ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 345

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
23 december 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 1322/2008 van de Raad van 28 november 2008 tot vaststelling, voor 2009, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften

1

 

*

Verordening (EG, Euratom) nr. 1323/2008 van de Raad van 18 december 2008 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2008 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen

10

 

*

Verordening (EG, Euratom) nr. 1324/2008 van de Raad van 18 december 2008 houdende aanpassing, met ingang van 1 juli 2008, van het pensioenbijdragepercentage van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen

17

 

 

Verordening (EG) nr. 1325/2008 van de Commissie van 22 december 2008 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

18

 

*

Verordening (EG) nr. 1326/2008 van de Commissie van 15 december 2008 houdende goedkeuring van minimale wijzigingen van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Chaource (BOB))

20

 

*

Verordening (EG) nr. 1327/2008 van de Commissie van 19 december 2008 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1580/2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit

24

 

*

Verordening (EG) nr. 1328/2008 van de Commissie van 22 december 2008 tot wijziging van de bijlagen I, II, III, V, VII en VIII bij Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen

28

 

*

Verordening (EG) nr. 1329/2008 van de Commissie van 22 december 2008 tot vaststelling van noodmaatregelen ter ondersteuning van de varkensvleesmarkt in een deel van het Verenigd Koninkrijk in de vorm van steun voor de particuliere opslag

56

 

*

Verordening (EG) nr. 1330/2008 van de Commissie van 22 december 2008 tot 103e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa‘ida-netwerk en de Taliban

60

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2008/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van Richtlijn 2004/49/EG inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen (spoorwegveiligheidsrichtlijn) ( 1 )

62

 

*

Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van de Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG en 1999/13/EG van de Raad en de Richtlijnen 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde ze aan te passen aan Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels ( 1 )

68

 

*

Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren ( 1 )

75

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2008/971/EG

 

*

Beschikking van de Raad van 16 december 2008 inzake de gelijkwaardigheid van in derde landen geproduceerd bosbouwkundig teeltmateriaal

83

 

 

2008/972/EG

 

*

Beschikking van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van bijlage 13 bij de Gemeenschappelijke Visuminstructies wat de invulling van de visumsticker betreft

88

 

 

Commissie

 

 

2008/973/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 15 december 2008 tot wijziging van Richtlijn 2002/56/EG van de Raad, wat betreft de datum bedoeld in artikel 21, lid 3, tot welke de lidstaten gemachtigd zijn de geldigheidsduur van de vaststellingen betreffende de gelijkwaardigheid van pootaardappelen uit derde landen te verlengen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 8135)  ( 1 )

90

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Besluit 2008/974/GBVB van de Raad van 18 december 2008 ter ondersteuning van de Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten in het kader van de uitvoering van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

91

 

*

Besluit 2008/975/GBVB van de Raad van 18 december 2008 tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (Athena)

96

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Beschikking 2008/936/EG van de Commissie van 20 mei 2008 betreffende de door Frankrijk toegekende steun aan het Fonds ter voorkoming van risico's voor de visserijsector en aan visserijondernemingen (Staatssteun C 9/06) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5636) (PB L 334 van 12.12.2008)

115

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 1337/2007 van de Commissie van 15 november 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 992/95 van de Raad wat betreft tariefcontingenten voor bepaalde visserijproducten uit Noorwegen (PB L 298 van 16.11.2007)

115

 

*

Rectificatie van Richtlijn 95/45/EG van de Commissie van 26 juli 1995 houdende vaststelling van bijzondere zuiverheidseisen voor kleurstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt (PB L 226 van 22.9.1995)

116

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/1


VERORDENING (EG) Nr. 1322/2008 VAN DE RAAD

van 28 november 2008

tot vaststelling, voor 2009, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 20,

Gelet op Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota (2), en met name op artikel 2,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren (3), en met name op artikel 5 en artikel 8, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet de Raad, met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke adviezen en met name het verslag van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij en van de regionale adviesraad voor de Oostzee, maatregelen vaststellen waarbij de toegang tot wateren en hulpbronnen en de duurzame uitoefening van visserijactiviteiten worden geregeld.

(2)

Krachtens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 dient de Raad de vangstmogelijkheden per visserijtak of groep van visserijtakken vast te stellen en deze aan de lidstaten toe te wijzen.

(3)

Voor een efficiënt beheer van de vangstmogelijkheden moeten bijzondere voorschriften voor de uitoefening van de betrokken visserij worden vastgesteld.

(4)

De beginselen van en bepaalde procedures voor het visserijbeheer moeten door de Gemeenschap worden vastgelegd om de lidstaten in staat te stellen het beheer van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen te garanderen.

(5)

In artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 zijn definities vastgesteld die relevant zijn voor de toewijzing van de vangstmogelijkheden.

(6)

Overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96 moeten de bestanden waarop de daarin vervatte maatregelen van toepassing zijn, worden omschreven.

(7)

Bij de benutting van de vangstmogelijkheden moet worden voldaan aan de Gemeenschapswetgeving op dit gebied, en met name aan Verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de lidstaten (4), Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (5), Verordening (EEG) nr. 1381/87 van de Commissie van 20 mei 1987 inzake uitvoeringsbepalingen met betrekking tot kentekens voor vissersvaartuigen en met betrekking tot documenten aan boord van die vaartuigen (6), Verordening (EEG) nr. 3880/91 van de Raad van 17 december 1991 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordwestelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (7), Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (8), Verordening (EG) nr. 2244/2003 van de Commissie van 18 december 2003 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake satellietvolgsystemen (VMS) (9), en Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont (10), en Verordening (EG) nr. 1098/2007.

(8)

Om te garanderen dat de jaarlijkse vangstmogelijkheden worden vastgesteld op een niveau dat overeenstemt met een vanuit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt duurzame exploitatie van de bestanden, is rekening gehouden met de beginselen voor het bepalen van de TAC’s, die zijn omschreven in de mededeling van de Commissie „Vangstmogelijkheden voor 2009 - Beleidsverklaring van de Commissie”.

(9)

Met het oog op de instandhouding van de visbestanden moeten in 2009 bepaalde aanvullende maatregelen in het kader van de technische voorschriften voor de visserij ten uitvoer worden gelegd.

(10)

Om het inkomen van de vissers in de Gemeenschap veilig te stellen, is het belangrijk dat deze visserijtakken op 1 januari 2009 met hun activiteiten van start kunnen gaan. Gezien de urgentie van deze kwestie moet een uitzondering worden gemaakt op de periode van zes weken, als bedoeld in punt I, 3, van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen gehechte Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden voor het jaar 2009 de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee vastgesteld, alsmede de voorschriften die bij de benutting van deze vangstmogelijkheden in acht moeten worden genomen.

Artikel 2

Werkingssfeer

1.   Deze verordening is van toepassing op in de Oostzee vissende vissersvaartuigen van de Gemeenschap (vaartuigen van de Gemeenschap).

2.   In afwijking van lid 1 is deze verordening niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd met toestemming en onder het gezag van de betrokken lidstaat en waarvan de Commissie en de lidstaat in de wateren waarvan het onderzoek plaatsvindt, tevoren in kennis zijn gesteld.

Artikel 3

Definities

Naast de begripsomschrijvingen in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002, wordt in deze verordening verstaan onder:

a)

„ICES-zones” (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee, International Council for the Exploration of the Sea), de in Verordening (EEG) nr. 3880/91 afgebakende zones;

b)

„de Oostzee”, ICES-deelsectoren 22-32;

c)

„totaal toegestane vangsten (TAC’s)”, de hoeveelheid die per bestand per jaar mag worden gevangen;

d)

„quotum”, een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Gemeenschap, aan een lidstaat of aan een derde land;

e)

„buitengaats doorgebrachte dag”, elke ononderbroken periode van 24 uur of een gedeelte van die periode, waarin het vaartuig zich niet in de haven bevindt.

HOOFDSTUK II

VANGSTMOGELIJKHEDEN EN VISSERIJVOORSCHRIFTEN

Artikel 4

Vangstbeperkingen en toewijzingen

De vangstmogelijkheden, de toewijzing daarvan aan de lidstaten en de aanvullende voorwaarden als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96, zijn vastgesteld in bijlage I bij de onderhavige verordening.

Artikel 5

Bijzondere bepalingen inzake toewijzingen

1.   De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig bijlage I aan de lidstaten toegewezen onverminderd:

a)

het ruilen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002;

b)

het aan een andere lidstaat toewijzen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 21, lid 4, artikel 23, lid 1, en artikel 32, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2847/93;

c)

het aanvoeren van extra hoeveelheden op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96;

d)

het overdragen van hoeveelheden op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96;

e)

het toepassen van verminderingen of kortingen op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 847/96.

2.   Bij inhoudingen op de quota voor overdracht naar 2010 mag het bepaalde in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96, in afwijking van het bepaalde in die verordening, worden toegepast op alle bestanden waarvoor een analytische TAC is vastgesteld.

Artikel 6

Voorwaarden voor vangsten en bijvangsten

1.   Vis van bestanden waarvoor vangstmogelijkheden zijn vastgesteld, mag slechts aan boord worden gehouden of aangevoerd mits die vis:

a)

is gevangen met vaartuigen van een lidstaat die een quotum heeft en zijn quotum nog niet heeft opgebruikt, of

b)

samen met andere soorten dan haring of sprot is gevangen met trawlnetten, Deense zegens of soortgelijk vistuig met een maaswijdte van minder dan 32 mm, en noch aan boord noch bij de aanvoer is gesorteerd.

2.   Alle aangevoerde hoeveelheden worden in mindering gebracht op het betrokken quotum of, wanneer het aandeel van de Gemeenschap niet in de vorm van quota aan de lidstaten is toegewezen, op het Gemeenschapsaandeel, met uitzondering van de in lid 1, onder b), bedoelde vangsten.

3.   Indien het aan een lidstaat toegewezen quotum voor haring is opgebruikt, mogen de vaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren, in de Gemeenschap zijn geregistreerd en actief zijn in de visserijtak waarvoor het quotum is vastgesteld, geen ongesorteerde vangsten aanvoeren die haring bevatten.

4.   Indien het aan een lidstaat toegewezen quotum voor sprot is opgebruikt, mogen de vaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren, in de Gemeenschap zijn geregistreerd en actief zijn in de visserijtak waarvoor het quotum is vastgesteld, geen ongesorteerde vangsten aanvoeren die sprot bevatten.

Artikel 7

Beperkingen van de visserijinspanning

1.   De beperkingen van de visserijinspanning zijn vastgesteld in bijlage II.

2.   De in lid 1 vermelde beperkingen gelden voor de ICES-deelsectoren 27 en 28.2, voor zover de Commissie niet overeenkomstig artikel 29, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1098/2007 heeft besloten deze deelsectoren uit te sluiten van de beperkingen als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b), en leden 3, 4 en 5, en artikel 13 van die verordening.

3.   De in lid 1 vermelde beperkingen zijn niet van toepassing op ICES-deelsector 28.1, voor zover de Commissie niet overeenkomstig artikel 29, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1098/2007 heeft besloten die deelsector uit te sluiten van de beperkingen als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b), en leden 3, 4 en 5, van Verordening (EG) nr. 1098/2007.

Artikel 8

Technische overgangsmaatregelen

De technische overgangsmaatregelen zijn vastgesteld in bijlage III.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 9

Gegevensverstrekking

Wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 15, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 gegevens aan de Commissie verstrekken met betrekking tot de hoeveelheden die zijn aangevoerd uit de bestanden, gebruiken zij daarvoor de in bijlage I bij deze verordening vermelde bestandscodes.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

M. BARNIER


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(2)  PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3.

(3)  PB L 248 van 22.9.2007, blz. 1.

(4)  PB L 276 van 10.10.1983, blz. 1.

(5)  PB L 274 van 25.9.1986, blz. 1.

(6)  PB L 132 van 21.5.1987, blz. 9.

(7)  PB L 365 van 31.12.1991, blz. 1.

(8)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1.

(9)  PB L 333 van 20.12.2003, blz. 17.

(10)  PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1.


BIJLAGE I

Vangstmogelijkheden en bij de visserij in acht te nemen voorschriften voor het meerjarenbeheer van de vangstmogelijkheden per soort en per zone voor vaartuigen van de Gemeenschap in zones met vangstbeperkingen

Onderstaande tabellen bevatten de TAC’s en quota (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) per bestand, de toewijzing daarvan aan de lidstaten en de daaraan verbonden voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de quota.

Per zone staan de visbestanden vermeld in alfabetische volgorde op de Latijnse naam van de vissoort. In deze tabellen worden voor de verschillende soorten de volgende codes gebruikt:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Clupea harengus

HER

Haring

Gadus morhua

COD

Kabeljauw

Platichthys flesus

FLX

Bot

Pleuronectes platessa

PLE

Schol

Psetta maxima

TUR

Tarbot

Salmo salar

SAL

Atlantische zalm

Sprattus sprattus

SPR

Sprot


Soort

:

Haring

Clupea harengus

Zone

:

Deelsectoren 30-31

HER/3D30.; HER/3D31.

Finland

67 777

 

Zweden

14 892

 

EG

82 669

 

TAC

82 669

Analytische TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


Soort

:

Haring

Clupea harengus

Zone

:

Deelsectoren 22-24

HER/3B23.; HER/3C22.; HER/3D24.

Denemarken

3 809

 

Duitsland

14 994

 

Polen

3 536

 

Finland

2

 

Zweden

4 835

 

EG

27 176

 

TAC

27 176

Analytische TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


Soort

:

Haring

Clupea harengus

Zone

:

Deelsectoren 25-27, 28.2, 29 en 32 (EG-wateren)

HER/3D25.; HER/3D26.; HER/3D27.; HER/3D28.; HER/3D29.; HER/3D32.

Denemarken

3 159

 

Duitsland

838

 

Estland

16 134

 

Polen

35 779

 

Letland

3 982

 

Litouwen

4 192

 

Finland

31 493

 

Zweden

48 032

 

EG

143 609

 

TAC

Niet relevant

Analytische TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


Soort

:

Haring

Clupea harengus

Zone

:

Deelsector 28.1

HER/03D.RG

Estland

16 113

 

Letland

18 779

 

EG

34 892

 

TAC

34 892

Analytische TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


Soort

:

Kabeljauw

Gadus morhua

Zone

:

Deelsectoren 25-32 (EG-wateren)

COD/3D25.; COD/3D26.; COD/3D27.; COD/3D28.; COD/3D29.; COD/3D30.; COD/3D31.; COD/3D32.

Denemarken

10 241

 

Duitsland

4 074

 

Estland

998

 

Polen

11 791

 

Letland

3 808

 

Litouwen

2 509

 

Finland

784

 

Zweden

10 375

 

EG

44 580

 

TAC

Niet relevant

Analytische TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


Soort

:

Kabeljauw

Gadus morhua

Zone

:

Deelsectoren 22-24 (EG-wateren)

COD/3B23.; COD/3C22.; COD/3D24.

Denemarken

7 130

 

Duitsland

3 487

 

Estland

158

 

Polen

1 908

 

Letland

590

 

Litouwen

383

 

Finland

140

 

Zweden

2 541

 

EC

16 337

 

TAC

16 337

Analytische TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


Soort

:

Schol

Pleuronectes platessa

Zone

:

Deelsectoren 22-32 (EG-wateren)

PLE/3B23.; PLE/3C22.; PLE/3D24.; PLE/3D25.; PLE/3D26.; PLE/3D27.; PLE/3D28.; PLE/3D29.; PLE/3D30.; PLE/3D31.; PLE/3D32.

Denemarken

2 179

 

Duitsland

242

 

Polen

456

 

Zweden

164

 

EC

3 041

 

TAC

3 041

Voorzorgs-TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


Soort

:

Atlantische zalm

Salmo salar

Zone

:

Deelsectoren 22-31 (EG-wateren)

SAL/3B23.; SAL/3C22.; SAL/3D24.; SAL/3D25.; SAL/3D26.; SAL/3D27.; SAL/3D28.; SAL/3D29.; SAL/3D30.; SAL/3D31.

Denemarken

64 184 (1)

 

Duitsland

7 141 (1)

 

Estland

6 523 (1)

 

Polen

19 471 (1)

 

Letland

40 824 (1)

 

Litouwen

4 799 (1)

 

Finland

80 033 (1)

 

Zweden

86 758 (1)

 

EG

309 733 (1)

 

TAC

Niet relevant

Analytische TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


Soort

:

Atlantische zalm

Salmo salar

Zone

:

Deelsector 32

SAL/3D32.

Estland

1 581 (2)

 

Finland

13 838 (2)

 

EG

15 419 (2)

 

TAC

Niet relevant

Analytische TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


Soort

:

Sprot

Sprattus sprattus

Zone

:

Deelsectoren 22-32 (EG-wateren)

SPR/3B23.; SPR/3C22.; SPR/3D24.; SPR/3D25.; SPR/3D26.; SPR/3D27.; SPR/3D28.; SPR/3D29.; SPR/3D30.; SPR/3D31.; SPR/3D32.

Denemarken

39 453

 

Duitsland

24 994

 

Estland

45 813

 

Polen

117 424

 

Letland

55 332

 

Litouwen

20 015

 

Finland

20 652

 

Zweden

76 270

 

EG

399 953

 

TAC

Niet relevant

Analytische TAC.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.


(1)  Aantal stuks

(2)  Aantal stuks


BIJLAGE II

Beperkingen van de visserijinspanning

1.

De lidstaten zien erop toe dat de visserij door onder hun vlag varende vissersvaartuigen met trawlnetten, Deense zegens of soortgelijk vistuig met een maaswijdte van 90 mm of meer, met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten met een maaswijdte van 90 mm of meer, met geankerde beugen, beuglijnen met uitzondering van vrije beuglijnen, met handlijnen of de peur, slechts wordt toegestaan gedurende ten hoogste:

a)

201 buitengaats doorgebrachte dagen in de deelsectoren 22-24, met uitzondering van de periode van 1 tot en met 30 april wanneer het bepaalde in artikel 8, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van toepassing is, en

b)

160 buitengaats doorgebrachte dagen in de deelsectoren 25-28, met uitzondering van de periode van 1 juli tot en met 31 augustus wanneer het bepaalde in artikel 8, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van toepassing is.

2.

Het maximale aantal buitengaats doorgebrachte dagen per jaar gedurende welke een vaartuig zich in de in punt 1, onder a) en onder b), omschreven gebieden mag bevinden en daar met het in punt 1 bedoelde vistuig mag vissen, mag niet meer bedragen dan het hoogste aantal dagen dat voor een van de twee gebieden is toegekend.


BIJLAGE III

Technische overgangsmaatregelen

Beperkingen van de visserij op bot en tarbot

1.

Het is verboden de volgende vissoorten die zijn gevangen in de geografische zones en tijdens de perioden die hierna worden gespecificeerd, aan boord te houden:

Soort

Geografische zone

Periode

Bot (Platichthys flesus)

Deelsectoren 26-28, 29, bezuiden 59°30′NB

15 februari tot en met 15 mei

Deelsector 32

15 februari tot en met 31 mei

Tarbot (Psetta maxima)

Deelsectoren 25-26, 28, bezuiden 56°50′NB

1 juni tot en met 31 juli

2.

In afwijking van het bepaalde in punt 1 geldt dat, wanneer wordt gevist met trawlnetten, Deense zegens of soortgelijk vistuig met een maaswijdte van 105 mm of meer, of met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten met een maaswijdte van 100 mm of meer, de bijvangsten van bot en tarbot aan boord mogen worden gehouden en aangevoerd, mits het aandeel van deze soorten niet meer bedraagt dan 10 % van de totale vangst in levend gewicht die aan boord wordt gehouden en aangevoerd tijdens de in punt 1 vastgestelde verbodsperioden.


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/10


VERORDENING (EG, EURATOM) Nr. 1323/2008 VAN DE RAAD

van 18 december 2008

houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2008 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, en met name op artikel 13,

Gelet op het Statuut van de ambtenaren en de Regeling die van toepassing is op de andere personeelleden van de Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (1), en met name op de artikelen 63, 64, 65 en 82 van het Statuut en de bijlagen VII, XI en XIII bij dat Statuut, alsmede op artikel 20, eerste alinea, en artikel 64 en artikel 92 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden,

Gelet op het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

Teneinde te waarborgen dat de koopkracht van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen gelijke tred houdt met die van de nationale ambtenaren dienen de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen in het kader van het jaarlijkse onderzoek 2008 te worden aangepast,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Met ingang van 1 juli 2008 wordt in artikel 63, tweede alinea, van het Statuut „1 juli 2007” vervangen door „1 juli 2008”.

Artikel 2

Met ingang van 1 juli 2008 wordt in artikel 66 van het Statuut, de tabel van de maandelijkse basissalarissen die van toepassing is voor de berekening van de bezoldigingen en de pensioenen, vervangen door de volgende tabel:

1.7.2008

SALARISTRAP

RANG

1

2

3

4

5

16

16 299,08

16 983,99

17 697,68

 

 

15

14 405,66

15 011,01

15 641,79

16 076,97

16 299,08

14

12 732,20

13 267,22

13 824,73

14 209,36

14 405,66

13

11 253,14

11 726,01

12 218,75

12 558,70

12 732,20

12

9 945,89

10 363,83

10 799,33

11 099,79

11 253,14

11

8 790,51

9 159,90

9 544,81

9 810,36

9 945,89

10

7 769,34

8 095,82

8 436,01

8 670,72

8 790,51

9

6 866,80

7 155,35

7 456,03

7 663,46

7 769,34

8

6 069,10

6 324,13

6 589,88

6 773,22

6 866,80

7

5 364,07

5 589,48

5 824,35

5 986,40

6 069,10

6

4 740,94

4 940,16

5 147,76

5 290,97

5 364,07

5

4 190,20

4 366,28

4 549,76

4 676,34

4 740,94

4

3 703,44

3 859,06

4 021,22

4 133,10

4 190,20

3

3 273,22

3 410,76

3 554,09

3 652,97

3 703,44

2

2 892,98

3 014,55

3 141,22

3 228,61

3 273,22

1

2 556,91

2 664,35

2 776,31

2 853,56

2 892,98

Artikel 3

Met ingang van 1 juli 2008 worden de aanpassingscoëfficiënten die op grond van artikel 64 van het Statuut van toepassing zijn op de bezoldiging van de ambtenaren en de andere personeelsleden vastgesteld zoals aangegeven in kolom 2 van de onderstaande tabel.

Met ingang van 1 januari 2009 worden de aanpassingscoëfficiënten die op grond van artikel 17, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut van toepassing zijn op de overmakingen van de ambtenaren en de andere personeelsleden vastgesteld zoals aangegeven in kolom 3 van de onderstaande tabel.

Met ingang van 1 juli 2008 worden de aanpassingscoëfficiënten die op grond van artikel 20, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut van toepassing zijn op de pensioenen vastgesteld zoals aangegeven in kolom 4 van de onderstaande tabel.

Met ingang van 16 mei 2008 worden de aanpassingscoëfficiënten die op grond van artikel 64 van het Statuut van toepassing zijn op de bezoldiging van de ambtenaren en de andere personeelsleden vastgesteld zoals aangegeven in kolom 5 van de onderstaande tabel.

Met ingang van 1 mei 2008 worden de aanpassingscoëfficiënten die op grond van artikel 64 van het Statuut van toepassing zijn op de bezoldiging van de ambtenaren en de andere personeelsleden vastgesteld zoals aangegeven in kolom 6 van de onderstaande tabel.

Met ingang van 16 mei 2008 worden de aanpassingscoëfficiënten die op grond van artikel 20, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut van toepassing zijn op de pensioenen vastgesteld zoals aangegeven in kolom 7 van de onderstaande tabel.

Land/Plaats

Bezoldiging

1.7.2008

Overmaking

1.1.2009

Pensioen

1.7.2008

Bezoldiging

16.5.2008

Bezoldiging

1.5.2008

Pensioen

16.5.2008

1

2

3

4

5

6

7

Bulgarije

 

62,5

100,0

70,5

 

 

Tsjechië

98,1

91,1

100,0

 

 

 

Denemarken

139,4

136,4

136,4

 

 

 

Duitsland

98,9

99,4

100,0

 

 

 

Bonn

98,0

 

 

 

 

 

Karlsruhe

96,4

 

 

 

 

 

München

105,3

 

 

 

 

 

Estland

 

81,9

100,0

85,0

 

 

Griekenland

95,0

94,9

100,0

 

 

 

Spanje

101,6

96,0

100,0

 

 

 

Frankrijk

115,5

106,3

106,3

 

 

 

Ierland

121,9

118,5

118,5

 

 

 

Italië

111,5

107,6

107,6

 

 

 

Varese

98,6

 

 

 

 

 

Cyprus

89,2

91,9

100,0

 

 

 

Letland

 

79,8

100,0

 

85,1

 

Litouwen

 

71,9

100,0

76,3

 

 

Hongarije

94,0

81,6

100,0

 

 

 

Malta

85,0

86,7

100,0

 

 

 

Nederland

109,1

101,5

101,5

 

 

 

Oostenrijk

107,8

106,9

106,9

 

 

 

Polen

 

84,6

100,0

93,8

 

 

Portugal

91,7

91,0

100,0

 

 

 

Roemenië

 

66,9

100,0

 

75,2

 

Slovenië

 

86,0

100,0

90,2

 

 

Slowakije

87,3

81,9

100,0

 

 

 

Finland

119,8

116,2

116,2

 

 

 

Zweden

115,3

111,5

111,5

 

 

 

Verenigd Koninkrijk

 

105,4

 

125,6

 

105,4

Culham

 

 

 

100,9

 

 

Artikel 4

Met ingang van 1 juli 2008 bedraagt de toelage bij ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 42 bis, tweede en derde alinea, van het Statuut 878,32 EUR, en die voor alleenstaande ouders 1 171,09 EUR.

Artikel 5

Met ingang van 1 juli 2008 bedraagt het basisbedrag van de kostwinnerstoelage als bedoeld in artikel 1, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut 164,27 EUR.

Met ingang van 1 juli 2008 bedraagt de kindertoelage als bedoeld in artikel 2, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut 358,96 EUR.

Met ingang van 1 juli 2008 bedraagt de schooltoelage als bedoeld in artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut 243,55 EUR.

Met ingang van 1 juli 2008 bedraagt de schooltoelage als bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut 87,69 EUR.

Met ingang van 1 juli 2008 bedraagt het minimumbedrag van de ontheemdingstoelage als bedoeld in artikel 69 van het Statuut en in artikel 4, lid 1, tweede alinea, van bijlage VII bij het Statuut 486,88 EUR.

Artikel 6

Met ingang van 1 januari 2009 wordt de kilometervergoeding als bedoeld in artikel 8, lid 2, tweede alinea, van bijlage VII bij het Statuut als volgt aangepast:

 

0 EUR per km voor het gedeelte van de afstand tussen 0 en 200 km

 

0,3651 EUR per km voor het gedeelte van de afstand tussen 201 en 1 000 km

 

0,6085 EUR per km voor het gedeelte van de afstand tussen 1 001 en 2 000 km

 

0,3651 EUR per km voor het gedeelte van de afstand tussen 2 001 en 3 000 km

 

0,1216 EUR per km voor het gedeelte van de afstand tussen 3 001 en 4 000 km

 

0,0586 EUR per km voor het gedeelte van de afstand tussen 4 001 en 10 000 km

 

0 EUR per km voor het gedeelte van de afstand dat hoger ligt dan 10 000 km.

Aan deze vergoeding wordt een forfaitair supplement toegevoegd van:

182,54 EUR als de afstand per spoor tussen de standplaats en de plaats van herkomst tussen 725 km en 1 450 km bedraagt;

365,04 EUR als de afstand per spoor tussen de standplaats en de plaats van herkomst meer dan 1 450 km bedraagt.

Artikel 7

Met ingang van 1 juli 2008 bedraagt de in artikel 10, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut bedoelde dagvergoeding:

37,73 EUR voor ambtenaren die recht hebben op de kostwinnerstoelage;

30,42 EUR voor ambtenaren die geen recht hebben op de kostwinnerstoelage.

Artikel 8

Met ingang van 1 juli 2008 wordt het minimumbedrag voor de inrichtingsvergoeding als bedoeld in artikel 24, lid 3, van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden vastgesteld op:

1 074,14 EUR voor personeelsleden die recht hebben op de kostwinnerstoelage;

638,68 EUR voor personeelsleden die geen recht hebben op de kostwinnerstoelage.

Artikel 9

Met ingang van 1 juli 2008 wordt het minimumbedrag voor de werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 28 bis, lid 3, tweede alinea, van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden vastgesteld op 1 288,19 EUR en het maximumbedrag op 2 576,39 EUR, en wordt het vaste bedrag dat moet worden afgetrokken, vastgesteld op 1 171,09 EUR.

Artikel 10

Met ingang van 1 juli 2008 wordt de in artikel 63 van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden opgenomen tabel van de maandelijkse basissalarissen vervangen door de hiernavolgende tabel:

1.7.2008

 

SALARISTRAP

CATEGORIE

GROEP

1

2

3

4

A

I

6 565,32

7 378,56

8 191,80

9 005,04

II

4 765,00

5 229,31

5 693,62

6 157,93

III

4 004,25

4 182,62

4 360,99

4 539,36

B

IV

3 846,60

4 223,18

4 599,76

4 976,34

V

3 021,43

3 220,60

3 419,77

3 618,94

C

VI

2 873,61

3 042,79

3 211,97

3 381,15

VII

2 571,98

2 659,49

2 747,00

2 834,51

D

VIII

2 324,67

2 461,59

2 598,51

2 735,43

IX

2 238,75

2 269,94

2 301,13

2 332,32

Artikel 11

Met ingang van 1 juli 2008 wordt de in artikel 93 van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden opgenomen tabel van de maandelijkse basissalarissen vervangen door de hiernavolgende tabel:

FUNCTIE DE GROEP

1.7.2008

SALARISTRAP

RANG

1

2

3

4

5

6

7

IV

18

5 618,70

5 735,55

5 854,82

5 976,58

6 100,87

6 227,74

6 357,25

17

4 965,96

5 069,23

5 174,64

5 282,26

5 392,10

5 504,24

5 618,70

16

4 389,04

4 480,31

4 573,49

4 668,59

4 765,68

4 864,79

4 965,96

15

3 879,15

3 959,82

4 042,17

4 126,23

4 212,03

4 299,63

4 389,04

14

3 428,49

3 499,79

3 572,57

3 646,87

3 722,70

3 800,12

3 879,15

13

3 030,19

3 093,21

3 157,53

3 223,19

3 290,22

3 358,65

3 428,49

III

12

3 879,08

3 959,75

4 042,09

4 126,14

4 211,95

4 299,53

4 388,94

11

3 428,46

3 499,75

3 572,53

3 646,82

3 722,65

3 800,06

3 879,08

10

3 030,18

3 093,19

3 157,51

3 223,17

3 290,20

3 358,62

3 428,46

9

2 678,17

2 733,86

2 790,71

2 848,74

2 907,98

2 968,45

3 030,18

8

2 367,05

2 416,27

2 466,52

2 517,81

2 570,17

2 623,61

2 678,17

II

7

2 678,11

2 733,81

2 790,67

2 848,71

2 907,97

2 968,45

3 030,19

6

2 366,93

2 416,16

2 466,42

2 517,72

2 570,08

2 623,54

2 678,11

5

2 091,91

2 135,42

2 179,84

2 225,18

2 271,46

2 318,70

2 366,93

4

1 848,85

1 887,30

1 926,56

1 966,63

2 007,53

2 049,29

2 091,91

I

3

2 277,64

2 324,91

2 373,16

2 422,41

2 472,69

2 524,01

2 576,39

2

2 013,53

2 055,32

2 097,98

2 141,52

2 185,96

2 231,33

2 277,64

1

1 780,05

1 816,99

1 854,70

1 893,20

1 932,49

1 972,59

2 013,53

Artikel 12

Met ingang van 1 juli 2008 wordt het minimumbedrag voor de inrichtingsvergoeding als bedoeld in artikel 94 van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden vastgesteld op:

807,93 EUR voor personeelsleden die recht hebben op de kostwinnerstoelage;

479,00 EUR voor personeelsleden die geen recht hebben op de kostwinnerstoelage.

Artikel 13

Met ingang van 1 juli 2008 wordt het minimumbedrag voor de werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 96, lid 3, tweede alinea, van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden vastgesteld op 966,15 EUR en het maximumbedrag op 1 932,29 EUR, en wordt het vaste bedrag dat moet worden afgetrokken, vastgesteld op 878,32 EUR.

Artikel 14

Met ingang van 1 juli 2008 worden de toeslagen voor continu- of ploegendienst als bedoeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 300/76 (2) vastgesteld op 368,17 EUR, 555,70 EUR, 607,58 EUR en 828,33 EUR.

Artikel 15

Met ingang van 1 juli 2008 wordt op de in artikel 4 van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 (3) genoemde bedragen een coëfficiënt toegepast van 5,314614.

Artikel 16

Met ingang van 1 juli 2008 wordt de tabel in artikel 8, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut vervangen door de hiernavolgende tabel:

1.7.2008

SALARISTRAP

RANG

1

2

3

4

5

6

7

8

16

16 299,08

16 983,99

17 697,68

17 697,68

17 697,68

17 697,68

 

 

15

14 405,66

15 011,01

15 641,79

16 076,97

16 299,08

16 983,99

 

 

14

12 732,20

13 267,22

13 824,73

14 209,36

14 405,66

15 011,01

15 641,79

16 299,08

13

11 253,14

11 726,01

12 218,75

12 558,70

12 732,20

 

 

 

12

9 945,89

10 363,83

10 799,33

11 099,79

11 253,14

11 726,01

12 218,75

12 732,20

11

8 790,51

9 159,90

9 544,81

9 810,36

9 945,89

10 363,83

10 799,33

11 253,14

10

7 769,34

8 095,82

8 436,01

8 670,72

8 790,51

9 159,90

9 544,81

9 945,89

9

6 866,80

7 155,35

7 456,03

7 663,46

7 769,34

 

 

 

8

6 069,10

6 324,13

6 589,88

6 773,22

6 866,80

7 155,35

7 456,03

7 769,34

7

5 364,07

5 589,48

5 824,35

5 986,40

6 069,10

6 324,13

6 589,88

6 866,80

6

4 740,94

4 940,16

5 147,76

5 290,97

5 364,07

5 589,48

5 824,35

6 069,10

5

4 190,20

4 366,28

4 549,76

4 676,34

4 740,94

4 940,16

5 147,76

5 364,07

4

3 703,44

3 859,06

4 021,22

4 133,10

4 190,20

4 366,28

4 549,76

4 740,94

3

3 273,22

3 410,76

3 554,09

3 652,97

3 703,44

3 859,06

4 021,22

4 190,20

2

2 892,98

3 014,55

3 141,22

3 228,61

3 273,22

3 410,76

3 554,09

3 703,44

1

2 556,91

2 664,35

2 776,31

2 853,56

2 892,98

 

 

 

Artikel 17

Met ingang van 1 juli 2008 worden de bedragen van de in artikel 14 van bijlage XIII bij het Statuut bedoelde kindertoelage als volgt vastgesteld:

1.7.08-31.12.08

344,55

Artikel 18

Met ingang van 1 juli 2008 worden de bedragen van de in artikel 15 van bijlage XIII bij het Statuut bedoelde schooltoelage als volgt vastgesteld:

1.7.08-31.8.08

70,14

Artikel 19

Met ingang van 1 juli 2008 wordt, voor de toepassing van artikel 18, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut, de vaste vergoeding genoemd in artikel 4 bis van bijlage VII bij het Statuut dat vóór 1 mei 2004 van kracht was, vastgesteld op:

127,01 EUR per maand voor ambtenaren in de rangen C4 en C5;

194,73 EUR per maand voor ambtenaren in de rangen C1, C2 en C3.

Artikel 20

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 december 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

M. BARNIER


(1)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(2)  Verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 300/76 van de Raad van 9 februari 1976 tot vaststelling van de categorieën van begunstigden, de voorwaarden voor toekenning en de hoogte van de toeslagen die kunnen worden toegekend aan ambtenaren die hun werkzaamheden verrichten in het kader van een continu- of ploegendienst (PB L 38 van 13.2.1976, blz. 1).

(3)  Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 8).


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/17


VERORDENING (EG, EURATOM) Nr. 1324/2008 VAN DE RAAD

van 18 december 2008

houdende aanpassing, met ingang van 1 juli 2008, van het pensioenbijdragepercentage van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (1), en met name op artikel 83 bis,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 13 van bijlage XII bij het Statuut heeft Eurostat op 1 september 2008 het verslag over de actuariële raming 2008 van de pensioenregeling ingediend, waarin de in die bijlage vermelde parameters worden aangepast. Uit deze raming blijkt dat het bijdragepercentage dat nodig is om het actuarieel evenwicht van de pensioenregeling te kunnen garanderen 10,9 % van het basissalaris bedraagt.

(2)

Om het actuarieel evenwicht van de pensioenregeling voor de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen te kunnen garanderen, moet het bijdragepercentage bijgevolg op 10,9 % van het basissalaris worden vastgesteld.

(3)

Overeenkomstig artikel 12 van bijlage XII bij het Statuut is het percentage voor de berekening van de samengestelde rente het in artikel 10 van bijlage XII bedoelde werkelijke percentage en dit percentage moet derhalve worden herzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het in artikel 83, lid 2, van het Statuut bedoelde percentage van de bijdrage wordt met ingang van 1 juli 2008 vastgesteld op 10,9 %.

Artikel 2

Met ingang van 1 januari 2009 bedraagt het in artikel 4, lid 1, en artikel 8 van bijlage VIII van het Statuut en respectievelijk in artikel 40, vierde alinea, en artikel 110, lid 3, van de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden genoemde percentage voor de berekening van de samengestelde rente 3,1 %.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 december 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

M. BARNIER


(1)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/18


VERORDENING (EG) Nr. 1325/2008 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2008

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 23 december 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

CR

110,3

MA

79,8

TR

84,6

ZZ

91,6

0707 00 05

JO

167,2

MA

69,8

TR

115,3

ZZ

117,4

0709 90 70

MA

127,3

TR

81,0

ZZ

104,2

0805 10 20

AR

13,6

BR

44,6

EG

51,1

MA

46,9

TR

71,3

UY

30,6

ZA

41,3

ZW

31,4

ZZ

41,4

0805 20 10

MA

74,4

TR

64,0

ZZ

69,2

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

CN

50,3

IL

65,1

TR

65,0

ZZ

60,1

0805 50 10

MA

64,0

TR

54,7

ZZ

59,4

0808 10 80

CA

79,3

CN

76,1

MK

37,6

US

86,9

ZA

118,0

ZZ

79,6

0808 20 50

CN

71,5

TR

107,0

US

116,0

ZZ

98,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/20


VERORDENING (EG) Nr. 1326/2008 VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2008

houdende goedkeuring van minimale wijzigingen van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Chaource (BOB))

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 (1), en met name op artikel 9, lid 2, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft overeenkomstig artikel 9, lid 1, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 de aanvraag van Frankrijk beoordeeld voor de goedkeuring van een wijziging van onderdelen van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Chaource”, die bij Verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie (2) is geregistreerd.

(2)

De aanvraag betreft een wijziging van het productdossier waarbij de voorwaarden voor de toepassing van behandelingen en toevoegingen ten aanzien van de melk en bij de vervaardiging van de Chaource nader worden omschreven. Door deze handelwijze wordt gewaarborgd dat de essentiële kenmerken van de benaming behouden blijven.

(3)

De Commissie heeft de betrokken wijziging onderzocht en acht ze gerechtvaardigd. Aangezien het een minimale wijziging betreft in de zin van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 510/2006, kan de Commissie de wijziging goedkeuren zonder gebruik te maken van de in de artikelen 5, 6 en 7 van die verordening omschreven procedure.

(4)

Overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1898/2006 van de Commissie (3) en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 dient een samenvatting van het productdossier te worden bekendgemaakt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het productdossier voor de beschermde oorsprongsbenaming „Chaource” wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

De geconsolideerde samenvatting, die de belangrijkste gegevens uit het productdossier bevat, is opgenomen in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 december 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB L 148 van 21.6.1996, blz. 1.

(3)  PB L 369 van 23.12.2006, blz. 1.


BIJLAGE I

De volgende wijzigingen in het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Chaource” worden goedgekeurd:

„Werkwijze voor het verkrijgen van het product”

Punt 5 van het productdossier over de beschrijving van de werkwijze voor het verkrijgen van het product wordt aangevuld met de volgende bepalingen:

„(…) Voor het laten stremmen van de melk mag uitsluitend leb worden toegevoegd.

Het concentreren van de melk door de gedeeltelijke verwijdering van het waterige gedeelte vóór de stremming is verboden.

Naast op zuivel gebaseerde ingrediënten zijn de enige ingrediënten, technische hulpmiddelen of additieven die aan de melk mogen worden toegevoegd of die tijdens de bereiding mogen worden gebruikt, leb, onschadelijke culturen van bacteriën, gist en schimmels, calciumchloride en zout.

(…) Het is verboden op zuivel gebaseerde ingrediënten, producten in bereiding, wrongel en verse kaas onder het vriespunt te bewaren.

Het is verboden verse en rijpende kazen onder gemodificeerde atmosfeer te bewaren.”.


BIJLAGE II

SAMENVATTING

Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen

„CHAOURCE”

EG-nummer: FR-PDO-0217-0114/29.03.2006

BOB (X) BGA ( )

Deze samenvatting bevat de belangrijkste gegevens uit het productdossier ter informatie.

1.   Bevoegde dienst van de lidstaat

Naam:

Institut national de l’origine et de la qualité

Adres:

51 rue d’Anjou, 75008 Paris, France

Tel.

(33) 153 89 80 00

Fax

(33) 153 89 80 60

E-mail:

info@inao.gouv.fr

2.   Groepering

Naam:

Syndicat de défense du fromage de Chaource

Adres:

Ferme du Moulinet, 10150 Pont-Sainte-Marie, France

Tel.

(33) 325 49 90 48

Fax

(33) 325 49 90 48

E-mail:

syndicat-chaource@wanadoo.fr

Samenstelling:

Producenten/verwerkers (X) Andere samenstelling ( )

3.   Productcategorie

Categorie 1.3:

Kaas

4.   Productdossier

(samenvatting van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 voorgeschreven gegevens)

4.1.   Naam

„Chaource”

4.2.   Beschrijving

Gemaakt van koemelk, een zachte, gezouten kaas met een schimmelkorst; in twee cilindervormige platte formaten: groot formaat (diameter tussen 11 en 11,5 cm, 6 cm dik, ongeveer 450 gram) en klein formaat (diameter tussen 8,5 en 9 cm, 6 cm dik, ongeveer 200 gram); ten minste 50 % vet.

4.3.   Geografisch gebied

Het productiegebied omvat een zeer klein gebied aan de grens van de departementen Aube en Yonne, namelijk de natuurlijke regio „Champagne humide” met als centrum de gemeente Chaource.

 

Departement Aube:

Kantons in hun geheel: Aix-en-Othe, Bar-sur-Seine, Bouilly, Chaource, Ervy-le-Châtel, Mussy-sur-Seine, Les Riceys et Troyes (zeven kantons)

 

Departement Yonne:

 

Kantons in hun geheel: Ancy-le-Franc, Crusy-le-Châtel, Flogny-la-Chapelle, Tonnerre

 

Gemeenten in hun geheel: Bagneaux, Boeurs-en-Othe, Cérilly, Chigy, les Clérimois, Coulours, Flacy, Foissy-sur-Vanne, Fontaine-la-Gaillarde, Fournaudin, Maillot, Malay-le-Grand, Malay-le-petit, Noé, Saint-Clément, Saligny, Sens, les Sièges, Theil-sur-Vanne, Vareilles, Vaudeurs, Villeneuve-l'Archevêque, Villiers-Louis, Voisines.

 

Gemeenten die gedeeltelijk tot het geografische gebied behoren: Arces-Dilo (deel ten noorden van de nationale weg 5), Cerisiers (deel ten noorden van de nationale weg 5), Lailly (deel ten zuiden van de departementale weg 28), La Postolle (deel ten zuiden van de departementale weg 28), Soucy (deel ten zuiden van de nationale weg 439), Thorigny-sur-Oreuse (deel ten zuiden van de departementale weg 28), Vaumort (deel ten noorden van de nationale weg 5).

4.4.   Bewijs van de oorsprong

Elke ondernemer vult een „verklaring van geschiktheid” in die wordt geregistreerd door de diensten van het INAO en aan de hand waarvan de laatstgenoemde alle ondernemers kan identificeren. De ondernemers dienen registers bij te houden voor het INAO, evenals alle documenten die nodig zijn voor de controle van de oorsprong, de kwaliteit en de omstandigheden van de productie van de melk en de kazen.

De kwaliteit en de typische kenmerken van een product met een oorsprongsbenaming worden gecontroleerd aan de hand van een analytisch en organoleptisch onderzoek.

4.5.   Werkwijze voor het verkrijgen van het product

De melkproductie en de fabricage en de rijping van de kazen moeten plaatsvinden in het geografische gebied.

De kaas bestaat hoofdzakelijk uit melkzuur en lekt spontaan en langzaam uit; hij wordt uitsluitend bereid uit koemelk waaraan zuursel en vervolgens stremsel is toegevoegd; de stremming duurt minimaal twaalf uur en de rijping ten minste twee weken.

4.6.   Verband

Deze kaas was in de middeleeuwen al bekend en werd in 1513 door de inwoners van Chaource aan de gouverneur van Langres aangeboden. De mondelinge traditie gaat terug tot het eerste deel van de negentiende eeuw; sindsdien wordt de kaas verkocht op regionale markten en ook in grote steden als Lyon en Parijs. De benaming werd erkend in 1970.

Het gebied waar de benaming mag worden gebruikt, ligt in een bekken dat gekenmerkt wordt door een doorlatende ondergrond die voornamelijk uit kalk en klei bestaat, en door een groot aantal waterlopen en bronnen. De melkkoeien grazen 's zomers in de natuurlijke weilanden en krijgen 's winters het ter plaatse geoogste hooi te eten. Het traditionele fabricageproces geeft de kaas van de fabrikanten een meerwaarde en zorgt ervoor dat de landbouw in deze regio blijft bestaan.

4.7.   Controlestructuur

Naam:

Institut national de l’origine et de la qualité

Adres:

51 rue d’Anjou, 75008 Paris, France

Tel.

(33) 153 89 80 00

Fax

(33) 153 89 80 60

E-mail:

info@inao.gouv.fr

Het Institut national de l’origine et de la qualité is een bestuursrechtelijke openbare instelling met rechtspersoonlijkheid die onder het ministerie van Landbouw valt.

Het INAO is verantwoordelijk voor de controle van de productievoorwaarden van de producten met een oorsprongsbenaming.

Naam:

Direction générale de la concurrence, de la consommation et de la répression des Fraudes (DGCCRF)

Adres:

59 boulevard Vincent-Auriol, 75703 Paris Cedex 13, France

Tel.

(33) 144 87 17 17

Fax

(33) 144 97 30 37

Het DGCCRF is een dienst van het ministerie van Economische Zaken, Industrie en Werkgelegenheid.

4.8.   Etikettering

Het is verplicht de vermelding Appellation d’origine contrôlée en de benaming aan te brengen.


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/24


VERORDENING (EG) Nr. 1327/2008 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2008

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1580/2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op de artikelen 103 nonies en 127 juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie (2) zijn uitvoeringsbepalingen betreffende producentenorganisaties in de sector groenten en fruit vastgesteld.

(2)

Om te garanderen dat alle producenten democratisch aan de besluitvorming over de producentenorganisatie kunnen deelnemen, moeten de lidstaten maatregelen kunnen nemen om de uitoefening van aan een rechtspersoon verleende bevoegdheden tot wijziging, goedkeuring of afwijzing van door een producentenorganisatie genomen beslissingen toe te staan, te beperken of te verbieden wanneer de betrokken producentenorganisatie een duidelijk omschreven onderdeel van die rechtspersoon vormt.

(3)

Krachtens artikel 32, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1580/2007 kunnen de lidstaten het recht van niet-producerende leden van een producentenorganisatie om deel te nemen aan de stemming over besluiten inzake actiefondsen, beperken of verbieden. Met het oog op een flexibeler uitvoering van operationele deelprogramma's door unies van producentenorganisaties, is het wenselijk deze bepaling tevens toe te passen op in artikel 36, lid 2, van de genoemde verordening bedoelde leden van een unie van producentenorganisaties, die geen producentenorganisatie zijn. Bovendien moet in de verwijzing naar het recht op deelname aan stemmingen over actiefondsen omwille van de duidelijkheid worden verwezen naar beslissingen over operationele programma's, aangezien de beslissingen over de actiefondsen rechtstreeks door de producentenorganisatie worden genomen en niet door de unie van producentenorganisaties.

(4)

Omwille van de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat de in artikel 103 bis, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde steun om de oprichting van producentengroeperingen te bevorderen en de administratieve werking ervan te vergemakkelijken, bestaat uit een forfaitaire betaling, en dat het gebruik van de steun niet in de steunaanvragen hoeft te worden aangetoond.

(5)

Krachtens artikel 52, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1580/2007 mag slechts de productie van de leden van de producentenorganisatie, die door de producentenorganisatie zelf of overeenkomstig artikel 125 bis, lid 2, onder b) en c), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 in de handel is gebracht, worden verrekend in de waarde van de in de handel gebrachte productie. Hierdoor kan de productie die door de leden zelf overeenkomstig de hierboven bedoelde bepalingen in de handel wordt gebracht, worden verrekend in de waarde van de in de handel gebrachte productie van de producentenorganisatie waarbij die leden zijn aangesloten, maar wordt de productie die de leden zelf overeenkomstig artikel 125 bis, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 in de handel brengen, van die verrekening uitgesloten. In het belang van de producentenorganisaties dient de productie die producenten rechtstreeks via een andere producentenorganisatie verkopen, te worden verrekend in de waarde van de in de handel gebrachte productie van die andere producentenorganisatie. De rechtstreeks door een producent zelf verkochte productie mag niet worden verrekend in de waarde van de in de handel gebrachte productie van de producentenorganisatie waarbij deze producent is aangesloten.

(6)

Met het oog op de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat de in artikel 103 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde steun voor producentengroeperingen in bepaalde omstandigheden hoger mag zijn dan voor de maatregelen in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma.

(7)

Krachtens artikel 60, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1580/2007 is de steun voor milieuacties beperkt tot de maximumbedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (3). Bepaalde soorten milieuacties hebben niet noodzakelijk direct of indirect betrekking op een specifiek perceel. Om dergelijke acties van de beperking uit te sluiten, dient artikel 60, lid 2, te worden gewijzigd.

(8)

Krachtens artikel 63, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 1580/2007 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat acties in het kader van operationele deelprogramma's volledig worden gefinancierd met bijdragen uit de actiefondsen van de aangesloten producentenorganisaties. Leden van een unie van producentenorganisaties, die geen producentenorganisatie zijn, dienen in de gelegenheid te worden gesteld financiering te verlenen voor acties of investeringen die door de unie van producentenorganisaties worden ondernomen, op voorwaarde dat deze leden producenten of coöperaties zijn. Krachtens artikel 36, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1580/2007 mogen dergelijke producenten echter niet rechtstreeks baat hebben bij de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen, bijvoorbeeld als gevolg van schaalvoordelen.

(9)

Artikel 120 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 voorziet in sancties naar aanleiding van controles van het eerste niveau met betrekking tot het uit de markt nemen van producten. Met name in artikel 120, onder a), b) en c), wordt verwezen naar het vergoedingsbedrag. Met het oog op de duidelijkheid en de rechtszekerheid dient in plaats van aan het vergoedingsbedrag te worden gerefereerd aan de bijdrage van de Gemeenschap.

(10)

Krachtens artikel 103 septies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 moeten de lidstaten een nationale strategie voor duurzame operationele programma's vaststellen. Omwille van de transparantie moet de in een bepaald jaar geldende nationale strategie worden geïntegreerd in het jaarverslag van de lidstaten, en aan de Commissie worden toegezonden.

(11)

Sommige lidstaten hebben het vanwege specifieke problemen moeilijk om het in artikel 103 septies, lid 1, van Verordening 1234/2007 en artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde nationaal kader voor milieuacties, dat deel uitmaakt van de nationale strategie voor duurzame operationele programma's, tijdig voor te bereiden. Daarom moet de lidstaten gedurende een overgangsperiode worden toegestaan beslissingen over de operationele programma's voor 2009 uit te stellen tot uiterlijk 1 maart 2009. De geraamde bedragen voor alle operationele programma's dienen uiterlijk op 31 januari 2009 te worden meegedeeld en de definitief goedgekeurde bedragen uiterlijk op 15 maart 2009.

(12)

Overeenkomstig bijlage VIII, punt 15, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1580/2007 moet het promotiemateriaal worden voorzien van het logo van de Europese Gemeenschap (enkel voor visuele media) en van de volgende vermelding: „Door de Europese Gemeenschap medegefinancierde campagne”. Verduidelijkt moet worden dat deze verplichting slechts geldt voor algemene verkoopbevordering en verkoopbevordering voor kwaliteitsmerken. Het dient producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en dochterondernemingen als bedoeld in artikel 52, lid 7, van de genoemde verordening, expliciet te worden verboden het logo van de Europese Gemeenschap te gebruiken voor de bevordering van hun merknaam/handelsmerk.

(13)

Overeenkomstig bijlage XIII, punt 2, onder a), zesde streepje, van Verordening (EG) nr. 1580/2007 moeten de lidstaten informatie verstrekken over de hoeveelheid uit de markt genomen producten, per product en per maand. Omwille van de transparantie moeten deze hoeveelheden verder worden uitgesplitst naar voor gratis uitreiking uit de markt genomen hoeveelheden en totale uit de markt genomen hoeveelheden.

(14)

Verordening (EG) nr. 1580/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

De wijzigingen aan artikel 52, lid 5, en artikel 63, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1580/2007, dienen met het oog op een vlotte invoering ervan, met ingang van 1 januari 2010 van toepassing te worden.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1580/2007 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 33 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De lidstaten mogen maatregelen nemen om de uitoefening van aan een rechtspersoon verleende bevoegdheden tot wijziging, goedkeuring of afwijzing van door een producentenorganisatie genomen beslissingen te beperken of te verbieden wanneer de betrokken producentenorganisatie een duidelijk omschreven onderdeel van die rechtspersoon vormt.”.

2.

Artikel 36, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:

a)

het bepaalde onder b) wordt geschrapt;

b)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„De lidstaten kunnen het recht van de hier bedoelde partijen tot stemming over beslissingen inzake operationele programma's, toestaan, beperken of verbieden.”.

3.

Artikel 49, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

het bepaalde onder a) en b) wordt vervangen door:

„a)

75 % in de regio's die in aanmerking komen uit hoofde van de convergentiedoelstelling, en

b)

50 % in de overige regio's.”;

b)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„De rest van de steun wordt in de vorm van een forfaitaire betaling door de lidstaat betaald. In de steunaanvraag hoeft geen bewijsmateriaal inzake het gebruik van de steun te worden opgenomen.”.

4.

Artikel 52, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   Alleen de door de producentenorganisatie zelf in de handel gebrachte productie van haar leden wordt meegerekend in de waarde van de in de handel gebrachte productie. Indien de productie van de leden van een producentenorganisatie overeenkomstig artikel 125 bis, lid 2, onder b) en c), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 (4) in de handel wordt gebracht door een andere producentenorganisatie die daartoe is aangewezen door de producentenorganisatie waarbij deze producenten zijn aangesloten, wordt de betrokken productie verrekend in de waarde van de in de handel gebrachte productie van de andere producentenorganisatie.

5.

Artikel 60, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:

a)

de derde alinea wordt vervangen door:

„In voorkomend geval en onverminderd artikel 103 bis, lid 3, artikel 103 quinquies, leden 1 en 3, en artikel 103 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 49 van de onderhavige verordening, mag het steunniveau voor onder de onderhavige verordening vallende maatregelen niet hoger zijn dan voor maatregelen in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma.”;

b)

de volgende vijfde alinea wordt toegevoegd:

„Het bepaalde in de vierde alinea geldt niet voor milieuacties die niet direct of indirect betrekking hebben op een specifiek perceel.”.

6.

Artikel 63, lid 3, onder a), wordt vervangen door:

„a)

de acties volledig worden gefinancierd met bijdragen uit de actiefondsen van de aangesloten producentenorganisaties, die geen producentenorganisatie zijn, in de vorm van betalingen uit de actiefondsen van die producentenorganisaties. De acties mogen evenwel met een aan de bijdrage van de aangesloten producentenorganisaties evenredig bedrag worden gefinancierd door in artikel 36 bedoelde leden van een unie van producentenorganisaties, die geen producentenorganisatie zijn, op voorwaarde dat deze leden producenten of coöperaties zijn.”.

7.

In artikel 120, onder a), b) en c), wordt „het vergoedingsbedrag” vervangen door „de bijdrage van de Gemeenschap”.

8.

Aan artikel 152 worden de volgende leden toegevoegd:

„9.   In afwijking van artikel 65, lid 2, derde alinea, van de onderhavige verordening kunnen de lidstaten hun besluit over de operationele programma's en actiefondsen voor 2009 om naar behoren gemotiveerde redenen uitstellen tot uiterlijk 1 maart 2009. In de goedkeuringsbesluiten kan worden vastgelegd dat de uitgaven met ingang van 1 januari 2009 subsidiabel zijn.

10.   In afwijking van artikel 99, lid 2, van de onderhavige verordening delen de lidstaten die hun besluit over de operationele programma's voor 2009 op grond van het vorige lid hebben uitgesteld, de Commissie uiterlijk op 31 januari 2009 een raming mee van het bedrag van het voor alle operationele programma's voor 2009 benodigde actiefonds. In deze mededeling worden duidelijk het totale bedrag van het actiefonds en het totale bedrag van de Gemeenschapsfinanciering van dat fonds vermeld. Deze cijfers worden verder uitgesplitst naar bedragen voor crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen en andere maatregelen.

De in de vorige alinea bedoelde lidstaten delen uiterlijk op 15 maart 2009 het definitieve, goedgekeurde bedrag van het voor alle operationele programma's voor 2009 benodigde actiefonds aan de Commissie mee, inclusief de hierboven bedoelde uitsplitsing van dat bedrag.”.

9.

De bijlagen VIII en XIII worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De punten 4 en 6 van artikel 1 zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 december 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.

(3)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(4)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.”.


BIJLAGE

De bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage VIII, wordt de tweede alinea van punt 15 vervangen door:

„Het voor algemene verkoopbevordering en verkoopbevordering voor kwaliteitsmerken bedoelde promotiemateriaal is voorzien van het logo van de Europese Gemeenschap (enkel voor visuele media) en van de volgende vermelding: „Door de Europese Gemeenschap medegefinancierde campagne”. Producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en dochterondernemingen als bedoeld in artikel 52, lid 7, mogen het logo van de Europese Gemeenschap onder geen beding gebruiken voor de bevordering van hun merknaam/handelsmerk.”.

2)

Bijlage XIII wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1, onder a), wordt vervangen door:

„a)

Nationale wetgeving die is vastgesteld voor de toepassing van deel II, titel I, hoofdstuk IV, sectie IV bis en deel II, titel II, hoofdstuk II, sectie I bis, van Verordening (EG) nr. 1234/2007, met inbegrip van de nationale strategie voor duurzame operationele programma’s die geldt voor de operationele programma’s die worden uitgevoerd in het jaar waarover wordt gerapporteerd.”;

b)

punt 2, onder a), zesde streepje, wordt vervangen door:

„—

informatie over de hoeveelheid uit de markt genomen producten, per product en per maand, en uitgesplitst naar totale uit de markt genomen hoeveelheden en voor gratis uitreiking uit de markt genomen hoeveelheden, uitgedrukt in ton;”.


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/28


VERORDENING (EG) Nr. 1328/2008 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2008

tot wijziging van de bijlagen I, II, III, V, VII en VIII bij Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad van 12 oktober 1993 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen (1), en met name op artikel 19,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De gemeenschappelijke regels voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen moeten worden bijgewerkt om rekening te houden met een aantal recente ontwikkelingen.

(2)

Het systeem van dubbele controle dat voor China geldt, loopt op 31 december 2008 ten einde.

(3)

De Raad heeft bij Besluit 2008/939/EG (2) zijn goedkeuring gehecht aan de ondertekening en voorlopige toepassing van een bilaterale overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Belarus inzake de handel in textielproducten.

(4)

Wijzigingen in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (3) zijn ook van invloed op bepaalde codes in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 3030/93.

(5)

Verordening (EEG) nr. 3030/93 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité textielproducten, dat werd ingesteld bij artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 3030/93,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I, II, III, V, VII en VIII bij Verordening (EG) nr. 3030/93 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2008.

Voor de Commissie

Catherine ASHTON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 275 van 8.11.1993, blz. 1.

(2)  PB L 335 van 13.12.2008, blz. 39

(3)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.


BIJLAGE

De bijlagen I, II, III, V, VII en VIII bij Verordening (EEG) nr. 3030/93 worden als volgt gewijzigd:

(1)

Bijlage I komt als volgt te luiden:

BIJLAGE I

TEXTIELPRODUCTEN BEDOELD IN ARTIKEL 1 (1)

1.

Onverminderd de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, worden de bewoordingen van de omschrijving van de goederen geacht slechts indicatieve waarde te hebben, aangezien de producten die onder elk van de categorieën vallen, in deze bijlage door de GN-codes worden bepaald. Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door de letters „ex”, betekent dit dat door de GN-code en de desbetreffende omschrijving tezamen wordt bepaald welke producten onder een categorie vallen.

2.

Wanneer het materiaal waarvan producten van de categorieën 1 tot en met 114 van oorsprong uit China zijn vervaardigd, niet specifiek wordt vermeld, worden deze producten geacht uitsluitend van wol, fijn haar, katoen of synthetische of kunstmatige vezels te zijn vervaardigd.

3.

Kleding die niet herkenbaar is als heren- of jongenskleding of als dames- of meisjeskleding, wordt bij laatstgenoemde ingedeeld.

4.

De term „babykleding” omvat kleding tot en met handelsmaat 86.

Categorie

Omschrijving

GN-code 2009

Equivalentietabel

stuks/kg

g/stuk

(1)

(2)

(3)

(4)

GROEP I A

1

Garens van katoen, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

5204 11 005204 19 005205 11 005205 12 005205 13 005205 14 005205 15 105205 15 905205 21 005205 22 005205 23 005205 24 005205 26 005205 27 005205 28 005205 31 005205 32 005205 33 005205 34 005205 35 005205 41 005205 42 005205 43 005205 44 005205 46 005205 47 005205 48 005206 11 005206 12 005206 13 005206 14 005206 15 005206 21 005206 22 005206 23 005206 24 005206 25 005206 31 005206 32 005206 33 005206 34 005206 35 005206 41 005206 42 005206 43 005206 44 005206 45 00ex 5604 90 90

 

 

2

Weefsels van katoen, andere dan weefsels met gaasbinding, lussenweefsel (bad- of frotteerstof), lint, fluweel, pluche en chenilleweefsel, tule, bobinettule en filetweefsel

5208 11 105208 11 905208 12 165208 12 195208 12 965208 12 995208 13 005208 19 005208 21 105208 21 905208 22 165208 22 195208 22 965208 22 995208 23 005208 29 005208 31 005208 32 165208 32 195208 32 965208 32 995208 33 005208 39 005208 41 005208 42 005208 43 005208 49 005208 51 005208 52 005208 59 105208 59 905209 11 005209 12 005209 19 005209 21 005209 22 005209 29 005209 31 005209 32 005209 39 005209 41 005209 42 005209 43 005209 49 005209 51 005209 52 005209 59 005210 11 005210 19 005210 21 005210 29 005210 31 005210 32 005210 39 005210 41 005210 49 005210 51 005210 59 005211 11 005211 12 005211 19 005211 20 005211 31 005211 32 005211 39 005211 41 005211 42 005211 43 005211 49 105211 49 905211 51 005211 52 005211 59 005212 11 105212 11 905212 12 105212 12 905212 13 105212 13 905212 14 105212 14 905212 15 105212 15 905212 21 105212 21 905212 22 105212 22 905212 23 105212 23 905212 24 105212 24 905212 25 105212 25 90ex 5811 00 00ex 6308 00 00

 

 

2 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

5208 31 005208 32 165208 32 195208 32 965208 32 995208 33 005208 39 005208 41 005208 42 005208 43 005208 49 005208 51 005208 52 005208 59 105208 59 905209 31 005209 32 005209 39 005209 41 005209 42 005209 43 005209 49 005209 51 005209 52 005209 59 005210 31 005210 32 005210 39 005210 41 005210 49 005210 51 005210 59 005211 31 005211 32 005211 39 005211 41 005211 42 005211 43 005211 49 105211 49 905211 51 005211 52 005211 59 005212 13 105212 13 905212 14 105212 14 905212 15 105212 15 905212 23 105212 23 905212 24 105212 24 905212 25 105212 25 90ex 5811 00 00ex 6308 00 00

 

 

3

Weefsels van synthetische vezels (stapelvezels of afval), andere dan lint, fluweel, pluche, lussenweefsel (bad- en frotteerstof) en chenilleweefsel

5512 11 005512 19 105512 19 905512 21 005512 29 105512 29 905512 91 005512 99 105512 99 905513 11 205513 11 905513 12 005513 13 005513 19 005513 21 005513 23 105513 23 905513 29 005513 31 005513 39 005513 41 005513 49 005514 11 005514 12 005514 19 105514 19 905514 21 005514 22 005514 23 005514 29 005514 30 105514 30 305514 30 505514 30 905514 41 005514 42 005514 43 005514 49 005515 11 105515 11 305515 11 905515 12 105515 12 305515 12 905515 13 115515 13 195515 13 915515 13 995515 19 105515 19 305515 19 905515 21 105515 21 305515 21 905515 22 115515 22 195515 22 915515 22 995515 29 005515 91 105515 91 305515 91 905515 99 205515 99 405515 99 80ex 5803 00 90ex 5905 00 70ex 6308 00 00

 

 

3 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

5512 19 105512 19 905512 29 105512 29 905512 99 105512 99 905513 21 005513 23 105513 23 905513 29 005513 31 005513 39 005513 41 005513 49 005514 21 005514 22 005514 23 005514 29 005514 30 105514 30 305514 30 505514 30 905514 41 005514 42 005514 43 005514 49 005515 11 305515 11 905515 12 305515 12 905515 13 195515 13 995515 19 305515 19 905515 21 305515 21 905515 22 195515 22 99ex 5515 29 005515 91 305515 91 905515 99 405515 99 80ex 5803 00 90ex 5905 00 70ex 6308 00 00

 

 

GROEP I B

4

Overhemden, T-shirts, hemdtruien (sous-pulls) (andere dan die van wol of van fijn haar), onderhemden en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk

6105 10 006105 20 106105 20 906105 90 106109 10 006109 90 206110 20 106110 30 10

6,48

154

5

Truien, jumpers, pullovers, slip-overs, twinsets, vesten en jasjes (andere dan colbertjassen), anoraks, blousons en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk

ex 6101 90 806101 20 906101 30 906102 10 906102 20 906102 30 906110 11 106110 11 306110 11 906110 12 106110 12 906110 19 106110 19 906110 20 916110 20 996110 30 916110 30 99

4,53

221

6

Lange en korte broeken (andere dan zwembroeken), van weefsel, voor heren of voor jongens; lange broeken, van weefsel, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor dames of voor meisjes; trainingsbroeken met voering, andere dan die bedoeld in categorie 16 of 29, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

6203 41 106203 41 906203 42 316203 42 336203 42 356203 42 906203 43 196203 43 906203 49 196203 49 506204 61 106204 62 316204 62 336204 62 396204 63 186204 69 186211 32 426211 33 426211 42 426211 43 42

1,76

568

7

Blouses en hemdblouses met korte of met lange mouwen, ook indien van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor dames of voor meisjes

6106 10 006106 20 006106 90 106206 20 006206 30 006206 40 00

5,55

180

8

Overhemden, andere dan die van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor heren of voor jongens

ex 6205 90 806205 20 006205 30 00

4,60

217

GROEP II A

9

Lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen; huishoudlinnen (ander dan dat van brei- of haakwerk) van lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen

5802 11 005802 19 00ex 6302 60 00

 

 

20

Beddenlinnen, ander dan dat van brei- of haakwerk

6302 21 006302 22 906302 29 906302 31 006302 32 906302 39 90

 

 

22

Garens van synthetische stapelvezels of van afval van synthetische vezels, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

5508 10 105509 11 005509 12 005509 21 005509 22 005509 31 005509 32 005509 41 005509 42 005509 51 005509 52 005509 53 005509 59 005509 61 005509 62 005509 69 005509 91 005509 92 005509 99 00

 

 

22 a)

waarvan: acrylgarens

ex 5508 10 105509 31 005509 32 005509 61 005509 62 005509 69 00

 

 

23

Garens van kunstmatige stapelvezels of van afval van kunstmatige vezels, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

5508 20 105510 11 005510 12 005510 20 005510 30 005510 90 00

 

 

32

Fluweel, pluche en chenilleweefsel (ander dan lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen, en lint), en getufte textielstoffen van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

5801 10 005801 21 005801 22 005801 23 005801 24 005801 25 005801 26 005801 31 005801 32 005801 33 005801 34 005801 35 005801 36 005802 20 005802 30 00

 

 

32 a)

waarvan: inslagfluweel en -pluche, geribd (corduroy), van katoen

5801 22 00

 

 

39

Tafel- en huishoudlinnen, ander dan dat van brei- of haakwerk of van lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen

6302 51 006302 53 90ex 6302 59 906302 91 006302 93 90ex 6302 99 90

 

 

GROEP II B

12

Kousenbroeken, kousen, kniekousen, onderkousen, sokken, kousenvoetjes en dergelijke artikelen, spataderkousen daaronder begrepen, van brei- of haakwerk, andere dan voor baby's en andere dan producten van categorie 70

6115 10 10ex 6115 10 906115 22 006115 29 006115 30 116115 30 906115 94 006115 95 006115 96 106115 96 996115 99 00

24,3 paar

41

13

Slips en onderbroeken voor heren, voor jongens, voor dames of voor meisjes, van brei- of haakwerk, van wol, van katoen, of van synthetische of kunstmatige vezels

6107 11 006107 12 006107 19 006108 21 006108 22 006108 29 00ex 6212 10 10

17

59

14

Overjassen, regenjassen, andere jassen en capes, van weefsel, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels (andere dan parka's, bedoeld bij categorie 21), voor heren of voor jongens

6201 11 00ex 6201 12 10ex 6201 12 90ex 6201 13 10ex 6201 13 906210 20 00

0,72

1 389

15

Mantels, regenjassen, andere jassen en capes, van weefsel, voor dames of voor meisjes; blazers en andere jasjes, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels (andere dan parka's, bedoeld bij categorie 21), voor dames of voor meisjes

6202 11 00ex 6202 12 10ex 6202 12 90ex 6202 13 10ex 6202 13 906204 31 006204 32 906204 33 906204 39 196210 30 00

0,84

1 190

16

Kostuums en ensembles, andere dan die van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, met uitzondering van skipakken, voor heren of voor jongens; trainingspakken met voering, waarvan de buitenzijde is vervaardigd van een en dezelfde stof, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor heren of voor jongens

6203 11 006203 12 006203 19 106203 19 306203 22 806203 23 806203 29 186203 29 306211 32 316211 33 31

0,80

1 250

17

Colbertjassen en blazers, andere dan die van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor heren of voor jongens

6203 31 006203 32 906203 33 906203 39 19

1,43

700

18

Onderhemden, slips, onderbroeken, nachthemden, pyjama's, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, andere dan die van brei- of haakwerk, voor heren of voor jongens

6207 11 006207 19 006207 21 006207 22 006207 29 006207 91 006207 99 106207 99 90

Onderhemden, onderjurken, onderrokken, slips, nachthemden, pyjama's, negligés, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, andere dan die van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

6208 11 006208 19 006208 21 006208 22 006208 29 006208 91 006208 92 006208 99 00ex 6212 10 10

 

 

19

Zakdoeken, andere dan die van brei- of haakwerk

6213 20 00ex 6213 90 00

59

17

21

Parka's, anoraks, windjakken, blousons en dergelijke, andere dan van brei- of haakwerk, van wol, van katoen, of van synthetische of van kunstmatige vezels; trainingsjacks met voering, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, andere dan bedoeld in categorie 16 of 29

ex 6201 12 10ex 6201 12 90ex 6201 13 10ex 6201 13 906201 91 006201 92 006201 93 00ex 6202 12 10ex 6202 12 90ex 6202 13 10ex 6202 13 906202 91 006202 92 006202 93 006211 32 416211 33 416211 42 416211 43 41

2,3

435

24

Nachthemden, pyjama's, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk, voor heren of voor jongens

6107 21 006107 22 006107 29 006107 91 00ex 6107 99 00

Nachthemden, pyjama's, negligés, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

6108 31 006108 32 006108 39 006108 91 006108 92 00ex 6108 99 00

3,9

257

26

Japonnen van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor dames of voor meisjes

6104 41 006104 42 006104 43 006104 44 006204 41 006204 42 006204 43 006204 44 00

3,1

323

27

Rokken en broekrokken, voor dames of voor meisjes

6104 51 006104 52 006104 53 006104 59 006204 51 006204 52 006204 53 006204 59 10

2,6

385

28

Lange en korte broeken (andere dan zwembroeken) en zogenaamde Amerikaanse overalls, van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

6103 41 006103 42 006103 43 00ex 6103 49 006104 61 006104 62 006104 63 00ex 6104 69 00

1,61

620

29

Mantelpakken, broekpakken en ensembles, andere dan die van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, met uitzondering van skipakken, voor dames of voor meisjes; trainingspakken met voering, waarvan de buitenzijde is vervaardigd van een en dezelfde stof, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor dames of voor meisjes

6204 11 006204 12 006204 13 006204 19 106204 21 006204 22 806204 23 806204 29 186211 42 316211 43 31

1,37

730

31

Bustehouders, van weefsel of van brei- of haakwerk

ex 6212 10 106212 10 90

18,2

55

68

Kleding en kledingtoebehoren, voor baby's, met uitzondering van handschoenen en wanten, bedoeld in de categorieën 10 en 87, en kousen en sokken, andere dan die van brei- of haakwerk, bedoeld in categorie 88, voor baby's

6111 90 196111 20 906111 30 90ex 6111 90 90ex 6209 90 10ex 6209 20 00ex 6209 30 00ex 6209 90 90

 

 

73

Trainingspakken van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

6112 11 006112 12 006112 19 00

1,67

600

76

Werk- en bedrijfskleding, andere dan die van brei- of haakwerk, voor heren of voor jongens

6203 22 106203 23 106203 29 116203 32 106203 33 106203 39 116203 42 116203 42 516203 43 116203 43 316203 49 116203 49 316211 32 106211 33 10

Schorten, jasschorten en andere werk- en bedrijfskleding, andere dan die van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

6204 22 106204 23 106204 29 116204 32 106204 33 106204 39 116204 62 116204 62 516204 63 116204 63 316204 69 116204 69 316211 42 106211 43 10

 

 

77

Skipakken, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6211 20 00

 

 

78

Kleding, andere dan die van brei- of haakwerk, met uitzondering van kleding bedoeld in de categorieën 6, 7, 8, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 26, 27, 29, 68, 72, 76 en 77

6203 41 306203 42 596203 43 396203 49 396204 61 856204 62 596204 62 906204 63 396204 63 906204 69 396204 69 506210 40 006210 50 006211 32 906211 33 90ex 6211 39 006211 41 006211 42 906211 43 90

 

 

83

Overjassen, colbertjassen, blazers en andere kleding, skipakken daaronder begrepen, van brei- of haakwerk, met uitzondering van kleding bedoeld in de categorieën 4, 5, 7, 13, 24, 26, 27, 28, 68, 69, 72, 73, 74 en 75

ex 6101 90 206101 20 106101 30 106102 10 106102 20 106102 30 106103 31 006103 32 006103 33 00ex 6103 39 006104 31 006104 32 006104 33 00ex 6104 39 006112 20 006113 00 906114 20 006114 30 00ex 6114 90 00

 

 

GROEP III A

33

Weefsels van synthetische filamentgarens, vervaardigd van strippen of van artikelen van dergelijke vorm, van polyethyleen of van polypropyleen, met een breedte van minder dan 3 m

5407 20 11

Zakken voor verpakkingsdoeleinden, andere dan die van brei- of haakwerk, vervaardigd van strippen of van artikelen van dergelijke vorm

6305 32 196305 33 90

 

 

34

Weefsels van synthetische filamentgarens, vervaardigd van strippen of van artikelen van dergelijke vorm, van polyethyleen of van polypropyleen, met een breedte van 3 m of meer

5407 20 19

 

 

35

Weefsels van synthetische continuvezels, andere dan bandenkoordweefsel bedoeld in categorie 114

5407 10 005407 20 905407 30 005407 41 005407 42 005407 43 005407 44 005407 51 005407 52 005407 53 005407 54 005407 61 105407 61 305407 61 505407 61 905407 69 105407 69 905407 71 005407 72 005407 73 005407 74 005407 81 005407 82 005407 83 005407 84 005407 91 005407 92 005407 93 005407 94 00ex 5811 00 00ex 5905 00 70

 

 

35 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

ex 5407 10 00ex 5407 20 90ex 5407 30 005407 42 005407 43 005407 44 005407 52 005407 53 005407 54 005407 61 305407 61 505407 61 905407 69 905407 72 005407 73 005407 74 005407 82 005407 83 005407 84 005407 92 005407 93 005407 94 00ex 5811 00 00ex 5905 00 70

 

 

36

Weefsels van kunstmatige continuvezels, andere dan bandenkoordweefsel bedoeld in categorie 114

5408 10 005408 21 005408 22 105408 22 905408 23 005408 24 005408 31 005408 32 005408 33 005408 34 00ex 5811 00 00ex 5905 00 70

 

 

36 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

ex 5408 10 005408 22 105408 22 905408 23 005408 24 005408 32 005408 33 005408 34 00ex 5811 00 00ex 5905 00 70

 

 

37

Weefsels van kunstmatige stapelvezels

5516 11 005516 12 005516 13 005516 14 005516 21 005516 22 005516 23 105516 23 905516 24 005516 31 005516 32 005516 33 005516 34 005516 41 005516 42 005516 43 005516 44 005516 91 005516 92 005516 93 005516 94 00ex 5803 00 90ex 5905 00 70

 

 

37 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

5516 12 005516 13 005516 14 005516 22 005516 23 105516 23 905516 24 005516 32 005516 33 005516 34 005516 42 005516 43 005516 44 005516 92 005516 93 005516 94 00ex 5803 00 90ex 5905 00 70

 

 

38 A

Brei- en haakwerk aan het stuk, van synthetische vezels, voor gordijnen en vitrages

6005 31 106005 32 106005 33 106005 34 106006 31 106006 32 106006 33 106006 34 10

 

 

38 B

Vitrages, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6303 91 00ex 6303 92 90ex 6303 99 90

 

 

40

Gordijnen, rolgordijnen, bed- en gordijnvalletjes daaronder begrepen, en andere artikelen voor stoffering, van weefsel, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

ex 6303 91 00ex 6303 92 90ex 6303 99 906304 19 10ex 6304 19 906304 92 00ex 6304 93 00ex 6304 99 00

 

 

41

Garens van synthetische continuvezels, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, andere dan niet-getextureerde garens, eendraads, niet getwist of met een twist van niet meer dan 50 toeren per meter

5401 10 125401 10 145401 10 165401 10 185402 11 005402 19 005402 20 005402 31 005402 32 005402 33 005402 34 005402 39 00ex 5402 44 005402 48 005402 49 005402 51 005402 52 005402 59 105402 59 905402 61 005402 62 005402 69 105402 69 90ex 5604 90 10ex 5604 90 90

 

 

42

Garens van kunstmatige continuvezels, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

5401 20 10

Garens van kunstmatige vezels; kunstmatige filamentgarens, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, andere dan eendraadsgarens van viscoserayon, niet-getwist of met een twist van niet meer dan 250 toeren per meter en niet-getextureerde eendraadsgarens van celluloseacetaat

5403 10 005403 31 00ex 5403 32 00ex 5403 33 005403 39 005403 41 005403 42 005403 49 00ex 5604 90 10

 

 

43

Synthetische of kunstmatige filamentgarens, garens van kunstmatige stapelvezels en garens van katoen, opgemaakt voor de verkoop in het klein

5204 20 005207 10 005207 90 005401 10 905401 20 905406 00 005508 20 905511 30 00

 

 

46

Wol en fijn haar, gekaard of gekamd

5105 10 005105 21 005105 29 005105 31 005105 39 00

 

 

47

Kaardgaren van wol en garens van fijn haar, gekaard, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

5106 10 105106 10 905106 20 105106 20 915106 20 995108 10 105108 10 90

 

 

48

Kamgaren van wol en garens van fijn haar, gekamd, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

5107 10 105107 10 905107 20 105107 20 305107 20 515107 20 595107 20 915107 20 995108 20 105108 20 90

 

 

49

Garens van wol of van fijn haar, opgemaakt voor de verkoop in het klein

5109 10 105109 10 905109 90 00

 

 

50

Weefsels van wol of van fijn haar

5111 11 005111 19 105111 19 905111 20 005111 30 105111 30 305111 30 905111 90 105111 90 915111 90 935111 90 995112 11 005112 19 105112 19 905112 20 005112 30 105112 30 305112 30 905112 90 105112 90 915112 90 935112 90 99

 

 

51

Katoen, gekaard of gekamd

5203 00 00

 

 

53

Weefsels met gaasbinding, van katoen

5803 00 10

 

 

54

Kunstmatige stapelvezels, afval daaronder begrepen, gekaard, gekamd of op andere wijze bewerkt met het oog op het spinnen

5507 00 00

 

 

55

Synthetische stapelvezels, afval daaronder begrepen, gekaard of gekamd of op andere wijze bewerkt met het oog op het spinnen

5506 10 005506 20 005506 30 005506 90 00

 

 

56

Garens van synthetische stapelvezels, afval daaronder begrepen, opgemaakt voor de verkoop in het klein

5508 10 905511 10 005511 20 00

 

 

58

Tapijten, geknoopt of met opgerolde polen, ook indien geconfectioneerd

5701 10 105701 10 905701 90 105701 90 90

 

 

59

Tapijten, andere dan die bedoeld in categorie 58

5702 10 005702 31 105702 31 805702 32 105702 32 90ex 5702 39 005702 41 105702 41 905702 42 105702 42 90ex 5702 49 005702 50 105702 50 315702 50 39ex 5702 50 905702 91 005702 92 105702 92 90ex 5702 99 005703 10 005703 20 125703 20 185703 20 925703 20 985703 30 125703 30 185703 30 825703 30 885703 90 205703 90 805704 10 005704 90 005705 00 105705 00 30ex 5705 00 90

 

 

60

Tapisserieën, met de hand geweven (zoals gobelins, Vlaamse tapisserieën, aubussons, beauvais en dergelijke) of met de naald vervaardigd (bijvoorbeeld halve kruissteek, kruissteek), met de hand vervaardigd in panelen en dergelijke

5805 00 00

 

 

61

Lint en bolduclint, zijnde lint zonder inslag van aaneengelijmde evenwijdig lopende draden of textielvezels, andere dan etiketten en dergelijke artikelen bedoeld in categorie 62 Elastische weefsels en elastisch passementwerk (met uitzondering van brei- of haakwerk), vervaardigd van met rubberdraden verbonden textielstoffen

ex 5806 10 005806 20 005806 31 005806 32 105806 32 905806 39 005806 40 00

 

 

62

Chenillegaren; omwoeld garen (ander dan metaalgaren en omwoeld paardenhaar (crin))

5606 00 915606 00 99

Tule, bobinettule en filetweefsel, met uitzondering van weefsel en brei- en haakwerk; kant, mechanisch of met de hand vervaardigd, aan het stuk, in banden of in de vorm van motieven

5804 10 105804 10 905804 21 105804 21 905804 29 105804 29 905804 30 00

Etiketten, insignes en dergelijke artikelen van textiel, aan het stuk, in banden of gesneden, geweven, niet geborduurd

5807 10 105807 10 90

Vlechten, passementwerk en dergelijke versieringsartikelen aan het stuk; eikels, kwasten, pompons en dergelijke artikelen

5808 10 005808 90 00

Borduurwerk, aan het stuk, in banden of in de vorm van motieven

5810 10 105810 10 905810 91 105810 91 905810 92 105810 92 905810 99 105810 99 90

 

 

63

Brei- en haakwerk aan het stuk, van synthetische vezels, bevattende 5 of meer gewichtspercenten elastomeergarens, en brei- en haakwerk aan het stuk, bevattende 5 of meer gewichtspercenten rubberdraden

5906 91 00ex 6002 40 006002 90 00ex 6004 10 006004 90 00

Raschelkant en hoogpolig brei- en haakwerk, van synthetische vezels

ex 6001 10 006003 30 106005 31 506005 32 506005 33 506005 34 50

 

 

65

Brei- en haakwerk aan het stuk, ander dan dat bedoeld in de categorieën 38 A en 63, van wol, van katoen, of van synthetische of kunstmatige vezels

5606 00 10ex 6001 10 006001 21 006001 22 00ex 6001 29 006001 91 006001 92 00ex 6001 99 00ex 6002 40 006003 10 006003 20 006003 30 906003 40 00ex 6004 10 006005 90 106005 21 006005 22 006005 23 006005 24 006005 31 906005 32 906005 33 906005 34 906005 41 006005 42 006005 43 006005 44 006006 10 006006 21 006006 22 006006 23 006006 24 006006 31 906006 32 906006 33 906006 34 906006 41 006006 42 006006 43 006006 44 00

 

 

66

Dekens van wol, van katoen, of van synthetische of kunstmatige vezels, andere dan die van brei- of haakwerk

6301 10 006301 20 906301 30 90ex 6301 40 90ex 6301 90 90

 

 

GROEP III B

10

Handschoenen (met of zonder vingers) en wanten, van brei- of haakwerk

6111 90 116111 20 106111 30 10ex 6111 90 906116 10 206116 10 806116 91 006116 92 006116 93 006116 99 00

17 paar

59

67

Kledingtoebehoren, van brei- of haakwerk, ander dan voor baby's; huishoudlinnen van alle soorten, van brei- of haakwerk; vitrages, gordijnen en rolgordijnen, bed- en gordijnvalletjes daaronder begrepen, en andere artikelen voor stoffering, van brei- of haakwerk; dekens van brei- of haakwerk; andere artikelen van brei- of haakwerk, delen van kleding of van kledingtoebehoren daaronder begrepen

5807 90 906113 00 106117 10 006117 80 106117 80 806117 90 006301 20 106301 30 106301 40 106301 90 106302 10 006302 40 00ex 6302 60 006303 12 006303 19 006304 11 006304 91 00ex 6305 20 006305 32 11ex 6305 32 906305 33 10ex 6305 39 00ex 6305 90 006307 10 106307 90 10

 

 

67 a)

waarvan: zakken voor verpakkingsdoeleinden van strippen van polyethyleen of van polypropyleen

6305 32 116305 33 10

 

 

69

Onderjurken en onderrokken, van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

6108 11 006108 19 00

7,8

128

70

Kousenbroeken van synthetische vezels, van minder dan 67 decitex (6,7 tex) per enkelvoudige draad

ex 6115 10 906115 21 006115 30 19

Dameskousen van synthetische vezels

ex 6115 10 906115 96 91

30,4 paar

33

72

Badpakken en zwembroeken, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

6112 31 106112 31 906112 39 106112 39 906112 41 106112 41 906112 49 106112 49 906211 11 006211 12 00

9,7

103

74

Mantelpakken, broekpakken en ensembles, van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, met uitzondering van skipakken, voor dames of voor meisjes

6104 13 006104 19 20ex 6104 19 906104 22 006104 23 006104 29 10ex 6104 29 90

1,54

650

75

Kostuums en ensembles, van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, met uitzondering van skipakken, voor heren of voor jongens

6103 10 106103 10 906103 22 006103 23 006103 29 00

0,80

1 250

84

Sjaals, sjerpen, hoofddoeken en halsdoeken, mantilles, sluiers, voiles en dergelijke artikelen, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, andere dan die van brei- of haakwerk

6214 20 006214 30 006214 40 00ex 6214 90 00

 

 

85

Dassen, strikjes en sjaaldassen, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, andere dan die van brei- of haakwerk

6215 20 006215 90 00

17,9

56

86

Korsetten, jarretelgordels, bretels, jarretelles, kousenbanden en dergelijke artikelen, alsmede delen daarvan, ook indien van brei- of haakwerk

6212 20 006212 30 006212 90 00

8,8

114

87

Handschoenen (met of zonder vingers) en wanten, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6209 90 10ex 6209 20 00ex 6209 30 00ex 6209 90 906216 00 00

 

 

88

Kousen, sokken en kousenvoetjes, niet van brei- of haakwerk; ander kledingtoebehoren en delen van kleding of van kledingtoebehoren, andere dan voor baby's en andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6209 90 10ex 6209 20 00ex 6209 30 00ex 6209 90 906217 10 006217 90 00

 

 

90

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, van synthetische vezels

5607 41 005607 49 115607 49 195607 49 905607 50 115607 50 195607 50 305607 50 90

 

 

91

Tenten

6306 22 006306 29 00

 

 

93

Zakken voor verpakkingsdoeleinden, van weefsel, andere dan die van strippen van polyethyleen of van polypropyleen

ex 6305 20 00ex 6305 32 90ex 6305 39 00

 

 

94

Watten van textielstof en artikelen daarvan; textielvezels met een lengte van niet meer dan 5 mm (scheerhaar), noppen van textielstof

5601 10 105601 10 905601 21 105601 21 905601 22 105601 22 905601 29 005601 30 00

 

 

95

Vilt en artikelen daarvan, ook indien geïmpregneerd of bekleed, andere dan tapijten

5602 10 195602 10 31ex 5602 10 385602 10 905602 21 00ex 5602 29 005602 90 00ex 5807 90 10ex 5905 00 706210 10 106307 90 91

 

 

96

Gebonden textielvlies en artikelen daarvan, ook indien geïmpregneerd, bekleed, bedekt of met inlagen

5603 11 105603 11 905603 12 105603 12 905603 13 105603 13 905603 14 105603 14 905603 91 105603 91 905603 92 105603 92 905603 93 105603 93 905603 94 105603 94 90ex 5807 90 10ex 5905 00 706210 10 90ex 6301 40 90ex 6301 90 906302 22 106302 32 106302 53 106302 93 106303 92 106303 99 10ex 6304 19 90ex 6304 93 00ex 6304 99 00ex 6305 32 90ex 6305 39 006307 10 30ex 6307 90 99

 

 

97

Geknoopte netten van bindgaren, touw of kabel, in banen of aan het stuk; visnetten van garen, bindgaren of touw, geconfectioneerd

5608 11 205608 11 805608 19 115608 19 195608 19 305608 19 905608 90 00

 

 

98

Andere artikelen van garen, van bindgaren, van touw of van kabel, andere dan weefsels, artikelen van weefsels en artikelen bedoeld in categorie 97

5609 00 005905 00 10

 

 

99

Weefsels bedekt met lijm of met zetmeelachtige stoffen, van de soort gebruikt voor het boekbinden, voor het kartonneren, voor foedraalwerk of voor dergelijk gebruik; calqueerlinnen en tekenlinnen; schilderdoek; stijflinnen (buckram) en dergelijke weefsels van de soort gebruikt voor steunvormen van hoeden

5901 10 005901 90 00

Linoleum, ook indien in bepaalde vorm gesneden; vloerbedekking, bestaande uit een deklaag of een bekleding op een drager van textiel, ook indien in bepaalde vorm gesneden

5904 10 005904 90 00

Gegummeerde weefsels, andere dan die van brei- of haakwerk, met uitzondering van bandenkoordweefsel

5906 10 005906 99 105906 99 90

Weefsels, anderszins geïmpregneerd of bekleed; beschilderd doek voor theatercoulissen of voor achtergronden van studio's, ander dan bedoeld in categorie 100

5907 00 00

 

 

100

Weefsels, geïmpregneerd, bekleed of bedekt met, dan wel met inlagen van bereidingen van cellulosederivaten of van andere kunststoffen

5903 10 105903 10 905903 20 105903 20 905903 90 105903 90 915903 90 99

 

 

101

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, andere dan die van synthetische vezels

ex 5607 90 90

 

 

109

Dekkleden, zeilen voor schepen en zonneschermen voor winkelpuien en dergelijke

6306 12 006306 19 006306 30 00

 

 

110

Luchtbedden van weefsel

6306 40 00

 

 

111

Kampeerartikelen, andere dan luchtbedden en tenten, van weefsel

6306 91 006306 99 00

 

 

112

Andere geconfectioneerde artikelen van weefsel, met uitzondering van die bedoeld in de categorieën 113 en 114

6307 20 00ex 6307 90 99

 

 

113

Dweilen, vaatdoeken en stofdoeken, andere dan die van brei- of haakwerk

6307 10 90

 

 

114

Weefsels en artikelen van weefsel, voor technisch gebruik

5902 10 105902 10 905902 20 105902 20 905902 90 105902 90 905908 00 005909 00 105909 00 905910 00 005911 10 00ex 5911 20 005911 31 115911 31 195911 31 905911 32 105911 32 905911 40 005911 90 105911 90 90

 

 

GROEP IV

115

Garens van vlas of van ramee

5306 10 105306 10 305306 10 505306 10 905306 20 105306 20 905308 90 125308 90 19

 

 

117

Weefsels van vlas of van ramee

5309 11 105309 11 905309 19 005309 21 005309 29 005311 00 10ex 5803 00 905905 00 30

 

 

118

Tafel- en huishoudlinnen, van vlas of van ramee, ander dan dat van brei- of haakwerk

6302 29 106302 39 206302 59 10ex 6302 59 906302 99 10ex 6302 99 90

 

 

120

Vitrages, gordijnen en rolgordijnen, bed- en gordijnvalletjes daaronder begrepen, en andere artikelen voor stoffering, van vlas of van ramee, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6303 99 906304 19 30ex 6304 99 00

 

 

121

Bindgaren, touw of kabel, al dan niet gevlochten, van vlas of van ramee

ex 5607 90 90

 

 

122

Gebruikte zakken voor verpakkingsdoeleinden, van vlas, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6305 90 00

 

 

123

Fluweel, pluche en chenilleweefsel, van vlas of van ramee, andere dan lint

5801 90 10ex 5801 90 90

Sjaals, sjerpen, hoofddoeken en halsdoeken, mantilles, sluiers, voiles en dergelijke artikelen, van vlas of van ramee, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6214 90 00

 

 

GROEP V

124

Synthetische stapelvezels

5501 10 005501 20 005501 30 005501 40 005501 90 005503 11 005503 19 005503 20 005503 30 005503 40 005503 90 005505 10 105505 10 305505 10 505505 10 705505 10 90

 

 

125 A

Synthetische continufilamentgarens, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, andere dan de garens bedoeld in categorie 41

ex 5402 44 005402 45 005402 46 005402 47 00

 

 

125 B

Synthetische monofilamenten; strippen en artikelen van dergelijke vorm (bijvoorbeeld kunststro) en imitatiecatgut, van synthetische textielstoffen

5404 11 005404 12 005404 19 005404 90 105404 90 90ex 5604 90 10ex 5604 90 90

 

 

126

Kunstmatige stapelvezels

5502 00 105502 00 405502 00 805504 10 005504 90 005505 20 00

 

 

127 A

Kunstmatige continufilamentgarens, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, andere dan de garens bedoeld in categorie 42

ex 5403 31 00ex 5403 32 00ex 5403 33 00

 

 

127 B

Kunstmatige monofilamenten; strippen en artikelen van dergelijke vorm (bijvoorbeeld kunststro) en imitatiecatgut, van kunstmatige textielstoffen

5405 00 00ex 5604 90 90

 

 

128

Grof haar, gekaard of gekamd

5105 40 00

 

 

129

Garens van grof haar of van paardenhaar (crin)

5110 00 00

 

 

130 A

Garens van zijde, andere dan de garens van afval van zijde

5004 00 105004 00 905006 00 10

 

 

130 B

Garens van zijde, andere dan die bedoeld in categorie 130 A; poil de Messine (crin de Florence)

5005 00 105005 00 905006 00 90ex 5604 90 90

 

 

131

Garens van andere plantaardige textielvezels

5308 90 90

 

 

132

Papiergarens

5308 90 50

 

 

133

Garens van hennep

5308 20 105308 20 90

 

 

134

Metaalgarens

5605 00 00

 

 

135

Weefsels van grof haar of van paardenhaar (crin)

5113 00 00

 

 

136

Weefsels van zijde of van afval van zijde

5007 10 005007 20 115007 20 195007 20 215007 20 315007 20 395007 20 415007 20 515007 20 595007 20 615007 20 695007 20 715007 90 105007 90 305007 90 505007 90 905803 00 30ex 5905 00 90ex 5911 20 00

 

 

137

Fluweel, pluche, chenilleweefsel en lint, van zijde of van afval van zijde

ex 5801 90 90ex 5806 10 00

 

 

138

Weefsels van papiergarens of van andere textielvezels, andere dan die van ramee

5311 00 90ex 5905 00 90

 

 

139

Weefsels van metaaldraad of van metaalgarens

5809 00 00

 

 

140

Brei- en haakwerk aan het stuk, van andere textielstoffen dan van wol of fijn haar, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

ex 6001 10 00ex 6001 29 00ex 6001 99 006003 90 006005 90 906006 90 00

 

 

141

Dekens van andere textielstoffen dan van wol of fijn haar, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

ex 6301 90 90

 

 

142

Tapijten van sisal, van andere textielvezels van agaven of van abaca (manillahennep)

ex 5702 39 00ex 5702 49 00ex 5702 50 90ex 5702 99 00ex 5705 00 90

 

 

144

Vilt van grof haar

ex 5602 10 38ex 5602 29 00

 

 

145

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, van abaca (manillahennep) of van hennep

ex 5607 90 20ex 5607 90 90

 

 

146 A

Bindtouw voor landbouwmachines, van sisal of van andere textielvezels van agaven

ex 5607 21 00

 

 

146 B

Bindgaren, touw en kabel van sisal of van andere textielvezels van agaven, andere dan de producten bedoeld in categorie 146 A

ex 5607 21 005607 29 00

 

 

146 C

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303

ex 5607 90 20

 

 

147

Afval van zijde (cocons ongeschikt om te worden afgehaspeld, afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), ander dan niet gekamd of niet gekaard

ex 5003 00 00

 

 

148 A

Garens van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303

5307 10 005307 20 00

 

 

148 B

Kokosgarens

5308 10 00

 

 

149

Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van meer dan 150 cm

5310 10 90ex 5310 90 00

 

 

150

Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van niet meer dan 150 cm; zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels, andere dan gebruikte

5310 10 10ex 5310 90 005905 00 506305 10 90

 

 

151 A

Tapijten van kokosvezel

5702 20 00

 

 

151 B

Tapijten van jute of van andere bastvezels, andere dan getuft of gevlokt

ex 5702 39 00ex 5702 49 00ex 5702 50 90ex 5702 99 00

 

 

152

Naaldgetouwvilt van jute of van andere bastvezels, niet geïmpregneerd of bekleed, ander dan tapijt

5602 10 11

 

 

153

Gebruikte zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303

6305 10 10

 

 

154

Cocons van zijderupsen, geschikt om te worden afgehaspeld

5001 00 00

Ruwe zijde (haspelzijde of grège), niet gemoulineerd

5002 00 00

Afval van zijde (cocons ongeschikt om te worden afgehaspeld, afval van garens en rafelingen daaronder begrepen), niet gekaard en niet gekamd

ex 5003 00 00

Afval van zijde (cocons ongeschikt om te worden afgehaspeld, afval van garens en rafelingen daaronder begrepen), niet gekaard of gekamd

5101 11 005101 19 005101 21 005101 29 005101 30 00

Fijn haar en grof haar, niet gekaard en niet gekamd

5102 11 005102 19 105102 19 305102 19 405102 19 905102 20 00

Afval van wol of van fijn of grof haar, afval van garen daaronder begrepen, doch met uitzondering van rafelwol en van rafelingen van haar

5103 10 105103 10 905103 20 005103 30 00

Rafelwol en rafelingen van fijn of grof haar

5104 00 00

Vlas, ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van vlas

5301 10 005301 21 005301 29 005301 30 00

Ramee en andere plantaardige textielvezels, andere dan kokosvezel en abaca (manillahennep), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval van deze vezels

5305 00 00

Katoen, niet gekaard en niet gekamd

5201 00 105201 00 90

Afval van katoen (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen)

5202 10 005202 91 005202 99 00

Hennep (Cannabis sativa L.), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van hennep

5302 10 005302 90 00

Abaca (manillahennep of Musa textilis Nee), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van abaca

5305 00 00

Jute en andere bastvezels (met uitzondering van vlas, hennep en ramee), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van deze vezels

5303 10 005303 90 00

Andere plantaardige textielvezels, ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van deze vezels

5305 00 00

 

 

156

Blouses, pullovers en slip-overs, van brei- of haakwerk, van zijde of van afval van zijde, voor dames of voor meisjes

6106 90 30ex 6110 90 90

 

 

157

Kleding van brei- of haakwerk, andere dan die van de categorieën 1 tot en met 123 en 156

ex 6101 90 20ex 6101 90 806102 90 106102 90 90ex 6103 39 00ex 6103 49 00ex 6104 19 90ex 6104 29 90ex 6104 39 006104 49 00ex 6104 69 006105 90 906106 90 506106 90 90ex 6107 99 00ex 6108 99 006109 90 906110 90 10ex 6110 90 90ex 6111 90 90ex 6114 90 00

 

 

159

Japonnen, blouses en hemdblouses, van zijde of van afval van zijde, andere dan die van brei- of haakwerk

6204 49 106206 10 00

Sjaals, sjerpen, hoofddoeken en halsdoeken, mantilles, sluiers, voiles en dergelijke artikelen, van zijde of van afval van zijde, andere dan die van brei- of haakwerk

6214 10 00

Dassen, strikjes en sjaaldassen, van zijde of van afval van zijde

6215 10 00

 

 

160

Zakdoeken, van zijde of van afval van zijde

ex 6213 90 00

 

 

161

Kleding, andere dan die van brei- of haakwerk en andere dan die bedoeld in de categorieën 1 tot en met 123 en 159

6201 19 006201 99 006202 19 006202 99 006203 19 906203 29 906203 39 906203 49 906204 19 906204 29 906204 39 906204 49 906204 59 906204 69 906205 90 10ex 6205 90 806206 90 106206 90 90ex 6211 20 00ex 6211 39 006211 49 00

 

 

BIJLAGE I A

Categorie

Omschrijving

GN-code 2009

Equivalentietabel

stuks/kg

g/stuk

(1)

(2)

(3)

(4)

163 (2)

Gaas en artikelen van gaas, opgemaakt voor de verkoop in het klein

3005 90 31

 

 

BIJLAGE I B

1.

Deze bijlage heeft betrekking op textielgrondstoffen (categorieën 128 en 154), textielwaren met uitzondering van die van wol en fijn haar, katoen en synthetische en kunstmatige vezels, alsmede op synthetische en kunstmatige vezels en filamenten en garens bedoeld in de categorieën 124, 125A, 125B, 126, 127A en 127B.

2.

Onverminderd de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, worden de bewoordingen van de omschrijving van de goederen geacht slechts indicatieve waarde te hebben, aangezien de producten die onder elk van de categorieën vallen, in deze bijlage door de GN-codes worden bepaald. Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door de letters „ex”, betekent dit dat door de GN-code en de desbetreffende omschrijving tezamen wordt bepaald welke producten onder een categorie vallen.

3.

Kleding die niet herkenbaar is als heren- of jongenskleding of als dames- of meisjeskleding, wordt bij laatstgenoemde ingedeeld.

4.

De term „babykleding” omvat kleding tot en met handelsmaat 86.

Categorie

Omschrijving

GN-code 2009

Equivalentietabel

stuks/kg

g/stuk

(1)

(2)

(3)

(4)

GROEP I

ex 20

Beddenlinnen, ander dan dat van brei- of haakwerk

ex 6302 29 90ex 6302 39 90

 

 

ex 32

Fluweel, pluche en chenilleweefsel, alsmede getufte textielstoffen

ex 5802 20 00ex 5802 30 00

 

 

ex 39

Tafel- en huishoudlinnen, ander dan dat van brei- of haakwerk en ander dan dat bedoeld in categorie 118

ex 6302 59 90ex 6302 99 90

 

 

GROEP II

ex 12

Kousenbroeken, kousen, onderkousen, sokken, kousenvoetjes en dergelijke artikelen van brei- of haakwerk, andere dan voor baby's

ex 6115 10 90ex 6115 29 00ex 6115 30 90ex 6115 99 00

24,3

41

ex 13

Slips en onderbroeken voor heren of voor jongens en slips voor dames of voor meisjes, van brei- of haakwerk

ex 6107 19 00ex 6108 29 00ex 6212 10 10

17

59

ex 14

Overjassen, regenjassen en andere jassen, capes en dergelijke artikelen, van weefsel, voor heren of voor jongens

ex 6210 20 00

0,72

1 389

ex 15

Overjassen, regenjassen en andere jassen, capes en dergelijke artikelen, blazers en andere jasjes, andere dan parka's, van weefsel, voor dames of voor meisjes

ex 6210 30 00

0,84

1 190

ex 18

Onderhemden, slips, onderbroeken, nachthemden, pyjama's, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, andere dan die van brei- of haakwerk, voor heren of voor jongens

ex 6207 19 00ex 6207 29 00ex 6207 99 90

Onderhemden, onderjurken, onderrokken, slips, nachthemden, pyjama's, negligés, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, andere dan die van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

ex 6208 19 00ex 6208 29 00ex 6208 99 00ex 6212 10 10

 

 

ex 19

Zakdoeken, andere dan die van zijde of van afval van zijde

ex 6213 90 00

59

17

ex 24

Nachthemden, pyjama's, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk, voor heren of voor jongens

ex 6107 29 00

Nachthemden, pyjama's, negligés, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

ex 6108 39 00

3,9

257

ex 27

Rokken en broekrokken, voor dames of voor meisjes

ex 6104 59 00

2,6

385

ex 28

Lange en korte broeken (andere dan zwembroeken) en zogenaamde Amerikaanse overalls, van brei- of haakwerk

ex 6103 49 00ex 6104 69 00

1,61

620

ex 31

Bustehouders, van weefsel of van brei- of haakwerk

ex 6212 10 10ex 6212 10 90

18,2

55

ex 68

Kleding en kledingtoebehoren, met uitzondering van handschoenen en wanten, bedoeld in de categorieën ex 10 en ex 87, en van kousen en sokken, andere dan die van brei- of haakwerk, bedoeld in categorie ex 88, voor baby's

ex 6209 90 90

 

 

ex 73

Trainingspakken van brei- of haakwerk

ex 6112 19 00

1,67

600

ex 78

Kleding van weefsel bedoeld bij de posten 5903, 5906 en 5907, met uitzondering van kleding bedoeld in de categorieën ex 14 en ex 15

ex 6210 40 00ex 6210 50 00

 

 

ex 83

Kleding van brei- of haakwerk bedoeld bij de posten 5903 en 5907 en skipakken van brei- of haakwerk

ex 6112 20 00ex 6113 00 90

 

 

GROEP III A

ex 38 B

Vitrages, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6303 99 90

 

 

ex 40

Gordijnen (rolgordijnen, bed en gordijnvalletjes en andere artikelen voor stoffering daaronder begrepen), andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6303 99 90ex 6304 19 90ex 6304 99 00

 

 

ex 58

Tapijten, geknoopt of met opgerolde polen, ook indien geconfectioneerd

ex 5701 90 10ex 5701 90 90

 

 

ex 59

Tapijten, andere dan die bedoeld in de categorieën ex 58, 142 en 151B

ex 5702 10 00ex 5702 50 90ex 5702 99 00ex 5703 90 20ex 5703 90 80ex 5704 10 00ex 5704 90 00ex 5705 00 90

 

 

ex 60

Tapisserieën, met de hand geweven (zoals gobelins, Vlaamse tapisserieën, aubussons, beauvais en dergelijke) of met de naald vervaardigd (bijvoorbeeld halve kruissteek, kruissteek), met de hand vervaardigd in panelen en dergelijke

ex 5805 00 00

 

 

ex 61

Lint en bolduclint, zijnde lint zonder inslag van aaneengelijmde evenwijdig lopende draden of textielvezels, andere dan etiketten en dergelijke artikelen bedoeld in de categorieën ex 62 en 137 Elastische weefsels en elastisch passementwerk (met uitzondering van brei- of haakwerk), vervaardigd van met rubberdraden verbonden textielstoffen

ex 5806 10 00ex 5806 20 00ex 5806 39 00ex 5806 40 00

 

 

ex 62

Chenillegaren; omwoeld garen (ander dan metaalgaren en omwoeld paardenhaar (crin))

ex 5606 00 91ex 5606 00 99

Tule, bobinettule en filetweefsel, met uitzondering van weefsel en brei- en haakwerk; kant, mechanisch of met de hand vervaardigd, aan het stuk, in banden of in de vorm van motieven

ex 5804 10 10ex 5804 10 90ex 5804 29 10ex 5804 29 90ex 5804 30 00

Etiketten, insignes en dergelijke artikelen van textiel, aan het stuk, in banden of gesneden, geweven, niet geborduurd

ex 5807 10 10ex 5807 10 90

Vlechten, passementwerk en dergelijke versieringsartikelen aan het stuk; eikels, kwasten, pompons en dergelijke artikelen

ex 5808 10 00ex 5808 90 00

Borduurwerk, aan het stuk, in banden of in de vorm van motieven

ex 5810 10 10ex 5810 10 90ex 5810 99 10ex 5810 99 90

 

 

ex 63

Brei- en haakwerk aan het stuk, van synthetische vezels, bevattende 5 of meer gewichtspercenten elastomeergarens, en brei- en haakwerk aan het stuk, bevattende 5 of meer gewichtspercenten rubberdraden

ex 5906 91 00ex 6002 40 00ex 6002 90 00ex 6004 10 00ex 6004 90 00

 

 

ex 65

Brei- of haakwerk aan het stuk, ander dan bedoeld in categorie ex 63

ex 5606 00 10ex 6002 40 00ex 6004 10 00

 

 

ex 66

Dekens, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6301 10 00

 

 

GROEP III B

ex 10

Handschoenen (met of zonder vingers) en wanten, van brei- of haakwerk

ex 6116 10 20ex 6116 10 80ex 6116 99 00

17 paar

59

ex 67

Kledingtoebehoren, van brei- of haakwerk, ander dan voor baby's; huishoudlinnen van alle soorten, van brei- of haakwerk; vitrages, gordijnen en rolgordijnen, bed- en gordijnvalletjes daaronder begrepen, en andere artikelen voor stoffering, van brei- of haakwerk; dekens van brei- of haakwerk; andere artikelen van brei- of haakwerk, delen van kleding of van kledingtoebehoren daaronder begrepen

ex 5807 90 90ex 6113 00 10ex 6117 10 00ex 6117 80 10ex 6117 80 80ex 6117 90 00ex 6301 90 10ex 6302 10 00ex 6302 40 00ex 6303 19 00ex 6304 11 00ex 6304 91 00ex 6307 10 10ex 6307 90 10

 

 

ex 69

Onderjurken en onderrokken, van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

ex 6108 19 00

7,8

128

ex 72

Badpakken en zwembroeken

ex 6112 39 10ex 6112 39 90ex 6112 49 10ex 6112 49 90ex 6211 11 00ex 6211 12 00

9,7

103

ex 75

Kostuums en ensembles, van brei- of haakwerk, voor heren of voor jongens

ex 6103 10 90ex 6103 29 00

0,80

1 250

ex 85

Dassen, strikjes en sjaaldassen, andere dan die van brei- of haakwerk en andere dan die bedoeld in categorie 159

ex 6215 90 00

17,9

56

ex 86

Korsetten, jarretelgordels, bretels, jarretelles, kousenbanden en dergelijke artikelen, alsmede delen daarvan, ook indien van brei- of haakwerk

ex 6212 20 00ex 6212 30 00ex 6212 90 00

8,8

114

ex 87

Handschoenen (met of zonder vingers) en wanten, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6209 90 90ex 6216 00 00

 

 

ex 88

Kousen, sokken en kousenvoetjes, niet van brei- of haakwerk; ander kledingtoebehoren en delen van kleding of van kledingtoebehoren, andere dan voor baby's en andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6209 90 90ex 6217 10 00ex 6217 90 00

 

 

ex 91

Tenten

ex 6306 29 00

 

 

ex 94

Watten van textielstof en artikelen daarvan; textielvezels met een lengte van niet meer dan 5 mm (scheerhaar), noppen van textielstof

ex 5601 10 90ex 5601 29 00ex 5601 30 00

 

 

ex 95

Vilt en artikelen daarvan, ook indien geïmpregneerd of bekleed, andere dan tapijten

ex 5602 10 19ex 5602 10 38ex 5602 10 90ex 5602 29 00ex 5602 90 00ex 5807 90 10ex 6210 10 10ex 6307 90 91

 

 

ex 97

Geknoopte netten van bindgaren, touw of kabel, in banen of aan het stuk; visnetten van garen, bindgaren of touw, geconfectioneerd

ex 5608 90 00

 

 

ex 98

Andere artikelen van garen, van bindgaren, van touw of van kabel, andere dan weefsels, artikelen van weefsels en artikelen bedoeld in categorie 97

ex 5609 00 00ex 5905 00 10

 

 

ex 99

Weefsels bedekt met lijm of met zetmeelachtige stoffen, van de soort gebruikt voor het boekbinden, voor het kartonneren, voor foedraalwerk of voor dergelijk gebruik; calqueerlinnen en tekenlinnen; schilderdoek; stijflinnen (buckram) en dergelijke weefsels van de soort gebruikt voor steunvormen van hoeden

ex 5901 10 00ex 5901 90 00

Linoleum, ook indien in bepaalde vorm gesneden; vloerbedekking, bestaande uit een deklaag of een bekleding op een drager van textiel, ook indien in bepaalde vorm gesneden

ex 5904 10 00ex 5904 90 00

Gegummeerde weefsels, andere dan die van brei- of haakwerk, met uitzondering van bandenkoordweefsel

ex 5906 10 00ex 5906 99 10ex 5906 99 90

Weefsels, anderszins geïmpregneerd of bekleed; beschilderd doek voor theatercoulissen, voor achtergronden van studio's of voor dergelijk gebruik, andere dan dat bedoeld in categorie ex 100

ex 5907 00 00

 

 

ex 100

Weefsels, geïmpregneerd, bekleed of bedekt met, dan wel met inlagen van bereidingen van cellulosederivaten of van andere kunststoffen

ex 5903 10 10ex 5903 10 90ex 5903 20 10ex 5903 20 90ex 5903 90 10ex 5903 90 91ex 5903 90 99

 

 

ex 109

Dekkleden, zeilen voor schepen en zonneschermen voor winkelpuien en dergelijke

ex 6306 19 00ex 6306 30 00

 

 

ex 110

Luchtbedden van weefsel

ex 6306 40 00

 

 

ex 111

Kampeerartikelen, andere dan luchtbedden en tenten, van weefsel

ex 6306 99 00

 

 

ex 112

Andere geconfectioneerde artikelen van weefsel, met uitzondering van die van de categorieën ex 113 en ex 114

ex 6307 20 00ex 6307 90 99

 

 

ex 113

Dweilen, vaatdoeken en stofdoeken, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6307 10 90

 

 

ex 114

Weefsels en artikelen van weefsel, voor technisch gebruik, andere dan die bedoeld in categorie 136

ex 5908 00 00ex 5909 00 90ex 5910 00 00ex 5911 10 00ex 5911 31 19ex 5911 31 90ex 5911 32 10ex 5911 32 90ex 5911 40 00ex 5911 90 10ex 5911 90 90

 

 

GROEP IV

115

Garens van vlas of van ramee

5306 10 105306 10 305306 10 505306 10 905306 20 105306 20 905308 90 125308 90 19

 

 

117

Weefsels van vlas of van ramee

5309 11 105309 11 905309 19 005309 21 005309 29 005311 00 10ex 5803 00 905905 00 30

 

 

118

Tafel- en huishoudlinnen, van vlas of van ramee, ander dan dat van brei- of haakwerk

6302 29 106302 39 206302 59 10ex 6302 59 906302 99 10ex 6302 99 90

 

 

120

Vitrages, gordijnen en rolgordijnen, bed- en gordijnvalletjes daaronder begrepen, en andere artikelen voor stoffering, van vlas of van ramee, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6303 99 906304 19 30ex 6304 99 00

 

 

121

Bindgaren, touw of kabel, al dan niet gevlochten, van vlas of van ramee

ex 5607 90 90

 

 

122

Gebruikte zakken voor verpakkingsdoeleinden, van vlas, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6305 90 00

 

 

123

Fluweel, pluche en chenilleweefsel, van vlas of van ramee, andere dan lint

5801 90 10ex 5801 90 90

 

 

 

Sjaals, sjerpen, hoofddoeken en halsdoeken, mantilles, sluiers, voiles en dergelijke artikelen, van vlas of van ramee, andere dan die van brei- of haakwerk

ex 6214 90 00

 

 

GROEP V

124

Synthetische stapelvezels

5501 10 005501 20 005501 30 005501 40 005501 90 005503 11 005503 19 005503 20 005503 30 005503 40 005503 90 005505 10 105505 10 305505 10 505505 10 705505 10 90

 

 

125 A

Synthetische continufilamentgarens, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

ex 5402 44 005402 45 005402 46 005402 47 00

 

 

125 B

Synthetische monofilamenten; strippen en artikelen van dergelijke vorm (bijvoorbeeld kunststro) en imitatiecatgut, van synthetische textielstoffen

5404 11 005404 12 005404 19 005404 90 105404 90 90ex 5604 90 10ex 5604 90 90

 

 

126

Kunstmatige stapelvezels

5502 00 105502 00 405502 00 805504 10 005504 90 005505 20 00

 

 

127 A

Kunstmatige continufilamentgarens, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, eendraadsgarens van viscoserayon, niet getwist of met een twist van niet meer dan 250 toeren per meter en niet-getextureerde eendraadsgarens van celluloseacetaat

ex 5403 31 00ex 5403 32 00ex 5403 33 00

 

 

127 B

Kunstmatige monofilamenten; strippen en artikelen van dergelijke vorm (bijvoorbeeld kunststro) en imitatiecatgut, van kunstmatige textielstoffen

5405 00 00ex 5604 90 90

 

 

128

Grof haar, gekaard of gekamd

5105 40 00

 

 

129

Garens van grof haar of van paardenhaar (crin)

5110 00 00

 

 

130 A

Garens van zijde, andere dan de garens van afval van zijde

5004 00 105004 00 905006 00 10

 

 

130 B

Garens van zijde, andere dan die bedoeld in categorie 130 A; poil de Messine (crin de Florence)

5005 00 105005 00 905006 00 90ex 5604 90 90

 

 

131

Garens van andere plantaardige textielvezels

5308 90 90

 

 

132

Papiergarens

5308 90 50

 

 

133

Garens van hennep

5308 20 105308 20 90

 

 

134

Metaalgarens

5605 00 00

 

 

135

Weefsels van grof haar of van paardenhaar (crin)

5113 00 00

 

 

136 A

Weefsels van zijde of van afval van zijde, andere dan ongebleekt, ontgomd of gebleekt

5007 20 19ex 5007 20 31ex 5007 20 39ex 5007 20 415007 20 595007 20 615007 20 695007 20 715007 90 305007 90 505007 90 90

 

 

136 B

Weefsels van zijde of van afval van zijde, andere dan die bedoeld in categorie 136A

ex 5007 10 005007 20 115007 20 21ex 5007 20 31ex 5007 20 39ex 5007 20 415007 20 515007 90 105803 00 30ex 5905 00 90ex 5911 20 00

 

 

137

Fluweel, pluche, chenilleweefsel en lint, van zijde of van afval van zijde

ex 5801 90 90ex 5806 10 00

 

 

138

Weefsels van papiergarens of van andere textielvezels, andere dan die van ramee

5311 00 90ex 5905 00 90

 

 

139

Weefsels van metaaldraad of van metaalgarens

5809 00 00

 

 

140

Brei- en haakwerk aan het stuk, van andere textielstoffen dan van wol of fijn haar, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

ex 6001 10 00ex 6001 29 00ex 6001 99 006003 90 006005 90 906006 90 00

 

 

141

Dekens van andere textielstoffen dan van wol of fijn haar, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

ex 6301 90 90

 

 

142

Tapijten van sisal, van andere textielvezels van agaven of van abaca (manillahennep)

ex 5702 39 00ex 5702 49 00ex 5702 50 90ex 5702 99 00ex 5705 00 90

 

 

144

Vilt van grof haar

ex 5602 10 38ex 5602 29 00

 

 

145

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, van abaca (manillahennep) of van hennep

ex 5607 90 20ex 5607 90 90

 

 

146 A

Bindtouw voor landbouwmachines, van sisal of van andere textielvezels van agaven

ex 5607 21 00

 

 

146 B

Bindgaren, touw en kabel van sisal of van andere textielvezels van agaven, andere dan de producten bedoeld in categorie 146 A

ex 5607 21 005607 29 00

 

 

146 C

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303

ex 5607 90 20

 

 

147

Afval van zijde (cocons ongeschikt om te worden afgehaspeld, afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), ander dan niet gekamd of niet gekaard

ex 5003 00 00

 

 

148 A

Garens van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303

5307 10 005307 20 00

 

 

148 B

Kokosgarens

5308 10 00

 

 

149

Weefsels van jute of van andere bastvezels , met een breedte van meer dan 150 cm

5310 10 90ex 5310 90 00

 

 

150

Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van niet meer dan 150 cm; zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels, andere dan gebruikte

5310 10 10ex 5310 90 005905 00 506305 10 90

 

 

151 A

Tapijten van kokosvezel

5702 20 00

 

 

151 B

Tapijten van jute of van andere bastvezels, andere dan getuft of gevlokt

ex 5702 39 00ex 5702 49 00ex 5702 50 90ex 5702 99 00

 

 

152

Naaldgetouwvilt van jute of van andere bastvezels, niet geïmpregneerd of bekleed, ander dan tapijt

5602 10 11

 

 

153

Gebruikte zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303

6305 10 10

 

 

154

Cocons van zijderupsen, geschikt om te worden afgehaspeld

5001 00 00

Ruwe zijde (haspelzijde of grège), niet gemoulineerd

5002 00 00

Afval van zijde (cocons ongeschikt om te worden afgehaspeld, afval van garens en rafelingen daaronder begrepen), niet gekaard en niet gekamd

ex 5003 00 00

Afval van zijde (cocons ongeschikt om te worden afgehaspeld, afval van garens en rafelingen daaronder begrepen), niet gekaard of gekamd

5101 11 005101 19 005101 21 005101 29 005101 30 00

Fijn haar en grof haar, niet gekaard en niet gekamd

5102 11 005102 19 105102 19 305102 19 405102 19 905102 20 00

Afval van wol of van fijn of grof haar, afval van garen daaronder begrepen, doch met uitzondering van rafelwol en van rafelingen van haar

5103 10 105103 10 905103 20 005103 30 00

Rafelwol en rafelingen van fijn of grof haar

5104 00 00

Vlas, ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van vlas

5301 10 005301 21 005301 29 005301 30 00

Ramee en andere plantaardige textielvezels, andere dan kokosvezel en abaca (manillahennep), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval van deze vezels

5305 00 00

Katoen, niet gekaard en niet gekamd

5201 00 105201 00 90

Afval van katoen (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen)

5202 10 005202 91 005202 99 00

Hennep (Cannabis sativa L.), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van hennep

5302 10 005302 90 00

Abaca (manillahennep of Musa textilis Nee), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van abaca

5305 00 00

Jute en andere bastvezels (met uitzondering van vlas, hennep en ramee), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van deze vezels

5303 10 005303 90 00

Andere plantaardige textielvezels, ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van deze vezels

5305 00 00

 

 

156

Blouses, pullovers en slip-overs, van brei- of haakwerk, van zijde of van afval van zijde, voor dames of voor meisjes

6106 90 30ex 6110 90 90

 

 

157

Kleding van brei- of haakwerk, met uitzondering van kleding bedoeld in de categorieën ex 10, ex 12, ex 13, ex 24, ex 27, ex 28, ex 67, ex 69, ex 72, ex 73, ex 75, ex 83 en 156

ex 6101 90 20ex 6101 90 806102 90 106102 90 90ex 6103 39 00ex 6103 49 00ex 6104 19 90ex 6104 29 90ex 6104 39 006104 49 00ex 6104 69 006105 90 906106 90 506106 90 90ex 6107 99 00ex 6108 99 006109 90 906110 90 10ex 6110 90 90ex 6111 90 90ex 6114 90 00

 

 

159

Japonnen, blouses en hemdblouses, van zijde of van afval van zijde, andere dan die van brei- of haakwerk

6204 49 106206 10 00

Sjaals, sjerpen, hoofddoeken en halsdoeken, mantilles, sluiers, voiles en dergelijke artikelen, van zijde of van afval van zijde, andere dan die van brei- of haakwerk

6214 10 00

Dassen, strikjes en sjaaldassen, van zijde of van afval van zijde

6215 10 00

 

 

160

Zakdoeken, van zijde of van afval van zijde

ex 6213 90 00

 

 

161

Kleding, niet van brei- of haakwerk, met uitzondering van kleding bedoeld in de categorieën ex 14, ex 15, ex 18, ex 31, ex 68, ex 72, ex 78, ex 86, ex 87, ex 88 en 159

6201 19 006201 99 006202 19 006202 99 006203 19 906203 29 906203 39 906203 49 906204 19 906204 29 906204 39 906204 49 906204 59 906204 69 906205 90 10ex 6205 90 806206 90 106206 90 90ex 6211 20 00ex 6211 39 006211 49 00

 

 

(2)

Bijlage II komt als volgt te luiden:

„BIJLAGE II

LIJST VAN EXPORTERENDE LANDEN BEDOELD IN ARTIKEL 1

Belarus

Rusland

Servië

Oezbekistan”

(3)

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

artikel 28, lid 6, komt als volgt te luiden:

„6.   Dit volgnummer is als volgt samengesteld:

twee letters die het land van uitvoer aangeven:

Belarus = BY

Servië = RS

Oezbekistan = UZ

twee letters die de beoogde lidstaat van bestemming, of de groep van dergelijke lidstaten, aangeven:

AT= Oostenrijk

BG = Bulgarije

BL= Benelux

CY= Cyprus

CZ = Tsjechië

DE= Duitsland

DK = Denemarken

EE= Estland

GR = Griekenland

ES= Spanje

FI= Finland

FR= Frankrijk

GB = Verenigd Koninkrijk

HU= Hongarije

IE = Ierland

IT= Italië

LT= Litouwen

LV = Letland

MT = Malta

PL= Polen

PT= Portugal

RO = Roemenië

SE= Zweden

SL= Slovenië

SK = Slowakije

een cijfer dat het contingentjaar of, in geval van de in tabel A van deze bijlage vermelde producten, het jaar van registratie van de uitvoer aangeeft, overeenkomend met het laatste cijfer van het betrokken jaar, bijvoorbeeld „8” voor 2008 en „9” voor 2009;

een getal van twee cijfers dat het kantoor van afgifte in het land van uitvoer aangeeft;

een uit vijf cijfers bestaand volgnummer (uit de reeks van 00001 tot en met 99999) dat aan de lidstaat van bestemming wordt toegekend.”

b)

tabel A komt als volgt te luiden:

„Landen en categorieën waarop het systeem van dubbele controle van toepassing is

Derde land

Groep

Categorie

Eenheid

Oezbekistan

I A

1

ton

3

ton

I B

4

1 000 stuks

5

1 000 stuks

6

1 000 stuks

7

1 000 stuks

8

1 000 stuks

II B

26

1 000 stuks”

c)

tabel B is geschrapt.

(4)

Bijlage V komt als volgt te luiden

„BIJLAGE V

KWANTITATIEVE MAXIMA VAN DE GEMEENSCHAP

Toepasselijk voor 2009

BELARUS

Categorie

Eenheid

Contingent vanaf 1 januari 2009

Groep IA

1

ton

1 586

2

ton

6 643

3

ton

242

Groep IB

4

T stuks

1 839

5

T stuks

1 105

6

T stuks

1 705

7

T stuks

1 377

8

T stuks

1 160

Groep IIA

20

ton

329

22

ton

524

Groep IIB

15

T stuks

1 726

21

T stuks

930

24

T stuks

844

26/27

T stuks

1 117

29

T stuks

468

73

T stuks

329

Groep IIIB

67

ton

359

Groep IV

115

ton

420

117

ton

2 312

118

ton

471

T stuks: duizend stuks.”

(5)

De tabel in bijlage VII wordt vervangen door:

„Tabel

Kwantitatieve maxima van de gemeenschap voor wederinvoer in het kader van het passieve veredelingsverkeer

Toepasselijk voor 2009

BELARUS

Categorie

Eenheid

Vanaf 1 januari 2009

Groep IB

4

1 000 stuks

6 610

5

1 000 stuks

9 215

6

1 000 stuks

12 290

7

1 000 stuks

9 225

8

1 000 stuks

3 140

Groep IIB

15

1 000 stuks

5 387

21

1 000 stuks

3 584

24

1 000 stuks

922

26/27

1 000 stuks

4 492

29

1 000 stuks

1 820

73

1 000 stuks

6 979”

(6)

De tabellen in bijlage VIII worden vervangen door:

„1.

LAND

2.

Vervroegde benutting

3.

Overdracht

4.

Overdracht van categorie 1 naar de categorieën 2 en 3

5.

Overboekingen tussen de categorieën 2 en 3

6.

Overboekingen tussen de categorieën 4, 5, 6, 7, 8

7.

Overboekingen van de groepen I, II, III naar de groepen II, III, IV

8.

Maximumverhoging voor alle categorieën

9.

Aanvullende voorwaarden

Belarus

5 %

7 %

4 %

4 %

4 %

5 %

13,5 %

Wat kolom 7 betreft, zijn overboekingen van en naar groep V ook toegestaan. Voor groep I is 13 % het maximum in kolom 8.

Servië

5 %

10 %

12 %

12 %

12 %

12 %

17 %

Wat kolom 7 betreft, zijn overboekingen van alle categorieën van de groepen I, II en III naar de groepen II en III toegestaan.”


(1)  N.B.: Betreft alleen de categorieën 1 tot en met 114, behalve voor Belarus, Rusland, Oezbekistan en Servië, waarvoor de categorieën 1 tot en met 161 gelden.

(2)  Geldt alleen voor invoer uit China.


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/56


VERORDENING (EG) Nr. 1329/2008 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2008

tot vaststelling van noodmaatregelen ter ondersteuning van de varkensvleesmarkt in een deel van het Verenigd Koninkrijk in de vorm van steun voor de particuliere opslag

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 37, artikel 43, onder a) en d), en artikel 191, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat, wanneer de gemiddelde communautaire marktprijs van geslachte varkens die wordt vastgesteld op basis van de prijzen die in elke lidstaat op de representatieve markten van de Gemeenschap worden genoteerd en worden gewogen door middel van coëfficiënten die de relatieve omvang van de varkensstapel van elke lidstaat uitdrukken, lager is en naar verwachting lager zal blijven dan 103 % van de referentieprijs, de Commissie kan besluiten steun voor de particuliere opslag te verlenen.

(2)

De marktprijzen zijn tot onder dat niveau gedaald en in verband met seizoens- en cyclische schommelingen zou die situatie kunnen voortduren.

(3)

De situatie van de varkensvleesmarkt in Ierland en Noord-Ierland is bijzonder kritiek, mede omdat recentelijk hoge dioxinegehaltes zijn geconstateerd in varkensvlees van oorsprong uit Ierland. De bevoegde autoriteiten hebben diverse maatregelen genomen om de situatie aan te pakken.

(4)

Aan varkenshouderijbedrijven in Ierland is besmet diervoeder geleverd. Het besmette voeder maakt een zeer groot deel van het varkensvoer uit, wat tot hoge dioxineniveaus in vlees van varkens van de getroffen bedrijven heeft geleid. Aangezien het moeilijk is het varkensvlees terug te traceren tot op de bedrijven, en gezien de hoge dioxineniveaus die in het betrokken varkensvlees zijn aangetroffen, hebben de bevoegde autoriteiten besloten als voorzorgsmaatregel alle varkensvlees en varkensvleesproducten uit de markt te nemen.

(5)

De toepassing van die maatregelen veroorzaakt ernstige verstoringen van de varkensvleesmarkt in Noord-Ierland. Gezien de buitengewone omstandigheden en de praktische problemen waarmee de varkensvleesmarkt in Noord-Ierland momenteel te maken heeft, moet worden gezorgd voor communautaire noodmaatregelen ter ondersteuning van de markt door steun te verlenen voor de particuliere opslag in Noord-Ierland voor een beperkte periode en voor een beperkte hoeveelheid producten.

(6)

In artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat steun voor de particuliere opslag van varkensvlees kan worden verleend en dat die steun door de Commissie wordt vastgesteld, hetzij vooraf, hetzij door middel van een inschrijvingsprocedure.

(7)

Aangezien de situatie van de varkensvleesmarkt in Noord-Ierland vraagt om snelle concrete actie, is vaststelling vooraf de meest geschikte procedure voor het verlenen van steun voor de particuliere opslag.

(8)

Bij Verordening (EG) nr. 826/2008 van de Commissie van 20 augustus 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de verlening van steun voor de particuliere opslag van bepaalde landbouwproducten (2) zijn gemeenschappelijke bepalingen vastgesteld voor de uitvoering van de steunregeling voor particuliere opslag.

(9)

Op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 826/2008 moet een vooraf vastgesteld steunbedrag worden verleend overeenkomstig de in hoofdstuk III van die verordening bedoelde nadere bepalingen en voorwaarden.

(10)

In verband met de bijzondere omstandigheden moet worden bepaald dat de producten die in particuliere opslag worden geplaatst, afkomstig moeten zijn van varkens die zijn opgefokt op landbouwbedrijven waarvan is vastgesteld dat zij niet met het besmette voeder in contact zijn geweest. Bovendien moet worden bepaald dat de betrokken producten van in Ierland of Noord-Ierland gehouden en in Noord-Ierland geslachte dieren afkomstig moeten zijn.

(11)

Om het beheer van de regeling te vergemakkelijken, moeten de varkensvleesproducten naargelang van de opslagkosten worden ingedeeld in categorieën.

(12)

Om de administratie en de controle met betrekking tot het sluiten van dergelijke contracten te vergemakkelijken, moet de minimumhoeveelheid producten worden vastgesteld die elke aanvrager moet leveren.

(13)

Bepaald moet worden dat een zekerheid moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat de marktdeelnemers aan hun contractuele verplichtingen voldoen en dat de maatregel het gewenste effect op de markt heeft.

(14)

De uitvoer van varkensvleesproducten draagt bij aan het herstel van het marktevenwicht. Daarom moet worden bepaald dat artikel 28, lid 3, van Verordening (EG) nr. 826/2008 van toepassing is in die gevallen waarin de opslagperiode wordt verkort en de uitgeslagen producten bestemd zijn voor uitvoer. Vastgesteld moet worden met welk bedrag per dag het steunbedrag moet worden verlaagd overeenkomstig het bepaalde in dat artikel.

(15)

Voor de toepassing van artikel 28, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 826/2008 en om redenen van coherentie en duidelijkheid voor de marktdeelnemers moet de daarin opgenomen periode van twee maanden worden uitgedrukt in dagen.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Er wordt steun verleend voor de particuliere opslag van varkenvleesproducten die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de producten zijn afkomstig van varkens die ten minste de laatste twee maanden vóórdat zij in Noord-Ierland zijn geslacht, in Ierland of Noord-Ierland zijn gehouden;

b)

de producten zijn van gezonde handelskwaliteit en zijn afkomstig van varkens die zijn opgefokt op landbouwbedrijven waarvan is vastgesteld dat daar geen sterk met dioxines en polychloorbifenylen (PCB’s) besmet voeder is gebruikt.

2.   De lijst van de voor steun in aanmerking komende categorieën producten en de desbetreffende bedragen worden vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Toe te passen bepalingen

Verordening (EG) nr. 826/2008 is van toepassing, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.

Artikel 3

Indiening van aanvragen

1.   Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening mogen in Noord-Ierland aanvragen worden ingediend voor steun voor de particuliere opslag van de categorieën varkensvleesproducten die op grond van artikel 1 voor steun in aanmerking komen.

2.   De aanvragen hebben betrekking op een opslagperiode van 90, 120, 150 of 180 dagen.

3.   De aanvragen mogen alleen worden ingediend voor een van de in de bijlage opgenomen categorieën producten, waarbij de betrokken GN-code binnen die categorie moet worden aangegeven.

4.   De bevoegde autoriteiten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de bepalingen van artikel 1, lid 1, wordt voldaan.

Artikel 4

Minimumhoeveelheid

De minimumhoeveelheid per aanvraag wordt vastgesteld op:

a)

10 ton voor producten zonder been;

b)

15 ton voor andere producten.

Artikel 5

Zekerheid

De aanvragen gaan vergezeld van een zekerheid van 20 % van de in de kolommen 3 tot en met 6 van de bijlage aangegeven steunbedragen.

Artikel 6

Totale hoeveelheid

De totale hoeveelheid waarvoor overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 826/2008 contracten mogen worden gesloten, mag niet meer bedragen dan 15 000 ton productgewicht.

Artikel 7

Uitslag van voor uitvoer bestemde producten

5.   Voor de toepassing van artikel 28, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 826/2008 moet een minimale opslagperiode van 60 dagen zijn verstreken.

6.   Voor de toepassing van artikel 28, lid 3, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 826/2008 worden de bedragen per dag vastgesteld in kolom 7 van de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 223 van 21.8.2008, blz. 3.


BIJLAGE

Categorie producten

Producten waarvoor steun wordt verleend

Steun voor een opslagtermijn van

(EUR/t)

Korting

(EUR)

90 dagen

120 dagen

150 dagen

180 dagen

per dag

1

2

3

4

5

6

7

Categorie 1

ex 0203 11 10

Halve dieren, zonder voorpoot, staart, nier, middenrif en ruggenmerg (1)

278

315

352

389

1,24

Categorie 2

ex 0203 12 11

Hammen

 

 

 

 

 

ex 0203 12 19

Schouders

 

 

 

 

 

ex 0203 19 11

Voorstukken

 

 

 

 

 

ex 0203 19 13

Karbonadestrengen, met of zonder halskarbonade, of halskarbonaden alleen, karbonadestrengen met of zonder heup (2)  (3)

337

379

421

463

1,41

ex 0203 19 55

Hammen, schouders, voorstukken, karbonadestrengen met of zonder halskarbonade, of halskarbonaden alleen, karbonadestrengen met of zonder heup, zonder been (4)  (5)

 

 

 

 

 

Categorie 3

ex 0203 19 15

Buik, als zodanig of rechthoekig gesneden

164

197

230

263

1,09

ex 0203 19 55

Buik, als zodanig of rechthoekig gesneden, zonder zwoerd en ribben

 

 

 

 

 

Categorie 4

ex 0203 19 55

Deelstukken overeenstemmend met „middles”, met of zonder zwoerd of vet, zonder been (6)

255

290

325

360

1,17


(1)  Voor steun komen ook in aanmerking halve dieren, versneden volgens de „Wiltshire”-methode, d.w.z. ontdaan van de kop, de wang, het kinnebakspek, de poten, de staart, de bladreuzel, de nier, het haasje, het schouderblad, het borstbeen, de wervelkolom, het heupbeen en het middenrif.

(2)  De karbonadestrengen en de halskarbonaden mogen worden opgeslagen met of zonder zwoerd; het vastzittend spek mag echter niet dikker zijn dan 25 mm.

(3)  De in het contract vastgelegde hoeveelheid kan iedere combinatie van de genoemde producten betreffen.

(4)  De karbonadestrengen en de halskarbonaden mogen worden opgeslagen met of zonder zwoerd; het vastzittend spek mag echter niet dikker zijn dan 25 mm.

(5)  De in het contract vastgelegde hoeveelheid kan iedere combinatie van de genoemde producten betreffen.

(6)  Dezelfde aanbiedingsvorm als voor producten van GN-code 0210 19 20.


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/60


VERORDENING (EG) Nr. 1330/2008 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2008

tot 103e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa‘ida-netwerk en de Taliban

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa‘ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (1), en met name op artikel 7, lid 1, eerste streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd van wie de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren.

(2)

Het Sanctiecomité van de VN-Veiligheidsraad heeft op 21 en 27 oktober 2008 en 12 november 2008 besloten tot wijziging van de lijst van natuurlijke en rechtspersonen, groepen en entiteiten van wie de tegoeden en economische middelen moeten worden bevroren, door aan deze lijst zeven natuurlijke personen toe te voegen op grond van informatie over hun banden met Al Qa‘ida. De motiveringen betreffende de wijzigingen zijn aan de Commissie verstrekt.

(3)

Bijlage I dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(4)

Teneinde de effectiviteit van de maatregelen waarin deze verordening voorziet, te waarborgen, dient de verordening onmiddellijk in werking te treden.

(5)

Aangezien de VN-lijst niet de huidige adressen van de betrokken natuurlijke personen bevat, dient in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht te worden gepubliceerd, zodat deze personen contact kunnen opnemen met de Commissie en deze de gronden waarop deze verordening stoelt, aan de betrokken personen kan mededelen, hen in de gelegenheid kan stellen hierover opmerkingen te maken, en deze verordening in het licht van de opmerkingen en mogelijke beschikbare aanvullende informatie kan herzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2008.

Voor de Commissie

Eneko LANDÁBURU

Directeur-generaal Buitenlandse betrekkingen


(1)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt als volgt gewijzigd:

De volgende vermeldingen worden toegevoegd aan de lijst „Natuurlijke personen”:

(1)

Abdulbasit Abdulrahim (ook bekend als (a) Abdul Basit Fadil Abdul Rahim, (b) Abdelbasit Abdelrahim, (c) Abdullah Mansour, (d) Abdallah Mansour, (e) Adbulrahim Abdulbasit Fadil Mahoud). Adres: Londen, Verenigd Koninkrijk. Geboortedatum: 2.7.1968. Geboorteplaats: Gdabia, Libië. Paspoortnummer: 800220972 (Brits paspoort). Nationaliteit: Brits. Overige informatie: (a) Brits nationaal verzekeringsnummer: PX053496A; (b) Betrokken bij fondsenwerving namens de „Libyan Islamic Fighting Group”; (c) Bekleedde hoge posten binnen de „Libyan Islamic Fighting Group” in het Verenigd Koninkrijk; (d) In verband gebracht met de directeuren van de SANABEL Relief Agency, Ghuma Abd’rabbah, Taher Nasuf en Abdulbaqi Mohammed Khaled en met leden van de „Libyan Islamic Fighting Group” in het Verenigd Koninkrijk, waaronder Ismail Kamoka, hooggeplaatst lid van de „Libyan Islamic Fighting Group” in het Verenigd Koninkrijk, die in juni 2007 in het Verenigd Koninkrijk is veroordeeld voor het financieren van terrorisme.

(2)

Redouane El Habhab (ook bekend als Abdelrahman). Adres: Iltisstrasse 58, 24143 Kiel, Duitsland (voormalig adres). Geboortedatum: 20.12.1969. Geboorteplaats: Casablanca, Marokko. Nationaliteit: Duits. Paspoortnummer: 1005552350 (afgegeven op 27.3.2001 door de gemeente Kiel, vervalt op 26.3.2011). Nummer identiteitskaart: 1007850441 (Duitse federale identiteitskaart, afgegeven op 27.3.2001 door de gemeente Kiel, Duitsland, vervalt op 26.3.2011). Overige informatie: gedetineerd in Lübeck, Duitsland.

(3)

Maftah Mohamed Elmabruk (ook bekend als (a) Muftah Al Mabrook, (b) Mustah ElMabruk, (c) Maftah El Mobruk, (d) Muftah El Mabruk, (e) Maftah Elmobruk, (f) Al Hajj Abd Al Haqq, (g) Al Haj Abd Al Hak). Adres: Londen, Verenigd Koninkrijk. Geboortedatum: 1.5.1950. Geboren in Libië. Nationaliteit: Libisch. Overige informatie: (a) Brits nationaal verzekeringsnummer: PW503042C; (b) Brits ingezetene; (b) Betrokken bij fondsenwerving namens de „Libyan Islamic Fighting Group”. In verband gebracht met leden van de „Libyan Islamic Fighting Group” in het Verenigd Koninkrijk, waaronder Mohammed Benhammedi en Ismail Kamoka, hooggeplaatst lid van de „Libyan Islamic Fighting Group” in het Verenigd Koninkrijk, die in juni 2007 in het Verenigd Koninkrijk is veroordeeld voor het financieren van terrorisme.

(4)

Abdelrazag Elsharif Elosta (ook bekend als Abdelrazag Elsharif Al Usta). Adres: Londen, Verenigd Koninkrijk. Geboortedatum: 20.6.1963. Geboorteplaats: Soguma, Libië. Paspoortnummer: 304875071 (Brits paspoort). Nationaliteit: Brits. Overige informatie: (a) Brits nationaal verzekeringsnummer: PW669539D; (b) Betrokken bij fondsenwerving en financiële facilitering namens de „Libyan Islamic Fighting Group”. In verband gebracht met leden van de „Libyan Islamic Fighting Group” in het Verenigd Koninkrijk, waaronder Mohammed Benhammedi, Taher Nasuf en Ismail Kamoka, hooggeplaatst lid van de „Libyan Islamic Fighting Group” in het Verenigd Koninkrijk, die in juni 2007 in het Verenigd Koninkrijk is veroordeeld voor het financieren van terrorisme.

(5)

Fritz Martin Gelowicz (ook bekend als Robert Konars (geboren op 10.4.1979 in Luik, België), (b) Markus Gebert, (c) Malik, (d) Benzl, (e) Bentley). Adres: Böfinger Weg 20, 89075 Ulm, Duitsland (voormalig adres). Geboortedatum: 1.9.1979. Geboorteplaats: München, Duitsland. Nationaliteit: Duits. Paspoortnummer: 7020069907 (Duits paspoort afgegeven in Ulm, Duitsland, geldig tot 11 mei 2010). Nationaal identificatienummer: 7020783883 (Duitse federale identiteitskaart, afgegeven in Ulm, Duitsland, vervalt op 10.6.2008). Overige informatie: (a) In verband gebracht met de Islamic Jihad Union (IJU), ook bekend onder de naam Islamic Jihad Group, tenminste sinds begin 2006. In verband gebracht met Daniel Martin Schneider en Adem Yilmaz. Opgeleid in vervaardiging en gebruik van explosieven; (b) Gearresteerd op 4 september 2007 in Medebach, Duitsland, gedetineerd in Duitsland sinds 5 september 2007 (oktober 2008).

(6)

Daniel Martin Schneider (ook bekend als Abdullah). Adres: Petrusstrasse 32, 66125 Herrensohr, Dudweiler, Saarbrücken, Duitsland (voormalig adres). Geboortedatum: 9.9.1985. Geboorteplaats: Neunkirchen (Saar), Duitsland. Nationaliteit: Duits. Paspoortnummer: 2318047793 (Duits paspoort, afgegeven in Friedrichsthal, Duitsland, op 17.5.2006, geldig tot 16.5.2011). Nationaal identificatienummer: 2318229333 (Duitse federale identiteitskaart, afgegeven in Friedrichsthal, Duitsland, op 17.5.2006, geldig tot 16.5.2011 (opgegeven als verloren)). Overige informatie: (a) In verband gebracht met de Islamic Jihad Union (IJU), ook bekend onder de naam Islamic Jihad Group, tenminste sinds begin 2006. Werkt samen met Fritz Martin Gelowicz en Adem Yilmaz; (b) Gearresteerd op 4 september 2007 in Medebach, Duitsland, gedetineerd in Duitsland sinds 5 september 2007 (oktober 2008).

(7)

Adem Yilmaz (ook bekend als Talha). Geboortedatum: 4.11.1978. Geboorteplaats: Bayburt, Turkije. Nationaliteit: Turks. Paspoortnummer: TR-P 614 166 (Turks paspoort, afgegeven door het Turkse consulaat-generaal in Frankfurt/Main op 22.3.2006, geldig tot 15.9.2009). Adres: Südliche Ringstrasse 133, 63225 Langen, Duitsland (voormalig adres). Overige informatie: (a) In verband gebracht met de Islamic Jihad Union (IJU), ook bekend onder de naam Islamic Jihad Group, tenminste sinds begin 2006. Werkt samen met Fritz Martin Gelowicz en Daniel Martin Schneider; (b) Gearresteerd op 4 september 2007 in Medebach, Duitsland, gedetineerd in Duitsland sinds 5 september 2007 (oktober 2008).


RICHTLIJNEN

23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/62


RICHTLIJN 2008/110/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 december 2008

tot wijziging van Richtlijn 2004/49/EG inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen (spoorwegveiligheidsrichtlijn)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van het streven naar een interne markt voor spoorwegvervoersdiensten hebben het Europees Parlement en de Raad Richtlijn 2004/49/EG (3) aangenomen teneinde een gemeenschappelijk regelgevend kader voor de veiligheid van het spoorverkeer tot stand te brengen.

(2)

Oorspronkelijk werden de vergunningsprocedures voor de indienststelling van spoorvoertuigen geregeld in Richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem (4) en Richtlijn 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de interoperabiliteit van het conventionele Europese spoorwegsysteem (5) voor nieuwe of aangepaste delen van het communautaire spoorwegsysteem, en in Richtlijn 2004/49/EG voor voertuigen die reeds in gebruik zijn. Conform het principe van betere regelgeving, en met het oog op de vereenvoudiging en modernisering van de communautaire wetgeving moeten alle bepalingen in verband met vergunningen voor het in dienst stellen van spoorvoertuigen in één wetgevingsbesluit ondergebracht worden. Daarom moet het huidige artikel 14 van Richtlijn 2004/49/EG vervallen en moet een nieuwe bepaling inzake machtigingen voor het in dienst stellen van voertuigen die reeds in gebruik zijn, worden opgenomen in Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het communautaire spoorwegsysteem (herschikking) (6) (hierna de „spoorweginteroperabiliteitsrichtlijn” genoemd) die de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG heeft vervangen.

(3)

Door de inwerkingtreding op 1 juli 2006 van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF-verdrag) van 1999 gelden nieuwe regels voor het gebruik van voertuigen. Volgens de CUV (Uniform Rules concerning Contracts of Use of Vehicles in International Rail Traffic) aangehecht aan dit verdrag zijn houders van wagons niet langer verplicht hun wagons bij een spoorwegonderneming te laten registreren. De oude RIV (Regolamento Internazionale Veicoli)-overeenkomst tussen spoorwegondernemingen is niet meer van toepassing en is ten dele vervangen door de nieuwe particuliere en vrijwillige overeenkomst (General Contract of Use for Wagons - GCU) tussen spoorwegondernemingen en houders van wagons, waarbij de laatstgenoemden belast zijn met het onderhoud van hun wagons. Om met deze wijzigingen rekening te houden en de uitvoering van Richtlijn 2004/49/EG wat betreft de veiligheidscertificering van spoorwegondernemingen te vergemakkelijken, moeten de begrippen „houder” en„met het onderhoud belaste entiteit” gedefinieerd worden, en moet de verhouding tussen deze entiteiten en spoorwegondernemingen nader worden toegelicht.

(4)

De definitie van „houder” moet zo dicht mogelijk liggen bij de definitie van het COTIF-verdrag van 1999. Vele entiteiten kunnen als houder van een voertuig worden aangewezen: de eigenaar, een bedrijf dat wagons exploiteert, een bedrijf dat voertuigen aan een spoorwegonderneming verhuurt, een spoorwegonderneming, een infrastructuurbeheerder die voertuigen gebruikt om zijn infrastructuur te onderhouden, enz. Deze entiteiten hebben de controle over het voertuig met de bedoeling dat het als vervoermiddel door spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders wordt gebruikt. Om twijfel te voorkomen, moet de houder duidelijk aangewezen worden in het nationaal voertuigregister (NVR) bepaald in artikel 33 van de spoorweginteroperabiliteitsrichtlijn.

(5)

Om de samenhang met de bestaande wetgeving op het gebied van spoorwegen te waarborgen en overmatige last te vermijden, moet het voor de lidstaten mogelijk zijn historische, museum- en toeristische spoorlijnen buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te houden.

(6)

Voordat een voertuig in dienst wordt gesteld of op het netwerk wordt gebruikt, moet in het NVR een entiteit worden aangewezen die met het onderhoud is belast. Een spoorwegonderneming, een infrastructuurbeheerder of een houder moet een met het onderhoud belaste entiteit kunnen zijn.

(7)

De lidstaten moet aan de hand van alternatieve maatregelen worden toegestaan te voldoen aan de verplichting om de met het onderhoud belaste entiteit aan te wijzen en te certificeren in het geval van voertuigen die in een derde land geregistreerd zijn en die worden onderhouden overeenkomstig de wetgeving van dat land, voertuigen die gebruikt worden op netwerken of spoorweglijnen waarvan de spoorbreedte verschilt van die van het algemene spoornetwerk binnen de Gemeenschap en waarvoor aan de verplichting om een met het onderhoud belaste entiteit aan te wijzen, wordt voldaan door middel van internationale overeenkomsten met derde landen, en voertuigen gebruikt door historische, museum- en toeristische spoorlijnen of militair materieel en bijzonder transport waarvoor de nationale veiligheidsinstantie vóór de dienstverlening een ad hoc-vergunning moet verlenen. In deze gevallen moet de betrokken lidstaat voertuigen kunnen accepteren op het netwerk waarvoor hij bevoegd is zonder dat voor deze voertuigen een met het onderhoud belaste entiteit is aangewezen of zonder dat zulke entiteit gecertificeerd is. Voor dergelijke afwijkingen moet echter een formeel besluit worden genomen door de betrokken lidstaat; bovendien analyseert het Europees Spoorwegbureau (hierna: „het bureau”) de afwijkingen in het kader van zijn verslag inzake veiligheidsprestaties.

(8)

Indien een spoorwegmaatschappij of infrastructuurbeheerder gebruik maakt van een voertuig waarvoor geen met het onderhoud belaste entiteit is geregistreerd of waarvoor de met het onderhoud belaste entiteit niet gecertificeerd is, moet de spoorwegmaatschappij of infrastructuurbeheerder alle met het gebruik van een dergelijk voertuig verbonden risico's beheersen. Het vermogen om deze risico's te beheersen moet door de spoorwegmaatschappij of infrastructuurbeheerder worden aangetoond aan de hand van de certificering van hun veiligheidsbeheersysteem, en, indien van toepassing, aan de hand van hun veiligheidscertificering of -vergunning.

(9)

Voor goederenwagons moet de met het onderhoud belaste entiteit gecertificeerd worden volgens een door het bureau te ontwikkelen en door de Commissie goed te keuren systeem. Wanneer de met het onderhoud belaste entiteit een spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder is, moet deze certificering deel uitmaken van de veiligheidscertificatie- of -vergunningsprocedure. Het certificaat dat aan een dergelijke entiteit wordt afgegeven, zou garanderen dat elke goederenwagon waarvoor zij verantwoordelijk is, voldoet aan de onderhoudsvereisten van deze richtlijn. Het certificaat moet in de gehele Gemeenschap geldig zijn en moet worden afgegeven door een instantie die in staat is de door dergelijke entiteiten opgezette onderhoudssystemen te controleren. Aangezien goederenwagons frequent worden gebruikt in het internationale verkeer en aangezien een met het onderhoud belaste entiteit mogelijk gebruik wilmaken van werkplaatsen in meer dan één lidstaat, moet de certificeringsinstantie in staat zijn controles uit te voeren in de hele Gemeenschap.

(10)

In het kader van de spoorweginteroperabiliteitsrichtlijn worden onderhoudsvereisten opgesteld, met name als onderdeel van de technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI's) voor rollend materieel. Ten gevolge van de inwerkingtreding van deze richtlijn moet worden gezorgd voor samenhang tussen deze TSI's en de door de Commissie vast te stellen certificeringsvereisten voor de entiteit die met het onderhoud is belast. De Commissie zal dit bewerkstelligen door, waar van toepassing, de relevante TSI's te wijzigen via de in de spoorweginteroperabiliteitsrichtlijn beoogde procedure.

(11)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het verder ontwikkelen en verbeteren van de veiligheid op het communautaire spoor, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van de maatregel beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te bereiken.

(12)

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van Richtlijn 2004/49/EG worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7).

(13)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om de bijlagen bij Richtlijn 2004/49/EG te herzien en aan te passen, gemeenschappelijke veiligheidsmethoden en -doelstellingen vast te stellen en te wijzigen, alsmede een certificeringsregeling voor onderhoud in te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële elementen van Richtlijn 2004/49/EG onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing bepaald in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

(14)

Voor een lidstaat die niet over een spoorwegsysteem beschikt en niet verwacht er binnen afzienbare tijd over te zullen beschikken, zou de verplichting tot omzetting en uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn onevenredig en zinloos zijn. Een dergelijke lidstaat moet derhalve, zolang hij niet over een spoorwegsysteem beschikt, van de verplichting tot omzetting en uitvoering van deze richtlijn worden vrijgesteld.

(15)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (8) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen overzichten op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(16)

Richtlijn 2004/49/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Richtlijn 2004/49/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

aan artikel 2, lid 2, worden de volgende punten toegevoegd:

„d)

historische voertuigen die op nationale netwerken rijden, mits ze voldoen aan de nationale voorschriften en regelgeving inzake veiligheid, met als doel de veilige verplaatsing van dergelijke voertuigen te garanderen;

e)

op eigen netwerken ge-exploiteerde historische, museum- en toeristische spoorlijnen, met inbegrip van werkplaatsen, voertuigen en personeel.”;

2.

aan artikel 3 worden de volgende punten toegevoegd:

„s)

„houder”: de persoon of entiteit die eigenaar is van een voertuig of het recht heeft het te gebruiken, het voertuig exploiteert als vervoermiddel en als zodanig geregistreerd is in het Nationaal Voertuigenregister (NVR) bedoeld in artikel 33 van Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het communautaire spoorwegsysteem (herschikking) (9) (hierna de „spoorweginteroperabiliteitsrichtlijn” genoemd);

t)

„met het onderhoud belaste entiteit”: een entiteit die belast is met het onderhoud van een voertuig, en als zodanig geregistreerd is in het NVR;

u)

„voertuig”: een spoorvoertuig dat op eigen wielen voortbeweegt op spoorlijnen, met of zonder aandrijving. Een voertuig bestaat uit een of meer structurele en functionele subsystemen of onderdelen van dergelijke subsystemen.

3.

in artikel 4, lid 4, wordt de term „wagonexploitant” vervangen door „houder”;

4.

artikel 5, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Bijlage I wordt voor 30 april 2009 herzien, met name om daarin gemeenschappelijke definities van de gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren alsmede een uniforme methode voor de berekening van de kosten van ongevallen op te nemen. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

5.

artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Een eerste reeks van CMS's, die tenminste de in lid 3, onder a), bedoelde methoden omvat, wordt uiterlijk 30 april 2008 door de Commissie goedgekeurd. Deze methoden worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Een tweede reeks van CMS's, die het resterende deel van de in lid 3 bedoelde methoden omvat, wordt uiterlijk 30 april 2010 door de Commissie goedgekeurd. Deze methoden worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 3, punt c), wordt vervangen door:

„c)

voor zover zij nog niet onder TSI's vallen, methoden om te controleren of de subsystemen van structurele aard van het spoorwegsysteem overeenkomstig de essentiële eisen worden geëxploiteerd en onderhouden.”;

c)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De CMS's worden regelmatig herzien met inachtneming van de bij de toepassing ervan opgedane ervaring, de algehele ontwikkeling van de veiligheid op het spoor en de in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichtingen van de lidstaten. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen onder meer door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

6.

artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de eerste en de tweede alinea van lid 3 worden vervangen door:

„3.   De eerste reeks ontwerp-CST's is gebaseerd op een onderzoek van de bestaande doelen en veiligheidsprestaties in de lidstaten, en zorgt ervoor dat in geen enkele lidstaat afbreuk wordt gedaan aan de huidige veiligheidsprestaties van het spoorwegsysteem. Deze doelen worden uiterlijk op 30 april 2009 door de Commissie goedgekeurd en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen onder meer door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

De tweede reeks ontwerp-CST's wordt gebaseerd op de ervaring die bij de eerste reeks en de toepassing daarvan is opgedaan. Deze doelen betreffen prioritaire gebieden waar de veiligheid nog verder verbeterd moet worden. Zij worden uiterlijk op 30 april 2011 door de Commissie goedgekeurd en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De CST's worden regelmatig herzien met inachtneming van de algehele ontwikkeling van de veiligheid op het spoor. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

7.

artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de tweede alinea van lid 1 wordt vervangen door:

„Het veiligheidscertificaat geldt als bewijs dat de spoorwegonderneming een veiligheidsbeheersysteem tot stand heeft gebracht en kan voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in TSI's en andere toepasselijke communautaire wetgeving en in nationale veiligheidsvoorschriften teneinde risico's te beheersen en op een veilige manier vervoersdiensten op het net te kunnen verrichten.”;

b)

lid 2, onder b), wordt vervangen door het volgende:

„b)

certificering dat de voorzieningen die de spoorwegonderneming heeft getroffen om te voldoen aan specifieke eisen om op het betrokken net zijn diensten op een veilige manier te kunnen leveren, zijn goedgekeurd. Deze eisen kunnen onder meer betrekking hebben op de toepassing van TSI's en nationale veiligheidsvoorschriften, waaronder de exploitatievoorschriften voor het net, de aanvaarding van de certificaten van het personeel en de machtiging om de door de spoorwegonderneming gebruikte voertuigen te bedienen. Deze certificering is gebaseerd op de door de spoorwegonderneming over te leggen documentatie beschreven in bijlage IV.”;

8.

het volgende artikel zal worden toegevoegd:

„Artikel 14 bis

Onderhoud van voertuigen

1.   Elk voertuig krijgt, voordat het in dienst wordt gesteld of op het netwerk wordt gebruikt, een met het onderhoud belaste entiteit toegewezen die conform artikel 33 van de spoorweginteroperabiliteitsrichtlijn in het NVR wordt geregistreerd.

2.   Een spoorwegonderneming, een infrastructuurbeheerder of een houder kan een met het onderhoud belaste entiteit zijn.

3.   Onverminderd de verantwoordelijkheid van de spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerders voor wat de veilige werking van een trein betreft, zoals bepaald in artikel 4, draagt de entiteit er door middel van een onderhoudssysteem zorg voor dat de voertuigen met het onderhoud waarvan zij belast is, in veilige staat zijn. Hiertoe moet de met het onderhoud belaste entiteit er voor zorgen dat de voertuigen worden onderhouden in overeenstemming met:

a)

het onderhoudsdossier van elk voertuig; en

b)

de geldende voorschriften, met inbegrip van de onderhoudsregels en de TSI-bepalingen.

De met het onderhoud belaste entiteit voert het onderhoud zelf uit of zet een onder contract staand onderhoudsbedrijf in.

4.   Voor wat goederenwagons betreft, wordt elke met het onderhoud belaste entiteit gecertificeerd door een instantie die conform lid 5 wordt geaccrediteerd of erkend, of door een nationale veiligheidsinstantie. De accrediteringsprocedure is gebaseerd op criteria inzake onafhankelijkheid, competentie en onpartijdigheid, zoals de van toepassing zijnde Europese normen van de reeks EN 45 000. De erkenningsprocedure is eveneens gebaseerd op criteria inzake onafhankelijkheid, competentie en onpartijdigheid.

Wanneer de met het onderhoud belaste entiteit een spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder is, wordt de naleving van de voorschriften die zullen worden aangenomen conform lid 5, gecontroleerd door de bevoegde nationale veiligheidsinstantie ingevolge de procedures waarnaar verwezen wordt in artikel 10 of artikel 11, en wordt de naleving van deze voorschriften bevestigd op de met die procedures verband houdende certificaten.

5.   Op basis van een aanbeveling van het bureau stelt de Commissie uiterlijk op 24 december 2010 een maatregel vast tot oprichting van een systeem voor de certificering van entiteiten die belast zijn met het onderhoud van goederenwagons. Certificaten die conform dit systeem worden afgegeven, bevestigen dat is voldaan aan de in lid 3 genoemde voorschriften.

De maatregel omvat voorschriften op het gebied van:

a)

het door de entiteit opgerichte onderhoudssysteem;

b)

het model en de geldigheid van het aan de entiteit afgegeven certificaat;

c)

de criteria voor de accreditering of erkenning van de instantie of de instanties die verantwoordelijk is/zijn voor de afgifte van certificaten en voor de controles die noodzakelijk zijn voor de werking van het certificatiesysteem;

d)

de datum van de inwerkingstelling van het certificatiesysteem, met inbegrip van een overgangsperiode van één jaar voor bestaande met onderhoud belaste entiteiten.

Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Op basis van een aanbeveling van het bureau evalueert de Commissie deze maatregel uiterlijk op 24 december 2018 met als doel alle voertuigen in de werkingssfeer ervan op te nemen en het certificatiesysteem voor goederenwagons indien nodig te actualiseren.

6.   De overeenkomstig lid 5 afgegeven certificaten zijn in de hele Gemeenschap geldig.

7.   Het bureau evalueert het overeenkomstig lid 5 uitgevoerde certificeringsproces in een rapport dat uiterlijk drie jaar na de invoering van de desbetreffende maatregel aan de Commissie wordt voorgelegd.

8.   Voor de volgende gevallen mogen de lidstaten besluiten om aan de hand van alternatieve maatregelen te voldoen aan de verplichting om de met het onderhoud belaste entiteit aan te wijzen en te certificeren:

a)

voertuigen die in een derde land geregistreerd zijn en die worden onderhouden overeenkomstig de wetgeving van dat land;

b)

voertuigen die gebruikt worden op netwerken of spoorweglijnen waarvan de spoorbreedte verschilt van die van het algemene spoornetwerk binnen de Gemeenschap en waarvoor aan de in lid 3 genoemde voorschriften wordt voldaan door middel van internationale overeenkomsten met derde landen;

c)

in artikel 2, lid 2, genoemde voertuigen evenals militair materieel en bijzonder transport waarvoor de nationale veiligheidsinstantie vóór de dienstverlening een ad hoc-vergunning moet verlenen. In dit geval worden voor periodes van maximaal vijf jaar afwijkingen toegestaan.

Dergelijke afwijkende maatregelen worden toegepast middels door de desbetreffende nationale veiligheidsinstantie te verlenen afwijkingen:

a)

bij de registratie van voertuigen krachtens artikel 33 van de spoorweginteroperabiliteitsrichtlijn, voor wat de aanwijzing van de met het onderhoud belaste entiteit betreft;

b)

bij de afgifte van veiligheidscertificaten en -vergunningen aan spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders krachtens artikel 10 en artikel 11 van deze richtlijn, voor wat de aanwijzing of certificering van de met het onderhoud belaste entiteit betreft.

Dergelijke afwijkingen worden kenbaar gemaakt en gerechtvaardigd in het jaarlijkse veiligheidsrapport waarvan sprake is in artikel 18 van deze richtlijn. Indien blijkt dat ongepaste veiligheidsrisico's worden genomen op het communautaire spoorwegsysteem, brengt het bureau de Commissie hiervan onmiddellijk op de hoogte. De Commissie neemt dan contact op met de betrokken partijen en verzoekt de lidstaat eventueel om zijn besluit tot afwijking te herroepen.”;

9.

artikel 16, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt a) wordt vervangen door:

„a)

Zij verleent toestemming om de subsystemen van structurele aard die volgens artikel 15 van de spoorweginteroperabiliteitsrichtlijn deel uitmaken van het trans-Europese spoorwegsysteem, in dienst te stellen en controleert of deze subsystemen overeenkomstig de relevante essentiële eisen worden geëxploiteerd en onderhouden;”;

b)

punt b) wordt geschrapt;

c)

punt g) wordt vervangen door:

„g)

zij ziet erop toe dat voertuigen naar behoren geregistreerd worden in het NVR en dat de daarin opgenomen informatie inzake veiligheid nauwkeurig is en regelmatig wordt bijgewerkt.”;

10.

aan artikel 18 wordt het volgende punt toegevoegd:

„e)

afwijkingen waartoe overeenkomstig artikel 14 bis, lid 8, is besloten.”;

11.

artikel 26 wordt vervangen door:

„Artikel 26

Aanpassing van de bijlagen

De bijlagen worden aangepast aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2 bis, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”;

12.

artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„2 bis.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, dan zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”;

b)

lid 4 wordt geschrapt;

13.

punt 3 van bijlage II wordt geschrapt.

Artikel 2

Implementatie en omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 24 december 2010 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen mede.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

De verplichting tot omzetting en uitvoering van deze richtlijn is niet van toepassing op Cyprus en Malta zolang deze landen niet beschikken over een spoorwegsysteem op hun respectieve grondgebied.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 december 2008.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

B. LE MAIRE


(1)  PB C 256 van 27.10.2007, blz. 39.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 29 november 2007 (PB C 297 E van 20.11.2008, blz. 133) en gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 3 maart 2008 (PB C 122 E van 20.5.2008, blz. 10). Standpunt van het Europees Parlement van 9 juli 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 1 december 2008.

(3)  Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (spoorwegveiligheidsrichtlijn) (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44). Rectificatie in PB L 220 van 21.6.2004, blz. 16.

(4)  PB L 235 van 17.9.1996, blz. 6.

(5)  PB L 110 van 20.4.2001, blz. 1.

(6)  PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1.

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(9)  PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1.”;


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/68


RICHTLIJN 2008/112/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 december 2008

tot wijziging van de Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG en 1999/13/EG van de Raad en de Richtlijnen 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde ze aan te passen aan Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95 en artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (3) harmoniseert de indeling en etikettering van stoffen en mengsels in de Gemeenschap. Zij komt in de plaats van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (4) en Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (5).

(2)

Verordening (EG) nr. 1272/2008 bouwt voort op de ervaring die is opgedaan met de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en bevat de criteria voor de indeling en etikettering van stoffen en mengsels volgens het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (GHS) dat op internationaal niveau is goedgekeurd in het kader van de Verenigde Naties.

(3)

Een aantal bepalingen betreffende indeling en etikettering in de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG wordt ook gebruikt voor de toepassing van andere communautaire wetgeving, zoals Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (6), Richtlijn 88/378/EEG van de Raad van 3 mei 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de veiligheid van speelgoed (7), Richtlijn 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (8), Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken (9), Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (10) en Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen (11).

(4)

Door de opneming van de GHS-criteria in de communautaire wetgeving worden nieuwe gevarenklassen en -categorieën ingevoerd die slechts gedeeltelijk overeenstemmen met de indelings- en etiketteringsregelingen van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG. Een analyse van de mogelijke gevolgen van de overgang van het oude naar het nieuwe indelings- en etiketteringssysteem leidde tot de conclusie dat door aanpassing van de verwijzingen naar de indelingscriteria in de Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG, 2000/53/EG en 2002/96/EG aan het bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 ingevoerde nieuwe systeem het toepassingsgebied van de respectieve besluiten moet worden behouden.

(5)

Het is ook noodzakelijk Richtlijn 76/768/EEG aan te passen om rekening te houden met de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (12).

(6)

Het is dienstig Richtlijn 1999/13/EG in overeenstemming te brengen met de vervanging, krachtens Richtlijn 67/548/EEG, van waarschuwingszin R40 door de twee nieuwe waarschuwingszinnen R40 en R68 om te zorgen voor een correcte overgang naar de in Verordening (EG) nr. 1272/2008 vastgestelde gevarenaanduidingen.

(7)

De overgang ten opzichte van de indelingscriteria in de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG moet op 1 juni 2015 volledig zijn afgerond. De fabrikanten van cosmetische producten, speelgoed, verven, vernissen, producten voor het overspuiten van voertuigen, voertuigen, en elektrische en elektronische apparatuur zijn fabrikanten, importeurs of downstreamgebruikers in de zin van Verordening (EG) nr. 1272/2008, evenals de exploitanten van wie de activiteiten onder Richtlijn 1999/13/EG vallen. Zij moeten allen in staat worden gesteld om krachtens deze richtlijn hun overgangsstrategie te bepalen volgens een tijdschema zoals dat van Verordening (EG) nr. 1272/2008.

(8)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (13) worden de lidstaten ertoe aangespoord om voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(9)

De Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG, 1999/13/EG, 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 76/768/EEG

Richtlijn 76/768/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1.

De woorden „preparaat” en „preparaten” in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 in de versie van 30 december 2006 worden overal in de tekst vervangen door „mengsel”, respectievelijk „mengsels”.

2.

Artikel 4 bis, lid 1, punt d), wordt vervangen door:

„d)

het verrichten van dierproeven met ingrediënten of combinaties van ingrediënten op hun grondgebied, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen, uiterlijk op de datum waarop die proeven dienen te zijn vervangen door één of meer gevalideerde methoden die zijn genoemd in Verordening van de Commissie (EG) nr. 440/2008 van 30 mei 2008 houdende vaststelling van testmethoden uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (14), of in bijlage IX van deze richtlijn.

3.

Met ingang van 1 december 2010 wordt artikel 4 ter van Richtlijn 76/768/EEG vervangen door:

„Artikel 4 ter

Het gebruik in cosmetische producten van stoffen die als kankerverwekkend, mutageen in geslachtscellen of vergiftig voor de voortplanting zijn ingedeeld in categorie 1A, 1B en 2 in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (15) wordt verboden. De Commissie neemt daartoe de nodige maatregelen overeenkomstig de in artikel 10, lid 2 bedoelde regelgevingsprocedure. Een stof die in categorie 2 is ingedeeld, mag in cosmetische producten worden gebruikt, indien zij door het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (WCCV) werd beoordeeld en voor gebruik in cosmetische producten werd aanvaard.

4.

Met ingang van 1 december 2010 wordt artikel 7 bis, lid 1, punt h), tweede alinea, laatste zin, vervangen door:

„De kwantitatieve informatie die overeenkomstig letter a) algemeen toegankelijk gemaakt moet worden, beperkt zich tot stoffen waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 vervuld zijn;

a)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

b)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

c)

gevarenklasse 4.1;

d)

gevarenklasse 5.1.”.

5.

In bijlage IX wordt de eerste zin vervangen door:

„Deze bijlage bevat de lijst van de alternatieve methoden die door het Europees Centrum voor de validatie van alternatieve methoden (CEVMA) van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek zijn gevalideerd, beschikbaar zijn om aan de eisen van deze richtlijn te voldoen en niet zijn vermeld in Verordening (EG) nr. 440/2008.”.

Artikel 2

Wijziging van Richtlijn 88/378/EEG

Richtlijn 88/378/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1.

De woorden „preparaat” en „preparaten” in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 in de versie van 30 december 2006 worden overal in de tekst vervangen door „mengsel”, respectievelijk „mengsels”.

2.

Met ingang van 1 december 2010 wordt bijlage II, deel II, punt 2, letter b), vervangen door:

„b)

Speelgoed mag als zodanig geen stoffen of mengsels bevatten die ontvlambaar worden door het verlies van vluchtige niet-ontvlambare componenten, indien het om te kunnen functioneren, met name materiaal en apparatuur voor scheikundige experimenten, modelbouw, boetseren met kunststof of klei, emailleren, fotograferen of soortgelijke activiteiten, mengsels bevat die gevaarlijk zijn zoals omschreven in Richtlijn 67/548/EEG, noch stoffen waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en van de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (16), vervuld zijn:

i)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

ii)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

iii)

gevarenklasse 4.1;

iv)

gevarenklasse 5.1.

3.

Met ingang van 1 juni 2015 wordt bijlage II, deel II, punt 2, letter b), vervangen door:

„b)

Speelgoed mag als zodanig geen stoffen of mengsels bevatten die ontvlambaar worden door het verlies van vluchtige niet-ontvlambare componenten, indien het om te kunnen functioneren, met name materiaal en apparatuur voor scheikundige experimenten, modelbouw, boetseren met kunststof of klei, emailleren, fotograferen of soortgelijke activiteiten, stoffen of mengsels bevat waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en van de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (17), vervuld zijn:

i)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

ii)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

iii)

gevarenklasse 4.1;

iv)

gevarenklasse 5.1;

4.

Met ingang van 1 december 2010 wordt bijlage II, deel II, punt 3, eerste alinea, vervangen door:

„3.

Speelgoed mag geen mengsels bevatten die gevaarlijk zijn in de zin van Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (18), noch stoffen waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 vervuld zijn:

a)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

b)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

c)

gevarenklasse 4.1;

d)

gevarenklasse 5,1,

in hoeveelheden die de gezondheid van het kind dat het speelgoed gebruikt, kunnen schaden. In ieder geval is het formeel verboden in speelgoed dergelijke stoffen of mengsels te verwerken indien het speelgoed bestemd is om als zodanig bij het spelen te worden gebruikt.

5.

Met ingang van 1 juni 2015 wordt bijlage II, deel II, afdeling 3, punt 3, eerste alinea, vervangen door:

„3.

Speelgoed mag geen stoffen of mengsels waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 vervuld zijn:

a)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

b)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

c)

gevarenklasse 4.1;

d)

gevarenklasse 5.1,

bevatten in hoeveelheden die de gezondheid van het kind dat het speelgoed gebruikt, kunnen schaden. In ieder geval is het formeel verboden in speelgoed dergelijke stoffen of mengsels te verwerken indien het speelgoed bestemd is om als zodanig bij het spelen te worden gebruikt.”.

6.

Met ingang van 1 december 2010 worden in bijlage IV, punt 4, de titel en punt a) vervangen door:

„4.   Speelgoed dat stoffen of mengsels bevat die als zodanig gevaarlijk zijn. Chemisch speelgoed

a)

Onverminderd de toepassing van Verordening (EG) nr. 1272/2008 wordt op de gebruiksaanwijzing van het speelgoed dat mengsels bevat die als zodanig gevaarlijk zijn of stoffen waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 vervuld zijn:

i)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

ii)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

iii)

gevarenklasse 4.1;

iv)

gevarenklasse 5.1,

de gevaarlijke aard van deze stoffen of mengsels vermeld, alsmede de voorzorgsmaatregelen die de gebruiker in acht moet nemen om de desbetreffende gevaren te vermijden, die al naargelang van het type speelgoed kort nader moeten worden aangeduid. Tevens wordt aangegeven welke eerste hulp moet worden verleend bij ernstige ongevallen die het gevolg zijn van het gebruik van dit soort speelgoed. Ook wordt vermeld dat het speelgoed buiten het bereik van zeer jonge kinderen moet worden gehouden.”.

7.

Met ingang van 1 juni 2015 worden in bijlage IV, punt 4, de titel en punt a) vervangen door:

„4.   Speelgoed dat stoffen of mengsels bevat die als zodanig gevaarlijk zijn. Chemisch speelgoed

a)

Onverminderd de toepassing van Verordening (EG) nr. 1272/2008 wordt op de gebruiksaanwijzing van het speelgoed dat stoffen of mengsels bevat waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij die verordening vervuld zijn:

i)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

ii)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

iii)

gevarenklasse 4.1;

iv)

gevarenklasse 5.1,

de gevaarlijke aard van deze stoffen of mengsels vermeld, alsmede de voorzorgsmaatregelen die de gebruiker in acht moet nemen om de desbetreffende gevaren te vermijden, die al naargelang van het type speelgoed kort nader moeten worden aangeduid. Tevens wordt aangegeven welke eerste hulp moet worden verleend bij ernstige ongevallen die het gevolg zijn van het gebruik van dit soort speelgoed. Ook wordt vermeld dat het speelgoed buiten het bereik van zeer jonge kinderen moet worden gehouden.”.

Artikel 3

Wijziging van Richtlijn 1999/13/EG

Richtlijn 1999/13/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

De woorden „preparaat” en „preparaten” in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 in de versie van 30 december 2006 worden overal in de tekst vervangen door „mengsel”, respectievelijk „mengsels”.

2.

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

met ingang van 1 december 2010 wordt lid 6 vervangen door:

„6.   Stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F of de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61 is of zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan VOS die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (19) als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, moeten voor zover mogelijk en rekening houdend met de in artikel 7, lid 1, bedoelde richtsnoeren binnen zo kort mogelijke tijd door minder schadelijke stoffen of mengsels worden vervangen.

b)

met ingang van 1 juni 2015 wordt lid 6 vervangen door:

„6.   Stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F is of zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan VOS die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (20) als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, moeten voor zover mogelijk en rekening houdend met de in artikel 7, lid 1, genoemde richtsnoeren binnen zo kort mogelijke tijd door minder schadelijke stoffen of mengsels worden vervangen.

c)

lid 8 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de woorden „de risicozin R40 is toegekend” worden vervangen door „de risicozinnen R40 of R68 zijn toegekend”;

ii)

de woorden „de vermelding van R40” worden vervangen door „de vermelding van R40 of R68”;

iii)

met ingang van 1 juni 2015 worden de woorden „de risicozinnen R40 of R68” vervangen door „de gevarenaanduidingen H341 of H351”;

iv)

met ingang van 1 juni 2015 worden de woorden „waarvoor de vermelding van R40 of R68 verplicht is” vervangen door „waarvoor de gevarenaanduidingen H341 of H351 verplicht zijn”;

d)

met ingang van 1 juni 2015 worden in lid 9 de woorden „risicozinnen” en „zinnen” vervangen door de woorden „gevarenaanduidingen”, respectievelijk „aanduidingen”;

e)

lid 13 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de woorden „waarvoor op de etikettering R40, R60 of R61 moet worden vermeld” worden vervangen door „waarvoor op de etikettering de risicozinnen R40, R68, R60 of R61 moeten worden vermeld”;

ii)

met ingang van 1 juni 2015 worden de woorden „de risicozinnen R40, R68, R60 of R61” vervangen door „de gevarenaanduidingen H341, H351, H360F of H360D.”.

Artikel 4

Wijziging van Richtlijn 2000/53/EG

Met ingang van 1 december 2010 wordt artikel 2, punt 11, van Richtlijn 2000/53/EG vervangen door:

„11.

„gevaarlijke stof”: stof waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (21) vervuld zijn:

a)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

b)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

c)

gevarenklasse 4.1;

d)

gevarenklasse 5.1.

Artikel 5

Wijziging van Richtlijn 2002/96/EG

Richtlijn 2002/96/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

De woorden „preparaat” of „preparaten” in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006, in de versie van 30 december 2006, worden overal in de tekst vervangen door „mengsel”, respectievelijk „mengsels”.

2.

Met ingang van 1 december 2010 wordt artikel 3, punt l), vervangen door:

„l)

„gevaarlijke stof of mengsel”: een mengsel dat als gevaarlijk moet worden beschouwd in de zin van Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (22) of een stof waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (23) vervuld zijn:

i)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

ii)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

iii)

gevarenklasse 4.1;

iv)

gevarenklasse 5.1.

3.

Met ingang van 1 juni 2015 wordt artikel 3, punt l), vervangen door:

„l)

„gevaarlijke stof of mengsel”: een stof of een mengsel waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (24) vervuld zijn:

i)

de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;

ii)

de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;

iii)

gevarenklasse 4.1;

iv)

gevarenklasse 5.1;

4.

Bijlage II, punt 1, dertiende streepje, wordt vervangen door:

„—

onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten zoals beschreven in bijlage VI, deel 3, bij Verordening (EG) nr. 1272/2008”.

Artikel 6

Wijziging van Richtlijn 2004/42/EG

Artikel 2 van Richtlijn 2004/42/EG wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt het woord „preparaat” vervangen door „mengsel”;

b)

in lid 8 wordt het woord „preparaat” vervangen door „mengsel”.

Artikel 7

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk 1 april 2010 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij passen deze bepalingen toe vanaf 1 juni 2010.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 9

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 december 2008.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

B. LE MAIRE


(1)  PB C 120 van 16.5.2008, blz. 50.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 3 september 2008 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 28 november 2008.

(3)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(4)  PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.

(5)  PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.

(6)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 169.

(7)  PB L 187 van 16.7.1988, blz. 1.

(8)  PB L 85 van 29.3.1999, blz. 1.

(9)  PB L 269 van 21.10.2000, blz. 34.

(10)  PB L 37 van 13.2.2003, blz. 24.

(11)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87.

(12)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1, gerectificeerd in PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.

(13)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(14)  PB L 142 van 31.5.2008, blz. 1.”.

(15)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.”.

(16)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.”.

(17)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.”.

(18)  PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.”.

(19)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.”;

(20)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.”;

(21)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1”.

(22)  PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.

(23)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.”.

(24)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.”.


23.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 345/75


RICHTLIJN 2008/114/EG VAN DE RAAD

van 8 december 2008

inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 308,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In juni 2004 heeft de Europese Raad om de opstelling van een algemene strategie voor de bescherming van kritieke infrastructuur verzocht. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Commissie op 20 oktober 2004 een mededeling over „Terrorismebestrijding: bescherming van kritieke infrastructuur” aangenomen, waarin voorstellen worden gedaan over de wijze waarop de preventie van, de paraatheid bij en de reactie op terreuraanslagen op kritieke infrastructuur in Europa kunnen worden verbeterd.

(2)

Op 17 november 2005 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan een Groenboek betreffende een Europees programma voor de bescherming van kritieke infrastructuur, waarin beleidsopties voor het opzetten van het programma en van het netwerk voor waarschuwing en informatie inzake kritieke infrastructuur zijn opgenomen. De op het groenboek ontvangen reacties onderstrepen de meerwaarde van een gemeenschappelijk kader voor de bescherming van kritieke infrastructuur. Er werd erkend dat het nodig is de capaciteit voor de bescherming van kritieke infrastructuur in Europa op te voeren en deze infrastructuur minder kwetsbaar te maken. De nadruk werd gelegd op het belang van de essentiële beginselen van subsidiariteit, evenredigheid en complementariteit, alsook van overleg met de belanghebbende partijen.

(3)

In december 2005 heeft de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken de Commissie verzocht een voorstel voor een Europees programma voor de bescherming van kritieke infrastructuur (European Programme for Critical Infrastructure Protection — „EPCIP”) in te dienen en besloten dat dit gebaseerd moet zijn op een alle risico’s omvattende aanpak, waarbij de bestrijding van terroristische dreigingen als prioriteit zou gelden. Bij een dergelijke aanpak dient in het proces ter bescherming van kritieke infrastructuur rekening te worden gehouden met door mensen veroorzaakte dreigingen, technologische dreigingen en natuurrampen, maar dient voorrang te worden gegeven aan terroristische dreigingen.

(4)

In april 2007 heeft de Raad conclusies over EPCIP aangenomen waarin hij herhaalt dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het beheer van de regelingen ter bescherming van kritieke infrastructuren binnen de nationale grenzen bij de lidstaten berust en hij zich ingenomen toont met de inspanningen van de Commissie om een Europese procedure te ontwikkelen voor de identificatie van Europese kritieke infrastructuren (European Critical Infrastructures — „ECI’s”), de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak om de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren.

(5)

Deze richtlijn vormt de eerste stap in een stapsgewijze aanpak waarbij ECI’s worden geïdentificeerd, infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren worden aangemerkt en wordt beoordeeld of het nodig is de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren. Als zodanig is deze richtlijn toegespitst op de sectoren energie en vervoer; bij de evaluatie ervan moet een effectbeoordeling plaatsvinden en zal worden bezien of ook andere sectoren, zoals de sector informatie- en communicatietechnologie (hierna „ICT”), onder de richtlijn moeten vallen.

(6)

De primaire en eindverantwoordelijkheid voor de bescherming van ECI’s ligt uiteindelijk bij de lidstaten en de eigenaren/exploitanten van dergelijke infrastructuren.

(7)

Ontwrichting of vernietiging van bepaalde kritieke infrastructuren in de Gemeenschap zou aanzienlijke grensoverschrijdende gevolgen hebben. Het kan daarbij met name gaan om grensoverschrijdende, sectoroverstijgende effecten die het gevolg zijn van interdependenties tussen onderling gekoppelde infrastructuren. Om dergelijke ECI’s te identificeren en als zodanig aan te merken, dient gebruik te worden gemaakt van een gemeenschappelijke procedure. De evaluatie van de beveiligingseisen die aan dergelijke infrastructuren worden gesteld, moet op een gemeenschappelijke minimumaanpak gestoeld zijn. Bilaterale programma’s voor samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de bescherming van kritieke infrastructuur zijn een probaat en efficiënt middel tot bescherming van grensoverschrijdende kritieke infrastructuren gebleken. EPCIP moet op een dergelijke samenwerking worden gebaseerd. Informatie omtrent het aanmerken van een bepaalde infrastructuur als een ECI moet overeenkomstig de toepasselijke communautaire en nationale wetgeving op een passend niveau worden gerubriceerd.

(8)

Aangezien verschillende sectoren beschikken over specifieke ervaring en deskundigheid op het gebied van de bescherming van kritieke infrastructuur en specifieke behoeften op dat gebied hebben, moet een communautaire aanpak van de bescherming van kritieke infrastructuur worden ontwikkeld en ten uitvoer gelegd met inachtneming van de specifieke kenmerken van elke sector en van de in elke sector bestaande maatregelen, waaronder die welke reeds op Gemeenschapsniveau en op nationaal en regionaal niveau bestaan, en in voorkomend geval met inachtneming van reeds bestaande grensoverschrijdende overeenkomsten inzake wederzijdse bijstandsverlening tussen eigenaren/exploitanten van kritieke infrastructuren. Aangezien de particuliere sector een zeer belangrijke rol speelt bij het risicotoezicht, het risicobeheer, de bedrijfscontinuïteitsplanning en het herstel na rampen moet een communautaire aanpak tot volledige inschakeling van de particuliere sector aanmoedigen.

(9)

Wat de energiesector betreft, en meer bepaald de wijze van elektriciteitsproductie en -transmissie (met het oog op de elektriciteitsvoorziening), kan, waar zulks passend geacht wordt, elektriciteitsproductie ook de transmissieonderdelen van kerncentrales omvatten, maar niet de specifiek nucleaire elementen die vallen onder de vigerende nucleaire wetgeving, met inbegrip van verdragen en de communautaire wetgeving.

(10)

Deze richtlijn vult op het niveau van de Gemeenschap en in de lidstaten bestaande sectorspecifieke maatregelen aan. Waar op het niveau van de Gemeenschap reeds mechanismen bestaan, moeten deze verder worden gebruikt en zullen deze tot de volledige uitvoering van deze richtlijn bijdragen. Er moet worden voorkomen dat er doublures zijn tussen de verschillende besluiten of bepalingen, of dat deze tegenstrijdigheden bevatten.

(11)

Alle als ECI’s aangemerkte infrastructuren moeten beschikken over beveiligingsplannen van de exploitant (Operator Security Plans — „OSP’s”) of over vergelijkbare maatregelen, bestaande uit een inventaris van belangrijke voorzieningen, een risicobeoordeling en de inventarisatie, selectie en prioritering van tegenmaatregelen en procedures. Om onnodig werk en dubbel werk te vermijden, moet elke lidstaat eerst nagaan of de eigenaars/exploitanten van als ECI’s aangemerkte infrastructuren over relevante OSP’s of vergelijkbare maatregelen beschikken. Bestaan dergelijke plannen niet, dan moeten de lidstaten het nodige doen om ervoor te zorgen dat passende maatregelen worden genomen. Het is aan elke lidstaat zelf om te besluiten over de meest geschikte wijze van handelen voor het opstellen van OSP’s.

(12)

Maatregelen, beginselen of richtsnoeren, inclusief communautaire maatregelen evenals bilaterale en/of multilaterale samenwerkingsprogramma’s die het beschikken over een plan dat gelijksoortig of gelijkwaardig is aan het OSP of over een veiligheidsverbindingsfunctionaris of een gelijkwaardige functionaris voorschrijven, moeten worden geacht te voldoen aan de eisen van deze richtlijn in verband met het OSP, respectievelijk in verband met de veiligheidsverbindingsfunctionaris.

(13)

Voor alle als ECI aangemerkte infrastructuur moet een veiligheidsverbindingsfunctionaris worden aangewezen teneinde de samenwerking en de communicatie met de relevante nationale autoriteiten voor de bescherming van kritieke infrastructuur te vergemakkelijken. Om onnodig en dubbel werk te vermijden, moeten de lidstaten eerst nagaan of de eigenaars/exploitanten van als ECI’s aangemerkte infrastructuren reeds over een veiligheidsverbindingsfunctionaris of een gelijkwaardige functionaris beschikken. Is er geen veiligheidsverbindingsfunctionaris, dan moet elke lidstaat het nodige doen om ervoor te zorgen dat passende maatregelen worden genomen. Het is aan elke lidstaat zelf om te besluiten over de meest geschikte wijze voor het aanwijzen van veiligheidsverbindingsfunctionarissen.

(14)

Een efficiënte identificatie van risico’s, dreigingen en kwetsbaarheden in specifieke sectoren vergt communicatie zowel tussen de eigenaren/exploitanten van ECI’s en de lidstaten als tussen de lidstaten en de Commissie. Elke lidstaat dient informatie te verzamelen over ECI’s die zich op zijn grondgebied bevinden. De Commissie dient van de lidstaten algemene informatie te ontvangen over risico’s, dreigingen en kwetsbaarheden in sectoren waarin ECI’s zijn geïdentificeerd, inclusief, in voorkomend geval, informatie over mogelijke verbeteringen in de ECI’s en sectoroverstijgende afhankelijkheden. Waar nodig kan deze informatie de basis vormen voor het uitwerken van specifieke voorstellen door de Commissie over de verbetering van de bescherming van ECI’s.

(15)

Om verbeteringen in de bescherming van ECI’s gemakkelijker te maken, kunnen gemeenschappelijke methoden worden ontwikkeld voor de identificatie en classificatie van met betrekking tot infrastructuurvoorzieningen bestaande risico’s, dreigingen en kwetsbaarheden.

(16)

Eigenaren/exploitanten van ECI’s dienen voornamelijk via de relevante instanties van de lidstaten toegang te krijgen tot beproefde praktijken en methoden ter bescherming van kritieke infrastructuur.

(17)

Voor een doeltreffende bescherming van ECI’s is communicatie, coördinatie en samenwerking op nationaal niveau en op Gemeenschapsniveau vereist. Dit wordt het best verwezenlijkt door de aanwijzing in elke lidstaat van contactpunten voor de bescherming van ECI („ECIP-contactpunten”), die aangelegenheden in verband met de bescherming van kritieke infrastructuur zowel intern als met andere lidstaten en de Commissie moeten coördineren.

(18)

Teneinde activiteiten inzake de bescherming van Europese kritieke infrastructuur te ontwikkelen op gebieden die een geheimhoudingsgraad vergen, moet in het kader van deze richtlijn voor een coherente en veilige uitwisseling van informatie worden gezorgd. Het is belangrijk dat de geheimhoudingsvoorschriften volgens het nationaal recht of Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (3) in acht worden genomen met betrekking tot bepaalde gegevens over kritieke-infrastructuurvoorzieningen die gebruikt kunnen worden om plannen te maken en feiten te plegen welke onaanvaardbare gevolgen voor kritieke-infrastructuurinstallaties zouden hebben. Gerubriceerde informatie moet beschermd worden volgens de toepasselijke communautaire en nationale wetgeving. Elke lidstaat en de Commissie moeten de rubriceringsgraad in acht nemen die de opsteller van het document daaraan gegeven heeft.

(19)

Informatie over de bescherming van ECI’s moet worden uitgewisseld op basis van vertrouwen en beveiliging. De uitwisseling van informatie vereist een zodanige vertrouwensrelatie dat ondernemingen en organisaties weten dat hun gevoelige en vertrouwelijke gegevens voldoende beschermd zijn.

(20)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de instelling van een procedure voor de identificatie van ECI’s en voor de aanmerking van infrastructuren als ECI’s, alsmede de uitwerking van een gemeenschappelijke aanpak om te beoordelen of het nodig is de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(21)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn wordt een procedure ingesteld voor de identificatie van Europese kritieke infrastructuren („ECI’s”) en voor de aanmerking van infrastructuur als Europese kritieke infrastructuur, alsmede een gemeenschappelijke aanpak om te beoordelen of het nodig is de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren als bijdrage aan de bescherming van de mensen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

„kritieke infrastructuur”: een voorziening, systeem of een deel daarvan op het grondgebied van de lidstaten dat van essentieel belang is voor het behoud van vitale maatschappelijke functies, de gezondheid, de veiligheid, de beveiliging, de economische welvaart of het maatschappelijk welzijn, waarvan de verstoring of vernietiging in een lidstaat aanzienlijke gevolgen zou hebben doordat die functies ontregeld zouden raken;

b)

„Europese kritieke infrastructuur” of „ECI”: kritieke infrastructuur op het grondgebied van de lidstaten waarvan de verstoring of vernietiging aanzienlijke gevolgen in ten minste twee lidstaten zou hebben. Hoe aanzienlijk de gevolgen zijn, wordt beoordeeld naar sectoroverstijgende criteria. Dit omvat mede de effecten die het resultaat zijn van sectoroverstijgende afhankelijkheden van andere soorten infrastructuur;

c)

„risicoanalyse”: bestudering van relevante dreigingsscenario’s om de kwetsbaarheid en de mogelijke gevolgen van de verstoring of vernietiging van kritieke infrastructuur te beoordelen;

d)

„gevoelige informatie in verband met de bescherming van kritieke infrastructuur”: gegevens over kritieke infrastructuur die, wanneer zij openbaar worden gemaakt, zouden kunnen worden gebruikt om plannen te maken en feiten te plegen om kritieke-infrastructuurinstallaties te verstoren of te vernietigen;

e)

„bescherming”: alle activiteiten die tot doel hebben het functioneren, de continuïteit en de integriteit van kritieke infrastructuur te verzekeren ten einde een dreiging, risico of kwetsbaarheid af te wenden, te beperken of te neutraliseren;

f)

„eigenaar/exploitant van ECI’s”: entiteit die verantwoordelijk is voor investeringen in en/of voor de dagelijkse werking van een bepaalde voorziening, een bepaald systeem of een onderdeel daarvan die op grond van deze richtlijn als ECI is aangemerkt.

Artikel 3

Identificatie van ECI’s

1.   Elke lidstaat stelt, volgens de procedure van bijlage III, een inventaris op van mogelijke ECI’s die zowel aan de sectoroverstijgende als aan de sectorspecifieke criteria beantwoordt en voldoet aan de definities van artikel 2, onder a) en b).

De Commissie kan de lidstaten op hun verzoek bijstaan bij het inventariseren van mogelijke ECI’s.

De Commissie kan de aandacht van de desbetreffende lidstaten vestigen op het bestaan van mogelijke kritieke infrastructuren die kunnen worden geacht te voldoen aan de eisen voor aanmerking als een ECI.

De lidstaten en de Commissie zetten de inventarisatie van mogelijke ECI’s permanent voort.

2.   De in lid 1 bedoelde sectoroverstijgende criteria omvatten:

a)

het criterium van de slachtoffers (gemeten naar het mogelijke aantal doden en gewonden);

b)

het criterium van de economische gevolgen (gemeten naar de omvang van het economisch verlies en/of de kwaliteitsvermindering van producten of diensten, met inbegrip van de mogelijke gevolgen voor het milieu);

c)

het criterium van de gevolgen voor het publiek (gemeten naar de impact op het vertrouwen van de burgers, het fysieke lijden en de verstoring van het dagelijkse leven, met inbegrip van het uitvallen van essentiële diensten).

De voor de sectoroverstijgende criteria geldende drempels worden gebaseerd op de ernst van de gevolgen van de ontwrichting of vernietiging van een bepaalde infrastructuur. De precieze voor de sectoroverstijgende criteria geldende drempels worden per geval bepaald door de bij een welbepaalde kritieke infrastructuur betrokken lidstaten. Elke lidstaat stelt de Commissie jaarlijks in kennis van het aantal infrastructuurvoorzieningen per sector waarvoor overleg over de voor de sectoroverstijgende criteria geldende drempels heeft plaatsgevonden.

Bij de sectorspecifieke criteria wordt rekening gehouden met de kenmerken van de afzonderlijke sectoren met Europese kritieke infrastructuur.

De Commissie stelt, samen met de lidstaten, richtsnoeren op voor het toepassen van de sectoroverstijgende en de sectorspecifieke criteria en van de approximatieve drempels die bij het inventariseren van ECI’s moeten worden gehanteerd. De criteria worden gerubriceerd. Het gebruik van zulke richtsnoeren is facultatief voor de lidstaten.

3.   Voor de toepassing van deze richtlijn worden de sectoren energie en vervoer gekozen. De betreffende deelsectoren worden opgesomd in bijlage I.

Indien dit nodig wordt geacht kunnen, in samenhang met de evaluatie van deze richtlijn als bedoeld in artikel 11, nog andere sectoren worden geïdentificeerd voor de toepassing van deze richtlijn. Daarbij moet voorrang worden verleend aan de ICT-sector.

Artikel 4

Aanmerking als ECI’s

1.   Elke lidstaat stelt de overige lidstaten waarvoor een mogelijke ECI aanzienlijke gevolgen kan hebben, in kennis van het bestaan ervan en van de redenen waarom die infrastructuur als een mogelijke ECI is aangemerkt.

2.   Elke lidstaat op het grondgebied waarvan een mogelijke ECI gelegen is, treedt in bilateraal en/of multilateraal overleg met andere lidstaten waarvoor de mogelijke ECI aanzienlijke gevolgen kan hebben. De Commissie kan aan dat overleg deelnemen, maar heeft geen toegang tot informatie waarmee een bepaalde infrastructuur onmiskenbaar geïdentificeerd kan worden.

Een lidstaat die redenen heeft om aan te nemen dat de mogelijke ECI aanzienlijke gevolgen voor hem kan hebben, maar die niet als zodanig is aangeduid door de lidstaat op het grondgebied waarvan de mogelijke ECI is gelegen, kan bij de Commissie zijn wens kenbaar maken om bij het bilaterale en/of multilaterale overleg over deze kwestie te worden betrokken. De Commissie brengt de lidstaat op het grondgebied waarvan de mogelijke ECI is gelegen, onverwijld van die wens op de hoogte en tracht een akkoord tussen de partijen te vergemakkelijken.

3.   De lidstaat op het grondgebied waarvan een mogelijke ECI is gelegen, merkt die, na een akkoord tussen die lidstaat en de lidstaten waarvoor die infrastructuur aanzienlijke gevolgen kan hebben, aan als ECI.

Het is noodzakelijk dat de lidstaat op het grondgebied waarvan de infrastructuur gelegen is die moet worden aangemerkt als ECI, zijn instemming verleent.

4.   De lidstaat op het grondgebied waarvan een als ECI aangemerkte infrastructuur gelegen is, stelt de Commissie elk jaar in kennis van het aantal als ECI’s aangemerkte infrastructuurvoorzieningen per sector en het aantal lidstaten dat afhankelijk is van elke als ECI aangemerkte infrastructuur. Alleen de lidstaten waarvoor een ECI aanzienlijke gevolgen kan hebben, worden van het bestaan ervan in kennis gesteld.

5.   De lidstaten op het grondgebied waarvan een ECI is gelegen, stellen de eigenaar/exploitant van de infrastructuur in kennis van het feit dat deze infrastructuur als een ECI is aangemerkt. De informatie over het aanmerken van een infrastructuur als een ECI wordt op een passend niveau gerubriceerd.

6.   Het identificeren en aanmerken van ECI’s uit hoofde van artikel 3 en onderhavig artikel krijgt zijn beslag uiterlijk op 12 januari 2011, en wordt regelmatig geëvalueerd.

Artikel 5

Beveiligingsplannen van de exploitant

1.   In het beveiligingsplan van de exploitant („OSP”) wordt een overzicht gegeven van de kritieke-infrastructuurvoorzieningen van de ECI en van de beveiligingsoplossingen die bestaan of worden geïmplementeerd met het oog op de bescherming ervan. De minimale inhoud van een ECI-OSP wordt beschreven in bijlage II.

2.   Elke lidstaat gaat na of alle als ECI aangemerkte infrastructuur op zijn grondgebied beschikt over een OSP of over gelijkwaardige maatregelen die de in bijlage II vermelde punten bestrijken. Indien een lidstaat constateert dat er een dergelijk beveiligingsplan van de exploitant of een gelijkwaardig plan bestaat dat regelmatig wordt bijgewerkt, hoeven er geen verdere implementeringsmaatregelen te worden getroffen.

3.   Indien een lidstaat constateert dat er geen dergelijk OSP of gelijkwaardig plan is opgesteld, zorgt hij ervoor, met alle maatregelen die hij passend acht, dat een OSP of een gelijkwaardig plan wordt opgesteld dat de in bijlage II vermelde punten bestrijkt.

Elke lidstaat zorgt ervoor dat uiterlijk een jaar nadat de infrastructuur als ECI is aangemerkt, een beveiligingsplan van de exploitant of een gelijkwaardig plan is opgesteld en regelmatig wordt getoetst. Die termijn kan in uitzonderlijke omstandigheden met toestemming van de autoriteit van de lidstaat en met kennisgeving aan de Commissie worden verlengd.

4.   Dit artikel laat reeds bestaande regelingen voor toezicht en supervisie inzake ECI onverlet; de in die regelingen aangewezen toezichthouder is de in dit artikel bedoelde autoriteit van de lidstaat.

5.   Indien maatregelen, inclusief communautaire maatregelen, worden nageleefd die in een bepaalde sector een plan voorschrijven of gewag maken van de noodzaak te beschikken over een plan dat gelijksoortig of gelijkwaardig is aan een OSP, en supervisie door de relevante autoriteit ten aanzien van een dergelijk plan voorschrijven, dan worden alle aan de lidstaten gestelde eisen die in dit artikel worden genoemd of krachtens dit artikel worden vastgesteld, geacht te zijn nageleefd. De in artikel 3, lid 2, bedoelde toepassingsrichtsnoeren omvatten een indicatieve lijst van die maatregelen.

Artikel 6

Veiligheidsverbindingsfunctionarissen

1.   De veiligheidsverbindingsfunctionaris is het contactpunt voor veiligheidsaangelegenheden tussen de eigenaar/exploitant van de ECI en de relevante autoriteit van de lidstaat.

2.   Elke lidstaat gaat na of alle als ECI aangemerkte infrastructuur op zijn grondgebied over een veiligheidsverbindingsfunctionaris of een gelijkwaardige functionaris beschikt. Indien een lidstaat constateert dat er een dergelijke veiligheidsverbindingsfunctionaris of een gelijkwaardige functionaris bestaat, hoeven geen verdere implementeringsmaatregelen te worden getroffen.

3.   Indien een lidstaat constateert dat er voor een als ECI aangemerkte infrastructuur geen veiligheidsverbindingsfunctionaris of gelijkwaardige functionaris bestaat, zorgt hij ervoor, met alle maatregelen die hij passend acht, dat een dergelijke veiligheidsverbindingsfunctionaris of een gelijkwaardige functionaris wordt aangewezen.

4.   Elke lidstaat implementeert een passend communicatiemechanisme tussen de relevante autoriteit van de lidstaat en de veiligheidsverbindingsfunctionaris of een gelijkwaardige functionaris voor de uitwisseling van informatie over vastgestelde risico’s en dreigingen in verband met de betrokken ECI. Dit communicatiemechanisme laat de nationale voorschriften aangaande de toegang tot gevoelige en gerubriceerde informatie onverlet.

5.   Indien maatregelen, inclusief communautaire maatregelen, worden nageleefd die in een bepaalde sector een veiligheidsverbindingsfunctionaris of een gelijkwaardige functionaris voorschrijven, of gewag maken van de noodzaak te beschikken over een dergelijke functionaris, dan worden alle aan de lidstaten gestelde eisen die in dit artikel worden genoemd of uit hoofde van dit artikel worden vastgesteld, geacht te zijn nageleefd. De in artikel 3, lid 2, bedoelde toepassingsrichtsnoeren omvatten een indicatieve lijst van die maatregelen.

Artikel 7

Verslagen

1.   Elke lidstaat verricht binnen één jaar nadat op zijn grondgebied kritieke infrastructuur binnen deelsectoren als ECI is aangemerkt, een dreigingsanalyse met betrekking tot deze deelsectoren van de ECI.

2.   Elke lidstaat zendt de Commissie om de twee jaar algemene informatie toe op basis van een beknopt verslag over de soorten risico’s, dreigingen en kwetsbaarheden die zich hebben voorgedaan voor iedere sector van ECI waarin uit hoofde van artikel 4 een ECI is aangemerkt die op zijn grondgebied gelegen is.

De Commissie kan in samenwerking met de lidstaten een gemeenschappelijk model voor deze verslagen uitwerken

Elk verslag wordt gerubriceerd op het niveau dat door de lidstaat die het heeft opgesteld, nodig geacht wordt.

3.   De Commissie en de lidstaten gaan aan de hand van de in lid 2 bedoelde verslagen per sector na of er voor de ECI’s verdere beschermingsmaatregelen op Gemeenschapsniveau overwogen moeten worden. Dit gebeurt in samenhang met de evaluatie van deze richtlijn als bedoeld in artikel 11.

4.   De Commissie kan in samenwerking met de lidstaten gemeenschappelijke methodologische richtsnoeren uitwerken voor risicoanalysen met betrekking tot ECI’s. De toepassing van die richtsnoeren is facultatief voor de lidstaten.

Artikel 8

Door de Commissie verleende ondersteuning voor ECI’s

De Commissie ondersteunt, via de relevante autoriteit van de lidstaat, de eigenaren/exploitanten van als ECI’s aangemerkte infrastructuren door het toegankelijk maken van beste praktijken en beproefde methoden en door het ondersteunen van scholing en de uitwisseling van informatie over nieuwe technologische ontwikkelingen in verband met de bescherming van kritieke infrastructuur.

Artikel 9

Gevoelige informatie in verband met de bescherming van ECI

1.   Personen die namens een lidstaat of de Commissie omgaan met gerubriceerde informatie uit hoofde van deze richtlijn, moeten een passend veiligheidsniveau hebben.

De lidstaten, de Commissie en de betrokken toezichthoudende instanties zien erop toe dat aan de lidstaten of aan de Commissie verstrekte gevoelige informatie in verband met de bescherming van ECI niet voor enig ander doel dan de bescherming van kritieke infrastructuur wordt gebruikt.

2.   Dit artikel is ook van toepassing op niet-schriftelijke informatie die uitgewisseld wordt tijdens vergaderingen waarin gevoelige onderwerpen besproken worden.

Artikel 10

Contactpunten voor de bescherming van ECI

1.   Elke lidstaat wijst een contactpunt voor de bescherming van ECI aan (ECIP-contactpunten).

2.   ECIP-contactpunten coördineren aangelegenheden in verband met de bescherming van ECI binnen de lidstaat, met andere lidstaten en met de Commissie. De aanwijzing van een ECIP-contactpunt sluit niet uit dat andere autoriteiten in een lidstaat bij aangelegenheden in verband met de bescherming van ECI worden betrokken.

Artikel 11

Evaluatie

Vanaf uiterlijk 12 januari 2012 begint een evaluatie van deze richtlijn.

Artikel 12

Uitvoering

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om uiterlijk op 12 januari 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis en delen haar de tekst van die maatregelen mee, alsmede de samenhang daarvan met deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 14

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 december 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

B. KOUCHNER


(1)  Advies uitgebracht op 10 juli 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 116 van 26.5.2007, blz. 1.

(3)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.


BIJLAGE I

Lijst van ECI-sectoren

Sector

Deelsector

I

Energie

1.

Elektriciteit

Infrastructuren en voorzieningen voor elektriciteitsproductie en -transmissie, met het oog op elektriciteitsvoorziening

2.

Aardolie

Aardolieproductie, -raffinage, -behandeling, -opslag en -transmissie via pijpleidingen

3.

Gas

Gasproductie, -raffinage, -behandeling, -opslag en -transmissie via pijpleidingen

Terminals voor vloeibaar aardgas (LNG)

II

Vervoer