ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2009.146.dut

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 146

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

52e jaargang
10 juni 2009


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap ( 1 )

1

 

*

Richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft ( 1 )

37

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

RICHTLIJNEN

10.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/1


RICHTLIJN 2009/43/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 mei 2009

betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag schrijft de oprichting van een interne markt voor, alsmede de verwijdering tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen en diensten, en de invoering van een stelsel dat ervoor zorgt dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst.

(2)

De verdragsbepalingen tot oprichting van de interne markt zijn van toepassing op alle goederen en diensten die tegen vergoeding worden geleverd, met inbegrip van defensiegerelateerde producten, maar sluiten onder bepaalde omstandigheden niet uit dat lidstaten andere maatregelen nemen in individuele gevallen waarin zij dat noodzakelijk achten om hun wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen.

(3)

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap vertonen verschillen die het verkeer van deze producten binnen de Gemeenschap kunnen belemmeren en die de mededinging binnen de interne markt kunnen verstoren, wat een belemmering vormt voor innovatie, industriële samenwerking en het concurrentievermogen van de defensie-industrie in de Europese Unie.

(4)

De doelstellingen van de wet- en regelgeving van de lidstaten omvatten doorgaans de bescherming van de mensenrechten, vrede, veiligheid en stabiliteit door middel van strikte controlesystemen en beperking van de uitvoer en de proliferatie van defensiegerelateerde producten naar derde landen en naar andere lidstaten.

(5)

Dergelijke beperkingen op het verkeer van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap kunnen in het algemeen niet worden weggenomen door een rechtstreekse toepassing van de in het Verdrag vastgelegde beginselen van vrij verkeer van goederen en diensten, aangezien die beperkingen van geval tot geval kunnen worden gerechtvaardigd overeenkomstig de artikelen 30 of 296 van het Verdrag, die de lidstaten kunnen blijven toepassen indien aan de voorwaarden ervan is voldaan.

(6)

De betrokken wet- en regelgevingen van lidstaten moeten daarom zodanig worden geharmoniseerd dat zij de intracommunautaire overdracht van defensiegerelateerde producten vereenvoudigen om de behoorlijke werking van de interne markt te waarborgen. Deze richtlijn heeft enkel betrekking op regels en procedures voor defensiegerelateerde producten en laat bijgevolg het beleid van de lidstaten betreffende de overdracht van defensiegerelateerde producten onverlet.

(7)

De harmonisatie van de betrokken wet- en regelgevingen van lidstaten zou geen afbreuk mogen doen aan de internationale verplichtingen en verbintenissen van lidstaten, noch aan hun beoordelingsbevoegdheid inzake hun uitvoerbeleid van defensiegerelateerde producten.

(8)

De lidstaten moeten het recht behouden om de intergouvernementele samenwerking voort te zetten en verder te ontwikkelen, met inachtneming van de bepalingen van deze richtlijn.

(9)

Deze richtlijn mag niet van toepassing zijn op defensiegerelateerde producten die slechts worden doorgevoerd over het grondgebied van de Gemeenschap; dit zijn producten die geen andere douanebestemming dan de regeling extern douanevervoer hebben of die enkel in een vrije zone of in een vrij entrepot worden opgeslagen, waar geen goedgekeurde voorraadadministratie daarvoor hoeft te worden gehouden.

(10)

Deze richtlijn moet alle defensiegerelateerde producten dekken die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen (3), met inbegrip van hun onderdelen en technologie.

(11)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 97/817/GBVB van 28 november 1997 door de Raad aangenomen op basis van artikel J.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzake antipersoneelmijnen (4), noch aan de ratificatie en uitvoering door de lidstaten van het Verdrag inzake clustermunitie dat op 3 december 2008 in Oslo werd gesloten.

(12)

De doelstellingen van bescherming van de mensenrechten, vrede, veiligheid en stabiliteit die in het algemeen worden nagestreefd door de wet- en regelgevingen van lidstaten die de overdracht van defensiegerelateerde producten beperken, brengen met zich dat de overdracht van die producten binnen de Gemeenschap blijft onderworpen aan de toestemming van de lidstaten van oorsprong en aan garanties in de ontvangende lidstaat.

(13)

Gezien de in deze richtlijn gegeven vrijwaringen ter bescherming van die doelstellingen, zouden de lidstaten niet langer andere beperkingen voor het bereiken van die doelstellingen hoeven in te voeren of te handhaven, behoudens de artikelen 30 en 296 van het Verdrag.

(14)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de toepassing van bepalingen die noodzakelijk zijn om redenen van openbare orde of de openbare veiligheid. Gezien de aard en de kenmerken van defensiegerelateerde producten, zijn redenen van openbare orde, zoals veilig vervoer, veilige opslag, het gevaar voor sabotage en misdaadpreventie bijzonder relevant met het oog op de toepassing van deze richtlijn.

(15)

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (5), met name de formaliteiten voor het vrije verkeer van wapens in de Gemeenschap. Deze richtlijn doet evenmin afbreuk aan de toepassing van Richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (6), met name de bepalingen betreffende de overbrenging van munitie.

(16)

Een overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap is slechts toegestaan na voorafgaande toestemming in de vorm van een algemene, globale of individuele overdrachtvergunning die wordt verleend of gepubliceerd door de lidstaat vanaf wiens grondgebied de leverancier de defensiegerelateerde producten wil overdragen. De lidstaten moeten in specifieke gevallen die in deze richtlijn zijn genoemd, de overdracht van defensiegerelateerde producten kunnen vrijstellen van de verplichte voorafgaande toestemming.

(17)

De lidstaten moeten vrij kunnen beslissen of ze voorafgaande toestemming weigeren of verlenen. In overeenstemming met de beginselen van de interne markt is de toestemming geldig in de hele Gemeenschap en is geen andere toestemming voor de doorvoer door andere lidstaten of voor de toegang tot het grondgebied van andere lidstaten vereist.

(18)

De lidstaten moeten kiezen voor elk type overdracht welke overdrachtsvergunning voor de defensiegerelateerde producten of categorieën van defensiegerelateerde producten het geschikte type is en welke voorwaarden aan elke overdrachtsvergunning moeten worden gehecht, rekening houdend met de gevoeligheid van de overdracht.

(19)

Wat de onderdelen betreft, moeten lidstaten zoveel mogelijk afzien van het opleggen van uitvoerbeperkingen en derhalve een verklaring over het gebruik van de afnemer aanvaarden, rekening houdend met de mate waarin deze onderdelen in de eigen producten van de afnemer zijn geïntegreerd.

(20)

De lidstaten dienen de afnemers van overdrachtvergunningen op niet-discriminerende wijze te bepalen, tenzij de bescherming van hun wezenlijke veiligheidsbelangen anders voorschrijft.

(21)

Om de overdracht van defensiegerelateerde producten te vergemakkelijken, moeten de algemene overdrachtsvergunningen worden gepubliceerd door de lidstaten, waarmee aan elke onderneming die aan voorwaarden van een algemene overdrachtsvergunning voldoet, toestemming wordt verleend voor de overdracht van defensiegerelateerde producten.

(22)

Een algemene overdrachtsvergunning moet worden gepubliceerd voor overdrachten van defensiegerelateerde producten aan strijdkrachten om de aanvoerzekerheid te vergroten voor alle lidstaten die dergelijke producten binnen de Gemeenschap betrekken.

(23)

Een algemene overdrachtsvergunning moet worden gepubliceerd voor overdrachten van onderdelen aan gecertificeerde Europese defensieondernemingen teneinde de samenwerking tussen die ondernemingen en integratie ervan te ondersteunen, met name door de toeleveringsketens te optimaliseren en schaalvoordelen te bevorderen.

(24)

Lidstaten die deelnemen aan een intergouvernementeel samenwerkingsprogramma moeten een algemene overdrachtsvergunning kunnen publiceren voor overdrachten van dergelijke defensiegerelateerde producten naar afnemers in andere lidstaten die aan dat programma deelnemen, mits dit voor de uitvoering van dat programma noodzakelijk is. Dat zou de voorwaarden voor deelname aan intergouvernementeel samenwerkingsprogramma’s door ondernemingen in de deelnemende lidstaten verbeteren.

(25)

De lidstaten moeten ook algemene overdrachtsvergunningen kunnen publiceren voor de gevallen waarin het risico voor het behoud van de mensenrechten, vrede, veiligheid en stabiliteit zeer gering is, gezien de aard van de producten en de afnemers.

(26)

In gevallen waarin de algemene overdrachtsvergunning niet kan worden gepubliceerd, moeten de lidstaten op verzoek globale overdrachtsvergunningen verlenen aan individuele ondernemingen, behalve in gevallen die in deze richtlijn zijn vastgesteld. De lidstaten moeten verlengbare globale overdrachtsvergunningen kunnen verlenen.

(27)

Ondernemingen moeten de bevoegde autoriteiten op de hoogte stellen van het gebruik van algemene overdrachtsvergunningen met het oog op het behoud van mensenrechten, vrede, veiligheid en stabiliteit en om transparante verslaglegging van overdrachten van defensiegerelateerde producten mogelijk te maken met het oog op democratische controle.

(28)

De lidstaten moeten bij de vaststelling van de voorwaarden voor algemene, globale en individuele overdrachtsvergunningen zoveel speelruimte hebben dat zij hun samenwerking in het reeds bestaande kader voor uitvoercontrole kunnen voortzetten. Aangezien elke lidstaat de bevoegdheid heeft en moet behouden om een uitvoer al dan niet toe te staan, moet deze samenwerking uitsluitend worden gebaseerd op de vrijwillige coördinatie van exportbeleid.

(29)

Ter compensatie van de stapsgewijze vervanging van individuele controle vooraf door algemene controle achteraf in de lidstaat van oorsprong van de defensiegerelateerde producten, moeten er voorwaarden voor wederzijds vertrouwen worden geschapen in de vorm van garanties dat er geen defensiegerelateerde producten in strijd met uitvoerbeperkingen naar derde landen worden uitgevoerd. Dit beginsel moet ook in acht genomen worden in gevallen dat defensiegerelateerde producten meerdere malen tussen verschillende lidstaten overgedragen worden voordat ze naar een derde land worden uitgevoerd.

(30)

De lidstaten werken samen in het kader van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (7), door middel van toepassing van gemeenschappelijke criteria alsook de melding van weigeringen en overlegmechanismen, om de toepassing van hun uitvoerbeleid voor defensiegerelateerde producten naar derde landen meer op elkaar af te stemmen. Deze richtlijn mag geen belemmering vormen voor de mogelijkheid waarover de lidstaten beschikken om de voorwaarden van de overdrachtsvergunningen van defensiegerelateerde producten vast te stellen, met inbegrip van mogelijke uitvoerbeperkingen, met name wanneer dit noodzakelijk is voor samenwerking in het kader van dat gemeenschappelijk standpunt.

(31)

De leveranciers moeten de afnemers op de hoogte brengen van eventuele aan een overdrachtsvergunning verbonden beperkingen om wederzijds vertrouwen te scheppen in het vermogen van de afnemers om deze beperkingen, en dit na de overdracht na te komen, met name bij een aanvraag voor uitvoer naar derde landen.

(32)

Het moet aan de ondernemingen zijn om te beslissen of de voordelen van het afnemen van defensiegerelateerde producten in het kader van een algemene overdrachtsvergunning voldoende zijn om het verzoek om certificering te rechtvaardigen. Overdrachten binnen een groep van ondernemingen moeten mogelijk zijn met een algemene overdrachtsvergunning wanneer de leden van de groep in hun respectieve lidstaten van vestiging zijn gecertificeerd.

(33)

Voor de certificering zijn gemeenschappelijke criteria noodzakelijk om wederzijds vertrouwen op te bouwen, met name in het vermogen van de afnemers om zich te kunnen houden aan uitvoerbeperkingen van defensiegerelateerde producten die in het kader van een overdrachtsvergunning uit een andere lidstaat zijn ontvangen.

(34)

Om het wederzijdse vertrouwen te vergroten, mogen de afnemers van overgedragen defensiegerelateerde producten deze niet uitvoeren wanneer de overdrachtsvergunning uitvoerbeperkingen bevat.

(35)

Ondernemingen moeten de bevoegde autoriteiten bij de aanvraag van een uitvoervergunning voor derde landen meedelen of zij zich hebben gehouden aan eventuele uitvoerbeperkingen die op de overdracht van het defensiegerelateerde product van toepassing zijn en die zijn vastgelegd door de lidstaat die de overdrachtsvergunning heeft afgegeven. In dit verband wordt eraan herinnerd dat het overlegmechanisme tussen de lidstaten, waarin Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB voorziet, uitermate relevant blijft.

(36)

Wanneer een defensiegerelateerd product dat in het kader van een overdrachtsvergunning is ontvangen, naar een derde land wordt uitgevoerd, moet een onderneming aan de gemeenschappelijke buitengrens van de Gemeenschap ten overstaan van de bevoegde douaneautoriteit aantonen dat zij een uitvoervergunning heeft.

(37)

De lijst van defensiegerelateerde producten in de bijlage moet nauwkeurig worden bijgewerkt overeenkomstig de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen.

(38)

Voor een geleidelijke opbouw van wederzijds vertrouwen moeten de lidstaten doeltreffende maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn nemen, met inbegrip van sancties, en met name van de bepalingen dat ondernemingen de gemeenschappelijke certificeringscriteria en beperkingen van verder gebruik van defensiegerelateerde producten na een overdracht moeten nakomen.

(39)

Indien een lidstaat van oorsprong gegronde twijfel heeft of een gecertificeerde afnemer zich aan alle voorwaarden in verband met zijn algemene overdrachtsvergunning zal houden, of indien een vergunningverlenende lidstaat van oordeel is dat de openbare orde, de openbare veiligheid of zijn wezenlijke veiligheidsbelangen in het gedrang kunnen komen, moet de lidstaat hierover niet alleen de andere lidstaten en de Commissie informeren, maar ook — gezien zijn verantwoordelijkheid voor het behoud van mensenrechten, vrede, veiligheid en stabiliteit — de werking van de overdrachtsvergunningen met betrekking tot die afnemer tijdelijk kunnen schorsen.

(40)

Om het wederzijds vertrouwen te bevorderen, moet de toepassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zijn vastgesteld om de naleving van deze richtlijn te verzekeren, worden uitgesteld. Hierdoor kan vóór de toepassing van die bepalingen de geboekte vooruitgang worden beoordeeld aan de hand van een verslag dat door de Commissie is opgesteld op basis van de door de lidstaten ingediende informatie over de genomen maatregelen.

(41)

De Commissie moet regelmatig een verslag publiceren over de uitvoering van deze richtlijn, in voorkomend geval gecombineerd met een wetsvoorstel.

(42)

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het bestaan of de voltooiing van regionale unies tussen België en Luxemburg, en tussen België, Luxemburg en Nederland, zoals bepaald in artikel 306 van het Verdrag.

(43)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de vereenvoudiging van de regels en procedures die van toepassing zijn op de intracommunautaire overdracht van defensiegerelateerde producten teneinde de behoorlijke werking van de interne markt te waarborgen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt in verband met de onderlinge verschillen in de bestaande vergunningsprocedures en het grensoverschrijdende karakter van de overdrachten, en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat voor de verwezenlijking van deze doelstelling noodzakelijk is.

(44)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8).

(45)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om de bijlage te wijzigen. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(46)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” (9), worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze richtlijn heeft tot doel de regels en procedures te vereenvoudigen die van toepassing zijn op de intracommunautaire overdracht van defensiegerelateerde producten, ten einde de behoorlijke werking van de interne markt te waarborgen.

2.   Deze richtlijn laat de beslissingsvrijheid van de lidstaten in het exportbeleid voor defensiegerelateerde producten onverlet.

3.   De toepassing van deze richtlijn is onderworpen aan de artikelen 30 en 296 van het Verdrag.

4.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de lidstaten om intergouvernementele samenwerking voort te zetten en verder te ontwikkelen, met inachtneming van de bepalingen van deze richtlijn.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze richtlijn is van toepassing op de defensiegerelateerde producten die in de bijlage genoemd worden.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„defensiegerelateerd product”: elk product dat in de bijlage is opgenomen;

2.

„overdracht”: elke overbrenging of verplaatsing van een defensiegerelateerd product van een leverancier naar een afnemer in een andere lidstaat;

3.

„leverancier”: een in de Gemeenschap gevestigde rechtspersoon of natuurlijke persoon die juridisch aansprakelijk is voor een overdracht;

4.

„afnemer”: een in de Gemeenschap gevestigde rechtspersoon of natuurlijke persoon die juridisch aansprakelijk is voor de ontvangst van een overdracht;

5.

„overdrachtsvergunning”: toestemming van een nationale instantie van een lidstaat voor een leverancier om defensiegerelateerde producten over te dragen aan een afnemer in een andere lidstaat;

6.

„uitvoervergunning”: toestemming om defensiegerelateerde producten te leveren aan een rechtspersoon of natuurlijke persoon in een derde land;

7.

„doorvoer”: het vervoer van defensiegerelateerde producten door een of meer andere lidstaten dan de lidstaat van oorsprong en de ontvangende lidstaat.

HOOFDSTUK II

OVERDRACHTSVERGUNNINGEN

Artikel 4

Algemene bepalingen

1.   De overdracht van defensiegerelateerde producten tussen lidstaten is slechts toegestaan na voorafgaande toestemming. Er mag geen andere toestemming worden vereist voor de doorvoer door lidstaten of voor de toegang tot het grondgebied van de lidstaat waar de afnemer is gevestigd, van defensiegerelateerde producten, onverminderd de toepassing van bepalingen die noodzakelijk zijn om redenen van openbare veiligheid of openbare orde, zoals onder meer veilig vervoer.

2.   Zonder afbreuk te doen aan lid 1 kunnen de lidstaten in de volgende gevallen de overdracht van defensiegerelateerde producten vrijstellen van de in dat lid genoemde verplichte voorafgaande toestemming:

a)

de leverancier of de afnemer is een overheidsorgaan of een onderdeel van de strijdkrachten;

b)

de levering gebeurt door de Europese Unie, de NAVO, de IAEA of andere intergouvernementele organisaties in het kader van de uitvoering van hun taken;

c)

de overdracht is noodzakelijk voor de uitvoering van een samenwerkingsprogramma inzake bewapening tussen lidstaten;

d)

de overdracht is gekoppeld aan humanitaire hulp bij een ramp of maakt deel uit van een schenking in een noodgeval; of

e)

de overdracht is noodzakelijk voor of na een herstelling, onderhoud, expositie of demonstratie.

3.   Op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief kan de Commissie lid 2 wijzigen om de volgende gevallen op te nemen:

a)

de overdracht vindt plaats onder voorwaarden die de openbare orde of de openbare veiligheid niet in het gedrang brengen;

b)

de verplichte voorafgaande toestemming is niet langer verenigbaar met internationale verplichtingen van de lidstaten aangegaan na de aanneming van deze richtlijn; of

c)

wanneer deze noodzakelijk is voor intergouvernementele samenwerking als bedoeld in artikel 1, lid 4.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat leveranciers die vanaf hun grondgebied defensiegerelateerde producten willen overdragen, algemene overdrachtvergunningen kunnen gebruiken of kunnen verzoeken om globale of individuele overdrachtvergunningen overeenkomstig de artikelen 5, 6 en 7.

5.   De lidstaten stellen het type overdrachtsvergunning vast voor de betrokken defensiegerelateerde producten of categorieën van defensiegerelateerde producten overeenkomstig de bepalingen van dit artikel en de artikelen 5, 6 en 7.

6.   De lidstaten stellen alle voorwaarden van de overdrachtsvergunningen vast, met inbegrip van eventuele beperkingen van de uitvoer van defensiegerelateerde producten aan natuurlijke of rechtspersonen in derde landen, gezien onder meer de risico’s die de overdracht met zich meebrengt voor het behoud van mensenrechten, vrede, veiligheid en stabiliteit. De lidstaten kunnen, met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, gebruikmaken van de mogelijkheid waarborgen voor het eindgebruik te vragen, met inbegrip van eindgebruikercertificaten.

7.   De lidstaten bepalen de voorwaarden van de overdrachtsvergunningen voor onderdelen op basis van een beoordeling van de gevoeligheid van de overdracht volgens onder meer de volgende criteria:

a)

de aard van de onderdelen in relatie tot de producten waarin zij worden opgenomen en in relatie tot eventueel eindgebruik van de eindproducten dat aanleiding tot bezorgdheid geeft;

b)

de betekenis van de onderdelen in relatie tot de producten waarin zij worden opgenomen.

8.   Tenzij de lidstaten de overdracht van die onderdelen als gevoelig aanmerken, leggen zij geen uitvoerbeperkingen van dergelijke onderdelen op indien de afnemer door middel van een verklaring over het gebruik verklaart dat de in de overdrachtsvergunning bedoelde onderdelen worden of zullen worden geïntegreerd in zijn eigen product en, behalve voor onderhoud of herstelling, niet als zodanig kunnen worden overgedragen of uitgevoerd in een later stadium.

9.   De lidstaten kunnen een door henzelf afgegeven overdrachtsvergunning op elk moment intrekken, schorsen of het gebruik ervan beperken ter bescherming van hun wezenlijke veiligheidsbelangen, of om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, of omdat de bepalingen en voorwaarden van de overdrachtsvergunning niet in acht genomen worden.

Artikel 5

Algemene overdrachtsvergunningen

1.   De lidstaten publiceren algemene overdrachtsvergunningen die rechtstreeks toestemming verlenen aan op hun grondgebied gevestigde leveranciers die aan de met de overdrachtsvergunning verbonden voorwaarden voldoen, voor het verrichten van overdrachten van in de overdrachtsvergunning te specificeren defensiegerelateerde producten, aan een of meer categorieën van in een andere lidstaat gevestigde afnemers.

2.   Zonder afbreuk te doen aan artikel 4, lid 2, worden algemene overdrachtsvergunningen op zijn minst openbaar gemaakt, indien:

a)

de afnemer deel uitmaakt van de strijdkrachten van een lidstaat of is een aanbestedende dienst op het gebied van defensie, die voor het exclusieve gebruik door de strijdkrachten van een lidstaat aankoopt;

b)

de afnemer een gecertificeerde onderneming is in de zin van artikel 9;

c)

de overdracht gebeurd is met het oog op demonstratie, evaluatie en expositie;

d)

de overdracht gebeurd is met het oog op onderhoud en herstelling, indien de afnemer de oorspronkelijke leverancier van defensiegerelateerde producten is.

3.   Lidstaten die deelnemen aan een intergouvernementeel samenwerkingsprogramma tussen lidstaten voor de ontwikkeling, de productie en het gebruik van één of meer defensiegerelateerde producten, mogen een algemene overdrachtsvergunning publiceren voor overdrachten aan andere lidstaten die aan dat programma deelnemen en die voor de uitvoering van dat programma noodzakelijk zijn.

4.   De lidstaten kunnen, onverminderd de overige bepalingen van deze richtlijn, de registratievoorwaarden vóór eerste gebruikmaking van een algemene overdrachtsvergunning vastleggen.

Artikel 6

Globale overdrachtsvergunningen

1.   De lidstaten besluiten individuele leveranciers op hun verzoek globale overdrachtsvergunningen te verlenen die de overdracht van defensiegerelateerde producten toestaan aan afnemers in een of meer andere lidstaten.

2.   De lidstaten bepalen in elke globale overdrachtsvergunning de defensiegerelateerde producten of productencategorieën die onder de globale overdrachtsvergunning vallen, en de toegestane afnemers of categorie van afnemers.

Een globale overdrachtsvergunning wordt voor drie jaar verleend en kan door de lidstaten worden verlengd.

Artikel 7

Individuele overdrachtsvergunningen

De lidstaten besluiten individuele leveranciers op hun verzoek een individuele overdrachtsvergunning te verlenen die één overdracht van een welbepaalde hoeveelheid gespecificeerde defensiegerelateerde producten toestaan die zullen worden overgebracht in een of meer verzendingen aan één afnemer wanneer:

a)

de aanvraag voor een overdrachtsvergunning beperkt is tot één overdracht;

b)

het noodzakelijk is voor de bescherming van hun wezenlijke veiligheidsbelangen, of om redenen van openbare orde;

c)

het noodzakelijk is om te voldoen aan internationale verplichtingen en verbintenissen van de lidstaten; of

d)

een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de leverancier niet zal kunnen voldoen aan alle voorwaarden die nodig zijn om hem een globale overdrachtsvergunning te kunnen verlenen.

HOOFDSTUK III

INFORMATIE, CERTIFICERING EN UITVOER NA OVERDRACHT

Artikel 8

Informatie door leveranciers

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de leveranciers van defensiegerelateerde producten de afnemers in kennis stellen van de voorwaarden van de overdrachtsvergunning, met inbegrip van de beperkingen, betreffende het eindgebruik of de uitvoer van defensiegerelateerde producten.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de leveranciers de bevoegde autoriteiten van de lidstaat vanwaar zij de defensiegerelateerde producten willen overdragen, binnen een redelijke termijn in kennis stellen van hun voornemen om voor het eerst gebruik te maken van een algemene overdrachtsvergunning. De lidstaten kunnen de aanvullende gegevens vaststellen die kunnen worden geëist over defensiegerelateerde producten die met een overdrachtsvergunning worden overgedragen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat en controleren op gezette tijden of de leveranciers volgens de in de betrokken lidstaat gebruikelijke regelgeving een gedetailleerd en volledig overzicht van hun overdrachten bijhouden, en stellen de rapporteringseisen vast voor het gebruik van een algemene, globale of individuele overdrachtvergunning. Deze overzichten omvatten handelsbescheiden met de volgende informatie:

a)

de beschrijving van het defensiegerelateerde product en de referentie krachtens de bijlage;

b)

de hoeveelheid en waarde van het defensiegerelateerde product;

c)

de data van de overdracht;

d)

naam en adres van de leverancier en van de afnemer;

e)

indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van het defensiegerelateerde product; en

f)

het bewijs dat de informatie over een aan een overdrachtsvergunning verbonden uitvoerbeperking is meegedeeld aan de afnemer van deze defensiegerelateerde producten.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de leveranciers de in lid 3 bedoelde overzichten ten minste gedurende eenzelfde periode bewaren als is bepaald in relevante nationale regelgeving betreffende de eisen voor het bijhouden van gegevens door economische actoren die van kracht is in de respectieve lidstaat, en in ieder geval niet minder dan drie jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de overdracht heeft plaatsgehad. Zij worden voorgelegd op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat vanwaar de leverancier de defensiegerelateerde producten heeft overdragen.

Artikel 9

Certificering

1.   De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn voor de certificering van de op hun grondgebied gevestigde afnemers van defensiegerelateerde producten die onder overdrachtsvergunningen vallen die door andere lidstaten zijn gepubliceerd overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder b).

2.   Met de certificering wordt verklaard dat het afnemende bedrijf betrouwbaar is, met name dat het in staat is uitvoerbeperkingen na te komen van defensiegerelateerde producten die het in het kader van een overdrachtsvergunning uit een andere lidstaat afneemt. De betrouwbaarheid wordt aan de hand van de volgende criteria beoordeeld:

a)

bewezen ervaring in defensieactiviteiten, waarbij met name rekening wordt gehouden met het door het bedrijf nakomen van uitvoerbeperkingen, gerechtelijke veroordelingen ter zake, de toestemming om defensiegerelateerde producten te vervaardigen of in de handel te brengen en de aanwezigheid van ervaren leidinggevend personeel;

b)

relevante industriële activiteit in defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap, met name het vermogen om systemen en subsystemen te integreren;

c)

de benoeming van een directielid dat persoonlijk verantwoordelijk is voor overdrachten en uitvoer;

d)

een door het in onder c) bedoelde directielid ondertekende schriftelijke verklaring van de onderneming dat deze alle noodzakelijke maatregelen zal nemen om te voldoen aan alle specifieke voorwaarden in verband met het eindgebruik en de uitvoer van elk afgenomen specifiek onderdeel of product;

e)

een door het in onder c) bedoelde directielid ondertekende schriftelijke verklaring van de onderneming dat deze de bevoegde autoriteiten bij verzoeken en onderzoeken met de benodigde zorgvuldigheid gedetailleerde informatie zal geven over de eindgebruikers of het eindgebruik van alle producten die deze onderneming in het kader van een algemene overdrachtvergunning van een andere lidstaat heeft uitgevoerd, overgedragen of afgenomen; en

f)

een door het in onder c) bedoelde directielid medeondertekende beschrijving van het interne programma tot naleving van de overdracht- en uitvoercontroleprocedure of het uitvoerbeheerssysteem van de onderneming. Deze beschrijving bevat details over de organisatorische, menselijke en technische hulpbronnen voor het beheer van overdrachten en uitvoer, de hiërarchieke verantwoordelijkheidsstructuur, interne auditprocedures, bewustmakings- en scholingmaatregelen voor het personeel, fysieke en technische veiligheidsmaatregelen, registratie en traceerbaarheid van overdrachten en uitvoer.

3.   De certificaten omvatten de volgende informatie:

a)

de bevoegde autoriteit die het certificaat afgeeft;

b)

de naam en het adres van de afnemer;

c)

een verklaring dat de afnemer aan de in lid 2 genoemde criteria voldoet; en

d)

de afgiftedatum en de geldigheidsperiode van het certificaat.

De onder d) bedoelde geldigheidsperiode van het certificaat mag in geen geval meer dan vijf jaar bedragen.

4.   De certificaten mogen nadere voorwaarden bevatten betreffende het volgende:

a)

de verschaffing van de noodzakelijke informatie om te controleren of aan de in lid 2 bedoelde criteria wordt voldaan;

b)

de schorsing of intrekking van het certificaat.

5.   De bevoegde autoriteiten controleren minstens om de drie jaar of de afnemer voldoet aan de in lid 2 bedoelde criteria en aan de eventuele aan de certificaten verbonden voorwaarden als bedoeld in lid 4.

6.   De lidstaten erkennen elk certificaat dat overeenkomstig deze richtlijn in een andere lidstaat is afgegeven.

7.   Indien een bevoegde autoriteit van oordeel is dat de houder van een certificaat, die op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat is gevestigd, niet meer aan de in lid 2 bedoelde criteria of een in lid 4 bedoelde voorwaarde voldoet, neemt zij passende maatregelen. Een van die maatregelen kan intrekking van het certificaat zijn. De bevoegde autoriteit stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van haar beslissing.

8.   De lidstaten publiceren een lijst van gecertificeerde afnemers, werken deze regelmatig bij en stellen de Commissie, het Europees Parlement en de andere lidstaten daarvan in kennis.

De Commissie maakt op haar website een centraal register van afnemers bekend die door de lidstaten gecertificeerd zijn.

Artikel 10

Uitvoerbeperkingen

De lidstaten zorgen ervoor dat afnemers van defensiegerelateerde producten bij het aanvragen van een uitvoervergunning, indien deze producten die in het kader van een overdrachtsvergunning uit een andere lidstaat zijn ontvangen aan uitvoerbeperkingen zijn verbonden, ten overstaan van hun bevoegde autoriteiten verklaren dat zij aan de voorwaarden van deze beperkingen hebben voldaan, eventueel met inbegrip van het feit dat zij van de lidstaat van oorsprong de vereiste toestemming hebben gekregen.

HOOFDSTUK IV

DOUANEPROCEDURES EN ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 11

Douaneprocedures

1.   De lidstaten zorgen dat de uitvoerder tijdens het vervullen van de formaliteiten voor de uitvoer van defensiegerelateerde producten, bij het voor de behandeling voor de uitvoeraangifte bevoegde douanekantoor het bewijs levert dat de vereiste uitvoervergunning is verleend.

2.   Onverminderd Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (10) mag een lidstaat tevens voor een periode van maximaal 30 werkdagen, de uitvoer vanaf zijn grondgebied van defensiegerelateerde producten die met een overdrachtvergunning uit een andere lidstaat zijn afgenomen en die in een ander defensiegerelateerd product zijn geïntegreerd, opschorten of, indien nodig, met andere middelen verhinderen dat zulke producten de Gemeenschap via zijn grondgebied verlaten, indien hij van oordeel is dat:

a)

bij de verlening van de uitvoervergunning geen rekening is gehouden met bepaalde relevante informatie; of

b)

sedert de verlening van de uitvoervergunning de omstandigheden wezenlijk zijn veranderd.

3.   De lidstaten mogen bepalen dat douaneformaliteiten voor de uitvoer van defensiegerelateerde producten slechts bij bepaalde douanekantoren mogen worden vervuld.

4.   Wanneer zij gebruikmaken van de in lid 3 geboden mogelijkheid, stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de desbetreffende douanekantoren. De Commissie maakt deze informatie bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 12

Uitwisseling van informatie

In verbinding met de Commissie treffen de lidstaten alle dienstige maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie tussen hun bevoegde nationale autoriteiten te bewerkstelligen.

HOOFDSTUK V

BIJWERKEN VAN DE LIJST VAN DEFENSIEGERELATEERDE PRODUCTEN

Artikel 13

Aanpassing van de bijlage

1.   De Commissie werkt de lijst van defensiegerelateerde producten in de bijlage zodanig bij dat ze strikt overeenkomt met de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen.

2.   Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 14

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 15

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Indien volgens een vergunningverlenende lidstaat een aanzienlijk risico bestaat dat een overeenkomstig artikel 9 gecertificeerde afnemer in een andere lidstaat niet zal voldoen aan een aan de algemene overdrachtsvergunning verbonden voorwaarde, of indien een vergunningverlenende lidstaat van oordeel is dat de openbare orde, de openbare veiligheid of zijn wezenlijke veiligheidsbelangen in het gedrang kunnen komen, stelt hij die andere lidstaat hiervan in kennis en verzoekt hij om het verifiëren van de situatie.

2.   Indien de in lid 1 bedoelde twijfel blijft bestaan, mag de vergunningverlenende lidstaat de werking van zijn algemene overdrachtsvergunning ten aanzien die afnemers tijdelijk opschorten. De lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis onder vermelding van de redenen voor die vrijwaringsmaatregel. De lidstaat die deze vrijwaringsmaatregel heeft genomen, mag besluiten de maatregel op te heffen indien hij die niet meer gerechtvaardigd acht.

Artikel 16

Sancties

De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn op overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen, met name indien valse of onvolledige informatie, vereist uit hoofde van artikel 8, lid 1, of artikel 10, over de naleving van uitvoerbeperkingen van een overdrachtvergunning is verstrekt. De lidstaten treffen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

Artikel 17

Toetsing en verslaglegging

1.   De Commissie brengt verslag uit over de door de lidstaten genomen maatregelen met het oog op de omzetting van deze richtlijn, en met name van de artikelen 9 tot en met 12 en artikel 15, uiterlijk 30 juni 2012.

2.   Uiterlijk 30 juni 2016 toetst de Commissie de uitvoering van deze richtlijn en brengt zij hierover verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad. Ze gaat vooral na of en in hoeverre de doelstellingen van de richtlijn verwezenlijkt zijn, onder meer wat de werking van de interne markt betreft. In haar verslag evalueert de Commissie de toepassing van de artikelen 9 tot en met 12 en artikel 15 van deze richtlijn, en onderzoekt zij de invloed ervan op de ontwikkeling van een Europese markt voor defensie-uitrusting en een Europese industriële en technologische defensiebasis, onder meer rekening houdend met de situatie van het midden- en kleinbedrijf. Indien nodig wordt bij het verslag een wetgevingsvoorstel gevoegd.

Artikel 18

Omzetting

1.   Uiterlijk 30 juni 2011 nemen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om aan deze richtlijn te voldoen en maken die bepalingen bekend. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van deze bepalingen.

Zij passen deze bepalingen toe met ingang van 30 juni 2012.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 20

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 6 mei 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

J. KOHOUT


(1)  Advies uitgebracht op 23 oktober 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van het Europees Parlement van op 16 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 april 2009.

(3)  PB L 88 van 29.3.2007, blz. 58.

(4)  PB L 338 van 9.12.1997, blz. 1.

(5)  PB L 256 van 13.9.1991, blz. 51.

(6)  PB L 121 van 15.5.1993, blz. 20.

(7)  PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

(8)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(10)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.


BIJLAGE

LIJST VAN DEFENSIEGERELATEERDE PRODUCTEN

ML1
Wapens met gladde loop met een kaliber van minder dan 20 mm, andere wapens en machinegeweren met een kaliber van 12,7 mm (kaliber 0,50 inch) of minder en toebehoren, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a)

Geweren, karabijnen, revolvers, pistolen, machinepistolen en machinegeweren:

Noot: In ML1.a) worden niet bedoeld:

1.

musketten, geweren en karabijnen die van voor het jaar 1938 dateren;

2.

replica’s van musketten, geweren en karabijnen waarvan de originelen van vóór het jaar 1890 dateren;

3.

revolvers, pistolen en machinegeweren die van vóór het jaar 1890 dateren en replica’s daarvan.

b)

Wapens met gladde loop, als hieronder:

1.

speciaal voor militair gebruik ontworpen wapens met gladde loop;

2.

andere wapens met gladde loop, als hieronder:

a)

van het volautomatische type;

b)

van het halfautomatische of pomptype.

c)

wapens waarbij gebruik wordt gemaakt van munitie zonder huls.

d)

geluiddempers, speciale statieven, klemmen, wapenvizieren en vlamonderdrukkers voor wapens bedoeld in ML1.a), ML1.b) of ML1.c).

Noot 1 In ML1 worden niet bedoeld wapens met gladde loop die worden gebruikt voor jacht- of sportdoeleinden. Dergelijke wapens mogen niet speciaal zijn ontworpen voor militair gebruik en ook niet volautomatisch zijn.

Noot 2 In ML1 worden niet bedoeld vuurwapens die speciaal zijn ontworpen voor exercitiemunitie en die geen enkele soort vergunningplichtige munitie kunnen afvuren.

Noot 3 In ML1 worden niet bedoeld wapens waarbij gebruik wordt gemaakt van randvuurmunitie en die niet volautomatisch zijn.

Noot 4 In ML1.d) worden niet bedoeld optische vizieren voor wapens zonder elektronische beeldverwerking, met een vergroting van 4 of minder, voor zover niet speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik.

ML2
Wapens met gladde loop met een kaliber van 20 mm of meer, andere wapens met een kaliber groter dan 12,7 mm (kaliber 0,50 inch), werpers en toebehoren daarvoor, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a)

Kanonnen, houwitsers, vuurmonden, mortieren, antitankwapens, projectielwerpers en raketlanceerinrichtingen, militaire vlammenwerpers, geweren, terugstootloze vuurmonden, wapens met gladde loop en signatuurreductietoestellen daarvoor.

Noot 1 ML2.a) omvat mede injectors, meetapparaten, opslagtanks en andere speciaal ontworpen onderdelen voor gebruik met vloeibare stuwstoffen voor in ML2.a) bedoelde apparatuur.

Noot 2 In ML2.a) worden niet bedoeld:

1.

musketten, geweren en karabijnen die van voor het jaar 1938 dateren;

2.

replica’s van musketten, geweren en karabijnen waarvan de originelen vóór 1890 zijn vervaardigd.

b)

Toestellen voor het gericht verspreiden of voortbrengen van rook, gas en pyrotechnische stoffen, voor militaire doeleinden.

Noot: In ML2.b) worden geen signaalpistolen bedoeld.

c)

Wapenvizieren.

ML3
Munitie en ontstekingsinstellingsinrichtingen, als hieronder, en speciaal daarvoor ontworpen:

a)

Munitie voor wapens genoemd in ML1, ML2 of ML12.

b)

Ontstekingsinstellingsinrichtingen die speciaal zijn ontworpen voor munitie genoemd in ML3.a).

Noot 1 Speciaal ontworpen onderdelen omvatten:

a)

van metaal of plastic gefabriceerde onderdelen zoals slaghoedjes, kogelmantels, schakels, geleibanden en metalen munitiedelen;

b)

wapeningsmechanismen, ontstekers, sensors en contacten voor exploding bridge wire;

c)

stroombronnen met een hoge eenmalige stootkracht;

d)

brandbare hulzen voor ladingen;

e)

submunitie waaronder granaatjes en mijnen en tot aan het doel geleide projectielen.

Noot 2 In ML3.a) worden niet bedoeld losse flodders (blankstar) en exercitiemunitie met geperforeerde huls.

Noot 3 In ML3.a) worden niet bedoeld patronen die speciaal zijn ontworpen voor de volgende doeleinden:

a)

het geven van signalen;

b)

het afschrikken van vogels; of

c)

het ontsteken van affakkelvlammen bij oliebronnen.

ML4
Bommen, torpedo’s, raketten, geleide projectielen, andere ontploffingsmechanismen en ladingen en toebehoren, als hieronder, speciaal ontworpen voor militair gebruik, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

NB: Voor geleidings- en navigatieapparatuur, zie ML11, noot 7.

a)

Bommen, torpedo's, granaten, rookbussen, raketten, mijnen, geleide projectielen, dieptebommen, vernielingsladingen, -toestellen en -sets, ‘pyrotechnische’ middelen, patronen en simulatoren (dat wil zeggen uitrusting die de kenmerken van een van deze goederen simuleert).

Noot: In ML4.a) worden ook bedoeld:

1.

rookgranaten, brandbommen en ontploffingsmechanismen;

2.

raketstraalpijpen en uit de ruimte terugkerende neuskegels.

b)

Uitrusting, speciaal ontworpen voor het hanteren, besturen, in werking stellen, eenmalig toedienen van energie, lanceren, leggen, vegen, ontsteken, misleiden, storen, detoneren of opsporen van in ML4.a) bedoelde voorwerpen.

Noot: In ML4.b) worden ook bedoeld:

1.

mobiele uitrusting voor het vloeibaar maken van gas, geschikt voor het produceren van 1 000 kg of meer vloeibaar gas per dag;

2.

drijvende elektrische stroomkabel geschikt voor het vegen van magnetische mijnen.

Technische noot:

Handapparatuur die qua ontwerp alleen geschikt is voor het detecteren van metalen voorwerpen en geen onderscheid kan maken tussen mijnen en andere metalen voorwerpen, wordt geacht niet speciaal ontworpen te zijn voor het detecteren van goederen bedoeld in ML4.a).

ML5
Vuurgeleidingssystemen en aanverwante alarm- en waarschuwingssystemen, en aanverwante systemen controle- en uitrichtingsapparatuur en apparatuur voor tegenmaatregelen, als hieronder, speciaal ontworpen voor militair gebruik en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

a)

Wapenvizieren, computers gebezigd bij bombardementen, geschutrichtapparaten en boordbesturingssystemen voor wapens.

b)

Systemen voor het opsporen, aanwijzen, verkennen of volgen van het doelwit en voor het bepalen van de schootsafstand; apparatuur voor opsporing, herkenning en identificatie; en apparatuur voor sensorintegratie.

c)

Apparatuur voor tegenmaatregelen voor goederen als bedoeld onder ML5.a) en ML5.b).

d)

Veldtest- en uitlijnapparatuur, speciaal ontworpen voor goederen als bedoeld onder ML5.a) en ML5.b).

ML6
Voertuigen en onderdelen daarvoor, als hieronder:

NB: Voor geleidings- en navigatieapparatuur, zie ML11, noot 7.

a)

Voertuigen en onderdelen daarvoor, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik.

Technische noot:

In ML6.a) omvat de term voertuigen tevens trailers.

b)

Alle voertuigen met wielaandrijving die geschikt zijn voor gebruik buiten de wegen en vervaardigd of voorzien zijn van materialen om ballistische bescherming te bieden tot niveau III (NIJ-norm 0108.01 van september 1985, of een vergelijkbare nationale norm) of beter.

NB: Zie ook ML13.a).

Noot 1 In ML6.a) worden ook bedoeld:

a)

tanks en andere militaire bewapende voertuigen en militaire voertuigen met voorzieningen voor het daarop monteren van vuurwapens of apparatuur voor het leggen van mijnen of voor het lanceren van munitie bedoeld onder ML4;

b)

gepantserde militaire voertuigen;

c)

amfibievoertuigen en voertuigen voor het doorwaden van diep water;

d)

bergingsvoertuigen en voertuigen voor het trekken of vervoeren van munitie of wapensystemen en aanverwante apparatuur voor ladingoverslag.

Noot 2 Onder speciale aanpassingen aan een in ML6.a) bedoeld voertuig voor militair gebruik wordt verstaan een structurele, elektrische of mechanische wijziging die inhoudt dat een onderdeel wordt vervangen door ten minste één speciaal ontworpen militair onderdeel. Deze componenten zijn onder meer:

a)

luchtbanden die speciaal zodanig zijn geconstrueerd dat zij kogelbestendig zijn of in leeggelopen toestand kunnen rijden;

b)

drukregelsystemen voor het oppompen van banden die van binnen uit een zich voortbewegend voertuig worden bediend;

c)

bepantsering van vitale delen (zoals brandstoftanks of de cabine van het voertuig);

d)

speciale versterkingsplaten of bevestigingspunten voor wapens;

e)

verduisteringslichten.

Noot 3 Onder ML6 worden niet bedoeld civiele automobielen of voertuigen, ontworpen of geschikt gemaakt voor geld- of waardetransporten, met bepantsering of ballistische bescherming.

ML7
Chemisch of biologisch toxisch materiaal, „stoffen voor oproerbeheersing”, radioactief materiaal, aanverwante apparatuur, onderdelen en materialen, als hieronder:

a)

Biologische en radioactieve stoffen, „aangepast voor gebruik in oorlogssituaties” teneinde slachtoffers te veroorzaken onder mensen en dieren, schade toe te brengen aan de werking van apparatuur, aan gewassen of aan het milieu.

b)

Stoffen voor chemische oorlogvoering, waaronder:

1.

Zenuwgassen:

a)

O-alkyl (gelijk aan of kleiner dan C10, met inbegrip van cycloalkyl) alkyl (methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl-)fosfonofluoridaten, zoals:

Sarin (GB): O-isopropylmethylfosfonofluoridaat (CAS 107-44-8); en tevens

Soman (GD): O-pinacolylmethylfosfonofluoridaat (CAS 96-64-0);

b)

O-alkyl (gelijk aan of kleiner dan C10, met inbegrip van cycloalkyl) N,N-dialkyl(methyl-, ehtyl-, n-propyl- of isopropyl-)fosforamidocyanidaten, zoals:

Tabun (GA): O-ethyl N,N-dimethylfosforamidocyanidaat (CAS 77-81-6);

c)

O-alkyl (H of gelijk aan of kleiner dan C10, inclusief cycloalkyl) S-2-dialkyl(methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl-)ami noethylalkyl (methyl-, ethyl-, n-propyl-, of isopropyl-)fosfonothiolaten en overeenkomstige gealkyleerde en geprotoneerde zouten zoals:

VX: O-ethyl S-2-diisopropylaminoethylmethylfosfonothiolaat (CAS 50782-69-9).

2.

Blaarvormende gassen:

a)

zwavelmosterdgassen, zoals:

1.

2-chloorethylchloormethylsulfide (CAS 2625-76-5);

2.

bis(2-chloorethyl)sulfide (CAS 505-60-2);

3.

bis(2-chloorethylthio)methaan (CAS 63869-13-6);

4.

1,2-bis(2-chloorethylthio)ethaan (CAS 3563-36-8);

5.

1,3-bis(2-chloorethylthio)-n-propaan (CAS 63905-10-2);

6.

1,4-bis(2-chloorethylthio)-n-butaan (CAS 142868-93-7);

7.

1,5-bis(2-chloorethylthio)-n-pentaan (CAS 142868-94-8);

8.

bis(2-chloorethylthiomethyl)ether (CAS 63918-90-1);

9.

bis(2-chloorethylthioethyl)ether (CAS 63918-89-8);

b)

lewisieten, zoals:

1.

2-chloorvinyldichloorarsine (CAS 541-25-3);

2.

tris(2-chloorvinyl)arsine (CAS 40334-70-1);

3.

bis(2-chloorvinyl)chloorarsine (CAS 40334-69-8);

c)

stikstofmosterdgassen, zoals:

1.

HN1: bis(2-chloorethyl)ethylamine (CAS 538-07-8);

2.

HN2: bis(2-chloorethyl)methylamine (CAS 51-75-2);

3.

HN3: tris(2-chloorethyl)amine (CAS 555-77-1).

3.

Verdovende gassen, zoals:

a)

3-chinuclidinylbenzilaat (BZ) (CAS 6581-06-2).

4.

Ontbladeringsmiddelen, zoals:

a)

Butyl 2-chloor-4-fluorofenoxyacetaat (LNF);

b)

2,4,5-trichloorfenoxyazijnzuur gemengd met 2,4-dichloorfenoxyazijnzuur (Agent Orange);

c)

Voorlopers voor binaire stoffen en sleutelvoorlopers voor chemische oorlogvoering, als hieronder:

1.

Alkyl (methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl-)fosfono-fluoridaten, zoals:

DF: methylfosfonyldifluoride (CAS 676-99-3);

2.

O-alkyl (H of gelijk aan of kleiner dan C10, inclusief cycloalkyl) 0-2-dialkyl- (methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl-) aminoethylalkyl(methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl-)fosfonieten en overeenkomstige gealkyleerde en geprotoneerde zouten zoals:

QL: O-ethyl S-2-diisopropylaminoethylmethylfosfoniet (CAS 57856-11-8);

3.

Chloorsarin: O-isopropylmethylfosfonochloridaat (CAS 1445-76-7);

4.

Chloorsoman: O-pinacolylmethylfosfonochloridaat (CAS 7040-57-5).

d)

„Stoffen voor oproerbeheersing”, chemische stoffen met werkzame bestanddelen en combinaties daarvan, waaronder:

1.

α-broombenzeenacetonitril (broombenzylcyanide) (CA) (CAS 5798-79-8);

2.

[(2-chloorfenyl)methyleen]propaandinitril, (o-chloorbenzylideenmalononitril (CS) (CAS 2698-41-1);

3.

2-chloor-1-phenylethanon, fenylacylchloride (ω-chlooracetofenon) (CN) (CAS 532-27-4);

4.

Dibenz-(b,f)-1,4-oxazefine (CR) (CAS 257-07-8);

5.

10-chloor-5,10-dihydrophenarsazine, (phenarsazinechloride), (adamsiet), (DM) (CAS 578-94-9);

6.

N-nonanoylmorfoline (MPA) (CAS 5299-64-9).

Noot 1 In ML7.d) worden niet bedoeld „stoffen voor oproerbeheersing” in individuele verpakkingen die zijn bedoeld voor zelfverdediging.

Noot 2 In ML7.d) worden niet bedoeld chemische stoffen met werkzame bestanddelen en combinaties daarvan die zijn bestemd en verpakt voor de productie van levensmiddelen of voor medische doeleinden.

e)

Apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, voor verspreiding van de volgende stoffen of middelen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

1.

stoffen of middelen bedoeld in ML7.a), ML7.b) of ML7.d); of

2.

stoffen voor chemische oorlogsvoering gemaakt uit voorlopers bedoeld in ML7.c).

f)

Veiligheids- en decontaminatieapparatuur, speciaal ontworpen onderdelen daarvoor, en speciaal samengestelde chemische mengsels, als hieronder:

1.

apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, voor bescherming tegen de in ML7.a), ML7.b) of ML7.d) bedoelde stoffen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor;

2.

apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, voor de decontaminatie van voorwerpen besmet met de in ML7.a) of ML7.b) bedoelde stoffen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor;

3.

chemische mengsels, speciaal ontwikkeld/samengesteld voor de decontaminatie van voorwerpen besmet met de in ML7.a) of ML7.b) bedoelde stoffen.

Noot: In ML7.f)1 worden ook bedoeld:

a)

luchtbehandelingseenheden, speciaal ontworpen of aangepast voor nucleaire, biologische of chemische filtratie;

b)

beschermende kleding.

NB: Voor civiele gasmaskers, veiligheids- en decontaminatieapparatuur, zie ook 1A004 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik.

g)

Apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, voor opsporing en identificatie van de in ML7.a), ML7.b) of ML7.d) bedoelde stoffen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

Noot: In ML7.g) worden niet bedoeld individuele dosismeters voor stralingscontrole.

NB: Zie ook 1A004 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik.

h)

„Biopolymeren”, speciaal ontworpen of bewerkt voor het opsporen en determineren van stoffen voor chemische oorlogsvoering als bedoeld in ML7.b) en de specifieke celkweken die worden gebruikt voor de vervaardiging daarvan.

i)

„Biokatalysatoren” voor het decontamineren en afbreken van stoffen voor chemische oorlogsvoering, en biologische systemen daarvoor, als hieronder:

1.

„biokatalysatoren”, speciaal ontworpen voor de decontaminatie en het afbreken van de in ML7.b) bedoelde stoffen voor chemische oorlogsvoering, welke het resultaat zijn van gerichte laboratoriumselectie of van genetische manipulatie van biologische systemen;

2.

biologische systemen, als hieronder: „expressievectoren”, virussen of celkweken, die de genetische informatie bevatten die specifiek is voor de productie van „biokatalysatoren” als bedoeld in ML7.i)1.

Noot 1 In ML7.b) en ML7.d) worden niet bedoeld:

a)

cyanogeenchloride(chloorcyaan) (CAS 506-77-4). Zie 1C450.a)5 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik;

b)

hydrogeencyanide (blauwzuur) (CAS 74-90-8);

c)

chloor (CAS 7782-50-5);

d)

carbonylchloride (fosgeen) (CAS 75-44-5). Zie 1C450.a)4 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik;

e)

difosgeen (trichloormethylchloorformiaat) (CAS 503-38-8);

f)

geschrapt;

g)

xylylbromide, ortho-: (CAS 89-92-9), meta: (CAS 620-13-3), para: (CAS 104-81-4);

h)

benzylbromide (CAS 100-39-0);

i)

benzyljodide (CAS 620-05-3);

j)

broomaceton (CAS 598-31-2);

k)

cyanogeenbromide (CAS 506-68-3);

l)

broommethylethylketon (CAS 816-40-0);

m)

chlooraceton (CAS 78-95-5);

n)

ethyljoodacetaat (CAS 623-48-3);

o)

joodaceton (CAS 3019-04-3);

p)

chloorpicrine (CAS 76-06-2). Zie 1C450.a)7 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik.

Noot 2 De in ML7.h) en ML7.i)2 genoemde celkweken en biologische systemen vormen een limitatieve opsomming en in deze rubrieken worden niet bedoeld cellen of biologische systemen voor civiele doeleinden, zoals toepassingen in de landbouw, farmaceutische industrie, op medisch, veterinair en milieuhygiënisch gebied, in het afvalbeheer en in de voedingsindustrie.

ML8
„Energetische materialen”, en aanverwante substanties, als hieronder:

NB: Zie ook 1C011 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik.

Technische noten:

1.

Stof die voorkomt in de ML8-rubrieken.

2.

Bedoeld in deze lijst zijn alle stoffen die voorkomen in de ML8-rubrieken, ook wanneer deze gebruikt worden in een andere toepassing dan vermeld. (Zo wordt TAGN voornamelijk als springstof gebruikt, maar kan deze stof ook als brandstof of oxidatiemiddel dienen.)

a)

„Springstoffen” als hieronder, en mengsels daarvan:

1.

ADNBF (aminodinitrobenzofuroxan of 7-amino-4-6-dinitrobenzofurazan-1-oxide (CAS 97096-78-1);

2.

BNCP (cis-bis(5-nitrotetrazolato) tetraaminekobalt (III) perchloraat) (CAS 117412-28-9);

3.

CL-14 (diaminodinitrobenzofuroxan of 5,7-diamino-4,6-dinitrobenzofurazaan-1-oxide (CAS 117907-74-1);

4.

CL-20 (HNIW of hexanitrohexaazaisowurtzitaan) (CAS 135285-90-4); chlatraten van CL-20 (zie ook ML8.g)3 en g)4 voor de „voorlopers”);

5.

CP (2(5-cyaantetrazolato) pentaaminekobalt (III) perchloraat) (CAS 70247-32-4);

6.

DADE (1,1-diamino-2,2-dinitroethyleen, FOX7);

7.

DATB (diaminotrinitrobenzeen) (CAS 1630-08-6);

8.

DDFP (1,4-dinitrodifurazanpiperazine);

9.

DDPO (2,6-diamino-3,5-dinitropyrazine-1-oxide, PZO) (CAS 194486-77-6);

10.

DIPAM (3,3′-diamino-2,2′,4,4′,6,6′-hexanitrobifenyl of dipicramide) (CAS 17215-44-0);

11.

DNGU (DINGU of dinitroglycoluril) (CAS 55510-04-8);

12.

Furazanen, als hieronder:

a)

DAAOF (diaminoazoxyfurazan);

b)

DAAzF (diaminoazofurazan) (CAS 78644-90-3);

13.

HMX en derivaten (zie ook ML8.g)5 voor de „voorlopers”), als hieronder:

a)

HMX (cyclotetramethyleentetranitramine, octahydro-1,3,5,7-tetranitro-1,3,5,7-tetrazine, 1,3,5,7-tetranitro-1,3,5,7-tetraza-cyclooctaan, octogen of octogeen) (CAS 2691-41-0);

b)

difluorgeamineerde analoga van HMX;

c)

K-55 (2,4,6,8-tetranitro-2,4,6,8-tetraazabicyclo[3,3,0]-octanon-3, tetranitrosemiglycouril of keto-bicylisch HMX) (CAS 130256-72-3);

14.

HNAD (hexanitroadamantaan) (CAS 143850-71-9);

15.

HNS (hexanitrostilbeen) (CAS 20062-22-0);

16.

Imidazolen, als hieronder:

a)

BNNII (Octahydro-2,5-bis(nitroimino)imidazo [4,5-d]imidazool);

b)

DNI (2,4-dinitroimidazool) (CAS 5213-49-0);

c)

FDIA (1-fluoro-2,4-dinitroimidazool);

d)

NTDNIA (N-(2-nitrotriazolo)-2,4-dinitroimidazool);

e)

PTIA (1-picryl-2,4,5-trinitroimidazool);

17.

NTNMH (1-(2-nitrotriazolo)-2-dinitromethyleenhydrazine);

18.

ΝΤΟ (ONTA of 3-nitro-1,2,4-triazool-5-on) (CAS 932-64-9);

19.

Polynitrocubanen met meer dan vier nitrogroepen;

20.

PYX (2,6-bis(picrylamino)-3,5-dinitropyridine) (CAS 38082-89-2);

21.

RDX en derivaten, als hieronder:

a)

RDX (cyclotrimethyleentrinitramine, cycloniet, T4, hexahydro-1,3,5-trinitro-1,3,5-triazine, 1,3,5-trinitro-1,3,5-triazacyclohexaan, hexogen of hexogeen) (CAS 121-82-4);

b)

Keto-RDX (K-6 of 2,4,6-trinitro-2,4,6-triazacyclohexanon) (CAS 115029-35-1);

22.

TAGN (triaminoguanidinenitraat) (CAS 4000-16-2);

23.

TATB (triaminotrinitrobenzeen) (CAS 3058-38-6) (zie ook ML8.g)7 voor de „voorlopers”);

24.

TEDDZ (3,3,7,7-tetrabis(difluoramine)octahydro-1,5-dinitro-1,5-diazocine);

25.

Tetrazolen, als hieronder:

a)

NTAT (nitrotriazoolaminotetrazool);

b)

NTNT (1-N-(2-nitrotriazolo)-4-nitrotetrazool);

26.

Tetryl (trinitrofenylmethylnitramine) (CAS 479-45-8);

27.

TNAD (1,4,5,8-tetranitro-1,4,5,8-tetraazadecaline) (CAS 135877-16-6) (zie ook ML8.g)6 voor de „voorlopers”);

28.

TNAZ (1,3,3-trinitroazetidine) (CAS 97645-24-4) (zie ook ML8.g)2 voor de „voorlopers”);

29.

TNGU (SORGUYL of tetranitroglycoluril) (CAS 55510-03-7);

30.

TNP (1,4,5,8-tetranitro-pyridazino[4,5-d]pyridazine) (CAS 229176-04-9);

31.

Triazinen, als hieronder:

a)

DNAM (2-oxy-4,6-dinitroamino-s-triazine) (CAS 19899-80-0);

b)

NNHT (2-nitroimino-5-nitro-hexahydro-1,3,5-triazine) (CAS 130400-13-4);

32.

Triazolen, als hieronder:

a)

5-azido-2-nitrotriazool;

b)

ADHTDN (4-amino-3,5-dihydrazino-1,2,4-triazooldinitramide) (CAS 1614-08-0);

c)

ADNT (1-amino-3,5-dinitro-1,2,4-triazool);

d)

BDNTA ([bis-dinitrotriazool]amine);

e)

DBT (3,3’-dinitro-5,5-bis-1,2,4-triazool) (CAS 30003-46-4);

f)

DNBT (dinitrobistriazool) (CAS 70890-46-9);

g)

NTDNA (2-nitrotriazool-5-dinitramide) (CAS 75393-84-9);

h)

NTDNT (1-N-(2-nitrotriazolo)-3,5-dinitrotriazool);

i)

PDNT (1-picryl-3,5-dinitrotriazool);

j)

TACOT (tetranitrobenzeentriazoolbenzeentriazool) (CAS 25243-36-1);

33.

Elke springstof die niet elders in ML8.a) is opgenomen met een detonatiesnelheid groter dan 8 700 m/s bij maximale dichtheid of een detonatiedruk in de schokgolf van groter dan 34 Gpa (340 kilobar);

34.

Andere organische springstoffen die niet elders in ML8.a) zijn opgenomen, die een detonatiedruk in de schokgolf van 25 Gpa (250 kilobar) of meer opleveren, en die gedurende vijf minuten of langer stabiel blijven bij een temperatuur van 523 K (250 oC) of hoger.

b)

„Stuwstoffen”, als hieronder:

1.

Elke vaste „stuwstof” uit VN-klasse 1.1 met een theoretische specifieke impuls (onder standaardomstandigheden) van meer dan 250 seconden bij niet-gemetalliseerde samenstellingen, of meer dan 270 seconden bij gealumineerde samenstellingen;

2.

Elke vaste „stuwstof” uit VN-klasse 1.3 met een theoretische specifieke impuls (onder standaardomstandigheden) van meer dan 230 seconden bij niet-gehalogeniseerde samenstellingen, 250 seconden bij niet-gemetalliseerde samenstellingen, of meer dan 266 seconden bij gemetalliseerde samenstellingen;

3.

„Stuwstoffen” met een krachtconstante groter dan 1 200 kJ/kg;

4.

„Stuwstoffen” die een onveranderlijke verbrandingssnelheid kunnen onderhouden groter dan 38 mm per seconde onder standaardomstandigheden (gemeten in de vorm van een geïnhibeerde enkele streng) van een druk van 6,89 Mpa (68,9 bar) en een temperatuur van 294 K (21 °C);

5.

Met elastomeer gemodificeerde gegoten „stuwstoffen” op basis van twee stuwstoffen (EMCDB) met een uitrekbaarheid bij maximale spanning groter dan 5 % bij 233 K (–40 °C);

6.

Elke „stuwstof” die in ML8.a) opgenomen substanties bevat.

c)

„Pyrotechnische stoffen” als hieronder, en mengsels daarvan:

1.

Brandstoffen voor vliegtuigen die speciaal voor militaire doeleinden zijn samengesteld;

2.

Alane (aluminiumhydride) (CAS 7784-21-6);

3.

Carboranen; decaboraan (CAS 17702-41-9); pentaboranen (CAS 19624-22-7 en 18433-84-6) en derivaten;

4.

Hydrazine en derivaten, als hieronder (zie ook ML8.d)8 en d)9 voor oxiderende hydrazinederivaten):

a)

hydrazine (CAS 302-01-2) in concentraties van 70 % of meer;

b)

monomethylhydrazine (CAS 60-34-4);

c)

symmetrisch dimethylhydrazine (CAS 540-73-8);

d)

asymmetrisch dimethylhydrazine (CAS 57-14-7);

5.

Metaalbrandstoffen in deeltjesvorm, hetzij bolvormig, verstoven, sferoïdisch, in vlokkenvorm of gemalen, vervaardigd uit materiaal dat voor 99 % of meer bestaat uit één of meer van de volgende stoffen:

a)

metalen en mengsels daarvan, als hieronder:

1.

beryllium (CAS 7440-41-7) met een deeltjesgrootte van 60 μm of minder;

2.

fijn ijzerpoeder (CAS 7439-89-6) met een deeltjesgrootte van 3 μm of minder, vervaardigd door reductie van ijzeroxide met waterstof;

b)

mengsels die één van de volgende stoffen bevatten:

1.

zirkonium (CAS 7440-67-7), magnesium (CAS 7439-95-4) en hun legeringen met een deeltjesgrootte van minder dan 60 μm;

2.

brandstoffen van borium (CAS 7440-42-8) of boriumcarbide (CAS 12069-32-8) met een zuiverheid van 85 % of hoger en een deeltjesgrootte van minder dan 60 μm;

6.

Militaire materialen welke verdikkingsmiddelen voor koolwaterstofbrandstoffen bevatten die speciaal zijn samengesteld voor gebruik in vlammenwerpers of pyrogene munitie, zoals metaalstearaten of -palminaten (bv. octal (CAS 637-12-7)) en M1, M2 en M3 verdikkingsmiddelen;

7.

Perchloraten, chloraten en chromaten, samengesteld met verpoederd metaal of andere brandstofcomponenten met hoge energie;

8.

Bolvormig aluminiumpoeder (CAS 7429-90-5) met een deeltjesgrootte van 60 μm of kleiner, vervaardigd van materiaal met een aluminiumgehalte van 99 % of meer;

9.

Titaansubhybride (TiHn) met de stoichiometriewaarde n = 0,65-1,68.

Noot 1 De in ML8.c)1 bedoelde brandstoffen voor vliegtuigen betreffen de eindproducten en niet de bestanddelen daarvan.

Noot 2 In ML8.c)4.a) zijn niet bedoeld hydrazinemengsels die speciaal zijn samengesteld voor corrosiebestrijding.

Noot 3 Explosieven en brandstoffen die de in ML8.c)5 vermelde metalen of legeringen bevatten zijn vergunningplichtig, ongeacht of de metalen of legeringen zijn ingekapseld in aluminium, magnesium, zirkonium of beryllium.

Noot 4 In ML8.c)5.b)2 worden niet bedoeld borium en boriumcarbide verrijkt met borium-10 (20 % of meer borium-10 bevattend).

d)

Oxidatiemiddelen als hieronder, en mengsels daarvan:

1.

ADN (ammoniumdinitramide of SR 12) (CAS 140456-78-6);

2.

AP (ammoniumperchloraat) (CAS 7790-98-9);

3.

Samenstellingen bestaande uit fluor en één of meer van de volgende stoffen:

a)

andere halogenen;

b)

zuurstof; of

c)

stikstof;

Noot 1 In ML8.d)3 is niet bedoeld chloortrifluoride. Zie 1C238 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik.

Noot 2 In ML8.d)3 is niet bedoeld stikstoftrifluoride in gasvormige toestand.

4.

DNAD (1,3-dinitro-1,3-diazetidine) (CAS 78246-06-7);

5.

HAN (hydroxylammoniumnitraat) (CAS 13465-08-2);

6.

HAP (hydroxylammoniumperchloraat) (CAS 15588-62-2);

7.

HNF (hydraziniumnitroformaat) (CAS 20773-28-8);

8.

Hydrazinenitraat (CAS 37836-27-4);

9.

Hydrazineperchloraat (CAS 27978-54-7);

10.

Vloeibare oxidatiemiddelen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit geïnhibeerd roodrokend salpeterzuur (IRFNA) (CAS 8007-58-7).

Noot: In ML8.d)10 is niet bedoeld niet-geïnhibeerd rokend salpeterzuur.

e)

Bindmiddelen, weekmakers, monomeren en polymeren, als hieronder:

1.

AMMO (azidomethylmethyloxetaan en de polymeren daarvan) (CAS 90683-29-7) (zie ook ML8.g)1 voor de „voorlopers”);

2.

BAMO (bisazidomethyloxetaan en de polymeren daarvan) (CAS 17607-20-4) (zie ook ML8.g)1 voor de „voorlopers”);

3.

BDNPA (bis(2,2-dinitropropyl)acetaal) (CAS 5108-69-0);

4.

BDNPF (bis(2,2-dinitropropyl)formal) (CAS 5917-61-3);

5.

BTTN (butaantriooltrinitraat (CAS 6659-60-5) (zie ook ML8.g)8 voor de „voorlopers”);

6.

Energetische monomeren, weekmakers en polymeren die nitro-, azido-, nitraat, nitraza- of difluoraminogroepen bevatten die speciaal voor militaire doeleinden zijn samengesteld;

7.

FAMAO (3-difluoroaminomethyl-3-azidomethyloxetaan) en de polymeren daarvan;

8.

FEFO (bis-(2-fluoro-2,2 dinitroethyl)formal) (CAS 17003-79-1);

9.

FPF-1 (poly-2,2,3,3,4,4-hexafluorpentaan-1,5-diol formal) (CAS 376-90-9);

10.

FPF-3 (poly-2,4,4,5,5,6,6-heptafluor-2-trifluormethyl-3-oxaheptaan-1,7-diol formal);

11.

GAP (glycidylazidepolymeer) (CAS 143178-24-9) en derivaten daarvan;

12.

HTPB (hydroxyl eindstandig polybutadieen) met een hydroxylfunctionaliteit gelijk aan of groter dan 2,2 en minder dan of gelijk aan 2,4, een hydroxylwaarde van minder dan 0,77 meq/g, en een viscositeit bij 30 °C van minder dan 47 poise (CAS 69102-90-5);

13.

Poly(epichloorhydrine) met een laag molecuulgewicht (minder dan 10 000) en voorzien van alcoholfuncties; poly(epichloorhydrinediol) en triol;

14.

NENAs (nitratoethylnitramineverbindingen) (CAS 17096-47-8, 85068-73-1, 82486-83-7, 82486-82-6 en 85954-06-9);

15.

PGN (poly-GLYN, polyglycidylnitraat of poly(nitratomethyloxiraan) (CAS 27814-48-8);

16.

Poly-NIMMO (polynitraatmethylmethyloxetaan) of poly-NMMO (poly[3-nitraatmethyl-3-methyloxetaan]) (CAS 84051-81-0);

17.

Polynitroorthocarbonaten;

18.

TVOPA (1,2,3-tris[1,2-bis(difluoramino)ethoxy]propaan of tris vinoxypropaanadduct (CAS 53159-39-0).

f)

Toevoegingen, als hieronder:

1.

Basisch kopersalicylaat (CAS 62320-94-9);

2.

BHEGA (bis-(2-hydroxyethyl) glycolamide) (CAS 17409-41-5);

3.

BNO (butadieennitriloxide) (CAS 9003-18-3);

4.

Ferroceenderivaten, als hieronder:

a)

butaceen (CAS 125856-62-4);

b)

catoceen (2,2-bis-ethylferrocenylpropaan) (CAS 37206-42-1);

c)

ferroceencarboxylzuren;

d)

n-butyl-ferroceen (CAS 31904-29-7);

e)

andere additiepolymeren van ferroceenderivaten;

5.

Lood-beta-resorcylaat (CAS 20936-32-7);

6.

Loodcitraat (CAS 14450-60-3);

7.

Lood/koperchelaten van betaresorcylaat of salicylaten (CAS 68411-07-4);

8.

Loodmaleaat (CAS 19136-34-6);

9.

Loodsalicylaat (CAS 15748-73-9);

10.

Loodstannaat (CAS 12036-31-6);

11.

MAPO (tris-1-(2-methyl) aziridinylfosfineoxide (CAS 57-39-6); BOBBA 8 (bis(2-methylaziridinyl)-2-(2-hydroxypropanoxy) propylaminofosfineoxide); en andere MAPO-derivaten;

12.

Methyl BAPO (bis(2-methylaziridinyl)methylaminofosfineoxide (CAS 85068-72-0);

13.

N-methyl-p-nitroaniline (CAS 100-15-2);

14.

3-nitraza-1,5-pentaandiisocyanaat (CAS 7406-61-9);

15.

Organometaal-koppelaars, als hieronder:

a)

neopentyl[diallyl] oxy, tri [dioctyl]fosfaattitanaat (CAS 103850-22-2); ook wel bekend onder de benaming titaan IV, 2,2[bis 2-propenolato-methyl, butanolaat, tris(dioctyl) fosfato] (CAS 110438-25-0); of LICA 12 (CAS 103850-22-2);

b)

titaan IV [(2-propenolato-1)methyl, n-propanolatomethyl]butanolaat-1, tris[dioctyl]pyrofosfaat of KR3538;

c)

titaan IV [(2-propenolato-1)methyl, n-propanolatomethyl]butanolaat-1, tris(dioctyl)fosfaat;

16.

Polycyaandifluoraminoethyleenoxide;

17.

Polyfunctionele aziridineamiden: met ketenstructuren van isoftaalzuur, trimesinezuur (BITA of butyleeniminetrimesamide), isocyanuurzuur of trimethyladipinezuur en 2-methyl of 2-ethylsubstituenten aan de aziridine ring;

18.

Propyleenimine (2-methylaziridine) (CAS 75-55-8);

19.

Superfijn ijzeroxide (Fe2O3) met een specifiek oppervlak groter dan 250 m2/g en een gemiddelde deeltjesgrootte van 3,0 nm of kleiner;

20.

TEPAN (tetraethyleenpentamineacrylnitril) (CAS 68412-45-3); gecyaanethyleerde polyamines en de zouten daarvan;

21.

TEPANOL (tetraethyleenpentamineacrylnitrilglycidol) (CAS 68412-46-4); cyaanethyl-gesubstitueerde polyamines geaddeerd met glycidol en de zouten daarvan;

22.

TBP (trifenylbismut) (CAS 603-33-8).

g)

„Voorlopers”, als hieronder:

NB: In ML8.g) zijn 3 bedoeld uit deze substanties vervaardigde „Energetische materialen” die onder de vergunningplicht vallen.

1.

BCMO (bischloormethyloxetaan) (CAS 142173-26-0) (zie ook ML8.e)1 en e)2);

2.

Dinitroazetidine-t-butylzout (CAS 125735-38-8) (zie ook ML8.a)28);

3.

HBIW (hexabenzylhexaazaisowurtzitaan) (CAS 124782-15-6) (zie ook ML8.a)4);

4.

TAIW (tetraacetyldibenzylhexaazaisowurtzitaan) (zie ook ML8.a)4);

5.

TAT (1,3,5,7-tetraacetyl-1,3,5,7, -tetraaza-cyclooctaan) (CAS 41378-98-7) (zie ook ML8.a)13);

6.

1,4,5,8-tetraazadecaline (CAS 5409-42-7) (zie ook ML8.a)27);

7.

1,3,5 trichloorbenzeen (CAS 108-70-3) (zie ook ML8.a)23);

8.

1,2,4 trihydroxybutaan (1,2,4 butaantriol) (CAS 3068-00-6) (zie ook ML8.e)5).

Noot 5 Voor ladingen en mechanismen, zie ML4.

Noot 6 De volgende stoffen, wanneer niet samengesteld of gemengd met het „energetisch materiaal” vermeld in ML8.a) of metalen in poedervorm vermeld in ML8.c), zijn niet bedoeld in ML8:

a)

Ammoniumpicraat;

b)

Zwart kruit;

c)

Hexanitrodifenylamine;

d)

Difluoramine;

e)

Nitrostijfsel;

f)

Kaliumnitraat;

g)

Tetranitronaftaleen;

h)

Trinitroanisol;

i)

Trinitronaftaleen;

j)

Trinitroxyleen;

k)

N-pyrrolidinon; 1-methyl-2-pyrrolidinon;

l)

Dioctylmaleaat;

m)

Ethylhexylacrylaat;

n)

Triethylaluminium (TEA), trimethylaluminium (TMA) en andere pyrofore metaalalkylen en metaalarylen van lithium, natrium, magnesium, zink en borium;

o)

Nitrocellulose;

p)

Nitroglycerine (of glyceroltrinitraat, trinitroglycerine) (NG);

q)

2,4,6-trinitrotolueen (TNT);

r)

Ethyleendiaminedinitraat (EDDN);

s)

Pentaerytritoltetranitraat (PETN);

t)

Loodazide, normaal en basisch loodstyfnaat, en primaire explosieven of ontstekingsmengsels die aziden of azidecomplexen bevatten;

u)

Triethyleenglycoldinitraat (TEGDN);

v)

2,4,6-trinitroresorcinol (styfninezuur);

w)

Diethyldifenylureum; dimethyldifenylureum; metylethyldifenylureum [Centralites];

x)

N,N-difenylureum (asymmetrisch difenylureum);

y)

Methyl-N,N-difenylureum (asymmetrisch methyldifenylureum);

z)

Methyl-N,N-difenylureum (asymmetrisch methyldifenylureum);

aa)

2-nitrodifenylamine (2-NDPA);

bb)

4-nitrodifenylamine (4-NDPA);

cc)

2,2-dinitropropanol;

dd)

Nitroguanidine (zie 1C011.d) op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik).

ML9
Oorlogsschepen, speciale scheepsuitrusting en toebehoren, als hieronder, en onderdelen daarvoor, speciaal ontworpen voor militair gebruik:

NB: Voor geleidings- en navigatieapparatuur, zie ML11, noot 7.

a)

Gevechtsvaartuigen of vaartuigen speciaal ontworpen of aangepast voor offensieve of defensieve actie (zowel oppervlakteschepen als onderzeeboten), al dan niet omgebouwd voor niet-militair gebruik en ongeacht de staat van onderhoud of de gebruiksconditie, en al dan niet voorzien van systemen voor het lanceren van wapens of voorzien van bepantsering, alsmede rompen of delen van rompen voor deze schepen.

b)

Motoren en voortstuwingssystemen, als hieronder:

1.

Dieselmotoren, speciaal ontworpen voor onderzeeboten met beide onderstaande kenmerken:

a)

een uitgangsvermogen van 1,12 MW (1 500 pk) of meer; en tevens

b)

een omwentelingssnelheid van 700 omwentelingen per minuut of meer;

2.

Elektromotoren, speciaal ontworpen voor onderzeeboten met alle volgende kenmerken:

a)

een uitgangsvermogen van meer dan 0,75 MW (1 000 pk);

b)

snel omkeerbaar;

c)

met vloeistofkoeling; en tevens

d)

geheel gesloten;

3.

Niet-magnetische dieselmotoren met een uitgangsvermogen van 37,3 kW (50 pk) of meer, speciaal ontworpen voor militair gebruik en met een niet-magnetisch gehalte van meer dan 75 % van het totale gewicht;

4.

Speciaal voor onderzeeërs ontworpen luchtonafhankelijke voortstuwingssystemen.

Technische noot:

„Luchtonafhankelijke voortstuwing” („air independent propulsion” (AIP)) maakt het voor een onderzeeër mogelijk zijn voortstuwingssysteem zonder toegang tot atmosferische zuurstof te gebruiken gedurende een langere periode dan met accu’s mogelijk zou zijn. Dit omvat niet kernenergie.

c)

Toestellen voor opsporing onder water, speciaal ontworpen voor militair gebruik, en besturingsapparaten daarvoor.

d)

Onderzeeboot- en torpedonetten.

e)

Niet gebruikt.

f)

Doorvoeren of doorvoerkoppelingen voor rompen, speciaal ontworpen voor militair gebruik waardoor interactie mogelijk is met apparatuur buiten het schip.

Noot: In ML9.f) zijn mede bedoeld doorvoerkoppelingen voor vaartuigen van het ééndraads-, meerdraads-, coaxiaalkabel of golfgeleiderstype, en doorvoeren voor rompen, beide geschikt om bij een onderwaterdiepte groter dan 100 m ondoordringbaar te blijven voor lekkage van buitenaf en met behoud van de vereiste eigenschappen, alsmede vezeloptische doorvoerkoppelingen en optische doorvoeren voor rompen speciaal ontworpen voor de transmissie van „laser”-bundels ongeacht de diepte. Niet bedoeld worden gewone doorvoeren voor rompen voor voortstuwingsaandrijfassen en hydrodynamische besturingsstangen.

g)

Geruisloze kogellagers, met gas of magnetische ophanging of met actieve onderdrukkingsregelingen van herkenningstekens of trillingen, en apparatuur welke deze lagers bevat, speciaal ontworpen voor militair gebruik.

ML10
„Vliegtuigen”, „lichter dan luchttoestellen”, luchtvaartuigen voor onbemand gebruik, vliegtuigmotoren, en uitrusting voor „vliegtuigen”, aanverwante uitrustingsstukken en onderdelen, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, als hieronder:

NB: Voor geleidings- en navigatieapparatuur, zie ML11, noot 7.

a)

Gevechts-„vliegtuigen” en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

b)

Andere „vliegtuigen” en „lichter dan luchttoestellen”, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, zoals het uitvoeren van militaire verkenningsvluchten, aanvalsvluchten, militaire opleidingen, troepenverplaatsingen en het afwerpen van troepen of militaire uitrustingsstukken, logistieke ondersteuning, alsmede speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

c)

Onbemande luchtvaartuigen en aanverwante apparatuur speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

1.

onbemande luchtvaartuigen, met inbegrip van op afstand geleide luchtvaartuigen (RPV's), autonome, programmeerbare luchtvaartuigen en ‘lichter dan luchttoestellen’;

2.

aanverwante lanceerinrichtingen en ondersteuningsapparatuur op de grond;

3.

aanverwante apparatuur voor commando en besturing.

d)

Vliegtuigmotoren, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

e)

Uitrusting bestemd voor gebruik in de lucht, met inbegrip van uitrusting voor het in de lucht bijvullen van brandstof, speciaal ontworpen voor gebruik met de in ML10.a) en ML10.b) bedoelde „vliegtuigen” of met de in ML10.d) bedoelde vliegtuigmotoren, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

f)

Toestellen werkend onder druk voor het bijvullen van brandstof, uitrustingsstukken voor deze toestellen, apparatuur speciaal ontworpen voor het kunnen verrichten van werkzaamheden in beperkte ruimten, en grondmaterieel, speciaal ontwikkeld voor de hierboven in ML10.a) en ML10.b) bedoelde „vliegtuigen” of voor de hierboven in ML10.d) bedoelde vliegtuigmotoren.

g)

Militaire valhelmen en veiligheidsmaskers en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor, ademhalingstoestellen werkend bij overdruk, en partiële drukkleding voor gebruik in „vliegtuigen”, anti-g-kleding, toestellen (convertors) voor het omzetten van vloeibare zuurstof in gasvormige voor „vliegtuigen” of projectielen, en katapulten en schietstoelen voor redding van bemanning uit „vliegtuigen”.

h)

Parachutes en aanverwante uitrustingsstukken voor gevechtstroepen en voor het afwerpen van lading, en remparachutes voor „vliegtuigen”, als hieronder, en daarvoor speciaal ontworpen onderdelen:

1.

parachutes voor:

a)

het met uiterste precisie afwerpen van commando’s;

b)

het afwerpen van parachutisten;

2.

parachutes voor het afwerpen van vracht;

3.

zweefparachutes, remparachutes, stabilisatieparachutes voor het stabiliseren en het regelen van de stand van vallende lichamen (bijvoorbeeld te bergen capsules, schietstoelen, bommen);

4.

stabilisatieparachutes voor gebruik met schietstoelsystemen voor het inwerkingstellen en regelen van de volgorde van opblazen van noodparachutes;

5.

bergingsparachutes voor geleide projectielen, radiografisch bestuurde luchtvaartuigen en ruimtevaarttuigen;

6.

aanvliegparachutes en remparachutes voor gebruik bij landingen;

7.

andere militaire parachutes;

8.

uitrustingstukken speciaal ontworpen voor parachutisten die van grote hoogte springen (bijvoorbeeld pakken, speciale helmen, ademhalingssystemen, navigatieapparatuur).

i)

Automatische besturingssystemen voor aan een parachute afgeworpen ladingen; apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, voor het gestuurd openen van de parachute bij sprongen van willekeurige hoogte, met inbegrip van zuurstofapparatuur.

Noot 1 In ML10.b) zijn niet bedoeld „vliegtuigen” of varianten van deze „vliegtuigen”, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, die:

a)

niet zijn geconfigureerd voor militair gebruik en niet zijn uitgerust met apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik; en tevens

b)

zijn gecertificeerd voor civiel gebruik door de civiele luchtvaartautoriteiten in een lidstaat van het Wassenaar Arrangement.

Noot 2 In ML10.d) zijn niet bedoeld:

a)

vliegtuigmotoren, ontworpen of aangepast voor militair gebruik, die zijn gecertificeerd door de civiele luchtvaartautoriteiten in een lidstaat van het Wassenaar Arrangement voor gebruik in „civiele vliegtuigen”, of speciaal ontworpen onderdelen daarvoor;

b)

zuigermotoren of speciaal ontworpen onderdelen daarvoor, behalve die welke speciaal ontworpen zijn voor onbemande luchtvaartuigen.

Noot 3 Met de in ML10.b) en ML10.d) bedoelde speciaal ontworpen onderdelen en aanverwante apparatuur voor niet-militaire „vliegtuigen” of voor militair gebruik aangepaste vliegtuigmotoren worden uitsluitend die militaire onderdelen en aanverwante militaire apparatuur bedoeld die noodzakelijk zijn voor de aanpassing voor militair gebruik.

ML11
Elektronische apparatuur die nergens anders in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen is bedoeld, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a)

Elektronische apparatuur die speciaal is ontworpen voor militair gebruik.

Noot: In ML11 worden ook bedoeld:

1.

elektronische apparatuur voor het hinderen en tegenhinderen (ECM- en ECCM-apparatuur, dat wil zeggen apparatuur, ontworpen om vreemde of onjuiste signalen in te voeren in radar of radiocommunicatieontvangers of om op andere wijze de ontvangst, werkzaamheid of doeltreffendheid van vijandelijke elektronische ontvangers en hun apparatuur voor tegenmaatregelen te hinderen);

2.

buizen met frequency agility;

3.

elektronische systemen of apparatuur ontworpen voor ofwel het observeren en volgen van het elektromagnetisch spectrum voor militaire inlichtingen of veiligheidsdoeleinden, ofwel het tegengaan van dergelijke observatie- en volgactiviteiten;

4.

apparatuur voor tegenmaatregelen voor onderwatergebruik, met inbegrip van apparatuur voor het akoestisch en magnetisch hinderen en misleiden, speciaal ontworpen om vreemde of onjuiste signalen in te voeren in sonarontvangtoestellen;

5.

beveiligingsapparatuur voor gegevensverwerking, voor gegevens en voor transmissie- en signaallijnen, waarbij gebruik wordt gemaakt van coderingsprocedures;

6.

apparatuur voor identificatie, authentificatie en het invoeren van identificatiesleutels en apparatuur voor het beheren, vervaardigen en distribueren van identificatiesleutels;

7.

geleidings- en navigatieapparatuur;

8.

digitale transmissieapparatuur voor troposcatter-radiocommunicatie;

9.

speciaal voor Signals Intelligence ontworpen digitale demodulatoren.

b)

Apparatuur voor het storen van wereldwijde satellietnavigatiesystemen (GNSS).

ML12
Hoge kinetische energiewapensystemen (high velocity kinetic weapon systems) en aanverwante apparatuur, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a)

Kinetische energiewapensystemen, speciaal ontworpen ter vernietiging of ter bewerkstelliging van vroegtijdige missiebeëindiging van een doelwit.

b)

Speciaal ontworpen test- en evaluatievoorzieningen en testmodellen, met inbegrip van diagnostische instrumenten en doelwitten, voor het dynamisch testen van kinetische energieprojectielen en -systemen.

NB: Voor wapensystemen die submunitie gebruiken of alleen werken met chemische voortstuwing en munitie daarvoor, zie ML1 tot en met ML4.

Noot 1 In ML12 zijn mede de onderstaande systemen bedoeld wanneer deze speciaal zijn ontworpen voor kinetische energiewapensystemen:

a)

lanceervoortstuwingssystemen geschikt om een massa groter dan 0,1 g te versnellen tot een snelheid hoger dan 1,6 km/s, bij enkelschots- of snelvuurstand;

b)

apparatuur voor de opwekking van primaire energie, voor elektronische bewapening, energieopslag, thermische beheersing, conditionering, schakelingen en brandstofbehandeling; en elektrische verbindingsdelen tussen energiebron, kanon en andere elektrische aandrijffuncties van de toren;

c)

systemen voor het bereiken en opsporen van doelwitten, voor vuurleiding en voor schadevaststelling;

d)

systemen voor doelzoeken, geleiden en koersverleggende voortstuwing (laterale versnelling) voor projectielen.

Noot 2 In ML12 zijn bedoeld wapensystemen waarbij één of meer van de volgende voorstuwingsmethoden worden gebruikt:

a)

elektromagnetisch;

b)

elektrothermisch;

c)

plasma;

d)

licht gas; of

e)

chemisch (wanneer gebruikt in combinatie met één van bovenstaande methoden).

ML13
Gepantserde of beschermende apparatuur en onderdelen, als hieronder:

a)

Pantserplaten als hieronder:

1.

gefabriceerd om te voldoen aan een militaire standaard of specificatie; of

2.

geschikt voor militair gebruik.

b)

Combinaties en constructies van metallische en niet-metallische materialen speciaal ontworpen voor ballistische bescherming van militaire systemen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

c)

Helmen welke voldoen aan militaire standaarden of specificaties, of vergelijkbare nationale standaarden, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor, d.w.z. helmschaal, helmvoering en kussentjes.

d)

Kogelvrije kleding en beschermende kleding welke voldoen aan militaire standaarden of specificaties, of gelijkwaardig, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen.

Noot 1 In ML13.b) zijn mede bedoeld materialen speciaal ontworpen voor het vormen van op explosie reagerende pantsering of voor het construeren van militaire schuilplaatsen.

Noot 2 In ML13.c) zijn niet bedoeld conventionele stalen helmen welke niet zijn uitgerust met, of ontworpen of aangepast voor het bergen van enig hulptoestel.

Noot 3 In ML13c) en d) zijn niet bedoeld helmen, kogelvrije kleding en beschermende kleding die de gebruiker bij zich heeft voor zijn eigen bescherming.

Noot 4 De enige onder ML13 vallende helmen voor personeel dat bommen demonteert, zijn die welke speciaal voor militair gebruik zijn ontworpen.

NB 1: Zie ook 1A005 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik.

NB 2: Voor „stapel- en continuvezelmateriaal” dat gebruikt wordt voor de vervaardiging van kogelvrije kleding, zie 1C010 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik.

ML14
Speciaal militair oefenmaterieel of apparatuur voor het nabootsen van militaire scenario’s, simulatoren speciaal ontworpen voor opleiding in het gebruik van vuurwapens of andere wapens die onder ML1 of ML2 vallen, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor.

Technische noot:

De uitdrukking „speciaal militair oefenmaterieel” omvat onder meer militaire aanvalstrainers, trainers voor operationele vluchten, trainers voor radardoelen, radardoelgeneratoren, toestellen voor schietoefeningen, trainingstoestellen voor duikbootbestrijding, vluchtnabootsers (waaronder centrifuges geschikt voor mensen voor de training van piloten en astronauten), radartrainingstoestellen, trainingstoestellen voor het vliegen op instrumenten, navigatietrainingstoestellen, trainers voor het lanceren van raketten, richtapparatuur, onbemande „vliegtuigen”, trainingstoestellen voor het gebruik van wapens en voor het besturen van onbemande „vliegtuigen”, mobiele trainingseenheden alsmede oefenmaterieel voor militaire grondoperaties.

Noot 1 ML14 omvat mede systemen voor kunstmatige beeldontwikkeling (SIG) en interactieve omgevingssystemen voor simulatoren wanneer deze speciaal zijn ontworpen of geschikt gemaakt voor militair gebruik.

Noot 2 In ML14 is niet bedoeld apparatuur die speciaal ontworpen is voor oefening in het gebruik van jacht- of sportwapens.

ML15
Beeldvormingsapparatuur en apparatuur voor tegenmaatregelen, als hieronder, speciaal ontworpen voor militair gebruik, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

a)

Opnameapparatuur en beeldverwerkingsapparatuur.

b)

Camera’s, fotografische apparatuur en apparatuur voor het bewerken van films.

c)

Beeldversterkerapparatuur.

d)

Infrarood- en warmtebeeldapparatuur.

e)

Apparatuur met beeldradarsensoren.

f)

Apparatuur voor hinderen en tegenhinderen voor de apparatuur bedoeld in ML15.a) tot en met ML15.e).

Noot: In ML15.f) is mede begrepen apparatuur ontworpen om de werking of doeltreffendheid van militaire beeldvormingssystemen te hinderen of voor het minimaliseren van een dergelijke hinderende uitwerking.

Noot 1 Het begrip „speciaal ontworpen onderdelen” omvat onder andere het volgende, mits speciaal voor militair gebruik ontworpen:

a)

infraroodbeeldomvormerbuizen;

b)

beeldversterkerbuizen (niet zijnde van de eerste generatie);

c)

microkanaalplaten;

d)

televisiecamerabuizen voor lage lichtintensiteiten;

e)

detector arrays (met inbegrip van elektronische verbindings- of uitleessystemen);

f)

pyro-elektrische televisiecamerabuizen;

g)

koelsystemen voor beeldvormingssystemen;

h)

elektrisch aangestuurde sluiters van het fotochrome of elektro-optische type met een sluitertijd van minder dan 100 microseconde, met uitzondering van sluiters welke een wezenlijk onderdeel uitmaken van hogesnelheidscamera’s;

i)

vezeloptische beeldomvormers;

j)

fotokathoden met samengestelde halfgeleiders.

Noot 2 In ML15 zijn niet bedoeld „eerstegeneratiebeeldversterkerbuizen” of apparatuur die speciaal is ontworpen voor het bevatten van „eerstegeneratiebeeldversterkerbuizen”.

NB: Voor wapenvizieren met „eerstegeneratiebeeldversterkerbuizen”, zie ML1, ML2 en ML5.a).

NB: Zie ook 6A002.a)2 en 6A002.b) op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik.

ML16
Smeedstukken, gietstukken en andere halffabrikaten waarvan het gebruik in een in deze militaire lijst bedoeld product identificeerbaar is door de compositie, geometrie of functie van het materiaal, en welke speciaal ontworpen zijn voor de producten welke bedoeld zijn in ml1 tot en met ML4, ML6, ML9, ML10, ML12 of ML19.

ML17
Militaire uitrustingsstukken, materialen en bibliotheekprogramma’s, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a)

Geheel zelfstandig werkende toestellen voor het duiken en zwemmen onder water, als hieronder:

1.

toestellen met gesloten en met halfgesloten kringloop (herinademingstoestellen) speciaal ontworpen voor militair gebruik (d.w.z. speciaal ontworpen als zijnde niet-magnetisch);

2.

onderdelen speciaal ontworpen voor de ombouw van toestellen met open kringloop tot toestellen voor militair gebruik;

3.

artikelen die uitsluitend zijn ontworpen voor militair gebruik met bovengenoemde geheel zelfstandig werkende toestellen voor duiken en zwemmen onder water.

b)

Constructieapparatuur, speciaal ontworpen voor militair gebruik.

c)

Uitwendige hulpstukken, bekledingen en bewerkingen voor het onderdrukken van herkenningstekens, speciaal ontworpen voor militair gebruik.

d)

Technische veldapparatuur, speciaal ontworpen voor gebruik in een gevechtszone.

e)

„Robots”, en besturingsapparatuur en „eindeffectoren” voor „robots”, met één of meer van de volgende kenmerken:

1.

speciaal ontworpen voor militair gebruik;

2.

met de middelen om de hydraulische leidingen te beschermen tegen van buitenaf toegebrachte gaatjes veroorzaakt door ballistische scherven (bijvoorbeeld met zelfdichtende leidingen) en ontworpen voor gebruik van hydraulische vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 839 K (566 °C); of

3.

speciaal ontworpen of gespecificeerd om te werken in een omgeving met elektromagnetische impulsen (EMP).

f)

Bibliotheekprogramma’s (parametrische technische gegevensbestanden), speciaal ontworpen voor militair gebruik met apparatuur bedoeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen.

g)

Apparatuur voor het opwekken van nucleaire energie of voortstuwingsapparatuur, met inbegrip van „kernreactors”, speciaal ontworpen voor militair gebruik en onderdelen daarvoor, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik.

h)

Apparatuur en materiaal bekleed of behandeld voor het onderdrukken van herkenningstekens, speciaal ontworpen voor militair gebruik, andere dan die reeds elders in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen bedoeld.

i)

Simulators speciaal ontworpen voor militaire „kernreactors”.

j)

Mobiele reparatiewerkplaatsen speciaal ontworpen of aangepast voor het onderhouden van militaire apparatuur.

k)

Veldgeneratoren speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik.

l)

Containers speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik.

m)

Veerboten die nergens anders in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen voorkomen, bruggen en pontons, speciaal ontworpen voor militair gebruik.

n)

Testmodellen speciaal ontworpen voor de „ontwikkeling” van goederen die vallen onder ML4, ML6, ML9 of ML10.

o)

Apparatuur ter bescherming tegen laserstralen (bijvoorbeeld om ogen of sensoren te beschermen), speciaal ontworpen voor militair gebruik.

Technische noten:

1.

In ML17 wordt onder de uitdrukking ‘bibliotheekprogramma's’ (parametrische technische gegevensbestanden) verstaan een verzameling technische gegevens van militaire aard, welker raadpleging de prestaties van militaire uitrusting of systemen kan verhogen.

2.

In ML17 betekent „aangepast” een structurele, elektrische, mechanische of andere wijziging die goederen voor niet-militair gebruik militaire vermogens verleent die gelijkwaardig zijn aan die van goederen die speciaal voor militair gebruik zijn ontworpen.

ML18
Apparatuur en technologie voor de productie van goederen die vallen onder de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, als hieronder:

a)

Speciaal ontworpen of aangepaste productieapparatuur voor de productie van goederen bedoeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

b)

Speciaal ontworpen voorzieningen voor omgevingsproeven en speciaal ontworpen apparatuur daarvoor, voor het verkrijgen van een certificaat of bewijs van geschiktheid voor, of voor het testen van producten bedoeld in de gemeenschappelijke Europese Unie lijst van militaire goederen.

Technische noot:

In ML18 omvat de term „productie” ontwikkeling, onderzoek, vervaardiging, testen en controleren.

Noot: ML18.a) en ML18.b) omvatten mede de volgende apparatuur:

a)

nitratoren van het continue type;

b)

centrifugale testapparatuur of apparatuur met één of meer van de volgende kenmerken:

1.

aangedreven door een motor of door motoren met een vastgesteld vermogen van meer dan 298 kW (400 pk);

2.

in staat om een nuttige last van 113 kg of meer te dragen; of

3.

in staat om een centrifugale versnelling van 8 g of meer uit te oefenen op een nuttige last van 91 kg of meer;

c)

dehydratiepersen;

d)

schroefextrusiemachines, speciaal ontworpen of aangepast voor de extrusie van militaire explosieven;

e)

snijmachines voor het op maat maken van geëxtrudeerde stuwstoffen;

f)

„sweetie” polijsttrommels (tuimelinrichtingen) met een doorsnede van 1,85 m of meer en met een productcapaciteit van meer dan 227 kg;

g)

continumengapparatuur voor vaste stuwstoffen;

h)

stromingsmolens voor het polijsten of slijpen van de bestanddelen van militaire explosieven;

i)

apparatuur voor het verkrijgen van zowel bolvormigheid als eenvormige deeltjesgrootte van metaalpoeders als genoemd in ML8.c)8;

j)

convectiestroomomvormers voor het omvormen van materialen genoemd in ML8.c)3.

ML19
Gerichte energiewapensystemen, daarmee verbonden apparatuur of apparatuur voor tegenmaatregelen en testmodellen, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a)

„Laser”-systemen speciaal ontworpen voor de vernietiging of voor de bewerkstelliging van vroegtijdige missiebeëindiging van een doelwit.

b)

Deeltjesbundel- en microgolfsystemen die in staat zijn tot vernietiging of vroegtijdige missiebeëindiging van een doelwit.

c)

Radiofrequentiesystemen met een hoog vermogen die in staat zijn tot vernietiging of vroegtijdige missiebeëindiging van een doelwit.

d)

Apparatuur, speciaal ontworpen voor de verdediging tegen alsmede de opsporing c.q. identificatie van systemen bedoeld in ML19.a) tot en met ML19.c).

e)

Fysische testmodellen voor de systemen, apparatuur en onderdelen bedoeld in deze rubriek.

f)

Continugolf- of gepulseerde „laser”-systemen speciaal ontworpen voor het veroorzaken van permanente blindheid aan het onversterkte gezichtsvermogen, d.w.z. aan het blote oog of aan het oog met zichtcorrectie.

Noot 1 Gerichte energiewapensystemen als bedoeld in ML19 omvatten mede systemen waarvan het vermogen is afgeleid van de gecontroleerde toepassing van:

a)

„lasers” met voldoende continugolf- of impulsenergie ter uitvoering van een vernietiging vergelijkbaar met die door conventionele munitie;

b)

deeltjesversnellers die een geladen of neutrale deeltjesbundel met vernietigingskracht schieten;

c)

radiofrequentiestraalzenders met hoge impulsie-energie of hoge gemiddelde energie die velden van voldoende intensiteit produceren om de elektronische schakelingen op een verafgelegen doelwit onklaar te maken.

Noot 2 In ML19 zijn mede de onderstaande systemen bedoeld wanneer deze speciaal zijn ontworpen voor gerichte energiewapensystemen:

a)

apparatuur voor de opwekking van primaire energie, energieopslag, schakelingen en -conditionering en brandstofbehandeling;

b)

systemen voor het bereiken en opsporen van doelwitten;

c)

systemen die in staat zijn tot het vaststellen van de schade aan een doelwit of de vernietiging of vroegtijdige missiebeëindiging daarvan;

d)

bundelbehandelings-, voortplantings- en richtapparatuur;

e)

apparatuur voor snelle bundelzwenking ten behoeve van snelle meerdoelige operaties;

f)

adaptieve optica en faseafstemmers;

g)

stroominjectoren voor negatieve waterstofionenbundels;

h)

versnelleronderdelen die zijn „gekwalificeerd voor gebruik in de ruimte”;

i)

apparatuur voor het bundelen van een negatieve ionenstraal;

j)

apparatuur voor het besturen en doen zwenken van ionenbundels met hoge energie;

k)

voor „gebruik in de ruimte gekwalificeerde” folie voor het neutraliseren van negatieve waterstofisotopenbundels.

ML20
Cryogene en „supergeleidende” apparatuur, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

a)

Apparatuur speciaal ontworpen of samengesteld om geïnstalleerd te worden in een voertuig voor militaire grond-, zee-, lucht-, of ruimtetoepassing, en in staat om te werken terwijl zij in beweging is en om temperaturen te produceren of te handhaven lager dan 103 K (– 170 °C).

Noot: ML20.a) omvat mede mobiele systemen waarin zijn vervat of waarin gebruik wordt gemaakt van toebehoren of onderdelen vervaardigd van niet-metallische of niet-elektrische geleidende materialen, zoals plastics of met epoxyhars geïmpregneerde materialen.

b)

„Supergeleidende” elektrische apparatuur (roterende apparatuur en transformatoren) speciaal ontworpen of samengesteld om geïnstalleerd te worden in een voertuig voor militaire grond-, zee-, lucht-, of ruimtetoepassing, en in staat om te werken terwijl zij in beweging is.

Noot: In ML20.b) zijn niet bedoeld hybride homopolaire gelijkstroomgeneratoren met normale enkelpolige metalen armaturen die draaien in een magnetisch veld dat wordt opgewekt door supergeleidende windingen, mits die windingen de enige supergeleidende component in de generatoren zijn.

ML21
„Programmatuur”, als hieronder:

a)

„Programmatuur” speciaal ontworpen of aangepast voor „ontwikkeling”, „productie” of „gebruik” van apparatuur of materialen bedoeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen.

b)

Specifieke „programmatuur”, als hieronder:

1.

„Programmatuur” speciaal ontworpen voor:

a)

het vormgeven, nabootsen of evalueren van militaire wapensystemen;

b)

het „ontwikkelen”, controleren, onderhouden of bijwerken van „programmatuur” die onlosmakelijk is vastgelegd in militaire wapensystemen;

c)

het vormgeven of nabootsen van scenario’s voor militaire acties;

d)

toepassingen voor commando, communicatie, controle en informatie (C3I), of voor commando, communicatie, controle, computer en informatie (C4I).

2.

„Programmatuur” voor het vaststellen van de gevolgen van het gebruik van wapens voor conventionele, nucleaire, chemische of biologische oorlogvoering.

3.

„Programmatuur” die niet onder ML21a), b)1 of b)2 valt en speciaal ontworpen of aangepast is om apparatuur die niet op de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen staat, in staat te stellen de militaire taken uit te voeren van goederen die onder de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen vallen.

ML22
„Technologie”, als hieronder:

a)

„Technologie”, anders dan omschreven in ML22.b), welke „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van goederen bedoeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen.

b)

„Technologie”, als hieronder:

1.

„Technologie” die „noodzakelijk” is voor het ontwerpen van, het samenstellen van onderdelen tot, en de bediening, het onderhoud en de reparatie van complete installaties voor de productie van goederen bedoeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, zelfs indien de onderdelen van dergelijke productie-installaties niet onder de vergunningplicht vallen.

2.

„Technologie” die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling” en de „productie” van lichte wapens, zelfs als die technologie wordt gebruikt voor de reproductie van antieke lichte wapens.

3.

„Technologie” die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van toxicologische middelen, aanverwante apparatuur en onderdelen bedoeld in ML7.a) tot en met ML7.g).

4.

„Technologie” die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van de „biopolymeren” of specifieke celkweken, bedoeld in ML7.h).

5.

„Technologie”, die uitsluitend „noodzakelijk” is voor het integreren van „biokatalysatoren” als bedoeld in ML7.i)1 in militaire draagstoffen of in militair materiaal.

Noot 1 „Technologie”, die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van goederen die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen is ook aan vergunningplicht onderworpen als deze wordt toegepast op niet aan vergunningplicht onderworpen goederen.

Noot 2 In ML22 is niet bedoeld „technologie” als hieronder:

a)

de minimaal noodzakelijke „technologie” voor installatie, bediening, onderhoud en reparatie van niet onder de vergunningplicht vallende goederen of de goederen waarvan de uitvoer is toegestaan;

b)

„technologie”„die voor iedereen beschikbaar” is, of betrekking heeft op „fundamenteel wetenschappelijk onderzoek” of op de voor octrooiaanvragen noodzakelijke minimuminformatie;

c)

„technologie” voor magnetische inductie voor de ononderbroken voortstuwing van civiele transportmiddelen.


10.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/37


RICHTLIJN 2009/44/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 mei 2009

tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) voorzag in een regeling die het definitieve karakter van overboekingsopdrachten en verrekening, alsook de afdwingbaarheid van zakelijke zekerheden garandeerde jegens zowel binnenlandse als buitenlandse deelnemers in betalings- en effectenafwikkelingssystemen.

(2)

In het evaluatieverslag van de Commissie van 7 april 2006 betreffende de Finaliteitsrichtlijn 98/26/EG kwam de Commissie tot de conclusie dat Richtlijn 98/26/EG in het algemeen goed functioneert. Voorts werd er in het rapport op gewezen dat er wellicht enkele belangrijke veranderingen op het gebied van betalings- en effectenafwikkelingssystemen onderweg zijn. Tevens werd geconcludeerd dat Richtlijn 98/26/EG op enige punten dient te worden verduidelijkt en vereenvoudigd.

(3)

De voornaamste verandering die zich echter heeft voltrokken, is het toenemende aantal koppelingen tussen systemen. Ten tijde van de opstelling van Richtlijn 98/26/EG functioneerden systemen immers gewoonlijk vrijwel uitsluitend op nationale en zelfstandige basis. Deze verandering is een van de gevolgen van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (5), alsook van de Europese Gedragscode voor clearing en afwikkeling. Om op deze ontwikkelingen in te spelen, dienen het begrip „interoperabel systeem” en de verantwoordelijkheid van systeemexploitanten te worden verduidelijkt.

(4)

Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) bracht een eenvormig communautair rechtskader voor het grensoverschrijdende gebruik van financiële zekerheden tot stand en voorzag aldus in de afschaffing van het merendeel van de formaliteiten welke gewoonlijk aan zekerheidsovereenkomsten verbonden zijn.

(5)

De Europese Centrale Bank heeft besloten dat kredietvorderingen met ingang van 1 januari 2007 als beleenbare activa voor krediettransacties van het Eurosysteem kunnen fungeren. Teneinde het economische effect van het gebruik van kredietvorderingen te maximaliseren, heeft de Europese Centrale Bank aanbevolen de werkingssfeer van Richtlijn 2002/47/EG met deze activa uit te breiden. In het evaluatieverslag van de Commissie van 20 december 2006 over de richtlijn (2002/47/EG) betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten is nader op deze kwestie ingegaan en werd het advies van de Europese Centrale Bank onderschreven. Het gebruik van kredietvorderingen als zekerheid zal in een uitbreiding van het repertoire aan beschikbare zekerheden resulteren. Bovendien zou verdere harmonisatie op het gebied van betalings- en effectenafwikkelingssystemen de gelijke concurrentieverhoudingen tussen kredietinstellingen uit alle lidstaten verder helpen bevorderen. Het verder vergemakkelijken van het gebruik als zekerheid van kredietvorderingen zou ook consumenten en debiteuren ten goede komen omdat zulks uiteindelijk tot scherpere concurrentie en een betere beschikbaarheid van kredieten zou kunnen leiden.

(6)

Om het gebruik van kredietvorderingen als zekerheid te faciliteren, is het van belang dat administratieve voorschriften die overdrachten van kredietvorderingen moeilijk uitvoerbaar maken, zoals kennisgevings- en registratieverplichtingen, worden afgeschaft of verboden. Teneinde tevens te voorkomen dat de positie van zekerheidsnemers in het gedrang komt, zouden debiteuren in staat moeten zijn op rechtsgeldige wijze afstand te doen van hun jegens crediteuren geldende rechten tot saldering. Om dezelfde reden moet de debiteur ook de mogelijkheid worden geboden af te zien van de toepassing van de regels inzake het bankgeheim, omdat anders de mogelijkheid bestaat dat de zekerheidsnemer over onvoldoende informatie beschikt om de waarde van de onderliggende kredietvorderingen naar behoren te beoordelen. Deze bepalingen laten Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten onverlet (7).

(7)

Aangezien de lidstaten geen gebruik hebben gemaakt van de bij artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2002/47/EG geboden mogelijkheid om het recht van toeëigening door de zekerheidsnemer niet te erkennen, dient genoemde bepaling te worden geschrapt.

(8)

Richtlijn 98/26/EG en Richtlijn 2002/47/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” (8) worden de lidstaten aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Richtlijn 98/26/EG

Richtlijn 98/26/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1.

overweging 8 wordt geschrapt.

2.

de volgende overweging wordt ingevoegd:

„(14 bis)

Overwegende dat de nationale bevoegde autoriteiten en toezichthouders ervoor dienen te zorgen dat de exploitanten van de systemen die de interoperabele systemen vormen, zo veel mogelijk tot overeenstemming zijn gekomen over gemeenschappelijke regels met betrekking tot het tijdstip van invoering in de interoperabele systemen; dat de bevoegde nationale autoriteiten en toezichthouders ervoor dienen te zorgen dat de regels met betrekking tot het tijdstip van invoering in een interoperabel systeem, voor zover mogelijk en noodzakelijk, worden gecoördineerd om rechtsonzekerheid bij het in gebreke blijven van een deelnemend systeem te vermijden.”;

3.

de volgende overweging wordt ingevoegd:

„(22 bis)

Overwegende dat bij interoperabele systemen gebrek aan coördinatie ten aanzien van de vraag door welke regels het tijdstip van invoering en onherroepelijkheid wordt bepaald, de deelnemers binnen een systeem of zelfs de systeemexploitant zelf kan blootstellen aan de overloopeffecten van een in gebreke blijven in een ander systeem; dat teneinde het systeemrisico te beperken het wenselijk is dat wordt bepaald dat de systeemexploitanten van interoperabele systemen de regels betreffende het tijdstip van invoering en onherroepelijkheid van de door hen geëxploiteerde systemen moeten coördineren.”;

4.

artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt a) wordt het woord „ecu” vervangen door het woord „euro”;

b)

in punt c) wordt het tweede streepje vervangen door:

„—

transacties van de centrale banken van de lidstaten of van de Europese Centrale Bank in het kader van hun functie van centrale banken.”;

5.

artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt a) wordt als volgt gewijzigd:

i)

het eerste streepje wordt vervangen door:

„—

tussen drie of meer deelnemers, niet meegerekend de systeemexploitant, noch in voorkomend geval een afwikkelende instantie, centrale tegenpartij, clearing house of indirecte deelnemer, met gemeenschappelijke regels en standaardprocedures voor de clearing, al dan niet via een centrale tegenpartij, of het uitvoeren van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers,”;

ii)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„Een tussen interoperabele systemen gesloten overeenkomst vormt geen systeem.”;

b)

in punt b) worden het eerste en het tweede streepje vervangen door:

„—

een kredietinstelling als omschreven in artikel 4, punt 1, van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (9), met inbegrip van de instellingen bedoeld in artikel 2 van die richtlijn, of

een beleggingsonderneming als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (10), met uitsluiting van de instellingen bedoeld in artikel 2, lid 1, van die richtlijn,

c)

punt f) wordt als volgt gewijzigd:

i)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„f)

„deelnemer”: een instelling, een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, een clearing house of een systeemexploitant.”;

ii)

de derde alinea wordt vervangen door:

„Een lidstaat mag besluiten dat voor de toepassing van deze richtlijn een indirecte deelnemer als deelnemer mag worden beschouwd wanneer dit op grond van het systeemrisico gerechtvaardigd is. Wanneer een indirecte deelnemer op grond van het systeemrisico als deelnemer wordt beschouwd, doet dit niets af aan de verantwoordelijkheid van de deelnemer via welke de indirecte deelnemer overboekingsopdrachten aan het systeem doorgeeft.”;

d)

punt g) wordt vervangen door:

„g)

„indirecte deelnemer”: een instelling, een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, een clearing house of een systeemexploitant die contractueel verbonden is met een deelnemer in een systeem dat overboekingsopdrachten uitvoert, waardoor de indirecte deelnemer overboekingsopdrachten via het systeem kan doorgeven, mits de indirecte deelnemer bij de systeemexploitant bekend is.”;

e)

punt h) wordt vervangen door:

„h)

„effecten”: alle instrumenten bedoeld in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG;”;

f)

in punt i) wordt het eerste streepje vervangen door:

„—

een opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking op de rekeningen van een kredietinstelling, een centrale bank, een centrale tegenpartij of een afwikkelende instantie een geldbedrag ter beschikking van een ontvanger te stellen, of iedere opdracht die resulteert in het op zich nemen of het nakomen van een betalingsverplichting zoals gedefinieerd in de regels van het systeem, of”;

g)

punt l) wordt vervangen door:

„l)

„afwikkelingsrekening”: een rekening bij een centrale bank, een afwikkelende instantie of een centrale tegenpartij die gebruikt wordt voor het houden van geld of effecten en waarmee ook transacties tussen deelnemers aan een systeem worden afgewikkeld;”;

h)

punt m) wordt vervangen door:

„m)

„zakelijke zekerheden”: alle realiseerbare activa, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, als zekerheid verschafte financiële activa als bedoeld in artikel 1, lid 4, onder a), van Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (11) die zijn verstrekt in het kader van een pandgeving (inclusief geld dat in het kader van een pandgeving is verstrekt), retrocessie- of soortgelijke overeenkomst of anderszins tot zekerheid in verband met de rechten en verplichtingen die in verband met een systeem kunnen ontstaan, dan wel ten behoeve van de centrale banken van de lidstaten of de Europese Centrale Bank;

i)

de volgende punten worden toegevoegd:

„n)

„werkdag” staat voor afwikkeling overdag zowel als s nachts en omvat alle gebeurtenissen die tijdens de bedrijfscyclus van een systeem plaatsvinden;

o)

„interoperabele systemen”: twee of meer systemen waarvan de systeemexploitanten een onderlinge regeling getroffen hebben voor de uitvoering tussen de systemen van overboekingsopdrachten;

p)

„systeemexploitant”: entiteit of entiteiten die wettelijk aansprakelijk is of zijn voor de werking van een systeem. Een systeemexploitant mag ook optreden als afwikkelende instantie, centrale tegenpartij of clearing house.”;

6.

artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Overboekingsopdrachten en verrekening zijn juridisch afdwingbaar en kunnen aan derden worden tegengeworpen, zelfs in geval van een insolventieprocedure tegen een deelnemer, mits de overboekingsopdrachten in het systeem zijn ingevoerd vóór het tijdstip waarop een insolventieprocedure als omschreven in artikel 6, lid 1, is geopend. Dit is ook van toepassing bij een insolventieprocedure tegen een deelnemer (aan het betrokken systeem dan wel aan een interoperabel systeem) of tegen de systeemexploitant van een interoperabel systeem indien die geen deelnemer is.

Indien overboekingsopdrachten in een systeem worden ingevoerd nadat er een insolventieprocedure is geopend en worden uitgevoerd binnen de werkdag, als omschreven in de regels van het systeem, gedurende welke een dergelijke procedure wordt geopend, zijn deze uitsluitend juridisch afdwingbaar en kunnen deze slechts aan derden worden tegengeworpen indien de systeemexploitant kan aantonen dat hij op het tijdstip waarop deze opdrachten onherroepelijk werden, niet op de hoogte was noch had moeten zijn van de opening van een dergelijke procedure.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„4.   Bij interoperabele systemen stelt elk systeem in zijn eigen regels het tijdstip van invoering in het systeem zodanig vast dat er zoveel mogelijk voor wordt gezorgd dat de regels van alle betrokken interoperabele systemen in dit opzicht gecoördineerd worden. Tenzij zulks in de regels van alle systemen die van de operabele systemen deel uitmaken uitdrukkelijk is bepaald, laten de regels van de andere systemen waarmee een systeem interoperabel is, de in dat systeem gehanteerde regels over het tijdstip van invoering onverlet.”;

7.

artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

De lidstaten kunnen bepalen dat een tegen een deelnemer of systeemexploitant van een interoperabel systeem geopende insolventieprocedure niet belet dat middelen of effecten die op de afwikkelingsrekening van die deelnemer beschikbaar zijn gebruikt worden om de verplichtingen van die deelnemer in het systeem of in een interoperabel systeem na te komen, op de werkdag waarop de insolventieprocedure wordt geopend. Bovendien kunnen de lidstaten bepalen dat een met het systeem verbonden kredietfaciliteit van een dergelijke deelnemer, tegen beschikbare zakelijke zekerheden gebruikt wordt om de verplichtingen van die deelnemer in het systeem of in een interoperabel systeem na te komen.”;

8.

aan artikel 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Bij interoperabele systemen stelt elk systeem in zijn eigen regels het tijdstip van onherroepelijkheid zodanig vast dat er zoveel mogelijk voor wordt gezorgd dat de regels van alle betrokken interoperabele sustemen op dit punt gecoördineerd worden. Tenzij zulks in de regels van alle systemen die bij de interoperabele systemen zijn betrokken uitdrukkelijk is bepaald, laten de regels van de andere systemen waarmee een systeem interoperabel is, de in dat systeem gehanteerde regels over het tijdstip van onherroepelijkheid onverlet.”;

9.

artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

Een insolventieprocedure heeft ten aanzien van de rechten en verplichtingen die voor een deelnemer ingevolge of in verband met zijn deelname aan een systeem ontstaan, geen terugwerkende kracht vóór het tijdstip waarop een insolventieprocedure als omschreven in artikel 6, lid 1, is geopend. Dit geldt onder meer ten aanzien van de rechten en plichten van een deelnemer in een interoperabel systeem of een systeemexploitant van een interoperabel systeem dat geen deelnemer is.”;

10.

artikel 9 komt als volgt te luiden:

„Artikel 9

1.   De rechten van een systeemexploitant of van een deelnemer ten aanzien van zakelijke zekerheden die hun in verband met een systeem of een interoperabel systeem zijn gesteld, en de rechten van de centrale banken van de lidstaten of van de Europese Centrale Bank ten aanzien van zakelijke zekerheden die hun gesteld zijn, worden niet aangetast door een insolventieprocedure tegen:

a)

de deelnemer (in het betrokken systeem of in een interoperabel systeem);

b)

de systeemexploitant van een interoperabel systeem dat geen deelnemer is;

c)

een tegenpartij van een van de centrale banken van de lidstaten of van de Europese Centrale Bank, of

d)

een derde partij die de zakelijke zekerheden heeft gesteld.

Ter voldoening van deze rechten mogen die zakelijke zekerheden worden uitgewonnen.

2.   Wanneer deelnemers, systeemexploitanten of centrale banken van de lidstaten of de Europese Centrale Bank op de in lid 1 beschreven wijze zakelijke zekerheden in de vorm van effecten of in de vorm van rechten ten aanzien van effecten verkrijgen en wanneer hun recht of dat van een namens hen optredende vertegenwoordiger, agent of derde, ten aanzien van de effecten wettelijk vastgelegd is in een register, rekening of gecentraliseerd effectendepot gelokaliseerd in een lidstaat, wordt de bepaling van de rechten van die personen als houders van zakelijke zekerheden ten aanzien van deze effecten beheerst door het recht van die lidstaat.”;

11.

artikel 10 komt als volgt te luiden:

„Artikel 10

1.   De lidstaten bepalen welke systemen, en respectieve systeemexploitanten, onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, melden deze bij de Commissie aan en delen de Commissie mee welke autoriteiten zij overeenkomstig artikel 6, lid 2, hebben aangewezen.

De systeemexploitant doet de lidstaat waarvan het recht van toepassing is, mededeling van de deelnemers aan het systeem, eventuele indirecte deelnemers daarbij inbegrepen, alsmede van iedere verandering in het deelnemersbestand.

De lidstaten kunnen systemen die onder hun recht vallen, behalve aan de in de tweede alinea bedoelde meldplicht, ook aan toezichts- of goedkeuringsvereisten onderwerpen.

Een instelling deelt desgevraagd een ieder die een gerechtvaardigd belang heeft mee aan welke systemen de instelling deelneemt en verstrekt informatie over de belangrijkste regels die gelden voor de werking van die systemen.

2.   Een systeem dat als zodanig was aangemerkt vóór de inwerkingtreding van de nationale bepalingen tot uitvoering van Richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft (12), blijft dit voor de toepassing van de gewijzigde versie van deze richtlijn.

Een overboekingsopdracht die in een systeem is ingevoerd vóór de inwerkingtreding van de nationale bepalingen tot uitvoering van Richtlijn 2009/44/EG, maar die na dat tijdstip is afgewikkeld, wordt als overboekingsopdracht in de zin van deze richtlijn beschouwd.

Artikel 2

Wijzigingen in Richtlijn 2002/47/EG

Richtlijn 2002/47/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

overweging 9 wordt vervangen door:

„(9)

Ter beperking van de administratieve lasten voor partijen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende financiële zekerheden gebruiken, kan de nationale wetgeving met betrekking tot de financiële zekerheid aan de partijen alleen als geldigheidsvoorwaarden voorschrijven dat deze zekerheid onder de controle komen van de zekerheidsnemer of een persoon die namens de zekerheidsnemer optreedt, zonder zekerheidstechnieken uit te sluiten waarbij de zekerheidsverschaffer activa mag vervangen of te veel verschafte zekerheden mag terugnemen. Deze richtlijn mag de lidstaten niet verbieden te eisen dat een kredietvordering wordt geleverd door opneming ervan in een lijst van vorderingen.”;

2.

overweging 20 wordt vervangen door:

„(20)

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de werking of het effect van de contractuele voorwaarden van financiële instrumenten of kredietvorderingen die als zekerheid worden verschaft, zoals rechten, verplichtingen of andere voorwaarden als vermeld in de emissiebepalingen van deze instrumenten of eventuele andere rechten, verplichtingen of andere voorwaarden die tussen de emittenten en houders van die instrumenten respectievelijk tussen de debiteuren en de crediteuren van die kredietvorderingen van toepassing zijn.”;

3.

de volgende overweging wordt toegevoegd:

„(23)

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om regels vast te stellen teneinde, wat kredietvorderingen betreft, de doeltreffendheid van financiëlezekerheidsovereenkomsten ten opzichte van derde partijen te verzekeren.”;

4.

artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2, onder b), wordt vervangen door:

„b)

een centrale bank, de Europese Centrale Bank, de Bank voor Internationale Betalingen, een multilaterale ontwikkelingsbank als bedoeld in deel 1, afdeling 4, van bijlage VI bij Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (13), het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Investeringsbank;

b)

in lid 2, onder c), worden de punten i) tot en met iv) vervangen door:

„i)

een kredietinstelling als omschreven in artikel 4, punt 1, van Richtlijn 2006/48/EG, met inbegrip van de in artikel 2 van die richtlijn genoemde instellingen;

ii)

een beleggingsonderneming als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (14);

iii)

een financiële instelling als omschreven in artikel 4, punt 5, van Richtlijn 2006/48/EG;

iv)

een verzekeringsonderneming als omschreven in artikel 1, onder a), van Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (derde richtlijn schadeverzekeringen) (15) en een levensverzekeringsonderneming als omschreven in artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (16);

c)

lid 4, onder a), wordt vervangen door:

„a)

De als zekerheid verschafte financiële activa bestaan uit contanten, financiële instrumenten of kredietvorderingen;”;

d)

aan lid 4 wordt het volgende punt toegevoegd:

„c)

De lidstaten kunnen kredietvorderingen van de werkingssfeer van deze richtlijn uitsluiten als de debiteur een consument is als gedefinieerd in artikel 3, onder a), van Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (17) of een kleine of micro-onderneming als gedefinieerd in artikel 1 en artikel 2, lid 2 en lid 3, van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote of micro-ondernemingen (18), tenzij de zekerheidsnemer of de zekerheidsverschaffer van dergelijke kredietvorderingen een van de instellingen is die worden genoemd in artikel 1, lid 2, onder b), van deze richtlijn.

e)

lid 5 wordt als volgt gewijzigd:

i)

aan de tweede alinea wordt de volgende zin toegevoegd:

„Wat kredietvorderingen betreft, volstaat de opname in een lijst van vorderingen welke schriftelijk of op juridisch gelijkwaardige wijze bij de zekerheidsnemer wordt ingediend om de kredietvordering te identificeren en om tussen partijen te bewijzen dat de betrokken vordering als financiële zekerheid is verschaft.”;

ii)

Na de tweede alinea wordt de volgende alinea ingevoegd:

„Onverminderd de tweede alinea kunnen de lidstaten bepalen dat opname in een lijst van vorderingen welke schriftelijk of op juridisch gelijkwaardige wijze bij de zekerheidsnemer wordt ingediend, eveneens volstaat om de kredietvordering te identificeren en om jegens de debiteur of derde partijen te bewijzen dat de verstrekte vordering als financiële zekerheid is verschaft.”;

5.

artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de punten b) en c) worden vervangen door:

„b)

„financiëlezekerheidsovereenkomst die leidt tot overdracht”: een overeenkomst, inclusief retrocessieovereenkomsten, op grond waarvan een zekerheidsverschaffer de volledige eigendom van of de volledige gerechtigdheid tot als zekerheid verschafte financiële activa overdraagt aan een zekerheidsnemer teneinde de nakoming van de betrokken financiële verplichtingen te waarborgen of anderszins af te dekken;

c)

„financiëlezekerheidsovereenkomst die leidt tot de vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht”: een overeenkomst op grond waarvan een zekerheidsverschaffer financiële activa als zekerheid verschaft tot vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht aan of ten gunste van een zekerheidsnemer, en waarbij de zekerheidsverschaffer volledig of gekwalificeerd eigenaar blijft van of ten volle gerechtigd blijft tot de als zekerheid verschafte financiële activa wanneer het zakelijk zekerheidsrecht wordt gevestigd;”;

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„o)

„kredietvorderingen”: geldvorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst waarbij een kredietinstelling als omschreven in artikel 4, punt 1, van Richtlijn 2006/48/EG, met inbegrip van de in artikel 2 van die richtlijn genoemde instellingen, krediet verleent in de vorm van een lening.”;

b)

in lid 2 wordt de tweede zin vervangen door:

„Een eventueel recht op vervanging van de als zekerheid verschafte financiële activa, recht op restitutie van de overwaarde van als zekerheid verschafte financiële activa ten gunste van de zekerheidsverschaffer of, in het geval van kredietvorderingen, recht op inning tot nader order van de opbrengsten van dergelijke vorderingen, doet geen afbreuk aan het feit dat de financiële activa als zekerheid zijn verschaft aan de zekerheidsnemer zoals bedoeld in deze richtlijn.”;

6.

artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 worden de volgende alinea’s toegevoegd:

„Onverminderd het bepaalde in artikel 1, lid 5, schrijven de lidstaten niet voor dat, wanneer kredietvorderingen als financiële zekerheid worden verschaft, het bestaan, de geldigheid, de volledigheid, de graad van voorrang, de afdwingbaarheid of de toelaatbaarheid als bewijs van de financiële zekerheid van deze kredietvorderingen afhangt van het vervullen van enige formaliteit zoals registratie of kennisgeving aan de debiteur van de als zekerheid verschafte kredietvordering. De lidstaten mogen echter wel, ten behoeve van de totstandkoming, graad van voorrang, afdwingbaarheid of toelaatbaarheid als bewijs jegens de debiteur of derde partijen, een formele handeling zoals registratie of kennisgeving, voorschrijven.

Uiterlijk op 30 juni 2014 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uit over de vraag of dit lid nog steeds dienstig is.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„3.   Onverminderd Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (19) en de nationale bepalingen betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten zorgen de lidstaten ervoor dat een debiteur van een kredietvordering schriftelijk of op een juridisch gelijkwaardige wijze rechtsgeldig afstand mag doen van:

i)

de rechten tot verrekening die hij bezit jegens de crediteuren van de kredietvordering en jegens personen aan wie de crediteur de kredietvordering heeft overgedragen, in pand heeft gegeven of anderszins als zekerheid heeft verschaft; en

ii)

zijn rechten die voortvloeien uit de regels inzake het bankgeheim die de crediteur van de kredietvordering anders zouden beletten of beperken in zijn mogelijkheid om informatie over de kredietvordering of de debiteur te verstrekken met het oog op het gebruik als zekerheid van de kredietvordering.

7.

artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:

„c)

kredietvorderingen, door verkoop of toe-eigening en door hun waarde te verrekenen met of hun waarde in mindering te brengen op de betrokken financiële verplichtingen.”;

b)

lid 2, onder b), wordt vervangen door:

„b)

de partijen in de financiëlezekerheidsovereenkomst die leidt tot een zakelijk zekerheidsrecht overeenstemming hebben bereikt over de waardering van de financiële instrumenten en de kredietvorderingen.”;

c)

lid 3 wordt geschrapt;

8.

aan artikel 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„6.   Dit artikel is niet van toepassing op kredietvorderingen.”;

9.

na artikel 9 wordt het volgende artikel ingevoegd:

„Artikel 9 bis

Richtlijn 2008/48/EG

De bepalingen van deze richtlijn laten Richtlijn 2008/48/EG onverlet.”.

Artikel 3

Omzetting

1.   De lidstaten stellen uiterlijk 30 december 2010 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen, en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen deze bepalingen toe met ingang van 30 juni 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Addressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 6 mei 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

J. KOHOUT


(1)  PB C 216 van 23.8.2008, blz. 1.

(2)  Advies van 3 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Advies van het Europees Parlement van 18 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 27 april 2009.

(4)  PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45.

(5)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

(6)  PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43.

(7)  PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66.

(8)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(9)  PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.

(10)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.”;

(11)  PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43.”;

(12)  PB L 146 van 10.6.2009, blz. 37.”

(13)  PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.”;

(14)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

(15)  PB L 228 van 11.8.1992, blz. 1.

(16)  PB L 345 van 19.12.2002, blz. 1.”;

(17)  PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66.

(18)  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.”;

(19)  PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29.”;