ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 339

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
18 december 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 1273/2008 van de Commissie van 17 december 2008 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1274/2008 van de Commissie van 17 december 2008 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Accounting Standard (IAS) 1 betreft ( 1 )

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1275/2008 van de Commissie van 17 december 2008 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft voorschriften inzake ecologisch ontwerp voor het elektriciteitsverbruik van elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparatuur in de stand by-stand en de uit-stand ( 1 )

45

 

*

Verordening (EG) nr. 1276/2008 van de Commissie van 17 december 2008 inzake de controle aan de hand van fysieke controles bij de uitvoer van landbouwproducten waarvoor restituties of andere bedragen worden toegekend

53

 

*

Verordening (EG) nr. 1277/2008 van de Commissie van 17 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1580/2007 met betrekking tot de drempelvolumen voor de toepassing van de aanvullende rechten voor peren, citroenen, appelen en courgettes

76

 

*

Verordening (EG) nr. 1278/2008 van de Commissie van 17 december 2008 tot vaststelling van noodmaatregelen ter ondersteuning van de varkensvleesmarkt in Ierland in de vorm van steun voor de particuliere opslag

78

 

 

Verordening (EG) nr. 1279/2008 van de Commissie van 17 december 2008 inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 1399/2007 geopende tariefcontingent voor de invoer van worst en bepaalde vleesproducten van oorsprong uit Zwitserland

82

 

 

Verordening (EG) nr. 1280/2008 van de Commissie van 17 december 2008 inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 1382/2007 geopende tariefcontingent zijn ingediend voor varkensvlees

83

 

 

Verordening (EG) nr. 1281/2008 van de Commissie van 17 december 2008 inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 812/2007 geopende tariefcontingent voor varkensvlees

84

 

 

Verordening (EG) nr. 1282/2008 van de Commissie van 17 december 2008 inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 979/2007 geopende tariefcontingent voor varkensvlees

85

 

 

Verordening (EG) nr. 1283/2008 van de Commissie van 17 december 2008 inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 zijn ingediend in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 806/2007 geopende tariefcontingenten voor varkensvlees

86

 

 

Verordening (EG) nr. 1284/2008 van de Commissie van 17 december 2008 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt voor de afgifte van in de periode van 8 tot en met 12 december 2008 aangevraagde certificaten voor de invoer van producten van de sector suiker in het kader van de tariefcontingenten en preferentiële overeenkomsten

88

 

 

IV   Andere besluiten

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

 

Gemengd Comité van de EER

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 110/2008 van 5 november 2008 tot wijziging van Protocol 32 bij de EER-overeenkomst betreffende de financiële bepalingen voor de tenuitvoerlegging van artikel 82

93

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 111/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage I (Veterinaire en fytosanitaire aangelegenheden) bij de EER-overeenkomst

98

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 112/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst

100

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 113/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage VI (Sociale zekerheid) bij de EER-overeenkomst

102

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 114/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) en bijlage XIX (Consumentenbescherming) bij de EER-overeenkomst

103

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 115/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XI (Telecommunicatiediensten) bij de EER-overeenkomst

105

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 116/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst

106

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 117/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst

108

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 118/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst

109

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 119/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst

110

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 120/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XV (Staatssteun) bij de EER-overeenkomst

111

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 121/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst

113

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 122/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst

114

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 123/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XXI (Statistiek) bij de EER-overeenkomst

115

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 124/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XXI (Statistiek) bij de EER-overeenkomst

117

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 125/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XXI (Statistiek) bij de EER-overeenkomst

118

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 126/2008 van 7 november 2008 tot wijziging van bijlage XXI (Statistiek) bij de EER-overeenkomst

119

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/1


VERORDENING (EG) Nr. 1273/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 18 december 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

CR

110,3

MA

83,1

TR

72,4

ZZ

88,6

0707 00 05

JO

167,2

MA

51,5

TR

133,9

ZZ

117,5

0709 90 70

MA

112,5

TR

140,3

ZZ

126,4

0805 10 20

AR

17,0

BR

44,6

CL

52,1

EG

51,1

MA

72,8

TR

46,9

UY

30,6

ZA

42,3

ZZ

44,7

0805 20 10

MA

72,5

TR

64,0

ZZ

68,3

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

CN

49,3

HR

54,2

IL

75,7

TR

52,3

ZZ

57,9

0805 50 10

MA

64,0

TR

53,6

ZZ

58,8

0808 10 80

CA

82,7

CN

84,2

MK

34,6

US

103,1

ZA

118,0

ZZ

84,5

0808 20 50

CN

61,6

TR

104,0

US

122,0

ZZ

95,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/3


VERORDENING (EG) Nr. 1274/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Accounting Standard (IAS) 1 betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name op artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 (2) van de Commissie werd een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd.

(2)

Op 6 september 2007 heeft de International Accounting Standards Board (IASB) een herziene versie van International Accounting Standard (IAS) 1 Presentatie van de jaarrekening (hierna „herziene IAS 1” genoemd) gepubliceerd. De herziene IAS 1 wijzigt een aantal vereisten voor de presentatie van de jaarrekening en vereist in sommige gevallen aanvullende informatie; hij wijzigt ook enkele andere IAS-standaarden. De herziene IAS 1 vervangt International Accounting Standard (IAS) 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2003), zoals gewijzigd in 2005.

(3)

Overleg met de werkgroep van technische deskundigen van EFRAG (European Financial Reporting Advisory Group) heeft bevestigd dat de herziene IAS 1 beantwoordt aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vervatte technische goedkeuringscriteria. Overeenkomstig Besluit 2006/505/EG van de Commissie van 14 juli 2006 tot oprichting van een werkgroep voor de beoordeling van adviezen over verslaggevingsstandaarden om de Commissie van advies te dienen over de objectiviteit en neutraliteit van de adviezen van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) (3), heeft de werkgroep voor de beoordeling van adviezen over verslaggevingsstandaarden dit advies van de EFRAG bekeken en de Commissie meegedeeld dat het evenwichtig en objectief is.

(4)

Verordening (EG) nr. 1126/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt International Accounting Standard (IAS) 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2003), zoals gewijzigd in 2005, vervangen door de in de bijlage bij deze verordening opgenomen International Accounting Standard (IAS) 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007).

Artikel 2

Elke onderneming past de in de bijlage bij deze verordening opgenomen IAS 1 (herziene versie van 2007) toe uiterlijk vanaf de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat na 31 december 2008 van start gaat.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie


(1)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1.

(3)  PB L 199 van 21.7.2006, blz. 33.


BIJLAGE

INTERNATIONALE STANDAARDEN VOOR JAARREKENINGEN

IAS 1

„IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)”

Reproductie toegestaan binnen de Europese Economische Ruimte. Alle bestaande rechten voorbehouden buiten de EER, met uitzondering van het recht van reproductie voor persoonlijk of ander eerlijk gebruik. Nadere inlichtingen te verkrijgen bij de IASB op het volgende adres: www.iasb.org

INTERNATIONAL ACCOUNTING STANDARD 1

Presentatie van de jaarrekening

DOEL

1

Het doel van deze standaard is de grondslag voor te schrijven voor de presentatie van jaarrekeningen voor algemene doeleinden, teneinde vergelijkingen mogelijk te maken, zowel met de jaarrekeningen van de entiteit over vorige perioden als met de jaarrekeningen van andere entiteiten. In deze standaard worden algemene vereisten voor de presentatie van jaarrekeningen, leidraden voor hun structuur en minimumvereisten voor hun inhoud uiteengezet.

TOEPASSINGSGEBIED

2

Een entiteit moet deze standaard toepassen bij de opstelling en presentatie van jaarrekeningen voor algemene doeleinden overeenkomstig de International Financial Reporting Standards (IFRSs).

3

Andere IFRSs bevatten voorschriften met betrekking tot de opname en waardering van en de informatieverschaffing over specifieke transacties en andere gebeurtenissen.

4

Deze standaard is niet van toepassing op de structuur en inhoud van verkorte tussentijdse financiële overzichten die overeenkomstig IAS 34 Tussentijdse financiële verslaggeving zijn opgesteld. De alinea's 15 tot en met 35 zijn echter wel op deze financiële overzichten van toepassing. Deze standaard geldt in gelijke mate voor alle entiteiten, met inbegrip van entiteiten die een geconsolideerde jaarrekening en die welke een enkelvoudige jaarrekening presenteren zoals gedefinieerd in IAS 27 Geconsolideerde jaarrekening en enkelvoudige jaarrekening.

5

Deze standaard maakt gebruik van terminologie die geschikt is voor entiteiten met winstoogmerk, met inbegrip van bedrijfsactiviteiten in de publieke sector. Indien entiteiten met bedrijfsactiviteiten zonder winstoogmerk in de private of publieke sector deze standaard toepassen, zullen ze mogelijk de beschrijvingen moeten aanpassen die voor bepaalde posten in de jaarrekening en voor de jaarrekening zelf worden gehanteerd.

6

Ook entiteiten die niet over eigen vermogen beschikken zoals gedefinieerd in IAS 32 Financiële instrumenten: presentatie (bijvoorbeeld sommige beleggingsfondsen) en entiteiten met een aandelenkapitaal dat geen eigen vermogen is (bijvoorbeeld coöperatieve entiteiten) zullen mogelijk de presentatie in de jaarrekening van de belangen van leden of deelnemers moeten aanpassen.

DEFINITIES

7

De volgende begrippen worden in deze standaard gebruikt met de hierna omschreven betekenis:

Jaarrekeningen voor algemene doeleinden (hierna aangeduid als „jaarrekeningen”) zijn jaarrekeningen die bedoeld zijn om te voldoen aan de behoeften van gebruikers die zich niet in een positie bevinden om rapporten op maat aan te vragen die volgens hun specifieke informatiebehoeften zijn opgesteld.

Praktisch niet haalbaar De toepassing van een vereiste is praktisch niet haalbaar wanneer de entiteit de vereiste niet kan toepassen na alle redelijke inspanningen daartoe te hebben gedaan.

International Financial Reporting Standards (IFRSs) zijn standaarden en interpretaties die door de International Accounting Standards Board (IASB) zijn goedgekeurd. Deze bestaan uit:

(a)

International Financial Reporting Standards;

(b)

International Accounting Standards; en

(c)

Interpretaties afkomstig van het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC) of het voormalige Standing Interpretations Committee (SIC).

Materieel belang Het weglaten of onjuist weergeven van posten is van materieel belang indien de weglating of onjuiste weergave, afzonderlijk of gezamenlijk, de economische beslissingen die gebruikers op basis van de jaarrekening nemen, zou kunnen beïnvloeden. De materialiteit is afhankelijk van de omvang en aard van de weglating of de onjuiste weergave, en wordt beoordeeld op basis van de omstandigheden die zich voordoen. De omvang of aard van de post, of een combinatie van beide, kan de beslissende factor vormen.

Bij de beoordeling of een weglating of onjuiste weergave invloed zou kunnen hebben op economische beslissingen van gebruikers, en daardoor van materieel belang zou zijn, moet rekening worden gehouden met de kenmerken van deze gebruikers. Het Raamwerk voor de opstelling en presentatie van jaarrekeningen vermeldt in alinea 25 dat „gebruikers geacht worden een redelijke kennis te bezitten van het bedrijfsleven, van economische activiteiten, evenals van verslaggeving, en bereid te zijn de informatie met een redelijke mate van toewijding te bestuderen”. Daarom moet bij de beoordeling rekening worden gehouden met de mate waarin redelijkerwijs verwacht kan worden dat gebruikers die aan deze omschrijving voldoen, beïnvloed kunnen worden bij het nemen van hun economische beslissingen.

De toelichting bevat extra informatie over de balans, het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd), het mutatieoverzicht van het eigen vermogen en het kasstroomoverzicht. In de toelichting worden beschrijvingen of uitsplitsingen verstrekt van posten die in deze overzichten zijn gepresenteerd, en informatie over posten die niet in aanmerking komen voor opname in deze overzichten.

Niet-gerealiseerde resultaten omvatten baten en lasten (met inbegrip van herclassificatieaanpassingen) die niet in winst of verlies worden opgenomen zoals door andere IFRSs vereist of toegestaan.

Niet-gerealiseerde resultaten bestaan uit de volgende componenten:

(a)

wijzigingen in herwaarderingsreserves (zie IAS 16 Materiële vaste activa en IAS 38 Immateriële activa);

(b)

actuariële winsten en verliezen op toegezegd-pensioenregelingen opgenomen in overeenstemming met alinea 93A van IAS 19 Personeelsbeloningen;

(c)

winsten en verliezen die voortvloeien uit de omrekening van de jaarrekening van een buitenlandse activiteit (zie IAS 21 De gevolgen van wisselkoerswijzigingen);

(d)

winsten en verliezen op herwaarderingen van voor verkoop beschikbare financiële activa (zie IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering);

(e)

het effectieve deel van winsten en verliezen op afdekkingsinstrumenten in een kasstroomafdekking (zie IAS 39).

Eigenaars zijn houders van als eigen vermogen geclassificeerde instrumenten.

Winst of verlies is het totaal van de baten minus de lasten, exclusief de componenten van niet-gerealiseerde resultaten.

Herclassificatieaanpassingen zijn bedragen die werden geherclassificeerd naar de winst of het verlies in de lopende periode en die in de lopende of vorige perioden werden opgenomen in niet-gerealiseerde resultaten.

Het totaal van de gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten is de vermogensmutatie tijdens een periode die voortvloeit uit transacties en andere gebeurtenissen, met uitzondering van mutaties die voortvloeien uit transacties met eigenaars in hun hoedanigheid van eigenaars.

Gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten omvatten alle componenten van „winst of verlies” en „niet-gerealiseerde resultaten”.

8

Hoewel in deze standaard de termen „niet-gerealiseerde resultaten”, „winst of verlies” en „gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten” worden gebruikt, mag een entiteit andere termen gebruiken mits de betekenis ervan duidelijk is. Een entiteit mag bijvoorbeeld de term „nettoresultaat” gebruiken om winst of verlies te beschrijven.

JAARREKENING

Doel van de jaarrekening

9

Een jaarrekening is een gestructureerde representatie van de financiële positie en financiële prestaties van een entiteit. Het doel van de jaarrekening bestaat erin informatie te verschaffen over de financiële positie, financiële prestaties en kasstromen van een entiteit die voor een groot aantal gebruikers nuttig is voor het nemen van economische beslissingen. De jaarrekening toont ook de resultaten van het door het management gevoerde beheer van de aan het management toevertrouwde middelen. Om dit doel te bereiken, verschaft een jaarrekening informatie over de volgende componenten van een entiteit:

(a)

activa;

(b)

verplichtingen;

(c)

eigen vermogen;

(d)

baten en lasten, met inbegrip van winsten en verliezen;

(e)

bijdragen door en uitkeringen aan eigenaars in hun hoedanigheid van eigenaars; en

(f)

kasstromen.

Deze informatie vormt samen met andere informatie in de toelichting een hulpmiddel voor gebruikers van jaarrekeningen om voorspellingen te doen over de toekomstige kasstromen van een entiteit en met name over de tijdstippen waarop en de zekerheid waarmee die kasstromen zich zullen voordoen.

Volledige jaarrekening

10

Een volledige jaarrekening bestaat uit:

(a)

een balans aan het eind van de periode;

(b)

een overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten over de periode;

(c)

een mutatieoverzicht van het eigen vermogen over de periode;

(d)

een kasstroomoverzicht over de periode;

(e)

de toelichting, bestaande uit een overzicht van de belangrijkste gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen; en

(f)

een balans aan het begin van de vroegste vergelijkende periode indien een entiteit een grondslag voor financiële verslaggeving retroactief toepast, posten in haar jaarrekening retroactief aanpast of posten in haar jaarrekening herclassificeert.

Een entiteit mag voor de overzichten andere namen gebruiken dan die welke in deze standaard worden gebruikt.

11

Een entiteit moet alle financiële overzichten even duidelijk in een volledige jaarrekening presenteren.

12

Zoals toegestaan op grond van alinea 81 mag een entiteit de componenten van winst of verlies presenteren als deel van één overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten of in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening. Wanneer een winst-en-verliesrekening wordt gepresenteerd, maakt deze deel uit van een volledige jaarrekening en moet ze onmiddellijk vóór het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten worden gepresenteerd.

13

Veel entiteiten presenteren naast de jaarrekening ook een financieel commentaar door het management dat de belangrijkste aspecten van de financiële prestaties en de financiële positie van een entiteit beschrijft en toelicht, alsook de voornaamste onzekerheden waarmee de entiteit wordt geconfronteerd. Een dergelijk verslag kan de volgende elementen bevatten:

(a)

een overzicht van de belangrijkste factoren en invloeden die bepalend zijn voor de financiële prestaties, met inbegrip van wijzigingen in de omgeving waarin de entiteit opereert, de manier waarop de entiteit op dergelijke wijzigingen reageert en de gevolgen daarvan, alsmede het investeringsbeleid van de entiteit om de financiële prestaties te handhaven en te verbeteren, inclusief haar dividendbeleid;

(b)

de financieringsbronnen van de entiteit en de beoogde solvabiliteit; en

(c)

de overeenkomstig de IFRSs niet in de balans opgenomen middelen van de entiteit.

14

Veel entiteiten presenteren naast de jaarrekening ook rapporten en overzichten zoals milieurapporten en overzichten van de toegevoegde waarde, voornamelijk in sectoren waar milieufactoren een belangrijke rol spelen en waar werknemers als een belangrijke gebruikersgroep worden beschouwd. Rapporten en overzichten die naast de jaarrekening worden gepresenteerd, vallen buiten het toepassingsgebied van de IFRSs.

Algemene kenmerken

Getrouw beeld en naleving van de IFRSs

15

Een jaarrekening moet een getrouw beeld geven van de financiële positie, de financiële prestaties en de kasstromen van een entiteit. Een getrouw beeld vereist een getrouwe weergave van de gevolgen van transacties, andere gebeurtenissen en omstandigheden overeenkomstig de in het Raamwerk uiteengezette definities en opnamecriteria voor activa, verplichtingen, baten en lasten. De toepassing van de IFRSs, met waar nodig aanvullende informatie, wordt geacht te leiden tot een jaarrekening die een getrouw beeld geeft.

16

Een entiteit waarvan de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de IFRSs moet in de toelichting een expliciete en onvoorwaardelijke verklaring van overeenstemming met de IFRSs opnemen. Een entiteit mag haar jaarrekening niet beschrijven als zijnde in overeenstemming met de IFRSs tenzij die jaarrekening voldoet aan alle vereisten van de IFRSs.

17

In vrijwel alle omstandigheden wordt een getrouw beeld verkregen door naleving van de toepasselijke IFRSs. Om een getrouw beeld te bereiken, moet een entiteit tevens:

(a)

in overeenstemming met IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten grondslagen voor financiële verslaggeving kiezen en toepassen. IAS 8 bevat een rangorde van gezaghebbende leidraden waarmee het management rekening houdt indien een IFRS die specifiek op een post van toepassing is, ontbreekt.

(b)

informatie, waaronder grondslagen voor financiële verslaggeving, op zodanige wijze presenteren dat deze relevant, betrouwbaar, vergelijkbaar en begrijpelijk is;

(c)

aanvullende toelichtingen verschaffen ingeval de naleving van de specifieke vereisten in de IFRSs ontoereikend is om gebruikers een duidelijk inzicht te verschaffen in de gevolgen van bepaalde transacties, andere gebeurtenissen en omstandigheden voor de financiële positie en de financiële prestaties van de entiteit.

18

Een entiteit kan onjuiste grondslagen voor financiële verslaggeving niet rechtvaardigen door de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving te vermelden of door toelichtingen of ander verklarend materiaal te verstrekken.

19

In de uitzonderlijke omstandigheden waarin het management tot de conclusie komt dat de naleving van een vereiste in een IFRS dermate misleidend zou zijn dat dit in strijd zou zijn met het doel van de jaarrekening zoals dat in het Raamwerk is uiteengezet, moet de entiteit op de in alinea 20 uiteengezette wijze van die vereiste afwijken indien de relevante regelgeving een dusdanige afwijking vereist of niet verbiedt.

20

Indien een entiteit overeenkomstig alinea 19 afwijkt van een vereiste van een IFRS, moet zij vermelden:

(a)

dat het management heeft besloten dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de financiële positie, de financiële prestaties en de kasstromen van de entiteit;

(b)

dat zij de toepasselijke IFRSs heeft nageleefd, maar dat een bepaalde vereiste niet is nageleefd teneinde een getrouw beeld te bewerkstelligen;

(c)

de naam van de IFRS waarvan de entiteit is afgeweken, de aard van de afwijking met vermelding van de verwerkingswijze die de IFRS vereist, de reden waarom een dergelijke verwerkingswijze in de gegeven omstandigheden dermate misleidend zou zijn dat deze in strijd zou zijn met het doel van de jaarrekening zoals dat in het Raamwerk is uiteengezet, en de gehanteerde verwerkingswijze; en

(d)

voor elke verslagperiode, de financiële impact van de afwijking op iedere post in de jaarrekening zoals die bij naleving van de vereiste in de jaarrekening zou zijn gerapporteerd.

21

Als een entiteit in een vorige periode is afgeweken van een vereiste in een IFRS en die afwijking gevolgen heeft voor de bedragen die in de jaarrekening over de lopende periode zijn opgenomen, moet zij de informatie verstrekken die in alinea's 20 (c) en (d) is vermeld.

22

Alinea 21 is bijvoorbeeld van toepassing als een entiteit in een vorige periode is afgeweken van een vereiste in een IFRS voor de waardering van activa of verplichtingen en die afwijking invloed heeft op de waardering van veranderingen in activa en verplichtingen die in de jaarrekening over de lopende periode zijn opgenomen.

23

In de uitzonderlijke omstandigheden waarin het management tot de conclusie komt dat de naleving van een vereiste in een IFRS dermate misleidend zou zijn dat dit in strijd zou zijn met het doel van de jaarrekening zoals dat in het Raamwerk is uiteengezet, maar de relevante regelgeving de afwijking van die vereiste verbiedt, moet de entiteit de waargenomen misleidende aspecten van de naleving tot een minimum beperken door de volgende informatie te verstrekken:

(a)

de naam van de IFRS in kwestie, de aard van de vereiste, de reden waarom het management tot de conclusie is gekomen dat de naleving van die vereiste in de gegeven omstandigheden dermate misleidend is dat dit in strijd is met het doel van de jaarrekening zoals dat in het Raamwerk is uiteengezet; en

(b)

voor elke verslagperiode, de door het management noodzakelijk geachte aanpassingen van de posten in de jaarrekening om een getrouw beeld te bewerkstelligen.

24

In de context van alinea's 19 tot en met 23 zou een informatiepost in strijd zijn met het doel van de jaarrekening als hij geen getrouw beeld geeft van de transacties en van andere gebeurtenissen en omstandigheden die hij ofwel voorgeeft weer te geven, ofwel in redelijkheid verwacht mag worden weer te geven, en het dientengevolge waarschijnlijk is dat de economische beslissingen genomen door gebruikers van jaarrekeningen zullen worden beïnvloed. Bij het beoordelen of de naleving van een specifieke vereiste in een IFRS dermate misleidend zou zijn dat dit in strijd zou zijn met het doel van de jaarrekening zoals dat in het Raamwerk is uiteengezet, neemt het management in overweging:

(a)

waarom het doel van de jaarrekening in de gegeven omstandigheden niet wordt bereikt; en

(b)

hoe de omstandigheden van de entiteit verschillen van die van andere entiteiten die de vereiste wel naleven. Indien andere entiteiten in soortgelijke omstandigheden de vereiste naleven, dan bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat de naleving van de vereiste door de entiteit niet dermate misleidend zou zijn dat dit in strijd zou zijn met het doel van de jaarrekening zoals dat in het Raamwerk is uiteengezet.

Het continuïteitsbeginsel

25

Bij de opstelling van de jaarrekening moet het management zich een oordeel vormen over het vermogen van de entiteit om haar continuïteit te waarborgen. Een entiteit moet haar jaarrekening opstellen in de veronderstelling dat de continuïteit van de entiteit gewaarborgd is, tenzij het management voornemens is om de entiteit te vereffenen of om haar activiteiten stop te zetten, of als er geen realistisch alternatief bestaat. Als het management tijdens zijn beoordeling weet heeft van materiële onzekerheden die verband houden met gebeurtenissen of omstandigheden die aanzienlijke twijfel doen rijzen over het vermogen van de entiteit om haar continuïteit te waarborgen, moet de entiteit die onzekerheden vermelden. Als een entiteit haar jaarrekening niet opstelt in de veronderstelling dat de continuïteit van de entiteit gewaarborgd is, moet dit feit in de toelichting worden opgenomen, samen met de gehanteerde grondslag voor de opstelling van de jaarrekening en de reden waarom de continuïteit van de entiteit niet gewaarborgd zou zijn.

26

Bij het beoordelen of de veronderstelling dat de continuïteit van de entiteit gewaarborgd is al dan niet geëigend is, moet het management rekening houden met alle informatie die voor de toekomst beschikbaar is, namelijk voor een periode van ten minste twaalf maanden vanaf het einde van de verslagperiode. De mate waarin aan deze informatie aandacht moet worden besteed, is afhankelijk van de feiten in elk afzonderlijk geval. Als een entiteit in het verleden steeds winstgevend is geweest en steeds over voldoende financiële middelen heeft beschikt, kan zonder verregaande analyse worden geconcludeerd dat de continuïteit van de entiteit gewaarborgd is. In andere gevallen moet het management een brede waaier van factoren in overweging nemen die betrekking hebben op de huidige en de verwachte winstgevendheid, de terugbetalingsregelingen voor schulden en mogelijke bronnen voor alternatieve financiering vóór het tot een bevredigende conclusie kan komen over de gewaarborgde continuïteit van de entiteit.

Het toerekeningsbeginsel

27

Een entiteit moet haar jaarrekening, uitgezonderd het kasstroomoverzicht, opstellen volgens het toerekeningsbeginsel.

28

Bij toepassing van het toerekeningsbeginsel neemt een entiteit posten op als activa, verplichtingen, eigen vermogen, baten en lasten (de elementen van de jaarrekening) wanneer zij voldoen aan de in het Raamwerk beschreven definities en opnamecriteria voor die elementen.

Materialiteit en aggregatie

29

Een entiteit moet elke materiële categorie van soortgelijke posten afzonderlijk presenteren. Posten van ongelijksoortige aard of functie moeten afzonderlijk worden gepresenteerd, tenzij ze niet van materieel belang zijn.

30

Jaarrekeningen zijn het resultaat van de verwerking van een groot aantal transacties of andere gebeurtenissen die op basis van hun aard of functie worden samengevoegd in groepen. De laatste stap in het aggregatie- en classificatieproces is de presentatie van beknopte en geclassificeerde gegevens die posten vormen in de jaarrekening. Als een post op zichzelf niet materieel is, wordt deze samengevoegd met andere posten in één van de overzichten of in de toelichting. Een post die niet voldoende materieel is om afzonderlijk in één van de overzichten te worden gepresenteerd, kan voldoende materieel zijn om afzonderlijk in de toelichting te worden vermeld.

31

Een entiteit hoeft specifieke, door een IFRS vereiste informatie niet te verschaffen als die informatie niet van materieel belang is.

Saldering

32

Een entiteit mag activa en verplichtingen of baten en lasten niet salderen, tenzij dit door een IFRS is voorgeschreven of toegestaan.

33

Een entiteit moet zowel activa en verplichtingen als baten en lasten afzonderlijk rapporteren. Saldering in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, in de balans of in de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd), behalve indien de saldering de economische realiteit van de transactie of een andere gebeurtenis weerspiegelt, doet afbreuk aan het vermogen van gebruikers om inzicht te verkrijgen in de transacties, andere gebeurtenissen en omstandigheden die zich hebben voorgedaan en om de toekomstige kasstromen van de entiteit te beoordelen. De waardering van activa na waardeverminderingen, bijvoorbeeld voorzieningen voor de economische veroudering van voorraden en voorzieningen voor dubieuze vorderingen, valt niet onder saldering.

34

IAS 18 Opbrengsten definieert de term opbrengsten en verplicht entiteiten om opbrengsten te waarderen tegen de reële waarde van de ontvangen of te ontvangen vergoeding, waarbij rekening moet worden gehouden met het bedrag van enige door de entiteit toegekende handels- en kwantumkortingen. Bij de uitvoering van de normale activiteiten verricht een entiteit andere transacties die geen opbrengsten genereren maar die wel samenhangen met de belangrijkste opbrengstengenererende activiteiten. Een entiteit moet de resultaten van dergelijke transacties presenteren door van de baten van een transactie de met die transactie verband houdende kosten af te trekken, althans indien deze presentatie de economische realiteit van de transactie of andere gebeurtenis weerspiegelt. Bijvoorbeeld:

(a)

een entiteit moet winsten en verliezen op de vervreemding van vaste activa, waaronder beleggingen en bedrijfsactiva, presenteren door de boekwaarde van het actief en de ermee samenhangende verkoopkosten af te trekken van de op de vervreemding gegenereerde opbrengsten; en

(b)

een entiteit mag uitgaven die verband houden met een voorziening die overeenkomstig IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa is opgenomen en die uit hoofde van een contractuele overeenkomst met een derde worden terugbetaald (bijvoorbeeld een garantieovereenkomst van een leverancier) salderen met de daarmee verband houdende terugbetaling.

35

Daarenboven moet een entiteit winsten en verliezen die voortvloeien uit een groep soortgelijke transacties op nettobasis presenteren. Voorbeelden zijn wisselkoerswinsten en -verliezen of winsten en verliezen voortvloeiend uit financiële instrumenten die voor handelsdoeleinden worden aangehouden. Entiteiten moeten dergelijke winsten en verliezen afzonderlijk presenteren als ze van materieel belang zijn.

Frequentie van de verslaggeving

36

Entiteiten moeten ten minste jaarlijks een volledige jaarrekening (inclusief vergelijkende informatie) presenteren. Wanneer een entiteit het einde van haar verslagperiode wijzigt en een jaarrekening presenteert voor een periode die langer of korter is dan één jaar, moet zij behalve de periode die de jaarrekening beslaat ook het volgende vermelden:

(a)

de reden waarom een langere of kortere periode wordt gebruikt, en

(b)

het feit dat de in de jaarrekening gepresenteerde bedragen niet geheel vergelijkbaar zijn.

37

Normaliter stelt een entiteit haar jaarrekeningen consistent op voor een periode van één jaar. Om praktische redenen geven sommige entiteiten voor hun financiële verslaggeving echter de voorkeur aan een periode van 52 weken. Deze standaard sluit deze mogelijkheid niet uit.

Vergelijkende informatie

38

Behalve indien IFRSs anderszins toestaan of vereisen, moet een entiteit vergelijkende informatie met betrekking tot de vorige periode opnemen voor alle bedragen die in de jaarrekening van de lopende periode worden gerapporteerd. Een entiteit moet vergelijkende informatie voor beschrijvende informatie opnemen als dit relevant is om inzicht te krijgen in de jaarrekening van de lopende periode.

39

Een entiteit die vergelijkende informatie verstrekt, moet ten minste twee balansen, twee van elk van de andere overzichten en de daarmee samenhangende toelichting presenteren. Indien een entiteit een grondslag voor financiële verslaggeving retroactief toepast, posten in haar jaarrekening retroactief aanpast of posten in haar jaarrekening herclassificeert, moet zij ten minste drie balansen, twee van elk van de andere overzichten en de daarmee samenhangende toelichting presenteren. Een entiteit moet balansen presenteren aan:

(a)

het einde van de lopende periode,

(b)

het einde van de vorige periode (wat overeenstemt met het begin van de lopende periode), en

(c)

het begin van de vroegste vergelijkende periode.

40

In sommige gevallen blijft beschrijvende informatie in de jaarrekening over de vorige periode(n) relevant in de lopende periode. Bijvoorbeeld een entiteit verstrekt in de lopende periode gedetailleerde informatie over een rechtsgeschil waarvan de uitkomst onzeker was aan het eind van de voorgaande verslagperiode en waarover nog een uitspraak moet worden gedaan. Informatie over het feit dat er aan het eind van de voorgaande verslagperiode onzekerheid bestond en over de stappen die tijdens de periode zijn genomen om deze onzekerheid weg te nemen, is nuttig voor gebruikers.

41

Als een entiteit de presentatie of classificatie van posten in haar jaarrekening wijzigt, moet zij de vergelijkende bedragen herclassificeren, tenzij dit praktisch niet haalbaar is. Als een entiteit vergelijkende bedragen herclassificeert, moet zij de volgende informatie verschaffen:

(a)

de aard van de herclassificatie;

(b)

het bedrag van elke post of categorie van posten die werd geherclassificeerd; en

(c)

de reden voor de herclassificatie.

42

indien een herclassificatie van vergelijkende bedragen praktisch niet haalbaar is, moet een entiteit de volgende informatie verschaffen:

(a)

de reden waarom de bedragen niet werden geherclassificeerd, en

(b)

de aard van de aanpassingen die zouden zijn uitgevoerd indien de bedragen wel waren geherclassificeerd.

43

Een betere vergelijkbaarheid van de informatie tussen de verslagperioden helpt gebruikers bij het nemen van economische beslissingen, met name omdat het hierdoor mogelijk wordt trends in de financiële informatie te beoordelen voor prognosedoeleinden. In sommige omstandigheden is het praktisch niet haalbaar om vergelijkende informatie voor een bepaalde voorgaande periode te herclassificeren om vergelijkingen met de lopende periode mogelijk te maken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een entiteit gegevens in de vorige periode(n) niet dusdanig heeft samengesteld dat ze kunnen worden geherclassificeerd en het mogelijk praktisch niet haalbaar is om de informatie opnieuw samen te stellen.

44

In IAS 8 wordt uiteengezet welke aanpassingen van vergelijkende informatie vereist zijn als een entiteit een grondslag voor financiële verslaggeving wijzigt of een fout corrigeert.

Consistentie van de presentatie

45

Een entiteit moet de in een verslagperiode gehanteerde presentatie en classificatie van posten in de jaarrekening handhaven in de volgende periode, tenzij:

(a)

het duidelijk is dat als gevolg van een belangrijke wijziging in de aard van de activiteiten van de entiteit of een beoordeling van haar jaarrekening een andere presentatie of classificatie meer geëigend zou zijn op basis van de criteria in IAS 8 met betrekking tot de keuze en toepassing van grondslagen voor financiële verslaggeving; of

(b)

een IFRS een wijziging in de presentatie voorschrijft.

46

Een significante overname of afstoting, of een beoordeling van de presentatie van de jaarrekening zou bijvoorbeeld kunnen wijzen op de noodzaak om de jaarrekening op een andere wijze te presenteren. Een entiteit wijzigt uitsluitend de presentatie van haar jaarrekening als de gewijzigde presentatie informatie verschaft die betrouwbaar en relevanter is voor gebruikers van jaarrekeningen en het waarschijnlijk is dat de nieuwe structuur gehandhaafd zal worden, zodat deze niet ten koste gaat van de vergelijkbaarheid. Wanneer dergelijke wijzigingen in de presentatie worden aangebracht, moet de entiteit haar vergelijkende informatie herclassificeren overeenkomstig de alinea’s 41 en 42.

STRUCTUUR EN INHOUD

Inleiding

47

Deze standaard vereist de opname van bepaalde informatie in de balans, het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd) of het mutatieoverzicht van het eigen vermogen, en vereist dat andere posten hetzij in deze overzichten, hetzij in de toelichting worden opgenomen. In IAS 7 Het kasstroomoverzicht worden de vereisten voor de presentatie van een kasstroomoverzicht uiteengezet.

48

In deze standaard wordt de term „informatieverschaffing” soms in ruime zin gebruikt, en heeft dan ook betrekking op posten in de jaarrekening. Ook andere IFRSs bevatten voorschriften met betrekking tot informatieverschaffing. Tenzij elders in deze standaard of in een andere IFRS anders bepaald, kan de te verstrekken informatie in de jaarrekening worden opgenomen.

Identificatie van de jaarrekening

49

Een entiteit moet de jaarrekening duidelijk identificeren en ze onderscheiden van andere informatie in dezelfde publicatie.

50

De IFRSs zijn alleen van toepassing op jaarrekeningen, en niet noodzakelijk op andere informatie in een jaarverslag, een verplichte aangifte of een ander document. Het is dan ook belangrijk dat gebruikers een onderscheid kunnen maken tussen informatie die in overeenstemming met de IFRSs is opgesteld en andere informatie die wellicht nuttig is voor gebruikers, doch niet aan deze vereisten is onderworpen.

51

Entiteiten moeten elk financieel overzicht en de toelichting duidelijk identificeren. Voorts moet een entiteit de volgende informatie duidelijk vermelden en herhalen indien dat nodig is voor een goed inzicht in de gepresenteerde informatie:

(a)

de naam van de verslaggevende entiteit of een andere vorm van identificatie, alsook eventuele wijzigingen in die informatie ten opzichte van het einde van de vorige verslagperiode;

(b)

of het de jaarrekening van de afzonderlijke entiteit betreft dan wel die van een groep entiteiten;

(c)

de datum van het einde van de verslagperiode of de periode die de financiële overzichten of toelichtingen bestrijken;

(d)

de presentatievaluta, zoals gedefinieerd in IAS 21; en

(e)

de gehanteerde mate van afronding bij de presentatie van bedragen in de jaarrekening.

52

Een entiteit voldoet aan de vereisten van alinea 51 door geschikte kopjes te gebruiken voor pagina's, overzichten, toelichtingen, kolommen en dergelijke. Oordeelsvorming is vereist voor het bepalen van de beste manier om dergelijke informatie te presenteren. Als een entiteit haar jaarrekening bijvoorbeeld elektronisch presenteert, worden niet altijd afzonderlijke pagina's gebruikt; de bovenvermelde punten moeten dan worden gepresenteerd om een goed inzicht te verschaffen in de informatie die in de jaarrekening is opgenomen.

53

Een entiteit maakt haar jaarrekeningen vaak begrijpelijker door bedragen te presenteren in duizenden of miljoenen eenheden van de presentatievaluta. Dit is aanvaardbaar mits de entiteit de mate van afronding vermeldt en geen materiële informatie weglaat.

Balans

Informatie die in de balans moet worden opgenomen

54

Een balans moet ten minste de volgende posten bevatten:

(a)

materiële vaste activa;

(b)

vastgoedbeleggingen;

(c)

immateriële activa;

(d)

financiële activa (zonder de onder (e), (h) en (i) vermelde bedragen);

(e)

investeringen die administratief werden verwerkt volgens de „equity”-methode;

(f)

biologische activa;

(g)

voorraden;

(h)

handels- en overige vorderingen;

(i)

geldmiddelen en kasequivalenten;

(j)

het totaalbedrag van activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en activa in groepen activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig IFRS 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten;

(k)

handels- en overige schulden;

(l)

voorzieningen;

(m)

financiële verplichtingen (zonder de onder (k) en (l) vermelde bedragen);

(n)

actuele belastingverplichtingen en -vorderingen, zoals gedefinieerd in IAS 12 Winstbelastingen;

(o)

uitgestelde belastingverplichtingen en -vorderingen, zoals gedefinieerd in IAS 12;

(p)

verplichtingen opgenomen in groepen activa die worden afgestoten en die geclassificeerd zijn als aangehouden voor verkoop overeenkomstig IFRS 5;

(q)

in het eigen vermogen gepresenteerde minderheidsbelangen; en

(r)

geplaatst kapitaal en reserves die aan eigenaars van de moedermaatschappij toerekenbaar zijn.

55

Een entiteit moet additionele posten, kopjes en subtotalen in de balans presenteren indien die presentatie relevant is voor een goed inzicht in de financiële positie van de entiteit.

56

Als een entiteit in haar balans vlottende/vaste activa en kortlopende/langlopende verplichtingen als afzonderlijke classificaties presenteert, mag zij uitgestelde belastingvorderingen (-verplichtingen) niet classificeren als vlottende activa (kortlopende verplichtingen).

57

Deze standaard schrijft niet voor in welke volgorde of volgens welke indeling de posten moeten worden gepresenteerd. Alinea 54 verschaft louter een lijst van posten die voldoende verschillen in aard of functie om een afzonderlijke presentatie in de balans te rechtvaardigen. Daarnaast:

(a)

worden posten toegevoegd indien de omvang, aard of functie van een post of een samenvoeging van gelijksoortige posten zodanig is dat een afzonderlijke presentatie relevant is voor een goed inzicht in de financiële positie van de entiteit; en

(b)

kunnen de gehanteerde beschrijvingen en de volgorde van posten of samenvoeging van gelijksoortige posten worden aangepast volgens de aard van de entiteit en haar transacties, om aldus informatie te verschaffen die relevant is voor een goed inzicht in de financiële positie van de entiteit. Een financiële instelling kan bijvoorbeeld de bovengenoemde beschrijvingen aanpassen om informatie te verschaffen die relevant is voor de activiteiten van een financiële instelling.

58

Een entiteit moet de beslissing om additionele posten al dan niet afzonderlijk te presenteren, baseren op een beoordeling van:

(a)

de aard en liquiditeit van de activa;

(b)

de functie van de activa binnen de entiteit; en

(c)

de bedragen en de aard van verplichtingen, en het moment waarop ze zich voordoen.

59

Het gebruik van verschillende waarderingsgrondslagen voor verschillende categorieën van activa impliceert dat hun aard of functie verschilt en dat ze bijgevolg als afzonderlijke posten moeten worden gepresenteerd. Verschillende categorieën van materiële vaste activa kunnen bijvoorbeeld worden geboekt tegen kostprijs of tegen de geherwaardeerde bedragen overeenkomstig IAS 16.

Onderscheid tussen vlottend/vast c.q. kortlopend/langlopend

60

Een entiteit moet vlottende en vaste activa, en kortlopende en langlopende verplichtingen als afzonderlijke categorieën in haar balans presenteren overeenkomstig de alinea's 66 tot en met 76, behalve als een presentatie op basis van liquiditeit betrouwbare en relevantere informatie verschaft. Als die uitzondering zich voordoet, moet de entiteit alle activa en verplichtingen in volgorde van liquiditeit presenteren.

61

Ongeacht de gekozen presentatiemethode moet een entiteit het bedrag vermelden dat naar verwachting na meer dan twaalf maanden zal worden geïnd of afgewikkeld voor elk actief en voor elke verplichting waarin bedragen zijn vervat die naar verwachting zullen worden geïnd of afgewikkeld:

(a)

binnen twaalf maanden na de verslagperiode, en

(b)

later dan twaalf maanden na de verslagperiode.

62

Als een entiteit goederen of diensten levert binnen een duidelijk identificeerbare exploitatiecyclus, kan nuttige informatie worden gehaald uit de aparte classificatie in de balans van vlottende en vaste activa en kortlopende en langlopende verplichtingen door een onderscheid te maken tussen de nettoactiva die continu in omloop zijn als werkkapitaal en de nettoactiva die worden gebruikt in de langetermijnactiviteiten van de entiteit. Ook krijgt de gebruiker een duidelijk zicht op activa waarvan verwacht wordt dat ze binnen de huidige exploitatiecyclus zullen worden gerealiseerd, en op verplichtingen die in dezelfde periode moeten worden afgewikkeld.

63

Voor sommige entiteiten, zoals financiële instellingen, verschaft de presentatie van activa en verplichtingen in toenemende of afnemende volgorde van liquiditeit informatie die betrouwbaar en relevanter is dan de presentatie op basis van het onderscheid vlottend/vast c.q. kortlopend/langlopend, omdat de entiteit geen goederen levert of diensten verleent binnen een duidelijk identificeerbare exploitatiecyclus.

64

Bij toepassing van alinea 60 mag een entiteit sommige van haar activa en verplichtingen presenteren op basis van de classificatie vlottend/vast c.q. kortlopend/langlopend en andere in volgorde van liquiditeit als deze presentatie betrouwbare en relevantere informatie verstrekt. De noodzaak voor een gemengde presentatie kan zich voordoen wanneer een entiteit diverse bedrijfsactiviteiten uitvoert.

65

Informatie over de datums waarop activa en verplichtingen naar verwachting zullen worden gerealiseerd, is nuttig om de liquiditeit en solvabiliteit van een entiteit te beoordelen. IFRS 7 Financiële instrumenten: informatieverschaffing vereist informatieverschaffing over de vervaldata van financiële activa en financiële verplichtingen. Financiële activa omvatten handels- en overige vorderingen, en financiële verplichtingen omvatten handels- en overige schulden. Informatie over de verwachte datum van inbaarheid van niet-monetaire activa, zoals voorraden, en de verwachte datum van afwikkeling van verplichtingen, zoals voorzieningen, is eveneens nuttig, ongeacht of de activa en verplichtingen zijn geclassificeerd als vlottende/vaste activa respectievelijk kortlopende/langlopende verplichtingen. Een entiteit moet bijvoorbeeld het bedrag van de voorraden vermelden dat naar verwachting later dan twaalf maanden na de verslagperiode zal worden geïnd.

Vlottende activa

66

Een entiteit moet een actief als vlottend classificeren als:

(a)

ze verwacht dat het actief zal worden gerealiseerd, of als ze voornemens is het actief te verkopen of te verbruiken, in de normale exploitatiecyclus van de entiteit;

(b)

ze het actief voornamelijk aanhoudt met de bedoeling het te verhandelen;

(c)

ze verwacht dat het actief binnen twaalf maanden na de verslagperiode zal worden gerealiseerd; of

(d)

het actief een geldmiddel of kasequivalent betreft (zoals gedefinieerd in IAS 7), tenzij het gebruik van het actief voor ruil of voor afwikkeling van een verplichting beperkt is gedurende ten minste twaalf maanden na de verslagperiode.

Een entiteit moet alle overige activa classificeren als vaste activa.

67

Deze standaard gebruikt de term „vaste activa” voor materiële activa, immateriële activa en financiële activa van langlopende aard. Het gebruik van alternatieve omschrijvingen wordt door deze standaard niet verboden, zolang de betekenis duidelijk blijft.

68

De exploitatiecyclus van een entiteit is de tijdspanne tussen de verwerving van activa voor verwerking en het moment waarop zij in geldmiddelen of kasequivalenten worden gerealiseerd. Als de normale exploitatiecyclus van een entiteit niet duidelijk identificeerbaar is, wordt deze geacht twaalf maanden te duren. Vlottende activa omvatten activa (zoals voorraden en handelsvorderingen) die in de normale exploitatiecyclus worden verkocht, verbruikt of gerealiseerd, zelfs indien niet verwacht wordt dat ze binnen twaalf maanden na de verslagperiode zullen worden gerealiseerd. Vlottende activa omvatten ook activa die voornamelijk worden aangehouden om te worden verhandeld (financiële activa in deze categorie worden geclassificeerd als aangehouden voor handelsdoeleinden overeenkomstig IAS 39) en het kortlopende gedeelte van financiële vaste activa.

Kortlopende verplichtingen

69

Een entiteit moet een verplichting als kortlopend classificeren als:

(a)

ze verwacht dat de verplichting in de normale exploitatiecyclus van de entiteit zal worden afgewikkeld;

(b)

ze de verplichting voornamelijk aanhoudt voor handelsdoeleinden;

(c)

de verplichting binnen twaalf maanden na de verslagperiode moet worden afgewikkeld; of

(d)

de entiteit geen onvoorwaardelijk recht heeft om de afwikkeling van de verplichting met ten minste twaalf maanden na de verslagperiode uit te stellen.

Een entiteit moet alle overige verplichtingen classificeren als langlopende verplichtingen.

70

Sommige kortlopende verplichtingen, zoals handelsschulden en sommige overlopende posten in verband met personeels- en andere exploitatiekosten, maken deel uit van het werkkapitaal dat in de normale exploitatiecyclus van de entiteit wordt gebruikt. Een entiteit moet dergelijke exploitatieposten als kortlopende verplichtingen classificeren, zelfs als deze pas na meer dan twaalf maanden na de verslagperiode moeten worden afgewikkeld. Dezelfde normale exploitatiecyclus is van toepassing op de classificatie van de activa en verplichtingen van een entiteit. Als de normale exploitatiecyclus van een entiteit niet duidelijk identificeerbaar is, wordt deze geacht twaalf maanden te duren.

71

Andere kortlopende verplichtingen worden niet afgewikkeld in de normale exploitatiecyclus, maar moeten binnen twaalf maanden na de verslagperiode worden afgewikkeld of worden voornamelijk voor handelsdoeleinden aangehouden. Voorbeelden zijn financiële verplichtingen geclassificeerd als aangehouden voor handelsdoeleinden overeenkomstig IAS 39, voorschotten in rekening-courant en het kortlopende gedeelte van langlopende financiële verplichtingen, uit te keren dividenden, winstbelastingen en andere schulden die geen handelsschulden zijn. Financiële verplichtingen die voor financiering op lange termijn zorgen (dat wil zeggen dat ze geen deel uitmaken van het werkkapitaal dat in de normale exploitatiecyclus van de entiteit wordt gebruikt) en die niet binnen twaalf maanden na de verslagperiode moeten worden afgewikkeld, zijn langlopende verplichtingen en zijn onderworpen aan de bepalingen in de alinea's 74 en 75.

72

Een entiteit moet haar financiële verplichtingen als kortlopend classificeren als deze binnen twaalf maanden na de verslagperiode moeten worden afgewikkeld, zelfs indien:

(a)

de oorspronkelijke afwikkelingstermijn meer dan twaalf maanden bedroeg, en

(b)

een overeenkomst voor herfinanciering of een nieuwe betalingsregeling voor de lange termijn wordt afgesloten na de verslagperiode en vóór de datum waarop de jaarrekening wordt goedgekeurd voor publicatie.

73

Indien een entiteit in het kader van een bestaande kredietfaciliteit verwacht en de mogelijkheid heeft om een verplichting te herfinancieren of te verlengen voor een periode van ten minste twaalf maanden na de verslagperiode, moet zij die verplichting als langlopend classificeren, zelfs indien de verplichting in andere gevallen binnen een kortere termijn verschuldigd was. Indien de entiteit echter niet de mogelijkheid heeft om de verplichting te herfinancieren of te verlengen (bijvoorbeeld omdat er geen herfinancieringsovereenkomst bestaat), mag de entiteit de eventuele herfinanciering van de verplichting niet in aanmerking nemen en moet ze de verplichting als kortlopend classificeren.

74

Indien een entiteit op of vóór het einde van de verslagperiode een bepaling van een langlopende leenovereenkomst schendt met als gevolg dat de verplichting onmiddellijk opeisbaar wordt, moet de entiteit die verplichting als kortlopend classificeren, zelfs indien de kredietverstrekker na de verslagperiode en vóór de datum waarop de jaarrekening voor publicatie wordt goedgekeurd, heeft besloten geen betaling te eisen als gevolg van de schending. Een entiteit moet de verplichting als kortlopend classificeren omdat ze aan het eind van de verslagperiode geen onvoorwaardelijk recht heeft om de afwikkeling van de verplichting met ten minste twaalf maanden na de verslagperiode uit te stellen.

75

Een entiteit moet de verplichting echter als langlopend classificeren indien de kredietverstrekker vóór het einde van de verslagperiode een respijttermijn heeft toegestaan die ten vroegste twaalf maanden na de verslagperiode afloopt en gedurende welke de entiteit de schending kan rechtzetten en de kredietverstrekker geen onmiddellijke terugbetaling kan eisen.

76

Indien met betrekking tot leningen die als kortlopende verplichtingen zijn geclassificeerd de volgende gebeurtenissen plaatsvinden tussen het einde van de verslagperiode en de datum waarop de jaarrekening voor publicatie wordt goedgekeurd, dan moeten die gebeurtenissen overeenkomstig IAS 10 Gebeurtenissen na balansdatum worden vermeld als gebeurtenissen na balansdatum die niet leiden tot aanpassing van de jaarrekening:

(a)

herfinanciering op lange termijn;

(b)

rechtzetting van een schending van een langlopende leenovereenkomst; en

(c)

toekenning van een respijttermijn door de kredietverstrekker om een schending van een langlopende leenovereenkomst recht te zetten indien die respijttermijn ten vroegste twaalf maanden na de verslagperiode afloopt.

Informatie die in de balans of in de toelichting moet worden opgenomen

77

Een entiteit moet, ofwel in de balans ofwel in de toelichting, verdere subclassificaties voor de gepresenteerde posten vermelden, geclassificeerd op een wijze die geëigend is voor de activiteiten van de entiteit.

78

De mate van detail die in de subclassificaties wordt gehanteerd, is afhankelijk van de vereisten in de IFRSs en van de omvang, de aard en de functie van de desbetreffende bedragen. Een entiteit moet eveneens rekening houden met de factoren die in alinea 58 zijn uiteengezet om de basis voor de subclassificatie te bepalen. De informatie die moet worden verschaft, verschilt voor elke post. Enkele voorbeelden:

(a)

materiële vaste activa worden overeenkomstig IAS 16 opgesplitst in categorieën;

(b)

vorderingen worden opgesplitst in vorderingen van handelscliënten, vorderingen van verbonden partijen, vooruitbetalingen en overige bedragen;

(c)

voorraden worden overeenkomstig IAS 2 Voorraden opgesplitst in categorieën zoals handelswaar, productievoorraden, materialen, onderhanden werk (1) en gereed product;

(d)

voorzieningen worden opgesplitst in voorzieningen voor personeelsbeloningen en andere posten; en

(e)

kapitaal en reserves worden opgesplitst in verschillende categorieën, zoals gestort kapitaal, agio en reserves.

79

Een entiteit moet de volgende informatie verstrekken, hetzij in de balans of in het mutatieoverzicht van het eigen vermogen, hetzij in de toelichting:

(a)

voor elke categorie van aandelenkapitaal:

(i)

het aantal toegestane aandelen;

(ii)

het aantal uitgegeven, volgestorte aandelen en het aantal uitgegeven, niet-volgestorte aandelen;

(iii)

de nominale waarde per aandeel, of de vermelding dat de aandelen geen nominale waarde hebben;

(iv)

een aansluiting tussen het aantal aandelen in omloop aan het begin en aan het eind van de periode;

(v)

de rechten, voorkeurrechten en beperkingen die aan die categorie zijn verbonden, inclusief beperkingen op de uitkering van dividenden en de terugbetaling van kapitaal;

(vi)

aandelen van de entiteit die worden aangehouden door de entiteit of door haar dochterondernemingen of geassocieerde deelnemingen; en

(vii)

aandelen die gereserveerd zijn voor uitgifte bij de uitoefening van opties of in het kader van overeenkomsten voor de verkoop van aandelen, met inbegrip van de voorwaarden en bedragen; en

(b)

een beschrijving van de aard en het doel van elke reserve binnen het eigen vermogen.

80

Een entiteit zonder aandelenkapitaal, zoals een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of een trust, moet in haar verslaggeving informatie verstrekken die equivalent is aan de informatie die in alinea 79(a) is vereist. De informatie moet voor elke categorie van aandelenbelangen de mutaties tijdens de periode weergeven, alsmede de rechten, voorkeurrechten en beperkingen die aan elke categorie van aandelenbelangen verbonden zijn.

Overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten

81

Een entiteit moet alle in een periode opgenomen baten en lasten presenteren:

(a)

in één overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, of

(b)

in twee overzichten: een overzicht dat de componenten van winst of verlies weergeeft (afzonderlijke winst-en-verliesrekening) en een tweede overzicht dat begint met winst of verlies en dat de componenten van niet-gerealiseerde resultaten weergeeft (overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten).

Informatie die in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten moet worden opgenomen

82

Een overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten moet ten minste de posten bevatten die de volgende bedragen over de periode presenteren:

(a)

opbrengsten;

(b)

financieringskosten;

(c)

het aandeel in de winst of het verlies van geassocieerde deelnemingen en joint ventures die administratief worden verwerkt volgens de „equity”-methode;

(d)

belastinglasten;

(e)

een enkel bedrag dat gelijk is aan het totaal van:

(i)

de winst of het verlies na belastingen van beëindigde bedrijfsactiviteiten en

(ii)

de winst na belastingen die of het verlies na belastingen dat is opgenomen bij de waardering tegen reële waarde minus verkoopkosten of bij de afstoting van de activa of groep(en) activa die worden afgestoten die de beëindigde bedrijfsactiviteiten vormen;

(f)

winst of verlies;

(g)

elke component van niet-gerealiseerde resultaten geclassificeerd volgens aard (zonder de in (h) vermelde bedragen);

(h)

het aandeel in niet-gerealiseerde resultaten van geassocieerde deelnemingen en joint ventures die administratief worden verwerkt volgens de „equity”-methode; en

(i)

het totaal van de gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten.

83

Een entiteit moet in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten de volgende posten opnemen als toerekening van de winst of het verlies over de periode:

(a)

winst of verlies over de periode toerekenbaar aan:

(i)

minderheidsbelangen, en

(ii)

eigenaars van de moedermaatschappij.

(b)

het totaal van de gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten over de periode toerekenbaar aan:

(i)

minderheidsbelangen, en

(ii)

eigenaars van de moedermaatschappij.

84

Een entiteit mag de in alinea's 82(a) tot en met (f) vermelde posten en de in alinea 83(a) vermelde informatie presenteren in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening (zie alinea 81).

85

Een entiteit moet additionele posten, kopjes en subtotalen in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten en in de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd) presenteren indien die presentatie relevant is voor een goed inzicht in de financiële prestaties van de entiteit.

86

Omdat de gevolgen van de verschillende activiteiten, transacties en andere gebeurtenissen van een entiteit verschillen op het vlak van frequentie, potentieel voor winst of verlies en voorspelbaarheid, draagt de vermelding van de componenten van de financiële prestaties bij tot een beter inzicht in de behaalde financiële prestaties en tot het maken van voorspellingen van toekomstige financiële prestaties. Als dit noodzakelijk is om de elementen van de financiële prestaties toe te lichten, moet een entiteit in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten en in de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd) additionele posten opnemen en moet zij de gebruikte beschrijvingen en de volgorde van posten aanpassen. Een entiteit moet factoren zoals materialiteit en de aard en functie van de baten en lasten in overweging nemen. Een financiële instelling kan bijvoorbeeld de beschrijvingen aanpassen om informatie te verschaffen die relevant is voor de activiteiten van een financiële instelling. Een entiteit mag baten en lasten niet salderen, tenzij wordt voldaan aan de in alinea 32 vermelde criteria.

87

Een entiteit mag baten of lasten niet als buitengewone posten presenteren, noch in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten of in de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd), noch in de toelichting.

Winst of verlies over de periode

88

Een entiteit moet alle baten en lasten die op een periode betrekking hebben in winst of verlies opnemen, tenzij een IFRS anderszins vereist of toestaat.

89

In sommige IFRSs zijn omstandigheden beschreven waarin een entiteit bepaalde posten niet in winst of verlies over de lopende periode moet opnemen. IAS 8 behandelt twee van dergelijke omstandigheden: de correctie van fouten en de gevolgen van wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaggeving. Andere IFRSs vereisen of staan toe dat componenten van niet-gerealiseerde resultaten die beantwoorden aan de in het Raamwerk opgenomen definitie van baten of lasten niet in winst of verlies worden opgenomen (zie alinea 7).

Niet-gerealiseerde resultaten over de periode

90

Een entiteit moet het bedrag van winstbelasting met betrekking tot elke component van niet-gerealiseerde resultaten, met inbegrip van herclassificatieaanpassingen, vermelden in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten of in de toelichting.

91

Een entiteit mag componenten van niet-gerealiseerde resultaten presenteren:

(a)

na aftrek van de daarmee verband houdende fiscale gevolgen, of

(b)

vóór daarmee verband houdende fiscale gevolgen met vermelding van het totaalbedrag van de winstbelastingen met betrekking tot die componenten.

92

Een entiteit moet herclassificatieaanpassingen met betrekking tot componenten van niet-gerealiseerde resultaten vermelden.

93

Andere IFRSs specificeren of en wanneer bedragen die voorheen in niet-gerealiseerde resultaten werden opgenomen naar de winst of het verlies worden geherclassificeerd. Dergelijke herclassificaties worden in deze standaard herclassificatieaanpassingen genoemd. Een herclassificatieaanpassing wordt opgenomen bij de daarmee verband houdende component van niet-gerealiseerde resultaten in de periode waarin de aanpassing naar de winst of het verlies wordt geherclassificeerd. Bijvoorbeeld winsten gerealiseerd op de vervreemding van voor verkoop beschikbare financiële activa worden in winst of verlies van de lopende periode opgenomen. Mogelijk werden deze bedragen in de lopende of vorige perioden opgenomen in niet-gerealiseerde resultaten. Deze niet-gerealiseerde winsten moeten in mindering worden gebracht op niet-gerealiseerde resultaten in de periode waarin de gerealiseerde winsten naar de winst of het verlies worden geherclassificeerd om te vermijden dat ze twee keer in gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen.

94

Een entiteit mag herclassificatieaanpassingen presenteren in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten of in de toelichting. Een entiteit die herclassificatieaanpassingen in de toelichting presenteert, moet de componenten van niet-gerealiseerde resultaten presenteren na enige daarmee verband houdende herclassificatieaanpassingen.

95

Herclassificatieaanpassingen ontstaan bijvoorbeeld bij het afstoten van een buitenlandse activiteit (zie IAS 21), bij het niet langer in de balans opnemen van voor verkoop beschikbare financiële activa (zie IAS 39) en wanneer een afgedekte verwachte toekomstige transactie de winst of het verlies beïnvloedt (zie alinea 100 van IAS 39 met betrekking tot kasstroomafdekkingen).

96

Herclassificatieaanpassingen ontstaan niet bij wijzigingen in herwaarderingsreserves die zijn opgenomen in overeenstemming met IAS 16 of IAS 38 of op actuariële winsten en verliezen op toegezegd-pensioenregelingen die zijn opgenomen in overeenstemming met alinea 93A van IAS 19. Deze componenten worden in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen en worden in latere perioden niet naar de winst of het verlies geherclassificeerd. Wijzigingen in herwaarderingsreserves mogen in latere perioden naar de ingehouden winsten worden overgeboekt naarmate het actief wordt gebruikt of wanneer het niet langer in de balans wordt opgenomen (zie IAS 16 en IAS 38). Actuariële winsten en verliezen worden in ingehouden winsten gerapporteerd in de periode waarin ze als niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen (zie IAS 19).

Informatie die in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten of in de toelichting moet worden opgenomen

97

Indien baten of lasten materieel zijn, moet een entiteit de aard en het bedrag ervan afzonderlijk vermelden.

98

Omstandigheden die aanleiding zouden geven tot afzonderlijke vermelding van baten en lasten zijn onder meer:

(a)

afschrijvingen van voorraden tot de opbrengstwaarde of afschrijvingen van materiële vaste activa tot de realiseerbare waarde, evenals terugnemingen van dergelijke afschrijvingen;

(b)

reorganisatie van de activiteiten van een entiteit en terugnemingen van eventuele voorzieningen voor reorganisatiekosten;

(c)

de vervreemding van materiële vaste activa;

(d)

de vervreemding van beleggingen;

(e)

beëindigde bedrijfsactiviteiten;

(f)

gerechtelijke schikkingen; en

(g)

andere terugnemingen van voorzieningen.

99

Een entiteit moet een uitsplitsing van de in winst of verlies opgenomen lasten presenteren waarbij wordt gebruikgemaakt van een classificatie die gebaseerd is op de aard of functie van de lasten binnen de entiteit, afhankelijk van welke van de twee betrouwbaar en het meest relevant is.

100

Entiteiten worden aangemoedigd om de in alinea 99 vermelde uitsplitsing te presenteren in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten of in de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd).

101

Lasten worden verder uitgesplitst om een duidelijk zicht te bieden op de componenten van de financiële prestaties die onderling kunnen verschillen op het vlak van frequentie, potentieel voor winst of verlies en voorspelbaarheid. Deze uitsplitsing kan in twee verschillende vormen worden verstrekt.

102

De eerste vorm van uitsplitsing is de categoriale kostenindeling. Een entiteit groepeert in winst of verlies opgenomen lasten volgens hun aard (bijvoorbeeld afschrijvingen, aangekochte materialen, transportkosten, personeelsbeloningen en advertentiekosten), zonder ze opnieuw toe te rekenen aan verschillende functies binnen de entiteit. Deze methode kan eenvoudig toe te passen zijn omdat het niet nodig is lasten toe te rekenen aan functionele indelingen. Hieronder wordt een voorbeeld gegeven van een classificatie op basis van de categoriale kostenindeling:

Opbrengsten

 

X

Overige baten

 

X

Wijzigingen in voorraden van gereed product en onderhanden werk (2)

X

 

Grond- en hulpstoffen

X

 

Lasten uit hoofde van personeelsbeloningen

X

 

Afschrijvingen

X

 

Overige lasten

X

 

Totale lasten

 

(X)

Winst vóór belasting

 

X

103

De tweede vorm van uitsplitsing is de functionele kostenindeling, waarbij lasten worden geclassificeerd op basis van hun functie als onderdeel van de kostprijs van de omzet of bijvoorbeeld als onderdeel van distributie- of beheerskosten. Een entiteit vermeldt volgens deze methode ten minste de kostprijs van de omzet, gescheiden van andere lasten. Deze indeling kan gebruikers meer relevante informatie bieden dan de categoriale kostenindeling, maar de toerekening van kosten aan functies kan arbitraire toerekeningen vereisen en een aanzienlijke oordeelsvorming impliceren. Hieronder wordt een voorbeeld gegeven van een classificatie op basis van de functionele kostenindeling:

Opbrengsten

X

 

Kostprijs van de omzet

(X)

 

Brutowinst

X

 

Overige baten

X

 

Distributiekosten

(X)

 

Beheerskosten

(X)

 

Overige lasten

(X)

 

Winst vóór belasting

X

 

104

Entiteiten die gebruikmaken van de functionele kostenindeling moeten aanvullende informatie verstrekken over de aard van de lasten, met inbegrip van de kosten van afschrijvingen en de lasten uit hoofde van personeelsbeloningen.

105

De keuze tussen de functionele en categoriale kostenindeling is afhankelijk van historische en sectorgebonden factoren, alsook van de aard van de entiteit. Beide methoden geven een indicatie van de kosten die mogelijk direct of indirect kunnen variëren naargelang van het niveau van de omzet of productie van de entiteit. Omdat elke presentatiemethode voordelen heeft voor verschillende types entiteiten, vereist deze standaard dat het management voor een betrouwbare en de meest relevante presentatie kiest. Aangezien informatie over de aard van de lasten echter nuttig is bij het voorspellen van toekomstige kasstromen, is een aanvullende toelichting vereist als de functionele kostenindeling wordt gebruikt. In alinea 104 heeft de term „personeelsbeloningen” dezelfde betekenis als in IAS 19.

Mutatieoverzicht van het eigen vermogen

106

Een entiteit moet een mutatieoverzicht van het eigen vermogen presenteren met vermelding van:

(a)

de gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten over de periode, waarbij de totale bedragen die toerekenbaar zijn aan eigenaars van de moedermaatschappij en aan de minderheidsbelangen afzonderlijk moeten worden vermeld;

(b)

voor elke component van het eigen vermogen, de gevolgen van retroactieve toepassing of retroactieve aanpassing opgenomen overeenkomstig IAS 8;

(c)

de bedragen van transacties met eigenaars in hun hoedanigheid van eigenaars, waarbij bijdragen door en uitkeringen aan eigenaars afzonderlijk moeten worden vermeld; en

(d)

voor elke component van het eigen vermogen, een aansluiting tussen de boekwaarde aan het begin en einde van de periode, waarbij elke mutatie afzonderlijk moet worden vermeld.

107

Een entiteit moet, hetzij in het mutatieoverzicht van het eigen vermogen, hetzij in de toelichting, het bedrag presenteren van dividenden die zijn opgenomen als uitkeringen aan eigenaars tijdens de periode, en het daaraan gerelateerde bedrag per aandeel.

108

In alinea 106 omvatten de componenten van het eigen vermogen bijvoorbeeld elke categorie van het gestorte kapitaal, het geaccumuleerde saldo van elke categorie van niet-gerealiseerde resultaten en ingehouden winsten.

109

Mutaties in het eigen vermogen van een entiteit tussen het begin en einde van de verslagperiode weerspiegelen de toename of afname van haar nettoactiva tijdens de verslagperiode. Afgezien van mutaties die voortvloeien uit transacties met eigenaars in hun hoedanigheid van eigenaars (zoals kapitaalstortingen, de terugkoop van eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit en dividenden) en de transactiekosten die direct aan dergelijke transacties gerelateerd zijn, bestaat de totale vermogensmutatie in een bepaalde periode uit het totaalbedrag aan baten en lasten, met inbegrip van winsten en verliezen, die door de bedrijfsactiviteiten van de entiteit gedurende die periode werden gegenereerd.

110

IAS 8 vereist voor zover praktisch haalbaar retroactieve aanpassingen in verband met wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaggeving, behalve indien de overgangsbepalingen in een andere IFRS iets anders voorschrijven. IAS 8 vereist tevens dat aanpassingen in verband met de correctie van fouten retroactief worden aangebracht, voor zover dit praktisch haalbaar is. Retroactieve aanpassingen zijn geen mutaties in het eigen vermogen, maar zijn aanpassingen aan het beginsaldo van ingehouden winsten, behalve indien een IFRS retroactieve aanpassing van een andere component van het eigen vermogen voorschrijft. Alinea 106(b) schrijft voor dat in het mutatieoverzicht van het eigen vermogen voor elke component van het eigen vermogen afzonderlijk melding wordt gemaakt van het totaal van de mutatie uit hoofde van wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaggeving en het totaal van de mutatie naar aanleiding van de correctie van fouten. Deze aanpassingen worden vermeld voor elke voorgaande periode en aan het begin van de periode.

Kasstroomoverzicht

111

Kasstroominformatie verstrekt aan gebruikers van jaarrekeningen een grondslag voor de beoordeling van het vermogen van de entiteit om geldmiddelen en kasequivalenten te genereren en voor de beoordeling van de behoeften van de entiteit om deze kasstromen aan te wenden. In IAS 7 worden de vereisten voor de presentatie en verschaffing van kasstroominformatie uiteengezet.

Toelichting

Structuur

112

De toelichting moet:

(a)

in overeenstemming met de alinea’s 117 tot en met 124 informatie verstrekken over de grondslagen voor de opstelling van de jaarrekening en de specifieke grondslagen voor financiële verslaggeving die zijn toegepast;

(b)

de informatie verstrekken die op grond van de IFRSs vereist is en die niet elders in de jaarrekening is gepresenteerd; en

(c)

informatie verstrekken die niet elders in de jaarrekening is gepresenteerd, maar die wel relevant is om er een goed inzicht in te krijgen.

113

Een entiteit moet de toelichting op systematische wijze presenteren voor zover dit praktisch haalbaar is. Een entiteit moet voor elke post in de balans, in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, in de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd), in het mutatieoverzicht van het eigen vermogen en in het kasstroomoverzicht een verwijzing opnemen naar eventuele gerelateerde informatie in de toelichting.

114

Normaliter presenteert een entiteit de toelichting in de volgende volgorde om gebruikers een beter inzicht te geven in de jaarrekening en om de jaarrekening vergelijkbaar te maken met jaarrekeningen van andere entiteiten:

(a)

een verklaring van overeenstemming met de IFRSs (zie alinea 16);

(b)

een overzicht van de belangrijkste gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving (zie alinea 117);

(c)

ondersteunende informatie voor posten die in de balans, in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, in de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd), in het mutatieoverzicht van het eigen vermogen en in het kasstroomoverzicht zijn gepresenteerd, in de volgorde waarin elk overzicht en elke post is gepresenteerd; en

(d)

overige vermeldingen, waaronder:

(i)

voorwaardelijke verplichtingen (zie IAS 37) en niet-opgenomen contractuele verbintenissen, en

(ii)

niet-financiële informatieverschaffing, bijvoorbeeld de doelstellingen en het beleid van de entiteit inzake het beheer van financiële risico's (zie IFRS 7).

115

In bepaalde omstandigheden kan het noodzakelijk of wenselijk zijn om de volgorde van bepaalde posten in de toelichting te wijzigen. Zo kan een entiteit bijvoorbeeld informatie over in winst of verlies opgenomen wijzigingen in de reële waarde combineren met informatie over de vervaldata van financiële instrumenten, ondanks het feit dat de eerstgenoemde informatie verwijst naar het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten of de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd) en de laatstgenoemde informatie verwijst naar de balans. Niettemin moet een entiteit voor zover dit praktisch haalbaar is een systematische structuur voor de toelichting handhaven.

116

Een entiteit kan de toelichting die informatie verstrekt over de gehanteerde grondslagen voor de opstelling van de jaarrekening en de specifieke grondslagen voor financiële verslaggeving presenteren als een afzonderlijk deel van de jaarrekening.

Informatieverschaffing over de grondslagen voor financiële verslaggeving

117

Een entiteit moet in het overzicht van de belangrijkste gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving melding maken van:

(a)

de gehanteerde waarderingsgrondslag(en) voor de opstelling van de jaarrekening, en

(b)

de overige gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving die relevant zijn voor een goed inzicht in de jaarrekening.

118

Het is belangrijk dat een entiteit de gebruikers informeert over de in de jaarrekening gehanteerde waarderingsgrondslag(en) (bijvoorbeeld historische kostprijs, actuele waarde, opbrengstwaarde, reële waarde of realiseerbare waarde), omdat de grondslag waarop een entiteit haar jaarrekening opstelt in belangrijke mate van invloed is op de analyse van de gebruikers. Als een entiteit in haar jaarrekening meer dan één waarderingsgrondslag hanteert, bijvoorbeeld indien bepaalde categorieën van activa worden geherwaardeerd, volstaat het om een indicatie te geven van de categorieën van activa en verplichtingen waarop elke waarderingsgrondslag is toegepast.

119

Bij het besluitvormingsproces van het management om een specifieke grondslag voor financiële verslaggeving al dan niet te vermelden, moet het management voor ogen houden of de vermelding ervan de gebruikers als hulpmiddel kan dienen voor het begrijpen van de wijze waarop transacties, andere gebeurtenissen en omstandigheden worden weerspiegeld in de gerapporteerde financiële prestaties en financiële positie. De vermelding van bepaalde grondslagen voor financiële verslaggeving is met name nuttig voor de gebruikers als die grondslagen gekozen zijn uit de alternatieven die volgens de IFRSs zijn toegestaan. Een voorbeeld is de vermelding of een deelnemer in een joint venture zijn belang in een entiteit waarover gezamenlijk de zeggenschap wordt uitgeoefend opneemt volgens de proportionele-consolidatiemethode of volgens de „equity”-methode (zie IAS 31 Belangen in joint ventures). Sommige IFRSs vereisen specifiek informatie over bepaalde grondslagen voor financiële verslaggeving, met inbegrip van de keuzes die het management heeft gemaakt uit de verschillende door de IFRSs toegestane grondslagen. IAS 16 bijvoorbeeld vereist informatieverschaffing over de waarderingsgrondslagen die voor categorieën van materiële vaste activa worden gehanteerd.

120

Elke entiteit moet de aard van haar activiteiten voor ogen houden alsmede de grondslagen waarvan de gebruikers van haar jaarrekening verwachten dat ze voor een dergelijk type entiteit zouden worden vermeld. Van bijvoorbeeld een entiteit die onderworpen is aan winstbelasting zouden gebruikers verwachten dat zij haar grondslagen voor financiële verslaggeving inzake winstbelasting vermeldt, met inbegrip van de grondslagen die van toepassing zijn op uitgestelde belastingverplichtingen en -vorderingen. Als een entiteit significante buitenlandse activiteiten heeft of als een entiteit veel transacties verricht in vreemde valuta, zouden gebruikers verwachten dat grondslagen voor financiële verslaggeving inzake de opname van winsten en verliezen uit wisselkoersverschillen worden vermeld.

121

Een grondslag voor financiële verslaggeving kan vanwege de aard van de bedrijfsactiviteiten van de entiteit belangrijk zijn, zelfs indien de bedragen voor de lopende en vorige periode niet materieel zijn. Ook is het nuttig om elke belangrijke grondslag voor financiële verslaggeving te vermelden die niet specifiek door de IFRSs wordt vereist maar die de entiteit in overeenstemming met IAS 8 kiest en toepast.

122

Een entiteit moet in het overzicht van de belangrijkste gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving of elders in de toelichting naast de oordelen inzake schattingen (zie alinea 125) ook de oordelen vermelden die het management zich heeft gevormd bij de toepassing van de door de entiteit gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en die het meest significante effect hebben op de in de jaarrekening opgenomen bedragen.

123

Bij de toepassing van de door de entiteit gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving vormt het management zich, behalve oordelen inzake schattingen, verschillende oordelen die de in de jaarrekening opgenomen bedragen in belangrijke mate kunnen beïnvloeden. Zo vormt het management zich een oordeel bij het bepalen:

(a)

of financiële activa beleggingen zijn die tot het einde van de looptijd worden aangehouden;

(b)

of nagenoeg alle wezenlijke risico’s en voordelen van eigendom van financiële en geleasede activa aan andere entiteiten zijn overgedragen;

(c)

of bepaalde verkopen van goederen in wezen financieringsregelingen zijn en derhalve niet resulteren in opbrengsten; en

(d)

of de economische realiteit van de relatie tussen de entiteit en een „special purpose entity” aangeeft dat de entiteit zeggenschap uitoefent over de „special purpose entity”.

124

Sommige overeenkomstig alinea 122 verstrekte informatie wordt door andere IFRSs voorgeschreven. IAS 27 bijvoorbeeld vereist dat een entiteit de redenen bekendmaakt waarom het eigendomsbelang van de entiteit geen zeggenschap inhoudt, met betrekking tot een deelneming die geen dochteronderneming is, hoewel de entiteit direct of indirect via dochterondernemingen meer dan de helft van haar stemrechten of potentiële stemrechten bezit. IAS 40 Vastgoedbeleggingen vereist informatieverschaffing over de criteria die door de entiteit zijn opgesteld om vastgoedbeleggingen te onderscheiden van vastgoed voor eigen gebruik en vastgoed aangehouden voor verkoop in het kader van de normale bedrijfsvoering, in situaties waarin de classificatie van het vastgoed moeilijk uitvoerbaar is.

Bronnen van schattingsonzekerheden

125

Een entiteit moet informatie verschaffen over de veronderstellingen betreffende de toekomst en andere belangrijke bronnen van schattingsonzekerheden aan het eind van de verslagperiode die een wezenlijk risico in zich dragen van een materiële aanpassing van de boekwaarde van activa en verplichtingen in het volgende boekjaar. Met betrekking tot die activa en verplichtingen moet de toelichting de volgende gegevens bevatten:

(a)

hun aard, en

(b)

hun boekwaarde aan het eind van de verslagperiode.

126

De bepaling van de boekwaarde van sommige activa en verplichtingen vereist dat een schatting wordt gemaakt van de gevolgen van onzekere, toekomstige gebeurtenissen voor die activa en verplichtingen aan het eind van de verslagperiode. Indien er bijvoorbeeld geen recente marktprijzen voorhanden zijn, dan zijn toekomstgerichte schattingen noodzakelijk voor de waardering van de realiseerbare waarde van categorieën van materiële vaste activa, de impact van technologische veroudering op voorraden, voorzieningen in verband met lopende rechtszaken, en verplichtingen uit hoofde van langetermijnpersoneelsbeloningen, zoals pensioenverplichtingen. Voor deze schattingen wordt uitgegaan van veronderstellingen met betrekking tot zaken als de risicoaanpassing van kasstromen of disconteringsvoeten, toekomstige loonwijzigingen en toekomstige prijswijzigingen die van invloed zijn op andere kosten.

127

De veronderstellingen en andere bronnen van schattingsonzekerheden die overeenkomstig alinea 125 worden vermeld, hebben betrekking op de schattingen waarbij de oordeelsvorming door het management het moeilijkst of het meest subjectief of complex is. Naarmate het aantal variabelen en veronderstellingen die van invloed zijn op de mogelijke uitkomst van de onzekerheden toeneemt, worden deze oordelen subjectiever en ingewikkelder en neemt normaliter de kans op een materiële aanpassing van de boekwaarde van activa en verplichtingen dienovereenkomstig toe.

128

De volgens alinea 125 te vermelden informatie is niet vereist voor activa en verplichtingen die een belangrijk risico in zich dragen dat hun boekwaarde in het volgende boekjaar materieel wordt gewijzigd indien zij aan het eind van de verslagperiode worden gewaardeerd tegen reële waarde op basis van recente marktprijzen. De reële waarde zou in het volgende boekjaar materieel kunnen veranderen, maar deze veranderingen zouden niet voortvloeien uit veronderstellingen of andere bronnen van schattingsonzekerheden aan het eind van de verslagperiode.

129

Een entiteit moet de volgens alinea 125 te vermelden informatie zodanig presenteren dat ze gebruikers van de jaarrekening helpt om inzicht te krijgen in de oordelen van het management met betrekking tot de toekomst of met betrekking tot andere bronnen van schattingsonzekerheden. De aard en omvang van de verstrekte informatie afhankelijk van de aard van de veronderstelling en van andere omstandigheden. Voorbeelden van het type informatie dat een entiteit moet verstrekken, zijn:

(a)

de aard van de veronderstelling of andere schattingsonzekerheden;

(b)

de gevoeligheid van de boekwaarden voor de methodes, veronderstellingen en schattingen die aan hun berekening ten grondslag liggen, met inbegrip van de redenen van die gevoeligheid;

(c)

de verwachte afloop van een onzekerheid en de bandbreedte van redelijkerwijs te verwachten mogelijke uitkomsten in het volgende boekjaar ten aanzien van de boekwaarden van de desbetreffende activa en verplichtingen; en

(d)

een verklaring van de aangebrachte wijzigingen in veronderstellingen die in het verleden zijn gemaakt met betrekking tot die activa en verplichtingen, indien de onzekerheid blijft bestaan.

130

Deze standaard verplicht een entiteit niet om bij de informatieverschaffing op grond van alinea 125 informatie te verstrekken over het budget of over prognoses.

131

Soms is het praktisch niet haalbaar om de omvang van de mogelijke gevolgen van een veronderstelling of van een andere bron van schattingsonzekerheid aan het eind van de verslagperiode te vermelden. In dat geval moet een entiteit vermelden dat het op basis van bestaande kennis redelijkerwijs mogelijk is dat als gevolg van verschillen tussen veronderstellingen en de feitelijke uitkomsten in het volgende boekjaar een materiële aanpassing vereist zou kunnen zijn van de boekwaarde van het desbetreffende actief of de desbetreffende verplichting. In ieder geval moet de entiteit de aard en de boekwaarde van het specifieke actief of de specifieke verplichting (of van de categorie van activa of verplichtingen) waarop de veronderstelling betrekking heeft, vermelden.

132

De volgens alinea 122 te vermelden informatie over bepaalde oordelen die het management zich heeft gevormd bij de toepassing van de grondslagen voor financiële verslaggeving van de entiteit heeft geen betrekking op de informatie over bronnen van schattingsonzekerheden die op grond van alinea 125 moet worden verstrekt.

133

De vermelding van sommige veronderstellingen die in andere gevallen op grond van alinea 125 vereist zou zijn, wordt door andere IFRSs voorgeschreven. IAS 37 vereist bijvoorbeeld in bepaalde omstandigheden informatieverschaffing over belangrijke veronderstellingen die betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen die van invloed zijn op categorieën van voorzieningen. IFRS 7 vereist informatieverschaffing over belangrijke veronderstellingen waarvan de entiteit is uitgegaan bij de schatting van de reële waarde van financiële activa en financiële verplichtingen die tegen reële waarde worden gewaardeerd. IAS 16 vereist informatieverschaffing over belangrijke veronderstellingen waarvan de entiteit is uitgegaan bij de schatting van de reële waarde van geherwaardeerde materiële vaste activa.

Kapitaal

134

Een entiteit moet informatie verstrekken die gebruikers van haar jaarrekening in staat stelt de doelstellingen, het beleid en de procedures van de entiteit op het gebied van kapitaalbeheer te beoordelen.

135

Om aan alinea 134 te voldoen, moet de entiteit de volgende informatie verstrekken:

(a)

kwalitatieve informatie over haar doelstellingen, beleid en procedures op het gebied van kapitaalbeheer, met inbegrip van:

(i)

een beschrijving van wat zij als kapitaal beheert;

(ii)

wanneer een entiteit onderworpen is aan van buitenaf opgelegde kapitaalvereisten, de aard van die vereisten en de wijze waarop met die vereisten rekening wordt gehouden in het kapitaalbeheer; en

(iii)

hoe zij haar doelstellingen op het gebied van kapitaalbeheer verwezenlijkt;

(b)

beknopte kwantitatieve gegevens over wat zij als kapitaal beheert. Sommige entiteiten beschouwen bepaalde financiële verplichtingen (bijvoorbeeld sommige vormen van achtergestelde schuld) als onderdeel van het kapitaal. Andere entiteiten beschouwen sommige eigen-vermogenscomponenten (bijvoorbeeld componenten die voortvloeien uit kasstroomafdekkingen) niet als kapitaal;

(c)

eventuele wijzigingen in (a) en (b) in vergelijking met de voorgaande periode;

(d)

of zij tijdens de periode heeft voldaan aan eventuele van buitenaf opgelegde kapitaalvereisten waaraan zij onderworpen is;

(e)

indien de entiteit niet aan dergelijke van buitenaf opgelegde kapitaalvereisten heeft voldaan, de gevolgen daarvan.

De entiteit moet de verschafte informatie baseren op de gegevens die intern worden verstrekt aan de managers die sleutelposities bekleden.

136

Een entiteit kan haar kapitaal op een aantal manieren beheren en kan aan verschillende kapitaalvereisten onderworpen zijn. Zo kan een conglomeraat entiteiten omvatten die verzekeringsactiviteiten en bankactiviteiten ondernemen en die daarenboven in verscheidene rechtsgebieden actief kunnen zijn. Indien de verstrekking van geaggregeerde informatie over kapitaalvereisten en over de manier waarop het kapitaal wordt beheerd geen nuttige informatie zou verschaffen of ertoe leidt dat een gebruiker van de jaarrekening een verkeerde voorstelling heeft van de kapitaalmiddelen van een entiteit, moet de entiteit aparte informatie verstrekken met betrekking tot elke kapitaalvereiste waaraan zij onderworpen is.

Overige informatieverschaffing

137

Entiteiten moeten in de toelichting de volgende informatie verstrekken:

(a)

het bedrag van dividenden die vóór de datum waarop de jaarrekening werd goedgekeurd voor publicatie zijn voorgesteld of gedeclareerd, maar die tijdens de periode nog niet als uitkering aan eigenaars zijn verwerkt, en het daaraan gerelateerde bedrag per aandeel; en

(b)

het bedrag van enige cumulatief preferente dividenden dat nog niet is opgenomen.

138

Indien niet elders in de jaarrekening vervat, moet een entiteit de volgende informatie verstrekken:

(a)

het domicilie en de juridische vorm van de entiteit, het land van oprichting en het adres van haar statutaire zetel (of hoofdvestiging, indien verschillend van de statutaire zetel);

(b)

een beschrijving van de aard van de activiteiten van de entiteit en haar voornaamste bedrijvigheden; en

(c)

de naam van de moedermaatschappij en de hoofdmoedermaatschappij van de groep.

OVERGANG EN INGANGSDATUM

139

Een entiteit moet deze standaard toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan. Als een entiteit deze standaard toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moet zij dit feit vermelden.

INTREKKING VAN IAS 1 (HERZIENE VERSIE VAN 2003)

140

Deze standaard vervangt IAS 1 Presentatie van de jaarrekening, herziene versie van 2003, zoals gewijzigd in 2005.

Bijlage

Wijzigingen in andere uitspraken

De wijzigingen in deze bijlage moeten worden toegepast op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit deze standaard toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten deze wijzigingen op die periode worden toegepast.

A1   [Wijziging niet van toepassing op basistekst van genummerde standaarden.]

A2   [Wijziging niet van toepassing op basistekst van genummerde standaarden.]

A3   In de International Financial Reporting Standards (met inbegrip van de International Accounting Standards en Interpretaties) en in de inleidingen op de IFRSs worden de volgende verwijzingen gewijzigd zoals hieronder beschreven, tenzij in deze bijlage anders wordt aangegeven.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

„winst-en-verliesrekening” wordt gewijzigd in „overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

„balansdatum” wordt gewijzigd in „einde van de verslagperiode”.

„daaropvolgende balansdatum” wordt gewijzigd in „einde van de daaropvolgende verslagperiode”.

„elke balansdatum” wordt gewijzigd in „het einde van elke verslagperiode”.

„na balansdatum” wordt gewijzigd in „na de verslagperiode”.

„verslagdatum” wordt gewijzigd in „einde van de verslagperiode”.

„elke verslagdatum” wordt gewijzigd in „het einde van elke verslagperiode”.

„recentste jaarlijkse verslagdatum” wordt gewijzigd in „einde van de recentste jaarlijkse verslagperiode”.

„houders van eigen-vermogensinstrumenten” wordt gewijzigd in „eigenaars” (behalve in IAS 33 Winst per aandeel).

„van het eigen vermogen naar de winst-en-verliesrekening overgeboekt” wordt gewijzigd „van het eigen vermogen naar de winst of het verlies overgeboekt als een herclassificatieaanpassing”.

„standaard of interpretatie” wordt gewijzigd in „IFRS”.

„een standaard of een interpretatie” wordt gewijzigd in „een IFRS”.

„standaarden en interpretaties” wordt gewijzigd in „IFRSs” (behalve in alinea 5 van IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten).

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

Verwijzingen naar de huidige versie van IAS 10 Gebeurtenissen na balansdatum worden gewijzigd in IAS 10 Gebeurtenissen na de verslagperiode.

IFRS 1   Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards

A4   IFRS 1 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

De alinea's 6 en 7 worden als volgt gewijzigd:

„6

Een entiteit moet een IFRS-openingsbalans opstellen op de datum van overgang naar de IFRS. Deze vormt het uitgangspunt voor haar verslaggeving overeenkomstig de IFRS.

7

Een entiteit … Deze grondslagen voor financiële verslaggeving moeten in overeenstemming zijn met iedere IFRS die aan het einde van haar eerste IFRS-verslagperiode van kracht is, behoudens de bepalingen in alinea's 13 tot en met 34B en in alinea 37.”.

Het voorbeeld na alinea 8 wordt als volgt gewijzigd.

Verwijzingen naar de jaren „2003” tot „2005” worden gewijzigd in „20X3 tot 20X5”.

De alinea's Achtergrond en Toepassing van vereisten worden als volgt gewijzigd:

„Achtergrond

Het einde van de eerste IFRS-verslagperiode van entiteit A is 31 december 20X5. Entiteit A besluit in deze jaarrekening voor slechts één jaar vergelijkende informatie te presenteren (zie alinea 36) …

Toepassing van vereisten

Entiteit A … bij:

„(a)

het opstellen en presenteren van haar IFRS-openingsbalans op 1 januari 20X4; en …””.

De alinea's 10, 12(a) en 21 worden als volgt gewijzigd:

„10

Behoudens de bepalingen in alinea's 13 tot en met 34B moet een entiteit in haar IFRS-openingsbalans:

12

In deze IFRS worden twee categorieën uitzonderingen vastgelegd op het principe dat de IFRS-openingsbalans van een entiteit in overeenstemming moet zijn met iedere IFRS:

(a)

in alinea's 13 tot en met 25I worden vrijstellingen vermeld ten aanzien van een aantal in andere IFRSs opgenomen vereisten.

21

IAS 21 De gevolgen van wisselkoerswijzigingen schrijft voor dat een entiteit:

(a)

sommige omrekeningsverschillen moet opnemen in niet-gerealiseerde resultaten en moet rubriceren als een afzonderlijke component van het eigen vermogen; en

(b)

bij afstoting van een buitenlandse activiteit de cumulatieve omrekeningsverschillen voor die buitenlandse activiteit (indien van toepassing inclusief winsten en verliezen op hiermee samenhangende afdekkingstransacties) moet overboeken van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als onderdeel van de winst of het verlies bij afstoting.”.

In alinea 32 worden verwijzingen naar de jaren „2003” en „2004” gewijzigd in „20X4” en „20X5”.

De alineas 32, 35 en 36 worden als volgt gewijzigd:

„32

Een entiteit… In plaats daarvan moet de entiteit die nieuwe informatie verwerken in haar winst of verlies (of, indien van toepassing, in niet-gerealiseerde resultaten) voor het jaar dat op 31 december 20X4 eindigde.

35

Behoudens de bepalingen in alinea 37 bevat deze IFRS geen vrijstellingen voor de in andere IFRSs opgenomen vereisten inzake presentatie en informatieverschaffing.

36

Om te voldoen aan IAS 1 moet de eerste IFRS-jaarrekening van een entiteit ten minste drie balansen, twee overzichten van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, twee afzonderlijke winst-en-verliesrekeningen (indien gepresenteerd), twee kasstroomoverzichten en twee mutatieoverzichten van het eigen vermogen en de bijbehorende toelichtingen, met inbegrip van vergelijkende informatie, bevatten.”.

De alinea's 36A tot en met 36C en de kopjes erboven worden verwijderd.

De alinea's 39 en 45(a) worden als volgt gewijzigd:

„39

Om aan alinea 38 te voldoen, moet de eerste IFRS-jaarrekening van een entiteit het volgende omvatten: …

(a)

(ii)

het einde … volgens de voorheen toegepaste GAAP;

(b)

een aansluiting met haar gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten overeenkomstig de IFRSs over de laatste periode in de recentste jaarrekening van de entiteit. Het uitgangspunt voor die aansluiting moet het totaal zijn van de gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten volgens de voorheen toegepaste GAAP over dezelfde periode of, indien een entiteit dergelijk totaal niet rapporteerde, de winst of het verlies volgens de voorheen toegepaste GAAP.

(c)

45

Om te voldoen aan …

(a)

Ieder dergelijk tussentijds financieel verslag bevat, als de entiteit een tussentijds financieel verslag over de vergelijkbare tussentijdse periode van het onmiddellijk daaraan voorafgaande verslagjaar presenteerde, een aansluiting:

(i)

tussen haar eigen vermogen volgens de voorheen toegepaste GAAP aan het eind van die vergelijkbare tussentijdse periode en haar eigen vermogen volgens de IFRSs op dezelfde datum; en

(ii)

met haar gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten volgens de IFRSs voor die vergelijkbare tussentijdse periode (lopende periode en cumulatief voor het lopende jaar). Het uitgangspunt voor die aansluiting moet het totaal zijn van de gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten volgens de voorheen toegepaste GAAP over die periode of, indien een entiteit dergelijk totaal niet rapporteerde, de winst of het verlies volgens de voorheen toegepaste GAAP.”.

Alinea 47C wordt verwijderd.

Alinea 47H wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„47H

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Daarnaast werden de alinea's 6, 7, 8 (Voorbeeld), 10, 12(a), 21, 32, 35, 36, 39(b) en 45(a), Bijlage A en alinea B2(i) in Bijlage B gewijzigd, en werden de alinea's 36A tot en met 36C en alinea 47C verwijderd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

In Bijlage A worden de gedefinieerde begrippen en hun definities als volgt gewijzigd:

„eerste IFRS-verslagperiode

De laatste verslagperiode waarop de eerste IFRS-jaarrekening betrekking heeft.

International Financial Reporting Standards (IFRSs)

Standaarden en Interpretaties die door de International Accounting Standards Board (IASB) zijn goedgekeurd. Deze bestaan uit:

(a)

(b)

(c)

Interpretaties afkomstig van het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC) of het voormalige Standing Interpretations Committee (SIC).”.

In Bijlage A wordt de definitie van IFRS-openingsbalans als volgt gewijzigd:

„IFRS-openingsbalans

De balans van een entiteit op de datum van de overgang naar de IFRSs.”.

In Bijlage A wordt de definitie van verslagdatum verwijderd.

In Bijlage B wordt alinea B2(i) als volgt gewijzigd:

„B2

Indien een eerste toepasser…

(i)

Als de eerste toepasser overeenkomstig de voorheen toegepaste GAAP goodwill in mindering op het eigen vermogen bracht:

(i)

mag hij deze goodwill niet opnemen in zijn IFRS-openingsbalans. Bovendien mag hij deze goodwill niet overboeken naar de winst of het verlies bij afstoting van de dochteronderneming of als de investering in de dochteronderneming een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan.”.

IFRS 4   Verzekeringscontracten

A5   In IFRS 4 worden alinea's 30 en 39A(a) als volgt gewijzigd:

„30

In sommige verslaggevingsmodellen … De hiermee verband houdende aanpassing van de verzekeringsverplichting (of geactiveerde acquisitiekosten of immateriële activa) moet in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen als en alleen als de ongerealiseerde winsten of verliezen in niet-gerealiseerde resultaten worden verwerkt. Deze handelwijze…

39A

Om te voldoen aan …

(a)

een gevoeligheidsanalyse die laat zien hoe de winst of het verlies en het eigen vermogen zouden zijn beïnvloed indien veranderingen in de desbetreffende risicovariabele die redelijkerwijs mogelijk waren aan het eind van de verslagperiode waren opgetreden; de methoden en veronderstellingen die gebruikt zijn bij het opstellen van de gevoeligheidsanalyse; en eventuele wijzigingen in de gehanteerde methoden en veronderstellingen ten opzichte van de voorgaande periode. Indien …”.

Alinea 41B wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„41B

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 30 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IFRS 5   Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten

A6   IFRS 5 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In alinea 3 wordt „(herziene versie van 2003)” verwijderd.

In alinea 28 wordt „onder dezelfde rubriek in de winst- en verliesrekening” gewijzigd in „onder dezelfde rubriek in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten”.

Alinea 33A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„33A

Als een entiteit de componenten van winst of verlies in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteert zoals beschreven in alinea 81 van IAS 1 (herziene versie van 2007), dan moet in die afzonderlijke winst-en-verliesrekening een rubriek betreffende beëindigde bedrijfsactiviteiten worden opgenomen.”.

In alinea 38 wordt „rechtstreeks in het eigen vermogen zijn verwerkt” gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten zijn verwerkt”.

Alinea 44A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„44A

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts wijzigde IAS 1 (herziene versie van 2007) de alinea's 3 en 38, en voegde alinea 33A toe. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

In Bijlage A wordt de definitie van vlottend actief als volgt gewijzigd:

„Een entiteit moet een actief als vlottend classificeren als:

(a)

ze verwacht dat het actief zal worden gerealiseerd, of als ze voornemens is het actief te verkopen of te verbruiken, in de normale exploitatiecyclus van de entiteit;

(b)

ze het actief voornamelijk aanhoudt met de bedoeling het te verhandelen;

(c)

ze verwacht dat het actief binnen twaalf maanden na de verslagperiode zal worden gerealiseerd; of

(d)

het actief een geldmiddel of kasequivalent (zoals gedefinieerd in IAS 7) betreft, tenzij het gebruik van het actief voor ruil of voor afwikkeling van een verplichting beperkt is gedurende ten minste twaalf maanden na de verslagperiode.”.

IFRS 7   Financiële instrumenten: informatieverschaffing

A7   IFRS 7 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

Het kopje boven alinea 20 wordt als volgt gewijzigd:

„Overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten”

Alinea 20 wordt als volgt gewijzigd:

„20

Een entiteit moet informatie verschaffen over de volgende baten, lasten, winsten en verliezen ofwel in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, ofwel in de toelichting:

(a)

nettowinsten of nettoverliezen op:

(i)

(ii)

voor verkoop beschikbare financiële activa, waarbij afzonderlijk het bedrag van gedurende de periode in niet-gerealiseerde resultaten verwerkte winsten of verliezen, en het bedrag dat in de periode van het eigen vermogen werd overgeboekt naar de winst of het verlies worden getoond;

(iii)

…”.

Alinea 21 wordt als volgt gewijzigd:

„21

In overeenstemming met alinea 117 van IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007) moet een entiteit in het overzicht van de belangrijkste gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving informatie verschaffen over de bij het opstellen van de jaarrekening gehanteerde waarderingsgrondslag(en) en over de overige gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving die relevant zijn voor een goed inzicht in de jaarrekening.”.

Alinea's 23(c) en (d) worden als volgt gewijzigd:

„23

Voor kasstroomafdekkingen moet een entiteit vermelden:…

(c)

het bedrag dat tijdens de periode in niet-gerealiseerde resultaten werd opgenomen;

(d)

het bedrag dat van het eigen vermogen werd overgeboekt naar de winst of het verlies over de periode, onder vermelding van het bedrag opgenomen in iedere post van het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten; en …”.

In alinea 27(c) wordt „in het eigen vermogen” gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten”.

Alinea 44A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„44A

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Daarnaast werden de alinea's 20, 21, 23(c) en (d), 27(c) en B5 van Bijlage B gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

Alinea B5 wordt als volgt gewijzigd:

„B5

… Volgens alinea 122 van IAS 1 (herziene versie van 2007) zijn entiteiten bovendien verplicht om in het overzicht van de belangrijkste gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving of elders in de toelichting naast de oordelen inzake schattingen ook de oordelen te vermelden die het management zich heeft gevormd bij de toepassing van de door de entiteit gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en die het meest significante effect hebben op de in de jaarrekening opgenomen bedragen.”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie]

IFRS 8   Operationele segmenten

A8   In IFRS 8 worden alinea's 21 en 23(f) als volgt gewijzigd:

„21

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

23

Een entiteit moet …

(f)

overeenkomstig alinea 97 van IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007) vermelde materiële baten en lasten;”.

Alinea 36A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„36A

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 23(f) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 7   Het kasstroomoverzicht

A9   IAS 7 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

In alinea 32 wordt „in de winst- en verliesrekening” gewijzigd in „in winst of verlies”.

IAS 8   Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten

A10   IAS 8 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

Alinea 5 wordt als volgt gewijzigd:

In de definitie van International Financial Reporting Standards (IFRSs) wordt „afkomstig van” gewijzigd in „opgesteld door”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

IAS 10   Gebeurtenissen na de verslagperiode

A11   IAS 10 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

De titel wordt gewijzigd in „Gebeurtenissen na de verslagperiode”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

IAS 11   Onderhanden projecten in opdracht van derden

A12   In IAS 11 wordt in alinea's 26, 28 en 38 „de winst- en verliesrekening” gewijzigd in „winst of verlies”.

IAS 12   Winstbelastingen

A13   IAS 12 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

De derde alinea van het „Doel” van IAS 12 wordt als volgt gewijzigd:

„… Voor transacties en andere gebeurtenissen die buiten de winst of het verlies worden verwerkt (hetzij in niet-gerealiseerde resultaten, hetzij direct in het eigen vermogen) worden alle daarmee verband houdende fiscale gevolgen ook buiten de winst of het verlies verwerkt (hetzij in niet-gerealiseerde resultaten, hetzij direct in het eigen vermogen).”.

In alinea's 22 (b), 59, 60 en 65 wordt „de winst- en verliesrekening” gewijzigd in „winst of verlies”, en in alinea 81(g)(ii) wordt „de winst-en-verliesrekening” gewijzigd in „winst of verlies”.

Alinea 23 wordt als volgt gewijzigd:

„23

… In overeenstemming met alinea 61A wordt de uitgestelde belasting direct verrekend met de boekwaarde van de eigen-vermogenscomponent. In overeenstemming met alinea 58 worden daaropvolgende wijzigingen in de uitgestelde belastingverplichting in winst of verlies opgenomen als uitgestelde belastinglasten (-baten).”

In alinea 52 wordt in de opmerkingen aan het eind van Voorbeeld B en Voorbeeld C „alinea 61” gewijzigd in „alinea 61A” en wordt „direct verrekend met het eigen vermogen” gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen”.

Het kopje boven alinea 58 en alinea 58 worden als volgt gewijzigd:

„In winst of verlies opgenomen posten

58

Over de verslagperiode verschuldigde en verrekenbare belastingen en uitgestelde belastingen moeten als baten of lasten worden opgenomen in de winst of het verlies over de periode, tenzij de belasting voortvloeit uit:

(a)

een transactie of gebeurtenis die in dezelfde of een andere periode buiten de winst of het verlies is verwerkt, hetzij in niet-gerealiseerde resultaten, hetzij direct in het eigen vermogen (zie alinea's 61A tot en met 65); …”.

In alinea 60 wordt „verwerkt in het eigen vermogen” gewijzigd in „verwerkt buiten de winst of het verlies”.

In het kopje boven alinea 61 wordt „direct in het eigen vermogen worden verwerkt” gewijzigd in „buiten de winst of het verlies worden verwerkt”.

Alinea 61 wordt verwijderd. Alinea 61A wordt toegevoegd en luidt als volgt.

„61A

Over de verslagperiode verschuldigde en verrekenbare belastingen en uitgestelde belastingen moeten buiten de winst of het verlies worden verwerkt als ze betrekking hebben op posten die in dezelfde of een andere periode buiten de winst of het verlies zijn verwerkt. Derhalve moeten over de verslagperiode verschuldigde en verrekenbare belastingen en uitgestelde belastingen die betrekking hebben op posten die in dezelfde of een andere periode:

(a)

in niet-gerealiseerde resultaten zijn verwerkt, in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen (zie alinea 62).

(b)

direct in het eigen vermogen zijn verwerkt, direct in het eigen vermogen worden opgenomen (zie alinea 62A).”.

Alinea's 62 en 63 worden als volgt gewijzigd, en alinea 62A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„62

De International Financial Reporting Standards vereisen of staan toe dat bepaalde posten in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen. Voorbeelden van dergelijke posten zijn:

(a)

een wijziging van de boekwaarde die ontstaat uit de herwaardering van materiële vaste activa (zie IAS 16); en

(b)

[verwijderd]

(c)

wisselkoersverschillen die voortvloeien uit de omrekening van de jaarrekening van een buitenlandse activiteit (zie IAS 21).

(d)

[verwijderd]

62A

De International Financial Reporting Standards vereisen of staan toe dat bepaalde posten direct in het eigen vermogen worden verwerkt. Voorbeelden van dergelijke posten zijn:

(a)

een aanpassing van het beginsaldo van ingehouden winsten die voortvloeit uit een wijziging van de grondslagen voor financiële verslaggeving die retroactief wordt toegepast of uit de correctie van een fout (zie IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten); en

(b)

bedragen die voortvloeien uit de eerste opname van de eigen-vermogenscomponent van een samengesteld financieel instrument (zie alinea 23).

63

In uitzonderlijke omstandigheden kan het moeilijk zijn om het bedrag te bepalen van over de verslagperiode verschuldigde en verrekenbare belastingen en uitgestelde belastingen dat betrekking heeft op posten die buiten de winst of het verlies zijn verwerkt (hetzij in niet-gerealiseerde resultaten, hetzij direct in het eigen vermogen). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als:

(a)

(b)

een wijziging van het belastingtarief… met een post die voorheen buiten de winst of het verlies werd verwerkt; of

(c)

een entiteit … en de uitgestelde belastingvordering (geheel of gedeeltelijk) betrekking heeft op een post die voorheen buiten de winst of het verlies werd verwerkt.

In dergelijke gevallen worden de over de verslagperiode verschuldigde en verrekenbare belastingen en uitgestelde belastingen die betrekking hebben op posten die buiten de winst of het verlies zijn verwerkt, gebaseerd op een redelijke pro rata toerekening van de over de verslagperiode verschuldigde en verrekenbare belastingen en uitgestelde belastingen van de entiteit in de desbetreffende belastingjurisdictie, of op een ander methode die in de gegeven omstandigheden een meer geëigende toerekening bewerkstelligt.”.

In alinea 65 wordt „verwerkt in het eigen vermogen” gewijzigd in „opgenomen in niet-gerealiseerde resultaten”.

Alinea 68C wordt als volgt gewijzigd:

„68C

Zoals vermeld… (a) een transactie of gebeurtenis die in dezelfde of een andere periode buiten de winst of het verlies wordt opgenomen, of (b) een bedrijfscombinatie. …”.

Alinea 77 wordt als volgt gewijzigd, en alinea 77A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„77

De belastinglasten (-baten) met betrekking tot winst of verlies uit normale bedrijfsactiviteiten moeten in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten worden gepresenteerd.

77A

Als een entiteit de componenten van winst of verlies in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteert zoals beschreven in alinea 81 van IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007), dan moeten de belastinglasten (-baten) met betrekking tot winst of verlies uit normale bedrijfsactiviteiten in die afzonderlijke winst-en-verliesrekening worden gepresenteerd.”.

Alinea 81 wordt als volgt gewijzigd:

„81

De volgende informatie moet eveneens afzonderlijk worden gepresenteerd:

(a)

het totaalbedrag van over de verslagperiode verschuldigde en verrekenbare belastingen en uitgestelde belastingen die betrekking hebben op posten die direct in het eigen vermogen worden verwerkt (zie alinea 62A);

(ab)

het bedrag van winstbelasting met betrekking tot elke component van niet-gerealiseerde resultaten (zie alinea 62 en IAS 1 (herziene versie van 2007));

(b)

[verwijderd]; …”.

Alinea 92 wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„92

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werden de alinea's 23, 52, 58, 60, 62, 63, 65, 68C, 77 en 81 gewijzigd, werd alinea 61 verwijderd en werden alinea's 61A, 62A en 77A toegevoegd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 14   Gesegmenteerde informatie

A14   IAS 14 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

De alinea's 2, 52A en 54 worden als volgt gewijzigd:

„2

Een volledige jaarrekening omvat een balans, een overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, een kasstroomoverzicht, een mutatieoverzicht van het eigen vermogen en een toelichting, zoals beschreven in IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007). Als een afzonderlijke winst-en-verliesrekening wordt gepresenteerd in overeenstemming met IAS 1, maakt deze deel uit van die volledige jaarrekening.

52A

Een entiteit… alle bedrijfsactiviteiten die geclassificeerd zijn als beëindigde bedrijfsactiviteiten aan het eind van de recentste gepresenteerde verslagperiode.

54

Een voorbeeld van een waardering van de financiële prestaties van een segment boven het resultaat van een segment in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten is de brutomarge op de verkoop. Voorbeelden van de waardering van de financiële prestaties van een segment onder het resultaat van een segment in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten zijn winst of verlies uit normale bedrijfsactiviteiten (vóór of na winstbelastingen) en winst of verlies.”.

Alinea 85 wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„85

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 2 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten IAS 1 (herziene versie van 2007) toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 16   Materiële vaste activa

A15   IAS 16 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

De alinea's 39 en 40 worden als volgt gewijzigd:

„39

Indien de boekwaarde van een actief stijgt als gevolg van een herwaardering, moet de stijging in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen en in het eigen vermogen worden verwerkt als herwaarderingsreserve. De stijging moet echter…

40

Indien de boekwaarde van een actief … De afname moet echter in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen in zoverre de herwaarderingsreserve die op dat actief betrekking heeft over een creditsaldo beschikt. De in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen afname reduceert het bedrag dat als herwaarderingsreserve in het eigen vermogen is opgenomen.”.

In alinea 73(e)(iv) wordt „direct zijn opgenomen in of teruggeboekt uit het eigen vermogen” gewijzigd in „zijn opgenomen in of teruggeboekt uit niet-gerealiseerde resultaten”.

Alinea 81B wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„81B

IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts wijzigde IAS 1 (herziene versie van 2007) de alinea's 39, 40 en 73(e)(iv). Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 19   Personeelsbeloningen

A16   IAS 19 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In alinea 69 wordt „op elke volgende balansdatum” gewijzigd in „aan het eind van elke volgende verslagperiode”.

De alinea's 93A tot en met 93D worden als volgt gewijzigd:

„93A

Indien een entiteit, zoals toegestaan op grond van alinea 93, een beleid toepast waarbij actuariële winsten en verliezen worden opgenomen in de periode waarin ze ontstaan, mag de entiteit deze in niet-gerealiseerde resultaten opnemen in overeenstemming met de alinea's 93B tot en met 93D, vooropgesteld dat …

93B

Actuariële winsten en verliezen die in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen, zoals toegestaan op grond van alinea 93A, moeten in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten worden gepresenteerd.

93C

Een entiteit die actuariële winsten en verliezen opneemt in overeenstemming met alinea 93A, moet ook eventuele aanpassingen die voortvloeien uit de in alinea 58(b) beschreven limiet opnemen in niet-gerealiseerde resultaten.

93D

Actuariële winsten en verliezen en aanpassingen die voortvloeien uit de in alinea 58(b) beschreven limiet die in niet-gerealiseerde resultaten zijn opgenomen, moeten onmiddellijk in ingehouden winsten worden opgenomen. Ze mogen niet in een latere periode naar de winst of het verlies worden overgeboekt.”.

In alinea 105 en in het voorbeeld ter illustratie van alinea 106 wordt „de winst- en verliesrekening” gewijzigd in „winst of verlies”.

Alinea 120A wordt als volgt gewijzigd:

„120A

Een entiteit moet over toegezegd-pensioenregelingen de volgende informatie verstrekken: …

(h)

het in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen totaalbedrag voor: …

(i)

voor entiteiten die actuariële winsten en verliezen in overeenstemming met alinea 93A opnemen in niet-gerealiseerde resultaten, het cumulatieve bedrag van de actuariële winsten en verliezen dat in niet-gerealiseerde resultaten is opgenomen.”.

Alinea 161 wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„161

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts wijzigde IAS 1 (herziene versie van 2007) de alinea's 93A tot en met 93D, 106 (Voorbeeld) en 120A. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 20   Administratieve verwerking van overheidssubsidies en informatieverschaffing over overheidssteun

A17   IAS 20 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In alinea s 14 en 15 wordt „de winst-en-verliesrekening” gewijzigd in „winst of verlies”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

Alinea 29A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„29A

Als een entiteit de componenten van winst of verlies in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteert zoals beschreven in alinea 81 van IAS 1 (herziene versie van 2007), dan moet ze exploitatiesubsidies in die afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteren zoals vereist in alinea 29.”.

Alinea 42 wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„42

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 29A door IAS 1 (herziene versie van 2007) toegevoegd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 21   De gevolgen van wisselkoerswijzigingen

A18   IAS 21 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

In het kopje boven alinea 23 wordt „Rapportering op latere balansdata” gewijzigd in „Rapportering aan het eind van latere verslagperioden”.

In alinea 27 wordt „in eerste instantie in het eigen vermogen worden opgenomen” gewijzigd in „in eerste instantie in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen”.

In de alinea's 30 en 31 worden „rechtstreeks in het eigen vermogen wordt/worden opgenomen” en „in het eigen vermogen wordt opgenomen” gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten wordt/worden opgenomen”.

In alinea 32 wordt „aanvankelijk worden opgenomen in een afzonderlijke component van het eigen vermogen en moeten ze in de winst- en verliesrekening worden verwerkt” gewijzigd in „aanvankelijk worden opgenomen in niet-gerealiseerde resultaten en moeten ze van het eigen vermogen worden overgeboekt naar de winst of het verlies”.

In alinea 33 wordt „overgeboekt naar de afzonderlijke component van het eigen vermogen” gewijzigd in „opgenomen in niet-gerealiseerde resultaten”.

Alinea 37 wordt als volgt gewijzigd:

„37

De gevolgen … Wisselkoersverschillen die ontstaan uit de omrekening van een buitenlandse activiteit die voorheen overeenkomstig de alinea's 32 en 39(c) werden opgenomen in niet-gerealiseerde resultaten worden niet van het eigen vermogen overgeboekt naar de winst of het verlies zolang de activiteit niet wordt afgestoten.”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

In alinea 39(b) wordt „elke winst- en verliesrekening” gewijzigd in „elk gepresenteerd overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten of elke gepresenteerde afzonderlijke winst-en-verliesrekening”.

In alinea 39(c) wordt „als een afzonderlijke component van het eigen vermogen” gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten”.

De alinea's 41, 45, 46, 48 en 52 worden als volgt gewijzigd:

„41

De wisselkoersverschillen waarnaar in alinea 39(c) wordt verwezen, komen voort uit:

(a)

de omrekening van baten en lasten tegen de wisselkoersen op de transactiedata, en de omrekening van activa en verplichtingen tegen de slotkoers.

Deze wisselkoersverschillen worden niet opgenomen in winst of verlies omdat de wijzigingen in de wisselkoersen nauwelijks of geen rechtstreekse gevolgen hebben voor de huidige en toekomstige kasstromen uit bedrijfsactiviteiten. Het cumulatieve bedrag van de wisselkoersverschillen wordt in een afzonderlijke component van het eigen vermogen opgenomen tot de buitenlandse activiteit wordt afgestoten. Als de wisselkoersverschillen betrekking hebben op een buitenlandse activiteit die geconsolideerd wordt maar geen 100 %-dochteronderneming is, …

45

De opname… Bijgevolg wordt een dergelijk wisselkoersverschil verder opgenomen in winst of verlies van de geconsolideerde jaarrekening van de verslaggevende entiteit. Indien het wisselkoersverschil echter voortvloeit uit de in alinea 32 beschreven omstandigheden, wordt het in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen en in een afzonderlijke component van het eigen vermogen verwerkt tot de buitenlandse activiteit wordt afgestoten.

46

Als… staat IAS 27 het gebruik van een andere datum toe, op voorwaarde dat het verschil maximaal drie maanden bedraagt en dat aanpassingen worden doorgevoerd voor de gevolgen van eventuele belangrijke transacties of andere gebeurtenissen die zich tussen de twee verschillende data voordoen. …

48

Bij het afstoten van een buitenlandse activiteit moet het cumulatieve bedrag van de wisselkoersverschillen dat verband houdt met die buitenlandse activiteit, opgenomen in niet-gerealiseerde resultaten en verwerkt in een afzonderlijke component van het eigen vermogen, worden overgeboekt van het eigen vermogen naar de winst of het verlies (als een herclassificatieaanpassing) wanneer de winst of het verlies op de afstoting wordt opgenomen (zie IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)).

52

Een entiteit moet het volgende vermelden: …

(b)

de nettowisselkoersverschillen die in niet-gerealiseerde resultaten zijn opgenomen en die in een afzonderlijke component van het eigen vermogen zijn verwerkt, en een aansluiting tussen het bedrag van die wisselkoersverschillen aan het begin van de periode en het bedrag aan het eind van de periode.”.

Alinea 60A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„60A

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts wijzigde IAS 1 (herziene versie van 2007) de alinea's 27, 30–33, 37, 39, 41, 45, 48 en 52. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 24   Informatieverschaffing over verbonden partijen

A19   [Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

IAS 27   Geconsolideerde jaarrekening en enkelvoudige jaarrekening

A20   IAS 27 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In alinea 4 wordt in de definitie van het begrip kostprijsmethode „geaccumuleerde winst” gewijzigd in „ingehouden winsten”.

De alinea's 26, 27, 30 en 40(e) worden als volgt gewijzigd:

„26

De jaarrekeningen van de moedermaatschappij en haar dochterondernemingen die worden gebruikt voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening moeten op dezelfde datum worden opgesteld. Indien het einde van de verslagperiode van de moedermaatschappij niet samenvalt met dat van een dochteronderneming, moet de dochteronderneming ten behoeve van de consolidatie een extra jaarrekening opstellen op dezelfde datum als de jaarrekening van de moedermaatschappij, tenzij dit praktisch niet haalbaar is.

27

Als … de jaarrekening van een dochteronderneming die wordt gebruikt bij de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening wordt opgesteld op een andere datum dan die van de moedermaatschappij, moeten aanpassingen worden aangebracht voor de gevolgen van belangrijke transacties of gebeurtenissen die plaatsvinden tussen die datum en de datum van de jaarrekening van de moedermaatschappij. In elk geval mag het verschil tussen het einde van de verslagperiode van de dochteronderneming en dat van de moedermaatschappij niet meer dan drie maanden bedragen. De duur van de verslagperioden en een eventueel verschil wat betreft het einde van de verslagperioden moeten voor elke periode gelijk zijn.

30

De baten … die in overeenstemming met IAS 21 De gevolgen van wisselkoerswijzigingen in niet-gerealiseerde resultaten zijn opgenomen, wordt als een herclassificatieaanpassing naar de geconsolideerde winst of het geconsolideerde verlies overgeboekt als zijnde de winst of het verlies uit de afstoting van de dochteronderneming.

40

De volgende informatie …

(e)

het einde van de verslagperiode van de jaarrekening van een dochteronderneming indien deze jaarrekening wordt gebruikt bij de opstelling van een geconsolideerde jaarrekening en de datum of de periode van de jaarrekening niet samenvalt met die van de moedermaatschappij, en de reden waarom niet dezelfde datum of periode wordt gebruikt; …”.

Alinea 43A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„43A

IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 30 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 28   Investeringen in geassocieerde deelnemingen

A21   IAS 28 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

De alinea's 11, 24, 25, 37(e) en 39 worden als volgt gewijzigd:

„11

Volgens de „equity”-methode… Aanpassingen van de boekwaarde kunnen eveneens nodig zijn om wijzigingen te weerspiegelen in het proportionele belang van de investeerder in de deelneming die voortvloeien uit wijzigingen in de niet-gerealiseerde resultaten van de deelneming. Dergelijke wijzigingen omvatten wijzigingen die voortvloeien uit de herwaardering van materiële vaste activa en uit wisselkoersomrekeningsverschillen. Het aandeel van de investeerder in deze wijzigingen wordt in niet-gerealiseerde resultaten van de investeerder opgenomen (zie IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)).

24

De investeerder gebruikt … Indien het einde van de verslagperiode van de investeerder niet samenvalt met dat van de geassocieerde deelneming, moet de geassocieerde deelneming ten behoeve van de investeerder een jaarrekening opstellen op dezelfde datum als de jaarrekening van de investeerder, tenzij dit praktisch niet haalbaar is.

25

Als de jaarrekening van een geassocieerde deelneming gebruikt bij toepassing van de „equity”-methode … is opgesteld op een datum die verschilt van die van de investeerder … In elk geval mag het verschil tussen het einde van de verslagperiode van de geassocieerde deelneming en dat van de investeerder niet meer dan drie maanden bedragen. De duur van de verslagperioden en een eventueel verschil wat betreft het einde van de verslagperioden moeten voor elke periode gelijk zijn.

37

De volgende informatie …

(e)

het einde van de verslagperiode van de jaarrekening van een geassocieerde deelneming indien die jaarrekening wordt gebruikt bij de toepassing van de „equity-methode” en is opgesteld op een datum of voor een periode die niet samenvalt met die van de investeerder, en de reden waarom niet dezelfde datum of periode wordt gebruikt;

39

Het aandeel van de investeerder in wijzigingen die door de geassocieerde deelneming in niet-gerealiseerde resultaten zijn opgenomen, moet door de investeerder in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen.”.

Alinea 41A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„41A

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werden de alinea's 11 en 39 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 29   Financiële verslaggeving in economieën met hyperinflatie

A22   IAS 29 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In alinea 27 wordt „posten van de winst-en-verliesrekening” gewijzigd in „posten in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten”.

In alinea 28 wordt „posten van de winst-en-verliesrekening” gewijzigd in „baten en lasten”.

In alinea 36 wordt „verslagdata” gewijzigd in „einddata van de verslagperioden”.

IAS 32   Financiële instrumenten: presentatie

A23   IAS 32 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

In alinea 40 wordt „de winst-en-verliesrekening” gewijzigd in „het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten of de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (indien gepresenteerd)” (twee maal).

Alinea 97A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„97A

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 40 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

[De wijzigingen in de toepassingsleidraad zijn niet van toepassing op de Nederlandse versie.]

IAS 33   Winst per aandeel

A24   IAS 33 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In alinea 4 wordt „in haar enkelvoudige winst-en-verliesrekening” gewijzigd in „in haar overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten”.

Alinea 4A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„4A

Als een entiteit de componenten van winst of verlies in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteert zoals beschreven in alinea 81 van IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007), dan moet ze de winst per aandeel alleen in die afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteren.”.

In alinea 13 is „Presentatie van de jaarrekening” verwijderd.

Alinea 67 wordt als volgt gewijzigd: „… een tweeledige presentatie op één regel in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten worden uitgevoerd”.

De alinea's 67A, 68A, 73A en 74A worden toegevoegd en luiden als volgt:

„67A

Als een entiteit de componenten van winst of verlies in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteert zoals beschreven in alinea 81 van IAS 1 (herziene versie van 2007), dan moet ze de gewone en verwaterde winst per aandeel in die afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteren zoals vereist in alinea's 66 en 67.

68A

Als een entiteit de componenten van winst of verlies in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteert zoals beschreven in alinea 81 van IAS 1 (herziene versie van 2007), dan moet ze de gewone en verwaterde winst per aandeel voor de beëindigde bedrijfsactiviteit in die afzonderlijke winst-en-verliesrekening of in de toelichting presenteren zoals vereist in alinea 68.

73A

Alinea 73 is eveneens van toepassing op een entiteit die naast de gewone en verwaterde winst per aandeel bedragen per aandeel vermeldt op basis van een andere gerapporteerde component van de afzonderlijke winst-en-verliesrekening (zoals beschreven in alinea 81 van IAS 1 (herziene versie van 2007) dan dewelke op grond van deze standaard is voorgeschreven.

74A

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werden de alinea's 4A, 67A, 68A en 73A door IAS 1 (herziene versie van 2007) toegevoegd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 34   Tussentijdse financiële verslaggeving

A25   IAS 34 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

De alinea's 4, 5 en 8 worden als volgt gewijzigd:

„4

Een tussentijds financieel verslag is een financieel verslag dat ofwel een volledige jaarrekening (zoals beschreven in IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)), ofwel een beknopte jaarrekening (zoals beschreven in deze standaard) bevat voor een tussentijdse periode.

5

IAS 1 (herziene versie van 2007) bepaalt dat een volledige jaarrekening is samengesteld uit de volgende componenten:

(a)

een balans aan het eind van de periode;

(b)

een overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten over de periode;

(c)

een mutatieoverzicht van het eigen vermogen over de periode;

(d)

een kasstroomoverzicht over de periode;

(e)

de toelichting, bestaande uit een overzicht van de belangrijkste gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen; en

(f)

een balans aan het begin van de vroegste vergelijkende periode indien een entiteit een grondslag voor financiële verslaggeving retroactief toepast, posten in haar jaarrekening retroactief aanpast of posten in haar jaarrekening herclassificeert.

8

Een tussentijds financieel verslag moet…

(a)

een verkorte balans;

(b)

een verkort overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten, gepresenteerd als:

(i)

één enkel verkort overzicht; of

(ii)

een afzonderlijke verkorte winst-en-verliesrekening en een verkort overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten;

(c)

een verkort mutatieoverzicht van het eigen vermogen;

(d)

een verkort kasstroomoverzicht; en

(e)

geselecteerde toelichtingen.”

Alinea 8A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„8A

Als een entiteit de componenten van winst of verlies in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteert zoals beschreven in alinea 81 van IAS 1 (herziene versie van 2007), dan moet ze tussentijdse beknopte informatie uit die afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteren.”.

Alinea 11 wordt als volgt gewijzigd:

„11

In het overzicht waarin de componenten van winst of verlies voor een tussentijdse periode worden gepresenteerd, moet een entiteit de gewone en verwaterde winst per aandeel over die periode presenteren.”.

Alinea 11A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„11A

Als een entiteit de componenten van winst of verlies in een afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteert zoals beschreven in alinea 81 van IAS 1 (herziene versie van 2007), dan moet ze de gewone en verwaterde winst per aandeel in die afzonderlijke winst-en-verliesrekening presenteren.”.

Alinea 12 wordt als volgt gewijzigd:

„12

IAS 1 (herziene versie van 2007) verschaft een leidraad voor de structuur van jaarrekeningen. …”.

Alinea 13 wordt verwijderd.

In alinea 16(j) wordt „datum van de recentste jaarbalans” gewijzigd in „einde van de recentste jaarlijkse verslagperiode”.

Alinea 20 wordt als volgt gewijzigd:

„20

Tussentijdse verslagen moeten…

(a)

… boekjaar;

(b)

overzichten van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten voor de lopende tussentijdse periode en cumulatief voor het lopende boekjaar, met vergelijkende overzichten van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten voor de vergelijkbare tussentijdse perioden (periode en cumulatief voor het boekjaar) van het voorgaande boekjaar. Zoals toegestaan door IAS 1 (herziene versie van 2007), kan een tussentijds verslag voor elke periode hetzij één enkel overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten presenteren, hetzij een overzicht dat de componenten van winst of verlies weergeeft (afzonderlijke winst-en-verliesrekening) en een tweede overzicht dat begint met winst of verlies en dat de componenten van niet-gerealiseerde resultaten weergeeft (overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten);

(c)

mutatieoverzicht van het eigen vermogen cumulatief voor het lopende boekjaar, met een vergelijkend overzicht voor de vergelijkbare periode cumulatief voor het voorgaande boekjaar;

(d)

…”.

In alinea 21 wordt „die eindigen op de tussentijdse verslagdatum” gewijzigd in „tot het einde van de tussentijdse periode”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie. ]

In alinea 31 wordt „zowel op de data van jaarlijkse als tussentijdse financiële verslagen” gewijzigd in „aan het eind van zowel jaarlijkse als tussentijdse verslagperioden”.

In alinea 32 wordt „op een tussentijdse verslagdatum” gewijzigd in „aan het eind van een tussentijdse verslagperiode”. In dezelfde alinea wordt „op een jaarlijkse verslagdatum” gewijzigd in „aan het eind van een jaarlijkse verslagperiode”.

Alinea 47 wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„47

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werden de alinea's 4, 5, 8, 11, 12 en 20 gewijzigd, werd alinea 13 verwijderd en werden de alinea's 8A en 11A toegevoegd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 36   Bijzondere waardevermindering van activa

A26   IAS 36 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

De alinea's 61 en 120 worden als volgt gewijzigd:

„61

Een bijzonder waardeverminderingsverlies op een niet-geherwaardeerd actief wordt in winst of verlies opgenomen. Een bijzonder waardeverminderingsverlies op een geherwaardeerd actief wordt echter in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen voor zover het bijzonder waardeverminderingsverlies niet groter is dan het bedrag van de herwaarderingsreserve voor datzelfde actief. Een dergelijk bijzonder waardeverminderingsverlies op een geherwaardeerd actief reduceert de herwaarderingsreserve voor dat actief.

120

Een terugboeking van een bijzonder waardeverminderingsverlies op een geherwaardeerd actief wordt in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen en verhoogt de herwaarderingsreserve voor dat actief. In zoverre …”.

In de alinea's 126 en 129 wordt „direct in het eigen vermogen” gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten”.

Alinea 140A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„140A

IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werden de alinea's 61, 120, 126 en 129 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 37   Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa

A27   [Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

IAS 38   Immateriële activa

A28   IAS 38 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

De alinea's 85 en 86 worden als volgt gewijzigd:

„85

Als de boekwaarde van een immaterieel actief stijgt als gevolg van een herwaardering, moet de stijging in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen en in het eigen vermogen worden verwerkt als herwaarderingsreserve. De stijging moet …

86

Indien de boekwaarde … De afname moet echter in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen in zoverre de herwaarderingsreserve die op dat actief betrekking heeft over een creditsaldo beschikt. De in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen afname reduceert het bedrag dat als herwaarderingsreserve in het eigen vermogen is opgenomen.”.

In alinea 87 wordt „via de winst-en-verliesrekening” gewijzigd in „via winst of verlies”.

In alinea 118(e)(iii) wordt „direct in het eigen vermogen” gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten”.

Alinea 130B wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„130B

IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts wijzigde IAS 1 (herziene versie van 2007) de alinea's 85, 86 en 118(e)(iii). Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 39   Financiële instrumenten: opname en waardering

A29   IAS 39 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

Verwijzingen naar:

„in het eigen vermogen opgenomen/verwerkt” en „direct/rechtstreeks in het eigen vermogen opgenomen/verwerkt” worden gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

In alinea 12 wordt „op een latere verslagdatum” gewijzigd in „aan het eind van een latere verslagperiode”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

De alinea's 54 en 55 worden als volgt gewijzigd:

„54

Indien het wegens … Eerdere winsten of verliezen op dat actief die overeenkomstig alinea 55(b) in niet-gerealiseerde resultaten zijn opgenomen, moeten als volgt worden verwerkt:

(a)

Bij een … Indien het financieel actief daarna een bijzondere waardevermindering ondergaat, worden enige winsten of verliezen die in niet-gerealiseerde resultaten zijn opgenomen van het eigen vermogen overgeboekt naar de winst of het verlies in overeenstemming met alinea 67.

(b)

Bij een financieel actief dat geen vaste looptijd heeft, worden de winsten of verliezen in winst of verlies opgenomen wanneer het financieel actief wordt verkocht of anderszins vervreemd. Indien het financieel actief daarna een bijzondere waardevermindering ondergaat, worden vroegere winsten of verliezen die in niet-gerealiseerde resultaten zijn opgenomen van het eigen vermogen overgeboekt naar de winst of het verlies in overeenstemming met alinea 67.

55

Een winst die, of een verlies dat, … moet als volgt worden opgenomen.

(a)

(b)

Een winst of verlies op een voor verkoop beschikbaar financieel actief moet in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen, met uitzondering van bijzondere waardeverminderingsverliezen (zie de alinea's 67 tot en met 70) en wisselkoerswinsten en -verliezen (zie bijlage A, alinea TL83), totdat het financiële actief niet langer wordt opgenomen. Op dat moment moet de cumulatieve winst die of het cumulatieve verlies dat voorheen in niet-gerealiseerde resultaten werd opgenomen, worden overgeboekt van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)). Rente die …”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

In alinea 95(a) wordt „rechtstreeks in het eigen vermogen worden opgenomen en afzonderlijk toegelicht in het mutatieoverzicht van het eigen vermogen (zie IAS 1)” gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen”.

In alinea 97 wordt „overgeboekt worden naar de winst- en verliesrekening” gewijzigd in „overgeboekt worden van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1 (herziene versie van 2007))”.

De alinea's 98 en 100 worden als volgt gewijzigd:

„98

Indien de afdekking …

(a)

De entiteit boekt de hiermee samenhangende winsten en verliezen die overeenkomstig alinea 95 in niet-gerealiseerde resultaten zijn opgenomen over naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1 (herziene versie van 2007)) in dezelfde periode of perioden waarin het verworven actief of de aangegane verplichting de winst of het verlies beïnvloedt (zoals de perioden waarin afschrijvingskosten of de kostprijs van de omzet wordt opgenomen). Verwacht een entiteit echter dat een (deel van een) verlies dat in niet-gerealiseerde resultaten is verwerkt in een of meer toekomstige perioden niet recupereerbaar zal zijn, dan moet zij het naar verwachting niet-recupereerbare bedrag overboeken van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing.

(b)

De entiteit boekt de hiermee samenhangende winsten en verliezen die in overeenstemming met alinea 95 in niet-gerealiseerde resultaten zijn verwerkt over …

100

Voor andere kasstroomafdekkingen dan die welke in de alinea's 97 en 98 worden besproken, moeten bedragen die in niet-gerealiseerde resultaten waren opgenomen, overgeboekt worden van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1 (herziene versie van 2007) in dezelfde periode(n) waarin de afgedekte verwachte toekomstige transactie de winst of het verlies beïnvloedt (bijvoorbeeld wanneer een verwachte verkoop werkelijk plaatsvindt).”.

In alinea 101 wordt „rechtstreeks in het eigen vermogen was verwerkt” gewijzigd in „in niet-gerealiseerde resultaten werd verwerkt”, wordt „afzonderlijk in het eigen vermogen opgenomen blijven” gewijzigd in „afzonderlijk in het eigen vermogen blijven” en wordt „worden overgeboekt naar de winst-en-verliesrekening” gewijzigd in „overgeboekt worden van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing”.

Alinea 102 wordt als volgt gewijzigd:

„102

Afdekkingen van een netto-investering …

(a)

het deel van de winst of het verlies op het afdekkingsinstrument waarvan is vastgesteld dat het een effectieve afdekking is (zie alinea 88) moet in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen; en

(b)

het niet-effectieve deel moet in winst of verlies worden opgenomen.

De winst of het verlies op het afdekkingsinstrument met betrekking tot het effectieve deel van de afdekking dat in niet-gerealiseerde resultaten is opgenomen, moet bij afstoting van de buitenlandse activiteit worden overgeboekt van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1 (herziene versie van 2007)).”

Alinea 103C wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„103C

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts wijzigde IAS 1 (herziene versie van 2007) de alinea's 26, 27, 34, 54, 55, 57, 67, 68, 95(a), 97, 98, 100, 102, 105, 108, TL4D, TL4E(d)(i), TL56, TL67, TL83 en TL99B. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

De alinea's 105 en 108 worden als volgt gewijzigd:

„105

Een entiteit … Bij dergelijke financiële activa moet de entiteit alle cumulatieve veranderingen in de reële waarde in een afzonderlijke component van het eigen vermogen opnemen tot het actief niet langer wordt opgenomen of aan een bijzondere waardevermindering onderhevig is geweest. Op dat moment moet de entiteit die cumulatieve winst of dat cumulatieve verlies overboeken van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1 (herziene versie van 2007)). Voorts moet de entiteit …

108

Een entiteit mag de boekwaarde van niet-financiële activa en niet-financiële verplichtingen niet aanpassen om winsten en verliezen met betrekking tot kasstroomafdekkingen uit te sluiten die deel uitmaakten van de boekwaarde vóór het begin van het boekjaar waarin de standaard voor het eerst wordt toegepast. Aan het begin van de verslagperiode waarin deze standaard voor het eerst wordt toegepast, moet elk bedrag dat buiten de winst of het verlies is opgenomen (hetzij in niet-gerealiseerde resultaten, hetzij direct in het eigen vermogen) in verband met een afdekking van een vaststaande toezegging die op grond van deze standaard als een reële-waardeafdekking wordt verwerkt, als een actief of een verplichting worden geherclassificeerd, behalve een afdekking van een valutarisico die de entiteit als een kasstroomafdekking blijft behandelen.”.

Bijlage A Toepassingsleidraad wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In alinea TL4E(d)(i) wordt „waardeveranderingen worden verwerkt in het eigen vermogen” gewijzigd in „waardeveranderingen worden verwerkt in niet-gerealiseerde resultaten”.

In alinea TL25 wordt „op elke balansdatum daarna” gewijzigd in „aan het eind van elke latere verslagperiode”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

In alinea TL67 wordt „De volgende verslagdatum” gewijzigd in „Het einde van de verslagperiode”.

Alinea TL99B wordt als volgt gewijzigd:

„TL99B

Komt een afdekking van een verwachte toekomstige intragroepstransactie in aanmerking voor de toepassing van hedge accounting, dan moet de eventuele winst die of het eventuele verlies dat overeenkomstig alinea 95(a) in niet-gerealiseerde resultaten is opgenomen, van het eigen vermogen naar de winst of het verlies worden overgeboekt als een herclassificatieaanpassing in dezelfde periode of perioden waarin het wisselkoersrisico van de afgedekte transactie de geconsolideerde winst of het geconsolideerde verlies beïnvloedt.”.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

IAS 40   Vastgoedbeleggingen

A30   In IAS 40 wordt alinea 62 als volgt gewijzigd:

„62

Tot het moment waarop … Met andere woorden:

(a)

enige resulterende afname van de boekwaarde van de onroerende zaak wordt opgenomen in winst of verlies. Voor zover echter voor die onroerende zaak een herwaarderingsreserve is gevormd, wordt de afname opgenomen in niet-gerealiseerde resultaten en in mindering gebracht op de herwaarderingsreserve in het eigen vermogen;

(b)

enige resulterende toename van de boekwaarde wordt als volgt behandeld:

(i)

(ii)

enig overblijvend deel van de toename wordt in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen en verhoogt de herwaarderingsreserve in het eigen vermogen. Indien de …”.

Alinea 85A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„85A

IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 62 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IAS 41   Landbouw

A31   In alinea 24(a) wordt „een balansdatum” gewijzigd in „het einde van een verslagperiode”.

IFRIC 1   Wijzigingen in bestaande verplichtingen voor ontmanteling, herstel en soortgelijke verplichtingen

A32   IFRIC 1 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In het deel „Referenties” wordt „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2003)” gewijzigd in „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)”.

Alinea 6 wordt als volgt gewijzigd:

„6

Indien het desbetreffende actief wordt gewaardeerd volgens het herwaarderingsmodel:

(a)

veranderen wijzigingen in de verplichting …. Dit betekent dat:

(i)

een afname van de verplichting (behoudens (b)) in niet-gerealiseerde resultaten moet worden opgenomen en de herwaarderingsreserve in het eigen vermogen verhoogt, …;

(ii)

een toename van de verplichting in winst of verlies moet worden opgenomen, behalve wanneer de herwaarderingsreserve voor het desbetreffende actief een creditsaldo heeft; in dat geval moet de toename in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen en in mindering worden gebracht op de herwaarderingsreserve in het eigen vermogen;

(b)

(c)

een wijziging … Met elke dusdanige herwaardering moet rekening worden gehouden bij de bepaling van de bedragen die in winst of verlies of in niet-gerealiseerde resultaten moeten worden opgenomen ingevolge (a). Wanneer een herwaardering noodzakelijk is, moeten alle activa van die categorie worden geherwaardeerd.

(d)

IAS 1 vereist dat elke component van niet-gerealiseerde resultaten wordt vermeld in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten. Bij naleving van deze vereiste moet de wijziging in de herwaarderingsreserve die voortvloeit uit een wijziging in de verplichting afzonderlijk worden geïdentificeerd en als zodanig worden vermeld.”.

Alinea 9A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„9A

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 6 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

IFRIC 7   Toepassing van de aanpassingsmethode in overeenstemming met IAS 29 Financiële verslaggeving in economieën met hyperinflatie

A33   IFRIC 7 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In alinea 3 wordt „de datum van de eindbalans van de verslagperiode” gewijzigd in „het einde van de verslagperiode”.

In alinea 4 wordt „de eindbalansdatum” gewijzigd in „het einde van de verslagperiode”, en wordt „de datum van de eindbalans van die verslagperiode” gewijzigd in „het einde van die verslagperiode”.

IFRIC 10   Tussentijdse financiële verslaggeving en bijzondere waardevermindering

A34   IFRIC 10 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In alinea 1 wordt „op elke verslagdatum” gewijzigd in „aan het einde van elke verslagperiode”, wordt „op elke balansdatum” gewijzigd in „aan het einde van elke verslagperiode”, en wordt „Op een latere verslag- of balansdatum” gewijzigd in „Aan het einde van een latere verslagperiode”.

In alinea 7 wordt „op een latere balansdatum” gewijzigd in „aan het eind van een latere verslagperiode”.

IFRIC 14   IAS 19 — De limiet voor een actief uit hoofde van toegezegde pensioenrechten, vereisten inzake minimale financiering en de wisselwerking hiertussen

A34A   IFRIC 14 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

[Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

In alinea 26(b) wordt „het overzicht van het totaalresultaat” gewijzigd in „niet-gerealiseerde resultaten”.

Alinea 27A wordt toegevoegd en luidt als volgt:

„27A

IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de terminologie die in de IFRSs wordt gebruikt. Daarnaast wijzigde IAS 1 alinea 26. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

SIC-7   Invoering van de euro

A35   SIC-7 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In het deel „Referenties” wordt „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)” toegevoegd.

Alinea 4(b) wordt als volgt aangepast:

„4

Dit betekent met name dat:

(a)

(b)

in niet-gerealiseerde resultaten opgenomen cumulatieve wisselkoersverschillen met betrekking tot de omrekening van de jaarrekening van buitenlandse activiteiten in het eigen vermogen moeten worden verwerkt en enkel bij de afstoting van de netto-investering in de buitenlandse activiteit moeten worden overgeboekt van het eigen vermogen naar de winst of het verlies; en …”

Onder het kopje „Ingangsdatum” wordt na „IAS 8” een nieuwe alinea toegevoegd, die als volgt luidt:

„IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 4 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

SIC-10   Overheidssteun — Geen specifiek verband met bedrijfsactiviteiten

A36   [Wijziging niet van toepassing op Nederlandse versie.]

SIC-13   Entiteiten waarover gezamenlijk de zeggenschap wordt uitgeoefend – Niet-monetaire bijdragen door deelnemers in een joint venture

A37   In SIC-13 wordt in alinea 3(a) „de winst-en-verliesrekening” gewijzigd in „winst of verlies”.

SIC-15   Operationele leases — Prikkels

A38   In het deel „Referenties” wordt „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2003)” gewijzigd in „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)”.

SIC-25   Winstbelastingen — Wijzigingen in de fiscale status van een entiteit of haar aandeelhouders

A39   SIC-25 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In het deel „Referenties” wordt „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)” toegevoegd.

Alinea 4 wordt als volgt gewijzigd:

„4

Een wijziging van de fiscale status van een entiteit of van haar aandeelhouders geeft geen aanleiding tot een verhoging of verlaging van de bedragen die buiten de winst of het verlies zijn verwerkt. De gevolgen op het vlak van over de verslagperiode verschuldigde en verrekenbare belastingen en uitgestelde belastingen van een gewijzigde fiscale status moeten in de winst of het verlies over de periode worden opgenomen, tenzij die gevolgen betrekking hebben op transacties en gebeurtenissen die in dezelfde of een andere periode leiden tot een directe mutatie in het opgenomen bedrag van eigen vermogen of tot bedragen die in niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen. De fiscale gevolgen die betrekking hebben op wijzigingen in het opgenomen bedrag van eigen vermogen, in dezelfde of een andere periode (niet opgenomen in de winst of het verlies), moeten direct in het eigen vermogen worden verwerkt. De fiscale gevolgen die betrekking hebben op bedragen die in niet-gerealiseerde resultaten zijn opgenomen, moeten in niet-gerealiseerde resultaten worden verwerkt.”.

Onder het kopje „Ingangsdatum” wordt na „IAS 8” een nieuwe alinea toegevoegd, die als volgt luidt:

„IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 4 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.

SIC-29   Dienstverlening uit hoofde van concessieovereenkomsten: informatieverschaffing

A40   In het deel „Referenties” wordt „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2003)” gewijzigd in „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)”.

SIC-32   Immateriële activa — Kosten van websites

A41   SIC-32 wordt gewijzigd zoals hieronder beschreven.

In het deel „Referenties” wordt „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2003)” gewijzigd in „IAS 1 Presentatie van de jaarrekening (herziene versie van 2007)”.

Alinea 5 wordt als volgt gewijzigd:

„5

Deze SIC-interpretatie… Voorts, indien een entiteit uitgaven doet voor het hosten van de website van de entiteit via een internetprovider, worden die uitgaven op grond van IAS 1.88 en het Raamwerk opgenomen als lasten op het moment dat de diensten worden ontvangen.”.

Onder het kopje „Ingangsdatum” wordt een tweede alinea toegevoegd, die als volgt luidt:

„IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 5 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.”.


(1)  In België: werk in uitvoering.

(2)  In België: werk in uitvoering.


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/45


VERORDENING (EG) Nr. 1275/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft voorschriften inzake ecologisch ontwerp voor het elektriciteitsverbruik van elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparatuur in de stand by-stand en de uit-stand

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG van de Raad en de Richtlijnen 96/57/EG en 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name op artikel 15, lid 1,

Na raadpleging van het overlegforum inzake ecologisch ontwerp,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Richtlijn 2005/32/EG dient de Commissie voorschriften inzake ecologisch ontwerp vast te stellen voor energieverbruikende producten met een significant omzet- en handelsvolume, een significant milieueffect en een significant potentieel voor verbetering met betrekking tot het milieueffect, zonder dat dit buitensporige kosten met zich brengt.

(2)

In artikel 16, lid 2, tweede streepje, van Richtlijn 2005/32/EG is bepaald dat de Commissie overeenkomstig de in artikel 19, lid 3, bedoelde procedure en de criteria van artikel 15, lid 2, en na raadpleging van het overlegforum, een afzonderlijke uitvoeringsmaatregel dient vast te stellen ter vermindering van de verliezen in de stand by-stand voor een groep producten.

(3)

De Commissie heeft in een voorbereidende studie de technische, milieutechnische en economische aspecten van het energieverlies van apparaten in de stand by-stand en de uit-stand geanalyseerd. De studie is verricht in samenwerking met de belanghebbende en betrokken partijen uit de Europese Unie en derde landen, en de bevindingen ervan zijn bekendgemaakt.

(4)

Volgens de voorbereidende studie gaat bij de meeste in de Gemeenschap verkochte elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparatuur energie verloren in de stand by- en de uit-stand en bedroeg dit energieverlies voor de hele Gemeenschap in 2005 naar raming 47 TWh of, omgerekend naar uitstoot, 19 Mt CO2. Voorspeld wordt dat, wanneer geen tegenmaatregelen worden genomen, dit verbruik tegen 2020 tot 49 TWh zal zijn gestegen. De conclusie luidde dat het elektriciteitsverbruik in de stand by- en de uit-stand significant kan worden teruggebracht.

(5)

Het elektriciteitsverbruik van apparaten in de stand by- en de uit-stand dient te worden verbeterd aan de hand van bestaande, niet aan eigendomsrechten gebonden, kostenefficiënte technologieën die de gecombineerde uitgaven voor de aankoop en de werking van de apparatuur verlagen.

(6)

Met de vaststelling van voorschriften inzake ecologisch ontwerp voor het elektriciteitsverbruik van elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparatuur in de stand by- en de uit-stand wordt beoogd de toepassing van dergelijke voorschriften in de hele Gemeenschap te harmoniseren, de werking van de interne markt te bevorderen en de milieuprestatie van de betrokken producten te verbeteren.

(7)

De voorschriften inzake ecologisch ontwerp mogen geen negatieve invloed hebben op de werking van het product, noch op de gezondheid, de veiligheid en het milieu. Zo moeten met name de voordelen van een lager elektriciteitsverbruik in de gebruiksfase meer dan opwegen tegen een eventuele aanvullende milieu-impact in de fase waarin apparaten met een elektriciteitsverlies in de stand by- en/of de uit-stand worden geproduceerd.

(8)

Deze verordening dient slechts van toepassing te zijn op voor de thuisomgeving bestemde huishoud- en kantoorapparatuur die, wat IT-apparatuur betreft, valt onder klasse B van EN-55022:2006. Het toepassingsgebied moet zo worden afgebakend dat apparatuur die nog niet in de handel is, maar op een vergelijkbare manier werkt als de expliciet in deze verordening genoemde producten, overeenkomstig de voorschriften inzake ecologisch ontwerp moet worden ontworpen. Zo nodig kan de in deze verordening opgenomen lijst van producten op grond van een wijziging worden aangevuld.

(9)

Werkingsstanden die niet onder deze verordening vallen, zoals de ACPI S3-stand bij computers, moeten worden behandeld in productspecifieke uitvoeringsmaatregelen die krachtens Richtlijn 2005/32/EG worden vastgesteld.

(10)

In beginsel mogen de voorschiften inzake de stand by- en de uit-stand die in productspecifieke maatregelen krachtens Richtlijn 2005/32/EG worden vastgesteld, niet minder ambitieus zijn dan de in deze verordening opgenomen voorschriften.

(11)

Om onnodig energieverbruik te voorkomen, moeten producten die geen functie uitvoeren, idealiter in een „0 watt”-verbruiksstand worden geschakeld. Of een en ander technisch haalbaar en wenselijk is, moet voor elk product apart worden nagegaan in het kader van de betrokken uitvoeringsmaatregel die krachtens Richtlijn 2005/32/EG wordt vastgesteld.

(12)

De over twee fasen gespreide inwerkingtreding van de voorschriften inzake ecologisch ontwerp moet de fabrikanten voldoende tijd geven om het ontwerp van producten bij te stellen met het oog op een lager verbruik in stand by- en de uit-stand. De inwerkingtreding moet zo worden gefaseerd dat de werking van de in de handel gebrachte apparatuur geen schade ondervindt, dat rekening wordt gehouden met de kostenimpact voor de fabrikanten, met name de kmo’s, en dat de beleidsdoelstellingen tijdig worden verwezenlijkt. Het elektriciteitsverbruik moet worden gemeten aan de hand van de algemeen aanvaarde stand van de techniek; de fabrikanten mogen gebruikmaken van geharmoniseerde normen overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2005/32/EG.

(13)

Dankzij deze verordening moet de marktpenetratie van technologieën die de energie-efficiëntie van apparaten in de stand by- en de uit-stand verbeteren, in die mate toenemen dat tegen 2020 35 TWh minder energie wordt verbruikt dan in het kader van het „business-as-usual”-scenario.

(14)

Krachtens artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2005/32/EG dient in de onderhavige verordening te worden gepreciseerd dat de interne ontwerpcontrole en het beheersysteem, als beschreven in, respectievelijk, bijlage IV en bijlage V bij Richtlijn 2005/32/EG als overeenstemmingsbeoordelingsprocedures worden beschouwd.

(15)

Om de nalevingscontroles te vergemakkelijken, worden de fabrikanten verzocht om de in de bijlagen IV en V van Richtlijn 2005/32/EG bedoelde technische documentatiegegevens te verstrekken over functies die onder de definitie van stand by-/uit-stand vallen, en over het elektriciteitsverbruik van deze functies.

(16)

Er moeten benchmarks worden vastgesteld voor momenteel beschikbare technologieën die zorgen voor een laag elektriciteitsverbruik in de stand by- en de uit-stand. Dit is bevorderlijk voor een brede verspreiding van vlot toegankelijke informatie, met name voor kmo’s en zeer kleinschalige bedrijven, wat op zijn beurt zal zorgen voor een grootschaliger toepassing van de beste ontwerptechnologieën ter verlaging van het energieverbruik in de stand by- en de uit-stand.

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 19, lid 1, van Richtlijn 2005/32/EG ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

Bij deze verordening worden voorschriften inzake ecologisch ontwerp vastgesteld met betrekking tot het elektriciteitsverbruik in de stand by-stand en de uit-stand. Deze verordening is van toepassing op elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparatuur.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de in Richtlijn 2005/32/EG vastgestelde definities. De volgende definities zijn eveneens van toepassing:

1.

„elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparatuur” (hierna „apparatuur” genoemd): energieverbruikende producten die

a)

in de handel beschikbaar zijn als aparte functionele eenheden en bestemd zijn voor de eindgebruiker;

b)

worden genoemd in de in bijlage I opgenomen lijst van energieverbruikende producten;

c)

aan het elektriciteitsnet moeten worden gekoppeld om naar behoren te kunnen functioneren, en

d)

zijn ontworpen voor gebruik met een nominale spanning van maximaal 250 V;

tevens wanneer zij in de handel worden gebracht om buiten het huishouden of het kantoor te worden gebruikt;

2.

„stand by-stand(en)”: stand waarin de apparatuur aan het elektriciteitsnet is gekoppeld, afhankelijk is van de energietoevoer van het elektriciteitsnet om naar behoren te kunnen functioneren, en gedurende onbepaalde tijd uitsluitend de volgende functies uitvoert:

de reactiveringsfunctie, hetzij de reactiveringsfunctie in combinatie met, uitsluitend, de indicatie van de werking van de reactiveringsfunctie, en/of

de informatie- of toestandweergave.

3.

„reactiveringsfunctie”: functie die de activering van andere standen, inclusief de aan-stand, aan de hand van een schakelaar-op-afstand, waaronder afstandsbediening, een interne sensor of een timer mogelijk maakt en aanvullende functies, waaronder de hoofdfunctie, inschakelt;

4.

„informatie- of toestandweergave”: doorlopende functie die zorgt voor de weergave van informatie of van de toestand van de apparatuur op een scherm, inclusief klokken;

5.

„aan-stand(en)”: stand waarin de apparatuur aan het elektriciteitsnet is gekoppeld en ten minste één van de hoofdfuncties waarvoor de apparatuur is bedoeld, geactiveerd is;

6.

„uit-stand”: stand waarin de apparatuur aan het elektriciteitsnet is gekoppeld en geen functie uitvoert; de volgende standen worden eveneens als uit-stand beschouwd:

a)

standen waarin slechts wordt aangegeven dat de apparatuur zich in de uit-stand bevindt,

b)

standen waarin uitsluitend functies worden uitgevoerd om de elektromagnetische compatibiliteit in de zin van Richtlijn 2004/108/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) te garanderen.

7.

„informatietechnologieapparatuur”: apparatuur met als hoofdfunctie het invoeren, opslaan, weergeven, opvragen, versturen, verwerken, doorschakelen of beheren van gegevens en telecommunicatieboodschappen of een combinatie van deze functies, die kan zijn uitgerust met één of meer voor informatieoverdracht bestemde terminalpoorten.

8.

„thuisomgeving”: een omgeving waar radio- en televisietoestellen een verwacht ontvangstbereik van 10 m hebben.

Artikel 3

Voorschriften inzake ecologisch ontwerp

De voorschriften inzake ecologisch ontwerp met betrekking tot het elektriciteitsverbruik in de stand by- en in de uit-stand zijn vastgesteld in bijlage II.

Artikel 4

Overeenstemmingsbeoordeling

De in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2005/32/EG bedoelde overeenstemmingsbeoordelingsprocedure is de in bijlage IV bij Richtlijn 2005/32/EG beschreven interne ontwerpcontrole of het in bijlage V bij Richtlijn 2005/32/EG beschreven beheersysteem.

Artikel 5

Markttoezichtprocedure

Er worden toezichtcontroles uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage III opgenomen toezichtprocedure.

Artikel 6

Benchmarks

De indicatieve benchmarks voor de best presterende, op de markt beschikbare producten en technologieën zijn opgenomen in bijlage IV.

Artikel 7

Herziening

De Commissie herziet deze verordening uiterlijk zes jaar na de inwerkingtreding ervan in het licht van de technologische vooruitgang en legt de bevindingen van deze herziening over aan het overlegforum.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Punt 1 van bijlage II wordt één jaar na de in de eerste alinea bedoelde datum van toepassing.

Punt 2 van bijlage II wordt vier jaar na de in de eerste alinea bedoelde datum van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Andris PIEBALGS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 191 van 22.7.2005, blz. 29.

(2)  PB L 390 van 31.12.2004, blz. 24.


BIJLAGE I

Lijst van onder deze verordening vallende energieverbruikende producten

1.

Huishoudelijke apparaten

Wasmachines

Wasdrogers

Vaatwasmachines

Kooktoestellen:

Elektrische ovens

Elektrische kookplaten

Magnetronovens

Broodroosters

Frituurpannen

Koffiemolens, koffiezetmachines en apparatuur voor het openen of luchtdicht sluiten van recipiënten of verpakkingen

Elektrische messen

Andere apparaten die bestemd zijn voor het koken of anderszins verwerken van levensmiddelen, of voor het schoonmaken en onderhouden van kleding.

Tondeuses, haardrogers, elektrische tandenborstels, scheerapparaten, massage- en andere lichaamsverzorgingsapparaten

Weegschalen

2.

Informatietechnologieapparatuur die voornamelijk bestemd is voor gebruik in de thuisomgeving

3.

Consumentenapparatuur

Radiotoestellen

Televisietoestellen

Videocamera’s

Videorecorders

Hifi-recorders

Geluidsversterkers

Huisbioscoopsystemen

Muziekinstrumenten

en andere apparatuur voor het opnemen of weergeven van geluid of beelden, waaronder signalen of andere beeld- en geluidverspreidingstechnieken dan telecommunicatie

4.

Speelgoed, ontspannings- en sportapparatuur

Elektrische treinen en autoracebanen

Handconsoles voor videospellen

Sportapparatuur met elektrische of elektronische onderdelen

Ander speelgoed en andere ontspannings- en sportapparatuur


BIJLAGE II

Voorschriften inzake ecologisch ontwerp

1.

Eén jaar na de inwerkingtreding van deze verordening:

a)

Elektriciteitsverbruik in „uit-stand”:

Apparatuur in een „uit-stand” mag maximaal 1,00 W verbruiken.

b)

Elektriciteitsverbruik in „stand by-stand(en)”:

Apparatuur in een stand die uitsluitend een reactiveringsfunctie heeft, eventueel in combinatie met de indicatie van de werking van de reactiveringsfunctie, mag maximaal 1,00 W verbruiken.

Apparatuur in een stand die uitsluitend informatie of de toestand weergeeft, eventueel in combinatie met een reactiveringsfunctie, mag maximaal 2,00 W verbruiken.

c)

Beschikbaarheid van een uit-stand en/of een stand by-stand

Behalve wanneer dit niet geschikt is met het oog op de gebruiksbestemming van het product, dient de apparatuur over een uit-stand en/of een stand by-stand te beschikken en/of over een andere stand waarin de met het elektriciteitsnet verbonden apparatuur niet meer verbruikt dan de geldende voorschriften voor het elektriciteitsverbruik in de uit-stand en/of de stand by-stand.

2.

Vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening:

a)

Elektriciteitsverbruik in „uit-stand”:

Apparatuur in een „uit-stand” mag maximaal 0,50 W verbruiken.

b)

Elektriciteitsverbruik in „stand by-stand(en)”:

Apparatuur in een stand die uitsluitend een reactiveringsfunctie heeft, eventueel in combinatie met de indicatie van de werking van de reactiveringsfunctie, mag maximaal 0,50 W verbruiken.

Apparatuur in een stand die uitsluitend informatie of de toestand weergeeft, eventueel in combinatie met een reactiveringsfunctie, mag maximaal 1,00 W verbruiken.

c)

Beschikbaarheid van een uit-stand en/of een stand by-stand

Behalve wanneer dit niet geschikt is met het oog op de gebruiksbestemming van de apparatuur, dient de apparatuur over een uit-stand en/of een stand by-stand te beschikken en/of over een andere stand waarin de met het elektriciteitsnet verbonden apparatuur niet meer verbruikt dan de geldende voorschriften voor het elektriciteitsverbruik in de uit-stand en/of de stand by-stand.

d)

Stroombeheer

Apparatuur die haar hoofdfunctie niet uitvoert of waarvan de functies niet noodzakelijk zijn voor een ander energieverbruikend product of andere energieverbruikende producten, moet, behalve wanneer dit niet geschikt is met het oog op de gebruiksbestemming van de apparatuur, over een stroombeheerfunctie of een soortgelijke functie beschikken waarmee de apparatuur na een minimale, met de gebruiksbestemming van de apparatuur overeenstemmende tijd automatisch wordt overgeschakeld naar:

hetzij de stand by-stand,

hetzij de uit-stand,

hetzij een andere stand waarin de met het elektriciteitsnet verbonden apparatuur niet meer verbruikt dan de geldende voorschriften voor het elektriciteitsverbruik in de uit-stand en/of de stand by-stand. De stroombeheerfunctie dient vóór levering te worden geactiveerd.

3.

Metingen

Het in de punten 1, onder a) en b), en 2, onder a) en b), vastgestelde elektriciteitsverbruik moet worden gemeten aan de hand van een betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare meetprocedure die overeenstemt met de algemeen aanvaarde stand van de techniek.

Metingen van 0,50 W of meer worden verricht met een onzekerheidstolerantie van maximaal 2 % bij een betrouwbaarheidsniveau van 95 %. Metingen van minder dan 0,50 W worden verricht met een onzekerheidstolerantie van maximaal 0,01 W bij een betrouwbaarheidsniveau van 95 %.

4.

Door de fabrikanten te verstrekken informatie

Met het oog op de in artikel 4 bedoelde overeenstemmingsbeoordeling dient de technische documentatie de volgende gegevens te bevatten:

a)

Per stand by-stand en/of uit-stand

Het elektriciteitsverbruik in watt, afgerond tot op twee decimalen

De gebruikte meetmethode

Een beschrijving van de selectie of programmering van de stand

Een beschrijving van de opeenvolgende stappen die nodig zijn om de stand te bereiken waarin de apparatuur automatisch op andere standen overschakelt

Opmerkingen over de werking van de apparatuur

b)

Testparameters voor metingen

Omgevingstemperatuur

Testvoltage in V en frequentie in Hz

Totale harmonische vervorming van het elektriciteitsvoorzieningssysteem

Informatie en documentatie over de voor de elektriciteitsverbruikscontroles gebruikte instrumenten, configuratie en circuits

c)

De kenmerken van de apparatuur die relevant zijn voor de beoordeling van de overeenstemming met de in punt 1, onder c) of, naargelang het geval, in punt 2, onder c) en/of d), vastgestelde voorschriften, met inbegrip van de tijd die nodig is voor de inschakeling van de stand by-stand, de uit-stand of een andere stand waarin de apparatuur niet meer verbruikt dan de geldende voorschriften voor het elektriciteitsverbruik in de uit-stand en/of de stand by-stand.

In voorkomend geval moet met name een technische motivering worden verstrekt waaruit blijkt dat de in punt 1, onder c), of in punt 2, onder c) en/of d), vastgestelde voorschriften niet geschikt zijn met het oog op de gebruiksbestemming van de apparatuur.


BIJLAGE III

Controleprocedure

Bij de uitvoering van de in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2005/32/EG bedoelde martkttoezichtcontroles moeten de autoriteiten van de lidstaten met betrekking tot de voorschriften van, respectievelijk, bijlage II, punt 1, onder a) en b), of punt 2, onder a) en b), gebruikmaken van de onderstaande controleprocedure.

Met betrekking tot een voorgeschreven elektriciteitsverbruik van meer dan 1,00 W: de autoriteiten van de lidstaten controleren één exemplaar.

Het model wordt als conform aan de voorschriften van, respectievelijk, bijlage II, punt 1, onder a) en b), of punt 2, onder a) en b), beschouwd indien de resultaten in de uit-stand en de stand by-stand de geldende grenswaarden met niet meer dan 10 % overschrijden.

Bij overschrijding van de grenswaarden worden drie extra eenheden gecontroleerd. Het model wordt als conform aan deze verordening beschouwd indien het gemiddelde van de resultaten van de controles die op de uit-stand en/of de stand by-stand van deze drie extra eenheden zijn verricht, de grenswaarden met niet meer dan 10 % overschrijdt.

Met betrekking tot een voorgeschreven elektriciteitsverbruik van maximaal 1,00 W: de autoriteiten van de lidstaten controleren één eenheid.

Het model wordt als conform aan de voorschriften van, respectievelijk, bijlage II, punt 1, onder a) en b), of punt 2, onder a) en b), beschouwd indien de resultaten in de uit-stand en/of de stand by-stand de grenswaarden met niet meer dan 0,10 W overschrijden.

Bij overschrijding van de grenswaarden worden drie extra eenheden gecontroleerd Het model wordt als conform aan deze verordening beschouwd indien het gemiddelde van de resultaten van de controles die op de uit-stand en/of de stand by-stand van deze drie extra eenheden zijn verricht, de grenswaarden met niet meer dan 0,10 W overschrijdt.

Indien het model ook niet aan die eis voldoet, wordt het als niet-conform beschouwd.


BIJLAGE IV

Benchmarks

Voor de toepassing van bijlage I, deel 3, punt 2, van Richtlijn 2005/32/EG worden de volgende benchmarks vastgesteld:

Uit-stand: 0 W-0,3 W met een „harde uit-schakelaar” aan de hoofdzijde, afhankelijk, onder meer, van de kenmerken met betrekking tot de elektromagnetische compatibiliteit in de zin van Richtlijn 2004/108/EG.

Stand by-stand — reactiveringsfunctie: 0,1 W.

Stand by-stand — weergavefunctie: 0,1 W voor eenvoudige weergavefuncties en zuinige LED’s; grotere weergavefuncties (zoals klokken) vergen meer energie.


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/53


VERORDENING (EG) Nr. 1276/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

inzake de controle aan de hand van fysieke controles bij de uitvoer van landbouwproducten waarvoor restituties of andere bedragen worden toegekend

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 170, onder c), en artikel 194, onder a), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 9, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (2) moeten de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en alle andere maatregelen treffen om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap te waarborgen, en met name om zich te vergewissen van de realiteit en de regelmatigheid van de door het Europees Landbouwgarantiefonds en door het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling gefinancierde verrichtingen, om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen en om de als gevolg van onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.

(2)

Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad van 12 februari 1990 inzake de controle bij de uitvoer van landbouwproducten die in aanmerking komen voor restituties of andere bedragen (3) wordt ingetrokken bij artikel 201, lid 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 1234/2007, terwijl in artikel 194, onder a), van deze laatste verordening is bepaald dat de Commissie de voorschriften inzake door de lidstaten te verrichten administratieve en fysieke controles met betrekking tot de nakoming van uit de toepassing van die verordening voortvloeiende verplichtingen dient vast te stellen. Verordening (EG) nr. 2090/2002 van de Commissie van 26 november 2002 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad van 12 februari 1990 ten aanzien van de fysieke controle bij de uitvoer van landbouwproducten waarvoor een restitutie wordt toegekend (4), is ingrijpend gewijzigd. Omwille van de duidelijkheid en de administratieve efficiëntie moeten Verordening (EG) nr. 2090/2002 en Verordening (EG) nr. 3122/94 van de Commissie van 20 december 1994 tot vaststelling van de criteria voor de risicoanalyse inzake landbouwproducten waarvoor restituties worden toegekend (5), daarom worden ingetrokken en worden vervangen door een nieuwe reeks samenhangende voorschriften.

(3)

De uitvoering van fysieke controles bij uitvoer zonder restituties overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 386/90 wordt behandeld in Verordening (EG) nr. 793/2006 van de Commissie van 12 april 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (6), in Verordening (EG) nr. 967/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad met betrekking tot de productie buiten het quotum in de sector suiker (7) en in Verordening (EG) nr. 1914/2006 van de Commissie van 20 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad houdende vaststelling van specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (8). Daarom moet worden gespecificeerd dat fysieke controles van handelingen die betrekking hebben op andere bedragen en op financiële maatregelen in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, mogen worden uitgevoerd overeenkomstig deze nieuwe samenhangende reeks voorschriften.

(4)

De reeds bestaande controlemaatregelen moeten in aanmerking worden genomen, met name die welke zijn ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (9) en bij Verordening (EG) nr. 2298/2001 van de Commissie van 26 november 2001 houdende nadere voorschriften voor de uitvoer van producten voor levering als voedselhulp (10).

(5)

Om de door de lidstaten genomen maatregelen te verbeteren en te harmoniseren, dient een communautair controlesysteem van toepassing te blijven dat met name is gebaseerd op steekproefsgewijs uitgevoerde fysieke controles van de producten bij uitvoer, met inbegrip van de producten die in het kader van een vereenvoudigde procedure worden uitgevoerd, en op controles van de betalingsaanvraagdossiers door de betaalorganen.

(6)

Wegens het gevaar voor substitutie bij aanvaarding van de uitvoeraangifte door een in het binnenland gevestigd douanekantoor van een lidstaat moet worden vastgesteld hoeveel „substitutiecontroles” het douanekantoor van uitgang uit het grondgebied van de Gemeenschap minimaal moet uitvoeren. Afhankelijk van de plaats waar deze substitutiecontroles plaatsvinden, moet daarbij een vereenvoudigde werkwijze worden toegepast.

(7)

Om te beslissen of substitutiecontroles dan wel specifieke substitutiecontroles zijn vereist, moet het douanekantoor van uitgang actief controleren of de zegels zijn aangebracht en niet zijn verbroken.

(8)

Om te garanderen dat het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 dezelfde methode gebruiken, alsmede om twijfels over de identiteit van de producten te voorkomen, hetgeen een voorwaarde voor de toekenning van de restituties vormt, moet worden voorzien in een specifieke substitutiecontrole voor gevallen waarin het betrokken douanekantoor constateert dat de bij vertrek aangebrachte zegels hetzij buiten de douanecontrole om zijn verwijderd, hetzij zijn verbroken, dan wel dat geen vrijstelling van verzegeling is verleend. Gezien het duidelijke vermoeden van substitutie in dergelijke gevallen, dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de specifieke substitutiecontroles, waarbij de producten ook fysiek worden gecontroleerd.

(9)

Het aantal fysieke controles moet in verhouding staan tot het aantal douaneaangiften ten uitvoer per jaar. Met het oog op de doeltreffendheid, evenredigheid en de ontradende werking dient, zo blijkt uit de opgedane ervaring, ten minste 5 % van de uitvoeraangiften fysiek te worden gecontroleerd, waarbij dit percentage door de lidstaten, afhankelijk van de resultaten van een risicobeoordeling, per productiesector kan worden toegepast, dan wel op alle sectoren samen met een minimum van 2 % per sector. Om te garanderen dat de regeling voor alle producten wordt toegepast, moeten ook douanekantoren van uitvoer die een zeer gering aantal douaneaangiften per productsector behandelen, ervoor zorgen dat elke productsector ten minste één keer wordt gecontroleerd. Hoewel het aandeel van de uitvoerrestituties voor niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen in het totale restitutiebedrag geen groot risico vertegenwoordigt, wordt voor die goederen een groot aantal uitvoeraangiften ingediend. Met het oog op een beter gebruik van de controle-instrumenten moet het minimumcontroleniveau voor niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen daarom worden verlaagd. Om dezelfde reden dienen de lidstaten de mogelijkheid te krijgen uitvoeraangiften voor kleine hoeveelheden of voor een restitutiebedrag van maximaal 1 000 EUR buiten beschouwing te laten.

(10)

Met het oog op de doeltreffendheid, de evenredigheid en de ontradende werking moeten, zo blijkt uit de opgedane ervaring, in ten minste 10 % van de gevallen de zegels worden gecontroleerd.

(11)

Het aantal door de douanekantoren van uitgang te verrichten substitutiecontroles en specifieke substitutiecontroles moet evenredig zijn aan het aantal douanegeleidedocumenten per jaar. Met het oog op de doeltreffendheid, de evenredigheid en de ontradende werking moet, zo blijkt uit de opgedane ervaring, ten minste 8 % van alle douanegeleidedocumenten worden gecontroleerd.

(12)

Krachtens artikel 4 septies van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (11) moeten de douaneautoriteiten risicobeheer toepassen om een onderscheid te maken tussen de risiconiveaus die verbonden zijn aan de producten die aan douanecontrole of douanetoezicht worden onderworpen en om te bepalen of, en zo ja waar, de producten aan bijzondere douanecontroles zullen worden onderworpen. Risicobeheer omvat een risicoanalyse als bedoeld in artikel 4, lid 26, van Verordening (EEG) nr. 2913/92. Krachtens artikel 592 sexies van Verordening (EEG) nr. 2454/93 moet het bevoegde douanekantoor bij ontvangst van de douaneaangifte een passende risicoanalyse en douanecontroles uitvoeren voordat de goederen ten uitvoer worden vrijgegeven. Krachtens artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1875/2006 van de Commissie van 18 december 2006 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (12) wordt het elektronisch uitgevoerde risicobeheer verplicht van toepassing vanaf 1 juli 2009. Bijgevolg dient met ingang van die datum een risicoanalyse te worden toegepast op de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde douanecontrole van de uitvoeraangiften.

(13)

In 1994 werd de risicoanalyse bij artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 386/90 ingevoerd als een facultatief controle-instrument in het kader van fysieke controles van uitvoeraangiften en in 1995, bij artikel 9 van Verordening (EG) nr. 2221/95 van de Commissie van 20 september 1995 houdende nadere bepalingen ter toepassing van Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad ten aanzien van de fysieke controle bij de uitvoer van voor een restitutie in aanmerking komende landbouwproducten, in het kader van substitutiecontroles (13). In Verordening (EG) nr. 3122/94 is een aantal criteria vastgesteld waarvan de lidstaten in dit verband gebruik kunnen maken. Bij toepassing van een risicoanalyse dienen de in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 bedoelde voorschriften inzake gegevensbescherming in acht te worden genomen.

(14)

De specifieke ervaring die in het kader van de controle van uitvoerrestituties is opgedaan met de toepassing van risicoanalyse, dient na de algemene invoering van risicobeheer behouden te blijven.

(15)

Het stelsel dat in beginsel de beste garanties biedt, zonder in vergelijking met de mogelijke geldelijke voordelen voor de Gemeenschap te veel economische beperkingen of administratiekosten mee te brengen, is er een dat fysieke controles van de uitvoer combineert met boekhoudingcontrole. Daarom moeten de lidstaten de fysieke controles combineren met de controle die de bevoegde instanties achteraf in de betrokken ondernemingen moeten uitvoeren op grond van Verordening (EG) nr. 485/2008 van de Raad van 26 mei 2008 inzake de door de lidstaten uit te voeren controles op de verrichtingen in het kader van de financieringsregeling van het Europees Landbouwgarantiefonds (14).

(16)

Krachtens Verordening (EG) nr. 159/2008 van de Commissie van 21 februari 2008 tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 800/1999 en (EG) nr. 2090/2002 ten aanzien van de fysieke controle bij de uitvoer van landbouwproducten waarvoor een restitutie wordt toegekend (15) is het minimumbedrag van 200 EUR voor bepaalde controle- en rapportageverplichtingen vervangen door 1 000 EUR. Het is aangewezen om de toepassing van dit minimum van 1 000 EUR tot de relevante controle- en rapportageverplichtingen uit te breiden.

(17)

Met het oog op de beoordeling van de doeltreffendheid van de risicoanalyse en de toepassing van deze verordening moeten de lidstaten een verslag over de controles opstellen en jaarlijks een evaluatie indienen van de uitvoering en de doeltreffendheid van de op grond van deze verordening verrichte controles en van de werkwijze bij de selectie van de fysiek te controleren producten. Gezien de vooruitgang op het gebied van de informatietechnologie dienen de jaarverslagen in plaats van op een ISO 9660-compatibele cd-rom of een gelijkwaardige elektronische gegevensdrager te worden ingediend op een elektronische gegevensdrager die het herschrijven van de gegevens uitsluit.

(18)

Het feit dat risicobeheer krachtens de bepalingen van het douanewetboek vanaf 1 juli 2009 moet worden toegepast, hoeft de lidstaten niet te beletten al eerder met dit systeem van start te gaan. Waar reeds adequaat risicobeheer wordt toegepast, is het gerechtvaardigd de toepassing van flexibele controlevoorschriften toe te staan. De lidstaten moeten daarom de mogelijkheid krijgen flexibele controlevoorschriften toe te passen zodra zij over adequaat risicobeheer beschikken, en dienen de andere lidstaten daarvan in kennis te stellen.

(19)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Inhoud en toepassingsgebied

Bij deze verordening worden bepaalde procedures vastgesteld aan de hand waarvan moet worden gecontroleerd of handelingen die recht geven op betaling van uitvoerrestituties en alle andere, in artikel 2, onder a), bedoelde bedragen, overeenkomstig de voorschriften zijn uitgevoerd.

Zij is van toepassing onverminderd Verordening (EG) nr. 800/1999.

Deze verordening is niet van toepassing op uitvoer in het kader van de in Verordening (EG) nr. 2298/2001 bedoelde communautaire en nationale voedselhulp.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)

„andere bedragen”: handelingen met betrekking tot financiële maatregelen in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling op grond van de Verordeningen (EG) nr. 793/2006, (EG) nr. 967/2006 en (EG) nr. 1914/2006;

b)

„producten”: producten als omschreven in artikel 2, lid 1, onder a), eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 800/1999;

c)

„douanekantoor van uitvoer”: het in artikel 5, lid 7, onder a), van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde douanekantoor;

d)

„douanekantoor van uitgang”: het in artikel 793, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde douanekantoor;

e)

„douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5”: het in artikel 912 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde kantoor van bestemming, met inbegrip van een douanekantoor waarnaar een gelijkwaardig document wordt gestuurd;

f)

„fysieke controle”: het onderzoek, overeenkomstig artikel 5, van de overeenstemming van de uitvoeraangifte of, met betrekking tot andere bedragen, van de documenten als bedoeld in de Verordeningen (EG) nr. 793/2006, (EG) nr. 967/2006 en (EG) nr. 1914/2006, met inbegrip van de ter staving daarvan overgelegde documenten, met de producten wat hoeveelheid, aard en kenmerken ervan betreft;

g)

„substitutiecontrole”: de visuele controle, overeenkomstig artikel 8, van de overeenstemming tussen de producten en het document dat deze producten heeft vergezeld van het douanekantoor van uitvoer naar het douanekantoor van uitgang of het kantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5;

h)

„specifieke substitutiecontrole”: een substitutiecontrole, overeenkomstig artikel 9, gaande van een visuele controle tot een fysieke controle, die moet worden verricht bij twijfels over de intactheid van de verzegeling van de uit te voeren producten;

i)

„visuele controle”: een zintuiglijke controle, eventueel met gebruikmaking van technische uitrusting;

j)

„document”: een papieren of een elektronische informatiedrager die is goedgekeurd krachtens de Verordeningen (EEG) nr. 2913/92, (EG) nr. 885/2006 van de Commissie (16) of (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad (17) en waarop gegevens met betrekking tot de onderhavige verordening zijn opgenomen;

k)

„gelijkwaardig document”: met betrekking tot het controle-exemplaar T5, de in de artikelen 8, 8 bis, en 9, van Verordening (EG) nr. 800/1999 vermelde documenten die worden gebruikt bij toepassing van een nationale procedure overeenkomstig artikel 912 bis, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 2454/93;

l)

„productsectoren”: de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 genoemde sectoren, met uitzondering van de in de delen I en II van bijlage I bij die verordening behandelde sectoren granen en rijst, die in de onderhavige verordening als één productsector worden behandeld, en de niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen, die eveneens als één productsector worden behandeld.

Artikel 3

Soorten van controles

De lidstaten voeren de volgende controles uit:

a)

op basis van de documenten die ter staving van de uitvoeraangifte worden overgelegd, fysieke controles van de producten overeenkomstig artikel 4 bij het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer en voordat toestemming voor de uitvoer van de betrokken producten wordt gegeven;

b)

controles van de intactheid van de zegels overeenkomstig artikel 7;

c)

substitutiecontroles overeenkomstig artikel 8;

d)

specifieke substitutiecontroles overeenkomstig artikel 9, en

e)

controles van de documenten in het betalingsaanvraagdossier overeenkomstig artikel 12.

Met betrekking tot andere bedragen is de uitvoering van fysieke controles geregeld in de Verordeningen (EG) nr. 793/2006, (EG) nr. 967/2006 en (EG) nr. 1914/2006.

HOOFDSTUK II

FYSIEKE CONTROLES

Artikel 4

Vorm en tijdstip van de controles

1.   Onverminderd specifieke bepalingen die tot meer uitgebreide controles verplichten, worden de fysieke controles verricht in de vorm van frequent uitgevoerde en niet-aangekondigde steekproefsgewijze controles.

2.   Een fysieke controle waarvan de exporteur van tevoren uitdrukkelijk of stilzwijgend in kennis is gesteld, mag niet als controle worden meegerekend. Dit lid geldt niet wanneer de boekhouding van een onderneming aan een controle volgens punt 3 van bijlage I wordt onderworpen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat het begin van de fysieke controle in de lokalen van de exporteur varieert ten opzichte van het opgegeven tijdstip voor het begin van de belading als bedoeld in artikel 5, lid 7, van Verordening (EG) nr. 800/1999.

Artikel 5

Gedetailleerde methoden voor de controles

1.   Wanneer de overeenstemming tussen de producten en de omschrijving ervan in de uitvoerrestitutienomenclatuur bij een visuele controle niet kan worden vastgesteld en wanneer de indeling of de kwaliteit van de producten een zeer nauwkeurige kennis van de componenten ervan vereist, vergewissen de douaneautoriteiten van uitvoer zich van de juistheid van die omschrijving volgens de aard van het product.

2.   Douanekantoren laten, indien zij dat noodzakelijk achten, tests uitvoeren door laboratoria die speciaal voor dat doel zijn uitgerust alsmede geaccrediteerd dan wel officieel voor dat doel zijn erkend, en geven de redenen voor dergelijke tests op. Indien het niveau van de restitutie of van andere bedragen afhankelijk is van het gehalte van een bepaalde component, neemt het douanekantoor van uitvoer bij de fysieke controle representatieve monsters met het oog op een analyse van de bestanddelen door een geaccrediteerd of officieel erkend laboratorium.

Wanneer een exporteur hetzelfde product met dezelfde uitvoerrestitutienomenclatuurcode of dezelfde code van de gecombineerde nomenclatuur regelmatig uitvoert en het restitutieniveau afhangt van het gehalte van een bepaalde component, mag het douanekantoor van uitvoer slechts bij 50 % van de fysieke controles representatieve monsters met betrekking tot die exporteur nemen, voor zover de tijdens de vorige zes maanden uitgevoerde laboratoriumtests geen gevallen van niet-overeenstemming aan het licht hebben gebracht met financiële consequenties ten belope van meer dan 1 000 EUR van het brutorestitutiebedrag van die exporteur. Wanneer bij het laboratoriumonderzoek een geval van niet-overeenstemming met financiële consequenties ten belope van meer dan 1 000 EUR van het brutorestitutiebedrag van die exporteur aan het licht komt, neemt het douanekantoor van uitvoer in de volgende zes maanden monsters bij alle fysieke controles met betrekking tot die exporteur.

3.   De in dit artikel bedoelde controle wordt uitgevoerd onverminderd de maatregelen die de douaneautoriteiten treffen om ervoor te zorgen dat de producten het douanegebied in dezelfde staat verlaten als die waarin zij zich bevonden toen de toestemming voor de uitvoer werd gegeven.

4.   Het douanekantoor van uitvoer ziet erop toe dat artikel 21 van Verordening (EG) nr. 800/1999 in acht wordt genomen. Wanneer specifieke redenen tot twijfel over de gezonde handelskwaliteit van een product bestaan, gaat het douanekantoor na of het product voldoet aan de geldende Gemeenschapsvoorschriften, met name de voorschriften inzake de gezondheid van dieren en planten.

5.   De fysieke controle van bulkproducten, verpakte producten en niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen wordt uitgevoerd met inachtneming van de methoden in bijlage I bij de onderhavige verordening.

Artikel 6

Controlepercentages

1.   Onverminderd de leden 2 tot en met 7 hebben de fysieke controles betrekking op een representatieve selectie van ten minste 5 % van de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde uitvoeraangiften waarvoor in artikel 1 bedoelde restituties en bedragen zijn aangevraagd.

Het percentage is van toepassing:

a)

per douanekantoor van uitvoer;

b)

per kalenderjaar, en

c)

per productsector.

2.   De lidstaat kan evenwel besluiten:

a)

het percentage van 5 % per productsector te vervangen door een percentage van 5 % voor alle productsectoren samen, mits per productsector een minimumpercentage van 2 % wordt toegepast;

b)

het percentage van 5 % per douanekantoor te vervangen door een percentage van 5 % voor zijn hele grondgebied en het percentage van 5 % per productsector te vervangen door een percentage van 5 % voor alle productsectoren samen, mits per productsector een minimumpercentage van 2 % wordt toegepast.

3.   Bij toepassing van lid 1 en lid 2, onder a), wordt in een douanekantoor van uitvoer dat per jaar en per productsector minder dan 20 in lid 1 bedoelde uitvoeraangiften aanvaardt, per productsector en per jaar ten minste één uitvoeraangifte fysiek gecontroleerd.

Deze verplichting is niet van toepassing wanneer het douanekantoor de eerste twee aangiften niet heeft gecontroleerd vanwege de resultaten van de in artikel 11 bedoelde risicoanalyse en nadien geen uitvoer meer plaatsvindt in die productsector.

4.   In afwijking van de leden 1 en 2:

a)

geldt met betrekking tot niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen een minimumpercentage van 0,5 % per douanekantoor of van 0,5 % voor het hele grondgebied van de lidstaat. Het percentage op dergelijke producten uitgevoerde fysieke controles wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van het percentage van 5 % per productsector of het percentage van 5 % voor alle productsectoren samen;

b)

mag voor douanekantoren van uitvoer waar een beperkt aantal soorten producten van niet meer dan twee productsectoren en van ten hoogste vijf exporteurs voor uitvoer wordt aangeboden, het minimumpercentage fysieke controles worden verlaagd tot 2 % per productsector. Productsectoren met jaarlijks minder dan 20 uitvoeraangiften per douanekantoor worden niet in aanmerking genomen bij de bepaling van het aantal productsectoren. De douanekantoren van uitvoer mogen deze bepalingen gedurende een volledig kalenderjaar toepassen op basis van de statistische gegevens over het voorgaande kalenderjaar, zelfs wanneer in de loop van het jaar door meer exporteurs of voor meer productsectoren uitvoeraangiften worden ingediend.

5.   Onverminderd de in artikel 36, lid 4, artikel 37, lid 4, en artikel 44, lid 4, van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde controlemaatregelen, hoeven de lidstaten de in deze verordening vastgestelde fysieke controles en substitutiecontroles niet toe te passen op de in de artikelen 36 en 44 van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde leveranties.

6.   Bij de berekening van de minimumpercentages van de overeenkomstig dit artikel uit te voeren controles houden de lidstaten geen rekening met de voor fysieke controle bestemde uitvoeraangiften die betrekking hebben op:

a)

hetzij een hoeveelheid van niet meer dan:

i)

25 000 kg voor granen of rijst,

ii)

5 000 kg voor niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen,

iii)

2 500 kg voor de overige producten;

b)

hetzij een restitutiebedrag van minder dan 1 000 EUR.

7.   De lidstaten stellen de nodige bepalingen vast om fraude en misbruik ten aanzien van de toepassing van de leden 5 en 6 te voorkomen. In dit verband uitgevoerde controles mogen in aanmerking worden genomen bij de berekening van de naleving van de in dit artikel bedoelde minimale controlepercentages.

HOOFDSTUK III

CONTROLES VAN ZEGELS

Artikel 7

Controleverplichtingen en controlepercentages

1.   Het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 controleert of de zegels intact zijn.

2.   Het aantal ladingen dat op verzegeling wordt gecontroleerd, dient overeen te stemmen met ten minste 10 % van het totale aantal controle-exemplaren T5 of gelijkwaardige documenten, met uitzondering van die welke zijn geselecteerd voor een substitutiecontrole op grond van artikel 8.

HOOFDSTUK IV

SUBSTITUTIECONTROLES

Artikel 8

Controlelocatie en gedetailleerde controlemethoden

1.   Wanneer de uitvoeraangifte is aanvaard in een douanekantoor van uitvoer dat niet het douanekantoor van uitgang of van bestemming van het controle-exemplaar T5 is, en wanneer het douanekantoor van uitvoer geen fysieke controle heeft uitgevoerd, verricht het douanekantoor van uitgang een substitutiecontrole overeenkomstig dit artikel en onverminderd krachtens andere bepalingen uitgevoerde controles.

Wanneer het douanekantoor van uitgang niet het kantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 is, voert het laatstbedoelde kantoor de substitutiecontrole uit.

2.   Wanneer een visuele controle van de volledige lading onvoldoende is om eventuele substitutie te controleren, worden andere in artikel 5 bedoelde fysiekecontrolemethoden gebruikt, inclusief, indien nodig, gedeeltelijke lossing.

Er worden slechts monsters voor testdoeleinden genomen wanneer het douanekantoor van uitgang aan de hand van de gegevens op de verpakking of in de documenten niet visueel kan nagaan of de producten overeenstemmen met de omschrijving in het begeleidende document.

3.   Wanneer, gelet op de vereisten van het derde land van bestemming, een veterinair zegel is aangebracht, alsmede een douaneverzegeling is toegepast, wordt de substitutiecontrole slechts bij vermoeden van fraude verricht.

Artikel 9

Specifieke substitutiecontroles

1.   Het douanekantoor van uitgang of het kantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 verricht een specifieke substitutiecontrole indien het constateert dat:

a)

de bij vertrek aangebrachte zegels buiten de douanecontrole om zijn verwijderd,

b)

de bij vertrek aangebrachte zegels zijn verbroken,

c)

geen vrijstelling van verzegeling is verleend op grond van artikel 357, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

2.   Het douanekantoor van uitgang of het kantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 beslist in het licht van de in artikel 11 bedoelde risicoanalyse of de specifieke substitutiecontrole slechts uit een substitutiecontrole dient te bestaan of tevens een fysieke controle dient te omvatten.

Artikel 10

Controlepercentages

1.   Het douanekantoor van uitgang of het kantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 waar de producten het grondgebied van de Gemeenschap verlaten, moet elk kalenderjaar in artikel 8 bedoelde substitutiecontroles en in artikel 9 bedoelde specifieke substitutiecontroles verrichten op in totaal ten minste 8 % van het aantal controle-exemplaren T5 en gelijkwaardige documenten voor producten waarvoor een restitutie wordt aangevraagd.

2.   Bij de berekening van de minimumpercentages van de overeenkomstig dit artikel uit te voeren controles houden de lidstaten geen rekening met voor substitutiecontroles bestemde controle-exemplaren T5 of gelijkwaardige documenten die betrekking hebben op:

a)

hetzij een hoeveelheid van niet meer dan:

i)

25 000 kg voor granen of rijst,

ii)

5 000 kg voor niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen,

iii)

2 500 kg voor de overige producten;

b)

hetzij een restitutiebedrag van minder dan 1 000 EUR.

3.   De lidstaten stellen de nodige bepalingen vast om verlegging van het handelsverkeer en misbruik ten aanzien van de toepassing van lid 2 te voorkomen. In dit verband uitgevoerde controles mogen in aanmerking worden genomen bij de berekening van de naleving van de in dit artikel bedoelde minimale controlepercentages.

HOOFDSTUK V

RISICOBEHEER

Artikel 11

Risicoanalyse

1.   De selectie met het oog op fysieke controles en substitutiecontroles is gebaseerd op een risicobeheersysteem.

2.   De lidstaten verrichten een risicoanalyse met als doel de fysieke controles te richten op de producten, natuurlijke personen, rechtspersonen en productsectoren die het grootste risico op een niet-correcte uitvoering van de in artikel 1 bedoelde handelingen vertonen.

3.   Onverminderd artikel 592 sexies van Verordening (EEG) nr. 2454/93, stellen de lidstaten hun risicoanalyse op met inachtneming van de onderhavige verordening en, in voorkomend geval, van de in bijlage II vastgestelde criteria.

4.   De lidstaten en de Commissie beoordelen, in het licht van de opgedane ervaring, gezamenlijk de betrouwbaarheid en de relevantie van de in bijlage II vastgestelde criteria met als doel, in voorkomend geval, het systeem en de selectieparameters aan te passen en zodoende de fysieke controles en de substitutiecontroles doeltreffender en doelgerichter te maken.

5.   De lidstaten delen de Commissie de volgende gegevens mee:

a)

de maatregelen, met inbegrip van de instructies aan de nationale instanties, die zijn vastgesteld voor de toepassing van het selectiesysteem op basis van een risicoanalyse, met inachtneming van de in bijlage II, punt 1, vastgestelde criteria;

b)

de in artikel 6 bedoelde toe te passen controlepercentages;

c)

specifieke gevallen die voor de overige lidstaten van belang kunnen zijn.

Lidstaten waarop artikel 18, derde alinea, onder a), van toepassing is, delen de gegevens uiterlijk op 1 juli 2009 aan de Commissie mee.

HOOFDSTUK VI

COÖRDINATIE EN ADMINISTRATIEVE VERSLAGEN

AFDELING 1

Coördinatie

Artikel 12

Onderzoek door het betaalorgaan

De betaalorganen verrichten aan de hand van de betalingsaanvraagdossiers en van andere beschikbare gegevens, met name documenten inzake de uitvoer en opmerkingen van de douanediensten, een onderzoek van al het in deze dossiers aangevoerde bewijsmateriaal dat de betaling van de betrokken bedragen rechtvaardigt.

Artikel 13

Coördinatie van de risicoanalyse en van de controles

1.   De lidstaten zien erop toe dat een enkele instantie de gegevens over de risicoanalyse coördineert.

2.   De lidstaten nemen maatregelen om de controles waaraan een bepaalde handelaar wordt onderworpen, te coördineren, waarbij de in de artikelen 5, 8 en 9 en de in Verordening (EG) nr. 485/2008 bedoelde controles gecombineerd worden verricht.

Deze gecoördineerde controles worden uitgevoerd op initiatief of op verzoek van de Commissie, van de douaneautoriteiten die de fysieke controles verrichten, van de betaalorganen die het betalingsaanvraagdossier onderzoeken of van de bevoegde instanties die de boekhoudingcontrole uitvoeren.

AFDELING 2

Administratieve verslagen

Artikel 14

Verslagen over fysieke controles

1.   Elk douanekantoor van uitvoer treft de nodige maatregelen om te allen tijde te kunnen nagaan of het in artikel 6 bedoelde percentage fysieke controles is bereikt.

Op grond van deze maatregelen moet per sector blijken:

a)

hoeveel uitvoeraangiften voor fysieke controle in aanmerking genomen zijn;

b)

hoeveel fysieke controles zijn verricht.

2.   De bevoegde douaneambtenaar die de controle heeft verricht, stelt een gedetailleerd verslag over elke fysieke controle op.

De controleverslagen bevatten ten minste relevante gegevens over:

a)

plaats, datum, tijdstip van aankomst, tijdstip van beëindiging van de fysieke controle, toestand van het vervoermiddel bij het begin van de controleprocedure (leeg, gedeeltelijk geladen, volledig geladen), aantal voor laboratoriumanalyse genomen monsters, en naam en handtekening van de bevoegde ambtenaar; en

b)

datum en tijdstip van ontvangst van de in artikel 5, lid 7, onder b), van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde gegevens en opgegeven begin- en eindtijdstip voor het laden van de producten in het vervoermiddel.

Onverminderd artikel 9 van Verordening (EG) nr. 885/2006 worden de controleverslagen en het document ter motivering van de keuze van de voor fysieke controle bestemde uitvoeraangifte gedurende drie jaar vanaf het jaar van uitvoer ter beschikking gehouden in het douanekantoor dat de fysieke controle heeft verricht of op één locatie in de lidstaat.

Artikel 15

Controle-exemplaar T5

1.   Het douanekantoor van uitvoer vermeldt in vak D van het controle-exemplaar T5 of een gelijkwaardig document dat de producten begeleidt:

a)

een van de in bijlage III opgenomen vermeldingen indien dat kantoor een fysieke controle heeft verricht;

b)

een van de in bijlage IV opgenomen vermeldingen indien de uitvoer voedselhulp betreft.

2.   Elk douanekantoor van uitgang of elk douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 treft de nodige maatregelen om de Commissie in kennis te stellen van nadere gegevens over het aantal:

a)

controle-exemplaren T5 en gelijkwaardige documenten die in aanmerking worden genomen voor de in artikel 7 bedoelde controles van de intactheid van de zegels, voor de in artikel 8 bedoelde substitutiecontroles en voor de in artikel 9 bedoelde specifieke substitutiecontroles;

b)

uitgevoerde, in artikel 7 bedoelde controles van de intactheid van de zegels;

c)

uitgevoerde, in artikel 8 bedoelde substitutiecontroles;

d)

uitgevoerde, in artikel 9 bedoelde specifieke substitutiecontroles.

Wanneer het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 een monster heeft genomen, wordt op het controle-exemplaar T5 of op een gelijkwaardig document dat aan de bevoegde autoriteit wordt teruggezonden, een van de in bijlage V opgenomen vermeldingen aangebracht.

Een duplicaat of een kopie van het document wordt naargelang van het geval in het douanekantoor van uitgang of in het douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 of van het gelijkwaardige document voor inzage ter beschikking gehouden overeenkomstig lid 3.

3.   Over elke in artikel 8 bedoelde substitutiecontrole en in artikel 9 bedoelde specifieke substitutiecontrole wordt een verslag opgesteld door de bevoegde ambtenaar die de controle heeft verricht. Het verslag maakt het mogelijk te volgen welke controles zijn verricht, en bevat de datum van controle en de naam van de douaneambtenaar. Onverminderd artikel 9 van Verordening (EG) nr. 885/2006 worden de verslagen gedurende drie jaar vanaf het jaar van uitvoer voor inzage ter beschikking gehouden in het douanekantoor dat de fysieke controle heeft uitgevoerd of op één locatie in de lidstaat.

De in artikel 7 bedoelde controles van de intactheid van de zegels en de gevallen waarin zegels zijn verwijderd of verbroken, worden geregistreerd overeenkomstig artikel 912 quater, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

4.   Het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 licht de in artikel 912 bis, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde bevoegde autoriteiten schriftelijk in over het resultaat van de laboratoriumtests door op een kopie van het controle-exemplaar T5 of een gelijkwaardig document de volgende gegevens aan te brengen:

a)

hetzij een van de in bijlage VI opgenomen vermeldingen;

b)

hetzij het resultaat van de tests, indien dit resultaat niet overeenstemt met het aangegeven product.

5.   Wanneer uit de substitutiecontrole blijkt dat de betrokken uitvoerrestitutievoorschriften wellicht niet in acht zijn genomen, brengt het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 een van de in bijlage VII opgenomen vermeldingen aan op het controle-exemplaar T5 of een gelijkwaardig document dat moet worden teruggezonden aan de in artikel 912 bis, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde bevoegde autoriteiten. Het betaalorgaan stelt het douanekantoor in kennis van de maatregelen die naar aanleiding van de resultaten zijn genomen.

Artikel 16

Jaarverslag

De lidstaten zenden de Commissie elk jaar vóór 1 mei een evaluatieverslag toe over de uitvoering en de doeltreffendheid van de controles in het kader van deze verordening en over de procedures die zijn gebruikt voor de selectie van de aan een fysieke controle te onderwerpen producten. Het verslag omvat de in bijlage VIII genoemde onderdelen met betrekking tot de uitvoeraangiften die zijn aanvaard tussen 1 januari en 31 december van het voorgaande jaar.

De lidstaten dienen de verslagen bij de Commissie in op een elektronische gegevensdrager die het herschrijven van de gegevens uitsluit, en op papier of, in voorkomend geval, via elektronische weg aan de hand van het formulier dat de Commissie de lidstaten ter beschikking stelt.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

Intrekkingen

De Verordeningen (EG) nr. 3122/94 en (EG) nr. 2090/2002 worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen en naar Verordening (EEG) nr. 386/90 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de in bijlage IX opgenomen concordantietabel.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2009.

De voor fysieke controles geldende bepalingen van hoofdstuk V, en artikel 5, lid 2, tweede alinea, artikel 6, lid 2, artikel 6, lid 3, tweede alinea en artikel 6, lid 4, zijn evenwel van toepassing:

a)

met ingang van 1 januari 2009, wat betreft de lidstaten die de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 3122/94 bedoelde informatie aan de Commissie hebben meegedeeld;

b)

met ingang van een door elke lidstaat vast te stellen en aan de Commissie te melden datum, of met ingang van 1 juli 2009 indien deze datum eerder valt, wat betreft de overige lidstaten.

De voor substitutiecontroles geldende bepalingen van hoofdstuk V zijn van toepassing met ingang van een door elke lidstaat vast te stellen en aan de Commissie te melden datum, of met ingang van 1 juli 2009 indien deze datum eerder valt.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.

(3)  PB L 42 van 16.2.1990, blz. 6.

(4)  PB L 322 van 27.11.2002, blz. 4.

(5)  PB L 330 van 21.12.1994, blz. 31.

(6)  PB L 145 van 31.5.2006, blz. 1.

(7)  PB L 176 van 30.6.2006, blz. 22.

(8)  PB L 365 van 21.12.2006, blz. 64.

(9)  PB L 102 van 17.4.1999, blz. 11.

(10)  PB L 308 van 27.11.2001, blz. 16.

(11)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.

(12)  PB L 360 van 19.12.2006, blz. 64.

(13)  PB L 224 van 21.9.1995, blz. 13.

(14)  PB L 143 van 3.6.2008, blz. 1.

(15)  PB L 48 van 22.2.2008, blz. 19.

(16)  PB L 171 van 23.6.2006, blz. 90.

(17)  PB L 145 van 4.6.2008, blz. 1.


BIJLAGE I

VOOR HET VERRICHTEN VAN FYSIEKE CONTROLES TOE TE PASSEN METHODEN

1.   Bulkproducten

1.1.

Indien de exporteur voor het laden van bulkproducten gebruikmaakt van geijkte gesloten automatische laad- en weeginrichtingen, wordt de overeenstemming tussen de uitvoeraangifte en de producten door het douanekantoor van uitvoer gecontroleerd door de hoeveelheid aan de hand van de geijkte automatische weeggegevens te meten en de aard en de kenmerken van de producten door middel van representatieve steekproeven vast te stellen.

Bovendien controleert het douanekantoor van uitvoer steekproefsgewijs of

i)

de weeg- en laadinrichtingen zich niet lenen voor carrouselverkeer of voor andere manipulatie;

ii)

de ijktermijn van de weeginrichting niet is verlopen en de verzegeling intact is indien het een gesloten weeginrichting betreft;

iii)

de gewogen partijen daadwerkelijk in het opgegeven vervoermiddel worden geladen,

iv)

de gegevens in de weegboeken of -bewijzen overeenstemmen met die in de laaddocumenten.

1.2.

In uitzonderlijke gevallen waarin de hoeveelheid van de bulkproducten niet door een geijkte automatische weeginrichting wordt vastgesteld, maakt het douanekantoor gebruik van andere, uit commercieel oogpunt bevredigende controlemiddelen.

1.3.

Indien een uitvoeraangifte slechts op een deel van de lading van een vaartuig betrekking heeft, houdt het douanekantoor van uitvoer toezicht op het fysieke vertrek van de hele lading. Daartoe controleert het douanekantoor, wanneer het laden voltooid is, het totale gewicht van de geladen vracht aan de hand van de in de punten 1.1 of 1.2 bedoelde informatie en van, voor zover van toepassing, de informatie in commerciële documenten.

2.   Stukproducten

2.1.

Indien de exporteur voor het verpakken van de aangegeven producten in zakken, dozen, flessen enz., en het wegen/meten ervan gebruikmaakt van geijkte automatische inrichtingen of van verpakkingen of flessen in de zin van de Richtlijnen 75/106/EEG (1), 75/107/EEG (2) en 76/211/EEG (3) van de Raad, moet het aantal zakken, dozen, flessen enz. in beginsel volledig worden geteld en moeten aard en kenmerken van de producten door middel van representatieve steekproeven door het douanekantoor van uitvoer worden gecontroleerd. Het gewicht of de maat wordt vastgesteld door de geijkte automatische weeg-/meetinrichting of aan de hand van de verpakking of de flessen in de zin van de voornoemde richtlijnen. Het douanekantoor van uitvoer kan een zak, een doos of een fles wegen of meten.

2.2.

Indien de inrichting met een geijkte automatische teller is uitgerust, mogen de vaststellingen van de automatische teller in aanmerking worden genomen voor de fysieke controle van de hoeveelheid. Punt 1.1 is van overeenkomstige toepassing.

2.3.

Indien de exporteur gebruikmaakt van pallets die geladen zijn met kisten, dozen enz., kiest het douanekantoor van uitvoer representatieve pallets uit en controleert het of deze het opgegeven aantal kisten, dozen enz., bevatten. Het douanekantoor kiest uit deze pallets een aantal representatieve kisten, dozen enz., en controleert of deze het opgegeven aantal flessen, stuks enz., bevatten.

2.4.

Indien de exporteur geen gebruikmaakt van inrichtingen als bedoeld in de punten 2.1 en 2.2, moet het douanekantoor van uitvoer het aantal zakken, dozen enz., tellen. De aard en de kenmerken, het gewicht of de maat worden door middel van representatieve steekproeven gecontroleerd. Punt 2.3 is van overeenkomstige toepassing.

2.5.

Wanneer in de in de punten 2.1 en 2.2 bedoelde gevallen de inhoud en het juiste gewicht op de onmiddellijke verpakking van de producten zijn vermeld, hoeven deze gegevens bij slechts 50 % van de fysieke controles te worden geverifieerd voor zover het betrokken product verpakt is voor verkoop in de groothandel en regelmatig door dezelfde exporteur wordt uitgevoerd, en voor zover in de afgelopen zes maanden geen geval van niet-overeenstemming met financiële consequenties van meer dan 1 000 EUR is geconstateerd.

3.   Niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen

3.1.

Voor niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen die verpakt zijn voor verkoop in de detailhandel of op de onmiddellijke verpakking zijn voorzien van de nodige gegevens over inhoud en gewicht, moet, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 10, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie (4) of wanneer de ervoor gebruikte hoeveelheden product vastgesteld zijn in bijlage III bij die verordening, het douanekantoor van uitvoer eerst het gewicht en de inhoud van de niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen in onmiddellijke verpakking controleren aan de hand van de desbetreffende gegevens op de onmiddellijke verpakking. Het kantoor kan uit een partij een eenheid nemen en die zonder verpakking wegen. Vervolgens wordt het totale aantal stuks van de niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen in onmiddellijke verpakking — in beginsel — geteld en/of gewogen.

De punten 2.1 tot en met 2.5 zijn van overeenkomstige toepassing.

3.2.

Het kantoor kan een monster nemen om te verifiëren dat geen substitutie heeft plaatsgevonden.

3.3.

Het douanekantoor van uitvoer mag aannemen dat de hoeveelheid producten die bij de vervaardiging van niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen zijn gebruikt, klopt, indien de op de onmiddellijke verpakking vermelde omschrijving en inhoud in overeenstemming zijn met de gegevens in de uitvoeraangifte of met de geregistreerde fabricageformule.

Indien de bevoegde autoriteiten de fabricageformule nog niet hebben geverifieerd, zorgt het douanekantoor van uitvoer ervoor dat deze verificatie en een overeenstemmingscontrole achteraf worden verricht door de onder de bevoegde autoriteiten ressorterende controleur van de boekhouding.

Met het oog op de toepassing van deze methode voor het verifiëren van de samenstelling van niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen, stelt de lidstaat vooraf een procedure vast waardoor:

i)

de samenstelling van de betrokken niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen kan worden geverifieerd aan de hand van de boekhouding en de specifieke documenten betreffende de productie;

ii)

aan de hand van de productiedocumenten van de onderneming de overeenstemming tussen de geproduceerde niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen, de uitvoeraangifte, de fabricageformule en de uitgevoerde goederen kan worden geverifieerd, en

iii)

de overeenstemming tussen de uitgevoerde goederen, de daarop betrekking hebbende uitvoeraangifte, de fabricageformule en de geproduceerde goederen achteraf door de controleur van de boekhouding van de bevoegde autoriteit kan worden geverifieerd.

3.4.

Wanneer de procedure van de punten 3.1, 3.2 en 3.3 niet wordt toegepast, neemt het douanekantoor van uitvoer representatieve monsters, onverminderd het bepaalde in artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1043/2005.


(1)  PB L 42 van 15.2.1975, blz. 1.

(2)  PB L 42 van 15.2.1975, blz. 14.

(3)  PB L 46 van 21.2.1976, blz. 1.

(4)  PB L 172 van 5.7.2005, blz. 24.


BIJLAGE II

CRITERIA VOOR DE IN ARTIKEL 11 BEDOELDE RISICOANALYSE

1.

Criteria met betrekking tot de producten:

a)

de oorsprong,

b)

de aard,

c)

de kenmerken volgens de restitutienomenclatuur,

d)

de waarde,

e)

de douanestatus,

f)

het risico van gebruik van een verkeerde tariefcode,

g)

het restitutiebedrag volgens de technische kenmerken en de presentatie van de producten (het gehalte aan vetstoffen, water, vlees, as, verpakking enz.),

h)

het feit dat het een product betreft dat pas sinds kort voor een restitutie in aanmerking komt,

i)

de hoeveelheid,

j)

vroegere monsteranalyses,

k)

bindende tariefinlichtingen (BTI).

2.

Criteria met betrekking tot de handel:

a)

de frequentie,

b)

het optreden van abnormaal handelsverkeer en/of de ontwikkeling van nieuw handelsverkeer,

c)

verlegging van het handelsverkeer.

3.

Criteria met betrekking tot de restitutienomenclatuur:

a)

de restitutievoet,

b)

de posten van de nomenclatuur waarvoor de meeste restituties worden betaald,

c)

het risico van gebruik van een verkeerde restitutievoet volgens de technische kenmerken en de presentatie van de producten (het gehalte aan vetstoffen, water, vlees, as, verpakking enz.).

4.

Criteria met betrekking tot de exporteur:

a)

status in het kader van de douanewetgeving (bijv. geautoriseerde marktdeelnemer),

b)

reputatie en betrouwbaarheid,

c)

financiële situatie,

d)

de vraag of het een nieuwe exporteur betreft,

e)

uitvoertransacties waarvoor ogenschijnlijk geen economische rechtvaardiging bestaat,

f)

geschilprocedures waarbij de exporteur in het verleden betrokken is geweest, met name fraudegevallen.

5.

Criteria met betrekking tot onregelmatigheden: in bepaalde productsectoren geconstateerde of veronderstelde onregelmatigheden.

6.

Criteria met betrekking tot de gebruikte douaneregeling:

a)

de normale aangifteprocedure,

b)

de vereenvoudigde aangifteprocedure,

c)

aanvaarding van de uitvoeraangifte krachtens de artikelen 790 en 791 van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

7.

Criteria met betrekking tot de procedure voor de toekenning van uitvoerrestituties:

a)

rechtstreekse uitvoer,

b)

proviandering.

8.

Criteria met betrekking tot substitutiecontroles:

a)

de bestemming van de uitvoer,

b)

logistieke bewijsstukken betreffende het douanekantoor van uitgang: nieuwe of ongebruikelijke reisroute of handel, overbrenging van producten vanaf een ander kantoor van uitgang,

c)

te lange reistijd vanaf het kantoor van uitvoer,

d)

aankomst buiten het normale haven-/grenspatroon,

e)

verschil tussen het aangegeven en het daadwerkelijke zegelnummer,

f)

gebrek aan overeenstemming tussen de productcode en de productomschrijving,

g)

onjuist aangegeven gewicht,

h)

voor de producten ongeschikt vervoermiddel,

i)

het restitutiebedrag.


BIJLAGE III

In artikel 15, lid 1, onder a), bedoelde vermeldingen

:

In het Bulgaars

:

Физическа проверка Регламент (ЕО) № 1276/2008

:

In het Spaans

:

Control físico — Reglamento (CE) no 1276/2008

:

In het Tsjechisch

:

fyzická kontrola nařízení (ES) č. 1276/2008

:

In het Deens

:

fysisk kontrol forordning (EF) nr. 1276/2008

:

In het Duits

:

Warenkontrolle Verordnung (EG) Nr. 1276/2008

:

In het Ests

:

füüsiline kontroll Määrus (EÜ) nr 1276/2008

:

In het Grieks

:

φυσικός έλεγχος — κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 1276/2008

:

In het Engels

:

physical check Regulation (EC) No 1276/2008

:

In het Frans

:

contrôle physique règlement (CE) no 1276/2008

:

In het Italiaans

:

controllo fisico regolamento (CE) n. 1276/2008

:

In het Lets

:

fiziska pārbaude, Regula (EK) Nr. 1276/2008

:

In het Litouws

:

fizinė patikra, Reglamentas (EB) Nr. 1276/2008

:

In het Hongaars

:

fizikai ellenőrzés 1276/2008/EK rendelet

:

In het Maltees

:

spezzjoni fiżika Regolament (KE) Nru 1276/2008

:

In het Nederlands

:

fysieke controle Verordening (EG) nr. 1276/2008

:

In het Pools

:

kontrola bezpośrednia – rozporządzenie (WE) nr 1276/2008

:

In het Portugees

:

controlo físico Regulamento (CE) n.o 1276/2008

:

In het Roemeens

:

control fizic Regulamentul (CE) nr. 1276/2008

:

In het Slowaaks

:

fyzická kontrola – nariadenie (ES) č. 1276/2008

:

In het Sloveens

:

fizični pregled Uredba (ES) št. 1276/2008

:

In het Fins

:

fyysinen tarkastus – Asetus (EY) N:o 1276/2008

:

In het Zweeds

:

Fysisk kontroll förordning (EG) nr 1276/2008


BIJLAGE IV

In artikel 15, lid 1, onder b), bedoelde vermeldingen

:

In het Bulgaars

:

Регламент (ЕО) № 2298/2001

:

In het Spaans

:

Reglamento (CE) no 2298/2001

:

In het Tsjechisch

:

Nařízení (ES) č. 2298/2001

:

In het Deens

:

Nařízení (ES) č. 2298/2001

:

In het Duits

:

Verordnung (EG) Nr. 2298/2001

:

In het Ests

:

Määrus (EÜ) nr 2298/2001

:

In het Grieks

:

Κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 2298/2001

:

In het Engels

:

Regulation (EC) No 2298/2001

:

In het Frans

:

Règlement (CE) no 2298/2001

:

In het Italiaans

:

Regolamento (CE) n. 2298/2001

:

In het Lets

:

Regula (EK) Nr. 2298/2001

:

In het Litouws

:

Reglamentas (EB) Nr. 2298/2001

:

In het Hongaars

:

2298/2001/EK rendelet

:

In het Maltees

:

Regolament (KE) Nru 2298/2001

:

In het Nederlands

:

Verordening (EG) nr. 2298/2001

:

In het Pools

:

Rozporządzenie (WE) nr 2298/2001

:

In het Portugees

:

Regulamento (CE) n.o 2298/2001

:

In het Roemeens

:

Regulamentul (CE) nr. 2298/2001

:

In het Slowaaks

:

Nariadenie (ES) č. 2298/2001

:

In het Sloveens

:

Uredba (ES) št. 2298/2001

:

In het Fins

:

Asetus (EY) N:o 2298/2001

:

In het Zweeds

:

Förordning (EG) nr 2298/2001


BIJLAGE V

In artikel 15, lid 1, tweede alinea, bedoelde vermeldingen

:

In het Bulgaars

:

Взета проба

:

In het Spaans

:

Muestra recogida

:

In het Tsjechisch

:

odebraný vzorek

:

In het Deens

:

udtaget prøve

:

In het Duits

:

Probe gezogen

:

In het Ests

:

võetud proov

:

In het Grieks

:

ελήφθη δείγμα

:

In het Engels

:

Sample taken

:

In het Frans

:

échantillon prélevé

:

In het Italiaans

:

campione prelevato

:

In het Lets

:

paraugs paņemts

:

In het Litouws

:

Mėginys paimtas

:

In het Hongaars

:

ellenőrzési mintavétel megtörtént

:

In het Maltees

:

kampjun meħud

:

In het Nederlands

:

monster genomen

:

In het Pools

:

pobrana próbka

:

In het Portugees

:

Amostra colhida

:

In het Roemeens

:

Eșantion prelevat

:

In het Slowaaks

:

odobratá vzorka

:

In het Sloveens

:

vzorec odvzet

:

In het Fins

:

näyte otettu

:

In het Zweeds

:

varuprov har tagits


BIJLAGE VI

In artikel 15, lid 4, onder a), bedoelde vermeldingen

:

In het Bulgaars

:

Съответствие на резултатите от тестовете

:

In het Spaans

:

Resultado del análisis conforme

:

In het Tsjechisch

:

výsledek analýzy je v souladu

:

In het Deens

:

analyseresultat i orden

:

In het Duits

:

konformes Analyseergebnis

:

In het Ests

:

vastav analüüsitulemus

:

In het Grieks

:

αποτέλεσμα της ανάλυσης σύμφωνο

:

In het Engels

:

Results of tests conform

:

In het Frans

:

résultat d’analyse conforme

:

In het Italiaans

:

risultato di analisi conforme

:

In het Lets

:

analīzes rezultāti atbilst

:

In het Litouws

:

Tyrimų rezultatai atitinka eksporto deklaraciją

:

In het Hongaars

:

ellenőrzési eredmény megfelelő

:

In het Maltees

:

riżultat tal-analiżi konformi

:

In het Nederlands

:

analyseresultaat conform

:

In het Pools

:

wynik analizy zgodny

:

In het Portugees

:

Resultado da análise conforme

:

In het Roemeens

:

Rezultatul analizelor – conform

:

In het Slowaaks

:

výsledok testu je v súlade

:

In het Sloveens

:

rezultat analize je v skladu z/s

:

In het Fins

:

analyysin tulos yhtäpitävä

:

In het Zweeds

:

Analysresultatet överensstämmer med exportdeklarationen


BIJLAGE VII

In artikel 15, lid 5, bedoelde vermeldingen

:

In het Bulgaars

:

Искане за прилагане на член 15, параграф 5 от Регламент (ЕО) № 1276/2008. Идентификация на изходното митническо учреждение или митническото учреждение на получаване на контролното копие Т5:

:

In het Spaans

:

Solicitud de aplicación del artículo 15, apartado 5, del Reglamento (CE) no 1276/2008. Aduana de salida o de destino del T5: …

:

In het Tsjechisch

:

Žádost o použití čl. 15 odst. 5 nařízení (ES) č. 1276/2008. Identifikace celního úřadu výstupu nebo celního úřadu určení T 5:

:

In het Deens

:

Anmodning om anvendelse af artikel 15, stk. 5, i forordning (EF) nr. 1276/2008. Identifikation af udgangstoldstedet eller bestemmelsestoldstedet for T5: …

:

In het Duits

:

Antrag auf Anwendung von Artikel 15 Absatz 5 der Verordnung (EG) Nr. 1276/2008. Identifizierung der Ausgangszollstelle oder der Bestimmungsstelle des Kontrollexemplars T5: …

:

In het Ests

:

Määruse (EÜ) nr 1276/2008 artikli 15 lõike 5 kohaldamise taotlus. Väljumistolliasutus või tolliasutus, kuhu saadetakse kontrolleksemplar T5: …

:

In het Grieks

:

Αίτηση εφαρμογής του άρθρου 15 παράγραφος 5 του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 1276/2008. Προσδιορισμός του τελωνείου εξόδου ή του τελωνείου προορισμού του αντιτύπου ελέγχου T5: …

:

In het Engels

:

Request for application of Article 15(5) of Regulation (EC) No 1276/2008. Identity of the customs office of exit or customs office receiving the control copy T5: …

:

In het Frans

:

Demande d’application de l’article 15, paragraphe 5, du règlement (CE) no 1276/2008. Identification du bureau de douane de sortie ou de destination du T5: …

:

In het Italiaans

:

Domanda di applicazione dell’articolo 15, paragrafo 5, del regolamento (CE) n. 1276/2008. Identificazione dell’ufficio doganale di uscita o di destinazione del T5: …

:

In het Lets

:

Pieprasījums piemērot Regulas (EK) Nr. 1276/2008 15. panta 5. punktu. Izvešanas muitas punkta vai muitas punkta, kas saņem T5 kontroleksemplāru, identitāte: …

:

In het Litouws

:

Prašymas taikyti Reglamento (EB) Nr. 1276/2008 15 straipsnio 5 dalį. Išvykimo muitinės įstaiga arba įstaiga, kuriai išsiunčiamas T5 kontrolinis egzempliorius: …

:

In het Hongaars

:

Az 1276/2008/EK rendelet 15. cikke (5) bekezdésének alkalmazására irányuló kérelem. A kilépési vámhivatal vagy a T5 ellenőrző példányt átvevő hivatal azonosítója:

:

In het Maltees

:

Talba għall-applikazzjoni tal-Artikolu 15, paragrafu 5, tar-Regolament (KE) Nru 1276/2008. Identifikazzjoni tal-uffiċċju tad-dwana tat-tluq jew tal-wasla tat-T5: …

:

In het Nederlands

:

Verzoek om toepassing van artikel 15, lid 5 van Verordening (EG) nr. 1276/2008 Identificatie van het kantoor van uitgang of van bestemming van de T5: …

:

In het Pools

:

Wniosek o stosowanie art. 15 ust. 5 rozporzadzenia (WE) nr 1276/2008. Identyfikacja urzędu celnego wyprowadzenia lub urzędu celnego otrzymującego egzemplarz kontrolny T5: …

:

In het Portugees

:

Pedido de aplicação do n.o 5 do artigo 15.o do Regulamento (CE) n.o 1276/2008. Identificação da estância aduaneira de saída ou de destino do T5: …

:

In het Roemeens

:

Cerere de aplicare a articolului 15 alineatul (5) din Regulamentul (CE) nr. 1276/2008. Identitatea biroului vamal de ieșire sau a biroului vamal de destinație a exemplarului de control T5: …

:

In het Slowaaks

:

Žiadost’ o uplatňovanie článku 15 ods. 5 nariadenia (ES) č. 1276/2008. Identifikácia colného úradu výstupu alebo colného úradu určenia T5: …

:

In het Sloveens

:

Zahteva se uporaba člena 15, odstavka 5, Uredbe (ES) št. 1276/2008. Identifikacija carinskega urada izstopa ali carinskega urada, ki mu je poslan kontrolni izvod T5:

:

In het Fins

:

Asetuksen (EY) N:o 1276/2008 15 artiklan 5 kohdan soveltamista koskeva pyyntö. Poistumistullitoimipaikan tai toimipaikan, johon T5-valvontakappale toimitetaan, tunnistustiedot: …

:

In het Zweeds

:

Begäran om tillämpning av artikel 15.5 i förordning (EG) nr 1276/2008. Uppgift om utfartstullkontor eller bestämmelsetullkontor enligt kontrollexemplaret T5:


BIJLAGE VIII

Onderdelen van het in artikel 16 bedoelde jaarverslag

1.   Controles in de douanekantoren van uitvoer

1.1.

Het aantal uitvoeraangiften per productsector per douanekantoor die bij de berekening van het minimumcontrolepercentage niet zijn uitgesloten op grond van artikel 6, lid 6. Indien de lidstaat artikel 6, lid 2, onder b), toepast, wordt in het verslag het totale aantal uitvoeraangiften per productsector op zijn grondgebied vermeld dat niet op grond van artikel 6, lid 6, is uitgesloten bij de berekening van het minimumcontrolepercentage.

1.2.

Het aantal en het percentage fysieke controles die per productsector per douanekantoor zijn uitgevoerd. Indien de lidstaat artikel 6, lid 2, onder b), toepast, worden in het verslag het totale aantal en het totale percentage fysieke controles vermeld die per productsector op zijn grondgebied zijn uitgevoerd.

1.3.

Indien van toepassing, een lijst van de douanekantoren die op grond van artikel 6, lid 4, onder b), verlaagde controlepercentages toepassen. Indien de lidstaat artikel 6, lid 2, onder b), en artikel 6, lid 4, toepast, worden in het verslag het aantal en het percentage in dat artikel bedoelde fysieke controles vermeld die per douanekantoor per productsector zijn uitgevoerd.

1.4.

Het aantal controles per productsector die tot de constatering van onregelmatigheden hebben geleid, de financiële gevolgen van de geconstateerde onregelmatigheden waarbij het bedrag aan restituties meer dan 1 000 EUR is, en indien van toepassing, het referentienummer dat is gebruikt voor de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1848/2006 van de Commissie (1) bedoelde mededeling.

1.5.

Indien van toepassing, de actualisering, overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1848/2006, van het aantal onregelmatigheden die in de vorige jaarverslagen aan de Commissie zijn meegedeeld.

1.6.

Het bedrag aan aangevraagde restituties per productsector, dat betrekking heeft op de fysiek gecontroleerde aangiften.

2.   Substitutiecontroles in de douanekantoren van uitgang

2.1.

Het aantal controle-exemplaren T5 en gelijkwaardige documenten per douanekantoor van uitgang of douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 waar de producten waarvoor een restitutie wordt gevraagd, het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, vermeld als:

a)

het aantal controle-exemplaren T5 en gelijkwaardige documenten met betrekking tot uitvoer die fysiek is gecontroleerd overeenkomstig artikel 3, onder a);

b)

het aantal controle-exemplaren T5 en gelijkwaardige documenten met betrekking tot uitvoeraangiften die niet fysiek zijn gecontroleerd overeenkomstig artikel 3, onder a);

c)

het totale aantal controle-exemplaren T5 en gelijkwaardige documenten.

2.2.

Het aantal en het percentage van de in artikel 7 bedoelde controles van de intactheid van de zegels per douanekantoor van uitgang of douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 waar de producten waarvoor een restitutie wordt gevraagd, het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.

2.3.

Het aantal en het percentage van de in respectievelijk artikel 8 en artikel 9 bedoelde substitutiecontroles en specifieke substitutiecontroles per douanekantoor van uitgang of douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 waar de producten waarvoor een restitutie wordt gevraagd, het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.

2.4.

Het aantal controle-exemplaren T5 en gelijkwaardige documenten met betrekking waartoe de bij het vertrek aangebrachte zegels buiten de douanecontrole om zijn verwijderd of zijn verbroken of met betrekking waartoe de in artikel 357, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde vrijstelling van verzegeling niet is verleend.

2.5.

Het aantal in artikel 8 van de onderhavige verordening bedoelde substitutiecontroles die tot de constatering van onregelmatigheden hebben geleid, de financiële gevolgen van de geconstateerde onregelmatigheden voor een hoger bedrag aan restituties dan 1 000 EUR, in voorkomend geval inclusief het referentienummer dat is gebruikt voor de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1848/2006 bedoelde mededeling.

Het aantal in artikel 9 van de onderhavige verordening bedoelde specifieke substitutiecontroles die tot de constatering van onregelmatigheden hebben geleid, de financiële gevolgen van de geconstateerde onregelmatigheden voor een hoger bedrag aan restituties dan 1 000 EUR, in voorkomend geval inclusief het referentienummer dat is gebruikt voor de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1848/2006 bedoelde mededeling.

2.6.

Indien van toepassing, de actualisering, overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1848/2006, van het aantal onregelmatigheden die in het vorige jaarverslag aan de Commissie zijn meegedeeld.

2.7.

De mate waarin het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van bestemming van het controle-exemplaar T5 het bepaalde in artikel 15, lid 5, heeft toegepast en de informatie die de betrokken betaalorganen hebben verstrekt.

3.   Procedures voor de selectie van partijen voor fysieke controles

3.1.

Een beschrijving van de procedures voor de selectie van partijen voor fysieke controles, voor substitutiecontroles en voor specifieke substitutiecontroles, en de doeltreffendheid ervan.

4.   Wijzigingen van het systeem of de strategie voor de risicoanalyse

4.1.

Een beschrijving van alle wijzigingen van de krachtens artikel 11, lid 3, aan de Commissie gemelde maatregelen.

5.   Gedetailleerde informatie over de selectiesystemen en over het systeem voor de risicoanalyse

De in de punten 5.1 tot en met 5.4 bedoelde informatie hoeft alleen te worden verstrekt indien sinds het vorige verslag wijzigingen zijn aangebracht.

De in punt 5.5 bedoelde informatie wordt van de lidstaten gevraagd voor de periode in 2009 die voorafgaat aan de door hen gedane mededeling inzake de toepassing van de risicoanalyse krachtens artikel 11.

5.1.

Beschrijving van het uniforme systeem voor de vastlegging van het gewicht dat wordt toegekend aan de aan elke partij verbonden risico’s, indien een dergelijk systeem bestaat.

5.2.

Beschrijving van de periodiciteit waarmee de beoordeelde risico’s worden beoordeeld en herzien.

5.3.

Beschrijving van het monitoring- en terugkoppelingssysteem dat borg staat voor de uitvoering van gerichte controles en voor de registratie van de redenen waarom deze niet worden uitgevoerd.

5.4.

Indien voor de meest recente verslagperioden geen herziening van de risicobeoordeling (zie punt 5.2) heeft plaatsgevonden, een motivering waarom de bestaande beoordeling nog steeds wordt beschouwd als het geschikte middel om de doeltreffendheid van de fysieke controles te garanderen.

5.5.

Als er geen risicoanalyse krachtens artikel 11 is toegepast, een motivering waarom het bestaande systeem voor controles nog steeds wordt beschouwd als het geschikte middel om de doeltreffendheid van de fysieke controles te garanderen.

6.   Coördinatie met Verordening (EG) nr. 485/2008

6.1.

Beschrijving van de maatregelen die op grond van artikel 13, lid 1, van de onderhavige verordening zijn genomen om de coördinatie met Verordening (EG) nr. 485/2008 te verbeteren.

7.   Problemen bij de toepassing van de onderhavige verordening

7.1.

Beschrijving van de problemen die zich bij de toepassing van deze verordening hebben voorgedaan, en van de maatregelen die zijn genomen om deze op te lossen of van voorstellen daartoe.

8.   Evaluatie van de verrichte controles

8.1.

Evalueer of de controles op bevredigende wijze zijn uitgevoerd.

8.2.

Vermeld of de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 885/2006 bedoelde verklarende instantie in haar meest recente rapport als bedoeld in artikel 5, lid 4, van die verordening opmerkingen over de uitvoering van de fysieke en de substitutiecontroles heeft gemaakt, en geef de desbetreffende plaats in het rapport aan (hoofdstuk, bladzijde enz.). Indien het rapport aanbevelingen ter verbetering van het systeem van fysieke en substitutiecontroles bevat, geef dan aan welke maatregelen ten uitvoer zijn gelegd om het systeem te verbeteren.

8.3.

De lidstaten die bij de opstelling van het jaarverslag de in punt 8.2 bedoelde maatregelen nog niet ten uitvoer hebben gelegd, verstrekken die informatie uiterlijk op 31 juli van het jaar waarin het jaarverslag wordt ingediend.

9.   Voorstellen voor verbetering

9.1.

In voorkomend geval, voorstellen om de toepassing van de verordening of de verordening zelf te verbeteren.


(1)  PB L 355 van 15.12.2006, blz. 56.


BIJLAGE IX

Verordening (EEG) nr. 386/90

Verordening (EG) nr. 3122/94

Verordening (EG) nr. 2090/2002

Deze verordening

Artikel 1

 

Artikel 1, lid 2

Artikel 1

 

 

Artikel 1, lid 3, artikel 5, lid 1, artikel 3 en artikel 10, lid 4

Artikel 2

Artikel 2

 

 

Artikel 3

Artikel 3, leden 1 en 2

 

 

Artikel 4, lid 1

 

 

Artikel 5, lid 2

Artikel 4, leden 2 en 3

Artikel 3, lid 3

 

 

Artikel 5, lid 1

 

 

Artikel 5, lid 1, en artikel 6, onder b)

Artikel 5, lid 2

Artikel 3, lid 4

 

 

Artikel 5, lid 3

 

 

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, leden 4 en 5

Artikel 3, lid 1, onder b), en 3, lid 2, eerste alinea

 

 

Artikel 6, lid 1

Artikel 3, lid 2, tweede alinea

 

 

Artikel 6, lid 2, onder a)

Artikel 3, lid 2, derde alinea

 

 

Artikel 6, lid 2, onder b)

 

 

Artikel 5, lid 3

Artikel 6, lid 3

 

 

Artikel 6, onder a) en c)

Artikel 6, lid 4

 

 

Artikel 2, lid 1

Artikel 6, lid 5

 

 

Artikel 2, lid 2

Artikel 6, lid 6

 

 

Artikel 2, lid 3

Artikel 6, lid 7

 

 

Artikel 10, lid 2 bis

Artikel 7

Artikel 3 bis

 

Artikel 10, leden 1 en 2

Artikel 8, lid 1

 

 

Artikel 10, lid 4

Artikel 8, lid 2

 

 

Artikel 10, lid 3

Artikel 8, lid 3

 

 

Artikel 10, lid 2 bis

Artikel 9, lid 1

 

 

Artikel 10, lid 4 bis

Artikel 9, lid 2

 

 

Artikel 10, lid 2

Artikel 10, lid 1

 

 

Artikel 2, lid 2

Artikel 10, lid 2

 

 

Artikel 2, lid 3

Artikel 10, lid 3

Artikel 3, lid 2

Artikel 1

Artikel 10, lid 2

Artikel 11, leden 1, 2 en 3

 

Artikel 2 (1)

 

 

Artikel 3, lid 1

 

Artikel 11, lid 4

 

Artikel 3, lid 2

 

Artikel 11, lid 5

Artikel 4

 

 

Artikel 12

 

Artikel 3, lid 3

 

Artikel 13, lid 1

Artikel 5

 

 

Artikel 13, lid 2

 

 

Artikel 8, lid 1

Artikel 14, lid 1

 

 

Artikel 8, lid 2

Artikel 14, lid 2

 

 

Artikel 8, lid 3

Artikel 15, lid 1

 

 

Artikel 10, lid 5, onder a), en artikel 10, lid 5 bis, tweede alinea (2)

Artikel 15, lid 2

 

 

Artikel 10, lid 5 bis, eerste alinea

Artikel 15, lid 3

 

 

Artikel 10, lid 6

Artikel 15, lid 4

 

 

Artikel 10, lid 7, eerste alinea

Artikel 15, lid 5

 

 

Artikel 11

Artikel 16

 

 

Artikel 12

Artikel 17

 

 

 

Artikel 18

 

 

Bijlage I (3)

Bijlage I

 

Artikel 1

 

Bijlage II

 

 

Artikel 8, lid 3, onder a)

Bijlage III

 

 

Artikel 8, lid 3, onder b)

Bijlage IV

 

 

Bijlage I bis

Bijlage V

 

 

Bijlage I ter

Bijlage VI

 

 

Bijlage I quater

Bijlage VII

 

 

Bijlage III

Bijlage VIII

 

 

 

Bijlage IX


(1)  Het beroepsgeheim wordt gegarandeerd bij artikel 6 van Verordening (EG) nr. 450/2008.

(2)  Het bepaalde in artikel 10, lid 5 bis, tweede alinea, valt onder artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 885/2006.

(3)  Punt 3, onder b), valt onder artikel 4 van Verordening (EG) nr. 485/2008.


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/76


VERORDENING (EG) Nr. 1277/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1580/2007 met betrekking tot de drempelvolumen voor de toepassing van de aanvullende rechten voor peren, citroenen, appelen en courgettes

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1), en met name op artikel 143, onder b), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2) voorziet in toezicht op de invoer van de in bijlage XVII bij die verordening genoemde producten. Voor dit toezicht gelden de uitvoeringsbepalingen die zijn vastgesteld in artikel 308 quinquies van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3).

(2)

Met het oog op de toepassing van artikel 5, lid 4, van de in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde gesloten overeenkomst inzake de landbouw (4), en op grond van de meest recente beschikbare gegevens over 2005, 2006 en 2007 moeten de drempelvolumen voor de toepassing van de aanvullende rechten voor peren, citroenen, appelen en courgettes worden aangepast.

(3)

Verordening (EG) nr. 1580/2007 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.

(3)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.

(4)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 22.


BIJLAGE

„BIJLAGE XVII

AANVULLENDE INVOERRECHTEN: TITEL IV, HOOFDSTUK II, AFDELING 2

Onverminderd de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, wordt de tekst van de omschrijving als louter indicatief beschouwd. De werkingssfeer van de aanvullende rechten wordt in het kader van deze bijlage bepaald door de draagwijdte van de GN-codes zoals deze bij de vaststelling van de onderhavige verordening bestaan.

Volgnummer

GN-code

Omschrijving

Toepassingsperiode

Drempelvolume

(in ton)

78.0015

0702 00 00

Tomaten

1 oktober tot en met 31 mei

594 495

78.0020

1 juni tot en met 30 september

108 775

78.0065

0707 00 05

Komkommers

1 mei tot en met 31 oktober

8 632

78.0075

1 november tot en met 30 april

15 259

78.0085

0709 90 80

Artisjokken

1 november tot en met 30 juni

16 421

78.0100

0709 90 70

Courgettes

1 januari tot en met 31 december

65 893

78.0110

0805 10 20

Sinaasappelen

1 december tot en met 31 mei

700 277

78.0120

0805 20 10

Clementines

1 november tot en met eind februari

385 569

78.0130

0805 20 30

0805 20 50

0805 20 70

0805 20 90

Mandarijnen (tangerines en satsuma’s daaronder begrepen); wilkings en soortgelijke kruisingen van citrusvruchten

1 november tot en met eind februari

95 620

78.0155

0805 50 10

Citroenen

1 juni tot en met 31 december

335 735

78.0160

1 januari tot en met 31 mei

64 586

78.0170

0806 10 10

Tafeldruiven

21 juli tot en met 20 november

89 754

78.0175

0808 10 80

Appelen

1 januari tot en met 31 augustus

876 665

78.0180

1 september tot en met 31 december

106 465

78.0220

0808 20 50

Peren

1 januari tot en met 30 april

257 327

78.0235

1 juli tot en met 31 december

37 316

78.0250

0809 10 00

Abrikozen

1 juni tot en met 31 juli

4 199

78.0265

0809 20 95

Kersen, andere dan zure kersen

21 mei tot en met 10 augustus

151 059

78.0270

0809 30

Perziken, nectarines daaronder begrepen

11 juni tot en met 30 september

39 144

78.0280

0809 40 05

Pruimen

11 juni tot en met 30 september

7 658”


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/78


VERORDENING (EG) Nr. 1278/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

tot vaststelling van noodmaatregelen ter ondersteuning van de varkensvleesmarkt in Ierland in de vorm van steun voor de particuliere opslag

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 37, artikel 43, onder a) en d), en artikel 191, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat, wanneer de gemiddelde communautaire marktprijs van geslachte varkens die wordt vastgesteld op basis van de prijzen die in elke lidstaat op de representatieve markten van de Gemeenschap worden genoteerd en worden gewogen door middel van coëfficiënten die de relatieve omvang van de varkensstapel van elke lidstaat uitdrukken, lager is en naar verwachting lager zal blijven dan 103 % van de referentieprijs, de Commissie kan besluiten steun voor particuliere opslag te verlenen.

(2)

De marktprijzen zijn onder dat niveau gedaald en in verband met seizoens- en cylische schommelingen zou die situatie kunnen voortduren.

(3)

De situatie van de varkensvleesmarkt in Ierland is bijzonder kritiek, rekening houdend met de recente vondst van hoge percentages polychloorbifenylen (PCB’s) in varkensvlees van oorsprong uit Ierland. De bevoegde autoriteiten hebben diverse maatregelen genomen om de situatie aan te pakken.

(4)

Aan varkenshouderijbedrijven in Ierland is besmet diervoeder geleverd. De getroffen bedrijven nemen 7 % van de totale varkensproductie in Ierland voor hun rekening. Het besmette voeder maakt een zeer groot deel van het varkensvoer uit, wat tot hoge dioxineniveaus in vlees van varkens van de getroffen bedrijven heeft geleid. Aangezien het moeilijk is het varkensvlees terug te traceren tot op de bedrijven, en gezien de hoge dioxineniveaus die in het getroffen varkensvlees zijn aangetroffen, hebben de Ierse autoriteiten besloten als voorzorgsmaatregel alle varkensvlees en varkensvleesproducten uit de markt te nemen.

(5)

De toepassing van die maatregelen veroorzaakt ernstige verstoringen van de varkensvleesmarkt in Ierland. Gezien de buitengewone omstandigheden en de praktische problemen waarmee de varkensvleesmarkt in Ierland momenteel te maken heeft, moet worden gezorgd voor communautaire noodmaatregelen ter ondersteuning van de markt door steun te geven voor de particuliere opslag in Ierland voor een beperkte periode en voor een beperkte hoeveelheid producten.

(6)

In artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat particuliere steun voor de opslag van varkensvlees kan worden verleend en dat die steun door de Commissie wordt vastgesteld, hetzij vooraf, hetzij door middel van een inschrijvingsprocedure.

(7)

Aangezien de situatie van de varkensvleesmarkt in Ierland vraagt om snelle concrete actie, is vaststelling vooraf de meest geschikte procedure voor het verlenen van steun voor de particuliere opslag.

(8)

Bij Verordening (EG) nr. 826/2008 van de Commissie van 20 augustus 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de verlening van steun voor de particuliere opslag van bepaalde landbouwproducten (2) zijn gemeenschappelijke bepalingen vastgesteld voor de uitvoering van de steunregeling voor particuliere opslag.

(9)

Op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 826/2008 moet een vooraf vastgesteld steunbedrag worden verleend overeenkomstig de in hoofdstuk III van die verordening bedoelde nadere bepalingen en voorwaarden.

(10)

In verband met de bijzondere omstandigheden moet worden bepaald dat de producten die in particuliere opslag worden geplaatst, afkomstig moeten zijn van varkens die zijn opgefokt op landbouwbedrijven waarvan is vastgesteld dat zij niet met het besmette voeder in contact zijn geweest. Bovendien moet worden bepaald dat de betrokken producten van in Ierland gehouden en geslachte dieren afkomstig moeten zijn.

(11)

Om het beheer van de regeling te vergemakkelijken, worden de varkensvleesproducten naargelang van de opslagkosten ingedeeld in categorieën.

(12)

Om de administratie en de controle met betrekking tot het sluiten van contracten te vergemakkelijken, moet de minimumhoeveelheid producten worden vastgesteld die elke aanvrager moet leveren.

(13)

Bepaald moet worden dat een zekerheid moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat de marktdeelnemers aan hun contractuele verplichtingen voldoen en dat de maatregel het gewenste effect op de markt heeft.

(14)

De uitvoer van varkensvleesproducten draagt bij aan het herstel van het marktevenwicht. Daarom moet worden bepaald dat artikel 28, lid 3, van Verordening (EG) nr. 826/2008 van toepassing is in die gevallen waarin de opslagperiode wordt verkort en de uitgeslagen producten bestemd zijn voor uitvoer. Vastgesteld moet worden met welk bedrag per dag het steunbedrag moet worden verlaagd overeenkomstig het bepaalde in dat artikel.

(15)

Voor de toepassing van de eerste alinea van artikel 28, lid 3, van Verordening (EG) nr. 826/2008 en om redenen van coherentie en duidelijkheid voor de marktdeelnemers moet de daarin opgenomen periode van twee maanden worden uitgedrukt in dagen.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Voor de particuliere opslag van varkenvleesproducten die aan de volgende voorwaarden voldoen, wordt steun verleend:

a)

de producten zijn afkomstig van varkens die ten minste de laatste twee maanden vóór het slachten in Ierland zijn gehouden;

b)

de producten zijn van gezonde handelskwaliteit en zijn afkomstig van varkens die op landbouwbedrijven zijn gehouden waarvan is vastgesteld dat daar geen sterk met polychloorbifenylen (PCB’s) besmet voeder is gebruikt.

2.   De lijst van categorieën producten die hiervoor in aanmerking komen en de desbetreffende bedragen worden vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Geldende voorschriften

Verordening (EG) nr. 826/2008 is van toepassing, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.

Artikel 3

Indiening van aanvragen

1.   Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening mogen in Ierland aanvragen worden ingediend voor steun voor de particuliere opslag van de categorieën varkensvleesproducten die op grond van artikel 1 voor steun in aanmerking komen.

2.   De aanvragen moeten betrekking hebben op een opslagperiode van 90, 120, 150 of 180 dagen.

3.   De aanvragen mogen alleen worden ingediend voor de categorieën producten die in de bijlage zijn opgenomen, waarbij de betrokken GN-code binnen die categorie moet worden aangegeven.

4.   De Ierse autoriteiten treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de bepalingen van artikel 1, lid 1, wordt voldaan.

Artikel 4

Minimumhoeveelheid

De minimumhoeveelheid per aanvraag is:

a)

10 ton voor producten zonder been;

b)

15 ton voor alle andere producten.

Artikel 5

Zekerheid

De aanvragen gaan vergezeld van een zekerheid van 20 % van de in de kolommen 3 tot en met 6 van de bijlage aangegeven steunbedragen.

Artikel 6

Totale hoeveelheid

De totale hoeveelheid waarvoor overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 826/2008 contracten mogen worden gesloten, mag niet meer bedragen dan 30 000 ton productgewicht.

Artikel 7

Uitslag van voor uitvoer bestemde producten

1.   Voor de toepassing van artikel 28, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 826/2008 moet een minimumopslagperiode van 60 dagen zijn verlopen.

2.   Voor de toepassing van artikel 28, lid 3, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 826/2008 worden de bedragen per dag vastgesteld in kolom 7 van de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 223 van 21.8.2008, blz. 3.


BIJLAGE

Categorie producten

Producten waarvoor steun wordt verleend

Steun voor een opslagtermijn van

(EUR/t)

Korting

90 dagen

120 dagen

150 dagen

180 dagen

per dag

1

2

3

4

5

6

7

Categorie 1

ex 0203 11 10

Halve dieren, zonder voorpoot, staart, nier, middenrif en ruggenmerg (1)

278

315

352

389

1,24

Categorie 2

ex 0203 12 11

Hammen

337

379

421

463

1,41

ex 0203 12 19

Schouders

ex 0203 19 11

Voorstukken

ex 0203 19 13

Karbonadestrengen, met of zonder halskarbonade, of halskarbonaden alleen, karbonadestrengen met of zonder heup (2)  (3)

ex 0203 19 55

Hammen, schouders, voorstukken, karbonadestrengen met of zonder halskarbonade, of halskarbonaden alleen, karbonadestrengen met of zonder heup, zonder been (2)  (3)

Categorie 3

ex 0203 19 15

Buik, als zodanig of rechthoekig gesneden

164

197

230

263

1,09

ex 0203 19 55

Buik, als zodanig of rechthoekig gesneden, zonder zwoerd en ribben

Categorie 4

ex 0203 19 55

Deelstukken overeenstemmend met „middles”, met of zonder zwoerd of vet, zonder been (4)

255

290

325

360

1,17


(1)  Voor steun komen ook in aanmerking halve dieren, versneden volgens de „Wiltshire”-methode, d.w.z. ontdaan van de kop, de wang, het kinnebakspek, de poten, de staart, de bladreuzel, de nier, het haasje, het schouderblad, het borstbeen, de wervelkolom, het heupbeen en het middenrif.

(2)  De karbonadestrengen en de halskarbonaden mogen worden opgeslagen met of zonder zwoerd; het vastzittend spek mag echter niet dikker zijn dan 25 mm.

(3)  De in het contract vastgelegde hoeveelheid kan iedere combinatie van de genoemde producten betreffen.

(4)  Dezelfde aanbiedingsvorm als die van GN-code 0210 19 20.


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/82


VERORDENING (EG) Nr. 1279/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 1399/2007 geopende tariefcontingent voor de invoer van worst en bepaalde vleesproducten van oorsprong uit Zwitserland

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1399/2007 van de Commissie van 28 november 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor worst en bepaalde vleesproducten van oorsprong uit Zwitserland (2), en met name op artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1399/2007 is een tariefcontingent geopend voor de invoer van worst en bepaalde vleesproducten.

(2)

De in de eerste zeven dagen van december 2008 voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2009 ingediende invoercertificaataanvragen hebben betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dienen de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, te worden vastgesteld en te worden toegevoegd aan de voor de volgende deelperiode vastgestelde hoeveelheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hoeveelheden waarvoor in het kader van het tariefcontingent met volgnummer 09.4180 geen invoercertificaataanvragen zijn ingediend op grond van Verordening (EG) nr. 1399/2007 en die aan de deelperiode van 1 april tot en met 30 juni 2009 moeten worden toegevoegd, bedragen 469 000 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 18 december 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 311 van 29.11.2007, blz. 7.


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/83


VERORDENING (EG) Nr. 1280/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 1382/2007 geopende tariefcontingent zijn ingediend voor varkensvlees

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1382/2007 van de Commissie 26 november 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 774/94 van de Raad wat de invoerregeling voor varkensvlees betreft (2), en met name op artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1382/2007 is een tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector varkensvlees.

(2)

De in de eerste zeven dagen van december 2008 voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2009 ingediende invoercertificaataanvragen hebben betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dienen de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, te worden vastgesteld en te worden toegevoegd aan de voor de volgende deelperiode vastgestelde hoeveelheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hoeveelheden waarvoor in het kader van het tariefcontingent met volgnummer 09.4046 geen invoercertificaataanvragen zijn ingediend op grond van Verordening (EG) nr. 1382/2007 en die aan de deelperiode van 1 april tot en met 30 juni 2009 moeten worden toegevoegd, bedragen 1 365 000 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 18 december 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 309 van 27.11.2007, blz. 28.


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/84


VERORDENING (EG) Nr. 1281/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 812/2007 geopende tariefcontingent voor varkensvlees

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 812/2007 van de Commissie van 11 juli 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een aan de Verenigde Staten van Amerika toegewezen tariefcontingent voor varkensvlees (2), en met name op artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 812/2007 zijn tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector varkensvlees.

(2)

De in de eerste zeven dagen van december 2008 voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2009 ingediende invoercertificaataanvragen hebben betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dienen de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, te worden vastgesteld en te worden toegevoegd aan de voor de volgende contingentsdeelperiode vastgestelde hoeveelheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hoeveelheden waarvoor in het kader van het contingent met volgnummer 09.4170 geen invoercertificaataanvragen op grond van Verordening (EG) nr. 812/2007 zijn ingediend en die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 april tot en met 30 juni 2009 vastgestelde hoeveelheid, bedragen 2 611 500 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 18 december 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 182 van 12.7.2007, blz. 7.


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/85


VERORDENING (EG) Nr. 1282/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 979/2007 geopende tariefcontingent voor varkensvlees

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 979/2007 van de Commissie van 21 augustus 2007 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor varkensvlees van oorsprong uit Canada (2), en met name op artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 979/2007 is een tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector varkensvlees.

(2)

De in de eerste zeven dagen van december 2008 voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2009 ingediende invoercertificaataanvragen hebben betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dienen de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, te worden vastgesteld en te worden toegevoegd aan de voor de volgende contingentsdeelperiode vastgestelde hoeveelheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hoeveelheden waarvoor in het kader van het contingent met volgnummer 09.4204 geen invoercertificaataanvragen op grond van Verordening (EG) nr. 979/2007 zijn ingediend en die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 april tot en met 30 juni 2009 vastgestelde hoeveelheid, bedragen 3 468 000 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 18 december 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 217 van 22.8.2007, blz. 12.


18.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 339/86


VERORDENING (EG) Nr. 1283/2008 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2008

inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van december 2008 zijn ingediend in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 806/2007 geopende tariefcontingenten voor varkensvlees

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,

Gelet op Verordening (EG) nr. 806/2007 van de Commissie van 10 juli 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten voor varkensvlees (3), en met name op artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 806/2007 zijn tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector varkensvlees.

(2)

De in de eerste zeven dagen van december 2008 voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2009 ingediende invoercertificaataanvragen hebben, voor bepaalde contingenten, betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dienen de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, te worden vastgesteld en te worden toegevoegd aan de voor de volgende contingentsdeelperiode vastgestelde hoeveelheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hoeveelheden waarvoor geen invoercertificaataanvragen op grond van Verordening (EG) nr. 806/2007 zijn ingediend en die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 april tot en met 30 juni 2009 vastgestelde hoeveelheid, zijn vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 18 december 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.