ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.164.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 164

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
26 juni 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 550/2009 van de Commissie van 25 juni 2009 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 551/2009 van de Commissie van 25 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende detergentia teneinde de bijlagen V en VI daarbij aan te passen (ontheffing voor oppervlakteactieve stoffen) ( 1 )

3

 

*

Verordening (EG) nr. 552/2009 van de Commissie van 22 juni 2009 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) ( 1 )

7

 

*

Verordening (EG) nr. 553/2009 van de Commissie van 25 juni 2009 betreffende de opening van een specifieke openbare inschrijving voor de verkoop op de markt van de Gemeenschap van mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 die in het bezit is van het Hongaarse interventiebureau

32

 

*

Verordening (EG) nr. 554/2009 van de Commissie van 25 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2597/2001 wat betreft tariefcontingenten voor bepaalde wijnen van oorsprong uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

35

 

*

Verordening (EG) nr. 555/2009 van de Commissie van 25 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 318/2007 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Gemeenschap en de desbetreffende quarantainevoorschriften ( 1 )

37

 

 

Verordening (EG) nr. 556/2009 van de Commissie van 25 juni 2009 betreffende de toewijzing van rechten tot invoer voor aanvragen die zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 431/2008 geopende tariefcontingent voor bevroren rundvlees

38

 

 

Verordening (EG) nr. 557/2009 van de Commissie van 25 juni 2009 betreffende de toewijzing van rechten tot invoer voor aanvragen die zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 412/2008 geopende tariefcontingenten voor bevroren rundvlees, bestemd voor verwerking

39

 

 

Verordening (EG) nr. 558/2009 van de Commissie van 25 juni 2009 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 945/2008 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2008/2009

40

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2009/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot bepaalde informatieverplichtingen van middelgrote ondernemingen en de verplichting een geconsolideerde jaarrekening op te stellen ( 1 )

42

 

*

Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (Herschikking) ( 1 )

45

 

*

Richtlijn 2009/70/EG van de Commissie van 25 juni 2009 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel op te nemen als werkzame stoffen ( 1 )

59

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2009/492/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 22 juni 2009 betreffende een financiële bijdrage aan het Trustfonds 911100MTF/INT/003/EEC (TFEU 970089129) ter bestrijding van mond-en-klauwzeer buiten de Gemeenschap

64

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/1


VERORDENING (EG) Nr. 550/2009 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2009

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 26 juni 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

53,0

MK

21,6

TR

82,5

ZZ

52,4

0707 00 05

JO

156,8

MK

23,0

TR

108,9

ZZ

96,2

0709 90 70

TR

103,7

ZZ

103,7

0805 50 10

AR

66,2

BR

104,3

TR

54,9

ZA

59,9

ZZ

71,3

0808 10 80

AR

73,6

BR

94,4

CL

94,9

CN

91,3

NZ

108,0

US

134,0

UY

61,5

ZA

77,5

ZZ

91,9

0809 10 00

TR

232,3

US

172,2

ZZ

202,3

0809 20 95

TR

323,9

US

377,7

ZZ

350,8

0809 30

TR

147,8

US

175,8

ZZ

161,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/3


VERORDENING (EG) Nr. 551/2009 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2009

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende detergentia teneinde de bijlagen V en VI daarbij aan te passen (ontheffing voor oppervlakteactieve stoffen)

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende detergentia (1), en met name op artikel 13, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 648/2004 waarborgt het vrije verkeer van detergentia en oppervlakteactieve stoffen voor detergentia op de interne markt en biedt tegelijkertijd onder meer een hoog beschermingsniveau voor het milieu door de vaststelling van voorschriften voor de totale biologische afbreekbaarheid van oppervlakteactieve stoffen die in detergentia worden gebruikt.

(2)

Bovendien bevatten de artikelen 5, 6 en 9 van die verordening een mechanisme dat ervoor zorgt dat voor oppervlakteactieve stoffen die niet aan bovengenoemd voorschrift voor totale biologische afbreekbaarheid voldoen, een ontheffing kan worden verleend voor specifieke industriële of institutionele toepassingen, mits het weinig verspreide toepassingen betreft en de eraan verbonden risico’s voor het milieu klein zijn in vergelijking met de sociaaleconomische voordelen.

(3)

In de verordening is bepaald dat het risico voor het milieu moet worden bepaald met een aanvullende risicobeoordeling, als beschreven in bijlage IV, die door de fabrikant van de oppervlakteactieve stof wordt uitgevoerd en ter beoordeling bij de bevoegde autoriteit van een lidstaat wordt ingediend.

(4)

Oppervlakteactieve stoffen waarvoor ontheffing is verleend, moeten in bijlage V bij de verordening worden opgenomen. Oppervlakteactieve stoffen waarvoor ontheffing is geweigerd, moeten in bijlage VI bij de verordening worden opgenomen.

(5)

De ontheffingen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (2).

(6)

Er is ontheffing aangevraagd voor de oppervlakteactieve stof met de IUPAC (3)-naam „alcoholen, Guerbet, C16-20, geëthoxyleerd, n-butylether (7-8EO)”, ook bekend onder de handelsnaam „Dehypon G 2084”, met het CAS (4) -nummer 147993-59-7, voor drie industriële toepassingen, namelijk: flessenreiniging, cleaning-in-place en metaalreiniging.

(7)

De ontheffingsaanvraag is volgens de procedure van artikel 5 van de verordening door de Duitse bevoegde autoriteit beoordeeld. De aanvraag bleek aan de drie voorwaarden in artikel 6 te voldoen. Ten eerste zijn de drie genoemde toepassingen weinig verspreid. Ten tweede betreft het specifieke industriële toepassingen. En ten derde is er geen risico voor het milieu aangezien de oppervlakteactieve stof zelf geen risico vormt en de metabolieten niet moeilijk afbreekbaar zijn.

(8)

De drie genoemde toepassingen werden beschouwd als weinig verspreid gezien het totale jaarverbruik van de oppervlakteactieve stof en omdat de oppervlakteactieve stof uitsluitend in specifieke soorten industriële installaties wordt gebruikt.

(9)

De conclusie dat er geen risico voor het milieu is, berust op het hoge niveau van snelle primaire biologische afbreekbaarheid van de oppervlakteactieve stof en op de totale biologische afbreekbaarheid van de metabolieten van de oppervlakteactieve stof. De metabolieten voldoen bijgevolg aan dezelfde criteria als de oppervlakteactieve stoffen waarvoor de verordening het vrije verkeer op de interne markt waarborgt.

(10)

Niettemin heeft het Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang van de wetgeving tot opheffing van de technische handelsbelemmeringen in de sector detergentia besloten de ontheffing tot een termijn van tien jaar te beperken teneinde te bevorderen dat oppervlakteactieve stoffen met soortgelijke prestaties worden ontwikkeld die wel aan de criteria voor totale afbreekbaarheid voldoen, zodat daarvoor geen ontheffing nodig is.

(11)

In het verleden werd in de Gemeenschap aan stoffen hetzij een Einecs-nummer, hetzij een Elincs-nummer toegekend. Daarnaast zijn er NLP-nummers („No-Longer Polymer”) toegekend aan zo’n 700 stoffen die oorspronkelijk tot de polymeren werden gerekend, maar nadien als niet-polymeren zijn erkend. Deze Einecs-, Elincs- en NLP-nummers worden nu collectief aangeduid als „EG-nummers” en de desbetreffende kopjes in de tabellen in de bijlagen V en VI moeten aan deze nieuwe benaming worden aangepast.

(12)

De bijlagen V en VI bij Verordening (EG) nr. 648/2004 moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité detergentia,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 648/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage V wordt vervangen door bijlage I bij deze verordening.

2)

Bijlage VI wordt vervangen door bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)  PB L 104 van 8.4.2004, blz. 1.

(2)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(3)  International Union of Pure and Applied Chemistry.

(4)  Chemical Abstracts Service.


BIJLAGE I

„BIJLAGE V

LIJST VAN OPPERVLAKTEACTIEVE STOFFEN WAARVOOR ONTHEFFING IS VERLEEND

De volgende oppervlakteactieve stoffen in detergentia, die wel aan de eisen van de in bijlage II genoemde tests, maar niet aan die van de in bijlage III genoemde tests voldoen, mogen op grond van een overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6 en volgens de procedure van artikel 12, lid 2, verleende ontheffing, in de handel worden gebracht en behoudens onderstaande beperkingen worden gebruikt.

Naam volgens de nomenclatuur van de IUPAC

EG-nummer

CAS-nummer

Beperkingen

Alcoholen, Guerbet, C16-20, geëthoxyleerd, n-butylether (7-8EO)

Geen (polymeer)

147993-59-7

Mag tot 27 juni 2019 voor de volgende industriële toepassingen worden gebruikt:

flessenreiniging;

cleaning-in-place;

metaalreiniging.

Met „EG-nummer” wordt het Einecs-, Elincs- of NLP-nummer bedoeld; dit is het officiële nummer van de stof in de Europese Unie.

De Einecs is de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen. Deze inventaris bevat de definitieve lijst van alle stoffen die geacht werden op 18 september 1981 in de Gemeenschap in de handel te zijn. Het Einecs-nummer is te vinden in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (1).

De Elincs is de Europese lijst van chemische stoffen waarvan kennis is gegeven. Het Elincs-nummer is te vinden in de European List of Notified Chemical Substances, zoals gewijzigd (2).

„NLP” staat voor No-Longer Polymer. Het begrip „polymeer” is gedefinieerd in artikel 3, punt 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3). Het NLP-nummer is te vinden in de lijst van „No-Longer Polymers”, zoals gewijzigd (4).


(1)  PB C 146 A van 15.6.1990, blz. 1.

(2)  Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 2006, ISSN 1018-5593 EUR 22543 EN.

(3)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1, gerectificeerd in PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.

(4)  Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 2007, ISSN 1018-5593 EUR 20853 EN/3.”


BIJLAGE II

„BIJLAGE VI

LIJST VAN OPPERVLAKTEACTIEVE STOFFEN IN DETERGENTIA DIE VERBODEN ZIJN OF AAN BEPERKINGEN ONDERWORPEN ZIJN

Van de volgende oppervlakteactieve stoffen in detergentia is vastgesteld dat ze niet aan de bepalingen van deze verordening voldoen:

Naam volgens de nomenclatuur van de IUPAC

EG-nummer

CAS-nummer

Beperkingen

 

 

 

 

Met „EG-nummer” wordt het Einecs-, Elincs- of NLP-nummer bedoeld; dit is het officiële nummer van de stof in de Europese Unie.”


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/7


VERORDENING (EG) Nr. 552/2009 VAN DE COMMISSIE

van 22 juni 2009

tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name op artikel 131,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (2) zijn beperkingen ten aanzien van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten opgenomen. Verordening (EG) nr. 1907/2006 komt met ingang van 1 juni 2009 in de plaats van Richtlijn 76/769/EEG, die op die datum wordt ingetrokken. Bijlage XVII bij die verordening komt in de plaats van bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG.

(2)

Artikel 67 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bepaalt dat stoffen, mengsels en voorwerpen waarvoor in bijlage XVII bij die verordening een beperking is opgenomen, niet vervaardigd, in de handel gebracht of gebruikt mogen worden tenzij aan de voorwaarden van die beperking wordt voldaan.

(3)

Richtlijn 2006/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot dertigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad (perfluoroctaansulfonaten (PFOS)) (3) en Richtlijn 2006/139/EG van de Commissie van 20 december 2006 tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat de beperking van het in de handel brengen en het gebruik van arseenverbindingen betreft met het oog op de aanpassing van bijlage I aan de technische vooruitgang (4), waarbij bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG gewijzigd werd, zijn kort voor de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 1907/2006 in december 2006 goedgekeurd, maar de desbetreffende wijzigingen zijn nog niet in bijlage XVII bij die verordening opgenomen. Bijlage XVII moet dus worden gewijzigd om daar de beperkingen uit de Richtlijnen 2006/122/EG en 2006/139/EG in op te nemen, aangezien die beperkingen anders op 1 juni 2009 komen te vervallen.

(4)

Overeenkomstig artikel 137, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt elke wijziging van de goedgekeurde beperkingen krachtens Richtlijn 76/769/EEG vanaf 1 juni 2007 met ingang van 1 juni 2009 opgenomen in Verordening (EG) nr. 1907/2006.

(5)

Richtlijn 2007/51/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat betreft de beperking van het op de markt brengen van bepaalde kwikhoudende meettoestellen (5) is op 25 september 2007 goedgekeurd. Beschikking nr. 1348/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat betreft de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van 2-(2-methoxyethoxy)ethanol, 2-(2-butoxyethoxy)ethanol, methyleendifenyldiisocyanaat, cyclohexaan en ammoniumnitraat (6) is op 16 december 2008 goedgekeurd. De desbetreffende beperkingen zijn nog niet in bijlage XVII bij de verordening opgenomen. Bijlage XVII moet dus worden gewijzigd om daarin de beperkingen betreffende bepaalde kwikhoudende meettoestellen krachtens Richtlijn 2007/51/EG en de beperkingen ten aanzien van 2-(2-methoxyethoxy)ethanol, 2-(2-butoxyethoxy)ethanol, methyleendifenyldiisocyanaat, cyclohexaan en ammoniumnitraat krachtens Beschikking nr. 1348/2008/EG op te nemen.

(6)

Er moet rekening worden gehouden met de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (7).

(7)

Aangezien de bepalingen van titel VIII van Verordening (EG) nr. 1907/2006, en met name bijlage XVII, met ingang van 1 juni 2009 rechtstreeks toepasselijk zijn, moeten de beperkingen duidelijk worden geformuleerd, zodat de marktdeelnemers en de handhavingsinstanties ze correct kunnen toepassen. Daarom moet de tekst van de beperkingen worden herzien. De terminologie van de verschillende vermeldingen moet geharmoniseerd worden en meer in overeenstemming worden gebracht met de definities in Verordening (EG) nr. 1907/2006.

(8)

Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (pcb’s/pct’s) (8) schrijft voor dat apparaten die pcb’s en pct’s bevatten, zo spoedig mogelijk gereinigd of verwijderd moeten worden en bevat de voorschriften voor de reiniging van apparaten die die stoffen bevatten. In de vermelding in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende pct’s dient daarom geen bepaling te staan over apparaten die pct’s bevatten; dat is immers al volledig bij Richtlijn 96/59/EG geregeld.

(9)

De bestaande beperkingen voor de stoffen 2-naftylamine, benzidine, 4-nitrobifenyl en 4-aminobifenyl zijn dubbelzinnig, aangezien niet duidelijk is of het verbod alleen de levering aan het grote publiek of ook de levering aan professionele gebruikers betreft. Dit moet worden verduidelijkt. Daar Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico’s van chemische agentia op het werk (9) het produceren, vervaardigen en gebruiken van die stoffen op het werk verbiedt, moeten de beperkingen in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende die stoffen met Richtlijn 98/24/EG in overeenstemming zijn.

(10)

De stoffen tetrachloorkoolstof en 1,1,1-trichloorethaan zijn krachtens Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (10) aan strenge beperkingen onderworpen. In Verordening (EG) nr. 2037/2000 is voor tetrachloorkoolstof een verbod met uitzonderingen en voor 1,1,1-trichloorethaan een totaalverbod vastgelegd. De beperkingen ten aanzien van tetrachloorkoolstof en 1,1,1-trichloorethaan in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn derhalve overbodig en moeten worden geschrapt.

(11)

Aangezien kwik in batterijen is geregeld bij Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s (11) zijn de huidige bepalingen voor kwik in batterijen en accu’s in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 overbodig en moeten zij worden geschrapt.

(12)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn afvalstoffen geen stof, mengsel of voorwerp in de zin van artikel 3 van die verordening. Daar afvalstoffen niet onder de beperkingen van Verordening (EG) nr. 1907/2006 vallen, zijn de bepalingen in bijlage XVII bij die verordening waarbij afvalstoffen worden uitgezonderd, overbodig en moeten zij worden geschrapt.

(13)

Een aantal beperkingen in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 moet worden gewijzigd in verband met de definitie van „gebruik” en „in de handel brengen” in artikel 3 van die verordening.

(14)

De vermelding betreffende asbestvezels in bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG bevat een uitzondering voor membranen die chrysotiel bevatten. Gepreciseerd moet worden dat deze uitzondering zal worden geëvalueerd na ontvangst van de verslagen die de lidstaten die van deze uitzonderingsregeling gebruikmaken, moeten indienen. Bovendien moeten de lidstaten, gezien de definitie van „in de handel brengen” in Verordening (EG) nr. 1907/2006, de mogelijkheid hebben om het in de handel brengen van bepaalde voorwerpen die dergelijke vezels bevatten en al vóór 1 januari 2005 geïnstalleerd of in bedrijf waren, toe te staan onder bepaalde voorwaarden waardoor een hoog beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid gewaarborgd is.

(15)

Voor stoffen die in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn opgenomen omdat hiervoor beperkingen waren vastgesteld in Richtlijn 76/769/EEG (de vermeldingen 1 tot en met 58) moet worden gepreciseerd dat de beperkingen niet gelden voor de opslag, bewaring, behandeling, overbrenging in recipiënten of overbrenging van de ene recipiënt naar de andere van die stoffen met het oog op uitvoer, tenzij de vervaardiging van die stoffen verboden is.

(16)

In Verordening (EG) nr. 1907/2006 is de term „voorwerp” gedefinieerd, wat in Richtlijn 76/769/EEG niet het geval was. Om ervoor te zorgen dat de beperking ten aanzien van cadmium hetzelfde omvat als de oorspronkelijke beperking, moet in sommige bepalingen de term „mengsels” worden toegevoegd.

(17)

Gepreciseerd moet worden dat de beperkingen in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende het in de handel brengen van bepaalde kwikhoudende meettoestellen niet gelden voor toestellen die al in de Gemeenschap in gebruik waren op het tijdstip dat de beperkingen in werking traden.

(18)

In de vermeldingen in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 voor de stoffen difenylether, pentabroomderivaat, en difenylether, octabroomderivaat, moet worden bepaald dat de beperkingen niet gelden voor voorwerpen die al in gebruik waren op het tijdstip waarop de beperking voor die stoffen inging, aangezien die stoffen zijn verwerkt in voorwerpen met een lange levensduur die op de tweedehandsmarkt worden verkocht, zoals vliegtuigen en voertuigen. Aangezien voorts het gebruik van die stoffen in elektrische en elektronische apparatuur is geregeld in Richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende de beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (12), gelden de beperkingen niet voor dergelijke apparatuur.

(19)

In de beperking voor nonylfenol en nonylfenolethoxylaten moet worden aangegeven dat de bestaande nationale toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden die nonylfenolethoxylaten als co-formulant bevatten, onverlet blijven, overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2003/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 houdende zesentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende beperkingen op het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (nonylfenol, nonylfenolethoxylaat en cement) (13).

(20)

Gepreciseerd moet worden dat de beperking in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende perfluoroctaansulfonaten niet geldt voor producten die al in de Gemeenschap in gebruik waren op het tijdstip dat de beperking in werking trad.

(21)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

De verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 juni 2009.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 201.

(3)  PB L 372 van 27.12.2006, blz. 32.

(4)  PB L 384 van 29.12.2006, blz. 94.

(5)  PB L 257 van 3.10.2007, blz. 13.

(6)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 108.

(7)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(8)  PB L 243 van 24.9.1996, blz. 31.

(9)  PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.

(10)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1.

(11)  PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1.

(12)  PB L 37 van 13.2.2003, blz. 19.

(13)  PB L 178 van 17.7.2003, blz. 24.


BIJLAGE

Bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1.

De titel komt als volgt te luiden:

2.

De tabel met de benaming van de stoffen, groepen van stoffen en mengsels en de beperkingsvoorwaarden wordt als volgt vervangen:

„Voor stoffen die in deze bijlage zijn opgenomen omdat hiervoor beperkingen waren vastgesteld in Richtlijn 76/769/EEG (de vermeldingen 1 tot en met 58) gelden de beperkingen niet voor de opslag, bewaring, behandeling, overbrenging in recipiënten of overbrenging van de ene recipiënt naar de andere van die stoffen met het oog op uitvoer, tenzij de vervaardiging van die stoffen verboden is.


Kolom 1

Benaming van de stof of groep van stoffen of van het mengsel

Kolom 2

Beperkingsvoorwaarden

1.

Polychloorterfenylen (pct’s)

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt:

als stof,

in mengsels, met inbegrip van afgewerkte oliën, of in apparaten, in een concentratie van meer dan 50 mg/kg (0,005 gewichtsprocent).

2.

Chlooretheen (vinylchloride)

CAS-nr. 75-01-4

EG-nr. 200-831-0

Mag niet worden gebruikt als drijfgas in spuitbussen voor welk gebruik dan ook.

Spuitbussen die de stof als drijfgas bevatten, mogen niet in de handel worden gebracht.

3.

Vloeibare stoffen of mengsels die als gevaarlijk worden beschouwd in de zin van de definities in Richtlijn 67/548/EEG en Richtlijn 1999/45/EG

1.

Mogen niet worden gebruikt:

in siervoorwerpen bestemd om licht- of kleureffecten te verkrijgen door verschillende fasen, bijvoorbeeld in sfeerlampen en asbakken;

in scherts- en fopartikelen;

in spelen voor een of meer personen of in alle voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden gebruikt, zelfs als deze fungeren als siervoorwerp.

2.

Voorwerpen die niet met punt 1 in overeenstemming zijn, mogen niet in de handel worden gebracht.

3.

Mogen niet in de handel worden gebracht als zij een kleurstof bevatten, tenzij dat om fiscale redenen vereist is, of een geurstof of beide, en:

gevaarlijk zijn bij inademing en met R65 of H304 worden gekenmerkt, en

als brandstof in sierlampen kunnen worden gebruikt, en

zijn verpakt in recipiënten met een capaciteit van 15 l of minder.

4.

Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen betreffende de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels zorgen de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor dat op de verpakking van stoffen en mengsels als bedoeld in punt 3 die ervoor bestemd zijn om in lampen te worden gebruikt, zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar het volgende wordt vermeld:

„Lampen die met deze vloeistof zijn gevuld buiten het bereik van kinderen houden”.

4.

Tris(2,3-dibroompropyl)fosfaat

CAS-nr. 126-72-7

1.

Mag niet worden gebruikt in textielartikelen die bestemd zijn om in contact te komen met de huid, bijvoorbeeld kleding, onderkleding en linnengoed.

2.

Voorwerpen die niet met punt 1 in overeenstemming zijn, mogen niet in de handel worden gebracht.

5.

Benzeen

CAS-nr. 71-43-2

EG-nr. 200-753-7

1.

Mag niet worden gebruikt in speelgoed of onderdelen van speelgoed indien de concentratie aan vrij benzeen groter is dan 5 mg/kg (0,0005 %) van het gewicht van het stuk speelgoed of onderdeel van het speelgoed.

2.

Speelgoed en onderdelen van speelgoed die niet met punt 1 in overeenstemming zijn, mogen niet in de handel worden gebracht.

3.

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt:

als stof,

als bestanddeel van andere stoffen of van mengsels, in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer.

4.

Punt 3 is echter niet van toepassing op:

a)

brandstoffen die onder Richtlijn 98/70/EG vallen;

b)

stoffen en mengsels die bestemd zijn om te worden gebruikt in industriële procedés waarbij geen grotere benzeenemissie kan plaatsvinden dan is voorzien in de bestaande wetgeving.

6.

Asbestvezels

a)

Crocidoliet

CAS-nr. 12001-28-4

b)

Amosiet

CAS-nr. 12172-73-5

c)

Anthofylliet

CAS-nr. 77536-67-5

d)

Actinoliet

CAS-nr. 77536-66-4

e)

Tremoliet

CAS-nr. 77536-68-6

f)

Chrysotiel

CAS-nr. 12001-29-5

CAS-nr. 132207-32-0

1.

De vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van deze vezels en van voorwerpen waaraan deze vezels opzettelijk zijn toegevoegd, zijn verboden.

De lidstaten mogen echter een uitzondering maken voor het in de handel brengen en het gebruik van membranen die chrysotiel (onder f)) bevatten in bestaande elektrolyse-installaties, tot zij aan vervanging toe zijn of totdat geschikte asbestsubstituten beschikbaar komen, als dat eerder is.

De lidstaten die van deze uitzondering gebruikmaken, dienen bij de Commissie uiterlijk op 1 juni 2011 een verslag in over de beschikbaarheid van asbestsubstituten voor elektrolyse-installaties en de inspanningen die zijn gedaan om dergelijke alternatieven te vinden, over de bescherming van de gezondheid van de werknemers in de installaties, over de bronnen van chrysotiel en de hoeveelheden daarvan, over de bronnen van chrysotiel bevattende membranen en de hoeveelheden ervan, en over de beoogde datum waarop zij geen gebruik meer zullen maken van deze uitzondering. De Commissie maakt deze informatie openbaar.

Na ontvangst van die verslagen verzoekt de Commissie het Agentschap overeenkomstig artikel 69 een dossier samen te stellen om het in de handel brengen en het gebruik van chrysotiel bevattende membranen te verbieden.

2.

Het gebruik van voorwerpen die de in punt 1 genoemde asbestvezels bevatten en die al vóór 1 januari 2005 geïnstalleerd en/of in bedrijf waren, blijft toegestaan totdat zij worden verwijderd of aan vervanging toe zijn. De lidstaten mogen echter om redenen van gezondheidsbescherming het gebruik van dergelijke voorwerpen beperken, verbieden of aan bepaalde voorwaarden onderwerpen voordat deze worden verwijderd of aan vervanging toe zijn.

De lidstaten mogen het in de handel brengen van voorwerpen in hun geheel die de in punt 1 genoemde asbestvezels bevatten en die al vóór 1 januari 2005 geïnstalleerd en/of in bedrijf waren, toestaan onder bepaalde voorwaarden waardoor een hoog beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid gewaarborgd is. De lidstaten delen die nationale maatregelen uiterlijk op 1 juni 2011 aan de Commissie mee. De Commissie maakt deze informatie openbaar.

3.

Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen betreffende de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels mag het in de handel brengen en het gebruik van voorwerpen die deze vezels bevatten, voor de bovengenoemde uitzonderingen slechts worden toegestaan indien de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor zorgen dat deze voorwerpen zijn geëtiketteerd overeenkomstig aanhangsel 7 van deze bijlage.

7.

Tris(aziridinyl)fosfineoxide

CAS-nr. 545-55-1

EG-nr. 208-892-5

1.

Mag niet worden gebruikt in textielartikelen die bestemd zijn om in contact te komen met de huid, bijvoorbeeld kleding, onderkleding en linnengoed.

2.

Voorwerpen die niet met punt 1 in overeenstemming zijn, mogen niet in de handel worden gebracht.

8.

Polybroombifenylen (pbb’s)

CAS-nr. 59536-65-1

1.

Mogen niet worden gebruikt in textielartikelen die bestemd zijn om in contact te komen met de huid, bijvoorbeeld kleding, onderkleding en linnengoed.

2.

Voorwerpen die niet met punt 1 in overeenstemming zijn, mogen niet in de handel worden gebracht.

9.

a)

Panamapoeder

(Quillaja saponaria) en derivaten daarvan die saponinen bevatten

CAS-nr. 68990-67-0

EG-nr. 273-620-4

b)

Poeder van de wortels van Helleborus viridis en Helleborus niger

c)

Poeder van de wortels van de witte nieswortel (Veratrum album) en de zwarte nieswortel (Veratrum nigrum)

d)

Benzidine en/of derivaten daarvan

CAS-nr. 92-87-5

EG-nr. 202-199-1

e)

o-Nitrobenzaldehyd

CAS-nr. 552-89-6

EG-nr. 209-025-3

f)

Houtstof

1.

Mogen niet worden gebruikt in fop- en schertsartikelen of in mengsels of voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden gebruikt, bijvoorbeeld als bestanddeel van niespoeder en stinkbommen.

2.

Fop- en schertsartikelen en mengsels of voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden gebruikt, en die niet met punt 1 in overeenstemming zijn, mogen niet in de handel gebracht worden.

3.

De punten 1 en 2 zijn echter niet van toepassing op stinkbommen die niet meer dan 1,5 ml vloeistof bevatten.

10.

a)

Ammoniumsulfide

CAS-nr. 12135-76-1

EG-nr. 235-223-4

b)

Ammoniumwaterstofsulfide

CAS-nr. 12124-99-1

EG-nr. 235-184-3

c)

Ammoniumpolysulfide

CAS-nr. 9080-17-5

EG-nr. 232-989-1

1.

Mogen niet worden gebruikt in fop- en schertsartikelen of in mengsels of voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden gebruikt, bijvoorbeeld als bestanddeel van niespoeder en stinkbommen.

2.

Fop- en schertsartikelen en mengsels of voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden gebruikt, en die niet met punt 1 in overeenstemming zijn, mogen niet in de handel gebracht worden.

3.

De punten 1 en 2 zijn echter niet van toepassing op stinkbommen die niet meer dan 1,5 ml vloeistof bevatten.

11.

Vluchtige esters van broomazijnzuur:

a)

methylbroomacetaat

CAS-nr. 96-32-2

EG-nr. 202-499-2

b)

ethylbroomacetaat

CAS-nr. 105-36-2

EG-nr. 203-290-9

c)

propylbroomacetaat

CAS-nr. 35223-80-4

d)

butylbroomacetaat

CAS-nr. 18991-98-5

EG-nr. 242-729-9

1.

Mogen niet worden gebruikt in fop- en schertsartikelen of in mengsels of voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden gebruikt, bijvoorbeeld als bestanddeel van niespoeder en stinkbommen.

2.

Fop- en schertsartikelen en mengsels of voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden gebruikt, en die niet met punt 1 in overeenstemming zijn, mogen niet in de handel gebracht worden.

3.

De punten 1 en 2 zijn echter niet van toepassing op stinkbommen die niet meer dan 1,5 ml vloeistof bevatten.

12.

2-Naftylamine

CAS-nr. 91-59-8

EG-nr. 202-080-4 en zouten daarvan

13.

Benzidine

CAS-nr. 92-87-5

EG-nr. 202-199-1 en zouten daarvan

14.

4-Nitrobifenyl

CAS-nr. 92-93-3

Einecs EG-nr. 202-204-7

15.

4-Aminobifenyl, xenylamine

CAS-nr. 92-67-1

EG-nr. 202-177-1 en zouten daarvan

Voor de vermeldingen 12 tot en met 15 geldt:

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent.

16.

Loodcarbonaten:

a)

neutraal watervrij loodcarbonaat (PbCO3)

CAS-nr. 598-63-0

EG-nr. 209-943-4

b)

triloodbis(carbonaat)dihydroxide 2Pb CO3-Pb(OH)2

CAS-nr. 1319-46-6

EG-nr. 215-290-6

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel bestemd is om als verf te worden gebruikt.

De lidstaten mogen echter overeenkomstig de bepalingen van IAO-Verdrag nr. 13 betreffende het gebruik van loodwit in verfstoffen het gebruik van de stof of het mengsel op hun grondgebied toestaan voor de restauratie en het onderhoud van kunstwerken alsmede van historische gebouwen en hun interieurs.

17.

Loodsulfaten:

a)

PbSO4

CAS-nr. 7446-14-2

EG-nr. 231-198-9

b)

Pbx SO4

CAS-nr. 15739-80-7

EG-nr. 239-831-0

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel bestemd is om als verf te worden gebruikt.

De lidstaten mogen echter overeenkomstig de bepalingen van IAO-Verdrag nr. 13 betreffende het gebruik van loodwit in verfstoffen het gebruik van de stof of het mengsel op hun grondgebied toestaan voor de restauratie en het onderhoud van kunstwerken alsmede van historische gebouwen en hun interieurs.

18.

Kwikverbindingen

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel bestemd is om te worden gebruikt:

a)

ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op:

scheepsrompen;

fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt;

alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt.

b)

voor de verduurzaming van hout;

c)

voor de impregnatie van zware industriële textielproducten en garens bestemd voor de fabricage daarvan;

d)

bij de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan.

18bis.

Kwik

CAS-nr. 7439-97-6

EG-nr. 231-106-7

1.

Mag niet in de handel worden gebracht:

a)

in koortsthermometers;

b)

in andere meettoestellen bedoeld voor verkoop aan het grote publiek (zoals manometers, barometers, sfygmomanometers, andere thermometers dan koortsthermometers).

2.

De beperkingen in punt 1 zijn niet van toepassing op meettoestellen die vóór 3 april 2009 in de Gemeenschap in gebruik waren. De lidstaten mogen echter het in de handel brengen van dergelijke meettoestellen beperken of verbieden.

3.

De beperking in punt 1, onder b), is niet van toepassing op:

a)

meettoestellen die op 3 oktober 2007 meer dan 50 jaar oud waren;

b)

barometers (met uitzondering van onder a) bedoelde barometers) tot en met 3 oktober 2009.

4.

Uiterlijk op 3 oktober 2009 evalueert de Commissie de beschikbaarheid van betrouwbare, veiligere en technisch en economisch haalbare alternatieven voor kwikhoudende sfygmomanometers en andere meettoestellen in de gezondheidszorg en voor ander professioneel en industrieel gebruik. Op basis van die evaluatie of zodra nieuwe informatie over betrouwbare, veiligere alternatieven voor sfygmomanometers en andere kwikhoudende meettoestellen beschikbaar is, stelt de Commissie zo nodig een wetgevingsvoorstel op om de beperkingen in punt 1 uit te breiden tot sfygmomanometers en andere meettoestellen in de gezondheidszorg en voor ander professioneel of industrieel gebruik, zodat kwik in meettoestellen geleidelijk geëlimineerd wordt overal waar dit technisch en economisch uitvoerbaar is.

19.

Arseenverbindingen

1.

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel bestemd is ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op:

scheepsrompen;

fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt;

alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt.

2.

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel bestemd is voor de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan.

3.

Mogen niet worden gebruikt voor de verduurzaming van hout. Evenmin mag aldus behandeld hout in de handel worden gebracht.

4.

In afwijking van punt 3 geldt het volgende:

a)

stoffen en mengsels voor de verduurzaming van hout mogen alleen worden gebruikt in industriële installaties die van vacuüm- of druktechnologie gebruikmaken om hout te impregneren, als het oplossingen van anorganische verbindingen van koper, chroom en arseen (CCA) van type C zijn en als zij toegelaten zijn overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Richtlijn 98/8/EG. Aldus behandeld hout mag niet in de handel worden gebracht voordat het verduurzamingsmiddel volledig is gefixeerd;

b)

hout dat overeenkomstig punt a) met CCA-oplossingen is behandeld, mag voor professionele en industriële toepassingen in de handel worden gebracht, indien de structurele integriteit van het hout vereist is voor de veiligheid van mensen of vee en het onwaarschijnlijk is dat mensen er gedurende de levensduur van dit hout mee in aanraking komen:

voor de utiliteitsbouw;

voor bruggen;

als constructiehout in zoetwatergebieden en in brak water, bv. voor aanlegsteigers en bruggen;

voor geluidsbarrières;

voor lawineweringen;

voor veiligheidshekken en vangrails langs snelwegen;

als afrasteringspalen van rond naaldhout zonder bast, voor de veeteelt;

voor steunmuren;

voor telefoon- en elektriciteitspalen;

als ondergrondse dwarsliggers;

c)

de leveranciers zorgen er vóór het in de handel brengen voor dat al het in de handel gebrachte behandelde hout, onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels, wordt gekenmerkt met de tekst „Uitsluitend voor professionele en industriële toepassingen. Bevat arseen.” Bovendien moet het in de handel gebrachte hout zijn voorzien van een label met de tekst „Draag handschoenen bij het omgaan met dit hout. Draag een stofmasker en oogbescherming bij het zagen of anderszins bewerken van dit hout. Afval van dit hout moet door een daartoe gemachtigde onderneming als gevaarlijk afval worden behandeld.”;

d)

het in punt a) bedoelde behandelde hout mag niet worden gebruikt:

voor de woningbouw, ongeacht het doel;

voor toepassingen waarbij gevaar van herhaald huidcontact bestaat;

in zee;

voor landbouwdoeleinden, met uitzondering van gebruik als afrasteringspalen voor de veeteelt of voor utiliteitsgebouwen zoals bedoeld in punt b);

voor toepassingen waarbij het behandelde hout in contact kan komen met tussenproducten of eindproducten die bestemd zijn voor menselijke of dierlijke consumptie.

5.

Met arseenverbindingen behandeld hout dat vóór 30 september 2007 in de Gemeenschap in gebruik was of dat overeenkomstig punt 4 in de handel is gebracht, mag op zijn plaats blijven en verder worden gebruikt tot het einde van zijn levensduur.

6.

Met CCA van type C behandeld hout dat vóór 30 september 2007 in de Gemeenschap in gebruik was of overeenkomstig punt 4 in de handel is gebracht:

mag worden gebruikt of hergebruikt onder de in punt 4, onder b), c) en d), vermelde voorwaarden;

mag in de handel worden gebracht onder de in punt 4, onder b), c) en d), vermelde voorwaarden.

7.

De lidstaten mogen toestaan dat met andere typen CCA-oplossingen behandeld hout dat vóór 30 september 2007 in de Gemeenschap in gebruik was:

onder de in punt 4, onder b), c) en d), vermelde voorwaarden wordt gebruikt of hergebruikt;

onder de in punt 4, onder b), c) en d), vermelde voorwaarden in de handel wordt gebracht.

20.

Organische tinverbindingen

1.

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel fungeert als biocide in los gebonden aangroeiwerende verf.

2.

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel fungeert als biocide ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op:

a)

alle vaartuigen, ongeacht hun lengte, bedoeld voor gebruik op volle zee, in kustgebieden, in estuaria, op binnenwateren of op meren;

b)

fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt;

c)

alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt.

3.

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel bestemd is voor de behandeling van industrieel water.

21.

Di-μ-oxo-di-n-butylstannio-hydroxyboraan/dibutyltinhydrogeenboraat C8H19BO3Sn (DBB)

CAS-nr. 75113-37-0

EG-nr. 401-040-5

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer.

De eerste alinea is echter niet van toepassing op deze stof (DBB) en mengsels die deze stof bevatten, indien deze uitsluitend worden verwerkt tot voorwerpen waarin de stof niet meer voorkomt in een concentratie van 0,1 % of meer.

22.

Pentachloorfenol

CAS-nr. 87-86-5

EG-nr. 201-778-6 en zouten en esters daarvan

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt:

als stof,

als bestanddeel van andere stoffen of van mengsels, in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer.

23.

Cadmium

CAS-nr. 7440-43-9

EG-nr. 231-152-8 en cadmiumverbindingen

De tussen vierkante haken vermelde codes en hoofdstukken zijn de codes en hoofdstukken van de tarief- en statistieknomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 (1).

1.

Mogen niet worden gebruikt voor het kleuren van voorwerpen die uit de hierna genoemde stoffen en mengsels zijn vervaardigd:

a)

polyvinylchloride (PVC) [3904 10] [3904 21] [3904 22]

polyurethaan (PUR) [3909 50]

polyethyleen met lage dichtheid, met uitzondering van polyethyleen met lage dichtheid dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van gekleurde basispolymeren [3901 10]

celluloseacetaat (CA) [3912 11] [3912 12]

celluloseacetaatbutyraat (CAB) [3912 11] [3912 12]

epoxyharsen [3907 30]

melamineformaldehydeharsen (MF) [3909 20]

ureumformaldehydeharsen (UF) [3909 10]

onverzadigde polyesters (UP) [3907 91]

polyethyleentereftalaat (PET) [3907 60]

polybutyleentereftalaat (PBT)

kristallijn/standaard polystyreen [3903 11] [3903 19]

acrylonitril-methylmethacrylaat (AMMA)

verknoopt polyethyleen (VPE)

slag-/schokvast polystyreen

polypropyleen (PP) [3902 10]

b)

verf [3208] [3209]

Indien de verf een hoog zinkgehalte heeft, moet de restconcentratie van cadmium echter zo laag mogelijk zijn en in ieder geval lager dan 0,1 gewichtsprocent.

Ongeacht gebruik of eindbestemming is het in alle gevallen verboden voorwerpen of componenten van voorwerpen die zijn vervaardigd uit de hierboven genoemde met cadmium gekleurde stoffen en mengsels in de handel te brengen indien het cadmiumgehalte (uitgedrukt als Cd metaal) hoger is dan 0,01 gewichtsprocent van de kunststof.

2.

Punt 1 is evenwel niet van toepassing op voorwerpen die om veiligheidsredenen dienen te worden gekleurd.

3.

Mogen niet worden gebruikt als stabilisator in de hierna genoemde mengsels en voorwerpen die uit polyvinylchloride en copolymeren daarvan zijn vervaardigd:

verpakkingsmateriaal (zakken, containers, flessen, deksels) [3923 29 10],

kantoor- en schoolbenodigdheden [3926 10],

bekleding voor meubelen, carrosserieën en dergelijke [3926 30],

kleding en kledingaccessoires (met inbegrip van handschoenen) [3926 20],

bekleding van vloeren en muren [3918 10],

weefsels, geïmpregneerd, bekleed, bedekt of met inlagen [5903 10],

kunstleder [4202],

grammofoonplaten

buizen en verbindingsstukken [3917 23],

klapdeuren („saloon”-deuren)

voertuigen voor wegtransport (inwendig, uitwendig en carrosseriebodem)

bekleding van in de bouw of in de industrie gebruikte staalplaat

isolatie van elektriciteitskabels.

Ongeacht gebruik of eindbestemming is het in alle gevallen verboden de hierboven genoemde mengsels, voorwerpen of componenten van voorwerpen die uit polyvinylchloride en copolymeren daarvan zijn vervaardigd in de handel te brengen indien zij zijn gestabiliseerd met cadmiumhoudende stoffen en hun cadmiumgehalte (uitgedrukt als Cd metaal) hoger is dan 0,01 gewichtsprocent van het polymeer.

4.

Punt 3 is echter niet van toepassing op mengsels en voorwerpen waarin om veiligheidsredenen stabilisatoren op basis van cadmium worden gebruikt.

5.

Voor de toepassing van deze vermelding wordt onder „cadmeren” verstaan het aanbrengen van lagen of bekledingen van metallisch cadmium op een metaaloppervlak.

Mogen niet worden gebruikt voor het cadmeren van metalen voorwerpen of onderdelen van voorwerpen die in de hierna genoemde sectoren/toepassingen worden gebruikt:

a)

apparatuur en machines voor

de voedingsindustrie [8210] [8417 20] [8419 81] [8421 11] [8421 22] [8422] [8435] [8437] [8438] [8476 11]

de landbouw [8419 31] [8424 81] [8432] [8433] [8434] [8436]

koelen en invriezen [8418]

drukkerijen en boekbinderijen [8440] [8442] [8443]

b)

apparatuur en machines voor de fabricage van

huishoudapparaten [7321] [8421 12] [8450] [8509] [8516]

meubilair [8465] [8466] [9401] [9402] [9403] [9404]

toiletartikelen en sanitaire artikelen [7324]

centrale verwarming en klimaatregeling [7322] [8403] [8404] [8415]

Ongeacht gebruik of eindbestemming is het in alle gevallen verboden gecadmeerde voorwerpen of componenten van die voorwerpen die in de onder a) en b) genoemde sectoren/toepassingen worden gebruikt en voorwerpen die in de onder b) genoemde sectoren worden vervaardigd, in de handel te brengen.

6.

Punt 5 is ook van toepassing op gecadmeerde voorwerpen en componenten van die voorwerpen die in de hierna onder de punten a) en b) genoemde sectoren/toepassingen worden gebruikt en voorwerpen die in de hierna onder b) genoemde sectoren worden vervaardigd:

a)

apparatuur en machines voor de fabricage van

papier en karton [8419 32] [8439] [8441] textiel en kleding [8444] [8445] [8447] [8448] [8449] [8451] [8452];

b)

apparatuur en machines voor de fabricage van

verladingsmaterieel [8425] [8426] [8427] [8428] [8429] [8430] [8431]

weg- en landbouwvoertuigen [hoofdstuk 87]

treinen [hoofdstuk 86]

schepen [hoofdstuk 89].

7.

De beperkingen in de punten 5 en 6 zijn echter niet van toepassing op:

voorwerpen en componenten van voorwerpen die worden gebruikt in lucht- en ruimtevaart, mijnbouw, „offshore” en de nucleaire sector waarbij van de toepassingen een hoog veiligheidsniveau wordt geëist, en tevens op veiligheidsvoorzieningen in weg- en landbouwvoertuigen, treinen en schepen;

elektrische contacten, ongeacht de sector waarin zij worden toegepast, indien dat nodig is voor de betrouwbaarheid van de toestellen waarin zij worden geïnstalleerd.

24.

Monomethyltetrachloordifenylmethaan

Handelsnaam: Ugilec 141

CAS-nr. 76253-60-6

1.

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels.

Voorwerpen die deze stof bevatten, mogen niet in de handel worden gebracht.

2.

Punt 1 is echter niet van toepassing op:

a)

installaties en apparaten die op 18 juni 1994 reeds in bedrijf waren, tot de afdanking van deze installaties en apparaten;

b)

het onderhoud van installaties en apparaten die op 18 juni 1994 reeds in een lidstaat in bedrijf waren.

Voor de toepassing van punt a) mogen de lidstaten ter wille van de bescherming van de gezondheid en het milieu het gebruik op hun grondgebied van deze installaties of apparaten vóór hun afdanking verbieden.

25.

Monomethyldichloordifenylmethaan

Handelsnaam: Ugilec 121

Ugilec 21

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels.

Voorwerpen die deze stof bevatten, mogen niet in de handel worden gebracht.

26.

Monomethyldibroomdifenylmethaan, broombenzylbroomtolueen, mengsel van isomeren

Handelsnaam: DBBT

CAS-nr. 99688-47-8

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels.

Voorwerpen die deze stof bevatten, mogen niet in de handel worden gebracht.

27.

Nikkel

CAS-nr. 7440-02-0

EG-nr. 231-111-4 en nikkelverbindingen

1.

Mogen niet worden gebruikt:

a)

in staafjes die in gaatjes in de oren en in andere delen van het menselijke lichaam worden geplaatst, tenzij de hoeveelheid nikkel die uit dergelijke staafjes vrijkomt, niet groter is dan 0,2 μg/cm2/week (migratielimiet);

b)

in voorwerpen bestemd om in direct en langdurig contact met de huid te komen, zoals:

oorbellen,

halskettingen, armbanden en kettingen, enkelringen en vingerringen,

armbandhorlogekasten, horlogebanden en -sluitingen,

drukknopen, sluitingen, klinknagels, ritssluitingen en metalen merktekens, wanneer deze in kleding worden gebruikt,

indien de hoeveelheid nikkel die vrijkomt uit delen van deze voorwerpen die in direct en langdurig contact met de huid komen, groter is dan 0,5 μg/cm2/week;

c)

in voorwerpen zoals de onder b) genoemde, wanneer deze een niet-nikkelen coating hebben, tenzij deze coating voldoende is om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid nikkel die vrijkomt uit de delen van dergelijke voorwerpen die in direct en langdurig contact met de huid komen, niet groter is dan 0,5 μg/cm2/week gedurende een periode van ten minste twee jaar van normaal gebruik van het voorwerp.

2.

Voorwerpen die onder punt 1 vallen, mogen niet in de handel worden gebracht tenzij zij voldoen aan de in dat punt genoemde voorschriften.

3.

De door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) vastgestelde normen worden gebruikt als testmethoden om aan te tonen dat voorwerpen aan de punten 1 en 2 voldoen.

28.

Stoffen die in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 als kankerverwekkende stof van categorie 1A of 1B (tabel 3.1) of als kankerverwekkende stof van categorie 1 of 2 (tabel 3.2) zijn ingedeeld, en die als volgt zijn vermeld:

kankerverwekkende stof van categorie 1A (tabel 3.1)/kankerverwekkende stof van categorie 1 (tabel 3.2): vermeld in aanhangsel 1

kankerverwekkende stof van categorie 1B (tabel 3.1)/kankerverwekkende stof van categorie 2 (tabel 3.2): vermeld in aanhangsel 2.

29.

Stoffen die in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 als in geslachtscellen mutagene stof van categorie 1A of 1B (tabel 3.1) of als mutagene stof van categorie 1 of 2 (tabel 3.2) zijn ingedeeld, en die als volgt zijn vermeld:

mutagene stof van categorie 1A (tabel 3.1)/mutagene stof van categorie 1 (tabel 3.2): vermeld in aanhangsel 3.

mutagene stof van categorie 1B (tabel 3.1)/mutagene stof van categorie 2 (tabel 3.2): vermeld in aanhangsel 4.

30.

Stoffen die in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 als voor de voortplanting giftige stof van categorie 1A of 1B (tabel 3.1) of als voor de voortplanting giftige stof van categorie 1 of 2 (tabel 3.2) zijn ingedeeld, en die als volgt zijn vermeld:

voor de voortplanting giftige stof van categorie 1A, schadelijke gevolgen voor de seksuele functie, de vruchtbaarheid of de ontwikkeling (tabel 3.1) of voor de voortplanting giftige stof van categorie 1 met R60 (Kan de vruchtbaarheid schaden) of R61 (Kan het ongeboren kind schaden) (tabel 3.2), vermeld in aanhangsel 5.

voor de voortplanting giftige stof van categorie 1B, schadelijke gevolgen voor de seksuele functie, de vruchtbaarheid of de ontwikkeling (tabel 3.1) of voor de voortplanting giftige stof van categorie 2 met R60 (Kan de vruchtbaarheid schaden) of R61 (Kan het ongeboren kind schaden) (tabel 3.2), vermeld in aanhangsel 6.

Onverminderd de andere delen van deze bijlage is het volgende op de vermeldingen 28 tot en met 30 van toepassing:

1.

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt:

als stof,

als bestanddeel van andere stoffen, of

in mengsels,

voor levering aan het grote publiek, in afzonderlijke concentraties gelijk aan of groter dan:

hetzij de in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 vastgestelde desbetreffende specifieke concentratiegrens,

hetzij de in Richtlijn 1999/45/EG vastgestelde desbetreffende concentratiegrens.

Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels zorgen de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor dat op de verpakking van dergelijke stoffen en mengsels zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar het volgende wordt vermeld:

„Uitsluitend voor gebruik door professionele gebruiker”.

2.

Punt 1 is echter niet van toepassing op:

a)

geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG;

b)

cosmetische producten in de zin van Richtlijn 76/768/EEG;

c)

de volgende brandstoffen en olieproducten:

brandstoffen als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG,

derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties,

brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas);

d)

kunstschilderverven die onder Richtlijn 1999/45/EG vallen.

31.

a)

Creosoot; benzol-wasolie

CAS-nr. 8001-58-9

EG-nr. 232-287-5

b)

Creosootolie; benzol-wasolie

CAS-nr. 61789-28-4

EG-nr. 263-047-8

c)

Destillaten (koolteer), naftaleenoliën; naftaleenolie

CAS-nr. 84650-04-4

EG-nr. 283-484-8

d)

Creosootolie, acenafteenfractie; benzol-wasolie

CAS-nr. 90640-84-9

EG-nr. 283-484-8EG-nr. 292-605-3

e)

Destillaten (koolteer), bovenste; zware antraceenolie

CAS-nr. 65996-91-0

EG-nr. 266-026-1

f)

Antraceenolie

CAS-nr. 90640-80-5

EG-nr. 292-602-7

g)

Teerzuren, kool, ruw; ruwe fenolen

CAS-nr. 65996-85-2

EG-nr. 266-019-3

h)

Creosoot, hout

CAS-nr. 8021-39-4

EG-nr. 232-419-1

i)

Lagetemperatuurkoolteerolie, alkalische; extractieresiduen (kool), lagetemperatuurkoolteer-alkalische

CAS-nr. 122384-78-5

EG-nr. 310-191-5

1.

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel bestemd is om te worden gebruikt voor het behandelen van hout. Evenmin mag aldus behandeld hout in de handel worden gebracht.

2.

In afwijking van punt 1:

a)

mogen de genoemde stoffen en mengsels worden gebruikt voor de behandeling van hout in industriële installaties of door professionele gebruikers op wie de wetgeving van de Gemeenschap inzake de bescherming van werknemers van toepassing is, maar alleen voor herbehandeling in situ, indien zij

i)

benzo[a]pyreen in een concentratie van minder dan 50 mg/kg (0,005 gewichtsprocent), en

ii)

met water extraheerbare fenolen in een concentratie van minder dan 3 gewichtsprocent bevatten.

Deze stoffen en mengsels die voor de behandeling van hout in industriële installaties of door professionele gebruikers worden gebruikt,

mogen uitsluitend in verpakkingen van 20 l of meer in de handel worden gebracht;

mogen niet aan consumenten worden verkocht.

Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels zorgen de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor dat op de verpakking van dergelijke stoffen en mengsels zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar het volgende wordt vermeld:

„Uitsluitend bestemd voor gebruik in industriële installaties of voor behandeling door professionele gebruikers”;

b)

mag hout dat overeenkomstig punt a) in industriële installaties of door professionele gebruikers is behandeld en dat voor het eerst in de handel wordt gebracht of in situ wordt herbehandeld, uitsluitend door professionele gebruikers en in industriële toepassingen worden gebruikt, bijvoorbeeld voor spoorwegen, bij de transmissie van elektriciteit en telecommunicatie, voor omheiningen, voor agrarische doeleinden (bv. palen ter ondersteuning van bomen) en in haveninstallaties en waterwegen;

c)

is het verbod op het in de handel brengen van punt 1 niet van toepassing op hout dat vóór 31 december 2002 met de onder a) tot en met i) genoemde stoffen is behandeld, indien dit hout als tweedehands product voor hergebruik in de handel wordt gebracht.

3.

Het in punt 2, onder b) en c), bedoelde behandelde hout mag echter niet worden gebruikt:

binnen gebouwen, ongeacht de bestemming ervan;

in speelgoed;

op speelplaatsen;

in parken, tuinen en andere voorzieningen voor recreatie en vrijetijdsbesteding buitenshuis, indien het gevaar bestaat dat dit hout regelmatig met de huid in aanraking komt;

voor de vervaardiging van tuinmeubilair, zoals picknicktafels;

voor de vervaardiging, het gebruik en de hernieuwde behandeling van:

kweekbakken;

verpakkingen die in aanraking kunnen komen met voor menselijke en/of dierlijke voeding bestemde onbewerkte producten, tussenproducten of eindproducten;

ander materiaal dat de hierboven genoemde voorwerpen kan verontreinigen.

32.

Chloroform

CAS-nr. 67-66-3

EG-nr. 200-663-8

34.

1,1,2-Trichloorethaan

CAS-nr. 79-00-5

EG-nr. 201-166-9

35.

1,1,2,2-Tetrachloorethaan

CAS-nr. 79-34-5

EG-nr. 201-197-8

36.

1,1,1,2-Tetrachloorethaan

CAS-nr. 630-20-6

37.

Pentachloorethaan

CAS-nr. 76-01-7

EG-nr. 200-925-1

38.

1,1-Dichlooretheen

CAS-nr. 75-35-4

EG-nr. 200-864-0

Onverminderd de andere delen van deze bijlage is het volgende op de vermeldingen 32 tot en met 38 van toepassing:

1.

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt:

als stof,

als bestanddeel van andere stoffen of van mengsels, in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer,

indien de stof of het mengsel bestemd is voor levering aan het grote publiek en/of voor toepassingen waarbij de betrokken stoffen kunnen vrijkomen, zoals oppervlaktereiniging en het reinigen van textiel.

2.

Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels zorgen de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor dat op de verpakking van deze stoffen en van mengsels die deze stoffen in concentraties van 0,1 gewichtsprocent of meer bevatten, zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar het volgende wordt vermeld:

“Uitsluitend bestemd voor gebruik in industriële installaties”.

Dit geldt echter niet voor:

a)

geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG;

b)

cosmetische producten in de zin van Richtlijn 76/768/EEG.

40.

Stoffen die aan de ontvlambaarheidscriteria van Richtlijn 67/548/EEG voldoen en in de categorieën ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar zijn ingedeeld, ongeacht of zij in bijlage VI, deel 3, bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn opgenomen

1.

Mogen niet als stof of in mengsels worden gebruikt in aerosolen die in de handel worden gebracht voor levering aan het grote publiek voor amusements- of decoratiedoeleinden, zoals:

metaalglitter (hoofdzakelijk bedoeld als decoratieartikel);

kunstsneeuw en -rijp (decoratieartikel);

„scheetkussens” (fopartikel);

„silly string” (schertsartikel);

nepdrollen (fopartikel);

feesttoeters (amusementsartikel);

vlokken en schuim (decoratieartikel);

imitatiespinnenwebben (fopartikel);

stinkbommen (schertsartikel).

2.

Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en etikettering van stoffen zorgen de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor dat op de verpakking van de bovenbedoelde aerosolen zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar het volgende wordt vermeld:

„Uitsluitend bestemd voor professionele gebruikers”.

3.

De punten 1 en 2 gelden echter niet voor aerosolen als bedoeld in artikel 8, lid 1 bis, van Richtlijn 75/324/EEG van de Raad (2).

4.

De in de punten 1 en 2 bedoelde aerosolen mogen niet in de handel worden gebracht, tenzij zij voldoen aan de in die punten genoemde voorschriften.

41.

Hexachloorethaan

CAS-nr. 67-72-1

EG-nr. 200-666-4

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels, indien de stof of het mengsel bestemd is om te worden gebruikt bij de fabricage of bewerking van non-ferrometalen.

42.

Alkanen, C10-13-, chloor- (gechloreerde paraffines met een korte keten) (SCCP’s)

EG-nr. 287-476-5

CAS-nr. 85535-84-8

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of als bestanddeel van andere stoffen of van mengsels in een concentratie van meer dan 1 gewichtsprocent, indien de stof of het mengsel bestemd is om te worden gebruikt:

bij metaalbewerking;

voor het „vetten” van leer.

43.

Azokleurstoffen

1.

Azokleurstoffen die door reductieve splitsing van een of meer azogroepen een of meer van de in aanhangsel 8 genoemde amines kunnen afgeven in aantoonbare concentraties, d.w.z. hoger dan 30 mg/kg (0,003 gewichtsprocent) in het voorwerp of in de geverfde onderdelen daarvan, bepaald volgens de in aanhangsel 10 vermelde testmethoden, mogen niet worden gebruikt in voorwerpen van textiel en leder die langdurig rechtstreeks in aanraking kunnen komen met de menselijke huid of mondholte, zoals:

kleding, beddengoed, handdoeken, haarstukjes, pruiken, hoeden, luiers en andere toiletartikelen, slaapzakken;

schoeisel, handschoenen, horlogebandjes, handtassen, portemonnees en portefeuilles, aktetassen, stoelbekleding en nektasjes;

speelgoed van textiel of leder en speelgoed met kledingstukken van textiel of leder;

garen en weefsels bestemd voor de eindgebruiker.

2.

Voorts mogen de in punt 1 bedoelde voorwerpen van textiel en leder uitsluitend in de handel worden gebracht indien zij aan de in dat punt genoemde eisen voldoen.

3.

Azokleurstoffen, vermeld in aanhangsel 9, „Lijst van azokleurstoffen”, mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent, indien de stof of het mengsel bestemd is voor het verven van voorwerpen van textiel en leder.

44.

Difenylether, pentabroomderivaat

C12H5Br5O

1.

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt:

als stof,

in mengsels in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent.

2.

Voorwerpen mogen niet in de handel worden gebracht indien zij, ofwel brandvertragende onderdelen daarvan, een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent van deze stof bevatten.

3.

Punt 2 is echter niet van toepassing op:

voorwerpen die vóór 15 augustus 2004 in de Gemeenschap in gebruik waren;

elektrische en elektronische apparatuur die onder Richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) valt.

45.

Difenylether, octabroomderivaat

C12H2Br8O

1.

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt:

als stof,

als bestanddeel van andere stoffen of van mengsels, in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent.

2.

Voorwerpen mogen niet in de handel worden gebracht indien zij, ofwel brandvertragende onderdelen daarvan, een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent van deze stof bevatten.

3.

Punt 2 is echter niet van toepassing op:

voorwerpen die vóór 15 augustus 2004 in de Gemeenschap in gebruik waren;

elektrische en elektronische apparatuur die onder Richtlijn 2002/95/EG valt.

46.

a)

Nonylfenol

C6H4(OH)C9H19

CAS 25154-52-3

EC 246-672-0

b)

Nonylfenolethoxylaten

(C2H4O)nC15H24O

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer voor de volgende toepassingen:

1.

industriële en institutionele reiniging, behalve:

chemische reiniging in gecontroleerde gesloten systemen met recycling of verbranding van het wasmiddel;

reiniging in systemen waarbij het wasmiddel in een speciale behandeling wordt gerecycled of verbrand;

2.

huishoudelijke reiniging;

3.

textiel- en leerbewerking, behalve:

bewerking zonder lozing in afvalwater;

bewerking in systemen waarbij de organische fractie in een speciale behandeling volledig uit het proceswater wordt verwijderd vóór het afvalwater biologisch wordt behandeld (ontvetting van schapenvachten);

4.

emulgatoren in speendippers voor landbouwgebruik;

5.

metaalbewerking, behalve:

in gecontroleerde gesloten systemen met recycling of verbranding van het wasmiddel;

6.

vervaardiging van pulp en papier;

7.

cosmetische producten;

8.

andere persoonlijke verzorgingsproducten, behalve:

spermiciden;

9.

co-formulanten in gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In het geval van vóór 17 juli 2003 verleende nationale toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden die nonylfenolethoxylaten als co-formulant bevatten, geldt deze beperking echter pas vanaf het verstrijken van de toelating.

47.

Chroom(VI)verbindingen

1.

Cement en cementhoudende mengsels mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt indien het gehalte aan oplosbaar chroom(VI) bij de gehydrateerde vorm van het cement of het mengsel meer dan 2 mg/kg (0,0002 %) van het totale drooggewicht van het cement bedraagt.

2.

Als er reductiemiddelen worden gebruikt, zorgen de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor dat op de verpakking van cement en cementhoudende mengsels zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar informatie wordt vermeld over de verpakkingsdatum, de opslagomstandigheden en de opslagperiode waarbinnen de activiteit van het reductiemiddel gehandhaafd blijft en waarbinnen het gehalte oplosbaar chroom(VI) onder de in punt 1 vermelde limiet blijft, onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels.

3.

De punten 1 en 2 gelden niet voor het in de handel brengen en het gebruik in gecontroleerde, gesloten en volledig geautomatiseerde processen waarin cement en cementhoudende mengsels alleen door machines worden behandeld en er geen kans op huidcontact bestaat.

48.

Tolueen

CAS-nr. 108-88-3

EG-nr. 203-625-9

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer, indien de stof of het mengsel wordt gebruikt in kleefstoffen of spuitverf die bestemd zijn voor levering aan het grote publiek.

49.

Trichloorbenzeen

CAS-nr. 120-82-1

EG-nr. 204-428-0

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer voor alle toepassingen behalve:

als tussenproduct in syntheses, of

als procesoplosmiddel in gesloten chemische toepassingen voor chloreerreacties, of

bij de vervaardiging van 1,3,5-triamino-2,4,6-trinitrobenzeen (TATB).

50.

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (pak’s):

a)

benzo[a]pyreen (BaP)

CAS-nr. 50-32-8

b)

benzo[e]pyreen (BeP)

CAS-nr. 192-97-2

c)

benzo[a]antraceen (BaA)

CAS-nr. 56-55-3

d)

chryseen (CHR)

CAS-nr. 218-01-9

e)

benzo[b]fluorantheen (BbFA)

CAS-nr. 205-99-2

f)

benzo[j]fluorantheen (BjFA)

CAS-nr. 205-82-3

g)

benzo[k]fluorantheen (BkFA)

CAS-nr. 207-08-9

h)

dibenzo[a,h]antraceen (DBahA)

CAS-nr. 53-70-3

1.

Procesoliën voor rubberverwerking mogen vanaf 1 januari 2010 niet in de handel gebracht en voor de productie van banden of delen van banden gebruikt worden indien zij:

meer dan 1 mg/kg (0,0001 gewichtsprocent) BaP of

meer dan 10 mg/kg (0,001 gewichtsprocent) van alle hier vermelde pak’s tezamen bevatten.

Aan deze maximumgehalten wordt geacht te zijn voldaan als het PCA-extract minder dan 3 gewichtsprocent bedraagt, gemeten volgens norm IP346: 1998 van het Institute of Petroleum (Bepaling van polycyclische aromaten (PCA) in ongebruikte smeeroliën en asfalteenvrije petroleumfracties - dimethylsulfoxide-extractie met brekingsindexmeting), mits de naleving van de grenswaarden voor BaP en de in de lijst vermelde pak’s alsmede de correlatie tussen de meetwaarden en het PCA-extract om de zes maanden of, als dit eerder is, na elke belangrijke operationele verandering, door de fabrikant of importeur worden gecontroleerd.

2.

Banden en loopvlakken die na 1 januari 2010 worden vervaardigd en procesoliën bevatten die niet aan de in punt 1 genoemde maximumgehalten voldoen, mogen niet in de handel worden gebracht.

Aan deze maximumgehalten wordt geacht te zijn voldaan als de gevulkaniseerde rubberverbindingen niet meer dan 0,35 % „bay”-protonen bevatten, zoals gemeten en berekend volgens ISO 21461 (Rubber gevulkaniseerd — Bepaling van de aromaticiteit van olie in gevulkaniseerde rubberverbindingen).

3.

Punt 2 is echter niet van toepassing op banden die van een nieuw loopvlak zijn voorzien, als de procesoliën die dit loopvlak bevat, aan de in punt 1 genoemde maximumgehalten voldoen.

4.

Voor de toepassing van deze vermelding wordt onder „banden” verstaan banden voor voertuigen die vallen onder:

Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (4),

Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan (5), en

Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad (6).

51.

De volgende ftalaten (of andere CAS- en EG-nummers die betrekking hebben op de stof):

a)

bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP)

CAS-nr. 117-81-7

EG-nr. 204-211-0

b)

dibutylftalaat (DBP)

CAS-nr. 84-74-2

EG-nr. 201-557-4

c)

benzylbutylftalaat (bbp)

CAS-nr. 85-68-7

EG-nr. 201-622-7

1.

Mogen niet worden gebruikt als stof of in mengsels in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent van het weekgemaakte materiaal in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen.

2.

Speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die deze ftalaten bevatten in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent mogen niet in de handel gebracht worden.

3.

Uiterlijk op 16 januari 2010 beziet de Commissie de maatregelen met betrekking tot deze vermelding nogmaals in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie over deze stoffen en vervangers daarvoor en past zij die maatregelen zo nodig aan.

4.

Voor de toepassing van deze vermelding wordt onder „kinderverzorgingsartikel” verstaan: artikelen voor het in slaap brengen van kinderen, ontspanning, hygiëne, het voeden van kinderen of het zuigen door kinderen.

52.

De volgende ftalaten (of andere CAS- en EG-nummers die betrekking hebben op de stof):

a)

di-„isononyl”-ftalaat (DINP)

CAS-nr. 28553-12-0 en 68515-48-0

EG-nr. 249-079-5 en 271-090-9

b)

di-„isodecyl”-ftalaat (DIDP)

CAS-nr. 26761-40-0 en 68515-49-1

EG-nr. 247-977-1 en 271-091-4

c)

di-n-octylftalaat (DNOP)

CAS-nr. 117-84-0

EG-nr. 204-214-7

1.

Mogen niet worden gebruikt als stof of in mengsels in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent van het weekgemaakte materiaal in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen die door kinderen in de mond kunnen worden gestopt.

2.

Speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die deze ftalaten bevatten in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent mogen niet in de handel gebracht worden.

3.

Uiterlijk op 16 januari 2010 beziet de Commissie de maatregelen met betrekking tot deze vermelding nogmaals in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie over deze stoffen en vervangers daarvoor en past zij die maatregelen zo nodig aan.

4.

Voor de toepassing van deze vermelding wordt onder „kinderverzorgingsartikel” verstaan: artikelen voor het in slaap brengen van kinderen, ontspanning, hygiëne, het voeden van kinderen of het zuigen door kinderen.

53.

Perfluoroctaansulfonaten (PFOS) C8F17SO2X

(X = OH, metaalzout (O-M+), halogenide, amide en andere derivaten waaronder polymeren)

1.

Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels in een concentratie van 50 mg/kg (0,005 gewichtsprocent) of meer.

2.

Mogen niet in de handel worden gebracht in halffabricaten of voorwerpen, of delen daarvan, wanneer de PFOS-concentratie 0,1 gewichtsprocent of meer bedraagt, berekend naar de massa van structureel of microstructureel afzonderlijke delen die PFOS bevatten, of voor textiel of andere gecoate materialen wanneer de hoeveelheid PFOS gelijk is aan of meer bedraagt dan 1 μg/m2 van het gecoate materiaal.

3.

De punten 1 en 2 zijn echter niet van toepassing op de volgende artikelen, of de stoffen en mengsels die voor de productie daarvan benodigd zijn:

a)

lichtgevoelige of antireflecterende coatings voor fotolithografische procedés;

b)

fotografische coatings voor films, papier of drukplaten;

c)

nevelonderdrukkers voor niet-decoratieve hardverchroming met chroom(VI) en bevochtigingsmiddelen voor gebruik bij gecontroleerde galvanisatie, waarbij de hoeveelheid in het milieu geloosde PFOS tot een minimum beperkt blijft door volledige toepassing van de beste beschikbare technieken overeenkomstig Richtlijn 2008/1/EG (7);

d)

hydraulische vloeistoffen voor de luchtvaart.

4.

In afwijking van punt 1 mag blusschuim dat vóór 27 december 2006 in de handel is gebracht, worden gebruikt tot en met 27 juni 2011.

5.

Punt 2 is niet van toepassing op voorwerpen die vóór 27 juni 2008 in de Gemeenschap in gebruik waren.

6.

De punten 1 en 2 gelden onverminderd Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad (8).

7.

Zodra nieuwe informatie beschikbaar komt met nadere bijzonderheden over gebruik en veiliger alternatieve stoffen of technologieën voor verschillende gebruiksvormen, herziet de Commissie de in punt 3, onder a) tot en met d), genoemde uitzonderingen, zodat:

a)

het gebruik van PFOS geleidelijk wordt uitgebannen zodra het gebruik van veiliger alternatieven technisch en economisch haalbaar is;

b)

een uitzondering alleen nog kan blijven gelden voor essentiële toepassingen waarvoor geen veiliger alternatieven bestaan, op voorwaarde dat verslag is uitgebracht over de inspanningen die zijn gedaan om veiliger alternatieven te vinden;

c)

de lozing van PFOS in het milieu tot een minimum is beperkt, door toepassing van de beste beschikbare technieken.

8.

De Commissie houdt zich op de hoogte van de lopende risicobeoordelingswerkzaamheden en de beschikbaarheid van veiliger alternatieve stoffen of technologieën in samenhang met het gebruik van perfluoroctaanzuur (PFOA) en daarmee verwante stoffen, en zij stelt alle nodige maatregelen voor om onderkende risico’s te verminderen, waaronder beperking van het in de handel brengen en van het gebruik, met name wanneer er veiligere alternatieve stoffen of technologieën die technisch en economisch haalbaar zijn, beschikbaar zijn.

54.

2-(2-Methoxyethoxy)ethanol (DEGME)

CAS-nr. 111-77-3

EG-nr. 203-906-6

Mag na 27 juni 2010 niet in de handel worden gebracht als bestanddeel, in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer, van verven, verfafbijtmiddelen, reinigingsmiddelen, zelfglanzende emulsies en vloerkitten die bestemd zijn voor levering aan het grote publiek.

55.

2-(2-Butoxyethoxy)ethanol (DEGBE)

CAS-nr. 112-34-5

EG-nr. 203-961-6

1.

Mag na 27 juni 2010 niet voor het eerst in de handel worden gebracht als bestanddeel, in een concentratie van 3 gewichtsprocent of meer, van spuitverven of spuitreinigingsmiddelen in aerosolen die bestemd zijn voor het grote publiek.

2.

Spuitverven en spuitreinigingsmiddelen in aerosolen die DEGBE bevatten en niet aan punt 1 voldoen, mogen na 27 december 2010 niet in de handel worden gebracht voor levering aan het grote publiek.

3.

Onverminderd andere communautaire wetgeving betreffende de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels zorgen de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor dat op andere verven dan spuitverven, die DEGBE bevatten in een concentratie van 3 gewichtsprocent of meer en in de handel worden gebracht voor levering aan het grote publiek, uiterlijk op 27 december 2010 zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar het volgende wordt vermeld:

„Niet gebruiken in verfspuitapparatuur”.

56.

Methyleendifenyldiisocyanaat (MDI)

CAS-nr. 26447-40-5

EG-nr. 247-714-0

1.

Mag na 27 december 2010 niet in de handel worden gebracht als bestanddeel, in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer, van mengsels die bestemd zijn voor levering aan het grote publiek, tenzij de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor zorgen dat de verpakking:

a)

beschermende handschoenen bevat die aan de vereisten van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad (9) voldoen;

b)

onverminderd andere communautaire wetgeving betreffende de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels voorzien is van de volgende, zichtbare, leesbare en onuitwisbare vermelding:

„—

Bij personen die al voor diisocyanaten gesensibiliseerd zijn, kunnen bij gebruik van dit product allergische reacties optreden.

Personen die lijden aan astma, eczeem of huidproblemen, moeten contact met dit product, inclusief huidcontact, vermijden.

Dit product niet bij slechte ventilatie gebruiken, tenzij een beschermend masker met een geschikte gasfilter (type A1 overeenkomstig norm EN 14387) wordt gedragen.”

2.

Punt 1, onder a), geldt niet voor smeltlijmen.

57.

Cyclohexaan

CAS-nr. 110-82-7

EG-nr. 203-806-2

1.

Mag na 27 juni 2010 niet voor het eerst in de handel worden gebracht als bestanddeel, in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer, van contactlijmen op basis van neopreen in een verpakking van meer dan 350 g die bestemd zijn voor levering aan het grote publiek.

2.

Contactlijmen op basis van neopreen die cyclohexaan bevatten en niet aan punt 1 voldoen, mogen na 27 december 2010 niet in de handel worden gebracht voor levering aan het grote publiek.

3.

Onverminderd andere communautaire wetgeving betreffende de indeling, verpakking en etikettering van stoffen en mengsels zorgen de leveranciers er vóór het in de handel brengen voor dat op contactlijmen op basis van neopreen die cyclohexaan bevatten in een concentratie van 0,1 gewichtsprocent of meer en na 27 december 2010 in de handel worden gebracht voor levering aan het grote publiek, zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar het volgende wordt vermeld:

„—

Dit product mag niet worden gebruikt bij slechte ventilatie.

Dit product mag niet worden gebruikt voor het leggen van vloerbedekking”.

58.

Ammoniumnitraat (AN)

CAS-nr. 6484-52-2

EG-nr. 229-347-8

1.

Mag na 27 juni 2010 niet voor het eerst in de handel worden gebracht als stof of in mengsels die meer dan 28 gewichtsprocent stikstof in verhouding tot het ammoniumnitraat bevatten, voor gebruik als vaste, enkelvoudige of samengestelde meststof, tenzij de meststof voldoet aan de technische bepalingen voor meststoffen op basis van ammoniumnitraat en met een hoog stikstofgehalte zoals vastgesteld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake meststoffen (10).

2.

Mag na 27 juni 2010 niet in de handel worden gebracht als stof of in mengsels die 16 gewichtsprocent of meer stikstof in verhouding tot het ammoniumnitraat bevatten, behalve voor levering aan:

a)

downstreamgebruikers en distributeurs, met inbegrip van natuurlijke of rechtspersonen aan wie een licentie of vergunning is verstrekt overeenkomstig Richtlijn 93/15/EEG van de Raad (11);

b)

landbouwers voor gebruik tijdens hun voltijd- of deeltijdlandbouwactiviteiten, waarbij niet noodzakelijkerwijs een verband moet bestaan met de grootte van het areaal.

In dit punt wordt verstaan onder:

i)

„landbouwer”: een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 299 van het Verdrag, en die een landbouwactiviteit uitoefent;

ii)

„landbouwactiviteit”: het produceren, fokken of kweken van landbouwproducten, met inbegrip van oogsten, melken, fokken van dieren en houden van dieren voor landbouwdoeleinden, of het in goede landbouw- en milieuconditie houden van het land, zoals bepaald in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad (12);

c)

natuurlijke of rechtspersonen die zich beroepshalve bezighouden met tuinbouw, het kweken van planten in kassen, onderhoud van parken, tuinen of sportvelden, bosbouw of andere soortgelijke activiteiten.

3.

Ten aanzien van de in punt 2 vermelde beperkingen mogen de lidstaten evenwel om sociaaleconomische redenen tot en met 1 juli 2014 een grenswaarde van maximaal 20 gewichtsprocent stikstof in verhouding tot het ammoniumnitraat hanteren voor stoffen en mengsels die op hun grondgebied in de handel worden gebracht. Zij stellen de Commissie en de andere lidstaten hiervan in kennis.

3)

In de aanhangsels 1 tot en met 6 komt het voorwoord als volgt te luiden:

„VOORWOORD

Toelichting bij de hoofdjes van de kolommen

Naam van de stof:

De naam komt overeen met de internationale chemische identificatie in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006.

Stoffen zijn zo veel mogelijk onder hun Iupac-naam opgenomen. Stoffen die in Einecs (Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen), Elincs (Europese lijst van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan) of de lijst van „no-longer polymers” staan, zijn onder de in de desbetreffende lijst gebruikte naam opgenomen. Soms zijn andere namen, zoals gangbare of triviale namen, vermeld. Gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn zo veel mogelijk onder hun ISO-naam opgenomen.

Groepsvermeldingen:

In deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn een aantal groepsvermeldingen opgenomen. In dat geval gelden de indelingsvoorschriften voor alle stoffen die onder de beschrijving vallen.

In sommige gevallen zijn er indelingsvoorschriften voor specifieke stoffen die onder de groepsvermelding zouden vallen. In dat geval wordt de stof afzonderlijk in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 opgenomen en wordt in de groepsvermelding de volgende zin toegevoegd: „met uitzondering van stoffen die elders in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 vermeld zijn.”.

In sommige gevallen kunnen bepaalde stoffen onder meer dan één groepsvermelding vallen. In dat geval moet de indeling van de stof voldoen aan de indelingsvoorschriften voor beide groepsvermeldingen. Indien voor hetzelfde gevaar verschillende indelingen zijn gegeven, geldt de strengste indeling.

Catalogusnummer:

Het catalogusnummer is de in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 gebruikte identificatiecode. In het aanhangsel worden de stoffen volgens dit catalogusnummer gerangschikt.

EG-nummers:

Het EG-nummer (d.w.z. het Einecs-, Elincs- of NLP-nummer) is het officiële nummer van de stof in de Europese Unie. Het Einecs-nummer is te vinden in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs). Het Elincs-nummer is te vinden in de Europese lijst van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan. Het NLP-nummer is te vinden in de lijst van „no-longer-polymers”. Deze lijsten worden door het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen uitgebracht.

Het EG-nummer bestaat uit zeven cijfers in het formaat XXX-XXX-X, met als eerste nummer 200-001-8 (Einecs), 400-010-9 (Elincs) respectievelijk 500-001-0 (NLP). Het staat vermeld in de kolom „EG-nummer”.

CAS-nummer:

Het CAS-nummer (het nummer van de Chemical Abstracts Service) wordt vermeld om identificatie van de stof te vergemakkelijken.

Noten

De volledige tekst van de noten is te vinden in deel 1 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008.

De voor deze verordening van toepassing zijnde noten zijn:

 

Noot A

Onverminderd artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1272/2008 moet op het etiket als naam van de stof een van de benamingen uit deel 3 van bijlage VI bij die verordening worden gebruikt.

In dat deel 3 wordt soms een algemene benaming gebruikt, zoals „verbindingen” of „zouten”. In dat geval moet de leverancier die de stof in de handel brengt, op het etiket de juiste naam vermelden, met inachtneming van sectie 1.1.1.4 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008.

 

Noot C

Sommige organische stoffen kunnen in de vorm van een specifiek isomeer of als mengsel van verschillende isomeren in de handel worden gebracht.

 

Noot D

Sommige stoffen die spontaan kunnen polymeriseren of ontleden, worden meestal in een gestabiliseerde vorm in de handel gebracht. In deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn die stoffen in gestabiliseerde vorm opgenomen.

Dergelijke stoffen worden echter soms in een niet-gestabiliseerde vorm in de handel gebracht. In dat geval moet de leverancier die een dergelijke stof in de handel brengt, op het etiket de naam van de stof met daaraan toegevoegd de vermelding „niet-gestabiliseerd” aangeven.

 

Noot J

De stof hoeft niet als kankerverwekkend of mutageen te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat zij minder dan 0,1 gewichtsprocent benzeen (EG-nr. 200-753-7) bevat.

 

Noot K

De stof hoeft niet als kankerverwekkend of mutageen te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat zij minder dan 0,1 gewichtsprocent buta-1,3-dieen (EG-nr. 203-450-8) bevat.

 

Noot L:

De stof hoeft niet als kankerverwekkend te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat zij minder dan 3 % DMSO-extract bevat, gemeten volgens IP 346.

 

Noot M:

De stof hoeft niet als kankerverwekkend te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat zij minder dan 0,005 gewichtsprocent benzo[a]pyreen (EG-nr. 200-028-5) bevat.

 

Noot N:

De stof hoeft niet als kankerverwekkend te worden ingedeeld als volledig bekend is hoe de raffinage daarvan is verlopen en kan worden aangetoond dat zij is geproduceerd uit een stof die niet kankerverwekkend is.

 

Noot P:

De stof hoeft niet als kankerverwekkend of mutageen te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat zij minder dan 0,1 gewichtsprocent benzeen (EG-nr. 200-753-7) bevat.

 

Noot R:

Indeling als kankerverwekkend is niet noodzakelijk voor vezels waarvan de naar de lengte gewogen meetkundig gemiddelde diameter, minus tweemaal de standaardfout, groter is dan 6 μm.”;

4)

In de vermeldingen in de aanhangsels 1, 2, 3, 5 en 6 worden in de kolom „Opmerkingen” de verwijzingen naar de noten E, H en S geschrapt.

5)

In aanhangsel 1 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 28 — Kankerverwekkende stoffen: categorie 1A (tabel 3.1)/categorie 1 (tabel 3.2)”.

6)

Aanhangsel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel komt als volgt te luiden: „Vermelding 28 — Kankerverwekkende stoffen: categorie 1B (tabel 3.1)/categorie 2 (tabel 3.2)”;

b)

in de vermeldingen met catalogusnummer 024-017-00-8, 611-024-00-1, 611-029-00-9, 611-030-00-4 en 650-017-00-8 worden de woorden „bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG” vervangen door „bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008”;

c)

De vermeldingen met catalogusnummer 649-062-00-6, 649-063-00-1, 649-064-00-7, 649-065-00-2, 649-066-00-8, 649-067-00-3, 649-068-00-9, 649-069-00-4, 649-070-00-X, 649-071-00-5, 649-072-00-0, 649-073-00-6, 649-074-00-1, 649-075-00-7, 649-076-00-2, 649-077-00-8, 649-078-00-3, 649-079-00-9, 649-080-00-4, 649-081-00-X, 649-082-00-5, 649-083-00-0, 649-084-00-6, 649-085-00-1, 649-086-00-7, 649-087-00-2, 649-089-00-3, 649-090-00-9, 649-091-00-4, 649-092-00-X, 649-093-00-5, 649-094-00-0, 649-095-00-6, 649-096-00-1, 649-097-00-7, 649-098-00-2, 649-099-00-8, 649-100-00-1, 649-101-00-7, 649-102-00-2, 649-103-00-8, 649-104-00-3, 649-105-00-9, 649-106-00-4, 649-107-00-X, 649-108-00-5, 649-109-00-0, 649-110-00-6, 649-111-00-1, 649-112-00-7, 649-113-00-2, 649-114-00-8, 649-115-00-3, 649-116-00-9, 649-117-00-4, 649-119-00-5, 649-120-00-0, 649-121-00-6, 649-122-00-1, 649-123-00-7, 649-124-00-2, 649-125-00-8, 649-126-00-3, 649-127-00-9, 649-128-00-4, 649-129-00-X, 649-130-00-5, 649-131-00-0, 649-132-00-6, 649-133-00-1, 649-134-00-7, 649-135-00-2, 649-136-00-8, 649-137-00-3, 649-138-00-9, 649-139-00-4, 649-140-00-X, 649-141-00-5, 649-142-00-0, 649-143-00-6, 649-144-00-1, 649-145-00-7, 649-146-00-2, 649-147-00-8, 649-148-00-3, 649-149-00-9, 649-150-00-4, 649-151-0-X, 649-152-00-5, 649-153-00-0, 649-154-00-6, 649-155-00-1, 649-156-00-7, 649-157-00-2, 649-158-00-8, 649-159-00-3, 649-160-00-9, 649-161-00-4, 649-162-00-X, 649-163-00-5, 649-164-00-0, 649-165-00-6, 649-166-00-1, 649-167-00-7, 649-168-00-2, 649-169-00-8, 649-170-00-3, 649-171-00-9, 649-172-00-4, 649-173-00-X, 649-174-00-5, 649-177-00-1, 649-178-00-7, 649-179-00-2, 649-180-00-8, 649-181-00-3, 649-182-00-9, 649-183-00-4, 649-184-00-X, 649-185-00-5, 649-186-00-0, 649-187-00-6, 649-188-00-1, 649-189-00-7, 649-190-00-2, 649-191-00-8, 649-193-00-9, 649-194-00-4, 649-195-00-X, 649-196-00-5, 649-197-00-0, 649-198-00-6, 649-199-00-1, 649-200-00-5, 649-201-00-0, 649-202-00-6, 649-203-00-1, 649-204-00-7, 649-205-00-2, 649-206-00-8, 649-207-00-3, 649-208-00-9, 649-209-00-4 en 649-210-00-X worden geschrapt.

7)

In aanhangsel 3 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 29 — Mutagene stoffen: categorie 1A (tabel 3.1)/categorie 1 (tabel 3.2)”.

8)

In aanhangsel 4 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 29 — Mutagene stoffen: categorie 1B (tabel 3.1)/categorie 2 (tabel 3.2)”.

9)

In aanhangsel 5 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 30 — Voor de voortplanting giftige stoffen: categorie 1A (tabel 3.1)/categorie 1 (tabel 3.2)”.

10)

In aanhangsel 6 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 30 — Voor de voortplanting giftige stoffen: categorie 1B (tabel 3.1)/categorie 2 (tabel 3.2)”.

11)

In aanhangsel 8 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 43 — Azokleurstoffen — Lijst van aromatische amines”.

12)

In aanhangsel 9 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 43 — Azokleurstoffen — Lijst van azokleurstoffen”.

13)

Aanhangsel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel komt als volgt te luiden: „Vermelding 43 — Azokleurstoffen — Lijst van testmethoden”;

b)

in de voetnoot komen de adressen van CEN en Cenelec als volgt te luiden:

„CEN: Marnixlaan 17, 1000 Brussel, België, tel.: (32-2) 550 08 11, fax: (32-2) 550 08 19 (http://www.cen.eu/cenorm/homepage.htm)

Cenelec: Marnixlaan 17, 1000 Brussel, België, tel.: (32-2) 519 68 71, fax: (32-2) 519 69 19. (http://www.cenelec.eu/Cenelec/Homepage.htm)”


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 42.

(2)  PB L 147 van 9.6.1975, blz. 40.

(3)  PB L 37 van 13.2.2003, blz. 19.

(4)  PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(5)  PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.

(6)  PB L 124 van 9.5.2002, blz. 1.

(7)  PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.

(8)  PB L 104 van 8.4.2004, blz. 1.

(9)  PB L 399 van 30.12.1989, blz. 18.

(10)  PB L 304 van 21.11.2003, blz. 1.

(11)  PB L 121 van 15.5.1993, blz. 20.

(12)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1.”


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/32


VERORDENING (EG) Nr. 553/2009 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2009

betreffende de opening van een specifieke openbare inschrijving voor de verkoop op de markt van de Gemeenschap van mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 die in het bezit is van het Hongaarse interventiebureau

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO”-verordening) (1), en met name op artikel 43, onder f), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 127/2009 van de Commissie van 12 februari 2009 tot vaststelling van de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de betaalorganen of interventiebureaus (2) is bepaald dat de verkoop van graan dat in het bezit is van het interventiebureau, bij inschrijving plaatsvindt tegen prijzen waarmee verstoring van de markt kan worden voorkomen.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 712/2007 van de Commissie (3) zijn voor het verkoopseizoen 2007/2008 permanente openbare inschrijvingen geopend voor de verkoop op de markt van de Gemeenschap van graan dat in het bezit is van de interventiebureaus van de lidstaten. Om ervoor te zorgen dat de veehouders en de diervoederindustrie zich in de eerste maanden van het verkoopseizoen 2008/2009 tegen concurrerende prijzen konden bevoorraden, is die verordening gewijzigd in die zin dat de biedingen voor de deelinschrijvingen konden worden ingediend tot en met 17 december 2008.

(3)

Bij het begin van het verkoopseizoen 2007/2008 bedroegen de communautaire interventievoorraden 2,46 miljoen ton, waarvan 2,23 miljoen ton mais. Tijdens dat verkoopseizoen werden in het kader van de inschrijving op grond van Verordening (EG) nr. 712/2007 relatief grote interventiehoeveelheden verkocht, vooral mais.

(4)

Als gevolg van de sinds midden september 2008 geldende marktvoorwaarden, met name wat de prijs betreft, hebben de marktdeelnemers evenwel geen biedingen meer ingediend, en op 31 oktober 2008 was er nog ongeveer 16 000 ton interventiemais beschikbaar. Deze oude voorraden (vooral uit de oogsten van 2004 en 2005) zullen concurreren met de communautaire mais van de overvloedige oogst van 2008, waarvoor de verkoopprijzen reeds op 31 oktober 2008 onder de interventieprijs lagen. Gezien deze situatie moet deze voorraad ter beschikking worden gesteld voor gebruik op de interne markt.

(5)

In artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 127/2009 is bepaald dat, wanneer verstoringen blijken op te treden in het functioneren van de gemeenschappelijke ordening der markten, met name doordat het moeilijk is om in een bepaald verkoopseizoen graan te verkopen tegen prijzen die in overeenstemming zijn met de prijzen waarin lid 1 van dat artikel voorziet, de verkoop op de markt van de Gemeenschap kan worden georganiseerd op basis van specifieke inschrijvingen onder bijzondere condities. Dat de mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 die in het bezit van het Hongaarse interventiebureau is, al zo lang is opgeslagen, vormt, in combinatie met de momenteel in Hongarije genoteerde marktprijzen voor mais, een bijzondere omstandigheid die de opening rechtvaardigt van een specifieke openbare inschrijving voor de verkoop van mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 tegen prijzen die misschien lager zullen liggen dan de interventieprijs.

(6)

Bovendien zijn op de markt van de Gemeenschap grote prijsschommelingen geconstateerd. Deze verschillen zouden ertoe kunnen leiden dat de marktdeelnemers aan wie in het kader van deze inschrijving wordt gegund, de gegunde partijen niet afhalen. De zekerheid van 5 EUR per ton waarin is voorzien in artikel 5, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 127/2009, volstaat dus wellicht niet om die afhaling te garanderen. Om die situatie te voorkomen en de in het kader van deze verordening gehouden inschrijving efficiënt te laten verlopen, moet die zekerheid worden verhoogd om de risico’s te beperken.

(7)

Gelet op de situatie van de markt van de Gemeenschap is het wenselijk te bepalen dat de inschrijving door de Commissie moet worden beheerd. Voorts moet voor biedingen tegen de minimumverkoopprijs een toewijzingscoëfficiënt worden vastgesteld.

(8)

Met het oog op een efficiënt beheer van de regeling moet worden bepaald dat de door de Commissie gevraagde gegevens elektronisch moeten worden verstrekt. In de mededeling van het interventiebureau aan de Commissie mag de identiteit van de inschrijvers niet worden bekendgemaakt.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het Hongaarse interventiebureau gaat, via inschrijving, over tot de verkoop op de markt van de Gemeenschap van mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 die in zijn bezit is.

Artikel 2

1.   De in artikel 1 bedoelde verkoop vindt plaats overeenkomstig de bij Verordening (EG) nr. 127/2009 vastgestelde voorwaarden.

2.   In afwijking van artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 127/2009 kan de minimale verkoopprijs lager liggen dan de interventieprijs, vermeerderd met een maandelijkse verhoging.

3.   In afwijking van artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 127/2009 wordt de zekerheid voor de biedingen vastgesteld op 10 EUR per ton.

Artikel 3

1.   De termijn voor het indienen van biedingen voor de eerste deelinschrijving verstrijkt op 30 juni 2009 om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).

Voor de volgende deelinschrijvingen verstrijkt deze termijn op de onderstaande woensdagen om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel):

15 juli 2009,

5 en 26 augustus 2009,

9 en 23 september 2009,

14 en 28 oktober 2009,

11 en 25 november 2009,

2 en 16 december 2009.

2.   De biedingen moeten worden ingediend bij het Hongaarse interventiebureau

Mezőgazdasági és Vidékfejlesztési Hivatal

Soroksári út. 22-24

H-1095 Budapest

Tel. (36) 1219 62 60

Fax. (36) 1219 89 05

e-mail: ERTEKESITES@MVH.GOV.HU

website: www.mvh.gov.hu

Artikel 4

Het betrokken interventiebureau stelt de Commissie uiterlijk vier uur na het verstrijken van de termijn die in artikel 3, lid 1, voor de indiening van de biedingen is vastgesteld, in kennis van de ontvangen biedingen. Als geen biedingen zijn ingediend, meldt de betrokken lidstaat dat binnen dezelfde termijn aan de Commissie. Als de lidstaat binnen de voorgeschreven termijn geen mededeling heeft gedaan aan de Commissie, gaat deze laatste ervan uit dat in de betrokken lidstaat geen biedingen zijn ingediend.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden elektronisch meegedeeld met gebruikmaking van het formulier volgens het model in bijlage. De identiteit van de inschrijvers moet geheim blijven.

Artikel 5

1.   Overeenkomstig de in artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde procedure stelt de Commissie de minimumverkoopprijs voor mais vast of besluit zij aan de ontvangen biedingen geen gevolg te geven.

2.   Als de vaststelling van een minimumverkoopprijs overeenkomstig lid 1 tot gevolg zou hebben dat de beschikbare maximumhoeveelheid wordt overschreden, kan tegelijk ook een toewijzingscoëfficiënt worden vastgesteld voor de hoeveelheden waarvoor de minimumprijs is geboden, zodat de beschikbare maximumhoeveelheid in acht wordt genomen.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 42 van 13.2.2009, blz. 3.

(3)  PB L 163 van 23.6.2007, blz. 7.


BIJLAGE

Mededeling aan de Commissie van de gegevens betreffende de in het kader van de specifieke openbare inschrijving ontvangen biedingen voor de verkoop op de markt van de Gemeenschap van mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 die in het bezit is van het Hongaarse interventiebureau

Model (1)

(Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 553/2009)

1

2

3

4

Volgnummer van de inschrijvers

Nummer van de partij

Hoeveelheid

(ton)

In de bieding opgenomen prijs

(euro/ton)

1

 

 

 

2

 

 

 

3

 

 

 

enz.

 

 

 

Gelieve de totale hoeveelheden van de biedingen te vermelden (inclusief de afgewezen biedingen voor eenzelfde partij): … ton.


(1)  Te sturen naar DG AGRI (D2).


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/35


VERORDENING (EG) nr. 554/2009 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2009

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2597/2001 wat betreft tariefcontingenten voor bepaalde wijnen van oorsprong uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 153/2002 van de Raad van 21 januari 2002 betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, en de interimovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds (1), en met name op artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (2) is op 18 februari 2008 ondertekend. Het is bij Besluit 2008/438/EG, Euratom van de Raad en de Commissie (3) namens de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de lidstaten goedgekeurd en wordt sinds 1 januari 2007 op voorlopige basis toegepast.

(2)

Artikel 5 van het protocol en bijlage VIII daarbij voorzien in wijzigingen van de bestaande tariefcontingenten voor bepaalde wijnen in verpakkingen van meer dan 2 liter, van oorsprong uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, met ingang van 1 januari 2007.

(3)

Teneinde de in het protocol vastgestelde tariefcontingenten voor wijn ten uitvoer te leggen, dient Verordening (EG) nr. 2597/2001 van de Commissie van 28 december 2001 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde wijnen van oorsprong uit de Republiek Kroatië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (4) te worden gewijzigd.

(4)

De Taric-onderverdelingen van bepaalde GN-posten (gecombineerde nomenclatuur) zijn met ingang van 1 juli 2007 gewijzigd. De Taric-onderverdelingen van deze GN-posten in deel II van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2597/2001 dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(5)

Aangezien het protocol vanaf 1 januari 2007 van toepassing is, moet deze verordening ook vanaf die datum van toepassing zijn en onmiddellijk in werking treden.

(6)

De in deze verordening vervatte bepalingen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel II van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2597/2001 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.

Voor de Commissie

László KOVÁCS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 25 van 29.1.2002, blz. 16.

(2)  PB L 99 van 10.4.2008, blz. 2.

(3)  PB L 155 van 13.6.2008, blz. 15.

(4)  PB L 345 van 29.12.2001, blz. 35.


BIJLAGE

„DEEL II:   VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACEDONIË

Volgnummer

GN-code

Taric-onderverdeling

Omschrijving

Omvang van het jaarlijkse contingent

(in hl)

Contingentrecht

09.1558

ex 2204 10 19

98 (1)

Mousserende wijn, andere dan Champagne of Asti spumante

Andere wijn van verse druiven, in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

49 000 (2)

Vrij

ex 2204 10 99

98 (1)

2204 21 10

 

ex 2204 21 79

79, 80

ex 2204 21 80

79, 80

ex 2204 21 84

59, 70

ex 2204 21 85

79, 80

ex 2204 21 94

20

ex 2204 21 98

20

ex 2204 21 99

10

09.1559

2204 29 10

 

Andere wijn van verse druiven, in verpakkingen inhoudende meer dan 2 l

350 000 (3)

Vrij

2204 29 65

 

ex 2204 29 75

10

2204 29 83

 

ex 2204 29 84

20

ex 2204 29 94

20

ex 2204 29 98

20

ex 2204 29 99

10


(1)  Deze Taric-onderverdeling is van toepassing vanaf 1 juli 2007.

(2)  Vanaf 1 januari 2008 wordt de omvang van dit contingent jaarlijks verhoogd met 6 000 hl.

(3)  Vanaf 1 januari 2008 wordt de omvang van dit contingent jaarlijks verlaagd met 6 000 hl.”


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/37


VERORDENING (EG) Nr. 555/2009 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2009

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 318/2007 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Gemeenschap en de desbetreffende quarantainevoorschriften

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (1), en met name op artikel 10, lid 3, tweede alinea, en artikel 10, lid 4, eerste alinea,

Gelet op Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (2), en met name op artikel 18, lid 1, vierde streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 318/2007 van de Commissie (3) stelt de veterinairrechtelijke voorschriften vast voor de invoer van bepaalde vogels, met uitzondering van pluimvee, in de Gemeenschap en de desbetreffende quarantainevoorschriften die na invoer voor deze vogels gelden.

(2)

Bijlage V bij die verordening bevat een lijst van de quarantainevoorzieningen en -stations die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn erkend voor de invoer van bepaalde vogels, met uitzondering van pluimvee.

(3)

Duitsland en Slowakije hebben hun erkende quarantainevoorzieningen of -stations aan een herziening onderworpen en hebben de Commissie een bijgewerkte lijst daarvan toegestuurd. De lijst van erkende quarantainevoorzieningen en -stations in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 318/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Verordening (EG) nr. 318/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage V bij Verordening (EG) nr. 318/2007 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het deel betreffende Duitsland wordt de volgende vermelding geschrapt:

„DE

DUITSLAND

NW-2”.

2.

Na het deel betreffende Portugal wordt de volgende vermelding toegevoegd voor Slowakije:

„SK

SLOWAKIJE

SK-PO-101”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56.

(2)  PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.

(3)  PB L 84 van 24.3.2007, blz. 7.


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/38


VERORDENING (EG) Nr. 556/2009 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2009

betreffende de toewijzing van rechten tot invoer voor aanvragen die zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 431/2008 geopende tariefcontingent voor bevroren rundvlees

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 431/2008 van de Commissie van 19 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van bevroren rundvlees van GN-code 0202 en producten van GN-code 0206 29 91 (3) is een tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector rundvlees.

(2)

De aanvragen voor rechten tot invoer die voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 zijn ingediend, hebben betrekking op een hoeveelheid die de beschikbare hoeveelheden overschrijdt. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de rechten tot invoer kunnen worden toegewezen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de aanvragen voor rechten tot invoer die in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 431/2008 vastgestelde contingent met het volgnummer 09.4003 zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010, wordt een toewijzingscoëfficiënt toegepast van 29,943487 %.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 26 juni 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)  PB L 130 van 20.5.2008, blz. 3.


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/39


VERORDENING (EG) Nr. 557/2009 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2009

betreffende de toewijzing van rechten tot invoer voor aanvragen die zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 412/2008 geopende tariefcontingenten voor bevroren rundvlees, bestemd voor verwerking

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 412/2008 van de Commissie van 8 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van voor verwerking bestemd bevroren rundvlees (3) is een tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector rundvlees.

(2)

De aanvragen voor rechten tot invoer die voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 zijn ingediend, hebben betrekking op hoeveelheden die de beschikbare hoeveelheden overschrijden voor de rechten in het kader van het contingent met volgnummer 09.4057. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de rechten tot invoer kunnen worden toegewezen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de aanvragen voor rechten tot invoer die op grond van Verordening (EG) nr. 412/2008 zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010, wordt een toewijzingscoëfficiënt toegepast van 18,957513 % voor de rechten tot invoer in het kader van het contingent met volgnummer 09.4057.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 26 juni 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)  PB L 125 van 9.5.2008, blz. 7.


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/40


VERORDENING (EG) Nr. 558/2009 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2009

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 945/2008 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2008/2009

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2008/2009 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 945/2008 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 514/2009 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2008/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 945/2008 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 26 juni 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 258 van 26.9.2008, blz. 56.

(4)  PB L 155 van 18.6.2009, blz. 3.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 26 juni 2009

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

30,00

2,29

1701 11 90 (1)

30,00

6,53

1701 12 10 (1)

30,00

2,15

1701 12 90 (1)

30,00

6,10

1701 91 00 (2)

30,72

9,87

1701 99 10 (2)

30,72

5,35

1701 99 90 (2)

30,72

5,35

1702 90 95 (3)

0,31

0,34


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


RICHTLIJNEN

26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/42


RICHTLIJN 2009/49/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juni 2009

tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot bepaalde informatieverplichtingen van middelgrote ondernemingen en de verplichting een geconsolideerde jaarrekening op te stellen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 44, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de conclusies van het voorzitterschap heeft de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 onderstreept dat terugdringing van de administratieve lasten een belangrijk middel is om de Europese economie te doen opleven, vooral wegens de potentiële voordelen ervan voor de kleine en middelgrote ondernemingen. Tevens werd benadrukt dat de zowel de Europese Unie als de lidstaten een krachtige gezamenlijke inspanning moeten leveren om de administratieve lasten te verminderen.

(2)

Financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen zijn aangewezen als gebieden waarop de administratieve lasten voor vennootschappen in de Gemeenschap kunnen worden verminderd.

(3)

In de mededeling van de Commissie van 10 juli 2007 over een vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat op het gebied van vennootschapsrecht, financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen zijn noodzakelijke wijzigingen vastgesteld van Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (3) en Zevende Richtlijn 83/349/EEG van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening (4). Er ging bijzondere aandacht uit naar het verder verlichten van de lasten inzake financiële verslaggeving voor kleine en middelgrote ondernemingen.

(4)

In het verleden zijn verschillende wijzigingen doorgevoerd, zodat ondernemingen die onder het toepassingsgebied van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG vallen, verslagleggingsmethoden kunnen gebruiken die in overeenstemming zijn met de International Financial Reporting Standards (IFRS). Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (5) moeten ondernemingen waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat, hun geconsolideerde jaarrekening opstellen volgens de IFRS en bijgevolg zijn zij vrijgesteld van de meeste verplichtingen van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG. Deze richtlijnen vormen echter nog steeds de grondslag voor de financiële verslaggeving van kleine en middelgrote ondernemingen in de Gemeenschap.

(5)

Kleine en middelgrote ondernemingen zijn vaak onderworpen aan dezelfde regelgeving als grotere ondernemingen, doch hun specifieke behoeften op het gebied van financiële verslaggeving zijn amper geanalyseerd. Met name het toenemende aantal informatieverplichtingen zorgt bij deze ondernemingen voor problemen. Uitgebreide regelgeving inzake financiële verslaggeving vormt een financiële last die een doeltreffend gebruik van kapitaal voor productiedoeleinden in de weg kan staan.

(6)

Uit de toepassing van Verordening (EG) nr. 1606/2002 is ook gebleken dat er duidelijkheid moet worden verschaft over de verhouding tussen de standaarden voor jaarrekeningen van Richtlijn 83/349/EEG en de IFRS.

(7)

Wanneer de kosten van oprichting en uitbreiding in de balans onder de activa mogen worden opgenomen, schrijft artikel 34, lid 2, van Richtlijn 78/660/EEG voor dat deze post in de toelichting bij de jaarrekening wordt uitgelegd. Op grond van artikel 44, lid 2, van die richtlijn kunnen kleine vennootschappen van deze informatieverplichting worden vrijgesteld. Om onnodige administratieve lasten te verminderen, zou het eveneens mogelijk moeten zijn ook middelgrote vennootschappen van deze informatieverplichting vrij te stellen.

(8)

Richtlijn 83/349/EEG vereist dat een moederonderneming een geconsolideerde jaarrekening opstelt, zelfs indien haar enige dochteronderneming of al haar dochterondernemingen tezamen, gelet op het doel van artikel 16, lid 3, van die richtlijn slechts van te verwaarlozen betekenis zijn. Dit heeft tot gevolg dat deze ondernemingen onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vallen en derhalve volgens de IFRS een geconsolideerde jaarrekening moeten opstellen. Deze verplichting wordt belastend geacht indien een moederonderneming slechts dochterondernemingen van te verwaarlozen betekenis heeft. Een moederonderneming dient derhalve te worden vrijgesteld van de verplichting een geconsolideerde jaarrekening en een geconsolideerd jaarverslag op te stellen, indien zij slechts dochterondernemingen heeft die, individueel en tezamen, van te verwaarlozen betekenis worden geacht. Hoewel deze wettelijke verplichting dient te worden geschrapt, dient de moederonderneming de mogelijkheid te behouden op eigen initiatief een geconsolideerde jaarrekening en een geconsolideerd jaarverslag opstellen.

(9)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de vermindering van de administratieve lasten die voortvloeien uit bepaalde informatieverplichtingen van middelgrote ondernemingen en uit de verplichting een geconsolideerde jaarrekening op te stellen voor bepaalde ondernemingen in de Gemeenschap, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(10)

De Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Overeenkomstig punt 34 van het interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” (6) worden de lidstaten ertoe aangespoord om voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 78/660/EEG

In artikel 45, lid 2, van Richtlijn 78/660/EEG, wordt de eerste zin van de tweede alinea vervangen door:

„De lidstaten kunnen de in artikel 27 bedoelde vennootschappen toestaan de in artikel 34, lid 2, en artikel 43, lid 1, punt 8, genoemde gegevens achterwege te laten.”.

Artikel 2

Wijziging van Richtlijn 83/349/EEG

In artikel 13 van Richtlijn 83/349/EEG wordt het volgende lid ingevoegd:

„2 bis.   Onverminderd artikel 4, lid 2, en de artikelen 5 en 6 wordt een onder het nationale recht van een lidstaat vallende moederonderneming die alleen maar dochterondernemingen heeft die, gelet op het doel van artikel 16, lid 3, individueel en tezamen, slechts van te verwaarlozen betekenis zijn, vrijgesteld van de in artikel 1, lid 1, opgelegde verplichting.”.

Artikel 3

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om voor 1 januari 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 18 juni 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G.PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

Š. FÜLE


(1)  PB C 77 van 31.3.2009, blz. 37.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 18 december 2008 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 11 mei 2009.

(3)  PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11.

(4)  PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1.

(5)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(6)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/45


RICHTLIJN 2009/54/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juni 2009

betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater

(Herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 80/777/EEG van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Aangezien de richtlijn opnieuw wordt gewijzigd, dient zij ter wille van de duidelijkheid herschikt te worden.

(2)

Natuurlijk mineraalwater is in de wetgevingen van de lidstaten omschreven. In deze wetgevingen zijn de voorwaarden neergelegd waaronder natuurlijk mineraalwater als zodanig wordt erkend en zijn de exploitatievoorwaarden van de bronnen geregeld. Deze wetgevingen schrijven bovendien de bijzondere regels voor het in de handel brengen van het betrokken water voor.

(3)

De verschillen tussen deze wetgevingen belemmeren het vrije verkeer van natuurlijk mineraalwater waardoor ongelijke concurrentievoorwaarden worden geschapen, en zij daardoor een rechtstreekse invloed hebben op de werking van de interne markt.

(4)

In het voorkomende geval kan de opheffing van deze belemmeringen het gevolg zijn, enerzijds, van de voor iedere lidstaat geldende verplichting op zijn grondgebied het in de handel brengen toe te staan van natuurlijk mineraalwater dat als zodanig door ieder van de andere lidstaten is erkend, en, anderzijds, van het uitvaardigen van gemeenschappelijke regels die met name van toepassing zijn op de gestelde microbiologische vereisten en op de voorwaarden waaronder bijzondere benamingen mogen worden gebruikt voor bepaalde mineraalwaters.

(5)

Voorschriften voor natuurlijk mineraalwater dienen in de eerste plaats gericht te zijn op de bescherming van de gezondheid van de consument, het voorkomen van misleiding van de consument en het waarborgen van eerlijke handelsvoorwaarden.

(6)

In afwachting van de sluiting van overeenkomsten inzake de onderlinge erkenning van natuurlijk mineraalwater tussen de Gemeenschap en derde landen, dienen de voorwaarden te worden vastgesteld waaronder, totdat genoemde overeenkomsten worden toegepast, soortgelijke uit derde landen ingevoerde producten in de Gemeenschap als natuurlijk mineraalwater kunnen worden toegelaten.

(7)

Er dient voor te worden gezorgd dat natuurlijk mineraalwater in het handelsstadium die kenmerken behoudt welke de erkenning ervan als natuurlijk mineraalwater hebben gerechtvaardigd. De voor de verpakking ervan gebruikte recipiënten dienen derhalve passende sluitingen te bezitten.

(8)

Voor natuurlijk mineraalwater gelden, voor wat betreft de etikettering ervan, de algemene regels van Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (5). Het volstaat derhalve in deze richtlijn de aanvullingen en afwijkingen neer te leggen die ten aanzien van deze algemene regels dienen te worden vastgesteld.

(9)

Met het oog op de voorlichting van de consument dient de vermelding van de samenstelling van natuurlijk mineraalwater op het etiket verplicht te zijn.

(10)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (6).

(11)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om grenswaarden voor de concentraties aan bestanddelen van natuurlijk mineraal water vast te stellen, alsmede eventuele bepalingen die nodig zijn om hoge concentraties aan bepaalde bestanddelen op de etikettering te vermelden, de voorwaarden voor het gebruik van met ozon verrijkte lucht voor de behandeling van natuurlijk mineraal water, informatie over de behandeling van natuurlijk mineraal water, analysemethoden om vast te stellen dat natuurlijk mineraal water niet verontreinigd is, alsook de bemonsteringsprocedures en analysemethoden die nodig zijn om de microbiologische kenmerken van natuurlijk mineraalwater te controleren. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, onder meer door haar aan te vullen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

(12)

Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de aanneming van de ter bescherming van de volksgezondheid noodzakelijke wijzigingen van deze Richtlijn de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen.

(13)

Daar de nieuwe onderdelen van deze richtlijn slechts de comitéprocedure betreffen, is omzetting door de lidstaten niet nodig.

(14)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Deze richtlijn heeft betrekking op water, gewonnen uit de bodem van een lidstaat, dat door de verantwoordelijke autoriteit van die staat wordt erkend als natuurlijk mineraalwater dat voldoet aan het bepaalde in bijlage I, deel I.

2.   Deze richtlijn heeft eveneens betrekking op water, gewonnen uit de bodem van een derde land en ingevoerd in de Gemeenschap, dat door de verantwoordelijke autoriteit van een lidstaat als natuurlijk mineraalwater is erkend.

Het in de eerste alinea bedoelde water kan slechts worden erkend indien de hiertoe bevoegde autoriteit in het land van winning heeft verklaard dat het voldoet aan het bepaalde in bijlage I, deel I, en dat regelmatig wordt gecontroleerd of het bepaalde in bijlage II, punt 2, wordt nageleefd.

De geldigheidsduur van de in de tweede alinea bedoelde verklaring mag niet meer dan vijf jaar bedragen. Indien de verklaring vóór het einde van de genoemde periode wordt vernieuwd, behoeft niet opnieuw tot de in de eerste alinea bedoelde erkenning te worden overgegaan.

3.   Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)

water dat een geneesmiddel is in de zin van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (7);

b)

natuurlijk mineraalwater dat met het oog op genezing aan de bron in thermale of hydrominerale inrichtingen wordt gebruikt.

4.   De in de leden 1 en 2 bedoelde erkenning wordt met redenen omkleed door de verantwoordelijke autoriteit van de lidstaat en wordt officieel bekendgemaakt.

5.   Iedere lidstaat deelt aan de Commissie de gevallen mede waarin werd overgegaan tot de in de leden 1 en 2 bedoelde erkenning of tot intrekking hiervan. De lijst van de als zodanig erkende natuurlijke mineraalwaters wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 2

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat alleen het in artikel 1 bedoelde water dat aan deze richtlijn voldoet, als natuurlijk mineraalwater in de handel kan worden gebracht.

Artikel 3

De bronnen van natuurlijk mineraalwater dienen in overeenstemming met de in bijlage II vermelde voorschriften te worden geëxploiteerd; deze voorschriften gelden ook voor het verpakken van dit water.

Artikel 4

1.   Een natuurlijk mineraalwater zoals het bij het ontspringen voorkomt, mag aan geen enkele andere behandeling worden onderworpen dan:

a)

de afscheiding van labiele elementen, zoals ijzer- en zwavelverbindingen, door filtreren of decanteren, eventueel na beluchten, voor zover deze behandeling niet tot gevolg heeft de samenstelling van dit water te veranderen wat de essentiële bestanddelen betreft die het zijn eigenschappen geven;

b)

de afscheiding van ijzer-, mangaan- en zwavelverbindingen en arseen van bepaalde soorten natuurlijk mineraalwater door behandeling met lucht die met ozon is verrijkt, voor zover deze behandeling niet tot gevolg heeft de samenstelling van dit water te veranderen wat de essentiële bestanddelen betreft die het zijn eigenschappen geven, mits:

i)

de behandeling voldoet aan de voorwaarden voor het gebruik daarvan, die worden vastgesteld door de Commissie na raadpleging van de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (8), opgerichte Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid;

ii)

de behandeling gemeld is aan de bevoegde instanties en door deze specifiek wordt gecontroleerd;

c)

de afscheiding van andere dan de onder a) en b) bedoelde ongewenste bestanddelen, voor zover deze behandeling niet tot gevolg heeft de samenstelling van dit water te veranderen wat de essentiële bestanddelen betreft die het zijn eigenschappen geven, mits:

i)

de behandeling voldoet aan de voorwaarden voor het gebruik daarvan, die door de Commissie na raadpleging van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid worden vastgesteld;

ii)

de behandeling gemeld is aan de bevoegde instanties en door deze specifiek wordt gecontroleerd;

d)

de totale of gedeeltelijke verwijdering van vrij koolzuurgas via uitsluitend natuurkundige procedés.

De in punt b), onder i), en punt c), onder i), bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De eerste alinea vormt geen beletsel voor het gebruik van natuurlijk mineraalwater en bronwater voor de vervaardiging van alcoholvrije frisdranken.

2.   Een natuurlijk mineraalwater zoals het bij het ontspringen voorkomt, mag aan geen enkele andere toevoeging worden onderworpen dan het inbrengen of opnieuw inbrengen van koolzuurgas onder de bij bijlage I, deel III, bepaalde voorwaarden.

3.   Elke behandeling ter ontsmetting, op welke wijze dan ook, en, behoudens lid 2, toevoeging van bacteriostatica of iedere andere behandeling die de microflora van het natuurlijke mineraalwater kan wijzigen zijn verboden.

Artikel 5

1.   Bij het ontspringen moet het totale gehalte aan reactiveerbare micro-organismen van een natuurlijk mineraalwater overeenkomen met de normale microflora daarvan en op een doeltreffende bescherming van de bron tegen elke verontreiniging duiden. Dit gehalte moet worden vastgesteld onder de in bijlage I, deel II, punt 1.3.3, bepaalde voorwaarden.

Na het bottelen mag dit gehalte niet meer bedragen dan 100 per ml bij 20 à 22 °C gedurende 72 uur op een agar-agar-voedingsbodem of een agar-agar-gelatinemengsel en 20 per ml bij 37 °C gedurende 24 uur op een agar-agar-voedingsbodem. Dit gehalte moet binnen 12 uur na het bottelen worden gemeten, waarbij het water gedurende deze periode van 12 uur op 4 °C ± 1 °C wordt gehouden.

Bij het ontspringen mogen deze waarden normaliter niet meer bedragen dan respectievelijk 20 per ml bij 20 à 22 °C gedurende 72 uur en 5 per ml bij 37 °C gedurende 24 uur, waarbij deze waarden moeten worden beschouwd als richtgetallen en niet als maximumconcentraties.

2.   Bij het ontspringen en tijdens het in de handel brengen moet een natuurlijk mineraalwater vrij zijn van:

a)

parasieten en pathogene micro-organismen;

b)

escherichia coli of andere coliforme bacteriën en streptococcus faecalis, in 250 ml onderzocht monster;

c)

sulfietreducerende sporenvormende anaerobe bacteriën in 50 ml onderzocht monster;

d)

pseudonomas aeruginosa in 250 ml onderzocht monster.

3.   In het handelsstadium mag onverminderd de leden 1 en 2 en de in bijlage II vastgestelde voorwaarden voor de exploitatie:

a)

het totale gehalte aan reactiveerbare micro-organismen van natuurlijk mineraalwater alleen het gevolg zijn van de normale ontwikkeling van het kiemgehalte van dit water bij het ontspringen;

b)

natuurlijk mineraalwater geen organoleptische gebreken vertonen.

Artikel 6

De recipiënten die voor het verpakken van natuurlijk mineraalwater worden gebruikt, moeten voorzien zijn van een sluiting die erop berekend is om iedere mogelijkheid van vervalsing of besmetting te voorkomen.

Artikel 7

1.   De verkoopbenaming van natuurlijk mineraalwater is „natuurlijk mineraalwater” of, indien het in bijlage I, deel III, omschreven gashoudend mineraalwater betreft, al naar gelang van het geval „natuurlijk gashoudend mineraalwater”, „met brongas versterkt natuurlijk mineraalwater” of „natuurlijk mineraalwater met toegevoegd koolzuurgas”.

De verkoopbenaming van natuurlijk mineraalwater dat een in artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder d), bedoelde behandeling heeft ondergaan, wordt al naar gelang van het geval aangevuld met de vermelding „volledig ontgast” of „gedeeltelijk ontgast”.

2.   Op de etikettering van natuurlijk mineraalwater is tevens vermelding van de volgende informatie verplicht:

a)

de analytische samenstelling van het water met vermelding van de kenmerkende bestanddelen;

b)

de plaats waar de bron wordt geëxploiteerd, en de naam van de bron;

c)

informatie over eventuele behandelingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder b) en c).

3.   Wanneer er geen communautaire bepalingen zijn inzake informatie over de in lid 2, onder c), bedoelde behandelingen, kunnen de lidstaten hun nationale voorschriften handhaven.

Artikel 8

1.   De naam van een plaats, een gehucht of een vlek mag deel uitmaken van een handelsbenaming, indien de bron van het natuurlijk mineraalwater op de door die handelsbenaming genoemde plaats wordt geëxploiteerd en mits daardoor geen verwarring wordt gesticht ten aanzien van de plaats waar de bron wordt geëxploiteerd.

2.   Het in de handel brengen onder verschillende handelsbenamingen van een natuurlijk mineraalwater afkomstig van een zelfde bron is verboden.

3.   Indien op de etiketten of opschriften aangebracht op de recipiënten waarin natuurlijk mineraalwater ten verkoop wordt aangeboden, een andere handelsbenaming staat dan de naam van de bron of van zijn plaats van exploitatie, moet deze plaats van exploitatie of de naam van de bron worden vermeld met lettertekens waarvan de hoogte en de breedte minstens anderhalve maal zo groot zijn als het grootste letterteken dat gebruikt is voor de aanduiding van die handelsbenaming.

De eerste alinea is mutatis mutandis en in dezelfde geest van toepassing op de nadruk die in reclame, in welke vorm ook, voor natuurlijk mineraalwater op de naam van de bron of de plaats van exploitatie wordt gelegd ten opzichte van de vermelding van de handelsbenaming.

Artikel 9

1.   Het is verboden zowel op de verpakkingen of etiketten als in reclame, in welke vorm dan ook, gebruik te maken van aanduidingen, benamingen, fabrieks- of handelsmerken, afbeeldingen en andere al of niet figuratieve tekens, die:

a)

doen vermoeden dat het betrokken natuurlijk mineraalwater kenmerken bezit die het in werkelijkheid niet heeft, inzonderheid inzake de oorsprong, de datum van de exploitatievergunning, de resultaten van analyses of aan authenticiteitswaarborg analoge referenties;

b)

wanneer het verpakt drinkwater betreft dat niet aan bijlage I, deel I, voldoet, verwarring kunnen doen ontstaan met natuurlijk mineraalwater, met name de vermelding „mineraalwater”.

2.   Het is verboden gebruik te maken van aanduidingen die aan het natuurlijk mineraalwater eigenschappen toeschrijven op het gebied van de preventie, de behandeling of genezing van ziekten van de mens.

De vermeldingen opgenomen in bijlage III mogen evenwel worden gebruikt voor zover wordt voldaan aan de daarin vastgestelde overeenkomstige criteria of, bij ontstentenis daarvan, aan de bij nationale bepalingen vastgestelde criteria en op voorwaarde dat zij zijn opgesteld op basis van fysisch-chemische analyses en, indien nodig, van farmacologische, fysiologische en klinische onderzoeken, verricht volgens wetenschappelijk erkende methoden in overeenstemming met bijlage I, deel I, punt 2.

De lidstaten kunnen de vermeldingen „bevordert de spijsvertering”, „kan de functies van lever en gal bevorderen” of soortgelijke vermeldingen toestaan. Voorts kunnen zij andere vermeldingen toestaan voor zover deze niet in strijd zijn met de in de eerste alinea genoemde beginselen en verenigbaar zijn met de in de tweede alinea genoemde beginselen.

3.   De lidstaten kunnen bijzondere bepalingen vaststellen inzake aanduidingen - zowel op verpakkingen of etiketten als in reclame - betreffende de geschiktheid van een natuurlijk mineraalwater voor gebruik in babyvoeding. Deze bijzondere bepalingen kunnen ook betrekking hebben op de eigenschappen van het water die de voorwaarden voor het gebruik van deze aanduidingen bepalen.

Lidstaten die het voornemen hebben dergelijke bepalingen vast te stellen, brengen de andere lidstaten en de Commissie daarvan vooraf op de hoogte.

4.   De term „bronwater” moet voorbehouden blijven aan in zijn natuurlijke staat voor menselijke consumptie bestemd water dat bij de bron gebotteld is en voldoet aan:

a)

de in bijlage II, punten 2 en 3, vermelde exploitatievoorwaarden, die volledig van toepassing zijn op bronwater;

b)

de microbiologische eisen van artikel 5;

c)

de etiketteringsvoorschriften van artikel 7, lid 2, onder b) en c) en artikel 8;

d)

en geen andere dan de in artikel 4 bedoelde behandelingen heeft ondergaan. Andere behandelingen kunnen door de Commissie worden toegestaan.

De in punt d) bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Voorts moet bronwater voldoen aan Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (9).

5.   Wanneer er geen communautaire bepalingen zijn inzake de in lid 4, eerste alinea, onder d), bedoelde behandelingen van bronwater, kunnen de lidstaten hun nationale voorschriften handhaven.

Artikel 10

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de handel in natuurlijk mineraalwater dat voldoet aan de in deze richtlijn vervatte definities en regels, niet kan worden belemmerd door de toepassing van nationale niet geharmoniseerde bepalingen inzake de eigenschappen, de samenstelling, de exploitatievoorwaarden, de verpakking, of de etikettering van natuurlijke mineraalwaters of van levensmiddelen in het algemeen, of van reclame daarvoor.

Artikel 11

1.   Wanneer een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een natuurlijk mineraalwater niet aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet of gevaar oplevert voor de volksgezondheid, ook al is het in een of meer lidstaten vrij in de handel, kan die lidstaat de handel in dit product op zijn grondgebied tijdelijk beperken of opschorten. Hij stelt de Commissie en de andere lidstaten daarvan onverwijld in kennis onder vermelding van de redenen die tot zijn besluit hebben geleid.

2.   Op verzoek van een lidstaat of de Commissie verstrekt de lidstaat die dat water heeft erkend, alle relevante informatie over de erkenning van dat water, alsmede de resultaten van de periodieke controles.

3.   De Commissie onderzoekt zo spoedig mogelijk de door de in lid 1 bedoelde lidstaat opgegeven redenen in het kader van het in artikel 14, lid 1, bedoelde Permanent Comité; zij brengt onverwijld advies uit en neemt passende maatregelen.

4.   Indien de Commissie van oordeel is dat deze richtlijn moet worden gewijzigd om de bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, stelt zij deze wijzigingen vast.

Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 14, lid 3, bedoelde urgentieprocedure.

In dat geval kan de lidstaat die beschermende maatregelen heeft genomen, deze maatregelen handhaven totdat de wijzigingen zijn vastgesteld.

Artikel 12

Door de Commissie worden de volgende maatregelen vastgesteld:

a)

grenswaarden voor de concentraties van bestanddelen van natuurlijk mineraalwater;

b)

eventuele bepalingen die nodig zijn om hoge concentraties van bepaalde bestanddelen op de etikettering te vermelden;

c)

de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde voorwaarden voor het gebruik van met ozon verrijkte lucht;

d)

de informatie over de behandelingen bedoeld in artikel 7, lid 2, onder c);

e)

analysemethoden en detectiegrenzen om vast te stellen dat natuurlijk mineraalwater niet verontreinigd is;

f)

bemonsteringsprocedures en analysemethoden die nodig zijn om de microbiologische kenmerken van natuurlijk mineraalwater te controleren.

Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 13

Besluiten die gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid, worden na raadpleging van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid door de Commissie vastgesteld.

Artikel 14

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 15

Deze richtlijn is niet van toepassing op natuurlijk mineraalwater dat voor export naar derde landen is bestemd.

Artikel 16

Richtlijn 80/777/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IV, deel A, genoemde besluiten, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 17

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 18

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 18 juni 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

Š. FÜLE


(1)  PB C 162 van 25.6.2008, blz. 87.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 23 september 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 mei 2009.

(3)  PB L 229 van 30.8.1980, blz. 1.

(4)  Zie bijlage IV, deel A.

(5)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.

(6)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(7)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.

(8)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(9)  PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.


BIJLAGE I

I.   DEFINITIE

1.

Men verstaat onder „natuurlijk mineraalwater”, in de betekenis van artikel 5, microbiologisch gezond water, een watervlak of een onderaardse laag tot oorsprong hebbende, afkomstig van een bron geëxploiteerd door een of meer natuurlijke of kunstmatige ontspringingspunten.

Natuurlijk mineraalwater onderscheidt zich duidelijk van gewoon drinkwater:

a)

door de natuurlijke samenstelling, die gekenmerkt wordt door het gehalte aan mineralen, sporenelementen of andere bestanddelen en, in voorkomend geval, door bepaalde uitwerkingen,

b)

door de oorspronkelijke zuiverheid,

waarbij deze kenmerken intact gebleven zijn dankzij de onderaardse oorsprong van dit water dat van ieder gevaar voor verontreiniging gevrijwaard is gebleven.

2.

De in punt 1 bedoelde kenmerken, die aan natuurlijk mineraalwater gezondheidbevorderende eigenschappen kunnen verlenen, moeten zijn beoordeeld:

a)

door middel van:

i)

een geologisch en hydrologisch onderzoek;

ii)

een fysisch, chemisch en fysisch-chemisch onderzoek;

iii)

een microbiologisch onderzoek;

iv)

indien nodig, een farmacologisch, fysiologisch en klinisch onderzoek;

b)

volgens de in deel II opgenoemde criteria,

c)

volgens methoden die door de verantwoordelijke autoriteit op wetenschappelijke basis zijn erkend.

Het in de eerste alinea, onder a), punt iv), bedoelde onderzoek is niet verplicht indien het water, ten aanzien van de samenstelling, eigenschappen bezit op grond waarvan het in de lidstaat van oorsprong reeds vóór 17 juli 1980 als natuurlijk mineraalwater werd aangemerkt. Dit is met name het geval wanneer het betreffende water bij de oorsprong en na botteling in totaal ten minste 1 000 mg vaste stof in oplossing of ten minste 250 mg vrij koolzuurgas per kg bevat.

3.

De samenstelling, de temperatuur en de andere essentiële kenmerken van het natuurlijk mineraalwater moeten constant blijven binnen natuurlijke schommelingen; in het bijzonder moeten zij niet worden gewijzigd door eventuele variaties in het debiet.

In de zin van artikel 5, lid 1, verstaat men onder normale microflora van natuurlijk mineraalwater de bij het ontspringen, vóór iedere behandeling vastgestelde nagenoeg constante bacteriënflora, waarvan de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling, welke voor de erkenning van dit water in aanmerking is genomen, door middel van periodieke analyses wordt gecontroleerd.

II.   VOORSCHRIFTEN EN CRITERIA VOOR DE TOEPASSING VAN DE DEFINITIE

1.1.   Voorschriften voor het geologisch en hydrologisch onderzoek

Met name moeten worden vereist:

1.1.1.

de juiste ligging van het winningspunt dat, met opgave van de hoogte, ten aanzien van de topografie is aangeduid op een kaart met een schaal van ten hoogste 1:1 000;

1.1.2.

een gedetailleerd geologisch verslag over de oorsprong en de aard van de bodem;

1.1.3.

de stratigrafie van de hydrogeologische aardlaag;

1.1.4.

beschrijving van de winningswerkzaamheden;

1.1.5.

vaststelling van de zone of andere maatregelen ter bescherming van de bron tegen verontreiniging.

1.2.   Voorschriften voor het fysisch, chemisch en fysisch-chemisch onderzoek

Bij het onderzoek op deze gebieden wordt met name het volgende vastgesteld:

1.2.1.

het debiet van de bron;

1.2.2.

de temperatuur van het water bij het ontspringen en de temperatuur van de omgeving;

1.2.3.

het verband tussen de bodemgesteldheid en de aard en het type van de in het bronwater voorkomende minerale substanties;

1.2.4.

de droge residuen bij 180 °C en 260 °C;

1.2.5.

het soortelijk geleidingsvermogen of de soortelijke weerstand, met opgave van de meettemperatuur;

1.2.6.

de waterstofionenconcentratie (pH);

1.2.7.

de anionen en kationen;

1.2.8.

de niet geïoniseerde elementen;

1.2.9.

de sporenelementen;

1.2.10.

de radio-actinologie bij het ontspringen;

1.2.11.

in voorkomend geval, de relatieve hoeveelheden isotopen van de samenstellende elementen van het water, zuurstof (16O - 18O) en waterstof (protium, deuterium en tritium);

1.2.12.

de toxiciteit van bepaalde samenstellende elementen van het water, met inachtneming van de in dit opzicht voor elk element vastgestelde grenzen.

1.3.   Criteria voor het microbiologisch onderzoek bij het ontspringen

Dit onderzoek moet met name het volgende omvatten:

1.3.1.

het bewijs van de afwezigheid van pathogene parasieten en micro-organismen;

1.3.2.

de kwantitatieve vaststelling van op faecale besmetting wijzende reactiveerbare micro-organismen:

a)

afwezigheid van escherichia coli of andere coliforme bacteriën in 250 ml bij 37 °C en 44,5 °C;

b)

afwezigheid van streptococcus faecalis in 250 ml;

c)

afwezigheid van sulfietreducerende sporenvormende anaerobe bacteriën in 50 ml;

d)

afwezigheid van pseudomonas aeruginosa in 250 ml;

1.3.3.

de vaststelling van het totale aantal reactiveerbare micro-organismen per ml water:

a)

bij 20 °C tot 22 °C gedurende 72 uur op een agar-agar-voedingsbodem of een agar-agar-gelatinemengsel;

b)

bij 37 °C gedurende 24 uur op een agar-agar-voedingsbodem.

1.4.   Voorschriften voor het klinisch en farmacologisch onderzoek

1.4.1.

De aard van het onderzoek, dat volgens erkende wetenschappelijke methodes moet worden uitgevoerd, moet aangepast zijn aan de eigen kenmerken van het natuurlijk mineraalwater en de uitwerking ervan op het menselijk organisme, zoals urineafscheiding, functionering van maag of ingewanden, opheffing van het tekort aan minerale substanties, enz.

1.4.2.

Indien wordt vastgesteld dat een groot aantal klinische observaties een constant karakter vertoont en steeds dezelfde resultaten oplevert kan zulks in voorkomend geval het in punt 1.4.1 bedoelde onderzoek vervangen. In passende gevallen kan klinisch onderzoek in de plaats komen van het in punt 1.4.1 bedoelde onderzoek, op voorwaarde dat daarmee dezelfde resultaten kunnen worden verkregen doordat een groot aantal observaties een constant karakter vertoont en steeds dezelfde resultaten oplevert.

III.   AANVULLENDE KWALIFICATIES MET BETREKKING TOT DE NATUURLIJKE GASHOUDENDE MINERAALWATERS

Natuurlijke gashoudende mineraalwaters ontwikkelen aan de oorsprong of na bottelen, spontaan en duidelijk zichtbaar, koolzuurgas onder normale omstandigheden van temperatuur en druk. Gashoudende mineraalwaters worden ingedeeld in drie categorieën met de volgende gereserveerde benamingen:

a)

„Natuurlijk gashoudend mineraalwater”, water waarvan het gehalte aan koolzuurgas afkomstig van de bron, na eventueel decanteren en botteling, even groot is als bij het ontspringen, eventueel rekening houdend met het opnieuw inbrengen van een hoeveelheid van hetzelfde watervlak of dezelfde onderaardse laag afkomstig gas, equivalent met het gas dat tijdens die bewerking is vrijgekomen en onder voorbehoud van de gebruikelijke technische toleranties;

b)

„Met brongas versterkt natuurlijk mineraalwater”, water waarvan het gehalte aan van hetzelfde watervlak of dezelfde onderaardse laag afkomstig koolzuurgas, na eventueel decanteren en botteling, hoger ligt dan bij het ontspringen is waargenomen;

c)

„Natuurlijk mineraalwater met toegevoegd koolzuurgas”, water waaraan koolzuurgas is toegevoegd dat een andere oorsprong heeft dan het watervlak of de onderaardse laag waarvan het afkomstig is.


BIJLAGE II

VOORWAARDEN INZAKE DE EXPLOITATIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN NATUURLIJK MINERAALWATER

1.

De exploitatie van een bron van natuurlijk mineraalwater is onderworpen aan een vergunning van de verantwoordelijke autoriteit in het land waar het water wordt gewonnen, na constatering dat het betrokken water voldoet aan bijlage I, deel I.

2.

De installaties voor de exploitatie moeten zo zijn gebouwd dat iedere mogelijkheid van besmetting wordt voorkomen en dat het water de eigenschappen behoudt, die met zijn kwalificatie overeenkomen en die het op het ogenblik van het ontspringen bezat.

Daartoe en inzonderheid:

a)

moet de bron of het ontspringingspunt tegen gevaar voor verontreiniging worden beschermd;

b)

moeten de opvangingsinstallaties, de toevoerleidingen en de tanks vervaardigd zijn van materiaal dat geschikt is voor water en wel zodanig, dat elke chemische, fysisch-chemische en microbiologische verandering van dit water wordt verhinderd;

c)

moeten de exploitatievoorwaarden en met name de was- en bottelinstallaties voldoen aan hygiëne-eisen. In het bijzonder dienen de recipiënten zodanig behandeld of vervaardigd te worden dat vermeden wordt dat de microbiologische en chemische kenmerken van het natuurlijk mineraalwater worden gewijzigd;

d)

is het transport van natuurlijk mineraalwater in andere recipiënten dan die welke voor de levering aan de eindverbruiker zijn goedgekeurd, verboden.

Het is evenwel toegestaan het bepaalde onder d) niet toe te passen op mineraalwater dat op het grondgebied van een lidstaat wordt gewonnen, geëxploiteerd en in de handel gebracht, indien het in de betrokken lidstaat op 17 juli 1980 toegestaan was mineraalwater van de bron naar de bottelarij te vervoeren in tanks.

Eveneens is het toegestaan het bepaalde onder d) niet toe te passen op bronwater dat op het grondgebied van een lidstaat wordt gewonnen, geëxploiteerd en in de handel gebracht, indien het in de betrokken lidstaat op 13 december 1996 toegestaan was bronwater van de bron naar de bottelarij te vervoeren in tanks.

3.

Wordt tijdens de exploitatie geconstateerd dat het natuurlijk mineraalwater verontreinigd is en niet voldoet aan de bij artikel 5 bepaalde microbiologische kenmerken, dan moet de exploitant onverwijld alle exploitatiehandelingen, in het bijzonder het bottelen, opschorten tot de oorzaak van de verontreiniging opgeheven is en het water aan artikel 5 voldoet.

4.

De verantwoordelijke autoriteit in het land van herkomst gaat over tot periodieke controles van:

a)

de overeenstemming van het natuurlijk mineraalwater waarvan de bronexploitatie is toegestaan, met het bepaalde in bijlage I, deel I;

b)

de toepassing door de exploitant van de punten 2 en 3.


BIJLAGE III

IN ARTIKEL 9, LID 2, BEDOELDE VERMELDINGEN EN CRITERIA

Vermeldingen

Criteria

Zwak mineraalhoudend

ten hoogste 500 mg/l minerale zouten, berekend als vast residu

Zeer zwak mineraalhoudend

ten hoogste 50 mg/l minerale zouten, berekend als vast residu

Rijk aan minerale zouten

meer dan 1 500 mg/l minerale zouten, berekend als vast residu

Bicarbonaathoudend

meer dan 600 mg/l bicarbonaat

Sulfaathoudend

meer dan 200 mg/l sulfaten

Chloridehoudend

meer dan 200 mg/l chloride

Calciumhoudend

meer dan 150 mg/l calcium

Magnesiumhoudend

meer dan 50 mg/l magnesium

Fluorhoudend

meer dan 1 mg/l fluor

IJzerhoudend

meer dan 1 mg/l tweewaardig ijzer

Zwak verzuurd

meer dan 250 mg/l vrij koolzuurgas

Natriumhoudend

meer dan 200 mg/l natrium

Geschikt voor de bereiding van babyvoeding

Geschikt voor zoutarm dieet

het gehalte aan natrium bedraagt minder dan 20 mg/l

Kan laxerend zijn

Kan diuretisch zijn


BIJLAGE IV

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 16)

Richtlijn 80/777/EEG van de Raad

(PB L 229 van 30.8.1980, blz. 1)

 

Richtlijn 80/1276/EEG van de Raad

(PB L 375 van 31.12.1980, blz. 77)

Uitsluitend artikel 1, derde streepje

Richtlijn 85/7/EEG van de Raad

(PB L 2 van 3.1.1985, blz. 22)

Uitsluitend artikel 1, punt 10

Punt B.I.o van bijlage I bij de Toetredingsakte van 1985

(PB L 302 van 15.11.1985, blz. 214)

 

Richtlijn 96/70/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 299 van 23.11.1996, blz. 26)

 

Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)

Uitsluitend bijlage III, punt 4

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(bedoeld in artikel 16)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Handelstoelating voor producten die voldoen aan deze richtlijn

Handelsverbod voor producten die niet aan deze richtlijn voldoen

80/777/EEG

18 juli 1982

18 juli 1984

80/1276/EEG

85/7/EEG

96/70/EG

28 oktober 1997

28 oktober 1998 (1)


(1)  Producten, die voor deze datum in het verkeer zijn gebracht of zijn geëtiketteerd en niet aan deze richtlijn voldoen, mogen echter worden verkocht zolang de voorraad strekt.


BIJLAGE V

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 80/777/EEG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 3, eerste en tweede streepje

Artikel 1, lid 3, onder a) en b)

Artikel 1, lid 4

Artikel 1, lid 4

Artikel 1, lid 5

Artikel 1, lid 5

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4, lid 1, onder a)

Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder a)

Artikel 4, lid 1, onder b), eerste en tweede streepje

Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder b), punten i) en ii)

Artikel 4, lid 1, onder c), eerste en tweede streepje

Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), punten i) en ii)

Artikel 4, lid 1, onder d)

Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder d)

Artikel 4, lid 1, tweede alinea

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 1, derde alinea

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 3, eerste en tweede streepje

Artikel 5, lid 3, onder a) en b)

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7, lid 1

Artikel 7, lid 1

Artikel 7, lid 2

Artikel 7, lid 2

Artikel 7, lid 2 bis

Artikel 7, lid 3

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9, lid 1

Artikel 9, lid 1

Artikel 9, lid 2, onder a), b) en c)

Artikel 9, lid 2, eerste, tweede en derde alinea

Artikel 9, lid 3

Artikel 9, lid 3

Artikel 9, lid 4

Artikel 9, lid 4 bis, eerste alinea, eerste tot en met vierde streepje

Artikel 9, lid 4, eerste alinea, onder a) tot en met d)

Artikel 9, lid 4 bis, tweede alinea

Artikel 9, lid 4, tweede alinea

Artikel 9, lid 4 ter

Artikel 9, lid 5

Artikel 10, lid 1

Artikel 10

Artikel 10 bis

Artikel 11

Artikel 11, lid 1, eerste tot en met vierde streepje

Artikel 12, onder a) tot en met d)

Artikel 11, lid 2, eerste en tweede streepje

Artikel 12, onder e) en f)

Artikel 11 bis

Artikel 13

Artikel 12, lid 1

Artikel 14, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 14, leden 2 en 3

Artikel 12, lid 3

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 17

Artikel 18

Bijlage I, deel I, punt 1

Bijlage I, deel I, punt 1

Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder a), punten 1 tot en met 4

Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder a), punten i) tot en met iv)

Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder b)

Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder b)

Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder c)

Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder c)

Bijlage I, deel I, punt 2, tweede alinea

Bijlage I, deel I, punt 2, tweede alinea

Bijlage I, deel I, punt 3

Bijlage I, deel I, punt 3

Bijlage I, deel II, punt 1.1.

Bijlage I, deel II, punt 1.1.

Bijlage I, deel II, punt 1.2.

Bijlage I, deel II, punt 1.2.

Bijlage I, deel II, punt 1.3.

Bijlage I, deel II, punt 1.3.

Bijlage I, deel II, punt 1.3.1.

Bijlage I, deel II, punt 1.3.1.

Bijlage I, deel II, punt 1.3.2.

Bijlage I, deel II, punt 1.3.2.

Bijlage I, deel II, punt 1.3.3., onder i) en ii)

Bijlage I, deel II, punt 1.3.3., onder a) en b)

Bijlage I, deel II, punt 1.4.

Bijlage I, deel II, punt 1.4.

Bijlage I, deel III

Bijlage I, deel III

Bijlage II

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage III

Bijlage IV

Bijlage V


26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/59


RICHTLIJN 2009/70/EG VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2009

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel op te nemen als werkzame stoffen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 1112/2002 (2) en (EG) nr. 2229/2004 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel zijn in die lijst opgenomen.

(2)

Voor die werkzame stoffen zijn de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieueffect overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1112/2002 en Verordening (EG) nr. 2229/2004 beoordeeld voor een aantal door de kennisgevers voorgestelde toepassingen. Bovendien worden in die verordeningen de als rapporteur optredende lidstaten aangewezen die overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EG) nr. 2229/2004 de desbetreffende evaluatieverslagen met aanbevelingen bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) moeten indienen. Voor difenacum was de rapporterende lidstaat Finland en werd alle relevante informatie ingediend op 16 juli 2007. Voor didecyldimethylammoniumchloride was de rapporterende lidstaat Nederland en werd alle relevante informatie ingediend op 28 november 2007. Voor zwavel was de rapporterende lidstaat Frankrijk en werd alle relevante informatie ingediend op 18 oktober 2007.

(3)

De evaluatieverslagen zijn door de lidstaten en de EFSA intercollegiaal getoetst en op 19 december 2008 bij de Commissie ingediend in de vorm van het wetenschappelijk verslag van de EFSA voor difenacum (4), didecyldimethylammoniumchloride (5) en zwavel (6). Deze verslagen zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 26 februari 2009 respectievelijk 12 maart 2009 afgerond in de vorm van de evaluatieverslagen van de Commissie voor difenacum respectievelijk didecyldimethylammoniumchloride en zwavel.

(4)

Uit de verschillende analyses is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel bevatten, in het algemeen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen die zijn onderzocht en opgenomen in de evaluatieverslagen van de Commissie. Deze werkzame stoffen moeten derhalve in bijlage I worden opgenomen, zodat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stoffen bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(5)

Onverminderd deze conclusie moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet voor difenacum worden voorgeschreven dat door de kennisgever nadere informatie wordt verstrekt over de methoden voor de bepaling van residuen in lichaamsvloeistoffen en over de specificatie van de werkzame stof zoals vervaardigd. Bovendien moet voor didecyldimethylammoniumchloride worden voorgeschreven dat door de kennisgever nadere informatie wordt verstrekt over de chemische specificatie en over de risicobeoordeling voor in het water levende organismen. Ten slotte moet voor zwavel worden voorgeschreven dat door de kennisgever nadere informatie wordt verstrekt ter bevestiging van de risicobeoordeling voor niet tot de doelsoorten behorende organismen, met name vogels, zoogdieren, in het sediment levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen.

(6)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(7)

Onverminderd de verplichtingen zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen naargelang het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(8)

Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe vastgestelde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op.

(9)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2010 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2010.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

1.   De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel als werkzame stof bevatten, vóór 30 juni 2010 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG met betrekking tot difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houders van de toelatingen in het bezit zijn van of toegang hebben tot dossiers die overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoen.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst van bijlage I bij die richtlijn wat difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel betreft, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 december 2009 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van die richtlijn.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als difenacum, didecyldimethylammoniumchloride of zwavel de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating, indien nodig, uiterlijk op 30 juni 2014 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

wanneer het een product betreft dat difenacum, didecyldimethylammoniumchloride of zwavel als een van de werkzame stoffen bevat, de toelating, indien nodig, wordt gewijzigd of ingetrokken, en wel uiterlijk op 30 juni 2014 of, mocht dit later zijn, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijn of richtlijnen waarbij de stof of stoffen in kwestie aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG is of zijn toegevoegd.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2010.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 168 van 27.6.2002, blz. 14.

(3)  PB L 379 van 24.12.2004, blz. 13.

(4)  EFSA Scientific Report (2008) 218, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance difenacoum (afgerond op 19 december 2008).

(5)  EFSA Scientific Report (2008) 214, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance didecyldimethylammonium chloride (afgerond op 19 december 2008).

(6)  EFSA Scientific Report (2008) 221, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance sulfur (afgerond op 19 december 2008).


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„295

Difenacum

CAS-nr. 56073-07-5

CIPAC-nr. 514

3-[(1RS,3RS;1RS,3SR)-3-bifenyl-4-yl-1,2,3,4-tetrahydro-1-naftyl]-4-hydroxycumarine

≥ 905 g/kg

1 januari 2010

30 december 2019

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als rodenticide in de vorm van kant-en-klaar aas, geplaatst in speciaal gebouwde, veilige en niet te openen lokdozen.

De nominale concentratie van de werkzame stof in de producten mag niet meer bedragen dan 50 mg/kg.

Toelatingen moeten worden beperkt tot professionele gebruikers.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over difenacum dat op 26 februari 2009 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II. Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van vogels en niet tot de doelsoorten behorende zoogdieren tegen primaire en doorvergiftiging. Indien nodig moeten risicobeperkende maatregelen worden toegepast.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever bij de Commissie nadere informatie indient over de methoden voor de bepaling van residuen van difenacum in lichaamsvloeistoffen.

Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever deze informatie uiterlijk op 30 november 2011 aan de Commissie verstrekt.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever bij de Commissie nadere informatie indient over de specificatie van de werkzame stof zoals vervaardigd.

Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever deze informatie uiterlijk op 31 december 2009 aan de Commissie verstrekt.

296

Didecyldimethyl-ammoniumchloride

CAS-nr.: niet toegewezen

CIPAC-nr.: niet toegewezen

Didecyldimethyl-ammoniumchloride is een mengsel van alkylquaternaire ammoniumzouten met typische alkylketenlengten van C8, C10 en C12, met meer dan 90 % C10

≥ 70 % (technisch concentraat)

1 januari 2010

31 december 2019

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor indoortoepassingen als bactericide, fungicide, herbicide en algicide voor sierplanten.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over didecyldimethylammoniumchloride dat op 12 maart 2009 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van de veiligheid van de toedieners en de werknemers. De toegelaten gebruiksvoorwaarden moeten de toepassing van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen en risicobeperkende maatregelen ter vermindering van de blootstelling voorschrijven;

de bescherming van in het water levende organismen.

De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever uiterlijk op 1 januari 2010 respectievelijk 31 december 2011 bij de Commissie nadere informatie indient over de specificatie van de werkzame stof zoals vervaardigd respectievelijk over het risico voor in het water levende organismen.

297

Zwavel

CAS-nr. 7704-34-9

CIPAC-nr. 18

Zwavel

≥ 990 g/kg

1 januari 2010

31 december 2019

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als fungicide en acaricide.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over zwavel dat op 12 maart 2009 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van vogels, zoogdieren, in het water levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen. De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever bij de Commissie nadere informatie indient ter bevestiging van het risico voor vogels, zoogdieren, in het sediment levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen. Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever op wiens verzoek zwavel in deze bijlage is opgenomen, deze informatie uiterlijk op 30 juni 2011 bij de Commissie indient.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

26.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/64


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 22 juni 2009

betreffende een financiële bijdrage aan het Trustfonds 911100MTF/INT/003/EEC (TFEU 970089129) ter bestrijding van mond-en-klauwzeer buiten de Gemeenschap

(2009/492/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 13,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Beschikking 90/424/EEG is de procedure vastgesteld voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van specifieke veterinaire maatregelen. Bestrijding van mond-en-klauwzeer valt ook onder die maatregelen. Volgens die beschikking kunnen door de Gemeenschap vastgestelde maatregelen ter bestrijding van mond-en-klauwzeer buiten de Gemeenschap, vooral om risicogebieden binnen de Gemeenschap te beschermen, in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap.

(2)

Naar aanleiding van de grote epizoötieën van mond-en-klauwzeer (MKZ) eind jaren vijftig, zowel in de Gemeenschap als in de omringende landen, is in het kader van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties de Commissie voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer (EUFMD — European Commission for the Control of Foot-and-Mouth Disease) opgericht.

(3)

In de jaren zestig zijn in verband met het toenemende gevaar voor de insleep van exotische MKZ-stammen in Europa de bij de EUFMD aangesloten landen opgeroepen om een Trustfonds op te richten met het oog op noodmaatregelen in de Balkan, de belangrijkste route voor insleep van het virus. Later werd het fonds opgesplitst in Trustfonds 911100MTF/003/EEC, gefinancierd door de bij de EUFMD aangesloten lidstaten van de Europese Gemeenschap, en Trustfonds 909700MTF/004/MUL, gefinancierd door de bij de EUFMD aangesloten landen die op dat ogenblik geen lidstaat van de Europese Gemeenschap waren.

(4)

Ingevolge artikel 4 van Richtlijn 90/423/EEG van de Raad (2) is preventieve vaccinatie tegen MKZ in de hele Gemeenschap in 1991 gestaakt.

(5)

Bij Richtlijn 2003/85/EG van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer (3) is bevestigd dat preventieve vaccinatie verboden is en zijn de mogelijkheden voor noodvaccinatie tegen MKZ uitgebreid.

(6)

Aangezien sinds 1992 een aantal uitbraken van MKZ zijn gemeld, vooral in delen van de Gemeenschap die aan endemisch besmette derde landen grenzen, en zich in 2001 in enkele lidstaten een grote epizoötie heeft voorgedaan, is uiterste waakzaamheid en paraatheid voor deze ziekte geboden, evenals internationale samenwerking.

(7)

Daarnaast hebben zich de laatste jaren uitbraken en soms ernstige epizoötieën voorgedaan in buurlanden van EU-lidstaten die een gevaar kunnen vormen voor de gezondheidsstatus van de voor deze ziekte gevoelige dieren in de Gemeenschap.

(8)

Wegens het opduiken van nieuwe topotypen van het virus en de steeds gebrekkiger wordende bestrijdingsmaatregelen in sommige regio’s heeft de Commissie, in nauwe samenwerking met de EUFMD en via Trustfonds 911100MTF/003/EEC, steun verleend voor noodvaccinatiecampagnes in Turkije en Trans-Kaukasië.

(9)

De Gemeenschap en de Verenigde Naties hebben op 29 april 2003 een nieuwe financiële en administratieve kaderovereenkomst ondertekend ter ondersteuning van de overeenkomst tussen de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties van 17 juli 2003.

(10)

Overeenkomstig Beschikking 2005/436/EG van de Commissie van 13 juni 2005 inzake communautaire samenwerking met de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), in het bijzonder met betrekking tot activiteiten van de Commissie voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer (4) heeft de Commissie op 1 september 2005 een uitvoeringsovereenkomst ondertekend, getiteld „Implementing Agreement MTF/INT/003/EEC911100 (TFEU970089129) on EC Funded Permanent Activities carried out by the FAO European Commission for the Control of Foot-and-Mouth Disease”, die liep van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008.

(11)

Die uitvoeringsovereenkomst moet worden hernieuwd en de bijdrage van de Gemeenschap aan Trustfonds 911100MTF/INT/003/EEC moet worden vastgesteld.

(12)

Gezien de uitbreidingen van de Europese Unie in 2004 en 2007 moet de bijdrage van de Gemeenschap worden vastgesteld op maximaal 8 000 000 EUR voor een periode van vier jaar. De begroting van het Trustfonds voor 2009 moet worden opgesteld op basis van het eindsaldo per 31 december 2008, vermeerderd met een bijdrage van de Gemeenschap om het totale bedrag op het equivalent van 2 000 000 EUR in Amerikaanse dollar te brengen. Latere uitgaven moeten worden gecompenseerd via jaarlijkse stortingen.

(13)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

BESLUIT:

Artikel 1

1.   Het eindsaldo van Trustfonds 911100MTF/INT/003/EEC (TFEU 970089129) („het Trustfonds”) per 31 december 2008 wordt vastgesteld op 677 855 EUR.

2.   De financiële bijdrage van de Gemeenschap aan het Trustfonds bedraagt ten hoogste 8 000 000 EUR voor een periode van vier jaar met ingang van 1 januari 2009.

3.   De eerste betaling van het in lid 2 bedoelde bedrag voor 2009 bestaat uit:

a)

het in lid 1 bedoelde eindsaldo;

b)

een bijdrage van de Gemeenschap om het totaal van het Trustfonds op het equivalent van 2 000 000 EUR in Amerikaanse dollar te brengen.

4.   De door het Trustfonds in 2009, 2010, 2011 en 2012 gedane uitgaven worden gecompenseerd door de jaarlijkse bijdrage van de Gemeenschap die wordt betaald in respectievelijk 2010, 2011, 2012 en 2013. De betalingen worden evenwel slechts gedaan voor zover daartoe kredieten beschikbaar zijn op de EU-begroting.

5.   De in lid 4 bedoelde jaarlijkse bijdragen van de Gemeenschap worden gebaseerd op het financiële verslag dat door de EUFMD wordt overgelegd, hetzij tijdens de jaarlijkse vergadering van het uitvoerend comité, hetzij tijdens de tweejaarlijkse algemene vergadering van de EUFMD, vergezeld van de nodige bewijsstukken overeenkomstig de ter zake geldende regels van de FAO.

Artikel 2

1.   De Commissie en de FAO sluiten een uitvoeringsovereenkomst voor de aanwending en het beheer van het Trustfonds voor een periode van vier jaar met ingang van 1 januari 2009.

2.   Het Trustfonds wordt gezamenlijk door de Commissie en de EUFMD beheerd overeenkomstig de in lid 1 bedoelde uitvoeringsovereenkomst.

Gedaan te Brussel, 22 juni 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19.

(2)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 13.

(3)  PB L 306 van 22.11.2003, blz. 1.

(4)  PB L 151 van 14.6.2005, blz. 26.