ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.181.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 181

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
14 juli 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 613/2009 van de Raad van 6 juli 2009 betreffende de vaststelling van de aanpassingscoëfficiënten die met ingang van 1 juli 2008 van toepassing zijn op de bezoldigingen van de ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten van de Europese Gemeenschappen die in derde landen werkzaam zijn

1

 

*

Verordening (EG) nr. 614/2009 van de Raad van 7 juli 2009 betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine (Gecodificeerde versie)

8

 

 

Verordening (EG) nr. 615/2009 van de Commissie van 13 juli 2009 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

14

 

*

Verordening (EG) nr. 616/2009 van de Commissie van 13 juli 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/94/EG wat betreft de goedkeuring van compartimenten voor pluimvee en compartimenten voor andere in gevangenschap levende vogels ten aanzien van aviaire influenza en aanvullende voorzorgsmaatregelen op het gebied van de bioveiligheid in dergelijke compartimenten ( 1 )

16

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Conferentie van de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten

 

 

2009/541/EG, Euratom

 

*

Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 8 juli 2009 houdende benoeming van een rechter bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen

25

 

 

2009/542/EG, Euratom

 

*

Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 8 juli 2009 houdende benoeming van een rechter bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

26

 

 

Commissie

 

 

2009/543/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 13 augustus 2008 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik buitenshuis (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 4452)  ( 1 )

27

 

 

2009/544/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 13 augustus 2008 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik binnenshuis (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 4453)  ( 1 )

39

 

 

2009/545/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 7 juli 2009 tot vaststelling van de jaarlijkse uitsplitsing per lidstaat van het bedrag als bedoeld in artikel 69, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad, wat steun voor plattelandsontwikkeling betreft, en tot wijziging van Beschikking 2006/636/EG van de Commissie (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 5307)

49

 

 

2009/546/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 8 juli 2009 tot vrijstelling van de exploratie naar en exploitatie van aardolie en aardgas in Nederland van de toepassing van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 5381)  ( 1 )

53

 

 

2009/547/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 10 juli 2009 tot wijziging van Beschikking 2000/57/EG betreffende het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen ter voorkoming en beheersing van overdraagbare ziekten overeenkomstig Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 5515)  ( 1 )

57

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/1


VERORDENING (EG) Nr. 613/2009 VAN DE RAAD

van 6 juli 2009

betreffende de vaststelling van de aanpassingscoëfficiënten die met ingang van 1 juli 2008 van toepassing zijn op de bezoldigingen van de ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten van de Europese Gemeenschappen die in derde landen werkzaam zijn

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (1), en met name op artikel 13, eerste alinea, van bijlage X,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud in de landen buiten de Gemeenschap en bijgevolg moeten de aanpassingscoëfficiënten worden vastgesteld die met ingang van 1 juli 2008 van toepassing zijn op de bezoldigingen die in de valuta van het land van de standplaats worden uitbetaald aan de ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten van de Europese Gemeenschappen die in derde landen werkzaam zijn.

(2)

De aanpassingscoëfficiënten op basis waarvan betalingen ingevolge Verordening (EG) nr. 624/2008 (2) zijn gedaan, kunnen aanleiding geven tot positieve of negatieve aanpassingen met terugwerkende kracht van de bezoldigingen.

(3)

Indien de nieuwe aanpassingscoëfficiënten aanleiding geven tot een verhoging van de bezoldigingen, moet tot nabetaling worden overgegaan.

(4)

In geval van een daling van de bezoldigingen ingevolge de nieuwe aanpassingscoëfficiënten moet worden voorzien in de terugvordering van te veel ontvangen bedragen over de periode tussen 1 juli 2008 en de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(5)

Een eventuele terugvordering mag slechts betrekking hebben op een periode van ten hoogste zes maanden vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening, en moet na deze datum over een periode van ten hoogste twaalf maanden kunnen worden gespreid naar analogie van de regeling betreffende de aanpassingscoëfficiënten die binnen de Gemeenschap wordt toegepast op de bezoldigingen en pensioenen van ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De aanpassingscoëfficiënten die met ingang van 1 juli 2008 van toepassing zijn op de in de valuta van het land van de standplaats uitbetaalde bezoldigingen van de in derde landen werkzame ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten van de Europese Gemeenschappen worden in de bijlage bij deze verordening vastgesteld.

De voor de berekening van deze bezoldigingen toegepaste wisselkoersen worden opgesteld overeenkomstig de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement en hebben betrekking op de in de eerste alinea bedoelde datum.

Artikel 2

1.   De instellingen gaan over tot nabetalingen indien de bezoldigingen op grond van de in de bijlage aangegeven aanpassingscoëfficiënten worden verhoogd.

2.   Indien de bezoldigingen op grond van de in de bijlage aangegeven aanpassingscoëfficiënten worden verlaagd, gaan de instellingen over tot een negatieve aanpassing met terugwerkende kracht van de bezoldigingen over de periode tussen 1 juli 2008 en de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Deze aanpassingen met terugwerkende kracht die een terugvordering van te veel ontvangen bedragen impliceren, hebben slechts betrekking op een periode van ten hoogste zes maanden vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De terugvordering wordt gespreid over een periode van ten hoogste twaalf maanden na dezelfde datum.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juli 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

C. BILDT


(1)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(2)  PB L 172 van 2.7.2008, blz. 1.


BIJLAGE

 

STANDPLAATS

Aanpassingscoëfficiënt

Juli 2008

 (1)

Afghanistan

0

 

Zuid-Afrika

46,9

 

Albanië

78,5

 

Algerije

87,5

 

voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

71,1

 

Angola

112,8

 

Saudi-Arabië

79,1

 

Argentinië

54,7

 

Armenië

71,1

 

Australië

108,5

 

Azerbeidzjan

72,9

 

Bangladesh

45,4

 

Barbados

105,5

 

Wit-Rusland

62,7

 

Benin

92,9

 

Bolivia

49,5

 

Bosnië en Herzegovina (Sarajevo)

78,6

 

Bosnië en Herzegovina (Banja Luka)

62,7

 

Botswana

46

 

Brazilië

95,5

 

Burkina Faso

96,5

 (1)

Burundi

0

 

Cambodja

62,7

 

Kameroen

109,7

 

Canada

78,9

 

Kaapverdië

74,4

 

Chili

57,7

 

China

74,6

 

Westelijke Jordaanoever en Gazastrook

103,1

 

Colombia

79,2

 

Congo (Brazzaville)

129,1

 

Zuid-Korea

90,7

 

Costa Rica

68,7

 

Ivoorkust

99,9

 

Kroatië

106,3

 

Cuba

73,5

 

Djibouti

85,4

 

Egypte

33,8

 

El Salvador

63,6

 

Ecuador

57,9

 

Eritrea

41,9

 

Verenigde Staten (New York)

91,5

 

Verenigde Staten (Washington)

85

 

Ethiopië

77,8

 

Gabon

110,4

 

Gambia

70,3

 

Georgië

99,7

 

Ghana

54,3

 

Guatemala

70,7

 

Guinee (Conakry)

55,7

 

Guinee-Bissau

114,6

 

Guyana

53,5

 

Haïti

104,2

 

Honduras

60,3

 

Hongkong

83,4

 

Fiji

72,2

 

Salomonseilanden

85,6

 

India

50,9

 

Indonesië (Banda Atjeh)

49,5

 

Indonesië (Jakarta)

69,1

 (1)

Irak

0

 

Israël

118,9

 

Jamaica

86,1

 

Japan (Tokio)

105

 

Jordanië

70

 

Kazachstan (Almaty)

75,6

 

Kazachstan (Astana)

71

 

Kenia

73,8

 

Kirgizië

86,7

 

Kosovo (Pristina)

57,5

 

Laos

77,6

 

Lesotho

47,3

 

Libanon

80

 (1)

Liberia

0

 

Madagaskar

84,2

 

Maleisië

65,8

 

Malawi

63,6

 

Mali

83,5

 

Marokko

86,9

 

Mauritius

72,6

 

Mauritanië

61,2

 

Mexico

69,7

 

Moldavië

67,1

 

Montenegro

68,9

 

Mozambique

71,9

 

Namibië

57,5

 

Nepal

66

 

Nicaragua

46,2

 

Niger

85,7

 

Nigeria

93

 

Noorwegen

131,2

 

Nieuw-Caledonië

140,4

 

Nieuw-Zeeland

89,8

 

Uganda

69,9

 

Oezbekistan

45,4

 

Pakistan

43,9

 

Panama

52,2

 

Papoea-Nieuw-Guinea

73,5

 

Paraguay

83,6

 

Peru

67,4

 

Filipijnen

61

 

Centraal-Afrikaanse Republiek

113,1

 

Democratische Republiek Congo (Kinshasa)

112,3

 

Dominicaanse Republiek

58,2

 

Rusland

121,8

 

Rwanda

82,7

 

Samoa

65,5

 

Senegal

88,1

 

Servië (Belgrado)

73,9

 

Sierra Leone

68,9

 

Singapore

95,8

 

Sudan

50

 

Sri Lanka

58,1

 

Zuid-Sudan (Juba)

87,6

 

Zwitserland (Genève)

112,2

 

Zwitserland (Bern)

108

 

Suriname

39,7

 

Swaziland

46,4

 

Syrië

66,8

 

Tadzjikistan

61,2

 

Taiwan

77,3

 

Tanzania

61,4

 

Tsjaad

129,3

 

Thailand

52,4

 

Oost-Timor

56,6

 

Togo

87

 

Tonga

85

 

Trinidad en Tobago

61,6

 

Tunesië

68,7

 

Turkije

80,7

 

Oekraïne

109,4

 

Uruguay

73,2

 

Vanuatu

105,6

 

Venezuela

61

 

Vietnam

40,2

 

Jemen

57

 

Zambia

63,2

 (1)

Zimbabwe

0


(1)  Niet beschikbaar.


14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/8


VERORDENING (EG) Nr. 614/2009 VAN DE RAAD

van 7 juli 2009

betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine

(Gecodificeerde versie)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 26, 87, 88, 89, 132, 133 en 308,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EEG) nr. 2783/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze verordening te worden overgegaan.

(2)

Ovoalbumine valt, daar dit product niet in bijlage I bij het Verdrag voorkomt, niet onder de landbouwbepalingen van het Verdrag, terwijl eigeel daar wel onder valt.

(3)

Hieruit vloeit een situatie voort die de doeltreffendheid van het in de sector eieren gevoerde gemeenschappelijke landbouwbeleid in gevaar dreigt te brengen.

(4)

Teneinde tot een evenwichtige oplossing te komen, dient voor ovoalbumine een soortgelijke gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer als voor eieren te worden ingevoerd. Ook lactoalbumine dient onder deze regeling te vallen, aangezien dit in de plaats van ovoalbumine kan treden.

(5)

Bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (4) is een gemeenschappelijke regeling van de eiermarkt vastgesteld.

(6)

De regeling van het handelsverkeer voor albumine moet de voor eieren geldende regeling volgen, zulks gezien de afhankelijkheid van albuminen van eieren.

(7)

De Gemeenschap heeft in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-ronde na onderhandeling overeenstemming bereikt over een aantal overeenkomsten. Enkele van deze overeenkomsten, met name de Overeenkomst inzake de landbouw (5) hebben betrekking hebben op de landbouwsector.

(8)

De Overeenkomst inzake de landbouw brengt de verplichting mee dat de variabele heffingen bij invoer en de andere maatregelen en belastingen bij invoer moeten worden afgeschaft. De douanerechten die volgens de Overeenkomst inzake de landbouw van toepassing zijn voor landbouwproducten, worden vastgesteld in het gemeenschappelijk douanetarief.

(9)

De prijzen van ovoalbumine komen in beginsel tot stand op basis van de eierprijzen, welke in de Gemeenschap en op de wereldmarkt uiteenlopen. De prijs voor eieren op de wereldmarkt is, behalve de verwerkingskosten, niet de enige factor die de prijs van albumine beïnvloedt. Met het oog op het behoud van een minimum aan bescherming tegen de nadelige marktconsequenties die het gevolg kunnen zijn van tarificatie, is het in de Overeenkomst inzake de landbouw toegestaan om onder nauwkeurig bepaalde voorwaarden en uitsluitend voor de producten waarvoor de tarificatie geldt aanvullende douanerechten toe te passen.

(10)

De Overeenkomst inzake de landbouw voorziet in een zeer groot aantal tariefcontingenten in het kader van de „vigerende markttoegang” en de „minimummarkttoegang”. De voorwaarden voor deze contingenten zijn nauwkeurig vastgesteld in die overeenkomst. Gezien het grote aantal contingenten en met het oog op een zo efficiënt mogelijke toepassing, moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven deze contingenten te openen en te beheren via de procedure van het comité van beheer.

(11)

Wegens de nauwe economische band tussen de verschillende producten in de sector eieren, dient de mogelijkheid te worden geschapen voor ovoalbumine en lactoalbumine handelsnormen vast te stellen welke zo veel mogelijk overeenkomen met die welke gelden voor de in artikel 1, lid 1, onder s), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde eiproducten.

(12)

In de gemeenschappelijke marktordening in de sector eieren behoort de uitsluiting van het stelsel van het actieve veredelingsverkeer tot de uitsluitende bevoegdheid van de Raad. In de economische situatie die door de Overeenkomst inzake de landbouw is geschapen zou het noodzakelijk kunnen blijken om snel te reageren op marktproblemen die uit de toepassing van het genoemde stelsel voortvloeien. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om dringende, tijdelijke maatregelen te treffen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Behoudens andersluidende bepalingen van deze verordening zijn de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief van toepassing voor de volgende producten:

GN-code

Omschrijving

3502

Albuminen (daaronder begrepen concentraten van twee of meer weiproteïnen, bevattende meer dan 80 gewichtspercenten weiproteïnen, berekend op de droge stof), albuminaten en andere derivaten van albuminen:

ovoalbumine:

ex 3502 11

– gedroogd:

3502 11 90

– – – andere (dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie)

ex 3502 19

– andere:

3502 19 90

– – – andere (dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie)

ex 3502 20

– lactoalbumine, concentraten van twee of meer weiproteïnen daaronder begrepen:

– andere (dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie)

3502 20 91

– – – gedroogd (in de vorm van bladen, schilfers, kristallen, poeders enz.)

3502 20 99

– – – andere

HOOFDSTUK II

HANDELSVERKEER MET DERDE LANDEN

Artikel 2

1.   Voor alle invoer in de Gemeenschap van de in artikel 1 bedoelde producten kan een invoercertificaat verplicht worden gesteld.

2.   Het invoercertificaat wordt, onverminderd de bepalingen voor de toepassing van artikel 4, door de lidstaten afgegeven aan elke belanghebbende die daarom verzoekt, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Gemeenschap.

3.   Het invoercertificaat is geldig in de hele Gemeenschap. De afgifte van deze certificaten is afhankelijk van het stellen van een zekerheid, als garantie dat zal worden voldaan aan de verplichting tot invoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat. Deze zekerheid wordt, behalve in geval van overmacht, geheel of gedeeltelijk verbeurd als de transactie niet of slechts ten dele binnen deze termijn wordt uitgevoerd.

4.   De geldigheidsduur van de invoercertificaten en de overige bepalingen voor de toepassing van lid 1 worden vastgesteld volgens de in artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde procedure.

Artikel 3

1.   Om de nadelen voor de markt van de Gemeenschap die het gevolg kunnen zijn van de invoer van bepaalde in artikel 1 bedoelde producten, te voorkomen of te beperken, wordt bij de invoer van een of meer van deze producten tegen het in het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde recht een aanvullend invoerrecht toegepast, indien wordt voldaan aan voorwaarden die voortvloeien uit artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw, tenzij de invoer de markt van de Gemeenschap niet dreigt te verstoren en de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.

2.   De prijzen beneden welke een aanvullend invoerrecht kan worden opgelegd, zijn die welke door de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie worden doorgegeven.

De hoeveelheden die moeten worden overschreden voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden met name vastgesteld op basis van de invoer in de Gemeenschap tijdens de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de in lid 1 bedoelde nadelen zich voordoen of zich dreigen voor te doen.

3.   De invoerprijzen die voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht in aanmerking moeten worden genomen, worden vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de verzending in kwestie.

De cif-invoerprijzen worden daartoe geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor het product.

4.   De uitvoeringsbepalingen van de leden 1, 2 en 3 worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde procedure. Deze bepalingen betreffen met name:

a)

de producten waarvoor aanvullende invoerrechten worden toegepast volgens artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw;

b)

de andere criteria die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat lid 1 wordt toegepast overeenkomstig artikel 5 van genoemde overeenkomst.

Artikel 4

1.   De tariefcontingenten voor de in artikel 1 bedoelde producten die voortvloeien uit de overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-ronde, worden geopend en beheerd volgens de bepalingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde procedure.

2.   De contingenten kunnen worden beheerd volgens een van de onderstaande methoden dan wel door middel van een combinatie van deze methoden:

a)

op basis van de chronologische volgorde waarin de aanvragen zijn ingediend (het beginsel „wie het eerst komt, het eerst maalt”);

b)

evenredige verdeling van de hoeveelheden waarom bij de indiening van de aanvragen is verzocht (de zogeheten methode van het gelijktijdige onderzoek);

c)

rekening houdend met de traditionele handelsstromen (de zogeheten methode van de traditionele en de nieuwe marktdeelnemers).

Andere passende methoden kunnen worden vastgesteld.

Deze methoden moeten elke vorm van discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers voorkomen.

3.   In de vastgestelde beheersmethode wordt, indien zulks passend is, rekening gehouden met de voorzieningsbehoeften van de markt van de Gemeenschap en met de noodzaak het evenwicht op deze markt te vrijwaren, waarbij kan worden uitgegaan van de methoden die in het verleden zijn gehanteerd voor contingenten die overeenkomen met de in lid 1 bedoelde contingenten, onverminderd de rechten die voortvloeien uit de in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-ronde gesloten overeenkomsten.

4.   De in lid 1 bedoelde bepalingen voorzien in de opening van de contingenten op jaarbasis en, waar nodig, op passende wijze gespreid; zij bevatten, zo nodig:

a)

bepalingen die de aard, de herkomst en de oorsprong van het product waarborgen;

b)

bepalingen betreffende de erkenning van het document aan de hand waarvan de onder a) bedoelde waarborgen kunnen worden gecontroleerd;

c)

de voorwaarden voor de afgifte en de geldigheidsduur van de invoercertificaten.

Artikel 5

Wanneer een aanmerkelijke prijsstijging op de markt van de Gemeenschap wordt geconstateerd, kunnen, indien de mogelijkheid bestaat dat deze toestand voortduurt en deze markt als gevolg daarvan verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, de vereiste maatregelen worden genomen.

De Raad stelt op voorstel van de Commissie volgens de stemprocedure van artikel 37, lid 2, van het Verdrag de algemene uitvoeringsbepalingen van de eerste alinea van dit artikel vast.

Artikel 6

Voor de in artikel 1 genoemde producten kunnen commercialisatienormen worden vastgesteld; deze normen moeten, afgezien van de noodzaak met de bijzondere kenmerken van deze producten rekening te houden, met de in artikel 116 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde commercialisatienormen voor de in deel XIX van bijlage I bij diezelfde verordening genoemde producten overeenkomen. De normen kunnen met name betrekking hebben op de indeling in kwaliteitsklassen, de verpakking, de opslag, het vervoer, de presentatie en het merken.

De normen, hun werkingssfeer, alsmede de algemene voorschriften voor hun toepassing, worden op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid door de Raad vastgesteld.

Artikel 7

1.   Voorzover nodig voor de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening voor eieren en de onderhavige verordening, kan de Raad op voorstel van de Commissie volgens de stemprocedure van artikel 37, lid 2, van het Verdrag in bijzondere gevallen de in artikel 1 van deze Verordening bedoelde producten die bestemd zijn voor de vervaardiging van de in hetzelfde artikel bedoelde producten, geheel of gedeeltelijk uitsluiten van toepassing van de regeling actief veredelingsverkeer.

2.   In afwijking van lid 1 besluit de Commissie, indien de in lid 1 bedoelde situatie zich uitzonderlijk dringend laat aanzien en de communautaire markt verstoord wordt of verstoord dreigt te worden door de regeling actief veredelingsverkeer, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief over de noodzakelijke maatregelen, die aan de Raad en aan de lidstaten worden meegedeeld, niet langer dan zes maanden geldig mogen blijven en onmiddellijk van toepassing zijn. Wanneer bij de Commissie een dergelijk verzoek van een lidstaat wordt ingediend, beslist zij hierover binnen een week na ontvangst van het verzoek.

3.   Iedere lidstaat kan het besluit van de Commissie binnen een week na de mededeling daarvan, aan de Raad voorleggen. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid het besluit van de Commissie bevestigen, wijzigen of intrekken. Indien de Raad binnen drie maanden geen besluit heeft genomen, wordt het besluit van de Commissie geacht te zijn ingetrokken.

Artikel 8

1.   De algemene bepalingen voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de bijzondere regels voor de toepassing ervan gelden voor de indeling van de onder deze verordening vallende producten. De tariefnomenclatuur die voortvloeit uit deze verordening wordt overgenomen in het gemeenschappelijk douanetarief.

2.   Behoudens andersluidende bepalingen die in deze verordening of ter uitvoering van een van de bepalingen daarvan worden vastgesteld, zijn in het handelsverkeer met derde landen verboden:

a)

de toepassing van enige heffing van gelijke werking als een douanerecht en

b)

de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking.

HOOFDSTUK III

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 9

De in artikel 1 genoemde goederen waarin producten welke noch in artikel 23, lid 2, noch in artikel 24 van het Verdrag zijn bedoeld, verwerkt zijn, of die uit zodanige producten zijn verkregen, worden niet toegelaten tot het vrije verkeer binnen de Gemeenschap.

Artikel 10

De lidstaten en de Commissie verstrekken elkaar de voor de toepassing van deze verordening benodigde gegevens. De wijze waarop deze gegevens worden medegedeeld en verspreid, wordt vastgesteld volgens de in artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde procedure.

Artikel 11

Verordening (EEG) nr. 2783/75 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 12

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 juli 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

A. BORG


(1)  Advies van 13 januari 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB L 282 van 1.11.1975, blz. 104.

(3)  Zie bijlage I.

(4)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(5)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 22.


BIJLAGE I

INGETROKKEN VERORDENING MET OVERZICHT VAN DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN ERVAN

Verordening (EEG) nr. 2783/75 van de Raad

(PB L 282 van 1.11.1975, blz. 104)

 

Verordening (EEG) nr. 4001/87 van de Commissie

(PB L 377 van 31.12.1987, blz. 44)

 

Verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad

(PB L 349 van 31.12.1994, blz. 105)

Uitsluitend bijlage XII, B

Verordening (EG) nr. 2916/95 van de Commissie

(PB L 305 van 19.12.1995, blz. 49)

Uitsluitend artikel 1, punt 6


BIJLAGE II

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EEG) nr. 2783/75

De onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1, eerste alinea

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1, tweede alinea

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 1, derde alinea

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 4

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 2, aanhef

Artikel 4, lid 2, aanhef

Artikel 4, lid 2, eerste, tweede en derde streepje

Artikel 4, lid 2, onder a), b) en c)

Artikel 4, leden 3 en 4

Artikel 4, leden 3 en 4

Artikelen 5 tot en met 7

Artikelen 5 tot en met 7

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 2, aanhef

Artikel 8, lid 2, aanhef

Artikel 8, lid 2, eerste en tweede streepje

Artikel 8, lid 2, onder a) en b)

Artikelen 9 en 10

Artikelen 9 en 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 11

Artikel 12

Bijlage

Bijlage I

Bijlage II


14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/14


VERORDENING (EG) Nr. 615/2009 VAN DE COMMISSIE

van 13 juli 2009

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 14 juli 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

35,0

ZZ

35,0

0707 00 05

TR

102,6

ZZ

102,6

0709 90 70

TR

103,0

ZZ

103,0

0805 50 10

AR

61,1

TR

53,0

ZA

66,7

ZZ

60,3

0808 10 80

AR

80,2

BR

76,0

CL

83,0

CN

91,0

NZ

97,1

US

99,3

ZA

83,8

ZZ

87,2

0808 20 50

AR

74,9

CL

85,2

NZ

87,2

ZA

104,7

ZZ

88,0

0809 10 00

HR

90,0

TR

200,7

XS

103,5

ZZ

131,4

0809 20 95

TR

276,4

ZZ

276,4

0809 30

TR

134,2

ZZ

134,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/16


VERORDENING (EG) Nr. 616/2009 VAN DE COMMISSIE

van 13 juli 2009

houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/94/EG wat betreft de goedkeuring van compartimenten voor pluimvee en compartimenten voor andere in gevangenschap levende vogels ten aanzien van aviaire influenza en aanvullende voorzorgsmaatregelen op het gebied van de bioveiligheid in dergelijke compartimenten

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (1), en met name op artikel 3, artikel 34, lid 4, en artikel 63, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In 2004 heeft de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) het begrip compartimentering geïntroduceerd in het hoofdstuk over indeling in zones en regionalisatie van haar Terrestrial Animal Health Code (2) („de Code”).

(2)

De Code beschrijft in hoofdstuk 4.3 de indeling in zones en compartimentering als procedures die een land toepast volgens de bepalingen van dit hoofdstuk met als doel subpopulaties met een duidelijk onderscheiden gezondheidsstatus op zijn grondgebied te definiëren voor ziektebestrijdingsdoeleinden en/of de internationale handel. Hoewel ruimtelijke overwegingen en goed beheer een belangrijke rol spelen bij de toepassing van beide begrippen, is de indeling in zones van toepassing op een subpopulatie van dieren, die in de eerste plaats gedefinieerd is op geografische basis (aan de hand van natuurlijke, kunstmatige of wettelijk vastgelegde grenzen), terwijl compartimentering van toepassing is op een subpopulatie van dieren, die in de eerste plaats gedefinieerd is aan de hand van procedures ten behoeve van beheer en veehouderij in verband met bioveiligheid.

(3)

Voorts biedt hoofdstuk 4.4 betreffende de toepassing van compartimentering een gestructureerd kader voor de toepassing en erkenning van compartimenten binnen landen. Een compartiment kan uit verscheidene bedrijven bestaan en kan worden goedgekeurd ten aanzien van één of meer specifieke dierziekten, op basis van een gedetailleerd en gedocumenteerd bioveiligheidsprogramma, dat voor de desbetreffende ziekte(n) wordt opgesteld en uitgevoerd. De eerste goedkeuring van een compartiment dient bij voorkeur te worden verleend in een ziektevrij land, gebied of ziektevrije zone, voordat er een uitbraak van de specifieke ziekte(n) plaatsvindt. Dit is met name van belang bij uiterst besmettelijke ziekten, zoals hoogpathogene aviaire influenza. Bij een uitbraak mag van compartimentering worden gebruikgemaakt ter vergemakkelijking van het handelsverkeer.

(4)

In de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een nieuwe strategie voor diergezondheid voor de Europese Unie (2007-2013): „Voorkomen is beter dan genezen” (3) („de mededeling over een nieuwe strategie voor diergezondheid”) wordt een koers uitgezet voor de ontwikkeling van een diergezondheidsbeleid voor de periode 2007-2013. De nieuwe strategie voor diergezondheid beoogt meer aandacht te besteden aan voorzorgsmaatregelen, ziektebewaking, controles en onderzoek om de incidentie van dierziekten te verminderen en het effect van uitbraken, wanneer zij zich voordoen, tot een minimum te beperken.

(5)

Voor bioveiligheid is een belangrijke rol in de nieuwe strategie voor diergezondheid weggelegd. Bovendien zou compartimentering de landbouwers in de Gemeenschap aanmoedigen bioveiligheidsmaatregelen toe te passen, aangezien compartimentering veilige handel zou bevorderen en daardoor duidelijke voordelen voor landbouwers zou opleveren en tegelijkertijd dierziekten zou voorkomen.

(6)

Met het oog hierop dienen in deze verordening voorschriften te worden vastgesteld voor de verlening, schorsing en intrekking van de goedkeuring van compartimenten ten aanzien van aviaire influenza. Bij dergelijke voorschriften dient de Code in aanmerking te worden genomen met het oog op een consistente benadering bij het tegengaan van de verspreiding van aviaire influenza met inachtneming van de duidelijk onderscheiden gezondheidsstatus van goedgekeurde compartimenten.

(7)

Richtlijn 2005/94/EG bevat een aantal preventieve maatregelen inzake de bewaking en de vroegtijdige detectie van aviaire influenza en geeft aan welke bestrijdingsmaatregelen en verplaatsingsbeperkingen minimaal toegepast moeten worden bij een uitbraak van die ziekte bij pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels. Een aantal van die maatregelen moeten overeenkomstig die richtlijn worden toegepast in compartimenten voor pluimvee of compartimenten voor andere in gevangenschap levende vogels.

(8)

Richtlijn 2005/94/EG bevat een definitie van compartimenten voor pluimvee of compartimenten voor andere in gevangenschap levende vogels en bepaalt voorts dat er ter voorkoming van de verspreiding van aviaire influenza aanvullende bioveiligheidsmaatregelen in die compartimenten kunnen worden getroffen.

(9)

Richtlijn 2005/94/EG bepaalt dat de lidstaten bewakingsprogramma's moeten uitvoeren om de prevalentie van besmetting met het virus van aviaire influenza, subtypes H5 en H7, bij diverse soorten pluimvee te kunnen opsporen. Daartoe worden jaarlijks in de lidstaten verplichte bewakingsprogramma's ten aanzien van aviaire influenza goedgekeurd. De goedkeuring van compartimenten in een lidstaat moet daarom afhankelijk worden gesteld van de goedkeuring van het nationale bewakingsprogramma van de betrokken lidstaat.

(10)

Bij Beschikking 2006/437/EG van de Commissie van 4 augustus 2006 tot goedkeuring van een diagnosehandboek voor aviaire influenza overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG van de Raad (4) worden diagnoseprocedures, bemonsteringsmethoden en criteria voor de evaluatie van de uitslagen van laboratoriumtests ter bevestiging van een uitbraak van aviaire influenza vastgesteld. Met het oog op de samenhang van de Gemeenschapswetgeving op dit gebied moeten die procedures en methoden in het kader van een compartiment toegepast worden.

(11)

Om de toepassing van de procedures langs elektronische weg tussen de lidstaten te vergemakkelijken en om de transparantie en begrijpelijkheid te waarborgen, is het van belang dat informatie over de goedgekeurde compartimenten en over de verlening, schorsing of intrekking van goedkeuringen op de meest doelmatige wijze in de gehele Gemeenschap beschikbaar wordt gemaakt. De lidstaten dienen daarom informatiepagina's op het internet te plaatsen met deze gegevens en de website van de Commissie dient links naar die pagina's te bevatten.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

Bij deze verordening worden voorschriften vastgesteld betreffende de goedkeuring door de lidstaten van compartimenten voor pluimvee en compartimenten voor andere in gevangenschap levende vogels in verband met aviaire influenza (hierna „compartimenten” genoemd), alsook aanvullende voorzorgsmaatregelen op het gebied van de bioveiligheid om in dergelijke compartimenten toe te passen, zodat deze een duidelijk onderscheiden gezondheidsstatus ten aanzien van aviaire influenza bezitten.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „bioveiligheidsplan”: alle op bedrijfsniveau uitgevoerde bioveiligheidsmaatregelen;

2.   „gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement”:

a)

de gemeenschappelijke voorschriften voor het functioneren van een compartiment, alsmede

b)

de algemene bioveiligheidsmaatregelen, die in alle bedrijven waaruit het compartiment bestaat, zijn uitgevoerd in overeenstemming met hun bioveiligheidsplannen;

3.   „compartimentbeheerder”: de persoon die formeel verantwoordelijk is voor het compartiment, met name in verband met de artikelen 3, 4, en 5, en die eveneens:

4.   „bedrijf van vertrek”: een bedrijf waarvan pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels of hun eendagskuikens of broedeieren of consumptie-eieren (hierna „basisproducten” genoemd) bestemd is/zijn om uit het compartiment te worden gebracht;

5.   „leverend bedrijf”: een bedrijf waarvan de basisproducten zijn bestemd voor een bedrijf van vertrek of een ander bedrijf binnen een compartiment;

6.   „alle betrokken partijen”: compartimentbeheerders, exploitanten van bedrijven, met inbegrip van exploitanten van levensmiddelenbedrijven en van diervoederbedrijven, zoals gedefinieerd in artikel 3, leden 3 en 6, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (5), eigenaars en houders van dieren, farmaceuticaproducenten, of andere bedrijfstakken die basisproducten leveren of diensten verlenen aan het compartiment.

HOOFDSTUK II

GOEDKEURING VAN COMPARTIMENTEN

Artikel 3

Aanvragen om goedkeuring van compartimenten

1.   Vrijwillige aanvragen om de goedkeuring van compartimenten (hierna „aanvragen” genoemd) worden door de compartimentbeheerder bij de bevoegde autoriteit ingediend.

2.   De aanvraag bevat de volgende informatie:

a)

de naam van de compartimentbeheerder, zijn of haar kwalificaties en functie, contactgegevens en het adres van het compartiment;

b)

een uitvoerige beschrijving van het compartiment overeenkomstig deel 1 van de bijlage;

c)

een beschrijving van het gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement en van de bioveiligheidsplannen van de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, overeenkomstig deel 2 van de bijlage;

d)

uitvoerige informatie betreffende de specifieke maatregelen, criteria en vereisten in verband met ziektebewaking, met name de specifieke bescherming en bewaking in verband met aviaire influenza overeenkomstig deel 3 van de bijlage.

Artikel 4

Verlening van goedkeuring van compartimenten

1.   De eerste goedkeuring van een compartiment wordt slechts verleend door de autoriteit die bevoegd is voor compartimenten die gelegen zijn op het grondgebied of een gedeelte van het grondgebied van een lidstaat, waar uit hoofde van de Gemeenschapswetgeving geen beperkingen van kracht zijn met betrekking tot aviaire influenza.

De eerste goedkeuring van een compartiment wordt slechts verleend in een lidstaat waarvan het nationale bewakingsprogramma om de prevalentie van besmetting met het virus van aviaire influenza, subtypes H5 en H7, bij diverse soorten pluimvee te kunnen opsporen, is goedgekeurd.

2.   Alvorens haar goedkeuring te hechten aan een compartiment, ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat in het compartiment:

a)

specifieke bescherming en bewaking ten aanzien van aviaire influenza heeft plaatsgevonden gedurende een periode van ten minste zes maanden vóór de datum van aanvraag overeenkomstig het vereiste van deel 3 van de bijlage (met inbegrip van ten minste één testprocedure zoals voorgeschreven in punt 4 van deel 3 van de bijlage) en gedurende die periode in geen van de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, de aanwezigheid van aviaire influenza is vastgesteld;

b)

waar nodig vaccinatieprogramma's zijn uitgevoerd in overeenstemming met de Gemeenschapswetgeving;

c)

de overeenkomstig artikel 3, lid 2, ingediende gegevens volledig en accuraat zijn;

d)

een gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement, zoals beschreven in punt 1 van deel 2 van de bijlage, is geïmplementeerd, dat toereikend is gebleken om ten aanzien van aviaire influenza een duidelijk onderscheiden gezondheidsstatus te waarborgen van de populatie pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels in het compartiment;

e)

een officiële controle ter plaatse is uitgevoerd met gunstige resultaten met betrekking tot hetgeen onder a) tot en met d).

3.   Het compartiment heeft slechts één naam en krijgt slechts één goedkeuringsnummer toegewezen.

4.   De bevoegde autoriteit draagt er zorg voor dat het compartiment na het verlenen van de goedkeuring ervan zonder uitstel wordt opgenomen op de lijst van goedgekeurde bedrijven op de informatiepagina op het internet als bedoeld in artikel 9, lid 1, met gedetailleerde informatie betreffende de ligging van de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, met de vermelding dat het om een bedrijf van vertrek dan wel een leverend bedrijf gaat (hierna „lijst van goedgekeurde compartimenten” genoemd).

HOOFDSTUK III

VOORWAARDEN VOOR DE HANDHAVING VAN DE GOEDKEURING VAN COMPARTIMENTEN

Artikel 5

Verantwoordelijkheden en taken van de compartimentbeheerder

Na het verlenen van de goedkeuring van een compartiment dient de compartimentbeheerder:

1.

toezicht te houden en controle uit te oefenen op het compartiment zodat het aan de overeenkomstig artikel 3, lid 2, ingediende informatie en de in de bijlage vermelde criteria en vereisten blijft voldoen; met name wordt deze informatie voortdurend geactualiseerd en op verzoek aan de bevoegde autoriteit ter beschikking gesteld;

2.

ervoor te zorgen dat controle op ziekten, met name bewaking ten aanzien van aviaire influenza, wordt uitgevoerd volgens het gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement en de bioveiligheidsplannen van de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, en dat:

a)

er een systeem voor vroegtijdige waarschuwing bestaat om de aanwezigheid van aviaire influenza op het spoor te komen; en dat er bemonstering en diagnostische tests worden uitgevoerd overeenkomstig Beschikking 2006/437/EG en deel 3 van de bijlage bij deze verordening;

b)

bewakingsplannen overeenkomstig punt 4 van deel 3 van de bijlage worden geactualiseerd indien er een toegenomen risico van de insleep van aviaire influenza wordt vastgesteld;

c)

alle diagnostische tests op aviaire influenza uitgevoerd worden in door de bevoegde autoriteit voor dat doeleinde officieel erkende laboratoria en dat informatie over de bewaking en de resultaten daarvan aan de bevoegde autoriteit ter beschikking worden gesteld;

d)

onduidelijke of positieve uitslagen van de bewaking in het compartiment onmiddellijk ter kennis worden gebracht van de bevoegde autoriteit, zodat de desbetreffende monsters ter bevestiging naar het nationale referentielaboratorium of het communautaire referentielaboratorium voor aviaire influenza worden gezonden;

3.

erop toe te zien dat iedere vaccinatie wordt uitgevoerd overeenkomstig het gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement en de bioveiligheidsplannen van de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, en dat vaccinatieplannen en -procedures op verzoek aan de bevoegde autoriteit ter beschikking worden gesteld;

4.

geregelde interne en externe controles te organiseren om te garanderen dat alle bioveiligheidsmaatregelen, bewakingsactiviteiten en het traceerbaarheidssysteem op doeltreffende wijze worden toegepast en de uitslagen van deze controles te bewaren, waaronder de in het kader van het kwaliteitsborgingssysteem uitgevoerde controles, zodat de bevoegde autoriteit hierover op verzoek kan beschikken;

5.

de bevoegde autoriteit onmiddellijk in te lichten indien:

a)

het compartiment niet meer aan de overeenkomstig artikel 3, lid 2, ingediende informatie of de in de bijlage vermelde criteria en vereisten voldoet;

b)

het gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement of een bioveiligheidsplan is gewijzigd of aangepast aan de epizoötiologische situatie, ook wanneer er een bedrijf is toegevoegd aan het compartiment of daarvan niet langer deel uitmaakt.

Artikel 6

Verantwoordelijkheden en taken van de bevoegde autoriteit

1.   De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat officiële risicogebaseerde controles van compartimenten ter plaatse worden uitgevoerd om na te gaan of zij nog steeds voldoen aan de overeenkomstig artikel 3, lid 2, ingediende informatie en de in de bijlage vermelde criteria en vereisten (hierna „controles” genoemd).

2.   De controles worden op gezette tijden uitgevoerd naar aanleiding van:

a)

de epizoötiologische situatie binnen en buiten het compartiment, met name in verband met aviaire influenza;

b)

informatie betreffende wijzigingen of aanpassingen van het gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement of de bioveiligheidsplannen van de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, zoals bedoeld in artikel 5, lid 5, onder b).

3.   De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor de afgifte van verklaringen dat de basisproducten uit een goedgekeurd compartiment afkomstig zijn.

HOOFDSTUK IV

SCHORSING OF INTREKKING VAN DE GOEDKEURING VAN COMPARTIMENTEN

Artikel 7

Schorsing van de goedkeuring van compartimenten

1.   Wanneer een controle of de epizoötiologische informatie betreffende het compartiment aan het licht brengt dat het niet langer aan de overeenkomstig artikel 3, lid 2, ingediende informatie of de in de bijlage vermelde criteria en vereisten voldoet, schorst de bevoegde autoriteit de goedkeuring van het betrokken compartiment met onmiddellijke ingang en ziet de compartimentbeheerder erop toe dat er meteen maatregelen worden genomen om alle punten van niet-naleving te corrigeren.

2.   Na de schorsing van de goedkeuring van een compartiment schorst de bevoegde autoriteit verklaringen dat de producten uit een goedgekeurd compartiment afkomstig zijn.

3.   Indien de goedkeuring van een compartiment geschorst is, heft de bevoegde autoriteit de schorsing pas op wanneer zij heeft onderzocht of binnen dertig dagen na de datum van schorsing corrigerende maatregelen zijn getroffen en of er een vervolgcontrole met gunstige resultaten is uitgevoerd.

Artikel 8

Intrekking van de goedkeuring van compartimenten

1.   De bevoegde autoriteit trekt de goedkeuring van een compartiment in wanneer na de schorsing van het compartiment overeenkomstig artikel 7, lid 1, de vervolgcontrole overeenkomstig artikel 7, lid 3, aantoont dat:

a)

het compartiment nog steeds niet aan de overeenkomstig artikel 3, lid 2, ingediende informatie of de in de bijlage vermelde criteria en vereisten voldoet, of

b)

er zich een uitbraak van aviaire influenza in het compartiment heeft voorgedaan.

2.   Na de intrekking van de goedkeuring van een compartiment dient de bevoegde autoriteit:

a)

de afgifte te staken van verklaringen dat de producten uit een goedgekeurd compartiment afkomstig zijn;

b)

de naam van het compartiment van de lijst van goedgekeurde compartimenten te schrappen.

3.   Na het schrappen van de naam van een compartiment van de lijst van goedgekeurde compartimenten kan het daarin pas weer worden opgenomen na een nieuwe aanvraag overeenkomstig hoofdstuk II.

HOOFDSTUK V

INFORMATIEPAGINA OP HET INTERNET EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 9

Informatiepagina op het internet

1.   De lidstaten:

a)

stellen een lijst van goedgekeurde compartimenten op met de krachtens artikel 4, leden 3 en 4, vereiste informatie;

b)

plaatsen een informatiepagina op het internet om de lijst van goedgekeurde compartimenten langs elektronische weg beschikbaar te stellen;

c)

delen het internetadres van de informatiepagina's op het internet aan de Commissie mee;

d)

werken hun informatiepagina op het internet voortdurend bij, zodat nieuwe goedkeuringen of intrekkingen van goedkeuringen van compartimenten onmiddellijk in aanmerking worden genomen.

2.   De Commissie ondersteunt de lidstaten bij het ter beschikking stellen van deze informatie van het publiek, door het internetadres van haar website te vermelden waarop nationale links naar informatiepagina's op het internet zijn opgenomen.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(2)  http://www.oie.int/eng/normes/mcode/en_sommaire.htm (Terrestrial Animal Health Code 2008).

(3)  COM(2007) 539 definitief.

(4)  PB L 237 van 31.8.2006, blz. 1.

(5)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


BIJLAGE

CRITERIA EN VEREISTEN VOOR COMPARTIMENTEN

DEEL 1

Beschrijving van het compartiment, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, onder b)

De in artikel 3, lid 2, onder b), bedoelde beschrijving van het compartiment is gebaseerd op één of meer plattegrondkaarten waarop de grenzen ervan zijn aangegeven alsmede de nauwkeurige ligging van alle delen ervan, met inbegrip van de bedrijven en de gebouwen en terreinen daarvan, en alle gerelateerde functionele eenheden, zoals ruimten voor be- en verwerking en opslag van diervoeders en andere ruimten voor opslag van materieel.

Bij de aanvraag wordt voldoende informatie gevoegd zodat er een gedetailleerde beschrijving van het compartiment wordt geboden, met name:

1.

informatie over de infrastructurele factoren en de bijdrage daarvan aan een epizoötiologische scheiding tussen het pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels in het compartiment en dierpopulaties met een andere gezondheidsstatus zoals:

a)

een beschrijving van het soort activiteit en de in het compartiment geproduceerde basisproducten, met inbegrip van de totale capaciteit van het bedrijf en het aantal stuks pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels;

b)

een stroomschema waarop uitvoerig alle in het compartiment verrichte activiteiten zijn aangegeven, alsook de verantwoordelijkheden, rollen en onderlinge betrekkingen van alle betrokken partijen;

c)

een beschrijving van de functionele interacties tussen de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, inclusief een schema van alle bedrijfsgebouwen en -terreinen waarop de verbindingen ertussen worden weergegeven;

d)

een beschrijving van de transportmiddelen waarmee de dieren en de dierlijke producten worden vervoerd, de gewoonlijk hierdoor gevolgde trajecten en de plaatsen waar zij gereinigd en geparkeerd worden.

2.

informatie over de epizoötiologische status ten aanzien van aviaire influenza en over onder meer de volgende risicofactoren:

a)

de epizoötiologische voorgeschiedenis van de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, en met name de gezondheidsstatus ervan en alle informatie met betrekking tot aviaire influenza;

b)

de verplaatsingen naar, uit of binnen het compartiment („inputs, outputs”), zoals de verplaatsing van personen, basisproducten, andere dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die in contact komen met dieren, vervoermiddelen, materieel, diervoeders, watervoorziening en afwatering;

c)

de aanwezigheid van andere bedrijven met pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels in de buurt van het compartiment, met inbegrip van de dierbezetting (zoals vermeerderings- of mestbedrijven, hobbypluimveehouderijen, markten, verzamelcentra, slachthuizen en dierentuinen);

d)

de milieurisicofactoren zoals waterwegen, plaatsen waar in het wild levende dieren rusten en zich vermengen (inclusief trekroutes van in het wild levende vogels), de aanwezigheid van knaagdieren, de reeds langdurige aanwezigheid van de verwekker van aviaire influenza in het milieu;

e)

de risicofactoren en potentiële insleep- en verspreidingroutes van aviaire influenza naar en binnen het compartiment overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving en/of de normen en richtsnoeren van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE);

f)

het aanwezige systeem voor vroegtijdige waarschuwing om de bevoegde autoriteit in kennis te stellen van eventuele geconstateerde risicofactoren en de onder e) bedoelde potentiële insleep- en verspreidingroutes.

DEEL 2

Beschrijving van het gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement en van de bioveiligheidsplannen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder c)

1.

Het gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement omvat ten minste het volgende:

a)

goede gebruiken op het gebied van dierhygiëne;

b)

een traceerbaarheidssysteem voor alle verplaatsingen tussen de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, en voor alle inputs en outputs; de gegevens van het traceerbaarheidssysteem worden voortdurend geregistreerd en de bevoegde autoriteit heeft daar te allen tijde toegang toe;

c)

een gemeenschappelijk plan ten behoeve van risicoanalyse en kritische controlepunten (HACCP-plan);

d)

het bioveiligheidsplan/de bioveiligheidsplannen van de bedrijven waaruit het compartiment bestaat, en een evaluatie van de doeltreffendheid daarvan overeenkomstig een bepaald risiconiveau.

2.

De bioveiligheidsplannen van de bedrijven die onder het gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement vallen, omvatten ten minste het volgende:

a)

een gedocumenteerd systeem voor de implementatie van een plan voor personeelshygiëne, met inbegrip van algemene en specifieke hygiënische procedures, algemene en specifieke scholing voor vast en tijdelijk personeel en de procedure ten behoeve van de controle op dat hygiëneplan, waaronder een voorschrift dat het personeel i) niet zelf pluimvee of andere vogels mag houden, noch ii) in nauw contact mag komen met ander pluimvee of andere vogels dan dat/die van het compartiment gedurende een periode van ten minste 72 uur voor binnenkomst op het bedrijf; deze periode kan worden bekort indien er een dringende behoefte bestaat aan bepaald personeel, maar mag in geen geval minder dan 24 uur bedragen; de procedure voor risicobeperking wordt beschreven in het bioveiligheidsplan;

b)

de product- en personeelsstromen worden in een schema van alle gebouwen en terreinen van het bedrijf weergegeven, waarbij het niveau van de bioveiligheid met kleurencodes wordt aangeduid; alle toegangen tot gebouwen zijn voorzien van een hygiënesluis met een verkleedruimte en zo nodig douches en van elkaar gescheiden schone en vuile zones;

c)

een plan voor regeling van de verplaatsingen van alle personen die het bedrijf binnenkomen of verlaten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bevoegde en onbevoegde personen of bezoekers, met inbegrip van een beschrijving van de fysieke barrières (zoals heggen, afrasteringen of een andere barrière die de grenzen van het bedrijf duidelijk aangeeft), borden en signalen, gesloten hekken en toegangen tot gebouwen; externe bezoekers (zoals auditeurs en inspecteurs) mogen gedurende een periode van ten minste 72 uur voor binnenkomst in het bedrijf niet in contact zijn geweest met pluimvee of andere vogels; afhankelijk van risicofactoren (zoals bezoekers uit een beschermings- of toezichtsgebied) kan deze periode worden verlengd; deze periode kan worden bekort voor de officiële dierenartsen of indien er dringende behoefte bestaat aan specifieke externe hulp (zoals van een specialist of dierenarts), maar mag in geen geval minder dan 24 uur bedragen; de procedure voor risicobeperking wordt beschreven in het bioveiligheidsplan;

d)

een plan voor de regeling en registratie van de verplaatsingen van voertuigen naar, uit of tussen de bedrijven, met inbegrip van particuliere en voor leveranties bestemde voertuigen (zoals diervoeders, dieren of andere benodigdheden); er is een register van alle verplaatsingen van voertuigen beschikbaar;

e)

een traceerbaarheidssysteem voor dieren en producten, waardoor alle verplaatsingen naar, uit of tussen de bedrijven (inputs, outputs) kunnen worden getraceerd;

f)

een protocol ter voorkoming van besmetting, waaronder besmetting als gevolg van bevoorrading, vervoer, opslag, levering en verwijdering van:

i)

verpakkingsmateriaal (zoals het gebruik van nieuw of ontsmet verpakkingsmateriaal);

ii)

beddingmateriaal (zoals een toereikende quarantaineperiode of ontsmetting van het beddingmateriaal);

iii)

diervoeders (zoals het gebruik van gesloten systemen voor diervoeders);

iv)

water (zoals een systeem voor interne waterbehandeling);

v)

dierlijke bijproducten (zoals karkassen, mest, vuile/gebarsten eieren of doodgeboren kuikens in de schaal;

g)

een reinigings- en ontsmettingsplan voor het bedrijf, het materieel daarvan en de gebruikte materialen; er is een specifiek protocol voor de reiniging en ontsmetting van voertuigen beschikbaar;

h)

een plan voor ongediertebestrijding, zoals van knaagdieren en andere in het wild levende dieren, door middel van fysieke barrières en maatregelen bij vaststelling van hun aanwezigheid;

i)

een HACCP-plan in verband met aviaire influenza, waarbij alle zeven stappen worden gevolgd (namelijk risicoanalyse, lijst van de kritische controlepunten (CCP’s), kritische grenswaarden, controleprocedures, corrigerende maatregelen, verificatie en registratie), en dat minimaal het volgende omvat:

i)

gegevens betreffende de productie van pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels alsook andere gegevens in verband met bepaalde perioden (overzicht van morbiditeit en mortaliteit, bijzonderheden omtrent gebruikte geneesmiddelen, aantal uitgekomen vogels en gegevens betreffende voeder- en waterconsumptie);

ii)

informatie betreffende de klinische controles en bemonsteringsplannen voor actieve en passieve bewaking en opsporingsanalyses (frequenties, methoden en resultaten);

iii)

een register van bezoekers van het bedrijf dat voldoende gedetailleerd is om alle bezoekers te traceren en contact met hen op te nemen;

iv)

informatie betreffende alle uitgevoerde vaccinatieprogramma’s, met inbegrip van het gebruikte soort vaccin en de frequenties en data van toediening;

v)

gedetailleerde informatieregisters betreffende de genomen corrigerende maatregelen en de desbetreffende kritische controlepunten die niet onder controle waren.

Alle betrokken partijen zijn volledig op de hoogte van de voorschriften van het HACCP-plan en volgen deze op; dit plan is het beheersinstrument van het compartiment dat bioveiligheidsmaatregelen en beheersprocedures garandeert.

Bij het HACCP-plan wordt rekening gehouden met de lijst van risico’s en insleep- en verspreidingroutes, die vooraf worden vastgesteld. Het plan kan worden aangepast aan het risiconiveau en bevat een beschrijving van de te nemen maatregelen in het geval van een toegenomen risico, zoals de frequentie van de bemonstering.

3.

Corrigerende maatregelen en actualisering

In het kader van het gemeenschappelijk systeem voor bioveiligheidsmanagement en de bioveiligheidsplannen wordt beschreven of een bepaalde nalatigheid van ondergeschikt of van essentieel belang wordt geacht, en welke corrigerende maatregelen worden getroffen.

De bioveiligheidsplannen worden aangepast overeenkomstig het risiconiveau, met name wanneer er een uitbraak van aviaire influenza officieel vermoed of bevestigd wordt in de lidstaat of in het gebied of de zone waarin het compartiment is gelegen (zoals beperkingen ten aanzien van verplaatsingen van voertuigen, materiaal, dieren en/of personeel of uitvoering van aanvullende ontsmettingsprocedures).

DEEL 3

Specifieke bescherming en bewaking ten aanzien van aviaire influenza

1.

Er is een adequaat vogelafweersysteem aanwezig om alle contact met in het wild levende vogels en besmetting van diervoeders, water en strooisel te voorkomen. De directe omgeving van de bedrijven is niet aantrekkelijk voor in het wild levende vogels.

2.

Controle van inputs en outputs

a)

Op het schema overeenkomstig punt 1, onder a), van deel 1 wordt de locatie van alle soorten pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels aangegeven, zoals raszuivere fokdieren/overgrootouderdieren/grootouderdieren/ouderdieren/productiedieren alsook koppels, broederijen, opfok- en leglocaties, proeflocaties, opslagruimten voor eieren en alle plaatsen waar zich eieren bevinden of vogels worden gehouden; op het schema worden de stromen van basisproducten tussen die locaties aangegeven.

b)

Een gedetailleerd protocol regelt de verplaatsingen van pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels, hun eieren en andere aanverwante producten; het pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels, hun eieren en andere aanverwante producten die worden binnengebracht in een bedrijf in het compartiment, zijn afkomstig van een bedrijf met dezelfde gezondheidsstatus ten aanzien van aviaire influenza en/of worden gecontroleerd, zodat zij geen risico vormen wat betreft de insleep van aviaire influenza.

c)

Pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels en broedeieren die naar of binnen het compartiment zijn vervoerd, worden zodanig geregistreerd dat hun voorgeschiedenis kan worden gecontroleerd; koppels en/of eieren beschikken over de juiste gedocumenteerde registratie.

d)

In het geval van een locatie met dieren van verschillende leeftijd regelt een schriftelijk protocol de aanvulling en verwijdering van pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels, alsook de reiniging en ontsmetting van transportkisten.

3.

Een compartiment kan niet tegelijkertijd bedrijven met pluimvee en bedrijven met andere in gevangenschap levende vogels omvatten. Een bedrijf kan niet tegelijkertijd verschillende soorten pluimvee huisvesten, met uitzondering van de broederijen.

4.

Het bewakingsplan van het compartiment waarvoor de compartimentbeheerder verantwoordelijk is, voorziet onder meer in een voortdurende actieve bewaking, die plaatsvindt op basis van 20 aselect genomen bloedmonsters van pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels, van dezelfde productie-eenheid ten behoeve van serologisch onderzoek op aviaire influenza:

a)

ten minste eens in de zes maanden gedurende de productieperiode waarin tijdens de voorafgaande zes maanden op het grondgebied van de lidstaat geen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) bij pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels zijn bevestigd;

b)

ten minste eens in de drie maanden indien gedurende de voorafgaande zes maanden een uitbraak van HPAI op het grondgebied van de lidstaat is bevestigd;

c)

wanneer het compartiment is gelegen in een gebied waar op grond van de Gemeenschapswetgeving vervoersbeperkingen gelden als gevolg van een uitbraak van aviaire influenza, binnen één week na de datum van de uitbraak en ten minste elke 21 dagen; voorts wordt, onverminderd de specifieke voorschriften van de Gemeenschapswetgeving, het bewakingsplan bijgewerkt en voorziet het in intensievere klinische bewaking en actieve virologische bewaking, die binnen één week na de datum van de uitbraak en ten minste elke 21 dagen daarna worden uitgevoerd op:

i)

een monster van 20 trachea-/orofarynxswabs en 20 cloacaswabs, die aselect worden genomen bij pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels van dezelfde productie-eenheid, en

ii)

monsters genomen van — indien aangetroffen — vijf zieke of dode vogels.

5.

Het systeem voor vroegtijdige waarschuwing overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder a), is gebaseerd op een schriftelijk protocol waarin de rapportageprocedures worden uiteengezet. Het wordt met name aangepast aan de verschillende soorten pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels en hun respectieve gevoeligheid voor aviaire influenza en het:

a)

schrijft actiedrempels voor, zoals een mortaliteit gelijk aan of hoger dan een bepaalde grenswaarde; een aanzienlijk geringere voeder- en waterconsumptie en/of eierproductie, gedragsveranderingen en andere relevante indicatoren;

b)

bevat een beschrijving van de te nemen maatregelen;

c)

bevat een lijst van het verantwoordelijke personeel dat dient te worden gewaarschuwd.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Conferentie van de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten

14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/25


BESLUIT VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN

van 8 juli 2009

houdende benoeming van een rechter bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen

(2009/541/EG, Euratom)

DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 224,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 140,

Overwegende hetgeen volgt:

Krachtens de artikelen 5 en 7 in samenhang met artikel 47 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie, en ten gevolge van het ontslag van de heer Daniel ŠVÁBY, dient een rechter bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen te worden benoemd voor het resterende gedeelte van de ambtsperiode, zijnde tot en met 31 augustus 2010,

BESLUITEN:

Artikel 1

De heer Juraj SCHWARCZ wordt benoemd tot rechter van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen voor de periode van 7 oktober 2009 tot en met 31 augustus 2010.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2009.

De voorzitter

C. DANIELSSON


14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/26


BESLUIT VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN

van 8 juli 2009

houdende benoeming van een rechter bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

(2009/542/EG, Euratom)

DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 223,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 139,

Overwegende hetgeen volgt:

Krachtens de artikelen 5 en 7 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie en ten gevolge van het ontslag van de heer Peter JANN, dient een rechter bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te worden benoemd voor het resterende gedeelte van de ambtsperiode, zijnde tot en met 6 oktober 2012,

BESLUITEN:

Artikel 1

Mevrouw Maria BERGER wordt benoemd tot rechter bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor de periode van 7 oktober 2009 tot en met 6 oktober 2012.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2009.

De voorzitter

C. DANIELSSON


Commissie

14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/27


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 13 augustus 2008

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik buitenshuis

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 4452)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/543/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1980/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren (1), en met name op artikel 6, lid 1, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1980/2000 kan de communautaire milieukeur worden toegekend aan een product waarvan de eigenschappen werkelijk kunnen bijdragen tot verbeteringen van essentiële milieuaspecten.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1980/2000 wordt bepaald dat per productengroep specifieke criteria voor de milieukeur worden vastgesteld.

(3)

Er dient een nieuwe beschikking te worden aangenomen tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik buitenshuis.

(4)

De milieucriteria en de desbetreffende eisen inzake beoordeling en controle dienen vier jaar lang geldig te zijn.

(5)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn gebaseerd op de ontwerpcriteria die zijn ontwikkeld door het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie dat is ingesteld krachtens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1980/2000.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   De productengroep „verven en vernissen voor gebruik buitenshuis” omvat decoratieve en beschermende verven en vernissen, houtbeitsen en verwante producten voor gebruik buitenshuis, bestemd om door doe-het-zelvers en professionele gebruikers te worden aangebracht op gebouwen en buitenmeubelen, vloeren en afsluitingen als omschreven in lid 2, en die in eerste instantie worden ontwikkeld voor gebruik buitenshuis en als zodanig op de markt worden gebracht.

Hieronder vallen, onder andere, vloercoatings en vloerverven, producten die door distributeurs op verzoek van doe-het-zelvers of beroepsschilders worden gekleurd, kleursystemen, decoratieve verven in de vorm van vloeibare of pasteuze mengsels die eventueel zijn voorbehandeld, gekleurd of voorbereid door de fabrikant om aan de behoeften van de consument te voldoen, met inbegrip van houtverven, houtbeitsen en dekkende beitsen, muurcoatings en aflakken voor metaal (met uitsluiting van anticorrosieve aflakken en primers) alsook de primers (en grondverven) van dergelijke productsystemen.

2.   Onder „verf” wordt een gepigmenteerd dekmateriaal verstaan, in vloeibare of pasteuze vorm of in poedervorm, dat bij aanbrenging op een ondergrond een dekkende laag vormt met beschermende, decoratieve of specifieke technische eigenschappen.

Onder „vernis” wordt een helder dekmateriaal verstaan dat bij aanbrenging op een ondergrond een harde transparante laag vormt met beschermende, decoratieve of specifieke technische eigenschappen.

Na aanbrenging droogt de verf of het vernis op tot een harde, zich hechtende en beschermende laag.

Decoratieve verven en vernissen zijn verven en vernissen die voor decoratieve en beschermende doeleinden worden aangebracht op gebouwen, het houtwerk en toebehoren ervan, alsook op buitenmeubelen, vloeren en afsluitingen. Zij worden ter plaatse aangebracht. Zij zijn als decoratie bedoeld maar hebben ook een beschermende functie.

Houtbeitsen (lazuren) zijn coatings die een transparante of semitransparante laag produceren voor decoratie en voor bescherming van hout tegen verwering, waardoor er eenvoudig onderhoud kan worden verricht.

Muurcoatings zijn coatings die een decoratieve en beschermende laag vormen en op beton, (beschilderbare) baksteen, bouwblokken, bepleistering of met calciumsilicaat of vezels versterkt cement worden aangebracht. Zij zijn hoofdzakelijk bedoeld voor gebruik buitenshuis, maar kunnen ook binnenshuis of op soffieten en op de onderkant van balkondaken worden gebruikt.

Onder „kleursysteem” wordt een methode verstaan om gekleurde verven aan te maken door een basisverf te mengen met kleurmiddelen.

3.   De volgende producten vallen niet onder deze productengroep:

a)

anticorrosieve coatings;

b)

aangroeiwerende coatings;

c)

houtconserveringsmiddelen;

d)

coatings voor bepaalde industriële en professionele toepassingen, met inbegrip van coatings voor zwaar gebruik;

e)

ieder product dat in eerste instantie is ontwikkeld voor gebruik binnenshuis en als zodanig in de handel wordt gebracht.

Artikel 2

1.   Voor de toekenning van de communautaire milieukeur in het kader van Verordening (EG) nr. 1980/2000 dienen verven en vernissen, met inachtneming van het bepaalde in de leden 2 en 3, te vallen onder de productengroep „verven en vernissen voor gebruik buitenshuis” zoals gedefinieerd in artikel 1, en dienen ze te voldoen aan de in de bijlage bij deze beschikking beschreven milieucriteria.

2.   Tweecomponentencoatings met bijzondere eigenschappen, bestemd voor specifieke toepassingen, dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen:

a)

elk van beide componenten afzonderlijk dient te voldoen aan de in de bijlage beschreven milieucriteria (met uitzondering van het criterium voor vluchtige organische stoffen (VOS));

b)

zij dienen vergezeld te gaan van informatie waarin wordt verduidelijkt dat de beide componenten noch afzonderlijk mogen worden gebruikt, noch met andere producten mogen worden gemengd;

c)

het gebruiksklare eindproduct dient eveneens aan de milieucriteria, inclusief het criterium voor VOS, te voldoen.

3.   Coatings die zowel voor gebruik binnenshuis als voor gebruik buitenshuis in de handel worden gebracht, dienen zowel aan de criteria van deze beschikking inzake verven en vernissen voor gebruik buitenshuis als aan de criteria van Beschikking 2009/544/EG van de Commissie (2) inzake verven en vernissen voor gebruik binnenshuis te voldoen.

Artikel 3

De milieucriteria voor de productengroep „verven en vernissen voor gebruik buitenshuis” en de desbetreffende eisen inzake beoordeling en controle zijn geldig vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze beschikking.

Artikel 4

Het voor administratieve doeleinden aan de productengroep „verven en vernissen voor gebruik buitenshuis” toegewezen codenummer is „33”.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 13 augustus 2008.

Voor de Commissie

Olli REHN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 237 van 21.9.2000, blz. 1.

(2)  Zie bladzijde 39 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE

A.   KADER

Doelstellingen van de criteria

Deze criteria zijn hoofdzakelijk gericht op:

een efficiënt gebruik van het product en de beperking van afval tot een minimum;

vermindering van milieurisico’s en overige risico’s (zoals troposferisch ozon) door verlaging van de uitstoot van oplosmiddelen;

de beperking van de lozing van toxische of anderszins verontreinigende stoffen in wateren. De criteria worden op een zodanig niveau vastgesteld dat wordt bevorderd dat verven en vernissen voor gebruik buitenshuis met geringere milieueffecten de milieukeur krijgen.

Eisen inzake beoordeling en controle

Bij elk criterium worden de specifieke eisen inzake beoordeling en controle vermeld.

Wanneer de aanvrager verplicht is verklaringen, documentatie, analyses, testverslagen of ander bewijsmateriaal in te dienen waaruit blijkt dat aan de criteria wordt voldaan, wordt ervan uitgegaan dat deze, zoals aangewezen, afkomstig kunnen zijn van de aanvrager en/of diens leveranciers en/of hun leveranciers enz.

Eventueel mogen andere testmethoden worden gebruikt dan voor elk criterium worden vermeld, indien deze door de bevoegde instantie die de aanvraag beoordeelt als gelijkwaardig worden geaccepteerd.

Indien nodig kunnen de bevoegde instanties aanvullende documentatie verlangen en onafhankelijke controles uitvoeren.

De bevoegde instanties wordt aangeraden bij de beoordeling van aanvragen en het toezicht op de inachtneming van de criteria rekening te houden met de toepassing van erkende milieubeheersystemen, zoals EMAS of EN ISO14001 (NB: toepassing van dergelijke milieubeheersystemen is niet verplicht).

Wanneer in de criteria het begrip „ingrediënten” wordt gebruikt, omvat dit zowel stoffen als preparaten. De definities van „stoffen” en „preparaten” zijn opgenomen in de REACH-verordening (Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (1).

De precieze formulering van het product dient aan de bevoegde instantie te worden meegedeeld voor alle door de aanvrager gebruikte (bestanddelen van) ingrediënten. Alle stoffen, met inbegrip van onzuiverheden, die aanwezig zijn in concentraties groter dan 0,01 massaprocent moeten worden aangemeld, tenzij elders in de criteria een lagere concentratie wordt gespecificeerd.

B.   MILIEUCRITERIA

Alle criteria met uitzondering van criterium 3 inzake grenswaarden voor VOS gelden voor de verf of het vernis in de verpakking. Overeenkomstig Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) hebben de VOS-grenswaarden betrekking op het gebruiksklare product; bijgevolg moet het maximale VOS-gehalte worden berekend rekening houdend met de eventueel aanbevolen toevoeging van, bijvoorbeeld, kleurstoffen en/of verdunners. Voor die berekening zijn gegevens over het vastestof- en het VOS-gehalte en de dichtheid van het product vereist die door de leveranciers van grondstoffen moeten worden verstrekt.

De criteria 1 en 2 gelden alleen voor witte en lichtgekleurde verven (met inbegrip van aflakken, primers, grondverven en/of tussencoatings).

Voor kleursystemen zijn de criteria 1 en 2 alleen van toepassing op de witte basisverf, die de grootste hoeveelheid TiO2 bevat. Ingeval de witte basisverf niet het vereiste spreidend vermogen heeft van ten minste 6 m2 per liter bij een dekvermogen van 98 % overeenkomstig criterium 7, onder a), moet aan de criteria worden voldaan na een kleuring die resulteert in standaardkleur RAL 9010.

De criteria 1 en 2 zijn niet van toepassing op transparante coatings.

1.   Witte pigmenten

Gehalte aan witte pigmenten (witte anorganische pigmenten met een brekingsindex die hoger is dan 1,8): Verven dienen een gehalte aan witte pigmenten te hebben van ten hoogste 38 g per m2 droge film, met een dekvermogen van 98 %. Deze eis geldt niet voor vernissen en houtbeitsen.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring indienen waarin staat dat er geen witte pigmenten worden gebruikt of mededeling doen van het gehalte aan witte pigmenten en het spreidend vermogen, tezamen met de gedetailleerde berekening waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan.

2.   Titaandioxide

Titaandioxide: De emissies en lozingen van afvalstoffen afkomstig van de productie van de gebruikte titaandioxidepigmenten mogen de volgende waarden (ontleend aan het referentiedocument (BREF) over de beste beschikbare technologie voor de fabricage van anorganische bulkchemicaliën (augustus 2007)) niet overschrijden:

SOx-uitstoot (uitgedrukt als SO2): 266 mg per m2 droge film (98 % dekvermogen);

sulfaatafval: 19 g per m2 droge film (98 % dekvermogen);

chlorideafval: 3,9, 6,8 en 12,5 g per m2 droge film (98 % dekvermogen) voor respectievelijk natuurlijk rutiel, synthetisch rutiel en ertsen waarbij slakken achterblijven.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring indienen waarin staat dat deze stoffen niet worden gebruikt, of moet ter staving documentatie verstrekken waarin de respectieve niveaus van uitstoot en lozing van afval voor deze parameters, het titaandioxidegehalte van het product en het spreidend vermogen worden aangegeven, tezamen met de gedetailleerde berekeningen waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan.

3.   Vluchtige organische stoffen (VOS)

Het gehalte aan vluchtige organische stoffen (VOS) mag niet hoger zijn dan:

Productindeling (Richtlijn 2004/42/EG)

VOS-grenswaarde (in g/l, inclusief water)

Coatings voor buitenmuren (minerale ondergrond)

40

Hout- en metaalverven voor buitendecoratie inclusief grondverven

90

Vernissen en beitsen voor buitenhoutwerk, inclusief dekkende beitsen

90

Houtbeitsen met minimale laagdikte voor gebruik buitenshuis

75

Primers (voor gebruik buitenshuis)

15

Hechtprimers (voor gebruik buitenshuis)

15

Eencomponentcoatings met bijzondere eigenschappen

100

Tweecomponentencoatings met bijzondere eigenschappen, bestemd voor specifieke toepassingen zoals vloeren

100

Binnen deze context is een vluchtige organische stof (VOS) een organische stof met een beginkookpunt van 250 oC of lager, gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa als omschreven in Richtlijn 2004/42/EG. De in de richtlijn gedefinieerde subcategorieën voor verven en vernissen worden gebruikt ter vaststelling van de VOS-grenswaarde. Hier worden alleen de categorieën opgevoerd die in aanmerking komen als coatings voor gebruik buitenshuis.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan. Voor alle producten moet de aanvrager het VOS-gehalte aangeven.

4.   Vluchtige aromatische koolwaterstoffen (VAK)

Vluchtige aromatische koolwaterstoffen mogen niet rechtstreeks aan het product worden toegevoegd voor of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren; wel mogen ingrediënten die VAK bevatten in zodanige hoeveelheden worden toegevoegd dat het VAK-gehalte in het eindproduct niet meer bedraagt dan 0,1 massaprocent.

Binnen deze context is een vluchtige aromatische koolwaterstof (VAK) een organische stof met een beginkookpunt van 250 oC of lager, gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa, als omschreven in Richtlijn 2004/42/EG, met ten minste één aromatische ring in de structuurformule.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan en dat geen VAK zijn toegevoegd in enige andere vorm dan als geprefabriceerde ingrediënten, alsook, in voorkomend geval, verklaringen van de leveranciers van de ingrediënten met betrekking tot het VAK-gehalte daarvan.

5.   Zware metalen

De volgende zware metalen of hun verbindingen mogen niet worden gebruikt als ingrediënt van het product of (in voorkomend geval) het kleurmiddel (als stof of als bestanddeel van enig preparaat dat wordt gebruikt): cadmium, lood, chroom (VI), kwik, arseen, barium (uitgezonderd bariumsulfaat), seleen, antimoon.

Ook kobalt mag niet als ingrediënt worden toegevoegd, met uitzondering van kobaltzouten die als droogmiddel in alkydverven worden toegepast. Daarvan mag een zodanige hoeveelheid worden gebruikt dat de concentratie in het eindproduct, gemeten als zuiver kobalt, ten hoogste 0,05 massaprocent bedraagt. Kobalt in pigmenten valt evenmin onder deze verbodsbepaling.

Er wordt geaccepteerd dat ingrediënten sporen van deze metalen (tot 0,01 massaprocent) bevatten als gevolg van onzuiverheden in de grondstoffen.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, alsook (in voorkomend geval) verklaringen van de leveranciers van de ingrediënten.

6.   Gevaarlijke stoffen

(a)

Het product: Het product mag noch vóór, noch (in voorkomend geval) na de kleuring als zeer vergiftig, vergiftig, gevaarlijk voor het milieu, kankerverwekkend, vergiftig voor de voortplanting, schadelijk, bijtend, mutageen of irriterend (uitsluitend als dit het gevolg is van de aanwezigheid van ingrediënten waarvoor risicozin R43 geldt) ingedeeld zijn overeenkomstig Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (3).

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, tezamen met een veiligheidsinformatieblad over het productmateriaal dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de REACH-verordening.

(b)

Ingrediënten (zeer vergiftig, vergiftig, kankerverwekkend, mutageen, vergiftig voor de voortplanting): Er mag noch in het product, noch (in voorkomend geval) bij de kleuring enig ingrediënt worden gebruikt waarvoor ten tijde van de aanvraag een van de onderstaande risicozinnen (of combinaties ervan) geldt of kan gelden:

R23 (vergiftig bij inademing),

R24 (vergiftig bij aanraking met de huid),

R25 (vergiftig bij opname door de mond),

R26 (zeer vergiftig bij inademing),

R27 (zeer vergiftig bij aanraking met de huid),

R28 (zeer vergiftig bij opname door de mond),

R33 (gevaar voor cumulatieve effecten),

R39 (gevaar voor ernstige onherstelbare effecten),

R40 (carcinogene effecten zijn niet uitgesloten),

R42 (kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing),

R45 (kan kanker veroorzaken),

R46 (kan erfelijke genetische schade veroorzaken),

R48 (gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling),

R49 (kan kanker veroorzaken bij inademing),

R60 (kan de vruchtbaarheid schaden),

R61 (kan het ongeboren kind schaden),

R62 (mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid),

R63 (mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind),

R68 (onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten),

zoals vastgelegd in Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (4), als gewijzigd, of in Richtlijn 1999/45/EG, als gewijzigd. Actieve ingrediënten die in de formulering worden gebruikt als conserveermiddel en waarvoor een van de risicozinnen R23, R24, R25, R26, R27, R28, R39, R40 of R48 (of een combinatie daarvan) geldt, mogen toch worden gebruikt tot een grenswaarde van 0,1 massaprocent van de totale hoeveelheid product.

Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (GHS) (5). In dat geval mogen ingrediënten, in voorkomend geval met inbegrip van ingrediënten bestemd voor de kleuring, die in een van de volgende categorieën (of combinaties daarvan) worden ingedeeld, niet worden gebruikt:

acute orale toxiciteit — categorie I, II, III,

acute dermale toxiciteit — categorie I, II, III,

acute toxiciteit bij inademing — categorie I, II, III,

sensibilisatie van de luchtwegen — categorie I,

mutageniteit — categorie I, II,

kankerverwekkendheid — categorie I, II,

voortplantingstoxiciteit — categorie I, II,

specifieke doelorgaantoxiciteit bij eenmalige blootstelling — categorie I, II,

specifieke doelorgaantoxiciteit bij herhaalde blootstelling — categorie I, II,

zoals vastgesteld in ST/SG/AC.10/30 (6) en herzien in ST/SG/AC.10/34/Add.3 betreffende het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen. Actieve ingrediënten die als conserveermiddel in de formulering worden gebruikt en die in een van de volgende GHS-categorieën zijn ingedeeld, mogen toch worden gebruikt tot een grenswaarde van 0,1 massaprocent van de totale hoeveelheid product:

acute toxiciteit (orale, dermale en bij inademing) — categorie I, II, III (alleen orale en dermale toxiciteit),

specifieke doelorgaantoxiciteit (bij eenmalige en/of herhaalde blootstelling) — categorie I, II (of combinaties daarvan), en

kankerverwekkendheid — categorie II.

Methylethylketoxim mag in alkydverven worden gebruikt tot een grenswaarde van 0,3 massaprocent.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, tezamen met een veiligheidsinformatieblad over het productmateriaal dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de REACH-verordening.

c)

Ingrediënten (gevaarlijk voor het milieu): Geen enkel in het product of (in voorkomend geval) bij de kleuring gebruikt ingrediënt mag meer dan 2 massaprocent vertegenwoordigen indien voor dat ingrediënt op het tijdstip van indiening van de aanvraag een van de hierna genoemde risicozinnen geldt of kan gelden:

N R50 (zeer vergiftig voor in het water levende organismen),

N R50/53 (zeer vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

N R51/53 (vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

N R52/53 (schadelijk voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

R51 (vergiftig voor in het water levende organismen),

R52 (schadelijk voor in het water levende organismen),

R53 (kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

zoals vastgelegd in Richtlijn 67/548/EEG of in Richtlijn 1999/45/EG.

Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (7). In dit geval mag geen enkel in het product of (in voorkomend geval) bij de kleuring gebruikt ingrediënt meer dan 2 massaprocent vertegenwoordigen indien dat ingrediënt op het tijdstip van indiening van de aanvraag wordt of kan worden ingedeeld in een van de hierna genoemde categorieën:

Toxiciteit voor het aquatisch milieu (de vermelde categorieën en combinaties daarvan):

acute toxiciteit — categorieën I, II, III

chronische toxiciteit — categorieën I, II, III, IV,

zoals vastgesteld in ST/SG/AC.10/30 en herzien in ST/SG/AC.10/34/Add.3 betreffende het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen.

In ieder geval mag de totale hoeveelheid van alle ingrediënten waarvoor op het tijdstip van indiening van de aanvraag een van deze risicozinnen (of combinaties ervan) of GHS-categorieën geldt of kan gelden, de grenswaarde van 4 massaprocent niet overschrijden.

Deze vereiste geldt niet voor ammoniak of alkylammoniak.

Deze vereiste doet geen afbreuk aan de verplichting om te voldoen aan de in criterium 6, onder a), omschreven vereiste.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, tezamen met een lijst van ingrediënten alsook voor elk ingrediënt een veiligheidsinformatieblad dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de REACH-verordening.

d)

Alkylfenolethoxylaten (APEO’s): Er mogen in het product geen APEO’s worden gebruikt vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

e)

Isothiazolinonverbindingen: Het gehalte aan isothiazolinonverbindingen in het product mag vóór of (in voorkomend geval) na het kleuren niet meer bedragen dan 0,05 massaprocent. Voor houtcoatings mag het gehalte aan isothiazolinonverbindingen niet meer bedragen dan 0,2 massaprocent. Evenzo mag het gehalte van het mengsel van 5-chloor-2-methyl-2H-isothiazool-3-on (EG-nr. 247-500-7) en 2-methyl-2H-isothiazool-3-on (EG-nr. 220-239-6) (3:1) in het product niet meer bedragen dan 0,0015 massaprocent.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, waarbij de hoeveelheden (indien gebruikt) worden aangegeven.

f)

Perfluoralkylsulfonaten (PFAS), perfluorcarbonzuren (PFCA) met inbegrip van perfluoroctaanzuur (PFOA) en aanverwante stoffen die zijn opgenomen in de „Preliminary lists of PFOS, PFAS, PFOA, PFCA, related compounds and chemicals that may degrade to PFCA” van de OESO (herziene versie 2007) zijn in het product niet toegestaan. De OESO-lijst is als bijlage aan dit document gehecht.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

g)

Formaldehyd: Er mag geen vrij formaldehyd worden toegevoegd. Stoffen die formaldehyd afgeven, mogen alleen in zodanige hoeveelheden worden toegevoegd dat gegarandeerd wordt dat het uiteindelijke totale gehalte aan vrij formaldehyd (in voorkomend geval na kleuring) niet meer bedraagt dan 0,001 massaprocent.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan. Daarnaast moet de aanvrager testresultaten van de grondstoffenleveranciers overleggen, gebaseerd op de „VdL-RL 03”-methode „In-blik formaldehydgehalte vastgesteld aan de hand van de acetyl-aceton-methode” (VdL-richtsnoer 03), alsmede berekeningen waarbij de gegevens van deze tests worden gerelateerd aan het eindproduct om aan te tonen dat de hoogst mogelijke eindconcentratie van het formaldehyd dat vrijkomt uit formaldehydafgevende stoffen in het product niet hoger is dan 0,001 massaprocent. Als alternatief mag het van formaldehydafgevende stoffen afkomstige formaldehyd in het eindproduct worden bepaald met behulp van een nationale standaard of een gevalideerde methode zoals beschreven in ISO/IEC 17025 op basis van hogedrukvloeistofchromatografie.

h)

Gehalogeneerde organische oplosmiddelen: Onverminderd het bepaalde in criterium 6, onder a), b) en c), mogen in het product vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren alleen gehalogeneerde verbindingen worden gebruikt die op het tijdstip van indiening van de aanvraag reeds aan een risicobeoordeling zijn onderworpen en waaraan niet overeenkomstig de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG een van de volgende risicozinnen (of een combinatie daarvan) is toegekend: R26/27, R45, R48/20/22, R50, R51, R52, R53, R50/53, R51/53, R52/53 en R59.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

i)

Ftalaten: Onverminderd het bepaalde in criterium 6, onder a), b) en c), mogen in het product vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren alleen ftalaten worden gebruikt die op het tijdstip van indiening van de aanvraag reeds aan een risicobeoordeling zijn onderworpen en waaraan niet overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG, als gewijzigd, een van de volgende risicozinnen (of een combinatie daarvan) is toegekend: R60, R61, R62, R50, R51, R52, R53, R50/53, R51/53 en R52/53. Bovendien zijn DNOP (di-n-octylftalaat), DINP (diisononylftalaat) en DIDP (diisodecylftalaat) niet toegestaan in het product.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

7.   Gebruiksgeschiktheid

a)

Spreidend vermogen: Witte en lichtgekleurde verven (met inbegrip van aflakken, primers, grondverven en/of tussencoatings) moeten een spreidend vermogen hebben (bij een dekvermogen van 98 %) van ten minste 6 m2 per liter product.

Voor kleursystemen is dit criterium alleen van toepassing op de witte basisverf, die de grootste hoeveelheid TiO2 bevat. Ingeval de witte basisverf niet het vereiste spreidend vermogen van ten minste 6 m2 per liter heeft bij een dekvermogen van 98 %, moet aan het criterium worden voldaan na een kleuring van de witte basisverf die resulteert in standaardkleur RAL 9010. Op alle andere basisverven die voor de vervaardiging van gekleurde producten worden gebruikt — dit zijn basisverven die in de regel minder TiO2 bevatten en die niet het vereiste spreidend vermogen van ten minste 6 m2 per liter product hebben bij een dekvermogen van 98 % — is het criterium niet van toepassing. Voor verven die deel uitmaken van een kleursysteem moet de aanvrager de eindgebruiker op het verkooppunt en/of via een mededeling op de verpakking informeren welke kleur of welke primer/grondverf (zo mogelijk voorzien van de communautaire milieukeur) als basiscoating moet worden gebruikt alvorens de donkerdere tint wordt aangebracht.

Primers met specifieke afschermende/afdichtende c.q. doordringende/bindende eigenschappen en primers met bijzondere hechtingseigenschappen voor aluminium- en gegalvaniseerde oppervlakken dienen een spreidend vermogen (bij een dekvermogen van 98 %) van ten minste 6 m2 per liter product te hebben.

Elastomere verven moeten een spreidend vermogen hebben (bij een dekvermogen van 98 %) van ten minste 4 m2 per liter product.

Deze vereiste geldt niet voor vernissen, houtbeitsen, vloercoatings, vloerverven, grondverven, andere zelfhechtende primers of andere transparante coatings.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen waarbij gebruik wordt gemaakt van de methode ISO6504/1 (Verven en vernissen — Bepaling van de dekkracht — deel 1: Methode volgens Kubelka-Munk voor witte en lichtgekleurde verven) of 6504/3 (deel 3: Bepaling van de contrastverhouding van lichtgekleurde verven bij een gegeven verspreiding), of, voor verven die speciaal zijn ontwikkeld om een driedimensionaal decoratief effect te verkrijgen en gekenmerkt worden door een zeer dikke laag, de methode NF T 30 073 (of gelijkwaardig). Voor basisverven die voor de vervaardiging van gekleurde producten worden gebruikt en niet aan de hand van bovenvermelde eisen worden beoordeeld, moet de aanvrager aantonen dat de eindgebruiker advies wordt verstrekt over het gebruik van een primer en/of een grijze (of eventueel anders gekleurde) grondverf alvorens het product in kwestie wordt aangebracht.

b)

Waterbestendigheid: Vernissen, vloercoatings en vloerverven moeten waterbestendig zijn, zoals vastgesteld overeenkomstig de ISO 2812-3-norm, zodat na 24 uur blootstelling en 16 uur herstel er geen verandering is in glans of in kleur.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de ISO 2812-3-methode (Verven en vernissen — Bepaling van de weerstand tegen vloeistoffen — deel 3: Methode met absorberend medium).

c)

Hechting: Muurverven (met uitzondering van transparante primers) dienen een voldoende te scoren in de EN 24624-lostrekproef voor hechting (ISO 4624); vloercoatings, vloerverven en grondverven voor beton-, hout- en metaalcoatings dienen ten minste een 2 te scoren in de EN 2409-ruitjesproef voor hechting. Wanneer bij de uitvoering van de EN 24624-proef de cohesiekracht van de ondergrond geringer is dan de adhesiekracht van de verf, wordt dit als een voldoende aangemerkt; in de andere gevallen dient de adhesie van de verf meer te bedragen dan de met een voldoende overeenstemmende waarde van 1,5 MPa.

De aanvrager beoordeelt de primer en/of de aflak hetzij afzonderlijk, hetzij tezamen als componenten van een systeem. Indien de beproeving een systeem betreft, dient zo mogelijk gebruik te worden gemaakt van producten waaraan de communautaire milieukeur is toegekend (met uitzondering van systemen bestemd voor metaaloppervlakken). Als de aflak afzonderlijk wordt beproefd, wordt dit als worstcasescenario voor hechting aangemerkt.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de EN ISO 2409-methode c.q. de EN 24624-methode (ISO 4624).

d)

Schuren: Vloercoatings en vloerverven dienen een zodanige slijtvastheid te hebben dat het massaverlies niet meer bedraagt dan 70 mg na 1 000 testcycli met een belasting van 1 000 g en een CS10-schuurwiel overeenkomstig EN ISO 7784-2:2006.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een op de EN ISO 7784-2:2006-methode gebaseerd testverslag indienen waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan.

e)

Verwering: Muuraflakken en hout- en metaalaflakken, met inbegrip van vernissen, worden blootgesteld aan kunstmatige verwering in een toestel met fluorescerende uv-lampen en condensatiewater of verneveld water overeenkomstig norm 11507:2007. Muurverven worden gedurende 1 000 uur aan de proefomstandigheden blootgesteld, hout- en metaalaflakken (met inbegrip van vernissen) gedurende 500 uur. De proefomstandigheden zijn: uv A 4u/60 oC + vochtigheid 4u/50 oC.

Als alternatief kunnen houtaflakken en houtvernissen gedurende 500 uur aan verwering worden blootgesteld in een QUV-toestel voor versnelde veroudering met cyclische blootstelling aan uv A-straling en besproeiing overeenkomstig EN 927-6.

De kleurverandering van de aan verwering blootgestelde monsters mag niet meer bedragen dan ΔΕ * = 4 en voor vernissen mag de glansvermindering niet meer bedragen dan 30 % van de beginwaarde. De glans wordt gemeten volgens ISO 2813. Het criterium voor kleurverandering geldt niet voor transparante vernissen en basisverven.

Voor muuraflakken en (in voorkomend geval) hout- en metaalaflakken wordt de mate van krijten bepaald volgens de EN ISO 4628-6:2007-methode nadat de monsters aan verwering zijn blootgesteld. Coatings dienen voor deze proef een score van 1,5 of beter (0,5 of 1,0) te halen. In de norm wordt een en ander met illustraties verduidelijkt.

Voor muuraflakken en hout- en metaalaflakken moeten ook de volgende parameters worden bepaald nadat de monsters aan verwering zijn blootgesteld:

afbladdering overeenkomstig ISO 4628-5:2003; schilferdichtheid 2 of minder, schilfergrootte 2 of minder,

barstvorming overeenkomstig ISO 4628-4:2003; barstgetal 2 of minder, barstgrootte 3 of minder,

blaarvorming overeenkomstig ISO 4628-2:2003; blaardichtheid 3 of minder, blaargrootte 3 of minder.

Wegens het brede scala van mogelijke kleuren worden deze proeven beperkt tot de gebruikte basisverf.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet testverslagen indienen gebaseerd op het gebruik van hetzij ISO 11507:2007 (met inachtneming van de gespecificeerde parameters), hetzij EN 927-6, hetzij beide (voor zover relevant). Voorts moet de aanvrager testverslagen indienen gebaseerd op het gebruik van EN ISO 4628-2, -4, -5 en -6 voor zover toepasselijk. De aanvrager moet ook een verklaring overleggen dat (voor zover toepasselijk) de kleurverandering van de coating de in dit document vastgestelde maximumwaarde niet overschrijdt.

f)

Doorlatendheid voor waterdamp: Wanneer van muur- en betonverven voor gebruik buitenshuis wordt beweerd dat zij ademend zijn, dient de verf in kwestie volgens testmethode EN ISO 7783-2 in klasse II (gemiddelde dampdoorlatendheid) of beter te zijn ingedeeld. Wegens het brede scala van mogelijke kleuren wordt voor dit criterium uitsluitend de basisverf beproefd; de eis geldt niet voor transparante primers.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de EN ISO 7783-2-methode.

g)

Doorlatendheid voor vloeibaar water: Wanneer van muur- en betonverven voor gebruik buitenshuis wordt beweerd dat zij waterafstotend of elastomeer zijn, dient de coating volgens de methode DIN EN 1062-3:1999 in klasse III (geringe waterdoorlatendheid) te zijn ingedeeld. Wegens het brede scala van mogelijke kleuren wordt voor dit criterium uitsluitend de basisverf beproefd. Alle andere muurverven dienen volgens testmethode DIN EN 1062-3:1999 in klasse II (gemiddelde waterdoorlatendheid) of beter te zijn ingedeeld.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de methode DIN EN 1062-3:1999.

h)

Schimmelbestendigheid: Wanneer van muuraflakken wordt beweerd dat zij schimmelwerende eigenschappen bezitten, dient de coating in kwestie een score van 2 of beter te halen (minder dan 10 % schimmeldek) bij toepassing van de BS 3900:G6-methode. Wegens het brede scala van mogelijke kleuren wordt voor dit criterium uitsluitend de basisverf beproefd.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de BS 3900:G6-methode.

i)

Scheuroverbrugging: Wanneer van een muurverf (of betonverf) wordt beweerd dat zij elastomere eigenschappen bezit, dient zij volgens de methode DIN EN 1062-7:2004 ten minste in klasse A1 te zijn ingedeeld bij 23 oC. Wegens het brede scala van mogelijke kleuren wordt voor dit criterium uitsluitend de basisverf beproefd.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de methode DIN EN 1062-7:2004.

j)

Alkalibestendigheid: Muurverven en -primers mogen geen merkbare schade vertonen wanneer de coating overeenkomstig de methode ISO 2812-4:2007 gedurende 24 uur met een 10 % NaOH-oplossing wordt bespat. De beoordeling vindt plaats na 24 uur drogen/herstel.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de methode ISO 2812-4:2007.

8.   Consumenteninformatie

De volgende informatie moet op de verpakking staan of aan de verpakking zijn bevestigd:

het gebruik, de ondergrond en de gebruiksomstandigheden waarvoor het product is bestemd. Hieronder valt ook advies over voorbereidende werkzaamheden enz., zoals de juiste voorbereiding van de ondergrond, advies over gebruik buitenshuis (waar van toepassing), of temperatuur;

aanbevelingen voor het reinigen van gereedschappen en adequaat afvalbeheer (teneinde waterverontreiniging zoveel mogelijk te beperken). Deze aanbevelingen moeten zijn aangepast aan het desbetreffende soort product en het desbetreffende toepassingsgebied en kunnen zo nodig gebruikmaken van pictogrammen;

aanbevelingen met betrekking tot productopslag na het openen (teneinde vast afval zoveel mogelijk te beperken), met inbegrip van advies inzake veiligheid, indien van toepassing;

voor donkere coatings waarop criterium 7, onder a), niet van toepassing is: advies over het gebruik van de juiste primer of grondverf (zo mogelijk voorzien van de communautaire milieukeur);

de vermelding dat ongebruikte verf een specifieke behandeling vereist met het oog op milieuvriendelijke verwijdering, en daarom niet mag worden weggegoten of samen met het huishoudelijk afval mag worden weggegooid. Advies over verwijdering en inzameling is verkrijgbaar bij de plaatselijke overheid;

aanbevelingen met betrekking tot preventieve beschermingsmaatregelen voor de schilder. De volgende tekst (of een vergelijkbare tekst) dient op de verpakking te worden vermeld of aan de verpakking te worden bevestigd:

„Meer informatie over de vraag waarom dit product de milieukeur van de Europese Unie heeft gekregen, is te vinden op de website: http://ec.europa.eu/environment/ecolabel.”

Beoordeling en controle: Bij de indiening van de aanvraag dient een monster van de verpakking van het product te worden verstrekt, tezamen met een passende verklaring dat aan deze criteria is voldaan.

9.   Informatie op de milieukeur

Kader 2 van de milieukeur moet de volgende tekst bevatten:

goede resultaten bij gebruik buitenshuis,

gevaarlijke stoffen beperkt,

laag gehalte aan oplosmiddelen.

Beoordeling en controle: De aanvrager dient een monster van de verpakking van het product met het etiket te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan dit criterium is voldaan.


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87.

(3)  PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.

(4)  PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.

(5)  Op 27 juni 2007 heeft de Commissie het voorstel aangenomen „voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en tot wijziging van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad en Verordening (EG) nr. 1907/2006” (COM(2007) 355 definitief). Voor meer informatie over de overlappingen tussen het bestaande systeem en GHS, zie bijlage VII in volume III van het voorstel dat is aangenomen: http://ec.europa.eu/enterprise/reach/docs/ghs/ghs_prop_vol_iii_en.pdf

(6)  Deskundigencomité van de Verenigde Naties voor het vervoer van gevaarlijke goederen en het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen: http://www.unece.org/trans/main/dgdb/dgcomm/ac10rep.html

(7)  Zie voetnoot 5.


14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/39


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 13 augustus 2008

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik binnenshuis

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 4453)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/544/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1980/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren (1), en met name op artikel 6, lid 1, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1980/2000 kan de communautaire milieukeur worden toegekend aan een product waarvan de eigenschappen werkelijk kunnen bijdragen tot verbeteringen van essentiële milieuaspecten.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1980/2000 moeten per productengroep specifieke criteria voor de milieukeur worden vastgesteld op basis van door het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie opgestelde criteria.

(3)

Ook moet krachtens die verordening de herziening van de criteria voor de milieukeur en van de eisen inzake beoordeling en controle op de naleving van die criteria tijdig vóór het eind van de geldigheidsperiode van de criteria voor de desbetreffende productengroep plaatsvinden.

(4)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1980/2000 heeft een tijdige herziening plaatsgevonden van de milieucriteria en van de desbetreffende eisen inzake beoordeling en controle die zijn vastgesteld bij Beschikking 2002/739/EG van de Commissie van 3 september 2002 tot vaststelling van de herziene milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor verven en vernissen voor gebruik binnenshuis en tot wijziging van Beschikking 1999/10/EG (2). Die milieucriteria en de desbetreffende eisen inzake beoordeling en controle zijn geldig tot en met 28 februari 2009.

(5)

In het licht van deze herziening en teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke ontwikkelingen en de ontwikkelingen op de markt dient de definitie van de productengroep te worden gewijzigd en dienen nieuwe milieucriteria te worden vastgesteld.

(6)

Beschikking 2002/739/EG moet daarom worden vervangen.

(7)

De milieucriteria en de desbetreffende eisen inzake beoordeling en controle dienen geldig te zijn tot en met vier jaar vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking.

(8)

Er moet een overgangsperiode worden toegestaan voor producten waaraan de milieukeur voor verven en vernissen voor gebruik binnenshuis is toegekend vóór 18.8.2008 of waarvoor die milieukeur is aangevraagd vóór 18.8.2008, zodat de producenten de tijd hebben om hun producten aan de herziene criteria en eisen aan te passen. Omwille van de rechtszekerheid dienen producenten tot en met 28.2.2009 aanvragen te kunnen indienen op basis van de criteria van Beschikking 2002/739/EG dan wel op basis van de criteria van deze beschikking. Na die datum gelden alleen de criteria van deze beschikking.

(9)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   De productengroep „verven en vernissen voor gebruik binnenshuis” omvat decoratieve verven en vernissen, houtbeitsen en verwante producten voor gebruik binnenshuis, als omschreven in lid 2, bestemd voor gebruik door doe-het-zelvers en professionele gebruikers, die in eerste instantie worden ontwikkeld voor gebruik binnenshuis en als zodanig op de markt worden gebracht.

Hieronder vallen, onder andere, vloercoatings en vloerverven, producten die door distributeurs op verzoek van doe-het-zelvers of beroepsschilders worden gekleurd, kleursystemen, en decoratieve verven in de vorm van vloeibare of pasteuze mengsels die eventueel zijn voorbehandeld, gekleurd of voorbereid door de fabrikant om aan de behoeften van de consument te voldoen, met inbegrip van primers en grondverven van dergelijke productsystemen.

2.   Onder „verf” wordt een gepigmenteerd dekmateriaal verstaan, in vloeibare of pasteuze vorm of in poedervorm, dat bij aanbrenging op een ondergrond een dekkende laag vormt met beschermende, decoratieve of specifieke technische eigenschappen.

Onder „vernis” wordt een helder dekmateriaal verstaan dat bij aanbrenging op een ondergrond een harde transparante laag vormt met beschermende, decoratieve of specifieke technische eigenschappen.

Onder „decoratieve verven en vernissen” worden verven en vernissen verstaan die worden aangebracht op gebouwen, het houtwerk en toebehoren ervan, voor decoratieve en beschermende doeleinden. Zij worden ter plaatse aangebracht. Hoewel voornamelijk als decoratie bedoeld, hebben zij ook een beschermende functie.

Onder „houtbeitsen” (lazuren) worden coatings verstaan die een transparante of semitransparante laag produceren voor decoratie en voor bescherming van hout tegen verwering, waardoor er eenvoudig onderhoud kan worden verricht.

Onder „kleursysteem” wordt een methode verstaan om gekleurde verven aan te maken door een basisverf te mengen met kleurmiddelen.

3.   De volgende producten vallen niet onder deze productengroep.

a)

anticorrosieve coatings;

b)

aangroeiwerende coatings;

c)

houtconserveringsmiddelen;

d)

coatings voor bepaalde industriële en professionele toepassingen, met inbegrip van coatings voor zwaar gebruik;

e)

gevelcoatings;

f)

ieder product dat in eerste instantie is ontwikkeld voor gebruik buitenshuis en als zodanig in de handel wordt gebracht.

Artikel 2

1.   Voor de toekenning van de communautaire milieukeur in het kader van Verordening (EG) nr. 1980/2000 dienen verven en vernissen, met inachtneming van het bepaalde in de leden 2 en 3, te vallen onder de productengroep „verven en vernissen voor gebruik binnenshuis” zoals gedefinieerd in artikel 1, en dienen ze te voldoen aan de in de bijlage bij deze beschikking beschreven milieucriteria.

2.   Tweecomponentencoatings met bijzondere eigenschappen, bestemd voor specifieke toepassingen, dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen:

a)

elk van beide componenten afzonderlijk dient te voldoen aan de in de bijlage beschreven milieucriteria (met uitzondering van het criterium voor vluchtige organische stoffen (VOS));

b)

zij dienen vergezeld te gaan van informatie waarin wordt verduidelijkt dat de beide componenten noch afzonderlijk mogen worden gebruikt, noch met andere producten mogen worden gemengd;

c)

het gebruiksklare eindproduct dient eveneens aan de milieucriteria, inclusief het criterium voor VOS, te voldoen.

3.   Coatings die zowel voor gebruik binnenshuis als voor gebruik buitenshuis in de handel worden gebracht, dienen zowel aan de criteria van deze beschikking inzake verven en vernissen voor gebruik binnenshuis als aan de criteria van Beschikking 2009/543/EG van de Commissie (3) inzake verven en vernissen voor gebruik buitenshuis te voldoen.

Artikel 3

De milieucriteria voor de productengroep „verven en vernissen voor gebruik binnenshuis” en de desbetreffende eisen inzake beoordeling en controle zijn geldig vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze beschikking.

Artikel 4

Het voor administratieve doeleinden aan de productengroep „verven en vernissen voor gebruik binnenshuis” toegewezen codenummer is „07”.

Artikel 5

Beschikking 2002/739/EG wordt ingetrokken.

Artikel 6

1.   Milieukeuren die vóór 18.8.2008 aan producten van de productengroep „verven en vernissen voor gebruik binnenshuis” zijn toegekend, mogen worden gebruikt tot 28.2.2009.

2.   Voor producten van de productengroep „verven en vernissen voor gebruik binnenshuis” waarvoor een milieukeur is aangevraagd vóór 18.8.2008, wordt de milieukeur toegekend overeenkomstig de in Beschikking 2002/739/EG vastgestelde voorwaarden. De milieukeur mag dan worden gebruikt tot 28.2.2009.

3.   Aanvragen voor toekenning van de milieukeur aan producten van de productengroep „verven en vernissen voor gebruik binnenshuis” die worden ingediend na 18.8.2008 maar vóór 1.3.2009, mogen hetzij op de criteria van Beschikking 2002/739/EG, hetzij op de criteria van deze beschikking worden gebaseerd.

Als de aanvraag wordt gebaseerd op de criteria van Beschikking 2002/739/EG, mag de milieukeur worden gebruikt tot 28.2.2009.

Artikel 7

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 13 augustus 2008.

Voor de Commissie

Olli REHN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 237 van 21.9.2000, blz. 1.

(2)  PB L 236 van 4.9.2002, blz. 4.

(3)  Zie bladzijde 27 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE

A.   KADER

Doelstellingen van de criteria

Deze criteria zijn hoofdzakelijk gericht op:

een efficiënt gebruik van het product en de beperking van afval tot een minimum;

vermindering van milieurisico’s en overige risico’s (zoals troposferisch ozon) door verlaging van de uitstoot van oplosmiddelen;

de beperking van de lozing van toxische of anderszins verontreinigende stoffen in wateren. De criteria worden op een zodanig niveau vastgesteld dat wordt bevorderd dat verven en vernissen voor gebruik binnenshuis met geringere milieueffecten de milieukeur krijgen.

Eisen inzake beoordeling en controle

Bij elk criterium worden de specifieke eisen inzake beoordeling en controle vermeld.

Wanneer de aanvrager verplicht is verklaringen, documentatie, analyses, testverslagen of ander bewijsmateriaal in te dienen waaruit blijkt dat aan de criteria wordt voldaan, wordt ervan uitgegaan dat deze, zoals aangewezen, afkomstig kunnen zijn van de aanvrager en/of diens leverancier(s) en/of hun leverancier(s) enz.

Eventueel mogen andere testmethoden worden gebruikt dan voor elk criterium worden vermeld, indien deze door de bevoegde instantie die de aanvraag beoordeelt als gelijkwaardig worden geaccepteerd.

Indien nodig kunnen de bevoegde instanties aanvullende documentatie verlangen en onafhankelijke controles uitvoeren.

De bevoegde instanties wordt aangeraden bij de beoordeling van aanvragen en het toezicht op de inachtneming van de criteria rekening te houden met de toepassing van erkende milieubeheersystemen, zoals EMAS of EN ISO14001 (NB: toepassing van dergelijke milieubeheersystemen is niet verplicht).

Wanneer in de criteria het begrip „ingrediënten” wordt gebruikt, omvat dit zowel stoffen als preparaten. De definities van „stoffen” en „preparaten” zijn opgenomen in de REACH-verordening (Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (1)).

De precieze formulering van het product dient aan de bevoegde instantie te worden meegedeeld voor alle door de aanvrager gebruikte (bestanddelen van) ingrediënten. Alle stoffen, met inbegrip van onzuiverheden, die aanwezig zijn in concentraties groter dan 0,01 massaprocent moeten worden aangemeld, tenzij elders in de criteria een lagere concentratie wordt gespecificeerd.

B.   MILIEUCRITERIA

Alle criteria met uitzondering van criterium 3 inzake grenswaarden voor VOS gelden voor de verf of het vernis in de verpakking. Overeenkomstig Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) hebben de VOS-grenswaarden betrekking op het gebruiksklare product; bijgevolg moet het maximale VOS-gehalte worden berekend rekening houdend met de eventueel aanbevolen toevoeging van, bijvoorbeeld, kleurstoffen en/of verdunners. Voor die berekening zijn gegevens over het vastestof- en het VOS-gehalte en de dichtheid van het product vereist die door de leveranciers van grondstoffen moeten worden verstrekt.

De criteria 1 en 2 gelden alleen voor witte en lichtgekleurde verven (met inbegrip van aflakken, primers, grondverven en/of tussencoatings).

Voor kleursystemen zijn de criteria 1 en 2 alleen van toepassing op de witte basisverf, die de grootste hoeveelheid TiO2 bevat. Ingeval de witte basisverf niet het vereiste spreidend vermogen heeft van ten minste 8 m2 per liter bij een dekvermogen van 98 % overeenkomstig criterium 7, onder a), moet aan de criteria worden voldaan na een kleuring die resulteert in standaardkleur RAL 9010.

De criteria 1 en 2 zijn niet van toepassing op transparante coatings.

1.   Witte pigmenten

Gehalte aan witte pigmenten (witte anorganische pigmenten met een brekingsindex die hoger is dan 1,8): Verven dienen een gehalte aan witte pigmenten te hebben van ten hoogste 36 g per m2 droge film, met een dekvermogen van 98 %. Deze eis geldt niet voor vernissen en houtbeitsen.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring indienen waarin staat dat er geen witte pigmenten worden gebruikt of moet documentatie overleggen waarin het gehalte aan witte pigmenten en het spreidend vermogen worden vermeld, tezamen met de gedetailleerde berekening waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan.

2.   Titaandioxide

Titaandioxide: De emissies en lozingen van afvalstoffen afkomstig van de productie van de gebruikte titaandioxidepigmenten mogen de volgende waarden (ontleend aan het referentiedocument (BREF) over de beste beschikbare technologie voor de fabricage van anorganische bulkchemicaliën (augustus 2007)) niet overschrijden:

SOx-uitstoot (uitgedrukt als SO2): 252 mg per m2 droge film (98 % dekvermogen);

sulfaatafval: 18 g per m2 droge film (98 % dekvermogen);

chlorideafval: 3,7, 6,4 en 11,9 g per m2 droge film (98 % dekvermogen) voor respectievelijk natuurlijk rutiel, synthetisch rutiel en ertsen waarbij slakken achterblijven.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring indienen waarin staat dat deze stoffen niet worden gebruikt, of moet ter staving documentatie verstrekken waarin de respectieve niveaus van uitstoot en lozing van afval voor deze parameters, het titaandioxidegehalte van het product en het spreidend vermogen worden aangegeven, tezamen met de gedetailleerde berekeningen waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan.

3.   Vluchtige organische stoffen (VOS)

Het gehalte aan vluchtige organische stoffen (VOS) mag niet hoger zijn dan:

Productindeling (Richtlijn 2004/42/EG)

VOS-grenswaarde (in g/l, inclusief water)

Matte coatings voor gebruik binnenshuis (wanden/plafonds) (glansgraad < 25@60 °)

15

Glanzende coatings voor gebruik binnenshuis (wanden/plafonds) (glansgraad > 25@60 °)

60

Hout- en metaalverven voor binnendecoratie inclusief grondverven

90

Vernissen en beitsen voor binnenhoutwerk, inclusief dekkende beitsen

75

Houtbeitsen met minimale laagdikte voor gebruik binnenshuis

75

Primers

15

Hechtprimers

15

Eencomponentcoatings met bijzondere eigenschappen

100

Tweecomponentencoatings met bijzondere eigenschappen, bestemd voor specifieke toepassingen zoals vloeren

100

Coatings met decoratief effect

90

Binnen deze context is een vluchtige organische stof (VOS) een organische stof met een beginkookpunt van 250 °C of lager, gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa als omschreven in Richtlijn 2004/42/EG. De in de richtlijn gedefinieerde subcategorieën voor verven en vernissen worden gebruikt ter vaststelling van de VOS-grenswaarde. Hier worden alleen de categorieën opgevoerd die in aanmerking komen als coatings voor gebruik binnenshuis.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan. Voor alle producten moet de aanvrager het VOS-gehalte aangeven.

4.   Vluchtige aromatische koolwaterstoffen (VAK)

Vluchtige aromatische koolwaterstoffen mogen niet rechtstreeks aan het product worden toegevoegd vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren; wel mogen ingrediënten die VAK bevatten in zodanige hoeveelheden worden toegevoegd dat het VAK-gehalte in het eindproduct niet meer bedraagt dan 0,1 massaprocent.

Binnen deze context is een vluchtige aromatische koolwaterstof (VAK) een organische stof met een beginkookpunt van 250 °C of lager, gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa, als omschreven in Richtlijn 2004/42/EG, met ten minste één aromatische ring in de structuurformule.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan en dat geen VAK zijn toegevoegd in enige andere vorm dan als geprefabriceerde ingrediënten, alsook, in voorkomend geval, verklaringen van de leveranciers van de ingrediënten met betrekking tot het VAK-gehalte daarvan.

5.   Zware metalen

De volgende zware metalen of hun verbindingen mogen niet worden gebruikt als ingrediënt van het product of (in voorkomend geval) het kleurmiddel (als stof of als bestanddeel van enig preparaat dat wordt gebruikt): cadmium, lood, chroom (VI), kwik, arseen, barium (uitgezonderd bariumsulfaat), seleen, antimoon.

Ook kobalt mag niet als ingrediënt worden toegevoegd, met uitzondering van kobaltzouten die als droogmiddel in alkydverven worden toegepast. Daarvan mag een zodanige hoeveelheid worden gebruikt dat de concentratie in het eindproduct, gemeten als zuiver kobalt, ten hoogste 0,05 massaprocent bedraagt. Kobalt in pigmenten valt evenmin onder deze verbodsbepaling.

Er wordt geaccepteerd dat ingrediënten sporen van deze metalen (tot 0,01 massaprocent) bevatten als gevolg van onzuiverheden in de grondstoffen.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, alsook (in voorkomend geval) verklaringen van de leveranciers van de ingrediënten.

6.   Gevaarlijke stoffen

a)

Het product: Het product mag noch vóór, noch (in voorkomend geval) na de kleuring als zeer vergiftig, vergiftig, gevaarlijk voor het milieu, kankerverwekkend, vergiftig voor de voortplanting, schadelijk, bijtend, mutageen of irriterend (uitsluitend als dit het gevolg is van de aanwezigheid van ingrediënten waarvoor risicozin R43 geldt) ingedeeld zijn overeenkomstig Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (3).

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, tezamen met een veiligheidsinformatieblad over het productmateriaal dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de REACH-verordening.

b)

Ingrediënten (zeer vergiftig, vergiftig, kankerverwekkend, mutageen, vergiftig voor de voortplanting): Er mag noch in het product, noch (in voorkomend geval) bij de kleuring enig ingrediënt worden gebruikt dat op het tijdstip van indiening van de aanvraag beantwoordt aan de indelingscriteria van enige hierna genoemde risicozin (of combinatie van deze zinnen):

R23 (vergiftig bij inademing),

R24 (vergiftig bij aanraking met de huid),

R25 (vergiftig bij opname door de mond),

R26 (zeer vergiftig bij inademing),

R27 (zeer vergiftig bij aanraking met de huid),

R28 (zeer vergiftig bij opname door de mond),

R33 (gevaar voor cumulatieve effecten),

R39 (gevaar voor ernstige onherstelbare effecten),

R40 (carcinogene effecten zijn niet uitgesloten),

R42 (kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing),

R45 (kan kanker veroorzaken),

R46 (kan erfelijke genetische schade veroorzaken),

R48 (gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling),

R49 (kan kanker veroorzaken bij inademing),

R60 (kan de vruchtbaarheid schaden),

R61 (kan het ongeboren kind schaden),

R62 (mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid),

R63 (mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind)

R68 (onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten),

zoals vastgelegd in Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (4) of in Richtlijn 1999/45/EG. Actieve ingrediënten die in de formulering worden gebruikt als conserveermiddel en waarvoor een van de risicozinnen R23, R24, R25, R26, R27, R28, R39, R40 of R48 (of een combinatie daarvan) geldt, mogen toch worden gebruikt tot een grenswaarde van 0,1 massaprocent van de totale hoeveelheid product.

Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (GHS) (5). In dat geval mogen ingrediënten, in voorkomend geval met inbegrip van ingrediënten bestemd voor de kleuring, die in een van de volgende categorieën (of combinaties daarvan) worden ingedeeld, niet worden gebruikt:

acute orale toxiciteit — categorie I, II, III,

acute dermale toxiciteit — categorie I, II, III,

acute toxiciteit bij inademing — categorie I, II, III,

sensibilisatie van de luchtwegen — categorie I,

mutageniteit — categorie I, II,

kankerverwekkendheid — categorie I, II,

voortplantingstoxiciteit — categorie I, II

specifieke doelorgaantoxiciteit bij eenmalige blootstelling — categorie I, II,

specifieke doelorgaantoxiciteit bij herhaalde blootstelling — categorie I, II,

zoals vastgesteld in ST/SG/AC.10/30 (6) en herzien in ST/SG/AC.10/34/Add.3 betreffende het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen. Actieve ingrediënten die als conserveermiddel in de formulering worden gebruikt en die in een van de volgende GHS-categorieën zijn ingedeeld, mogen toch worden gebruikt tot een grenswaarde van 0,1 massaprocent van de totale hoeveelheid product:

acute toxiciteit (orale, dermale en bij inademing) — categorie I, II, II (alleen orale en dermale toxiciteit),

specifieke doelorgaantoxiciteit (bij eenmalige en/of herhaalde blootstelling) — categorie I, II (of combinaties daarvan), en

kankerverwekkendheid — categorie II.

Methylethylketoxim mag in alkydverven worden gebruikt tot een grenswaarde van 0,3 massaprocent.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, tezamen met een veiligheidsinformatieblad over het productmateriaal dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de REACH-verordening.

c)

Ingrediënten (gevaarlijk voor het milieu): Geen enkel in het product of (in voorkomend geval) bij de kleuring gebruikt ingrediënt mag meer dan 2 massaprocent vertegenwoordigen indien dat ingrediënt op het tijdstip van indiening van de aanvraag beantwoordt aan de indelingscriteria van enige hierna genoemde risicozin (of combinatie van deze zinnen):

N R50 (zeer vergiftig voor in het water levende organismen),

N R50/53 (zeer vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

N R51/53 (vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

N R52/53 (schadelijk voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

R51 (vergiftig voor in het water levende organismen),

R52 (schadelijk voor in het water levende organismen),

R53 (kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

zoals vastgelegd in Richtlijn 67/548/EEG of in Richtlijn 1999/45/EG.

Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (7). In dit geval mag geen enkel in het product of (in voorkomend geval) bij de kleuring gebruikt ingrediënt meer dan 2 massaprocent vertegenwoordigen indien dat ingrediënt op het tijdstip van indiening van de aanvraag wordt of kan worden ingedeeld in een van de hierna genoemde categorieën:

Toxiciteit voor het aquatisch milieu (de vermelde categorieën en combinaties daarvan):

acute toxiciteit — categorieën I, II, III,

chronische toxiciteit — categorieën I, II, III, IV,

zoals vastgesteld in ST/SG/AC.10/30 en herzien in ST/SG/AC.10/34/Add.3 betreffende het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen.

In ieder geval mag de totale hoeveelheid van alle ingrediënten waarvoor op het tijdstip van indiening van de aanvraag één van deze risicozinnen (of combinaties ervan) of GHS-categorieën geldt of kan gelden, de grenswaarde van 4 massaprocent niet overschrijden.

Deze vereiste geldt niet voor ammoniak of alkylammoniak.

Deze vereiste doet geen afbreuk aan de verplichting om te voldoen aan de in criterium 6, onder a), omschreven vereiste.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, tezamen met een lijst van ingrediënten alsook voor elk ingrediënt een veiligheidsinformatieblad dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de REACH-verordening.

d)

Alkylfenolethoxylaten (APEO’s): Er mogen in het product geen APEO’s worden gebruikt vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

e)

Isothiazolinonverbindingen: Het gehalte aan isothiazolinonverbindingen in het product mag vóór of (in voorkomend geval) na het kleuren niet meer bedragen dan 0,05 massaprocent. Evenzo mag het gehalte van het mengsel van 5-chloor-2-methyl-2H-isothiazool-3-on (EG-nr. 247-500-7) en 2-methyl-2H-isothiazool-3-on (EG-nr. 220-239-6) (3:1) in het product niet meer bedragen dan 0,0015 massaprocent.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, waarbij de hoeveelheden (indien gebruikt) worden aangegeven.

f)

Perfluoralkylsulfonaten (PFAS), perfluorcarbonzuren (PFCA) met inbegrip van perfluoroctaanzuur (PFOA) en aanverwante stoffen die zijn opgenomen in de „Preliminary lists of PFOS, PFAS, PFOA, PFCA, related compounds and chemicals that may degrade to PFCA” van de OESO (herziene versie 2007) zijn in het product niet toegestaan. De OESO-lijst is als bijlage aan dit document gehecht.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

g)

Formaldehyd: Er mag geen vrij formaldehyd worden toegevoegd. Stoffen die formaldehyd afgeven, mogen alleen in zodanige hoeveelheden worden toegevoegd dat gegarandeerd wordt dat het uiteindelijke totale gehalte aan vrij formaldehyd (in voorkomend geval na kleuring) niet meer bedraagt dan 0,001 massaprocent.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan. Daarnaast moet de aanvrager testresultaten van de grondstoffenleveranciers overleggen, gebaseerd op de „VdL-RL 03”-methode „In-blik formaldehydgehalte vastgesteld aan de hand van de acetyl-aceton-methode” (VdL-richtsnoer 03), alsmede berekeningen waarbij de gegevens van deze tests worden gerelateerd aan het eindproduct om aan te tonen dat de hoogst mogelijke eindconcentratie van het formaldehyd dat vrijkomt uit formaldehydafgevende stoffen in het product niet hoger is dan 0,001 massaprocent. Als alternatief mag het van formaldehydafgevende stoffen afkomstige formaldehyd in het eindproduct worden bepaald met behulp van een standaard op basis van hogedrukvloeistofchromatografie.

h)

Gehalogeneerde organische oplosmiddelen: Onverminderd het bepaalde in criterium 6, onder a), b) en c), mogen in het product vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren alleen gehalogeneerde verbindingen worden gebruikt die op het tijdstip van indiening van de aanvraag reeds aan een risicobeoordeling zijn onderworpen en waaraan niet overeenkomstig de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG een van de volgende risicozinnen (of een combinatie daarvan) is toegekend: R26/27, R45, R48/20/22, R50, R51, R52, R53, R50/53, R51/53, R52/53 en R59.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

i)

Ftalaten: Onverminderd het bepaalde in criterium 6, onder a), b) en c), mogen in het product vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren alleen ftalaten worden gebruikt die op het tijdstip van indiening van de aanvraag reeds aan een risicobeoordeling zijn onderworpen en waaraan niet overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG, als gewijzigd, een van de volgende risicozinnen (of een combinatie daarvan) is toegekend: R60, R61, R62, R50, R51, R52, R53, R50/53, R51/53 en R52/53. Bovendien zijn DNOP (di-n-octylftalaat), DINP (diisononylftalaat) en DIDP (diisodecylftalaat) niet toegestaan in het product.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

7.   Gebruiksgeschiktheid

a)

Spreidend vermogen: Witte en lichtgekleurde verven (met inbegrip van aflakken, primers, grondverven en/of tussencoatings) moeten een spreidend vermogen hebben (bij een dekvermogen van 98 %) van ten minste 8 m2 per liter product.

Voor kleursystemen is dit criterium alleen van toepassing op de witte basisverf, die de grootste hoeveelheid TiO2 bevat. Ingeval de witte basisverf niet het vereiste spreidend vermogen van ten minste 8 m2 per liter heeft bij een dekvermogen van 98 %, moet aan het criterium worden voldaan na een kleuring van de witte basisverf die resulteert in standaardkleur RAL 9010. Op alle andere basisverven die voor de vervaardiging van gekleurde producten worden gebruikt — dit zijn basisverven die in de regel minder TiO2 bevatten en die niet het vereiste spreidend vermogen van ten minste 8 m2 per liter product hebben bij een dekvermogen van 98 % — is het criterium niet van toepassing. Voor verven die deel uitmaken van een kleursysteem moet de aanvrager de eindgebruiker op het verkooppunt en/of via een mededeling op de verpakking informeren welke kleur of welke primer/grondverf (zo mogelijk voorzien van de communautaire milieukeur) als basiscoating moet worden gebruikt alvorens de donkerdere tint wordt aangebracht.

Primers met specifieke afschermende/afdichtende c.q. doordringende/bindende eigenschappen en primers met bijzondere hechtingseigenschappen voor aluminium- en gegalvaniseerde oppervlakken dienen een spreidend vermogen (bij een dekvermogen van 98 %) van ten minste 6 m2 per liter product te hebben.

Dikke decoratieve coatings (verven die speciaal zijn ontworpen om een driedimensionaal decoratief effect te verkrijgen en zodoende worden gekenmerkt door een zeer dikke laag) moeten daarentegen een spreidend vermogen hebben van 1 m2 per kg product.

Deze vereiste geldt niet voor vernissen, houtbeitsen, vloercoatings, vloerverven, grondverven, zelfhechtende primers of andere transparante coatings.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen waarbij gebruik wordt gemaakt van de methode ISO6504/1 (Verven en vernissen — Bepaling van de dekkracht — deel 1: Methode volgens Kubelka-Munk voor witte en lichtgekleurde verven) of 6504/3 (deel 3: Bepaling van de contrastverhouding van lichtgekleurde verven bij een gegeven verspreiding), of, voor verven die speciaal zijn ontwikkeld om een driedimensionaal decoratief effect te verkrijgen en gekenmerkt worden door een zeer dikke laag, de methode NF T 30073 (of gelijkwaardig). Voor basisverven die voor de vervaardiging van gekleurde producten worden gebruikt en niet aan de hand van bovenvermelde eisen worden beoordeeld, moet de aanvrager aan de hand van bewijsmateriaal aantonen hoe de eindgebruiker advies wordt verstrekt over het gebruik van een primer en/of een grijze (of eventueel anders gekleurde) grondverf alvorens het product in kwestie wordt aangebracht.

b)

Natte schrobweerstand: Muurverven (overeenkomstig EN 13300) waarvan wordt beweerd (op het product of in daarop betrekking hebbend marketingmateriaal) dat ze kunnen worden gewassen, gereinigd of afgeborsteld, moeten over een natte schrobweerstand beschikken zoals gemeten door EN 13300 en EN ISO 11998 van klasse 2 of beter (niet meer dan 20 micron na 200 cycli).

Wegens het brede scala van mogelijke kleuren is dit criterium uitsluitend toepasselijk bij de beproeving van de basisverven van kleursystemen.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen overeenkomstig EN 13300 met gebruikmaking van testmethode EN ISO 11998 (test inzake reinigbaarheid en schrobweerstand) en in het geval van plafondverven het bewijs leveren (in de vorm van productverpakkingen of op het product betrekking hebbend marketingmateriaal) dat de eindgebruiker wordt geïnformeerd dat het product niet op natte schrobweerstand is getest.

c)

Waterbestendigheid: Vernissen, vloercoatings en vloerverven moeten waterbestendig zijn, zoals vastgesteld overeenkomstig de ISO 2812-3-norm, zodat na 24 uur blootstelling en 16 uur herstel er geen verandering is in glans of in kleur.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de ISO 2812-3-methode (Verven en vernissen — Bepaling van de weerstand tegen vloeistoffen — deel 3: Methode met absorberend medium).

d)

Hechting: Vloercoatings, vloerverven en vloergrondverven alsmede metaal- en houtgrondverven moeten ten minste 2 scoren in de EN 2409-test met betrekking tot hechting. Gepigmenteerde primers voor metselwerk dienen een voldoende te scoren in de EN 24624-lostrekproef (ISO 4624) indien de cohesiekracht van de ondergrond geringer is dan de adhesiekracht van de verf; in de andere gevallen dient de adhesie van de verf meer te bedragen dan de met een voldoende overeenstemmende waarde van 1,5 MPa.

Voor transparante primers geldt deze eis niet.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de EN ISO 2409-methode c.q. de EN 24624-methode (ISO 4624).

e)

Schuren: Vloercoatings en vloerverven dienen een zodanige slijtvastheid te hebben dat het massaverlies niet meer bedraagt dan 70 mg na 1 000 testcycli met een belasting van 1 000 g en een CS10-schuurwiel overeenkomstig EN ISO 7784-2:2006.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een op de EN ISO 7784-2:2006-methode gebaseerd testverslag indienen waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan.

8.   Consumenteninformatie

De volgende informatie moet op de verpakking staan of aan de verpakking zijn bevestigd:

het gebruik, de ondergrond en de gebruiksomstandigheden waarvoor het product is bestemd. Hieronder valt ook advies over voorbereidende werkzaamheden enz., zoals de juiste voorbereiding van de ondergrond, advies over gebruik binnenshuis (waar van toepassing), of temperatuur;

aanbevelingen voor het reinigen van gereedschappen en adequaat afvalbeheer (teneinde waterverontreiniging zoveel mogelijk te beperken). Deze aanbevelingen moeten zijn aangepast aan het desbetreffende soort product en het desbetreffende toepassingsgebied en kunnen zo nodig gebruikmaken van pictogrammen;

aanbevelingen met betrekking tot productopslag na het openen (teneinde vast afval zoveel mogelijk te beperken), met inbegrip van advies inzake veiligheid, indien van toepassing;

voor donkere coatings waarop criterium 7, onder a), niet van toepassing is: advies over het gebruik van de juiste primer of grondverf (zo mogelijk voorzien van de communautaire milieukeur);

voor dikke decoratieve coatings: de vermelding dat deze verven speciaal zijn ontworpen om een driedimensionaal decoratief effect te verkrijgen;

de vermelding dat ongebruikte verf een specifieke behandeling vereist met het oog op milieuvriendelijke verwijdering, en daarom niet samen met het huishoudelijk afval mag worden weggegooid. Advies over verwijdering en inzameling is verkrijgbaar bij de plaatselijke overheid;

aanbevelingen met betrekking tot preventieve beschermingsmaatregelen voor de schilder. De volgende tekst (of een vergelijkbare tekst) dient op de verpakking te worden vermeld of aan de verpakking te worden bevestigd:

„Meer informatie over de vraag waarom dit product de milieukeur van de Europese Unie heeft gekregen, is te vinden op de website: http://ec.europa.eu/environment/ecolabel.”

Beoordeling en controle: Bij de indiening van de aanvraag dient een monster van de verpakking van het product te worden verstrekt, tezamen met een passende verklaring dat aan dit criterium is voldaan.

9.   Informatie op de milieukeur

Kader 2 van de milieukeur moet de volgende tekst bevatten:

goede resultaten bij gebruik binnenshuis,

gevaarlijke stoffen beperkt,

laag gehalte aan oplosmiddelen.

Beoordeling en controle: De aanvrager dient een monster van de verpakking van het product met het etiket te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan dit criterium is voldaan.


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87.

(3)  PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.

(4)  PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.

(5)  Op 27 juni 2007 heeft de Commissie het voorstel aangenomen „voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en tot wijziging van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad en Verordening (EG) nr. 1907/2006” (COM(2007) 355 definitief). Voor meer informatie over de overlappingen tussen het bestaande systeem en GHS, zie bijlage VII in volume III van het voorstel dat is aangenomen: http://ec.europa.eu/enterprise/reach/docs/ghs/ghs_prop_vol_iii_en.pdf

(6)  Deskundigencomité van de Verenigde Naties voor het vervoer van gevaarlijke goederen en het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen: http://www.unece.org/trans/main/dgdb/dgcomm/ac10rep.html

(7)  Zie voetnoot 5.


14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/49


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 7 juli 2009

tot vaststelling van de jaarlijkse uitsplitsing per lidstaat van het bedrag als bedoeld in artikel 69, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad, wat steun voor plattelandsontwikkeling betreft, en tot wijziging van Beschikking 2006/636/EG van de Commissie

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 5307)

(2009/545/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit de Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (1), en met name op artikel 69, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Na de invoering van nieuwe modulatieregels die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (2), is Besluit 2006/410/EG van de Commissie (3) vervangen door Besluit 2009/379/EG van de Commissie van 11 mei 2009 tot vaststelling van de bedragen die op grond van de Verordeningen (EG) nr. 1782/2003, (EG) nr. 378/2007, (EG) nr. 479/2008 en (EG) nr. 73/2009 van de Raad beschikbaar worden gesteld aan het ELFPO, en van de bedragen die beschikbaar zijn voor de uitgaven uit het ELGF (4).

(2)

Naar aanleiding van de verhoging van de totale bedragen van de vastleggingskredieten met respectievelijk 600 miljoen EUR en 420 miljoen EUR voor de jaren 2009 en 2010 waartoe is besloten in het kader van de overeenkomst inzake het Europees economisch herstelplan, is Besluit 2006/493/EG van de Raad (5) gewijzigd bij Besluit 2009/434/EG van de Raad (6). Met het oog op de samenhang moeten die bedragen per lidstaat worden vastgesteld volgens de huidige verdelingscriteria.

(3)

Door de goedkeuring van Besluit 2009/379/EG en van Besluit 2009/434/EG moeten de bedragen die aan het ELFPO beschikbaar worden gesteld, worden aangepast en aan de jaarbedragen van de communautaire steun voor plattelandsontwikkeling worden toegevoegd.

(4)

Beschikking 2006/636/EG van de Commissie van 12 september 2006 tot vaststelling van de verdeling over de lidstaten van de jaarbedragen aan communautaire steun voor plattelandsontwikkeling voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 (7) moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Het in artikel 69, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde bedrag wordt per jaar en per lidstaat vastgesteld in bijlage I bij deze beschikking.

Artikel 2

De bijlage bij Beschikking 2006/636/EG wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij de onderhavige beschikking.

Artikel 3

Deze beschikking is van toepassing met ingang van het begrotingsjaar 2009.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 7 juli 2009.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(2)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

(3)  PB L 163 van 15.6.2006, blz. 10.

(4)  PB L 117 van 12.5.2009, blz. 10.

(5)  PB L 195 van 15.7.2006, blz. 22.

(6)  PB L 144 van 9.6.2009, blz. 25.

(7)  PB L 261 van 22.9.2006, blz. 32.


BIJLAGE I

Verdeling over de lidstaten van de in artikel 69, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde bedragen:

(EUR, lopende prijzen)

 

2009

2010

België

2 220 000

1 554 000

Bulgarije

19 500 000

13 650 000

Tsjechië

21 000 000

14 700 000

Denemarken

1 740 000

1 218 000

Duitsland

50 340 000

35 238 000

Estland

5 340 000

3 738 000

Ierland

15 780 000

11 046 000

Griekenland

24 720 000

17 304 000

Spanje

44 880 000

31 416 000

Frankrijk

35 520 000

24 864 000

Italië

56 520 000

39 564 000

Cyprus

1 200 000

840 000

Letland

7 800 000

5 460 000

Litouwen

13 020 000

9 114 000

Luxemburg

600 000

420 000

Hongarije

28 440 000

19 908 000

Malta

600 000

420 000

Nederland

2 280 000

1 596 000

Oostenrijk

27 180 000

19 026 000

Polen

98 700 000

69 090 000

Portugal

26 940 000

18 858 000

Roemenië

59 820 000

41 874 000

Slovenië

6 780 000

4 746 000

Slowakije

14 700 000

10 290 000

Finland

14 580 000

10 206 000

Zweden

12 420 000

8 694 000

Verenigd Koninkrijk

7 380 000

5 166 000

Totaal

600 000 000

420 000 000


BIJLAGE II

„BIJLAGE

Verdeling over de lidstaten van de steun van de Gemeenschap voor plattelandsontwikkeling voor de periode 2007-2013

(EUR, lopende prijzen)

 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Totaal 2007-2013

waarvan totaal minimumbedrag voor de onder de convergentiedoelstelling vallende regio’s

België

63 991 299

63 957 784

62 458 083

70 637 509

73 167 519

75 495 480

77 776 632

487 484 306

40 744 223

Bulgarije (1)

244 055 793

337 144 772

456 843 751

412 748 664

398 058 913

397 696 922

395 699 781

2 642 248 596

692 192 783

Tsjechië

396 623 321

392 638 892

409 036 387

415 632 774

406 640 636

412 672 094

424 262 250

2 857 506 354

1 635 417 906

Denemarken

62 592 573

66 344 571

67 411 254

85 052 762

91 231 467

98 797 618

106 488 551

577 918 796

0

Duitsland

1 184 995 564

1 186 941 705

1 202 865 574

1 311 256 553

1 322 959 200

1 355 761 509

1 387 114 950

8 951 895 055

3 174 037 771

Estland

95 608 462

95 569 377

101 036 594

104 667 353

104 639 066

108 913 401

113 302 602

723 736 855

387 221 654

Ierland

373 683 516

355 014 220

346 851 422

363 518 252

351 698 528

352 271 063

351 503 589

2 494 540 590

0

Griekenland

461 376 206

463 470 078

482 113 090

492 922 509

665 568 186

669 030 398

671 747 957

3 906 228 424

1 905 697 195

Spanje

286 654 092

1 277 647 305

1 320 830 901

1 400 090 047

1 227 613 000

1 255 978 191

1 284 264 263

8 053 077 799

3 178 127 204

Frankrijk

931 041 833

942 359 146

947 341 939

1 091 752 155

1 169 090 147

1 223 917 557

1 278 994 332

7 584 497 109

568 263 981

Italië

1 142 143 461

1 135 428 298

1 183 870 921

1 256 577 236

1 403 606 589

1 422 949 382

1 441 205 996

8 985 781 883

3 341 091 825

Cyprus

26 704 860

24 772 842

23 949 762

23 911 507

22 402 714

21 783 947

21 037 942

164 563 574

0

Letland

152 867 493

147 768 241

150 342 483

153 226 381

148 781 700

150 188 774

151 198 432

1 054 373 504

327 682 815

Litouwen

260 974 835

248 836 020

249 948 998

253 855 536

248 002 433

250 278 098

253 898 173

1 765 794 093

679 189 192

Luxemburg

14 421 997

13 661 411

13 255 487

13 838 190

13 287 289

13 281 368

13 212 084

94 957 826

0

Hongarije

570 811 818

537 525 661

527 075 432

529 160 494

547 603 625

563 304 619

584 609 743

3 860 091 392

2 496 094 593

Malta

12 434 359

11 527 788

11 256 597

10 964 212

10 347 884

10 459 190

10 663 325

77 653 355

18 077 067

Nederland

70 536 869

72 638 338

73 671 337

87 111 293

90 406 648

96 082 449

102 750 233

593 197 167

0

Oostenrijk

628 154 610

594 709 669

580 732 057

586 983 505

556 070 574

545 968 629

532 956 948

4 025 575 992

31 938 190

Polen

1 989 717 841

1 932 933 351

1 971 439 817

1 935 872 838

1 860 573 543

1 857 244 519

1 851 146 247

13 398 928 156

6 997 976 121

Portugal

560 524 173

562 491 944

584 180 154

625 419 895

611 642 601

611 692 105

610 872 156

4 166 823 028

2 180 735 857

Roemenië (2)

0

1 146 687 683

1 502 691 530

1 401 644 651

1 357 854 634

1 359 146 997

1 356 173 250

8 124 198 745

1 995 991 720

Slovenië

149 549 387

139 868 094

136 508 049

134 100 946

124 076 091

118 858 866

113 031 296

915 992 729

287 815 759

Slowakije

303 163 265

286 531 906

282 749 256

266 600 239

263 028 387

275 025 447

319 809 578

1 996 908 078

1 106 011 592

Finland

335 121 543

316 143 440

308 265 407

313 973 134

298 490 092

294 408 238

288 617 053

2 155 018 907

0

Zweden

292 133 703

277 225 207

270 816 031

280 491 463

269 775 513

268 860 755

266 759 282

1 926 061 954

0

Verenigd Koninkrijk

263 996 373

645 001 582

706 122 271

746 326 084

748 994 332

752 455 626

749 224 152

4 612 120 420

188 337 515

Totaal

10 873 879 246

13 274 839 325

13 973 664 584

14 368 336 182

14 385 611 311

14 562 523 242

14 758 320 797

96 197 174 687

31 232 644 963


(1)  Voor de jaren 2007, 2008 en 2009 bedraagt de uit het EOGFL, afdeling Garantie, afkomstige component van de toewijzing respectievelijk 193 715 561 EUR, 263 453 163 EUR en 337 004 104 EUR.

(2)  Voor de jaren 2007, 2008 en 2009 bedraagt de uit het EOGFL, afdeling Garantie, afkomstige component van de toewijzing respectievelijk 610 786 223 EUR, 831 389 081 EUR en 1 058 369 098 EUR.”


14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/53


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2009

tot vrijstelling van de exploratie naar en exploitatie van aardolie en aardgas in Nederland van de toepassing van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 5381)

(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/546/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (1), en met name op artikel 30, lid 5 en lid 6,

Gezien het door de Nederlandse Aardolie Maatschappij bv (hierna „de NAM”) bij e-mail van 26 februari 2009 ingediende verzoek,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   FEITEN

(1)

Bij Beschikking 93/676/EG van de Commissie (2) is aanbestedende diensten die activiteiten uitvoeren op het gebied van de exploratie naar of exploitatie van aardolie of aardgas toestemming verleend een alternatieve regeling te hanteren in plaats van de normale regels als neergelegd in de toepasselijke richtlijn. Die alternatieve regeling behelst bepaalde statistische verplichtingen, alsmede de verplichting de beginselen van niet-discriminatie en oproep tot mededinging bij de gunning van opdrachten in acht te nemen bij de gunning van opdrachten voor leveringen, werken en diensten, met name wat de informatie betreft die de aanbestedende dienst betreffende haar inkoopplannen voor de marktdeelnemers beschikbaar maakt. Bij artikel 27 van Richtlijn 2004/17/EG werden de effecten van die beschikking, onverminderd de bepalingen van artikel 30 van diezelfde richtlijn, gevrijwaard toen Richtlijn 2004/17/EG in de plaats kwam van de vorige richtlijn.

(2)

Op 26 februari 2009 heeft de NAM bij e-mail een verzoek overeenkomstig artikel 30, lid 5, van Richtlijn 2004/17/EG gericht tot de Commissie. Overeenkomstig artikel 30, lid 5, eerste alinea, heeft de Commissie de Nederlandse autoriteiten daarvan bij brief d.d. 5 maart 2009 in kennis gesteld, waarop de Nederlandse autoriteiten bij e-mail van 26 maart 2009 hebben geantwoord. Bij e-mail van 9 maart 2009 heeft de Commissie de NAM ook om aanvullende informatie verzocht, welke informatie de NAM bij e-mail van 23 maart 2009 heeft verzonden.

(3)

Het door de NAM ingediende verzoek heeft betrekking op de exploratie naar en exploitatie van aardolie en aardgas in Nederland. In overeenstemming met vorige concentratiebeschikkingen van de Commissie (3) zijn in het verzoek drie onderscheiden NAM-activiteiten beschreven, namelijk:

a)

de exploratie naar aardolie en aardgas;

b)

de productie van aardolie, en

c)

de productie van aardgas.

Overeenkomstig bovengenoemde beschikkingen van de Commissie wordt „productie” voor de doeleinden van deze beschikking ook geacht „ontwikkeling” in te houden, d.w.z. het opzetten van een gedegen infrastructuur voor toekomstige productie (olieplatforms, pijpleidingen, terminals enz.).

II.   RECHTSKADER

(4)

Bij artikel 30 van Richtlijn 2004/17/EG is bepaald dat opdrachten voor activiteiten waarop Richtlijn 2004/17/EG van toepassing is, niet onder deze richtlijn vallen indien die activiteit in de lidstaat waarin zij wordt uitgeoefend rechtstreeks aan mededinging blootstaat op marktgebieden tot welke de toegang niet beperkt is. De rechtstreekse blootstelling aan mededinging wordt getoetst aan de hand van objectieve criteria, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de betrokken sector. De toegang tot een markt wordt als niet-beperkt beschouwd indien de lidstaat de desbetreffende communautaire wetgeving tot openstelling van een bepaalde (deel)sector ten uitvoer heeft gelegd en heeft toegepast.

(5)

Aangezien Nederland Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruikmaken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen (4) ten uitvoer heeft gelegd en heeft toegepast, dient de toegang tot de markt als niet-beperkt te worden beschouwd in de zin van artikel 30, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 2004/17/EG. De rechtstreekse blootstelling aan de mededinging in een specifieke markt moet worden geëvalueerd op basis van verscheidene criteria, waarvan geen op zich beslissend is.

(6)

Wat de markten betreft waarop deze beschikking betrekking heeft, vormt het marktaandeel van de voornaamste spelers op een bepaalde markt één van de te hanteren criteria. Een ander criterium is de concentratiegraad op de markten in kwestie. Aangezien de voorwaarden verschillen voor de onderscheiden activiteiten waarop deze beschikking betrekking heeft, moet bij het onderzoek inzake de situatie van de mededinging rekening worden gehouden met de verschillende situaties op de onderscheiden markten.

(7)

Deze beschikking laat de toepassing van de mededingingsregels onverlet.

III.   BEOORDELING

(8)

Elk van de drie activiteiten waarop dit verzoek betrekking heeft (exploratie naar aardolie en aardgas, exploitatie van aardolie en exploitatie van aardgas) werden in de vorige Commissiebeschikkingen, waarnaar is verwezen in overweging 3, als afzonderlijke productmarkten beschouwd. Zij moeten derhalve afzonderlijk worden bekeken.

(9)

Overeenkomstig de gevestigde praktijk van de Commissie (5) vormt de exploratie naar olie en aardgas één relevante productmarkt aangezien het van te voren onmogelijk is te bepalen of de exploratie zal resulteren in het vinden van aardolie, dan wel aardgas. Overeenkomstig diezelfde gevestigde praktijk van de Commissie is bovendien vastgesteld dat de relevante geografische markt mondiaal is.

(10)

Er kunnen drie manieren worden onderscheiden om het marktaandeel van de partijen die actief zijn op het gebied van exploratie te meten: kapitaaluitgaven, bewezen reserves en verwachte productie. Op een bepaald moment is overwogen de kapitaaluitgaven te gebruiken als parameter om het marktaandeel van de spelers op de exploratiemarkt te evalueren (6). Gezien de grote verschillen tussen de vereiste investeringsniveaus in de onderscheiden geografische gebieden is dit echter geen geschikte parameter gebleken. Er zijn bijvoorbeeld grotere investeringen vereist voor exploratieactiviteiten naar olie en gas in de Noordzee dan in het Midden-Oosten. Er zijn echter twee andere parameters gebruikt om het marktaandeel van de betrokken economische spelers in de sector te bepalen, namelijk hun aandeel in de bewezen reserves en in de verwachte productie (7).

(11)

Op 31 december 2007 bedroegen de gecombineerde bewezen olie- en gasreserves, overeenkomstig de beschikbare informatie, in het totaal wereldwijd 378,6 miljard standaard kubieke meter olie-equivalent (hierna „Sm3 o.e.”) (8). Op 1 januari 2008 bedroegen de gecombineerde bewezen olie- en gasreserves in Nederland een weinig meer dan 1,426 miljard Sm3 o.e (9), of iets meer dan 3,7 ‰. Het aandeel van de NAM daarin bedraagt zelfs nog minder. Overeenkomstig de beschikbare informatie moet het marktaandeel van de NAM ook als verwaarloosbaar worden beschouwd wanneer de verwachte productie als maatstaf wordt gebruikt. Hoewel de huidige olieproductie van de NAM, namelijk 0,04 miljoen vaten olie per dag, dankzij de volledige ingebruikname van het Schoonebeek-olieveld in Oost-Nederland naar verwachting zal oplopen tot 0,06 miljoen vaten per dag, moet dit worden afgezet tegen een dagelijkse mondiale olieproductie van 81,533 miljoen vaten. Het NAM-aandeel daarin bedraagt dus slechts ongeveer 0,7 ‰. Wanneer ook wordt gekeken naar de concentratie op de exploratiemarkt die, afgezien van ondernemingen in staatsbezit, wordt gedomineerd door drie internationale verticaal geïntegreerde particuliere spelers, de zogenaamde super majors (BP, ExxonMobil en Shell), alsmede door een aantal zogenaamde majors, wijzen deze elementen op rechtstreekse blootstelling aan mededinging.

(12)

Overeenkomstig de gevestigde Commissiepraktijk (10) is de ontwikkeling en productie van (ruwe) aardolie een afzonderlijke productmarkt met een wereldwijde geografische omvang. Overeenkomstig de beschikbare informatie (11) bedroeg in 2007 de totale mondiale dagproductie van olie 81,533 miljoen vaten. In datzelfde jaar heeft de NAM een totaal van 0,04 miljoen vaten per dag geproduceerd, wat haar een marktaandeel gaf van 0,49 ‰. Wanneer ook wordt gekeken naar de concentratie op de markt voor de productie van ruwe aardolie die, afgezien van ondernemingen in staatsbezit, wordt gedomineerd door drie internationale verticaal geïntegreerde particuliere spelers, de zogenaamde super majors (BP, ExxonMobil en Shell, waarvan het respectieve aandeel in de olieproductie in 2007 overeenkomstig de beschikbare informatie 3,08 %, 2,32 % en 2,96 % bedroeg), alsmede door een aantal zogenaamde majors (12), wijzen deze elementen op rechtstreekse blootstelling aan mededinging.

(13)

In een vorige beschikking van de Commissie (13) betreffende de levering van gas aan de eindgebruikers is een onderscheid gemaakt tussen gas met lage calorische waarde (Low Calorific Value) en gas met hoge calorische waarde (High Calorific Value), respectievelijk LCV- en HCV-gas genoemd. De Commissie heeft ook onderzocht of een onderscheid moet worden gemaakt tussen de levering van vloeibaar aardgas (Liquefied Natural Gas — LNG) en die van aardgas via pijpleidingen (14). In een daaropvolgende beschikking van de Commissie (15) betreffende o.m. de ontwikkeling en productie van aardgas is echter de vraag opengelaten of er voor het doel van die beschikking een onderscheid moet worden gemaakt tussen LCV-gas, HCV-gas en LNG „aangezien de uiteindelijke beoordeling niet afhangt van de gebruikte definitie”. Voor de doeleinden van deze beschikking kan deze kwestie ook worden opengelaten om de volgende redenen:

de NAM produceert geen LNG;

de NAM is uitsluitend actief in Nederland, waar op de spotmarkt voor gas, de zogenaamde Title Transfer Facility („TTF”), per 1 juli 2008 geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen LCV- en HCV-gas. Bovendien heeft Gas Transport Services (de Nederlandse nationale gasnetbeheerder) een volledige controle over de kwaliteitsconversie. Voor expediteurs is het dus niet noodzakelijk conversiecapaciteit te boeken.

(14)

Voor de doeleinden van deze beschikking kan de relevante productmarkt dus zonder meer worden beschouwd als de markt voor de productie van aardgas in het algemeen, zonder een onderscheid te maken tussen LCV-gas, HCV-gas en LNG. Wat de geografische markt betreft, werd in vorige beschikkingen van de Commissie (16) ervan uitgegaan dat deze de Europese Economische Ruimte (EER) en eventueel ook Rusland en Algerije omvat.

(15)

Overeenkomstig de beschikbare informatie (17), bedroeg de totale gasproductie in de Europese Unie en in de EER in 2007 respectievelijk 191,9 miljard Sm3 en 281,6 miljard Sm3. De productie van de NAM bedroeg in 2007 50 miljard Sm3, wat haar een marktaandeel gaf van 17,76 %. In 2007 bedroeg de productie in Rusland en Algerije respectievelijk 607,4 en 83 miljard Sm3. De totale productie in de EER plus Rusland en Algerije bedroeg dus 972 miljard Sm3, waarvan het aandeel van de NAM goed was voor 5,14 %. Wanneer ook wordt gekeken naar de concentratie op de aardgasproductiemarkt die, afgezien van ondernemingen in staatsbezit, wordt gedomineerd door drie internationale verticaal geïntegreerde particuliere spelers, de zogenaamde super majors (BP, ExxonMobil en Shell), alsmede door enkele andere belangrijke spelers zoals het Russische Gazprom, wijzen deze elementen op rechtstreekse blootstelling aan mededinging.

IV.   CONCLUSIES

(16)

Gezien de elementen die werden onderzocht in de overwegingen 3 t/m 15 moet de voorwaarde rechtstreeks bloot te staan aan mededinging, zoals neergelegd in artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG, als vervuld worden beschouwd voor wat de volgende diensten betreft:

a)

de exploratie naar aardolie en aardgas;

b)

de productie van aardolie, en

c)

de productie van aardgas.

(17)

Aangezien de voorwaarde van niet-beperkte toegang tot de markt als vervuld kan worden beschouwd, is Richtlijn 2004/17/EG niet van toepassing wanneer aanbestedende diensten opdrachten gunnen die bedoeld zijn om de uitvoering in Nederland van de in de punten a) tot en met c) van overweging 16 bedoelde diensten mogelijk te maken, noch wanneer prijsvragen worden georganiseerd voor de uitvoering van dergelijke activiteiten in Nederland.

(18)

Deze beschikking is gegrond op de juridische en feitelijke situatie van februari-maart 2009 zoals die naar voren komt uit de door de NAM en het Koninkrijk der Nederlanden ingediende informatie. Zij kan worden herzien wanneer een aanmerkelijke wijziging van de juridische en feitelijke situatie met zich meebrengt dat niet langer aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG is voldaan,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Richtlijn 2004/17/EG is niet van toepassing op opdrachten die door de aanbestedende diensten worden gegund en die bedoeld zijn om de volgende in Nederland uit te voeren diensten mogelijk te maken:

a)

de exploratie naar aardolie en aardgas;

b)

de productie van aardolie, en

c)

de productie van aardgas.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk de Nederlanden.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2009.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie


(1)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  Beschikking 93/676/EG van de Commissie van 10 december 1993 waarbij wordt vastgesteld dat de exploitatie van geografische gebieden met het oogmerk van opsporing of exploitatie van aardolie of gas in Nederland niet een relevante activiteit vormt in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), punt i), van Richtlijn 90/531/EEG van de Raad en dat de diensten welke deze activiteit uitoefenen in Nederland niet geacht worden in aanmerking te komen voor bijzondere of uitsluitende rechten in de zin van artikel 2, lid 3, onder b), van deze richtlijn (PB L 316 van 17.12.1993, blz. 41).

(3)  Zie met name Beschikking 2004/284/EG van de Commissie van 29 september 1999 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-overeenkomst wordt verklaard (Zaak nr. IV/M.1383 — Exxon/Mobil) en daaropvolgende beschikkingen, onder meer de beschikking van de Commissie van 3 mei 2007 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 (Zaak COMP/M.4545 - STATOIL/HYDRO).

(4)  PB L 79 van 29.3.1996, blz. 30.

(5)  Zie met name de bovengenoemde Exxon/Mobil-beschikking en, meer recentelijk, de beschikking van de Commissie van 19 november 2007 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 (Zaak COMP/M.4934 — KAZMUNAIGAZ/ROMPETROL).

(6)  Zie met name de bovengenoemde Exxon/Mobil-beschikkingen (de punten 23 en 24).

(7)  Zie met name de bovengenoemde Exxon/Mobil-beschikkingen (de punten 25 en 27).

(8)  Zie punt 5.2.1 van de aanvraag en de daarin aangehaalde bronnen, in het bijzonder de BP Statistical Review of World Energy van juni 2008, die bij de aanvraag is gevoegd.

(9)  Meer bepaald 1 390 miljard Sm3 gas, wat neerkomt op 1 390 miljoen Sm3 o.e., en 36,6 miljoen Sm3 olie, dus een totaal van 1 426 600 000 Sm3.

(10)  Zie met name de bovengenoemde Exxon/Mobil-beschikkingen en, meer recentelijk, de beschikking van de Commissie van 19 november 2007 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 (Zaak COMP/M.4934 — KAZMUNAIGAZ/ROMPETROL).

(11)  Zie blz. 8 van de bij het verzoek gevoegde „BP Statistical Review of World Energy, June 2008”, hierna de „BP Statistics” genoemd.

(12)  Waarvan het marktaandeel kleiner is dan dat van de super majors.

(13)  Beschikking 2007/194/EG van de Commissie van 14 november 2006 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst wordt verklaard (Zaak COMP/M.4180 — Gaz de France/Suez) (PB L 88 van 29.3.2007, blz. 47).

(14)  Zie met name de bovengenoemde Gaz de France/Suez-beschikking.

(15)  De bovengenoemde Zaak M4545, punt 12.

(16)  Zie bijvoorbeeld die welke zijn genoemd in overweging 3.

(17)  Zie met name de BP Statistics, blz. 24.


14.7.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 181/57


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 10 juli 2009

tot wijziging van Beschikking 2000/57/EG betreffende het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen ter voorkoming en beheersing van overdraagbare ziekten overeenkomstig Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 5515)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/547/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998 tot oprichting van een netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Gemeenschap (1), en met name op artikel 6, lid 5,

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 2000/57/EG van de Commissie van 22 december 1999 betreffende het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen ter voorkoming en beheersing van overdraagbare ziekten overeenkomstig Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) omschrijft de gevallen waarin de voor de volksgezondheid bevoegde autoriteiten van de lidstaten overdraagbare ziekten moeten meedelen aan het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen (EWRS) van het communautaire netwerk en stelt algemene procedures vast voor de uitwisseling van informatie over die gevallen, voor het overleg en voor de coördinatie van maatregelen tussen de lidstaten in nauw contact met de Commissie.

(2)

Beschikking 2000/57/EG verplicht tevens de voor de volksgezondheid bevoegde autoriteiten van elke lidstaat te zorgen voor de inzameling en uitwisseling van alle nodige informatie over gevallen van overdraagbare ziekten, zoals door gebruik van het nationale surveillancesysteem, de epidemiologische surveillancecomponent van het communautaire netwerk of van elk ander communautair systeem voor de inzameling van informatie.

(3)

De preventie en beheersing van overdraagbare ziekten wordt in Beschikking nr. 2119/98 gedefinieerd als alle maatregelen, met inbegrip van epidemiologisch onderzoek, die door de voor de volksgezondheid bevoegde autoriteiten in de lidstaten worden getroffen om de verspreiding van overdraagbare ziekten te voorkomen en tot staan te brengen. Deze maatregelen hebben onder andere betrekking op activiteiten ter opsporing van contacten en worden, samen met relevante informatie die in het bezit is van de nationale voor de volksgezondheid bevoegde autoriteit, over een geval dat verband houdt met overdraagbare ziekten, onverwijld aan alle andere lidstaten en de Commissie doorgegeven. Daarnaast dient een lidstaat die voornemens is maatregelen te treffen in beginsel het communautaire netwerk vooraf te informeren over de aard en de reikwijdte van die maatregelen en in nauw contact met de Commissie overleg te plegen met de andere lidstaten over de maatregelen teneinde hun optreden te coördineren.

(4)

Beschikking 2000/57/EG dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van Beschikking nr. 2119/98/EG in verband met genomen of voorgenomen maatregelen om de verspreiding van overdraagbare ziekten te voorkomen en tot staan te brengen.

(5)

Bovendien is de internationale gemeenschap sinds de inwerkingtreding van de Internationale Gezondheidsregeling van 2005 verplicht maatregelen op het gebied van de volksgezondheid te treffen naar aanleiding van de internationale verspreiding van ziekten op een wijze die toegesneden is op en beperkt is tot volksgezondheidsrisico’s, en die onnodige belemmering van het internationale verkeer en de internationale handel vermijden.

(6)

Wanneer zich een geval in verband met overdraagbare ziekten van mogelijke EU-omvang voordoet waarvoor activiteiten ter opsporing van contacten moeten worden genomen, werken de lidstaten in nauw contact met de Commissie met elkaar samen door middel van het EWRS om besmette personen en personen die besmettingsgevaar lopen, op te sporen. Een dergelijke samenwerking kan betekenen dat de betrokken lidstaten gevoelige persoonsgegevens uitwisselen over bevestigde of verdachte gevallen bij mensen door middel van de procedure voor de opsporing van contacten.

(7)

De verwerking van medische persoonsgegevens is in beginsel verboden bij Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (3) en bij Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (4). Daarnaast bepaalt artikel 11 van Beschikking nr. 2119/98/EG dat haar bepalingen onverminderd op Richtlijn 95/46/EG van toepassing zijn.

(8)

Om redenen van volksgezondheid valt de verwerking van deze gegevens onder de uitzondering die is voorzien in artikel 8, lid 3, van Richtlijn 95/46/EG en artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 45/2001, voor zover deze noodzakelijk is voor de doeleinden van preventieve geneeskunde of medische diagnose, het verstrekken van zorg of behandelingen of het beheer van gezondheidsdiensten en wanneer die gegevens worden verwerkt door een gezondheidswerker die onderworpen is aan het in de nationale wetgeving, of in de door nationale bevoegde instanties vastgestelde regelgeving, vastgelegde beroepsgeheim of door een andere persoon voor wie een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht geldt. Artikel 23, lid 1, van de Internationale Gezondheidsregeling (2005), die op 15 juni 2007 in werking is getreden, bepaalt voorts dat de staten die partij zijn bij de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), om redenen van volksgezondheid, onder andere voor de opsporing van contacten, bij vertrek of aankomst, bepaalde gegevens van reizigers mogen eisen.

(9)

Daarnaast is de verwerking van persoonsgegevens voor de opsporing van contacten als rechtmatig te beschouwen voor zover deze noodzakelijk is ter bescherming van een vitaal belang van de betrokkene, overeenkomstig artikel 7, onder d), van Richtlijn 95/46/EG en artikel 5, onder e), van Verordening (EG) nr. 45/2001, en ook voor de vervulling van een taak van algemeen belang, overeenkomstig respectievelijk artikel 7, onder e), en artikel 5, onder a), van deze besluiten van de Gemeenschap.

(10)

De Commissie, het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en de lidstaten dienen passende waarborgen te bieden met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens omwille van de opsporing van contacten, met name wat betreft de gebruikmaking van de afwijking van de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG en van Verordening (EG) nr. 45/2001, die garanderen dat zij persoonsgegevens in het EWRS overeenkomstig respectievelijk Verordening (EG) nr. 45/2001 en Richtlijn 95/46/EG verwerken.

(11)

Met name bij het meedelen van persoonsgegevens in het kader van het EWRS om de verspreiding van overdraagbare ziekten te voorkomen en tot staan te brengen, dienen de voor de volksgezondheid bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat de persoonsgegevens, uitgaande van dit doel, adequaat, ter zake dienend en niet buitensporig zijn en niet voor andere doeleinden worden verwerkt, en dat deze nauwkeurig zijn, en zo nodig worden bijgewerkt en niet langer worden bewaard dan voor dat doel noodzakelijk is; zij dienen er ook voor te zorgen dat personen wier contacten worden opgespoord, naar behoren worden geïnformeerd over de aard van de verwerking, over de verwerkte gegevens en over het recht op toegang tot en rectificatie van de eigen persoonsgegevens, tenzij dit onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost, en dat in het EWRS wordt gezorgd voor een passend niveau van vertrouwelijkheid en beveiliging om de verwerking van deze gegevens te beschermen.

(12)

In haar verslag van 2007 (5) over het functioneren van het EWRS benadrukte de Commissie de noodzaak om in het kader van het EWRS een selectief berichtensysteem („selective messaging”) te introduceren om een exclusief communicatiekanaal te garanderen tussen de lidstaten die betrokken zijn bij specifieke gevallen in verband met onder andere activiteiten ter opsporing van contacten. Het gebruik van dit selectieve berichtensysteem biedt passende garanties wanneer persoonsgegevens via het EWRS worden meegedeeld en moet ervoor zorgen dat voor de tenuitvoerlegging van deze beschikking uitsluitend persoonsgegevens die adequaat, ter zake dienend en niet buitensporig zijn in het kader van het EWRS worden verstuurd, overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 45/2001 en artikel 6, lid 1, onder c), van Richtlijn 95/46/EG. Daarom dient het gebruik van het selectieve berichtensysteem te worden beperkt tot meldingen die betrekking hebben op het meedelen van relevante persoonsgegevens, zodat wordt voldaan aan de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van de artikelen 4, 5 en 6 van Beschikking nr. 2119/98/EG.

(13)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 7 van Beschikking nr. 2119/98/EG opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Beschikking 2000/57/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1, lid 2, wordt „informatie over deze gevallen” vervangen door „informatie over deze gevallen en genomen of voorgenomen maatregelen naar aanleiding van deze gevallen of van indicaties voor zulke gevallen”.

2)

Het volgende artikel 2 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 2 bis

1.   Dit artikel is van toepassing op maatregelen die worden uitgevoerd om personen te traceren die aan een bron van ziekteverwekkers zijn blootgesteld en die mogelijk een overdraagbare ziekte die relevant is voor de gehele Gemeenschap, dreigen te ontwikkelen of hebben ontwikkeld op grond van de in bijlage I beschreven criteria (hierna „de opsporing van contacten” genoemd).

2.   Bij het meedelen van relevante persoonsgegevens voor de opsporing van contacten via het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen, mits deze gegevens noodzakelijk en beschikbaar zijn, maken de voor de volksgezondheid bevoegde autoriteiten van een lidstaat gebruik van het selectieve berichtensysteem dat passende garanties voor gegevensbescherming biedt. Dit communicatiekanaal mag uitsluitend worden gebruikt door de lidstaten die betrokken zijn bij de opsporing van contacten.

3.   Bij het versturen van deze informatie via het selectieve berichtensysteem verwijzen de voor de volksgezondheid bevoegde autoriteiten van die lidstaat naar het geval dat of de maatregel die eerder aan het communautaire netwerk is meegedeeld.

4.   Voor de toepassing van lid 2 is in bijlage III een indicatieve lijst van de persoonsgegevens opgenomen.

5.   Bij het meedelen en versturen van persoonsgegevens via het selectieve berichtensysteem nemen de voor de volksgezondheid bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (7) in acht.

3)

In artikel 3 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Elk jaar leggen de bevoegde autoriteiten in de lidstaten de Commissie uiterlijk op 31 maart een gedetailleerd verslag voor over de gevallen, de in verband met zulke gevallen genomen of voorgenomen maatregelen en de gevolgde procedures in het kader van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen. Daarnaast mogen de bevoegde autoriteiten in de lidstaten tijdig verslag uitbrengen over specifieke gebeurtenissen met een bijzonder belang.”.

4)

De bijlage bij deze beschikking wordt toegevoegd als bijlage III.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 10 juli 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 3.10.1998, blz. 1.

(2)  PB L 21 van 26.1.2000, blz. 32.

(3)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(4)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(5)  Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over het functioneren van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen (EWRS) van het communautaire netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in 2004 en 2005 (Beschikking 2000/57/EG) van 20 maart 2007 (COM(2007) 121 definitief).

(6)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(7)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.”.


BIJLAGE

Aan Beschikking 2000/57/EG wordt de volgende bijlage III toegevoegd:

„BIJLAGE III

Indicatieve lijst van persoonsgegevens voor de tracering van contacten

1.

PERSOONSGEGEVENS

Familienaam en voornamen;

Nationaliteit, geboortedatum, geslacht;

Type, nummer en instantie van afgifte van het identiteitsbewijs;

Huidig adres (straat, huisnummer, plaats, postcode, land);

Telefoonnummers (mobiel, privé, zakelijk);

E-mail (privé, zakelijk).

2.

REISGEGEVENS

Reisgegevens (bv. vluchtnummer, vluchtdatum, naam schip, kenteken);

Zitplaatsnummer(s);

Cabinenummer(s).

3.

CONTACTGEGEVENS

Namen van bezochte personen/verblijfsplaatsen;

Datum en adres van verblijfsplaatsen (straat, huisnummer, plaats, postcode, land);

Telefoonnummers (mobiel, privé, zakelijk);

E-mail (privé, zakelijk).

4.

INFORMATIE OVER BEGELEIDENDE PERSONEN

Familienaam en voornamen;

Nationaliteit;

Persoonsgegevens zoals aangegeven in punt 1, derde tot en met zesde streepje.

5.

CONTACTGEGEVENS VOOR NOODGEVALLEN

Naam van de contactpersoon;

Adres (straat, huisnummer, plaats, postcode, land);

Telefoonnummers (mobiel, privé, zakelijk);

E-mail (privé, zakelijk).”.