ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 302

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
13 november 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 1119/2008 van de Commissie van 12 november 2008 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

 

Verordening (EG) nr. 1120/2008 van de Commissie van 12 november 2008 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt voor de afgifte van in de periode van 3 tot en met 7 november 2008 aangevraagde certificaten voor de invoer van producten van de sector suiker in het kader van de tariefcontingenten en preferentiële overeenkomsten

3

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2008/853/EG

 

*

Beschikking van de Raad van 20 oktober 2008 betreffende de toekenning door de autoriteiten van Cyprus van buitengewone overheidssteun om de gevolgen van de droogte van 2007/2008 in de landbouwsector te beperken

7

 

 

Commissie

 

 

2008/854/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 2 juli 2008 betreffende de steunregeling Regionale Wet nr. 9 van 1998 — Onrechtmatige toepassing van steunmaatregel N 272/98 C 1/04 (ex NN 158/03 en CP 15/2003) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 2997)  ( 1 )

9

 

 

2008/855/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 3 november 2008 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6349)  ( 1 )

19

 

 

2008/856/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 6 november 2008 tot wijziging van Beschikking 2002/613/EG wat betreft de erkende varkensspermacentra in Canada en de Verenigde Staten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6473)  ( 1 )

26

 

 

2008/857/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 10 november 2008 tot wijziging van Beschikking 2004/4/EG houdende machtiging van de lidstaten om ten aanzien van Egypte tijdelijk aanvullende maatregelen te nemen tegen de verspreiding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6583)

28

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Gemeenschappelijk Standpunt 2008/858/GBVB van de Raad van 10 november 2008 ter ondersteuning van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC) in het kader van de uitvoering van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

29

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (Gecodificeerde versie) (PB L 114 van 26.4.2008)

37

 

 

 

*

Bericht aan de lezer (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/1


VERORDENING (EG) Nr. 1119/2008 VAN DE COMMISSIE

van 12 november 2008

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 13 november 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 november 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

34,6

MA

55,8

MK

46,2

TR

75,9

ZZ

53,1

0707 00 05

JO

175,9

MA

38,9

TR

90,4

ZZ

101,7

0709 90 70

MA

62,9

TR

112,6

ZZ

87,8

0805 20 10

MA

76,7

ZZ

76,7

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

HR

26,6

MA

75,0

TR

73,6

ZZ

58,4

0805 50 10

MA

60,4

TR

97,0

ZA

87,0

ZZ

81,5

0806 10 10

BR

221,0

TR

117,5

US

272,9

ZA

197,4

ZZ

202,2

0808 10 80

AL

32,1

CA

96,0

CL

64,2

MK

37,6

US

116,4

ZA

85,7

ZZ

72,0

0808 20 50

CN

85,3

ZZ

85,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/3


VERORDENING (EG) Nr. 1120/2008 VAN DE COMMISSIE

van 12 november 2008

tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt voor de afgifte van in de periode van 3 tot en met 7 november 2008 aangevraagde certificaten voor de invoer van producten van de sector suiker in het kader van de tariefcontingenten en preferentiële overeenkomsten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 950/2006 van de Commissie van 28 juni 2006 tot vaststelling, voor de verkoopseizoenen 2006/2007, 2007/2008 en 2008/2009, van de uitvoeringsbepalingen voor de invoer en de raffinage van suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten en preferentiële overeenkomsten (2) en met name op artikel 5, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de periode van 3 tot en met 7 november 2008 zijn bij de bevoegde autoriteiten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 950/2006 en/of Verordening (EG) nr. 508/2007 van de Raad van 7 mei 2007 houdende opening van tariefcontingenten voor de invoer in Bulgarije en Roemenië van ruwe rietsuiker voor de voorziening van raffinaderijen in de verkoopseizoenen 2006/2007, 2007/2008 en 2008/2009 (3) invoercertificaataanvragen ingediend voor een totale hoeveelheid die gelijk is aan of groter is dan de voor volgnummer 09.4434 beschikbare hoeveelheid.

(2)

In dergelijke omstandigheden dient de Commissie een toewijzingscoëfficiënt vast te stellen aan de hand waarvan naar rata van de beschikbare hoeveelheid certificaten kunnen worden afgegeven, en dient zij aan de lidstaten te melden dat de betrokken maximumhoeveelheid is bereikt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De certificaten met betrekking tot de invoercertificaataanvragen die in de periode van 3 tot en met 7 november 2008 overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 950/2006 en/of artikel 3 van Verordening (EG) nr. 508/2007 zijn ingediend, worden afgegeven met inachtneming van de in de bijlage bij de onderhavige verordening aangegeven maximumhoeveelheden.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 november 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 1.

(3)  PB L 122 van 11.5.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Preferentiële suiker ACS-India

Hoofdstuk IV van Verordening (EG) nr. 950/2006

Verkoopseizoen 2008/2009

Volgnummer

Land

Te leveren percentage van de voor de week van 3.11.2008-7.11.2008 aangevraagde hoeveelheden

Maximumhoeveelheid

09.4331

Barbados

100

 

09.4332

Belize

100

 

09.4333

Ivoorkust

100

 

09.4334

Republiek Congo

100

 

09.4335

Fiji

100

 

09.4336

Guyana

100

 

09.4337

India

0

Bereikt

09.4338

Jamaica

100

 

09.4339

Kenia

100

 

09.4340

Madagaskar

100

 

09.4341

Malawi

100

 

09.4342

Mauritius

100

 

09.4343

Mozambique

100

 

09.4344

Saint Kitts en Nevis

 

09.4345

Suriname

 

09.4346

Swaziland

100

 

09.4347

Tanzania

100

 

09.4348

Trinidad en Tobago

100

 

09.4349

Oeganda

 

09.4350

Zambia

100

 

09.4351

Zimbabwe

100

 


Aanvullende suiker

Hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 950/2006

Verkoopseizoen 2008/2009

Volgnummer

Land

Te leveren percentage van de voor de week van 3.11.2008-7.11.2008 aangevraagde hoeveelheden

Maximumhoeveelheid

09.4315

India

 

09.4316

Ondertekenaars van het ACS-protocol

 


Suiker CXL-concessies

Hoofdstuk VI van Verordening (EG) nr. 950/2006

Verkoopseizoen 2008/2009

Volgnummer

Land

Te leveren percentage van de voor de week van 3.11.2008-7.11.2008 aangevraagde hoeveelheden

Maximumhoeveelheid

09.4317

Australië

0

Bereikt

09.4318

Brazilië

0

Bereikt

09.4319

Cuba

0

Bereikt

09.4320

Andere derde landen

0

Bereikt


Balkansuiker

Hoofdstuk VII van Verordening (EG) nr. 950/2006

Verkoopseizoen 2008/2009

Volgnummer

Land

Te leveren percentage van de voor de week van 3.11.2008-7.11.2008 aangevraagde hoeveelheden

Maximumhoeveelheid

09.4324

Albanië

100

 

09.4325

Bosnië en Herzegovina

0

Bereikt

09.4326

Servië en Kosovo

100

 

09.4327

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

100

 

09.4328

Kroatië

100

 


Suiker voor uitzonderlijke en voor industriële invoer

Hoofdstuk VIII van Verordening (EG) nr. 950/2006

Verkoopseizoen 2008/2009

Volgnummer

Type invoer

Te leveren percentage van de voor de week van 3.11.2008-7.11.2008 aangevraagde hoeveelheden

Maximumhoeveelheid

09.4380

Uitzonderlijke invoer

 

09.4390

Industriële invoer

100

 


Aanvullende EPO-suiker

Hoofdstuk VIII bis van Verordening (EG) nr. 950/2006

Verkoopseizoen 2008/2009

Volgnummer

Land

Te leveren percentage van de voor de week van 3.11.2008-7.11.2008 aangevraagde hoeveelheden

Maximumhoeveelheid

09.4431

Comoren, Madagaskar, Mauritius, Seychellen, Zimbabwe

100

 

09.4432

Burundi, Kenia, Oeganda, Rwanda, Tanzania

100

 

09.4433

Swaziland

100

 

09.4434

Mozambique

100

Bereikt

09.4435

Antigua en Barbuda, Bahamas, Barbados, Belize, Dominica, Dominicaanse Republiek, Grenada, Guyana, Haïti, Jamaica, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Suriname, Trinidad en Tobago

100

 

09.4436

Dominicaanse Republiek

0

Bereikt

09.4437

Fiji, Papoea-Nieuw-Guinea

100

 


Invoer van suiker in het kader van de voor Bulgarije en Roemenië geopende overgangstariefcontingenten

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 508/2007

Verkoopseizoen 2008/2009

Volgnummer

Type invoer

Te leveren percentage van de voor de week van 3.11.2008-7.11.2008 aangevraagde hoeveelheden

Maximumhoeveelheid

09.4365

Bulgarije

0

Bereikt

09.4366

Roemenië

100

 


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/7


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 20 oktober 2008

betreffende de toekenning door de autoriteiten van Cyprus van buitengewone overheidssteun om de gevolgen van de droogte van 2007/2008 in de landbouwsector te beperken

(2008/853/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, derde alinea,

Gezien het verzoek van de regering van Cyprus van 19 september 2008,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Cyprus heeft op 19 september 2008 bij de Raad een verzoek ingediend voor een beschikking overeenkomstig artikel 88, lid 2, derde alinea, van het Verdrag, volgens welke de Raad verklaart dat het plan van Cyprus om nationale steun te verlenen aan door extreme droogte getroffen Cypriotische landbouwers, teneinde hen in staat te stellen de productiecyclus van het volgende seizoen op gang te brengen, verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

(2)

Cyprus heeft te kampen gehad met de op één na meest ernstige en langdurige droogte sedert 1900, als gevolg van een tekort aan neerslag in 2007 en 2008, waarbij augustus 2008 de heetste maand van het laatste decennium was en de neerslag van januari tot eind augustus 2008 slechts de helft van de normale waarden bereikte.

(3)

Volgens voorlopige gegevens over de oogst van 2008 heeft 95 % van het met graan bebouwde areaal helemaal niets opgebracht, terwijl de voederproductie zo drastisch is gedaald dat zelfs de minimale voedernormen voor herkauwers niet meer worden gedekt.

(4)

Het Cypriotische netwerk van dammen, dat eind 2005 ongeveer 150 miljoen m3 water of 54,7 % van de totale capaciteit bevatte, bevat momenteel nog slechts 11 miljoen m3 water of 4 % van de totale capaciteit, waardoor de autoriteiten verplicht waren de watervoorziening voor irrigatie begin 2007 strikt te rantsoeneren en in 2008 tot nul terug te brengen.

(5)

Die schade moet als des te ernstiger en uitzonderlijker worden beschouwd daar Cyprus in doeltreffende instrumenten voor risico- en crisisbeheer heeft voorzien. Cyprus past met name verbeterde irrigatietechnieken toe op bijna 95 % van het geïrrigeerde areaal en heeft een waterprijsbeleid ingevoerd alsook sancties om overmatig watergebruik en het verlies van water te ontmoedigen; daarnaast heeft het de installatie van systemen voor het recycleren van water in huizen bevorderd en stimulansen daarvoor verstrekt. Voorts bevat het nationaal programma voor plattelandsontwikkeling 2007-2013 van Cyprus reeds een aantal maatregelen ter verbetering van het gebruik van water.

(6)

Doordat het inkomen van de door droogte getroffen Cypriotische landbouwers drastisch is gedaald, dreigen zij niet over de nodige financiële middelen te beschikken om aan de onmiddellijke behoeften van hun gezin te voldoen en een nieuw seizoen te beginnen, waardoor het gevaar dreigt van buitengebruikstelling van grond, bodemerosie en woestijnvorming.

(7)

De te verlenen overheidssteun bedraagt 67,5 miljoen EUR en zal ten goede komen aan 34 000 landbouwers en 3 000 veehouders die daarvoor in aanmerking komen.

(8)

Om doeltreffend te zijn, moet de overheidssteun zo spoedig mogelijk worden toegekend en voor de landbouwers toegankelijk zijn.

(9)

De Commissie heeft vooralsnog geen advies over de aard en de verenigbaarheid van de steun gegeven.

(10)

Er is dus sprake van buitengewone omstandigheden, waardoor de steun in afwijking van de geldende bepalingen als verenigbaar kan worden beschouwd met de gemeenschappelijke markt, voor zover die steun strikt noodzakelijk is om de noodsituatie te verhelpen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Buitengewone aanvullende steun van de Cypriotische autoriteiten voor de landbouwsector voor een maximumbedrag van 67,5 miljoen EUR, wordt beschouwd als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Republiek Cyprus.

Gedaan te Luxemburg, 20 oktober 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

J.-L. BORLOO


Commissie

13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/9


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 2 juli 2008

betreffende de steunregeling „Regionale Wet nr. 9 van 1998 — Onrechtmatige toepassing van steunmaatregel N 272/98” C 1/04 (ex NN 158/03 en CP 15/2003)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 2997)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/854/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1), en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Op 21 februari 2003 heeft de Commissie een klacht ontvangen (ingeschreven onder nummer CP 15/03), betreffende de onrechtmatige toepassing van een regionale steunregeling ten behoeve van het hotelbedrijf in Sardinië, die de Commissie in 1998 had goedgekeurd (zaak N 272/98).

(2)

Bij brief van 26 februari 2003 (D/51355) verzocht de Commissie de Italiaanse autoriteiten om nadere uitleg. De Commissie stemde bij brief van 28 maart 2003 in met een verzoek van de Italiaanse autoriteiten om de termijn voor het verstrekken van de gegevens te verlengen; deze werden vervolgens bij brief van 22 april 2003 (A/33012) verstrekt.

(3)

Op 3 februari 2004 besloot de Commissie tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure „Onrechtmatige toepassing van steunmaatregel N 272/98 — Besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2”, van het Europese Gemeenschap Verdrag. Het besluit tot inleiding van de procedure werd in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (2). De Commissie verzocht de belanghebbenden hun opmerkingen te maken.

(4)

Bij brief van 10 maart 2004 (D/5172) heeft de Commissie het verzoek van de Italiaanse autoriteiten om de termijn voor het indienen van opmerkingen te verlengen, ingewilligd. De Italiaanse autoriteiten zouden opmerkingen maken bij brief van 19 april 2004, die bij de Commissie op 26 april 2004 werd ingeschreven (A/32956).

(5)

Bij brief van 30 april 2004, die op dezelfde dag bij de Commissie werd ingeschreven, ontving de Commissie opmerkingen van één belanghebbende, een begunstigde van de steunregeling. De Commissie ontving geen verdere opmerkingen van de klager.

(6)

Bij brief D/53359 van 13 mei 2004 zond de Commissie de ontvangen opmerkingen aan de Italiaanse autoriteiten zodat zij daarop konden antwoorden.

(7)

De Italiaanse autoriteiten reageerden niet op de ingediende opmerkingen.

(8)

Op 7 december 2004 vond in Brussel een bijeenkomst met de Italiaanse autoriteiten plaats.

(9)

Bij brief van 28 juni 2005, die op 30 juni 2005 bij de Commissie werd ingeschreven (A/35257), verstrekten de Italiaanse autoriteiten aanvullende gegevens.

(10)

Op 22 november 2006 besloot de Commissie de procedure te corrigeren en uit te breiden; dit besluit werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3). De Commissie maande de belanghebbenden aan hun opmerkingen te maken.

(11)

Noch van de Italiaanse autoriteiten, noch van andere belanghebbenden zijn opmerkingen over het besluit ontvangen.

2.   BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL

(12)

Steunregeling N 272/98 voorziet in subsidies voor initiële investeringen in het hotelbedrijf in Sardinië. De regionale steunregeling werd door de Commissie in 1998 goedgekeurd (4), en op grond van de uitzonderingsbepaling van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag verenigbaar geacht met de gemeenschappelijke markt.

(13)

De regeling omvat twee steunmaatregelen:

a)

steun voor initiële investeringen in de vorm van subsidies en leningen tegen gunstige voorwaarden;

b)

de-minimis bedrijfssteun in de vorm van rentesubsidies uit hoofde van artikel 9 van Regionale Wet nr. 9 van 11 maart 1998.

De onderhavige beschikking betreft niet het tweede deel van de regeling, dat hier slechts volledigheidshalve wordt vermeld.

(14)

De Italiaanse autoriteiten hebben de tekst van Regionale Wet nr. 9 van 1998 aangemeld inzake de regionale steunregeling maar deelden daarbij geen uitvoeringsbepalingen mee.

(15)

In haar besluit tot goedkeuring van de regeling beschreef de Commissie de maatregel als volgt:

a)

met de regeling wordt beoogd steun voor initiële investeringen in de toeristische sector te verstrekken;

b)

de steun wordt verleend in de vorm van subsidies met een maximum steunintensiteit van 40 % van de subsidiabele kosten, plus een zachte lening ten belope van 35 % van de subsidiabele kosten (de rentesubsidie kan de referentierente tot 60 % doen dalen);

c)

in de beschikking wordt uitdrukkelijk gewezen op de verplichting van de Italiaanse autoriteiten de steunintensiteit aan te passen wanneer de Italiaanse regionalesteunkaart voor de periode 2000-2006 eenmaal is goedgekeurd;

d)

de regeling heeft een onbeperkte looptijd; er is een begroting aan verbonden van 2,6 miljoen EUR voor het eerste jaar van uitvoering van de maatregel;

e)

steunaanvragen moeten worden ingediend voordat met de uitvoering van het project wordt begonnen;

f)

steun in de vorm van rentesubsidies kan echter onder bepaalde omstandigheden worden verleend voor investeringen die al voor de uitvoering van Regionale Wet nr. 40 van 1993 zijn gedaan. De Italiaanse autoriteiten hebben zich ertoe verbonden dit soort uitsluitend tot de minimis-steun te beperken.

(16)

Nadat de Commissie de regeling had goedgekeurd, heeft de regio Sardinië een decreet en een aantal resoluties (deliberazioni) inzake de tenuitvoerlegging van de regeling goedgekeurd. Decreet nr. 285, dat in april 1999 (5) werd goedgekeurd, werd gevolgd door verscheidene administratieve besluiten, met name de resoluties nr. 33/4 en nr. 33/6 van 27 juli 2000. Overeenkomstig resolutie nr. 33/6, dat parallel met resolutie nr. 33/4 van toepassing is, mag in bepaalde uitzonderlijke gevallen steun worden verleend ook al is met de werkzaamheden een begin gemaakt voordat de aanvraag was ingediend.

(17)

Na de goedkeuring van de Italiaanse regionalesteunkaart voor de periode 2000-2006 (6) werden de steunintensiteiten waarin de regeling voorzag, aangepast. Bij brief van 2 november 2000 (A/39177) stelden de Italiaanse autoriteiten de Commissie op de hoogte van de uitvoeringsmaatregelen die met het oog op de tenuitvoerlegging van de dienstige maatregelen waren vastgesteld; hierin werd bevestigd:

a)

de aanpassing van de steunintensiteiten aan de steunplafonds die in de Italiaanse regionalesteunkaart voor de periode 2000-2006 zijn vastgelegd (zie met name resolutie nr. 34/73 van 8 augustus 2000);

b)

de inachtneming van het beginsel van de noodzaak van de steun (zie met name artikel 6 van resolutie nr. 33/4 van 27 juli 2000, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat kosten die na de financieringsaanvraag worden gemaakt subsidiabel zijn) (7).

(18)

Op basis van de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte gegevens nam de Commissie er in een brief van 17 mei 2001 kennis van dat Italië het voorstel voor passende maatregelen had aanvaard en bevestigde zij dat de regeling in overeenstemming was gebracht met de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 (hierna „richtsnoeren van1998”) (8).

(19)

De regeling werd in feite ten uitvoer gelegd door middel van een oproep tot het indienen van steunaanvragen overeenkomstig de hogervermelde besluiten.

(20)

Volgens de Italiaanse autoriteiten is de eerste uitnodiging tot het indienen van aanvragen in het kader van de regeling (zogenoemde oproep van 2000) in 2001 bekendgemaakt.

(21)

Volgens de beschikbare gegevens werd de eerste oproep tot het indienen van aanvragen gevolgd door de goedkeuring van de volgende besluiten:

Op 31 januari 2002 hechtte de regio Sardinië haar goedkeuring aan resolutie nr. 3/24, waarin een eerste lijst van steunontvangers in een aantal sectoren wordt voorgesteld. De daarbij geldende selectiecriteria werden opgesomd in resolutie nr. 33/4 en in een circulaire van 21 november 2000 nader gedetailleerd;

Op 16 april 2002 keurde de regio Sardinië resolutie nr. 12/17 goed, waarin hogervermelde lijst van begunstigden werd gewijzigd en een andere lijst werd voorgesteld;

Op 18 juli 2002 hechtte de regio Sardinië haar goedkeuring aan resolutie nr. 23/40 waarin de lijst van in aanmerking komende projecten in het kader van de oproep van 2000 wordt goedgekeurd;

Op 7 februari 2003 keurde de regio Sardinië resolutie nr. 5/38 goed, waarin fouten met betrekking tot enkele in resolutie nr. 23/40 genoemde steunontvangers worden gecorrigeerd.

(22)

In de door hen op 22 april 2003 verstrekte gegevens (op 28 april 2003 onder nummer A/33012 bij de Commissie ingeschreven) verklaarden de Italiaanse autoriteiten, op bladzijde 13, dat „in het belang van de regio” was besloten om „in de lijst bepaalde zogenoemde „kritieke” projecten (dat wil zeggen projecten met de uitvoering waarvan voor de datum van de steunaanvraag maar na de inwerkingtreding van de wet op 5 april 1998 een begin was gemaakt) op te nemen”. Hierdoor is volgens de Italiaanse autoriteiten in 2002 steun verleend aan ten minste 28 investeringsprojecten met de uitvoering waarvan een begin was gemaakt voor de datum waarop steun was aangevraagd, waarbij het totale bedrag van de steun circa 24 miljoen euro bedroeg.

3.   REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE

(23)

Toen zij de formele onderzoeksprocedure inleidde, wees de Commissie erop dat punt 4.2 van de richtsnoeren van 1998 bepaalde dat de steunaanvraag voor de aanvang van de uitvoering van het project moet worden ingediend.

(24)

De Commissie wees er daarnaast op dat deze verplichting ook werd bevestigd in haar beschikking van 1998 waarin zij aangaf geen bezwaar te maken tegen de regionale steunregeling ten behoeve van het hotelbedrijf in de regio Sardinië (N 272/1998).

(25)

Alhoewel de Commissie in haar beschikking had aangegeven dat de steunaanvraag voor de aanvang van de uitvoering van het project moet worden ingediend en hoewel de Italiaanse autoriteiten in het kader van de uitvoering van de dienstige maatregelen na de inwerkingtreding van de richtsnoeren van 1998 uitdrukkelijk hadden bevestigd dat aan die verplichting was voldaan (9), stelden zij niettemin verscheidene uitvoeringsbepalingen vast, (met name de resolutie van 22 december 1998 en resolutie nr. 33/6 van 27 juli 2000) die nooit aan de Commissie zijn voorgelegd. Overeenkomstig deze uitvoeringsbepalingen kon bij wijze van uitzondering en alleen in het eerste jaar waarin de regeling wordt uitgevoerd, op basis van de eerste oproep tot het indienen van steunaanvragen steun worden toegekend aan projecten voor de steunaanvraag. De Commissie is derhalve van mening dat de Italiaanse autoriteiten niet aan de verplichtingen die hun zijn opgelegd in de beschikking van de Commissie waarin de steunregeling werd goedgekeurd noch aan de in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen vervatte vereisten hebben voldaan.

(26)

De Commissie oordeelde daarom dat het stimulerende effect van de steun kon worden ondermijnd doordat er voor de aanvang van de uitvoering van het project geen steunaanvraag is ingediend. Dit zou een geval van misbruik van steunmaatregel N 272/98 kunnen vormen dat zou worden opgevangen door artikel 16 van Verordening (EG) nr. 659/1999 (de „procedureverordening”) (10), en de Commissie betwijfelde of steun die was toegekend aan investeringen die waren gestart voor de aanvraagdatum voor de steun verenigbaar zou zijn met de gemeenschappelijke markt.

4.   REDENEN VOOR HET CORRIGEREN EN UITBREIDEN VAN DE REIKWIJDTE VAN DE PROCEDURE

(27)

In haar eerste besluit de onderzoeksprocedure in te leiden, spitste de Commissie haar analyse toe op het feit dat de uitvoeringsmaatregelen voor de regeling nooit onder haar aandacht waren gebracht. In het besluit werd geen melding gemaakt van resolutie nr. 33/6.

(28)

De steun zoals bedoeld in overweging 22 was echter gebaseerd op resolutie nr. 33/6 en niet op resolutie nr. 33/4, die bij vergissing was geciteerd in het besluit tot inleiding van 3 februari 2004.

(29)

Het oorspronkelijke besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure maakte ook melding van misbruik van een goedgekeurde steunregeling in de zin van artikel 16. Artikel 16 verwijst volgens algemeen begrip naar situaties waarin de begunstigde van goedgekeurde steun de steun toepast in weerwil van de voorwaarden van het afzonderlijke toekenningsbesluit of steuncontract, en niet naar situaties waar een lidstaat een bestaande steunregeling wijzigt om nieuwe onrechtmatige steun te introduceren (artikel 1, onder c) en f) van de procedureverordening).

(30)

Om deze redenen, en om enig mogelijk misverstand te vermijden, achtte de Commissie het noodzakelijk de reikwijdte van het onderzoek te corrigeren en uit te breiden, en Italië en belanghebbenden uit te nodigen verdere opmerkingen kenbaar te maken.

5.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(31)

Als reactie op de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van het besluit van 2004 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure ontving de Commissie opmerkingen van de volgende belanghebbende:

Grand Hotel Abi d’Oru SpA.

De belanghebbende gaf aan dat er inderdaad een stimulerend effect was, en dat was voldaan aan het beginsel van noodzaak van de steun.

(32)

De belanghebbende voerde aan dat het stimulerende effect en het beginsel van noodzaak volledig waren gerespecteerd, om de volgende redenen;

Ten eerste, had de belanghebbende een aanvraag ingediend voor steun in het kader van een andere regionale steunregeling, N 715/99 (Wet nr. 488 van 1992) (11). Die aanvraag was tweemaal aanvaard, maar er was geen steun toegekend vanwege begrotingsbeperkingen;

Omdat zij geen steun had ontvangen in het kader van die regeling, en gezien het feit dat de maatregelen die Regionale Wet nr. 9 van 1998 ten uitvoer legden tegelijkertijd werden bekendgemaakt (mei 1999), had de belanghebbende besloten steun aan te vragen in het kader van de nu onderzochte regeling. Zij was ervan uitgegaan dat haar aanvraag zou worden aanvaard, ondanks het feit dat de uitvoering van de projecten reeds was aangevat, op basis van de bepalingen van de eerste uitvoeringsmaatregel, decreet nr. 285 van 1999, dat toeliet dat steun werd verleend voor reeds aangevatte projecten op voorwaarde dat zij waren aangevat na de inwerkingtreding van Regionale Wet nr. 9 van 1998 op 5 april 1998;

De steunaanvraag die was ingediend op basis van de nu onderzochte steunregeling betrof slechts een deel van een groter investeringsproject (de in aanmerking komende kosten van het oorspronkelijke investeringsproject beliepen 10 500 000 EUR; de in aanmerking komende kosten die werden genoemd in de aanvraag in het kader van de onderzochte regeling beliepen 9 039 028 EUR);

Het was irrelevant dat de steunaanvraag op basis van de onderzochte steunregeling was ingediend nadat de werkzaamheden waren gestart, aangezien die aanvraag slechts een herindiening was van dezelfde aanvraag die tevoren in het kader van een andere regionale steunregeling was ingediend en hetzelfde investeringsproject betrof.

(33)

De belanghebbende voerde ook aan dat de steun noodzakelijk was, en betoogde dat zij zonder openbare financiering geen dergelijk investeringsproject had ondernomen. Om de investering te starten, in afwachting van toekenning van de steun, had zij haar toevlucht genomen tot kortlopende bankkredieten.

(34)

De Commissie ontving geen verdere opmerkingen na de publicatie van het besluit waarbij de reikwijdte van de procedure werd gecorrigeerd en uitgebreid (12).

6.   OPMERKINGEN VAN ITALIË

(35)

In antwoord op de vaststellingen van de Commissie in de brief tot inleiding van het onderzoek voerden de Italiaanse autoriteiten drie hoofdargumenten aan, betreffende het bestaan van legitieme verwachtingen, het stimulerende effect van de steun en de bepaling van de de-minimisdrempel.

(36)

In hun opmerkingen beriepen de Italiaanse autoriteiten zich op legitieme verwachtingen en riepen zij ook het beginsel van rechtszekerheid in. Eerst voerden zij aan dat Regionale Wet nr. 9 van 1998 in zekere zin door de begunstigden werd beschouwd als voortzetting van een vroegere regeling, Regionale Wet nr. 40 van 1993, die nog van kracht was in de betreffende periode, en op continue basis werkzaam was (regeling N 611/93, gewijzigd door N 250/01). Dit vroegere systeem had ertoe bijgedragen begunstigden een rechtmatige verwachting te geven dat zij subsidies zouden kunnen verkrijgen wanneer zij een aanvraag indienden, ongeacht of de werkzaamheden reeds waren begonnen.

(37)

De Italiaanse autoriteiten wezen er voorts op dat de uitvoeringsmaatregelen voor de regeling werden genomen nadat de regeling door de Commissie was goedgekeurd. De eerste van die maatregelen, decreet nr. 285 van 1999, was aangenomen op 29 april 1999. Artikel 17 van dat decreet („overgangsbepalingen”) stelde dat kosten die waren gemaakt na de inwerkingtreding van de wet op 5 april 1998 in aanmerking kwamen. Het decreet werd bekendgemaakt in het officiële publicatieblad van de Regio Sardinië op 8 mei 1999 (13).

(38)

De Italiaanse autoriteiten voegden daaraan toe dat decreet nr. 285 van 1999 was ingetrokken door resolutie nr. 33/3 op 27 juli 2000 omdat het gebreken vertoonde. Tegelijkertijd nam de regionale overheid nieuwe invoeringsmaatregelen aan, waarvan aan de Commissie kennis werd gegeven op 20 september 2000.

(39)

De Italiaanse autoriteiten benadrukten dat bij het aannemen van deze resoluties op 27 juli 2000, de Regio Sardinië ermee rekening had moeten houden dat de bekendmaking van decreet nr. 285 van 1999 in het officiële publicatieblad bij de begunstigden legitieme verwachtingen opwekte. Dat was waarom voor de eerste oproep tot het indienen van aanvragen was besloten dat aanvragen betreffende reeds gestarte investeringsprojecten zouden worden aanvaard krachtens artikel 9 van Regionale Wet nr. 9 van 1998. Resolutie nr. 33/6, „Overgangsbepaling voor de eerste oproep tot het indienen van aanvragen”, stelde dan ook dat bij wijze van uitzondering, voor aanvragen ingediend na de eerste oproep, kosten voor steun in aanmerking zouden komen indien zij waren gemaakt na 5 april 1998, de datum waarop Regionale Wet nr. 9 van 1998 in werking trad.

(40)

De Italiaanse autoriteiten wezen erop dat de Commissie in haar schrijven van 17 mei 2001 (D/52027), van dienstige maatregel, had besloten dat de regeling verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt, na de Italiaanse autoriteiten gevraagd te hebben artikel 9 van Wet nr. 9 van 1998 ten uitvoer te leggen in overeenstemming met de de-minimisregels in Verordening (EG) nr. 69/2001.

(41)

Zij verklaarden ook dat het, nadat de resolutie van 27 juli 2000 in werking was getreden, voor de praktische tenuitvoerlegging van de regeling nodig was dat steunaanvragen die waren ingediend voordat de eerste oproep tot het indienen van aanvragen was bekendgemaakt, opnieuw werden ingediend aan de hand van de nieuwe formulieren.

(42)

De Italiaanse autoriteiten herhaalden dat er inderdaad een stimulerend effect was, aangezien de subsidies nodig waren voor het afbetalen van bankleningen ter overbrugging van de periode tussen het maken van de kosten en de uitbetaling van de steun.

(43)

Ten slotte stelden de Italiaanse autoriteiten dat begunstigden verplicht waren te kiezen voor de betrokken regionale steunregeling, omdat het hun niet was toegestaan voor hetzelfde project aanvragen in te dienen onder andere steunregelingen. Zij benadrukten dat de Sardische regionale steunregeling die werd vastgesteld bij Regionale Wet nr. 9 van 1998 (N 272/98) en de regionale steunregeling voor het gehele land vastgesteld bij nationale Wet nr. 488 van 1992 (N 715/99), elkaar wederzijds uitsloten.

(44)

De Italiaanse autoriteiten voerden aan dat aan het beginsel van stimulerend effect was voldaan, zelfs in gevallen waar met de werkzaamheden was begonnen voordat de aanvraag was ingediend krachtens artikel 9 van Regionale Wet nr. 9 van 1998. Zij betoogden dat het deel van de steun dat was toegekend voordat de aanvragen waren ingediend, gedekt was door de de-minimisregels. Het deel van de steun onder het plafond van 100 000 EUR dat was toegekend voorafgaand aan de aanvraag, moest afzonderlijk worden beschouwd. Daarbij moest slechts rekening worden gehouden met de kosten die waren gemaakt voor die datum en met de totale kostprijs van het project. Deze overwegingen waren van toepassing op 12 projecten van de 28.

(45)

Na de bekendmaking van de correctie en uitbreiding van de reikwijdte van de procedure werden geen verdere opmerkingen ontvangen.

7.   BEOORDELING VAN DE MAATREGEL

(46)

De conclusie van de beoordeling van regeling N 272/98 was, dat de maatregel overheidssteun was in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag omdat zij beantwoordde aan alle daarin opgesomde criteria.

(47)

De maatregel verschaft een economisch voordeel aan een specifieke categorie begunstigden, en vermindert hun normale kosten. Het voordeel wordt bekostigd, met staatsmiddelen en het dreigt de mededinging te vervalsen, omdat het de financiële positie van enkele ondernemingen versterkt ten opzichte van hun concurrenten. Aangezien hotelhouders in verschillende lidstaten concurreren om toeristen aan te trekken, zal steun die wordt gegeven aan de toeristische sector het intracommunautaire handelsverkeer waarschijnlijk ongunstig beïnvloeden (14).

(48)

De bij de Commissie aangemelde en door haar krachtens artikel 4, lid 3, van de procedureverordening goedgekeurde steunregeling vormt overheidssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

(49)

Bij wijze van dienstige maatregel stelde resolutie nr. 34/73 de steunintensiteit bij tot de plafonds van de nieuwe regionalesteunkaart, en verzekerde daarbij verenigbaarheid met de richtsnoeren van 1998, terwijl resolutie nr. 33/4 ervoor zorgde dat aan het beginsel van stimulerend effect was voldaan; de Commissie besloot derhalve dat deze resoluties geen nieuw element toevoegden aan de eerder goedgekeurde steunregeling, regeling N 272/98.

(50)

De Commissie is van mening dat de door decreet nr. 285 van 1999 ingestelde overgangsbepalingen een wijziging hadden kunnen inhouden van de regeling die de Commissie oorspronkelijk had goedgekeurd. De Commissie heeft nooit enig standpunt ingenomen over die uitvoeringsmaatregel, maar aanvaardt dat het nooit in werking is getreden, aangezien het werd ingetrokken bij resolutie nr. 33/3.

(51)

Regeling N 272/98 werd opnieuw gewijzigd op 27 juli 2000, bij goedkeuring van resoluties nr. 33/4 en nr. 33/6. Zoals boven uiteengezet (overwegingen 16 t/m 21), wijzigde resolutie nr. 33/6 de aangemelde maatregelen op een manier die niet verenigbaar was met de beschikking van de Commissie tot goedkeuring van de steun.

(52)

Zoals uiteengezet in overweging 38, voeren de Italiaanse autoriteiten aan dat zij deze bij wijze genomen uitvoeringsmaatregelen niet aan de Commissie hebben gemeld.

(53)

De Commissie is van mening dat de Italiaanse autoriteiten de resoluties waarnaar boven wordt verwezen niet hebben gemeld, en dat zij, bij wijze van dienstige maatregel, aan de Commissie meedeelden dat met resolutie nr. 33/4 ervoor werd gezorgd dat was voldaan aan het beginsel van stimulerend effect. In dat verband hebben zij de Commissie nooit in kennis gesteld van resolutie nr. 33/6 en bijgevolg gehandeld in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag en hun plicht tot samenwerking krachtens artikel 10 van het Verdrag (15).

(54)

De daarna bij de hoger genoemde bepalingen ten uitvoer gelegde steunregeling is bijgevolg in strijd met de oorspronkelijke beschikking van de Commissie tot goedkeuring van de steun.

(55)

De steunprojecten waarvan de uitvoering was aangevat voordat enige steunaanvraag was ingediend, moeten derhalve als onwettig worden beschouwd.

(56)

De twijfels omtrent de verenigbaarheid die de Commissie uitte in haar brieven van 3 februari 2004 en 22 november 2006, waarmee het formele onderzoek werd ingeleid, werden noch door de Italiaanse autoriteiten noch door de belanghebbende betwist. De Commissie bevestigt derhalve haar beoordeling, die als volgt kan worden samengevat.

(57)

Zoals eerder uiteengezet, waren ten minste 28 investeringsprojecten begonnen op een tijdstip dat zij niet in aanmerking konden komen voor steun in het kader van de regeling.

(58)

De richtsnoeren van 1998 schrijven voor dat een steunaanvraag moet zijn ingediend voordat de uitvoering van een project wordt aangevat.

(59)

Dit vereiste werd herhaald in het besluit van de Commissie van 1998 om geen bezwaar te maken tegen de regionale regeling om de hotelsector in Sardinië te steunen (N 272/1998); in dit besluit wordt uitdrukkelijk bepaald dat de begunstigden steun moeten hebben aangevraagd voordat de uitvoering van een project wordt aangevat.

(60)

Daarenboven, in het kader van het nemen van dienstige maatregelen na de inwerkingtreding van de richtsnoeren van 1998, deelden de Italiaanse autoriteiten resolutie nr. 33/4 van 27 juli 2000 mee, waarvan artikel 6 uitdrukkelijk bepaalt dat kosten in aanmerking komen indien zij zijn gemaakt na het indienen van de steunaanvraag.

(61)

Het beginsel van de noodzaak van steun is een algemeen beginsel dat wordt erkend door het Hof in haar vonnis in de zaak-Philip Morris (16), en is duidelijk een essentiële overweging waar het erom gaat te bepalen of door ondernemingen gedane investeringen in aanmerking komen voor steun krachtens de richtsnoeren van 1998. Het hoger genoemde besluit van de Commissie en de richtsnoeren zelf bepalen beide dat de steunaanvraag moet zijn ingediend voordat de uitvoering van een project wordt aangevat.

(62)

De Italiaanse autoriteiten voeren aan dat het in Italië toegepaste systeem een rechtmatige verwachting heeft geschapen dat het volstaat een aanvraag in te dienen om een subsidie te verkrijgen, ongeacht of de projecten reeds zijn begonnen of niet.

(63)

De Commissie kan dit argument niet aanvaarden, aangezien de beschikking tot goedkeuring van de onderzochte regionale steunregeling uitdrukkelijk bepaalt dat een steunaanvraag wordt ingediend voordat met de projectuitvoering wordt begonnen.

(64)

Resolutie nr. 33/6 werd pas aan de Commissie meegedeeld nadat de klacht was ingediend. Zij werd de Commissie per gewone memo nr. 5245 van 22 april 2003 toegezonden in de loop van de procedure volgend op de klacht (CP 15/2003). Het door de Italiaanse autoriteiten aangevoerde argument van legitieme verwachtingen kan niet worden aanvaard, omdat de Commissie noch aan de Italiaanse autoriteiten noch aan enige andere belanghebbende specifieke toezeggingen heeft gedaan, en zij kunnen derhalve geen gewettigde verwachting wekken dat deze voorwaarde niet van toepassing zou zijn. „Volgens vaste rechtspraak kan op het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen een beroep worden gedaan door iedere particulier die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt, dat de communautaire administratie bij hem gegronde verwachtingen heeft opgewekt … Daarentegen kan geen schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen worden aangevoerd, wanneer de administratie geen nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan” (17).

(65)

Evenmin kan de Commissie instemmen met de door de Italiaanse autoriteiten aangedragen argumenten volgens dewelke er een stimulerend effect was waar de begunstigde vóór aanvatting van de werkzaamheden steun had aangevraagd op grond van een andere regionale steunregeling.

(66)

De Commissie is van mening dat het stimulerende effect niet kan worden overgedragen van één regeling naar een andere, en dat het feit dat een onderneming heeft besloten in het kader van de ene of de andere regeling een aanvraag in te dienen niet kan worden aanvaard als bewijs dat is voldaan aan het beginsel van het stimulerende effect. De Italiaanse autoriteiten hebben zelf benadrukt (zie overweging 43) dat de begunstigde voor hetzelfde project niet meer dan één aanvraag kan indienen in het kader van verschillende steunregelingen en dat de Sardische regionale steunregeling vastgesteld bij Regionale Wet nr. 9 van 1998 (N 272/98) en de regionale steunregeling voor het gehele land vastgesteld bij nationale Wet nr. 488 van 1992 (N 715/99), elkaar wederzijds uitsluiten.

(67)

Evenmin kan de Commissie instemmen met de door de Italiaanse autoriteiten naar voren gebrachte argumenten volgens dewelke er inderdaad een stimulerend effect is omdat de subsidies noodzakelijk zijn voor het terugbetalen van bankleningen ter overbrugging van de periode tussen het maken van de kosten en de uitbetaling van de steun. Het feit dat een marktdeelnemer bereid is werkzaamheden aan te vatten en geld te lenen om de kosten te financieren, bewijst geenszins dat steun nodig is om het project te laten doorgaan, of dat de steun een stimulus betekent om een project te ondernemen dat anders niet zou zijn aangevat. Integendeel, het feit dat een marktdeelnemer bereid is een werk aan te vangen, en de met het project gepaard gaande financiële risico’s te lopen, zelfs zonder een steunaanvraag in het kader van de relevante regeling aan te vragen, wijst erop dat de steun niet nodig is als stimulans.

(68)

Ten slotte kan de Commissie de argumenten van de Italiaanse autoriteiten betreffende de de-minimisregel niet aanvaarden, omdat de de-minimisregel niet kan worden ingeroepen voor het omzeilen van de in de richtsnoeren vervatte verplichting dat, om te voldoen aan het beginsel van stimulerend effect, de aanvraag moet zijn ingediend voordat met de uitvoering van een project wordt begonnen. De te beschouwen som moet betrekking hebben op het project in zijn geheel, en niet slechts op het gedeelte dat is toegekend vóór de steunaanvraag. De Commissie wijst de suggestie van de hand dat zij de initiële werkzaamheden in aanmerking zou moeten nemen krachtens de de-minimisregel en ze daardoor buiten de werkingssfeer van de richtsnoeren zou moeten plaatsen. Voorts hebben de Italiaanse autoriteiten niet alleen geen rekening gehouden met de projecten in hun geheel bij het berekenen van de de-minimisdrempel, maar is het mogelijk dat dezelfde begunstigde de-minimissteun van andere bronnen heeft ontvangen. De Commissie stelt vast dat de Italiaanse autoriteiten hiermee geen rekening hebben gehouden.

(69)

Tot slot is de Commissie van mening dat de Italiaanse autoriteiten niet hebben kunnen aantonen dat de steun is verstrekt in overeenstemming met de voorwaarden van de goedkeuringsbeschikking van de Commissie. Zelfs indien deze steun als bedrijfssteun werd beschouwd, zou ze niet verenigbaar worden verklaard. Krachtens de richtsnoeren van 1998 kan bedrijfssteun uitzonderlijk worden toegekend in regio’s die in aanmerking komen voor de uitzondering van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag. Sardinië kwam in aanmerking voor steun krachtens artikel 87, lid 3, onder a), tijdens de periode 1998-2006. Met uitzondering van de-minimissteun echter, werd geen bedrijfssteun goedgekeurd in het kader van de regeling in kwestie. Voorts hebben de Italiaanse autoriteiten in het kader van dit onderzoek geen bewijs geleverd waaruit zou blijken dat de steun gerechtvaardigd was vanwege zijn bijdrage aan de regionale ontwikkeling of vanwege zijn bijzondere aard, noch hebben zij aangetoond dat de steun evenredig is met de handicaps die zij wil compenseren.

(70)

De Italiaanse autoriteiten hebben geen argumenten aangedragen dat de steun verenigbaar zou kunnen zijn met andere verdragsbepalingen, regels betreffende overheidssteun, kaderregelingen of richtsnoeren.

(71)

De Commissie kon evenmin enige andere grondslag voor goedkeuring van de steun vaststellen. Zoals boven uiteengezet, komt de maatregel niet in aanmerking voor de uitzondering van artikel 87, lid 3, onder c), bepalende dat toelating kan worden gegeven voor steun voor het bevorderen van de ontwikkeling van zekere economische bedrijvigheid of van zekere economische gebieden, wanneer door deze steun de voorwaarden inzake het handelsverkeer niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De uitzonderingen van artikel 87, lid 2, die betrekking hebben op steun met een sociaal karakter en die wordt toegekend aan individuele verbruikers, op steun tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen, en op steun toegekend aan bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland, zijn niet van toepassing in dit geval. De maatregel kan niet worden beschouwd als een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang, of ter opheffing van een ernstige verstoring in de Italiaanse economie overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder b). De maatregel heeft niet als doel de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, zoals bepaald in artikel 87, lid 3, onder d).

(72)

De Commissie beschouwt bijgevolg als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt de steun die vermoedelijk is toegekend aan projecten waarvan de uitvoering reeds was aangevat vóór de indiening van een steunaanvraag in het kader van de regionale hulpregeling ten behoeve van de hotelsector in de Regio Sardinië, goedgekeurd door de Commissie in 1998 (N 272/98), en geïmplementeerd bij resolutie nr. 33/6 in samenhang met de eerste oproep tot het indienen van aanvragen.

(73)

Deze vaststelling van onverenigbaarheid geldt voor de volledige steun die is toegekend voor projecten waarvan de subsidiabele kosten waren gemaakt voordat een steunaanvraag was ingediend, op basis van de uitvoeringsmaatregelen die van kracht waren op het tijdstip dat de aanvraag werd ingediend, steun die groter is dan de de-minimissteun waarvoor de begunstigde in aanmerking had kunnen komen op het betreffende tijdstip, berekend in overeenstemming met artikel 2 van Verordening (EG) nr. 69/2001.

8.   CONCLUSIES

(74)

De Commissie is van mening dat Italië de steunmaatregel in kwestie onrechtmatig ten uitvoer heeft gelegd en hierbij artikel 88, lid 3, van het Verdrag heeft overtreden.

(75)

Uitgaande van haar beoordeling oordeelt de Commissie dat de steun die is toegekend voor de bovenbedoelde projecten op basis van de regeling aangeduid als „Regionale Wet nr. 9 van 1998 — Misbruik van steun N 272/98”, op basis van de eerste oproep tot het indienen van aanvragen en van resolutie nr. 33/6, strijdig is met de richtsnoeren van 1998. Zij is van mening dat de steun wederrechtelijk was toegekend en onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt krachtens artikel 87, lid 3, onder a) en c), van het EG-Verdrag.

(76)

Volgens vaste praktijk van de Commissie overeenkomstig artikel 87 van het EG-Verdrag, moet onverenigbare steun die in strijd met artikel 88 van het EG-Verdrag, onrechtmatig is verleend van de begunstigden worden teruggevorderd. Deze praktijk is verankerd in artikel 14 van de procedureverordening.

(77)

Italië moet derhalve alle nodige maatregelen treffen om de steun van de begunstigden terug te vorderen. Daartoe moet Italië de begunstigden verplichten de steun terug te betalen binnen vier maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking.

(78)

Artikel 14, lid 2, van de procedureverordening bepaalt dat op de op grond van een terugvorderingsbeschikking terug te vorderen steun rente verschuldigd is, berekend tegen een door de Commissie vastgesteld passend percentage. De rente is betaalbaar vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum waarop zij is terugbetaald.

(79)

De rente wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van 21 april 2004 van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (18). De Commissie vraagt Italië potentiële begunstigden van steun in het kader van de regeling te gelasten de steun zoals bepaald hierna met rente terug te betalen binnen vier maanden na deze beschikking.

(80)

De Commissie vraagt Italië de gevraagde inlichtingen te verschaffen aan de hand van de als bijlage aan deze beschikking gehechte vragenlijst, waarin een lijst van de betrokken begunstigden wordt opgenomen en duidelijk wordt aangegeven welke maatregelen zijn gepland en welke reeds zijn ondernomen om de onrechtmatige overheidssteun onverwijld en daadwerkelijk terug te vorderen. Italië doet binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking alle documenten waarmee wordt gestaafd dat tegen de ontvangers van de onrechtmatige steun een terugvorderingsprocedure is ingeleid (zoals circulaires, terugvorderingsbevelen enz.) aan de Commissie toekomen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De overheidssteun die is toegekend in overeenstemming met Regionale Wet nr. 9 van 1998, en die door Italië onrechtmatig ten uitvoer is gelegd in resolutie (deliberazione) nr. 33/6 en in de eerste oproep tot het indienen van aanvragen, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt tenzij de begunstigde van de steun een aanvraag tot steun in het kader van de regeling heeft ingediend vóór het begin van de uitvoering van een initieel investeringsproject.

Artikel 2

1.   De Italiaanse Republiek vordert de in artikel 1 bedoelde onverenigbare steun die is toegekend in het kader van de regeling van de begunstigden terug.

2.   Over het terug te vorderen bedrag is rente verschuldigd vanaf de datum waarop het ter beschikking stond van de begunstigden tot de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

3.   De rente wordt berekend op samengestelde basis in overeenstemming met hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 en Verordening (EG) nr. 271/2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 794/2004.

4.   De Italiaanse Republiek annuleert alle voorgenomen betalingen van steun in het kader van de regeling zoals bedoeld in artikel 1 vanaf de datum waarop deze beschikking is gegeven.

Artikel 3

1.   De terugvordering van de steun die is toegekend in het kader van de in artikel 1 bedoelde regeling geschiedt onverwijld en daadwerkelijk.

2.   De Italiaanse Republiek legt deze beschikking ten uitvoer binnen vier maanden na de datum van kennisgeving ervan.

Artikel 4

1.   Binnen twee maanden na de kennisgeving van deze beschikking verstrekt de Italiaanse Republiek de volgende informatie:

a)

een lijst van begunstigden van de in artikel 1 bedoelde steunregeling met het totale bedrag dat elk van hen in het kader van de steunregeling heeft ontvangen. De vereiste informatie wordt verstrekt aan de hand van de in bijlage aan deze beschikking gehechte vragenlijst;

b)

het totale van elke begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en rente);

c)

een gedetailleerde beschrijving van de reeds genomen of de voorgenomen maatregelen om aan deze beschikking te voldoen;

d)

documenten die aantonen dat aan de begunstigden opdracht is gegeven de steun terug te betalen.

2.   De Italiaanse Republiek houdt de Commissie op de hoogte van de vooruitgang die bij de nationale maatregelen ter uitvoering van deze beschikking wordt gemaakt, totdat de steun die is toegekend in het kader van de in artikel 1 bedoelde regeling volledig is terugbetaald. Zij verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld informatie over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan deze beschikking te voldoen. Zij verstrekt eveneens nadere inlichtingen over de reeds door de begunstigden terugbetaalde steunbedragen en rente.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 2 juli 2008.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB C 79 van 30.3.2004, blz. 4, en PB C 32 van 14.2.2007, blz. 2.

(2)  PB C 79 van 30.3.2004, blz. 4.

(3)  PB C 32 van 14.2.2007, blz. 2.

(4)  Brief van de Commissie van 12.11.1998, SG(98) D/9547.

(5)  Decreet van de assessore voor toerisme, ambacht en handel nr. 285 van 29.4.1999, „Esecutività della Deliberazione della Giunta Regionale No 58/60 del 22.12.1998 come modificata dalla Deliberazione No 16/20 del 16.3.1999 che approva la direttiva di Attuazione prevista dall’Art. 2 della L.R. 11 marzo 1998 No 9 disciplinante: incentivi per la riqualificazione delle strutture alberghiere e norme modificative della L.R. 14.9.1993 No 40”. Bekendgemaakt in B.U.R.A.S, nr. 14 van 8.5.1999.

(6)  PB C 175 van 24.6.2000, blz. 11.

(7)  Bijlage bij resolutie nr. 33/4 van 27 juli 2000, Richtsnoeren voor de toepassing van Regionale Wet nr. 9 van 11 maart 1998, artikel 6, Subsidiabele kosten: „De hierboven aangegeven kosten zijn subsidiabel indien zij na de subsidieaanvraag zijn gemaakt”.

(8)  PB C 74 van 10.3.1998, blz. 9.

(9)  Bij schrijven van 25 april 2001, nr. 5368 (ingeschreven bij de Commissie onder nummer A/33473). Zie overweging 17.

(10)  Verordening (EG) nr 659/1999 van de Raad met uiteenzetting van gedetailleerde regels voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (nu artikel 88) (PB L 83 van 27.3.1999).

(11)  Brief aan de lidstaat van 2 augustus 2000, ref. SG(2000) D/105754.

(12)  PB C 32 van 14.2.2007, blz. 2.

(13)  Bollettino Ufficiale della Regione Sardegna (Suppl. Straordinario No 3 al Bollettino Ufficiale No 14 dell’8 maggio 1999).

(14)  De Commissie heeft bijvoorbeeld vastgesteld na opzoekingen op het web dat Grand Hotel Abi d’Oru een vijfsterrenhotel met 177 kamers is, met een gemengd Italiaans en internationaal cliënteel.

(15)  „De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak. Zij onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen.”.

(16)  Zaak 730/79 Philip Morris Holland BV versus Commissie, Jurispr. 1980, blz. 2671, alinea 17: „… zou het meebrengen dat de lidstaten uitkeringen kunnen doen die leiden tot een verbetering van de financiële positie van de begunstigde onderneming, zonder noodzakelijk te zijn om de in artikel 92, lid 3, voorziene doelstellingen te bereiken.”.

(17)  Gevoegde zaken T 132/96 en T 143/96 Freistaat Sachsen e/a versus Commissie, Jurispr. 1999, blz. II 3663, alinea 300.

(18)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.


BIJLAGE

Informatie betreffende de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie in zaak C 1/2004

1.   Totaal aantal begunstigden en totaal bedrag van de terug te vorderen steun

1.1.

Zet nader uiteen hoe het van de individuele begunstigden terug te vorderen steunbedrag wordt berekend:

hoofdsom,

rente.

1.2.

Totaal bedrag van de terug te vorderen onrechtmatige steun (brutosubsidie-equivalent, prijzen van …) die in het kader van de regeling is toegekend:

1.3.

Totaal aantal begunstigden bij wie de onrechtmatige, in het kader van deze regeling toegekende steun moet worden teruggevorderd:

2.   Voorgenomen of reeds genomen maatregelen voor het terugvorderen van de steun

2.1.

Beschrijf nader welke maatregelen al zijn genomen en welke maatregelen zijn voorgenomen om de steun onverwijld en daadwerkelijk terug te vorderen. Vermeld ook de rechtsgrondslag van die maatregelen.

2.2.

Tegen wanneer zal de terugvordering van de steun zijn afgerond?

3.   Informatie over de individuele begunstigden

Geef in onderstaande tabel nadere gegevens over elk van de begunstigden bij wie de onrechtmatige, in het kader van de regeling toegekende staatssteun moet worden teruggevorderd.

Identiteit van de begunstigde

Totaal bedrag ontvangen in het kader van de regeling (1)

Totaal bedrag van terug te vorderen steun (1)

(hoofdsom)

Totaal reeds terugbetaald bedrag (1)

Hoofdsom

Rente

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  

(°)

In miljoen eenheden nationale valuta.


13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/19


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 3 november 2008

betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6349)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/855/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 42,

Gelet op Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name op artikel 9, lid 4,

Gelet op Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name op artikel 10, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (3) worden minimummaatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van die ziekte vastgesteld. Het betreft maatregelen die bij een uitbraak van klassieke varkenspest moeten worden genomen. Deze maatregelen omvatten programma’s van de lidstaten voor de uitroeiing van klassieke varkenspest bij een populatie wilde varkens en de noodvaccinatie van wilde varkens onder bepaalde voorwaarden.

(2)

Beschikking 2006/805/EG van de Commissie van 24 november 2006 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten (4) werd goedgekeurd als reactie op uitbraken van klassieke varkenspest in die lidstaten. Bij die beschikking worden maatregelen vastgesteld ter bestrijding van klassieke varkenspest in gebieden van die lidstaten waar deze ziekte zich voordoet bij wilde varkens, teneinde de verspreiding van de ziekte naar andere gebieden van de Gemeenschap te voorkomen.

(3)

Die lidstaten moeten passende maatregelen nemen om de verspreiding van klassieke varkenspest te voorkomen. Daarom hebben zij uitroeiingsprogramma’s en programma’s voor noodvaccinatie tegen deze ziekte bij de Commissie ingediend waarin de nodige maatregelen om de ziekte in de in hun programma’s als besmet aangemerkte gebieden uit te roeien worden uiteengezet en de nodige maatregelen worden aangegeven die op de varkensbedrijven in die gebieden moeten worden toegepast.

(4)

In de lidstaten of gebieden daarvan doen zich uiteenlopende epizoötiologische situaties ten aanzien van klassieke varkenspest voor. Voor de duidelijkheid van de communautaire wetgeving is het daarom wenselijk om drie afzonderlijke lijsten op te stellen naargelang van de epizoötiologische situatie in elk van de gebieden.

(5)

Aangezien de verplaatsing van levende varkens uit besmette gebieden ernstiger risico’s met zich brengt dan de verplaatsing van vlees, vleesbereidingen en vleesproducten, dient de verplaatsing van levende varkens uit de betrokken lidstaten in beginsel verboden te worden.

(6)

Sperma, eicellen en embryo’s van besmette dieren kunnen bijdragen tot de verspreiding van het virus van klassieke varkenspest. Om de verspreiding van klassieke varkenspest naar andere gebieden van de Gemeenschap te voorkomen, dient de verzending van sperma, eicellen en embryo’s uit de in de bijlage bij deze beschikking vermelde gebieden te worden verboden.

(7)

Er moet een lijst van de lidstaten en gebieden worden opgesteld waar de epizoötiologische situatie ten aanzien van klassieke varkenspest het gunstigst is en waaruit derhalve als afwijking van het algemene verbod — met inachtneming van bepaalde voorzorgsmaatregelen — levende varkens mogen worden verzonden naar andere gebieden waarvoor beperkingen gelden. Voorts mogen vers varkensvlees van de in deze gebieden gelegen bedrijven en vleesbereidingen en vleesproducten van of met het vlees van die varkens naar andere lidstaten worden verzonden.

(8)

Een aantal gebieden die door klassieke varkenspest bij wilde varkens getroffen zijn, zijn van elkaar gescheiden door nationale grenzen en omvatten aangrenzende gebieden van twee lidstaten. Er moeten ook ziektebestrijdingsmaatregelen betreffende beperkingen van de verzending van levende varkens binnen aangrenzende getroffen gebieden in twee lidstaten worden vastgesteld.

(9)

Op grond van de epizoötiologische situatie in bepaalde gebieden van Hongarije en Slowakije dienen deze in die eerste lijst van gebieden te worden opgenomen.

(10)

In een tweede lijst moeten de gebieden worden opgenomen waar de epizoötiologische situatie van de populatie wilde zwijnen of in varkensbedrijven als gevolg van geisoleerde uitbraken minder gunstig is. Uit deze gebieden mogen geen levende varkens, maar wel vers varkensvlees van als veilig beschouwde bedrijven en vleesbereidingen en vleesproducten van en met vlees van die varkens naar andere lidstaten worden verzonden met inachtneming van bepaalde, in deze beschikking vast te leggen aanvullende voorzorgsmaatregelen.

(11)

In een derde lijst moeten de gebieden worden opgenomen waaruit in het algemeen noch levende varkens, noch vers varkensvlees en vleesproducten naar andere lidstaten mogen worden verzonden. Dergelijke vleesbereidingen en vleesproducten van of met vlees van varkens mogen echter wel naar andere lidstaten worden verzonden als zij een behandeling hebben ondergaan waardoor het eventueel aanwezig virus van klassieke varkenspest geëlimineerd is.

(12)

Bovendien is het, om de verspreiding van klassieke varkenspest naar andere gebieden van de Gemeenschap te voorkomen, wenselijk om vast te stellen dat aan de verzending van vers varkensvlees en vleesbereidingen en vleesproducten van of met vlees van varkens uit lidstaten met op die derde lijst vermelde gebieden bepaalde voorwaarden zijn verbonden. Met name moeten op dit varkensvlees en deze producten en bereidingen van varkensvlees speciale merktekens worden aangebracht die niet kunnen worden verward met de gezondheidsmerken voor varkensvlees als bedoeld in Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (5) en het identificatiemerk als bedoeld in Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (6).

(13)

Om de verspreiding van klassieke varkenspest naar andere gebieden van de Gemeenschap te voorkomen, wanneer voor een lidstaat een verbod op de verzending van vers varkensvlees en vleesbereidingen en vleesproducten van of met varkensvlees uit bepaalde delen van zijn grondgebied geldt, moeten een aantal voorschriften worden vastgesteld, met name wat certificering betreft, voor de verzending van dergelijk vlees en dergelijke bereidingen en producten uit andere delen van het grondgebied van die lidstaat die niet onder dat verbod vallen.

(14)

Beschikking 2006/805/EG is al enkele keren gewijzigd. Het is dan ook wenselijk die beschikking in te trekken en door deze beschikking te vervangen.

(15)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze beschikking stelt bepaalde bestrijdingsmaatregelen vast in verband met klassieke varkenspest in de lidstaten of regio’s daarvan als vermeld in de bijlage (hierna „de betrokken lidstaten” genoemd).

Zij geldt onverminderd de door de Commissie goedgekeurde programma’s voor de uitroeiing van klassieke varkenspest en de programma’s voor noodvaccinatie tegen die ziekte.

Artikel 2

Verbod op de verzending van levende varkens uit de in de bijlage vermelde gebieden naar andere lidstaten

De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat vanaf hun grondgebied slechts levende varkens naar andere lidstaten worden verzonden, indien de varkens afkomstig zijn:

a)

uit andere dan de in de bijlage vermelde gebieden, en

b)

van een bedrijf waar in de laatste dertig dagen voor de datum van verzending geen levende varkens uit de in de bijlage vermelde gebieden zijn binnengebracht.

Artikel 3

Afwijkingen voor de verzending van levende varkens tussen lidstaten uit in deel I van de bijlage vermelde gebieden

1.   In afwijking van artikel 2 kan de verzending van levende varkens afkomstig van bedrijven die gelegen zijn in de in deel I van de bijlage vermelde gebieden, naar bedrijven of slachthuizen die gevestigd zijn in een in dat deel van de bijlage vermeld en tot een andere lidstaat behorend gebied, door de lidstaat van verzending worden toegestaan mits deze varkens afkomstig zijn van een bedrijf waar:

a)

in de laatste dertig dagen voor de datum van verzending geen levende varkens zijn binnengebracht;

b)

door een officiële dierenarts een klinisch onderzoek op klassieke varkenspest is uitgevoerd volgens de controle- en bemonsteringsprocedures die zijn vastgelegd in hoofdstuk IV, deel A en deel D, punten 1, 2 en 3, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG van de Commissie (7), en

c)

de te verzenden groep varkens negatief heeft gereageerd bij polymerasekettingreactietests op klassieke varkenspest overeenkomstig hoofdstuk VI, deel C, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG, uitgevoerd met bloedmonsters die zijn genomen in de laatste zeven dagen voor de datum van verzending; het minimumaantal te bemonsteren varkens moet toereikend zijn voor de detectie bij de te verzenden groep varkens van een prevalentie van 5 % met een betrouwbaarheid van 95 %.

Het bepaalde onder c) geldt echter niet:

i)

voor varkens die rechtstreeks naar een slachthuis worden verzonden om daar onmiddellijk te worden geslacht.

ii)

voor varkens die naar een in deel I van de bijlage vermeld aangrenzend gebied van een lidstaat worden verzonden;

iii)

indien de lidstaat van bestemming de verzending van tevoren goedkeurt.

2.   Wanneer de betrokken lidstaten varkens als bedoeld in lid 1 verzenden, zorgen zij ervoor dat het in artikel 9, onder a), bedoelde gezondheidscertificaat aanvullende informatie bevat betreffende de data waarop het klinisch onderzoek is uitgevoerd en, in voorkomend geval, het aantal bemonsterde dieren en de resultaten van de polymerasekettingreactietest als bedoeld in lid 1.

Artikel 4

Verplaatsing en doorvoer van levende varkens in de betrokken lidstaten

1.   De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat vanuit bedrijven die in de in de bijlage vermelde gebieden gelegen zijn, geen levende varkens worden verzonden naar andere delen van het grondgebied van dezelfde lidstaat, behalve:

a)

varkens die rechtstreeks naar een slachthuis worden gebracht om daar onmiddellijk te worden geslacht;

b)

vanuit bedrijven waar:

i)

overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b) en c), een klinisch onderzoek en polymerasekettingreactietests op klassieke varkenspest met negatief resultaat zijn uitgevoerd, of

ii)

een klinisch onderzoek is uitgevoerd met negatief resultaat en de bevoegde veterinaire autoriteit van de plaats van bestemming voorafgaande goedkeuring verleent.

2.   De betrokken lidstaten die varkens verzenden uit in deel I van de bijlage vermelde gebieden naar andere in dat deel van de bijlage vermelde andere gebieden zien erop toe dat het vervoer van varkens alleen plaatsvindt via hoofdwegen of per spoor, zonder dat het voertuig waarmee de varkens worden vervoerd, onderweg stopt, onverminderd Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad (8).

Artikel 5

Verbod op de verzending van zendingen varkenssperma en eicellen en embryo’s van varkens uit de in de bijlage vermelde gebieden

De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat vanaf hun grondgebied geen zendingen van de volgende producten naar andere lidstaten worden verzonden:

a)

varkenssperma, tenzij het afkomstig is van beren die worden gehouden in een erkend spermacentrum als bedoeld in artikel 3, onder a), van Richtlijn 90/429/EEG van de Raad (9) dat gelegen is buiten de in de bijlage bij deze beschikking vermelde gebieden;

b)

eicellen en embryo’s van zeugen, tenzij die eicellen en embryo’s afkomstig zijn van zeugen die worden gehouden op bedrijven die gelegen zijn buiten de in de bijlage vermelde gebieden.

Artikel 6

Verzending van vers varkensvlees en van bepaalde vleesbereidingen en vleesproducten uit in deel II van de bijlage opgenomen gebieden

1.   De betrokken lidstaten waarvan gebieden in deel II van de bijlage zijn vermeld, zorgen ervoor dat zendingen vers varkensvlees uit in die gebieden gelegen bedrijven en van vleesbereidingen en vleesproducten van of met vlees van die varkens alleen naar andere lidstaten worden verzonden indien:

a)

er gedurende de voorafgaande 12 maanden in het desbetreffende bedrijf geen tekenen van klassieke varkenspest zijn waargenomen en het bedrijf buiten een beschermings- of toezichtsgebied is gelegen;

b)

de varkens ten minste 90 dagen op het bedrijf hebben verbleven en er gedurende de laatste 30 dagen voor het vervoer naar het slachthuis geen levende varkens zijn binnengebracht;

c)

het bedrijf ten minste tweemaal per jaar door de bevoegde veterinaire autoriteit aan een inspectie is onderworpen waarbij:

i)

de richtsnoeren overeenkomstig hoofdstuk III van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG worden gevolgd;

ii)

er een klinisch onderzoek overeenkomstige de controle- en bemonsteringsprocedures van hoofdstuk IV, deel A, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG wordt uitgevoerd;

iii)

de daadwerkelijke toepassing van de bepalingen in artikel 15, lid 2, onder b), tweede streepje en vierde tot en met zevende streepje, van Richtlijn 2001/89/EG wordt gecontroleerd;

d)

voorafgaande aan de toestemming tot verzending van de varkens naar een slachthuis door een officiële dierenarts een klinisch onderzoek op klassieke varkenspest is uitgevoerd volgens de controle- en bemonsteringsprocedures die zijn vastgelegd in hoofdstuk IV, deel D, punten 1, 2 en 3, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG.

2.   Indien een bedrijf echter over twee of meer afzonderlijke productie-eenheden beschikt en de structuur en de omvang van en de afstand tussen deze productie-eenheden en de aldaar uitgevoerde werkzaamheden van dien aard zijn dat de productie-eenheden, wat betreft huisvesting, verzorging en voedering, volledig gescheiden zijn, kan de bevoegde veterinaire autoriteit besluiten de verzending van vers varkensvlees, vleesbereidingen en vleesproducten slechts toe te staan van bepaalde productie-eenheden die aan de voorwaarden van lid 1 voldoen.

Artikel 7

Verbod op de verzending van vers varkensvlees en van bepaalde vleesbereidingen en vleesproducten uit in deel III van de bijlage opgenomen gebieden

1.   De betrokken lidstaten waarvan gebieden in deel III van de bijlage zijn vermeld, zorgen ervoor dat er geen zendingen vers varkensvlees uit in die gebieden gelegen bedrijven en vleesbereidingen en vleesproducten van of met vlees van dergelijke varkens uit die gebieden naar andere lidstaten worden verzonden.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de betrokken lidstaten waarvan gebieden in deel III van de bijlage zijn vermeld, de verzending van in lid 1 bedoeld vers varkensvlees en vleesproducten en vleesbereidingen van of met vlees van die varkens naar andere lidstaten toestaan indien de producten:

a)

overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2002/99/EG van de Raad (10) geproduceerd en verwerkt zijn;

b)

worden onderworpen aan de veterinaire certificering overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2002/99/EG, en

c)

vergezeld gaan van het passende gezondheidscertificaat voor het intracommunautaire handelsverkeer dat bij Verordening (EG) nr. 599/2004 van de Commissie (11) is vastgesteld en waarvan deel II wordt aangevuld met de volgende vermelding:

„Product overeenkomstig Beschikking 2008/855/EG van de Commissie van 3 november 2008 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten (12).

Artikel 8

Speciale gezondheidsmerken en certificeringsvoorschriften voor vers vlees, vleesbereidingen en vleesproducten waarvoor een verbod overeenkomstig artikel 7, lid 1, geldt

De betrokken lidstaten waarvan gebieden in deel III van de bijlage zijn vermeld, zorgen ervoor dat op vers varkensvlees en vleesbereidingen en vleesproducten waarop het in artikel 7, lid 1, bedoelde verbod van toepassing is, een speciaal gezondheidsmerk wordt aangebracht dat niet ovaal mag zijn en niet kan worden verward met:

het identificatiemerk voor vleesbereidingen en vleesproducten van of met varkensvlees als bedoeld in bijlage II, sectie I, bij Verordening (EG) nr. 853/2004, en

het gezondheidsmerk voor vers varkensvlees overeenkomstig hoofdstuk III, sectie I, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 854/2004.

Artikel 9

Voorschriften inzake gezondheidscertificering voor de betrokken lidstaten

De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat het gezondheidscertificaat als bedoeld in:

a)

artikel 5, lid 1, van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad (13) waarvan vanaf hun grondgebied verzonden varkens vergezeld gaan, wordt aangevuld met de volgende vermelding:

„Dieren overeenkomstig Beschikking 2008/855/EG van de Commissie van 3 november 2008 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten (14).

b)

artikel 6, lid 1, van Richtlijn 90/429/EEG waarvan vanaf hun grondgebied verzonden varkenssperma vergezeld gaat, wordt aangevuld met de volgende vermelding:

„Sperma overeenkomstig Beschikking 2008/855/EG van de Commissie van 3 november 2008 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten (15).

c)

artikel 1 van Beschikking 95/483/EG van de Commissie (16) waarvan vanaf hun grondgebied verzonden embryo’s en eicellen van varkens vergezeld gaan, wordt aangevuld met de volgende vermelding:

„Embryo’s/eicellen (17) overeenkomstig Beschikking 2008/855/EG van de Commissie van 3 november 2008 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten (18).

Artikel 10

Certificeringsvoorschriften voor de betrokken lidstaten waarvan gebieden in deel III van de bijlage zijn vermeld

De betrokken lidstaten waarvan gebieden in deel III van de bijlage bij deze beschikking zijn vermeld, zorgen ervoor dat vers varkensvlees van buiten die gebieden gelegen bedrijven en vleesbereidingen en vleesproducten van of met dergelijk vlees waarop het verbod van artikel 7, lid 1, niet van toepassing is en die naar andere lidstaten worden verzonden:

a)

worden onderworpen aan de veterinaire certificering overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2002/99/EG, en

b)

vergezeld gaan van het passende gezondheidscertificaat voor het intracommunautaire handelsverkeer dat bij artikel 1 van Verordening (EG) nr. 599/2004 is vastgesteld en waarvan deel II wordt aangevuld met de volgende vermelding:

„Vers varkensvlees en vleesbereidingen en vleesproducten van of met varkensvlees overeenkomstig Beschikking 2008/855/EG van de Commissie van 3 november 2008 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten. (19)

Artikel 11

Voorschriften betreffende bedrijven en transportvoertuigen in de in de bijlage vermelde gebieden

De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

de bepalingen van artikel 15, lid 2, onder b), tweede streepje en vierde tot en met zevende streepje, van Richtlijn 2001/89/EG worden toegepast in de varkensbedrijven die in de in de bijlage bij deze beschikking vermelde gebieden gevestigd zijn;

b)

voertuigen die zijn gebruikt voor het vervoer van varkens afkomstig van bedrijven die in de in de bijlage bij deze beschikking vermelde gebieden gelegen zijn, onmiddellijk na elk transport worden gereinigd en ontsmet en de transporteur het bewijs van deze reiniging en ontsmetting levert.

Artikel 12

Door de betrokken lidstaten te verstrekken informatie

De betrokken lidstaten stellen de Commissie en de lidstaten in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid in kennis van de resultaten van het programma voor het toezicht op klassieke varkenspest dat in de in de bijlage vermelde gebieden is uitgevoerd, zoals bepaald in de door de Commissie goedgekeurde programma’s voor de uitroeiing van klassieke varkenspest of programma’s voor noodvaccinatie tegen die ziekte, als bedoeld in artikel 1, tweede alinea.

Artikel 13

Naleving

De lidstaten brengen de maatregelen die zij ten aanzien van het handelsverkeer toepassen, in overeenstemming met deze beschikking en zij maken de getroffen maatregelen onmiddellijk bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 14

Intrekking

Beschikking 2006/805/EG wordt ingetrokken.

Artikel 15

Toepassing

Deze beschikking is van toepassing tot en met 31 december 2009.

Artikel 16

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 3 november 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.

(2)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(3)  PB L 316 van 1.12.2001, blz. 5.

(4)  PB L 329 van 25.11.2006, blz. 67.

(5)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206; gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 83.

(6)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55; gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 22.

(7)  PB L 39 van 9.2.2002, blz. 71.

(8)  PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.

(9)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 62.

(10)  PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(11)  PB L 94 van 31.3.2004, blz. 44.

(12)  PB L 302 van 13.11.2008, blz. 19.”.

(13)  PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64.

(14)  PB L 302 van 13.11.2008, blz. 19.”;

(15)  PB L 302 van 13.11.2008, blz. 19.”;

(16)  PB L 275 van 18.11.1995, blz. 30.

(17)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(18)  PB L 302 van 13.11.2008, blz. 19.”.

(19)  PB L 302 van 13.11.2008, blz. 19.”.


BIJLAGE

DEEL I

1.   Duitsland

A.   Rheinland-Pfalz:

a)

in de Kreis Ahrweiler: de gemeenten Adenau en Altenahr;

b)

in de Landkreis Vulkaneifel: de gemeenten Obere Kyll en Hillesheim, in de gemeente Daun de deelgemeenten Betteldorf, Dockweiler, Dreis-Brück, Hinterweiler en Kirchweiler, in de gemeente Kelberg de deelgemeenten Beinhausen, Bereborn, Bodenbach, Bongard, Borler, Boxberg, Brücktal, Drees, Gelenberg, Kelberg, Kirsbach, Mannebach, Neichen, Nitz, Reimerath en Welcherath, in de gemeente Gerolstein de deelgemeenten Berlingen, Duppach, Hohenfels-Essingen, Kalenborn-Scheuern, Neroth, Pelm en Rockeskyll, en de stad Gerolstein;

c)

in de Eifelkreis Bitburg-Prüm: in de gemeente Prüm de deelgemeenten Büdesheim, Kleinlangenfeld, Neuendorf, Olzheim, Roth bei Prüm, Schwirzheim en Weinsheim.

B.   Nordrhein-Westfalen:

a)

in de Kreis Euskirchen: de steden Bad Münstereifel, Mechernich, Schleiden, in de stad Euskirchen de deelgemeenten Billig, Euenheim, Euskirchen (centrum), Flamersheim, Kirchheim, Kuchenheim, Kreuzweingarten, Niederkastenholz, Palmersheim, Rheder, Roitzheim, Schweinheim, Stotzheim en Wißkirchen, en de gemeenten Blankenheim, Dahlem, Hellenthal, Kall en Nettersheim;

b)

in de Rhein-Sieg-Kreis: in de stad Meckenheim de deelgemeenten Ersdorf en Altendorf, in de stad Rheinbach de deelgemeenten Oberdrees, Niederdrees, Wormersdorf, Todenfeld, Hilberath, Merzbach, Irlenbusch, Queckenberg, Kleinschlehbach, Großschlehbach, Loch, Berscheidt, Eichen en Kurtenberg, en in de gemeente Swisttal de deelgemeenten Miel en Odendorf.

2.   Frankrijk

Het grondgebied van de departementen Bas-Rhin en Moselle ten westen van de Rijn en het Rijn-Marne-kanaal, ten noorden van de autosnelweg A4, ten oosten van de Saar en ten zuiden van de grens met Duitsland, en de gemeenten Holtzheim, Lingolsheim en Eckbolsheim.

3.   Hongarije

Het grondgebied van de provincie Nógrád en het grondgebied van de provincie Pest, gelegen ten noorden en ten oosten van de Donau, ten zuiden van de grens met Slowakije, ten westen van de grens met de provincie Nógrád en ten noorden van autoweg E71, het grondgebied van de provincie Heves, gelegen ten oosten van de grens van de provincie Nógrád, ten zuiden en ten westen van de grens met de provincie Borsod-Abaúj-Zemplén en ten noorden van autoweg E71, en het grondgebied van de provincie Borsod-Abaúj-Zemplén, gelegen ten zuiden van de grens met Slowakije, ten oosten van de grens met de provincie Heves, ten noorden en ten westen van autoweg E71, ten zuiden van hoofdweg nr. 37 (het gedeelte tussen autoweg E71 en hoofdweg nr. 26) en ten westen van hoofdweg nr. 26.

4.   Slowakije

Het grondgebied van de districten ressorterend onder de raad voor diergeneeskunde en levensmiddelen (DVFA) van Žiar nad Hronom (districten Žiar nad Hronom, Žarnovica en Banská Štiavnica), Zvolen (districten Zvolen, Krupina en Detva), Lučenec (districten Lučenec en Poltár), Veľký Krtíš (district Veľký Krtíš), Komárno (district Komárno), Nové Zámky (district Nové Zámky), Levice (district Levice) en Rimavská Sobota (district Rimavská Sobota).

DEEL II

Bulgarije

Het hele grondgebied van Bulgarije.

DEEL III


13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/26


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 6 november 2008

tot wijziging van Beschikking 2002/613/EG wat betreft de erkende varkensspermacentra in Canada en de Verenigde Staten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6473)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/856/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 90/429/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (1), en met name op artikel 8, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2002/613/EG van de Commissie van 19 juli 2002 houdende vaststelling van de voorwaarden voor de invoer van sperma van als huisdier gehouden varkens (2) is een lijst vastgesteld van derde landen van waaruit de invoer van sperma van als huisdier gehouden varkens door de lidstaten moet worden toegestaan, en een lijst van voor uitvoer van dat sperma naar de Gemeenschap erkende spermacentra.

(2)

Canada en de Verenigde Staten hebben gevraagd om bepaalde wijzigingen in de voor die landen geldende lijst van bij Beschikking 2002/613/EG erkende spermacentra.

(3)

Beschikking 2002/613/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Bijlage V bij Beschikking 2002/613/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 6 november 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 62.

(2)  PB L 196 van 25.7.2002, blz. 45.


BIJLAGE

Bijlage V bij Beschikking 2002/613/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

De volgende vermeldingen betreffende Canada worden geschrapt:

CA

4-AI-05

Centre d’insémination génétiporc

77 rang des Bois-Francs sud

Sainte-Christine-de-Port-neuf,

Québec

CA

4-AI-29

CIA des Castors

317 Rang Ile aux Castors

Ile Dupas

Québec

J0K 2P0

CA

5-AI-01

Ontario Swine Improvement Inc

P.O. Box 400

Innerkip, Ontario

CA

6-AI-70

Costwold Western Kanada Ltd

17 Speers Road

Winnipeg, Manitoba

Location SW 27-18-2 EPM

2)

De volgende vermeldingen betreffende de Verenigde Staten worden geschrapt:

Verenigde Staten

94OK001

Pig Improvement Company — Oklahoma Boar Stud

Rt. 1, 121 N Main St.

Hennessey, OK

Verenigde Staten

95IL001

United Swine Genetics

RR # 2

Roanoke, IL

Verenigde Staten

96AI002

International Boar Semen

30355 260th St.

Eldora IA 50627

Verenigde Staten

96WI001

Pig Improvement Company — Wisconsin Aid Stud

Route # 2

Spring Green, WI


13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/28


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 10 november 2008

tot wijziging van Beschikking 2004/4/EG houdende machtiging van de lidstaten om ten aanzien van Egypte tijdelijk aanvullende maatregelen te nemen tegen de verspreiding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6583)

(2008/857/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 16, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Beschikking 2004/4/EG van de Commissie (2) mogen knollen van Solanum tuberosum L., van oorsprong uit Egypte, in principe niet in de Gemeenschap worden binnengebracht. In vorige jaren, met inbegrip van het invoerseizoen 2007/2008, mochten dergelijke knollen echter in de Gemeenschap worden binnengebracht indien zij uit „ziektevrije gebieden” kwamen en bepaalde voorwaarden in acht werden genomen.

(2)

Tijdens het invoerseizoen 2007/2008 is geen enkele keer Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith aangetroffen.

(3)

In het licht van het verzoek en de door Egypte verstrekte informatie heeft de Commissie geconstateerd dat er geen gevaar bestaat voor de verspreiding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith als gevolg van het binnenbrengen in de Gemeenschap van knollen van Solanum tuberosum L. uit „ziektevrije gebieden” van Egypte, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

(4)

Het binnenbrengen in de Gemeenschap van knollen van Solanum tuberosum L., van oorsprong uit „ziektevrije gebieden” van Egypte, moet daarom voor het invoerseizoen 2008/2009 worden toegestaan.

(5)

Beschikking 2004/4/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Beschikking 2004/4/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 2, lid 1, wordt „2007/2008” vervangen door „2008/2009”.

2.

In artikel 4 wordt „31 augustus 2008” vervangen door „31 augustus 2009”.

3.

In artikel 7 wordt „30 september 2008” vervangen door „30 september 2009”.

4.

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 1, onder b), iii), wordt „2007/2008” vervangen door „2008/2009”;

b)

in punt 1, onder b), iii), tweede streepje, wordt „1 januari 2008” vervangen door „1 januari 2009”;

c)

in punt 1, onder b), xii), wordt „1 januari 2008” vervangen door „1 januari 2009”.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 10 november 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(2)  PB L 2 van 6.1.2004, blz. 50.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/29


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2008/858/GBVB VAN DE RAAD

van 10 november 2008

ter ondersteuning van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC) in het kader van de uitvoering van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens (hierna de „EU-strategie” genoemd) aangenomen, met in hoofdstuk III een lijst van maatregelen ter bestrijding van de verspreiding daarvan.

(2)

De Europese Unie (EU) geeft momenteel actief uitvoering aan de EU-strategie en aan de in hoofdstuk III daarvan genoemde maatregelen, met name die welke verband houden met het versterken, uitvoeren en universeel maken van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens (hierna het „BTWC” genoemd).

(3)

In dit verband heeft Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB van de Raad van 27 februari 2006 betreffende de ondersteuning van het BTWC in het kader van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens (1) tot belangrijke resultaten geleid op het gebied van de universaliteit en nationale uitvoering, aangezien zeven nieuwe staten partij geworden zijn bij het BTWC en twee staten gebruik hebben gemaakt van de juridische bijstand van EU-deskundigen.

(4)

Ook worden de EU-acties, waaronder bijstands- en toenaderingsprojecten, nog steeds geleid door de prioriteiten en maatregelen in Gemeenschappelijk Optreden 2006/242/GBVB van de Raad van 20 maart 2006 betreffende de Conferentie ter toetsing van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC) (2), met name de steun voor het intersessionele proces, de nationale uitvoering, vertrouwenwekkende maatregelen (CBM’s) en universaliteit. Vooral de aspecten van dat gemeenschappelijk optreden waarover de staten die partij zijn bij het BTWC (hierna de „verdragsluitende staten” genoemd) consensus hebben bereikt en die in het slotdocument van de zesde toetsingsconferentie van het BTWC (hierna de „zesde toetsingsconferentie” genoemd) zijn vermeld, zijn van belang voor de initiatieven van de Europese Unie ter ondersteuning van het BTWC.

(5)

De Europese Unie moet de verdragsluitende staten ook helpen gebruik te maken van de expertise van de lidstaten inzake het vertrouwensbevorderende proces en de transparantie in het kader van het BTWC, met name via het Actieplan inzake biologische en toxinewapens, door de Raad goedgekeurd op 20 maart 2006, op basis waarvan de lidstaten op gezette tijden een CBM-verslag moeten indienen en bijgewerkte lijsten moeten opstellen van deskundigen en laboratoria die zijn aangewezen om assistentie te verlenen aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in het kader van het onderzoekmechanisme naar het vermeende gebruik van chemische en biologische wapens,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Met het oog op de onverwijlde praktische uitvoering van enkele onderdelen van de EU-strategie, en om de vooruitgang te consolideren die is bereikt in het universeel toepasselijk maken en de nationale uitvoering van het BTWC via Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB, zal de Europese Unie het BTWC blijven steunen, met de volgende algemene doelstellingen:

het universele karakter van het BTWC bevorderen;

de verdragsluitende staten steunen bij de uitvoering van het BTWC;

de verdragsluitende staten aansporen om CBM-verslagen in te dienen;

steun verlenen aan het intersessionele proces van het BTWC.

2.   De door de Europese Unie te steunen projecten hebben de volgende specifieke doelstellingen:

a)

staten die nog geen partij zijn bij het BTWC de nodige middelen geven om op nationaal of subregionaal niveau bewustmakingsinitiatieven over het BTWC uit te voeren, door het verlenen van juridisch advies aangaande de ratificatie van en toetreding tot het BTWC en door het verstrekken van opleiding of andere vormen van bijstand opdat de nationale instanties hun verplichtingen met betrekking tot het BTWC kunnen nakomen;

b)

de verdragsluitende partijen assisteren bij de uitvoering van het BTWC op nationaal niveau, zodat zij hun verplichtingen uit hoofde van het BTWC nakomen met behulp van nationale wetgeving en administratieve maatregelen, en goede werkverbanden opzetten tussen alle nationale belanghebbenden, met inbegrip van de nationale wetgevende macht en de particuliere sector;

c)

de verdragsluitende partijen aanmoedigen om regelmatig CBM-verslagen in te dienen, door voorlichtingsmateriaal over het CBM-proces te ontwikkelen, door de elektronische indiening van bestaande CBM-verslagen technisch te verbeteren en een beter beveiligde en onderhouden website met beperkte toegang te gebruiken, door het opzetten van nationale contactpunten en het indienen van de eerste CBM-verslagen te stimuleren, en door een conferentie van de CBM-contactpunten te organiseren in het kader van BTWC-vergaderingen in 2008 en 2009;

d)

tussen vertegenwoordigers van de regering, universiteiten, onderzoeksinstellingen en het bedrijfsleven een doelgericht debat op regionaal niveau stimuleren over intersessionele BTWC-gerelateerde thema’s, met name het toezicht op wetenschap en onderwijs.

In de bijlage gaat een nadere omschrijving van de bovenbedoelde projecten.

Artikel 2

1.   Het voorzitterschap draagt, bijgestaan door de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (hierna „SG/HV” genoemd), de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden. De Commissie wordt hierbij volledig betrokken.

2.   Het VN-Bureau voor ontwapeningszaken (hierna het „UNODA” genoemd) in Genève staat in voor de technische uitvoering van de in artikel 1 bedoelde activiteiten. Het voert zijn taak uit onder toezicht van de SG/HV, die het voorzitterschap bijstaat. Daartoe treft de SG/HV de nodige regelingen met het UNODA.

3.   Conform hun respectieve bevoegdheden houden het voorzitterschap, de SG/HV en de Commissie elkaar regelmatig op de hoogte omtrent de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden.

Artikel 3

1.   Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde maatregelen bedraagt 1 400 000 EUR, te financieren uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

2.   De financiering van de in lid 1 gespecificeerde uitgaven wordt beheerd overeenkomstig de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie.

3.   De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de in lid 2 bedoelde uitgaven, die als subsidie worden verstrekt. Zij sluit daartoe een financieringsovereenkomst met het UNODA. In de financieringsovereenkomst wordt bepaald dat het UNODA er zorg voor moet dragen dat de EU-bijdrage zichtbaar is in een mate die overeenstemt met haar omvang.

4.   De Commissie stelt alles in het werk om de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit gemeenschappelijk optreden te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden en van de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst.

Artikel 4

Het voorzitterschap brengt, bijgestaan door de SG/HV, aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden, op basis van de geregelde verslagen die worden opgesteld door het UNODA. Deze verslagen vormen de basis voor de evaluatie door de Raad. De Commissie wordt volledig bij de werkzaamheden betrokken. Zij brengt verslag uit over de financiële aspecten van de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden.

Artikel 5

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het verstrijkt 24 maanden na de datum waarop de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst is gesloten, of zes maanden na de datum waarop dit gemeenschappelijk optreden is vastgesteld, indien er binnen die termijn geen financieringsovereenkomst gesloten is.

Artikel 6

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 10 november 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

B. KOUCHNER


(1)  PB L 65 van 7.3.2006, blz. 51.

(2)  PB L 88 van 25.3.2006, blz. 65.


BIJLAGE

1.   Algemeen kader

Voortbouwend op de geslaagde implementatie van Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB dient dit gemeenschappelijk optreden als een operationeel beleidsinstrument om de doelstellingen van Gemeenschappelijk Optreden 2006/242/GBVB dichterbij te brengen. Het focust vooral op de aspecten waarover tijdens de zesde toetsingsconferentie een algemene consensus werd bereikt en die zijn vermeld in het slotdocument daarvan.

Dit gemeenschappelijk optreden wordt door de volgende principes geleid:

a)

de ervaring van Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB ten volle benutten;

b)

nadenken over de specifieke behoeften van de verdragsluitende staten en de staten die nog geen partij zijn bij het BTWC, voor wat een betere implementatie en wereldwijde toepassing van het BTWC betreft;

c)

de lokale en regionale ownership in de projecten stimuleren, om hun duurzaamheid op lange termijn te garanderen en een partnerschap tussen de Europese Unie en derden in het kader van het BTWC op te bouwen;

d)

voorrang geven aan activiteiten die concrete resultaten opleveren en/of bijdragen tot een tijdige formulering van een gemeenschappelijke visie, met het oog op de toetsing van het BTWC in 2011;

e)

de voorzitter van de vergaderingen van de verdragsluitende partijen steunen en het mandaat van de ondersteunende eenheid voor de uitvoering (hierna de „ISU” genoemd) optimaal benutten, zoals overeengekomen tijdens de zesde toetsingsconferentie.

2.   Doelstelling

Het algemene doel van dit gemeenschappelijk optreden is om het universele karakter en de uitvoering van het BTWC, onder meer het indienen van CBM-verslagen, te ondersteunen en een optimaal gebruik van het intersessionele proces 2007-2010 te bevorderen als voorbereiding van de volgende toetsingsconferentie.

In haar steun aan het BTWC zal de Europese Unie ten volle rekening houden met de besluiten en aanbevelingen die de verdragsluitende staten hebben vastgesteld op de zesde toetsingsconferentie, die plaatsvond in Genève van 20 november tot 8 december 2006.

3.   Projecten

3.1.   Project 1: Bevordering van het universele karakter van het BTWC

Doel van het project

De toetreding tot het BTWC stimuleren en de verdragsluitende partijen bewuster maken van hun verplichtingen uit hoofde van het BTWC, door middel van landgerichte bijstand of via gestructureerde subregionale initiatieven die voortbouwen op de ervaring en contacten die uit Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB zijn voortgekomen.

Dit project moet de verdragsluitende partijen ondersteunen bij hun op de zesde toetsingsconferentie genomen besluiten inzake de verschillende soorten universaliseringsactiviteiten, de informatie-uitwisseling en de verslaglegging over de universaliseringsinspanningen, alsook de steun aan de voorzitter van de vergaderingen van verdragsluitende staten in zijn rol van coördinator van de universaliseringsactiviteiten.

Projectresultaten

a)

Meer toetredingen tot het BTWC in alle geografische regio’s;

b)

Een beter begrip van het BTWC bij de betrokken relevante nationale instanties en/of versterkte subregionale netwerken rond het BTWC om de toetreding tot het verdrag aan te moedigen;

c)

Meer vrijwillige uitvoering van het BTWC door staten vóór hun effectieve toetreding.

Projectbeschrijving

In 2006 en 2007 voerde de Europese Unie regionale stimuleringsactiviteiten uit in nagenoeg alle staten die het BTWC nog niet hadden ondertekend, om de ratificatie van of toetreding tot het verdrag aan te moedigen. Inmiddels zijn nog zeven staten tot het BTWC toegetreden. Dit project vormt de volgende stap. Het is bedoeld om maximaal zeven staten die nog niet tot het BTWC zijn toegetreden aan te moedigen via landgerichte bijstand of subregionale workshops, teneinde de doelstellingen en resultaten van dit project te bereiken.

Projectuitvoering

De voorzitter van de vergaderingen van verdragsluitende staten zal, met de assistentie van de ISU, worden verzocht om nog niet toegetreden staten op de hoogte te stellen van de bijstand die de Europese Unie kan verstrekken ter bevordering van de universele toepassing van het BTWC. Deze bijstand kan de volgende vormen aannemen:

a)

landgerichte of subregionale (maximaal vijf landen) juridische bijstand voor wat de ratificatie van of toetreding tot het BTWC betreft. Indien een land om bijstand verzoekt en er voor de toetreding tot of ratificatie van het BTWC wetgevende of administratieve maatregelen moeten worden getroffen, kan de juridische bijstand ook deze maatregelen dekken;

b)

landgerichte of subregionale (maximaal vijf landen) bijstand om de bekendheid met en de steun voor het BTWC te stimuleren bij de politieke leiders en opiniemakers, en om nog niet toegetreden staten aan te moedigen de noodzakelijke maatregelen te nemen voor de uitvoering van het BTWC, bijvoorbeeld contactpunten opzetten, netwerken onder de belangrijkste nationale belanghebbenden stimuleren, en opleidingen verstrekken;

c)

landgerichte financiële bijstand, zodat de betrokken nationale belanghebbenden, met name de instanties die bevoegd zijn voor de ratificatie van het BTWC, kunnen deelnemen aan het BTWC-proces (bijvoorbeeld als waarnemer deelnemen aan de vergaderingen van de deskundigen en/of verdragsluitende staten). Deze vorm van bijstand wordt verstrekt per geval, op voorwaarde dat ze een reëel verschil kan maken voor de vooruitzichten van een staat die tot het BTWC toetreedt;

d)

subsidies voor opleiding en sensibiliseringsbezoeken van betrokken nationale belanghebbenden aan de instanties van de EU-lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het BTWC.

Dit project zal partnerschappen mogelijk maken tussen de EU-lidstaten en de ontvangende landen, zodat de continuïteit van de universaliseringsinspanningen van de Europese Unie verzekerd is en er een permanent referentiepunt bestaat voor de ontvangende landen gedurende het hele ratificatie- of toetredingproces van het BTWC. De deelnemende EU-lidstaten kunnen zich kandidaat stellen om, individueel of in groep, de geselecteerde ontvangende landen tijdens het ratificatie- of toetredingsproces te begeleiden.

3.2.   Project 2: Bijstand aan verdragsluitende staten ten behoeve van de nationale uitvoering van het BTWC

Doel van het project

Ervoor zorgen dat de verdragsluitende staten hun verplichtingen uit hoofde van het BTWC nakomen door middel van nationale wetgeving en administratieve maatregelen, en deze ook effectief toepassen. Ze moeten daarbij rekening houden met het slotdocument van de zesde toetsingsconferentie, de onderlinge overeenstemming die is bereikt op de vergaderingen van de verdragsluitende staten en de samenvatting van de discussies op de vergaderingen van deskundigen en verdragsluitende staten.

Projectresultaten

a)

Er worden adequate wetgevende of administratieve maatregelen getroffen, met inbegrip van strafrechtelijke bepalingen, en ze omvatten alle verbodsbepalingen en preventieve maatregelen van het BTWC;

b)

Er is een doeltreffende uitvoering en handhaving, opdat schendingen van het BTWC worden voorkomen en sancties worden opgelegd in geval van inbreuken;

c)

Er wordt beter gecoördineerd en meer genetwerkt tussen de belanghebbenden die bij het BTWC-proces zijn betrokken, waaronder de particuliere sector, teneinde een doeltreffende uitvoering te promoten.

Projectbeschrijving

De juridische bijstand aan Peru en Nigeria bij de uitvoering van het BTWC was een positieve ervaring, en de Europese Unie zal bijstand blijven leveren aan maximaal zeven belangstellende staten die partij zijn bij het verdrag.

De ISU zal worden verzocht om de staten die partij zijn bij het verdrag op de hoogte te stellen van de beschikbare EU-bijstand voor de uitvoering van het BTWC. Deze bijstand kan onder de volgende vormen worden verstrekt:

a)

juridisch advies en bijstand voor het opstellen van wetgevende en administratieve maatregelen ter uitvoering van verbodsbepalingen en preventieve maatregelen waarin het BTWC voorziet, of die in onderlinge overeenstemming worden bepaald;

b)

voorlichtingsworkshops inzake de nationale uitvoering van het BTWC en de toepassing van nationale maatregelen, die kunnen zijn gericht op:

de besluitvormende instanties en nationale wetgevingsorganen, teneinde een politieke consensus over deze kwestie te bevorderen;

de overheidsinstanties die betrokken zijn bij de uitvoering van het BTWC, teneinde netwerken te creëren en contactpunten/bevoegde nationale instanties aan te wijzen;

het bedrijfsleven, de universiteiten en onderzoeksinstellingen en de niet-gouvernementele organisaties, teneinde publiek-private partnerschappen op te zetten.

De voorkeur gaat hoofdzakelijk uit naar bilaterale projecten voor de redactie van wetsteksten.

3.3.   Project 3: Aanmoediging van de verdragsluitende staten van het BTWC om regelmatig CBM-verslagen voor te leggen

Doel van het project

De verdragsluitende partijen aanmoedigen om regelmatig CBM-verslagen in te dienen, door de voorbereiding, samenstelling en transmissie van de vereiste gegevens op jaarbasis te bevorderen, de elektronische toezending van de CBM-verslagen efficiënter te helpen maken en de website voor CBM’s beter te beveiligen, en door bijstand te verstrekken, met name voor de contactpunten.

Projectresultaten

a)

Aanwijzing van nationale contactpunten voor de indiening van CBM-verslagen;

b)

Creatie of verbetering van nationale mechanismen voor het voorbereiden en verzamelen van informatie die in de CBM-verslagen wordt gevraagd;

c)

Regelmatige indiening van CBM-verslagen aan de ISU door de nationale contactpunten;

d)

Verbetering van de technische aspecten van de elektronische toezending van CBM-verslagen en van de veiligheid en het onderhoud van de website voor de CBM’s.

Projectbeschrijving

Tijdens de zesde toetsingsconferentie is gewezen op de dringende noodzaak om het aantal verdragsluitende staten dat deelneemt aan de CBM’s te vergroten. Ook werden de technische moeilijkheden belicht die sommige verdragsluitende staten ondervinden bij het tijdig en volledig indienen van de verslagen. Om het aantal verdragsluitende staten dat aan het CBM-proces deelneemt te vergroten, zal de Europese Unie verdragsluitende staten bijstand verstrekken via drie soorten activiteiten:

a)

het voorbereiden van uitvoerige documentatie met betrekking tot de methoden voor de voorbereiding en compilatie van nationale CBM-gegevens, onder andere met een brochure en een tijdschema voor het indienen van CBM-verslagen, teneinde voorbeelden te geven van goede praktijken die toch ruimte laten voor uiteenlopende nationale procedures. In de documentatie worden ook de instrumenten en informatie beschreven die de ISU hierover aanbiedt en komen gelijkaardige initiatieven van andere instellingen en verdragsluitende staten aan bod. De brochure zal beschikbaar zijn in alle officiële talen van de VN.

Het UNODA staat in voor de algemene coördinatie van de opstelling van de brochure. Eventueel wordt een bijeenkomst van EU-deskundigen georganiseerd om de brochure te bespreken en te voltooien. De brochure zal aan de verdragsluitende partijen worden verstrekt;

b)

Er wordt steun verleend voor het oprichten en functioneren van de nationale contactpunten die de indiening van CBM-verslagen moeten voorbereiden, onder andere landgerichte bijstand aan maximaal zeven verdragsluitende staten bij de voorbereiding van de eerste CBM-verslagen. Staten met veel bio-onderzoek of met een groot aantal inheemse ziekten krijgen prioriteit.

De ISU zal worden verzocht om de verdragsluitende partijen op de hoogte te brengen van de bijstand die de Europese Unie verstrekt op het gebied van CBM’s;

c)

Er worden twee workshops georganiseerd met bestaande en nieuw aangestelde CBM-contactpunten, in het kader van de vergaderingen van de deskundigen of verdragsluitende partijen, teneinde ervaringen met het CBM-proces en de gegevensverzameling uit te wisselen en alle verdragsluitende partijen aan te moedigen om een contactpunt aan te stellen.

Op de uitnodigingen voor de workshops wordt vermeld dat de workshops deel uitmaken van een EU-initiatief. De ISU zal de verdragsluitende staten melden dat de Europese Unie voor elke conferentie de kosten kan dekken van maximaal tien deelnemers uit verdragsluitende staten die geen lid zijn van de Europese Unie en die onlangs hebben beslist een contactpunt aan te wijzen. Staten met veel bio-onderzoek of met een groot aantal inheemse ziekten krijgen prioriteit voor mogelijke financiering. Dit wordt per geval onderzocht;

d)

Er worden financiële bijdragen geleverd aan het UNODA om de bestaande beveiligde CBM-website verder te onderhouden en te verbeteren en de technische aspecten van de elektronische verzending van bestaande CBM-verslagen te verbeteren, in overeenstemming met het besluit van de verdragsluitende partijen op de zesde toetsingsconferentie.

3.4.   Project 4: Steun voor het intersessionele proces van het BTWC

Doel van het project

Het intersessionele proces van het BTWC ondersteunen, met name de discussie over de intersessionele thema’s voor 2008 en 2009, binnen en buiten de Europese Unie, opdat concrete maatregelen kunnen worden goedgekeurd.

Projectresultaten

a)

Er wordt een debat gelanceerd tussen de particuliere en openbare sectoren in de Europese Unie over de veiligheidsproblemen waarmee de vooruitgang in biowetenschappelijk en biotechnologisch onderzoek gepaard gaat, en over de maatregelen die op nationaal, regionaal of internationaal niveau moeten worden genomen om deze problemen aan te pakken. Bijzondere aandacht gaat naar het toezicht op wetenschap, onderwijs, voorlichting en de ontwikkeling van gedragscodes voor biowetenschappen en de biotechnologische industrie. Ook wordt de discussie aangewakkerd over de verbetering van internationale samenwerking en bijstand op het vlak van de bewaking, opsporing en diagnosestelling van ziekten, om na te gaan waar de concrete bijstandsbehoeften liggen;

b)

Een verslag wordt voorgelegd aan de intersessionele vergaderingen over de bevindingen en aanbevelingen die uit de discussies in EU-kader voortvloeien;

c)

De discussie over de intersessionele thema’s in de verschillende wereldregio’s wordt aangemoedigd, in het bijzonder in die regio’s die niet voldoende zijn vertegenwoordigd op de intersessionele vergaderingen.

Projectbeschrijving

Dit project voorziet in twee workshops op EU-niveau, waarop vertegenwoordigers van regering, bedrijfsleven, universiteiten en onderzoeksinstellingen en niet-gouvernementele organisaties samenkomen om ervaringen uit te wisselen en na te denken over de intersessionele thema’s voor 2008 en 2009. De workshops vinden idealiter plaats vóór de vergaderingen van de deskundigen of verdragsluitende staten. Er wordt verslag over de workshops uitgebracht aan de verdragsluitende staten.

Om de discussie over deze thema’s algemeen te bevorderen, staan fondsen ter beschikking voor twee soorten activiteiten:

a)

deelname van maximaal zeven niet-EU-vertegenwoordigers aan elke regionale EU-workshop, met name van de beweging van niet-gebonden landen (NGL);

b)

organisatie van maximaal vier nationale workshops om de intersessionele thema’s voor 2008 en 2009 te bespreken in verschillende regio’s in de wereld. Verwacht wordt dat verdragsluitende staten die geen EU-lid zijn en die deelnamen aan de regionale EU-workshops, gelijkaardige workshops zullen willen organiseren in hun respectieve landen en de Europese Unie daartoe om bijstand zullen verzoeken.

4.   Procedurele aspecten, coördinatie en het stuurcomité

Derde staten die bijstand en samenwerking wensen in het kader van dit gemeenschappelijk optreden moeten hun aanvragen in principe richten tot de SG/HV, die het voorzitterschap assisteert, en tot het UNODA. Het UNODA zal deze aanvragen zo nodig onderzoeken en beoordelen en zal aanbevelingen doen aan het stuurcomité. Het stuurcomité onderzoekt de aanvragen voor bijstand en de actieplannen en hun uitvoering. Het zal een definitieve lijst van ontvangende landen voorleggen, die vervolgens door het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, wordt goedgekeurd na overleg met de bevoegde werkgroep van de Raad.

Het stuurcomité is samengesteld uit een vertegenwoordiger van het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, een vertegenwoordiger van het aantredende voorzitterschap en een van het UNODA. De Commissie wordt hierbij volledig betrokken. Het stuurcomité zal de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden regelmatig evalueren, ten minste elk halfjaar, ook met behulp van elektronische communicatiemiddelen.

Met het oog op een sterk ownership en een duurzaam beheer door de begunstigde landen van door de Europese Unie opgezette activiteiten, wordt overwogen om, telkens wanneer dat nodig en mogelijk is, de gekozen ontvangende landen te vragen om actieplannen op te stellen met onder andere een tijdschema voor de uitvoering van gefinancierde activiteiten (ook met nationale middelen), details over de werkingssfeer en de duur van het project en de belangrijkste belanghebbenden. Het UNODA of de lidstaten, naargelang van toepassing, zullen bij de opstelling van de actieplannen worden betrokken. De uitvoering van de projecten moet in overeenstemming met de actieplannen gebeuren.

5.   Rapportage en beoordeling

Het UNODA zal regelmatig tweemaandelijkse voortgangsverslagen over de uitvoering van de projecten voorleggen aan het voorzitterschap, dat door de SG/HV wordt bijgestaan. Het verslag wordt doorgezonden aan de betrokken werkgroep van de Raad voor een voortgangsbeoordeling, een algemene evaluatie van de projecten en een eventuele follow-up.

De verdragsluitende staten zullen zo goed mogelijk op de hoogte worden gesteld van de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden.

6.   Systeem voor het beheer van informatie en van gegevens over samenwerking (ICMS)

Het ICMS, dat ontwikkeld werd onder Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB, wordt verder gehandhaafd en gebruikt voor de uitwisseling van informatie, het opstellen van teksten en andere communicatie tussen EU-deskundigen, het UNODA en derde landen, waar toepasselijk, en voor de voorbereiding van eventuele bezoeken met het oog op bijstand.

7.   Deelname van EU-deskundigen

De actieve deelname van EU-deskundigen is noodzakelijk voor een geslaagde uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden. De kosten voor de uitvoering van de projecten worden door dit gemeenschappelijk optreden gedekt. Het UNODA zal worden aangemoedigd om de bestaande lijst van juridische deskundigen van de Europese Unie te gebruiken en, waar toepasselijk, gelijkaardige instrumenten te ontwikkelen voor de CBM’s en andere aspecten van de uitvoering.

Verwacht wordt dat voor de geplande bijstandsbezoeken (bijvoorbeeld juridische bijstand, CBM-bijstand) de inzet van een groep van maximaal drie deskundigen voor een maximale duur van vijf dagen de standaardpraktijk zal zijn.

8.   Duur

De totale duur van de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden wordt op 24 maanden geraamd.

9.   Ontvangende landen

De activiteiten voor de universele toepassing van het verdrag zijn bestemd voor staten die geen partij bij het BTWC zijn (zowel staten die het verdrag wél als staten die het verdrag niet hebben ondertekend).

Uitvoerings- en CBM-gerelateerde activiteiten zijn bestemd voor de verdragsluitende staten.

Activiteiten rond het intersessionele proces zijn bestemd voor regeringsvertegenwoordigers van lidstaten en andere verdragsluitende staten, evenals vertegenwoordigers van de particuliere sector, universiteiten en onderzoeksinstellingen en niet-gouvernementele organisaties.

10.   Vertegenwoordigers van derde partijen

Om het regionale ownership en de duurzaamheid van de projecten te stimuleren, kan de deelname van deskundigen die niet tot de Europese Unie behoren, met inbegrip van deskundigen van regionale en andere betrokken internationale organisaties, worden gefinancierd door dit gemeenschappelijk optreden. Per geval wordt beslist of de voorzitter van de vergaderingen van verdragsluitende staten en het ISU-personeel dienen deel te nemen.

11.   Uitvoeringsorgaan

De technische uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden wordt toevertrouwd aan het UNODA in Genève, dat zijn opdracht uitvoert onder toezicht van de SG/HV, die het voorzitterschap assisteert.

Bij de uitvoering van zijn activiteiten werkt het UNODA samen met het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, en de lidstaten en andere verdragsluitende staten en internationale organisaties, naargelang van het geval.

12.   Uitvoeringsorgaan — Personeelskwesties

Aangezien de activiteiten die dit gemeenschappelijk optreden beoogt toe te wijzen aan het UNODA niet op de begroting kunnen worden opgevoerd, zal extra personeel nodig zijn om de geplande projecten uit te voeren.


Rectificaties

13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/37


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (Gecodificeerde versie)

( Publicatieblad van de Europese Unie L 114 van 26 april 2008 )

Bladzijde 23, artikel 47, lid 6, vierde alinea:

in plaats van:

„De totale hoeveelheid waarvoor dit certificaat wordt, respectievelijk deze certificaten worden afgegeven, is gelijk aan de totale hoeveelheid waarvan de levering aan de aanvrager is gegund en waarvoor deze laatste het contract of de in de tweede alinea, onder d), van dit lid bedoelde documenten heeft overgelegd; deze hoeveelheid kan niet groter zijn dan de gevraagde hoeveelheid.”,

te lezen:

„De totale hoeveelheid waarvoor dit certificaat wordt, respectievelijk deze certificaten worden afgegeven, is gelijk aan de totale hoeveelheid waarvan de levering aan de aanvrager is gegund en waarvoor deze laatste het contract of de in de tweede alinea, onder e), van dit lid bedoelde documenten heeft overgelegd; deze hoeveelheid kan niet groter zijn dan de gevraagde hoeveelheid.”.


13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/s3


BERICHT AAN DE LEZER

De instellingen hebben besloten in hun teksten niet langer te verwijzen naar de laatste wijziging van de aangehaalde besluiten.

Tenzij anders vermeld, zijn de besluiten waarnaar in de hierin gepubliceerde teksten wordt verwezen, de besluiten zoals die momenteel van kracht zijn.