ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 306

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
15 november 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 1127/2008 van de Commissie van 14 november 2008 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1128/2008 van de Commissie van 14 november 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 40/2008 van de Raad, wat betreft de lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1129/2008 van de Commissie van 14 november 2008 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde soorten voor- en naspandraad en voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal (PSC-draad en -strengen) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

5

 

*

Verordening (EG) nr. 1130/2008 van de Commissie van 14 november 2008 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde kaarsen, draadkaarsen en dergelijke artikelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China

22

 

*

Verordening (EG) nr. 1131/2008 van de Commissie van 14 november 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 474/2006 tot opstelling van de communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod is opgelegd in de Gemeenschap ( 1 )

47

 

*

Verordening (EG) nr. 1132/2008 van de Commissie van 13 november 2008 tot opheffing van het verbod op de industriële visserij in het gebied Noorse wateren van IV door vaartuigen die de vlag van Zweden voeren

59

 

 

Verordening (EG) nr. 1133/2008 van de Commissie van 14 november 2008 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 945/2008 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2008/2009

61

 

 

Verordening (EG) nr. 1134/2008 van de Commissie van 14 november 2008 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 16 november 2008

63

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2008/861/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 29 oktober 2008 betreffende de wijze van toepassing van Richtlijn 95/64/EG van de Raad betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6203) (Gecodificeerde versie) ( 1 )

66

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2008/862/GBVB van de Raad van 10 november 2008 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EUBAM Rafah)

98

 

 

2008/863/GBVB

 

*

Besluit EUBAM Rafah/1/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité van 11 november 2008 tot benoeming van het hoofd van de missie voor bijstandsverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah EUBAM Rafah

99

 

 

 

*

Bericht aan de lezer (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

15.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/1


VERORDENING (EG) Nr. 1127/2008 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2008

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 15 november 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

34,6

MA

63,1

MK

46,2

TR

81,4

ZZ

56,3

0707 00 05

JO

175,9

MA

60,8

TR

62,3

ZZ

99,7

0709 90 70

MA

63,0

TR

121,9

ZZ

92,5

0805 20 10

MA

73,2

ZZ

73,2

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

CN

55,9

HR

35,4

MA

82,1

TR

75,0

ZZ

62,1

0805 50 10

MA

60,4

TR

77,4

ZA

72,5

ZZ

70,1

0806 10 10

BR

217,7

TR

139,2

US

273,6

ZA

78,7

ZZ

177,3

0808 10 80

CA

96,0

CL

67,1

MK

37,6

US

118,3

ZA

85,9

ZZ

81,0

0808 20 50

CL

58,0

CN

44,3

ZZ

51,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


15.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/3


VERORDENING (EG) Nr. 1128/2008 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 40/2008 van de Raad, wat betreft de lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 40/2008 van de Raad van 16 januari 2008 tot vaststelling, voor 2008, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (1), en met name op bijlage XIII, punt 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Gemeenschap is sinds 1981 partij bij het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (2). Verordening (EG) nr. 40/2008 bevat de communautaire bepalingen voor de uitvoering van de in dat verband vastgestelde maatregelen, onder meer in het aanhangsel van bijlage XIII bij die verordening, waarin een lijst is opgenomen van vaartuigen die volgens gegevens van de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) en de Visserijorganisatie voor het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFO) illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (de IUU-lijst).

(2)

In juli 2008 heeft de NEAFC een aanbeveling tot wijziging van de IUU-lijst gedaan. Deze aanbeveling moet worden omgezet in communautaire regelgeving.

(3)

Verordening (EG) nr. 40/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het aanhangsel van bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 40/2008 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2008.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 19 van 23.1.2008, blz. 1.

(2)  PB L 227 van 12.8.1981, blz. 21.


BIJLAGE

In bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 40/2008 wordt het aanhangsel vervangen door:

„Aanhangsel van bijlage XIII

Lijst van vaartuigen en bijbehorende IMO-nummers die volgens gegevens van de NEAFC en de NAFO illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven

IMO (1) -identificatienummer van het vaartuig

Naam van het vaartuig (2)

Vlaggenstaat (2)

7436533

ALFA

Georgië

7612321

AVIOR

Georgië

8522030

CARMEN

voorheen Georgië

7700104

CEFEY

Rusland

8028424

CLIFF

Cambodja

8422852

DOLPHIN

Rusland

7321374

ENXEMBRE

Panama

8522119

EVA

voorheen Georgië

8604668

FURABOLOS

 

6719419

GORILERO

Sierra Leone

7332218

IANNIS I

Panama

8422838

ISABELLA

voorheen Georgië

8522042

JUANITA

voorheen Georgië

6614700

KABOU

Guinee

8707240

MAINE

Guinee

7385174

MURTOSA

Togo

8721595

NEMANSKIY

 

8421937

NICOLAY CHUDOTVORETS

Rusland

8522169

ROSITA

voorheen Georgië

7347407

SUNNY JANE

 

8606836

ULLA

voorheen Georgië

7306570

WHITE ENTERPRISE

 


(1)  International Maritime Organisation (Internationale Maritieme Organisatie).

(2)  Veranderingen van naam, vlaggenstaat en aanvullende inlichtingen betreffende de vaartuigen zijn te vinden op de NEAFC-website: www.neafc.org”.


15.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/5


VERORDENING (EG) Nr. 1129/2008 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2008

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde soorten voor- en naspandraad en voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal (PSC-draad en -strengen) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Opening van het onderzoek

(1)

Op 3 januari 2008 heeft Eurostress Information Service („ESIS”) („de klager”) namens producenten die goed zijn voor een groot deel, namelijk meer dan 57 %, van de totale communautaire productie van bepaalde PSC-draad en -strengen overeenkomstig artikel 5 van de basisverordening bij de Commissie een klacht ingediend betreffende de invoer van bepaalde soorten voor- en naspandraad en voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal („PSC-draad en –strengen”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („China”).

(2)

Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal inzake dumping en daardoor veroorzaakte aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om tot inleiding van een procedure over te gaan.

(3)

Op 16 februari 2008 werd een procedure ingeleid met de publicatie van een bericht van inleiding in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) (het „bericht van inleiding”).

2.   Bij de procedure betrokken partijen

(4)

De Commissie heeft de haar bekende betrokken producenten/exporteurs in China, importeurs, handelaren, gebruikers en verenigingen, de autoriteiten van China, de klager en andere haar bekende betrokken communautaire producenten officieel van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. Belanghebbenden kregen de gelegenheid om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(5)

Om de producenten/exporteurs in staat te stellen desgewenst om een behandeling als marktgerichte onderneming (BMO) of een individuele behandeling (IB) te verzoeken, heeft de Commissie de haar bekende betrokken producenten/exporteurs en de autoriteiten van China de desbetreffende formulieren toegezonden. Acht producenten/exporteurs en groepen van verbonden ondernemingen vroegen overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening om een BMO of, indien uit het onderzoek zou blijken dat zij niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen, om een IB.

(6)

Gezien het kennelijk grote aantal producenten/exporteurs in China en importeurs en producenten in de Gemeenschap heeft de Commissie in het bericht van inleiding aangegeven dat voor de vaststelling van dumping en schade overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik kan worden gemaakt van steekproefmethoden.

(7)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was — en, zo ja, deze ook samen te stellen — werd aan alle producenten/exporteurs in China en alle importeurs in de Gemeenschap en communautaire producenten gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar, zoals vermeld in het bericht van inleiding, basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak (1 januari 2007 tot en met 31 december 2007).

(8)

Gezien het beperkte aantal reacties bij de steekproefprocedure werd besloten dat steekproeven niet nodig waren voor Chinese producenten/exporteurs en voor importeurs in de Gemeenschap.

(9)

Met betrekking tot de communautaire producenten besloot de Commissie, gezien het aantal reacties bij de steekproefprocedure, om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef samen te stellen. Deze steekproef van zeven ondernemingen, die in zeven lidstaten zijn gevestigd, werd gebaseerd op de grootste representatieve productie- en verkoophoeveelheden van de bedrijfstak van de Gemeenschap die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht.

(10)

Er is een vragenlijst verzonden aan alle ondernemingen in China en alle gebruikers en importeurs in de Gemeenschap die bij de steekproefprocedure hadden gereageerd, alsmede aan de voor de steekproef geselecteerde producenten in de Gemeenschap en alle andere bekende betrokken partijen. Er zijn reacties ontvangen van zeven producenten/exporteurs en groepen van producenten/exporteurs in China, van alle geselecteerde producenten in de Gemeenschap, van vier importeurs en van zeven gebruikers. Geen andere belanghebbenden stuurden antwoorden op de vragenlijst in.

(11)

De Commissie heeft alle gegevens die nodig werden geacht voor de vaststelling van dumping, van de daaruit vloeiende schade en van het belang van de Gemeenschap ingewonnen en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:

a)

communautaire producenten

Carrington Wire Limited (Carrington), Elland, Verenigd Koninkrijk

DWK Drahtwerk Köln GmbH (DWK), Keulen, Duitsland

Fapricela — Indústria de Trefilaria SA (Fapricela), Anca, Portugal

Italcables Spa (Italcables), Brescia, Italië

Nedri Spanstaal bv (Nedri), Venlo, Nederland

Tycsa — Trenzas y Cables de Acero PSC S.L. (Tycsa), Santander, Spanje

Voestalpine Austria Draht GmbH (Voestalpine), Brück, Oostenrijk

b)

producenten/exporteurs in China

Hubei Fuxing Science and Technology Co. Ltd, Hubei

Kiswire Qingdao Ltd, Qingdao

Liaoning Tongda Building Material Industry Co. Ltd, Liaoyang

Ossen MaanShan Steel Wire and Co. Ltd, Maanshan, en Ossen Jiujiang Steel Wire Cable Co. Ltd, Jiujiang

Silvery Dragon PC Steel Products Group Co. Ltd, Tianjin

Tianjin Shengte Prestressed Concretes Steel Strand Co. Ltd, Tianjin

Wuxi Jinyang Metal Products Co. Ltd, Jangyian

c)

importeurs in de Gemeenschap

Ibercordones Pretensados SL, Madrid, Spanje

Megasteel LLP (Megasteel), Malmesbury, Verenigd Koninkrijk

d)

gebruikers in de Gemeenschap

Tarmac Ltd (Tarmac), Wolverhampton, Verenigd Koninkrijk

Vanguard Hormigon (Vanguard), Madrid, Spanje.

(12)

Daar voor het vaststellen van de normale waarde voor Chinese ondernemingen die niet als marktgerichte onderneming konden worden beschouwd, gebruik moest worden gemaakt van de gegevens van een referentieland, in dit geval Turkije, vond een controlebezoek plaats bij onderstaande onderneming:

Producent in Turkije

Çelik Halat ve Tel. Sanayii A.Ș., Izmit, Turkije.

3.   Onderzoektijdvak

(13)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2004 tot het eind van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(14)

Bij het betrokken product gaat het om bepaalde soorten draad van niet-gelegeerd staal (niet bekleed, of verzinkt) en strengen van niet-gelegeerd staal (al dan niet bekleed), bevattende 0,6 of meer gewichtspercenten koolstof, met een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China („het betrokken product”), doorgaans aangegeven onder de GN-codes ex 7217 10 90, ex 7217 20 90, ex 7312 10 61, ex 7312 10 65 en ex 7312 10 69. De producten zijn in de handel bekend als voor- of naspandraad en voor- of naspanstrengen („PSC-draad en –strengen”).

(15)

De meest gangbare toepassingen van PSC-draad en -strengen zijn voor het wapenen van beton, hangconstructies en tuibruggen. Het product wordt gemaakt door draad van koolstofstaal te trekken.

(16)

De vereniging van staalkabelimporteurs van de Gemeenschap verzocht om beklede strengen, strengen van meer dan zeven draden en strengen met een diameter van minder dan 6,8 mm en meer dan 15,7 mm van de productomschrijving uit te sluiten, omdat de klager geen aanmerkelijke schade zou lijden door invoer van deze productsoorten die gezamenlijk slechts een marktaandeel van minder dan 3 % van de totale communautaire productie vertegenwoordigen. Dergelijke productsoorten kunnen echter niet enkel op grond van het feit dat zij een klein deel van de productie uitmaken, worden uitgesloten. Uit het onderzoek is gebleken dat deze en andere soorten van het betrokken product allemaal dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en in hoofdzaak voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Bovendien kan het aandeel in de productie van bovengenoemde productsoorten afhankelijk van de fabrikant aanmerkelijk groter zijn.

(17)

Daarom luidt de voorlopige conclusie dat alle soorten PSC-draad en -strengen zoals beschreven in het bericht van inleiding in het kader van dit onderzoek één product vormen.

2.   Soortgelijk product

(18)

Uit het onderzoek is gebleken dat de PSC-draad en -strengen die door de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap worden geproduceerd en verkocht, de PSC-draad en -strengen die in Turkije, het referentieland, worden geproduceerd en daar op de binnenlandse markt worden verkocht en de PSC-draad en -strengen die in China worden geproduceerd en naar de Gemeenschap worden uitgevoerd, dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt.

(19)

Eén importeur in de Gemeenschap beweerde dat hij momenteel een innovatieve productsoort („Spiral Ribbed Wire” — spiraalvormige geribde draad) importeert die niet in de Gemeenschap wordt geproduceerd. Deze bewering is onderzocht en daarbij bleek het volgende:

de ingevoerde productsoort en de in de Gemeenschap geproduceerde PSC-draad en -strengen hebben dezelfde of vergelijkbare fysieke eigenschappen, zoals grootte, vorm, volume, gewicht en presentatie. De verschillen tussen de productsoorten tastten de basiskenmerken van het product niet aan, noch de perceptie van de gebruiker/consument dat dit één productcategorie is;

de ingevoerde productsoort en de in de Gemeenschap geproduceerde PSC-draad en -strengen werden via vergelijkbare of identieke verkoopkanalen verkocht. Prijsinformatie was gemakkelijk beschikbaar voor de kopers en de ingevoerde productsoort en het product van de communautaire producenten concurreerden vooral op prijs, en

de ingevoerde productsoort en de in de Gemeenschap geproduceerde PSC-draad en -strengen dienen beiden hetzelfde of een vergelijkbaar eindgebruik.

(20)

Daarom worden alle bovengenoemde PSC-draad en -strengen beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   DUMPING

1.   Toepassing van artikel 18 van de basisverordening

(21)

Twee producenten/exporteurs bleken in hun verzoek om een behandeling als marktgerichte onderneming (BMO) en bij de controle ter plaatse onjuiste en misleidende inlichtingen te hebben verstrekt. Een andere producent/exporteur antwoordde niet op de antidumpingvragenlijst na het BMO-controlebezoek ter plaatse.

(22)

Alle drie ondernemingen werden ingelicht over de voorgenomen toepassing van artikel 18 van de basisverordening en in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken.

(23)

Twee van de ondernemingen, die onjuiste en misleidende inlichtingen hadden verstrekt, kwamen niet met doorslaggevende argumenten of met bewijzen die tot de conclusie leidden dat het besluit om dit artikel toe te passen, moest worden ingetrokken. De Commissie acht het daarom passend dat de BMO-verzoeken van deze ondernemingen worden afgewezen en dat de bevindingen op de beschikbare gegevens worden gebaseerd.

(24)

De derde onderneming reageerde niet op bovenstaande mededeling. Hieruit werd geconcludeerd dat deze onderneming niet langer wilde medewerken aan de procedure en daarom zullen de bevindingen op de beschikbare gegevens worden gebaseerd.

2.   Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO)

(25)

Ingevolge artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt bij antidumpingonderzoeken betreffende producten van oorsprong uit China de normale waarde voor producenten die aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening voldoen, vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 van dat artikel.

(26)

Voor het gemak zijn deze criteria hieronder kort samengevat:

a)

besluiten van ondernemingen en de door hen gemaakte kosten zijn een reactie op marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis; de kosten van de belangrijkste productiemiddelen weerspiegelen hoofdzakelijk de marktprijzen;

b)

ondernemingen beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de internationale standaarden voor jaarrekeningen en die alle terreinen bestrijkt;

c)

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

d)

de betrokken ondernemingen zijn onderworpen aan faillissements- en eigendomswetten die rechtszekerheid en stabiliteit verschaffen;

e)

omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.

(27)

Na de inleiding van de procedure hebben zeven Chinese producenten/exporteurs om een BMO overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening verzocht en binnen de vastgestelde termijn het desbetreffende aanvraagformulier ingevuld.

(28)

Voor drie Chinese producenten/exporteurs moest artikel 18 van de basisverordening worden toegepast (zie de overwegingen 23 tot en met 25) en werd hun verzoek om een BMO derhalve afgewezen.

(29)

Wat de overige vier ondernemingen of groepen van Chinese producenten/exporteurs betreft, werd vastgesteld dat zij geen van alle voldeden aan alle vijf BMO-criteria.

(30)

Uit het onderzoek kwam naar voren dat één Chinese producent/exporteur niet kon aantonen dat hij voldeed aan criterium 3, aangezien de prijs die de onderneming had betaald voor grondgebruiksrechten de marktprijzen niet bleek te weerspiegelen en derhalve duidde op een aanzienlijke verstoring die nog voortvloeit uit het vroegere systeem zonder markteconomie, waardoor de financiële situatie van de onderneming werd beïnvloed.

(31)

Na de mededeling van bovenstaande bevindingen voerde de onderneming aan dat de lage grondgebruiksprijs een relatief klein onderdeel van de productiekosten uitmaakte en dat derhalve werd voldaan aan criterium 3. De willekeurige waardebepaling van grondgebruiksrechten duidt echter op een aanzienlijke verstoring die nog voortvloeit uit het vroegere systeem zonder markteconomie. Aangezien er geen ander bewijs werd geleverd dat de grondgebruiksprijs representatief voor de markt was of dat deze op grond van bedrijfsoverwegingen was vastgesteld, werd het argument voorlopig verworpen.

(32)

Een tweede onderneming kon niet aantonen dat zij voldeed aan criterium 1 tot en met 3. In de eerste plaats werden de verkoopbeslissingen niet genomen als reactie op marktsignalen van vraag en aanbod, zonder staatsinmenging van betekenis. Er bleek met name dat de onderneming profiteerde van een verlaagd inkomstenbelastingtarief op voorwaarde dat ten minste 70 % van de productie werd uitgevoerd. Ten tweede bleek het boekhoudsysteem van de onderneming niet in overeenstemming met de internationale standaarden voor jaarrekeningen te zijn. Met name de afschrijving van vaste activa werd niet correct toegepast: de onderneming begon pas in 1997 met de afschrijving van activa, waaronder activa die in 1994 waren verworven. Tot slot kon de onderneming niet aantonen dat er geen sprake was van mogelijke verstoringen die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie. Met name kon de onderneming tijdens het controlebezoek geen bewijs leveren met betrekking tot de voorwaarden waaronder de activa waren verkregen, noch dat deze waren getaxeerd, waren overgedragen, (inclusief afschrijvingen) in de boekhouding waren opgenomen en aan de hand van hun marktwaarde waren afgeschreven. De gegevens die de onderneming na de mededeling aanleverde, bevatte geen nieuwe informatie en geen nieuw bewijs die reden waren om deze bevindingen aan te passen; deze zijn derhalve voorlopig bevestigd.

(33)

Een derde onderneming kon niet aantonen dat zij voldeed aan criterium 1 tot en met 3. Ten eerste bleek uit het onderzoek dat er sprake was van ernstige overcapaciteit, zowel wat arbeidskrachten als productie betreft, maar dat de onderneming desondanks bleef investeren in meer capaciteit. Ook bleek dat de relatief korte geldigheidsduur van de bedrijfsvergunning een obstakel kon zijn voor de ondernemingsbesluiten en planning op lange termijn en op indirecte staatsinmenging duidde. Ten tweede werd vastgesteld dat in het boekhoudsysteem van deze onderneming niet was voorzien in een reserve voor oninbare vorderingen; er was geen duidelijk beleid ten aanzien van de verschillende categorieën vaste activa; er waren fouten in de afschrijvingsbedragen; er werden voorzieningen aangetroffen die niet waren verantwoord, en er waren leningen die niet door bewijs werden gestaafd. Al deze elementen hadden een duidelijke invloed op de kosten van de onderneming. Geen van deze punten kwam echter aan bod in de accountantsverklaring, zodat de boekhouding van de onderneming en de werkzaamheden van de accountants als onbetrouwbaar moeten worden beschouwd.

(34)

De onderneming kon evenmin aantonen dat zij voldeed aan criterium 3, waarbij bleek dat er sprake is van aanzienlijke verstoringen die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie. De onderneming kon met name geen bewijs overleggen met betrekking tot grondgebruiksrechten, leningen, de herkomst van vaste activa, kapitaalinbreng en kapitaalverhoging.

(35)

Een vierde producent/exporteur, bestaande uit een groep van verbonden ondernemingen, moest een BMO worden geweigerd omdat bleek dat de groep niet voldeed aan criterium 1 tot en met 3. De groep kon met name niet aantonen dat het besluitvormingsproces vrij was van staatsinmenging van betekenis. Bovendien was de boekhouding niet in overeenstemming met de internationale standaarden voor jaarrekeningen en werden diverse fouten in de boekhouding geconstateerd, waardoor de externe accountantscontrole onbetrouwbaar was. Voorts waren er verstoringen die nog voortvloeiden uit het vroegere systeem zonder markteconomie, met name wat de eigendomsoverdracht en grondgebruiksrechten betreft. De gegevens die de onderneming na de mededeling aanleverde, bevatte geen nieuwe informatie en geen nieuw bewijs die reden waren om deze bevindingen aan te passen; deze zijn derhalve voorlopig bevestigd.

(36)

Bijgevolg werd geconcludeerd dat geen enkele Chinese producent/exporteur aantoonde dat hij voldeed aan de voorwaarden van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.

3.   Individuele behandeling („IB”)

(37)

Ingevolge artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt voor landen waarop de bepalingen van dat artikel van toepassing zijn, een voor het gehele land geldend recht vastgesteld, behalve wanneer ondernemingen kunnen aantonen dat ze aan alle criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldoen om in aanmerking te komen voor een IB.

(38)

De producenten/exporteurs die niet aan de BMO-criteria voldeden, hadden alle ook om een IB verzocht voor het geval zij geen BMO kregen.

(39)

Aan de hand van de beschikbare gegevens werd geconstateerd dat drie Chinese producenten/exporteurs voldeden aan alle eisen voor een IB zoals vermeld in artikel 9, lid 5, van de basisverordening. Er werd echter geconcludeerd dat de vierde producent/exporteur niet in aanmerking kwam voor een IB, omdat mogelijke staatsinmenging bij de prijsstelling niet kon worden uitgesloten.

4.   Normale waarde

4.1.   Referentieland

(40)

Volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet de normale waarde voor producenten/exporteurs in landen met een overgangseconomie aan wie geen behandeling als marktgerichte onderneming wordt toegekend, worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie („referentieland”).

(41)

In het bericht van inleiding werd Turkije voorgesteld als referentieland voor het vaststellen van de normale waarde voor China. De Commissie verzocht alle belanghebbenden om reacties op dit voorstel.

(42)

Eén belanghebbende diende opmerkingen in waarin Thailand als alternatief referentieland werd voorgesteld. Deze belanghebbende voerde aan dat er slechts één producent in Turkije was, die door antidumpingmaatregelen werd beschermd, en dat deze producent dus een quasi-monopoliepositie op de Turkse markt had. De Commissie nam contact op met bekende ondernemingen in Thailand en in derde landen waarvan bekend was dat er producenten van het soortgelijke product gevestigd waren. Deze producenten hebben echter niet op de vragenlijst gereageerd.

(43)

De producent in Turkije heeft zijn volledige medewerking aan het onderzoek verleend door de vragenlijst volledig in te vullen en in te stemmen met een controlebezoek.

(44)

De Commissie heeft de bewering van de belanghebbende onderzocht en kwam tot de conclusie dat Turkije voldeed aan de criteria voor een geschikt referentieland. Hoewel er slechts één producent van het soortgelijke product in het land is en er antidumpingmaatregelen gelden voor de invoer uit China en Rusland, is er een aanzienlijke invoer in Turkije uit diverse derde landen, die meer dan 50 % van de Turkse markt uitmaakt, zodat er wel degelijk sprake is van concurrentie op deze markt.

(45)

Derhalve luidt de voorlopige conclusie dat Turkije een geschikt referentieland is in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

4.2.   Methode voor de vaststelling van de normale waarde

(46)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor China vastgesteld aan de hand van de gecontroleerde gegevens van de medewerkende producent in het referentieland.

(47)

Onderzocht werd of de binnenlandse verkoop van elke soort van het betrokken product die in het referentieland werd verkocht, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening kon worden geacht in het kader van normale handelstransacties te hebben plaatsgevonden; hiertoe werd het aandeel van de winstgevende verkoop van de soort in kwestie aan onafhankelijke afnemers vastgesteld.

(48)

Voor de meeste productsoorten werd de binnenlandse prijs niet als geschikte basis voor de vaststelling van de normale waarde beschouwd, aangezien de winstgevende verkoop minder dan 10 % van de totale verkoop bedroeg.

(49)

Voor deze soorten werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening berekend op basis van de eigen fabricagekosten van de producent vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten en algemene en administratieve uitgaven („VAA-kosten”) en winst. Bij dit bedrag werd uitgegaan van de VAA-kosten en winst voor dezelfde algemene categorie producten die op de binnenlandse markt door de Turkse producenten werd verkocht, overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder b), van de basisverordening.

(50)

Voor één productsoort, waarvoor de met winst verkochte hoeveelheid minder dan 80 % maar meer dan 10 % van de totale verkochte hoeveelheid van die soort bedroeg, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, die werd berekend als de gewogen gemiddelde prijs van de winstgevende verkoop van die soort.

4.3.   Uitvoerprijs

(51)

In alle gevallen waarin het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werd uitgevoerd, werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, d.w.z. aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

(52)

Een deel van de uitvoer van één producent/exporteur vond plaats via een verbonden importeur in de Gemeenschap. In dit geval werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening berekend aan de hand van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer werden doorverkocht, naar behoren gecorrigeerd voor alle kosten tussen invoer en wederverkoop en voor een redelijke marge voor de VAA-kosten en de winst. De VAA-kosten van de verbonden importeur zelf werden gebruikt, maar de winstmarge werd vastgesteld op basis van de gegevens van medewerkende niet-verbonden importeurs.

4.4.   Vergelijking

(53)

De normale waarde werd met de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek.

(54)

Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Voor alle onderzochte ondernemingen (medewerkende producenten/exporteurs en de producent in het referentieland) werden, waar van toepassing en gerechtvaardigd, correcties uitgevoerd voor verschillen in de kosten van vervoer, vracht, verzekering, btw, bankkosten, verpakking, kredietkosten en commissies.

5.   Dumpingmarges

5.1.   Medewerkende producenten aan wie een IB werd toegekend

(55)

Voor de ondernemingen waaraan een IB werd toegekend, werd de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening.

(56)

De voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedragen:

Onderneming

Voorlopige dumpingmarge

Kiswire Qingdao Ltd

26,8 %

Wuxi Jinyang Metal Products Co. Ltd

47,6 %

Liaoning Tongda Building Material Industry Co. Ltd

41,3 %

5.2.   Alle andere producenten/exporteurs

(57)

Wat alle andere Chinese exporteurs betreft, stelde de Commissie eerst de mate van medewerking vast. Er werd een vergelijking gemaakt tussen de totale uitgevoerde hoeveelheden, als aangegeven in de antwoorden van de medewerkende producenten/exporteurs op de vragenlijst, en de totale vanuit China ingevoerde hoeveelheden, zoals afgeleid uit de invoerstatistieken van Eurostat. De mate van medewerking bleek gering, namelijk 24 %.

(58)

Het werd daarom passend geacht om de dumpingmarge voor het gehele land te bepalen als het gewogen gemiddelde van i) de dumpingmarge die was vastgesteld voor de medewerkende exporteur aan wie geen behandeling als marktgerichte onderneming of individuele behandeling was toegekend, en ii) de hoogste dumpingmarges voor representatieve productsoorten van dezelfde exporteur, aangezien er geen aanwijzingen waren dat de niet-medewerkende producenten/exporteurs op een lager niveau dumpten.

(59)

Zodoende werd de dumpingmarge voor het gehele land voorlopig vastgesteld op 50,2 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring.

D.   BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

1.   Productie

(60)

Gezien de definitie van „bedrijfstak van de Gemeenschap” in artikel 4, lid 1, van de basisverordening werd de productie van onderstaande communautaire producenten in aanmerking genomen bij het vaststellen van de omvang van de communautaire productie:

elf producenten namens wie de klacht werd ingediend,

zeven producenten die de procedure steunden,

vier andere in de klacht genoemde communautaire producenten, die gegevens over hun productie en verkoop verstrekten en die noch klager waren noch de procedure steunden, maar zich niet verzetten tegen het onderhavige onderzoek.

De bedrijfstak van de Gemeenschap bestaat derhalve uit deze 22 ondernemingen voor de analyse van de schade als geheel.

2.   Steekproef

(61)

Zeven van de elf communautaire producenten die de klacht steunden, werden voor de steekproef geselecteerd op basis van de representativiteit van de omvang van hun verkoop, hun verschillende productsoorten en hun vestigingsplaats in de Gemeenschap.

(62)

Een van de oorspronkelijk voor de steekproef geselecteerde ondernemingen werkte echter niet mee aan de steekproefprocedure en vulde de vragenlijst niet in. Deze onderneming werd daarom van de steekproef uitgesloten en vervangen door een onderneming die de klacht steunde; dit was de op twee na meest representatieve onderneming wat de omvang van de verkoop betreft.

(63)

Deze zeven medewerkende communautaire producenten vertegenwoordigden 51 % van de totale productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

E.   SCHADE

1.   Opmerking vooraf

(64)

Gezien het feit dat een steekproef werd gebruikt ten aanzien van de bedrijfstak van de Gemeenschap, is de schade beoordeeld op basis van trends met betrekking tot productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, werkgelegenheid, productiviteit, verkoop, marktaandeel en groei, die op het niveau van de gehele bedrijfstak van de Gemeenschap waren verzameld, en trends met betrekking tot prijzen, winstgevendheid, kasstroom, vermogen om kapitaal en investeringen aan te trekken, voorraden, rendement van investeringen en lonen, die op het niveau van de in de steekproef opgenomen communautaire producenten waren verzameld.

2.   Verbruik in de Gemeenschap

(65)

Het verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld op basis van de omvang van de verkoop van de in de steekproef opgenomen bedrijfstak van de Gemeenschap, de verkoopgegevens van de communautaire producenten die de procedure steunden, de verkoopgegevens van de andere communautaire producenten en de gegevens van Eurostat betreffende de invoer in de Gemeenschap.

 

2004

2005

2006

OT

Verbruik in de Gemeenschap (t)

903 541

820 713

998 683

1 054 236

Index (2004 = 100)

100

91

111

117

(66)

Tijdens de beoordelingsperiode steeg het verbruik in de Gemeenschap met 17 % van 903 541 t in 2004 tot 1 054 236 t tijdens het OT. De stijging van het verbruik in de Gemeenschap kan worden verklaard door de toegenomen vraag in de bouwsector en het herstel van de staalsector zelf.

3.   Invoer in de Gemeenschap uit China

3.1.   Omvang van de invoer en marktaandeel

 

2004

2005

2006

OT

Invoer uit China (t)

3 940

11 755

43 571

86 918

Index (2004 = 100)

100

298

1 106

2 206

Marktaandeel

0,4 %

1,4 %

4,4 %

8,2 %

Index (2004 = 100)

100

328

1 001

1 900

(67)

Tijdens de beoordelingsperiode nam de omvang van de invoer van het betrokken product in de Gemeenschap enorm toe, van 3 940 t in 2004 tot 86 918 t in het OT, wat neerkomt op een stijging van 2 106 %. De periode 2005-2006 liet de grootste stijging zien: de invoer steeg toen met maar liefst 271 %.

(68)

Het marktaandeel van de Chinese invoer, uitgedrukt als percentage van het verbruik in de Gemeenschap, steeg in het OT van 0,4 % tot 8,2 %.

3.2.   Invoerprijzen en prijsonderbieding

 

2004

2005

2006

OT

Gemiddelde prijzen van de invoer uit China (EUR/t)

1 238

929

713

683

Index (2004 = 100)

100

75

58

55

(69)

Tijdens de beoordelingsperiode daalde de gemiddelde invoerprijs van het betrokken product uit China sterk, van 1 238 EUR/t in 2004 tot 683 EUR/t in het OT, d.w.z. met meer dan 45 %.

(70)

Uit een vergelijking tussen de prijzen af fabriek van de in de steekproef opgenomen bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden afnemers op de communautaire markt en de cif-prijzen grens Gemeenschap van de producenten/exporteurs in China, naar behoren gecorrigeerd voor de kosten van het lossen en de inklaring, bleek dat er sprake was een prijsonderbieding van gemiddeld 18 %.

4.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(71)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Gemeenschap een analyse van alle relevante economische factoren die van invloed zijn op de situatie van die bedrijfstak, vanaf 2004 tot en met het onderzoektijdvak.

4.1.   Gegevens over de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel

4.1.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2004

2005

2006

OT

Productieomvang (t)

924 504

848 596

940 241

953 934

Index (2004 = 100)

100

92

102

103

Productiecapaciteit (t)

1 071 530

1 126 060

1 197 940

1 212 940

Index (2004 = 100)

100

105

112

113

Bezettingsgraad (%)

86 %

75 %

78 %

79 %

(72)

Tussen 2004 en het eind van het OT nam de totale productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 3 % toe, terwijl de productiecapaciteit met 13 % steeg. Tijdens dezelfde periode daalde de bezettingsgraad met 7 procentpunten. Dit moet echter worden gezien tegen de achtergrond van een stijging met 17 % in het verbruik van de Gemeenschap.

4.1.2.   Werkgelegenheid en productiviteit

 

2004

2005

2006

OT

Aantal werknemers

1 259

1 234

1 273

1 277

Index (2004 = 100)

100

98

101

101

Productiviteit (ton/werknemer)

734

688

739

747

Index (2004 = 100)

100

94

101

102

(73)

De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Gemeenschap bleven tijdens de gehele beoordelingsperiode vrij stabiel.

(74)

De productiviteit van de werknemers van de bedrijfstak van de Gemeenschap, uitgedrukt in productie in tonnen per persoon per jaar, liet tijdens de beoordelingsperiode een lichte stijging van 2 % zien.

4.1.3.   Omvang van de verkoop en marktaandeel

 

2004

2005

2006

OT

Omvang van de verkoop in de Europese Unie aan niet-verbonden partijen (t)

842 526

741 597

845 014

846 561

Index (2004 = 100)

100

88

100

100

Marktaandeel

93,2 %

90,4 %

84,6 %

80,3 %

(75)

De omvang van de verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden afnemers op de communautaire markt bleef stabiel en bedroeg 842 526 t in 2004 en 846 561 t in het OT.

(76)

De bedrijfstak van de Gemeenschap verloor tijdens de hele beoordelingsperiode aan marktaandeel. Het totale marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde met circa 13 procentpunten van ongeveer 93 % in 2004 tot ongeveer 80 % in het OT.

4.1.4.   Groei

(77)

Terwijl het verbruik in de Gemeenschap tussen 2004 en het eind van het OT met 17 % steeg, blijkt uit de daling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap met circa 13 procentpunten en de piek in de invoer uit China die tegelijkertijd plaatsvond, dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet van de groei van de markt kon profiteren.

4.2.   Gegevens over de in de steekproef opgenomen communautaire producenten

4.2.1.   Voorraden

(78)

Onderstaande cijfers hebben alleen betrekking op de in de steekproef opgenomen ondernemingen en geven de omvang van de voorraden aan het eind van elke periode weer.

 

2004

2005

2006

OT

Eindvoorraad (t)

27 010

24 485

23 905

36 355

Index (2004 = 100)

100

91

89

135

(79)

De voorraden namen tijdens de beoordelingsperiode met 35 % toe, wat erop wijst dat het voor de bedrijfstak steeds moeilijker werd zijn producten op de communautaire markt te verkopen, ondanks de aanzienlijke stijging van het verbruik in de Gemeenschap.

4.2.2.   Gemiddelde verkoopprijzen per eenheid op de communautaire markt

 

2004

2005

2006

OT

Gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap (EUR)

751

948

772

762

Index (2004 = 100)

100

126

103

101

(80)

De verkoopprijzen per eenheid door de in de steekproef van de bedrijfstak van de Gemeenschap opgenomen ondernemingen aan niet-verbonden afnemers in de Gemeenschap daalde tussen 2004 en het eind van het OT met 1 %. De stijging van de verkoopprijzen in 2005 laat zich wellicht verklaren door een tekort aan de belangrijkste grondstof, walsdraad.

4.2.3.   Investeringen, rendement van de investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

 

2004

2005

2006

OT

Investeringen (× 1 000 EUR)

4 608

10 581

7 516

7 980

Index (2004 = 100)

100

230

163

173

Rendement van de investeringen (in %)

24 %

31 %

11 %

6 %

(81)

De jaarlijkse investeringen in de productie van PSC-draad en -strengen steeg in de beoordelingsperiode met 73 %. Er is niet alleen geïnvesteerd in capaciteitsvergroting, maar ook in een beter en meer gestroomlijnd productieproces om kosten te besparen. Dit is ondanks de negatieve ontwikkeling van de winstgevendheid gelukt.

(82)

Het rendement van investeringen, uitgedrukt als de winst als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen, volgde de negatieve ontwikkeling van de winstgevendheid en daalde met 18 procentpunten. De piek in 2005 had betrekking op de investeringen van één onderneming.

(83)

De Commissie heeft geen bewijsmateriaal ontvangen waaruit bleek dat het vermogen om kapitaal aan te trekken tijdens de beoordelingsperiode was verminderd of versterkt.

4.2.4.   Winstgevendheid en kasstroom

 

2004

2005

2006

OT

Winstgevendheid verkoop bedrijfstak van de Gemeenschap (% van nettoverkoop)

6,2 %

11,2 %

4,5 %

2,1 %

Index (2004 = 100)

100

180

73

35

Kasstroom (EUR)

37 472 789

65 785 501

17 830 311

18 456 732

Index (2004 = 100)

100

176

48

49

(84)

Tijdens de beoordelingsperiode was er een sterke daling van de winstgevendheid, uitgedrukt als percentage van de nettoverkoop door de in de steekproef opgenomen communautaire producenten, van 6,2 % in 2004 tot 2,1 % in het OT. Vanaf 2005 volgde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap dezelfde ontwikkeling als zijn verkoopprijzen. Het is duidelijk dat de tijdens het OT geboekte winst niet voldoende is om de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap op lange termijn te garanderen.

(85)

De door het betrokken product gegenereerde nettokasstroom daalde met 51 % van 37 miljoen EUR in 2004 tot 18 miljoen EUR in het OT.

4.2.5.   Arbeidskosten

 

2004

2005

2006

OT

Arbeidskosten per werknemer

41 970

41 118

41 484

43 941

Index (2004 = 100)

100

98

99

105

(86)

De arbeidskosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn in de beoordelingsperiode met 5 % toegenomen. Dit is een natuurlijke toename, die lager ligt dan de inflatie over de betrokken periode.

4.2.6.   Hoogte van de dumpingmarge

(87)

Gezien de omvang, het marktaandeel en de prijzen van de invoer met dumping uit het betrokken land, is het effect van de werkelijke dumpingmarges op de bedrijfstak van de Gemeenschap niet te verwaarlozen.

4.2.7.   Herstel van eerdere dumping

(88)

Er zijn geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zich herstelt van de gevolgen van eerdere dumping.

5.   Conclusie inzake schade

(89)

De meeste schade-indicatoren betreffende de bedrijfstak van de Gemeenschap ontwikkelden zich negatief tijdens de beoordelingsperiode. Terwijl het verbruik in de Gemeenschap met 17 % steeg, bleef de omvang van de verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts stabiel en daalde haar marktaandeel derhalve met ongeveer 13 procentpunten. Terwijl de prijzen van de Chinese invoer met 45 % daalden, bleef de verkoopprijs per eenheid van het soortgelijke product in de Gemeenschap door de in de steekproef opgenomen communautaire producenten min of meer stabiel, hoewel de productiekosten per eenheid als gevolg van de prijsstijgingen van energie en grondstoffen met 5 % waren gestegen. Dit leidde ertoe dat de winstgevendheid daalde van 6,2 % in 2004 tot 2,1 % in het OT, hetgeen volstrekt onvoldoende is voor deze sector. Ook de kasstroom en het rendement van investeringen lieten een negatieve trend zien, met een afname van respectievelijk 51 en 18 procentpunten in de beoordelingsperiode.

(90)

Slechts enkele indicatoren ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode positief. De productie en de productiecapaciteit zijn met respectievelijk 3 % en 13 % gestegen. De investeringen zijn met 73 % gestegen. Zoals hierboven al is aangegeven, moet dit echter worden gezien tegen de achtergrond van de sterke stijging van het verbruik in de Gemeenschap (met 17 %).

(91)

Er wordt dan ook geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden.

F.   OORZAKELIJK VERBAND

1.   Inleiding

(92)

Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening is de Commissie nagegaan of de invoer met dumping uit China de bedrijfstak van de Gemeenschap zodanige schade had berokkend dat deze aanmerkelijk kan worden genoemd. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap tezelfdertijd schade kon hebben geleden, werden eveneens onderzocht, zodat mogelijke schade door deze andere factoren niet aan de invoer met dumping zou worden toegeschreven.

2.   Gevolgen van de invoer met dumping

(93)

De enorme stijging van 2 106 % van de omvang van de invoer met dumping tussen 2004 en het eind van het OT en de gelijktijdige stijging van het marktaandeel in de Gemeenschap van 0,4 % in 2004 tot 8,2 % in het OT, alsmede de prijsonderbieding van 18 % die tijdens het OT werd vastgesteld, vielen samen met de verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals hierboven is uitgelegd. Tot 2005 bleef de omvang van de Chinese invoer beperkt en lagen de prijzen boven of rond die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Vanaf 2005 daalden de gemiddelde prijzen van de invoer uit China echter aanzienlijk, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn prijzen niet kon verhogen, ondanks de prijsstijging van de belangrijkste grondstof, walsdraad, die 75 % van de fabricagekosten uitmaakt. Als gevolg hiervan was er een sterke verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2006 en tijdens het OT. Daarnaast verloor de bedrijfstak van de Gemeenschap door invoer met dumping een aanzienlijk deel van zijn marktaandeel.

(94)

Gezien het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de invoer met dumping uit China, die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT in aanzienlijke mate onderbood en die ook qua omvang sterk toenam, een beslissende rol speelde bij de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, wat blijkt uit zijn slechte financiële situatie en de verslechtering van de meeste schade-indicatoren.

3.   Gevolgen van andere factoren

3.1.   Invoer uit andere landen

 

2004

2005

2006

OT

Invoer uit andere derde landen (t)

57 075

67 361

110 098

120 757

Index (2004 = 100)

100

118

193

212

Marktaandeel van de invoer uit andere derde landen

6 %

8 %

11 %

11 %

Gemiddelde prijs van de ingevoerde goederen

711

842

937

952

Index (2004 = 100)

100

118

132

134

(95)

Op basis van gegevens van Eurostat nam de omvang van de invoer in de Gemeenschap van PSC-draad en -strengen uit derde landen die buiten dit onderzoek vallen, met 112 % toe, van 57 075 t in 2004 tot 120 757 t in het OT. Het overeenkomstige marktaandeel van deze invoer steeg van 6 % in 2004 tot 11 % in het OT.

(96)

De gemiddelde prijzen van deze invoer lagen echter ver boven die van de Chinese producenten/exporteurs en zelfs boven die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze invoer kon derhalve niet medeoorzaak zijn geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. Overigens werd bij twee van deze landen, met een marktaandeel van 2,5 % van de communautaire markt, vastgesteld dat zij in het OT prijzen hanteerden die onder de invoerprijzen van het betrokken product uit China lagen. Aangezien het hierbij echter om relatief beperkte hoeveelheden ging, is dit niet voldoende om het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit China en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade te verbreken.

3.2.   Uitvoerprestaties van de in de steekproef opgenomen bedrijfstak van de Gemeenschap

 

2004

2005

2006

OT

Uitvoer (Mt)

54 759

73 186

69 324

63 792

Index (2004 = 100)

100

134

127

116

Verkoopprijs per eenheid (EUR)

715

723

650

660

Index (2004 = 100)

100

101

91

92

(97)

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel, nam de uitvoer van de in de steekproef opgenomen bedrijfstak van de Gemeenschap met 16 % toe. Deze uitvoer maakte 14 % van de totale uitvoer in het OT uit.

(98)

De verkoopprijs per eenheid van de uitvoer van de communautaire producenten daalde met 8 % van 715 EUR in 2004 tot 660 EUR in het OT. Hoewel de geaggregeerde gegevens erop wijzen dat deze uitvoer plaatsvond tegen prijzen die vanaf het begin van de beoordelingsperiode onder de productiekosten lagen, zijn er verschillen tussen de ondernemingen en in de tijd. Bovendien waren zij vanwege de concurrentie met de Chinese ondernemingen op deze markten gedwongen hun prijzen aan die van deze ondernemingen aan te passen.

(99)

Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat deze factor wezenlijk heeft bijgedragen tot de recente verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en daarmee tot de aanmerkelijke schade die deze heeft geleden.

3.3.   Productiekosten

 

2004

2005

2006

OT

Productiekosten per eenheid

700

812

724

740

Index (2004 = 100)

100

116

103

105

(100)

Uit het onderzoek is gebleken dat de productiekosten per eenheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap tussen 2004 en het eind van het OT met 5 % zijn gestegen. Deze stijging wordt toegeschreven aan de prijsstijging van de belangrijkste grondstof, walsdraad, en de energieprijzen.

(101)

Onder normale economische omstandigheden en als de prijzen niet dermate onder druk van de invoer met dumping hadden gestaan, zou de bedrijfstak van de Gemeenschap geen problemen hebben gehad met de kostenstijging tussen 2004 en het eind van het OT. De voorlopige conclusie luidt derhalve dat deze stijging het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit China en de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap niet heeft verbroken.

3.4.   Concurrentie van andere producenten in de Gemeenschap

 

2004

2005

2006

OT

Verkoop van andere producenten in de Gemeenschap op de communautaire markt

85 500

77 332

80 466

80 356

Index (2004 = 100)

100

90

94

94

Marktaandeel van andere producenten in de Gemeenschap

9,5 %

9,4 %

8,1 %

7,6 %

(102)

De omvang van de verkoop door andere communautaire producenten die geen klager zijn noch de klacht steunden, die goed was voor 8 % van de totale EU-productie, daalde met 6 % van naar schatting 85 500 Mt in 2004 tot 80 356 Mt in het OT. Het aandeel van deze producenten op de communautaire markt daalde van 9,5 % tot 7,6 % gedurende dezelfde periode en er werden geen aanwijzingen gevonden dat hun prijzen lager waren dan die van de in de steekproef opgenomen bedrijfstak van de Gemeenschap. De voorlopige conclusie luidt dan ook dat hun verkoop op de communautaire markt geen rol speelde bij de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

4.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(103)

Uit het onderzoek kwam naar voren dat andere bekende factoren, zoals invoer uit andere derde landen, uitvoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap, concurrentie met andere producenten en de stijging van de productiekosten, geen beslissende rol speelde bij de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade.

(104)

Aangezien de enorme toename van de invoer met dumping uit China, de overeenkomstige groei van het marktaandeel van deze invoer en de geconstateerde prijsonderbieding samenvielen met de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, moet worden geconcludeerd dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening veroorzaakt is door de invoer met dumping.

G.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1.   Algemene overwegingen

(105)

Ingevolge artikel 21 van de basisverordening werd nagegaan of er ondanks de voorlopige conclusie inzake schade veroorzakende dumping dwingende redenen waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Gemeenschap was in dit bijzondere geval maatregelen te nemen. De gevolgen van eventuele maatregelen voor alle bij deze procedure betrokken partijen en ook de gevolgen van het afzien van maatregelen werden onderzocht.

2.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(106)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft schade ondervonden van de invoer met dumping van het betrokken product uit China. Bovendien lieten de meeste economische indicatoren van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens de beoordelingsperiode een negatieve ontwikkeling zien. Gezien de aard van de schade (verlies aan marktaandeel, daling van de winstgevendheid) lijkt een verdere aanzienlijke verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap onvermijdelijk wanneer er geen maatregelen worden getroffen.

(107)

De instelling van maatregelen zal, zo is de verwachting, verdere verstoring van de markt voorkomen en de eerlijke mededinging herstellen. Dit zou de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat stellen de verkoopprijzen te verhogen tot een niveau dat een redelijke winstmarge garandeert.

(108)

Als geen maatregelen worden ingesteld, zouden de prijzen verder dalen en zou de winst van de communautaire producenten verder afnemen. Dit zou op middellange tot lange termijn onhoudbaar zijn. Gezien de lage winst en de investeringen in productiesystemen kan worden verwacht dat bepaalde communautaire producenten niet in staat zijn hun investeringen terug te verdienen als er geen maatregelen worden ingesteld.

(109)

Aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap bestaat uit kleine en middelgrote ondernemingen verspreid over de Europese Unie, zou het instellen van antidumpingmaatregelen bovendien helpen de werkgelegenheid in deze sector te behouden.

(110)

Daarom wordt voorlopig geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen in het belang zijn van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

3.   Belang van andere communautaire producenten

(111)

Met betrekking tot de vier ondernemingen die noch klager waren noch de procedure steunden, zijn er geen aanwijzingen dat het instellen van maatregelen in strijd zou zijn met de belangen van deze producenten.

4.   Belang van de importeurs

(112)

De Commissie zond alle haar bekende importeurs en handelaren een vragenlijst. Vier importeurs verleenden hun medewerking aan het onderzoek door de vragenlijst te beantwoorden. Zij vertegenwoordigden in het OT ongeveer 38 % van de totale invoer uit China in de Gemeenschap en ongeveer 3,2 % van het verbruik in de Gemeenschap. Vervolgens is bij twee van deze ondernemingen, in Spanje en in het Verenigd Koninkrijk, een controle ter plaatse uitgevoerd. De invoer van het betrokken product door deze twee ondernemingen was goed voor 20 tot 38 % van de totale invoer uit China in de Gemeenschap.

(113)

Voor beide importeurs maakte het betrokken product 100 % van hun omzet uit. De ene importeur kocht 100 % en de andere 90 % van hun totale invoer van het betrokken product in China aan. Tussen de 8 en de 11 personen zijn rechtstreeks betrokken bij de aankoop, het verhandelen en de wederverkoop van het betrokken product.

(114)

Het kan niet worden uitgesloten dat de invoer uit het betrokken land daalt wanneer antidumpingmaatregelen worden ingesteld en dat de economische situatie van de importeurs daaronder lijdt. Een stijging van de invoerprijzen van het betrokken product zal de concurrentie op de communautaire markt echter alleen maar herstellen en de importeurs niet verhinderen het betrokken product te verkopen. Voorts moet het geringe aandeel van de kosten van het betrokken product in de totale kosten van de afnemers het voor de importeurs gemakkelijker maken prijsstijgingen aan hen door te berekenen. Derhalve luidt de voorlopige conclusie dat antidumpingmaatregelen waarschijnlijk geen ernstige nadelige gevolgen zullen hebben voor de importeurs in de Gemeenschap.

5.   Belang van de gebruikers

(115)

Er zijn aanvankelijk vragenlijsten toegezonden aan alle partijen die in de klacht als gebruiker worden genoemd. Zeven gebruikers, die ongeveer 13 % van de totale invoer uit China in de Gemeenschap vertegenwoordigen, verleenden hun medewerking aan het onderzoek door de vragenlijst te beantwoorden. Vervolgens is bij twee van deze ondernemingen, in Spanje en in het Verenigd Koninkrijk, een controle ter plaatse uitgevoerd. In totaal waren deze twee ondernemingen goed voor minder dan 5 % van de invoer van PSC-draad en -strengen uit China in het OT. Zij verkregen het betrokken product doorgaans uit andere bronnen, zoals de bedrijfstak van de Gemeenschap en Zuid-Afrika.

(116)

Het betrokken product wordt in de bouw gebruikt voor het wapenen van beton, voor hangconstructies en voor tuibruggen. In deze procedure zijn de gebruikers echter intermediaire ondernemingen die de onderdelen voor bovengenoemde toepassingen vervaardigen en leveren. Dit betekent dat, hoewel de gevolgen van de instelling van antidumpingrechten waarschijnlijk niet te verwaarlozen zullen zijn, de gebruikers naar verwachting de uit die instelling voortvloeiende prijsstijging geheel of bijna geheel zullen kunnen doorberekenen aan de eindgebruikers, voor wie de gevolgen van het instellen van deze maatregelen te verwaarlozen zijn.

(117)

De voorlopige conclusie luidt dan ook dat de instelling van antidumpingmaatregelen geen gevolgen van betekenis zou hebben voor de kosten van de gebruikers.

6.   Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap

(118)

Gelet op het voorgaande wordt voorlopig geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om geen antidumpingmaatregelen te nemen ten aanzien van de invoer van PSC-draad en -strengen uit China.

H.   VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

1.   Schademarge

(119)

Gezien de conclusies inzake dumping, de door die dumping veroorzaakte schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap moeten voorlopige maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog meer schade lijdt door de invoer met dumping.

(120)

Om de hoogte van deze rechten te bepalen, werd rekening gehouden met de vastgestelde dumpingmarges en het bedrag aan rechten dat noodzakelijk is om de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap op te heffen.

(121)

Bij de berekening van het recht dat nodig is om de gevolgen van de schade veroorzakende dumping op te heffen, werd ervan uitgegaan dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moeten stellen om de productiekosten te dekken en een winst vóór belasting te maken die bij normale concurrentie, dat wil zeggen in afwezigheid van invoer met dumping, redelijkerwijs op de verkoop van het soortgelijke product in de Gemeenschap door een dergelijke sector kan worden behaald. De voor deze berekening gehanteerde winstmarge vóór belastingen bedroeg 8,5 % van de omzet, gebaseerd op de gewogen gemiddelde winst in 2004 en 2005 toen nog geen sprake was van een aanzienlijke invoer uit China en de prijzen rond of boven die van de bedrijfstak van de Gemeenschap lagen. Op basis hiervan werd voor het soortgelijke product een prijs berekend waarbij de bedrijfstak van de Gemeenschap geen schade lijdt. Dat gebeurde door de bovengenoemde winstmarge van 8,5 % bij de productiekosten op te tellen.

(122)

De noodzakelijke prijsverhoging werd vervolgens berekend door vergelijking van de gewogen gemiddelde invoerprijs, die bij de berekening van de prijsonderbieding was vastgesteld, met de geen schade veroorzakende prijs van producten die door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt worden verkocht. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd vervolgens uitgedrukt als percentage van de totale cif-waarde bij invoer.

(123)

In verband met de berekening van de voor het gehele land geldende schademarge voor alle andere producenten/exporteurs in China zij eraan herinnerd dat het niveau van medewerking laag was. De schademarge werd daarom vastgesteld op het niveau van de schademarge voor de medewerkende onderneming aan wie geen behandeling als marktgerichte onderneming of individuele behandeling was toegekend.

2.   Voorlopige maatregelen

(124)

Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat, overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening, voorlopige antidumpingrechten moeten worden ingesteld op invoer uit China die overeen moeten stemmen met de dumpingmarge of met de schademarge indien deze lager is. In dit geval moeten alle antidumpingrechten dus worden vastgesteld op het niveau van de vastgestelde schademarges.

(125)

De bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(126)

Verzoeken in verband met de toepassing van deze specifiek voor bepaalde ondernemingen geldende antidumpingrechten (bv. na een naamswijziging van een bedrijf of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien nodig zal de Commissie, na overleg met het Raadgevend Comité, de verordening dienovereenkomstig wijzigen door de lijst van ondernemingen waarop individuele antidumpingrechten van toepassing zijn, aan te passen.

(127)

De voorgestelde antidumpingrechten zijn als volgt:

Onderneming

Schademarge

Dumpingmarge

Antidumpingrecht

Kiswire Qingdao Ltd

2,1 %

26,8 %

2,1 %

Liaoning Tongda Building Material Industry Co. Ltd

23,7 %

41,3 %

23,7 %

Wuxi Jinyang Metal Products Co. Ltd

30,8 %

47,6 %

30,8 %

Alle andere ondernemingen

52,2 %

56,7 %

52,2 %

I.   SLOTBEPALING

(128)

Met het oog op de beginselen van behoorlijk bestuur dient een termijn te worden vastgesteld waarbinnen de belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn bij de Commissie kenbaar hebben gemaakt, schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen verzoeken te worden gehoord. Voorts dient te worden vermeld dat alle bevindingen betreffende de instelling van antidumpingrechten in het kader van deze verordening voorlopig zijn en bij de vaststelling van definitieve bevindingen kunnen worden herzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van draad van niet-gelegeerd staal (niet bekleed, of verzinkt) en strengen van niet-gelegeerd staal (al dan niet bekleed), bevattende 0,6 of meer gewichtspercenten koolstof, met een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, ingedeeld onder de GN-codes ex 7217 10 90, ex 7217 20 90, ex 7312 10 61, ex 7312 10 65 en ex 7312 10 69 (Taric-codes 7217109010, 7217209010, 7312106111, 7312106191, 7312106511, 7312106591, 7312106911 en 7312106991), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   Het antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor de in lid 1 omschreven producten die door onderstaande ondernemingen zijn geproduceerd, is als volgt:

Onderneming

Recht

Aanvullende Taric-codes

Kiswire Qingdao Ltd, Qingdao

2,1 %

A899

Liaoning Tongda Building Material Industry Co. Ltd, Liaoyang

23,7 %

A900

Wuxi Jinyang Metal Products Co. Ltd, Wuxi

30,8 %

A901

Alle andere ondernemingen

52,2 %

A999

3.   Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van de in lid 1 genoemde producten moet een zekerheid worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

Overeenkomstig artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen de betrokken partijen binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen maken over de toepassing van deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 van deze verordening is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2008.

Voor de Commissie

Catherine ASHTON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2)  PB C 43 van 16.2.2008, blz. 9.


15.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/22


VERORDENING (EG) Nr. 1130/2008 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2008

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde kaarsen, draadkaarsen en dergelijke artikelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding van de procedure

(1)

Op 16 februari 2008 heeft de Commissie met een bericht („het bericht van inleiding”) in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde kaarsen, draadkaarsen en dergelijke artikelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC” of „het betrokken land”) aangekondigd.

(2)

De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 3 januari 2008 werd ingediend door bepaalde producenten van bepaalde kaarsen, draadkaarsen en dergelijke artikelen die samen goed zijn voor een groot deel, in dit geval ongeveer 60 %, van de totale communautaire productie van kaarsen en dergelijke artikelen. Het bij die klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal betreffende de dumping van het product en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om een onderzoek in te leiden.

1.2.   Bij de procedure betrokken partijen

(3)

De Commissie heeft de klagers, de haar bekende betrokken producenten/exporteurs, importeurs, andere haar bekende betrokken partijen alsmede de vertegenwoordigers van de VRC van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(4)

De klagers, andere communautaire producenten, producenten/exporteurs in de VRC, importeurs, waaronder grote detailhandelsgroepen en grondstoffenleveranciers, hebben hun standpunt kenbaar gemaakt. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(5)

In het bericht van inleiding had de Commissie aangegeven dat voor de vaststelling van dumping en schade overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik kon worden gemaakt van een steekproef. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was, werd aan alle bekende producenten/exporteurs in de VRC en alle importeurs in de Gemeenschap en communautaire producenten gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar, zoals vermeld in het bericht van inleiding, basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product tijdens de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2007.

(6)

Zoals blijkt uit overwegingen 33 tot en met 40 hebben eenenveertig producenten/exporteurs in de VRC de gevraagde informatie verstrekt en ingestemd met deelname aan een steekproef. Op basis van de informatie die de Commissie van de medewerkende producenten/exporteurs heeft ontvangen, heeft zij een steekproef geselecteerd met acht producenten in de VRC of groepen van verbonden ondernemingen die de grootste hoeveelheden naar de Gemeenschap exporteren. Alle betrokken producenten/exporteurs, maar ook hun vereniging en de autoriteiten van de VRC, werden geraadpleegd en stemden in met de samenstelling van de steekproef.

(7)

Om de producenten/exporteurs in de VRC in de gelegenheid te stellen desgewenst om een behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) of een individuele behandeling („IB”) te verzoeken, heeft de Commissie de haar bekende betrokken producenten/exporteurs in de VRC en de autoriteiten van de VRC aanvraagformulieren toegezonden.

(8)

De Commissie heeft de resultaten van de BMO-bevindingen officieel bekendgemaakt aan de betrokken producenten/exporteurs in de VRC, de autoriteiten van de VRC en de klagers. Ze werden daarnaast in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord in geval van bijzondere redenen om te worden gehoord.

(9)

Eén producent/exporteur die niet was opgenomen in de steekproef omdat deze niet voldeed aan de criteria gesteld in artikel 17, lid 1, van de basisverordening wenst in aanmerking te komen voor een individuele dumpingmarge uit hoofde van artikel 17, lid 3, van de basisverordening. Er werd echter geoordeeld dat individueel onderzoek te belastend zou zijn en in de weg zou staan van een tijdige afsluiting van het onderzoek. Daarom werd voorlopig geconcludeerd dat het verzoek tot een individueel onderzoek van de producent/exporteur niet kon worden ingewilligd.

(10)

De Commissie heeft een vragenlijst toegezonden aan alle haar bekende betrokken partijen en aan alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, namelijk aan eenendertig communautaire producenten, tweeëndertig importeurs, alsmede twee grondstoffenleveranciers.

(11)

Er werden antwoorden ontvangen van de communautaire producenten die de klacht hebben ingediend, alsmede van zes niet-verbonden importeurs en twee leveranciers.

(12)

Voorts heeft de Commissie antwoorden ontvangen op het steekproefformulier van eenenveertig producenten/exporteurs in de VRC.

(13)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, schade als gevolg hiervan en het belang van de Gemeenschap nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle verricht:

 

In de Gemeenschap gevestigde producenten

1.

Bolsius International B.V., Schijndel, Nederland,

2.

Vollmar GmbH, Rheinbach, Duitsland,

3.

GIES Groep,

GIES Kerzen GmbH, Gline, Duitsland,

Promol Industria de Velas, Caldas da Reinha, Portugal,

Liljeholmens Stearinfabriks AB, Oskarshamn, Zweden.

 

Producenten/exporteurs in de VRC en verbonden ondernemingen in de VRC en in Hongkong:

1.

Aroma Consumer Products (Hangzhou) Co., Ltd., VRC,

2.

Dalian Bright Wax groep:

Dalian Bright Wax Co., Ltd., VRC,

Dalian Bright Wax, Hongkong,

3.

Dalian Talent Gift Co., Ltd., VRC,

4.

Gala-Candles (Dalian) Co., Ltd., VRC,

5.

Qingdao Kingking Applied Chemistry Co. Ltd., VRC,

6.

Ningbo Kwung's Home groep:

Ningbo Kwung's Home Interior & Gift Co., Ltd., VRC,

Apple-Ann Home Creation (H.K.) Limited, Hongkong,

7.

Ningbo Kwung's Wisdom groep:

Ningbo Kwung's Wisdom Art & Design Co., Ltd., VRC,

Ningbo Kwung's Import and Export Co., Ltd., VRC,

Shaoxing Koman Home Interior Co., Ltd., VRC,

8.

Win Win Group:

Jiashan Jiahua Candle Arts & Crafts Co. Ltd., VRC,

Win Win Arts & Crafts Co., Ltd., VRC.

 

Verbonden importeur in de Gemeenschap

Gala Kerzen GmbH, Duitsland.

1.3.   Onderzoektijdvak

(14)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 2004 tot het einde van het OT (de „beoordelingsperiode”).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(15)

Het betrokken product betreft bepaalde kaarsen, draadkaarsen en dergelijke artikelen, met uitzondering van zogenaamde gedenkkaarsen en andere kaarsen voor buitengebruik, uitgevoerd naar de Gemeenschap en van oorsprong uit de VRC (kaarsen). Het productieproces voor het vervaardigen van kaarsen is tamelijk eenvoudig en bestaat uit het verhitten van grondstoffen (voornamelijk paraffine en stearine) en het vormgeven van de kaars in mallen of houders in een afkoelingsproces. Kaarsen genereren warmte en licht, maar worden voornamelijk gebruikt voor binnenhuisdecoratie; in verschillende kaarsenhouders, kandelaars en andere decoratieve artikelen.

(16)

Kaarsen worden doorgaans aangegeven onder GN-codes ex 3406 00 11, ex 3406 00 19 en ex 3406 00 90.

(17)

Gedenkkaarsen en andere kaarsen voor buitengebruik maken geen deel uit van het betrokken product. Deze kunnen worden gedefinieerd als kaarsen en dergelijke artikelen waarvan de brandstof meer dan 500 ppm tolueen en/of meer dan 100 ppm benzeen bevat en/of waarvan de pit een diameter van ten minste 5 millimeter heeft en/of die afzonderlijk zijn aangebracht in een plastic houder met verticale wanden met een hoogte van ten minste 5 cm. Deze criteria worden geacht een duidelijke scheidslijn te vormen tussen de soorten kaarsen waarop dit onderzoek betrekking heeft en de soorten waarbij dit niet het geval is.

(18)

Het onderzoek heeft aangetoond dat er veel verschillende soorten kaarsen, zoals draadkaarsen, waxinelichtjes, alsmede veel overige seizoenskaarsen en kaarsen voor speciale doeleinden, worden geproduceerd in de VRC en verkocht op de communautaire markt. De verschillende soorten kaarsen kunnen in principe verschillen in grootte, vorm, kleur en kunnen al of niet geparfumeerd zijn, maar alle soorten delen dezelfde chemische en technische basiseigenschappen en gebruiksdoeleinden en zijn grotendeels onderling verwisselbaar. De kaarsen waarop het huidige onderzoek betrekking heeft, worden op grond daarvan geacht alle deel uit te maken van dezelfde productfamilie.

(19)

Bepaalde belanghebbenden hebben opmerkingen en argumenten ingediend met betrekking tot de definitie van het betrokken product. Beweerd werd dat gedenkkaarsen en andere kaarsen voor buitengebruik ten onrechte buiten het productbereik zijn geplaatst omdat de bedrijfstak van de Gemeenschap dit segment domineert en omdat de in overweging 17 genoemde criteria niet uniek zijn, in de zin dat gedenkkaarsen en andere kaarsen voor buitengebruik niet altijd de bovengenoemde kenmerken overschrijden. Bovendien hebben zij betoogd dat het onderscheid dat is gemaakt tussen kaarsen en gedenkkaarsen en andere kaarsen voor buitengebruik, niet werd ondersteund door enige richtlijn of normen in de branche en in tegenspraak was met de veronderstelling dat waxinelichtjes en andere kaarsen onder de definitie van het betrokken product vielen.

(20)

Overige partijen stelden dat het productieproces en het productassortiment dat wordt geproduceerd in de VRC, alsmede de soorten kaarsen die worden uitgevoerd naar de Gemeenschap, zeer specifiek waren. In deze context werd aangegeven dat in veel gevallen exporteurs in de VRC het betrokken product samen met andere accessoires uitvoeren, zoals glazen houders en/of kandelaars, waarbij de uitvoerwaarde alle artikelen omvat en niet alleen de kaarsen. Al deze soorten zouden van het onderzoek moeten worden uitgesloten.

(21)

Tevens werd beoogd dat producenten/exporteurs in de VRC voor een groot deel handgemaakte kaarsen of kaarsen voor bijzondere doeleinden produceren waarbij verdere bewerkingswerkzaamheden, zoals bedrukken, schrapen/krassen en lakken, worden uitgevoerd. Dit zijn arbeidsintensieve soorten, „luxe” of „speciale” kaarsen genoemd, die niet in de Gemeenschap worden vervaardigd. Dienovereenkomstig beargumenteerden de partijen dat de speciale kaarsen ook van het onderzoek zouden moeten worden uitgesloten.

(22)

De bovenstaande argumenten waren evenwel niet specifiek en bevatten geen ondersteunend bewijs dat aantoont dat het betrokken product onjuist is gedefinieerd in het bericht van inleiding. Zoals hierboven is vermeld, is in feite vastgesteld dat alle soorten van het betrokken product dezelfde chemische en technische basiseigenschappen en gebruiksdoeleinden hebben en dat ze grotendeels onderling verwisselbaar zijn. Wat de argumenten aangaande gedenkkaarsen en andere kaarsen voor buitengebruik betreft, wordt erop gewezen dat deze producten onderscheiden kunnen worden van andere soorten kaarsen op basis van de technische en chemische criteria vermeld in overweging 17. Het feit dat enerzijds de communautaire producenten wellicht dominant zijn in dit specifieke segment en anderzijds alle beweringen dat de communautaire producenten bepaalde soorten van het product niet produceren, is niet relevant en verandert niet de definitie van het betrokken product.

(23)

Het productieproces, de verschillende productsoorten die geproduceerd en verkocht worden op de communautaire markt, het bestaan of het gebrek aan normen, zijn niet noodzakelijkerwijs geldige redenen die aantonen dat de definitie van het betrokken product zou moeten worden herzien.

2.2.   Soortgelijk product

(24)

Bepaalde belanghebbenden meenden dat de zogenoemde waxinelichtjes moeten worden onderscheiden van andere kaarsen omdat deze andere fysieke kenmerken hebben, zoals het formaat en het feit dat de was zich in een houder bevindt om te voorkomen dat de was overvloeit of druipt. Bovendien is het hoofddoel van kaarsen het genereren van licht, maar dat van waxinelichtjes het genereren van warmte.

(25)

Bepaalde belanghebbenden voerden aan dat kaarsen die door de bedrijfstak van de Gemeenschap werden geproduceerd en werden verkocht op de communautaire markt niet gelijk waren aan het betrokken product. Ze betoogden met name dat het betrokken product voornamelijk werd verkocht in sets met andere decoratieve artikelen, zoals kaarsenhouders, kandelaars, andere keramische of glazen artikelen, en dat het niet mogelijk was om de specifieke waarde van de kaars in de set te bepalen. Er werd tevens beweerd dat daar waar de communautaire producenten slechts standaardtypen kaarsen verkochten, de uitvoerende producenten in de VRC grote hoeveelheden speciale kaarsen verkochten, die niet met de standaardtypen kunnen worden vergeleken.

(26)

Wat het argument aangaande het gebruik van bepaalde soorten kaarsen betreft, moet worden opgemerkt dat tijdens een hoorzitting, die met name met de Vereniging van producenten van kaarsen in de VRC plaatsvond, is verklaard dat de binnenlandse consumptie in de VRC aanzienlijk is toegenomen de afgelopen jaren en dat de kaarsen die op de binnenlandse markt zijn verkocht hetzelfde hoofddoel hadden als die in de Gemeenschap, namelijk binnenhuisdecoratie. Met betrekking tot het vermeende verschil in gebruik tussen kaarsen (licht) en waxinelichtjes (warmte), is vastgesteld dat deze productsoorten onderling verwisselbaar zijn en dat beide soorten kunnen worden gebruikt voor het genereren van licht en warmte, maar dat, zoals vermeld in overweging 15, ze beide voornamelijk worden gebruikt voor binnenhuisdecoratie.

(27)

Hierbij moet nogmaals worden aangetekend dat, zoals vermeld in overweging 18, er verschillende soorten kaarsen zijn die in principe kunnen verschillen in grootte, vorm of kleur, maar dat al deze soorten dezelfde chemische en technische basiseigenschappen en gebruiksdoeleinden hebben en dat ze grotendeels onderling verwisselbaar zijn. De soorten kaarsen waarop het huidige onderzoek betrekking heeft, worden op grond daarvan geacht alle deel uit te maken van dezelfde productfamilie.

(28)

De criteria die moeten worden toegepast bij het bepalen van het „soortgelijk product” zijn gebaseerd op de technische en chemische eigenschappen, alsmede het uiteindelijke gebruik of de functies van het product, en niet op factoren zoals de vorm, geur, kleur of andere eigenschappen die worden genoemd door de belanghebbende. De verschillen met betrekking tot grootte hebben geen uitwerking op de definitie van het betrokken product en het soortgelijke product, daar er geen duidelijk onderscheid kan worden gemaakt tussen de producten die tot dezelfde productfamilie behoren met betrekking tot hun belangrijkste technische en chemische basiseigenschappen, aangaande het uiteindelijke gebruik en de perceptie van de gebruikers.

(29)

Met het oog op de argumenten en het bewijs dat is geleverd door belanghebbenden en alle overige informatie die beschikbaar is gedurende dit stadium van het onderzoek, wordt geoordeeld dat er geen verschillen zijn gevonden tussen het betrokken product en kaarsen die worden geproduceerd en verkocht door de exporteurs/producenten op de binnenlandse markt en door producenten in de Gemeenschap, die tevens fungeerden als referentieland om de normale waarde met betrekking tot de VRC vast te stellen. Deze kaarsen beschikken hoofdzakelijk over dezelfde technische en chemische basiseigenschappen en hetzelfde standaardgebruik. Daarom luidt de voorlopige conclusie dat alle soorten kaarsen als gelijk worden beschouwd in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

(30)

In dit stadium van het onderzoek heeft de Commissie nog niet voldoende bewijs ontvangen dat de fysieke kenmerken en/of het uiteindelijke gebruik van waxinelichtjes wezenlijk verschillen van die van andere kaarsen en tot de conclusie zouden moeten leiden dat waxinelichtjes en andere kaarsen niet tot dezelfde productfamilie behoren. Het onderzoek zal alle onderbouwde argumenten die eventueel zijn ingediend met betrekking tot de kwestie soortgelijk product, nader onderzoeken.

3.   STEEKPROEVEN

3.1.   Steekproef van communautaire producenten

(31)

Gezien het grote aantal producenten/exporteurs in de Gemeenschap dat de klacht ondersteunt, werd in het bericht van inleiding, overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening, gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van een steekproef. Op basis van de analyse van de ingevulde en teruggestuurde steekproefformulieren is, zoals bepaald in artikel 17, lid 1, van de basisverordening, uiteindelijk een steekproef van vijf producenten geselecteerd aan de hand van het criterium van het grootste productievolume.

3.2.   Steekproef van importeurs

(32)

Gezien het grote aantal importeurs dat werd vastgesteld aan de hand van de klacht, werd in het bericht van inleiding, overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening, tevens een steekproef van importeurs overwogen. Op basis van de analyse van het aantal ingevulde en teruggestuurde steekproefformulieren bleek het echter niet noodzakelijk te zijn om gebruik te maken van een steekproef voor importeurs.

3.3.   Steekproef van producenten/exporteurs in de VRC

(33)

Gezien het grote aantal producenten/exporteurs in de VRC werd in het bericht van inleiding, overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening, gewezen op de mogelijkheid om voor het vaststellen van dumping gebruik te maken van een steekproef.

(34)

Om de Commissie in staat te stellen te besluiten of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, een steekproef samen te stellen, werd de producenten/exporteurs in de VRC verzocht zich binnen 15 dagen na publicatie van het bericht van inleiding van het onderzoek kenbaar te maken en basisinformatie over hun verkoop in binnen- en buitenland, een nauwkeurige beschrijving van hun activiteiten met betrekking tot de productie van kaarsen en de namen en activiteiten van alle verbonden ondernemingen die betrokken zijn bij de productie en/of verkoop van het betrokken product te verstrekken.

(35)

De autoriteiten van de VRC en de vereniging van producenten werden tevens geraadpleegd bij de selectie van een representatieve steekproef.

3.3.1.   Voorselectie van medewerkende producenten/exporteurs

(36)

In totaal hebben eenenveertig producenten/exporteurs, waaronder groepen van verbonden ondernemingen in de VRC, zich gemeld en de gevraagde informatie verstrekt binnen de termijn die was vastgesteld in het bericht van inleiding. Allen rapporteerden de uitvoer van kaarsen naar de Gemeenschap gedurende het OT en, met uitzondering van één producent met tamelijk onbeduidende exportvolumes, verklaarden zij deel te willen nemen aan de steekproef. Bijgevolg worden veertig producenten/exporteurs geacht mee te werken aan het huidige onderzoek („medewerkende exporteurs”).

(37)

Producenten/exporteurs die zich niet binnen de genoemde termijn hebben gemeld of niet op tijd de gevraagde informatie hebben verstrekt, werden geacht niet mee te werken aan het onderzoek. De vergelijking tussen de invoergegevens van Eurostat en de omvang van de uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap zoals deze voor het onderzoektijdvak was gemeld door de in overweging 36 bedoelde ondernemingen, duidt erop dat de medewerking van Chinese producenten/exporteurs erg klein was, zoals vermeld in overweging 87.

3.3.2.   Selectie van de steekproef van medewerkende exporteurs in de VRC

(38)

Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening werd een steekproef geselecteerd op basis van het grootste representatieve exportvolume van kaarsen naar de Gemeenschap die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Op basis van de informatie die de Commissie van de producenten/exporteurs heeft ontvangen, heeft zij een steekproef geselecteerd met acht ondernemingen of groepen van verbonden ondernemingen die de grootste hoeveelheden naar de Gemeenschap exporteren. Volgens de informatie uit de steekproef waren de geselecteerde ondernemingen tijdens het onderzoektijdvak goed voor meer dan 73 % van de totale omvang van de uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap, zoals die door de in overweging 36 bedoelde medewerkende producenten/exporteurs gemeld was. Daarom werd overwogen dat een dergelijke steekproef het mogelijk zou maken het onderzoek te beperken tot een redelijk aantal producenten/exporteurs die binnen de beschikbare tijd konden worden onderzocht en die in hoge mate representatief waren. Alle betrokken producenten/exporteurs, maar ook hun vereniging en de autoriteiten van de VRC, werden geraadpleegd en stemden in met de samenstelling van de steekproef.

(39)

Twee medewerkende exporteurs die niet waren opgenomen in de steekproef verzochten te worden opgenomen in de steekproef door aan te voeren dat criteria zoals i) het productassortiment van de producenten/exporteurs, ii) het soort afnemers in de Gemeenschap, iii) geografische representativiteit, iv) buitenlandse investeringen en v) de mate van afhankelijkheid van uitvoer naar de Gemeenschap, zouden moeten worden meegenomen bij de samenstelling van de steekproef.

(40)

Met betrekking hierop wordt erop gewezen dat geen van deze criteria wordt vermeld in artikel 17, lid 1, van de basisverordening met betrekking tot de samenstelling van de steekproef. Hun verzoek moest derhalve worden afgewezen.

3.4.   Individueel onderzoek

(41)

Eén producent/exporteur die niet was opgenomen in de steekproef omdat hij niet voldeed aan de criteria gesteld in artikel 17, lid 1, van de basisverordening, wenst in aanmerking te komen voor een individuele dumpingmarge uit hoofde van artikel 17, lid 3, van de basisverordening.

(42)

Zoals vermeld in overweging 38 was de steekproef beperkt tot een redelijk aantal ondernemingen die konden worden onderzocht binnen de beschikbare tijd. De ondernemingen die zijn onderzocht in het kader van het onderzoek naar dumping in de VRC worden vermeld in overweging 13 hierboven. Met het oog op de controle die ter plaatse bij een groot aantal van de ondernemingen in de steekproef is uitgevoerd, bestaande uit onder andere de verificatie van verzoeken tot behandeling als marktgericht bedrijf en de antwoorden op de vragenlijst, werd geoordeeld dat individueel onderzoek te belastend zou zijn en een tijdige afsluiting van het onderzoek onmogelijk zou hebben gemaakt.

(43)

Daarom werd voorlopig geconcludeerd dat het verzoek tot een individueel onderzoek van de producent/exporteur niet kon worden ingewilligd.

4.   DUMPING

4.1.   Toepassing van artikel 18 van de basisverordening

(44)

Gedurende de controle ter plaatse heeft één medewerkende exporteur, die deel uitmaakt van een groep ondernemingen en die is geselecteerd in de steekproef, geen ondersteunende documentatie verstrekt voor verschillende aspecten, waaronder binnenlandse verkoop, buitenlandse verkoop, verplaatsing van voorraad, reçu’s voor buitenlandse valuta, bankdeposito’s en vaste activa, die nodig werd geacht voor de controle van zijn BMO-aanvraagformulier. Daarnaast werden tevens i) btw-verklaringen, ii) speciale btw-facturen die worden verlangd door de autoriteiten voor de belastingaftrek op uitvoer en iii) door de autoriteiten gecertificeerde verklaringen van aangifte van inkomstenbelasting, niet verstrekt. In plaats daarvan waren de ter plaatse verstrekte documenten niet gecertificeerd en werden zij geacht misleidend te zijn en onjuiste informatie te bevatten. Tot slot werden verschillen ontdekt tussen de boekhoudbescheiden bij de ingeleverde vragenlijst en de documenten die ter plaatse werden getoond. Dit leidde ertoe dat de waarheidsgetrouwheid en de nauwkeurigheid van de BMO-aanvraagformulieren niet ter plaatse konden worden geverifieerd.

(45)

Vanwege deze situatie werd de exporteur ervan op de hoogte gesteld dat, op grond van artikel 18 van de basisverordening, werd overwogen aan de hand van de beschikbare gegevens conclusies te trekken en werd hij in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

(46)

De exporteur betoogde in zijn reactie voornamelijk dat hij geen boekhoudbescheiden bijhield die niet wettelijk verplicht waren door de Chinese wetgeving op administratieve verantwoording en verslaglegging. De exporteur verstrekte echter geen enkel bewijsstuk om zijn argument te onderbouwen en bood tevens geen rechtvaardiging voor de reden waarom hij de officiële documenten, gecertificeerd door de autoriteiten in de VRC, niet had bijgehouden en had verstrekt. Uiteindelijk erkende hij in zijn opmerkingen de verschillen die waren vastgesteld tussen zijn ingeleverde vragenlijst en de documenten die ter plaatse werden getoond.

(47)

Als gevolg van deze omstandigheden werd de informatie die door deze groep van verbonden ondernemingen was verstrekt buiten beschouwing gelaten en werd gebruik gemaakt van de beschikbare gegevens in de zin van artikel 18 van de basisverordening.

4.2.   Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO)

(48)

Krachtens artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening moet bij antidumpingonderzoeken naar producten van oorsprong uit China de normale waarde voor producenten/exporteurs die aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening voldoen, overeenkomstig de leden 1 tot 6 van dat artikel, worden vastgesteld.

(49)

Voor alle duidelijkheid worden deze criteria hieronder nog eens kort samengevat:

1.

de besluiten van ondernemingen worden zonder staatsinmenging van betekenis genomen als reactie op marktsignalen, en de kosten geven de marktwaarde weer;

2.

ondernemingen beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende boekhoudnormen („IAS”) en die alle terreinen bestrijkt;

3.

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4.

faillissements- en eigendomswetten bieden rechtszekerheid en stabiliteit;

5.

omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.

(50)

Alle ondernemingen in de steekproef verzochten om een BMO overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening en hebben binnen de vastgestelde termijn het desbetreffende aanvraagformulier ingevuld. De Commissie heeft alle gegevens in de aanvraagformulieren en alle overige informatie die zij nodig achtte ter plaatse bij de ondernemingen verzameld en gecontroleerd.

(51)

Zoals uitgelegd in de overwegingen 44 tot en met 47 hierboven moest artikel 18 van de basisverordening worden toegepast op één indiener van het BMO-verzoek, daar deze de gevraagde informatie niet had verstrekt of misleidende gegevens had verstrekt gedurende de controle ter plaatse.

(52)

Bij de controle werd tevens vastgesteld dat vijf andere medewerkende producenten/exporteurs in de VRC niet voldeden aan de voorwaarden van de criteria uiteengezet in artikel 2, lid 7, onder c) van de basisverordening om een BMO toegekend te krijgen.

(53)

Twee producenten/exporteurs voldeden niet aan het tweede criterium, daar zij niet konden aantonen dat in overeenstemming met IAS een onafhankelijke audit was uitgevoerd met betrekking tot hun boekhoudbescheiden. Meer in het bijzonder werd vastgesteld dat de verslagen van één producent/exporteur met betrekking tot leningen aan verbonden partijen niet in overeenstemming waren met IAS 24 en IAS 32. In het geval van de tweede producent/exporteur zaten er een aantal tegenstrijdigheden en tekortkomingen in zijn verslagen, die tevens niet voldeden aan IAS 1 en IAS 38 wat zijn vaste activa betreft.

(54)

Eén medewerkende exporteur voldeed niet aan de voorwaarden van criteria 1 tot 3. Ten eerste kon hij niet aantonen dat de besluiten van de onderneming zonder staatsinmenging werden genomen als reactie op marktsignalen, omdat het bestaan van beperkingen werd waargenomen op koop- en verkoopactiviteiten (eerste criterium). Ten tweede heeft hij niet aangetoond dat zijn boekhoudbescheiden conform de IAS zijn gecontroleerd, gezien het feit dat de rekeningen van vaste activa niet in overeenstemming waren met IAS 1 en IAS 38 (tweede criterium). Ten slotte werden nog uit het systeem zonder markteconomie voortvloeiende verstoringen geconstateerd in de vorm van incorrecte waardebepaling van activa en grondgebruiksrechten (derde criterium).

(55)

Een andere medewerkende exporteur kon niet aantonen dat hij heeft voldaan aan het eerste criterium, aangezien besluiten van de onderneming niet als reactie op marktsignalen en zonder staatsinmenging van betekenis werden genomen ingevolge beperkingen op koop- en verkoopactiviteiten.

(56)

Eén medewerkende exporteur kon niet aantonen dat hij had voldaan aan het eerste en derde criterium. Er is vastgesteld dat bedrijfsbesluiten met betrekking tot investeringen niet werden genomen zonder staatsinmenging van betekenis. De lokale autoriteiten hebben de bedrijfsbesluiten beïnvloed en financieel bijgedragen aan de bouw van een technologisch centrum (eerste criterium). Er werden tevens verstoringen voortvloeiend uit het systeem zonder markteconomie waargenomen in de vorm van incorrecte waardebepaling van grondgebruiksrechten (derde criterium).

(57)

Twee medewerkende exporteurs toonden aan dat zij voldeden aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c) van de basisverordening en aan hen werd een BMO toegekend. Naar aanleiding van opmerkingen die na de mededeling van de bevindingen inzake de status van marktgerichte onderneming werden ontvangen, zal echter nader worden onderzocht of deze status aan beide ondernemingen zal worden toegekend.

4.3.   Individuele behandeling (IB)

(58)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt voor landen waarop dat artikel van toepassing is, een voor het gehele land geldend recht vastgesteld, maar kunnen ondernemingen die kunnen aantonen dat ze aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening inzake de individuele behandeling (IB) voldoen, daarvan worden uitgezonderd.

(59)

De medewerkende exporteurs die niet aan de BMO-criteria voldeden, hadden ook om IB verzocht voor het geval aan hen geen BMO werd toegekend.

(60)

Aan de hand van de beschikbare gegevens werd voorlopig geconstateerd dat de volgende vijf producenten/exporteurs in de VRC voldoen aan alle eisen voor IB als vermeld in artikel 9, lid 5, van de basisverordening.

Aroma Consumer Products (Hangzhou) Co., Ltd.,

Dalian Bright Wax Co., Ltd.,

Dalian Talent Gift Co., Ltd.,

Gala-Candles (Dalian) Co., Ltd.,

Qingdao Kingking Applied Chemistry Co., Ltd.

4.4.   Normale waarde

4.4.1.   Medewerkende exporteurs aan wie een BMO werd toegekend

(61)

Om de normale waarde vast te stellen overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening, werd door de Commissie eerst nagegaan of de totale verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers bij elk bedrijf waaraan een BMO werd toegekend in representatieve hoeveelheden heeft plaatsgevonden, d.w.z. of het totale volume van dergelijke verkopen ten minste 5 % bedroeg van de totale naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid van het soortgelijk product gedurende het OT.

(62)

Bij één medewerkende exporteur werd vastgesteld dat hij op de binnenlandse markt representatieve hoeveelheden verkocht. Bij de tweede producent/exporteur aan wie een BMO werd toegekend, werd echter vastgesteld dat hij niets had verkocht op de binnenlandse markt.

4.4.1.1.   Medewerkende exporteurs met representatieve hoeveelheid binnenlandse verkoop

(63)

Vervolgens heeft de Commissie vastgesteld welke productsoorten die op de binnenlandse markt werden verkocht, door de producent/exporteur met een over het geheel genomen representatieve binnenlandse verkoop identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten.

(64)

De binnenlandse verkoop van een bepaalde productsoort werd als voldoende representatief beschouwd wanneer in het onderzoektijdvak van die soort aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt een hoeveelheid was verkocht die ten minste 5 % bedroeg van de totale hoeveelheid van de vergelijkbare productsoort die naar de EU was uitgevoerd.

(65)

De Commissie onderzocht vervolgens of de binnenlandse verkoop van de betrokken onderneming in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden in de zin van artikel 2, lid 4, van de basisverordening.

(66)

Voor productsoorten die niet in representatieve hoeveelheden werden verkocht op de binnenlandse markt, zoals vermeld in overweging 64, of die niet in het kader van normale handelstransacties werden verkocht, moest een normale waarde worden berekend op basis van artikel 2, lid 6, van de basisverordening. In dit kader werden de verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten („VAA-kosten”) en de gewogen gemiddelde winst van de betrokken onderneming op de binnenlandse verkoop van het soortgelijk product opgeteld bij de eigen gemiddelde productiekosten gedurende het OT.

4.4.1.2.   Medewerkende exporteurs zonder representatieve hoeveelheid binnenlandse verkoop

(67)

Bij een medewerkende exporteur aan wie een BMO werd toegekend kon de binnenlandse verkoop niet worden gebruikt bij het berekenen van de normale waarde. De normale waarde werd daarom berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, door een redelijk bedrag voor VAA-kosten en de winst op te tellen bij de productiekosten van de onderneming voor het betrokken product.

(68)

Besloten werd de VAA-kosten en de winst niet vast te stellen op basis van artikel 2, lid 6, onder a), daar slechts aan één medewerkende exporteur met een representatieve binnenlandse verkoop een BMO werd toegekend. Bovendien konden de VAA-kosten en de winst niet worden vastgesteld op basis van artikel 2, lid 6, onder b), daar de betreffende medewerkende exporteur geen representatieve verkoop vertoonde van dezelfde algemene categorie producten. De VAA-kosten en de winst moesten daarom worden vastgesteld op basis van een andere redelijke grondslag overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening.

(69)

In het huidige geval werd overwogen dat het gewogen gemiddelde van de VAA-kosten gedurende het OT en een redelijke winst van 6,5 %, vastgesteld op basis van gegevens van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zou kunnen worden gebruikt om een normale waarde te berekenen voor de genoemde medewerkende exporteur met een BMO. De bovengenoemde redelijke winst overschreed niet de winst gerealiseerd door de andere medewerkende producent/exporteur aan wie een BMO werd toegekend op zijn verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt gedurende het OT.

4.4.2.   Producenten/exporteurs aan wie geen BMO en referentieland werd toegekend

(70)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet de normale waarde voor producenten/exporteurs in landen met een overgangseconomie aan wie geen BMO wordt toegekend, worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie („referentieland”).

(71)

In het bericht van inleiding werd Brazilië voorgesteld als referentieland voor het vaststellen van de normale waarde in de VRC. De Commissie heeft contact opgenomen met bekende producenten van kaarsen in Brazilië en vragenlijsten verstuurd, bedoeld om de gegevens te verzamelen die zij nodig achtte voor het berekenen van de normale waarde. Geen van de producenten in Brazilië verleende echter medewerking.

(72)

De Commissie bleef medewerking zoeken van andere mogelijke referentielanden. In het kader hiervan werd om de medewerking van producenten in landen met markteconomie, zoals Argentinië, Canada, Chili, India, Indonesië, Israël, Maleisië, Nieuw-Zeeland, Taiwan en Thailand verzocht. Geen enkele producent uit deze landen verleende echter medewerking.

(73)

Daar geen medewerking kon worden verkregen van producenten van derde landen met markteconomie, onderzocht de Commissie elke andere mogelijke redelijke basis voor het berekenen van de normale waarde in de VRC. Er werd onderzocht of de prijzen voor kaarsen die worden gevraagd door exporteurs uit derde landen op de communautaire markt conform artikel 2, lid 7, onder a), konden worden gebruikt als basis voor de normale waarde. Er werd echter geconstateerd dat de GN-codes waaronder kaarsen worden geïmporteerd vanuit derde landen niet specifiek genoeg zijn in hun beschrijving en geen eerlijke en goede vergelijking mogelijk maken met de soorten uitgevoerd door medewerkende exporteurs in de VRC. Als gevolg daarvan werd geoordeeld dat deze informatie onbetrouwbaar en niet representatief was en het daarom niet redelijk was om op basis hiervan een normale waarde vast te stellen in de VRC.

(74)

In het kader van het bovenstaande werd voorlopig geconcludeerd dat het gebruik van de werkelijk betaalde of te betalen prijs in de Gemeenschap voor het soortgelijke product, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, een redelijke grondslag vormde voor het berekenen van de normale waarde in de VRC.

(75)

Over de binnenlandse verkoop van de communautaire producenten opgenomen in de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap werd geoordeeld dat deze in representatieve hoeveelheden plaatsvond in vergelijking met de hoeveelheid kaarsen uitgevoerd naar de Gemeenschap door de medewerkende producenten/exporteurs in de steekproef aan wie geen BMO werd toegekend.

(76)

De verkoopprijzen van de communautaire producenten werden vervolgens naar behoren aangepast om een redelijke winstmarge te omvatten, zoals bepaald onder artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. Er werd gebruik gemaakt van een redelijke winstmarge van 6,5 %. Deze marge werd berekend op basis van de gewogen gemiddelde winst behaald door de communautaire producenten in de steekproef gedurende de eerste twee jaar van de beoordelingsperiode, waarin de marktomstandigheden, in belangrijke mate, niet werden beïnvloed door de invoer vanuit de VRC.

4.5.   Uitvoerprijs

(77)

De uitvoerprijzen werden vastgesteld aan de hand van de werkelijk voor het soortgelijke product betaalde of te betalen prijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

(78)

Bij uitvoer naar de Gemeenschap via een verbonden handelsonderneming in de Gemeenschap werden de uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de wederverkoopprijzen van de eerste onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap. Bij verkoop via verbonden ondernemingen buiten de Gemeenschap werd de uitvoerprijs vastgesteld op basis van de eerste wederverkoopprijs aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap.

4.6.   Vergelijking

(79)

De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken in het stadium af fabriek.

(80)

Om een billijke vergelijking te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(81)

Op grond hiervan werden waar nodig en gerechtvaardigd correcties toegepast voor de kosten van vervoer, zeevracht, verzekering, lading, lossing en aanverwante kosten, verpakkingskosten, kredietkosten en commissies.

(82)

Voor de verkopen via verbonden handelaren die buiten de Gemeenschap gevestigd zijn, werd een correctie overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening toegepast, op voorwaarde dat de handelaar kon aantonen dat hij in feite functioneerde als een agent die op commissiebasis werkt. De correctie werd uitgevoerd op basis van de werkelijke VAA-kosten van de verbonden handelaren, plus een winstmarge berekend op basis van gegevens verkregen van niet verbonden handelaren in de Gemeenschap.

(83)

Waar nodig werden correcties toegepast voor alle exportprijzen van de betrokken medewerkende exporteurs om het verschil weer te geven tussen de betaalde belasting op de toegevoegde waarde (btw) en de gedurende het OT op de productie en uitvoer van kaarsen terugbetaalde btw.

4.7.   Dumpingmarges

4.7.1.   Voor de medewerkende exporteurs aan wie een BMO en een IB werd toegekend

(84)

Voor de ondernemingen die als marktgerichte onderneming werden behandeld of een individuele behandeling hadden verkregen, werd de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het betrokken product die naar de Gemeenschap werd uitgevoerd, overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product.

(85)

De voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Onderneming

Voorlopige dumpingmarge

Aroma Consumer Products (Hangzhou) Co., Ltd.

54,9 %

Dalian Bright Wax Co., Ltd.

12,7 %

Dalian Talent Gift Co., Ltd.

34,8 %

Gala-Candles (Dalian) Co., Ltd.

18,3 %

Ningbo Kwung's Home Interior & Gift Co., Ltd.

14,0 %

Ningbo Kwung's Wisdom Art & Design Co., Ltd.

0 %

Qingdao Kingking Applied Chemistry Co., Ltd.

16,7 %

4.7.2.   Voor andere medewerkende exporteurs

(86)

De gewogen gemiddelde dumpingmarge van de medewerkende exporteurs die niet zijn opgenomen in de steekproef werd berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, lid 6, van de basisverordening. Deze marge is vastgesteld op basis van de marges die waren vastgesteld voor de producenten/exporteurs in de steekproef; de marge van de producent/exporteur met een dumpingmarge van nul en de marge van de onderneming waarop artikel 18 van de basisverordening is toegepast werden hierbij buiten beschouwing gelaten. Op basis hiervan werd de berekende dumpingmarge voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef waren opgenomen voorlopig vastgesteld op 26,2 %.

(87)

Wat alle andere exporteurs in de VRC betreft, stelde de Commissie eerst de mate van medewerking vast. Er werd een vergelijking gemaakt tussen de totale uitgevoerde hoeveelheden, als aangegeven in de ontvangen antwoorden van alle medewerkende producenten/exporteurs op het steekproefformulier, en de totale uit de VRC ingevoerde hoeveelheden, zoals afgeleid uit de invoerstatistieken van Eurostat. Zo werd de mate van medewerking vastgesteld op 46 %. Op grond daarvan werd de mate van medewerking als laag beschouwd. Er is derhalve besloten om de dumpingmarge voor de niet-medewerkende producten/exporteurs vast te stellen op een hoger niveau dan de hoogste dumpingmarge die is vastgesteld voor de medewerkende producenten/exporteurs. Uit de beschikbare informatie bleek inderdaad dat de lage mate van samenwerking het gevolg zou kunnen zijn van het feit dat de niet-medewerkende producenten/exporteurs in de VRC over het algemeen in hogere mate gebruik hebben gemaakt van dumping dan enige medewerkende exporteur gedurende het OT. De hoogste dumpingmarge werd derhalve vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met de hoogste dumping- en schademarges die zijn vastgesteld voor representatieve productsoorten.

(88)

Zo werd de dumpingmarge voor het gehele land voorlopig vastgesteld op 66,1 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring.

(89)

Dit recht werd tevens toegepast op de producent/exporteur waarbij de conclusies werden gebaseerd op de beschikbare feiten, zoals uitgelegd in overweging 51 hierboven.

5.   SCHADE

5.1.   Communautaire productie

(90)

Alle beschikbare informatie, waaronder informatie verstrekt in de klacht en gegevens verzameld bij communautaire producenten vóór en na het openen van het onderzoek, werd gebruikt om de totale communautaire productie vast te stellen.

(91)

Op basis van deze informatie is vastgesteld dat de communautaire productie rond de 390 000 ton bedroeg gedurende het OT. Deze hoeveelheid omvat de mogelijke productie van producenten die zich stil hebben gehouden gedurende de procedure en producenten die neutraal zijn gebleven met betrekking tot de opening van het onderzoek. Deze producenten nemen ongeveer 23 % van de totale communautaire productie voor hun rekening. Hiertoe behoren producenten die tegen de opening van het onderzoek waren en die ongeveer 17 % van de communautaire productie voor hun rekening nemen.

5.2.   Definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(92)

Het onderzoek toonde aan dat communautaire producenten die de klacht steunen en hebben ingestemd met deelname aan het onderzoek, ongeveer 60 % van de totale communautaire productie voor hun rekening namen gedurende het OT. Deze producenten worden dan ook geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap te vormen in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening.

5.3.   Verbruik in de Gemeenschap

(93)

Het verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt en de invoer uit de VRC en andere derde landen volgens Eurostat. Het verbruik heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 1

Verbruik in de Gemeenschap

2004

2005

2006

OT

Ton

511 103

545 757

519 801

577 332

Index

100

107

102

113

Bron: Eurostat en antwoorden vragenlijst.

(94)

In totaal is het communautaire verbruik in de beoordelingsperiode gestegen met 13 %. Deze groei werd onderbroken door een tijdelijke daling van 5 % tussen 2005 en 2006, waarna het verbruik zich herstelde en in het OT steeg met 11 %. Het afgenomen verbruik in 2006 kan deels worden toegeschreven aan de sterke stijging in de aankoopprijs van de belangrijkste grondstof bij de productie van kaarsen, paraffine, zoals in overweging 122 wordt beschreven.

5.4.   Invoer in de Gemeenschap uit de VRC

5.4.1.   Opmerkingen vooraf

(95)

Zoals vermeld in overweging 15, toonde het onderzoek aan dat de statistische gegevens over de invoer afkomstig van Eurostat drie belangrijke GN-codes onderscheiden voor het aangeven van kaarsen:

1.

de eerste code omvat voornamelijk gewone, ongeparfumeerde standaardkaarssoorten,

2.

de tweede code omvat verschillende soorten standaardkaarsen, d.i. geen gewone en geen draadkaarsen, maar ook handgemaakte kaarsen, seizoenskaarsen, sets met kaarsen enz. en

3.

de derde code omvat draadkaarsen, nachtkaarsjes en dergelijke, enz.

(96)

Er werd vastgesteld dat bepaalde producenten/exporteurs in de VRC sets met kaarsen hebben aangegeven, maar ook andere artikelen zoals keramiek, glas, stof en andere soortgelijke decoratieartikelen overeenkomstig categorie 2 hierboven.

5.4.2.   Omvang, prijs en marktaandeel van invoer met dumping

(97)

Bij het gebruiken van een steekproef om dumping vast te stellen, is het gebruikelijk dat de Commissie vervolgens onderzoekt of er onweerlegbaar bewijs is dat aantoont of alle ondernemingen die niet waren opgenomen in de steekproef wel of niet daadwerkelijk gebruik maakten van dumping bij het invoeren van hun producten op de communautaire markt gedurende het OT.

(98)

Voor het onderzoeken van deze kwestie heeft de Commissie de uitvoerprijzen berekend die werden gevraagd door de medewerkende producenten/exporteurs op basis van de Eurostat-gegevens, de antwoorden op de vragenlijsten van de producenten/exporteurs in de VRC die deel uitmaakten van de steekproef en de steekproefformulieren die zijn verstrekt door alle medewerkende ondernemingen in de VRC. Tegelijkertijd werd geoordeeld dat door de gemiddelde dumpingmarge vastgesteld op basis van de producenten/exporteurs in de steekproef op te tellen bij de gemiddelde uitvoerprijzen die zijn berekend voor de producenten/exporteurs waarvan is vastgesteld dat ze gebruik maken van dumping, de mate van uitvoer zonder dumping zou worden bepaald. De uitvoerprijzen die waren vastgesteld voor de producenten/exporteurs die niet deel uitmaakten van de steekproef werden vervolgens vergeleken met de uitvoerprijzen zonder dumping.

(99)

Deze prijsvergelijking toonde aan dat zowel i) de medewerkende producenten/exporteurs die niet waren opgenomen in de steekproef als ii) de exporteurs die niet meewerkten aan het onderzoek gemiddelde uitvoerprijzen hadden die in alle gevallen vielen onder de gemiddelde prijzen zonder dumping. Op basis hiervan werd geoordeeld dat alle ondernemingen die niet waren opgenomen in de steekproef, de medewerkende en de niet-medewerkende, in principe gebruik maakten van dumping bij het invoeren van hun producten op de communautaire markt.

(100)

Hierbij moet worden opgemerkt, dat bij één producent/exporteur in de VRC die was opgenomen in de steekproef, werd vastgesteld dat hij zijn producten niet met dumping naar de communautaire markt uitvoerde. Derhalve moet zijn uitvoer buiten beschouwing worden gelaten bij de analyse van de ontwikkeling van producten die met dumping zijn ingevoerd naar de communautaire markt. Om echter de mogelijkheid te voorkomen dat gevoelige bedrijfsinformatie met betrekking tot de genoemde producent bekend wordt, is besloten om uit vertrouwelijkheidsoverwegingen beschikbare gegevens, zoals van Eurostat, hier niet kenbaar te maken, met uitzondering van de gegevens van de exporteur van wie werd vastgesteld dat hij geen gebruik maakte van dumping bij het invoeren op de communautaire markt.

(101)

De eerste tabel hierna heeft derhalve betrekking op alle invoeren van kaarsen van oorsprong uit de VRC. De tweede tabel toont de geïndexeerde gegevens met betrekking tot invoer met dumping op de communautaire markt gedurende de beoordelingsperiode.

Tabel 2a

Alle invoer uit de VRC

2004

2005

2006

OT

Invoer (ton)

147 530

177 662

168 986

199 112

Index

100

120

115

135

Prijzen (euro/ton)

1 486

1 518

1 678

1 599

Index

100

102

113

108

Marktaandeel

28,9 %

32,6 %

32,5 %

34,5 %

Index

100

113

112

119

Bron: Eurostat.

(102)

Globaal gezien is de invoer uit de VRC aanzienlijk gestegen van 147 530 ton in 2004 tot 199 112 ton in het OT, d.w.z. met 35 % of met meer dan 51 000 ton gedurende de beoordelingsperiode. De groei van het bijbehorende marktaandeel (+5,6 procentpunten) was minder uitgesproken als gevolg van het toegenomen verbruik in de Gemeenschap.

(103)

Overeenkomstig de opmerkingen in overweging 96, toonde het onderzoek aan dat de gemiddelde prijs van invoer uit de VRC en de waargenomen trends tot op zekere hoogte werden beïnvloed door het feit dat bepaalde producten die zijn aangegeven als kaarsen, de waarde omvatten van sets met keramiek, glas, karton of andere verpakkingsmaterialen.

Tabel 2b

Invoer uit VRC d.m.v. dumping

2004

2005

2006

OT

Invoer (ton)

 

 

 

 

Index

100

120

115

136

Prijzen (euro/ton)

 

 

 

 

Index

100

103

114

110

Marktaandeel

 

 

 

 

Index

100

112

113

121

Bron: Eurostat en antwoorden vragenlijst.

(104)

De hoeveelheden die met behulp van dumping zijn ingevoerd vanuit de VRC stegen in de beoordelingsperiode ook aanzienlijk, nl. met 36 %. De groei van het bijbehorende marktaandeel was minder uitgesproken als gevolg van het toegenomen verbruik in de Gemeenschap. Eurostat-gegevens tonen aan dat het verkoopvolume van de invoer met dumping, en als gevolg daarvan het marktaandeel, voornamelijk groeide bij de eerste GN-code, die het kernproduct van de bedrijfstak van de Gemeenschap omvat en die een groot deel van de uitvoer uit de VRC vertegenwoordigt. Bovendien is geconstateerd dat de invoer, ondanks een algemene daling in het verbruik in de periode tussen 2005 en 2006, vrijwel niets aan marktaandeel verloor.

(105)

De gemiddelde prijzen voor invoer met dumping uit de VRC toonden een stijging van 10 % gedurende de beoordelingsperiode, maar werden nog steeds uitgevoerd met aanzienlijke dumping, namelijk gemiddeld 38 %, gedurende het OT. De gemiddelde prijs van invoer met dumping daalde met ruim 3 % tussen 2006 en het OT en, zoals hierna wordt uitgelegd, lag zodoende lager dan de prijzen die werden gevraagd door de bedrijfstak van de Gemeenschap in die periode.

5.4.3.   Prijsonderbieding

(106)

Voor de beoordeling van de prijsonderbieding werden de gewogen gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor niet-verbonden afnemers op de communautaire markt, af fabriek, per productsoort, vergeleken met de overeenkomstige gewogen gemiddelde prijzen van de betrokken invoer naar de eerste onafhankelijke afnemer, op cif-niveau, gecorrigeerd voor de kosten na invoer.

(107)

Het aldus berekende prijsverschil, uitgedrukt in procenten van de gewogen gemiddelde prijs (af fabriek) van de bedrijfstak van de Gemeenschap, dat wil zeggen de prijsonderbiedingsmarge, bedraagt gemiddeld 9 %.

(108)

Er is tevens geconstateerd dat de onderbieding van het belangrijkste product van de bedrijfstak van de Gemeenschap hoger was dan de onderbieding berekend voor andere soorten kaarsen, namelijk 12,1 %. Dit toont nogmaals de prijsdruk aan uitgeoefend door laaggeprijsde producten ingevoerd met dumping gedurende het OT op de bedrijfstak van de Gemeenschap.

5.5.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

5.5.1.   Opmerkingen vooraf

(109)

Ingevolge artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Gemeenschap een evaluatie van alle economische factoren die van invloed zijn op de beoordeling van de situatie van deze bedrijfstak van 2004 tot het einde van het OT.

(110)

Zoals vermeld in overweging 31, werd, met het oog op het groot aantal producenten dat de klacht ondersteunt, besloten een steekproef toe te passen voor het schadeonderzoek. Er werd in eerste instantie overwogen om 8 producenten of groepen producenten op grond van het criterium van het grootste productiehoeveelheden overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening te laten deelnemen aan de steekproef. Eén communautaire producent die met ernstige financiële problemen kampte, en twee andere communautaire producenten konden echter niet volledig medewerken aan het onderzoek, hoewel zij de klacht ten volle ondersteunden. De overige vijf producenten, of groepen producenten, werden daarom, zoals bepaald in artikel 17, lid 1, van de basisverordening hadden tijdens het OT een productievolume dat 44 % van de totale productie van de medewerkende bedrijven vormde en werden daarom als representatief beschouwd voor het doel van de steekproef.

(111)

Bij het toepassen van een steekproef in de context van het schadeonderzoek, is het gebruikelijk voor de Gemeenschap om de schade-indicatoren voor een deel te baseren op de producenten in de steekproef en voor een deel op de gegevens met betrekking tot alle producenten die zijn opgenomen in de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De economische factoren en indexen met betrekking tot de bedrijfsprestatie, zoals prijzen, lonen, winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen, en het vermogen om kapitaal te vergaren, zijn vastgesteld op basis van informatie van de ondernemingen in de streekproef. De volumefactoren, zoals productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad, productiviteit, verkoopvolume en marktaandeel, voorraden, werkgelegenheid, groei en de hoogte van de dumpingmarge zijn vastgesteld op het niveau van de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel.

5.5.2.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

Tabel 3

 

2004

2005

2006

OT

Productie (in ton)

224 153

229 917

212 017

229 110

Index

100

103

95

102

Productiecapaciteit (ton)

279 362

281 023

291 902

301 327

Index

100

101

104

108

Bezettingsgraad

80 %

82 %

73 %

76 %

Index

100

102

91

95

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(112)

Het onderzoek toonde aan dat een van de belangrijkste producten van de bedrijfstak van de Gemeenschap het zogenaamde waxinelichtje is. Dit neemt ongeveer 50 % van de productie van de producenten opgenomen in de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor zijn rekening.

(113)

Zoals weergegeven in de bovenstaande tabel was er voor de beoordelingsperiode sprake van een lichte stijging met 2 % in de productie van de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap. De daling in de productie van 8 % die tussen 2005 en 2006 werd waargenomen, had zich gedurende het OT hersteld in overeenstemming met een stijging van het communautair verbruik met 11 %. De bedrijfstak van de Gemeenschap breidde zijn productiecapaciteit uit tot ongeveer 300 000 ton gedurende het OT, maar de bezettingsgraad van de capaciteit was gedurende het OT lager. Gezien het feit dat de productie redelijk seizoensgebonden is in de bedrijfstak, kan er voor het hele jaar geen volledige bezettingsgraad worden bereikt voor de capaciteit, maar de bezettingsgraad van 76 % die werd bereikt gedurende het OT was relatief laag in vergelijking met 2004 en 2005.

5.5.3.   Verkoopvolume en marktaandeel

Tabel 4

Verkoopvolume

2004

2005

2006

OT

Hoeveelheid (ton)

203 388

202 993

193 524

208 475

Index

100

100

95

103

Marktaandeel

39,8 %

37,2 %

37,2 %

36,1 %

Index

100

93

93

91

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(114)

Het verkoopvolume van het betrokken product door de bedrijfstak van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers, voornamelijk grote detailhandelaren en distributeurs, steeg in vergelijking met 2004 op de communautaire markt met 3 % gedurende het OT. Overeenkomstig het relatief lage verbruiksniveau in 2006, nam het verkoopvolume tussen 2005 en 2006 af met 5 %, maar herstelde het zich gedurende het OT, in overeenstemming met het herstel van het communautaire verbruik.

(115)

Er werd echter vastgesteld dat de bedrijfstak van de Gemeenschap de uitbreiding van het communautaire verbruik met 13 % gedurende de beoordelingsperiode niet helemaal kon bijhouden, in het bijzonder in de periode 2005-2006, toen de markt groeide met 11 %. Als gevolg hiervan nam haar marktaandeel af met 3,7 procentpunten, van 39,8 % naar 36,1 %, gedurende het OT.

5.5.4.   Gemiddelde eenheidsprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(116)

De gemiddelde verkoopprijs, af fabriek, aan niet-verbonden afnemers op de communautaire markt is gedurende de beoordelingsperiode met 9 % gedaald. Deze daling vond geleidelijk plaats gedurende de beoordelingsperiode.

Tabel 5

 

2004

2005

2006

OT

Gemiddelde prijs per ton, in euro

1 613

1 565

1 496

1 460

Index

100

97

93

91

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(117)

De bovenstaande tabel geeft weer dat de prijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap ook daalde in de periode van 2006 tot het OT, ondanks een stijgende vraag op de communautaire markt.

5.5.5.   Voorraden

(118)

De omvang van de eindejaarsvoorraden, gemiddeld 25 % van de productie, kan als hoog worden beschouwd gedurende de beoordelingsperiode.

Tabel 6

 

2004

2005

2006

OT

Voorraden

52 742

76 643

53 814

56 189

Index

100

145

102

107

Voorraden in % van productie

25 %

33 %

25 %

24 %

Index

100

132

100

96

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(119)

De grote voorraad kan echter worden verklaard door de seizoensgebondenheid van het betrokken product, het feit dat de soorten die door de bedrijfstak van de Gemeenschap worden geproduceerd vooral standaardsoorten zijn en vanwege het ruime assortiment aan bestaande producten, dat beschikbaar moet blijven voor afnemers. De omvang van de voorraad was nog groter in 2005 toen, op basis van de negatieve ontwikkeling van het verkoopvolume in vergelijking met 2004, meer voorraad was opgebouwd gedurende het jaar. De afname van de verkoop aan het eind van 2005 resulteerde vervolgens in grote voorraden. De voorraden worden echter in dit geval niet als een relevante schade-indicator beschouwd.

5.5.6.   Werkgelegenheid, lonen en productiviteit

Tabel 7

 

2004

2005

2006

OT

Werkgelegenheid — fulltime-equivalent (fte)

5 418

5 686

5 089

4 699

Index

100

105

94

87

Arbeidskosten (euro/fte)

19 404

16 568

19 956

21 073

Index

100

85

103

109

Productiviteit (ton/fte)

52

49

57

64

Index

100

94

110

123

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(120)

De relatief hoge werkgelegenheid in 2005 was voornamelijk het gevolg van het aannemen van tijdelijke krachten om de toegenomen vraag in dat jaar aan te kunnen. De werkgelegenheid nam echter aanzienlijk af sinds 2006 en aan het einde van het OT lag ze 13 % lager dan in 2004. De stijging van de gemiddelde arbeidskosten bleef gedurende de beoordelingsperiode beperkt tot 9 %.

(121)

De stijging van het aantal arbeidskrachten veroorzaakte een lichte daling van de productiviteit in 2005, maar door het afvloeien van de arbeidskrachten in 2006 steeg de productiviteit, ondanks dat de productievolumes tussen 2005 en 2006 afnamen met 8 %. De combinatie van grotere verkoop- en productievolumes, en in het bijzonder de daling in de werkgelegenheid, verklaart de stijging van 23 % wat betreft de productie gedurende het OT, in vergelijking met 2004.

5.5.7.   Productiekosten

Tabel 8

 

2004

2005

2006

OT

Totale productiekosten (euro/ton)

1 502

1 468

1 695

1 468

Index

100

98

113

98

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(122)

Er wordt op gewezen dat de grondstoffen, voornamelijk paraffine, ongeveer 50 % van de productiekosten vertegenwoordigen. De bovenstaande tabel laat zien dat, 2006 uitgezonderd, de productiekosten stabiel bleven gedurende de beoordelingsperiode. De stijging in 2006 kan worden verklaard door de aanzienlijke stijging in paraffineprijzen tussen 2005 en 2006. De bedrijfstak van de Gemeenschap probeerde het hoofd te bieden aan deze plotselinge stijging van de paraffineprijs door, waar technisch gezien mogelijk, paraffine te vervangen door stearine. De stearineprijzen bleven inderdaad stabieler tot 2006 en waren zelfs gedurende het OT lager dan de paraffineprijzen.

(123)

Bovendien toonde het onderzoek aan dat de bedrijfstak van de Gemeenschap haar productie, die deels was verschoven naar lidstaten van de Europese Gemeenschap, efficiënter inrichtte en tegelijkertijd haar werkgelegenheid moest inkrimpen, in het bijzonder vanaf 2006, om de kosten te verlagen.

(124)

De combinatie van al deze factoren leidde tot een situatie waarin de bedrijfstak van de Gemeenschap de productiekosten gedurende het OT ongeveer gelijk wist te houden aan die van 2004.

5.5.8.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en het vermogen om kapitaal aan te trekken

Tabel 9

 

2004

2005

2006

OT

Winstgevendheid

6,9 %

6,2 %

–13,3 %

–0,6 %

Index

100

90

– 193

–9

Kasstroom (in 1 000 euro)

16 215

13 732

–4 618

3 093

Index

100

85

–28

19

Investeringen (in 1 000 euro)

5 435

8 876

12 058

7 326

Index

100

163

222

135

Rendement van de investeringen

5,7 %

4,9 %

–10,7 %

–0,1 %

Index

100

86

– 188

–2

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(125)

De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap werd vastgesteld door de nettowinst voor belasting van de verkoop van het soortgelijk product uit te drukken in procenten van de met deze verkoop behaalde omzet. Tijdens de beoordelingsperiode daalde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap van een plus van 6,9 % in 2004 tot een min van 0,6 % gedurende het OT. Hoewel de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2004 winstgevend was en ook 2005 een goed jaar was, veranderde de situatie drastisch in 2006 als gevolg van een combinatie van factoren zoals de stijging in de productiekosten en een daling van de verkoopprijzen. De gemiddelde verkoopprijs daalde verder gedurende het OT, toch zorgde de verlaging van de productiekosten ervoor dat het resultaat voor die periode haast kostendekkend was.

(126)

De trend van de kasstroom, die het vermogen van de bedrijfstak om haar activiteiten zelf te financieren weergeeft, weerspiegelt in grote mate de ontwikkeling van winstgevendheid. Hoewel de kasstroom weer positief werd gedurende het OT, was deze nog steeds veel lager dan in 2004 en 2005. Hetzelfde kan worden gezegd van het rendement van investeringen die zowel in 2006 als gedurende het OT negatief was.

(127)

Ondanks de moeilijke situatie bleef de bedrijfstak van de Gemeenschap investeren in de beoordelingsperiode. Dit wijst erop dat de bedrijfstak nog niet bereid is om de productie op te geven, maar de sector levensvatbaar acht. De hoeveelheid investeringen geeft aan dat de sector over het vermogen beschikt om het benodigde kapitaal aan te trekken.

5.5.9.   Groei

(128)

De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap tussen 2004 en het OT op de communautaire markt steeg met 3 %, maar de bedrijfstak van de Gemeenschap kon de uitbreiding van het verbruik in de Gemeenschap die 13 % bereikte, niet volgen. Daardoor daalde het marktaandeel met bijna 3,7 procentpunt.

5.5.10.   De hoogte van de werkelijke dumpingmarge

(129)

Eén producent die deel uitmaakte van de steekproef in de VRC die een beperkt exportvolume vertegenwoordigde, bleek zijn producten niet op de communautaire markt te dumpen. Voor alle andere producenten/exporteurs uit de steekproef liggen de in de overwegingen 84 tot en met 89 hierboven gespecificeerde dumpingmarges aanzienlijk boven het minimum. Zoals uitgelegd in overweging 99 werden alle andere producenten/exporteurs in de VRC die niet zijn opgenomen in de steekproef, medewerkend en niet-medewerkend, verondersteld te dumpen op de communautaire markt. Gegeven de volumes en de prijzen van de invoer met dumping, kan de invloed van de werkelijke dumpingmarge, vastgesteld op gemiddeld 48 %, niet als verwaarloosbaar worden beschouwd.

5.6.   Conclusie inzake schade

(130)

Over de beoordelingsperiode werd vastgesteld dat de prestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap verbeterden met betrekking tot een aantal volume-indicatoren zoals productie (+ 2 %), productiecapaciteit (+ 8 %), productiviteit (+ 23 %) en verkoopvolume (+ 3 %).

(131)

Echter, alle indicatoren gerelateerd aan de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap verslechterden aanzienlijk tijdens de beoordelingsperiode. Niettegenstaande het vermogen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om kapitaal te genereren voor investeringen, werd het rendement negatief in het OT en daalde de kasstroom met 81 % over de beoordelingsperiode. De gemiddelde verkoopprijzen daalden met 9 % en de winstgevendheid daalde van bijna 6,9 % in 2004 tot een verlies van 0,6 % tijdens het OT.

(132)

Bovendien ontwikkelden zich ook andere schade-indicatoren met betrekking tot de bedrijfstak van de Gemeenschap negatief tijdens de beoordelingsperiode: Het capaciteitsgebruik daalde met 4 %, de voorraden stegen met 7 % en de werkgelegenheid daalde met 13 %. Het marktaandeel dat in handen is van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde ook van 39,8 % in 2004 tot 36,1 %, namelijk met 3,7 procentpunt. De bedrijfstak van de Gemeenschap profiteerde niet van de 13 % marktstijging omdat het zijn verkoopvolume met niet meer dan 3 % kon verhogen.

(133)

De analyse van de kosten, waaronder grondstoffen, toonde dat ondanks een sterke stijging van de prijs van de belangrijkste grondstoffen de bedrijfstak van de Gemeenschap erin slaagde om de kostprijs per eenheid in het OT op het niveau van 2004-2005 te houden. Echter, ondanks een 11 % stijging van de vraag tussen 2006 en het OT, daalden de verkoopprijzen met 3 % en daalde de werkgelegenheid zeer sterk. De winstgevendheid bleef negatief tijdens het OT.

(134)

Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.

6.   OORZAKELIJK VERBAND

6.1.   Inleiding

(135)

Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping van kaarsen van oorsprong uit de VRC zodanige schade heeft geleden dat deze als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap tezelfdertijd schade kon hebben geleden, werden eveneens onderzocht, zodat mogelijke schade door deze andere factoren niet aan de invoer met dumping zou worden toegeschreven.

6.2.   Gevolgen van de invoer met dumping

(136)

Uit het onderzoek bleek dat de uit de VRC naar de Gemeenschap uitgevoerde kaarsen tijdens het OT op de communautaire markt werden verkocht tegen aanzienlijke dumpingprijzen. Zoals genoemd in overweging 129, werd vastgesteld dat de samenwerkende producenten/exporteurs in de VRC het desbetreffende product verkochten met een gemiddelde dumpingmarge van 26,2 %. Ook moet worden aangegeven dat circa 55 % van de Chinese exporteurs niet meewerkte aan het onderzoek. Er is onweerlegbaar bewijs dat aantoont dat deze exporteurs meer dumpten dan degenen die meewerkten bij het onderzoek.

(137)

De invoer met dumping steeg in volume met 36 % op de communautaire markt tijdens de beoordelingsperiode. Deze stijging vond plaats met aanzienlijke dumpingprijzen die een onderbieding met gemiddeld 9 % betekenden vergeleken met de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het OT. Zoals hierboven in overweging 108 uitgelegd, bleek uit het onderzoek dat prijsonderbieding door invoer met dumping nog duidelijker was, namelijk 12,1 % in het kernmarktsegment van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Dienovereenkomstig steeg het marktaandeel van exporteurs die dumpingpraktijken toepasten van circa 27,5 % naar circa 33 %, een stijging van meer dan 5 procentpunten tijdens het OT.

(138)

Op basis van de statistische gegevens van Eurostat i.v.m. de import lijkt het alsof invoer met dumping relatief meer steeg in de categorieën die de kernproducten omvatten die worden geproduceerd en verkocht door de bedrijfstak van de Gemeenschap. Invoer met dumping in dit segment van de markt steeg met 46 % en circa 3,5 procentpunten aan marktaandeel werden gewonnen door invoer met dumping in dat segment. Deze ontwikkeling moet worden gezien in het licht van de algehele aanzienlijke prijsonderbieding en prijsdruk uitgevoerd door invoer met dumping op de communautaire markt.

(139)

Tegelijkertijd steeg het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap met slechts 3 %, in weerwil van een totale stijging van het verbruik met 13 %. Dienovereenkomstig daalde het marktaandeel gedurende de beoordelingsperiode van 39,8 % naar 36,1 %, d.i. een vermindering van het marktaandeel met 3,7 procentpunten.

(140)

Bovendien werd waargenomen dat in 2006 de prestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het bijzonder negatief waren omdat aanzienlijke verliezen werden geleden in vergelijking met 2005. Deze situatie viel samen met de voortdurende aanwezigheid van hoge volumes laaggeprijsde import uit de VRC op de communautaire markt en een 5 % daling van het verbruik in de Gemeenschap. Het totale verkoopvolume van de Gemeenschap daalde in hetzelfde tempo als invoer met dumping, terwijl de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 5 % daalden om het prijsniveau van invoer met dumping te kunnen volgen.

(141)

Als wij kijken naar de periode van 2006 tot het eind van het OT, blijkt dat het verbruik met 11 % is gestegen. De bedrijfstak van de Gemeenschap slaagde erin zijn verkoopvolume met 8 % te verhogen, maar de invoer met dumping steeg in totaal aanzienlijk meer (+ 18 %). Tegelijkertijd daalden de prijzen van invoer met dumping met meer dan 3 %. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon niet profiteren van de groei van de markt en van de verminderde productiekosten. In plaats daarvan moest de dalende trend van de verkoopprijs worden gevolgd en daalden de prijzen verder met 2,5 % tijdens het OT, waardoor nog verdere verliezen werden toegevoegd aan de in 2006 gelden verliezen.

(142)

Overwogen wordt dat de voortdurende druk uitgevoerd door laaggeprijsde invoer met dumping op de communautaire markt de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in staat stelde om de prijzen in lijn te brengen met hun kosten tijdens het OT. Dit verklaart het verlies van marktaandeel, het lage niveau van de verkoopprijzen en van de negatieve winstgevendheid behaald door de bedrijfstak van de Gemeenschap in die periode. De voorlopige conclusie luidt dan ook dat de laaggeprijsde invoer met dumping vanuit de VRC een aanzienlijke negatieve invloed had op de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het OT.

6.3.   Gevolgen van andere factoren

6.3.1.   Ontwikkeling van de vraag

(143)

Zoals vermeld in overweging 94, steeg het verbruik van kaarsen in de Gemeenschap met 13 % tussen 2004 en het OT. Daar dit de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat stelde om te opereren op een zich uitbreidende markt, kan de aanzienlijke schade geleden door de bedrijfstak van de Gemeenschap niet worden toegeschreven aan de ontwikkeling van het verbruik op de communautaire markt.

6.3.2.   Invoer zonder dumping

(144)

Uit het onderzoek bleek dat de invoer zonder dumping op de communautaire markt voor een relatief hoge prijs werd verkocht. Dienovereenkomstig werd overwogen dat deze import niet bijdroeg aan het lage niveau van de verkoopprijzen en de schade geleden door de bedrijfstak van de Gemeenschap.

6.3.3.   Invoer uit andere derde landen

(145)

De trends in invoervolumes en prijzen uit andere derde landen tussen 2004 en het OT waren als volgt:

Tabel 10

Andere derde landen

2004

2005

2006

OT

Totale invoer (ton)

18 189

19 723

18 031

19 447

Index

100

108

99

107

Marktaandeel

3,6 %

3,6 %

3,5 %

3,4 %

Index

100

100

97

94

Prijs (euro/ton)

2 643

2 690

3 028

3 207

Index

100

102

115

121

Bron: Eurostat.

(146)

De invoervolumes van derde landen die niet het voorwerp waren van dit onderzoek, stegen met 7 % gedurende de beoordelingsperiode maar bleven tijdens het OT op een bescheiden niveau. Deze bestaan waarschijnlijk hoofdzakelijk uit nicheproducten met een hoge waarde, ingevoerd uit de Verenigde Staten van Amerika („VS”). Het feit dat de stijging van het verbruik in de Gemeenschap meer uitgesproken was, leidde tot een verlies van marktaandeel van 0,2 procentpunt tijdens het OT. De prijzen van deze invoer die relatief hoog waren tijdens de beoordelingsperiode stegen met 21 % gedurende die periode.

(147)

Op basis van het bovenstaande werd voorlopig geconcludeerd dat deze invoer niet bijdroeg aan de aanzienlijke schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

6.3.4.   Producenten in de Gemeenschap die niet zijn opgenomen in de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(148)

Zoals geopperd in overweging 91 hierboven geeft de informatie die beschikbaar is over de markt voor kaarsen in de Gemeenschap aan dat producenten die circa 40 % vertegenwoordigen van de productie van de Gemeenschap niet zijn opgenomen in de definitie van bedrijfstak van de Gemeenschap in dit onderzoek.

(149)

Bepaalde producenten in de Gemeenschap, die circa 17 % vertegenwoordigen van de productie in de Gemeenschap, waren tegen het starten van het onderzoek omdat de meeste van hen relatief grote hoeveelheden kaarsen uit de VRC invoerden. De invloed van hun import uit de VRC is in aanmerking genomen in de analyse van het effect van invoer met dumping uit de VRC in de overwegingen 136 tot en met 142. De overige communautaire producenten, die 23 % vertegenwoordigen van de communautaire productie, bewaarden het stilzwijgen over of stonden neutraal tegenover het starten van het onderhavige onderzoek.

(150)

De analyse van gegevens met betrekking tot de communautaire markt duidde erop dat alle andere communautaire producenten marktaandeel verloren in plaats van wonnen op de verkoop van hun eigen productie tijdens de beoordelingsperiode. Het onderzoek wees niet op specifieke problemen betreffende de concurrentie tussen communautaire producenten op de zelf geproduceerde kaarsen of op enig handelverstorend effect dat een verklaring zou kunnen zijn voor de aanmerkelijke schade geconstateerd voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(151)

Op basis van het bovenstaande werd voorlopig geconcludeerd dat de producenten die niet zijn opgenomen in de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap geen bijdrage leverden aan de schade geleden door de bedrijfstak van de Gemeenschap.

6.3.5.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(152)

Op basis van gegevens van Eurostat en de antwoorden op de vragenlijst van de communautaire producenten in de steekproef, steeg de totale uitvoer van kaarsen buiten de Gemeenschap door de communautaire producenten met 10 % gedurende de beoordelingsperiode, namelijk van 47 701 ton in 2004 tot 52 565 ton tijdens het OT. De belangrijkste uitvoermarkten zijn Noorwegen, Zwitserland en de VS, waar de prijsniveaus in het algemeen relatief hoog zijn. Uit het onderzoek bleek dat de bedrijfstak van de Gemeenschap erin slaagde om zijn uitvoer naar derde landen te verhogen, met name tussen 2005 en 2006, toen het verbruik in de Gemeenschap met 5 % daalde. Deze relatief goede uitvoerprestatie was met name een voordeel tijdens het OT.

(153)

Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet heeft bijgedragen aan de schade geleden door die bedrijfstak in het OT.

6.3.6.   Invoer van kaarsen door de bedrijfstak van de Gemeenschap

(154)

Een aantal belanghebbenden heeft geclaimd dat de invoer van kaarsen uit de VRC door de bedrijfstak van de Gemeenschap een bron was van zichzelf toegebrachte schade.

(155)

Uit het onderzoek bleek dat een aantal producenten ingevoerde kaarsen van oorsprong uit de VRC opnamen in de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap om hun productassortiment aan te vullen. Echter, de aankopen gedaan tijdens het OT bleken laag te zijn, namelijk minder dan 5 %, vergeleken met het verkoopvolume van de betrokken communautaire producenten.

(156)

Op die basis werd voorlopig geconcludeerd dat de invoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap van het betrokken product uit de VRC niet heeft bijgedragen aan de aanmerkelijke schade die werd geleden tijdens het OT.

6.3.7.   Verplaatsing van de productie door de bedrijfstak van de Gemeenschap

(157)

Bepaalde belanghebbenden schreven de verliezen van capaciteitsgebruik en marktaandeel geleden door de bedrijfstak van de Gemeenschap toe aan het feit dat zij een deel van hun productie hebben verplaatst naar andere lidstaten in de Gemeenschap, met name in 2006. Bovendien schreven zij de daling in verkoopprijzen toe aan de voorwaarden die in deze lidstaat gelden waar kennelijk meer druk aanwezig is op de verkoopprijzen.

(158)

Uit het onderzoek bleek dat de productiecapaciteit van de Gemeenschap niet daalde maar gelijkmatig steeg met 8 % tijdens de beoordelingsperiode. Bovendien werd vastgesteld dat de belangrijkste stijgingen werden waargenomen in de perioden beginnend in 2006 en tijdens het OT. Ten slotte werd ook vastgesteld dat zowel het productie- als het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg met 8 % tussen 2006 en het OT. Dienovereenkomstig wordt het argument tegengesproken door de bevindingen van het onderzoek die aantoonden dat er sprake was van een stijging in productiecapaciteit, productie en voorraden. Zoals vermeld in overweging 115 was het verlies aan marktaandeel geleden door de bedrijfstak van de Gemeenschap te wijten aan het feit dat deze niet volledig kon profiteren van de groei van de markt die in die periode optrad.

(159)

Bovendien werd aangegeven in de overwegingen 122 tot en met 124 dat de herstructureringsmaatregelen uitgevoerd door de bedrijfstak van de Gemeenschap met name in 2006 leidden tot een aanzienlijke daling met 14 % van haar gemiddelde productiekosten, met name tijdens het OT. Er is geen aanwijzing in het onderzoek dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk zijn mix van klanten in de Gemeenschap heeft gewijzigd, zoals de partijen in kwestie beweren. In plaats daarvan lijkt de prijsdruk als gevolg van de laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC tot een laag prijsniveau voor kaarsen op de communautaire markt te hebben geleid.

(160)

Op die basis wees het onderzoek niet op een koppeling tussen de verplaatsing van de productie ondernomen door de bedrijfstak van de Gemeenschap en de aanmerkelijke schade geleden tijdens het OT.

6.3.8.   Effect van het bestaan van een kartel onder Europese paraffinewasproducenten

(161)

Bepaalde partijen claimden dat de schade geleden door de bedrijfstak van de Gemeenschap werd veroorzaakt door de prijsstijging van een belangrijke grondstof, namelijk paraffine, die optrad op de communautaire markt. Meer specifiek verwezen zij naar een mededeling van punten van bezwaar van het directoraat-generaal Concurrentie van de Europese Commissie („DG Concurrentie”) waarin werd beweerd dat sprake was van een kartel onder Europese paraffinewasproducenten tot begin 2005. Dienovereenkomstig vroegen de partijen de Gemeenschap om zorgvuldig onderzoek te doen naar de feiten en eventuele nieuwe ontwikkelingen te volgen in verband met de invloed van het kartel op de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(162)

Uit het onderzoek bleek dat de stijging van de prijs van paraffine niet alleen invloed had op de communautaire markt maar ook op andere markten in de wereld omdat de ontwikkeling van paraffine, een oliederivaat, nauw is gekoppeld aan de ontwikkeling van de olieprijs.

(163)

Bovendien slaagde, zoals uitgelegd in overwegingen 122 tot en met 124 de bedrijfstak van de Gemeenschap erin om haar kosten tijdens het OT in de hand te houden. De stijging van de paraffineprijs werd tenietgedaan door de vervanging van paraffine door stearine. De bedrijfstak van de Gemeenschap rationaliseerde ook haar productie en slaagde erin haar kosten aanzienlijk te verlagen die tijdens het OT op niveaus werden gehouden die vergelijkbaar waren met 2004 en 2005.

(164)

DG Concurrentie heeft inderdaad een onderzoek uitgevoerd naar het beweerde bestaan van een kartel tussen bepaalde producenten van paraffinewas, de belangrijkste grondstof voor de kaarsenindustrie in de Gemeenschap, en begin oktober 2008 officieel haar bevindingen bekendgemaakt.

(165)

Een eerste analyse van deze bevindingen in relatie tot het huidige antidumpingonderzoek geeft aan dat de bedrijfstak van de Gemeenschap ongeveer een derde van haar paraffinebehoeften heeft verkregen uit deelname aan het kartel tijdens het OT, namelijk in 2007. De gegevens geverifieerd tijdens die periode tonen dat de gemiddelde prijs van paraffine gekocht van bedrijven die deelnamen aan het kartel op hetzelfde niveau ligt als de prijzen van paraffine die is gekocht bij andere leveranciers in de Gemeenschap. Ook wordt erop gewezen dat de prijzen van paraffine gekocht door de bedrijfstak van de Gemeenschap in overeenstemming bleken te zijn met de prijzen van paraffine in de VRC, de enige informatie over niet-EU-prijzen die in dit stadium van het onderzoek beschikbaar is.

(166)

DG Concurrentie begon met zijn onderzoek begin april 2005 en de beoordelingsperiode voor het huidige onderzoek omvatte iets meer dan een jaar, in welke periode het kartel bleek te bestaan. Daarom kon worden gesteld dat het jaar 2004 niet geschikt of representatief is voor de analyse van schade en oorzakelijk verband op grond van het bestaan van een kartel in dat jaar.

(167)

Overwegende dat het niet onredelijk is om aan te nemen dat het kartel ophield te bestaan toen het onderzoek van DG Concurrentie begon, namelijk begin 2005, werden de trends betreffende de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap toen het kartel nog bestond, namelijk in 2004, en daarna toen het kartel ophield te bestaan, namelijk in 2005, vergeleken. Deze vergelijking geeft aan dat de trends betreffende het schadebeeld van de bedrijfstak van de Gemeenschap ongeveer hetzelfde blijven. Rekening houdend met de ontwikkelingen van de schade-indicatoren tussen 2005 en het OT zou daarom het schadebeeld en de conclusies getrokken in overwegingen 130 tot en met 134 niet veranderen.

(168)

Dienovereenkomstig lijkt het, op basis van de informatie die momenteel beschikbaar is, dat sprake is van stijging van de kosten van grondstoffen en dat het kartel geen aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap die diepgaand werd onderzocht van 2004 tot eind 2007.

(169)

De mogelijke invloed die het kartel zou kunnen hebben op de communautaire markt zal niettemin verder worden onderzocht in de rest van het onderzoek.

6.4.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(170)

De bovenstaande analyse heeft aangetoond dat er sprake was van een aanzienlijke stijging in het volume en het marktaandeel van laaggeprijsde invoer met dumping met oorsprong uit de VRC tussen 2004 en het OT. Bovendien werd vastgesteld dat deze invoer plaatsvond tegen aanzienlijke dumpingprijzen die ver beneden de prijzen lagen die worden berekend door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt voor soortgelijke producttypen.

(171)

Deze stijging in volume en marktaandeel van de laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC viel samen met een algehele stijging van de vraag in de Gemeenschap maar ook met een negatieve ontwikkeling van de verkoopprijzen, een aanzienlijke daling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap en een verslechtering van de belangrijkste indicatoren met betrekking tot haar economische situatie tijdens het OT. De bedrijfstak van de Gemeenschap leed aanzienlijke verliezen in 2006 en bleef verlies lijden tijdens het OT.

(172)

Het onderzoek van de andere bekende factoren die schade hadden kunnen veroorzaken aan de bedrijfstak van de Gemeenschap wees uit dat geen daarvan een aanzienlijk effect had kunnen hebben op die bedrijfstak, met name tijdens het OT.

(173)

Op grond van bovenstaande analyse, waarbij de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden onderscheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, is de voorlopige conclusie dat de invoer met dumping uit de betrokken landen de oorzaak is van de aanmerkelijke schade die de Gemeenschap heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening.

7.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

7.1.   Opmerkingen vooraf

(174)

Ingevolge artikel 21 van de basisverordening werd nagegaan of er ondanks de conclusie inzake schade veroorzakende dumping dwingende redenen waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Gemeenschap was in dit bijzondere geval voorlopige antidumpingmaatregelen te nemen. Het belang van de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van een afweging van de belangen van alle betrokkenen, d.w.z. de bedrijfstak van de Gemeenschap, de grondstoffenleveranciers, de importeurs en de gebruikers van het betrokken product.

7.2.   Bedrijfstak van de Gemeenschap

(175)

De bedrijfstak van de Gemeenschap bestaat uit talrijke kleine en middelgrote producenten die overal in de Gemeenschap zijn gevestigd en rechtstreeks rond de 5 000 mensen in dienst hebben en hun meeste grondstoffen betrekken van communautaire leveranciers. Dit betekent dat er veel bedrijven in de Gemeenschap zijn die van deze bedrijfstak afhankelijk zijn. Dit verbreedt de economische implicatie van de kaarsenbedrijfstak en met name de invloed daarvan op de werkgelegenheid in de Gemeenschap.

(176)

De bedrijfstak van de Gemeenschap is zich blijven inzetten voor het verkrijgen van kapitaal en het investeren in modernisering en automatisering van productieprocessen om concurrerend te blijven. Ook werd waargenomen dat aanzienlijke inspanningen werden gedaan om de productie te herstructureren en de kosten te verlagen. Daaruit blijkt dat de bedrijfstak veelzijdig is en nog niet toe aan het staken van de productie.

(177)

Overwogen wordt dat het niet opleggen van voorlopige antidumpingmaatregelen zou leiden tot een verdere verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, wat een ondermijning zou betekenen van de inspanningen die de afgelopen jaren zijn gedaan, met name de investeringen. Op korte termijn zou dit bedrijfssluitingen impliceren, niet alleen in de kaarsenbedrijfstak maar waarschijnlijk ook in de upstream-bedrijfstak, hetgeen zou leiden tot ontslagen in de Gemeenschap.

(178)

Verwacht wordt dat na het instellen van voorlopige antidumpingrechten het prijsniveau van kaarsen op de communautaire markt zou stijgen en een herstel mogelijk zou maken van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Een prijsstijging van 7 % zou voldoende zijn om te zorgen dat deze bedrijfstak snel een aanvaardbaar niveau van winstgevendheid zou bereiken. Bovendien zullen de voorgestelde maatregelen zeer waarschijnlijk de bedrijfstak van de Gemeenschap in een positie plaatsen waarin deze ten minste een deel van haar verloren marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode kan terugwinnen met een verdere positieve invloed op haar economische situatie en winstgevendheid.

7.3.   Importeurs

(179)

Op de vragenlijst van de importeurs werden in totaal zes antwoorden ontvangen, waarvan er slechts twee zouden kunnen worden beschouwd als belangrijk voor het doel van de analyse van het belang van de Gemeenschap.

(180)

De twee importeurs die bruikbare antwoorden gaven en medewerking verleenden aan het onderzoek waren tegen het opleggen van antidumpingmaatregelen. Deze importeurs maakten circa 3 % uit van de totale invoer van kaarsen uit de VRC naar de Gemeenschap en 1 % van het verbruik van kaarsen in de Gemeenschap tijdens het OT. De omzet met betrekking tot de handel in kaarsen komt overeen met 3,4 % van de activiteit van de bedrijven.

(181)

Vastgesteld werd dat de brutomarge gerealiseerd door deze importeurs op kaarsen gekocht in de VRC tijdens het OT tussen 15 en 25 % lag omdat zij voornamelijk worden verkocht aan distributeurs op de communautaire markt. De directe invloed van de invoering van voorlopige antidumpingmaatregelen zou dus niet verwaarloosbaar kunnen zijn voor deze twee medewerkende importeurs als zij het mogelijke effect van maatregelen niet kunnen doorberekenen aan hun klanten. Uit het onderzoek bleek dat de prijzen voor kaarsen voor grote klanten zoals distributeurs relatief onder druk stonden tijdens het OT maar dat detailhandelaars comfortabele brutomarges bereikten, zelfs op de wederverkoop van basisproducten. Op die basis wordt geconcludeerd dat ten minste een deel van een inkoopprijsstijging als gevolg van antidumpingmaatregelen zou kunnen worden doorgegeven aan de volgende stap van de distributieketen tot het niveau van de detailhandelaars.

(182)

Gezien het kleine aandeel dat de kaarsenhandel vormt van de omzet van de samenwerkende importeurs, d.w.z. slechts 3,4 %, en de waarschijnlijkheid dat de importeurs in staat zouden zijn om ten minste een deel van prijsstijgingen door te geven naar verderop in de distributieketen, wordt er voorlopig van uitgegaan dat de invloed van de voorlopige maatregelen op hun financiële situatie niet significant zal zijn.

(183)

Grote detailhandelsgroepen, die grote hoeveelheden kaarsen invoeren tijdens het OT hebben hetzij niet aangeboden om samen te werken hetzij antwoorden gegeven die geen betekenis hadden voor de analyse van het belang van de Gemeenschap. Het was daarom niet mogelijk om nauwkeurig te bepalen wat het totale effect is van de voorgestelde antidumpingmaatregelen op de winstgevendheid van deze groepen op basis van geverifieerde gegevens.

(184)

De Commissie heeft echter, ondanks het gebrek aan medewerking van deze partijen openbaar beschikbare informatie doorzocht met betrekking tot de detailhandelsprijzen van kaarsen en, met name, voor waxinelichtjes, en een beoordeling gedaan betreffende de mogelijke invloed die de voorlopige antidumpingmaatregelen zouden kunnen hebben op detailhandelaars. Waxinelichtjes maakten een groot deel uit van zowel de uitvoer vanuit de VRC als de verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het OT. Vervolgens werden de gemiddelde te betalen rechten op invoer van kaarsen ingevoerd uit de VRC vergeleken, alsmede de mogelijke prijsstijging voor waxinelichtjes geproduceerd door de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(185)

Op basis van openbare informatie werd vastgesteld dat grote detailhandelaars in hun handel in kaarsen comfortabele winstmarges bereiken van meerdere honderden procenten. In praktische termen betekent dit dat voor een pak eenvoudige kaarsen verkocht voor een geïndexeerde detailhandelsprijs van 100 aan consumenten de brutomarge van detailhandelaars niet minder zou kunnen zijn dan een index van 70. Op basis van geverifieerde gegevens zou de geïndexeerde prijs voor dezelfde verpakking ingevoerd uit de VRC 30 bedragen en de oplegging van voorlopige antidumpingmaatregelen zou leiden tot een geïndexeerd recht van 4, waarbij rekening wordt gehouden met het respectieve marktaandeel van de invoer met dumping.

(186)

Als de grote detailhandelaars dezelfde verpakking kaarsen rechtstreeks zouden kopen bij de bedrijfstak van de Gemeenschap, zou hun brutomarge hoog blijven, zelfs als de prijsstijging genoemd in overweging 178 tot stand zou komen. De inkoopprijs van de verpakking in een geïndexeerde vorm zou rond de 35 liggen voor de detailhandelaars.

(187)

Deze analyse leidt tot de conclusie dat de eventuele invloed die de voorlopige maatregelen zouden kunnen hebben op de detailhandelsbedrijven zeer beperkt zou zijn. Er zijn indicaties dat zij zelfs de meeste van de voorgestelde maatregelen zouden kunnen opvangen zonder deze door te geven aan de consumenten en zonder dat sprake is van aanzienlijke invloed op hun winstmarge.

(188)

In deze omstandigheden werd voorlopig geconcludeerd dat, gezien de verstrekte informatie, antidumpingmaatregelen hoogstwaarschijnlijk geen aanmerkelijke gevolgen zullen hebben voor de importeurs.

7.4.   Consumenten

(189)

Hoewel kaarsen een typisch consumentenproduct zijn, werd geen medewerking verkregen van verenigingen die de belangen van de consument vertegenwoordigen. De mogelijke invloed die de voorlopige antidumpingmaatregelen zouden kunnen hebben op consumenten in de Gemeenschap werd niettemin onderzocht in het licht van gegevens verzameld voor de grote detailhandelsgroepen in de Gemeenschap.

(190)

Zoals verklaard in de overwegingen 185 en 186 bereiken de detailhandelaars en met name de grote detailhandelsgroepen dermate hoge bruto marges dat deze op een niveau liggen waarop zij in staat zouden moeten zijn om de voorlopige antidumpingmaatregelen op te vangen zonder prijsverhogingen door te berekenen aan de consument.

(191)

In deze omstandigheden werd voorlopig geconcludeerd dat er geen sprake van aanzienlijk effect voor de consument hoeft te zijn.

7.5.   Leveranciers van grondstoffen

(192)

Eén leverancier van paraffinewas meldde zich en antwoordde op de vragenlijst bestemd voor leveranciers van grondstoffen gebruikt bij de kaarsenproductie. Paraffine kan tot 50 % vertegenwoordigen van de productiekosten van het desbetreffende product.

(193)

Zoals vermeld in overweging 175 is het waarschijnlijk dat de toekomstige situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap een positieve invloed heeft op de leveranciers van grondstoffen. Voorlopig wordt geconcludeerd dat de oplegging van antidumpingmaatregelen niet ingaat tegen het belang van de leveranciers van grondstoffen.

7.6.   Verstoring van concurrentie en handel

(194)

Indien antidumpingmaatregelen worden ingesteld, zullen de betrokken Chinese producenten/exporteurs gezien hun sterke marktpositie hun producten waarschijnlijk blijven verkopen op de communautaire markt, zij het niet langer tegen dumpingprijzen. Gegeven het grote aantal communautaire en Chinese producenten is het ook waarschijnlijk dat er nog een voldoende aantal belangrijke concurrenten overblijft op de communautaire markt. Het is daarom waarschijnlijk dat importeurs handelaars, distributeurs of detailhandelaars zijn en de consumenten dus kunnen blijven kiezen tussen verschillende leveranciers van kaarsen.

(195)

Indien echter geen maatregelen zouden worden opgelegd, zou de toekomst van de bedrijfstak van de Gemeenschap, die een belangrijk marktaandeel had, op het spel staan op de korte en middellange termijn. Het toestaan van invoer met dumping vanuit de VRC naar de communautaire markt zonder correctie van de handelverstorende effecten zou kunnen leiden tot het verdwijnen van een groot aantal communautaire producenten en daardoor minder keus voor de verschillende marktdeelnemers, verminderde concurrentie en verlies van een belangrijk aantal banen op de communautaire markt.

7.7.   Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap

(196)

Gezien het voorgaande wordt voorlopig geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om in dit geval geen antidumpingrechten in te stellen.

8.   VOORSTEL VOOR VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

8.1.   Schademarge

(197)

Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap dienen voorlopige antidumpingmaatregelen te worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog meer schade lijdt door invoer met dumping.

(198)

Bij de vaststelling van de hoogte van het recht werd rekening gehouden met de vastgestelde dumpingmarges en met het bedrag van het recht dat nodig is om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade op te heffen.

(199)

Op basis van de onderzoeksgegevens wordt geconcludeerd dat de winst die zou kunnen worden bereikt in afwezigheid van invoer met dumping gebaseerd zou moeten zijn op de jaren 2004 en 2005, toen de bedrijfstak van de Gemeenschap erin slaagde winstgevende niveaus te bereiken en toen de import uit China minder aanwezig was op de communautaire markt. Op basis daarvan werd vastgesteld dat een winstmarge van 6,5 % op de omzet kon worden beschouwd als een passend minimum dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in afwezigheid van schadeveroorzakende dumping had kunnen verwachten. De noodzakelijke prijsstijging werd toen bepaald op basis van een vergelijking, per producttype, van de gewogen gemiddelde invoerprijs van de producenten/exporteurs in de VRC uit de steekproef, met de niet-schadeveroorzakende prijs van de typen producten verkocht door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt tijdens het OT. De niet-schadeveroorzakende prijs is verkregen door het optellen van de productiekosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap bij de bovengenoemde winstmarge van 6,5 %. Het verschil dat uit deze vergelijking voortvloeide, werd vervolgens uitgedrukt in een percentage van de totale cif-waarde bij invoer.

8.2.   Voorlopige maatregelen

(200)

In het licht van het voorgaande en overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening wordt geoordeeld dat op de invoer van oorsprong uit de VRC voorlopige antidumpingrechten moeten worden ingesteld die gelijk zijn aan de dumpingmarge, of aan de schademarge indien deze lager is.

(201)

De bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. Geïmporteerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om ondernemingen die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen, mogen geen baat hebben bij de genoemde maatregelen; op dergelijke producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(202)

De dumping- en de schademarge die zijn vastgesteld, zijn als volgt:

Onderneming

Dumpingmarge

Schademarge

Aroma Consumer Products (Hangzhou) Co., Ltd.

54,9 %

68,0 %

Dalian Bright Wax Co., Ltd.

12,7 %

5,2 %

Dalian Talent Gift Co., Ltd.

34,8 %

24,3 %

Gala-Candles (Dalian) Co., Ltd.

18,3 %

13,2 %

Ningbo Kwung's Home Interior & Gift Co., Ltd.

14,0 %

0 %

Ningbo Kwung's Wisdom Art & Design Co., Ltd.

0 %

n.v.t.

Qingdao Kingking Applied Chemistry Co., Ltd.

16,7 %

0 %

Medewerkende, geen deel van de steekproef uitmakende, bedrijven

26,2 %

26,8 %

Alle andere ondernemingen

66,1 %

62,8 %

(203)

Gelet op het feit dat kaarsen zeer vaak worden ingevoerd in sets in combinatie met kandelaars, houders of andere zaken, werd het passend gevonden om de rechten te bepalen als vaste bedragen op basis van de brandstofinhoud van de kaarsen, waaronder de pit, omdat daarom deze vorm van meten geschikt lijkt voor het desbetreffende product.

9.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(204)

De bovenstaande voorlopige bevindingen worden meegedeeld aan alle belanghebbenden, die de gelegenheid zullen krijgen hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken om te worden gehoord. Hun opmerkingen worden geanalyseerd en, wanneer dat gerechtvaardigd is, in aanmerking genomen vooraleer tot een definitieve vaststelling zal worden overgegaan. Het is mogelijk dat de voorlopige bevindingen opnieuw moeten worden bekeken met het oog op de definitieve bevindingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht opgelegd op bepaalde kaarsen, draadkaarsen en dergelijke, anders dan gedenkkaarsen en andere kaarsen voor buitengebruik die vallen onder de GN-codes ex 3406 00 11, ex 3406 00 19 en ex 3406 00 90 (TARIC-codes 3406001190, 3406001990 en 3406009090), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „gedenklichten en kaarsen voor buitengebruik” verstaan: kaarsen, draadkaarsen en dergelijke die een of meer van de volgende kenmerken bezitten:

a)

hun brandstof bevat meer dan 500 ppm tolueen;

b)

hun brandstof bezit meer dan 100 ppm benzeen;

c)

zij hebben een pit met een diameter van ten minste 5 millimeter;

d)

zij zijn aangebracht in een plastic houder met verticale wanden met een hoogte van ten minste 5 cm.

2.   Het bedrag van het voorlopige antidumpingrecht is een vast bedrag in euro per ton van brandstofinhoud (gewoonlijk, maar niet noodzakelijk, in de vorm van talg, stearine, paraffinewas en andere wassoorten waaronder de pit) van de producten geproduceerd door de ondernemingen zoals hierna aangegeven.

Onderneming

Recht

(in euro per ton)

Aanvullende TARIC-code

Aroma Consumer Products (Hangzhou) Co., Ltd.

593,17

A910

Dalian Bright Wax Co., Ltd.

81,87

A911

Dalian Talent Gift Co., Ltd.

375,90

A912

Gala-Candles (Dalian) Co., Ltd.

202,60

A913

Ningbo Kwung's Home Interior & Gift Co., Ltd.

0

A914

Ningbo Kwung's Wisdom Art & Design Co., Ltd.

0

A915

Qingdao Kingking Applied Chemistry Co., Ltd.

0

A916

In de bijlage vermelde ondernemingen

396,93

A917

Alle andere ondernemingen

671,41

A999

3.   Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het in lid 1 bedoelde product wordt een zekerheid gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

4.   Wanneer goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs derhalve verhoudingsgewijs is verminderd met het oog op de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (3), wordt het op basis van bovenstaande bedragen berekende antidumpingrecht met hetzelfde percentage verminderd als de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

5.   Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten op dit recht van toepassing.

Artikel 2

1.   Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen kenbaar maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

2.   Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen doen toekomen over de toepassing ervan.

Artikel 3

Artikel 1 van deze verordening is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.

Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2008.

Voor de Commissie

Catherine ASHTON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2)  PB C 43 van 16.2.2008, blz. 14.

(3)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


BIJLAGE

Chinese medewerkende producenten/exporteurs die geen deel uitmaken van de steekproef

Aanvullende TARIC-code A917

Onderneming

Stad

Beijing Candleman Candle Co., Ltd.

Peking

Cixi Shares Arts & Crafts Co., Ltd.

Cixi

Dalian All Bright Arts & Crafts Co., Ltd.

Dalian

Dalian Aroma Article Co., Ltd.

Dalian

Dalian Glory Arts & crafts Co., Ltd.

Dalian

Dandong Kaida Arts & crafts Co., Ltd.

Dandong

Dehua Fudong Porcelain Co., Ltd.

Dehua

Dongguan Xunrong Wax Industry Co., Ltd.

Dongguan

Xin Lian Candle Arts & Crafts Factory

Zhongshan

Fushun Hongxu Wax Co., Ltd.

Fushun

Fushun Pingtian Wax Products Co., Ltd.

Fushun

Future International (Gift) Co., Ltd.

Taizhou

Greenbay Craft (Shanghai) Co., Ltd.

Shanghai

Horsten Xi'an Innovation Co., Ltd.

Xian

M.X. Candles and Gifts (Taicang) Co., Ltd.

Taicang

Ningbo Hengyu Artware Co., Ltd.

Ningbo

Ningbo Junee Gifts Designers & Manufacturers Co., Ltd

Ningbo

Qingdao Allite Radiance Candle Co., Ltd.

Qingdao

Shanghai Changran Industrial & Trade Co., Ltd.

Shanghai

Shanghai Daisy Gifts Manufacture Co., Ltd.

Shanghai

Shanghai EGFA International Trading Co., Ltd.

Shanghai

Shanghai Huge Scents Factory

Shanghai

Shanghai Kongde Arts & Crafts Co., Ltd.

Shanghai

Shenyang Shengwang Candle Co., Ltd.

Shenyang

Shenyang Shenjie Candle Co., Ltd.

Shenyang

Taizhou Dazhan Arts & Crafts Co., Ltd.

Taizhou

Zheijang Hong Mao Household Co., Ltd.

Taizhou

Zheijang Neeo Home Decoration Co., Ltd.

Taizhou

Zheijang Ruyi Industry Co., Ltd.

Taizhou

Zheijang Zhaoyuan Industry Co., Ltd.

Taizhou

Zhejiang Aishen Candle Arts & Crafts Co., Ltd.

Jiaxing

Zhongshan Zhongnam Candle Manufacturer Co., Ltd.

Zhongshan


15.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/47


VERORDENING (EG) Nr. 1131/2008 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 474/2006 tot opstelling van de communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod is opgelegd in de Gemeenschap

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij, en tot intrekking van artikel 9 van Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name op artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 474/2006 van de Commissie van 22 maart 2006 is de in hoofdstuk II van Verordening (EG) nr. 2111/2005 bedoelde communautaire lijst opgesteld van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod is opgelegd in de Gemeenschap (2).

(2)

Overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2111/2005 heeft een aantal lidstaten de Commissie informatie verstrekt die relevant is voor de bijwerking van de communautaire lijst. Ook derde landen hebben relevante informatie meegedeeld. De communautaire lijst moet op basis daarvan worden bijgewerkt.

(3)

De Commissie heeft alle betrokken luchtvaartmaatschappijen rechtstreeks of, wanneer dit praktisch niet mogelijk was, via de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht op die maatschappijen, in kennis gesteld van de essentiële feiten en overwegingen die aan de basis liggen van haar beslissing om aan deze luchtvaartmaatschappijen een exploitatieverbod op te leggen in de Gemeenschap of om de voorwaarden te wijzigen van een exploitatieverbod voor een luchtvaartmaatschappij op de communautaire lijst.

(4)

De Commissie heeft de betrokken luchtvaartmaatschappijen de gelegenheid gegeven om de door de lidstaten verstrekte documenten te raadplegen, om schriftelijke opmerkingen in te dienen en om binnen tien werkdagen een mondelinge uiteenzetting te geven aan de Commissie en aan het bij Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (3) ingestelde Comité inzake veiligheid van de luchtvaart.

(5)

De autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitoefening van het regelgevend toezicht op de betrokken luchtvaartmaatschappijen zijn door de Commissie en, in specifieke gevallen, door een aantal lidstaten geraadpleegd.

(6)

Verordening (EG) nr. 474/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Ingevolge de resultaten van SAFA-platforminspecties van luchtvaartuigen van bepaalde communautaire luchtvaartmaatschappijen en door hun nationale luchtvaartautoriteiten uitgevoerde inspecties en audits op specifieke gebieden, hebben de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor toezicht handhavingsmaatregelen opgelegd aan de hierna vermelde luchtvaartmaatschappijen. De bevoegde autoriteiten van Duitsland waren tevreden over de corrigerende maatregelen die ten uitvoer zijn gelegd door de luchtvaartmaatschappij MSR Flug Charter GmbH, maar hebben niettemin besloten de exploitatievergunning van deze maatschappij op 31 oktober 2008 op te schorten omdat de maatschappij het faillissement heeft aangevraagd en dit mogelijk gevolgen kan hebben voor de naleving van de veiligheidseisen; de bevoegde autoriteiten van Portugal hebben op 10 oktober 2008 het AOC van de luchtvaartmaatschappij Luzair opgeschort, in afwachting van de hercertificering van deze maatschappij, in volledige overeenstemming met de toepasselijke communautaire regels; de bevoegde autoriteiten van Spanje hebben op 28 oktober 2008 de procedure ingeleid voor het opschorten van het AOC van de luchtvaartmaatschappij Bravo Airlines; de bevoegde autoriteiten van Griekenland hebben op 24 oktober 2008 het AOC van de luchtvaartmaatschappij Hellenic Imperial Airways gedurende drie maanden opgeschort. Deze maatschappij heeft gevraagd een presentatie te mogen geven voor het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart, wat op 3 november 2008 is gebeurd.

(8)

Zoals vereist bij Verordening (EG) nr. 715/2008 heeft de Commissie nieuwe informatie ontvangen die de systematische veiligheidstekortkomingen bij INAVIC bevestigt. Op 1 oktober 2008 heeft ICAO zijn eindverslag gepubliceerd van de audit van Angola, die tussen 26 november en 5 december 2007 in het kader van het Universal Safety Oversight Audit Programme (USOAP) is uitgevoerd. Dit verslag bevat ook de opmerkingen van de geauditeerde autoriteit en de corrigerende maatregelen die bij de ICAO zijn ingediend om de tekortkomingen te verhelpen. Met betrekking tot de relevante gebieden van bijlagen 1, 6, 8 en 13 bij het Verdrag van Chicago zijn 46 bevindingen vastgesteld. Uit deze bevindingen blijkt dat de Standard and Recommended Practices (SARPs) van de ICAO bijzonder slecht worden toegepast met betrekking tot alle acht kritieke onderdelen van de systemen voor veiligheidstoezicht. De kritieke onderdelen waarvoor het gebrek aan toepassing meer dan 80 % bedraagt zijn primaire luchtvaartwetgeving (84 %), specifieke exploitatieregels (89 %), kwalificatie en opleiding van technisch personeel (81 %), vergunnings- en licentieplicht (81 %), toezichtsverplichting (80 %) en het verhelpen van veiligheidsproblemen (100 %). Wat de certificering en controle van de activiteiten van luchtvaartuigen betreft, betwijfelt de ICAO — zelfs na de indiening en toepassing van een plan met corrigerende maatregelen door INAVIC — of „luchtvaartmaatschappijen die internationale activiteiten uitvoeren, kunnen aantonen of ze de regels naleven die INAVIC heeft vastgesteld om aan de bepalingen van ICAO-bijlage 6 te voldoen”. Op de datum van publicatie van het verslag moest 50 % van de corrigerende maatregelen zijn uitgevoerd.

(9)

Deze situatie bevestigt het verslag van het deskundigenteam van de Commissie en de lidstaten, dat van 18 tot en met 22 februari 2008 een informatiemissie in Angola heeft uitgevoerd. Het USOAP-auditverslag bevestigt dat momenteel geen enkele Angolese luchtvaartmaatschappij over een AOC beschikt dat beantwoordt aan bijlage 6 van het Verdrag van Chicago. Volgens het bij de ICAO ingediende plan met corrigerende maatregelen zal de certificering van deze maatschappijen niet zijn afgerond vóór 31 mei 2009.

(10)

Op 6 oktober 2008 heeft de Commissie een brief gericht aan de bevoegde autoriteiten van Angola overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2111/2005, waarbij deze autoriteiten en alle in Angola gecertificeerde luchtvaartmaatschappijen de gelegenheid hebben gekregen om de relevante documenten te raadplegen alvorens een beslissing wordt genomen. Tegelijk werd elk van deze luchtvaartmaatschappijen uitgenodigd om schriftelijke opmerkingen in te dienen en/of een mondelinge presentatie te geven aan de Commissie en het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart.

(11)

De Commissie erkent dat INAVIC vooruitgang heeft geboekt bij de geleidelijke tenuitvoerlegging van de aan de ICAO voorgestelde corrigerende maatregelen. Zolang niet is aangetoond dat het plan met corrigerende maatregelen volledig is uitgevoerd, met name wat de hercertificering van de luchtvaartmaatschappijen overeenkomstig bijlage 6 van het Verdrag van Chicago betreft, is de Commissie, op basis van de gemeenschappelijke criteria, van mening dat een exploitatieverbod moet worden opgelegd aan alle in Angola gecertificeerde luchtvaartmaatschappijen en dat deze maatschappijen derhalve in bijlage A moeten worden opgenomen. De Commissie zal de autoriteiten van Angola onverwijld raadplegen over deze kwestie.

(12)

Uit een USOAP-audit die de ICAO in november en december 2007 heeft uitgevoerd, en waarbij een groot aantal gevallen van niet-naleving van de internationale normen aan het licht zijn gekomen, blijkt dat er geverifieerde aanwijzingen zijn dat de autoriteiten die bevoegd zijn voor toezicht op de in het Koninkrijk Cambodja gecertificeerde luchtvaartmaatschappijen onvoldoende in staat zijn de veiligheidstekortkomingen te verhelpen. Bovendien heeft de ICAO aan alle overeenkomstsluitende partijen melding gemaakt van ernstige veiligheidsrisico’s omdat de Cambodjaanse burgerluchtvaartautoriteiten onvoldoende in staat zijn om hun bevoegdheden inzake toezicht op de veiligheid van de luchtvaart uit te oefenen. Zoals voorzien bij overweging 35 van Verordening (EG) nr. 715/2008 heeft de Commissie de bevoegde autoriteiten van Cambodja en alle in Cambodja gecertificeerde luchtvaartmaatschappijen op 3 oktober 2008 verzocht tijdig alle relevante informatie te verstrekken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van maatregelen om de door de ICAO vastgestelde veiligheidstekortkomingen te verhelpen, en met name met betrekking tot de hercertificering van luchtvaartmaatschappijen.

(13)

SSCA heeft de Commissie meegedeeld dat het de AOC's van de volgende luchtvaartmaatschappijen heeft ingetrokken: Sarika Air Services, Royal Air Services, Royal Khmer Airlines en Imtrec Aviation. Voorts is het AOC van PMT Air opgeschort tot 12 april 2009 omdat deze maatschappij niet voldoet aan de burgerluchtvaartregels van Cambodja.

(14)

Er heerst echter nog steeds bezorgdheid over de veiligheid van Siem Reap Airways International. Het AOC van deze maatschappij is nog steeds geldig zonder enige geografische beperking, hoewel er toch aanwijzingen zijn dat deze maatschappij niet voldoet aan de burgerluchtvaartregels van Cambodja, noch aan de ICAO-eisen. Daarom wordt op basis van de gemeenschappelijke criteria geoordeeld dat een exploitatieverbod moet worden opgelegd aan deze maatschappij en dat ze derhalve moet worden opgenomen in bijlage A. De Commissie is bereid technische bijstand te verlenen aan de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Cambodja en zal de veiligheidssituatie van deze maatschappij beoordelen op de volgende vergadering van het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart, op basis van alle documenten die door de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk Cambodja zijn ingediend.

(15)

Er zijn geverifieerde aanwijzingen dat alle in de Republiek der Filippijnen gecertificeerde luchtvaartmaatschappijen ernstige veiligheidstekortkomingen vertonen en dat de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de in de Filippijnen gecertificeerde luchtvaartmaatschappijen onvoldoende in staat zijn de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen, zoals blijkt uit het feit dat de Federal Aviation Administration (FAA) van het U.S. Department of Transportation de Republiek der Filippijnen blijft downgraden in het kader van zijn IASA-programma. Dit toont aan dat de Republiek der Filippijnen er niet in slaagt de door de ICAO vastgestelde internationale veiligheidsnormen na te leven.

(16)

Op 13 oktober 2008 hebben de bevoegde autoriteiten van de Filippijnen echter een gedetailleerd plan met corrigerende maatregelen bij de Commissie ingediend om de veiligheid van de burgerluchtvaart in hun land te verbeteren. Als dit plan volledig is uitgevoerd, kunnen de Filippijnen aantonen dat ze op duurzame wijze voldoen aan de ICAO-normen, zowel inzake overheidstoezicht als inzake de activiteiten van de luchtvaartmaatschappijen die een licentie hebben gekregen van de Filippijnse autoriteiten. Volgens dat plan moet ongeveer de helft van de corrigerende maatregelen tegen 31 december 2008 voltooid zijn, en de overige tegen 31 maart 2009.

(17)

In het kader van de USOAP hebben de bevoegde autoriteiten van de Filippijnen de ICAO verzocht om de uitgebreide inspectie van hun nationaal Air Transportation Office, die gepland was voor november 2008, uit te stellen tot oktober 2009.

(18)

Om te kunnen bepalen welk standpunt zij moet innemen op de volgende vergadering van het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart, is de Europese Commissie voornemens om, met de hulp van de lidstaten, begin 2009 een veiligheidsbeoordeling van de bevoegde autoriteiten van de Filippijnen uit te voeren, waarbij zij ook zal nagaan of het bovenvermelde plan met corrigerende maatregelen wordt uitgevoerd.

(19)

De bevoegde autoriteiten van Equatoriaal Guinea hebben de Commissie informatie verstrekt waaruit blijkt dat zij een AOC hebben afgegeven aan de volgende luchtvaartmaatschappijen: EGAMS en Star Equatorial Airlines. Aangezien de autoriteiten van Equatoriaal Guinea niet voldoende in staat zijn gebleken om adequaat veiligheidstoezicht uit te oefenen op de door hen gecertificeerde maatschappijen, moeten deze twee maatschappijen in bijlage A worden opgenomen.

(20)

De autoriteiten van Kirgizië hebben de Commissie bewijs verstrekt van de intrekking van het AOC van de maatschappijen Asia Alpha Airways, Artik Avia, Esen Air, Kyrgyzstan Airlines en Osh Avia. Aangezien deze maatschappijen derhalve hun activiteiten hebben stopgezet, dienen zij te worden geschrapt uit bijlage A.

(21)

De bevoegde autoriteiten van Sierra Leone hebben de Commissie bewijzen verstrekt van de schrapping van het AOC van de luchtvaartmaatschappij Bellview Airlines (SL). Aangezien die maatschappij haar activiteiten heeft stopgezet, moet zij uit bijlage A worden geschrapt.

(22)

Zoals vereist bij Verordening (EG) nr. 715/2008 heeft de Commissie informatie van de bevoegde autoriteiten van de Republiek Jemen en van de luchtvaartmaatschappij Yemenia ontvangen waaruit blijkt dat het actieplan met corrigerende maatregelen samen met Airbus, dat de audits van het bedrijf heeft uitgevoerd op het gebied van onderhoud en exploitatie, is besproken en herzien. De Commissie heeft op 17 september 2008 de resultaten van die besprekingen ontvangen.

(23)

De Commissie volgt de veiligheidsprestaties van deze luchtvaartmaatschappij van nabij en is van mening dat de resultaten van de platforminspecties die sinds de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 715/2008 zijn uitgevoerd op de luchtvaartuigen waarmee Yemenia naar de Gemeenschap vliegt, aantonen dat deze maatschappij haar actieplan met corrigerende maatregelen op het gebied van onderhoud en exploitatiediscipline op duurzame wijze uitvoert teneinde te voorkomen dat zich opnieuw ernstige veiligheidstekortkomingen zouden voordoen. Ingevolge platforminspecties van luchtvaartuigen van Yemenia, die ernstige gevallen van niet-naleving aan het licht hebben gebracht, heeft de Commissie deze maatschappij op 15 oktober gehoord en heeft zij informatie ontvangen waaruit blijkt dat de maatschappij op passende en tijdige wijze heeft gereageerd om de problemen op duurzame wijze op te lossen. Op basis van deze informatie is de Commissie dan ook van oordeel dat geen verdere maatregelen hoeven te worden genomen. De lidstaten zullen de daadwerkelijke naleving van de relevante veiligheidsnormen systematisch controleren door overeenkomstig Verordening (EG) nr. 351/2008 prioriteit te geven aan platforminspecties van luchtvaartuigen van deze maatschappij.

(24)

De luchtvaartmaatschappij Nouvelle Air Affaires Gabon is verzocht om op 3 november 2008 een presentatie te geven aan het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart. De Commissie heeft kennis genomen van het feit dat deze luchtvaartmaatschappij een reorganisatie heeft doorgevoerd en een reeks corrigerende maatregelen heeft genomen om aan te tonen dat ze voldoet aan de internationale normen inzake veiligheid van de luchtvaart. De luchtvaartmaatschappij heeft echter geen gedocumenteerde bewijzen ingediend van het feit dat de autoriteiten van Gabon het plan met corrigerende maatregelen hebben goedgekeurd en de tenuitvoerlegging ervan hebben geverifieerd.

(25)

Wat de uitoefening van het toezicht op deze luchtvaartmaatschappij betreft, hebben de bevoegde autoriteiten van Gabon niet aangetoond dat de toezichtsactiviteiten met betrekking tot de activiteiten van de betrokken luchtvaartuigen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de internationale normen, noch dat de maatregelen van overweging 15 van Verordening (EG) nr. 715/2008 zijn toegepast met betrekking tot deze luchtvaartmaatschappij. Op 5 november 2008 hebben de bevoegde autoriteiten van Gabon informatie verstrekt over de uitoefening van het toezicht op bepaalde in Gabon gecertificeerde luchtvaartmaatschappijen. Deze informatie bevatte geen bewijzen met betrekking tot het toezicht op de activiteiten van luchtvaartuigen.

(26)

Daarom oordeelt de Commissie dat deze luchtvaartmaatschappij, op basis van de gemeenschappelijke criteria, niet kan worden geschrapt uit bijlage A van de Communautaire lijst.

(27)

Zoals vereist bij Verordening (EG) nr. 715/2008 hebben de bevoegde autoriteiten van Oekraïne op 14 augustus 2008 het nieuwe AOC van deze luchtvaartmaatschappij, dat geldig is vanaf 4 augustus 2008, aan de Commissie toegestuurd, en haar meegedeeld dat zij, na de maatschappij in juni en juli 2008 te hebben geïnspecteerd, hebben besloten alle vroegere beperkingen op te heffen en toestemming te geven voor de toevoeging van de volgende luchtvaartmaatschappijen aan het AOC van de maatschappij: vijf IL-76 met registratiekentekens UR-UCC, UR-UCA, UR-UCT, UR-UCU, UR-UCO; één AN-12 met registratiekenteken UR-UCN; en twee AN-26 met registratiekentekens UR-UDM en UR-UDS. De volgende luchtvaartuigen zijn uit het nieuwe AOC van de maatschappij geschrapt omdat ze niet voldeden aan de internationale veiligheidsnormen: vier IL-76 met registratiekentekens UR-UCD, UR-UCH, UR-UCQ, UR-UCW; één AN-26 met registratiekenteken UR-UCP; en één TU-154-B2 met registratiekenteken UR-UCZ. De bevoegde autoriteiten van Oostenrijk hebben de bevoegde autoriteiten van Oekraïne op 31 oktober meegedeeld dat zij de bevindingen die in 2007 en 2008 tijdens SAFA-inspecties van het AN-12-luchtvaartuig van de maatschappij met registratiekenteken UR-UCK waren vastgesteld, als gesloten beschouwt. Dit luchtvaartuig werd geschrapt uit het AOC van de maatschappij.

(28)

Deze maatschappij heeft gevraagd een presentatie te mogen geven voor het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart, wat op 3 november 2008 is gebeurd. Tijdens de vergadering van het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart hebben de bevoegde autoriteiten van Oekraïne bevestigd dat de vorige gevallen van niet-naleving van een aantal luchtvaartuigen, waaraan exploitatiebeperkingen waren opgelegd uit hoofde van hun beslissing van februari 2008, te wijten waren aan „technologische en economische problemen”. Deze autoriteiten hebben echter niet uitgelegd hoe de luchtvaartmaatschappij deze „technologische en economische problemen” heeft verholpen. De Commissie heeft evenmin informatie ontvangen over de nieuwe situatie van de luchtvaartmaatschappij, die het mogelijk maakt te bevestigen dat corrigerende maatregelen om de veiligheidstekortkomingen van de hele vloot te verhelpen in staat zijn om duurzame oplossingen te bieden.

(29)

De Commissie erkent dat de maatschappij inspanningen heeft gedaan om corrigerende maatregelen te nemen teneinde alle vastgestelde veiligheidstekortkomingen te verhelpen. Aangezien de bevoegde autoriteiten van Oekraïne echter niet hebben aangetoond dat de tenuitvoerlegging van de corrigerende maatregelen is geverifieerd, noch dat die maatregelen geschikt zijn om de vastgestelde veiligheidstekortkomingen op duurzame wijze te verhelpen, oordeelt de Commissie, op basis van de gemeenschappelijke criteria, dat de maatschappij voorlopig niet mag worden geschrapt uit bijlage A van de communautaire lijst. De Commissie en de lidstaten moeten samen een bezoek ter plaatse organiseren alvorens een wijziging in het exploitatieverbod voor deze maatschappij te overwegen. De maatschappij en de autoriteiten van Oekraïne hebben dit aanvaard tijdens de vergadering van het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart.

(30)

Deze maatschappij heeft de Commissie op 15 oktober 2008 meegedeeld dat zij haar actieplan met corrigerende maatregelen, dat was opgesteld om alle vastgestelde veiligheidstekortkomingen te verhelpen, volledig had uitgevoerd en heeft verzocht een presentatie te mogen geven aan het Comité voor de veiligheid van de luchtvaart. Ukrainian Mediterranean Airlines is gehoord op 3 november 2008. De maatschappij heeft in haar presentatie verwezen naar de ruimere economische gevolgen die zij heeft ondervonden gedurende de periode dat zij in bijlage A was opgenomen, en verklaarde dat haar veiligheidsprestaties waren verbeterd. Zij staafde dit door te stellen dat zij sinds 2007 minder vaak bij ernstige ongevallen was betrokken dan andere luchtvaartmaatschappijen uit Oekraïne. Zij heeft ook verklaard dat haar AOC op 31 oktober 2008 was vernieuwd, nadat de bevoegde autoriteiten van Oekraïne een audit hadden uitgevoerd. De maatschappij heeft bewijzen ingediend van het feit dat de Oekraïense luchtvaartadministratie op 31 oktober 2008 de tenuitvoerlegging van het actieplan met corrigerende maatregelen heeft goedgekeurd.

(31)

De bevoegde autoriteiten van Oekraïne zijn op 24 oktober verzocht om de Commissie gedetailleerde informatie te verschaffen over de verificatie van de tenuitvoerlegging van de corrigerende maatregelen die Ukraine Mediterranean Airlines heeft genomen, teneinde de Commissie en het Comité voor de veiligheid van de luchtvaart in staat te stellen na te gaan of deze corrigerende maatregelen geschikt zijn. Zij werden eveneens verzocht informatie te verstrekken over de audits en inspecties die zij hebben uitgevoerd bij deze luchtvaartmaatschappij, met name met betrekking tot het AOC en de naleving van de relevante normen en aanbevolen praktijken van de ICAO. De bevoegde autoriteiten van Oekraïne hebben de gevraagde informatie niet aan de Commissie verstrekt.

(32)

Aangezien de autoriteiten die bevoegd zijn voor regelgevend toezicht op deze luchtvaartmaatschappij niet hebben aangetoond dat zij de relevante veiligheidsnormen hebben toegepast en gehandhaafd, is de Commissie van oordeel dat zij onvoldoende bewijzen heeft ontvangen om te kunnen nagaan of het actieplan met corrigerende maatregelen volstaat om alle veiligheidstekortkomingen die geleid hebben tot het opleggen van het exploitatieverbod in de Gemeenschap uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1043/2007 van 11 september 2007 op duurzame wijze te verhelpen.

(33)

Daarom oordeelt de Commissie dat deze luchtvaartmaatschappij, op basis van de gemeenschappelijke criteria, in dit stadium niet kan worden geschrapt uit bijlage A. De Commissie en de lidstaten moeten samen een bezoek ter plaatse organiseren alvorens een wijziging in het aan deze maatschappij opgelegde exploitatieverbod te overwegen. De maatschappij en de autoriteiten van Oekraïne hebben dit aanvaard tijdens de vergadering van het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart.

(34)

De Commissie heeft de aandacht van de bevoegde autoriteiten van Oekraïne gevestigd op het feit dat, ondanks de versterking van het toezicht op deze autoriteiten, de bewaking van de prestaties van de in Oekraïne geregistreerde luchtvaartmaatschappijen nog steeds verontrustende resultaten oplevert tijdens platforminspecties. De bevoegde autoriteiten van Oekraïne werden verzocht verduidelijking te verschaffen en de nodige maatregelen te nemen. Deze autoriteiten hebben de Commissie op 10 oktober informatie verstrekt over hun toezichtsactiviteiten en handhavingsmaatregelen met betrekking tot Oekraïense luchtvaartmaatschappijen.

(35)

Zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 715/2008 heeft de Commissie de bevoegde autoriteiten van Oekraïne verzocht om een voortgangsverslag in te dienen over de tenuitvoerlegging van het actieplan met corrigerende maatregelen dat is opgesteld om het veiligheidstoezicht op luchtvaartgebied in de Oekraïne te verbeteren en te versterken. De bevoegde autoriteiten van Oekraïne hebben op 10 oktober 2008 een voortgangsverslag over de tenuitvoerlegging van de corrigerende maatregelen ingediend. Uit dit verslag blijkt dat de door de bevoegde autoriteiten van Oekraïne uitgevoerde toezichtsactiviteiten, namelijk het aantal geïnspecteerde luchtvaartuigen, de AOC-inspecties en de handhavingsactiviteiten, zijn toegenomen. Uit het verslag blijkt echter ook dat de meeste acties die tegen september 2008 moesten worden uitgevoerd, zijn uitgesteld tot het einde van het jaar, inclusief de goedkeuring van het luchtvaartwetboek en de corrigerende maatregelen met betrekking tot de activiteiten van luchtvaartuigen. De Commissie zal de tenuitvoerlegging van dit actieplan controleren vóór de volgende vergadering van het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart, alvorens eventuele verdere acties voor te stellen.

(36)

Ondanks specifieke verzoeken van de Commissie is zij niet in kennis gesteld van bewijzen dat de overige luchtvaartmaatschappijen die in de communautaire lijst van 24 juli 2008 zijn vermeld en de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht op die luchtvaartmaatschappijen, passende corrigerende maatregelen volledig hebben uitgevoerd. Op basis van de gemeenschappelijke criteria wordt geoordeeld dat het exploitatieverbod (bijlage A) of de exploitatiebeperkingen (bijlage B) die aan deze luchtvaartmaatschappijen zijn opgelegd, moeten worden gehandhaafd.

(37)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité inzake veiligheid van de luchtvaart,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 474/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Bijlage A wordt vervangen door bijlage A bij deze Verordening.

2.

Bijlage B wordt vervangen door bijlage B bij deze Verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2008.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)  PB L 344 van 27.12.2005, blz. 15.

(2)  PB L 84 van 23.3.2006, blz. 14.

(3)  PB L 373 van 31.12.1991, blz. 4.


BIJLAGE A

LIJST VAN LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJEN WAARAAN EEN VOLLEDIG EXPLOITATIEVERBOD IS OPGELEGD IN DE GEMEENSCHAP (1)

Naam van de juridische entiteit van de luchtvaartmaatschappij, zoals vermeld op het Air Operator Certificate (AOC) (en handelsnaam, indien verschillend)

Nummer van het Air Operator’s Certificate (AOC) of van de exploitatievergunning

ICAO-identificatienummer van de luchtvaartmaatschappij

Land waar de maatschappij is geregistreerd

AIR KORYO

Onbekend

KOR

Democratische Volksrepubliek Korea

AIR WEST CO. LTD

004/A

AWZ

Soedan

ARIANA AFGHAN AIRLINES

009

AFG

Afghanistan

SIEM REAP AIRWAYS INTERNATIONAL

AOC/013/00

SRH

Cambodja

SILVERBACK CARGO FREIGHTERS

Onbekend

VRB

Rwanda

UKRAINE CARGO AIRWAYS

145

UKS

Oekraïne

UKRAINIAN MEDITERRANEAN AIRLINES

164

UKM

Oekraïne

VOLARE AVIATION ENTREPRISE

143

VRE

Oekraïne

Alle luchtvaartmaatschappijen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van Angola welke verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht, waaronder

 

 

Angola

AEROJET

Onbekend

Onbekend

Angola

AIR26

Onbekend

Onbekend

Angola

AIR GEMINI

02/2008

Onbekend

Angola

AIR GICANGO

Onbekend

Onbekend

Angola

AIR JET

Onbekend

Onbekend

Angola

AIR NAVE

Onbekend

Onbekend

Angola

ALADA

Onbekend

Onbekend

Angola

ANGOLA AIR SERVICES

Onbekend

Onbekend

Angola

DIEXIM

Onbekend

Onbekend

Angola

GIRA GLOBO

Onbekend

Onbekend

Angola

HELIANG

Onbekend

Onbekend

Angola

HELIMALONGO

11/2008

Onbekend

Angola

MAVEWA

Onbekend

Onbekend

Angola

RUI & CONCEICAO

Onbekend

Onbekend

Angola

SAL

Onbekend

Onbekend

Angola

SONAIR

14/2008

Onbekend

Angola

TAAG ANGOLA AIRLINES

001

DTA

Angola

Alle luchtvaartmaatschappijen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van de Democratische Republiek Congo die verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht, waaronder

 

Democratische Republiek Congo

AFRICA ONE

409/CAB/MIN/TC/0114/2006

CFR

Democratische Republiek Congo

AFRICAN AIR SERVICES COMMUTER SPRL

409/CAB/MIN/TC/0005/2007

Onbekend

Democratische Republiek Congo

AIGLE AVIATION

409/CAB/MIN/TC/0042/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

AIR BENI

409/CAB/MIN/TC/0019/2005

Onbekend

Democratische Republiek Congo

AIR BOYOMA

409/CAB/MIN/TC/0049/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

AIR INFINI

409/CAB/MIN/TC/006/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

AIR KASAI

409/CAB/MIN/TC/0118/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

AIR NAVETTE

409/CAB/MIN/TC/015/2005

Onbekend

Democratische Republiek Congo

AIR TROPIQUES S.P.R.L.

409/CAB/MIN/TC/0107/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

BEL GLOB AIRLINES

409/CAB/MIN/TC/0073/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

BLUE AIRLINES

409/CAB/MIN/TC/0109/2006

BUL

Democratische Republiek Congo

BRAVO AIR CONGO

409/CAB/MIN/TC/0090/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

BUSINESS AVIATION S.P.R.L.

409/CAB/MIN/TC/0117/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

BUTEMBO AIRLINES

409/CAB/MIN/TC/0056/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

CARGO BULL AVIATION

409/CAB/MIN/TC/0106/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

CETRACA AVIATION SERVICE

409/CAB/MIN/TC/037/2005

CER

Democratische Republiek Congo

CHC STELLAVIA

409/CAB/MIN/TC/0050/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

COMAIR

409/CAB/MIN/TC/0057/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

COMPAGNIE AFRICAINE D’AVIATION (CAA)

409/CAB/MIN/TC/0111/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

DOREN AIR CONGO

409/CAB/MIN/TC/0054/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

EL SAM AIRLIFT

409/CAB/MIN/TC/0002/2007

Onbekend

Democratische Republiek Congo

ESPACE AVIATION SERVICE

409/CAB/MIN/TC/0003/2007

Onbekend

Democratische Republiek Congo

FILAIR

409/CAB/MIN/TC/0008/2007

Onbekend

Democratische Republiek Congo

FREE AIRLINES

409/CAB/MIN/TC/0047/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

GALAXY INCORPORATION

409/CAB/MIN/TC/0078/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

GOMA EXPRESS

409/CAB/MIN/TC/0051/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

GOMAIR

409/CAB/MIN/TC/0023/2005

Onbekend

Democratische Republiek Congo

GREAT LAKE BUSINESS COMPANY

409/CAB/MIN/TC/0048/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

HEWA BORA AIRWAYS (HBA)

409/CAB/MIN/TC/0108/2006

ALX

Democratische Republiek Congo

I.T.A.B. — INTERNATIONAL TRANS AIR BUSINESS

409/CAB/MIN/TC/0022/2005

Onbekend

Democratische Republiek Congo

KATANGA AIRWAYS

409/CAB/MIN/TC/0088/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

KIVU AIR

409/CAB/MIN/TC/0044/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

LIGNES AERIENNES CONGOLAISES

Ministerial signature (ordonnance 78/205)

LCG

Democratische Republiek Congo

MALU AVIATION

409/CAB/MIN/TC/0113/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

MALILA AIRLIFT

409/CAB/MIN/TC/0112/2006

MLC

Democratische Republiek Congo

MANGO AIRLINES

409/CAB/MIN/TC/0007/2007

Onbekend

Democratische Republiek Congo

PIVA AIRLINES

409/CAB/MIN/TC/0001/2007

Onbekend

Democratische Republiek Congo

RWAKABIKA BUSHI EXPRESS

409/CAB/MIN/TC/0052/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

SAFARI LOGISTICS SPRL

409/CAB/MIN/TC/0076/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

SAFE AIR COMPANY

409/CAB/MIN/TC/0004/2007

Onbekend

Democratische Republiek Congo

SERVICES AIR

409/CAB/MIN/TC/0115/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

SUN AIR SERVICES

409/CAB/MIN/TC/0077/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

TEMBO AIR SERVICES

409/CAB/MIN/TC/0089/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

THOM'S AIRWAYS

409/CAB/MIN/TC/0009/2007

Onbekend

Democratische Republiek Congo

TMK AIR COMMUTER

409/CAB/MIN/TC/020/2005

Onbekend

Democratische Republiek Congo

TRACEP CONGO

409/CAB/MIN/TC/0055/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

TRANS AIR CARGO SERVICE

409/CAB/MIN/TC/0110/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

TRANSPORTS AERIENS CONGOLAIS (TRACO)

409/CAB/MIN/TC/0105/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

VIRUNGA AIR CHARTER

409/CAB/MIN/TC/018/2005

Onbekend

Democratische Republiek Congo

WIMBI DIRA AIRWAYS

409/CAB/MIN/TC/0116/2006

WDA

Democratische Republiek Congo

ZAABU INTERNATIONAL

409/CAB/MIN/TC/0046/2006

Onbekend

Democratische Republiek Congo

Alle luchtvaartmaatschappijen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van Equatoriaal-Guinea welke verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht, waaronder

 

 

Equatoriaal-Guinea

CRONOS AIRLINES

Onbekend

Onbekend

Equatoriaal-Guinea

CEIBA INTERCONTINENTAL

Onbekend

CEL

Equatoriaal-Guinea

EGAMS

Onbekend

EGM

Equatoriaal-Guinea

EUROGUINEANA DE AVIACION Y TRANSPORTES

2006/001/MTTCT/DGAC/SOPS

EUG

Equatoriaal-Guinea

GENERAL WORK AVIACION

002/ANAC

n/a

Equatoriaal-Guinea

GETRA — GUINEA ECUATORIAL DE TRANSPORTES AEREOS

739

GET

Equatoriaal-Guinea

GUINEA AIRWAYS

738

n/a

Equatoriaal-Guinea

STAR EQUATORIAL AIRLINES

Onbekend

Onbekend

Equatoriaal-Guinea

UTAGE — UNION DE TRANSPORT AEREO DE GUINEA ECUATORIAL

737

UTG

Equatoriaal-Guinea

Alle luchtvaartmaatschappijen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van Indonesië welke verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht, waaronder

 

 

Indonesië

AIR PACIFIC UTAMA

135-020

Onbekend

Indonesië

AIRFAST INDONESIA

135-002

AFE

Indonesië

ASCO NUSA AIR TRANSPORT

135-022

Onbekend

Indonesië

ASI PUDJIASTUTI

135-028

Onbekend

Indonesië

ATLAS DELTASATYA

135-023

Onbekend

Indonesië

AVIASTAR MANDIRI

135-029

Onbekend

Indonesië

BALAI KALIBRASI FASITAS PENERBANGAN

135-031

Onbekend

Indonesië

DABI AIR NUSANTARA

135-030

Onbekend

Indonesië

DERAYA AIR TAXI

135-013

DRY

Indonesië

DERAZONA AIR SERVICE

135-010

Onbekend

Indonesië

DIRGANTARA AIR SERVICE

135-014

DIR

Indonesië

EASTINDO

135-038

Onbekend

Indonesië

EKSPRES TRANSPORTASI ANTAR BENUA

135-032

Onbekend

Indonesië

GARUDA INDONESIA

121-001

GIA

Indonesië

GATARI AIR SERVICE

135-018

GHS

Indonesië

HELIZONA

135-003

Onbekend

Indonesië

INDONESIA AIR ASIA

121-009

AWQ

Indonesië

INDONESIA AIR TRANSPORT

135-017

IDA

Indonesië

INTAN ANGKASA AIR SERVICE

135-019

Onbekend

Indonesië

KARTIKA AIRLINES

121-003

KAE

Indonesië

KURA-KURA AVIATION

135-016

Onbekend

Indonesië

LION MENTARI ARILINES

121-010

LNI

Indonesië

LINUS AIRWAYS

121-029

Onbekend

Indonesië

MANDALA AIRLINES

121-005

MDL

Indonesië

MANUNGGAL AIR SERVICE

121-020

Onbekend

Indonesië

MEGANTARA AIRLINES

121-025

Onbekend

Indonesië

MERPATI NUSANTARA

121-002

MNA

Indonesië

METRO BATAVIA

121-007

BTV

Indonesië

NATIONAL UTILITY HELICOPTER

135-011

Onbekend

Indonesië

PELITA AIR SERVICE

121-008

PAS

Indonesië

PELITA AIR SERVICE

135-001

PAS

Indonesië

PENERBANGAN ANGKASA SEMESTA

135-026

Onbekend

Indonesië

PURA WISATA BARUNA

135-025

Onbekend

Indonesië

REPUBLIC EXPRES AIRLINES

121-040

RPH

Indonesië

RIAU AIRLINES

121-017

RIU

Indonesië

SAMPURNA AIR NUSANTARA

135-036

Onbekend

Indonesië

SAYAP GARUDA INDAH

135-004

Onbekend

Indonesië

SMAC

135-015

SMC

Indonesië

SRIWIJAYA AIR

121-035

SJY

Indonesië

SURVEI UDARA PENAS

135-006

Onbekend

Indonesië

TRANSWISATA PRIMA AVIATION

135-021

Onbekend

Indonesië

TRAVEL EXPRES AIRLINES

121-038

XAR

Indonesië

TRAVIRA UTAMA

135-009

Onbekend

Indonesië

TRI MG INTRA AIRLINES

121-018

TMG

Indonesië

TRI MG INTRA AIRLINES

135-037

TMG

Indonesië

TRIGANA AIR SERVICE

121-006

TGN

Indonesië

WING ABADI NUSANTARA

121-012

WON

Indonesië

Alle luchtvaartmaatschappijen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van Kirgizië welke verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht, waaronder

 

Kirgizië

AIR MANAS

17

MBB

Kirgizië

AVIA TRAFFIC COMPANY

23

AVJ

Kirgizië

AEROSTAN (EX BISTAIR-FEZ BISHKEK)

08

BSC

Kirgizië

CLICK AIRWAYS

11

CGK

Kirgizië

DAMES

20

DAM

Kirgizië

EASTOK AVIA

15

Onbekend

Kirgizië

GOLDEN RULE AIRLINES

22

GRS

Kirgizië

ITEK AIR

04

IKA

Kirgizië

KYRGYZ TRANS AVIA

31

KTC

Kirgizië

KYRGYZSTAN

03

LYN

Kirgizië

MAX AVIA

33

MAI

Kirgizië

S GROUP AVIATION

6

Onbekend

Kirgizië

SKY GATE INTERNATIONAL AVIATION

14

SGD

Kirgizië

SKY WAY AIR

21

SAB

Kirgizië

TENIR AIRLINES

26

TEB

Kirgizië

TRAST AERO

05

TSJ

Kirgizië

VALOR AIR

07

Onbekend

Kirgizië

Alle luchtvaartmaatschappijen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van Liberia welke verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht

 

Liberia

Alle luchtvaartmaatschappijen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van de Republiek Gabon die verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht, met uitzondering van Gabon Airlines en Afrijet, waaronder

 

 

Republiek Gabon

AIR SERVICES SA

0002/MTACCMDH/SGACC/DTA

Onbekend

Republiek Gabon

AIR TOURIST (ALLEGIANCE)

0026/MTACCMDH/SGACC/DTA

NIL

Republiek Gabon

NATIONALE ET REGIONALE TRANSPORT (NATIONALE)

0020/MTACCMDH/SGACC/DTA

Onbekend

Republiek Gabon

NOUVELLE AIR AFFAIRES GABON (SN2AG)

0045/MTACCMDH/SGACC/DTA

NVS

Republiek Gabon

SCD AVIATION

0022/MTACCMDH/SGACC/DTA

Onbekend

Republiek Gabon

SKY GABON

0043/MTACCMDH/SGACC/DTA

SKG

Republiek Gabon

SOLENTA AVIATION GABON

0023/MTACCMDH/SGACC/DTA

Onbekend

Republiek Gabon

Alle luchtvaartmaatschappijen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van Sierra Leone welke verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht, waaronder

Sierra Leone

AIR RUM, LTD

Onbekend

RUM

Sierra Leone

DESTINY AIR SERVICES, LTD

Onbekend

DTY

Sierra Leone

HEAVYLIFT CARGO

Onbekend

Onbekend

Sierra Leone

ORANGE AIR SIERRA LEONE LTD

Onbekend

ORJ

Sierra Leone

PARAMOUNT AIRLINES, LTD

Onbekend

PRR

Sierra Leone

SEVEN FOUR EIGHT AIR SERVICES LTD

Onbekend

SVT

Sierra Leone

TEEBAH AIRWAYS

Onbekend

Onbekend

Sierra Leone

Alle luchtvaartmaatschappijen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van Swaziland welke verantwoordelijk zijn voor regelgevend toezicht, waaronder

Swaziland

AERO AFRICA (PTY) LTD

Onbekend

RFC

Swaziland

JET AFRICA SWAZILAND

Onbekend

OSW

Swaziland

ROYAL SWAZI NATIONAL AIRWAYS CORPORATION

Onbekend

RSN

Swaziland

SCAN AIR CHARTER, LTD

Onbekend

Onbekend

Swaziland

SWAZI EXPRESS AIRWAYS

Onbekend

SWX

Swaziland

SWAZILAND AIRLINK

Onbekend

SZL

Swaziland


(1)  De in bijlage A vermelde luchtvaartmaatschappijen kunnen toestemming krijgen om verkeersrechten uit te oefenen door luchtvaartuigen met bemanning te huren („wet lease”) van luchtvaartmaatschappijen waaraan geen exploitatieverbod is opgelegd, voor zover de geldende veiligheidsvoorschriften worden nageleefd.


BIJLAGE B

LIJST VAN LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJEN WAARAAN EXPLOITATIEBEPERKINGEN ZIJN OPGELEGD IN DE GEMEENSCHAP (1)

Naam van de juridische entiteit van de luchtvaartmaatschappij, zoals vermeld op het Air Operator Certificate (AOC)

(en handelsnaam, indien verschillend)

Nummer van het Air Operator Certificate (AOC)

ICAO-identificatienummer van de luchtvaartmaatschappij

Land waar de maatschappij is geregistreerd

Type luchtvaartuig

Registratiemerkteken(s) en, voor zover beschikbaar, constructieserienummer(s)

Land van registratie

AFRIJET (2)

0027/MTAC/SGACC/DTA

 

Republiek Gabon

De volledige vloot, met uitzondering van:

2 luchtvaartuigen van het type Falcon 50; 1 luchtvaartuig van het type Falcon 900

De volledige vloot, met uitzondering van:

TR-LGV; TR-LGY; TR-AFJ

Republiek Gabon

AIR BANGLADESH

17

BGD

Bangladesh

B747-269B

S2-ADT

Bangladesh

AIR SERVICE COMORES

06-819/TA-15/DGACM

KMD

Comoren

De volledige vloot, met uitzondering van:

LET 410 UVP

De volledige vloot, met uitzondering van:

D6-CAM (851336)

Comoren

GABON AIRLINES (3)

0040/MTAC/SGACC/DTA

GBK

Republiek Gabon

De volledige vloot, met uitzondering van:

1 luchtvaartuig van het type Boeing B-767-200

De volledige vloot, met uitzondering van: TR-LHP

Republiek Gabon


(1)  De in bijlage B vermelde luchtvaartmaatschappijen kunnen toestemming krijgen om verkeersrechten uit te oefenen door luchtvaartuigen met bemanning te huren („wet lease”) van luchtvaartmaatschappijen waaraan geen exploitatieverbod is opgelegd, voor zover de geldende veiligheidsnormen worden nageleefd.

(2)  Afrijet mag voor zijn huidige activiteiten in de Europese Unie alleen gebruik maken van de gespecificeerde luchtvaartuigen.

(3)  Gabon Airlines mag voor zijn huidige activiteiten in de Europese Unie alleen gebruik maken van het gespecificeerde luchtvaartuig.


15.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/59


VERORDENING (EG) Nr. 1132/2008 VAN DE COMMISSIE

van 13 november 2008

tot opheffing van het verbod op de industriële visserij in het gebied Noorse wateren van IV door vaartuigen die de vlag van Zweden voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 40/2008 van de Raad van 16 januari 2008 tot vaststelling, voor 2008, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2008 vastgesteld.

(2)

Op 27 mei 2008 heeft Zweden, op grond van artikel 21, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2847/93, de Commissie meegedeeld dat het de industriële visserij in het gebied Noorse wateren van IV stopzet met ingang van 30 mei 2008.

(3)

Op 5 augustus 2008 heeft de Commissie, op grond van artikel 21, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en artikel 26, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2371/2002, bij Verordening (EG) nr. 779/2008 de industriële visserij in het gebied Noorse wateren van IV door vaartuigen die de vlag van Zweden voeren of daar zijn geregistreerd, verboden met ingang van diezelfde datum.

(4)

Volgens de gegevens die de Commissie van de Zweedse autoriteiten heeft ontvangen, is er binnen het Zweedse quotum nog steeds een hoeveelheid vis beschikbaar voor de industriële visserij in het gebied Noorse wateren van IV. Bijgevolg moet het verbod op de industriële visserij in deze wateren voor vaartuigen die de vlag van Zweden voeren of daar zijn geregistreerd, worden opgeheven.

(5)

Dit verbod moet worden opgeheven met ingang van 3 september 2008 om ervoor te zorgen dat de betrokken hoeveelheid vis voor de industriële visserij nog voor het einde van het lopende jaar kan worden gevist.

(6)

Verordening (EG) nr. 779/2008 van de Commissie moet worden ingetrokken met ingang van 3 september 2008,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Intrekking

Verordening (EG) nr. 779/2008 wordt ingetrokken.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 3 september 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 november 2008.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(2)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1.

(3)  PB L 19 van 23.1.2008, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

58 — Heropening

Lidstaat

SWE

Bestand

I/F/4AB-N.

Soort

Industriële visserij

Zone

Noorse wateren van IV

Datum

3.9.2008


15.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/61


VERORDENING (EG) Nr. 1133/2008 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2008

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 945/2008 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2008/2009

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2008/2009 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 945/2008 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1106/2008 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2008/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 945/2008 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 15 november 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 258 van 26.9.2008, blz. 56.

(4)  PB L 299 van 8.11.2008, blz. 11.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 15 november 2008

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10 (1)

24,58

4,01

1701 11 90 (1)

24,58

9,24

1701 12 10 (1)

24,58

3,82

1701 12 90 (1)

24,58

8,81

1701 91 00 (2)

24,40

13,33

1701 99 10 (2)

24,40

8,51

1701 99 90 (2)

24,40

8,51

1702 90 95 (3)

0,24

0,40


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


15.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/63


VERORDENING (EG) Nr. 1134/2008 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2008

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 16 november 2008

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00, 1001 90 91, ex 1001 90 99 [zachte tarwe van hoge kwaliteit], 1002, ex 1005 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, en ex 1007 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, gelijk is aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs voor de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 136, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat voor de berekening van het in lid 1 van dat artikel bedoelde invoerrecht regelmatig representatieve cif-invoerprijzen voor de betrokken producten worden vastgesteld.

(3)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 is de prijs die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00, 1001 90 91, ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002 00, 1005 10 90, 1005 90 00 en 1007 00 90, de dagelijkse representatieve cif-invoerprijs die wordt bepaald volgens de methode van artikel 4 van die verordening.

(4)

Er dienen invoerrechten te worden vastgesteld voor de periode vanaf 16 november 2008, die van toepassing zullen zijn totdat een nieuwe vaststelling in werking treedt.

(5)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 608/2008 van de Commissie van 26 juni 2008 houdende tijdelijke opschorting van de douanerechten bij invoer van bepaalde granen voor het verkoopseizoen 2008/2009 (3) wordt de toepassing van bepaalde bij de onderhavige verordening vastgestelde rechten evenwel opgeschort,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 16 november 2008, worden in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgesteld op basis van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 16 november 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125.

(3)  PB L 166 van 27.6.2008, blz. 19.


BIJLAGE I

Vanaf 16 november 2008 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(EUR/t)

1001 10 00

HARDE TARWE van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

ZACHTE TARWE, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed

0,00

1002 00 00

ROGGE

24,22

1005 10 90

MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden

9,65

1005 90 00

MAÏS, andere dan zaaigoed (2)

9,65

1007 00 90

GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

24,22


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd, komt de importeur op grond van artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96 in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

3 EUR/t als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt,

2 EUR/t als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten

31.10.2008-13.11.2008

1.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:

(EUR/t)

 

Zachte tarwe (1)

Maïs

Harde tarwe van hoge kwaliteit

Harde tarwe van gemiddelde kwaliteit (2)

Harde tarwe van lage kwaliteit (3)

Gerst

Beurs

Minnéapolis

Chicago

Notering

200,85

119,36

Fob-prijs VSA

239,24

229,24

209,24

123,19

Golfpremie

15,89

Grote-Merenpremie

23,58

2.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:

Vrachtkosten: Golf van Mexico–Rotterdam:

12,84 EUR/t

Vrachtkosten: Grote Meren–Rotterdam:

10,33 EUR/t


(1)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(2)  Korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).

(3)  Korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

15.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/66


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 29 oktober 2008

betreffende de wijze van toepassing van Richtlijn 95/64/EG van de Raad betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6203)

(Gecodificeerde versie)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/861/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 95/64/EG van de Raad van 8 december 1995 betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen (1), en met name op de artikelen 4, 10 en 12,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 98/385/EG van de Commissie van 13 mei 1998 betreffende de wijze van toepassing van Richtlijn 95/64/EG van de Raad betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze beschikking te worden overgegaan.

(2)

De Commissie moet een lijst van havens, gecodeerd en ingedeeld naar land en kustgebied, vaststellen.

(3)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité statistisch programma, opgericht bij Beschikking 89/382/EEG, Euratom van de Raad (4),

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De lijst van havens, gecodeerd en ingedeeld naar land en kustgebied, is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

Beschikking 98/385/EG wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken beschikking gelden als verwijzingen naar de onderhavige beschikking en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2008.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 320 van 30.12.1995, blz. 25.

(2)  PB L 174 van 18.6.1998, blz. 1.

(3)  Zie bijlage II.

(4)  PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.


BIJLAGE I

EUROSTAT-LIJST VAN EUROPESE HAVENS

Omschrijving van de lijst van havens

De statistische havens en de deelhavens zijn per lidstaat alfabetisch gerangschikt.

Structuur

Naam van de kolom

Betekenis

CTRY

Land (ISO-tweelettercode)

MCA

Kustgebied waar de haven is gelegen (bijlage IV bij Richtlijn 95/64/EG)

MODIFIC.

Gewijzigd sinds Beschikking 2000/363/EG van de Commissie

PORT NAME

Naam van de haven

LOCODE

(Letter)code van de UN/LOCODE of (cijfer)code door Eurostat tijdelijk toegekend aan havens zonder LOCODE

NAT. STAT. GROUP

Voor een haven die geen statistische haven is, is de nationale statistische groep (nat. stat. group) de code van de statistische haven waartoe deze haven behoort

STATISTICAL PORT

Statistische haven

NATIONAL CODE

Code die aan de statistische haven is toegekend in de nationale statistiek van de lidstaat waar de haven is gelegen


CTRY

MCA

MODIFIC.

PORT NAME

LOCODE

NAT. STAT. GROUP

STATISTICAL PORT

NATIONAL CODE

BE

BE00

X

Albertkanaal

BEABK

 

X

 

BE

BE00

X

Antwerpen

BEANR

 

X

 

BE

BE00

X

Brugge

BEBGS

BEZEE

 

 

BE

BE00

X

Bruxelles (Brussel)

BEBRU

 

X

 

BE

BE00

X

Gent

BEGNE

 

X

 

BE

BE00

X

Liège

BELGG

 

X

 

BE

BE00

X

Nieuwpoort

BENIE

 

X

 

BE

BE00

X

Oostende

BEOST

 

X

 

BE

BE00

X

Rupel

BERUP

BEBRU

 

 

BE

BE00

X

Zeebrugge

BEZEE

 

X

 

BE

BE00

X

Zelzate

BEZEL

BEGNE

 

 

BE

BE00

X

BE offshore-installaties

BE88P

 

 

 

BE

BE00

X

Overige — België

BE888

 

 

 

 

 

 

11

11

3

8

 

BG

BG00

X

Akhotopol (Ахтопол)

BGAKH

BGBOJ

 

 

BG

BG00

X

Balchik (Балчик)

BGBAL

BGVAR

 

 

BG

BG00

X

Burgas (Бургас)

BGBOJ

 

X

 

BG

BG00

X

Lom (Лом)

BGLOM

 

X

 

BG

BG00

X

Nesebar (Несебър)

BGNES

BGBOJ

 

 

BG

BG00

X

Orehovo (Оряхово)

BGORE

BGLOM

 

 

BG

BG00

X

Pomorie (Поморие)

BGPOR

BGBOJ

 

 

BG

BG00

X

Ruse (Русе)

BGRDU

 

X

 

BG

BG00

X

Silistra (Силистра)

BGSLS

BGRDU

 

 

BG

BG00

X

Somovit (Сомовит)

BGSOM

BGRDU

 

 

BG

BG00

X

Sozopol (Созопол)

BGSOZ

BGBOJ

 

 

BG

BG00

X

Svistov (Свищов)

BGSVI

BGRDU

 

 

BG

BG00

X

Toutracan (Тутракан)

BGTRP

BGRDU

 

 

BG

BG00

X

Tzarevo (Царево)

BGMIC

BGBOJ

 

 

BG

BG00

X

Varna (Варна)

BGVAR

 

X

 

BG

BG00

X

Varna-Zapad (Варна-Запад)

BGVAZ

BGVAR

 

 

BG

BG00

X

Vidin (Видин)

BGVID

BGLOM

 

 

BG

BG00

X

BG offshore-installaties

BG88P

 

 

 

BG

BG00

X

Overige — Bulgarije

BG888

 

 

 

 

 

 

17

17

13

4

 

DK

DK00

X

Aabenraa

DKAAB

 

X

885-00

DK

DK00

X

Aalborg

DKAAL

 

X

970-00

DK

DK00

X

Aalborg Portland (Cementfabrikken Rørdal)

DKROR

 

X

971-00

DK

DK00

X

Århus

DKAAR

 

X

980-00

DK

DK00

X

Årø

DKARO

 

X

363-02

DK

DK00

X

Årøsund

DKARD

 

X

363-01

DK

DK00

X

Ærøskøbing

DKARK

 

X

864-00

DK

DK00

X

Agersø

DKAGO

 

X

493-01

DK

DK00

X

Agger Havn

DKAGH

 

X

896-00

DK

DK00

X

Aggersund Havn

DKASH

 

X

976-00

DK

DK00

X

Anholt

DKANH

 

X

982-01

DK

DK00

X

Askø

DKASK

 

X

599-02

DK

DK00

X

Asnæsværkets Havn

DKASV

 

X

462-00

DK

DK00

X

Assens

DKASN

 

X

285-00

DK

DK00

X

Augustenborg

DKAUB

 

X

881-00

DK

DK00

X

Avedøreværkets Havn

DKAVE

 

X

045-00

DK

DK00

X

Avernakø/Lyø

DKAVK

 

X

869-03

DK

DK00

X

Bågø

DKBGO

 

X

287-00

DK

DK00

X

Bagenkop

DKBAG

 

X

867-00

DK

DK00

X

Ballebro

DKBLB

 

X

888-01

DK

DK00

X

Bandholm (Maribo)

DKBDX

 

X

592-00

DK

DK00

X

Bogø

DKBOG

 

X

636-00

DK

DK00

X

Bøjden

DKBOS

 

X

869-01

DK

DK00

X

Branden Havn

DKBRH

 

X

801-01

DK

DK00

X

Cementfabrikken Danias Havn

DKDAN

 

X

674-01

DK

DK00

X

Cementfabrikken Kongsdal Havn

DKKON

 

X

674-02

DK

DK00

X

Dansk Salts Havn

DKDAS

 

X

675-00

DK

DK00

X

Dragør

DKDRA

 

X

044-00

DK

DK00

X

Ebeltoft

DKEBT

 

X

985-00

DK

DK00

X

Egense

DKEGN

 

X

 

DK

DK00

X

Egernsund

DKEND

 

X

883-00

DK

DK00

X

Endelave

DKEDL

 

X

452-00

DK

DK00

X

Enstedværkets Havn

DKENS

 

X

886-00

DK

DK00

X

Esbjerg

DKEBJ

 

X

260-00

DK

DK00

X

Fåborg Havn

DKFAA

 

X

861-00

DK

DK00

X

Fakse Ladeplads Havn

DKFAK

 

X

637-00

DK

DK00

X

Feggesund

DKFGS

 

X

897-01

DK

DK00

X

Fejø

DKFEJ

 

X

598-01

DK

DK00

X

Femø

DKFMO

 

X

598-02

DK

DK00

X

Fredericia (Og Shell-Havnen)

DKFRC

 

X

280-00

DK

DK00

X

Frederikshavn

DKFDH

 

X

290-00

DK

DK00

X

Frederikssund Havn

DKFDS

 

X

371-00

DK

DK00

X

Frederiskværk Havn (Frederiksværk Stålvalseværk)

DKSVV

 

X

374-00

DK

DK00

X

Fur

DKFUH

 

X

803-00

DK

DK00

X

Fynshav

DKFYH

 

X

887-00

DK

DK00

X

Gedser

DKGED

 

X

593-00

DK

DK00

X

Gråsten

DKGRA

 

X

882-00

DK

DK00

X

Grenå

DKGRE

 

X

986-00

DK

DK00

X

Gulfhavnen

DKGFH

 

X

592-01

DK

DK00

X

Haderslev

DKHAD

 

X

360-00

DK

DK00

X

Hadsund

DKHSU

 

X

969-00

DK

DK00

X

Hals

DKHAS

 

X

 

DK

DK00

X

Hanstholm

DKHAN

 

X

891-00

DK

DK00

X

Hardeshøj

DKHDH

 

X

888-02

DK

DK00

X

Hasle

DKHSL

 

X

744-00

DK

DK00

X

Havneby

DKHNB

 

X

366-00

DK

DK00

X

Havnsø

DKHVN

 

X

467-00

DK

DK00

X

Helsingør (Elsinore)

DKHLS

 

X

370-00

DK

DK00

X

Hirtshals

DKHIR

 

X

291-00

DK

DK00

X

Hobro

DKHBO

 

X

979-00

DK

DK00

X

Holbæk

DKHBK

 

X

463-01

DK

DK00

X

Holstebro-Struer Havn

DKSTR

 

X

444-00

DK

DK00

X

Horsens

DKHOR

 

X

450-00

DK

DK00

X

Hou Havn

DKHOH

 

X

982-02

DK

DK00

X

Hundested

DKHUN

 

X

375-00

DK

DK00

X

Hvalpsund

DKHVA

 

X

977-00

DK

DK00

X

Juelsminde Havn

DKJUE

 

X

451-00

DK

DK00

X

Kalundborg

DKKAL

 

X

460-00

DK

DK00

X

Kastrup

DKKTP

 

X

043-00

DK

DK00

X

Kerteminde

DKKTD

 

X

643-00

DK

DK00

X

Kleppen

DK102

 

X

 

DK

DK00

X

Københavns Havn

DKCPH

 

X

040-00

DK

DK00

X

Køge

DKKOG

 

X

510-00

DK

DK00

X

Kolby Kås Havn

DKKOK

 

X

984-00

DK

DK00

X

Kolding

DKKOL

 

X

480-00

DK

DK00

X

Korsør

DKKRR

 

X

490-00

DK

DK00

X

Kragenæs

DKKRA

 

X

599-03

DK

DK00

X

Kyndbyværkets Havn

DKKBY

 

X

372-00

DK

DK00

X

Lemvig

DKLVG

 

X

441-00

DK

DK00

X

Lindø Havn

DKLIN

 

X

641-00

DK

DK00

X

Løgstør

DKLGR

 

X

975-00

DK

DK00

X

Lohals

DKLOH

 

X

866-00

DK

DK00

X

Lyngs Odde Havn

DKLYO

 

X

283-00

DK

DK00

X

Marbæk Havn

DKMRB

 

X

377-00

DK

DK00

X

Mariager

DKMRR

DKDAS

 

 

DK

DK00

X

Marstal

DKMRS

 

X

862-00

DK

DK00

X

Masnedøværkets Havn

DKMAS

 

X

634-00

DK

DK00

X

Masnedsund

DKMNS

DKVOR

 

 

DK

DK00

X

Masnedø Gødningshavn (Uno-X Havn)

DKUNX

 

X

835-00

DK

DK00

X

Middelfart

DKMID

 

X

284-00

DK

DK00

X

Mommark

DKMOM

 

X

888-03

DK

DK00

X

Næssund

DKNUD

 

X

897-02

DK

DK00

X

Næstved

DKNVD

 

X

630-00

DK

DK00

X

Nakskov

DKNAK

 

X

594-00

DK

DK00

X

Neksø

DKNEX

 

X

742-00

DK

DK00

X

Nordby Havn, Fanø

DKNDB

 

X

261-00

DK

DK00

X

Nordjyllandsværkets Havn

DKVSV

 

X

974-00

DK

DK00

X

Nørresundby

DKNRS

DKAAL

 

 

DK

DK00

X

Nyborg

DKNBG

 

X

870-00

DK

DK00

X

Nykøbing Falster

DKNYF

 

X

590-00

DK

DK00

X

Nykøbing Mors

DKNYM

 

X

892-00

DK

DK00

X

Nysted

DKNTD

 

X

597-00

DK

DK00

X

Odense

DKODE

 

X

640-00

DK

DK00

X

Omø

DKOMO

 

X

593-02

DK

DK00