ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.150.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 150

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
13 juni 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 497/2009 van de Commissie van 12 juni 2009 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 498/2009 van de Commissie van 12 juni 2009 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 639/2003 tot vaststelling, op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad, van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer

3

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2009/56/EG van de Commissie van 12 juni 2009 tot rectificatie, met betrekking tot de omzettingsdatum, van Richtlijn 2008/126/EG tot wijziging van Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen ( 1 )

5

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2009/458/EG

 

*

Beschikking van de Raad van 6 mei 2009 tot toekenning van wederzijdse bijstand aan Roemenië

6

 

 

2009/459/EG

 

*

Beschikking van de Raad van 6 mei 2009 tot verlening van financiële middellangetermijnbijstand van de Gemeenschap aan Roemenië

8

 

 

Commissie

 

 

2009/460/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 5 juni 2009 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden om te beoordelen of voldaan is aan de veiligheidsdoelen, als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 4246)  ( 1 )

11

 

 

2009/461/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 12 juni 2009 tot benoeming van een vertegenwoordiger van de Commissie in de raad van beheer van het Europees Geneesmiddelenbureau

20

 

 

2009/462/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 12 juni 2009 tot afwijking van punt 1, onder d), van de bijlage bij Beschikking 2006/133/EG, gewijzigd bij Beschikking 2009/420/EG, wat betreft de toepassingsdatum in verband met vatbaar hout dat afkomstig is van buiten de afgebakende gebieden (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 4515)

21

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

13.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/1


VERORDENING (EG) Nr. 497/2009 VAN DE COMMISSIE

van 12 juni 2009

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 13 juni 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 juni 2009.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

37,3

MK

35,9

TR

41,3

ZA

28,0

ZZ

35,6

0707 00 05

JO

162,3

MK

31,4

TR

162,3

ZZ

118,7

0709 90 70

TR

85,9

ZZ

85,9

0805 50 10

AR

54,7

TR

87,8

ZA

65,6

ZZ

69,4

0808 10 80

AR

82,8

BR

76,6

CL

79,2

CN

99,5

NZ

100,2

US

117,5

ZA

78,8

ZZ

90,7

0809 10 00

TN

146,2

TR

168,7

ZZ

157,5

0809 20 95

TR

505,0

ZZ

505,0

0809 30

TR

133,0

US

340,6

ZZ

236,8

0809 40 05

CL

118,9

ZZ

118,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


13.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/3


VERORDENING (EG) Nr. 498/2009 VAN DE COMMISSIE

van 12 juni 2009

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 639/2003 tot vaststelling, op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad, van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 170 juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 1 van Verordening (EG) nr. 639/2003 van de Commissie (2) wordt de betaling van de uitvoerrestituties afhankelijk gesteld van de naleving van de Gemeenschapswetgeving inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.

(2)

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 januari 2008 in de gevoegde zaken C-37/06 en C-58/06 en van 13 maart 2008 in zaak C-96/06 moet het verband worden verduidelijkt tussen Verordening (EG) nr. 639/2003 en Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (3).

(3)

Er moet duidelijk worden aangegeven welke voorschriften inzake dierenwelzijn van Verordening (EG) nr. 1/2005 die, bij overtreding ervan, aanleiding geven tot het verlies van de betrokken restitutie, de marktdeelnemers in acht moeten nemen. In dat verband hebben de artikelen 2 en 3 en de artikelen 4 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede de daarin vermelde bijlagen, tot doel op de marktdeelnemers gerichte bepalingen die rechtstreeks in verband staan met de doelstelling de dieren te beschermen, te specificeren, terwijl andere bepalingen van die verordening veeleer betrekking hebben op administratieve voorschriften.

(4)

Krachtens artikel 168 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en krachtens Verordening (EG) nr. 639/2003 mogen de uitvoerrestituties slechts worden betaald wanneer is voldaan aan de voorschriften op het gebied van dierenwelzijn. Daarom moet duidelijk worden aangegeven dat, onverminderd in door het Hof van Justitie erkende gevallen van overmacht, een inbreuk op deze bepalingen inzake dierenwelzijn niet tot een verlaging, maar tot het verlies van de uitvoerrestitutie leidt, in evenredigheid met het aantal dieren waarvoor de dierenwelzijnseisen niet in acht werden genomen. Uit deze bepalingen en uit de voorschriften inzake dierenwelzijn die zijn vastgesteld in de artikelen 2 en 3 en de artikelen 4 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede de daarin vermelde bijlagen, vloeit bovendien voort dat de restitutie voor dieren waarvoor deze dierenwelzijnsvoorschriften niet zijn nageleefd, wordt verbeurd, ongeacht de fysieke toestand van de betrokken dieren.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 639/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

„Op grond van artikel 168 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 wordt de betaling van de restituties bij uitvoer van levende runderen van GN-code 0102, hierna „dieren” genoemd, afhankelijk gesteld van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van de artikelen 2 en 3 en de artikelen 4 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad (4), alsmede de daarin vermelde bijlagen, en van de onderhavige verordening.

2.

Artikel 5, lid 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

„De totale som van de uitvoerrestitutie per dier, berekend overeenkomstig de tweede alinea, wordt niet betaald voor:

a)

dieren die tijdens het vervoer zijn gestorven, behalve in het in lid 2 genoemde geval;

b)

dieren die tijdens het vervoer nog vóór de eerste lossing in het derde land van de eindbestemming hebben gekalfd (ook ontijdig);

c)

dieren waarvoor de bevoegde autoriteit op grond van de in artikel 4, lid 2, bedoelde documenten en/of andere gegevens over de naleving van deze verordening waarover zij beschikt, van oordeel is dat de artikelen 2 en 3 en de artikelen 4 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede de daarin vermelde bijlagen niet in acht zijn genomen.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing op aangiften ten uitvoer die worden aanvaard na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 juni 2009.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 93 van 10.4.2003, blz. 10.

(3)  PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.

(4)  PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.”;


RICHTLIJNEN

13.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/5


RICHTLIJN 2009/56/EG VAN DE COMMISSIE

van 12 juni 2009

tot rectificatie, met betrekking tot de omzettingsdatum, van Richtlijn 2008/126/EG tot wijziging van Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad (1), en met name op artikel 20, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 2 van Richtlijn 2008/126/EG tot wijziging van Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (2) dienen de lidstaten Richtlijn 2008/126/EG om te zetten tegen 30 december 2008.

(2)

Om technische redenen is Richtlijn 2008/126/EG vóór die datum niet bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Richtlijn 2008/126/EG moet derhalve worden gerectificeerd, met name wat de omzettingsdatum betreft.

(3)

Om de mededinging niet te verstoren en om te voorkomen dat er verschillende veiligheidsniveaus ontstaan, moeten de wijzigingen van Richtlijn 2006/87/EG zo vlug mogelijk ten uitvoer worden gelegd. Ingevolge de bekendmaking van Richtlijn 2008/126/EG op 31 januari 2009 moet echter een redelijke termijn voor de omzetting van die richtlijn in acht worden genomen.

(4)

De maatregel van deze richtlijn strookt met het advies van het comité als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 91/672/EEG van de Raad van 16 december 1991 inzake de wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (3),

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

In het eerste lid van artikel 2 van Richtlijn 2008/126/EG worden de woorden „30 december 2008” vervangen door „30 juni 2009”.

Artikel 2

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten die beschikken over binnenwateren als bedoeld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2006/87/EG.

Gedaan te Brussel, 12 juni 2009.

Voor de Commissie

Antonio TAJANI

Vicevoorzitter


(1)  PB L 389 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  PB L 32 van 31.1.2009, blz. 1.

(3)  PB L 373 van 31.12.1991, blz. 29.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

13.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/6


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 6 mei 2009

tot toekenning van wederzijdse bijstand aan Roemenië

(2009/458/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 119,

Gezien de aanbeveling van de Commissie, na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Als gevolg van de wereldwijde economische neergang en toenemende zorgen over de Roemeense economie met haar omvangrijke externe tekort en snel oplopende overheidstekorten, zijn de Roemeense financiële en kapitaalmarkten de laatste tijd onder druk komen te staan. Ook de druk op de wisselkoers is toegenomen en brengt een risico voor de stabiliteit in het bankwezen met zich mee.

(2)

In reactie hierop hebben de regering en de Nationale Bank van Roemenië (NBR) een totaalstrategie ontwikkeld met het oog op het stevig verankeren van het macro-economisch beleid en het terugbrengen van de spanning op de financiële markten. Deze strategie is uiteengezet in een intentieverklaring die op 27 april 2009 door de Commissie is ontvangen. Een hoeksteen van het economische programma is het terugdringen van het begrotingstekort van 5,4 % van het bbp in 2008 tot 5,1 % van het bbp in 2009 en tot minder dan 3 % van het bbp in 2011. Er zullen maatregelen worden genomen ter verbetering van de begrotingsstrategie en het begrotingsproces met de bedoeling op duurzame wijze lagere begrotingstekorten te verwezenlijken. Met dit economische programma, en met name met de begrotingsdoelstellingen, zal rekening worden gehouden in de regeringsbegroting en het convergentieprogramma.

(3)

De Raad onderwerpt het economische beleid van Roemenië periodiek aan een evaluatie, met name in het kader van de jaarlijkse beoordeling van de Roemeense actualisering van het convergentieprogramma en de uitvoering van het nationale hervormingsprogramma en de regelmatige beoordeling van de vorderingen die Roemenië maakt in het kader van het convergentieverslag en het jaarlijks voortgangsverslag.

(4)

Omdat het weliswaar afnemende, maar toch hardnekkige tekort op de lopende rekening, in combinatie met de noodzaak om een vrij hoge kortlopende en langerlopende schuld in vreemde valuta door te rollen, in 2009-2011 waarschijnlijk niet volledig worden gedekt door de Buitenlandse Directe Investeringen (BDI) en overige inkomsten op de financiële en de kapitaalrekening, wordt ervan uitgegaan dat de externe financiering flink onder druk blijft staan. De externe financieringsbehoefte tot het eerste kwartaal van 2011 wordt geraamd op ongeveer 20 miljard EUR. Aangenomen wordt dat buitenlandse banken, conform de van grote buitenlandse banken verlangde verbintenis dat zij hun positie jegens Roemenië zullen handhaven (zoals bevestigd in hun gezamenlijke verklaring van 26 maart 2009), hun vorderingen op Roemenië voor 100 % zullen doorrollen zodra de wederzijdse bijstand wordt toegekend. Tevens wordt ervan uitgegaan dat in 2009 de buitenlandse schulden van bedrijven aan moederondernemingen en de buitenlandse schulden van Roemeense banken voor 50 % zullen worden doorgerold. Voor 2010 en 2011 wordt ervan uitgegaan dat alle vervallende buitenlandse verplichtingen voor 100 % zullen worden doorgerold in het licht van de verwachte stabilisatie van de financiële markten en het inzetten van het herstel op de belangrijkste exportmarkten van Roemenië. Er is niet alleen een voldoende hoog streefbedrag voor de deviezenreserves vastgesteld (meer dan 100 % van de nog uitstaande kortlopende buitenlandse schuld), maar er zijn ook conservatieve veronderstellingen gemaakt ten aanzien van andere kapitaaluitstromen, zoals uitstromen van deposito’s van niet-ingezetenen, dalingen van handelskredieten en uitstromen van portefeuillebeleggingen teneinde extra zekerheden in de berekeningen in te bouwen.

(5)

De autoriteiten van Roemenië hebben de Europese Unie en andere internationale financiële instellingen om substantiële financiële bijstand gevraagd om de betalingsbalans te steunen en om de deviezenreserves op een solide niveau te brengen.

(6)

De Roemeense betalingsbalans loopt ernstig gevaar en daarom moet de Gemeenschap dringend wederzijdse bijstand toekennen. Gezien de urgentie van de kwestie moet er bovendien een uitzondering worden gemaakt op de periode van zes weken bedoeld in punt I.3 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

De Gemeenschap kent Roemenië wederzijdse bijstand toe.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 6 mei 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

V. TOŠOVSKÝ


13.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/8


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 6 mei 2009

tot verlening van financiële middellangetermijnbijstand van de Gemeenschap aan Roemenië

(2009/459/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 332/2002 van de Raad van 18 februari 2002 houdende instelling van een mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de lidstaten (1), en met name op artikel 3, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Commissie, na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité (EFC),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2009/458/EG (2) heeft de Raad Roemenië wederzijdse bijstand toegekend.

(2)

Ondanks de verwachte verbetering van de lopende rekening raamden de Commissie, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de autoriteiten van Roemenië de Roemeense externe financieringsbehoefte tot het eerste kwartaal van 2011 op 20 miljard EUR in maart 2009; gezien de recente ontwikkelingen op de financiële markt, zouden de financiële rekening en de kapitaalrekening fors kunnen verslechteren.

(3)

De Gemeenschap moet Roemenië tot 5 miljard EUR steun verlenen in het kader van het mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de lidstaten dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 332/2002. Deze bijstand moet worden gecombineerd met een lening van 11,43 miljard SDR (ongeveer 12,95 miljard EUR), die het IMF verstrekt in het kader van een stand-byregeling, die naar verwachting op 6 mei 2009 zal worden goedgekeurd. Ook de Wereldbank heeft Roemenië een lening van 1 miljard EUR toegezegd en de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) zullen samen in totaal 1 miljard EUR aan aanvullende steun verstrekken.

(4)

De bijstand moet onder beheer komen te staan van de Commissie. De concrete economische beleidsvoorwaarden die, na raadpleging van het EFC, met de Roemeense autoriteiten zijn overeengekomen, moeten worden vastgelegd in een memorandum van overeenstemming. De Commissie moet de nadere financiële voorwaarden in de leningsovereenkomst vastleggen.

(5)

De Commissie gaat op gezette tijden door middel van inspecties en regelmatige verslaggeving door de autoriteiten van Roemenië na of voldaan wordt aan de economische beleidsvoorwaarden die aan de bijstand verbonden zijn.

(6)

Gedurende de hele uitvoering van het programma zal de Commissie op specifieke gebieden ook aanvullend beleidsadvies verstrekken en technische bijstand verlenen.

(7)

Onverminderd artikel 27 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, heeft de Europese Rekenkamer het recht de financiële controles of audits te verrichten die zij dienstig acht voor het beheer van deze ondersteuning. De Commissie, met inbegrip van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, kan ook via haar eigen ambtenaren of naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers technische of financiële controles of audits uitvoeren die zij dienstig acht voor het beheer van de middellangetermijnbijstand van de Gemeenschap.

(8)

Los van de bestaansduur en de opzet van dit bijstandsprogramma, zal de Commissie ook, met toepassing van de bestaande relevante procedures, met inbegrip van het mechanisme voor samenwerking en toetsing, de vooruitgang op die gebieden die bijdragen tot de transparante en doeltreffende besteding van overheidsuitgaven verder volgen, met name op justitiegebied en de tenuitvoerlegging van de structuurfondsen om het Roemenië gemakkelijker te maken de impact van de communautaire bijstand te vergroten.

(9)

De bijstand moet worden verleend om de betalingsbalans van Roemenië te steunen en daarmee bij te dragen aan het welslagen van het economische beleidsprogramma van de regering,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De Gemeenschap stelt Roemenië een middellangetermijnlening van maximaal 5 miljard EUR met een maximale gemiddelde looptijd van zeven jaar ter beschikking.

2.   De financiële bijstand van de Gemeenschap wordt gedurende een periode van drie jaar beschikbaar gesteld, en wel met ingang van de eerste dag na de datum waarop deze beschikking van kracht wordt.

Artikel 2

1.   De Commissie zal de bijstand beheren op een wijze die aansluit bij de toezeggingen van Roemenië en bij de aanbevelingen van de Raad, met name de landenspecifieke aanbevelingen in het kader van de uitvoering van het nationaal hervormingsprogramma en in het kader van het convergentieprogramma.

2.   De Commissie komt met de autoriteiten van Roemenië, na raadpleging van het EFC, de concrete economische beleidsvoorwaarden overeen die overeenkomstig artikel 3, lid 5, aan de financiële bijstand worden verbonden. Deze voorwaarden worden vastgelegd in een memorandum van overeenstemming dat aansluit bij de toezeggingen en aanbevelingen als bedoeld in lid 1. De Commissie legt de nadere financiële voorwaarden in de leningsovereenkomst vast.

3.   De Commissie gaat in samenwerking met het EFC op gezette tijden na of voldaan wordt aan de economische beleidsvoorwaarden die aan de bijstand verbonden zijn. Hiertoe zullen de autoriteiten van Roemenië alle noodzakelijke informatie ter beschikking stellen van de Commissie en volledig samenwerken met de Commissie. De Commissie houdt het EFC op de hoogte van een eventuele herfinanciering van de leningen of een eventuele herstructurering van de financiële voorwaarden.

4.   Roemenië staat klaar om aanvullende consolidatiemaatregelen te nemen en uit te voeren om de macrofinanciële stabiliteit te waarborgen, mochten dergelijke maatregelen tijdens het bijstandsprogramma noodzakelijk zijn. Vóór de vaststelling van die maatregelen winnen de autoriteiten van Roemenië advies in bij de Commissie.

Artikel 3

1.   De Commissie stelt de financiële bijstand van de Gemeenschap aan Roemenië beschikbaar in ten hoogste vijf tranches, waarvan de omvang in het memorandum van overeenstemming wordt vastgelegd.

2.   De vrijgave van de eerste tranche hangt af van de inwerkingtreding van de leningsovereenkomst en het memorandum van overeenstemming.

3.   Een voorzichtig gebruik van renteswaps met tegenpartijen die de hoogste kredietwaardigheid bezitten, is toegestaan indien dit nodig is om de lening te financieren.

4.   De Commissie beslist na raadpleging van het EFC over de vrijgave van de volgende tranches.

5.   Elke volgende tranche wordt alleen uitgekeerd bij een bevredigende tenuitvoerlegging van het nieuwe, in het convergentieprogramma van Roemenië op te nemen economische programma van de regering van Roemenië, van het nationale hervormingsprogramma, en meer in het bijzonder van de concrete economische beleidsvoorwaarden die in het memorandum van overeenstemming zijn vastgelegd. Deze houden onder meer het volgende in:

a)

vaststelling van een concreet budgettair middellangetermijnprogramma om het begrotingstekort in 2011 terug te dringen tot onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp;

b)

aanneming en uitvoering van een gewijzigde begroting voor 2009 (uiterlijk in het tweede kwartaal van 2009), waarin gemikt wordt op een overheidstekort van niet meer dan 5,1 % van het bbp volgens het ESR 95;

c)

terugdringing van de nominale loonkosten in de overheidssector ten opzichte van 2008 door het afzien van de voor 2009 geplande loonstijgingen in de overheidssector (nominaal in totaal 5 %) (of een equivalente verdere personeelsreductie) en door een vermindering van het aantal banen bij de overheid, door onder meer slechts één op de zeven vertrekkende werknemers te vervangen;

d)

lagere uitgaven voor goederen en diensten en voor subsidies aan overheidsondernemingen;

e)

verbetering van het begrotingsbeheer door de goedkeuring en toepassing van een bindend budgettair middellangetermijnkader, het stellen van grenzen aan begrotingsaanpassingen gedurende het jaar, met inbegrip van begrotingsregels, en het oprichten van een begrotingsraad voor onafhankelijke en deskundige toetsing;

f)

hervorming van het beloningssysteem van ambtenaren, door onder meer een gelijkschakeling en vereenvoudiging van de salarisstructuur en een herziening van het bonussysteem;

g)

herziening van de belangrijkste parameters van het pensioenstelsel waarbij de pensioenen niet meer op basis van de lonen maar van de consumentenprijzen worden geïndexeerd, een geleidelijke herziening van de pensioenleeftijd die verder gaat dan de huidige overeengekomen plannen, met name voor vrouwen, en een stapsgewijze invoering van pensioenbijdragen voor groepen van ambtenaren die momenteel van dergelijke bijdragen worden uitgesloten;

h)

de wijziging van bank- en liquidatiewetten om op tijdige en doeltreffende wijze te kunnen reageren in het geval van een in nood verkerende bank. Deze wijzigingen beogen met name de bevoegdheden te versterken van bewindvoerders van banken die onder buitengewoon beheer zijn geplaatst. Andere maatregelen dan die inzake probleembanken dienen betrekking te hebben op het versterken van de corrigerende bevoegdheden van de Nationale Bank van Roemenië (NBR) door bepalingen op grond waarvan zij belangrijke aandeelhouders kan vragen hun aandeel in het kapitaal te verhogen en de bank financieel te steunen. Het financiële toezicht zal worden versterkt in overeenstemming met de toepasselijke EU-wetgeving. Daarnaast zullen meer gedetailleerde rapportagevoorschriften inzake liquiditeit worden ingevoerd. Bovendien dienen de procedures voor het in werking stellen van de depositoverzekering te worden gewijzigd om de betalingen te vereenvoudigen en te versnellen. Ingevolge de gewijzigde wetgeving zal de depositoverzekering binnen een periode van 21 dagen na een besluit van de NBR in werking worden gesteld. Tot slot heeft de NBR toegezegd het scala aan beleenbare activa uit te breiden teneinde een voldoende liquiditeitsverstrekking te garanderen. Gelet op de bijzondere omstandigheden moet, op een geschikt tijdstip, het verplichte minimumniveau van de solvabiliteitsratio worden verhoogd van 8 % tot 10 %;

i)

structurele hervormingsmaatregelen op de terreinen bestreken door de landenspecifieke aanbevelingen die in het kader van de Lissabonstrategie zijn gedaan. Het betreft onder meer maatregelen met het oog op de verbetering van de efficiëntie en doelmatigheid van het openbare bestuur, de bevordering van de kwaliteit van de overheidsuitgaven, een goed gebruik en een grotere absorptie van EU-middelen, de verlichting van de administratieve, fiscale en juridische lasten voor het bedrijfsleven en het aanpakken van zwartwerk, waardoor een verbreding van de belastinggrondslag wordt bereikt.

6.   Om te zorgen voor een soepele uitvoering van de programmavoorwaarden en op een duurzame wijze bij te dragen aan het herstel van de onevenwichtigheden, verleent de Commissie verder advies en verdere bijstand inzake budgettaire hervormingen, hervormingen van de financiële markten en structurele hervormingen.

7.   Roemenië opent een speciale rekening bij de NBR voor het beheer van de financiële middellangetermijnbijstand van de Gemeenschap.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot Roemenië.

Artikel 5

Deze beschikking wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 6 mei 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

V. TOŠOVSKÝ


(1)  PB L 53 van 23.2.2002, blz. 1.

(2)  Zie bladzijde 6 van dit Publicatieblad.


Commissie

13.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/11


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 5 juni 2009

betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke veiligheidsmethoden om te beoordelen of voldaan is aan de veiligheidsdoelen, als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 4246)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/460/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen en van Richtlijn 2001/14/EG inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (Spoorwegveiligheidsrichtlijn) (1), en met name op artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van het Europees Spoorwegbureau aan de Commissie van 29 april 2008 inzake de gemeenschappelijke veiligheidsmethoden voor berekening, beoordeling en handhaving die dienen te worden gehanteerd in het kader van de eerste gemeenschappelijke veiligheidsdoelen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van Richtlijn 2004/49/EG moeten gemeenschappelijke veiligheidsdoelen (GVD) en -methoden (GVM) geleidelijk worden geïntroduceerd om een hoog veiligheidsniveau te handhaven en, indien nodig en redelijkerwijs uitvoerbaar, te verbeteren.

(2)

Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG moeten de GVM door de Commissie worden vastgesteld. In de GVM moet krachtens artikel 6, lid 3, van Richtlijn 2004/49/EG onder meer worden vermeld hoe het veiligheidsniveau en het behalen van de GVD worden beoordeeld.

(3)

Om een achteruitgang van de huidige veiligheidsprestaties van het spoorsysteem in bepaalde lidstaten te voorkomen, moet de eerste reeks GVD worden vastgesteld. Die doelstellingen moeten worden vastgesteld op basis van een onderzoek van de bestaande doelstellingen en veiligheidsprestaties van de spoorwegen in de lidstaten.

(4)

Bovendien is er, teneinde de huidige veiligheidsprestaties van het spoorvervoer te handhaven, behoefte aan een harmonisering van de risicoaanvaardingscriteria van de veiligheidsniveaus voor het volledige spoorwegsysteem in de lidstaten. Op de naleving van de veiligheidsniveaus moet in de verschillende lidstaten worden toegezien.

(5)

Met het oog op de vaststelling van de eerste reeks GVD overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2004/49/EG moeten de huidige veiligheidsprestaties van de spoorwegsystemen in de lidstaten worden bepaald aan de hand van nationale referentiewaarden (NRW) die door het Europees Spoorwegbureau („het Bureau”) en de Commissie worden berekend en gehanteerd. De NRW moeten voor het eerst worden berekend in 2009 met het oog op de vaststelling van de eerste reeks GVD, en in 2011 met het oog op de ontwikkeling van de tweede reeks GVD.

(6)

Met het oog op de consistentie van de NRW en om overbodige lasten te vermijden, moeten light-railsystemen, netwerken die functioneel los staan van de rest van het spoorwegnet, spoorweginfrastructuur in particuliere eigendom die uitsluitend door de eigenaar ervan wordt gebruikt en historische, museum- en toeristische spoorlijnen worden vrijgesteld van de toepassing van deze beschikking.

(7)

Vanwege het gebrek aan geharmoniseerde en betrouwbare gegevens over de veiligheidsprestaties van onderdelen van het spoorwegsysteem als bedoeld in artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2004/49/EG kan op dit moment slechts de eerste reeks GVD, uitgedrukt in risicoaanvaardingscriteria voor specifieke categorieën van personen en voor de maatschappij als geheel, worden vastgesteld voor het spoorwegsysteem als geheel en nog niet voor onderdelen daarvan.

(8)

Na de geleidelijke harmonisering van de nationale statistische gegevens inzake ongevallen en de gevolgen daarvan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 91/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de statistieken van het spoorvervoer (2) en Richtlijn 2004/49/EG, moet bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke methoden voor de controle van de veiligheidsprestaties van spoorwegsystemen in de lidstaten rekening worden gehouden met statistische onzekerheden en met de behoefte aan een criterium om te bepalen of een veiligheidsprestatie van een lidstaat geldig blijft.

(9)

Om een correcte en transparante vergelijking van de spoorwegveiligheidsprestaties tussen de lidstaten mogelijk te maken, dienen de lidstaten voor hun eigen beoordelingen een gemeenschappelijke aanpak te hanteren voor de vaststelling van de veiligheidsdoelen van het spoorwegsysteem en om de naleving daarvan aan te tonen.

(10)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het overeenkomstig artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze beschikking wordt een gemeenschappelijke veiligheidsmethode vastgesteld die door het Europees Spoorwegbureau (hierna „het Bureau”) overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG zal worden gebruikt voor de berekening en beoordeling van de bereikte gemeenschappelijke veiligheidsdoelen („GVD”).

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze beschikking is van toepassing op het volledige spoorwegsysteem in elke lidstaat. Zij is echter niet van toepassing op:

a)

metro’s, trams en andere lichte spoorwegsystemen;

b)

netwerken die functioneel los staan van de rest van het spoorwegnet, en die uitsluitend bedoeld zijn voor de uitvoering van plaatselijke, stedelijke of voorstedelijke passagiersdiensten, alsook spoorwegondernemingen die uitsluitend deze netwerken exploiteren;

c)

spoorweginfrastructuur in particulier eigendom die uitsluitend door de eigenaar van de infrastructuur voor zijn eigen goederenvervoer wordt gebruikt;

d)

historisch rollend materieel dat op nationale netwerken rijdt, mits het voldoet aan nationale veiligheidsregels en -voorschriften, die een veilige exploitatie van die voertuigen waarborgen;

e)

historische, museum- en toeristische spoorlijnen op eigen netwerken, met inbegrip van werkplaatsen of rollend materieel of personeel.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze beschikking gelden de definities van Richtlijn 2004/49/EG en Verordening (EG) nr. 91/2003.

Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

a)   „nationale referentiewaarden (NRW)”: een referentiewaarde die voor de betrokken lidstaat het maximaal aanvaardbare niveau voor een spoorwegrisicocategorie weergeeft;

b)   „risicocategorie”: een van de in artikel 7, lid 4, onder a) en b), van Richtlijn 2004/49/EG gespecificeerde spoorwegrisicocategorieën;

c)   „veiligheidsplan”: een schema voor de invoering van de organisatiestructuur, verantwoordelijkheden, procedures, activiteiten, mogelijkheden en middelen die noodzakelijk zijn om het risico voor een of meer risicocategorieën terug te dringen;

d)   „slachtoffers en gewogen ernstige letsels (SGEL)”: een kwantificering van de gevolgen van ernstige ongevallen met doden en ernstige letsels, waarbij één ernstig letsel statistisch gelijk is aan 0,1 overledene;

e)   „gebruiker van een spoorwegovergang”: iedereen die, hetzij te voet, hetzij met een vervoermiddel, van een spoorwegovergang gebruikmaakt om de sporen over te steken;

f)   „personeel” of „werknemers met inbegrip van personeel van onderaannemers”: iedereen die beroepsmatig betrokken is bij het spoorvervoer en die op het moment van het ongeval aan het werk is; dit zijn onder meer het treinpersoneel en personen die het rollend materieel en de infrastructuurinstallaties bedienen;

g)   „onbevoegde personen op spoorwegterreinen”: iedereen die zich op spoorwegterreinen bevindt terwijl dat verboden is, met uitzondering van gebruikers van een spoorwegovergang;

h)   „anderen (derden)”: iedereen die niet is gedefinieerd als „passagier”, „werknemer, met inbegrip van personeel van onderaannemers”, „gebruiker van een spoorwegovergang” of „onbevoegd personen op spoorwegterreinen”;

i)   „risico voor de maatschappij in haar geheel”: betekent het collectieve risico voor alle in artikel 7, lid 4, onder a), van Richtlijn 2004/49/EG categorieën van personen;

j)   „passagierstreinkilometer”: de meeteenheid voor een door een passagierstrein afgelegde kilometer; alleen met de op het grondgebied van de rapporterende lidstaat afgelegde afstand wordt rekening gehouden;

k)   „lijnkilometer”: de in kilometer uitgedrukte lengte van het spoorwegnet in de lidstaten waarbij elk spoor van een meersporige lijn afzonderlijk moet worden geteld.

Artikel 4

Methodologieën om de NRW en GVD te berekenen en te beoordelen in hoeverre deze werden bereikt

1.   De in de bijlage vastgestelde methodologie wordt gebruikt voor de berekening en de beoordeling van de mate waarin de NRW en GVD zijn bereikt.

2.   Het Bureau doet aan de Commissie een voorstel van overeenkomstig punt 2.1 van de bijlage berekende GVD, die van de NRW zijn afgeleid overeenkomstig de in punt 2.2 van de bijlage vastgestelde methodologie. Na de goedkeuring van de NRW en GVD door de Commissie onderzoekt het Bureau overeenkomstig hoofdstuk 3 van de bijlage in hoeverre deze door de lidstaten zijn behaald.

3.   De in artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2004/49/EG bedoelde kosten- en batenraming van de GVD wordt alleen uitgevoerd voor lidstaten waarbij voor een bepaalde risicocategorie een hogere NRW wordt geconstateerd dan de overeenkomstige GVD.

Artikel 5

Handhavingsmaatregelen

Overeenkomstig de verschillende eindresultaten van de in punt 3.1.5 van de bijlage bedoelde beoordeling van de bereikte resultaten, worden de volgende handhavingsmaatregelen genomen:

a)

in geval van een „mogelijke achteruitgang van de veiligheidsprestatie” dient de betrokken lidstaat bij de Commissie een verslag in waarin de waarschijnlijke oorzaken van de bereikte resultaten worden toegelicht;

b)

in geval van een „waarschijnlijke achteruitgang van de veiligheidsprestatie” dient de betrokken lidstaat bij de Commissie een verslag in waarin de waarschijnlijke oorzaken van de bereikte resultaten worden toegelicht alsmede, desgevallend, een veiligheidsplan om de prestaties te verbeteren.

Met het oog op de beoordeling van de overeenkomstig de in de punten a) en b) bedoelde procedure door de lidstaten meegedeelde informatie en documenten kan de Commissie het Bureau om technisch advies verzoeken.

Artikel 6

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 5 juni 2009.

Voor de Commissie

Antonio TAJANI

Vicevoorzitter


(1)  PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44; gerectificeerd in PB L 220 van 21.6.2004, blz. 16.

(2)  PB L 14 van 21.1.2003, blz. 1.


BIJLAGE

1.   Statistische bronnen en meeteenheden voor de berekening van de NRW en GVD

1.1.   Statistische bronnen

1.1.1.

De NRW en GVD worden berekend op basis van de overeenkomstig bijlage H van Verordening (EG) nr. 91/2003 bijgehouden statistieken over spoorwegongevallen en de gevolgen daarvan en overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 18 en bijlage I bij Richtlijn 2004/49/EG.

1.1.2.

Wanneer bij de vaststelling van de eerste reeks GVD tegenstrijdigheden optreden tussen de gegevens uit de twee in punt 1.1.1 bedoelde bronnen, wordt voorrang gegeven aan de overeenkomstig bijlage H van Verordening (EG) nr. 91/2003 bijgehouden statistieken.

1.1.3.

De tijdreeksen van gegevens die worden gebruikt om de waarden van de NRW en GVD te bepalen, omvatten de vier recentste jaren waarover verslag is uitgebracht. Uiterlijk op 31 januari 2011 stelt het Bureau de Commissie voor aangepaste NRW- en GVD-waarden vast te stellen die zijn berekend op basis van de zes recentste jaren waarover verslag is uitgebracht.

1.2.   Meeteenheden voor NRW

1.2.1.

De meeteenheid voor de nationale referentiewaarden (NRW) wordt uigedrukt op basis van de mathematische definitie van risico. De gevolgen van ongevallen voor elke onderzochte risicocategorie worden uitgedrukt in SGEL.

1.2.2.

De voor de kwantificering van elke NRW gebruikte meeteenheden zijn opgenomen in aanhangsel 1 en zijn vastgesteld door toepassing van de in punt 1.2.1 en, desgevallend, punt 1.2.3 bedoelde beginselen en definities. De meeteenheden omvatten de in aanhangsel 1 genoemde schalen voor de normalisering van de NRW.

1.2.3.

Voor elke risicocategorie „passagiers” en „gebruikers van spoorovergangen” worden twee verschillende NRW bepaald, uitgedrukt in de twee verschillende in aanhangsel 1 bedoelde meeteenheden. Voor de beoordeling van de naleving van de GVD als bedoeld in hoofdstuk 3 volstaat het aan minstens één van deze NRW te voldoen.

1.3.   Meeteenheden voor GVD

1.3.1.

De voor de kwantificering van de GVD voor elke risicocategorie te gebruiken meeteenheden zijn dezelfde als de in punt 1.2 omschreven NRW.

2.   Methode voor de berekening van de NRW en de afleiding van GVD

2.1.   Methode voor de berekening van NRW

2.1.1.

Voor elke lidstaat en elke risicocategorie worden de NRW berekend door toepassing van het volgende proces in de hierna vermelde volgorde:

a)

berekening van de waarden aan de hand van de in aanhangsel 1 opgenomen meeteenheden, rekening houdend met de gegevens en bepalingen van punt 1.1;

b)

analyse van de resultaten van het onder a) beschreven proces, controle van de aanwezigheid en frequentie van nulwaarden voor SGEL voor de onderzochte veiligheidsprestatie in het betrokken jaar;

c)

indien er niet meer dat twee onder b) bedoelde nulwaarden zijn, wordt het gewogen gemiddelde berekend van de onder b) bedoelde waarden, als bedoeld in punt 2.3 en wordt het resultaat als NRW gehanteerd;

d)

indien er meer dan twee onder b) bedoelde nulwaarden zijn, kent het Bureau, op basis van een raadpleging van de betrokken lidstaat, een discretionaire waarde toe aan de NRW.

2.2.   Methode om de GVD af te leiden van de NRW

2.2.1.

Zodra de NRW voor elke lidstaat is berekend overeenkomstig de in punt 2.1 vastgestelde procedure wordt voor elke risicocategorie een GVD toegekend die gelijk is aan de laagste waarde van:

a)

de hoogste GVD-waarde van de verschillende lidstaten;

b)

de waarde van tienmaal de gemiddelde Europese risicowaarde waar de betrokken GVD naar verwijst.

2.2.2.

Het in punt 2.2.1, onder b), bedoelde Europees gemiddelde wordt berekend door de optelling van alle relevante gegevens voor alle lidstaten en aan de hand van de in aanhangsel 1 opgenomen overeenstemmende meeteenheden en het in punt 2.3 omschreven gewogen gemiddelde.

2.3.   Gewogen gemiddelde voor de berekening van de NRW

2.3.1.

Voor elke lidstaat en voor elke risicocategorie waarvoor overeenkomstig punt 2.1.1, onder c), een gewogen gemiddelde kan worden berekend, wordt de NRWY voor het jaar Y (waarbij Y = 2009 en 2011) als volgt berekend:

a)

berekening van de jaarlijkse observaties OBSi (waarbij i staat voor het jaar van observatie) teruggebracht tot de overeenkomstige in aanhangsel 1 opgesomde meeteenheden, na de input van gegevens voor het recentste jaar n waarover is gerapporteerd, als bedoeld in punt 2.1.1, onder a), [aanvankelijk n = 4; vanaf 2011 n = 6];

b)

berekening van het rekenkundig gemiddelde voor het jaar n (AV) van de jaarlijkse observaties OBSi ;

c)

berekening van de absolute waarde van het verschil ABSDIFFi , tussen elke jaarlijkse observatie OBSi en het AV. Indien ABSDIFFi < 0,01 * AV, wordt aan ABSDIFFi een constante waarde toegekend van 0,01 * AV;

d)

berekening van het gewicht (Wi ) voor elk afzonderlijk jaar i, door de inversie te nemen van ABSDIFFi ;

e)

berekening van de NRWY als gewogen gemiddelde, op de volgende manier:

Formula;

waarbij i een natuurlijk getal is en

als Y = 2009: x = Y – 5; N = Y – 2

als Y = 2011: x = Y – 7; N = Y – 2

3.   Basismodel voor de beoordeling van de mate waarin de NRW en GVD zijn bereikt

3.1.   Methode om te beoordelen of de NRW en GVD zijn bereikt

3.1.1.

De volgende beginselen zijn van toepassing op de beoordeling van de mate waarin de NRW en GVD zijn bereikt:

a)

voor elke lidstaat en voor elke risicocategorie waarvoor de respectieve NRW gelijk is aan of lager is dan de overeenkomstige GVD, betekent het bereiken van de NRW automatisch dat ook de GVD moet worden bereikt. Het bereiken van de NRW wordt beoordeeld aan de hand van de in punt 3.2 omschreven procedure en, onverminderd de bepalingen van punt 3.2.3 inzake de tolerantie, is de NRW het maximaal aanvaardbare risico waarop die waarde betrekking heeft;

b)

voor elke lidstaat en voor elke risicocategorie waarvoor de respectieve NRW hoger ligt dan de overeenkomstige GVD, vormt de GVD het maximaal aanvaardbare risico voor de betrokken doelstelling. De beoordeling van het bereiken van de GVD wordt uitgevoerd overeenkomstig de eisen die worden bepaald op basis van de effectbeoordeling en, indien van toepassing, de termijn voor de geleidelijke invoering van de GVD overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2004/49/EG.

3.1.2.

Voor elke lidstaat en voor elke risicocategorie onderzoekt het Bureau jaarlijks of de NRW en GVD zijn bereikt, rekening houdend met de vier recentste jaren waarover verslag is uitgebracht.

3.1.3.

Jaarlijks brengt het Bureau uiterlijk op 31 maart verslag uit aan de Commissie over de algemene resultaten van het onderzoek naar de naleving van de NRW en GVD.

3.1.4.

Rekening houdend met de bepalingen van punt 1.1.3 houdt het Bureau vanaf 2012 bij de jaarlijkse beoordeling van de mate waarin de NRW en GVD zijn bereikt, rekening met de vijf voorafgaande jaren waarover verslag is uitgebracht.

3.1.5.

De resultaten van de in punt 3.1.1 bedoelde beoordeling van de mate waarin NRW en GVD zijn bereikt, worden als volgt geclassificeerd:

a)

aanvaardbare veiligheidsprestatie;

b)

mogelijke achteruitgang van de veiligheidsprestatie;

c)

waarschijnlijke achteruitgang van de veiligheidsprestatie.

3.2.   Stapsgewijze beschrijving van de in punt 3.1.1, onder a), bedoelde procedure

3.2.1.

De procedure om te beoordelen of de NRW zijn bereikt, bestaat uit de vier hierna omschreven stappen. Het algemene beslissingsdiagram van de procedure bevindt zich in aanhangsel 2, waarbij positieve en negatieve pijlen overeenstemmen met een „positief” dan wel „negatief” resultaat van de verschillen beoordelingsstappen.

3.2.2.

In de eerste beoordelingsstap wordt nagegaan of de geobserveerde veiligheidsprestatie al dan niet voldoet aan de NRW. De geobserveerde veiligheidsprestatie wordt gemeten aan de hand van de in aanhangsel 1 opgesomde meeteenheden en de in punt 1.1 bedoelde gegevens en voor tijdreeksen die de recentste observatiejaren omvatten overeenkomstig punt 3.1. De geobserveerde veiligheidsprestatie wordt uitgedrukt in:

a)

de veiligheidsprestatie tijdens het allerlaatste observatiejaar,

b)

een dynamisch gewogen gemiddelde (MWA) overeenkomstig punt 3.3.

De waarden die werden bereikt door toepassing van a) en b) worden vervolgens vergeleken met de NRW. Indien één van deze waarden niet hoger ligt dan de NRW wordt de veiligheidsprestatie aanvaardbaar geacht. Indien dat niet het geval is, wordt overgegaan tot de tweede stap van de procedure.

3.2.3.

In de tweede beoordelingsstap wordt de veiligheidsprestatie aanvaardbaar geacht wanneer het MWA niet hoger ligt dan de NRW plus een tolerantie van 20 %. Indien deze voorwaarde niet is vervuld, zal het Bureau de autoriteiten van de betrokken lidstaat verzoeken de specificaties mee te delen van het ernstigste ongeval (uitgedrukt in SGEL) gedurende het jongste observatiejaar als bedoeld in punt 3.1, met uitzondering van de jaren die zijn gehanteerd om de NRW te bepalen.

Indien dat ongeval ernstiger gevolgen meebracht dan het ernstigste ongeval dat was opgenomen in de gegevens voor de vaststelling van de NRW, wordt dat ongeval niet opgenomen in de statistieken. Het dynamisch gewogen gemiddelde wordt dan herberekend om na te gaan of het zich binnen de bovenvermelde tolerantie situeert. Indien dat het geval is, wordt de veiligheidsprestatie aanvaardbaar geacht. Indien dat niet het geval is, wordt overgegaan tot de derde stap van de procedure.

3.2.4.

In de derde beoordelingsstap wordt nagegaan of het de eerste keer is gedurende de jongste drie jaar dat het veiligheidsniveau op grond van de tweede beoordelingsstap niet als aanvaardbaar kon worden beoordeeld. Indien dat het geval is, zal het resultaat van de derde beoordelingsstap als „positief” worden aangemerkt. Ongeacht het resultaat van de derde stap, wordt overgegaan tot de vierde stap.

3.2.5.

In de vierde beoordelingsstap wordt nagegaan of het aantal ernstige ongevallen per treinkilometer gedurende de voorgaande jaren stabiel is gebleven (of afgenomen). Het criterium om dit te beoordelen is of er een statistisch significante toename was van het aantal relevante ernstige ongevallen per treinkilometer. Dit wordt beoordeeld aan de hand van een Poissontolerantie waarmee het aanvaardbare onderscheid wordt bepaald op basis van het aantal ongevallen in de verschillende lidstaten.

Indien het aantal ernstige ongevallen per treinkilometer de voormelde tolerantie niet overschrijdt, wordt ervan uitgegaan dat er geen sprake is van een statistisch significante toename en wordt het resultaat van deze beoordelingsstap als „positief” genoteerd.

Afhankelijk van de risicocategorie waarnaar de verschillende te beoordelen NRW verwijzen, zijn de in het kader van deze beoordeling als ernstig te beschouwen ongevallen de volgende:

a)

risico’s voor passagiers: alle relevante ernstige ongevallen;

b)

risico’s voor personeel of werknemers, met inbegrip van personeel van onderaannemers: alle relevante ernstige ongevallen;

c)

risico’s op spoorovergangen: alle relevante ernstige ongevallen in de categorie „ongevallen op spoorovergangen”;

d)

risico’s voor onbevoegde personen op spoorwegterreinen: alle relevante ernstige ongevallen in de categorie: „persoonlijke ongevallen veroorzaakt door rollend materieel in rijdende toestand”;

e)

risico’s voor anderen: alle relevante ernstige ongevallen;

f)

risico’s voor de samenleving als geheel: alle relevante ernstige ongevallen.

3.3.   Bepaling van het dynamisch gewogen gemiddelde voor de jaarlijkse beoordeling van de NRW

3.3.1.

Voor elke lidstaat en voor elke risicocategorie waarvoor een dynamisch gewogen gemiddelde wordt bepaald voor de uitvoering van, per jaar Y (vanaf Y = 2010), van de in punt 3.2 beschreven beoordelingsstappen, wordt het MWAY als volgt berekend:

a)

berekening van de jaarlijkse observaties OBSi aan de hand van de overeenkomstige in aanhangsel 1 opgesomde indicatoren, na de invoer van de gegevens uit de in punt 1.1 bedoelde bronnen voor het betrokken jaar (de waarde van de index i wordt bepaald door de onderstaande formule);

b)

berekening van het rekenkundig gemiddelde voor het jaar n (AV) van de jaarlijkse observaties OBSi ; [aanvankelijk n = 4; vanaf 2012 n = 5];

c)

berekening van de absolute waarde van het verschil ABSDIFFi , tussen elke jaarlijkse observatie OBSi en het AV. Indien ABSDIFFi < 0,01 * AV, wordt aan ABSDIFFi een constante waarde toegekend van 0,01 * AV;

d)

berekening van het gewicht Wi , door inversie van ABSDIFFi ;

e)

berekening van de MWAY als volgt:

Formula;

waarbij i een natuurlijk getal is en

als Y = 2010 of 2011: x = Y – 5; N = Y – 2

als Y ≥ 2012: x = Y – 6; N = Y – 2

AANHANGSEL 1

Meeteenheden voor NRW en GVD

Risicocategorie

Meeteenheid

Schaal

1.

Passagiers

1.1

Aantal SGEL bij passagiers per jaar door ernstige ongevallen/jaarlijks aantal passagierstreinkilometers

Passagierstrein-km per jaar

1.2

Aantal SGEL bij passagiers per jaar door ernstige ongevallen/jaarlijks aantal passagierskilometers

Passagiers-km per jaar

2.

Werknemers

Aantal SGEL bij werknemers per jaar door ernstige ongevallen/jaarlijks aantal treinkilometers

Trein-km per jaar

3.

Gebruikers van spoorwegovergangen

3.1

Aantal SGEL bij gebruikers van spoorwegovergangen per jaar door ernstige ongevallen/jaarlijks aantal treinkilometers

Trein-km per jaar

3.2

Aantal SGEL bij gebruikers van spoorwegovergangen per jaar door ernstige ongevallen//[(Aantal treinkilometers per jaar * aantal spoorwegovergangen)/lijnkilometers)]

(Trein-km per jaar * aantal spoorwegovergangen)/lijn-km

4.

Anderen

Jaarlijks aantal SGEL door ernstige ongevallen bij personen die behoren tot de categorie „anderen”/het aantal treinkilometers per jaar

Trein-km per jaar

5.

Onbevoegden die zich op spoorwegterreinen bevinden

Aantal SGEL bij onbevoegden die zich op spoorwegterreinen bevinden door ernstige ongevallen/jaarlijks aantal treinkilometers

Trein-km per jaar

6.

De gehele maatschappij

Totaal aantal SGEL per jaar door ernstige ongevallen/jaarlijks aantal treinkilometers

Trein-km per jaar

AANHANGSEL 2

Beslissingsdiagram voor de in punt 3.1.1, onder a), bedoelde procedure

Image


13.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/20


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 12 juni 2009

tot benoeming van een vertegenwoordiger van de Commissie in de raad van beheer van het Europees Geneesmiddelenbureau

(2009/461/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (1), en met name op artikel 65,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 65 van Verordening (EG) nr. 726/2004 hebben twee vertegenwoordigers van de Commissie zitting in de raad van beheer van het Europees Geneesmiddelenbureau (hierna „het Bureau”).

(2)

Daar het huidige mandaat van de vertegenwoordiger van de Commissie uit directoraat-generaal Ondernemingen en industrie en diens plaatsvervanger op 2 juni 2009 afloopt, moeten uit directoraat-generaal Ondernemingen en industrie een lid van de raad van beheer van het Bureau en een plaatsvervanger die het lid bij diens afwezigheid vervangt en in zijn plaats stemt, worden benoemd,

BESLUIT:

Artikel 1

De vertegenwoordiger van de Commissie in de raad van beheer van het Europees Geneesmiddelenbureau is de persoon die de volgende positie bekleedt en de volgende functies uitoefent:

a)

directeur-generaal van het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie.

De plaatsvervanger is de persoon die de volgende positie bekleedt en de volgende functies uitoefent:

b)

directeur van het directoraat dat bevoegd is voor het verlenen van vergunningen voor geneesmiddelen op basis van het werkprogramma van het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie.

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing op de personen die, ook tijdelijk, op de datum van vaststelling van dit besluit de in artikel 1 bedoelde posities bekleden of op de opvolgers van die personen in die posities.

Artikel 3

De directeur-generaal van het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie stelt de directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau in kennis van de namen van de personen die de in artikel 1 bedoelde posities bekleden en van eventuele wijzigingen daarvan.

Gedaan te Brussel, 12 juni 2009.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)  PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.


13.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/21


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 12 juni 2009

tot afwijking van punt 1, onder d), van de bijlage bij Beschikking 2006/133/EG, gewijzigd bij Beschikking 2009/420/EG, wat betreft de toepassingsdatum in verband met vatbaar hout dat afkomstig is van buiten de afgebakende gebieden

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 4515)

(2009/462/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 16, lid 3, vierde zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 28 mei 2009 heeft de Commissie Beschikking 2009/420/EG (2) vastgesteld tot wijziging van Beschikking 2006/133/EG tot tijdelijke verplichting van de lidstaten om ten aanzien van andere gebieden in Portugal dan die waarvan bekend is dat Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Buhrer) Nickle et al. (het dennenaaltje) er niet voorkomt, aanvullende maatregelen te nemen teneinde de verspreiding ervan tegen te gaan. Bij die beschikking is in Beschikking 2006/133/EG van de Commissie (3) met ingang van 16 juni 2009 de verplichting ingevoerd dat verpakkingsmateriaal van vatbaar hout dat niet afkomstig is uit de afgebakende gebieden een van de goedgekeurde behandelingen zoals aangegeven in bijlage I bij de Internationale Norm nr. 15 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen ondergaat en is gemerkt overeenkomstig bijlage II bij die norm, voordat het wordt vervoerd uit de afgebakende gebieden naar andere gebieden in de lidstaten of in derde landen, alsook uit het gedeelte van het afgebakende gebied waarvan bekend is dat het dennenaaltje er voorkomt naar het gedeelte van het afgebakende gebied dat als bufferzone is aangewezen.

(2)

Houten verpakkingsmateriaal is nodig voor het vervoer van veel goederen van allerlei aard. Tot nu toe is de productie en het gebruik van verpakkingsmateriaal van vatbaar hout dat is behandeld en gemerkt overeenkomstig de bijlagen I en II bij de Internationale Norm nr. 15 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen in de Gemeenschap echter niet algemeen verbreid. Er blijkt met name op de korte termijn niet voldoende houten verpakkingsmateriaal dat beantwoordt aan de Internationale Norm nr. 15 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen beschikbaar te zijn om te voldoen aan de behoeften van de economische actoren die handel drijven met goederen uit Portugal naar andere lidstaten of derde landen.

(3)

Om de risico’s van een onevenredige onderbreking van het handelsverkeer te vermijden, blijkt het nodig te voorzien in een afwijking wat betreft de datum van toepassing van de voorschriften van Beschikking 2006/133/EG, gewijzigd bij Beschikking 2009/420/EG, die betrekking hebben op de verplichting om verpakkingsmateriaal van vatbaar hout dat niet afkomstig is uit de afgebakende gebieden te behandelen en te merken overeenkomstig de bijlagen I en II bij de Internationale Norm nr. 15 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen, voordat het uit de afgebakende gebieden in Portugal naar andere gebieden wordt vervoerd.

(4)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Punt 1, onder d), van de bijlage bij Beschikking 2006/133/EG, gewijzigd bij Beschikking 2009/420/EG, is niet van toepassing op vatbaar hout dat afkomstig is van buiten de afgebakende gebieden.

Artikel 2

Deze beschikking is van toepassing van 16 juni 2009 tot en met 31 december 2009.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 12 juni 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(2)  PB L 135 van 30.5.2009, blz. 29.

(3)  PB L 52 van 23.2.2006, blz. 34.