode”) worden alle verwijzingen naar artikel 18 vervangen door verwijzingen naar artikel 18, lid 2.

7)

Bijlage D („Overige diensten”) wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt b) („Eenheid van waarneming”), lid 2, wordt vervangen door:

„2.

Tot het gebruik van andere eenheden van waarneming kan worden besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

punt c) („Lijst van variabelen”) wordt als volgt gewijzigd:

i)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.

Vanaf het begin van de eerste referentieperiode kan de informatie over het aantal werkzame personen (nr. 210) als benadering vervangen worden door het aantal werknemers (nr. 211). Deze benadering is toegestaan voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de verordening. Deze periode wordt met ten hoogste vijf jaar verlengd, tenzij anders wordt besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

ii)

lid 4, laatste alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie beslist uiterlijk op 11 augustus 2008 of artikel 17, lid b), wordt ingeroepen om met ingang van basisjaar 2010 de variabelen gewerkte uren (nr. 220) en brutolonen (nr. 230) op te nemen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

c)

punt d) („Vorm”), lid 2, wordt vervangen door:

„2.

De variabele voor de omzet (nr. 120) wordt tevens in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens verstrekt. Wanneer andere variabelen door het aantal werkdagen worden beïnvloed, mogen de lidstaten deze variabelen eveneens in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens verstrekken. De lijst van variabelen die in de vorm van voor aantal werkdagen gecorrigeerde gegevens moeten worden verstrekt, kan worden gewijzigd door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

d)

punt e) („Referentieperiode”), laatste alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie beslist uiterlijk op 11 augustus 2008 of artikel 17, lid e), wordt ingeroepen in verband met de herziening van de frequentie waarmee de omzetvariabele wordt opgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

e)

punt f) („Mate van gedetailleerdheid”), lid 6, wordt vervangen door:

„6.

De Commissie kan de lijst van activiteiten of groepen van activiteiten uiterlijk op 11 augustus 2008 wijzigen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

f)

in de punten i) („Eerste referentieperiode”) en j) („Overgangsperiode”) worden alle verwijzingen naar artikel 18 vervangen door verwijzingen naar artikel 18, lid 2.

3.4.   Verordening (EG) nr. 530/1999 van de Raad van 9 maart 1999 betreffende structuurstatistieken van lonen en loonkosten  (29)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 530/1999 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de definitie en indeling van de te verstrekken gegevens aan te passen, en om de criteria voor de kwaliteitsbeoordeling vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 530/1999 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 530/1999 als volgt gewijzigd:

1)

De artikelen 11 en 12 worden vervangen door:

„Artikel 11

Uitvoeringsmaatregelen

De volgende maatregelen die voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijk zijn, inclusief de maatregelen in verband met economische en technische aanpassingen, worden door de Commissie vastgesteld voor iedere referentieperiode ten minste negen maanden voor het begin ervan:

i)

de definitie en indeling van de te verstrekken gegevens (artikel 6),

ii)

het juiste technische formaat voor de indiening van de resultaten (artikel 9),

iii)

de criteria voor de kwaliteitsbeoordeling (artikel 10),

iv)

afwijkingen in gemotiveerde gevallen voor de jaren 2004 en 2006 (artikel 13, lid 2).

De onder de punten ii) en iv) vermelde maatregelen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 12, lid 2.

De onder de punten i) en iii) vermelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 12

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma, dat is opgericht bij Besluit 89/382/EEG, Euratom (30).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (31) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

2)

Artikel 13, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Voor de referentiejaren 2004 en 2006 kunnen volgens de regelgevingsprocedure van artikel 12, lid 2, afwijkingen van de artikelen 3 en 6 worden vastgesteld als het nationale statistische stelsel ingrijpend gewijzigd moet worden.”.

3.5.   Verordening (EG) nr. 450/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 betreffende de loonkostenindex  (32)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 450/2003 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om definities aan te passen; om technische specificaties te wijzigen; om nieuwe secties in enquêtes op te nemen; om de uitsplitsing van indexcijfers naar economische activiteit aan te passen; om kwaliteitscriteria vast te stellen; om haalbaarheidsstudies op te stellen; om op basis van de resultaten van deze studies besluiten aan te nemen, en om de voor het koppelen van de indexcijfers gebruikte methoden vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 450/2003 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 450/2003 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   De Commissie kan maatregelen nemen ter wijziging van de technische specificaties van de index, met inbegrip van herzieningen van de wegingstructuur. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De opname van de in secties O tot en met S van de NACE Rev. 2 gedefinieerde economische activiteiten in het toepassingsgebied van deze verordening, geschiedt door de Commissie, rekening houdend met de haalbaarheidsstudies van artikel 10. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

Uitsplitsing van de variabelen

1.   De gegevens worden uitgesplitst naar economische activiteit in secties van de NACE Rev. 2 en verdere onderverdelingen daarvan, zoals vastgesteld door de Commissie, tot ten hoogste het niveau van de NACE Rev. 2-afdelingen (niveau met twee cijfers) of groepen afdelingen, rekening houdend met de bijdrage aan de totale werkgelegenheid en aan de loonkosten op Gemeenschaps- en op nationaal niveau. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De indexcijfers van de loonkosten worden afzonderlijk voor onderstaande drie categorieën loonkosten verstrekt:

a)

loonkosten, totaal;

b)

lonen, vastgesteld aan de hand van element D.11 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1726/1999, waarnaar in artikel 2 wordt verwezen;

c)

sociale premies ten laste van werkgevers plus door de werkgever betaalde belastingen, minus door de werkgever ontvangen subsidies, vastgesteld als de som van de elementen D.12 en D.4 minus element D.5 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1726/1999.

2.   Er wordt een index gemaakt voor de raming van de totale loonkosten, exclusief premies, voor zover deze premies zijn vastgesteld aan de hand van element D.11112 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1726/1999; deze index wordt uitgesplitst naar economische activiteit, zoals vastgesteld door de Commissie, en is gebaseerd op de nomenclatuur van de NACE Rev. 2, rekening houdend met de in artikel 10 voorgeschreven haalbaarheidsstudies. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

Kwaliteit

1.   De ingediende actuele en oude gegevens moeten beantwoorden aan afzonderlijke kwaliteitscriteria, die worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen onder meer door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2.   De lidstaten moeten vanaf 2003 jaarlijks een verslag over de kwaliteit aan de Commissie voorleggen. De inhoud van deze verslagen wordt vastgesteld door de Commissie. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen onder meer door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

De artikelen 11 en 12 worden vervangen door:

„Artikel 11

Uitvoeringsmaatregelen

De volgende maatregelen ter uitvoering van deze verordening, met inbegrip van maatregelen om rekening te houden met economische en technische veranderingen, worden vastgesteld door de Commissie:

a)

vaststelling overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de onderverdelingen die in de vaste structuur moeten worden opgenomen;

b)

technische specificatie van de index (artikel 2);

c)

opname van de secties O tot en met S van de NACE Rev. 2 (artikel 3);

d)

uitsplitsing van indexcijfers naar economische activiteit (artikel 4);

e)

het formaat voor de indiening van de resultaten en de toe te passen actualiseringsprocedures (artikel 6);

f)

afzonderlijke kwaliteitscriteria voor de ingediende actuele en oude gegevens en de inhoud van de kwaliteitsverslagen (artikel 8);

g)

een overgangsperiode (artikel 9);

h)

het opstellen van haalbaarheidsstudies en op de resultaten daarvan gebaseerde besluiten (artikel 10), en

i)

de voor het koppelen van de indexcijfers gebruikte methoden (bijlage).

De onder de punten e), g) en h) vermelde maatregelen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 12, lid 2.

De onder de punten a), b), c), d), f) en i) vermelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 12

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 89/382/EEG, Euratom (33) opgerichte Comité statistisch programma.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

6)

Punt 3 van de bijlage wordt vervangen door:

„3.

De regels voor het koppelen van de indexcijfers zullen worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3.6.   Verordening (EG) nr. 1552/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de statistiek van bij- en nascholing in ondernemingen  (34)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 1552/2005 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de definities en de steekproeftrekking aan te passen; om de te verzamelen specifieke gegevens vast te stellen, en om de kwaliteitsvereisten voor de gegevens en de indiening ervan te bepalen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 1552/2005 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1552/2005 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 5, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Rekening houdend met de specifieke grootteverdeling van ondernemingen in de lidstaten en de evolutie van de beleidsbehoeften, kunnen de lidstaten de definitie van de statistische eenheid in hun land verruimen. De Commissie kan ook besluiten om deze definitie te verruimen, als zo’n verruiming in belangrijke mate de representativiteit en de kwaliteit van de enquête in de betrokken lidstaten verbetert. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 7, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De eisen in verband met de steekproeftrekking en de nauwkeurigheid, de omvang van de steekproef die nodig is om aan deze eisen te beantwoorden, en de specificaties van de op grond van de NACE Rev. 2 en van de omvang vastgestelde categorieën waarin de resultaten kunnen worden ingedeeld, worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 8, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De specifieke gegevens die moeten worden verzameld voor ondernemingen die scholing geven en ondernemingen die dit niet doen en voor de verschillende vormen van bij- en nascholing, worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 9, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   De kwaliteitsvereisten voor de gegevens over scholing in ondernemingen die ten behoeve van de communautaire statistiek moeten worden verzameld en ingediend, de structuur van de in lid 2 bedoelde kwaliteitsverslagen en de maatregelen die nodig mochten zijn om de kwaliteit van de gegevens te beoordelen of te verbeteren, worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 10, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie stelt de eerste referentieperiode waarvoor gegevens moeten worden verzameld, vast. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen onder meer door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde procedure.”.

6)

De artikelen 13 en 14 worden vervangen door:

„Artikel 13

Uitvoeringsmaatregelen

De maatregelen die nodig zijn om rekening te houden met de economische en technische ontwikkelingen op het gebied van verzameling, verzending en verwerking van gegevens, worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Andere maatregelen voor de uitvoering van deze verordening, inclusief het passende technische formaat en de uitwisselingsnorm voor de indiening van gegevens in elektronische vorm, worden vastgesteld door de Commissie volgens de regelgevingsprocedure van artikel 14, lid 2.

Artikel 14

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma, dat is opgericht bij Besluit 89/382/EEG, Euratom (35).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4.   INTERNE MARKT

4.1.   Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV)  (36)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 2195/2002 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de structuur en de codes van de CPV bij te werken en om de bijlagen bij deze verordening technisch bij te werken zodat de gebruikers kunnen beschikken over een instrument dat is aangepast aan hun behoeften en aan de ontwikkelingen inzake overheidsopdrachten. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 2195/2002, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de aanneming van zuiver technische wijzigingen, de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen.

Bijgevolg worden de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 2195/2002 vervangen door:

„Artikel 2

De Commissie stelt de bepalingen betreffende de herziening van de CPV vast. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 3, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 3, lid 3, bedoelde urgentieprocedure.

Artikel 3

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 71/306/EEG van de Raad (37) ingestelde Comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4.2.   Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten  (38)

Met betrekking tot Richtlijn 2004/17/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om bepaalde delen van de richtlijn en van de bijlagen daarbij aan te passen aan de technische vooruitgang of de evoluties in de lidstaten, en om de drempels voor de toepassing van de regeling te herzien. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2004/17/EG, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Om redenen van doeltreffendheid en gelet op de termijnbeperkingen die voortvloeien uit de berekeningswijze en publicatievoorschriften, moeten de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen worden ingekort voor de herziening van bepaalde drempels.

Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de aanneming van zuiver technische wijzigingen, de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2004/17/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 68 wordt vervangen door:

„Artikel 68

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 71/306/EEG van de Raad (39) ingestelde Comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en lid 5, onder b), en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), lid 4, onder b), en lid 4, onder e), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijnen worden vastgesteld op respectievelijk vier, twee en zes weken.

5.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

2)

Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie controleert iedere twee jaar vanaf 30 april 2004 de in artikel 16 vastgestelde drempels en past ze zo nodig wat betreft de tweede alinea aan. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 68, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 68, lid 5, bedoelde urgentieprocedure.”;

b)

lid 2, eerste alinea, wordt vervangen door:

„Bij de in lid 1 bedoelde herziening past de Commissie ook de in artikel 61 (prijsvragen) genoemde drempels aan aan de herziene drempel die van toepassing is op opdrachten voor diensten. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 68, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 68, lid 5, bedoelde urgentieprocedure.”.

3)

Artikel 70 wordt vervangen door:

„Artikel 70

Wijzigingen

1.   De Commissie kan, volgens de in artikel 68, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure overgaan tot wijziging van:

a)

de wijzen van verzending en bekendmaking van gegevens als bedoeld in bijlage XX, om redenen in verband met de technische vooruitgang of om administratieve redenen;

b)

de regels voor de opstelling, verzending, ontvangst, vertaling, bundeling en verspreiding van de in de artikelen 41, 42, 43 en 63 genoemde aankondigingen;

c)

met het oog op vereenvoudiging overeenkomstig artikel 67, lid 3, de regels voor de toepassing, opstelling, verzending, ontvangst, vertaling, bundeling en verspreiding; van de in artikel 67, leden 1 en 2, bedoelde statistische overzichten.

2.   De Commissie kan de volgende elementen wijzigen:

a)

de in de bijlagen I tot en met X opgenomen lijst van aanbestedende diensten zodat zij aan de in artikel 2 tot en met 7 vastgestelde criteria voldoen;

b)

de regels voor bijzondere verwijzingen naar specifieke posten van de CPV-nomenclatuur in de aankondigingen;

c)

de in de bijlage XVII opgenomen nomenclatuurindeling, voor zover hierdoor niet het materiële toepassingsgebied van de richtlijn wordt gewijzigd, en de regels voor de verwijzing in de aankondigingen naar specifieke posten van die nomenclatuur binnen de in deze bijlagen vermelde categorieën diensten;

d)

de in bijlage XII vastgestelde nomenclatuurindeling, voor zover hierdoor niet het materiële toepassingsgebied van de richtlijn wordt gewijzigd en, de regels voor de verwijzing in de aankondigingen naar specifieke posten van die nomenclatuur;

e)

bijlage XI;

f)

de technische aspecten en kenmerken van de middelen voor elektronische ontvangst als bedoeld in de punten a), f) en g) van bijlage XXIV;

g)

de technische regels voor de in artikel 69, lid 1, tweede alinea en lid 2, tweede alinea, bedoelde berekeningsmethoden.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 68, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 68, lid 5, bedoelde urgentieprocedure.”.

4.3.   Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten  (40)

Met betrekking tot Richtlijn 2004/18/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om bepaalde delen van de richtlijn en van de bijlagen daarbij aan te passen aan de technische vooruitgang of de evoluties in de lidstaten, en om de drempels voor de toepassing van de regeling te herzien. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2004/18/EG, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Om redenen van doeltreffendheid en gelet op de termijnbeperkingen die voortvloeien uit de berekeningswijze en publicatievoorschriften, moeten de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen worden ingekort voor de herziening van bepaalde drempels.

Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de aanneming van zuiver technische wijzigingen, de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2004/18/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 77 wordt vervangen door:

„Artikel 77

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 71/306/EEG van de Raad (41) ingestelde Comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en lid 5, onder b), en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan. De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), lid 4, onder b), en lid 4, onder e), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijnen worden vastgesteld op respectievelijk vier, twee en zes weken.

5.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

2)

Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie controleert iedere twee jaar vanaf 30 april 2004 de in artikel 7 vastgestelde drempels en past ze zo nodig aan. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 77, lid 5, bedoelde urgentieprocedure.”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Bij de in lid 1 bedoelde herziening brengt de Commissie:

a)

de drempels die zijn vastgesteld in artikel 8, eerste alinea, onder a), artikel 56 en artikel 63, lid 1, eerste alinea, in overeenstemming met de herziene drempel voor overheidsopdrachten voor werken;

b)

de drempel die is vastgesteld in artikel 67, lid 1, onder a), in overeenstemming met de herziene drempel voor door de in bijlage IV bedoelde aanbestedende diensten geplaatste overheidsopdrachten voor diensten;

c)

de drempels die zijn vastgesteld in artikel 8, eerste alinea, onder b), en artikel 67, lid 1, onder b) en c), in overeenstemming met de herziene drempel voor door niet in bijlage IV bedoelde aanbestedende diensten geplaatste overheidsopdrachten voor diensten.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 77, lid 5, bedoelde urgentieprocedure.”.

3)

Artikel 79 wordt vervangen door:

„Artikel 79

Wijzigingen

1.   De Commissie kan, volgens de in artikel 77, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure overgaan tot wijziging van:

a)

de regels voor het opstellen, het verzenden, de ontvangst, de vertaling, de bundeling en de verspreiding van de in de artikelen 35, 58, 64 en 69, eerste alinea, bedoelde aankondigingen, alsook voor de in artikel 35, lid 4, vierde alinea, en de artikelen 75 en 76 bedoelde statistische overzichten;

b)

de wijzen van verzending en bekendmaking van gegevens als bedoeld in bijlage VIII, om redenen in verband met de technische vooruitgang of om administratieve redenen.

2.   De Commissie kan de volgende elementen wijzigen:

a)

de technische aspecten van de in artikel 78, lid 1, tweede alinea, en lid 3, vastgestelde berekeningswijzen;

b)

de regels voor bijzondere verwijzingen naar specifieke posten van de CPV-nomenclatuur in de aankondigingen;

c)

de in bijlage III opgenomen lijsten van de instellingen en van de categorieën publiekrechtelijke instellingen, wanneer dit op basis van de kennisgevingen van de lidstaten noodzakelijk blijkt;

d)

de in bijlage IV opgenomen lijsten van centrale overheidsinstanties, indien aanpassing noodzakelijk is om gevolg te geven aan de overeenkomst;

e)

de in bijlage I opgenomen nomenclatuurindeling, voor zover hierdoor niet het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn wordt gewijzigd, en de regels voor de verwijzing in de aankondigingen naar specifieke posten van die nomenclatuur;

f)

de in bijlage II opgenomen nomenclatuurindeling, voor zover hierdoor niet het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn wordt gewijzigd, en de regels voor de verwijzing in de aankondigingen naar specifieke bepalingen van die nomenclatuur binnen de in de bijlage vermelde categorieën diensten;

g)

de technische aspecten en kenmerken van de middelen voor elektronische ontvangst als bedoeld in bijlage X, punten a), f) en g).

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 77, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 77, lid 5, bedoelde urgentieprocedure.”.

5.   GEZONDHEID EN CONSUMENTENBESCHERMING

5.1.   Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen  (42)

Met betrekking tot Verordening (EEG) nr. 315/93 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om maximale toleranties voor bepaalde verontreinigingen vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EEG) nr. 315/93 door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Elke vertraging bij de vaststelling van maximale toleranties voor bepaalde verontreinigingen kan een gevaar voor de gezondheid van mens of dier betekenen. Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de vaststelling van deze toleranties, de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen.

Bijgevolg wordt Verordening (EEG) nr. 315/93 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, lid 3, eerste alinea, wordt vervangen door:

„Ter bescherming van de volksgezondheid en uit hoofde van lid 1 kan de Commissie waar nodig maximale toleranties voor bepaalde verontreinigingen vaststellen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 8, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 8, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.”.

2)

Artikel 4, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie onderzoekt zo spoedig mogelijk de door de in lid 1 bedoelde lidstaat opgegeven redenen in het kader van het bij Besluit 69/414/EEG van de Raad (43) ingestelde Permanent Comité voor levensmiddelen; zij brengt onverwijld advies uit en neemt de nodige maatregelen om de nationale maatregel te bevestigen, te wijzigen of te annuleren overeenkomstig de regelgevingsprocedure van artikel 8, lid 2.

3)

In artikel 5, lid 3, vierde alinea, wordt „artikel 8” vervangen door „artikel 8, lid 2”.

4)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (44) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

5.2.   Richtlijn 93/74/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende diervoeders met bijzonder voedingsdoel  (45)

Met betrekking tot Richtlijn 93/74/EEG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven tot vaststelling van algemene bepalingen in verband met de in de lijst van bestemmingen opgenomen vermeldingen en tot wijziging van de lijst van bestemmingen en van de algemene bepalingen in verband met de in de lijst van bestemmingen opgenomen vermeldingen, ten gevolge van wetenschappelijke en technische ontwikkelingen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 93/74/EEG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Diervoeders met bijzonder voedingsdoel nemen een steeds belangrijker plaats in in de voeding van huisdieren en in het fokken van gebruiksdieren. Het zijn voeders waarvan de samenstelling en de vervaardiging speciaal moeten zijn afgestemd op de voedingsbehoeften van de categorieën huisdieren of gebruiksdieren waarvan het spijsverterings- of het absorptiemechanisme dan wel het metabolisme verstoord dreigt te worden of tijdelijk of onherstelbaar verstoord is. Daarom moet aan de gebruikers van die voeders onverwijld alle juiste en relevante informatie worden verstrekt zodat zij de juiste keuze kunnen maken. Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie gebruik kunnen maken van de urgentieprocedure van artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG, voor de vaststelling van de algemene bepalingen in verband met de in de lijst van bestemmingen bedoelde vermeldingen en voor de wijzigingen van de lijst van bestemmingen en van de algemene bepalingen in verband met de in de lijst van bestemmingen bedoelde vermeldingen, ten gevolge van wetenschappelijke en technische ontwikkelingen.

Bijgevolg wordt Richtlijn 93/74/EEG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 6 wordt vervangen door:

„Artikel 6

De Commissie:

a)

stelt volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure uiterlijk op 30 juni 1994 overeenkomstig de bijlage een lijst van bestemmingen op. Deze lijst bevat:

de in artikel 5, punt 1, onder b), c), d) en e), bedoelde vermeldingen, en

zo nodig, de in artikel 5, punt 2, en artikel 5, punt 4, tweede alinea, bedoelde vermeldingen;

b)

stelt algemene bepalingen vast in verband met de onder a) bedoelde vermeldingen, waaronder toepasselijke toleranties;

c)

wijzigt de overeenkomstig a) en b) aangenomen maatregelen ten gevolge van wetenschappelijke en technische ontwikkelingen.

De onder b) en c) bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 9, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 9, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.”.

2)

Artikel 8, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie leidt zo spoedig mogelijk de in artikel 9, lid 2, vastgestelde regelgevingsprocedure in om, indien nodig, passende maatregelen om de nationale maatregel te bevestigen, te wijzigen of te annuleren te nemen.”.

3)

Artikel 9, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

5.3.   Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan  (46)

Met betrekking tot Richtlijn 96/23/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de bijlagen te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 96/23/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 96/23/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 6 wordt vervangen door:

„Artikel 6

1.   In het plan dienen de in bijlage IV vastgestelde niveaus en frequenties van de monsternemingen in acht te worden genomen. Op verzoek van een lidstaat kan de Commissie evenwel, overeenkomstig de regelgevingsprocedure in artikel 33, lid 2, de in die bijlage vastgestelde minimumeisen inzake de controle aanpassen voor de lidstaten in kwestie, op voorwaarde dat duidelijk vaststaat dat daardoor de algemene doeltreffendheid van het plan voor de betrokken lidstaat toeneemt en de mogelijkheden waarover de lidstaat beschikt ter identificatie van de residuen of van de gevallen waarin illegale behandeling met de in bijlage I genoemde stoffen heeft plaatsgevonden, niet geringer worden.

2.   Het heronderzoek van de overeenkomstig bijlage II op te sporen groepen residuen, alsmede de vaststelling van de nog niet in bijlage IV opgenomen niveaus en frequenties van de monsternemingen voor de in artikel 3 genoemde dieren en producten, geschieden door de Commissie en voor het eerst binnen 18 maanden na de aanneming van deze richtlijn. Daarbij houdt de Commissie rekening met de ervaring die in het kader van de bestaande nationale maatregelen is opgedaan, alsmede met de gegevens die aan de Commissie zijn medegedeeld op grond van de bestaande communautaire voorschriften waarbij de opsporing van residuen voor deze specifieke sectoren verplicht wordt gesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, tweede en derde alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie legt het door haar conform bevonden plan volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 3, ter goedkeuring voor.

Op verzoek van de betrokken lidstaat, of op eigen initiatief, en om rekening te houden met de ontwikkeling van de situatie in een bepaalde lidstaat of in een van de gebieden daarvan, alsmede met de resultaten van de in het kader van de artikelen 16 en 17 uitgevoerde nationale onderzoeken of de daarbij gedane constateringen, kan de Commissie volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 2, besluiten een wijziging van of een aanvulling op een tevoren overeenkomstig lid 2 goedgekeurd plan goed te keuren.”;

b)

lid 2, vijfde alinea, wordt vervangen door:

„Indien de lidstaten wel opmerkingen maken of indien de bijwerking door de Commissie niet-conform of onvoldoende wordt geacht, wordt het bijgewerkte plan door de Commissie voorgelegd aan het Permanent Veterinair Comité, dat uitspraak doet volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 3.”.

3)

Artikel 14, lid 1, derde alinea, wordt vervangen door:

„De lijst van de betrokken laboratoria wordt opgesteld volgens de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 33, lid 3.”.

4)

Artikel 15, lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:

„De praktische regels voor het nemen van officiële monsters, alsmede de voor de analyse van deze officiële monsters te bezigen routine- en referentiemethoden, worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 20, lid 2, zesde alinea, wordt vervangen door:

„Met inachtneming van het advies van de deskundigen kunnen volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 2, de nodige maatregelen worden getroffen.”.

6)

Artikel 21, lid 1, tweede alinea, en lid 2, wordt vervangen door:

„De betrokken lidstaat neemt de nodige maatregelen om met de resultaten van die verificaties rekening te houden en stelt de Commissie van de getroffen maatregelen in kennis. Indien zij deze maatregelen ontoereikend acht, stelt de Commissie, na raadpleging van de betrokken lidstaat en na beoordeling van de voor de bescherming van de volksgezondheid vereiste maatregelen, passende maatregelen vast volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 2.

2.   De algemene bepalingen ter uitvoering van dit artikel, met name ten aanzien van de frequentie en de voorschriften voor het verrichten van de verificaties als bedoeld in lid 1, eerste alinea (met inbegrip van de wijze van samenwerking met de bevoegde autoriteiten), worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 3.”.

7)

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de vierde alinea van lid 1 wordt vervangen door:

„De Commissie keurt volgens de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 33, lid 3, het plan goed. Volgens dezelfde procedure kunnen andere garanties worden aanvaard dan die welke uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeien.”;

b)

lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De opneming van een derde land op de door de communautaire wetgeving vastgestelde lijsten van derde landen, c.q. de voorlopige opneming op die lijsten, kan op verzoek van een lidstaat of door de Commissie op eigen initiatief volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 3, worden geschorst, indien niet aan de in lid 1 bedoelde eisen wordt voldaan.”.

8)

Artikel 30, lid 3, eerste alinea, wordt vervangen door:

„3.   Indien de Commissie in derde landen die met de Gemeenschap gelijkwaardigheidsovereenkomsten hebben gesloten, na een onderzoek bij de bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land, tot de conclusie komt dat die autoriteiten de verplichtingen en garanties als vervat in de in artikel 29, lid 1, bedoelde plannen niet zijn nagekomen, schort zij volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 2, de genoemde overeenkomsten voor de in het geding zijnde dieren en producten op, totdat genoemd derde land het bewijs heeft geleverd dat er een eind is gemaakt aan de nalatigheden. De opschorting wordt volgens dezelfde procedure gemeld.”.

9)

Artikel 32 wordt geschrapt.

10)

De artikelen 33, 34 en 35 worden vervangen door:

„Artikel 33

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, ingesteld bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (47).

2.   Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (48) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op vijftien dagen.

3.   Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

Artikel 34

Onverminderd het bepaalde in artikel 6, lid 2, kunnen de bijlagen I en III tot en met V worden gewijzigd of aangevuld door de Commissie Deze bijlagen kunnen met name gewijzigd worden met het oog op een risicobeoordeling met betrekking tot de volgende aspecten:

het toxicologische potentieel van de residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong,

de mogelijke aanwezigheid van residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 35

De Commissie kan de nodige overgangsmaatregelen voor de invoering van de door deze richtlijn beoogde regeling vaststellen.

Overgangsmaatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, en in het bijzonder verdere preciseringen van de vereisten die in de bepalingen van deze richtlijn zijn vastgelegd, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 4, vermelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Andere overgangsmaatregelen kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

5.4.   Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten  (49)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 258/97 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om nadere regels vast te stellen voor de bescherming van de gegevens. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 258/97 met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 258/97 als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1, lid 3, wordt „artikel 13” vervangen door „artikel 13, lid 2”.

2)

In artikel 3, lid 4, tweede alinea, wordt „artikel 13” vervangen door „artikel 13, lid 2”.

3)

In artikel 4, lid 5, wordt „artikel 13” vervangen door „artikel 13, lid 2”.

4)

In artikel 7, lid 1, wordt „artikel 13” vervangen door „artikel 13, lid 2”.

5)

In artikel 8, lid 3, wordt „artikel 13” vervangen door „artikel 13, lid 2”.

6)

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

Nadere regels voor de bescherming van de gegevens die worden verstrekt door de aanvrager, worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

7)

Artikel 12, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie onderzoekt zo spoedig mogelijk in het Permanent Comité voor levensmiddelen de in lid 1 bedoelde redenen; zij neemt passende maatregelen om de nationale maatregel te bevestigen, te wijzigen of te annuleren volgens de regelgevingsprocedure van artikel 13, lid 2. De lidstaat die het in lid 1 bedoelde besluit heeft aangenomen, kan dit besluit handhaven tot op het tijdstip van inwerkingtreding van deze maatregelen.”.

8)

Artikel 13, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

5.5.   Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998 tot oprichting van een netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Europese Gemeenschap  (50)

Met betrekking tot Beschikking nr. 2119/98/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de overdraagbare ziekten en de criteria voor selectie van deze ziekten die door het communautaire netwerk zullen worden bestreken, alsook de epidemiologische en microbiologische surveillancemethoden vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Beschikking nr. 2119/98/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Wanneer zich een noodsituatie voordoet met betrekking tot het opduiken van ernstige overdraagbare ziekten of nieuwe ontwikkelingen daarin, moet het systeem van epidemiologische surveillance zo snel mogelijk in actie treden om de bescherming van de bevolking en van de volksgezondheid te waarborgen. Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen voor de vaststelling van de overdraagbare ziekten, de criteria voor selectie van deze ziekten en de epidemiologische en microbiologische surveillancemethoden alsook voor de wijzigingen van de bijlage bij Beschikking nr. 2119/98/EG houdende de lijst van categorieën overdraagbare ziekten.

Bijgevolg wordt Beschikking nr. 2119/98/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de inleidende zin wordt vervangen door:

„Met het oog op het doeltreffend functioneren van het communautaire netwerk voor epidemiologische surveillance en om in het kader daarvan tot uniforme informatie te komen, wordt het volgende door de Commissie vastgesteld:”;

b)

de volgende alinea’s worden toegevoegd:

„De onder a), b) en e) bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze beschikking beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 7, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 7, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.

De onder c), d), f), g) en h) bedoelde maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 7, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.”.

2)

Artikel 6, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie- en overlegprocedures en de in de leden 1 en 4 bedoelde coördinatieprocedures worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 7, lid 2.”.

3)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”;

b)

het volgende lid 4 wordt toegevoegd:

„4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

4)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

De bijlage kan door de Commissie worden gewijzigd of aangevuld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze beschikking beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 7, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 7, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.”.

5.6.   Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame  (51)

Met betrekking tot Richtlijn 2000/13/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om bepaalde voor de uitvoering ervan vereiste maatregelen te nemen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2000/13/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie gebruik kunnen maken van de urgentieprocedure van artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG, voor de wijziging van de lijsten van bepaalde categorieën ingrediënten.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2000/13/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde communautaire voorschriften worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 bis, tweede alinea, onder d), wordt vervangen door:

„d)

voor andere producten, waarbij het gaat om maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 6, tweede alinea, wordt als volgt gewijzigd:

i)

het eerste streepje wordt vervangen door:

„—

ingrediënten die behoren tot één van de categorieën van bijlage I en die bestanddelen zijn van een ander levensmiddel, mogen enkel met de naam van deze categorie worden vermeld.

De lijst van categorieën in bijlage I kan worden gewijzigd door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De in bijlage I opgenomen benaming „zetmeel” moet echter altijd worden aangevuld met een aanduiding van de specifieke plantaardige oorsprong, als dat ingrediënt gluten kan bevatten,”;

ii)

het tweede streepje, wordt vervangen door:

„—

ingrediënten die behoren tot één van de categorieën van bijlage II, moeten worden aangeduid met de naam van die categorie, gevolgd door hun specifieke naam of EG-nummer; ingeval een ingrediënt tot meer dan één categorie behoort, wordt de categorie vermeld die past bij de voornaamste functie in het betrokken levensmiddel.

Wijzigingen in bijlage II op grond van vooruitgang in de wetenschappelijke en technische kennis, die maatregelen zijn die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing en om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 20, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.

De in bijlage II opgenomen benaming „gemodificeerd zetmeel” moet echter altijd worden aangevuld met een aanduiding van de specifieke plantaardige oorsprong, wanneer dat ingrediënt gluten kan bevatten,”;

c)

lid 7, derde alinea, wordt vervangen door:

„De in dit lid bedoelde communautaire voorschriften worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

d)

lid 11, derde alinea, wordt vervangen door:

„Onverminderd de tweede alinea kan bijlage III bis door de Commissie worden gewijzigd, nadat advies ingewonnen is bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid overeenkomstig artikel 29 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en van de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (52). Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 20, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.

3)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2, onder d), wordt vervangen door:

„d)

in de door de Commissie bepaalde gevallen; het bepalen van deze gevallen, een maatregel die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, vindt plaats volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 3, onder d), wordt vervangen door:

„d)

in de door de Commissie bepaalde gevallen; het bepalen van deze gevallen, een maatregel die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, vindt plaats volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

c)

lid 4, derde zin, wordt vervangen door:

„Deze voorschriften worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 4, derde alinea, wordt vervangen door:

„Deze opsomming kan door de Commissie worden aangevuld. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   De in lid 1, tweede alinea, lid 2, onder b) en d), en in lid 5, tweede alinea, bedoelde communautaire voorschriften worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 11, lid 2, derde alinea, wordt vervangen door:

„De in dit lid bedoelde communautaire voorschriften worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

6)

Artikel 12, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Voor de overige dranken met een alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2 % wordt deze wijze van vermelding vastgesteld door de Commissie.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

7)

Artikel 16, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten dragen er zorg voor op hun grondgebied de handel in levensmiddelen te verbieden waarop de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, bedoelde vermeldingen niet zijn aangebracht in een voor de verbruiker gemakkelijk te begrijpen taal, behalve indien de voorlichting van de verbruiker daadwerkelijk voor één of meer etiketteringsvermeldingen gewaarborgd is door andere maatregelen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

8)

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”;

b)

het volgende lid 4 wordt toegevoegd:

„4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

9)

Artikel 21 wordt vervangen door:

„Artikel 21

De Commissie stelt overgangsmaatregelen vast, als deze nodig zijn om de toepassing van deze richtlijn te vergemakkelijken.

Overgangsmaatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, met inbegrip van maatregelen die de richtlijn aanvullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, en in het bijzonder verdere preciseringen van de vereisten die in de bepalingen van deze richtlijn zijn vastgelegd, worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Andere tijdelijke maatregelen kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.”.

5.7.   Richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten  (53)

Met betrekking tot Richtlijn 2001/37/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om regels vast te stellen voor het gebruik van kleurenfoto’s of illustraties op tabaksproducten en om de bepalingen over de meetmethoden en over de waarschuwingen betreffende de gezondheid aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2001/37/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2001/37/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 5, lid 3, eerste alinea, wordt vervangen door:

„3.   De Commissie stelt voorschriften vast voor het gebruik van kleurenfoto’s of andere illustraties om de gevolgen van het roken voor de gezondheid af te beelden en uit te leggen, teneinde ervoor te zorgen dat de internemarktbepalingen niet worden ondergraven. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Aanpassingsmaatregelen

1.   De Commissie zorgt voor aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van de in artikel 4 vermelde meetmethoden, alsook van de desbetreffende definities. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2.   De Commissie zorgt voor aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van de in bijlage I vermelde waarschuwingen betreffende de gezondheid die op de verpakkingseenheden van de tabaksproducten moeten worden aangebracht en het tempo waarin zij elkaar afwisselen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.   Overeenkomstig de procedure in artikel 10, lid 2, zorgt de Commissie voor aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van het merken met het oog op de identificatie en traceerbaarheid van tabaksproducten.”.

3)

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

5.8.   Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid  (54)

Met betrekking tot Richtlijn 2001/95/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de voornaamste regels en kennisgevingsprocedures in verband met ernstige risico’s van producten vast te stellen en te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2001/95/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Om redenen van doeltreffendheid en met name omdat de adequaatheid van de voornaamste regels en kennisgevingsprocedures in verband met ernstige risico’s van producten een noodzakelijke voorwaarde is voor de goede werking van het systeem voor snelle waarschuwingen, moeten de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen worden ingekort.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2001/95/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4, lid 1, onder a), wordt vervangen door:

„a)

de vereisten die waarborgen dat de producten die aan deze normen voldoen, overeenstemmen met het algemene veiligheidsvereiste, worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing;”.

2)

Artikel 5, lid 3, tweede alinea, wordt vervangen door:

„De Commissie past de in bijlage I opgenomen specifieke voorschriften voor deze kennisgeving aan. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 5, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 12, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De procedures voor RAPEX zijn opgenomen in bijlage II. De Commissie past deze aan. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 5, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 15 wordt vervangen door:

„Artikel 15

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op vijftien dagen.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

5.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en lid 5, onder b), en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), en lid 4, onder b) en e), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijnen worden vastgesteld op respectievelijk twee maanden, een maand en twee maanden.”.

5.9.   Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden  (55)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 178/2002 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om bepalingen vast te stellen betreffende het aantal en de namen van de wetenschappelijke panels, de procedureregels voor het indienen van een verzoek om advies aan de Autoriteit en de criteria voor de opname van een instelling op de lijst van door de lidstaten aangewezen bevoegde organisaties. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 178/2002 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 178/2002 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 28, lid 4, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Het aantal en de namen van de wetenschappelijke panels kunnen op verzoek van de Autoriteit door de Commissie worden aangepast in het licht van de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 58, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 29, lid 6, wordt vervangen door:

„6.   De regels voor de toepassing van dit artikel worden na raadpleging van de Autoriteit door de Commissie vastgesteld. In deze regels worden in het bijzonder de volgende elementen omschreven:

a)

de procedure die de Autoriteit toepast op aan haar voorgelegde verzoeken;

b)

de richtsnoeren voor de wetenschappelijke beoordeling van stoffen, producten of procedés waarvoor de communautaire wetgeving voorafgaande toestemming of plaatsing op een positieve lijst verplicht stelt, in het bijzonder in gevallen waarin de wetgeving voorschrijft of toestaat dat de aanvrager hiertoe een dossier indient.

De onder a) bedoelde maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 58, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De onder b) bedoelde richtsnoeren worden vastgesteld volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.”.

3)

Artikel 36, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De Commissie stelt na raadpleging van de Autoriteit regels vast waarin de criteria voor de opname van een instelling op de lijst van door de lidstaten aangewezen bevoegde organisaties, de regelingen voor geharmoniseerde kwaliteitseisen en de financiële regels voor de eventuele financiële steun worden vastgelegd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 58, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Andere regels voor de toepassing van lid 1 en lid 2 worden, na raadpleging van de Autoriteit door de Commissie vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 58, lid 2.”.

4)

Artikel 58, leden 2 en 3, wordt vervangen door:

„2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

5.10.   Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten  (56)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 1774/2002 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om regels vast te stellen voor de verwijdering, invoer/uitvoer en verwerking van categorie 1-, categorie 2- en categorie 3-materiaal van dierlijke bijproducten, alsook regels voor het in de handel brengen van dierlijke bijproducten uit gebieden waarvoor veterinairrechtelijke beperkingen gelden en van biologische meststoffen en bodemverbeteraars, om de voorwaarden te omschrijven voor het invoeren uit derde landen van voeder voor gezelschapsdieren en grondstoffen voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren en om in de bijlagen vastgestelde specifieke of alternatieve hygiëne-eisen te omschrijven. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 1774/2002 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen om regels vast te stellen betreffende het in de handel brengen van dierlijke bijproducten, of daarvan afgeleide producten, uit gebieden waarvoor veterinairrechtelijke beperkingen gelden, om alternatieve regels vast te stellen voor specifieke situaties betreffende het in de handel brengen van dierlijke bijproducten, of daarvan afgeleide producten, uit gebieden waarvoor veterinairrechtelijke beperkingen gelden en om de bijlagen te wijzigen.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1774/2002 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   In afwachting van de aanneming van een besluit door de Commissie, mogen de lidstaten evenwel bij hun nationale regelgeving de invoer en het in de handel brengen van niet in de bijlagen VII en VIII genoemde producten reglementeren. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van het gebruik dat zij van deze mogelijkheid maken.”.

2)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2, onder e), wordt vervangen door:

„e)

wordt, in het licht van de ontwikkelingen van de wetenschappelijke kennis, verwijderd volgens een andere methode die, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijke comité, door de Commissie is goedgekeurd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Die methode kan een aanvulling vormen op, dan wel in de plaats komen van, de in onder a) tot en met d) bedoelde methodes.”;

b)

lid 4, eerste zin, wordt vervangen door:

„Categorie 1-materiaal mag alleen in overeenstemming met deze verordening of de door de Commissie vastgestelde voorschriften worden ingevoerd of uitgevoerd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

onder c), punt i), wordt vervangen door:

„i)

wordt, in het geval van het daaruit resulterende eiwitmateriaal, gebruikt als biologische meststof of als bodemverbeteraar overeenkomstig de eventuele voorschriften die na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité door de Commissie zijn vastgesteld; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing,”;

ii)

onder d) wordt vervangen door:

„d)

wordt, als het van vis afkomstig materiaal betreft, ingekuild of tot compost verwerkt overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde voorschriften; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing;”;

iii)

onder e), punt iii), wordt vervangen door:

„iii)

verwerkt in een biogasinstallatie of tot compost verwerkt overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde voorschriften; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing;”;

iv)

onder g) wordt vervangen door:

„g)

wordt verwijderd volgens een andere methode, dan wel gebruikt op een andere manier, in overeenstemming met de voorschriften die, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijke comité, door de Commissie zijn vastgesteld; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Die methode of die manier kan een aanvulling vormen op, dan wel in de plaats komen van, het bepaalde onder a) tot en met f).”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Categorie 2-materiaal mag alleen in overeenstemming met deze verordening of met door de Commissie vastgestelde voorschriften in de handel gebracht of uitgevoerd worden. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 6, lid 2, onder g), h), en i), wordt vervangen door:

„g)

wordt, als het in lid 1, onder l), bedoelde keukenafval en etensresten betreft, verwerkt in een biogasinstallatie of tot compost overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde voorschriften, of, in afwachting van de vaststelling van die voorschriften, overeenkomstig de nationale regelgeving; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing;

h)

wordt, als het materiaal afkomstig is van vis, ingekuild of tot compost verwerkt overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde voorschriften. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, of

i)

wordt verwijderd volgens een andere methode, dan wel gebruikt op een andere manier, in overeenstemming met de voorschriften die, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité, door de Commissie zijn vastgesteld; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Die methode of die manier kan een aanvulling vormen op, dan wel in de plaats komen van, het bepaalde in de punten a) tot en met h).”.

5)

Artikel 12, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De voorschriften van de leden 2 en 3 kunnen, in het licht van de ontwikkelingen van de wetenschappelijke kennis, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijke comité, door de Commissie worden gewijzigd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

6)

Artikel 16, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:

a)

onder d) wordt vervangen door:

„d)

de producten aan de eisen van de bijlagen VII en VIII, dan wel aan de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsbepalingen voldoen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 33, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.”;

b)

de tweede alinea, eerste zin, wordt vervangen door:

„In specifieke omstandigheden kunnen bij door de Commissie te nemen besluiten andere voorwaarden dan de in de eerste alinea genoemde voorwaarden worden vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 33, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.”.

7)

Artikel 20, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De lidstaten zien erop toe dat biologische meststoffen en bodemverbeteraars, vervaardigd van andere verwerkte producten dan die welke van mest en de inhoud van het maagdarmkanaal zijn vervaardigd, slechts in de handel worden gebracht of worden uitgevoerd indien zij voldoen aan de eventuele voorschriften die na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité, door de Commissie zijn vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

8)

Artikel 22, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie stelt regels vast betreffende controlemaatregelen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Andere voorschriften voor de toepassing van dit artikel worden overeenkomstig de in artikel 33, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure vastgesteld.

Na raadpleging van het betrokken wetenschappelijke comité kunnen afwijkingen van lid 1, onder a), worden toegestaan met betrekking tot vis en pelsdieren. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

9)

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2, onder d), wordt vervangen door:

„d)

Bovendien mogen de lidstaten, onder toezicht van de bevoegde autoriteiten, het gebruik van het in artikel 4, lid 1, punt b), onder ii), bedoelde categorie 1-materiaal toestaan voor het voederen van met uitsterven bedreigde of beschermde aasetende vogelsoorten overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde voorschriften na raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De Commissie kan uitvoeringsbepalingen inzake controlemaatregelen vaststellen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

10)

Artikel 25, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De Commissie kan regels vaststellen inzake de frequentie van controles en de referentiemethoden voor de microbiologische analyses. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 2, kunnen andere uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden vastgesteld.”.

11)

Artikel 26, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De Commissie kan regels vaststellen inzake de frequentie van controles en de referentiemethoden voor de microbiologische analyses. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Volgens de regelgevingsprocedure van artikel 33, lid 2, kunnen andere uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden vastgesteld.”.

12)

Artikel 28, tweede alinea, wordt vervangen door:

„De invoer uit derde landen van voeder voor gezelschapsdieren en grondstoffen voor voeder van gezelschapsdieren, afkomstig van dieren die zijn behandeld met bepaalde krachtens Richtlijn 96/22/EG verboden stoffen, kan evenwel worden toegestaan, mits de betrokken grondstoffen permanent zijn gemerkt en met inachtneming van de bijzondere eisen die door de Commissie zijn vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

13)

Artikel 32, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité over kwesties die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van mens of dier, kunnen de bijlagen worden aangevuld of gewijzigd en kunnen door de Commissie passende overgangsmaatregelen worden vastgesteld.

Overgangsmaatregelen en maatregelen tot wijziging of aanvulling van de bijlagen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, in het bijzonder verdere preciseringen van de vereisten die in de bepalingen van deze richtlijn zijn vastgelegd, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 33, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.

Andere overgangsmaatregelen kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.”.

14)

Artikel 33 wordt vervangen door:

„Artikel 33

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna: het Comité).

2.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van dat besluit bedoelde termijn wordt op 15 dagen vastgesteld.

3.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

4.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

15)

Bijlage III, hoofdstuk II, deel B, punt 11, wordt vervangen door:

„11.

Afvalwater moet — voor zover dat praktisch uitvoerbaar is — zo worden behandeld dat er geen ziekteverwekkers meer aanwezig zijn. De Commissie kan specifieke eisen vaststellen voor de behandeling van afvalwater van intermediaire bedrijven voor categorie 1- of categorie 2-materiaal. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

16)

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk II, punt 4, wordt vervangen door:

„4.

Afvalwater dat afkomstig is uit de onreine zone moet — voor zover dat praktisch uitvoerbaar is — zo worden behandeld dat er geen ziekteverwekkers meer aanwezig zijn. De Commissie kan specifieke eisen vaststellen voor de behandeling van afvalwater van verwerkingsbedrijven. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

hoofdstuk V, punt 5, wordt vervangen door:

„5.

De Commissie kan op testmethoden gebaseerde valideringsprocedures vaststellen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

17)

Bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk I, deel C, punt 8, wordt vervangen door:

„8.

Van categorie 1- of categorie 2-materiaal afgeleide producten, met uitzondering van vloeibare producten die bestemd zijn voor biogas- of composteerinstallaties, moeten via een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd systeem permanent gemerkt worden, voor zover technisch mogelijk, met een geur. De Commissie kan daarvoor nadere bepalingen vaststellen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

hoofdstuk III, punt 2, onder b), wordt vervangen door:

„b)

in een continuprocedé: bij 140 °C en 2 bar (2 000 hPa) gedurende acht minuten, of onder gelijkwaardige omstandigheden die door de Commissie zijn bepaald; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

18)

Bijlage VII wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk II, deel C, punt 13, onder b), wordt vervangen door:

„b)

in een overeenkomstig deze verordening erkend verwerkingsbedrijf opnieuw verwerkt of ontsmet door een behandeling die door de bevoegde autoriteit is toegestaan. De Commissie kan een lijst van toegestane behandelingen opstellen; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. De zending wordt pas vrijgegeven na behandeling en onderzoek op salmonella door de bevoegde autoriteit overeenkomstig hoofdstuk I, punt 10, en als de uitslag van dit onderzoek negatief is.”;

b)

hoofdstuk V wordt als volgt gewijzigd:

i)

deel A, punt 5, wordt vervangen door:

„5.

De productie van rauwe melk en biest dient te gebeuren onder voorwaarden die adequate garanties bieden ten aanzien van de diergezondheid. De Commissie kan deze voorwaarden vaststellen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

ii)

deel B, punt 3, wordt vervangen door:

„3.

Wanneer wordt geconstateerd dat er gevaar dreigt voor het binnenbrengen van een exotische ziekte of dat de diergezondheid op een andere wijze wordt bedreigd, kunnen door de Commissie aanvullende eisen worden vastgesteld ter bescherming van de diergezondheid. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

c)

hoofdstuk VI, deel B, punt 3, onder c), wordt vervangen door:

„c)

een gelijkwaardig proces dat door de Commissie is goedgekeurd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

d)

hoofdstuk VII, deel A, punt 1, wordt vervangen door:

„1.

Dicalciumfosfaat moet worden vervaardigd via een proces waarbij:

a)

al het categorie 3-beendermateriaal fijn wordt gemalen, met heet water wordt ontvet en wordt behandeld met verdund zoutzuur (bij een minimumconcentratie van 4 % en een pH van minder dan 1,5) gedurende ten minste twee dagen;

b)

de verkregen fosforvloeistof na de procedure zoals bedoeld onder a) wordt behandeld met kalk, wat resulteert in een neerslag van dicalciumfosfaat met een pH van 4 tot 7, en

c)

deze neerslag van dicalciumfosfaat ten slotte met lucht wordt gedroogd bij een inlaattemperatuur van 65 °C tot 325 °C en een eindtemperatuur tussen 30 °C en 65 °C, of

een gelijkwaardig proces dat door de Commissie is goedgekeurd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

e)

hoofdstuk VIII, deel A, punt 1, wordt vervangen door:

„1.

Tricalciumfosfaat moet worden vervaardigd via een proces waarbij:

a)

al het categorie 3-beendermateriaal fijn wordt gemalen en in tegenstroom met heet water wordt ontvet (botsplinters van minder dan 14 mm);

b)

het materiaal gedurende 30 minuten continu met stoom wordt gekookt bij 145 °C en 4 bar;

c)

de eiwithoudende vloeistof door centrifugering van het hydroxyapatiet (tricalciumfosfaat) wordt gescheiden, en

d)

het tricalciumfosfaat wordt gedroogd in een wervelbed met lucht bij 200 °C en vervolgens wordt gegranuleerd, of

een gelijkwaardig productieproces dat door de Commissie is goedgekeurd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

19)

Bijlage VIII wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk VI, deel A, punt 2, onder e), wordt vervangen door:

„e)

zijn geconserveerd door toepassing van een ander procedé dan looiing, vastgesteld door de Commissie; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

hoofdstuk VII, deel A, punt 4, onder a), iii), wordt vervangen door:

„iii)

zijn geconserveerd door toepassing van een ander procedé dan looiing, goedgekeurd door de Commissie; deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5.11.   Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong  (57)

Met betrekking tot Richtlijn 2002/98/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de technische voorschriften van de bijlagen I tot en met IV aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2002/98/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Wanneer wetenschappelijke en technische ontwikkelingen erop wijzen dat aanvullende informatie moet worden verstrekt aan of verlangd van donoren, om bijvoorbeeld uit te sluiten dat donoren een gevaar vormen voor de gezondheid van anderen, moet onverwijld een aanpassing plaatsvinden. Evenzo moeten, wanneer de vooruitgang nieuwe criteria voor de geschiktheid van bloed- en plasmadonoren vereist, onmiddellijk nieuwe uitsluitingscriteria aan de lijst worden toegevoegd. Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen om de technische voorschriften in verband met informatie die moet worden verstrekt aan of verlangd van donoren, en van voorschriften in verband met de geschiktheid van bloed- en plasmadonoren, vastgesteld in de bijlagen I tot en met IV, aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang aan te passen.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2002/98/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 28 wordt vervangen door:

„Artikel 28

Comitéprocedures

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

2)

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

a)

De eerste alinea wordt vervangen door:

„Over de aanpassing van de in de bijlagen I tot en met IV opgenomen technische voorschriften aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang wordt besloten door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 28, lid 4, bedoelde urgentieprocedure, wat de in de bijlagen III en IV opgenomen technische voorschriften betreft.”;

b)

de tweede alinea, inleidende zin, wordt vervangen door:

„De vaststelling van de volgende technische voorschriften en de aanpassing daarvan aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang geschiedt door de Commissie:”;

c)

de volgende alinea’s worden toegevoegd:

„De in de tweede alinea, onder a) tot i), bedoelde technische voorschriften, die maatregelen zijn die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 28, lid 4, bedoelde urgentieprocedure, wat de in de tweede alinea, onder b), c), d), e), f) en g), bedoelde technische voorschriften betreft.”.

5.12.   Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding  (58)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 1831/2003 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om, wanneer de technologische vooruitgang of de wetenschappelijke ontwikkeling zulks vereist, nieuwe categorieën en functionele groepen voor toevoegingsmiddelen vast te stellen, om bijlage III en de algemene gebruiksvoorwaarden van bijlage IV aan te passen aan de technologische vooruitgang en wetenschappelijke ontwikkeling en om bijlage II te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 1831/2003 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1831/2003 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   Wanneer de technologische vooruitgang of de wetenschappelijke ontwikkeling zulks vereist, kunnen de algemene gebruiksvoorwaarden van bijlage IV door de Commissie worden aangepast. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 6, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Wanneer de technologische vooruitgang of de wetenschappelijke ontwikkeling zulks vereist, kunnen door de Commissie nieuwe categorieën en functionele groepen voor toevoegingsmiddelen worden vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 7, lid 5, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Verdere uitvoeringsvoorschriften voor dit artikel kunnen na raadpleging van de Autoriteit worden vastgesteld.

Voorschriften die vereenvoudigde regelingen voor het verlenen van vergunningen voor toevoegingsmiddelen die zijn toegestaan voor gebruik in levensmiddelen, mogelijk maken, worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Andere uitvoeringsmaatregelen kunnen volgens de regelgevingsprocedure van artikel 22, lid 2, worden aangenomen. In deze voorschriften moet, voor zover van toepassing, een onderscheid worden gemaakt tussen voorschriften betreffende toevoegingsmiddelen voor voedselproducerende dieren en voorschriften die voor andere dieren, met name huisdieren, gelden.”.

4)

Artikel 16, lid 6, wordt vervangen door:

„6.   De Commissie kan bijlage III aanpassen aan de technologische vooruitgang en wetenschappelijke ontwikkeling. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 21, derde alinea, wordt vervangen door:

„Nadere bepalingen ter uitvoering van bijlage II worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

De Commissie kan bijlage II wijzigen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

6)

Artikel 22, lid 3 wordt vervangen door:

„3.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

5.13.   Verordening (EG) nr. 2065/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 inzake in of op levensmiddelen gebruikte of te gebruiken rookaroma’s  (59)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 2065/2003 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de bijlagen te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 2065/2003 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 2065/2003 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 17, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Zo nodig stelt de Commissie, na de Autoriteit om wetenschappelijke en technische bijstand te hebben verzocht, kwaliteitscriteria vast voor gevalideerde analysemethoden die overeenkomstig punt 4 van bijlage II zijn voorgesteld, inclusief de te meten stoffen.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 18 wordt vervangen door:

„Artikel 18

Wijzigingen

1.   Wijzigingen in de bijlagen worden door de Commissie vastgesteld nadat de Autoriteit om wetenschappelijke en/of technische bijstand is gevraagd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2.   Wijzigingen in de in artikel 6, lid 1, bedoelde lijst worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure nadat de Autoriteit om wetenschappelijke en/of technische bijstand is gevraagd.”.

3)

Artikel 19, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

5.14.   Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers  (60)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 2160/2003 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om communautaire doelstellingen voor het verminderen van de prevalentie van zoönoses en zoönoseverwekkers vast te stellen, om specifieke bestrijdingsmethoden en specifieke voorschriften inzake de criteria voor de beoordeling van testmethoden vast te stellen en om de verantwoordelijkheden en taken van de referentielaboratoria en de voorschriften voor de uitvoering van communautaire controles vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 2160/2003 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:

„De doelstellingen, en eventuele wijzigingen daarvan, worden door de Commissie vastgelegd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 6, onder a), wordt vervangen door:

„a)

Bijlage I kan door de Commissie worden gewijzigd met het oog op de onder b), vermelde doelstellingen, in het bijzonder rekening houdende met de onder c), vermelde criteria. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

c)

lid 7 wordt vervangen door:

„7.   Bijlage III kan door de Commissie gewijzigd of aangevuld worden. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 5, lid 6, wordt vervangen door:

„6.   De in bijlage II vastgestelde eisen en minimumbemonsteringsvoorschriften kunnen door de Commissie worden gewijzigd, aangepast of aangevuld, met name rekening houdende met de in artikel 4, lid 6, onder c), vermelde criteria. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 8, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

de inleidende zin wordt vervangen door:

„Op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat:”;

b)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 9, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   Onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 6, kunnen door de Commissie specifieke voorschriften worden vastgesteld betreffende het vaststellen van de in artikel 5, lid 5, en in lid 2 van onderhavig artikel bedoelde criteria door de lidstaten. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 10, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De lidstaat van bestemming kan volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden toegestaan om gedurende een overgangsperiode te eisen dat de resultaten van de in lid 4 van onderhavig artikel bedoelde tests aan dezelfde criteria voldoen als die welke de lidstaat in zijn eigen programma overeenkomstig artikel 5, lid 5, heeft vastgesteld. De toestemming kan worden ingetrokken en onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 6, kunnen door de Commissie specifieke voorschriften worden vastgesteld betreffende het vaststellen van dergelijke criteria. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

6)

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De verantwoordelijkheden en taken van de communautaire referentielaboratoria, in het bijzonder wat betreft de coördinatie van hun werkzaamheden met die van de nationale referentielaboratoria, worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De Commissie kan bepaalde verantwoordelijkheden en taken van de nationale referentielaboratoria vaststellen, in het bijzonder wat betreft de coördinatie van hun werkzaamheden met die van de overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder a), aangegeven relevante laboratoria in de lidstaten. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

7

Artikel 12, lid 3, derde alinea, wordt vervangen door:

„Zo nodig kunnen door de Commissie andere testmethoden worden goedgekeurd. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

8)

Artikel 13 wordt vervangen door:

„Artikel 13

Uitvoerings- en overgangsmaatregelen

De Commissie kan de nodige overgangsmaatregelen of uitvoeringsmaatregelen vaststellen, met inbegrip van de noodzakelijke wijzigingen in de desbetreffende gezondheidscertificaten. Overgangsmaatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening, met inbegrip van maatregelen die haar aanvullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, en in het bijzonder verdere preciseringen van de vereisten die in de bepalingen van deze verordening zijn vastgelegd, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Andere uitvoerings- of overgangsmaatregelen kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.”.

9)

Artikel 14, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

10)

Artikel 17, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Praktische regelingen voor de uitvoering van dit artikel, met name die welke betrekking hebben op de procedure voor samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.”.

5.15.   Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen  (61)

Met betrekking tot Richtlijn 2004/23/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de traceerbaarheidsvereisten voor weefsels en cellen en de daarmee verband houdende uitvoeringsprocedures vast te stellen alsook bepaalde technische voorschriften onder meer betreffende een erkenningssysteem voor weefselinstellingen en het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2004/32/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Wanneer wetenschappelijke en technische ontwikkelingen inzake selectiecriteria en laboratoriumtests voor donoren nieuw bewijs leveren voor via donatie overdraagbare ziektes, moet de communautaire wetgeving snel worden aangepast. Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de aanneming van besluiten over de selectiecriteria voor donoren van weefsels en/of cellen en over de voor donoren vereiste laboratoriumtests, de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2004/23/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De traceerbaarheidsvereisten voor weefsels en cellen alsmede voor producten en materialen die met weefsels en cellen in contact komen en gevolgen hebben voor hun kwaliteit en veiligheid, worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 29, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   De procedures ter waarborging van de traceerbaarheid op communautair niveau worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 29, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 9, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   De procedures om na te gaan of er sprake is van gelijkwaardige kwaliteits- en veiligheidsnormen zoals bedoeld in lid 1, worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 29, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de inleidende zin wordt vervangen door:

„De technische voorschriften en de aanpassing daarvan aan de vooruitgang van wetenschap en techniek worden met betrekking tot de hieronder genoemde punten door de Commissie vastgesteld:”;

b)

de volgende alinea’s worden toegevoegd:

„De onder a) tot en met i), bedoelde technische voorschriften, die maatregelen zijn die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 29, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 29, lid 5, bedoelde urgentieprocedure, wat de onder d) en e) van dit artikel bedoelde technische voorschriften betreft.”.

4)

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„4.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.”.

5.16.   Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn  (62)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 882/2004 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen met betrekking tot de methoden van bemonstering en analyse, de voorwaarden te bepalen waaronder speciale behandelingen plaatsvinden, de minimumbedragen van eventueel geïnde vergoedingen of heffingen bij te werken, de omstandigheden te bepalen waarin een officiële certificering is vereist, de lijsten van communautaire referentielaboratoria te wijzigen en bij te werken en om criteria voor het bepalen van de risico’s van naar de Gemeenschap uitgevoerde producten en specifieke invoervoorwaarden vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 882/2004 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 882/2004 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 11, lid 4, wordt als volgt gewijzigd:

a)

de inleidende alinea wordt vervangen door:

„De Commissie kan de volgende uitvoeringsmaatregelen vaststellen:”;

b)

de volgende tweede alinea wordt toegevoegd:

„Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 20, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de speciale behandeling plaatsvindt in inrichtingen die onder haar toezicht of onder toezicht van een andere lidstaat staan en in overeenstemming met voorwaarden die door de Commissie zijn vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Bij gebreke van zulke voorwaarden vindt de speciale behandeling plaats in overeenstemming met de nationale voorschriften.”.

3)

Artikel 27, lid 3, tweede alinea, wordt vervangen door:

„De bedragen in bijlage IV, afdeling B, en bijlage V, afdeling B, worden ten minste om de twee jaar door de Commissie bijgewerkt, in het bijzonder ter compensatie van de inflatie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 30, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

de inleidende alinea wordt vervangen door:

„Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen inzake de officiële certificering met het oog op de diergezondheid of het dierenwelzijn, kunnen door de Commissie eisen worden vastgesteld voor:”;

b)

de volgende alinea’s worden toegevoegd:

„De onder a) bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De onder b) tot en met g) bedoelde maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure.”.

5)

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   Andere communautaire referentielaboratoria die van belang zijn voor de in artikel 1 genoemde gebieden, kunnen door de Commissie worden opgenomen in bijlage VII. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Bijlage VII kan volgens dezelfde procedure worden bijgewerkt.”;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   Aanvullende verantwoordelijkheden en taken van de communautaire referentielaboratoria kunnen worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

6)

Artikel 33, lid 6, wordt vervangen door:

„6.   Aanvullende verantwoordelijkheden en taken voor de nationale referentielaboratoria kunnen worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

7)

Artikel 46, lid 3, tweede alinea, wordt vervangen door:

„De criteria voor het bepalen van risico’s met het oog op de onder a) genoemde risico-evaluatie worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

8)

Artikel 48, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Voor zover de voorwaarden en gedetailleerde procedures die bij de invoer van goederen uit derde landen of uit regio’s daarvan moeten worden nageleefd, niet in de communautaire wetgeving, en in het bijzonder Verordening (EG) nr. 854/2004, zijn opgenomen, worden zij, indien nodig, door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

9)

Artikel 62, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

10)

Artikel 63 wordt vervangen door:

„Artikel 63

Uitvoeringsbesluiten en overgangsmaatregelen

1.   Overgangsmaatregelen van algemene strekking tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening, onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, met name:

wijziging van de in artikel 12, lid 2, bedoelde normen,

bepaling van de diervoeders die in het kader van deze richtlijn als voeders van dierlijke oorsprong moeten worden beschouwd,

en verdere preciseringen van de vereisten die in de bepalingen van deze verordening zijn vastgelegd, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Om de uniforme toepassing van deze verordening te waarborgen, kunnen indien nodig andere overgangsmaatregelen en uitvoeringsbesluiten worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure van artikel 62, lid 3. Dat is met name van toepassing op:

het delegeren van controletaken aan in artikel 5 bedoelde controleorganen, indien het controleorganen betreft die al voor de inwerkingtreding van deze verordening werkzaam waren;

niet-naleving zoals bedoeld in artikel 28 welke aanleiding geeft tot uitgaven die voortvloeien uit aanvullende officiële controles;

uitgaven die uit hoofde van artikel 54 zijn gedaan;

voorschriften inzake microbiologische, fysieke en/of chemische analyses bij officiële controles, met name bij een vermoedelijk risico, met inbegrip van de bewaking van de veiligheid van uit een derde land ingevoerde producten.

2.   Om rekening te houden met de specifieke aard van de Verordeningen (EEG) nr. 2092/91, (EEG) nr. 2081/92 en (EEG) nr. 2082/92, kunnen door de Commissie aan te nemen specifieke maatregelen de mogelijkheid bieden tot de noodzakelijke afwijkingen van en aanpassingen aan de bij deze verordening vastgestelde regels. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

11)

Artikel 64 wordt vervangen door:

„Artikel 64

Wijziging van bijlagen en van verwijzingen naar Europese normen

Volgende maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 62, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing:

1.

de bijlagen bij deze verordening, met uitzondering van de bijlagen I, IV en V, onverminderd artikel 27, lid 3, kunnen worden bijgewerkt, met name om rekening te houden met administratieve wijzigingen en de wetenschappelijke en/of technische vooruitgang;

2.

de verwijzingen naar de Europese normen in deze verordening kunnen worden bijgewerkt, indien deze door het CEN worden gewijzigd.”.

5.17.   Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen  (63)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 1935/2004 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om bijzondere maatregelen te nemen voor groepen materialen en voorwerpen, betreffende de communautaire toelating van een stof en de wijziging, schorsing of intrekking van die toelating. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 1935/2004 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Om het concurrentievermogen en de innovatie van de Europese industrie te versterken, moeten materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen, zo spoedig mogelijk in de handel worden gebracht zodra de veiligheid ervan is aangetoond. Om redenen van doeltreffendheid moeten de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen worden ingekort voor de vaststelling van een lijst van stoffen die zijn toegelaten voor gebruik bij de vervaardiging van materialen en voorwerpen; een lijst/lijsten van toegelaten stoffen die zijn opgenomen in actieve of intelligente materialen en voorwerpen die in contact komen met levensmiddelen, of een lijst/lijsten van actieve of intelligente materialen en voorwerpen en, indien nodig, speciale voorwaarden voor het gebruik van die stoffen en/of van de materialen en voorwerpen waarin zij zijn opgenomen; zuiverheidsnormen; bijzondere gebruiksvoorwaarden voor stoffen en/of materialen en voorwerpen waarin deze stoffen worden gebruikt; specifieke grenswaarden voor de migratie van bepaalde bestanddelen of groepen van bestanddelen in of op levensmiddelen; wijzigingen van bestaande bijzondere richtlijnen inzake materialen en voorwerpen; communautaire toelatingen en de wijziging, schorsing of intrekking ervan.

Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de wijziging, schorsing of intrekking van communautaire toelatingen de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 1935/2004 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

„Voor de in bijlage I genoemde groepen materialen en voorwerpen en, in voorkomend geval, combinaties van deze materialen en voorwerpen of gerecycleerde materialen en voorwerpen die worden gebruikt bij de vervaardiging van deze materialen en voorwerpen, kunnen door de Commissie bijzondere maatregelen worden vastgesteld of gewijzigd.”;

b)

de volgende alinea’s worden toegevoegd aan lid 1:

„De onder m) bedoelde bijzondere maatregelen worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure.

De onder f), g), h), i), j), k), l), en n), bedoelde bijzondere maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De onder a) tot en met e) bedoelde specifieke maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

c)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De bestaande bijzondere richtlijnen inzake materialen en voorwerpen kunnen door de Commissie worden gewijzigd. Deze maatregelen, die de niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 11, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De communautaire toelating in de vorm van een bijzondere maatregel als bedoeld in lid 1, wordt door de Commissie vastgesteld. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 12, lid 6, wordt vervangen door:

„6.   Een definitieve bijzondere maatregel betreffende de wijziging, schorsing of intrekking van de toelating wordt door de Commissie vastgesteld. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 23, lid 5, bedoelde urgentieprocedure.”.

4)

Artikel 22 wordt vervangen door:

„Artikel 22

De wijzigingen van de bijlagen I en II worden door de Commissie vastgesteld. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”;

b)

de volgende leden worden toegevoegd:

„4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en lid 5, onder b), en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), en lid 4, onder b) en e), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijnen worden vastgesteld op respectievelijk twee maanden, een maand en twee maanden.

5.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

6.   ENERGIE EN VERVOER

6.1.   Richtlijn 96/98/EG van de Raad van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen  (64)

Met betrekking tot Richtlijn 96/98/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om beproevingsnormen vast te stellen wanneer de internationale organisaties daar na een redelijke termijn niet in slagen of weigeren dat te doen, om uitrusting van bijlage A.2 naar bijlage A.1 over te schrijven en om in uitzonderlijke gevallen toe te staan dat technisch innoverende uitrusting aan boord wordt geplaatst. De Commissie moet ook de bevoegdheid worden gegeven om voor de doeleinden van de genoemde richtlijn de achtereenvolgende wijzigingen van de internationale instrumenten toe te passen, bijlage A bij te werken, de mogelijkheid toe te voegen om bepaalde modules te gebruiken voor uitrusting van bijlage A.1, de kolommen betreffende de conformiteitsbeoordelingsmodules te wijzigen en normalisatieorganisaties in de definitie van beproevingsnormen in artikel 2 toe te voegen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 96/98/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 96/98/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 7, leden 5 en 6, wordt vervangen door:

„5.   Indien de internationale organisaties, met inbegrip van de IMO, na een redelijke termijn geen passende beproevingsnormen voor een bepaald soort uitrusting hebben vastgesteld of weigeren dat te doen, kunnen normen worden vastgesteld die gebaseerd zijn op het werk van de Europese normalisatie-instellingen. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

6.   Wanneer de beproevingsnormen als bedoeld in lid 1 of lid 5 voor een bepaald soort uitrusting vastgesteld worden, respectievelijk van kracht worden, mag die uitrusting worden overgeschreven van bijlage A.2 naar bijlage A.1. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De bepalingen van artikel 5 zijn vanaf de datum van deze overschrijving van toepassing.”.

2)

Artikel 13, lid 2, eerste streepje, wordt vervangen door:

„—

de maatregelen gerechtvaardigd zijn, stelt zij onmiddellijk de lidstaat die het initiatief daartoe heeft genomen en de overige lidstaten daarvan in kennis; indien het in lid 1 genoemde besluit te wijten is aan tekortkomingen in de beproevingsnormen, legt de Commissie, indien de lidstaat die het besluit heeft genomen dit wenst te handhaven, na overleg met de betrokken partijen, de zaak binnen twee maanden voor aan het in artikel 18, lid 1, bedoelde comité en start zij de regelgevingsprocedure van artikel 18, lid 2.”.

3)

Artikel 14, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De in lid 1 bedoelde uitrusting wordt toegevoegd aan bijlage A.2. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4)

Artikel 17, eerste alinea, wordt vervangen door:

„De richtlijn kan worden gewijzigd met het oog op:

a)

de toepassing voor de doeleinden van deze richtlijn van de achtereenvolgende wijzigingen van de internationale instrumenten;

b)

de bijwerking van bijlage A door opname daarin van nieuwe uitrusting en overschrijving van uitrusting van bijlage A.2 naar bijlage A.1 en vice versa;

c)

de toevoeging van de mogelijkheid modules B + C en module H te gebruiken voor uitrusting van bijlage A.1, alsmede door wijziging van de kolommen betreffende de conformiteitsbeoordelingsmodules;

d)

toevoeging van normalisatieorganisaties in de definitie van beproevingsnormen in artikel 2.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 18, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

5)

Artikel 18 wordt vervangen door:

„Artikel 18

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad (65) ingestelde Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (66) van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

6.2.   Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) en houdende wijziging van de verordeningen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen  (67)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 2099/2002 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om artikel 2, punt 2, te wijzigen teneinde er de vermeldingen van de communautaire besluiten waarbij het COSS uitvoeringsbevoegdheden worden verleend die na de aanneming van deze verordening van kracht zijn geworden, in op te nemen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 2099/2002, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 2099/2002 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Oprichting van een comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen, hierna het COSS genoemd.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde periode wordt vastgesteld op één maand.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.”.

2)

Artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

Bevoegdheden van het COSS

Het COSS oefent de bevoegdheden uit die hem krachtens de geldende communautaire wetgeving worden verleend. Artikel 2, punt 2, kan worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure van artikel 3, lid 3, teneinde er de vermeldingen van de communautaire besluiten waarbij het COSS uitvoeringsbevoegdheid wordt verleend die na de aanneming van deze verordening van kracht zijn geworden, in op te nemen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 3, lid 3, bedoelde procedure.”.

6.3.   Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2003 inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart  (68)

Met betrekking tot Richtlijn 2003/42/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de bijlagen te wijzigen teneinde de daarin opgenomen voorbeelden uit te breiden of te wijzigen, om de uitwisseling van informatie te bevorderen en om maatregelen aan te nemen voor de verspreiding van de informatie aan belanghebbende partijen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2003/42/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2003/42/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie kan besluiten de bijlagen te wijzigen teneinde de daarin opgenomen voorbeelden uit te breiden of te wijzigen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 7, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Onverminderd het recht van het publiek op toegang tot de documenten van de Commissie, als neergelegd in Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (69), neemt de Commissie eigener beweging maatregelen voor de verspreiding aan de belanghebbende partijen van de in lid 1 bedoelde informatie en de daarvoor geldende voorwaarden. Deze maatregelen, die algemeen of individueel van aard kunnen zijn, zijn gebaseerd op de noodzaak om:

personen en organisaties te voorzien van de informatie die zij nodig hebben om de veiligheid van de burgerluchtvaart te verbeteren;

de verspreiding van informatie te beperken tot hetgeen strikt vereist is voor het doel van de gebruikers van de informatie, teneinde een passende geheimhouding van die informatie te waarborgen.

De individuele maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

De algemene maatregelen, die de niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Het besluit om overeenkomstig dit lid informatie te verspreiden, blijft beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van de gebruiker, onverminderd het bepaalde in artikel 8.

3)

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (70).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde periode wordt op drie maanden gesteld.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

6.4.   Richtlijn 2004/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruikmaken van luchthavens in de Gemeenschap  (71)

Met betrekking tot Richtlijn 2004/36/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om maatregelen te nemen voor de verspreiding aan belanghebbende partijen van de informatie die is verkregen via in het kader van het SAFA-programma van de Europese Gemeenschap uitgevoerde platforminspecties, en om maatregelen te nemen tot wijziging van de bijlagen bij de richtlijn, houdende elementen van technische procedures voor het uitvoeren van en de verslaglegging over SAFA-platforminspecties. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2004/36/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2004/36/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 6, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   Onverminderd het recht van het publiek op toegang tot de documenten van de Commissie, als neergelegd in Verordening (EG) nr. 1049/2001, neemt de Commissie eigener beweging maatregelen voor de verspreiding aan de belanghebbende partijen van de in lid 1 bedoelde informatie en de daarvoor geldende voorwaarden. Deze maatregelen, die algemeen of individueel van aard kunnen zijn, zijn gebaseerd op de noodzaak om:

personen en organisaties te voorzien van de informatie die zij nodig hebben om de veiligheid van de burgerluchtvaart te verbeteren;

de verspreiding van informatie te beperken tot hetgeen strikt vereist is voor het doel van de gebruikers ervan, teneinde een passende vertrouwelijkheid van die informatie te waarborgen.

De individuele maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 3, bedoelde raadplegingsprocedure.

De algemene maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 8, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Op grond van de krachtens lid 1 ingewonnen informatie kan de Commissie

a)

volgens de regelgevingsprocedure van artikel 10, lid 2, alle nodige maatregelen treffen om de uitvoering van de bepalingen van de artikelen 3, 4 en 5 te vergemakkelijken, zoals:

bepaling van het formaat voor de opslag en verspreiding van gegevens;

oprichting of ondersteuning van de toepasselijke instanties die de instrumenten voor de inzameling en uitwisseling van informatie moeten beheren of gebruiken;

b)

de gedetailleerde voorwaarden voor het uitvoeren van platforminspecties, inclusief systematische platforminspecties, vaststellen, en de lijst van in te winnen inlichtingen vaststellen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3922/91.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

5.   Voorts kan het comité door de Commissie worden geraadpleegd over elke andere met de toepassing van deze richtlijn verband houdende aangelegenheid.”.

4)

Artikel 12 wordt vervangen door:

„Artikel 12

De bijlagen bij deze richtlijn kunnen door de Commissie worden gewijzigd.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

6.5.   Verordening (EG) nr. 868/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende bescherming tegen aan communautaire luchtvaartmaatschappijen schade toebrengende subsidiëring en oneerlijke tariefpraktijken bij de levering van luchtdiensten vanuit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap  (72)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 868/2004 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om een uitvoerige methodologie te ontwikkelen om oneerlijke tariefpraktijken vast te stellen. Deze methodologie moet onder meer de manier bevatten waarop normale concurrerende tarifering, werkelijke kosten en redelijke winstmarges zullen worden beoordeeld in de specifieke context van de luchtvaartsector. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 868/2004 door haar aan te vullen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 868/2004 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 5, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De Commissie zal een uitvoerige methodologie ontwikkelen om oneerlijke tariefpraktijken vast te stellen, betreffende onder meer de manier waarop normale concurrerende tarifering, werkelijke kosten en redelijke winstmarges zullen worden beoordeeld in de specifieke context van de luchtvaartsector. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 15 wordt vervangen door:

„Artikel 15

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes (73).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

6.6.   Richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet  (74)

Met betrekking tot Richtlijn 2004/54/EG moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de wijzigingen aan te brengen die nodig zijn voor de aanpassing van de bijlagen aan de technische vooruitgang. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 2004/54/EG, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Bijgevolg wordt Richtlijn 2004/54/EG als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 13, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De Commissie publiceert vóór 30 april 2009 een verslag over de in de lidstaten gevolgde praktijk. Waar nodig doet zij aanbevelingen voor de invoering van een algemene geharmoniseerde methodologie voor risicoanalyse volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.”.

2)

Artikel 16 wordt vervangen door:

„Artikel 16

Aanpassing aan de technische vooruitgang

De Commissie past de bijlagen bij deze richtlijn aan de technische vooruitgang aan. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 17 wordt vervangen door:

„Artikel 17

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

6.7.   Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij  (75)

Met betrekking tot Verordening (EG) nr. 2111/2005 moet de Commissie in het bijzonder de bevoegdheid worden gegeven om de gemeenschappelijke criteria om een luchtvaartmaatschappij een exploitatieverbod op te leggen, te wijzigen teneinde rekening te houden met wetenschappelijke en technische ontwikkelingen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Verordening (EG) nr. 2111/2005 onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

Om redenen van doeltreffendheid moeten de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen voor de wijziging van de bijlage houdende de gemeenschappelijke criteria voor een eventueel communautair exploitatieverbod om veiligheidsredenen, worden ingekort.

Bijgevolg wordt Verordening (EG) nr. 2111/2005 als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De gemeenschappelijke criteria voor het opleggen van een exploitatieverbod aan een luchtvaartmaatschappij, waaraan de geldende veiligheidsnormen ten grondslag liggen, staan vermeld in de bijlage. De Commissie kan de bijlage wijzigen, met name op grond van wetenschappelijke en technische ontwikkelingen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

Artikel 8, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De Commissie stelt uitvoeringsmaatregelen vast om gedetailleerde voorschriften met betrekking tot de in dit hoofdstuk vermelde procedures te geven. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

3)

Artikel 15 wordt vervangen door:

„Artikel 15

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3922/91 bedoelde comité (hierna: „het Comité”).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en lid 5, onder b), en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5 bis, lid 3, onder c), en lid 4, onder b) en e), van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijnen worden respectievelijk vastgesteld op een maand, een maand en twee maanden.

5.   De Commissie kan het comité voor elke andere vraag in verband met de toepassing van deze verordening raadplegen.”.


(1)  PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

(2)  PB L 331 van 7.12.1998, blz. 1.

(3)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.

(4)  PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.

(5)  PB L 18 van 22.1.2000, blz. 1.

(6)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.

(8)  PB L 121 van 1.5.2001, blz. 34.

(9)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.”.

(10)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1.

(11)  PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.

(12)  PB L 243 van 24.9.1996, blz. 31.

(13)  PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9.”.

(14)  PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.

(15)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1.

(16)  PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1.

(17)  PB L 64 van 4.3.2006, blz. 37.

(18)  PB L 102 van 11.4.2006, blz. 15.

(19)  PB L 257 van 27.10.1995, blz. 1.

(20)  Gepubliceerd door de Verenigde Naties, reeks F nr. 2, 3e herziening, tabel 6.1, gewijzigd door de OESO (DES/NI/86.9), Parijs 1986.”.

(21)  PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.

(22)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.

(23)  PB L 77 van 14.3.1998, blz. 3.

(24)  PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.

(25)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.

(26)  PB L 162 van 5.6.1998, blz. 1.

(27)  PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.

(28)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.

(29)  PB L 63 van 12.3.1999, blz. 6.

(30)  PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.

(31)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.

(32)  PB L 69 van 13.3.2003, blz. 1.

(33)  PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.”.

(34)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 1.

(35)  PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.”.

(36)  PB L 340 van 16.12.2002, blz. 1.

(37)  PB L 185 van 16.8.1971, blz. 15.”.

(38)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1.

(39)  PB L 185 van 16.8.1971, blz. 15.”.

(40)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.

(41)  PB L 185 van 16.8.1971, blz. 15.”.

(42)  PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1.

(43)  PB L 291 van 19.11.1969, blz. 9.”.

(44)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”;

(45)  PB L 237 van 22.9.1993, blz. 23.

(46)  PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10.

(47)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(48)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.

(49)  PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1.

(50)  PB L 268 van 3.10.1998, blz. 1.

(51)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.

(52)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.”.

(53)  PB L 194 van 18.7.2001, blz. 26.

(54)  PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.

(55)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(56)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.

(57)  PB L 33 van 8.2.2003, blz. 30.

(58)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(59)  PB L 309 van 26.11.2003, blz. 1.

(60)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(61)  PB L 102 van 7.4.2004, blz. 48.

(62)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(63)  PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4.

(64)  PB L 46 van 17.2.1997, blz. 25.

(65)  PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1.

(66)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.

(67)  PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1.

(68)  PB L 167 van 4.7.2003, blz. 23.

(69)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.”.

(70)  PB L 373 van 31.12.1991, blz. 4.”.

(71)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 76.

(72)  PB L 162 van 30.4.2004, blz. 1.

(73)  PB L 240 van 24.8.1992, blz. 8.”.

(74)  PB L 167 van 30.4.2004, blz. 39.

(75)  PB L 344 van 27.12.2005, blz. 15.

Chronologische index

(1)

Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen

(2)

Richtlijn 93/74/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende diervoeders met bijzonder voedingsdoel

(3)

Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad van 23 oktober 1995 inzake geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen

(4)

Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan

(5)

Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen

(6)

Richtlijn 96/98/EG van de Raad van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen

(7)

Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten

(8)

Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines

(9)

Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad van 9 maart 1998 betreffende de organisatie van een steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap

(10)

Verordening (EG) nr. 1165/98 van de Raad van 19 mei 1998 inzake kortetermijnstatistieken

(11)

Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998 tot oprichting van een netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Europese Gemeenschap

(12)

Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek

(13)

Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water

(14)

Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit

(15)

Verordening (EG) nr. 530/1999 van de Raad van 9 maart 1999 betreffende structuurstatistieken van lonen en loonkosten

(16)

Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen

(17)

Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame

(18)

Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen

(19)

Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik

(20)

Richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten

(21)

Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik

(22)

Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid

(23)

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden

(24)

Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten

(25)

Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) en houdende wijziging van de verordeningen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen

(26)

Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV)

(27)

Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong

(28)

Verordening (EG) nr. 450/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 betreffende de loonkostenindex

(29)

Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2003 inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart

(30)

Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding

(31)

Verordening (EG) nr. 2065/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 inzake in of op levensmiddelen gebruikte of te gebruiken rookaroma’s

(32)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers

(33)

Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water en energievoorziening, vervoer en postdiensten

(34)

Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten

(35)

Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen

(36)

Richtlijn 2004/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de veiligheid van luchtvaartuigen uit derde landen die gebruikmaken van luchthavens in de Gemeenschap

(37)

Verordening (EG) nr. 868/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende bescherming tegen aan communautaire luchtvaartmaatschappijen schade toebrengende subsidiëring en oneerlijke tariefpraktijken bij de levering van luchtdiensten vanuit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap

(38)

Richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet

(39)

Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn

(40)

Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen

(41)

Verordening (EG) nr. 1552/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de statistiek van bij- en nascholing in ondernemingen

(42)

Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij

(43)

Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen

(44)

Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit

(45)

Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën

(46)

Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines


18.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/93


VERORDENING (EG) Nr. 597/2009 VAN DE RAAD

van 11 juni 2009

betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn

(Gecodificeerde versie)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133,

Gelet op de verordeningen houdende gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en op de verordeningen die krachtens artikel 308 van het Verdrag zijn vastgesteld en van toepassing zijn op door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen, en met name op die bepalingen van die verordeningen die de mogelijkheid bieden af te wijken van het algemene beginsel dat beschermingsmaatregelen aan de grenzen uitsluitend door bij die verordeningen vastgestelde maatregelen kunnen worden vervangen,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (1) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (2). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze verordening te worden overgegaan.

(2)

De voltooiing van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde heeft geleid tot de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, hierna de „WTO” genoemd.

(3)

Bijlage 1A bij de bij Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (3) goedgekeurde Overeenkomst tot oprichting van de WTO (hierna de „WTO-overeenkomst” genoemd), bevat onder meer de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 (hierna de „GATT 1994” genoemd), een overeenkomst inzake de landbouw, hierna de „Landbouwovereenkomst” genoemd, een overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 (hierna „Antidumpingovereenkomst van 1994” genoemd), en een overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (hierna de „Subsidieovereenkomst” genoemd).

(4)

Om een doorzichtigere en doeltreffendere toepassing van de regels van de Antidumpingovereenkomst van 1994 en van de Subsidieovereenkomst te bereiken, werd de vaststelling van twee afzonderlijke verordeningen die in voldoende bijzonderheden de vereisten voor de toepassing van elk van beide handelsbeschermingsinstrumenten zouden behelzen, nodig geacht.

(5)

Om een correcte en transparante toepassing van de bepalingen van die twee overeenkomsten te waarborgen, verdient het aanbeveling hun bewoordingen zoveel mogelijk in de communautaire wetgeving over te nemen.

(6)

Het is voorts wenselijk in voldoende bijzonderheden te bepalen wanneer geacht wordt dat er subsidiëring is, volgens welke beginselen daartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, in het bijzonder indien de subsidie specifiek is toegekend, en volgens welke criteria de hoogte van de subsidie wordt berekend die tot compenserende maatregelen kan leiden.

(7)

Om het bestaan van een subsidie te kunnen vaststellen, is het noodzakelijk aan te tonen dat de overheid of een overheidsinstantie op het grondgebied van een land een financiële bijdrage heeft verstrekt, of dat er enige vorm van inkomens- of prijzensteun in de zin van artikel XVI van de GATT 1994 is geweest en dat de onderneming die deze heeft genoten, daarmee een voordeel heeft verkregen.

(8)

Voor de berekening van het voordeel voor de subsidieontvanger, in die gevallen waarin het betrokken land geen marktvoorwaarden kent, moet het ijkpunt worden vastgesteld door een correctie van de voorwaarden in dat land aan de hand van in dat land aanwezige factoren. Indien dit niet praktisch mogelijk is, onder meer vanwege het ontbreken of de onbetrouwbaarheid van marktprijzen en -kosten, moet een passend ijkpunt worden vastgesteld aan de hand van de voorwaarden op andere markten.

(9)

Het is wenselijk duidelijke nadere richtsnoeren te bieden ten aanzien van de factoren die voor de vaststelling of de invoer met subsidiëring aanmerkelijke schade heeft veroorzaakt dan wel deze dreigt te veroorzaken, relevant kunnen zijn. Bij het aantonen dat de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, aan het volume van de invoer en aan het niveau van de prijzen ervan is toe te schrijven, dient aandacht te worden geschonken aan de gevolgen van andere factoren, en met name aan de in de Gemeenschap heersende marktomstandigheden.

(10)

Het is dienstig het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap” te omschrijven en te bepalen dat met exporteurs gelieerde partijen van deze bedrijfstak kunnen worden uitgesloten, alsook het begrip „gelieerd” te omschrijven. Het is ook noodzakelijk te bepalen dat ten behoeve van producenten in een regio van de Gemeenschap maatregelen voor compenserende rechten kunnen worden genomen en om richtsnoeren voor de afbakening van een dergelijke regio te geven.

(11)

Het is noodzakelijk te bepalen wie een klacht met het oog op compenserende rechten mag indienen, in welke mate deze door de bedrijfstak van de Gemeenschap dient te worden gesteund en welke informatie die klacht dient te bevatten betreffende tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, schade en het oorzakelijk verband daartussen. Het is tevens nuttig regels te stellen voor de procedures voor afwijzing van klachten of voor het inleiden van de procedure.

(12)

Er dient te worden bepaald op welke wijze de belanghebbenden ervan in kennis worden gesteld welke informatie de autoriteiten verlangen. De belanghebbenden moeten voldoende gelegenheid hebben om al het relevante bewijsmateriaal over te leggen en om hun belangen te verdedigen. Het is voorts wenselijk duidelijk de bij het onderzoek te volgen regels en procedures te regelen, in het bijzonder de regels volgens welke de belanghebbenden zich binnen de gestelde termijnen kenbaar dienen te maken, hun standpunt naar voren dienen te brengen en informatie dienen te verstrekken teneinde deze standpunten en informatie in aanmerking te kunnen nemen. Het is bovendien dienstig te bepalen op welke voorwaarden een belanghebbende toegang heeft tot en commentaar kan leveren op de door andere belanghebbenden verschafte informatie. Voorts dienen de lidstaten en de Commissie bij het verzamelen van informatie samen te werken.

(13)

Het is noodzakelijk te bepalen onder welke omstandigheden voorlopige rechten kunnen worden ingesteld, met name dat dit niet eerder dan 60 dagen en niet later dan negen maanden na de opening van het onderzoek mag geschieden. De Commissie kan dergelijke rechten in alle gevallen slechts voor een tijdvak van vier maanden instellen.

(14)

Het is noodzakelijk procedures vast te stellen voor de aanvaarding van verbintenissen die de gevolgen van de subsidies of van schade compenseren of wegnemen, waardoor de instelling van voorlopige of van definitieve rechten overbodig wordt. Het is tevens dienstig te bepalen welke consequenties aan de schending of aan de opzegging van verbintenissen zijn verbonden en voorlopige rechten kunnen worden ingesteld wanneer het vermoeden bestaat dat een verbintenis wordt geschonden of wanneer nader onderzoek noodzakelijk is om de bevindingen aan te vullen. Bij de aanvaarding van verbintenissen moet ervoor worden zorg gedragen dat de voorgestelde verbintenissen en de handhaving daarvan niet tot mededinging verstorende gedragingen leiden.

(15)

Het wordt wenselijk geacht dat te bepalen dat voor de opzegging van een verbintenis en de toepassing van het recht slechts één juridisch instrument nodig is. Er moet ook voor worden gezorgd dat de opzeggingsprocedure normaal gesproken binnen zes maanden wordt afgerond, en in geen geval langer dan negen maanden in beslag neemt, zodat de geldende maatregelen correct kunnen worden toegepast.

(16)

Het is noodzakelijk te bepalen dat onderzoeken, ongeacht of definitieve maatregelen worden ingesteld, normalerwijze binnen twaalf en in ieder geval niet later dan dertien maanden na de opening van het onderzoek dienen te worden beëindigd.

(17)

Een onderzoek of procedure dient te worden beëindigd indien het bedrag van de subsidie zeer gering („de minimis”) blijkt te zijn of, met name bij invoer uit ontwikkelingslanden, het volume van de invoer met subsidie of de schade te verwaarlozen is en dat hiervoor criteria dienen te worden vastgesteld. Wanneer maatregelen dienen te worden getroffen, dient in beëindiging van het onderzoek te worden voorzien en dient te worden bepaald dat het recht lager dan het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies moet zijn indien dat lagere bedrag de schade zou wegnemen en bovendien dient in het geval van een steekproefonderzoek de wijze van berekening van de hoogte van het recht te worden vastgesteld.

(18)

Het is noodzakelijk in bepalingen te voorzien die het mogelijk maken de voorlopige rechten met terugwerkende kracht in te vorderen indien dat dienstig wordt geacht en te bepalen onder welke omstandigheden rechten met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd om te vermijden dat aan de toe te passen definitieve maatregelen afbreuk wordt gedaan. Het is bovendien noodzakelijk te bepalen dat ingeval van schending of van opzegging van verbintenissen de rechten eveneens met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast.

(19)

Het is noodzakelijk te bepalen dat maatregelen na vijf jaar vervallen tenzij een nieuw onderzoek uitwijst dat zij dienen te worden gehandhaafd. In gevallen waarin toereikend bewijsmateriaal in verband met gewijzigde omstandigheden wordt voorgelegd, dient tevens te worden voorzien in tussentijdse nieuwe onderzoeken of in onderzoeken om vast te stellen of de terugbetaling van compenserende rechten gerechtvaardigd is.

(20)

Hoewel de Subsidieovereenkomst geen bepalingen bevat met betrekking tot de ontwijking van compenserende maatregelen, bestaat wel de mogelijkheid van ontwijking op een gelijkaardige, doch niet identieke wijze als bij antidumpingmaatregelen. Het is derhalve wenselijk in deze verordening bepalingen inzake ontwijking op te nemen.

(21)

Het is wenselijk vast te leggen welke partijen het recht hebben om een verzoek tot opening van een onderzoek naar de ontduiking van rechten te mogen indienen.

(22)

Het is eveneens wenselijk nader te omschrijven welke praktijken ontduiking van de geldende maatregelen inhouden. Ontduiking kan zowel binnen als buiten de Gemeenschap plaatsvinden. Daarom moet vastgelegd worden dat vrijstellingen van de eventueel aan importeurs verleende uitgebreide rechten ook aan exporteurs kunnen worden verleend wanneer rechten worden uitgebreid om ontduiking buiten de Gemeenschap te bestrijden.

(23)

Het is dienstig in de mogelijkheid tot schorsing van compenserende maatregelen te voorzien in geval van een tijdelijke verandering in de marktomstandigheden die de voortzetting van dergelijke maatregelen tijdelijk inopportuun maken.

(24)

Het is noodzakelijk in de mogelijkheid te voorzien dat in onderzoek verkerende invoer bij de invoer wordt geregistreerd, zodat ten aanzien van deze invoer vervolgens maatregelen toepassing kunnen vinden.

(25)

De lidstaten dienen op de invoer van de aan een onderzoek of maatregelen onderworpen producten toezicht uit te oefenen om de naleving van de maatregelen te waarborgen en zij dienen hun bevindingen hieromtrent evenals de uit hoofde van deze verordening ingevorderde bedragen aan rechten aan de Commissie mede te delen. De Commissie dient eveneens de mogelijkheid te krijgen om de lidstaten te verzoeken informatie te verstrekken, overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot vertrouwelijkheid, om prijsverbintenissen en de doelmatigheid van de maatregelen te controleren.

(26)

Er dient te worden bepaald dat in bepaalde stadia van het onderzoek een Raadgevend Comité wordt geraadpleegd. Dit comité dient uit vertegenwoordigers van de lidstaten te zijn samengesteld en door een vertegenwoordiger van de Commissie te worden voorgezeten.

(27)

Ter verificatie van de voorgelegde informatie betreffende tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidiëring en betreffende schade, is het dienstig in controlebezoeken te voorzien, met dien verstande dat ontvangst van behoorlijk beantwoorde vragenlijsten voorwaarde voor dergelijke bezoeken is.

(28)

Teneinde ervoor te zorgen dat onderzoeken binnen de gestelde termijnen worden voltooid, is het van wezenlijk belang te bepalen dat, wanneer het aantal partijen of transacties groot is, van steekproeven gebruik mag worden gemaakt.

(29)

Het is noodzakelijk te bepalen dat wanneer belanghebbenden onvoldoende medewerking verlenen, andere informatie kan worden gebruikt om tot vaststellingen te komen en dat dergelijke informatie voor de betrokken belanghebbenden minder gunstig kan zijn dan het geval zou zijn geweest wanneer zij wel medewerking hadden verleend.

(30)

Er dient te worden voorzien in de vertrouwelijke behandeling van informatie om de openbaarmaking van zaken- of van staatsgeheimen te beletten.

(31)

Het is van wezenlijk belang erin te voorzien dat partijen die voor een dergelijke behandeling in aanmerking komen, kennis krijgen van de belangrijkste feiten en overwegingen en dat de bekendmaking ervan, met inachtneming van het besluitvormingsproces in de Gemeenschap, binnen een zodanig tijdsbestek dient te geschieden dat de partijen hun belangen kunnen verdedigen.

(32)

Het verdient aanbeveling in een administratieve regeling te voorzien welke het mogelijk maakt argumenten naar voren te brengen met betrekking tot de vraag of maatregelen in het belang van de Gemeenschap zijn, met inbegrip van het belang van de consument, en om termijnen vast te stellen waarbinnen dergelijke informatie dient te worden verstrekt en tevens om bepalingen op te nemen betreffende de rechten van de belanghebbenden ten aanzien van de openbaarmaking van gegevens.

(33)

Het is bij de toepassing van de bepalingen van de Subsidieovereenkomst van wezenlijk belang — teneinde het evenwicht tussen rechten en plichten te bewaren dat met die overeenkomst wordt nagestreefd — dat door de Gemeenschap rekening wordt gehouden met de daaraan door haar voornaamste handelspartners gegeven interpretatie, zoals die in de wetgeving of in de gevestigde praktijk tot uiting komt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Beginselen

1.   Compenserende rechten kunnen worden ingesteld om elke subsidie te neutraliseren die rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend voor de vervaardiging, de productie, de uitvoer of het vervoer van een product waarvan het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen schade veroorzaakt.

2.   In afwijking van lid 1 zijn de bepalingen van deze verordening volledig van toepassing op producten die niet rechtstreeks vanuit het land van oorsprong, maar vanuit een tussenliggend land naar de Gemeenschap worden uitgevoerd. De desbetreffende transactie(s) wordt, respectievelijk worden beschouwd als tussen het land van oorsprong en de Gemeenschap te zijn geschied.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening:

a)

wordt een product geacht te worden gesubsidieerd indien daarvoor een subsidie wordt toegekend waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen zoals omschreven in de artikelen 3 en 4. Een dergelijke subsidie kan worden verleend door de overheid van het land van oorsprong van het ingevoerde product of door die van een tussenliggend land van waaruit het product naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd, welk laatstbedoeld land voor de toepassing van deze verordening „land van uitvoer” wordt genoemd;

b)

wordt onder „overheid” verstaan, elke overheidsinstantie op het grondgebied van het land van oorsprong of van uitvoer;

c)

wordt onder „soortgelijk product” verstaan, een product dat identiek is, hetgeen wil zeggen een product dat in ieder opzicht gelijk aan het betrokken product is of, bij gebreke van een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken vertoont die sterk op die van het betrokken product gelijken;

d)

wordt, tenzij anders bepaald, onder „schade” verstaan, aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, dreiging van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap of aanmerkelijke vertraging bij de vestiging van een dergelijke bedrijfstak en wordt dit begrip volgens de bepalingen van artikel 8 uitgelegd.

Artikel 3

Definitie van subsidie

Subsidie wordt geacht aanwezig te zijn indien:

1.

a)

de overheid in het land van oorsprong of in dat van uitvoer een financiële bijdrage levert, dat wil zeggen wanneer:

i)

een overheidspraktijk rechtstreekse overdracht van middelen (bijvoorbeeld schenkingen, leningen, kapitaalinbreng), of mogelijke rechtstreekse overdracht van middelen of van passiva (bijvoorbeeld leninggaranties) inhoudt;

ii)

de overheid afstand doet van inkomsten die haar normaal toekomen of deze niet int, bijvoorbeeld fiscale stimuli zoals belastingkredieten. In dit verband wordt de vrijstelling, ten behoeve van een uitgevoerd product, van op het soortgelijke product, indien dat voor binnenlands ge- of verbruik is bestemd, rustende rechten en belastingen of de gehele of gedeeltelijke terugbetaling of kwijtschelding van deze rechten en belastingen voor bedragen die niet hoger zijn dan de betaalde of verschuldigde bedragen, niet als subsidie beschouwd, mits een dergelijke terugbetaling of kwijtschelding overeenkomstig de bepalingen van de bijlagen I, II en III geschiedt;

iii)

de overheid goederen levert of diensten biedt, niet bestaande uit algemene infrastructuur, of goederen aankoopt;

iv)

de overheid:

betalingen aan een financieringsmechanisme verricht, of

aan een particulier lichaam een of meer van de onder i), ii) en iii) genoemde soorten functies toevertrouwt of dat lichaam daarmee belast, welke functies zij normaal zelf zou vervullen en de praktijk in werkelijkheid niet afwijkt van praktijken die overheidsinstanties plegen te volgen;

of

b)

er enige vorm van inkomens- of prijzensteun in de zin van artikel XVI van de GATT 1994 is; en

2.

daarbij een voordeel wordt toegekend.

Artikel 4

Tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

1.   Subsidies worden slechts dan aan compenserende maatregelen onderworpen indien zij specifiek zijn, zoals omschreven in de leden 2, 3 en 4.

2.   Om te bepalen of een subsidie specifiek is voor een onderneming of een bedrijfstak of voor een groep van ondernemingen of bedrijfstakken, hierna „bepaalde ondernemingen” genoemd binnen het gebied van de bevoegdheden van de subsidieverlenende autoriteit, gelden de volgende beginselen:

a)

een subsidie is specifiek wanneer de subsidieverlenende autoriteit of de wetgeving op grond waarvan deze autoriteit handelt, de mogelijkheid om subsidie te verkrijgen uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen beperkt;

b)

een subsidie is niet-specifiek indien de subsidieverlenende autoriteit of de wetgeving op grond waarvan deze subsidieverlenende autoriteit handelt, voor de toekenning van subsidies en voor de vaststelling van de hoogte ervan objectieve criteria of voorwaarden hanteert en voor zover het in aanmerking komen voor subsidie automatisch is en de criteria en voorwaarden strikt in acht worden genomen;

c)

indien er, ondanks het feit dat er op grond van het bepaalde onder a) en b) geen specificiteit lijkt te zijn, toch redenen zijn om aan te nemen dat de subsidie in feite specifiek kan zijn, mogen andere factoren in aanmerking worden genomen, zoals gebruik van een subsidieprogrammering door een beperkt aantal bepaalde ondernemingen, gebruik ervan overwegend door bepaalde ondernemingen, de toekenning aan bepaalde ondernemingen van onevenredig hoge subsidiebedragen en de wijze waarop de subsidieverlenende autoriteit bij het besluit tot verlening van de subsidie van haar discretionaire bevoegdheid gebruik maakt. In dit verband worden met name de frequentie waarmee aanvragen om subsidies worden afgewezen, respectievelijk ingewilligd en de redenen daarvan in aanmerking genomen.

Voor de toepassing van het bepaalde onder b) wordt onder „objectieve criteria of voorwaarden” verstaan, criteria en voorwaarden die neutraal zijn, die bepaalde ondernemingen niet ten opzichte van andere ondernemingen begunstigen en die economisch van aard en horizontaal van toepassing zijn, zoals het aantal werknemers of de ondernemingsgrootte.

De criteria of voorwaarden moeten in wetten, in regelgeving of in andere officiële documenten duidelijk zijn omschreven zodat een en ander kan worden nagegaan.

Bij de toepassing van de eerste alinea, onder c), wordt rekening gehouden met de mate van diversificatie van de economische activiteiten binnen het gebied van de bevoegdheden van de subsidieverlenende autoriteit en met het tijdvak waarin de subsidieregeling toepassing heeft gevonden.

3.   Een subsidie die tot bepaalde ondernemingen is beperkt welke in een afgebakend geografisch gebied binnen het gebied van de bevoegdheden van een subsidieverlenende autoriteit zijn gevestigd, is specifiek. De vaststelling of wijziging van algemeen geldende belastingtarieven door de daartoe bevoegde overheidsinstanties wordt voor de toepassing van deze verordening niet geacht een specifieke subsidie te zijn.

4.   Niettegenstaande het bepaalde in de leden 2 en 3, worden de volgende subsidies geacht specifiek te zijn:

a)

subsidies die, rechtens of in feite, uitsluitend of als een van verscheidene andere voorwaarden van uitvoerprestaties afhankelijk zijn, met inbegrip van de in bijlage I genoemde subsidies;

b)

subsidies die uitsluitend of onder meer afhankelijk zijn van het gebruik van binnenlandse in plaats van dat van ingevoerde goederen.

Voor de toepassing van het bepaalde onder a), worden subsidies geacht van uitvoerprestaties afhankelijk te zijn wanneer uit de feiten blijkt dat de toekenning van een subsidie, zonder dat deze rechtens van uitvoerprestaties afhankelijk is, in feite aan bestaande of verwachte uitvoer of aan inkomsten uit uitvoer is gebonden. Het loutere feit dat een subsidie aan exporterende ondernemingen wordt toegekend, is op zich niet voldoende om aan te nemen dat deze subsidie een uitvoersubsidie in de zin van deze bepaling is.

5.   De vaststelling van specificiteit uit hoofde van de bepalingen van dit artikel, moet duidelijk met positief bewijsmateriaal worden onderbouwd.

Artikel 5

Berekening van de hoogte van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

De hoogte van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies wordt berekend in termen van het door de ontvanger daarmee verkregen voordeel waarvan het bestaan wordt vastgesteld in het onderzoektijdvak voor de subsidiëring. Dit tijdvak is in de regel het recentste boekjaar van de begunstigde, maar kan ook een ander tijdvak van ten minste zes, aan de opening van het onderzoek voorafgaande maanden zijn, waarvoor betrouwbare financiële en andere relevante gegevens beschikbaar zijn.

Artikel 6

Berekening van het voordeel voor de ontvanger

Voor de berekening van het voordeel voor de ontvanger geldt het volgende:

a)

de deelneming in aandelenkapitaal door de overheid wordt niet als voordeeltoekenning beschouwd, tenzij die investering kan worden beschouwd als niet overeen te stemmen met de normale investeringspraktijk (verstrekking van risicokapitaal inbegrepen) van particuliere investeerders op het grondgebied van het land van oorsprong en/of van uitvoer;

b)

een door de overheid verstrekte lening wordt niet als voordeeltoekenning beschouwd, tenzij er een verschil is tussen het bedrag dat de leningontvangende onderneming op die lening betaalt en dat wat de onderneming zou betalen voor een vergelijkbare commerciële lening die zij daadwerkelijk op de markt zou kunnen verkrijgen. In dat geval bestaat het voordeel uit het verschil tussen die twee bedragen;

c)

een door de overheid verstrekte garantie voor een lening wordt niet als voordeeltoekenning beschouwd, tenzij er een verschil is tussen het bedrag dat de garantieontvangende onderneming op een door de overheid gegarandeerde lening betaalt en dat wat de onderneming zou betalen voor een vergelijkbare commerciële lening zonder overheidsgarantie. In dat geval bestaat het voordeel uit het verschil tussen de twee bedragen, gecorrigeerd voor eventuele verschillen in commissies;

d)

de levering van goederen, de verrichting van diensten of de aankoop van goederen door de overheid wordt niet als voordeeltoekenning beschouwd, tenzij de levering tegen een minder dan toereikende beloning of de aankoop tegen een meer dan toereikende beloning geschiedt. De toereikendheid van de beloning wordt vastgesteld door een vergelijking te maken met de heersende marktvoorwaarden voor het betreffende product, respectievelijk de betrokken diensten in het land van levering of van aankoop (waaronder prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere aan- of verkoopvoorwaarden).

Indien er geen marktvoorwaarden voor het betrokken product of de betrokken dienst zijn in het land van levering of aankoop die als ijkpunt kunnen dienen, zijn de volgende regels van toepassing:

i)

de voorwaarden in het betrokken land worden gecorrigeerd, aan de hand van de werkelijke kosten, prijzen en andere factoren in dat land, met een passend bedrag dat met normale marktvoorwaarden overeenstemt, of

ii)

indien van toepassing, worden de voorwaarden gebruikt die gelden op de markt van een ander land of op de wereldmarkt en die voor de ontvanger beschikbaar zijn.

Artikel 7

Algemene bepalingen inzake de berekening

1.   De hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies wordt vastgesteld per eenheid van het naar de Gemeenschap uitgevoerde, gesubsidieerde product.

Bij de vaststelling van de hoogte van de subsidie mogen de volgende elementen van de totale subsidie worden afgetrokken:

a)

kosten van de aanvraag of andere kosten die noodzakelijk waren om voor de subsidie in aanmerking te komen of om deze te verkrijgen;

b)

uitvoerbelastingen, rechten of andere heffingen op de uitvoer van het product naar de Gemeenschap die specifiek ten doel hebben de subsidie te compenseren.

Wanneer een belanghebbende aftrek van kosten aanvraagt, moet hij bewijzen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is.

2.   Wanneer de subsidie niet wordt verleend op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden, wordt de hoogte van de subsidie waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, vastgesteld door de waarde van de totale subsidie om te slaan, naar gelang van het geval, over het niveau van de productie, de afzet of de uitvoer van de betrokken producten in het onderzoektijdvak voor subsidiëring.

3.   Wanneer verband kan worden gelegd tussen de subsidie en de verwerving of de toekomstige verwerving van vaste activa, wordt de hoogte van de subsidie waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, berekend door de subsidie te spreiden over een tijdvak dat in de betrokken bedrijfstak met de door normaal gevolgde afschrijvingspraktijk voor deze activa overeenstemt.

Het aldus berekende, aan het onderzoektijdvak toe te rekenen bedrag, met inbegrip van het bedrag dat van vóór dat tijdvak verworven vaste activa is afgeleid, wordt toegerekend zoals bepaald in lid 2.

Indien de activa niet in waarde verminderen, wordt de subsidie gelijkgesteld met een renteloze lening en behandeld overeenkomstig artikel 6, onder b).

4.   Wanneer tussen een subsidie en de verwerving van vaste activa geen verband kan worden gelegd, wordt het bedrag van het voordeel dat tijdens het onderzoektijdvak werd verkregen in beginsel aan dat tijdvak toegerekend en over de kosten verdeeld als bepaald in lid 2, tenzij er zich buitengewone omstandigheden voordoen die toerekening aan een ander tijdvak rechtvaardigen.

Artikel 8

Schadevaststelling

1.   De schadevaststelling dient op positief bewijsmateriaal te berusten en houdt een objectief onderzoek in van zowel:

a)

de omvang van de invoer van gesubsidieerde producten en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortelijke producten in de Gemeenschap, als

b)

de uit deze invoer voortvloeiende neerslag op de bedrijfstak van de Gemeenschap.

2.   Waar het volume van de gesubsidieerde invoer betreft, wordt nagegaan of deze in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of tot het verbruik in de Gemeenschap aanzienlijk is toegenomen. Wat de gevolgen van de gesubsidieerde invoer op de prijzen betreft, wordt nagegaan of er door de invoer met subsidie aanzienlijke prijsonderbieding is ten opzichte van de prijzen van een soortgelijk product van de bedrijfstak van de Gemeenschap, dan wel of deze invoer op enige andere wijze sterke druk op de prijzen uitoefent of een belemmering voor prijsverhogingen vormt die zonder deze invoer zouden zijn opgetreden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch een aantal van deze factoren tezamen, noodzakelijk doorslaggevend is.

3.   Wanneer de invoer van een product uit meer dan één land gelijktijdig aan een onderzoek voor compenserende rechten wordt onderworpen, worden de gevolgen van deze invoer slechts dan cumulatief beoordeeld indien wordt vastgesteld dat:

a)

de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies voor het uit elk land ingevoerde product meer dan minimaal in de zin van artikel 14, lid 5, is en het volume van de invoer uit elk land als niet te verwaarlozen kan worden aangemerkt, en

b)

een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer in het licht van de concurrentievoorwaarden tussen de ingevoerde producten onderling en die tussen de ingevoerde producten en het soortgelijke product uit de Gemeenschap, dienstig is.

4.   Het onderzoek naar de weerslag van de invoer met subsidie op de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap omvat een beoordeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn, waaronder het feit dat een bedrijfstak van de gevolgen van subsidiëring of van dumping die in het verleden is geschied, nog steeds herstellende is, de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, de werkelijke en de potentiële daling van de afzet, de winst, de omzet, het marktaandeel, de productiviteit, de rentabiliteit en de bezettingsgraad, alsmede de factoren die op de prijzen in de Gemeenschap van invloed zijn; de werkelijke en de potentiële negatieve gevolgen voor „cash flow”, de voorraden, de werkgelegenheid, de lonen, de groei en het vermogen om kapitaal of investeringen aan te trekken, en in het geval van landbouw, of er een toenemende last op steunprogramma’s van de overheid is geweest. Deze lijst is niet limitatief, noch kan één of meer van deze factoren noodzakelijkerwijze doorslaggevend zijn bij de beoordeling.

5.   Aan de hand van het in het raam van lid 1 voorgelegde relevante bewijsmateriaal moet worden aangetoond dat de invoer met subsidie schade veroorzaakt. Hierbij moet in het bijzonder worden aangetoond dat de in lid 4 omschreven gevolgen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap aan het overeenkomstig lid 2 vastgestelde invoervolume en/of aan het niveau van de prijzen zijn toe te schrijven en dat deze weerslag dusdanig is dat deze als aanmerkelijk kan worden beschouwd.

6.   Ook wordt een onderzoek ingesteld naar andere bekende factoren dan de invoer met subsidie die terzelfder tijd de bedrijfstak van de Gemeenschap schade toebrengen om zekerheid te hebben dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade niet aan de invoer met subsidie overeenkomstig lid 5 wordt toegeschreven. Relevant in dit verband zijn factoren als het volume en de prijzen van de invoer zonder subsidie, inkrimping van de vraag of wijzigingen in het consumptiepatroon, beperkende handelspraktijken van en concurrentie tussen de producenten uit derde landen en die in de Gemeenschap, technologische ontwikkelingen, de uitvoerprestaties en de productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

7.   De gevolgen van de invoer met subsidie worden beoordeeld in verband met de productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap, indien de beschikbare gegevens een mogelijkheid verschaffen om deze productie aan de hand van criteria zoals het productieproces, de omzet en de winst van de producenten, apart te identificeren. Is aparte identificatie van die productie niet mogelijk, dan worden de gevolgen van de invoer met subsidie beoordeeld aan de hand van een onderzoek van de beperktste groep of het beperktste gamma producten waaronder het soortgelijke product is begrepen, en waarover de nodige gegevens kunnen worden verkregen.

8.   Vaststelling van dreiging van aanmerkelijke schade dient op feiten te berusten en niet louter op beweringen, gissingen of vage mogelijkheden. De verandering van omstandigheden waardoor een situatie zou ontstaan waarin de subsidie schade zou veroorzaken, moet voor de nabije toekomst duidelijk zijn te voorzien.

Bij de vaststelling van het bestaan van dreiging van aanmerkelijke schade worden onder meer de volgende factoren in aanmerking genomen:

a)

de aard van de betrokken subsidie(s) en de waarschijnlijke gevolgen daarvan voor de handel;

b)

een aanzienlijke mate van toeneming van de invoer met subsidie op de markt van de Gemeenschap die erop wijst dat deze invoer waarschijnlijk nog aanzienlijk zal toenemen;

c)

voldoende vrij beschikbare capaciteit bij de exporteur of een in de nabije toekomst aanmerkelijke toeneming van die capaciteit, welke erop wijst dat de uitvoer met subsidie naar de Gemeenschap waarschijnlijk nog aanzienlijk zal toenemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de beschikbaarheid van andere exportmarkten die de bijkomende, voor uitvoer beschikbare hoeveelheden kunnen absorberen;

d)

of de producten worden ingevoerd tegen prijzen die in aanzienlijke mate druk op de prijzen zouden uitoefenen of die prijsverhogingen die anders zouden zijn geschied, zouden verhinderen en die de vraag naar meer invoer vermoedelijk nog zouden doen toenemen;

e)

de bestaande voorraden van het product waarop het onderzoek betrekking heeft.

Geen van deze factoren behoeft op zich doorslaggevend te zijn, maar alle in overweging genomen factoren tezamen moeten tot de conclusie leiden dat er op korte termijn nog uitvoer met subsidie zal geschieden en dat er, tenzij beschermingsmaatregelen worden genomen, aanmerkelijke schade zal optreden.

Artikel 9

Omschrijving van het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap”

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „bedrijfstak van de Gemeenschap” verstaan, de gezamenlijke producenten in de Gemeenschap van de soortgelijke producten of diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale communautaire productie van deze producten als omschreven in artikel 10, lid 6, uitmaakt, met dien verstande dat:

a)

wanneer producenten met exporteurs of importeurs zijn gelieerd of zelf importeur van het naar beweren gesubsidieerde product zijn, onder „bedrijfstak van de Gemeenschap” de overige producenten kunnen worden verstaan;

b)

in buitengewone omstandigheden het grondgebied van de Gemeenschap, wat de betrokken productie betreft, in twee of meer concurrerende markten kan worden verdeeld en de producenten binnen elk ervan als een afzonderlijke bedrijfstak kunnen worden beschouwd indien:

i)

de producenten binnen die markt hun gehele of nagenoeg gehele productie van het betrokken product op die markt verkopen, en

ii)

aan de vraag op die markt niet in belangrijke mate wordt voldaan door elders in de Gemeenschap gevestigde producenten van het betrokken product.

In deze omstandigheden kan tot het bestaan van schade worden geconcludeerd zelfs indien een groot deel van de totale bedrijfstak van de Gemeenschap geen schade lijdt, mits de invoer met subsidie op deze afzonderlijke markt geconcentreerd is en de producenten van alle of vrijwel alle producten op die markt door de invoer met subsidie schade lijden.

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden producenten uitsluitend geacht met exporteurs of importeurs te zijn gelieerd indien:

a)

een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de anderen, of

b)

een derde persoon rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over hen beiden, of

c)

zij tezamen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap hebben over een derde persoon, voor zover er redenen zijn om aan te nemen of te vermoeden dat de betrokken producent zich door deze relatie anders gedraagt dan niet-gelieerde producenten.

Voor de toepassing van dit lid wordt een producent geacht zeggenschap over een andere persoon te hebben wanneer de ene rechtens of feitelijk in een positie verkeert het handelen van de ander te beperken of te leiden.

3.   Wanneer „bedrijfstak van de Gemeenschap” is uitgelegd als te bestaan uit de producenten in een bepaald gebied, wordt de exporteurs of de subsidieverlenende overheid de gelegenheid geboden overeenkomstig artikel 13 verbintenissen voor het betrokken gebied aan te bieden. In dergelijke gevallen wordt bij de beoordeling van het belang van de Gemeenschap bij de maatregelen, in het bijzonder met het belang van het betrokken gebied rekening gehouden. Indien niet onmiddellijk een passende verbintenis wordt aangeboden of indien zich de in artikel 13, leden 9 en 10, omschreven situaties voordoen, kan voor de Gemeenschap in haar geheel een voorlopig of een definitief recht worden opgelegd. In dergelijke gevallen kunnen de rechten, indien zulks in de praktijk uitvoerbaar is, tot specifieke producten of exporteurs worden beperkt.

4.   De bepalingen van artikel 8, lid 7, zijn op dit artikel van toepassing.

Artikel 10

Inleiding van de procedure

1.   Behoudens het bepaalde in lid 8 wordt een onderzoek geopend naar het bestaan, de mate en de gevolgen van beweerde subsidiëring naar aanleiding van een schriftelijke klacht die namens de bedrijfstak van de Gemeenschap door een natuurlijke persoon, door een rechtspersoon of door een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid wordt ingediend.

De klacht kan worden ingediend bij de Commissie of bij een lidstaat, die deze aan de Commissie doet toekomen. De Commissie doet de lidstaten van elke klacht die zij ontvangt een afschrift toekomen. De klacht wordt geacht te zijn ingediend op de eerste werkdag volgende op de dag van bezorging bij de Commissie als aangetekend poststuk of op die van afgifte van een ontvangstbewijs door de Commissie.

Wanneer geen klacht wordt ingediend maar een lidstaat over voldoende bewijsmateriaal inzake subsidiëring en daaruit voortvloeiende schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap beschikt, doet zij dit bewijsmateriaal onverwijld aan de Commissie toekomen.

2.   Een klacht als bedoeld in lid 1 bevat voldoende bewijsmateriaal betreffende het bestaan van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies (en, zo mogelijk, de hoogte ervan), de schade en het oorzakelijke verband tussen de beweerde subsidie en de beweerde schade. De klacht bevat alle gegevens waarover de klager redelijkerwijze dient te beschikken met betrekking tot:

a)

de identiteit van de klager en het volume alsmede de waarde van de productie in de Gemeenschap van het soortgelijke product door de klager. Indien namens de bedrijfstak in de Gemeenschap een schriftelijke klacht wordt ingediend, wordt de bedrijfstak namens welke de klacht wordt ingediend, daarin omschreven door middel van een lijst van alle bekende producenten van de Gemeenschap van het soortgelijke product (of van verenigingen van die producenten) en, voor zover mogelijk, een opgave van het volume en van de waarde van het soortgelijke product dat door deze producenten in de Gemeenschap wordt vervaardigd;

b)

een volledige omschrijving van het naar beweren met subsidiëring ingevoerde product, de naam van het betrokken land, respectievelijk die van de betrokken landen van oorsprong en/of van uitvoer, de identiteit van elke bekende exporteur of buitenlandse producent en een lijst van bekende personen die het betrokken product invoeren;

c)

bewijsmateriaal ten aanzien van het bestaan, de hoogte en de aard van de betrokken subsidies en de mogelijkheid tegen die subsidies compenserende maatregelen te treffen;

d)

veranderingen in het volume van de beweerde invoer met subsidie, de weerslag van deze invoer op de prijzen van het soortgelijke product op de markt van de Gemeenschap en de daaruit voortvloeiende weerslag van de invoer op de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals blijkt uit relevante factoren en indicatoren met betrekking tot de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, waaronder die welke in artikel 8, leden 2 en 4, zijn genoemd.

3.   De Commissie onderzoekt voor zover mogelijk de juistheid en de toereikendheid van het in de klacht verschafte bewijsmateriaal teneinde vast te stellen of dit voldoende is om tot de opening van een onderzoek over te gaan.

4.   Een onderzoek kan worden geopend om vast te stellen of de beweerde subsidies specifiek zijn in de zin van artikel 4, leden 2 en 3.

5.   Een onderzoek kan tevens worden geopend met betrekking tot de in bijlage IV vermelde soorten maatregelen voor zover deze een in artikel 3 omschreven subsidie-element bevatten, teneinde vast te stellen of deze maatregelen volledig aan de bepalingen van genoemde bijlage beantwoorden.

6.   Een onderzoek op grond van lid 1 wordt eerst geopend nadat aan de hand van een onderzoek naar de mate waarin de klacht door de producenten van het soortgelijke product in de Gemeenschap wordt gesteund dan wel betwist, is vastgesteld dat deze door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap is ingediend. De klacht wordt geacht „door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap te zijn ingediend”, indien zij wordt gesteund door de producenten in de Gemeenschap wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat door dat deel van de bedrijfstak in de Gemeenschap wordt vervaardigd dat zich vóór, respectievelijk tegen de klacht heeft uitgesproken. Evenwel wordt geen onderzoek geopend wanneer de producenten in de Gemeenschap die de klacht uitdrukkelijk steunen, minder dan 25 % van de totale, door de bedrijfstak van de Gemeenschap opgeleverde productie van het soortgelijke product vertegenwoordigen.

7.   De autoriteiten geven aan de met het oog op de opening van het onderzoek ingediende klacht geen bekendheid alvorens het besluit tot opening van een onderzoek is genomen. Na ontvangst van een door het nodige bewijsmateriaal gestaafde klacht ingevolge dit artikel en in ieder geval vóór de opening van een onderzoek doet de Commissie kennisgeving aan de overheid van het betrokken land van oorsprong en/of van uitvoer en wordt deze voor overleg uitgenodigd teneinde de situatie ten aanzien van de in lid 2 bedoelde punten op te helderen en om overeenstemming te bereiken over een oplossing.

8.   Indien de Commissie, in bijzondere omstandigheden, besluit een onderzoek te openen zonder dat zij een schriftelijke klacht van of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap om tot opening van een onderzoek over te gaan, heeft ontvangen, geschiedt zulks aan de hand van voldoende bewijsmateriaal betreffende het bestaan van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, van schade en van oorzakelijk verband als bedoeld in lid 2, om de opening van een dergelijk onderzoek te rechtvaardigen.

9.   Bij het besluit om al dan niet een onderzoek te openen wordt het bewijsmateriaal ten aanzien van subsidiëring en schade gelijktijdig in overweging genomen. Een klacht wordt afgewezen wanneer er ontoereikend bewijs van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidiëring of van schade is om de procedure te kunnen voortzetten. Er wordt geen procedure ingeleid tegen landen waarvan de invoer een marktaandeel van minder dan 1 % vertegenwoordigt, tenzij die landen tezamen 3 % of meer van het verbruik in de Gemeenschap voor hun rekening nemen.

10.   De klacht kan vóór de opening van het onderzoek worden ingetrokken, in welk geval zij wordt geacht niet te zijn ingediend.

11.   Indien na overleg blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is om inleiding van een procedure te rechtvaardigen, gaat de Commissie binnen 45 dagen nadat de klacht is ingediend, daartoe over en maakt zij dit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Wanneer het ingediende bewijsmateriaal ontoereikend is, wordt de klager, na overleg, daarvan binnen 45 dagen na de datum waarop de klacht bij de Commissie werd ingediend, in kennis gesteld.

12.   In het bericht van inleiding van de procedure wordt de opening van een onderzoek aangekondigd en worden het betrokken product alsmede de betrokken landen bekendgemaakt; voorts wordt daarin een samenvatting van de ontvangen informatie gegeven en wordt bepaald dat alle relevante informatie aan de Commissie dient te worden medegedeeld.

Tevens worden in dit bericht de termijnen bekendgemaakt waarbinnen belanghebbenden zich kenbaar kunnen maken, schriftelijk hun standpunt naar voren kunnen brengen en inlichtingen kunnen verstrekken indien hun standpunt en inlichtingen tijdens het onderzoek in aanmerking dienen te worden genomen. Ook wordt daarin de termijn bekendgemaakt waarbinnen belanghebbenden kunnen verzoeken overeenkomstig artikel 11, lid 5, door de Commissie te worden gehoord.

13.   De Commissie stelt de haar bekende betrokken exporteurs, importeurs en representatieve verenigingen van importeurs of van exporteurs, evenals het land van oorsprong en/of van uitvoer en de klagers ervan in kennis dat de procedure werd ingeleid en stelt, met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie, de volledige tekst van de in lid 1 bedoelde schriftelijke klacht ter beschikking van de bekende exporteurs en van de autoriteiten van het land van oorsprong en/of uitvoer en, op verzoek, ook aan andere betrokken belanghebbenden. Wanneer het aantal betrokken exporteurs bijzonder groot is, mag de volledige tekst van de schriftelijke klacht evenwel slechts aan de autoriteiten van het land van oorsprong en/of van uitvoer of aan de relevante vereniging van bedrijfstak- of beroepsgenoten worden verstrekt.

14.   Een onderzoek met het oog op een compenserend recht mag de inklaringsprocedures van de douane niet hinderen.

Artikel 11

Het onderzoek

1.   Na de inleiding van de procedure maakt de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, een aanvang met het onderzoek op het niveau van de Gemeenschap. Dit onderzoek heeft zowel betrekking op de subsidiëring als op de schade en beide elementen worden gelijktijdig onderzocht.

Om ervoor te zorgen dat de bevindingen representatief zijn, wordt in geval van subsidiëring een onderzoektijdvak vastgesteld dat in de regel met het bij artikel 5 vastgestelde onderzoektijdvak overeenstemt.

Informatie die betrekking heeft op een na het onderzoektijdvak volgende periode wordt normaal niet in aanmerking genomen.

2.   Belanghebbenden die bij een onderzoek met het oog op een compenserend recht gebruikte vragenlijsten ontvangen, beschikken over ten minste 30 dagen om deze te beantwoorden. Voor de exporteurs gaat de termijn in op de dag van ontvangst van de vragenlijst, die voor dit doel geacht wordt te zijn ontvangen binnen één week nadat deze de geënquêteerde of de geëigende diplomatieke vertegenwoordiger van het land van oorsprong en/of van uitvoer werd toegezonden. De termijn van 30 dagen kan worden verlengd waarbij rekening dient te worden gehouden met de voor het onderzoek vastgestelde termijnen en mits de belanghebbende redenen voor die verlenging aanvoert, door voor hem geldende bijzondere omstandigheden aan te tonen.

3.   De Commissie kan de lidstaten verzoeken informatie te verstrekken en deze nemen alle noodzakelijke maatregelen om aan een dergelijk verzoek gevolg te geven.

Zij doen de Commissie de gevraagde informatie toekomen tezamen met de resultaten van alle door hen verrichte inspecties, controles en onderzoeken.

De Commissie deelt deze informatie, zowel die welke van algemeen belang is als die waarom door een lidstaat is gevraagd, aan de lidstaten mede, op voorwaarde dat deze informatie niet-vertrouwelijk is; indien dat wel het geval is, wordt een niet-vertrouwelijke samenvatting verstrekt.

4.   De Commissie kan de lidstaten verzoeken alle noodzakelijke controles en inspecties te verrichten, in het bijzonder bij importeurs, handelaren en producenten in de Gemeenschap, en in derde landen een onderzoek in te stellen, op voorwaarde dat de betrokken ondernemingen daarvoor toestemming geven en het betrokken land hiervan officieel in kennis is gesteld en daartegen geen bezwaar maakt.

De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om aan dergelijke verzoeken van de Commissie te voldoen.

Ambtenaren van de Commissie kunnen op verzoek van de Commissie of van een lidstaat, die van de lidstaten in hun werkzaamheden bijstaan.

5.   De belanghebbenden die zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 12, tweede alinea, kenbaar hebben gemaakt, kunnen worden gehoord indien zij binnen de termijn die in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, een daartoe strekkend schriftelijk verzoek indienen waarin zij aantonen dat zij belanghebbenden zijn voor wie de resultaten van de procedure consequenties kunnen hebben en dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen.

6.   De importeurs, de exporteurs en de klagers die zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 12, tweede alinea, kenbaar hebben gemaakt, en vertegenwoordigers van het land van oorsprong en/of van uitvoer worden, op verzoek, in de gelegenheid gesteld andere partijen met tegengestelde belangen te ontmoeten, zodat afwijkende standpunten en tegenargumenten naar voren kunnen worden gebracht.

Hierbij dient rekening te worden gehouden met de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie en met de wensen van de belanghebbenden.

Geen enkele belanghebbende is verplicht aan een dergelijke bijeenkomst deel te nemen, noch mag de afwezigheid van een partij op een dergelijke bijeenkomst haar belangen schaden.

Met de overeenkomstig dit lid verstrekte mondelinge informatie wordt door de Commissie rekening gehouden voor zover die informatie nadien schriftelijke wordt bevestigd.

7.   De klagers, de overheid van het land van oorsprong en/of van uitvoer, de importeurs en de exporteurs, alsmede hun representatieve verenigingen, de representatieve gebruikers- en consumentenorganisaties die zich overeenkomstig artikel 10, lid 12, tweede alinea, kenbaar hebben gemaakt, mogen op schriftelijk verzoek inzage krijgen van alle, door een bij het onderzoek betrokken partij aan de Commissie verstrekte informatie, doch niet van de door de autoriteiten van de Gemeenschap of van haar lidstaten opgestelde interne documenten, die voor de presentatie van hun zaak relevant is, niet-vertrouwelijk in de zin van artikel 29 is en die bij het onderzoek wordt gebruikt.

Deze partijen mogen over vorenbedoelde informatie opmerkingen maken, waarmee rekening wordt gehouden indien die opmerkingen met voldoende bewijsmateriaal worden gestaafd.

8.   Behoudens in de in artikel 28 bedoelde omstandigheden wordt voor zover mogelijk nagegaan of de door belanghebbenden verstrekte informatie waarop de bevindingen worden gebaseerd, juist zijn.

9.   Een onderzoek wordt in de overeenkomstig artikel 10, lid 11, ingeleide procedure zoveel mogelijk binnen één jaar afgesloten. Het wordt in ieder geval binnen 13 maanden na de opening ervan afgesloten in overeenstemming met de bevindingen als bedoeld in artikel 13 voor verbintenissen of met die als bedoeld in artikel 15 voor definitieve maatregelen.

10.   Zolang het onderzoek duurt, geeft de Commissie het land van oorsprong en/of van uitvoer redelijke gelegenheid om het overleg voort te zetten teneinde de feitelijke situatie op te helderen en om overeenstemming te bereiken over een oplossing.

Artikel 12

Voorlopige maatregelen

1.   Voorlopige rechten kunnen worden ingesteld, indien:

a)

een procedure is ingeleid overeenkomstig artikel 10;

b)

hierover is bericht en belanghebbenden voldoende gelegenheid hebben inlichtingen te verstrekken en opmerkingen te maken overeenkomstig artikel 10, lid 12, tweede alinea;

c)

er een voorlopige, positieve vaststelling van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidiëring en daaruit voortvloeiende schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap is geschied; en

d)

het belang van de Gemeenschap vergt dat maatregelen worden genomen om verdere schade te voorkomen.

Voorlopige rechten worden niet eerder ingesteld dan 60 dagen en niet later dan negen maanden na de inleiding van de procedure.

Het voorlopige compenserende recht mag niet hoger zijn dan het voorlopig vastgestelde totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies maar zou lager dan dat bedrag moeten zijn indien dit lagere recht toereikend zou zijn om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade weg te nemen.

2.   Voor het bedrag van de voorlopige rechten dient zekerheid te worden gesteld. De betrokken producten kunnen in de Gemeenschap eerst in het vrije verkeer worden gebracht, nadat daarvoor zekerheid is gesteld.

3.   De Commissie neemt voorlopige maatregelen na overleg of, in bijzonder dringende omstandigheden, na de lidstaten te hebben ingelicht. In het laatste geval geschiedt overleg uiterlijk tien dagen na de datum waarop de lidstaten van de door de Commissie genomen maatregelen kennis is gegeven.

4.   Wanneer een lidstaat om onverwijld optreden van de Commissie verzoekt en aan de voorwaarden van lid 1, eerste en tweede alinea, is voldaan, besluit de Commissie binnen ten hoogste vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek, of een voorlopig compenserend recht moet worden ingesteld.

5.   De Commissie stelt onverwijld de Raad en de lidstaten van elk uit hoofde van de leden 1 tot en met 4 genomen besluit in kennis. De Raad kan met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen anders besluiten.

6.   Een voorlopig compenserend recht wordt voor ten hoogste vier maanden ingesteld.

Artikel 13

Verbintenissen

1.   Mits er voorlopig is vastgesteld dat subsidiering plaatsvindt en daaruit schade voortvloeit, kan de Commissie overgaan tot aanvaarding van op vrijwillige basis aangeboden bevredigende verbintenissen, die inhouden dat:

a)

het land van oorsprong en/of van uitvoer ermee instemt de subsidie in te trekken of te beperken of andere maatregelen te nemen met betrekking tot de gevolgen ervan, of

b)

een exporteur zich ertoe verbindt zijn prijzen te herzien of zijn uitvoer naar het betrokken gebied te staken zolang voor deze uitvoer tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies worden verleend, mits de Commissie na specifieke raadpleging van het Raadgevend Comité ervan overtuigd is dat daarmee de schadelijke gevolgen van de subsidiëring worden weggenomen.

In dergelijke gevallen en voor de duur van de verbintenis gelden de door de Commissie op grond van artikel 12, lid 3, ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 15, lid 1, ingestelde definitieve rechten niet voor de invoer van de betreffende producten die worden geproduceerd door de ondernemingen die worden genoemd in het besluit van de Commissie tot aanvaarding van verbintenissen, en eventuele wijzigingen daarvan.

De prijzen worden ingevolge deze verbintenissen niet meer verhoogd dan nodig om de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie te compenseren. De prijsverhogingen zouden lager moeten zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies als dat toereikend is om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade weg te nemen.

2.   De Commissie kan zelf verbintenissen voorstellen, maar een land of een exporteur kan niet worden verplicht daarop in te gaan. Het feit dat landen of exporteurs geen verbintenissen aanbieden of niet op een voorstel daartoe ingaan, heeft op het onderzoek van de zaak geen invloed.

Niettemin kan worden vastgesteld dat het bij voortzetting van de invoer met subsidie waarschijnlijker wordt dat de dreiging van schade op werkelijke schade uitloopt. Van een land of van een exporteur worden, tenzij een voorlopige vaststelling van subsidiëring of van daaruit voortvloeiende schade is gedaan, geen verbintenissen verlangd, noch worden deze aanvaard.

Behoudens uitzonderlijke omstandigheden mogen verbintenissen na het verstrijken van de termijn waarbinnen overeenkomstig artikel 30, lid 5, opmerkingen mogen worden gemaakt, niet meer worden aangeboden.

3.   Aangeboden verbintenissen behoeven niet te worden aanvaard indien aanvaarding ervan moeilijkheden van praktische aard zou opleveren, bijvoorbeeld omdat het aantal feitelijke of potentiële exporteurs te groot is of om andere redenen, onder meer van algemeen beleid. Aan de betrokken exporteur en/of het land van oorsprong en/of van uitvoer mag mededeling worden gedaan van de redenen op grond waarvan wordt overwogen een aangeboden verbintenis af te wijzen. De exporteur of dat land kan in de gelegenheid worden gesteld daarop commentaar te leveren. De redenen voor de afwijzing worden in het definitieve besluit vermeld.

4.   Partijen die een verbintenis aanbieden, dienen een niet-vertrouwelijke versie daarvan te verstrekken die aan de bij het onderzoek betrokken partijen ter beschikking kan worden gesteld.

5.   Wanneer verbintenissen, na overleg, worden aanvaard en wanneer in het Raadgevend Comité geen bezwaren naar voren worden gebracht, wordt het onderzoek beëindigd. In alle andere gevallen doet de Commissie de Raad onverwijld een verslag over de resultaten van het overleg toekomen, tezamen met een voorstel tot beëindiging van het onderzoek. Het onderzoek wordt beëindigd geacht indien de Raad niet binnen één maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen anders besluit.

6.   Indien de verbintenissen worden aanvaard, wordt het onderzoek naar subsidiëring en schade normaal voltooid. Indien in een dergelijk geval wordt vastgesteld dat er geen subsidiëring of schade is, komt de verbintenis automatisch te vervallen, behalve wanneer een dergelijke vaststelling grotendeels het gevolg is van het bestaan van een verbintenis. Dan kan worden geëist dat een verbintenis gedurende een redelijke termijn wordt gehandhaafd.

Indien wordt vastgesteld dat er inderdaad subsidiëring en schade is, blijft de verbintenis volgens de daarin vervatte bepalingen en overeenkomstig de bepalingen van deze verordening voortbestaan.

7.   De Commissie verlangt van een land waarvan of van een exporteur van wie een verbintenis is aanvaard dat deze op gezette tijden over de naleving van deze verbintenis informatie verstrekt en verificatie van relevante gegevens toestaat. Indien daaraan niet wordt voldaan, wordt zulks als schending van de verbintenis aangemerkt.

8.   Wanneer tijdens het onderzoek van bepaalde exporteurs verbintenissen worden aanvaard, worden deze voor de toepassing van de artikelen 18, 19, 20 en 22 geacht van kracht te worden op de datum waarop het onderzoek voor het land van oorsprong en/of van uitvoer wordt beëindigd.

9.   Wanneer een verbintenis door een partij wordt geschonden of opgezegd, of wanneer de aanvaarding van de verbintenis door de Commissie wordt opgezegd, wordt de aanvaarding van de verbintenis na overleg ingetrokken door middel van hetzij een besluit hetzij een verordening van de Commissie, en zijn de door de Commissie op grond van artikel 12 ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 15, lid 1, ingestelde definitieve rechten van toepassing, op voorwaarde dat de betrokken importeur of het land van oorsprong en/of uitvoer, de gelegenheid heeft gehad opmerkingen te maken, tenzij deze importeur of dit land zelf de verbintenis heeft opgezegd.

Elke belanghebbende en elke lidstaat kan informatie indienen waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn voor de schending van een verbintenis. Daarna moet normaal gesproken binnen zes maanden, maar uiterlijk binnen negen maanden na een naar behoren ingediend verzoek, worden beoordeeld of er inderdaad sprake is van een schending.

De Commissie kan in verband met het toezicht op verbintenissen een beroep doen op de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

10.   Na overleg kan overeenkomstig artikel 12 op basis van de beste beschikbare informatie een voorlopig recht worden ingesteld, hetzij omdat er redenen zijn om aan te nemen dat een verbintenis wordt geschonden, hetzij ingeval van schending of opzegging van een verbintenis, indien het onderzoek dat tot de verbintenis heeft geleid, niet is afgesloten.

Artikel 14

Beëindiging zonder maatregelen

1.   Wanneer de klacht wordt ingetrokken, kan de procedure worden beëindigd, tenzij die beëindiging niet het belang van de Gemeenschap dient.

2.   Wanneer, na overleg, blijkt dat beschermende maatregelen onnodig zijn en het Raadgevend Comité geen bezwaar maakt, wordt het onderzoek of de procedure beëindigd. In alle andere gevallen doet de Commissie de Raad onverwijld een verslag over de resultaten van het overleg toekomen, tezamen met een voorstel tot beëindiging van de procedure. De procedure wordt beëindigd geacht indien de Raad niet binnen één maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen anders besluit.

3.   Overeenkomstig lid 5 wordt de procedure onverwijld beëindigd indien wordt vastgesteld dat de hoogte van de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, minimaal is, of indien het volume van zowel de werkelijke als de potentiële invoer met subsidie of de schade te verwaarlozen is.

4.   Bij een overeenkomstig artikel 10, lid 11, ingeleide procedure wordt de schade normalerwijze als te verwaarlozen beschouwd indien het marktaandeel van de betrokken invoer minder bedraagt dan het aandeel dat in artikel 10, lid 9, is bepaald. Bij onderzoek naar de invoer met subsidie uit ontwikkelingslanden wordt het volume van deze invoer als te verwaarlozen beschouwd indien deze minder dan 4 % van de totale invoer van het soortgelijke product in de Gemeenschap uitmaakt, tenzij de invoer uit ontwikkelingslanden waarvan het afzonderlijke aandeel in de totale invoer minder dan 4 % vertegenwoordigt, tezamen meer dan 9 % van de totale invoer van het soortgelijke product in de Gemeenschap beloopt.

5.   De hoogte van de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, wordt als minimaal beschouwd indien deze minder dan 1 % ad valorem bedraagt, met dien verstande dat bij onderzoeken naar de invoer uit ontwikkelingslanden de drempel voor het als minimaal te beschouwen 2 % ad valorem bedraagt, op voorwaarde dat slechts het onderzoek wordt beëindigd, indien de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies onder het voor individuele exporteurs relevante niveau voor het als minimaal te beschouwden ligt. De procedure blijft echter op hen van toepassing en bij een eventueel later volgend nieuw onderzoek dat voor het betrokken land op grond van de artikelen 18 en 19 wordt verricht, kunnen zij opnieuw aan een onderzoek worden onderworpen.

Artikel 15

Instelling van definitieve rechten

1.   Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er sprake is van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen te nemen in de zin van artikel 31, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité, een definitief compenserend recht in.

Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren.

Wanneer voorlopige rechten van toepassing zijn, wordt uiterlijk één maand voor het vervallen van deze rechten bij de Raad een voorstel voor definitieve maatregelen ingediend.

Er worden geen maatregelen genomen als de subsidies zijn ingetrokken of als de exporteurs hierdoor niet langer een voordeel verkrijgen.

Het compenserende recht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en moet lager zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap lijdt.

2.   In elke zaak wordt op alle producten, ongeacht de bron ervan, waarvan is geconstateerd dat zij met tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies worden ingevoerd en dat daardoor schade ontstaat, met uitzondering van de invoer uit die bronnen, waarvan krachtens deze verordening verbintenissen zijn aanvaard, op niet-discriminerende grondslag een passend compenserend recht ingesteld. In de verordening waarbij het recht wordt ingesteld, wordt bekendgemaakt welk recht voor elke leverancier of, indien dit praktisch niet mogelijk is, welk recht voor het land van levering is ingesteld.

3.   Wanneer de Commissie haar onderzoek overeenkomstig artikel 27 heeft beperkt, mag het compenserende recht op de invoer door exporteurs of producenten die zich, overeenkomstig het bepaalde in artikel 27, kenbaar hebben gemaakt maar die niet bij het onderzoek werden betrokken, niet hoger zijn dan het voor de in de steekproef opgenomen partijen vastgestelde, gewogen gemiddelde bedrag van de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden ingesteld.

Voor de toepassing van dit lid houdt de Commissie geen rekening met nihil- noch met minimale bedragen van subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden ingesteld noch met de bedragen van dergelijke subsidies die onder de in artikel 28 bedoelde omstandigheden werden vastgesteld.

Individuele rechten worden toegepast op de invoer van elke exporteur of producent voor wie een individueel bedrag aan subsidie is berekend zoals bepaald in artikel 27.

Artikel 16

Terugwerkende kracht

1.   Voorlopige maatregelen en definitieve compenserende rechten worden uitsluitend toegepast op producten die na het van kracht worden van de krachtens artikel 12, lid 1, of artikel 15, lid 1, genomen maatregel in het vrije verkeer worden gebracht, behoudens de bij deze verordening vastgestelde uitzonderingen.

2.   Wanneer een voorlopig recht is toegepast en uit de definitief vastgestelde feiten het bestaan blijkt van subsidies die tot compenserende maatregelen aanleiding kunnen geven en van schade, besluit de Raad, ongeacht of al dan niet een definitief compenserend recht dient te worden ingesteld, welk deel van het voorlopige recht definitief dient te worden ingevorderd.

Onder „schade” wordt in dit verband niet verstaan, een aanzienlijke vertraging bij de vestiging van een bedrijfstak van de Gemeenschap, noch de dreiging van aanzienlijke schade, tenzij wordt vastgesteld dat deze zich, zonder voorlopige maatregelen, tot aanmerkelijke schade zou hebben ontwikkeld. In alle andere gevallen waarin zich een dergelijke dreiging of vertraging voordoet, worden alle voorlopig betaalde bedragen vrijgegeven en kunnen definitieve rechten uitsluitend worden opgelegd vanaf de datum waarop de dreiging van schade of de aanzienlijke vertraging definitief wordt vastgesteld.

3.   Indien het definitieve compenserende recht hoger is dan het voorlopige recht, wordt het verschil niet geïnd. Indien het definitieve recht lager is dan het voorlopige recht, wordt het recht opnieuw berekend. Indien de definitieve vaststelling negatief is, wordt het voorlopige recht niet bevestigd.

4.   Een definitief compenserend recht kan worden geheven van producten die ten hoogste 90 dagen vóór de datum van inwerkingtreding van de voorlopige maatregelen, maar niet vóór de datum waarop het onderzoek werd geopend, ten verbruik zijn aangegeven.

De eerste alinea is van toepassing op voorwaarde dat:

a)

de invoer, overeenkomstig het bepaalde in artikel 24, lid 5, werd geregistreerd;

b)

de Commissie de betrokken importeurs de gelegenheid heeft gegeven opmerkingen te maken;

c)

er kritieke omstandigheden bestaan waarin het betrokken product, waarvoor in de zin van deze verordening tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies zijn toegekend, moeilijk te herstellen schade veroorzaakt doordat het product in een betrekkelijk kort tijdvak massaal wordt ingevoerd; en

d)

het, om herhaling van dergelijke schade te voorkomen, nodig wordt geoordeeld op deze invoer met terugwerkende kracht compenserende rechten in te stellen.

5.   In geval van schending of van opzegging van verbintenissen kunnen van goederen die ten hoogste 90 dagen vóór de inwerkingtreding van voorlopige maatregelen in het vrije verkeer zijn gebracht, definitieve rechten worden geheven op voorwaarde dat de invoer overeenkomstig artikel 24, lid 5, werd geregistreerd en deze terugwerking niet wordt toegepast op vóór de schending of vóór de opzegging van de verbintenis geschiede invoer.

Artikel 17

Duur

Een compenserende maatregel blijft van kracht zolang en voor zover deze nodig is om de schadeveroorzakende, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies te neutraliseren.

Artikel 18

Nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen

1.   Een definitieve compenserende maatregel vervalt vijf jaar nadat deze werd ingesteld of vijf jaar na de datum van het recentste nieuwe onderzoek in verband met zowel de subsidiëring als de schade, tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld dat het vervallen van de maatregel waarschijnlijk tot een voortzetting of tot een herhaling van subsidiëring en van schade zal leiden. Een dergelijk nieuw onderzoek wordt op initiatief van de Commissie of op verzoek van of namens de producenten van de Gemeenschap geopend en de maatregel blijft in afwachting van de resultaten van dat onderzoek van kracht.

2.   Een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van een maatregel wordt geopend wanneer het daartoe strekkende verzoek voldoende bewijs bevat dat het vervallen van de maatregel waarschijnlijk tot voortzetting of tot herhaling van subsidiëring en van schade zal leiden, bijvoorbeeld bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de subsidiëring wordt voortgezet en dat er nog schade wordt toegebracht, dat het verdwijnen van de schade geheel of ten dele aan het bestaan van maatregelen is toe te schrijven of dat de omstandigheden waarin de exporteurs zich bevinden dan wel de marktsituatie van zodanige aard zijn dat deze erop wijzen dat de schadeveroorzakende subsidiëring waarschijnlijk zal voortduren.

3.   Bij overeenkomstig dit artikel uitgevoerde onderzoeken worden de exporteurs, de importeurs, het land van oorsprong en/of van uitvoer en de producenten van de Gemeenschap in de gelegenheid gesteld de in het verzoek om herziening verstrekte informatie aan te vullen, deze te weerleggen of daarop commentaar te geven en in de conclusies zal terdege met al het relevante bewijsmateriaal met betrekking tot de vraag of het al dan niet waarschijnlijk is dat het vervallen van de maatregelen tot voortzetting of herhaling van subsidiëring en van schade zal leiden, rekening worden gehouden.

4.   Op een passend tijdstip in de loop van het laatste jaar dat de in dit artikel omschreven maatregelen van toepassing zijn, wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht bekendgemaakt dat de maatregelen weldra komen te vervallen. Na dit bericht kunnen de producenten in de Gemeenschap, uiterlijk drie maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar, overeenkomstig lid 2, een verzoek om herziening indienen. Tevens wordt een bericht bekendgemaakt waarin het feitelijke vervallen van de maatregelen uit hoofde van dit artikel wordt aangekondigd.

Artikel 19

Tussentijdse nieuwe onderzoeken

1.   De noodzaak tot handhaving van maatregelen kan eveneens aan een nieuw onderzoek worden onderworpen, hetzij op initiatief van de Commissie, hetzij op verzoek van een lidstaat, hetzij, op voorwaarde dat sedert de instelling van de definitieve maatregel een redelijke termijn van ten minste één jaar is verstreken, op verzoek van een exporteur, van een importeur, van de producenten van de Gemeenschap dan wel van het land van oorsprong en/of van uitvoer, welk verzoek ten aanzien van de noodzaak van een dergelijk tussentijds nieuw onderzoek voldoende bewijsmateriaal dient te bevatten.

2.   Een tussentijds nieuw onderzoek wordt geopend wanneer het daartoe strekkende verzoek voldoende bewijs bevat dat handhaving van de maatregel niet langer noodzakelijk is om de tot tegenmaatregelen aanleiding gevende subsidie te compenseren en/of dat het onwaarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen indien de maatregel wordt ingetrokken of gewijzigd, dan wel dat de bestaande maatregel niet of niet langer toereikend is om de schadeveroorzakende, tot tegenmaatregelen aanleiding gevende subsidie te neutraliseren.

3.   Als de ingestelde compenserende rechten lager zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, kan een tussentijds onderzoek worden geopend als de producenten in de Gemeenschap of een andere belanghebbende normaal gesproken binnen twee jaar na het oorspronkelijk onderzoek en voor of na de inwerkingtreding van de maatregelen afdoende kan aantonen dat de exportprijzen zijn gedaald of dat de wederverkoopprijzen van het in de Gemeenschap ingevoerde product niet of nauwelijks zijn veranderd. Als uit het onderzoek blijkt dat deze beweringen juist zijn, kunnen de compenserende rechten worden verhoogd om een prijsverhoging te bewerkstelligen waarmee de schade wordt weggenomen. Het verhoogde recht mag echter niet hoger zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.

Het tussentijdse onderzoek kan ook op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat worden geopend, onder de hierboven beschreven voorwaarden.

4.   Bij onderzoeken op grond van dit artikel kan de Commissie onder meer nagaan of de omstandigheden met betrekking tot subsidiëring en schade ingrijpend zijn gewijzigd dan wel het beoogde resultaat, namelijk het wegnemen van de eerder overeenkomstig artikel 8 vastgestelde schade, met de bestaande maatregelen wordt bereikt. Bij de definitieve vaststelling wordt met al het relevante en met stukken behoorlijk gestaafde bewijsmateriaal rekening gehouden.

Artikel 20

Versnelde nieuwe onderzoeken

Elke exporteur, op wiens uitgevoerde producten geen definitief compenserend recht van toepassing is, maar die tijdens het oorspronkelijke onderzoek om andere redenen dan een weigering om de Commissie medewerking te verlenen, niet individueel werd onderzocht, is op zijn verzoek gerechtigd om aan een versneld onderzoek te worden onderworpen zodat de Commissie voor die exporteur onverwijld een individueel compenserend recht kan vaststellen.

Alvorens een dergelijk nieuw onderzoek wordt geopend, wordt het Raadgevend Comité geraadpleegd en worden de producenten in de Gemeenschap in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren.

Artikel 21

Terugbetalingen

1.   Onverminderd artikel 18 kan een importeur om terugbetaling van rechten verzoeken wanneer wordt aangetoond dat het bedrag van de tot tegenmaatregelen aanleiding gevende subsidies op grond waarvan de rechten werden betaald, niet meer bestaat of is verminderd tot een lager niveau dan dat van de geldende rechten.

2.   Om terugbetaling van compenserende rechten te verkrijgen, dient de importeur bij de Commissie een daartoe strekkend verzoek in. De indiening van dat verzoek geschiedt via de lidstaat op het grondgebied waarvan de producten in het vrije verkeer werden gebracht, binnen zes maanden nadat het bedrag van de definitieve rechten door de bevoegde autoriteiten naar behoren werd vastgesteld of werd besloten de uit hoofde van een voorlopig recht als zekerheid gestelde bedragen definitief in te vorderen. De lidstaten geven de Commissie van een dergelijk verzoek onverwijld kennis.

3.   Een verzoek om terugbetaling wordt slechts geacht met voldoende bewijsmateriaal te zijn gestaafd wanneer het nauwkeurige gegevens bevat over het bedrag van de compenserende rechten waarvan terugbetaling wordt gevraagd en vergezeld gaat van alle douanedocumenten in verband met de berekening en de betaling van dat bedrag. Tevens dient het, voor een representatieve periode, bewijsmateriaal te bevatten betreffende het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies dat de exporteur of producent waarop het recht van toepassing is, heeft ontvangen. Wanneer de importeur niet met de betrokken exporteur of producent is gelieerd en dergelijke informatie niet onmiddellijk beschikbaar is, of de exporteur of de producent niet bereid is deze informatie aan de importeur te verschaffen, wordt in het verzoek een verklaring van de exporteur of producent opgenomen dat de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies zijn verminderd of zijn komen te vervallen zoals in dit artikel is omschreven en dat het desbetreffende bewijsmateriaal aan de Commissie zal worden verschaft. Wanneer dit bewijsmateriaal niet binnen een redelijke termijn door de exporteur of de producent wordt voorgelegd, wordt het verzoek afgewezen.

4.   Na raadpleging van het Raadgevend Comité besluit de Commissie of en in hoeverre het verzoek wordt ingewilligd. Zij kan te allen tijde besluiten een tussentijds nieuw onderzoek te openen. Op basis van de informatie die bij dit nieuwe onderzoek, dat wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen die op dergelijke onderzoeken van toepassing zijn, wordt verkregen en de conclusies die eruit worden getrokken, wordt bepaald of en in hoeverre terugbetaling is gerechtvaardigd.

Terugbetalingen van rechten geschieden normaal binnen twaalf en in ieder geval binnen achttien maanden nadat het met bewijsmateriaal gestaafde verzoek om terugbetaling door een importeur van het aan compenserende rechten onderworpen product is ingediend.

De lidstaten betalen deze rechten normaal binnen 90 dagen nadat het in de eerste alinea bedoelde besluit is genomen, terug.

Artikel 22

Algemene bepalingen inzake nieuwe onderzoeken en terugbetalingen

1.   De bepalingen van deze verordening betreffende procedures en onderzoeken, met uitzondering van die welke betrekking hebben op termijnen, zijn van toepassing op alle nieuwe onderzoeken op grond van de artikelen 18, 19 en 20.

Herzieningen op grond van de artikelen 18 en 19 worden versneld ten uitvoer gelegd en moeten normaal gesproken voltooid zijn binnen twaalf maanden na de datum waarop de herzieningsprocedure werd ingeleid. Herzieningsprocedures op grond van de artikelen 18 en 19 moeten in ieder geval voltooid zijn binnen 15 maanden na de datum waarop zij werden ingeleid.

Herzieningen op grond van artikel 20 moeten in alle gevallen binnen negen maanden na de datum van inleiding van de procedure voltooid zijn.

Als een herzieningsprocedure op grond van artikel 18 wordt ingeleid terwijl een herzieningsprocedure op grond van artikel 19 binnen dezelfde procedure nog gaande is, moet de herzieningsprocedure op grond van artikel 19 binnen dezelfde termijn worden voltooid als hierboven bepaald voor een herzieningsprocedure op grond van artikel 18.

De Commissie dient bij de Raad uiterlijk één maand voor het verstrijken van de vorengenoemde termijnen een voorstel tot het nemen van maatregelen in.

Als het onderzoek niet binnen de genoemde termijnen voltooid is:

a)

verstrijken de maatregelen krachtens artikel 18;

b)

verstrijken de maatregelen ingeval van onderzoeken die tegelijkertijd krachtens de artikelen 18 en 19 worden uitgevoerd, waarbij het onderzoek krachtens artikel 18 werd ingeleid terwijl een herziening krachtens artikel 19 in dezelfde procedure gaande was of waarbij zulke herzieningen op hetzelfde tijdstip werden ingeleid; of

c)

blijven de maatregelen ongewijzigd van kracht overeenkomstig artikel 19 en 20.

Een bericht van het feitelijk verstrijken of de feitelijke handhaving van de maatregelen krachtens het bepaalde in dit lid zal worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Nieuwe onderzoeken uit hoofde van de artikelen 18, 19 en 20 worden door de Commissie geopend na raadpleging van het Raadgevend Comité.

3.   Wanneer onderzoeken daartoe aanleiding geven, worden de maatregelen door de instelling van de Gemeenschap die deze heeft ingevoerd, overeenkomstig artikel 18 ingetrokken of gehandhaafd, dan wel overeenkomstig de artikelen 19 en 20 ingetrokken, gehandhaafd of gewijzigd.

4.   Wanneer maatregelen ten aanzien van individuele exporteurs maar niet ten aanzien van het land in zijn geheel worden ingetrokken, blijft de procedure op deze exporteurs van toepassing en kunnen zij bij een eventueel volgend nieuw onderzoek dat overeenkomstig dit artikel voor het betrokken land wordt verricht, opnieuw worden onderzocht.

5.   Indien aan het einde van de geldigheidsduur van de in artikel 18 omschreven maatregelen een nieuw onderzoek van maatregelen op grond van artikel 19 loopt, worden de maatregelen eveneens uit hoofde van de bepalingen van artikel 18 aan een onderzoek onderworpen.

6.   Bij alle overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 21 verrichte nieuwe onderzoeken of onderzoeken in verband met de terugbetaling van rechten gaat de Commissie, mits de omstandigheden niet zijn gewijzigd, op dezelfde wijze te werk als bij het onderzoek dat tot de instelling van het recht heeft geleid, waarbij de artikelen 5, 6, 7 en 27 in acht worden genomen.

Artikel 23

Ontwijking van rechten

1.   Op grond van deze verordening ingestelde compenserende maatregelen kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen, of tot de invoer van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of tot delen daarvan, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt.

2.   Compenserende rechten die het op grond van artikel 15, lid 2, ingestelde residuele compenserende recht niet overschrijden, kunnen worden uitgebreid tot de invoer via ondernemingen waarvoor individuele rechten gelden in de landen waarop maatregelen van toepassing zijn, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt.

3.   Ontduiking wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de Gemeenschap of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de Gemeenschap ten gevolge van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd en dat de soortgelijke ingevoerde producten en/of delen daarvan nog steeds gesubsidieerd worden.

De in de eerste alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere:

a)

het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast;

b)

het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen; en

c)

het reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de Gemeenschap te laten exporteren via producenten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten.

4.   Onderzoeken op grond van dit artikel worden geopend op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in leden 1, 2 en 3 omschreven factoren. Het onderzoek wordt, na raadpleging van het Raadgevend Comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie kan geven de invoer overeenkomstig artikel 24, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen.

Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die door de douaneautoriteiten kan worden bijgestaan, en wordt binnen negen maanden voltooid.

Wanneer de definitief vastgestelde feiten uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité het daartoe strekkende besluit. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren.

De uitbreiding geldt vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 24, lid 5, registratie of zekerheidstelling werd geëist. De desbetreffende procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en de uitvoering van een onderzoek zijn op dit artikel van toepassing.

5.   Invoer door ondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is, hoeft niet overeenkomstig artikel 24, lid 5, te worden geregistreerd en hierop zijn geen rechten van toepassing.

6.   Een voldoende door bewijsmateriaal gestaafd verzoek tot vrijstelling moet worden ingediend binnen de in de verordening van de Commissie tot opening van het onderzoek gestelde termijn.

Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking buiten de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan producenten van het betreffende product als zij kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn en dat zij niet betrokken zijn bij enige ontduiking zoals beschreven in lid 3.

Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking binnen de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan importeurs die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn.

Deze vrijstellingen worden verleend door middel van een besluit van de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité dan wel bij besluit van de Raad tot vaststelling van maatregelen, en zijn van toepassing gedurende de periode en onder de voorwaarden zoals vastgesteld in dat besluit.

Mits voldaan is aan voorwaarden uit artikel 20 kunnen vrijstellingen ook worden verleend na afloop van het onderzoek dat leidt tot uitbreiding van de maatregelen.

7.   Als een groot aantal partijen een verzoek tot vrijstelling indient of kan indienen en er minimaal een jaar verstreken is sinds de uitbreiding van de maatregelen, kan de Commissie besluiten een herzieningsprocedure in te leiden voor de uitbreiding van de maatregelen. Een dergelijke herzieningsprocedure moet worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 22, lid 1, voor zover dat van toepassing is op herzieningsprocedures op grond van artikel 19.

8.   Geen enkele bepaling van dit artikel doet afbreuk aan de normale toepassing van de voorschriften inzake douanerechten.

Artikel 24

Algemene bepalingen

1.   Voorlopige of definitieve compenserende rechten worden bij verordening ingesteld en worden door de lidstaten geïnd in de vorm en voor het bedrag als in die verordening vermeld en met inachtneming van de andere daarin vermelde criteria. Deze rechten worden ook onafhankelijk van de normaal op invoer rustende douanerechten, belastingen en andere heffingen geïnd.

Van geen enkel product kunnen met het doel het hoofd te bieden aan een en dezelfde situatie die door dumping of door de subsidiëring bij uitvoer ontstaat, zowel antidumpingrechten als compenserende rechten worden geheven.

2.   Verordeningen tot instelling van voorlopige of van definitieve compenserende rechten en verordeningen of besluiten tot aanvaarding van verbintenissen of tot beëindiging van onderzoeken of procedures worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Deze verordeningen of besluiten bevatten, in het bijzonder, en met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke gegevens, indien mogelijk, de namen van de betrokken exporteurs, of van de betrokken landen, een omschrijving van het product en een samenvatting van de belangrijkste feiten en overwegingen die voor de bevindingen inzake subsidiëring en schade relevant zijn. In elk afzonderlijk geval wordt een kopie van de verordening of van het besluit aan de bekende belanghebbenden gezonden. De bepalingen van dit lid zijn op nieuwe onderzoeken van overeenkomstige toepassing.

3.   Uit hoofde van deze verordening kunnen bijzondere bepalingen worden vastgesteld, in het bijzonder wat de gemeenschappelijke definitie betreft van het begrip „oorsprong van goederen” als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (4).

4.   Als dit in het belang is van de Gemeenschap, mogen maatregelen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, na raadpleging van het Raadgevend Comité, bij besluit van de Commissie voor een periode van negen maanden worden geschorst. De Raad kan op voorstel van de Commissie besluiten die schorsing met ten hoogste één jaar te verlengen.

Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren.

Maatregelen mogen uitsluitend worden geschorst als de marktverhoudingen tijdelijk zodanig zijn gewijzigd dat het onwaarschijnlijk is dat door de schorsing opnieuw schade ontstaat, en mits de bedrijfstak van de Gemeenschap in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken en met die opmerkingen rekening is gehouden. Maatregelen kunnen na raadpleging te allen tijde weer worden ingesteld, wanneer de reden van de schorsing niet meer bestaat.

5.   De Commissie kan, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat vervolgens, met ingang van de datum van registratie, van de betrokken producten rechten kunnen worden geheven.

Tot registratie van de invoer kan worden overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de Gemeenschap ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen.

De registratie wordt ingevoerd bij verordening waarin het doel van de maatregel wordt uiteengezet en waarin, zo nodig, een raming van de bedragen aan rechten die in de toekomst verschuldigd kunnen zijn, wordt opgenomen. Registratie van de invoer geschiedt niet voor een periode van langer dan negen maanden.

6.   De lidstaten brengen de Commissie over de invoer van producten die het voorwerp van onderzoeken en van maatregelen zijn, maandelijks verslag uit en doen daarbij opgave van het op grond van deze verordening geheven bedrag aan rechten.

7.   Onverminderd lid 6, kan de Commissie lidstaten per geval verzoeken informatie te verstrekken in verband met het toezicht op de toepassing van de maatregelen. In dit verband zijn artikel 11, leden 3 en 4, van toepassing. Op alle door de lidstaten op grond van dit artikel verstrekte informatie is artikel 29, lid 6, van toepassing.

Artikel 25

Overleg

1.   Overleg waarin deze verordening voorziet, met uitzondering van het overleg bedoeld in artikel 10, lid 7, en in artikel 11, lid 10, gebeurt in een Raadgevend Comité dat uit vertegenwoordigers van elke lidstaat bestaat en dat een vertegenwoordiger van de Commissie als voorzitter heeft. Overleg gebeurt onverwijld op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie en in ieder geval binnen een tijdsbestek, dat het mogelijk maakt de in deze verordening vastgestelde termijnen na te leven.

2.   Het comité komt op uitnodiging van de voorzitter bijeen. Deze zal de lidstaten zo snel mogelijk, maar uiterlijk tien werkdagen voorafgaand aan een vergadering alle relevante gegevens doen toekomen.

3.   Zo nodig kan het overleg uitsluitend schriftelijk geschieden. In dat geval deelt de Commissie dit aan de lidstaten mede onder opgave van de termijn waarbinnen zij hun standpunt kenbaar kunnen maken of om mondeling overleg kunnen verzoeken. Het mondelinge overleg wordt door de voorzitter geregeld, mits het binnen een tijdsbestek kan gebeuren dat het mogelijk maakt de in deze verordening vastgestelde termijnen na te leven.

4.   Het overleg heeft met name betrekking op:

a)

het bestaan van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en de methoden om de hoogte daarvan vast te stellen;

b)

het bestaan en de omvang van de schade;

c)

het oorzakelijke verband tussen de invoer met subsidie en de schade;

d)

de maatregelen die in de gegeven omstandigheden passend zijn om schade die door tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies is veroorzaakt, te voorkomen of weg te nemen en de wijze waarop deze maatregelen ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 26

Controlebezoeken

1.   Indien zij dit nuttig oordeelt, verricht de Commissie bezoeken om de administratie van importeurs, exporteurs, handelaars, vertegenwoordigers, producenten, bedrijfstak- of beroepsverenigingen en -organisaties te onderzoeken teneinde de verstrekte inlichtingen over subsidiëring en schade te controleren. Indien niet tijdig een correct antwoord is ontvangen, kan van een controlebezoek worden afgezien.

2.   De Commissie kan zo nodig onderzoeken in derde landen verrichten, mits de betrokken ondernemingen ermee instemmen en het betrokken land op de hoogte wordt gebracht en dat land tegen het onderzoek geen bezwaar maakt. Zodra de toestemming van de betrokken ondernemingen is verkregen, deelt de Commissie het land van oorsprong en/of van uitvoer de namen en adressen van de te bezoeken ondernemingen en de overeengekomen bezoekdata mede.

3.   De betrokken ondernemingen worden in kennis gesteld van de aard van de inlichtingen die tijdens controlebezoeken zullen worden nagetrokken en van alle tijdens die bezoeken te verstrekken aanvullende informatie, hetgeen echter niet belet dat in het licht van de verkregen inlichtingen gedurende de controle nadere bijzonderheden kunnen worden gevraagd.

4.   Bij controles ingevolge de leden 1, 2 en 3 wordt de Commissie bijgestaan door ambtenaren van die lidstaten die daarom hebben verzocht.

Artikel 27

Steekproeven

1.   Indien het aantal klagers, exporteurs of importeurs, productsoorten of transacties groot is, kan het onderzoek worden beperkt tot:

a)

een redelijk aantal partijen, producten of transacties door aan de hand van op het tijdstip van de selectie beschikbare informatie van statistisch significante steekproeven gebruik te maken, of

b)

het grootste representatieve productie, afzet- of uitvoervolume dat redelijkerwijs binnen de beschikbare tijd kan worden onderzocht.

2.   De selectie van partijen, productsoorten of transacties ingevolge dit artikel geschiedt door de Commissie, bij voorkeur in overleg en met toestemming van de betrokken partijen, mits deze zich binnen drie weken na de opening van het onderzoek bij de Commissie aanmelden en voldoende inlichtingen verstrekken om de keuze van een representatieve steekproef mogelijk te maken.

3.   Indien overeenkomstig dit artikel een beperkt onderzoek is geschied, wordt de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies voor elke exporteur of producent die niet in de oorspronkelijke selectie was opgenomen, maar die binnen de bij deze verordening bepaalde termijnen de nodige informatie verstrekt, individueel vastgesteld, tenzij het aantal exporteurs of producenten zo groot is dat individuele onderzoeken te belastend zijn en een tijdige voltooiing van het onderzoek beletten.

4.   Waneer tot een steekproefonderzoek wordt besloten en enkele of alle geselecteerde partijen medewerking weigeren in een mate die waarschijnlijk de resultaten van het onderzoek in aanmerkelijke mate ongunstig zal beïnvloeden, kan een nieuwe selectie worden gemaakt.

Indien echter een groot aantal geselecteerden medewerking blijft weigeren of indien er onvoldoende tijd is om een nieuwe selectie te maken, zijn de relevante bepalingen van artikel 28 van toepassing.

Artikel 28

Niet-medewerking

1.   Indien belanghebbenden binnen de bij deze verordening vastgestelde termijnen geen toegang geven tot de nodige informatie of deze anderszins niet verstrekken of het onderzoek aanmerkelijk belemmeren, kunnen aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies, in zowel positieve als negatieve zin, worden getrokken.

Blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende informatie heeft verstrekt, dan wordt deze buiten beschouwing gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt.

Belanghebbenden dienen in kennis te worden gesteld wat de gevolgen van niet-medewerking zijn.

2.   Indien de belanghebbende zijn antwoord niet door middel van systemen voor automatische gegevensverwerking verstrekt, wordt dit niet als niet-medewerking beschouwd, mits deze belanghebbende aantoont dat verstrekking van het antwoord in de gevraagde vorm voor hem een onredelijke extra belasting zou betekenen of onredelijke extra kosten met zich zou brengen.

3.   Indien de informatie die een belanghebbende verstrekt, niet in alle opzichten volmaakt is, mag deze niet buiten beschouwing worden gelaten mits de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijken, de informatie op passende wijze en tijdig wordt verstrekt en controleerbaar is en de belanghebbende naar beste vermogen heeft gehandeld.

4.   Indien bewijzen of inlichtingen niet worden aanvaard, wordt de partij die deze heeft verstrekt, onverwijld van de redenen die aan deze afwijzing ten grondslag liggen, in kennis gesteld en dient haar de gelegenheid te worden geboden binnen de gestelde termijn nadere toelichtingen te verstrekken. Indien de verstrekte toelichtingen ontoereikend worden geacht, dienen de redenen voor de afwijzing van de bewijzen of inlichtingen te worden medegedeeld en dienen die redenen in conclusies openbaar te worden gemaakt.

5.   De op lid 1 gebaseerde vaststellingen, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en de in de klacht vervatte informatie, worden indien praktisch mogelijk en met inachtneming van de voor het onderzoek vastgestelde termijnen, getoetst aan informatie uit andere beschikbare onafhankelijke bronnen, zoals gepubliceerde prijslijsten, officiële invoer- en douanestatistieken alsmede aan de informatie die in de loop van het onderzoek van andere belanghebbenden werd verkregen. Deze informatie kan relevante gegevens omvatten over de wereldmarkt of andere representatieve markten, indien van toepassing.

6.   Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk medewerking verleent, waardoor relevante informatie wordt achtergehouden, kan dit tot gevolg hebben dat de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig uitvallen dan indien deze wel medewerking had verleend.

Artikel 29

Vertrouwelijke gegevens

1.   Inlichtingen die wegens de aard ervan vertrouwelijk zijn (bijvoorbeeld omdat bekendmaking ervan een concurrent uit mededingingsoogpunt aanmerkelijk zou bevoordelen of ernstige nadelige gevolgen zou hebben voor degene die de informatie verstrekt of van wie de concurrent deze informatie heeft verkregen) of die door partijen bij een onderzoek als vertrouwelijk worden verstrekt, worden, indien daarvoor geldige redenen worden opgegeven, door de autoriteiten als dusdanig behandeld.

2.   Belanghebbenden die vertrouwelijke inlichtingen verstrekken, dienen daarvan een niet-vertrouwelijke samenvatting toe te zenden. Deze samenvattingen moeten voldoende gedetailleerd zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte inlichtingen. In buitengewone omstandigheden kunnen belanghebbenden aangeven dat deze inlichtingen niet kunnen worden samengevat. In dergelijke buitengewone omstandigheden moeten de redenen worden aangegeven waarom een samenvatting niet mogelijk is.

3.   Indien de Commissie van oordeel is dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en degene die de inlichtingen heeft verstrekt, niet bereid is deze bekend te maken of de bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in samengevatte vorm toe te staan, kunnen deze inlichtingen buiten beschouwing worden gelaten, tenzij uit goede bronnen blijkt dat zij juist zijn. Verzoeken om vertrouwelijke behandeling mogen niet willekeurig worden afgewezen.

4.   Dit artikel vormt geen beletsel voor de bekendmaking van algemene informatie door de autoriteiten van de Gemeenschap en, in het bijzonder, van de motivering van besluiten die ingevolge deze verordening zijn genomen of voor de bekendmaking van het bewijsmateriaal waarop de autoriteiten van de Gemeenschap steunen, voor zover het noodzakelijk is deze motivering in gerechtelijke procedures toe te lichten. Bij deze bekendmaking moet rekening worden gehouden met de rechtmatige belangen van de betrokkenen wat de bescherming van zaken- of overheidsgeheimen betreft.

5.   De Raad, de Commissie en de lidstaten en de ambtenaren van de Raad, van de Commissie en van de lidstaten maken zonder de uitdrukkelijke toestemming van degene die deze heeft verstrekt, geen gegevens bekend die zij ingevolge deze verordening hebben verkregen en waarvoor deze persoon om een vertrouwelijke behandeling heeft verzocht. Informatie die tussen de Commissie en de lidstaten wordt uitgewisseld of die verband houdt met het overleg op grond van artikel 25 of met het overleg bedoeld in artikel 10, lid 7, en in artikel 11, lid 10, of interne documenten die door de autoriteiten van de Gemeenschap of van de lidstaten zijn opgesteld, worden, tenzij in deze verordening specifiek anders is bepaald, niet bekendgemaakt.

6.   De op grond van deze verordening verkregen informatie wordt uitsluitend gebruikt voor het doel waarvoor zij werd gevraagd.

Dit sluit niet uit dat in het kader van het ene onderzoek verkregen informatie kan worden gebruikt voor het openen van een ander onderzoek binnen dezelfde procedure naar een soortgelijk product.

Artikel 30

Mededeling van gegevens

1.   De klagers, de importeurs, de exporteurs, en hun representatieve verenigingen en het land van oorsprong en/of van uitvoer kunnen mededeling verzoeken van de bijzonderheden die aan de van essentieel belang zijnde feiten en overwegingen op grond waarvan voorlopige maatregelen zijn ingesteld, ten grondslag liggen. Deze verzoeken dienen onverwijld na de instelling van de voorlopige maatregelen schriftelijk te worden ingediend en mededeling geschiedt zo spoedig mogelijk nadien.

2.   De in lid 1 genoemde partijen mogen om definitieve mededeling verzoeken van de van essentieel belang zijnde feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen het nemen van definitieve maatregelen of de beëindiging van het onderzoek of van de procedure zonder het nemen van maatregelen aan te bevelen, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de mededeling van feiten of overwegingen die afwijken van die waarop de voorlopige maatregelen zijn gebaseerd.

3.   De verzoeken om definitieve mededeling worden schriftelijk aan de Commissie gericht en dienen, wanneer een voorlopig recht is ingesteld, uiterlijk één maand na de bekendmaking van de instelling van dat recht door de Commissie te zijn ontvangen. Wanneer geen voorlopig recht is ingesteld, worden partijen in de gelegenheid gesteld om binnen de door de Commissie gestelde termijnen definitieve mededeling te verzoeken.

4.   Definitieve mededeling geschiedt schriftelijk. Dit gebeurt met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie zo spoedig mogelijk en normaal niet later dan één maand voordat een definitief besluit wordt genomen of vóórdat de Commissie ingevolge de artikelen 14 en 15 het nemen van definitieve maatregelen voorstelt. Indien de Commissie niet in een positie verkeert om bepaalde feiten of overwegingen op dat tijdstip mede te delen, deelt zij deze zo spoedig mogelijk nadien mede.

Deze mededeling doet geen afbreuk aan besluiten die de Commissie of de Raad nadien mocht nemen, maar indien dergelijke besluiten op andere feiten en overwegingen zijn gebaseerd, worden deze zo spoedig mogelijk medegedeeld.

5.   Na de definitieve mededeling gemaakte opmerkingen worden uitsluitend in aanmerking genomen binnen een door de Commissie in elk afzonderlijk geval vast te stellen termijn van ten minste tien dagen, waarbij de spoedeisendheid van de aangelegenheid op passende wijze in aanmerking wordt genomen.

Artikel 31

Belang van de Gemeenschap

1.   De vaststelling of het belang van de Gemeenschap optreden vergt, wordt gebaseerd op een beoordeling van alle onderscheiden belangen als geheel genomen, waaronder die van de binnenlandse bedrijfstak, van de gebruikers en van de consumenten en een vaststelling op grond van dit artikel wordt slechts gedaan indien alle partijen de gelegenheid hebben gehad hun standpunt overeenkomstig lid 2 bekend te maken. Bij dit onderzoek wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de noodzaak de handelverstorende gevolgen van schadeveroorzakende subsidiëring weg te nemen en een daadwerkelijke mededinging te herstellen. Maatregelen die op basis van de geconstateerde subsidiëring en schade zijn vastgesteld, mogen niet worden toegepast indien de autoriteiten, op grond van alle voorgelegde informatie, tot de duidelijke gevolgtrekking kunnen komen dat toepassing van deze maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap is.

2.   Teneinde de autoriteiten een deugdelijke basis te verschaffen om bij het besluit of de instelling van maatregelen in het belang van de Gemeenschap is, met alle standpunten en gegevens rekening te kunnen houden, kunnen de klagers, de importeurs en hun representatieve verenigingen, de representatieve gebruikers- en consumentenorganisaties zich binnen de in het bericht van opening van een onderzoek betreffende compenserende rechten gestelde termijnen, bij de Commissie bekendmaken en haar inlichtingen verstrekken. Deze inlichtingen, of passende samenvattingen daarvan, worden ter beschikking gesteld van de andere in dit lid genoemde partijen die het recht hebben daarover opmerkingen te maken.

3.   Partijen die overeenkomstig lid 2 hebben gehandeld, mogen verzoeken om te worden gehoord. Deze verzoeken worden ingewilligd indien zij binnen de in lid 2 bedoelde termijnen worden ingediend en de redenen vermelden waarom de partijen in het belang van de Gemeenschap zouden moeten worden gehoord.

4.   Partijen die overeenkomstig lid 2 hebben gehandeld, mogen over de toepassing van ingestelde voorlopige rechten opmerkingen maken. Om in aanmerking te worden genomen, moeten deze opmerkingen uiterlijk één maand na de toepassing van deze maatregelen zijn ontvangen. Deze opmerkingen, of passende samenvattingen daarvan, worden ter beschikking gesteld van andere partijen, die het recht hebben daarover opmerkingen te maken.

5.   De Commissie onderzoekt de informatie die op passende wijze is voorgelegd, en gaat na in hoeverre deze representatief is. Het resultaat van dit onderzoek, tezamen met een oordeel over de waarde van die informatie, wordt aan het Raadgevend Comité voorgelegd. Het standpunt van het comité wordt door de Commissie in aanmerking genomen wanneer zij op grond van de artikelen 14 en 15 een voorstel doet.

6.   Partijen die overeenkomstig lid 2 hebben gehandeld, mogen verzoeken dat hen de gegevens en overwegingen op grond waarvan waarschijnlijk definitieve besluiten worden genomen, beschikbaar worden gesteld. Dergelijke informatie wordt voor zover mogelijk beschikbaar gesteld en doet aan de later door de Commissie of de Raad te nemen besluiten geen afbreuk.

7.   Met informatie wordt slechts rekening gehouden wanneer deze door concreet bewijsmateriaal wordt gestaafd, dat de geldigheid ervan bevestigt.

Artikel 32

Verband tussen maatregelen inzake compenserende rechten en maatregelen op multilateraal niveau

Indien ten aanzien van een ingevoerd product enigerlei tegenmaatregel wordt genomen na beroep te hebben gedaan op de procedures inzake geschillenbeslechting van de Subsidieovereenkomst en die maatregel van dien aard is dat deze de door subsidiëring veroorzaakte schade wegneemt, wordt het compenserende recht dat voor dat product is ingesteld, onverwijld, naar gelang van het geval, geschorst of ingetrokken.

Artikel 33

Slotbepalingen

Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van:

a)

bijzondere bepalingen in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen;

b)

verordeningen van de Gemeenschap in de landbouwsector en van Verordening (EEG) nr. 2873/75 van de Raad (5), Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad (6) en Verordening (EG) nr. 1667/2006 van de Raad (7). De onderhavige verordening vormt een aanvulling op voornoemde verordeningen en houdt een afwijking in van de daarin vervatte bepalingen die de toepassing van compenserende rechten in de weg staan;

c)

bijzondere maatregelen, mits deze niet strijdig zijn met de verplichtingen uit hoofde van de GATT.

Artikel 34

Intrekking

Verordening (EG) nr. 2026/97 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI.

Artikel 35

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 11 juni 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

G. SLAMEČKA


(1)  PB L 288 van 21.10.1997, blz. 1.

(2)  Zie bijlage V.

(3)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1.

(4)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(5)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 104.

(6)  PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18.

(7)  PB L 312 van 11.11.2006, blz. 1.


BIJLAGE I

LIJST MET VOORBEELDEN VAN UITVOERSUBSIDIES

a)

Verlening door overheidsinstanties van rechtstreekse, van uitvoerprestaties afhankelijke subsidies aan ondernemingen of aan bedrijfstakken.

b)

Regelingen krachtens welke deviezen niet behoeven te worden afgedragen of soortgelijke praktijken die een uitvoerpremie inhouden.

c)

Interne vervoer- en vrachttarieven voor uitvoerzendingen die door overheden zijn vastgesteld of door deze zijn opgelegd en die voordeliger zijn dan die voor binnenlandse zendingen.

d)

Levering door overheidsinstanties of door overheidsorganen, rechtstreeks dan wel onrechtstreeks in het kader van overheidsregelingen, van ingevoerde of van binnenlandse producten of diensten voor gebruik bij de productie van exportgoederen, op gunstigere voorwaarden dan bij de levering van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten of diensten voor gebruik bij de productie van goederen voor binnenlands gebruik indien (in geval van producten) deze voorwaarden gunstiger zijn dan die welke op de wereldmarkt voor hun exporteurs commercieel verkrijgbaar (1) zijn.

e)

Gehele of gedeeltelijke vrijstelling, kwijtschelding of uitstel van betaling, speciaal in verband met de uitvoer, van directe belastingen (2) of van socialezekerheidsbijdragen die door industriële of door commerciële ondernemingen zijn of moeten worden betaald (3).

f)

Bijzondere aftrekmogelijkheden, die, rechtstreeks verband houdend met de uitvoer of met uitvoerprestaties, bij de vaststelling van de grondslag van de directe belastingen, worden toegestaan boven die welke voor de productie voor binnenlands verbruik worden toegestaan.

g)

Vrijstelling of kwijtschelding, uit hoofde van de productie en distributie van exportproducten, van een bedrag aan indirecte belastingen (4) dat hoger is dan het bedrag dat uit hoofde van de productie en distributie van soortgelijke, voor binnenlands verbruik bestemde producten wordt geheven.

h)

Vrijstelling, kwijtschelding of uitstel van betaling van in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen (5) op goederen en diensten die bij de productie van exportproducten worden gebruikt, voor bedragen die hoger zijn dan de vrijstelling, kwijtschelding of uitstel van betaling van in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen op goederen of diensten die bij de productie van soortgelijke, voor binnenlands verbruik bestemde goederen worden gebruikt. Vrijstelling, kwijtschelding of uitstel van betaling van in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen kan voor exportproducten worden toegestaan, zelfs indien dit niet geschiedt voor soortgelijke, voor binnenlands verbruik bestemde goederen, indien de in voorafgaande stadia geheven cumulatieve indirecte belastingen worden geheven op „inputs” die bij de productie van het exportproduct worden verbruikt (rekening houdend met normale verliezen) (6). Dit punt wordt geïnterpreteerd overeenkomstig de in bijlage II opgenomen richtsnoeren inzake het verbruik van „inputs” in het productieproces.

i)

De kwijtschelding of terugbetaling van invoerheffingen (7) voor een hoger bedrag dan dat van de invoerheffingen op de ingevoerde „inputs” die bij de productie van het exportproduct worden verbruikt (rekening houdend met normale verliezen). In bijzondere gevallen evenwel mag een onderneming als vervangingsproductiemiddelen eenzelfde hoeveelheid binnenlandse „inputs” van dezelfde kwaliteit en met dezelfde eigenschappen als de ingevoerde „inputs” gebruiken om voor deze bepaling in aanmerking te komen, indien zowel de invoer- als de overeenkomstige uitvoertransacties binnen een redelijke termijn die niet meer dan twee jaar mag bedragen, geschieden. Dit punt wordt geïnterpreteerd overeenkomstig de richtsnoeren in bijlage II inzake het verbruik van „inputs” in het productieproces en de richtsnoeren in bijlage III om vast te stellen of terugbetalingsregelingen voor vervangende productiemiddelen uitvoersubsidies zijn.

j)

Het instellen door de overheid (of door gespecialiseerde instellingen onder toezicht van de overheid) van regelingen voor exportkredietgarantie of -verzekering, van regelingen om kostenstijgingen bij de uitvoer van producten of om wisselkoersrisico's te dekken, tegen premies die duidelijk ontoereikend zijn om de bedrijfskosten en verliezen van deze regelingen op lange termijn te dekken.

k)

Verlening door overheidsinstanties (of door gespecialiseerde instellingen onder toezicht van en/of handelend onder het gezag van overheidsinstanties) van exportkredieten tegen een lagere rente dan die welke zijzelf moeten betalen om de daarvoor bestemde middelen aan te trekken (of die zij zouden moeten betalen indien zij bedragen in dezelfde valuta en met dezelfde looptijd als het exportkrediet op de internationale kapitaalmarkt zouden lenen) of de overname door de overheidsinstanties van alle of van een gedeelte van de kosten van exporteurs of financiële instellingen om kredieten te verkrijgen, voor zover deze tussenkomst een aanmerkelijk voordeel op het gebied van de exportkredietvoorwaarden inhoudt.

Indien een WTO-lid evenwel partij is bij een internationale verbintenis inzake officiële e