ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.168.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 168

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
30 juni 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 563/2009 van de Raad van 25 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2505/96 betreffende de opening en wijze van beheer van autonome communautaire tariefcontingenten voor bepaalde landbouw- en industrieproducten

1

 

*

Verordening (EG) nr. 564/2009 van de Raad van 25 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1255/96 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde industrie-, landbouw- en visserijproducten

4

 

 

Verordening (EG) nr. 565/2009 van de Commissie van 29 juni 2009 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

18

 

*

Verordening (EG) nr. 566/2009 van de Commissie van 29 juni 2009 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Melton Mowbray Pork Pie (BGA))

20

 

*

Verordening (EG) nr. 567/2009 van de Commissie van 29 juni 2009 houdende inschrijving van een benaming in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten (Pierekaczewnik (GTS))

22

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen

24

 

*

Richtlijn 2009/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG, wat wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen betreft ( 1 )

33

 

 

DOOR HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD GEZAMENLIJK AANGENOMEN BESLUITEN

 

*

Beschikking nr. 568/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Beschikking 2001/470/EG van de Raad betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken

35

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Europees Parlement
Raad
Commissie
Hof van Justitie
Rekenkamer
Europees Economisch en Sociaal Comité
Comité van de Regio's

 

 

2009/496/EG, Euratom

 

*

Besluit van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 26 juni 2009 betreffende de organisatie en de werking van het Bureau voor publicaties van de Europese Unie

41

 

 

Raad van ministers ACS-EG

 

 

2009/497/EG

 

*

Besluit nr. 1/2009 van de ACS-EG-Raad van ministers van 29 mei 2009 tot goedkeuring van wijzigingen in bijlage II bij de partnerschapsovereenkomst

48

 

 

AANBEVELINGEN

 

 

Commissie

 

 

2009/498/EG

 

*

Aanbeveling van de Commissie van 23 juni 2009 betreffende referentiemetagegevens voor het Europees statistisch systeem ( 1 )

50

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/1


VERORDENING (EG) Nr. 563/2009 VAN DE RAAD

van 25 juni 2009

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2505/96 betreffende de opening en wijze van beheer van autonome communautaire tariefcontingenten voor bepaalde landbouw- en industrieproducten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 26,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij bepaalde producten waarvoor krachtens Verordening (EG) nr. 2505/96 (1) een autonoom tariefcontingent is geopend, is de in die verordening vastgestelde hoeveelheid uitgedrukt in een andere maateenheid dan het gewicht in ton of kilogram en dan de waarde. Wanneer voor die producten geen aanvullende eenheid is bepaald in de gecombineerde nomenclatuur die is vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (2), kan er onzekerheid ontstaan over de gebruikte maateenheid. Ter wille van de duidelijkheid en ten behoeve van een beter contingentbeheer is het derhalve zaak te bepalen dat slechts gebruik kan worden gemaakt van de voornoemde autonome tariefcontingenten wanneer de precieze hoeveelheid van de ingevoerde producten wordt vermeld in „Vak 41: Aanvullende eenheden” van de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen met behulp van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2505/96 voor het desbetreffende contingent vastgestelde maateenheid.

(2)

Er moet onder de meest gunstige voorwaarden worden voldaan aan de vraag in de Gemeenschap naar de producten waarop Verordening (EG) nr. 2505/96 van toepassing is. Daarom dienen met ingang van 1 juli 2009 drie nieuwe communautaire tariefcontingenten te worden geopend, in het kader waarvan passende hoeveelheden tegen een nulrecht kunnen worden ingevoerd zonder dat de desbetreffende markten worden verstoord.

(3)

Het autonome communautaire tariefcontingent met volgnummer 09.2767 is ontoereikend om aan de behoeften van de industrie van de Gemeenschap te voldoen. Daarom moet dit contingent worden verhoogd.

(4)

De goederenomschrijving van het autonome communautaire tariefcontingent met volgnummer 09.2806 moet worden aangepast.

(5)

Verordening (EG) nr. 2505/96 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Gezien het economische belang van deze verordening dient een beroep te worden gedaan op de redenen van urgentie als bedoeld in punt I.3 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(7)

Aangezien de tariefcontingenten op 1 juli 2009 moeten ingaan, moet deze verordening ook vanaf die datum van toepassing zijn en onmiddellijk in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2505/96 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel 1 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 1 bis

Wanneer een aangifte wordt voorgelegd voor het in het vrije verkeer brengen van een in deze verordening genoemd product, waarvan de hoeveelheid in een andere maateenheid dan het gewicht in ton of kilogram en dan de waarde is uitgedrukt, en dat betrekking heeft op producten waarvoor geen aanvullende eenheid is bepaald in de gecombineerde nomenclatuur die is vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87, wordt de precieze hoeveelheid van de ingevoerde producten vermeld in „Vak 41: Aanvullende eenheden” van de aangifte met behulp van de in bijlage I bij deze verordening voor het desbetreffende contingent vastgestelde maateenheid.”.

2)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

de in bijlage I bij deze verordening vermelde tariefcontingenten worden ingevoegd;

b)

met ingang van 1 januari 2009 worden de rijen voor de tariefcontingenten met volgnummers 09.2767 en 09.2806 vervangen door de rijen in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2009.

Artikel 1, lid 2, onder b), is evenwel van toepassing met ingang van 1 januari 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 25 juni 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

L. MIKO


(1)  PB L 345 van 31.12.1996, blz. 1.

(2)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.


BIJLAGE I

Volgnummer

GN-code

Taric

Omschrijving

Contingentperiode

Omvang van het contingent

Recht van het contingent

09.2813

ex 3920 91 00

94

Gecoëxtrudeerde drielagige poly(vinylbutyral)folie zonder geleidelijk verlopende kleurenband, die ten minste 29 maar ten hoogste 31gewichtsprocent 2,2’-ethyleendioxydiethyl bis(2-ethylhexanoaat) als weekmaker bevat

1.7.-31.12.

500 000 m2

0 %

09.2807

ex 3913 90 00

86

Niet-steriel natriumhyaluronaat

1.7.-31.12.

55 000 g

0 %

09.2815

ex 6909 19 00

70

Steunen voor katalysatoren of filters, bestaande uit poreuze keramiek en hoofdzakelijk vervaardigd uit aluminium- en titaniumoxiden; met een totaal volume van hoogstens 65 l en minstens één porie (open aan één of beide uiteinden) per cm2 dwarsdoorsnede

1.7.-31.12.

190 000 stuks

0 %


BIJLAGE II

Volgnummer

GN-code

Taric

Omschrijving

Contingent periode

Omvang van het contingent

Recht van het contingent

09.2806

ex 2825 90 40

30

Wolfraamtrioxide, met inbegrip van wolfraamoxide (blauw)

1.1.-31.12.

12 000 t

0 %

09.2767

ex 2910 90 00

80

Allylglycidylether

1.1.-31.12.

2 500 t

0 %


30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/4


VERORDENING (EG) Nr. 564/2009 VAN DE RAAD

van 25 juni 2009

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1255/96 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde industrie-, landbouw- en visserijproducten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 26,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is in het belang van de Gemeenschap om de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief volledig te schorsen voor een reeks nieuwe producten die niet in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1255/96 van de Raad (1) zijn vermeld.

(2)

De GN- en Taric-codes 0304296110, 0304999931, 3902909097, 3903909085, 7410210070, 7606129120 en 7606129320 voor vijf producten die thans in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1255/96 zijn vermeld, moeten worden geschrapt omdat het niet langer in het belang van de Gemeenschap is om de schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor deze producten te handhaven.

(3)

Voor 32 schorsingen in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1255/96 moet de omschrijving worden aangepast om rekening te houden met de technische ontwikkeling van producten en de economische ontwikkelingen op de markt. Deze schorsingen moeten worden geschrapt van de lijst in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1255/96 en worden ingevoegd als nieuwe schorsingen met nieuwe omschrijvingen. Ter wille van de duidelijkheid moeten deze schorsingen worden gekenmerkt met een asterisk in de eerste kolom van bijlage I en van bijlage II bij deze verordening.

(4)

De ervaring heeft uitgewezen dat een vervaldatum moet worden vastgesteld voor de schorsingen die zijn vermeld in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1255/96 om rekening te kunnen houden met technische en economische ontwikkelingen. Dit sluit niet uit dat bepaalde maatregelen vroegtijdig worden beëindigd of na deze periode worden voortgezet, indien daarvoor economische redenen worden aangevoerd, overeenkomstig de beginselen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 1998 inzake autonome schorsingen van rechten en contingenten (2).

(5)

Verordening (EG) nr. 1255/96 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Aangezien de in deze verordening vastgestelde schorsingen van kracht moeten worden vanaf 1 juli 2009, moet deze verordening ook vanaf die datum van toepassing worden en onmiddellijk in werking treden. De omschrijving van de producten met GN- en Taric-code 9001900060 moet worden gewijzigd met ingang van 1 januari 2009,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1255/96 wordt als volgt gewijzigd:

1.

De rijen voor de in bijlage I bij deze verordening genoemde producten worden ingevoegd.

2.

De rijen voor de producten waarvan de GN- en Taric-codes in bijlage II bij deze verordening zijn vermeld, worden geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2009. Zij is evenwel met ingang van 1 januari 2009 van toepassing voor de omschrijving van de producten met GN- en Taric-code 9001900060 die zijn opgenomen in bijlage I bij deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 25 juni 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

L. MIKO


(1)  PB L 158 van 29.6.1996, blz. 1.

(2)  PB C 128 van 25.4.1998, blz. 2.


BIJLAGE I

Producten als bedoeld in artikel 1, lid 1

GN-code

Taric

Omschrijving

Autonoom recht

Geldigheidsperiode

 (2) ex 1511 90 19

10

Palmolie, kokosolie (kopraolie), palmpittenolie, bestemd voor de vervaardiging van:

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 1511 90 91

10

industriële eenwaardige vetzuren bedoeld bij onderverdeling 3823 19 10,

 (2) ex 1513 11 10

10

methylesters van vetzuren bedoeld bij post 2915 of 2916,

 (2) ex 1513 19 30

10

vetalcoholen bedoeld bij de onderverdelingen 2905 17, 2905 19 en 3823 70, bestemd voor de vervaardiging van cosmetica, wasmiddelen en farmaceutische producten,

 (2) ex 1513 21 10

10

vetalcoholen bedoeld bij onderverdeling 2905 16, zuiver of gemengd, bestemd voor de vervaardiging van cosmetica, wasmiddelen en farmaceutische producten,

 (2) ex 1513 29 30

10

stearinezuur bedoeld bij onderverdeling 3823 11 00 of

producten bedoeld bij post 3401

 (1)

ex 1518 00 99

10

Jojobaolie, gehydrogeneerd en getexturiseerd

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2804 50 90

10

Telluur met een zuiverheid van ten minste 99,99 maar ten hoogste 99,999 gewichtspercenten

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2827 39 85

30

Mangaandichloride

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2903 39 90

75

Trans-1,3,3,3-tetrafluoroprop-1-een

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2903 69 90

50

Fluorbenzeen

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2903 69 90

60

α-chloor(ethyl)toluenen

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2904 90 40

10

Trichloornitromethaan, bestemd voor de vervaardiging van producten bedoeld bij onderverdeling 3808 92 (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2909 19 90

60

1-methoxyheptafluorpropaan

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2921 19 85

60

Tetrakis(ethylmethylamino)zirkonium (IV)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 2921 51 19

20

Tolueendiamine (TDA), bevattende 78 of meer doch niet meer dan 82 gewichtspercenten 4-methyl-m-fenyleendiamine en 18 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten 2-methyl-m-fenyleendiamine, met een residugehalte aan teer van niet meer dan 0,23 gewichtspercent

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2922 29 00

46

p-anisidine-3-sulfonzuur

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2926 90 95

35

2-broom-2(broommethyl)pentaandinitril

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2928 00 90

70

Butanonoxim

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2931 00 95

20

Methylcyclopentadienyl-mangaan-tricarbonyl met ten hoogste 4,9 gewichtspercenten cyclopentadienyl-mangaan-tricarbonyl

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2932 13 00

10

Tetrahydrofurfurylalcohol

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2932 19 00

40

Furaan met een zuiverheid van 99 of meer gewichtspercenten

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2932 19 00

41

2,2 di(tetrahydrofuryl)propaan

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2932 99 00

35

1,2,3-trideoxy-4,6:5,7-bis-O-[(4-propyl fenyl)methyleen]-nonitol

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2933 49 10

20

3-hydroxy-2-methylchinoline-4-carbonzuur

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2933 79 00

50

6-broom-3-methyl-3H-dibenz(f,ij)isochinoline-2,7-dion

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 2934 99 90

66

Tetrahydrothiofeen-1,1-dioxide

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3207 40 80

20

Schilfers van glas, bedekt met zilver, met een gemiddelde diameter van 40 (± 10) μm

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3208 20 10

20

Immersie topcoatoplossingen bevattende 2 % of meer doch niet meer dan 15 % van acrylaat-methacrylaat-alkeensulfonaat-copolymeren met gefluoreerde zijketens, in een oplossing van n-butanol en/of 4-methyl-2-pentanol en/of diisoamylether

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3208 90 19

50

Oplossingen bevattende:

(65 ± 10) gewichtspercenten γ-butyrolacton,

(30 ± 10) gewichtspercenten polyamidehars,

(3,5 ± 1,5) gewichtspercenten naftochinonesterderivaat en

(1,5 ± 0,5) gewichtspercenten arylkiezelzuur

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3215 90 80

30

Inkt die ten minste 5 maar ten hoogste 10 gewichtspercenten amorf siliciumdioxide bevat, verpakt in wegwerppatronen, gebruikt bij de markering van geïntegreerde schakelingen (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3808 91 90

30

Preparaten bevattende endosporen of sporen en eiwitkristallen verkregen uit:

Bacillus thuringiensis Berliner subsp. aizawai en kurstaki, of

Bacillus thuringiensis subsp. kurstaki, of

Bacillus thuringiensis subsp. israelensis

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3808 91 90

50

Spodoptera exigua nuclear polyhedrosis virus (SeNPV) in een waterige glycerolsuspensie

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3811 19 00

10

Oplossing van meer dan 61 maar ten hoogste 63 gewichtspercenten methylcyclopentadienyl-mangaan-tricarbonyl in een aromatisch koolwaterstofoplosmiddel, die ten hoogste bevat:

4,9 gewichtspercenten 1,2,4-trimethylbenzeen,

4,9 gewichtspercenten naftaleen en

0,5 gewichtspercenten 1,3,5-trimethylbenzeen

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3811 90 00

10

Dinonylnaftylsulfonzuurzout, in de vorm van een oplossing in minerale olie

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3815 90 90

77

Katalysatorpoeder in waterige suspensie, bevattende:

1 of meer maar niet meer dan 3 gewichtspercenten palladium,

0,25 of meer maar niet meer dan 3 gewichtspercenten lood,

0,25 of meer maar niet meer dan 0,5 gewichtspercent loodhydroxide,

5,5 of meer maar niet meer dan 10 gewichtspercenten aluminium,

4 of meer maar niet meer dan 10 gewichtspercenten magnesium,

30 of meer maar niet meer dan 50 gewichtspercenten siliciumdioxide

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3817 00 50

10

Mengsel van alkylbenzenen (C14-26), bevattende:

35 of meer maar niet meer dan 60 gewichtspercenten eicosylbenzeen,

25 of meer maar niet meer dan 50 gewichtspercenten docosylbenzeen,

5 of meer maar niet meer dan 25 gewichtspercenten tetracosylbenzeen

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3817 00 80

20

Mengsel van vertakte alkylbenzenen dat voornamelijk dodecylbenzenen bevat

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3824 90 97

15

Gestructureerd silicoaluminiumfosfaat

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3824 90 97

16

Mengsel van bis{4-(3-(3-fenoxycarbonylamino)tolyl)ureido}fenylsulfon, difenyltolueen-2,4-dicarbamaat en 1-[4-(4-aminobenzeensulfonyl)fenyl]-3-(3-fenoxycarbonylaminotolyl)ureum

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3824 90 97

17

Mengsel van acetaten van 3-butyleen-1,2-diol met een gehalte van ten minste 65 maar ten hoogste 90 gewichtspercenten

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3902 20 00

10

Polyisobutyleen, met een aantalgemiddeld molecuulgewicht (Mn) van 700 of meer doch niet meer dan 800

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3902 20 00

20

Gehydrogeneerd polyisobuteen, in vloeibare vorm

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3902 90 90

55

Thermoplastisch elastomeer met een A-B-A-blokcopolymeerstructuur van polystyreen, polyisobutyleen en polystyreen met ten minste 10 maar ten hoogste 35 gewichtspercenten polystyreen

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3903 90 90

40

Copolymeren van styreen, α-methylstyreen en acrylzuur, met een aantalgemiddeld molecuulgewicht (Mn) van 500 of meer doch niet meer dan 6 000

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3911 90 99

50

ex 3904 69 90

81

Poly(vinylideenfluoride) als poeder of in een waterige suspensie

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3905 99 90

96

Polymeren van vinylformal, in een van de vormen bedoeld bij aantekening 6, onder b), op hoofdstuk 39, met een gewichtgemiddeld molecuulgewicht (Mw) van 25 000 of meer doch niet meer dan 150 000, en met een gehalte aan:

acetylgroepen, berekend als vinylacetaat, van 9,5 of meer doch niet meer dan 13 gewichtspercenten en

hydroxylgroepen, berekend als vinylalcohol, van 5 of meer doch niet meer dan 6,5 gewichtspercenten

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3906 90 90

25

Transparante, niet in water oplosbare vloeistof, bevattende:

50 of meer maar niet meer dan 51 gewichtspercenten poly(methylmethacrylaat)copolymeer

37 of meer maar niet meer dan 39 gewichtspercenten xyleen

11 of meer maar niet meer dan 13 gewichtspercenten n-butylacetaat

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3906 90 90

30

Copolymeren van styreen, hydroxyethylmethacrylaat en 2-ethylhexylacrylaat, met een aantalgemiddeld molecuulgewicht (Mn) van 500 of meer doch niet meer dan 6 000

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3906 90 90

35

Wit poeder van 1,2-ethaandiol dimethacrylaat-methylmethacrylaat met een deeltjesgrootte van niet meer dan 18 μm, niet in water oplosbaar

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3906 90 90

65

Polyalkylacrylaat, chemisch gewijzigd met kobalt, met een smelttemperatuur (Tm) van 65 °C (± 5 °C), gemeten met dynamische differentiecalorimetrie (DSC)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3907 20 11

10

Poly(ethyleenoxide) met een aantalgemiddeld molecuulgewicht (Mn) van 100 000 of meer

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3907 20 11

20

Bis[methoxypoly(ethyleenglycol)]maleïmidopropionamide, chemisch gemodificeerd met lysine, met een aantalgemiddeld molecuulgewicht (Mn) van 40 000

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3907 20 11

30

Bis[methoxypoly(ethyleenglycol)], chemisch gemodificeerd met lysine, met bis(maleïmide)-eindgroepen, met een aantalgemiddeld molecuulgewicht (Mn) van 40 000

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3907 20 21

20

Copolymeer van tetrahydrofuran en 3-methyltetrahydrofuran met een aantalgemiddeld molecuulgewicht (Mn) van 3 500 (± 100)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3907 20 99

50

Perfluorpolyether met eindstandige vinyl-silylgroepen of een assortiment van twee componenten, bestaande uit hetzelfde type polymeer met eindstandige vinyl-silylgroepen als hoofdbestanddeel

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3907 20 99

55

Succinimidylester van methoxypoly(ethyleenglycol)propionzuur, met een aantalgemiddeld molecuulgewicht (Mn) van 5 000

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3907 30 00

50

Vloeibare epoxyhars van 2-propeennitril/1,3-butadieenepoxide-copolymeer, zonder oplosmiddel, met:

een gehalte aan zinkboraathydraat van ten hoogste 40 gewichtspercenten,

een gehalte aan diantimoontrioxide van ten hoogste 5 gewichtspercenten

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3908 90 00

10

Poly(iminomethyleen-1,3-fenyleenmethyleeniminoadipoyl), in een van de vormen bedoeld bij aantekening 6, onder b), op hoofdstuk 39

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3911 10 00

81

Niet-gehydrogeneerde koolwaterstofhars, verkregen door polymerisatie van C-5- tot C-10-alkenen, cyclopentadieen en dicyclopentadieen, met een kleur op de kleurschaal van Gardner van meer dan 10 voor het zuivere product of meer dan 8 voor een 50 %-oplossing (V/V) in tolueen (bepaald overeenkomstig ASTM-methode D6166)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3911 90 19

10

Poly(oxy-1,4-fenyleensulfonyl-1,4-fenyleenoxy-4,4’-bifenyleen)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3913 90 00

85

Steriel natriumhyaluronaat

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3913 90 00

92

Proteïne, chemisch gemodificeerd door carboxylering en/of ftaalzuuradditie, met een gewichtgemiddeld molecuulgewicht (Mw) van 100 000 tot 300 000

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3919 10 61

94

Kleeffoliën bestaande uit een basislaag van een copolymeer van ethyleen en vinylacetaat (EVA) met een dikte van 70 μm of meer, voorzien van een kleeflaag van acryl met een dikte van 5 μm of meer, bestemd voor de bescherming van het oppervlak van siliciumschijven (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3919 10 69

92

 (2) ex 3919 90 61

93

 (2) ex 3919 90 69

93

ex 3920 10 89

25

ex 3919 10 69

96

Zelfklevende reflecterende laminaatfolie met een regelmatig patroon, bestaande uit een laag acrylpolymeer, vervolgens een laag poly(methylmethacrylaat) met microprisma’s, al dan niet met nog een laag polyester en kleefmiddel, met ten slotte een verwijderbare beschermfolie

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3919 90 69

98

 (2) ex 3919 90 31

45

Transparante zelfklevende folie van poly(ethyleentereftalaat), vrij van onzuiverheden of gebreken, aan één zijde voorzien van een drukgevoelige kleefstof van acryl en een beschermingsfolie en aan de andere zijde van een antistatische laag van een ionische organische cholineverbinding en een bedrukbare stofwerende laag van een gemodificeerde langketenige organische alkylverbinding, met een totale dikte zonder de beschermingsfolie van 54 μm of meer maar niet meer dan 64 μm en een breedte van meer dan 1 295 mm maar niet meer dan 1 305 mm

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3919 90 61

51

Transparante zelfklevende folie van polyethyleen, vrij van onzuiverheden of gebreken, aan één zijde voorzien van een drukgevoelige kleefstof van acryl, met een dikte van 60 μm of meer, maar niet meer dan 70 μm, en met een breedte van meer dan 1 245 mm maar niet meer dan 1 255 mm

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3919 90 61

55

Folie van poly(vinylchloride) met een dikte van ten minste 78 μm, aan één kant bedekt met een acrylkleeflaag met een dikte van ten minste 8 μm en een verwijderbare beschermfolie, met een hechtsterkte van ten minste 1 764 mN/25 mm, gebruikt bij het zagen van silicium (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3920 62 19

20

Reflecterende foliën van polyester, voorzien van piramidevormige inpersingen, bestemd voor de vervaardiging van veiligheidsetiketten of -insignes (stickers, badges), veiligheidskleding en toebehoren daarvan, schooltassen en andere tassen en dergelijke bergingsmiddelen (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3920 62 19

75

Transparante polyethyleenterefthalaatfilm, aan beide zijden bekleed met dunne lagen organische stoffen op acrylbasis van elk 7-80 nm, die goede hechteigenschappen bieden met een oppervlaktespanning van 37 Dyne/cm, met een lichtdoorlaatbaarheid van meer dan 93 %, een troebeling van minder dan 1,3 %, een totale dikte van 125 μm of 188 μm en een breedte van 850 mm of meer, maar niet meer dan 1 600 mm

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3920 62 19

77

ex 3920 91 00

95

Gecoëxtrudeerde drielagige foliën uit poly(vinylbutyral) met kleurenband die van donker naar licht verloopt, bevattende als weekmaker 29 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten 2,2’-ethyleendioxydiethyl bis(2-ethylhexanoaat)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3920 99 28

40

Polymeerfolie met de volgende monomeren:

poly(tetramethyleenetherglycol),

bis(4-isocyanatocyclohexyl)methaan,

butaan-1,4-diol of butaan-1,3-diol,

met een dikte van ten minste 0,25 mm maar ten hoogste 5,0 mm,

met op één oppervlak een regelmatig reliëfpatroon,

en bedekt met een verwijderbare laag

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 3921 19 00

93

Microporeuze stroken van polytetrafluorethyleen op een drager van gebonden textielvlies, bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van filters voor apparaten voor nierdialyse (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 3921 90 55

20

Gepre-impregneerde versterkte glasvezel bevattende cyanaatesterhars of bismaleïmide(B)-triazine(T)-hars gemengd met epoxyhars, met als afmetingen:

469,9 mm (± 2 mm) × 622,3 mm (± 2 mm), of

469,9 mm (± 2 mm) × 414,2 mm (± 2 mm), of

546,1 mm (± 2 mm) × 622,3 mm (± 2 mm)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 5603 13 10

10

Elektrisch niet geleidend gebonden textielvlies, bestaande uit een centrale film van poly(ethyleenterefthalaat), aan beide zijden gelamineerd met in één richting liggende poly(ethyleenterefthalaat)vezels, aan beide zijden bekleed met hoogwaardige elektrisch niet geleidende hars die bestand is tegen hoge temperaturen, met een gewicht van 147 g/m2 of meer maar niet meer dan 265 g/m2, met anisotrope treksterkte in beide richtingen, voor gebruik als elektrisch isolatiemateriaal

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 5603 14 10

10

7011 20 00

 

Ballons, peren, alsmede buizen (van speciale vorm, dan wel met een fluorescerende stof bedekt), open, en delen daarvan, van glas, zonder fittings, voor kathodestraalbuizen

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 7019 19 10

30

Garens van 22 tex (± 1,6 tex), vervaardigd van verspinbare continuglasvezels met een nominale diameter van 7 μm, hoofdzakelijk bestaande uit vezels met een diameter van 6,35 of meer doch niet meer dan 7,61 μm

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 7320 90 10

91

Platte spiraalveer van gehard staal, met:

een dikte van 2,67 mm of meer, maar niet meer dan 4,11 mm,

een breedte van 12,57 mm of meer, maar niet meer dan 16,01 mm,

een koppel van 18,05 Nm of meer, maar niet meer dan 73,5 Nm,

een hoek tussen de vrije stand en de nominale werkstand van 76° of meer, maar niet meer dan 218°

voor gebruik bij de vervaardiging van spanners voor drijfriemen voor verbrandingsmotoren (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 7410 11 00

10

Bladkoper met een dikte van niet meer dan 0,15 mm, bekleed met hars, halogeenvrij, met:

een ontledingstemperatuur van 350 °C of meer (bepaald met de ASTM-methode D 3850) en

een delaminatietijd van meer dan 40 minuten bij 260 °C en meer dan 5 minuten bij 288 °C (bepaald met IPC-TM-650)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 7410 21 00

60

 (2) ex 7410 21 00

40

Bladen of platen:

bestaande uit in het midden een laag papier of een laag van een of andere soort non-woven vezel, aan beide zijden gelamineerd met een weefsel van glasvezel en geïmpregneerd met epoxyhars, of

bestaande uit verschillende lagen papier, geïmpregneerd met fenolhars,

aan één of beide zijden bekleed met bladkoper met een dikte van ten hoogste 0,15 mm

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 7410 21 00

50

Platen:

bestaande uit minstens één laag van een met epoxyhars geïmpregneerd weefsel van glasvezels,

aan één of beide zijden bekleed met koperfolie met een dikte van niet meer dan 0,15 mm en

met een diëlektrische constante (DK) van minder dan 3,9 en een verliesfactor (Df) van minder dan 0,015 bij een meetfrequentie van 10 GHz, gemeten volgens IPC-TM-650

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 7604 21 00

10

Profielen van aluminiumlegering EN AW-6063 T5

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 7604 29 90

30

geanodiseerd

al dan niet gelakt

met een wanddikte van 0,5 mm (± 1,2 %) of meer maar niet meer dan 0,8 mm (± 1,2 %)

voor gebruik bij de vervaardiging van goederen van onderverdeling 8302

 (1)

ex 8108 20 00

30

Titaanpoeder met een zeefdoorlaat bij een maaswijdte van 0,224 mm van 90 gewichtspercenten of meer

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 8501 10 99

80

Gelijkstroom-stappenmotoren met

een staphoek van 7,5° (± 0,5°),

een omkeerkoppel bij 25 °C van 25 mNm of meer,

een bekrachtigingsfrequentie van 1 960 pps of meer,

een tweefasenwikkeling en

een nominale spanning van 10,5 V of meer, maar niet meer dan 16,0 V

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 8504 40 90

40

Statische omvormers voor gebruik bij de vervaardiging van besturingen van eenfasige elektromotoren met een elektrische voeding van minder dan 3 kW (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 8519 81 35

10

Niet-gemonteerde of onvolledige module, bestaande uit ten minste één optische eenheid en gelijkstroommotoren en een besturingsschakeling, met een digitaal/analoogomvormer, bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van cd-spelers en radio-ontvangers van een type dat wordt gebruikt in motorvoertuigen of navigatietoestellen (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 8522 90 80

83

Blu-ray optische leeseenheid voor het opnemen/weergeven van optische signalen op/van dvd en het weergeven van optische signalen van cd en blu-raydisks, bestaande uit ten minste:

laserdioden met drie soorten golflengten,

een laseraangedreven printkaart,

een fotodetectorprintkaart,

een frontmonitorprintkaart en een aandrijver,

bestemd voor gebruik bij de vervaardiging van producten bedoeld bij post 8521 (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 8522 90 80

84

Blu-ray aandrijfmechanisme of eenheid, al dan niet opneembaar, voor het weergeven of opnemen van optische signalen van of naar blu-raydisks en dvd en het weergeven van optische signalen van cd, bestaande uit ten minste:

een optische leeseenheid met drie soorten lasers,

spindelmotor,

stappenmotor,

met of zonder op een printkaart gemonteerde chip voor aandrijvingsbesturing, chip voor motoraandrijving en geheugen,

bestemd voor gebruik bij de vervaardiging van producten bedoeld bij post 8521 (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 8525 80 19

30

Compacte televisiecamera’s voor gesloten tv-circuits (CCTV) van het chassistype, met een gewicht van niet meer dan 250 g, al dan niet in een behuizing, met afmetingen van niet meer dan 50 mm × 60 mm × 89,5 mm, met één „Charge-Couple Device”-sensor (CCD), met niet meer dan 440 000 nuttige pixels, bestemd om te worden gebruikt in CCTV-bewakingssystemen (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 8540 91 00

40

Afbuigjuk voor kathodestraalbuizen

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 8540 91 00

50

Metalen anodeknop om elektrisch contact tot stand te brengen met de anode in de kleurenbeeldbuis

0 %

1.7.2009-31.12.2013

 (2) ex 8543 70 90

90

Brandstofcelmodule met ten minste brandstofcellen met een membraan van elektrolytisch polymeer in een behuizing met geïntegreerd koelsysteem, bestemd voor de vervaardiging van aandrijfsystemen voor auto’s (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 8544 42 90

10

Datatransmissiekabel met een transmissiesnelheid van 600 Mbit/s of meer, en met:

een elektrische spanning van 1,25 V (± 0,25 V),

connectoren aan elk uiteinde, waarvan minstens één met pinnen met een pitch van 0,5 mm,

met buitenste afscherming,

twee getwiste koperkabels met een weerstand van 100 Ω en een afstand van hoogstens 8 mm tussen de windingen

alleen gebruikt voor communicatie tussen lcd-scherm en elektronische circuits voor videoverwerking

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 8544 49 93

20

Met pet/pvc geïsoleerde flexibele kabel met:

een spanning van niet meer dan 60 V,

een stroomsterkte van niet meer dan 1 A

een hittebestendigheid van niet meer dan 105 °C,

afzonderlijke draden met een dikte van 0,05 mm (± 0,01 mm) en een breedte van niet meer dan 0,65 mm (± 0,03 mm)

afstand tussen aders van niet meer dan 0,5 mm en

pitch (asafstand tussen het midden van aders) van niet meer dan 1,08 mm

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 9001 20 00

20

Optische bladen, verstrooierbladen, reflectorbladen of prismabladen, onbedrukte verstrooierplaten, al dan niet met polariserende eigenschappen, specifiek gesneden

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 9001 90 00

55

ex 9001 90 00

60

Reflectorbladen of verstrooierbladen, op rollen

0 %

1.1.2009-31.12.2013

ex 9013 20 00

10

Hoogfrequentgestimuleerde koolstofdioxidelaser, met een uitgangsvermogen van 12 Watt of meer, maar niet meer dan 200 Watt

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 9013 20 00

20

Laserkopinrichting voor gebruik bij de vervaardiging van meet- of controleapparatuur voor halfgeleiderwafers of toestellen (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 9013 20 00

30

Laser voor gebruik bij de vervaardiging van meet- of controleapparatuur voor halfgeleiderwafers of toestellen (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 9022 90 90

10

Panelen voor röntgenapparaten (vlakke röntgensensorpanelen/röntgensensoren) bestaande uit een glasplaat met een matrix van dunfilmtransistors, bekleed met een film amorf silicium, gecoat met een scintillatorlaag van caesiumjodide en een gemetalliseerde beschermlaag, met een actieve oppervlakte van 409,6 mm2 × 409,6 mm2 en een pixelgrootte van 200 μm2 × 200 μm2

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 9405 40 39

10

Ambilightmodules met een lengte van 300 mm of meer, maar niet meer dan 600 mm, waarvan de lichtbron bestaat uit een reeks van 3 of meer, maar niet meer dan 9, specifieke één-chip rode, groene en blauwe lichtgevende dioden, gemonteerd op een gedrukte schakeling, met licht gekoppeld aan de voor en/of achterzijde van de flatscreen-tv (1)

0 %

1.7.2009-31.12.2013

ex 9405 40 39

20

Elektrische verlichtingsfitting van wit silicone, hoofdzakelijk bestaande uit:

een led-matrixmodule met afmetingen 38,6 mm × 20,6 mm (± 0,1 mm), uitgerust met 128 rode en groene led-chips, en

een flexibele printkaart, uitgerust met een thermistor met negatieve temperatuurcoëfficiënt

0 %

1.7.2009-31.12.2013


(1)  Indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden van de desbetreffende regelgeving van de Gemeenschap (zie de artikelen 291 tot en met 300 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie — PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).

(2)  Gewijzigde positie.


BIJLAGE II

Producten als bedoeld in artikel 1, lid 2.

GN-code

Taric

ex 0304 29 61

10

ex 0304 99 99

31

 (1) ex 1511 90 19

10

 (1) ex 1511 90 91

10

 (1) ex 1513 11 10

10

 (1) ex 1513 19 30

10

 (1) ex 1513 21 10

10

 (1) ex 1513 29 30

10

 (1) ex 2921 51 19

20

 (1) ex 3808 91 90

30

 (1) ex 3815 90 90

77

 (1) ex 3817 00 50

10

 (1) ex 3902 20 00

10

ex 3902 90 90

97

 (1) ex 3903 90 90

40

 (1) ex 3911 90 99

50

ex 3903 90 90

85

 (1) ex 3905 99 90

96

 (1) ex 3906 90 90

30

 (1) ex 3907 20 11

10

 (1) ex 3907 20 11

20

 (1) ex 3907 20 11

30

 (1) ex 3907 20 21

20

 (1) ex 3907 30 00

50

 (1) ex 3911 10 00

81

 (1) ex 3913 90 00

92

 (1) ex 3913 90 00

98

 (1) ex 3919 10 61

94

 (1) ex 3919 10 69

92

 (1) ex 3919 90 61

93

 (1) ex 3919 90 69

93

 (1) ex 3919 90 31

45

 (1) ex 3919 90 61

51

 (1) ex 3920 99 28

40

 (1) ex 3921 90 55

20

 (1) ex 7011 20 00

20

 (1) ex 7011 20 00

50

 (1) ex 7409 19 00

20

 (1) ex 7410 21 00

50

 (1) ex 7410 21 00

40

ex 7410 21 00

70

ex 7606 12 91

20

ex 7606 12 93

20

 (1) ex 8519 81 35

10

 (1) ex 8522 90 80

83

 (1) ex 8522 90 80

84

 (1) ex 8525 80 19

30

 (1) ex 8543 70 90

90

 (1) ex 9001 90 00

60


(1)  Gewijzigde positie.


30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/18


VERORDENING (EG) Nr. 565/2009 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2009

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 30 juni 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

46,5

MK

25,6

TR

51,5

ZZ

41,2

0707 00 05

MK

27,4

TR

106,3

ZZ

66,9

0709 90 70

TR

107,7

ZZ

107,7

0805 50 10

AR

52,4

TR

64,0

ZA

65,3

ZZ

60,6

0808 10 80

AR

81,4

BR

72,8

CL

77,4

CN

102,4

NZ

109,8

US

147,3

UY

55,1

ZA

86,2

ZZ

91,6

0809 10 00

TR

229,1

US

172,2

ZZ

200,7

0809 20 95

SY

197,7

TR

323,5

US

377,7

ZZ

299,6

0809 30

TR

104,9

US

175,8

ZZ

140,4

0809 40 05

US

196,2

ZZ

196,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/20


VERORDENING (EG) Nr. 566/2009 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2009

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Melton Mowbray Pork Pie (BGA))

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Melton Mowbray Pork Pie” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

(3)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 kan een overgangsperiode worden ingesteld voor ondernemingen die gevestigd zijn in de lidstaat of het derde land waar het geografische gebied zich bevindt, als de betrokken ondernemingen de producten legaal in de handel hebben gebracht en daarbij de betreffende benamingen minstens vijf jaar vóór de in artikel 6, lid 2, van die verordening vermelde datum van bekendmaking continu hebben gebruikt en het probleem tijdens de in artikel 5, lid 5, van bovengenoemde verordening vermelde nationale bezwaarprocedure aan de orde is gesteld.

(4)

Op 6 april 2009 heeft de Commissie een brief van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk ontvangen waarin deze bevestigen dat de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen Pork Farms Ltd, Stobarts Ltd en Kerry Foods Ltd aan de voorwaarden van artikel 13, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 voldoen.

(5)

Aan de bovengenoemde ondernemingen moet derhalve toestemming worden verleend om de geregistreerde benaming „Melton Mowbray Pork Pie” te blijven gebruiken gedurende een overgangsperiode van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

De ondernemingen Pork Farms Ltd, Stobarts Ltd et Kerry Foods Ltd krijgen evenwel toestemming om deze benaming te blijven gebruiken gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2009.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 85 van 4.4.2008, blz. 17.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.2.   Vleesproducten (verhit, gezouten, gerookt enz.)

VERENIGD KONINKRIJK

Melton Mowbray Pork Pie (BGA)


30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/22


VERORDENING (EG) Nr. 567/2009 VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2009

houdende inschrijving van een benaming in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten (Pierekaczewnik (GTS))

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 9, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 8, lid 2, eerste alinea, en artikel 19, lid 3, van Verordening (EG) nr. 509/2006 is de door Polen ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Pierekaczewnik” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 509/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten.

(3)

Er is niet om de in artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 509/2006 bedoelde bescherming verzocht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2009.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 1.

(2)  PB C 269 van 24.10.2008, blz. 11.


BIJLAGE

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 509/2006 bedoelde levensmiddelen:

Categorie 2.3.   Suikerwerk, brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren

POLEN

Pierekaczewnik (GTS)


RICHTLIJNEN

30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/24


RICHTLIJN 2009/52/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juni 2009

tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 63, lid 3, onder b,

Gezien het Commissievoorstel,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad op zijn bijeenkomst van 14 en 15 december 2006 is overeengekomen dat de samenwerking tussen de lidstaten in de bestrijding van illegale immigratie versterkt moet worden en in het bijzonder dat de maatregelen tegen illegale tewerkstelling op het niveau van de lidstaten en de Europese Unie geïntensiveerd moeten worden.

(2)

Een cruciale aantrekkende factor bij illegale immigratie in de Europese Unie is de mogelijkheid om in de Europese Unie werk te vinden zonder de vereiste juridische status. Optreden tegen illegale immigratie en illegaal verblijf moet daarom maatregelen tegen die aantrekkende factor omvatten.

(3)

De kern van die maatregelen moet bestaan uit een algemeen verbod op de tewerkstelling van onderdanen van derde landen die geen recht op verblijf in de Europese Unie hebben, aangevuld met sancties tegen werkgevers die dat verbod overtreden.

(4)

Deze richtlijn voorziet in minimumnormen en het staat de lidstaten bijgevolg vrij strengere sancties en maatregelen vast te stellen of te behouden en werkgevers strengere verplichtingen op te leggen.

(5)

Deze richtlijn mag geen betrekking hebben op onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, ongeacht of zij op zijn grondgebied mogen werken. Voorts is de richtlijn niet van toepassing op personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen in de zin van artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (4). Zij is evenmin van toepassing op onderdanen van derde landen die zich in een door de communautaire wetgeving bestreken situatie bevinden, zoals personen die in een lidstaat wettig zijn tewerkgesteld en door een dienstverrichter in het kader van de dienstverrichting naar een andere lidstaat zijn gedetacheerd. De richtlijn geldt onverminderd een verbod krachtens nationaal recht op de tewerkstelling van legaal verblijvende onderdanen van derde landen die in strijd met hun verblijfsstatus werken.

(6)

Voor de specifieke doeleinden van deze richtlijn, moeten bepaalde begrippen worden gedefinieerd. Deze definities behoren alleen te worden gebruikt voor de doeleinden van deze richtlijn.

(7)

De definitie van tewerkstelling moet zijn samenstellende elementen omvatten, namelijk activiteiten die worden of behoren te worden bezoldigd en die voor of onder leiding en/of toezicht van een werkgever worden uitgevoerd, ongeacht de onderliggende rechtsverhouding.

(8)

De definitie van werkgever kan een vereniging van personen omvatten, die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar geen rechtspersoonlijkheid bezit.

(9)

Om de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen te voorkomen, moet van werkgevers worden geëist dat zij vóór de indienstneming van een onderdaan van een derde land, ook wanneer de onderdaan van het derde land in het kader van dienstverlening wordt aangeworven met het oog op detachering naar een andere lidstaat, controleren of de onderdaan van het derde land beschikt over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf waaruit blijkt dat hij of zij legaal op het grondgebied van de lidstaat van aanwerving verblijft.

(10)

Om de lidstaten in staat te stellen valse documenten op te sporen, moet ook van de werkgevers worden geëist dat zij de bevoegde instanties in kennis stellen van de indienstneming van een onderdaan van een derde land. Om de administratieve belasting tot een minimum te beperken dienen de lidstaten de keuze te hebben om deze kennisgevingen uit te laten voeren in het kader van andere kennisgevingsprogramma’s. De lidstaten moeten de keuze hebben te besluiten tot een vereenvoudigde procedure van kennisgeving door werkgevers die natuurlijke personen zijn, indien de tewerkstelling hun persoonlijke doelen dient.

(11)

Werkgevers die aan de verplichtingen van deze richtlijn hebben voldaan, zouden niet aansprakelijk moeten worden gesteld voor het tewerkstellen van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen; dit geldt met name wanneer de bevoegde instantie achteraf constateert dat het door een werknemer voorgelegde document vervalst of onrechtmatig gebruikt was, tenzij de werkgever op de hoogte was van deze vervalsing.

(12)

Teneinde voor werkgevers het nakomen van hun verplichtingen te vergemakkelijken, dienen de lidstaten al het mogelijke te doen om verzoeken voor verlenging van verblijfsvergunningen tijdig af te handelen.

(13)

Met het oog op de handhaving van het algemeen verbod en het ontmoedigen van overtredingen moeten de lidstaten passende sancties vaststellen. Die moeten financiële sancties en bijdragen tot de kosten van de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen bevatten, alsook de mogelijkheid tot lagere financiële sancties voor werkgevers die natuurlijke personen zijn, indien de tewerkstelling hun persoonlijke doelen dient.

(14)

Van de werkgever moet in ieder geval worden geëist dat hij aan de onderdanen van derde landen het volledige nog verschuldigde loon voor hun geleverde werk betaalt, alsmede de nog verschuldigde belastingen en socialezekerheidsbijdragen. Indien de hoogte van het loon niet kan worden bepaald, moet dit geacht worden ten minste overeen te komen met het loon vastgesteld in de toepasselijke wetgeving inzake minimumlonen, in collectieve arbeidsovereenkomsten of overeenkomstig de gevestigde praktijk in de betrokken bedrijfstakken. Zo nodig moet de werkgever eveneens verplicht worden de kosten te dragen van het verzenden van het nog verschuldigde loon naar het land waarnaar de illegaal tewerkgestelde onderdaan van een derde land is teruggekeerd of teruggestuurd. In die gevallen waarbij nabetalingen niet door de werkgever werden verricht, zijn de lidstaten niet verplicht aan deze verplichting te voldoen in de plaats van de werkgever.

(15)

Een illegaal tewerkgestelde onderdaan van een derde land kan noch aan de illegale arbeidsverhouding, noch aan de betaling of nabetaling van loon, socialezekerheidsbijdragen of belastingen door de werkgever of een in de plaats van de werkgever tot voldoening gehouden juridische entiteit enig recht ontlenen tot binnenkomst, verblijf, of toegang tot de arbeidsmarkt.

(16)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat vorderingen worden of kunnen worden ingediend en dat er mechanismen zijn vastgesteld om te verzekeren dat de ingevorderde bedragen van nog verschuldigd loon kunnen worden ontvangen door de onderdanen van derde landen die er recht op hebben. lidstaten moeten niet worden verplicht om hun missies of vertegenwoordiging in derde landen bij deze mechanismen te betrekken. De lidstaten moeten in het kader van de vaststelling van doelmatige mechanismen voor het vergemakkelijken van het indienen van klachten, en indien de nationale wetgeving hierin niet reeds voorziet, de mogelijkheid en toegevoegde waarde overwegen om een bevoegde instantie te machtigen om procedures tegen een werkgever op te starten ten einde nog verschuldigd loon in te vorderen.

(17)

De lidstaten moeten bovendien een rechtsvermoeden invoeren dat de arbeidsverhouding ten minste drie maanden heeft bestaan, zodat de bewijslast met betrekking tot de duur op de werkgever rust. Onder meer moet de werknemer ook de mogelijkheid hebben het bewijs te leveren van het bestaan van een arbeidsverhouding en van de duur ervan.

(18)

De lidstaten moeten voorzien in de mogelijkheid van verdere sancties tegen werkgevers, onder meer de uitsluiting van het recht op bepaalde of alle overheidsuitkeringen, steun of subsidies, inclusief landbouwsubsidies, de uitsluiting van overheidsopdrachten, en de terugvordering van bepaalde of alle overheidsuitkeringen, steun of subsidies, inclusief door de lidstaten beheerde EU-financiering die al zijn toegekend. De lidstaten moeten zelf kunnen beslissen om deze verdere sancties niet op te leggen aan natuurlijke personen, indien de tewerkstelling hun persoonlijke doelen dient.

(19)

Deze richtlijn, en met name de artikelen 7, 10 en 12, mag geen afbreuk doen aan Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5).

(20)

Aangezien in bepaalde getroffen sectoren onderaanneming gebruikelijk is, moet ervoor worden gezorgd dat ten minste de aannemer van wie de werkgever een rechtstreekse onderaannemer is, aansprakelijk kan worden gehouden voor de betaling van financiële sancties naast of in plaats van de werkgever. In specifieke gevallen kunnen andere onderaannemers aansprakelijk worden gehouden voor de betaling van financiële sancties naast of in plaats van een werkgever van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Tot de nabetalingen van loon die onder de aansprakelijkheidsbepalingen van deze richtlijn vallen, moeten ook de bijdragen aan de bij wet of collectieve arbeidsovereenkomsten gereglementeerde nationale fondsen voor vakantiegeld en sociale fondsen behoren.

(21)

De bestaande sanctiesystemen zijn onvoldoende gebleken om te komen tot een volledige naleving van het verbod op de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Een van de redenen is dat administratieve sancties alleen waarschijnlijk onvoldoende zijn om bepaalde gewetenloze werkgevers af te schrikken. Naleving kan en moet worden versterkt door de toepassing van strafrechtelijke sancties.

(22)

Om de volledige doeltreffendheid van het algemene verbod te garanderen is het dus noodzakelijk meer afschrikwekkende sancties vast te stellen in ernstige gevallen zoals aanhoudend herhaalde inbreuken, illegale tewerkstelling van een aanzienlijk aantal onderdanen van derde landen, arbeidsgerelateerde uitbuiting, bekendheid bij de werkgever dat de werknemer het slachtoffer is van mensenhandel, en illegale tewerkstelling van een minderjarige. Deze richtlijn verplicht de lidstaten in hun nationale wetgeving strafrechtelijke sancties voor deze ernstige overtredingen op te nemen. Zij schept geen verplichtingen met betrekking tot de toepassing van deze sancties of een ander beschikbaar rechtshandhavingsinstrument in individuele gevallen.

(23)

In alle gevallen die overeenkomstig deze richtlijn als ernstig worden beschouwd, moet een opzettelijk begane inbreuk in de gehele Gemeenschap als een strafbaar feit worden beschouwd. De bepalingen van deze richtlijn met betrekking tot strafbare feiten moeten de toepassing van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel (6) onverlet laten.

(24)

Het strafbare feit moet bestraft kunnen worden met doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende strafrechtelijke sancties. De verplichting te zorgen voor doelmatige, evenredige en afschrikwekkende strafrechtelijke sancties overeenkomstig deze richtlijn laat de interne organisatie van het strafrecht en de strafrechtspleging in de lidstaten onverlet.

(25)

Rechtspersonen moeten eveneens verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten, daar tal van werkgevers rechtspersonen zijn. De bepalingen van deze richtlijn brengen niet de verplichting voor de lidstaten met zich mee strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen in te voeren.

(26)

Ter vergemakkelijking van de handhaving van deze richtlijn moeten er doeltreffende klachtmechanismen bestaan aan de hand waarvan onderdanen van derde landen hun klachten rechtstreeks of via aangewezen derden zoals vakbonden of andere verenigingen kunnen indienen. De aangewezen derden moeten bij het verlenen van steun voor de indiening van klachten worden beschermd tegen mogelijke sancties op grond van regels inzake een verbod op hulp bij illegaal verblijf.

(27)

Ter aanvulling van de klachtmechanismen moet aan lidstaten de vrijheid worden geboden aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn geweest van arbeidsgerelateerde uitbuiting of die als minderjarige illegaal tewerk zijn gesteld en meewerken in de strafzaak tegen hun werkgever, verblijfsvergunningen af te geven van beperkte duur die gerelateerd is aan de lengte van de desbetreffende nationale procedures. Deze verblijfsvergunningen moeten worden afgegeven op basis van regelingen die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor onderdanen van derde landen die vallen onder Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie als ze meewerken met de bevoegde autoriteiten (7).

(28)

Om voor een toereikende handhaving van deze richtlijn te zorgen en verschillen in handhaving tussen de lidstaten zo veel mogelijk te beperken, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat op hun grondgebied doeltreffende en adequate inspecties worden verricht, en moeten zij de Commissie inlichten over de verrichte inspecties.

(29)

De lidstaten moeten worden aangemoedigd ieder jaar een nationale doelstelling vast te leggen voor het aantal inspecties met betrekking tot de bedrijfssectoren waarin de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen is geconcentreerd op hun grondgebied.

(30)

Om de doelmatigheid van de inspecties met het oog op toepassing van deze richtlijn op te voeren, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de nationale wetgeving aan de bevoegde instanties adequate bevoegdheden geeft om inspecties uit te voeren, dat gegevens over illegale tewerkstelling, met inbegrip van de resultaten van voorgaande inspecties, met het oog op de doelmatige tenuitvoerlegging van deze richtlijn worden verzameld en verwerkt, en dat er voldoende personeel beschikbaar is met de vaardigheden en een opleiding die noodzakelijk zijn om de inspecties doelmatig uit te voeren.

(31)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat inspecties met het oog op toepassing van deze richtlijn vanuit een kwantitatief of kwalitatief oogpunt geen invloed hebben op de inspecties die worden uitgevoerd ter beoordeling van de tewerkstellings- en arbeidsomstandigheden.

(32)

Wat betreft gedetacheerde werknemers die onderdaan zijn van derde landen, kunnen de inspecterende instanties van de lidstaten gebruikmaken van de samenwerking en de uitwisseling van gegevens overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (8), om te controleren of de onderdanen van derde landen legaal tewerkgesteld zijn in de lidstaat van herkomst.

(33)

Deze richtlijn dient te worden gezien als aanvulling op maatregelen tegen zwart werk en uitbuiting.

(34)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (9) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(35)

Iedere verwerking van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van deze richtlijn dient in overeenstemming te zijn met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (10).

(36)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de bestrijding van illegale immigratie door maatregelen tegen tewerkstelling als aantrekkende factor, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van deze richtlijn beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(37)

In deze richtlijn worden de fundamentele rechten en de beginselen nageleefd die met name zijn verankerd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Meer in het bijzonder moet zij worden toegepast met gepaste eerbiediging van de vrijheid van ondernemerschap, gelijkheid voor de wet en het beginsel van non-discriminatie, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces en het legaliteits- en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen, overeenkomstig de artikelen 16, 20, 21, 47 en 49 van het Handvest.

(38)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen deze lidstaten niet deel aan de aanneming van deze richtlijn. Deze richtlijn is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in het Verenigd Koninkrijk en Ierland.

(39)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de positie van Denemarken, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze richtlijn. Deze richtlijn is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in Denemarken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN AANGENOMEN:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Met het oog op de bestrijding van illegale immigratie verbiedt deze richtlijn de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Met het oog hierop worden in de richtlijn gemeenschappelijke minimumnormen inzake sancties en maatregelen vastgesteld die in de lidstaten worden toegepast op werkgevers die dat verbod overtreden.

Artikel 2

Definities

Voor de specifieke doeleinden van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)   „onderdaan van een derde land”: eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag en die geen persoon is die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt, als bepaald in artikel 2, lid 5, van de Schengengrenscode;

b)   „illegaal verblijvende onderdaan van een derde land”: een onderdaan van een derde land die aanwezig is op het grondgebied van een lidstaat en die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf of vestiging in die lidstaat;

c)   „tewerkstelling”: het verrichten van activiteiten die bestaan uit om het even welke vorm van arbeid of werk die door nationale wetgeving of overeenkomstig de gevestigde praktijk is geregeld, voor of onder leiding en/of toezicht van een werkgever;

d)   „illegale tewerkstelling”: tewerkstelling van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land;

e)   „werkgever”: een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, uitzendondernemingen daaronder begrepen, voor of onder wiens leiding en/of toezicht de tewerkstelling plaatsvindt;

f)   „onderaannemer”: een natuurlijk persoon of een rechtspersoon aan wie de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de verplichtingen van een voorafgaande overeenkomst is toegewezen;

g)   „rechtspersoon”: iedere juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van staten of overheidslichamen in de uitoefening van het overheidsgezag, en van publiekrechtelijke internationale organisaties;

h)   „uitzendonderneming”: iedere natuurlijke of rechtspersoon die, overeenkomstig het nationale recht, een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding aangaat met uitzendkrachten teneinde deze ter beschikking te stellen van inlenende ondernemingen om daar onder toezicht en leiding van deze ondernemingen tijdelijk te werken;

i)   „arbeidsgerelateerde uitbuiting”: arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, ook die voortvloeien uit discriminatie op grond van geslacht of anderszins, waarin er een opvallende wanverhouding bestaat in vergelijking met de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die gelden voor legaal tewerkgestelde werknemers, waardoor bijvoorbeeld de gezondheid en veiligheid van de werknemers in gevaar worden gebracht, en die indruisen tegen de menselijke waardigheid;

j)   „loon van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen”: beloning of salaris en alle andere vergoedingen in contanten of in natura, die de werknemer al dan niet rechtstreeks met betrekking tot zijn tewerkstelling ontvangt van zijn werkgever en die gelijkwaardig zijn aan wat vergelijkbare, in een legale arbeidsverhouding tewerkgestelde, werknemers zouden hebben ontvangen.

Artikel 3

Verbod op illegale tewerkstelling

1.   De lidstaten verbieden de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.

2.   Inbreuken op dit verbod worden bestraft met de in deze richtlijn vastgestelde sancties en maatregelen.

3.   Een lidstaat kan beslissen om het in lid 1 bepaalde verbod niet toe te passen op de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen van wie de verwijdering is uitgesteld en die overeenkomstig het nationale recht mogen werken.

Artikel 4

Verplichtingen van werkgevers

1.   De lidstaten verplichten de werkgevers:

a)

van onderdanen van derde landen te eisen dat zij voor de aanvang van hun werkzaamheden een geldige verblijfsvergunning of andere machtiging tot verblijf bezitten en aan de werkgever voorleggen;

b)

ten minste voor de duur van de tewerkstelling een afschrift of de gegevens van de verblijfsvergunning of andere verblijfsmachtiging beschikbaar te houden voor eventuele inspectie door de bevoegde instanties van de lidstaten;

c)

de door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties, binnen een door iedere lidstaat te bepalen termijn, in kennis te stellen van de aanvang van de tewerkstelling van onderdanen van derde landen.

2.   De lidstaten kunnen, indien de werkgever een natuurlijk persoon is en de tewerkstelling persoonlijke doelen dient, een vereenvoudigde procedure van kennisgeving overeenkomstig lid 1, onder c), vastleggen.

De lidstaten kunnen bepalen dat kennisgeving overeenkomstig lid 1, onder c), niet vereist is indien aan de werknemer een vergunning voor langdurig verblijf is verleend overeenkomstig Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (11).

3.   De lidstaten zien erop toe dat werkgevers die aan de in lid 1 opgesomde verplichtingen hebben voldaan, niet aansprakelijk worden gesteld voor inbreuk op het in artikel 3 bedoelde verbod, tenzij zij ervan op de hoogte waren dat het als geldige verblijfsvergunning of verblijfsmachtiging voorgelegde document een vervalsing was.

Artikel 5

Financiële sancties

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat inbreuken op het in artikel 3 bedoelde verbod leiden tot doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties tegen de werkgever.

2.   Tot de sancties wegens inbreuken op het in artikel 3 bedoelde verbod behoren:

a)

financiële sancties waarvan het bedrag stijgt naargelang het aantal illegaal tewerkgestelde onderdanen van derde landen, en

b)

betaling van de terugkeerkosten van illegaal tewerkgestelde onderdanen van derde landen wanneer terugkeerprocedures worden toegepast. In plaats daarvan kunnen de lidstaten besluiten minstens de gemiddelde terugkeerkosten onderdeel uit te laten maken van de financiële sancties als bedoeld in onder a).

3.   De lidstaten kunnen lagere financiële sancties vaststellen indien de werkgever een natuurlijk persoon is die een illegaal verblijvend onderdaan van een derde land voor persoonlijke doelen in dienst heeft zonder dat er sprake is van arbeidsgerelateerde uitbuiting.

Artikel 6

Nabetalingen door werkgevers

1.   Met betrekking tot inbreuken op het in artikel 3 bedoelde verbod zorgen de lidstaten ervoor dat de werkgever verantwoordelijk is voor de betaling van:

a)

het aan de illegaal tewerkgestelde onderdaan van een derde land nog verschuldigde loon. Het overeengekomen loonniveau wordt geacht ten minste gelijk te zijn aan het loon dat is vastgesteld in de toepasselijke wetgeving inzake minimumlonen, collectieve overeenkomsten of overeenkomstig de gevestigde praktijk in de betrokken bedrijfstak, tenzij hetzij de werkgever hetzij de werknemer het tegendeel kunnen bewijzen, en, waar nodig, met inachtneming van de toepasselijke nationale loonvoorschriften;

b)

een bedrag gelijk aan de belastingen en socialezekerheidsbijdragen die de werkgever zou hebben betaald als de onderdaan van een derde land legaal was tewerkgesteld, met inbegrip van boetes wegens achterstallige betalingen en van toepassing zijnde administratieve boetes;

c)

indien van toepassing, de kosten die samenhangen met de verzending van nabetalingen naar het land waarnaar de onderdaan van een derde land is teruggekeerd of is teruggestuurd.

2.   Om ervoor te zorgen dat doelmatige procedures beschikbaar zijn om lid 1, onder a) en c), toe te passen, en met inachtneming van artikel 13, stellen de lidstaten mechanismen vast om te waarborgen dat illegaal tewerkgestelde onderdanen van een derde land:

a)

tegen hun werkgevers, afhankelijk van de verjaringstermijn neergelegd in de nationale wetgeving, een vordering kunnen instellen en uiteindelijk een uitspraak kunnen afdwingen tegen de werkgever wegens achterstallige loonsommen, ook in gevallen waarin zij zijn teruggekeerd of teruggestuurd, of

b)

indien de nationale wetgeving hierin voorziet, een beroep kunnen doen op de bevoegde instanties van de lidstaat, om procedures in werking te stellen om de achterstallige loonsommen in te vorderen, zonder dat de onderdaan van een derde land in dat geval een vordering moet instellen.

Illegaal tewerkgestelde onderdanen van een derde land worden stelselmatig en objectief voorgelicht over hun rechten voortvloeiend uit dit lid en artikel 13, voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van een terugkeerbeslissing.

3.   Met het oog op toepassing van lid 1, onder a) en b), bepalen de lidstaten dat wordt uitgegaan van een dienstverband van minstens drie maanden, tenzij onder meer de werkgever of de werknemer het tegendeel kunnen bewijzen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nodige mechanismen beschikbaar zijn om te verzekeren dat illegaal tewerkgestelde onderdanen van derde landen elke nabetaling van loon bedoeld in lid 1, onder a), kunnen ontvangen, die zijn ingevorderd als deel van de vorderingen bedoeld in lid 2, ook wanneer zij teruggekeerd of teruggestuurd zijn.

5.   Ingeval overeenkomstig artikel 13, lid 4, verblijfsvergunningen van beperkte duur zijn verleend, bepalen de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving de voorwaarden waaronder de duur van deze vergunningen kan worden verlengd tot de onderdaan van een derde land de nabetaling van loon heeft ontvangen dat is ingevorderd overeenkomstig lid 1 van dit artikel.

Artikel 7

Overige maatregelen

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat werkgevers, zo nodig ook aan de volgende maatregelen worden onderworpen:

a)

uitsluiting van het recht op bepaalde of alle overheidsuitkeringen, steun of subsidies met inbegrip van door de lidstaten beheerde EU-financiering gedurende ten hoogste vijf jaar;

b)

uitsluiting van deelname aan overheidsopdrachten als bepaald in Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (12) gedurende ten hoogste vijf jaar;

c)

terugvordering van bepaalde of alle overheidsuitkeringen, steun of subsidies, met inbegrip van door de lidstaten beheerde EU-financiering, die aan de werkgever zijn toegekend gedurende ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de vaststelling van de illegale tewerkstelling;

d)

het tijdelijk of definitief sluiten van de vestigingen die voor de inbreuken zijn gebruikt, of het tijdelijk of definitief intrekken van de vergunning voor de bedrijfsactiviteit in kwestie, indien gerechtvaardigd door de ernst van de inbreuk.

2.   De lidstaten kunnen besluiten lid 1 niet toe te passen indien de werkgevers natuurlijke personen zijn en de tewerkstelling hun persoonlijke doeleinden dient.

Artikel 8

Onderaanneming

1.   Wanneer de werkgever een onderaannemer is en onverminderd de bepalingen van intern recht betreffende het recht op bijdrage of verhaal of de bepalingen van nationaal recht op het gebied van sociale zekerheid, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat de aannemer van wie de werkgever een rechtstreekse onderaannemer is, naast of in plaats van de werkgever tot betaling kan worden gehouden van:

a)

alle krachtens artikel 5 opgelegde financiële sancties, en

b)

alle nabetalingen krachtens artikel 6, lid 1, onder a) en c), en artikel 6, leden 2 en 3.

2.   Wanneer de werkgever een onderaannemer is, zorgen de lidstaten ervoor dat de hoofdaannemer en iedere intermediaire aannemer, indien zij op de hoogte waren dat de tewerkstellende onderaannemer illegaal verblijvende onderdanen van een derde land in dienst had, aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de in lid 1 bedoelde betalingen, naast of in plaats van de tewerkstellende onderaannemer of de aannemer van wie de werkgever een rechtstreekse onderaannemer is.

3.   Een aannemer die gepaste zorgvuldigheid heeft betracht overeenkomstig het nationale recht kan niet uit hoofde van lid 1 of lid 2 aansprakelijk worden gehouden.

4.   De lidstaten kunnen in de nationale wetgeving striktere aansprakelijkheidsregels vastleggen.

Artikel 9

Strafbare feiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het in artikel 3 bedoelde verbod als strafbaar feit wordt aangemerkt wanneer deze opzettelijk wordt gepleegd, in elk van de volgende omstandigheden als bepaald in het nationale recht:

a)

de inbreuk blijft doorgaan of wordt voortdurend herhaald;

b)

de inbreuk heeft betrekking op de gelijktijdige tewerkstelling van een aanzienlijk aantal illegaal verblijvende onderdanen van derde landen;

c)

de inbreuk gaat gepaard met arbeidsgerelateerde uitbuiting;

d)

de inbreuk wordt begaan door een werkgever die weliswaar niet beschuldigd is van of veroordeeld voor een overtreding overeenkomstig Kaderbesluit 2002/629/JBZ, maar die werk of diensten laat verrichten door een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land in de wetenschap dat deze persoon het slachtoffer van mensenhandel is;

e)

de inbreuk betreft de illegale tewerkstelling van een minderjarige.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat uitlokking van en hulp en medeplichtigheid aan de in lid 1 bedoelde opzettelijke handelingen strafbaar worden gesteld als een strafrechtelijk feit.

Artikel 10

Strafrechtelijke sancties

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de natuurlijke personen die het in artikel 9 bedoelde strafbare feit plegen strafbaar zijn met doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende strafrechtelijke sancties.

2.   Tenzij dit door algemene rechtsbeginselen wordt verboden, kunnen de in dit artikel bedoelde strafrechtelijke sancties krachtens het nationale recht worden uitgevoerd onverminderd andere sancties of maatregelen van niet-strafrechtelijke aard, en zij kunnen worden vergezeld van publicatie van de gerechtelijke beslissing die op de zaak van toepassing is.

Artikel 11

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een in artikel 9 bedoelde inbreuk wanneer deze tot hun voordeel is gepleegd door een persoon die een leidende positie binnen die rechtspersoon bekleedt en hetzij individueel hetzij als onderdeel van een orgaan van de rechtspersoon handelt op basis van:

a)

de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon;

b)

de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of

c)

de bevoegdheid om binnen de rechtspersoon controle uit te oefenen.

2.   De lidstaten zorgen er eveneens voor dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld wanneer, bij gebrek aan supervisie of toezicht door een in lid 1 bedoelde persoon, het in artikel 9 bedoelde strafbare feit ten voordele van die rechtspersoon is begaan door een ondergeschikte van die rechtspersoon.

3.   De aansprakelijkheid van een rechtspersoon krachtens de leden 1 en 2 sluit geen strafrechtelijke procedures uit tegen natuurlijke personen die als dader, aanzetter of medeplichtige bij het in artikel 9 bedoelde strafbaar feit zijn betrokken.

Artikel 12

Sancties tegen rechtspersonen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen die op grond van artikel 11 aansprakelijk zijn gesteld, kunnen worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties, waaronder eventueel maatregelen zoals bedoeld in artikel 7.

Lidstaten kunnen besluiten een lijst van werkgevers die rechtspersonen zijn en die aansprakelijk zijn gesteld voor de strafbare feiten bedoeld in artikel 9 openbaar te maken.

Artikel 13

Faciliteren van klachten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat er doeltreffende mechanismen bestaan aan de hand waarvan illegaal tewerkgestelde onderdanen van derde landen rechtstreeks of middels door de lidstaten aangewezen derden zoals vakverenigingen of andere verenigingen of een bevoegde instantie van de lidstaat, indien de nationale wetgeving hierin voorziet, een klacht tegen hun werkgever kunnen indienen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat derde partijen die, overeenkomstig de in hun nationale wetgeving vastgelegde normen, een legitiem belang hebben bij waarborging van de naleving van deze richtlijn, namens of ter ondersteuning van een illegaal tewerkgestelde onderdaan van een derde land met diens instemming administratieve of burgerlijke procedures kunnen aanspannen met het oog op tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

3.   Onderdanen van derde landen helpen met het indienen van een klacht wordt niet beschouwd als hulpverlening bij illegaal verblijf op grond van Richtlijn 2002/90/EG van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (13).

4.   Met betrekking tot onder artikel 9, lid 1, onder c) of e), vallende strafbare feiten bepalen de lidstaten op grond van het nationale recht de voorwaarden waarop zij op basis van een beoordeling van het individuele geval aan betrokken onderdanen van derde landen een verblijfsvergunning van beperkte duur kunnen afgeven, gekoppeld aan de lengte van de desbetreffende nationale procedure, op basis van regelingen die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor onderdanen van een derde land die vallen onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/81/EG.

Artikel 14

Inspecties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied doeltreffende en adequate inspecties worden verricht met het oog op het controleren van de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Deze inspecties zijn primair gebaseerd op een door de bevoegde instanties van de lidstaten opgestelde risicobeoordeling.

2.   Teneinde de doeltreffendheid van de inspecties te vergroten, gaan de lidstaten op basis van een risicobeoordeling regelmatig na in welke bedrijfstakken de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen op hun grondgebied het meest voorkomt.

Voor elk van deze bedrijfstakken stellen zij de Commissie vóór 1 juli van elk jaar op de hoogte van de inspecties, in absolute cijfers en als percentage van het aantal werkgevers in elke sector, die in het voorgaande jaar zijn uitgevoerd en van de resultaten daarvan.

Artikel 15

Gunstiger bepalingen

Deze richtlijn laat onverlet dat de lidstaten bepalingen kunnen aannemen of handhaven die gunstiger zijn voor de onderdanen van een derde land waarop zij van toepassing is in verband met de artikelen 6 en 13, mits deze bepalingen verenigbaar zijn met deze richtlijn.

Artikel 16

Verslaglegging

1.   De Commissie dient uiterlijk op 20 juli 2014 en vervolgens om de drie jaar een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, zo nodig vergezeld van voorstellen tot wijziging van de bepalingen in de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14. Zij onderzoekt in haar verslag in het bijzonder de wijze waarop de lidstaten artikel 6, leden 2 en 5, ten uitvoer leggen.

2.   De lidstaten doen de Commissie alle informatie toekomen die zij nodig heeft voor het opstellen van het in lid 1 bedoelde verslag, zoals het aantal en de resultaten van de uit hoofde van artikel 14, lid 1 uitgevoerde inspecties, maatregelen overeenkomstig artikel 13 en, voor zover mogelijk, de krachtens de artikelen 6 en 7 toegepaste maatregelen.

Artikel 17

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 20 juli 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld daarvan in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 19

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Brussel, 18 juni 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

Š. FÜLE


(1)  PB C 204 van 9.8.2008, blz. 70.

(2)  PB C 257 van 9.10.2008, blz. 20.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 4 februari 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 25 mei 2009.

(4)  PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1.

(5)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(6)  PB L 203 van 1.8.2002, blz. 1.

(7)  PB L 261 van 6.8.2004, blz. 19.

(8)  PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.

(9)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(10)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(11)  PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44.

(12)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.

(13)  PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17.


30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/33


RICHTLIJN 2009/53/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juni 2009

tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG, wat wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen betreft

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (3), Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (4) en Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (5) bevatten geharmoniseerde voorschriften voor het verlenen van vergunningen voor, het toezicht op en de bewaking van geneesmiddelen in de Gemeenschap.

(2)

Krachtens deze voorschriften kunnen vergunningen voor het in de handel brengen worden verleend volgens geharmoniseerde communautaire procedures. De voorwaarden voor die vergunningen kunnen naderhand worden gewijzigd wanneer bijvoorbeeld het productieproces of het adres van de fabrikant verandert.

(3)

Artikel 39 van Richtlijn 2001/82/EG en artikel 35 van Richtlijn 2001/83/EG machtigen de Commissie een uitvoeringsverordening vast te stellen voor wijzigingen die naderhand zijn aangebracht in vergunningen voor het in de handel brengen, die zijn verleend in overeenstemming met, respectievelijk, titel III, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2001/82/EG en titel III, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2001/83/EG. De Commissie stelde daarom Verordening (EG) nr. 1084/2003 van de Commissie van 3 juni 2003 betreffende het onderzoek van wijzigingen in de voorwaarden van een door een bevoegde instantie van een lidstaat verleende vergunning voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (6) vast.

(4)

De meeste geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik die thans in de handel zijn, zijn evenwel toegelaten in het kader van een zuiver nationale procedure, zodat zij buiten de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 1084/2003 vallen. Wijzigingen van vergunningen voor het in de handel brengen die in het kader van een zuiver nationale procedure zijn verleend, vallen daarom onder de nationale voorschriften.

(5)

Terwijl alle vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen in de Gemeenschap overeenkomstig geharmoniseerde voorschriften worden verleend, is dit bijgevolg niet het geval voor wijzigingen van de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen.

(6)

Om redenen van volksgezondheid en juridische coherentie, en met het oog op beperking van de administratieve belasting en verbetering van de voorspelbaarheid voor de marktdeelnemers, moeten voor wijzigingen van alle soorten vergunningen voor het in de handel brengen geharmoniseerde voorschriften gelden.

(7)

In de door de Commissie aangenomen voorschriften betreffende wijzigingen moet met name aandacht worden besteed aan de vereenvoudiging van de administratieve procedures. Derhalve moet de Commissie, bij de vaststelling van deze regels, voorzien in de mogelijkheid tot het indienen van één enkele aanvraag voor één of meer identieke wijzigingen in de voorwaarden van meerdere vergunningen voor het in de handel brengen.

(8)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (7) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(9)

Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 2001/82/EG

Richtlijn 2001/82/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 27 ter

De Commissie stelt passende regelingen vast voor het onderzoek van wijzigingen van de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen die in overeenstemming met deze richtlijn zijn verleend.

De Commissie stelt deze regelingen vast in de vorm van een uitvoeringsverordening. Die maatregel die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 89, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

2)

In artikel 39, lid 1, worden de tweede en de derde alinea geschrapt.

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn 2001/83/EG

Richtlijn 2001/83/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 23 ter

1.   De Commissie stelt passende regelingen vast voor het onderzoek van wijzigingen van de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen die in overeenstemming met deze richtlijn zijn verleend.

2.   De Commissie stelt de in lid 1 bedoelde regelingen vast in de vorm van een uitvoeringsverordening. Die maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 121, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.   Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde regelingen tracht de Commissie ervoor te zorgen dat het mogelijk wordt één enkele aanvraag in te dienen voor één of meer identieke wijzigingen in de voorwaarden van meerdere vergunningen voor het in de handel brengen.

4.   Een lidstaat mag nationale bepalingen inzake wijzigingen die van toepassing zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de uitvoeringsverordening blijven toepassen op voor 1 januari 1998 verleende vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen die alleen in die lidstaat zijn toegelaten. Wanneer voor een geneesmiddel dat volgens dit artikel is onderworpen aan nationale bepalingen vervolgens in een andere lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen wordt verleend, is de uitvoeringsverordening vanaf dat moment op dat geneesmiddel van toepassing.

5.   Wanneer een lidstaat overeenkomstig lid 4 besluit zijn nationale bepalingen te handhaven, stelt hij de Commissie daarvan in kennis. Wanneer daarvan tegen 20 januari 2011 geen kennisgeving heeft plaatsgevonden, is de uitvoeringsverordening van toepassing.”.

2)

In artikel 35, lid 1, worden de tweede en de derde alinea geschrapt.

Artikel 3

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 20 januari 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van de belangrijkste bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 18 juni 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

Š. FÜLE


(1)  PB C 27 van 3.2.2009, blz. 39.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 22 oktober 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 mei 2009.

(3)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1.

(4)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.

(5)  PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.

(6)  PB L 159 van 27.6.2003, blz. 1.

(7)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.


DOOR HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD GEZAMENLIJK AANGENOMEN BESLUITEN

30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/35


BESCHIKKING Nr. 568/2009/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juni 2009

tot wijziging van Beschikking 2001/470/EG van de Raad betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 61, onder c) en d), artikel 66 en artikel 67, lid 5, tweede streepje,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken tussen de lidstaten („het netwerk”) bij Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 (3) gaat uit van de gedachte dat de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in de Gemeenschap een betere, eenvoudigere en snellere justitiële samenwerking tussen de lidstaten vereist alsook een daadwerkelijke toegang tot de rechter voor personen die zijn betrokken bij grensoverschrijdende geschillen. Deze beschikking is op 1 december 2002 van toepassing geworden.

(2)

Volgens het door de Europese Raad van 4 en 5 november 2004 aangenomen Haagse Programma „Versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie” (4), moeten er verdere inspanningen worden geleverd om de toegang tot de rechter en de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken te vergemakkelijken. In dat programma wordt in het bijzonder de klemtoon gelegd op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van door het Europees Parlement en de Raad aangenomen instrumenten betreffende burgerlijke zaken alsook op de bevordering van de samenwerking tussen de juridische beroepsbeoefenaren teneinde beste praktijken in te voeren.

(3)

Conform artikel 19 van Beschikking 2001/470/EG heeft de Commissie op 16 mei 2006 een verslag over de werking van het netwerk gepresenteerd. De conclusie van dat verslag luidde dat het netwerk over het algemeen de hem in 2001 toegewezen doelstellingen heeft verwezenlijkt, maar dat het niettemin nog lang niet al zijn potentiële mogelijkheden heeft bereikt.

(4)

Om de doelstellingen van het Haagse Programma inzake de versterking van de justitiële samenwerking en inzake de verbetering van de toegang tot de rechter te verwezenlijken en om het hoofd te kunnen bieden aan de voor de komende jaren verwachte toename van het aantal taken van het netwerk, moet het netwerk over een juridisch kader beschikken dat meer mogelijkheden biedt om zijn actiemiddelen uit te breiden.

(5)

De werking van het netwerk in de lidstaten moet beter worden georganiseerd rond nationale contactpunten en bijgevolg moet de rol van de contactpunten zowel binnen het netwerk als ten aanzien van rechters en de juridische beroepen worden versterkt.

(6)

Daartoe moeten de lidstaten nagaan welke middelen zij ter beschikking moeten stellen van de contactpunten, opdat deze hun taken naar behoren kunnen vervullen. Deze beschikking dient de interne bevoegdheidsverdeling in de lidstaten met betrekking tot de financiering van de activiteiten van de nationale leden van het netwerk onverlet te laten.

(7)

Met hetzelfde doel moeten er in elke lidstaat een of meer contactpunten zijn die in staat zijn de hun toegewezen taken uit te voeren. Is er meer dan één contactpunt, dan moet de lidstaat zorgen voor een doelmatige onderlinge coördinatie.

(8)

Als krachtens een communautair of een internationaal instrument het recht van een andere lidstaat wordt aangewezen, moeten de contactpunten van het netwerk in de toekomst deelnemen aan het informeren van nationale gerechtelijke en buitengerechtelijke autoriteiten in de lidstaten over de inhoud van het vreemde recht.

(9)

De behandeling van verzoeken om justitiële samenwerking door de contactpunten moet geschieden op een wijze die qua snelheid verenigbaar is met de algemene doelstellingen van de beschikking.

(10)

Voor de berekening van de in deze beschikking vastgestelde termijnen dient Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (5) van toepassing te zijn.

(11)

Het elektronische register is bedoeld om informatie te verstrekken met het oog op de evaluatie van de werking van het netwerk en de praktische toepassing van communautaire instrumenten. Daarom hoeft niet alle informatie die tussen de contactpunten wordt uitgewisseld, in het register te worden opgenomen.

(12)

Beroepsorganisaties die juridische beroepsbeoefenaren vertegenwoordigen, in het bijzonder advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders, die rechtstreeks zijn betrokken bij de toepassing van communautaire en internationale instrumenten betreffende burgerlijk recht, kunnen via hun nationale organisaties lid worden van het netwerk om via de contactpunten bij te dragen aan enkele specifieke taken en activiteiten van het netwerk.

(13)

Om de taken van het netwerk inzake toegang tot de rechter verder uit te bouwen, moeten de contactpunten in de lidstaten bovendien bijdragen tot het verstrekken van algemene informatie aan de burger, met gebruikmaking van de meest geschikte technologische middelen, door ten minste op de websites van de ministeries van Justitie van de lidstaten een link aan te bieden naar de website van het netwerk en naar de autoriteiten die bevoegd zijn voor de concrete toepassing van die instrumenten. Deze beschikking mag echter niet worden geïnterpreteerd als houdende een verplichting voor de lidstaten om het publiek rechtstreekse toegang tot de contactpunten te verlenen.

(14)

Bij de uitvoering van deze beschikking moet rekening worden gehouden met de geleidelijke invoering van het Europese e-justitiesysteem, die vooral bedoeld is om de justitiële samenwerking en de toegang tot de rechter te vergemakkelijken.

(15)

Om het wederzijds vertrouwen tussen de rechters in de Unie en de positieve wederzijdse beïnvloeding tussen de daarbij betrokken Europese netwerken te versterken, moet het netwerk duurzame betrekkingen kunnen onderhouden met andere Europese netwerken die dezelfde doelstellingen hebben, in het bijzonder met de netwerken van justitiële instellingen en rechters.

(16)

Om de internationale justitiële samenwerking te helpen bevorderen, moet het netwerk wereldwijd contacten leggen met andere netwerken voor justitiële samenwerking, alsook met internationale organisaties die internationale justitiële samenwerking bevorderen.

(17)

Om regelmatig de voortgang bij het bereiken van de doelstellingen van Beschikking 2001/470/EG, zoals gewijzigd door deze beschikking, te kunnen opvolgen, moet de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslagen over de activiteiten van het netwerk indienen.

(18)

Beschikking 2001/470/EG dient bijgevolg te worden gewijzigd.

(19)

Aangezien de doelstelling van deze beschikking niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze beschikking niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(20)

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben, overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, kennis gegeven van hun wens om deel te nemen aan de vaststelling en toepassing van deze beschikking.

(21)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze beschikking en is het niet gebonden door of onderworpen aan de toepassing ervan,

HEBBEN DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2001/470/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

de verbindingsmagistraten op wie Gemeenschappelijk Optreden 96/227/JBZ van 22 april 1996 inzake een kader voor de uitwisseling van verbindingsmagistraten ter verbetering van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie (6), van toepassing is, indien zij de verantwoordelijkheden hebben op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke en in handelszaken;

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„e)

beroepsorganisaties die op nationaal niveau in de lidstaten juridische beroepsbeoefenaren die rechtstreeks zijn betrokken bij de toepassing van communautaire en internationale instrumenten inzake justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken, vertegenwoordigen.”;

b)

aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Indien het overeenkomstig dit lid aangewezen contactpunt geen rechter is, voorziet de betrokken lidstaat in een doeltreffende verbinding met de nationale rechterlijke orde. Ter vergemakkelijking daarvan, kan een lidstaat een rechter aanwijzen om ondersteuning te verlenen. Deze rechter is lid van het netwerk.”;

c)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„2 bis.   De lidstaten verzekeren dat de contactpunten over toereikende en passende middelen op het gebied van personeel, hulpbronnen en moderne communicatiemiddelen beschikken om hun taken als contactpunt naar behoren te vervullen.”;

d)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„4 bis.   De lidstaten stellen de in lid 1, onder e), bedoelde beroepsorganisaties vast. Daartoe verkrijgen zij de instemming van de betrokken beroepsorganisaties over hun deelname aan het netwerk.

Wanneer er in een lidstaat meerdere beroepsorganisaties zijn die op nationaal niveau een juridisch beroep vertegenwoordigen, zorgt deze lidstaat voor een passende vertegenwoordiging van het betrokken beroep bij het netwerk.”;

e)

lid 5 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de inleidende zin wordt vervangen door:

„5.   Overeenkomstig artikel 20 geven de lidstaten de namen en het volledige adres van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde autoriteiten door aan de Commissie, onder vermelding van:”;

ii)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

in voorkomend geval, hun specifieke functies in het netwerk, en, indien er meer dan één contactpunt is, hun specifieke verantwoordelijkheden.”.

2)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder b), wordt vervangen door:

„b)

de daadwerkelijke toegang tot de rechter te vergemakkelijken door informatiecampagnes over de werking van communautaire en internationale instrumenten betreffende justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken.”;

b)

in lid 2 worden punten b) en c) vervangen door:

„b)

de effectieve en praktische toepassing van communautaire instrumenten of van overeenkomsten die tussen twee of meer lidstaten van kracht zijn.

In het bijzonder wanneer het recht van een andere lidstaat van toepassing is, kunnen de aangezochte rechterlijke instanties of autoriteiten het netwerk om informatie over de inhoud van dit recht verzoeken;

c)

het opzetten, bijhouden en bevorderen van een informatiesysteem voor het publiek over justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Europese Unie, over de toepasselijke communautaire en internationale instrumenten en over het interne recht van de lidstaten, in het bijzonder voor de toegang tot de rechter.

De belangrijkste informatiebron is de website van het netwerk, met actuele informatie in alle officiële talen van de instellingen van de Unie.”.

3)

Artikel 5, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De contactpunten moeten in het bijzonder:

a)

erop toezien dat de plaatselijke justitiële autoriteiten algemene informatie ontvangen over communautaire en internationale instrumenten inzake justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken. De contactpunten zorgen er in het bijzonder voor dat de plaatselijke justitiële autoriteiten beter bekend zijn met het netwerk en de website;

b)

alle gegevens die nodig zijn om de justitiële samenwerking tussen de lidstaten overeenkomstig artikel 3 goed te doen verlopen, verstrekken aan de andere contactpunten, aan de in artikel 2, lid 1, onder b) tot en met d), bedoelde autoriteiten en aan de plaatselijke justitiële autoriteiten van hun lidstaat, om hen te helpen uitvoerbare verzoeken om justitiële samenwerking op te stellen en de juiste rechtstreekse contacten te leggen;

c)

alle gegevens verstrekken om de toepassing te vergemakkelijken van het recht van een andere lidstaat dat krachtens een communautair of een internationaal instrument van toepassing is. Daartoe kan het contactpunt waarbij een dergelijk verzoek is ingediend, zich om hulp wenden tot de in artikel 2 bedoelde andere autoriteiten van zijn lidstaat teneinde gevolg te geven aan dit verzoek. De in het antwoord vervatte informatie is niet bindend voor de contactpunten, voor de geraadpleegde autoriteiten en voor de autoriteit die het verzoek heeft ingediend;

d)

oplossingen zoeken voor de problemen die zich kunnen voordoen bij een verzoek om justitiële samenwerking, onverminderd lid 4 van dit artikel en artikel 6;

e)

de coördinatie van de behandeling van verzoeken om justitiële samenwerking in de betrokken lidstaat vergemakkelijken, met name wanneer meerdere verzoeken van de justitiële autoriteiten van die lidstaat in een andere lidstaat moeten worden uitgevoerd;

f)

het publiek via de website van het netwerk algemene informatie verstrekken over de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Europese Unie, over de relevante communautaire en internationale instrumenten, en over het nationale recht van de lidstaten, in het bijzonder inzake de toegang tot de rechter;

g)

meewerken aan de organisatie van en deelnemen aan de in artikel 9 bedoelde vergaderingen;

h)

meewerken aan de voorbereiding en actualisering van de in titel III bedoelde informatie, en met name aan het informatiesysteem voor het publiek, overeenkomstig de voorschriften van die titel;

i)

zorgen voor coördinatie tussen leden van het netwerk op nationaal niveau;

j)

een tweejaarlijks verslag opstellen over hun activiteiten, in voorkomend geval met inbegrip van beste praktijken in het netwerk, het voorleggen aan een vergadering van de leden van het netwerk, en specifieke aandacht richten op mogelijke verbeteringen van het netwerk.”.

4)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 5 bis

Beroepsorganisaties

1.   Om bij te dragen tot de vervulling van de in artikel 3 voorziene taken, onderhouden de contactpunten passende betrekkingen met de in artikel 2, lid 1, onder e), bedoelde beroepsorganisaties, overeenkomstig door elke lidstaat vast te stellen voorschriften.

2.   Meer bepaald kunnen de in lid 1 bedoelde contacten de volgende activiteiten omvatten:

a)

uitwisseling van ervaringen en informatie inzake de effectieve en praktische toepassing van communautaire en internationale instrumenten;

b)

samenwerking bij de voorbereiding en actualisering van de in artikel 15 bedoelde informatiedossiers;

c)

deelname van de bedoelde beroepsorganisaties aan relevante vergaderingen.

3.   De beroepsorganisaties verzoeken de contactpunten niet om informatie over afzonderlijke gevallen.”.

5)

Aan artikel 6, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Daartoe zorgt elke lidstaat ervoor, overeenkomstig door hem vast te stellen procedures, dat de contactpunt(en) en bevoegde autoriteiten over de middelen beschikken om regelmatig bijeen te komen;”.

6)

Artikel 7, lid 1, wordt vervangen door:

„Met het oog op een soepele werking van het netwerk zien de lidstaten erop toe dat hun contactpunten behalve hun eigen taal ook een van de andere officiële talen van de instellingen van de Unie in voldoende mate beheersen, aangezien zij met de contactpunten van de andere lidstaten moeten kunnen communiceren.”.

7)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

Behandeling van verzoeken om justitiële samenwerking

1.   De contactpunten beantwoorden elk bij hen ingediend verzoek onverwijld en uiterlijk binnen vijftien dagen na ontvangst ervan. Indien een contactpunt niet in staat is binnen die termijn een verzoek te beantwoorden, stelt het de verzoeker daarvan op beknopte wijze in kennis, onder vermelding van de termijn die het nodig acht om het verzoek te beantwoorden, maar die termijn mag in de regel niet meer dan dertig dagen bedragen.

2.   Om zo doeltreffend en zo snel mogelijk de in lid 1 bedoelde verzoeken te kunnen beantwoorden, maken de contactpunten gebruik van de meest geschikte technologische middelen die hun ter beschikking worden gesteld door de lidstaten.

3.   De Commissie houdt een beveiligd en beperkt toegankelijk elektronisch register bij met de verzoeken om justitiële samenwerking en de antwoorden daarop, zoals bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), c), d) en e). De contactpunten zorgen ervoor dat de informatie die nodig is voor de opbouw en de werking van dit register, regelmatig aan de Commissie wordt verstrekt.

4.   De Commissie verstrekt de contactpunten ten minste eenmaal per halfjaar statistische gegevens over de verzoeken om justitiële samenwerking en de antwoorden daarop, zoals bedoeld in lid 3.”.

8)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Vergaderingen van de contactpunten

1.   De contactpunten van het netwerk vergaderen ten minste eenmaal per halfjaar, overeenkomstig artikel 12.

2.   In die vergaderingen wordt iedere lidstaat vertegenwoordigd door een of meer contactpunten, die kunnen worden vergezeld door andere leden van het netwerk, echter zonder dat het aantal van zes vertegenwoordigers per lidstaat wordt overschreden.”.

9)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 11 bis

Deelname van waarnemers aan de vergaderingen van het netwerk

1.   Onverminderd artikel 1, lid 2, kan Denemarken zich laten vertegenwoordigen op de in de artikelen 9 en 11 bedoelde vergaderingen.

2.   Toetredingslanden en kandidaat-lidstaten kunnen worden uitgenodigd om als waarnemer aan deze vergaderingen deel te nemen. Ook derde staten die partij zijn bij door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten inzake justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken, kunnen worden uitgenodigd om aan bepaalde vergaderingen van het netwerk deel te nemen als waarnemer.

3.   In deze vergaderingen kan elke waarnemende staat vertegenwoordigd worden door een of meer personen, echter zonder dat het aantal van drie vertegenwoordigers per staat wordt overschreden.”.

10)

Het volgende artikel wordt ingevoegd aan het eind van titel II:

„Artikel 12 bis

Betrekkingen met andere netwerken en internationale organisaties

1.   Het netwerk onderhoudt betrekkingen en deelt ervaringen en beste praktijken met andere Europese netwerken die dezelfde doelstellingen hebben, zoals het Europees justitieel netwerk in strafzaken. Het netwerk onderhoudt tevens betrekkingen met het Europees netwerk voor justitiële opleiding teneinde, waar passend en onverminderd de nationale praktijken, de opleiding ter zake van de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken te bevorderen ten behoeve van de plaatselijke justitiële autoriteiten van de lidstaten.

2.   Het netwerk onderhoudt betrekkingen met het netwerk van Europese centra voor de consument („ECC-NET”). De contactpunten van het netwerk staan in het bijzonder ter beschikking van de leden van het ECC-NET om alle algemene informatie over de werking van communautaire en internationale instrumenten te verstrekken die de toegang van de consumenten tot de rechter kan vergemakkelijken.

3.   Om alle in artikel 3 bedoelde taken betreffende de internationale instrumenten voor justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken te verrichten, onderhoudt het netwerk contacten en wisselt het ervaringen uit met andere tussen derde staten opgerichte netwerken voor justitiële samenwerking en met internationale organisaties die de internationale justitiële samenwerking bevorderen.

4.   De Commissie is belast met de tenuitvoerlegging van dit artikel en werkt daarbij nauw samen met het voorzitterschap van de Raad en met de lidstaten.”.

11)

Het opschrift van titel III wordt vervangen door:

12)

Aan artikel 13, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

„c)

de in artikel 8 bedoelde gegevens.”.

13)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 13 bis

Algemene informatie voorzien voor het publiek

Het netwerk draagt bij tot het verstrekken van algemene informatie aan het publiek, met gebruikmaking van de meest geschikte technologische middelen, teneinde het te informeren over de inhoud en de werking van communautaire en internationale instrumenten betreffende justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken.

Daartoe, en onverminderd artikel 18, zien de contactpunten er op toe dat het in artikel 14 bedoelde informatiesysteem bij het publiek ingang vindt.”.

14)

Artikel 17, punt 4, onder b), wordt vervangen door:

„b)

zorgt ervoor dat de informatie over de relevante aspecten van het Gemeenschapsrecht en zijn procedures, met inbegrip van de communautaire jurisprudentie, alsook alle algemene pagina’s van het informatiesysteem en de in artikel 15 bedoelde informatiedossiers, in de officiële talen van de instellingen van de Unie worden vertaald en op de website van het netwerk worden geplaatst.”.

15)

In artikel 18, punt 4, wordt het woord „geleidelijk” geschrapt.

16)

Artikel 19 wordt vervangen door:

„Artikel 19

Verslag

Uiterlijk op 1 januari 2014, en vervolgens om de drie jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad, en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de activiteiten van het netwerk. Dit verslag gaat zo nodig vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze beschikking en omvat gegevens over de activiteiten die door het netwerk zijn verricht om vooruitgang te boeken met de uitwerking, de ontwikkeling en de uitvoering van Europese e-justitie, in het bijzonder vanuit het oogpunt van het vergemakkelijken van de toegang tot de rechter.”.

17)

Artikel 20 wordt vervangen door:

„Artikel 20

Kennisgeving

Uiterlijk op 1 juli 2010 verstrekken de lidstaten de Commissie de in artikel 2, lid 5, bedoelde gegevens.”.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze beschikking treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 januari 2011, behoudens artikel 1, punt 1, onder e), en punt 17, die van toepassing zijn vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking aan de lidstaten tot welke zij is gericht.

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Brussel, 18 juni 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

Š. FÜLE


(1)  Advies van 3 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van het Europees Parlement van 16 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 4 juni 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.

(4)  PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.

(5)  PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1.

(6)  PB L 105 van 27.4.1996, blz. 1.”;


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Europees Parlement Raad Commissie Hof van Justitie Rekenkamer Europees Economisch en Sociaal Comité Comité van de Regio's

30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/41


BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, DE COMMISSIE, HET HOF VAN JUSTITIE, DE REKENKAMER, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S

van 26 juni 2009

betreffende de organisatie en de werking van het Bureau voor publicaties van de Europese Unie

(2009/496/EG, Euratom)

HET EUROPEES PARLEMENT,

DE RAAD,

DE COMMISSIE,

HET HOF VAN JUSTITIE,

DE REKENKAMER,

HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,

HET COMITÉ VAN DE REGIO’S

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 8 van het Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van 8 april 1965 betreffende de voorlopige vestiging van bepaalde instellingen en van bepaalde diensten der Gemeenschappen (1) voorziet in de vestiging in Luxemburg van een Bureau voor officiële publicaties der Gemeenschappen (hierna „het Bureau” genoemd). Deze bepaling is laatstelijk ten uitvoer gelegd door Besluit 2000/459/EG, EGKS, Euratom (2).

(2)

De voorschriften en regelingen welke van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen zijn van toepassing op het Bureau. Er moet rekening worden gehouden met de recent daarin aangebrachte wijzigingen.

(3)

Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (3), hierna „financieel reglement” genoemd, voorziet in bijzondere bepalingen inzake de werking van het Bureau.

(4)

In de sector van de uitgeverij vinden belangrijke technologische veranderingen plaats, waarmee rekening moet worden gehouden voor de werking van het Bureau.

(5)

Voor de duidelijkheid moet Besluit 2000/459/EG, EGKS, Euratom worden ingetrokken en door dit besluit worden vervangen,

BESLUITEN:

Artikel 1

Het Bureau voor publicaties

1.   Het Bureau voor publicaties van de Europese Unie (hierna „het Bureau” genoemd) is een interinstitutioneel Bureau dat als doel heeft onder de best mogelijke voorwaarden te zorgen voor het uitgeven van de publicaties van de instellingen van de Europese Gemeenschappen en van de Europese Unie.

Daartoe biedt het Bureau de instellingen enerzijds de mogelijkheid hun verplichtingen inzake het bekendmaken van regelgevende teksten na te komen en draagt het anderzijds bij tot het technische ontwerp en de tenuitvoerlegging van het informatie- en communicatiebeleid op de gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen.

2.   Het Bureau wordt geleid door zijn directeur overeenkomstig de door een Directiecomité vastgestelde strategische richtsnoeren. Onverminderd de in dit besluit vastgestelde specifieke bepalingen voor de interinstitutionele rol van het Bureau, past het Bureau de administratieve en financiële procedures van de Commissie toe. Bij het vaststellen van die procedures houdt de Commissie rekening met de specifieke aard van het Bureau.

Artikel 2

Definities

In de zin van dit besluit wordt verstaan onder:

1.   „uitgeven”: alle handelingen die nodig zijn voor ontwerp, verificatie, toekenning van internationale standaardnummers en/of catalogusnummers, productie, catalogisering, indexering, verspreiding, promotie, verkoop, opslag en archivering van de publicaties, in alle vormen en uitvoeringen en door middel van alle procedés, zowel huidige als toekomstige;

2.   „publicaties”: alle teksten, gepubliceerd op alle dragers en in alle formaten, met een internationaal standaardnummer en/of catalogusnummer;

3.   „verplichte publicaties”: de publicaties uitgegeven krachtens de Verdragen of andere regelgevende teksten;

4.   „niet-verplichte publicaties”: alle publicaties uitgegeven in het kader van de prerogatieven van elke instelling;

5.   „beheer van de auteursrechten”: de bevestiging dat de diensten die auteur zijn de auteursrechten of de rechten van hergebruik hebben en het beheer van die rechten door het Bureau voor de publicaties waarvan het uitgeven aan het Bureau is toevertrouwd;

6.   „netto-ontvangsten uit de verkoop”: de som van de gefactureerde bedragen, waarvan de verleende kortingen, beheers-, innings- en bankkosten zijn afgetrokken;

7.   „instellingen”: de instellingen, organen en instanties die bij de Verdragen of op grond daarvan zijn opgericht.

Artikel 3

Bevoegdheden van het Bureau

1.   De bevoegdheden van het Bureau zijn:

a)

het uitgeven van het Publicatieblad van de Europese Unie (hierna „Publicatieblad” genoemd) en het waarborgen van de authenticiteit ervan;

b)

het uitgeven van de andere verplichte publicaties;

c)

het uitgeven of gezamenlijk uitgeven van de niet-verplichte publicaties die aan het Bureau zijn toevertrouwd in het kader van de prerogatieven van elke instelling, met name in de context van de communicatieactiviteiten van de instellingen;

d)

het uitgeven of gezamenlijk uitgeven van publicaties op eigen initiatief, met inbegrip van de publicaties die de promotie van zijn eigen diensten tot doel hebben; in deze context kan het Bureau via een dienstencontract vertalingen laten maken;

e)

het ontwikkelen, onderhouden en bijwerken van zijn diensten van elektronisch uitgeven bestemd voor het publiek;

f)

het ter beschikking stellen van het publiek van alle wetgeving en andere officiële documenten;

g)

het elektronisch bewaren en ter beschikking stellen van het publiek van alle publicaties van de instellingen;

h)

het toekennen van internationale standaardnummers en/of catalogusnummers aan de publicaties van de instellingen;

i)

het beheren van de reproductie- en vertaalrechten van de publicaties van de instellingen;

j)

het promoten en verkopen van de publicaties en de diensten die het aan het publiek aanbiedt.

2.   Het Bureau biedt de instellingen advies en bijstand inzake:

a)

de programmering en de planning van hun publicatieprogramma’s;

b)

de uitvoering van hun geplande uitgaven ongeacht de wijze van uitgeven;

c)

de opmaak en vormgeving van hun geplande uitgaven;

d)

informatie over de tendensen in de markt voor publicaties in de lidstaten en over de onderwerpen die de grootste belangstelling kunnen wekken;

e)

de vaststelling van de oplagen en van de verspreidingsplannen;

f)

de vaststelling van de prijzen van de publicaties en de verkoop ervan;

g)

de promotie, verspreiding en evaluatie van hun kosteloze en niet-kosteloze publicaties;

h)

de analyse, evaluatie en ontwikkeling van voor het publiek bestemde internetsites en internetdiensten;

i)

de opstelling van raamcontracten betreffende uitgavenactiviteiten;

j)

de technologische controle inzake uitgavensystemen.

Artikel 4

Verantwoordelijkheden van de instellingen

1.   Het besluit tot publicatie valt onder de uitsluitende bevoegdheid van elke instelling.

2.   De instellingen geven hun verplichte publicaties uit via de diensten van het Bureau.

3.   De instellingen kunnen hun niet-verplichte publicaties zonder de tussenkomst van het Bureau uitgeven. In dat geval vragen de instellingen bij het Bureau de internationale standaardnummers en/of catalogusnummers aan en bezorgen zij het Bureau een elektronische versie van de publicatie, ongeacht het formaat, alsook, in voorkomend geval, twee papieren exemplaren van de publicatie.

4.   De instellingen verbinden zich ertoe te waarborgen dat zij alle reproductie-, vertaal- en verspreidingsrechten van alle constitutieve elementen van een publicatie hebben.

5.   De instellingen verbinden zich ertoe voor hun publicaties een door het Bureau goed te keuren verspreidingsplan op te stellen.

6.   De instellingen kunnen met het Bureau dienstencontracten sluiten om te bepalen op welke wijze zij samenwerken.

Artikel 5

Taken van het Bureau

1.   Ter uitvoering van zijn taken verricht het Bureau inzonderheid de volgende handelingen:

a)

verzamelen van de uit te geven documenten;

b)

gereedmaken, grafisch ontwerp, correctie, opmaak en verificatie van de teksten en andere elementen, ongeacht het formaat of de drager, met inachtneming van de door de instellingen gegeven aanwijzingen en met toepassing van de in samenwerking met de instellingen vastgestelde normen inzake typografische en linguïstische vormgeving;

c)

indexering en catalogisering van de publicaties;

d)

documentaire analyse van de in het Publicatieblad gepubliceerde teksten en van andere officiële teksten dan die welke in het Publicatieblad worden gepubliceerd;

e)

consolidatie van wetgevingsteksten;

f)

beheer, ontwikkeling, bijwerking en verspreiding van de meertalige thesaurus Eurovoc;

g)

organisatie van het drukken via zijn leveranciers;

h)

follow-up van de uitvoering van de werkzaamheden;

i)

kwaliteitscontrole;

j)

aanvaarding op kwalitatieve en kwantitatieve gronden;

k)

fysieke en elektronische verspreiding van het Publicatieblad, van andere officiële teksten dan die welke in het Publicatieblad worden gepubliceerd en van andere niet-verplichte publicaties;

l)

opslag;

m)

fysieke en elektronische archivering;

n)

nieuwe oplage van niet meer voorradige publicaties en printing on demand;

o)

samenstelling van een geconsolideerde catalogus van de publicaties van de instellingen;

p)

verkoop met inbegrip van de uitreiking van facturen, de inning en overmaking van ontvangsten, het beheer van vorderingen;

q)

promotie;

r)

ontwerp, aankoop, beheer, bijwerking, follow-up en controle van de mailinglijsten van de instellingen en ontwerp van gerichte mailinglijsten.

2.   In het kader van zijn eigen bevoegdheden of op basis van delegatie door de instellingen van ordonnateursbevoegdheden:

a)

gunt het Bureau overheidsopdrachten, en gaat het in het kader daarvan juridische verbintenissen aan;

b)

zorgt het Bureau voor de financiële follow-up van de contracten met leveranciers;

c)

stelt het Bureau de uitgaven betaalbaar, hetgeen met name aanvaarding op kwalitatieve en kwantitatieve gronden inhoudt en leidt tot de ondertekening van een verklaring „betaalbaar”;

d)

geeft het Bureau betalingsopdrachten;

e)

ontvangt het Bureau betalingen.

Artikel 6

Directiecomité

1.   Er wordt een Directiecomité ingesteld waarin de ondertekenende instellingen vertegenwoordigd zijn. Het Directiecomité is samengesteld uit de griffier van het Hof van Justitie, de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad, alsook de secretarissen-generaal van de andere instellingen, of hun vertegenwoordigers. De Europese Centrale Bank neemt als waarnemer deel aan de werkzaamheden van het Directiecomité.

2.   Het Directiecomité kiest, voor een periode van twee jaar, uit zijn midden een voorzitter.

3.   Het Directiecomité komt op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van een instelling ten minste viermaal per jaar bijeen.

4.   Het Directiecomité stelt zijn reglement van orde vast, dat in het Publicatieblad wordt gepubliceerd.

5.   De beslissingen van het Directiecomité worden behoudens andersluidende bepalingen met gewone meerderheid van stemmen genomen.

6.   Elke instelling die dit besluit heeft ondertekend, beschikt over één stem in het Directiecomité.

Artikel 7

Taken en verantwoordelijkheden van het Directiecomité

1.   In afwijking van het bepaalde in artikel 6, neemt het Directiecomité in het gemeenschappelijke belang van de instellingen en in het kader van de bevoegdheden van het Bureau, met eenparigheid van stemmen de volgende beslissingen:

a)

het stelt op voorstel van de directeur de strategische doelstellingen vast alsook de voorschriften voor de werking van het Bureau;

b)

het stelt de richtsnoeren vast voor het algemeen beleid van het Bureau, met name op het gebied van de verkoop, de verspreiding en het uitgeven en waakt erover dat het Bureau bijdraagt aan het ontwerp en de tenuitvoerlegging van het informatie- en communicatiebeleid op de gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen;

c)

op basis van een door de directeur van het Bureau opgesteld ontwerp, stelt het voor de instellingen een jaarlijks verslag over de werkzaamheden op betreffende de uitvoering van de strategie en de door het Bureau verleende diensten. Het doet jaarlijks vóór 1 mei het verslag over het afgelopen begrotingsjaar toekomen aan de instellingen;

d)

in het kader van de begrotingsprocedure betreffende de huishoudelijke begroting keurt het de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau goed;

e)

het keurt de door de directeur van het Bureau opgestelde criteria goed op basis waarvan het Bureau een analytische boekhouding voert;

f)

het richt tot de instellingen elke aanbeveling die bevorderlijk kan worden geacht voor de goede werking van het Bureau.

2.   Het Directiecomité houdt rekening met de daartoe door de interinstitutionele instanties vastgestelde richtsnoeren op het gebied van communicatie en informatie. De voorzitter van het Directiecomité pleegt jaarlijks overleg met die instanties.

3.   De gesprekspartner bij de kwijtingsautoriteit voor de strategische beslissingen op de bevoegdheidsgebieden van het Bureau is de voorzitter van het Directiecomité in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de interinstitutionele samenwerking.

4.   De voorzitter van het Directiecomité en de directeur van het Bureau stellen in onderling akkoord de regels vast inzake onderlinge uitwisseling van informatie en communicatie die hun relaties formaliseren. Dit akkoord wordt ter informatie aan de leden van het Directiecomité meegedeeld.

Artikel 8

Directeur van het Bureau

De directeur van het Bureau is, onder het gezag van het Directiecomité en binnen de bevoegdheid van dit Directiecomité, verantwoordelijk voor de goede werking van het Bureau. Voor de toepassing van de administratieve en financiële procedures handelt hij onder het gezag van de Commissie.

Artikel 9

Taken en verantwoordelijkheden van de directeur van het Bureau

1.   De directeur van het Bureau is belast met het secretariaat van het Directiecomité en hij legt aan het Directiecomité in een driemaandelijks verslag rekenschap af over de uitvoering van zijn taken.

2.   De directeur van het Bureau doet het Directiecomité alle nuttige voorstellen die de goede werking van het Bureau kunnen bevorderen.

3.   De directeur van het Bureau stelt, na inwinning van het advies van het Directiecomité, de aard en het tarief vast van de diensten die het Bureau tegen betaling voor de instellingen kan verlenen.

4.   De directeur van het Bureau stelt, na goedkeuring van het Directiecomité, de criteria vast waarmee het Bureau een analytische boekhouding voert. Hij bepaalt de wijze van boekhoudkundige samenwerking tussen het Bureau en de instellingen, in overeenstemming met de rekenplichtige van de Commissie.

5.   In het kader van de begrotingsprocedure betreffende de huishoudelijke begroting stelt de directeur van het Bureau een ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau op. Deze voorstellen worden, na goedkeuring door het Directiecomité, naar de Commissie gezonden.

6.   De directeur van het Bureau bepaalt of en op welke wijze publicaties van derden mogelijk zijn.

7.   De directeur van het Bureau neemt deel aan de interinstitutionele activiteiten inzake informatie en communicatie op de gebieden waarvoor het Bureau bevoegd is.

8.   Met betrekking tot het uitgeven van de wetgeving en van de officiële documenten betreffende de wetgevingsprocedure, met inbegrip van het Publicatieblad, doet de directeur van het Bureau het volgende:

a)

hij zorgt ervoor dat de bevoegde instanties van elke instelling de beginselbesluiten nemen die door alle instellingen gemeenschappelijk moeten worden toegepast;

b)

hij doet voorstellen voor de verbetering van de structuur en de vorm van het Publicatieblad en van de officiële wetgevingsteksten;

c)

hij legt aan de instellingen voorstellen voor betreffende de harmonisatie van de opmaak van de te publiceren teksten;

d)

hij onderzoekt de moeilijkheden die worden ondervonden bij de dagelijkse verrichtingen en stelt in het kader van het Bureau de nodige instructies op en doet ten behoeve van de instellingen de nodige aanbevelingen om deze moeilijkheden op te lossen.

9.   De directeur van het Bureau stelt, overeenkomstig het financieel reglement, een jaarlijks activiteitenverslag op, onder meer over het beheer van de krachtens het financieel reglement door de Commissie en andere instellingen gedelegeerde kredieten. Dit verslag wordt naar de Commissie, de betrokken instellingen en, ter informatie, naar het Directiecomité gezonden.

10.   In het kader van de delegatie van kredieten van de Commissie en van de uitvoering van de begroting, worden in onderlinge overeenstemming regelingen vastgesteld voor de informatie en raadpleging tussen het lid van de Commissie dat belast is met de relaties met het Bureau en de directeur van het Bureau.

11.   De directeur van het Bureau is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de door het Directiecomité vastgestelde strategische doelstellingen en voor het goede beheer van het Bureau en van zijn activiteiten, alsook voor het beheer van zijn begroting.

12.   In geval van afwezigheid of verhindering van de directeur van het Bureau, zijn de bepalingen inzake de plaatsvervanging op grond van rang en anciënniteit van toepassing behalve wanneer het Directiecomité, op voorstel van zijn voorzitter of van de directeur van het Bureau, anders beslist.

13.   De directeur van het Bureau informeert de instellingen via een driemaandelijks verslag over de planning en het gebruik van de middelen alsook over de vorderingen van de werkzaamheden.

Artikel 10

Personeel

1.   De Commissie benoemt de ambtenaren van de standaardfuncties directeur-generaal en directeur eerst nadat het Directiecomité een unaniem gunstig advies ter zake heeft uitgebracht. De regels van de Commissie inzake mobiliteit en beoordeling van het hoger kader zijn van toepassing op de directeur-generaal en de directeurs (rangen AD16/AD15/AD14). Zodra voor een ambtenaar met een dergelijke functie het in de desbetreffende regels vastgestelde normale einde van de termijn voor mobiliteit nadert, brengt de Commissie het Directiecomité op de hoogte, dat een unaniem advies over de zaak kan uitbrengen.

2.   Het Directiecomité wordt nauw betrokken bij de procedures die in voorkomend geval moeten worden gevolgd voor de aanstelling van de ambtenaren en personeelsleden van het Bureau die de standaardfuncties directeur-generaal (rangen AD16/AD15) en directeur (rangen AD15/AD14) zullen uitoefenen, met name de opstelling van de aankondiging van een vacature, het onderzoek van de sollicitaties en de aanwijzing van de jury’s voor vergelijkende onderzoeken voor die standaardfuncties.

3.   De bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag (AIPN) en van het tot aangaan van aanwervingsovereenkomsten bevoegde gezag (AHCC) worden ten aanzien van de aan het Bureau toegewezen ambtenaren en personeelsleden, uitgeoefend door de Commissie. De Commissie kan bepaalde van haar bevoegdheden delegeren binnen haar structuur en aan de directeur van het Bureau. Een dergelijke delegatie vindt plaats onder dezelfde voorwaarden als voor de directeuren-generaal van de Commissie.

4.   Onverminderd lid 2 zijn de door de Commissie vastgestelde bepalingen en procedures voor de tenuitvoerlegging van het statuut en de regeling die van toepassing is op andere personeelsleden, van toepassing op de aan het Bureau toegewezen ambtenaren en personeelsleden onder dezelfde voorwaarden als voor de in Luxemburg in dienst zijnde ambtenaren en personeelsleden van de Commissie.

5.   Telkens wanneer het AIPN of het AHCC besluit in een vacante post bij het Bureau te voorzien, wordt de vacature ter kennis gebracht van de ambtenaren van alle instellingen.

6.   Elk kwartaal licht de directeur van het Bureau het Directiecomité in over het personeelsbeleid.

Artikel 11

Financiële aspecten

1.   De kredieten van het Bureau, waarvan het totaalbedrag wordt opgevoerd op een speciaal begrotingsonderdeel binnen de afdeling van de Commissie van de begroting, worden in detail vermeld in een bijlage bij die afdeling. Die bijlage wordt opgesteld in de vorm van een staat van ontvangsten en uitgaven, met dezelfde indeling als voor de afdelingen van de begroting.

2.   De lijst van het aantal ambten bij het Bureau wordt vermeld in een bijlage bij de lijst van het aantal ambten bij de Commissie.

3.   Elke instelling blijft ordonnateur voor de kredieten die onder de „publicatiekosten” van haar begroting vallen.

4.   Elke instelling kan voor het beheer van de in haar eigen afdeling opgenomen kredieten ordonnateursbevoegdheden delegeren aan de directeur van het Bureau en stelt dan de grenzen en voorwaarden van deze delegatie vast overeenkomstig het financieel reglement. De directeur van het Bureau informeert het Directiecomité elk kwartaal over deze delegaties.

5.   Het begrotings- en financieel beheer van het Bureau wordt gevoerd met eerbiediging van het financieel reglement en de uitvoeringsvoorschriften ervan en van het geldende financiële kader van de Commissie, met inbegrip van door andere instellingen dan de Commissie gedelegeerde kredieten.

6.   De boekhouding van het Bureau wordt gevoerd volgens de voorschriften en de boekhoudmethoden die door de rekenplichtige van de Commissie zijn vastgesteld. Het Bureau voert een afzonderlijke boekhouding over de verkoop van het Publicatieblad en van de publicaties. De netto-ontvangsten uit de verkoop worden aan de instellingen overgemaakt.

Artikel 12

Controle

1.   De functie van intern controleur bij het Bureau wordt uitgeoefend door de interne controleur van de Commissie overeenkomstig het financieel reglement. Het Bureau zorgt voor een capaciteit voor interne controle, volgens soortgelijke regels als die voor de directoraten-generaal en diensten van de Commissie. De instellingen kunnen de directeur van het Bureau vragen om in het werkprogramma van de internecontrolecapaciteit van het Bureau specifieke controles op te nemen.

2.   Het Bureau beantwoordt alle vragen die onder zijn bevoegdheid vallen in het kader van de taak van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Om de bescherming van de belangen van de Europese Unie te waarborgen, wordt tussen de voorzitter van het Directiecomité en de directeur van het OLAF een overeenkomst gesloten over de nadere bijzonderheden met betrekking tot onderlinge uitwisseling van informatie.

Artikel 13

Klachten en verzoeken

1.   Binnen de grenzen van zijn bevoegdheid is het Bureau verantwoordelijk voor de antwoorden op de vragen van de Europese Ombudsman en van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

2.   Elk beroep in rechte op de bevoegdheidsgebieden van het Bureau wordt tegen de Commissie gericht.

Artikel 14

Toegang van het publiek tot documenten

1.   De directeur van het Bureau neemt de beslissingen bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (4). Bij weigering worden de beslissingen over de confirmatieve verzoeken door de secretaris-generaal van de Commissie genomen.

2.   Het Bureau beschikt over een documentenregister overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1049/2001.

Artikel 15

Intrekking

Besluit 2000/459/EG, EGKS, Euratom wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar het ingetrokken besluit gelden als verwijzingen naar dit besluit.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel en te Luxemburg, 26 juni 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

K. SCHWARZENBERG

Voor de Commissie

De voorzitter

J. M. BARROSO

Voor het Hof van Justitie

De president

V. SKOURIS

Voor de Rekenkamer

De president

V. M. SILVA CALDEIRA

Voor het Europees Economisch en Sociaal Comité

De voorzitter

M. SEPI

Voor het Comité van de Regio’s

De voorzitter

L. VAN DEN BRANDE


(1)  PB 152 van 13.7.1967, blz. 18.

(2)  PB L 183 van 22.7.2000, blz. 12.

(3)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(4)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.


Raad van ministers ACS-EG

30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/48


BESLUIT Nr. 1/2009 VAN DE ACS-EG-RAAD VAN MINISTERS

van 29 mei 2009

tot goedkeuring van wijzigingen in bijlage II bij de partnerschapsovereenkomst

(2009/497/EG)

DE ACS-EG-RAAD VAN MINISTERS,

Gelet op de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (hierna „ACS” genoemd), enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, die op 23 juni 2000 is ondertekend te Cotonou (Benin) en op 25 juni 2005 is herzien te Luxemburg (hierna „de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst” genoemd) (1), en met name op artikel 15, lid 3, en artikel 100,

Gelet op de aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om het verstrekken van leningen uit eigen middelen aan armere ACS-landen in het kader van arme landen met een zware schuldenlast (HIPC) en andere internationaal overeengekomen initiatieven voor de houdbaarheid van de schuldenlast te vergemakkelijken, stelt de Europese Investeringsbank (EIB) voor bijlage II bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst te wijzigen.

(2)

Beleidscoherentie tussen de uit eigen middelen verstrekte leningen van de EIB en het HIPC-initiatief vereist een grotere flexibiliteit om te voldoen aan internationaal overeengekomen of vergelijkbare HIPC-voorwaarden voor de houdbaarheid van de schuldenlast en in het bijzonder met betrekking tot rentesubsidies.

(3)

Een dergelijke bepaling bestaat reeds voor de middelen die door de EIB worden beheerd in de context van de Investeringsfaciliteit, overeenkomstig artikel 2 van bijlage II bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst.

(4)

Met de nieuwe leden van artikel 1 van bijlage II bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst wordt beoogd eenvormige voorwaarden te doen gelden voor zowel de eigen middelen van de EIB als de Investeringsfaciliteit.

(5)

Doel van de nieuwe tekst voor de artikelen 1, 2 en 4 van bijlage II bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst is de bepalingen betreffende de eigen middelen van de EIB en betreffende de Investeringsfaciliteit in het kader van het HIPC-initiatief op elkaar af te stemmen.

(6)

Bijlage II bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst dient derhalve dienovereenkomstig te worden aangepast,

BESLUIT:

Enig artikel

Bijlage II bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 wordt de eerste alinea lid 1, en worden de volgende leden 2, 3, en 4 ingevoegd:

„2.   Middelen voor rentesubsidies, als bedoeld in deze bijlage, worden beschikbaar gesteld uit de toewijzing voor rentesubsidies als bepaald in bijlage I b, lid 2, onder c).

3.   Rentesubsidies kunnen worden gekapitaliseerd of gebruikt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp. Het bedrag van de rentesubsidie wordt, na berekening van de waarde op het tijdstip van de overboeking van de lening, afgeboekt op het bedrag van de toewijzing voor rentesubsidies als bepaald in bijlage I b, lid 2, onder c), en rechtstreeks overgemaakt aan de Bank. Maximaal 10 % van deze toewijzing voor rentesubsidies mag ook worden gebruikt voor de ondersteuning van projectgerelateerde technische bijstand in ACS-landen.

4.   Deze voorwaarden gelden onverminderd de voorwaarden die kunnen worden opgelegd aan ACS-landen waarvoor beperkende leningsvoorwaarden gelden in het kader van het initiatief voor arme landen met een zware schuldenlast („HIPC”) of een andere internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast. Wanneer dergelijke regelingen een reductie vereisen van het rentetarief voor leningen met meer dan 3 %, zoals is toegestaan krachtens de artikelen 2 en 4 van dit hoofdstuk, tracht de Bank de gemiddelde kosten van de middelen door passende medefinanciering met andere donoren te verminderen. Indien dit niet mogelijk wordt geacht, kan de rentevoet van de banklening zodanig worden verlaagd dat deze overeenstemt met het niveau in het kader van het HIPC-initiatief of een internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast.”.

2)

In artikel 2 wordt de tekst van lid 7 vervangen door:

„7.   Voor gewone leningen in landen waarvoor geen beperkende leningsvoorwaarden gelden in het kader van het HIPC-initiatief of een andere internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast, gelden in de volgende gevallen concessionele voorwaarden:

a)

in het geval van infrastructuurprojecten die een voorwaarde zijn voor de ontwikkeling van de particuliere sector in de minst ontwikkelde landen, in landen die zich in een post-conflictsituatie bevinden of door een natuurramp zijn getroffen. In deze gevallen wordt de rentevoet van de lening verlaagd met maximaal 3 %;

b)

in het geval van projecten die betrekking hebben op herstructureringsmaatregelen in het kader van privatisering of projecten met aanmerkelijke en duidelijk aantoonbare sociale of milieuvoordelen. In deze gevallen worden de leningen verstrekt met een rentesubsidie waarvan de omvang en vorm afhankelijk zijn van de bijzondere kenmerken van het project. De rentesubsidie bedraagt echter niet meer dan 3 %.

De uiteindelijke rentevoet van leningen die onder a) of b) vallen, bedraagt in geen geval minder dan 50 % van het referentietarief.”.

3)

In artikel 4 wordt de tekst van lid 2 vervangen door:

„2.   Voor leningen uit de eigen middelen van de Bank gelden de volgende voorwaarden:

a)

het referentierentetarief is het tarief dat door de Bank wordt toegepast voor leningen tegen dezelfde voorwaarden wat munteenheid en aflossingsperiode betreft op de dag van ondertekening van de overeenkomst of op de datum van overboeking;

b)

voor landen waarvoor geen beperkende leningsvoorwaarden gelden in het kader van het HIPC-initiatief of een andere internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast, geldt echter het volgende:

i)

projecten in de overheidssector komen in principe in aanmerking voor een rentesubsidie van maximaal 3 %;

ii)

projecten in de particuliere sector, vallende onder de categorieën gespecificeerd in artikel 2, lid 7, onder b), komen in aanmerking voor rentesubsidies onder dezelfde voorwaarden als gespecificeerd in genoemde bepaling.

De uiteindelijke rentevoet bedraagt in geen geval minder dan 50 % van het referentietarief;

c)

de aflossingsperiode van door de Bank uit eigen middelen verstrekte leningen wordt vastgesteld op basis van de economische en financiële kenmerken van het project. Voor deze leningen geldt gewoonlijk een aflossingsvrije periode, die wordt vastgesteld onder verwijzing naar de periode die voor de uitvoering van het project nodig is.”.

Gedaan te Brussel, 29 mei 2009.

Voor de ACS-EG-Raad van ministers

De voorzitter

William HAOMAE


(1)  PB L 287 van 28.10.2005, blz. 4.


AANBEVELINGEN

Commissie

30.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 168/50


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2009

betreffende referentiemetagegevens voor het Europees statistisch systeem

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/498/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 211,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Praktijkcode Europese statistieken (1), die bestemd is voor de nationale en de communautaire statistische instanties, omvat vijftien beginselen die zijn verbonden aan het institutionele kader, statistische processen en uitkomsten.

(2)

Beginsel 15 van de Praktijkcode Europese statistieken betreft de toegankelijkheid en de duidelijkheid van Europese statistieken, en benadrukt ook dat de bijbehorende metagegevens moeten worden gedocumenteerd volgens een gestandaardiseerd metagegevenssysteem.

(3)

Referentiemetagegevens maken een integrerend deel uit van het metagegevenssysteem van elke statistische instantie.

(4)

Door de Praktijkcode Europese statistieken aan te nemen, hebben de nationale en communautaire statistische instanties zich tot kwalitatief hoogstaande statistieken verbonden, waarvoor ook een transparantere en beter geharmoniseerde verslaggeving over gegevenskwaliteit nodig is.

(5)

In het kader van het SDMX-initiatief voor gemeenschappelijke technische en statistische normen voor de uitwisseling en het gemeenschappelijke gebruik van gegevens en metagegevens, dat is genomen door de Bank voor Internationale Betalingen, de Europese Centrale Bank, de statistische instantie van de Gemeenschap (Eurostat), het Internationaal Monetair Fonds, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Verenigde Naties en de Wereldbank, zijn de inhoudgerelateerde richtsnoeren („Content-Oriented Guidelines”) van de SDMX vastgesteld waarmee de creatie en de invoering van geharmoniseerde referentiemetagegevens in het Europees statistisch systeem worden ondersteund.

(6)

De efficiëntie kan aanzienlijk worden verhoogd wanneer de referentiemetagegevens worden geproduceerd op basis van een geharmoniseerde lijst van statistische begrippen binnen het Europees statistisch systeem, terwijl de nationale en de communautaire statistische instanties tegelijkertijd de mogelijkheid krijgen zo nodig meer statistische begrippen in specifieke statistische gebieden toe te voegen.

(7)

Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende Europese statistieken (2) vormt een referentiekader voor deze aanbeveling,

BEVEELT DE LIDSTATEN HIERBIJ AAN:

1.

De nationale statistische instanties wordt verzocht de in de bijlage opgenomen statistische begrippen en subbegrippen toe te passen wanneer referentiemetagegevens worden opgesteld in de verschillende statistische gebieden en wanneer referentiemetagegevens binnen het Europees statistisch systeem of daarbuiten worden uitgewisseld.

2.

De nationale statistische instanties dienen extra statistische begrippen toe te voegen aan de bovengenoemde lijst van begrippen en subbegrippen indien dat voor bepaalde statistische gebieden noodzakelijk is.

3.

De nationale statistische instanties wordt verzocht de Commissie (Eurostat) regelmatig over hun toepassing van de in de bijlage opgenomen statistische begrippen en subbegrippen te informeren.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2009.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Lid van de Commissie


(1)  Aanbeveling van de Commissie van 25 mei 2005 over de onafhankelijkheid, integriteit en verantwoordingsplicht van de nationale en communautaire statistische instanties, COM(2005) 217 definitief.

(2)  PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.


BIJLAGE

Lijst van statistische begrippen en subbegrippen (inclusief de definities van de begrippen en subbegrippen)

Nummer

Begrip

Subbegrip

Omschrijving

1.

Contactpunt

 

Contactpunten (personen of organisaties) voor de gegevens of metagegevens, met inbegrip van informatie over hoe de contactpunten te bereiken zijn.

1.1.

 

Contactorganisatie

Naam van de organisatie die de contactpunten voor de gegevens of metagegevens onderhoudt.

1.2.

 

Eenheid in de contactorganisatie

Subafdeling van een organisatie waarmee contact kan worden opgenomen.

1.3.

 

Naam contactpunt

Naam van de contactpunten voor de gegevens of metagegevens.

1.4.

 

Functie contactpersoon

Het gebied waarvoor de contactpersoon technische verantwoordelijkheid draagt, bv. „methoden”, „databankbeheer” of „verspreiding”.

1.5.

 

Postadres contactpunt

Postadres van de contactpunten voor de gegevens of metagegevens.

1.6.

 

E-mailadres contactpunt

E-mailadres van de contactpunten voor de gegevens of metagegevens.

1.7.

 

Telefoonnummer contactpunt

Telefoonnummer van de contactpunten voor de gegevens of metagegevens.

1.8.

 

Fax contactpunt

Fax van de contactpunten voor de gegevens of metagegevens.

2.

Actualisering metagegevens

 

Datum waarop het metagegevenselement in de databank is ingevoerd of gewijzigd.

2.1.

 

Laatste certificering metagegevens

Datum van de laatste door de gebiedsbeheerder verrichte certificering om te bevestigen dat de verspreide metagegevens nog actueel zijn, zelfs indien de inhoud niet is gewijzigd.

2.2.

 

Laatste verspreiding metagegevens

Datum van de laatste verspreiding van de metagegevens.

2.3.

 

Laatste actualisering metagegevens

Datum van de laatste actualisering van de metagegevens.

3.

Statistische presentatie

 

 

3.1.

 

Omschrijving gegevens

Hoofdkenmerken van de gegevensset, op begrijpelijke wijze beschreven met verwijzing naar de verspreide gegevens en indicatoren.

3.2.

 

Classificatiesysteem

Rangschikking of verdeling van onderwerpen in groepen, gebaseerd op gemeenschappelijke kenmerken van de onderwerpen.

3.3.

 

Sectoren

Belangrijkste economische of andere sectoren die in de statistieken zijn opgenomen.

3.4.

 

Statistische begrippen en definities

Statistische kenmerken van statistische waarnemingen.

3.5.

 

Statistische eenheid

Eenheid waarvoor informatie wordt gevraagd en waarvoor uiteindelijk statistieken worden opgesteld.

3.6.

 

Statistische populatie

Het totale lidmaatschap of de populatie van een bepaalde klasse van mensen, onderwerpen of gebeurtenissen.

3.7.

 

Referentiegebied

Het land of geografische gebied waarop het gemeten statistische fenomeen betrekking heeft.

3.8.

 

Bestreken tijdvak

De lengte van de periode waarvoor gegevens beschikbaar zijn.

3.9.

 

Basisperiode

De periode die als basis van een indexcijfer wordt gebruikt of waarop een constante reeks betrekking heeft.

4.

Meeteenheid

 

De eenheid waarin de gegevenswaarden worden gemeten.

5.

Referentieperiode

 

De periode of het tijdstip waarop de gemeten waarneming betrekking moet hebben.

6.

Institutioneel mandaat

 

Reeks voorschriften of een andere formele reeks instructies waarmee aan een organisatie de verantwoordelijkheid en de bevoegdheid worden verleend voor de verzameling, verwerking en verspreiding van statistieken.

6.1.

 

Wetsbesluiten en andere overeenkomsten

Wetsbesluiten of andere formele of informele overeenkomsten waarmee aan een agentschap de verantwoordelijkheid en de bevoegdheid voor de verzameling, verwerking en verspreiding van statistieken worden verleend.

6.2.

 

Gegevensuitwisseling

Regelingen of procedures voor gegevensuitwisseling en coördinatie tussen agentschappen die gegevens produceren.

7.

Vertrouwelijkheid

 

Kenmerk van gegevens dat aangeeft in welke mate ongeoorloofde bekendmaking ervan nadelig of schadelijk kan zijn voor de bron of voor andere betrokken partijen.

7.1.

 

Vertrouwelijkheid — beleid

Wetgevingsmaatregelen of andere formele procedures ter voorkoming van ongeoorloofde bekendmaking van gegevens die een directe of indirecte identificatie van een persoon of een economische eenheid mogelijk maken.

7.2.

 

Vertrouwelijkheid — gegevensverwerking

Toegepaste voorschriften voor de verwerking van de gegevensset om statistische vertrouwelijkheid te verzekeren en ongeoorloofde bekendmaking te voorkomen.

8.

Bekendmakingsbeleid

 

Voorschriften voor de verspreiding van statistische gegevens onder belanghebbenden.

8.1.

 

Bekendmakingstijdschema

Het tijdschema voor de bekendmaking van statistische gegevens.

8.2.

 

Toegang tot bekendmakingstijdschema

Toegang tot de informatie van het bekendmakingstijdschema.

8.3.

 

Toegang voor gebruikers

Beleid voor de bekendmaking van de gegevens aan de gebruikers, het verspreidingsbereik (bv. openbaarheid, geselecteerde gebruikers), wijze waarop de gebruikers over de bekendmaking van gegevens worden ingelicht, en of het bekendmakingsbeleid de verspreiding van statistische gegevens onder alle gebruikers regelt.

9.

Verspreidingsfrequentie

 

Het tijdsinterval waarmee de statistieken in een bepaalde periode worden verspreid.

10.

Verspreidingsformaat

 

Gegevensdragers waarop de statistische gegevens en metagegevens worden verspreid.

10.1.

 

Persbericht

Regelmatige of ad-hocpersberichten die met de gegevens verband houden.

10.2.

 

Publicaties

Regelmatige of ad-hocpublicaties waarin de gegevens beschikbaar worden gesteld aan het publiek.

10.3.

 

Onlinedatabank

Informatie over onlinedatabanken waarin de verspreide gegevens toegankelijk zijn.

10.4.

 

Toegang tot microgegevens

Informatie over de vraag of ook microgegevens worden verspreid.

10.5.

 

Overig

Vermeldingen van de belangrijkste andere verspreide gegevens.

11.

Toegankelijkheid van de documentatie

 

 

11.1.

 

Documentatie over methoden

Beschrijving van en verwijzingen naar de beschikbare documenten over de methoden.

11.2.

 

Documentatie over de kwaliteit

Documentatie over de gebruikte procedures voor kwaliteitsbeheer en -beoordeling.

12.

Kwaliteitsbeheer

 

Systemen en kaders die in een organisatie worden gebruikt om de kwaliteit van statistische producten en processen te beheren.

12.1.

 

Kwaliteitsborging

Alle genomen systematische maatregelen die aantoonbaar het vertrouwen vergroten dat de processen tot een statistische output leiden die aan de vereisten voldoet.

12.2.

 

Kwaliteitsbeoordeling

Algemene beoordeling van gegevenskwaliteit, gebaseerd op standaardkwaliteitscriteria.

13.

Relevantie

 

De mate waarin statistieken voldoen aan de huidige en potentiële behoeften van de gebruikers.

13.1.

 

Behoeften van de gebruikers

Beschrijving van de gebruikers en hun respectieve behoeften met betrekking tot de statistische gegevens.

13.2.

 

Tevredenheid van de gebruikers

Maatregelen om de tevredenheid van de gebruikers vast te stellen.

13.3.

 

Volledigheid

De mate waarin alle benodigde statistieken beschikbaar zijn.

14.

Nauwkeurigheid en betrouwbaarheid

 

Nauwkeurigheid: de mate waarin de berekeningen of schattingen in de buurt van de exacte of werkelijke waarden van de variabelen liggen.

Betrouwbaarheid: de mate waarin de aanvankelijk geschatte waarde overeenkomt met de latere geschatte waarde.

14.1.

 

Algehele nauwkeurigheid

Beoordeling van de nauwkeurigheid van een bepaalde gegevensset of een gebied, als samenvatting van de verschillende onderdelen.

14.2.

 

Steekproeffout

Dat deel van het verschil tussen een waarde van een populatie en een schatting daarvan, afgeleid uit een aselecte steekproef, dat te wijten is aan het feit dat slechts een subset van de populatie in aanmerking is genomen.

14.3.

 

Niet-steekproeffout

Fout in de steekproefschattingen die niet aan steekproeffluctuaties te wijten zijn.

15.

Tijdigheid en punctualiteit

 

 

15.1.

 

Tijdigheid

Tijdsduur tussen beschikbaarheid van gegevens en de gebeurtenis of het verschijnsel waarop deze betrekking hebben.

15.2.

 

Stiptheid

Tijdspanne tussen de datum van publicatie van de gegevens en de datum waarop zij hadden moeten worden gepubliceerd.

16.

Vergelijkbaarheid

 

Meting van het effect van verschillen in de toegepaste statistische begrippen, meetinstrumenten en procedures wanneer statistieken tussen geografische gebieden of in de tijd worden vergeleken.

16.1.

 

Vergelijkbaarheid — geografisch

De mate waarin statistieken vergelijkbaar zijn tussen geografische gebieden.

16.2.

 

Vergelijkbaarheid in de tijd

De mate waarin statistieken vergelijkbaar of verenigbaar zijn in de tijd.

17.

Coherentie

 

De mate waarin statistieken betrouwbaar op verschillende manieren en voor verschillende doeleinden kunnen worden gecombineerd.

17.1.

 

Gebiedsoverschrijdende coherentie

De mate waarin statistieken vergelijkbaar of verenigbaar zijn met de statistieken die door andere gegevensbronnen of statistiekgebieden zijn verkregen.

17.2.

 

Interne coherentie

De mate waarin statistieken consistent zijn binnen een bepaalde gegevensset.

18.

Kosten en lasten

 

Kosten in verband met de verzameling en de productie van een statistisch product en lasten voor de respondenten.

19.

Herziening van de gegevens

 

Elke wijziging in een waarde van een statistiek die al aan het publiek is bekendgemaakt.

19.1.

 

Herziening van de gegevens — beleid

Beleid om de transparantie van de verspreide gegevens te verzekeren, waarbij voorlopige gegevens worden samengesteld die later worden herzien.

19.2.

 

Herziening van de gegevens — praktijk

Informatie over de praktijk van de gegevensherziening.

20.

Statistische verwerking

 

 

20.1.

 

Brongegevens

Kenmerken en onderdelen van de ruwe statistische gegevens die zijn gebruikt voor de opstelling van statistische aggregaten.

20.2.

 

Frequentie van verzameling van gegevens

Frequentie waarmee de brongegevens worden verzameld.

20.3.

 

Verzameling van gegevens

Systematisch proces van verzameling van gegevens voor officiële statistieken.

20.4.

 

Validatie van gegevens

Proces van toezicht houden op de resultaten van gegevensopstelling en verzekeren van de kwaliteit van de statistische resultaten.

20.5.

 

Samenstelling van gegevens

Bewerking van gegevens om volgens bepaalde regels nieuwe informatie af te leiden.

20.6.

 

Aanpassing

Reeks procedures tot wijziging van statistische gegevens om een aanpassing aan de nationale of internationale normen mogelijk te maken of om bij de opstelling van specifieke gegevenssets verschillen in de gegevenskwaliteit weg te nemen.

21.

Opmerking

 

Aanvullende beschrijvende tekst die aan de gegevens of metagegevens kan worden toegevoegd.