ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 295

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
4 november 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 1076/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1077/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1966/2006 van de Raad betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1566/2007

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1078/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad, wat betreft de uitgaven van de lidstaten voor de verzameling en het beheer van de basisgegevens over de visserij

24

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2008/830/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 30 april 2008 betreffende Steunmaatregel C 21/07 (ex N 578/06) die Hongarije voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van IBIDEN Hungary Gyártó Kft. (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1342)  ( 1 )

34

 

 

2008/831/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 31 oktober 2008 tot vaststelling van een nieuwe termijn voor de indiening van dossiers voor bepaalde stoffen die in het kader van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG bedoelde tienjarige werkprogramma dienen te worden beoordeeld (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6266)  ( 1 )

50

 

 

2008/832/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 3 november 2008 betreffende de niet-opneming van bromuconazool in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6290)  ( 1 )

53

 

 

 

*

Bericht aan de lezer (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

4.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/1


VERORDENING (EG) Nr. 1076/2008 VAN DE COMMISSIE

van 3 november 2008

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 4 november 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 november 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

36,3

MK

43,0

TR

81,0

ZZ

53,4

0707 00 05

JO

168,2

MA

26,4

TR

143,3

ZZ

112,6

0709 90 70

MA

39,5

TR

127,4

ZZ

83,5

0805 50 10

AR

82,2

MA

81,6

TR

93,5

ZA

91,9

ZZ

87,3

0806 10 10

BR

232,0

TR

127,8

US

242,1

ZA

218,0

ZZ

205,0

0808 10 80

CA

96,3

CL

64,4

CN

66,8

MK

37,6

NZ

82,2

US

112,0

ZA

91,2

ZZ

78,6

0808 20 50

CN

55,9

US

208,3

ZZ

132,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


4.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/3


VERORDENING (EG) Nr. 1077/2008 VAN DE COMMISSIE

van 3 november 2008

tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1966/2006 van de Raad betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1566/2007

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1966/2006 van de Raad van 21 december 2006 betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie (1), en met name op artikel 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 22, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad (2) zijn activiteiten binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid verboden tenzij de kapitein informatie over de visserijactiviteiten, met inbegrip van aanlandingen en overladingen, onverwijld vastlegt en meldt, en moeten kopieën van de vastgelegde informatie ter beschikking van de autoriteiten worden gesteld.

(2)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1966/2006 gaat de verplichting om de gegevens uit het logboek, uit de aangifte van aanlanding en uit de aangifte van overlading elektronisch te registreren en door te geven, voor kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 24 m in binnen 24 maanden na de inwerkingtreding van de uitvoeringsbepalingen en voor kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 15 m binnen 42 maanden na de inwerkingtreding van de uitvoeringsbepalingen.

(3)

Een dagelijkse melding van visserijactiviteiten maakt het mogelijk de efficiëntie en de doeltreffendheid van het toezicht, de controle en de bewaking zowel op zee als aan land aanzienlijk te vergroten.

(4)

In artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (3) is bepaald dat kapiteins van communautaire vissersvaartuigen een logboek van hun activiteiten moeten bijhouden.

(5)

Krachtens artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 moet de kapitein van een communautair vissersvaartuig met een totale lengte van 10 m of meer, of zijn gemachtigde, na elke visreis binnen 48 uur na de aanlanding een aangifte indienen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de aanlanding plaatsvindt.

(6)

Krachtens artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 moeten de visafslagen of de door de lidstaten gemachtigde instanties of personen die verantwoordelijk zijn voor het voor de eerste maal op de markt brengen van de visserijproducten, bij de eerste verkoop een verkoopdocument zenden naar de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de producten de eerste maal op de markt worden gebracht.

(7)

Verder is in artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 bepaald dat wanneer het voor de eerste maal op de markt brengen van visserijproducten niet plaatsvindt in de lidstaat waar die producten zijn aangeland, de lidstaat die verantwoordelijk is voor de controle op de eerste verkoop, ervoor moet zorgen dat zo spoedig mogelijk een kopie van het verkoopdocument wordt overgelegd aan de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de controle op de aanlanding van die producten.

(8)

Krachtens artikel 19 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 moeten de lidstaten een geautomatiseerd gegevensbestand aanleggen en een validatieregeling instellen die met name voorziet in vergelijkende controles en verificatie van de gegevens.

(9)

In de artikelen 19 ter en 19 sexies van Verordening (EEG) nr. 2847/93 is bepaald dat kapiteins van communautaire vissersvaartuigen een visserijinspanningsrapport moeten opstellen en de gegevens moeten registreren in hun logboek.

(10)

Op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad (4) moet de kapitein van een communautair vissersvaartuig dat in het bezit is van een diepzeevisdocument, in het logboek of op een door de vlaggenlidstaat ter beschikking gesteld formulier informatie over de kenmerken van het vistuig en over de visserijactiviteiten registreren.

(11)

Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad van 26 april 2005 tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (5) voorziet in de uitvoering van gezamenlijke inzetplannen.

(12)

Bij Verordening (EG) nr. 1566/2007 van de Commissie (6) zijn voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1966/2006 betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten.

(13)

Het is thans noodzakelijk een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 1566/2007 verder te detailleren en te verduidelijken.

Daarom dient Verordening (EG) nr. 1566/2007 te worden ingetrokken en door een nieuwe verordening te worden vervangen.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op:

a)

communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 24 meter, vanaf 1 januari 2010;

b)

communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter, vanaf 1 juli 2011;

c)

geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere door de lidstaten gemachtigde instanties of personen die verantwoordelijk zijn voor de eerste verkoop van visserijproducten en die met de eerste verkoop van visserijproducten een jaaromzet van meer dan 400 000 EUR realiseren, vanaf 1 januari 2009.

2.   In afwijking van lid 1, onder a), is deze verordening met ingang van een vroegere datum dan 1 januari 2010 van toepassing op communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 24 meter die de vlag van een bepaalde lidstaat voeren, indien dat door die lidstaat zo is bepaald.

3.   In afwijking van lid 1, onder b), is deze verordening met ingang van een vroegere datum dan 1 juli 2011 van toepassing op communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter die de vlag van een bepaalde lidstaat voeren, indien dat door die lidstaat zo is bepaald.

4.   In afwijking van de in lid 1, onder a) en b), vastgestelde data kan een lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1966/2006 besluiten deze verordening al vóór die data toe te passen op vissersvaartuigen met een lengte over alles van niet meer dan 15 meter die zijn vlag voeren.

5.   De lidstaten kunnen bilaterale akkoorden sluiten over het gebruik van elektronische meldsystemen op vissersvaartuigen die hun vlag voeren binnen de wateren die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen, op voorwaarde dat de vissersvaartuigen aan alle in deze verordening vastgestelde regels voldoen.

6.   Deze verordening is van toepassing op communautaire vissersvaartuigen ongeacht de wateren waarin zij visserijactiviteiten verrichten of de havens waar zij aanlanden.

7.   Deze verordening is niet van toepassing op communautaire vissersvaartuigen die uitsluitend voor de aquacultuur worden gebruikt.

Artikel 2

Lijst van exploitanten en vissersvaartuigen

1.   Elke lidstaat stelt een lijst op van geregistreerde kopers en geregistreerde visafslagen of andere door die lidstaat gemachtigde instanties of personen die verantwoordelijk zijn voor de eerste verkoop van visserijproducten en een jaaromzet in visserijproducten van meer dan 400 000 EUR realiseren. Het eerste referentiejaar is 2007 en de lijst wordt bijgewerkt op 1 januari van het lopende jaar (jaar n) op basis van de jaaromzet in visserijproducten van meer dan 400 000 EUR in jaar n-2. De lijst wordt bekendgemaakt op een officiële website van de lidstaat.

2.   Elke lidstaat stelt een lijst op van de communautaire vissersvaartuigen die zijn vlag voeren en waarvoor deze verordening overeenkomstig artikel 1, leden 2 tot en met 5, geldt, en werkt deze lijst geregeld bij. De lijst wordt bekendgemaakt op een officiële website van de lidstaat en wordt opgesteld in het formaat dat in overleg tussen de lidstaten en de Commissie wordt bepaald.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„visserijactiviteiten”: alle activiteiten in verband met het zoeken naar vis, het uitzetten en binnenhalen van vistuig en het verwijderen van de vangst uit het vistuig;

2.

„gezamenlijk inzetplan”: een plan waarin de operationele regelingen voor het inzetten van de beschikbare controle- en inspectiemiddelen zijn vastgesteld.

HOOFDSTUK II

ELEKTRONISCHE DOORGIFTE

Artikel 4

Doorgifte van informatie door kapiteins of hun vertegenwoordigers

1.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen geven de gegevens uit het logboek en uit de aangifte van overlading elektronisch door aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat.

2.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen of hun vertegenwoordigers geven de gegevens uit de aangifte van aanlanding elektronisch door aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenstaat.

3.   Wanneer een communautair vissersvaartuig zijn vangst in een andere lidstaat dan de vlaggenlidstaat aanlandt, geven de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat de gegevens uit de aangifte van aanlanding na ontvangst onverwijld elektronisch door aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de vangst is aangeland.

4.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen melden, wanneer dat volgens de communautaire regels vereist is en op het tijdstip waarop dat vereist is, van tevoren elektronisch aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat wanneer zij een haven binnenvaren.

5.   Wanneer een vissersvaartuig een haven in een andere lidstaat dan de vlaggenlidstaat wil binnenvaren, geven de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat de in lid 4 bedoelde voorafgaande melding na ontvangst onverwijld elektronisch door aan de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat.

Artikel 5

Doorgifte van informatie door de voor de eerste verkoop of de overname verantwoordelijke instanties of personen

1.   Geregistreerde kopers, geregistreerde visafslagen of andere door de lidstaten gemachtigde instanties of personen die verantwoordelijk zijn voor de eerste verkoop van visserijproducten, geven de informatie die in een verkoopdocument moet worden vastgelegd, elektronisch door aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de producten voor de eerste maal op de markt worden gebracht.

2.   Wanneer de producten voor de eerste maal op de markt worden gebracht in een andere lidstaat dan de vlaggenlidstaat, zorgen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de producten voor de eerste maal op de markt worden gebracht, ervoor dat een kopie van de gegevens uit het verkoopdocument na ontvangst van de desbetreffende informatie elektronisch bij de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat wordt ingediend.

3.   Wanneer het voor de eerste maal op de markt brengen van de visserijproducten niet plaatsvindt in de lidstaat waar de producten zijn aangeland, zorgt de lidstaat waar zij voor de eerste maal op de markt worden gebracht, ervoor dat een kopie van de gegevens uit het verkoopdocument na ontvangst van de desbetreffende informatie onverwijld elektronisch wordt ingediend bij de volgende autoriteiten:

a)

de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de visserijproducten zijn aangeland, en

b)

de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat van het vissersvaartuig dat de visserijproducten heeft aangeland.

4.   De houder van de aangifte van overname geeft de informatie die in die aangifte van overname moet worden vastgelegd, elektronisch door aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de overname fysiek plaatsvindt.

Artikel 6

Frequentie van de doorgifte

1.   De kapitein geeft de informatie uit het elektronische logboek ten minste eenmaal daags en niet later dan om 24.00 uur door aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat, ook al is er niets gevangen. Hij stuurt deze gegevens ook:

a)

op verzoek van de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat;

b)

onmiddellijk nadat de laatste visserijactiviteit is voltooid;

c)

vóór een haven wordt binnengevaren;

d)

bij elke inspectie op zee;

e)

in geval van de in de communautaire wetgeving of door de vlaggenstaat omschreven gebeurtenissen.

2.   De kapitein kan correcties die aan het elektronische logboek en de aangiften van overlading zijn aangebracht, doorgeven tot de laatste doorgifte aan het eind van de visserijactiviteiten en vóór de haven wordt binnengevaren. De correcties moeten duidelijk als zodanig herkenbaar zijn. Alle originele gegevens uit het elektronische logboek en de aan die gegevens aangebrachte correcties worden door de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat opgeslagen.

3.   De kapitein of zijn vertegenwoordiger geeft de gegevens uit de aangifte van aanlanding onmiddellijk na het opstellen van de aangifte van aanlanding elektronisch door.

4.   De kapitein van het overladende vissersvaartuig en die van het ontvangende vissersvaartuig geven de gegevens over de overlading onmiddellijk na de overlading elektronisch door.

5.   De kapitein bewaart gedurende elke buitengaats doorgebrachte periode een kopie van de in lid 1 bedoelde informatie aan boord van het vissersvaartuig totdat de aangifte van aanlanding is ingediend.

6.   Indien een vissersvaartuig zich in de haven bevindt, geen vis aan boord heeft en de kapitein de aangifte van aanlanding heeft ingediend, kan de doorgifte overeenkomstig lid 1 van dit artikel worden opgeschort, mits hiervan op voorhand kennis wordt gegeven aan het visserijcontrolecentrum van de vlaggenlidstaat. De doorgifte wordt hervat zodra het vaartuig de haven verlaat. Voorafgaande kennisgeving is niet vereist voor vaartuigen die zijn uitgerust met het satellietvolgsysteem voor vaartuigen (VMS) en de gegevens via dit systeem doorgeven.

Artikel 7

Formaat voor de doorgifte van gegevens van een vissersvaartuig aan de bevoegde autoriteiten van zijn vlaggenlidstaat

Elke lidstaat stelt het formaat vast waarin de gegevens van vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, aan zijn bevoegde autoriteiten moeten worden doorgegeven.

Artikel 8

Retourberichten

De lidstaten zorgen ervoor dat vissersvaartuigen die hun vlag voeren, voor iedere doorgifte van gegevens uit het logboek, uit de aangifte van overlading en uit de aangifte van aanlanding een retourbericht krijgen. Het retourbericht bevat een ontvangstbevestiging.

HOOFDSTUK III

VRIJSTELLINGEN

Artikel 9

Vrijstellingen

1.   Een lidstaat kan kapiteins van vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, vrijstellen van de in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichtingen, alsook van de verplichting om middelen voor elektronische gegevenstransmissie aan boord te hebben als bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1966/2006, wanneer zij gedurende 24 uur of minder buitengaats zijn binnen de wateren die onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallen, mits zij hun vangst niet buiten het grondgebied van de vlaggenlidstaat aanlanden.

2.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen die hun visserijactiviteiten elektronisch vastleggen en melden, zijn vrijgesteld van de verplichting het logboek, de aangifte van aanlanding en de aangifte van overlading op papier in te vullen.

3.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen, of hun vertegenwoordigers, die hun vangst in een andere lidstaat dan de vlaggenlidstaat aanlanden, zijn vrijgesteld van de verplichting een aangifte van aanlanding op papier bij de kustlidstaat in te dienen.

4.   De lidstaten kunnen bilaterale akkoorden sluiten over het gebruik van elektronische meldsystemen op vissersvaartuigen die hun vlag voeren binnen de wateren die onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallen. Vissersvaartuigen waarop een dergelijk akkoord van toepassing is, zijn vrijgesteld van het invullen van een logboek op papier binnen die wateren.

5.   De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen die in hun elektronische logboek de krachtens artikel 19 ter van Verordening (EEG) nr. 2847/93 vereiste informatie over hun visserijinspanning registreren, zijn vrijgesteld van de verplichting een inspanningsrapport per telex, VMS, fax, telefoon of radio door te geven.

HOOFDSTUK IV

WERKING VAN ELEKTRONISCHE REGISTRATIE- EN MELDSYSTEMEN

Artikel 10

Bepalingen in het geval van technisch falen of niet-functioneren van elektronische registratie- en meldsystemen

1.   In het geval van een technisch falen of het niet-functioneren van het elektronische registratie- en meldsysteem deelt de kapitein of de reder van het vissersvaartuig, of hun vertegenwoordiger, de gegevens uit het logboek, uit de aangifte van aanlanding en uit de aangifte van overlading dagelijks, maar niet later dan 24.00 uur, op een door de vlaggenlidstaat vastgestelde wijze mee aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat, ook al is er niets gevangen. De gegevens worden ook gezonden:

a)

op verzoek van de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat;

b)

onmiddellijk nadat de laatste visserijactiviteit is voltooid;

c)

vóór een haven wordt binnengevaren;

d)

bij elke inspectie op zee;

e)

in geval van de in de communautaire wetgeving of door de vlaggenstaat omschreven gebeurtenissen.

2.   De bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat werken het elektronische logboek onmiddellijk na ontvangst van de in lid 1 bedoelde gegevens bij.

3.   Na een technisch falen of een niet-functioneren van het elektronische registratie- en meldsysteem mag een communautair vissersvaartuig niet uitvaren voordat het systeem weer naar tevredenheid van de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat functioneert of voordat de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat het op andere wijze toestemming geven om te vertrekken. De vlaggenlidstaat meldt onmiddellijk aan de kustlidstaat dat hij een vissersvaartuig dat zijn vlag voert, toestemming heeft gegeven een in de kustlidstaat gelegen haven te verlaten.

Artikel 11

Geen ontvangst van gegevens

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten van een vlaggenlidstaat de overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, doorgegeven gegevens niet hebben ontvangen, stellen zij de kapitein of de reder van het vissersvaartuig, of hun vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk daarvan in kennis. Wanneer deze situatie zich voor een bepaald vissersvaartuig binnen een jaar meer dan driemaal voordoet, zorgt de vlaggenlidstaat ervoor dat het elektronische meldsysteem wordt gecontroleerd. De betrokken lidstaat onderzoekt waarom geen gegevens zijn ontvangen.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten van een vlaggenlidstaat de overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, doorgegeven gegevens niet hebben ontvangen en de laatste via het satellietvolgsysteem voor vaartuigen ontvangen positie binnen de wateren van een kustlidstaat lag, stellen zij de bevoegde autoriteiten van die kustlidstaat zo spoedig mogelijk daarvan in kennis.

3.   De kapitein of de reder van het vissersvaartuig, of hun vertegenwoordiger, zendt alle gegevens waarvoor een in lid 1 bedoelde kennisgeving is ontvangen, onmiddellijk na ontvangst van die kennisgeving naar de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat.

Artikel 12

Geen toegang tot gegevens

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten van een kustlidstaat in hun wateren een vissersvaartuig waarnemen dat de vlag van een andere lidstaat voert en zij geen toegang tot de gegevens uit het logboek of de gegevens van overlading overeenkomstig artikel 15 krijgen, verzoeken zij de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat voor toegang te zorgen.

2.   Indien niet binnen vier uur na het verzoek voor de in lid 1 bedoelde toegang is gezorgd, stelt de kustlidstaat de vlaggenlidstaat daarvan in kennis. Na ontvangst van de kennisgeving zendt de vlaggenlidstaat de gegevens onverwijld op enigerlei elektronische wijze naar de kustlidstaat.

3.   Indien de kustlidstaat de in lid 2 bedoelde gegevens niet ontvangt, zendt de kapitein of de reder, of hun vertegenwoordiger, de gegevens en een kopie van het in artikel 8 bedoelde retourbericht op enigerlei elektronische wijze naar de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat indien deze daarom verzoeken.

4.   Indien de kapitein of de reder van het vissersvaartuig, of hun vertegenwoordiger, de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat niet kan voorzien van een kopie van het in artikel 8 bedoelde retourbericht, worden de visserijactiviteiten van het betrokken vissersvaartuig in de wateren van de kustlidstaat verboden totdat de kapitein of zijn vertegenwoordiger een kopie van het retourbericht of van de in artikel 6, lid 1, bedoelde informatie kan bezorgen aan de reeds genoemde autoriteiten.

Artikel 13

Gegevens over de werking van het elektronische meldsysteem

1.   De lidstaten houden een gegevensbestand bij over de werking van hun elektronische meldsysteem. Dit bestand omvat ten minste de volgende informatie:

a)

de lijst van hun vlag voerende vissersvaartuigen waarvan het elektronische meldsysteem technisch heeft gefaald of niet heeft gefunctioneerd;

b)

het aantal doorgiften van het elektronische logboek dat per dag is ontvangen en het gemiddelde aantal ontvangen doorgiften per vaartuig, ingedeeld naar vlaggenlidstaat;

c)

het aantal ontvangen doorgiften van gegevens uit aangiften van aanlanding, aangiften van overlading en aangiften van overname, alsmede van gegevens uit verkoopdocumenten, ingedeeld naar vlaggenlidstaat.

2.   Samenvattingen van de informatie over de werking van de elektronische meldsystemen van de lidstaten worden aan de Commissie toegezonden wanneer deze daarom verzoekt, in een formaat en met tussenpozen die de lidstaten en de Commissie in onderling overleg vaststellen.

HOOFDSTUK V

UITWISSELING VAN EN TOEGANG TOT GEGEVENS

Artikel 14

Formaat voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten

1.   Bij de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten wordt gebruikgemaakt van het in de bijlage omschreven formaat, waaruit extensible mark-up language (XML) wordt afgeleid.

2.   Correcties aan de in lid 1 bedoelde informatie moeten duidelijk als zodanig herkenbaar zijn.

3.   Wanneer een lidstaat elektronische informatie uit een andere lidstaat ontvangt, zorgt hij ervoor dat een retourbericht naar de bevoegde autoriteiten van die lidstaat wordt gezonden. Het retourbericht bevat een ontvangstbevestiging.

4.   In de bijlage bedoelde gegevens die de kapiteins volgens de communautaire regels in hun logboek moeten registreren, moeten ook tussen de lidstaten worden uitgewisseld.

Artikel 15

Toegang tot gegevens

1.   Een vlaggenlidstaat zorgt ervoor dat een kustlidstaat in real time onlinetoegang heeft tot de gegevens uit het elektronische logboek en uit de aangifte van aanlanding van vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, wanneer deze vaartuigen visserijactiviteiten verrichten in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de kustlidstaat vallen of een haven van die lidstaat binnenvaren.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens omvatten ten minste de gegevens over de periode vanaf het laatste vertrek uit de haven tot het voltooien van de aanlanding. Gegevens over visserijactiviteiten die in de vorige 12 maanden hebben plaatsgevonden, worden op verzoek ter beschikking gesteld.

3.   De kapitein van een communautair vissersvaartuig heeft zeven dagen per week dag en nacht een beveiligde toegang tot zijn eigen elektronischelogboekinformatie die in het gegevensbestand van de vlaggenlidstaat is opgeslagen.

4.   Een kustlidstaat moet in het kader van een gezamenlijk inzetplan een visserijpatrouillevaartuig van een andere lidstaat onlinetoegang tot zijn logboekgegevensbestand verlenen.

Artikel 16

Gegevensuitwisseling tussen de lidstaten

1.   De in artikel 15, lid 1, bedoelde gegevens zijn via een beveiligde internetverbinding zeven dagen per week dag en nacht toegankelijk.

2.   De lidstaten wisselen de nodige technische informatie uit om te zorgen voor een wederzijdse toegang tot de elektronische logboeken.

3.   De lidstaten:

a)

zorgen ervoor dat de krachtens deze verordening ontvangen gegevens veilig worden opgeslagen in geautomatiseerde gegevensbestanden en nemen alle nodige maatregelen om te garanderen dat deze gegevens vertrouwelijk worden behandeld;

b)

nemen de nodige technische maatregelen om dergelijke gegevens te beschermen tegen onopzettelijk of niet-geautoriseerd wissen, toevallig verlies, beschadiging, verspreiding of onbevoegde raadpleging.

Artikel 17

Enige instantie

1.   In elke lidstaat is een enkele instantie verantwoordelijk voor de doorgifte, de ontvangst, het beheer en de verwerking van alle gegevens waarop deze verordening van toepassing is.

2.   De lidstaten wisselen lijsten en contactgegevens uit van de in lid 1 bedoelde instanties en stellen de Commissie daarvan in kennis.

3.   Wijzigingen van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie worden onverwijld aan de Commissie en aan de andere lidstaten meegedeeld.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 18

Intrekking

1.   Verordening (EG) nr. 1566/2006 wordt ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 november 2008.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 409 van 30.12.2006, blz. 1; gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 3.

(2)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(3)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1.

(4)  PB L 351 van 28.12.2002, blz. 6.

(5)  PB L 128 van 21.5.2005, blz. 1.

(6)  PB L 340 van 22.12.2007, blz. 46.


BIJLAGE (1)

FORMAAT VOOR DE ELEKTRONISCHE INFORMATIE-UITWISSELING

Nr.

Naam van het element of kenmerk

Code

Omschrijving en inhoud

Verplicht (C)/Voorwaardelijk verplicht — verplicht indien (CIF) (2)/Optioneel (O) (3)

1

Elektronischmeldsysteem-bericht (ERS-bericht)

 

 

 

2

Begin bericht (record)

ERS

Markering voor het begin van een ERS-bericht

C

3

Adres

AD

Bestemming van het bericht (drieletterige ISO-landcode)

C

4

Van

FR

Land dat de gegevens doorgeeft (drieletterige ISO-landcode)

C

5

Nummer van het bericht (record)

RN

Volgnummer van het bericht (formaat LLL99999999)

C

6

Datum van het bericht (record)

RD

Datum van doorgifte van het bericht (JJJJ-MM-DD)

C

7

Tijdstip van het bericht (record)

RT

Tijdstip van doorgifte van het bericht (UU:MM in UTC)

C

8

Berichttype

TM

Soort bericht (logboek = LOG, ontvangstbevestiging = RET, correctie = COR of verkoopdocument = SAL)

C

9

Testbericht

TS

Betekent dat het bericht een testbericht is

CIF test

10

 

 

 

 

11

Als het gaat om een bericht van het type RET

(TM = RET)

 

RET is een ontvangstbevestiging

 

12

De volgende kenmerken moeten worden gespecificeerd

 

Met dit bericht wordt de goede of de slechte ontvangst bevestigd van het met het RN geïdentificeerde bericht

 

13

Nummer van het verzonden bericht

RN

Volgnummer van het bericht waarvan ontvangst is bevestigd door het ontvangende VCC (LLL99999999)

C

14

Retourstatus

RS

Geeft de status aan van het ontvangen bericht/rapport. De codelijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

15

Reden voor verwerping (als die er is)

RE

Vrije tekst waarin de reden voor de verwerping wordt toegelicht

O

16

 

 

 

 

17

Als het gaat om een bericht van het type COR

(TM = COR)

 

COR is een correctiebericht

 

18

De volgende kenmerken moeten worden gespecificeerd

 

Met dit bericht wordt een voorgaand bericht gecorrigeerd; de informatie in dit bericht vervangt volledig het vorige, met het RN geïdentificeerde bericht

 

19

Nummer van het oorspronkelijke bericht

RN

Nummer van het te corrigeren bericht (formaat LLL99999999)

C

20

Reden voor correctie

RE

De codelijst kan worden geraadpleegd op: http://ec.europa.eu/fisheries/cfp/control_enforcement/ers_nl.htm

O

21

 

 

 

 

22

Als het gaat om een bericht van het type LOG

(TM = LOG)

 

LOG is een logboekaangifte

 

23

De volgende kenmerken moeten worden gespecificeerd

 

LOG bevat één of meer van de volgende aangiften DEP, FAR, TRA, COE, COX, ENT, EXI, CRO, TRZ, (INS), DIS, PRN, EOF, RTP en LAN

 

24

Begin van de LOG-record

LOG

Markering voor het begin van de logboekrecord

C

25

Nummer van het vaartuig in het communautaire vlootregister (CFR)

IR

Formaat AAAXXXXXXXXX, waarbij A een hoofdletter is die het land van de eerste registratie in de EU aangeeft en X een letter of een getal is

C

26

Belangrijkste identificatieteken van het vaartuig

RC

Internationale radioroepnaam

CIF het communautaire vlootregister niet up-to-date is

27

Identificatietekens op de romp van het vaartuig

XR

Op de romp aangebracht registratienummer van het vaartuig

O

28

Naam van het vaartuig

NA

Naam van het vaartuig

O

29

Naam van de kapitein

MA

Naam van de kapitein (elke wijziging tijdens de visreis moet worden meegedeeld in de volgende LOG-doorgifte)

C

30

Adres van de kapitein

MD

Adres van de kapitein (elke wijziging tijdens de visreis moet worden meegedeeld in de volgende LOG-doorgifte)

C

31

Land van registratie

FS

Vlaggenstaat waar het vaartuig geregistreerd is. Drieletterige ISO-landcode

C

32

 

 

 

 

33

DEP: aangifte van vertrek

 

Vereist voor elke afvaart uit de haven, te zenden in het volgende bericht

 

34

Begin vertrekaangifte

DEP

Markering voor het begin van de aangifte van vertrek uit de haven

C

35

Datum

DA

Datum van afvaart (JJJJ-MM-DD)

C

36

Tijd

TI

Tijdstip van afvaart (UU:MM in UTC)

C

37

Naam van de haven

PO

Havencode (tweeletterige ISO-landcode + drieletterige ISO-havencode). De lijst met de havencodes (LLHHH) zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

38

Geplande activiteiten

AA

De codelijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

CIF er een inspanningsrapport voor de geplande activiteit vereist is

39

Vistuigtype

GE

Lettercode volgens de internationale statistische standaardclassificatie van vistuig van de FAO

CIF er een visserijactiviteit gepland is

40

Subaangifte vangst aan boord (lijst van subaangiften soorten SPE)

SPE

(Zie details van subelementen en kenmerken van SPE)

CIF het vaartuig gevangen vis aan boord heeft

41

 

 

 

 

42

FAR: aangifte van visserijactiviteit

 

Vereist tegen middernacht op elke zeedag of als antwoord op een verzoek van de vlaggenstaat

 

43

Begin van aangifte van visserijactiviteitenverslag

FAR

Markering voor het begin van een aangifte van visserijactiviteitenverslag

C

44

Markering laatste verslag

LR

Markering die aangeeft dat dit het laatste FAR-verslag is dat zal worden verstuurd (LR = 1)

CIF dit het laatste bericht is

45

Inspectiemarkering

IS

Markering die aangeeft dat het visserijactiviteitenverslag is ontvangen na een inspectie aan boord van het vaartuig (IS = 1)

CIF inspectie is verricht

46

Datum

DA

Datum waarvoor visserijactiviteiten worden gemeld terwijl het vaartuig op zee is (JJJJ-MM-DD)

C

47

Tijd

TI

Begintijdstip van de visserijactiviteit (UU:MM in UTC)

O

48

Subaangifte betrokken gebied

RAS

Moet worden aangegeven als er geen vangst was (in het kader van de visserijinspanning). De lijst met de codes voor visgebieden en inspanningsgebieden/instandhoudingsgebieden zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats (Zie details van subelementen en kenmerken van RAS)

CIF

49

Visserijactiviteiten

FO

Aantal visserijactiviteiten

O

50

Vistijd

DU

Duur van de visserijactiviteit in minuten — de vistijd is gelijk aan het aantal uren op zee min de tijd die nodig is voor de vaart naar, tussen en van de visgronden, voor het reven, voor inactiviteit of voor het wachten op reparatie

CIF dit vereist is (3)

51

Subaangifte vistuig

GEA

(Zie details van subelementen en kenmerken van GEA)

CIF vistuig wordt gebruikt

52

Subaangifte verlies vistuig

GLS

(Zie details van subelementen en kenmerken van GLS)

CIF dit volgens de voorschriften vereist is (3)

53

Subaangifte vangst (lijst van subaangiften soorten SPE)

SPE

(Zie details van subelementen en kenmerken van SPE)

CIF vis is gevangen

54

 

 

 

 

55

RLC: aangifte van relocatie

 

Gebruikt als de vangst (volledig of gedeeltelijk) wordt overgedragen of verplaatst van gemeenschappelijk vistuig naar een vaartuig of van het ruim van een vaartuig of het vistuig daarvan naar een bewaarnet, container of hok (buiten het vaartuig) waarin de levende vangst wordt bewaard tot de aanlanding

 

56

Begin aangifte relocatie

RLC

Markering voor het begin van een relocatieaangifte

C

57

Datum

DA

Datum van relocatie van de vangst terwijl het vaartuig op zee is (JJJJ-MM-DD)

CIF

58

Tijd

TI

Tijdstip van relocatie (UU:MM in UTC)

CIF

59

Nummer van het ontvangende vaartuig in het communautaire vlootregister

IR

Formaat AAAXXXXXXXXX, waarbij A een hoofdletter is die het land van de eerste registratie in de EU aangeeft en X een letter of een getal is

CIF het om een gezamenlijke visserijactiviteit en een EU-vaartuig gaat

60

Radioroepnaam van het ontvangende vaartuig

TT

Internationale radioroepnaam van het ontvangende vaartuig

CIF het om een gezamenlijke visserijactiviteit gaat

61

Vlaggenstaat van het ontvangende vaartuig

TC

Vlaggenstaat van het vaartuig dat de vangst ontvangt (drieletterige ISO-landcode)

CIF het om een gezamenlijke visserijactiviteit gaat

62

Nummers van andere partnervaartuigen in het communautaire vlootregister

RF

Formaat AAAXXXXXXXXX, waarbij A een hoofdletter is die het land van de eerste registratie in de EU aangeeft en X een letter of een getal is

CIF het om een gezamenlijke visserijactiviteit gaat, waarbij de partner een EU-vaartuig is

63

Radioroepnaam van ander(e) partnervaartuig(en)

TF

Internationale radioroepnaam van het (de) partnervaartuig(en)

CIF het om een gezamenlijke visserijactiviteit en andere partners gaat

64

Vlaggenstaat van ander(e) partnervaartuig(en)

FC

Vlaggenstaat van het (de) partnervaartuig(en) (drieletterige ISO-landcode)

CIF het om een gezamenlijke visserijactiviteit en andere partners gaat

65

Relocatie naar

RT

Drielettercode voor relocatiebestemming (bewaarnet: KNE, hok: CGE enz.). De codes zullen op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

CIF

66

Subaangifte POS

POS

Positie van overdracht (Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

CIF

67

Subaangifte vangst (lijst van subaangiften soorten SPE )

SPE

Hoeveelheid vis voor relocatie (Zie details van subelementen en kenmerken van SPE)

CIF

68

 

 

 

 

69

TRA: aangifte van overlading

 

Voor elke overlading van de vangst is een aangifte vereist van zowel de overdrager als de ontvanger

 

70

Begin aangifte van overlading

TRA

Markering voor het begin van een overladingsaangifte

C

71

Datum

DA

Begin van TRA (JJJJ-MM-DD)

C

72

Tijdstip

TI

Begin van TRA (UU:MM in UTC)

C

73

Subaangifte betrokken gebied

RAS

Het geografische gebied waar de overlading plaatsvond. De lijst met de codes voor visgebieden en inspanningsgebieden/instandhoudingsgebieden zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats (Zie details van subelementen en kenmerken van RAS)

CIF de overlading op zee plaatsvond

74

Naam van de haven

PO

Havencode (tweeletterige ISO-landcode + drieletterige ISO-havencode). De lijst met de havencodes (LLHHH) zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

CIF de overlading in de haven plaatsvond

75

Nummer van het ontvangende vaartuig in het communautaire vlootregister

IR

Formaat AAAXXXXXXXXX, waarbij A een hoofdletter is die het land van registratie in de EU aangeeft en X een letter of een getal is

CIF het om een vissersvaartuig gaat

76

Overlading: ontvangend vaartuig

TT

Indien overladend vaartuig — Internationale radioroepnaam van het ontvangende vaartuig

C

77

Overlading: vlaggenstaat van het ontvangende vaartuig

TC

Indien overladend vaartuig — Vlaggenstaat van het vaartuig dat de overlading ontvangt (drieletterige ISO-landcode)

C

78

Nummer van het overladende vaartuig in het communautaire vlootregister

RF

Formaat AAAXXXXXXXXX, waarbij A een hoofdletter is die het land van de eerste registratie in de EU aangeeft en X een letter of een getal is

CIF het om een communautair vaartuig gaat

79

Overlading: (overladend) vaartuig

TF

Indien ontvangend vaartuig — Internationale radioroepnaam van het overladende vaartuig

C

80

Overlading: vlaggenstaat van het overladende vaartuig

FC

Indien ontvangend vaartuig — Vlaggenstaat van het overladende vaartuig (drieletterige ISO-landcode)

C

81

Subaangifte POS

POS

(Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

CIF dit vereist is (3) (NEAFC- of NAFO-wateren)

82

Overgedragen vangst (lijst van subaangiften soorten SPE)

SPE

(Zie details van subelementen en kenmerken van SPE)

C

83

 

 

 

 

84

COE: aangifte van binnenkomst in gebied

 

Indien gevist wordt in een bestandherstelgebied of in de westelijke wateren

 

85

Begin aangifte van inspanning: binnenkomst in gebied

COE

Markering voor het begin van een aangifte van binnenkomst in een inspanningsgebied

C

86

Datum

DA

Datum van binnenvaren (JJJJ-MM-DD)

C

87

Tijdstip

TI

Tijdstip van binnenvaren (UU:MM in UTC)

C

88

Doelsoort(en)

TS

Doelsoorten in gebied (demersale, pelagische, schelpen, krabben).

De volledige lijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

89

Subaangifte betrokken gebied

RAS

Geografische plaats waar het vaartuig zich bevindt.

De lijst met de codes voor visgebieden en inspanningsgebieden/instandhoudingsgebieden zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats (Zie details van subelementen en kenmerken van RAS)

C

90

Subaangifte vangst aan boord (lijst van subaangiften soorten SPE)

SPE

(Zie details van subelementen en kenmerken van SPE)

O

91

COX: aangifte van vertrek uit gebied

 

Indien gevist wordt in een bestandherstelgebied of in de westelijke wateren

 

92

Begin aangifte van inspanning: vertrek uit gebied

COX

Markering voor het begin van een aangifte van vertrek uit een inspanningsgebied

C

93

Datum

DA

Datum van vertrek (JJJJ-MM-DD)

C

94

Tijdstip

TI

Tijdstip van vertrek (UU:MM in UTC)

C

95

Doelsoort(en)

TS

Doelsoorten in gebied (demersale, pelagische, schelpen, krabben).

De volledige lijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

CIF er geen andere visserijactiviteiten zijn

96

Subaangifte betrokken gebied

RAS

Geografische plaats waar het vaartuig zich bevindt. De lijst met de codes voor visgebieden en inspanningsgebieden/instandhoudingsgebieden zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats (Zie details van subelementen en kenmerken van RAS)

CIF er geen andere visserijactiviteiten zijn

97

Subaangifte positie

POS

Positie van vertrek (Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

C

98

Subaangifte vangst

SPE

Vangst in gebied (Zie details van subelementen en kenmerken van SPE)

O

99

 

 

 

 

100

CRO: aangifte van oversteken van gebied

 

Bij oversteken van een bestandherstelgebied of een gebied in de westelijke wateren

 

101

Begin aangifte van inspanning: oversteken van een gebied

CRO

Markering voor het begin van een aangifte van oversteken van een inspanningsgebied (geen visserijactiviteit). In COE-en COX-aangiften hoeven alleen DA TI POS te worden gespecificeerd

C

102

Aangifte van binnenkomst in gebied

COE

(Zie details van subelementen en kenmerken van COE)

C

103

Aangifte van vertrek uit gebied

COX

(Zie details van subelementen en kenmerken van COX)

C

104

 

 

 

 

105

TRZ: aangifte van gebiedsoverschrijdend vissen

 

Bij gebiedsoverschrijdende visserijactiviteiten

 

106

Begin aangifte van inspanning: gebiedsoverschrijdend vissen

TRZ

Markering voor het begin van aangifte gebiedsoverschrijdend vissen

C

107

Aangifte van binnenkomst

COE

Eerste binnenkomst (Zie details van subelementen en kenmerken van COE)

C

108

Aangifte van vertrek

COX

Laatste vertrek (Zie details van subelementen en kenmerken van COX)

C

109

 

 

 

 

110

INS: aangifte van inspectie

 

Te verstrekken door de autoriteiten, niet door de kapitein

 

111

Begin aangifte inspectie

INS

Markering voor het begin van een subaangifte inspectie

O

112

Land van inspectie

IC

Drieletterige ISO-landcode

O

113

Aangewezen inspecteur

IA

Elke staat moet een viercijferig getal ter identificering van hun inspecteur opgeven

O

114

Datum

DA

Datum van de inspectie (JJJJ-MM-DD)

O

115

Tijdstip

TI

Tijdstip van de inspectie (UU:MM in UTC)

O

116

Subaangifte positie

POS

Positie van inspectie (Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

O

117

 

 

 

 

118

DIS: aangifte van teruggooi

 

 

CIF dit vereist is (3) (NEAFC of NAFO)

119

Begin aangifte teruggooi

DIS

Markering met gegevens over teruggegooide vis

C

120

Datum

DA

Datum van teruggooi (JJJJ-MM-DD)

C

121

Tijdstip

TI

Tijdstip van teruggooi (UU:MM in UTC)

C

122

Subaangifte positie

POS

Positie bij teruggooi (Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

C

123

Subaangifte teruggegooide vis

SPE

Teruggegooide vis (Zie details van subelementen en kenmerken van SPE)

C

124

 

 

 

 

125

PRN: aangifte van voorafgaande aanmelding van terugkeer

 

Moet worden verstrekt vóór de terugkeer naar de haven of indien dit volgens de communautaire voorschriften vereist is

CIF dit vereist is (3)

126

Begin van voorafgaande aanmelding

PRN

Markering voor het begin van een aangifte van voorafgaande aanmelding

C

127

Geplande datum

PD

Geplande datum van aankomst/oversteken (JJJJ-MM-DD)

C

128

Gepland tijdstip

PT

Gepland tijdstip van aankomst/oversteken (UU:MM in UTC)

C

129

Naam van de haven

PO

Havencode (tweeletterige landcode (tweeletterige ISO-landcode) + drieletterige havencode). De lijst met de havencodes (LLHHH) zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

130

Subaangifte betrokken gebied

RAS

Visgebied dat moet worden vermeld in de voorafgaande aangifte voor kabeljauw. De lijst met de codes voor visgebieden en inspanningsgebieden/instandhoudingsgebieden zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats (Zie details van subelementen en kenmerken van RAS)

CIF in de Oostzee

131

Geplande datum van aanlanding

DA

Geplande datum van aanlanding (JJJJ-MM-DD) in de Oostzee

CIF in de Oostzee

132

Gepland tijdstip van aanlanding

TI

Gepland tijdstip van aanlanding (UU:MM in UTC) in de Oostzee

CIF in de Oostzee

133

Subaangiften vangst aan boord (lijst van subaangiften soorten SPE)

SPE

Vangst aan boord (indien pelagische vissoorten, ICES-zone vereist) (Zie details van de subaangifte SPE)

C

134

Subaangifte positie

POS

Positie voor het binnenvaren/verlaten van een gebied/zone (Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

CIF

135

 

 

 

 

136

EOF: aangifte van het einde van de visserij

 

Door te sturen onmiddellijk na de laatste visserijactiviteit en vóór terugkeer naar de haven en het aanlanden van vis

 

137

Begin van de afmelding van de vangstaangifte

EOF

Markering voor het voltooien van de visserijactiviteiten vóór de terugkeer naar de haven

C

138

Datum

DA

Datum van afmelding (JJJJ-MM-DD)

C

139

Tijdstip

TI

Tijdstip van afmelding (UU:MM in UTC)

C

140

 

 

 

 

141

RTP: aangifte terugkeer naar haven

 

Door te zenden bij aankomst in de haven, na elke PRN-aangifte en vóór het aanlanden van vis

 

142

Aangifte van terugkeer naar haven

RTP

Markering voor de terugkeer naar de haven aan het eind van een visreis

C

143

Datum

DA

Datum van terugkeer (JJJJ-MM-DD)

C

144

Tijdstip

TI

Tijdstip van terugkeer (UU:MM in UTC)

C

145

Naam van de haven

PO

De lijst met de havencodes (LLHHH: tweeletterige ISO-landcode + drieletterige ISO-havencode) zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

146

Reden van terugkeer

RE

Reden van terugkeer naar haven (bv. beschutting, bevoorrading, aanlanding). De lijst met de codes voor de diverse redenen zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

CIF

147

 

 

 

 

148

LAN: aangifte van aanlanding

 

Door te zenden na aanlanding van vangst

 

149

Begin aangifte van aanlanding

LAN

Markering voor het begin van een aangifte van aanlanding

C

150

Datum

DA

Datum van aanlanding (JJJJ-MM-DD)

C

151

Tijdstip

TI

Tijdstip van aanlanding (UU:MM in UTC)

C

152

Type verzender

TS

Drielettercode (MAS: kapitein, REP: zijn vertegenwoordiger, AGE: agent)

C

153

Naam van de haven

PO

Havencode (tweeletterige landcode (tweeletterige ISO-landcode) + drieletterige havencode). De lijst met de havencodes (LLHHH) zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

154

Subaangifte aanlanding vangst (lijst van subaangiften SPE met PRO)

SPE

Soorten, visgebieden, aangeland gewicht, verwant vistuig en aanbiedingsvorm (Zie details van subelementen en kenmerken van SPE)

C

155

 

 

 

 

156

POS: subaangifte positie

 

 

 

157

Begin subaangifte positie

POS

Markering met coördinaten van de geografische positie

C

158

Breedtegraad (decimaal)

LT

Breedtegraad uitgedrukt overeenkomstig WGS84-formaat voor VMS

C

159

Lengtegraad (decimaal)

LG

Lengtegraad uitgedrukt overeenkomstig WGS84-formaat voor VMS

C

160

 

 

 

 

161

GEA: subaangifte inzet vistuig

 

 

 

162

Begin subaangifte inzet vistuig

GEA

Markering met coördinaten van de geografische positie

C

163

Type vistuig

GE

Vistuigcode volgens de internationale statistische standaardclassificatie van vistuig van de FAO

C

164

Maaswijdte

ME

Maaswijdte (in mm)

CIF voor het vistuig maaswijdtevoorschriften gelden

165

Vistuigcapaciteit

GC

Grootte en aantal vistuig

CIF dit vereist is voor het ingezette vistuigtype

166

Visserijactiviteiten

FO

Aantal visserijactiviteiten (trekken) per 24 uur

CIF het vaartuig is goedgekeurd voor de visserij op diepzeebestanden

167

Vistijd

DU

Aantal uren dat het vistuig is ingezet

CIF het vaartuig is goedgekeurd voor de visserij op diepzeebestanden

168

Subaangifte uitgezet vistuig

GES

Subaangifte uitgezet vistuig (Zie details van subelementen en kenmerken van GES)

CIF dit vereist is (3) (vaartuig gebruikt staande of vaste netten)

169

Subaangifte binnengehaald vistuig

GER

Subaangifte binnengehaald vistuig (Zie details van subelementen en kenmerken van GER)

CIF dit vereist is (3) (vaartuig gebruikt staande of vaste netten)

170

Subaangifte inzet kieuwnetten

GIL

Subaangifte inzet kieuwnetten (Zie details van subelementen en kenmerken van GIL)

CIF vaartuig vergunning heeft voor de ICES-zones IIIa, IVa, IVb, Vb, VIa, VIb, VIIb, c, j, k en XII

171

Diepten waarop wordt gevist

FD

Afstand van het wateroppervlak tot het laagste onderdeel van het vistuig (in m). Van toepassing op vaartuigen die gesleept vistuig, beuglijnen en vaste netten gebruiken

CIF wordt gevist op diepzeevissen en in de Noorse wateren

172

Gemiddeld aantal haken op beuglijnen

NH

Gemiddeld aantal haken op beuglijnen

CIF wordt gevist op diepzeevissen en in de Noorse wateren

173

Gemiddelde lengte van de netten

GL

Gemiddelde lengte van de netten bij gebruik van vaste netten (in m)

CIF wordt gevist op diepzeevissen en in de Noorse wateren

174

Gemiddelde hoogte van de netten

GD

Gemiddelde hoogte van de netten bij gebruik van vaste netten (in m)

CIF wordt gevist op diepzeevissen en in de Noorse wateren

175

 

 

 

 

176

GES: subaangifte uitgezet vistuig

 

 

CIF dit volgens de voorschriften vereist is (3)

177

Begin subaangifte positie

GES

Markering met informatie over uitgezet vistuig

C

178

Datum

DA

Datum waarop het vistuig is uitgezet (JJJJ-MM-DD)

C

179

Tijdstip

TI

Tijdstip waarop het vistuig is uitgezet (UU:MM in UTC)

C

180

Subaangifte POS

POS

Positie waar het vistuig is uitgezet (Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

C

181

 

 

 

 

182

GER: subaangifte binnengehaald vistuig

 

 

CIF dit volgens de voorschriften vereist is (3)

183

Begin subaangifte positie

GER

Markering met informatie over binnengehaald vistuig

C

184

Datum

DA

Datum waarop het vistuig is binnengehaald (JJJJ-MM-DD)

C

185

Tijdstip

TI

Tijdstip waarop het vistuig is binnengehaald (UU:MM in UTC)

C

186

Subaangifte POS

POS

Positie waar het vistuig is binnengehaald (Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

C

187

GIL: subaangifte inzet kieuwnetten

 

 

CIF vaartuig vergunning heeft voor de ICES-zones IIIa, IVa, IVb, Vb, VIa, VIb, VIIb, c, j, k en XII

188

Begin subaangifte kieuwnetten

GIL

Markering begin inzet kieuwnetten

 

189

Nominale lengte van één net

NL

Informatie die tijdens elke visreis moet worden geregistreerd (in m)

C

190

Aantal netten

NN

Aantal netten per vloot

C

191

Aantal vloten

FL

Aantal ingezette vloten

C

192

Subaangifte POS

POS

Positie van elke vlootinzet (Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

C

193

Diepte van elke ingezette vloot

FD

Diepte van elke ingezette vloot (afstand van het wateroppervlak tot het laagste onderdeel van het vistuig)

C

194

Uitzettijd per ingezette vloot

ST

Uitzettijd per ingezette vloot

C

195

 

 

 

 

196

GLS: subaangifte verlies vistuig

 

Verlies van vaste netten

CIF dit volgens de voorschriften vereist is (3)

197

Begin subaangifte GLS

GLS

Gegevens over verloren vaste netten

 

198

Datum verlies vistuig

DA

Datum van verlies van vistuig (JJJJ-MM-DD)

C

199

Aantal eenheden

NN

Aantal verloren vistuigen

CIF

200

Subaangifte POS

POS

Laatst bekende positie van vistuig (Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

CIF

201

 

 

 

 

202

RAS: subaangifte betrokken gebied

RAS

Betrokken gebied, afhankelijk van de desbetreffende meldplicht — er moet minstens één veld worden ingevuld. De codelijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

CIF

203

FAO-gebied

FA

FAO-gebied (bv. 27)

CIF

204

FAO (ICES)-deelgebied

SA

FAO (ICES)-deelgebied (bv. 3)

CIF

205

FAO (ICES)-sector

ID

FAO (ICES)-sector (bv. d)

CIF

206

FAO (ICES)-deelsector

SD

FAO (ICES)-deelsector (bv. 24) (Samen met het bovenstaande geeft dit: 27.3.d.24)

CIF

207

Economische zone

EZ

Economische zone

CIF

208

Statistisch vak van de ICES

SR

Statistisch vak van de ICES (bijv. 49E6)

CIF

209

Visserijinspanningsgebied

FE

De codelijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

CIF

210

Subaangifte positie

POS

(Zie details van subelementen en kenmerken van POS)

CIF

211

 

 

 

 

212

SPE: subaangifte vissoort

 

Totale hoeveelheid per soort

 

213

Begin subaangifte SPE

SPE

Gegevens over gevangen vis per soort

C

214

Naam van de vissoort

SN

Naam van de vissoort (drielettercode van de FAO)

C

215

Gewicht van de vis

WT

Naargelang van de context is dit:

1.

het totaalgewicht van de vis (in kg) in de vangstperiode

2.

het totaalgewicht van de vis (in kg) aan boord (totaal) of

3.

het totaalgewicht (in kg) van de aangelande vis

CIF de soorten niet worden geteld

216

Aantal vissen

NF

Aantal vissen (wanneer de vangst in aantallen vissen moet worden geregistreerd, bv. bij zalm, tonijn)

CIF

217

Hoeveelheid in de netten

NQ

Geraamde kwantiteit in de netten, d.w.z. niet in het ruim

O

218

Aantal vissen in de netten

NB

Geraamd aantal vissen in de netten, d.w.z. niet in het ruim

O

219

Subaangifte betrokken gebied

RAS

Het geografische gebied waar het grootste gedeelte van de vangst heeft plaatsgehad

De codelijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats (Zie details van subelementen en kenmerken van RAS)

C

220

Type vistuig

GE

Lettercode volgens de internationale statistische standaardclassificatie van vistuig van de FAO

CIF er slechts voor bepaalde soorten en vangstgebieden een aangifte van aanlanding is

221

Subaangifte verwerking

PRO

(Zie details van subelementen en kenmerken van PRO)

CIF aangifte van aanlanding (overlading)

222

 

 

 

 

223

PRO: subaangifte verwerking

 

Verwerking/aanbiedingsvorm voor elke aangelande soort

 

224

Begin subaangifte verwerking

PRO

Markering met gegevens over visverwerking

C

225

Versheidscategorie vis

FF

Categorie versheid van de vis (A, B, E)

C

226

Bewaartoestand

PS

Lettercode voor de bewaartoestand van de vis, bv. levend, bevroren, gezouten. De codelijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

227

Aanbiedingsvorm van de vis

PR

Lettercode voor de aanbiedingsvorm van het product (volgens de wijze van verwerking). Hiervoor moeten de codes worden gebruikt die op een nader te bepalen plaats op de website van de Europese Commissie zullen worden geplaatst

C

228

Verpakking verwerkte producten

TY

Drielettercode (CRT = dozen, BOX = kisten, BGS = zakken, BLC = blokken)

CIF (LAN of TRA)

229

Aantal verpakkingseenheden

NN

Aantal verpakkingseenheden: dozen, kisten, zakken, containers, blokken enz.

CIF (voor LAN of TRA)

230

Gemiddeld gewicht per verpakkingseenheid

AW

Productgewicht (kg)

CIF (voor LAN of TRA)

231

Conversiefactor

CF

Een numerieke factor voor de omzetting van verwerkt gewicht aan vis in levend gewicht aan vis

O

232

 

 

 

 

233

Als het gaat om een bericht van het type SAL (TM = SAL)

 

SAL is een verkoopbericht

 

234

De volgende kenmerken moeten worden gespecificeerd

 

Een verkoopbericht kan een aangifte van een verkoop of van een overname zijn

 

235

Begin verkoopbericht

SAL

Markering voor het begin van een verkoopbericht

C

236

Nummer van het vaartuig in het communautaire vlootregister (CFR)

IR

Formaat AAAXXXXXXXXX, waarbij A een hoofdletter is die het land van de eerste registratie in de EU aangeeft en X een letter of een getal is

C

237

Roepnaam van het vaartuig

RC

Internationale radioroepnaam

CIF het communautaire vlootregister niet up-to-date is

238

Identificatietekens op de romp van het vaartuig

XR

Op de romp aangebracht registratienummer van het vaartuig dat de vis heeft aangeland

O

239

Land van registratie

FS

Drieletterige ISO-landcode

C

240

Naam van het vaartuig

NA

Naam van het vaartuig dat de vis heeft aangeland

O

241

SLI-aangifte

SLI

(Zie details van subelementen en kenmerken van SLI)

CIF verkoop

242

TLI-aangifte

TLI

(Zie details van subelementen en kenmerken van TLI)

CIF overname

243

 

 

 

 

244

SLI: aangifte verkoop

 

 

 

245

Begin aangifte verkoop

SLI

Markering met gegevens over verkoop van een partij

C

246

Datum

DA

Datum van de verkoop (JJJJ-MM-DD)

C

247

Land van de verkoop

SC

Land waar de verkoop plaatsvond (drieletterige ISO-landcode)

C

248

Plaats van de verkoop

SL

De lijst met de havencodes (LLHHH) zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

249

Naam van de verkoper

NS

Naam van de visafslag, andere instantie of persoon die de vis verkoopt

C

250

Naam van de koper

NB

Naam van de instantie of persoon die de vis koopt

C

251

Referentienummer verkoopovereenkomst

CN

Referentienummer verkoopovereenkomst

C

252

Subaangifte brondocument

SRC

(Zie details van subelementen en kenmerken van SRC)

C

253

Subaangifte verkochte partij

CSS

(Zie details van subelementen en kenmerken van CSS)

C

254

 

 

 

 

255

Subaangifte SRC

 

De autoriteiten van de vlaggenstaat moeten het brondocument traceren dat gebaseerd is op het logboek en de aanlandingsgegevens van het vaartuig

 

256

Begin subaangifte brondocument

SRC

Markering met gegevens over het brondocument voor de verkochte partij

C

257

Datum van aanlanding

DL

Datum van aanlanding (JJJJ-MM-DD)

C

258

Naam van land en haven

PO

Naam van land en haven voor de plaats van aanlanding. De lijst met de land-havencodes (LLHHH) zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

259

 

 

 

 

260

Subaangifte CSS

 

 

 

261

Begin subaangifte verkochte partij

CSS

Markering met gegevens over verkocht item

C

262

Naam van de soort

SN

Naam van de verkochte soort (drielettercode van de FAO)

C

263

Gewicht van de verkochte vis

WT

Gewicht van de verkochte vis (in kg)

C

264

Aantal verkochte vissen

NF

Aantal vissen (wanneer de vangst in aantallen vissen moet worden geregistreerd, bv. bij zalm, tonijn)

CIF

265

Prijs van de vis

FP

Prijs per kg

C

266

Munteenheid van verkoop

CR

Munt waarin de verkoopprijs is uitgedrukt. De lijst met de symbolen/codes voor de munteenheid zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

C

267

Grootteklasse vis

SF

Grootte van de vis (1-8; één grootte of kg, g, cm, mm of aantal vissen per kg, naargelang van het geval)

CIF

268

Bestemming van het product

PP

Codes voor menselijke consumptie, overdracht, industriële doeleinden

CIF

269

Subaangifte betrokken gebied

RAS

De lijst met de codes voor de visgebieden en de inspanningsgebieden/ instandhoudingsgebieden zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats (Zie details van subelementen en kenmerken van RAS)

C

270

PRO: subaangifte verwerking

PRO

(Zie details van subelementen en kenmerken van PRO)

C

271

Uit de markt genomen

WD

Uit de markt genomen door een producentenorganisatie (Y-ja, N-neen, T-tijdelijk)

C

272

Gebruikscode producentenorganisatie

OP

De codelijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

O

273

Bewaartoestand

PS

Lettercode voor de bewaartoestand van de vis, bv. levend, bevroren, gezouten. De codelijst zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats

CIF de hoeveelheden tijdelijk uit de markt zijn genomen

274

 

 

 

 

275

TLI: aangifte van overname

 

 

 

276

Begin aangifte TLI

TLI

Markering voor gegevens van overname

C

277

Datum

DA

Datum van de overname (JJJJ-MM-DD)

C

278

Land van overname

SC

Land waar de overname plaatsvond (drieletterige ISO-landcode)

C

279

Plaats van overname

SL

De lijst van de codes van de havens of (indien niet in een haven) de lijst van de plaatsnamen waar de overname plaatsvond, zal kunnen worden geraadpleegd op een nader te bepalen plaats op de volgende EG-website: http://ec.europa.eu/fisheries/cfp/control_enforcement_nl.htm

C

280

Naam van de overnameorganisatie

NT

Naam van de organisatie die de vis heeft overgenomen

C

281

Referentienummer overnameovereenkomst

CN

Referentienummer overnameovereenkomst

O

282

Subaangifte SRC

SRC

(Zie details van subelementen en kenmerken van SRC)

C

283

Subaangifte overgenomen partij

CST

(Zie details van subelementen en kenmerken van CST)

C

284

 

 

 

 

285

Subaangifte CST

 

 

 

286

Begin van regel voor elke overgenomen partij

CST

Markering met gegevens over elke overgenomen soort

C

287

Naam van de soort

SN

Naam van de verkochte soort (drielettercode van de FAO)

C

288

Gewicht van de overgenomen vis

WT

Gewicht van de overgenomen vis (in kg)

C

289

Aantal overgenomen vissen

NF

Aantal vissen (wanneer de vangst in aantallen vissen moet worden geregistreerd, bv. bij zalm, tonijn)

CIF

290

Grootteklasse vis

SF

Grootte van de vis (1-8; één grootte of kg, g, cm, mm of aantal vissen per kg, naargelang van het geval)

C

291

Subaangifte betrokken gebied

RAS

De lijst met de codes voor de visgebieden en de inspanningsgebieden/ instandhoudingsgebieden zal op de website van de Europese Commissie worden geplaatst, op een nader te bepalen plaats (Zie details van subelementen en kenmerken van RAS)

O

292

PRO: subaangifte verwerking

PRO

(Zie details van subelementen en kenmerken van PRO)

C

1.

De tekensetdefinities zijn beschikbaar op http://europa.eu.int/idabc/en/chapter/556used; voor ERS moet gebruik worden gemaakt van: Western character set (UTF-8).

2.

Alle codes (of passende verwijzingen) zullen worden vermeld op een nader te bepalen plaats op de website van DG Visserij, die kan worden geraadpleegd op het volgende adres: http://ec.europa.eu/fisheries/cfp/control_enforcement_nl.htm (o.m. codes voor correcties, havens, visgronden, uitvaarintenties, redenen voor terugkeer naar de haven, type vissoorten/doelsoorten, codes voor het binnenvaren van inspannings- en instandhoudingsgebieden en andere codes of referenties).

3.

Alle 3-tekencodes zijn XML-elementen (codes van 3 tekens), alle 2-tekencodes zijn XML-kernmerken.

4.

De XML-voorbeeldfiles en de XSD-referentiedefinitie voor de bovenstaande bijlage worden op de website van de Europese Commissie geplaatst, op een nader te bepalen plaats.

5.

Alle gewichten in de tabel worden uitgedrukt in kilogram, zonodig tot op 2 decimalen nauwkeurig.


(1)  Deze bijlage vervangt volledig de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1566/2007 tot vaststelling van voorschriften voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1966/2006 betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie.

(2)  Verplicht indien vereist krachtens communautaire voorschriften of internationale of bilaterale overeenkomsten.

(3)  Als CIF niet van toepassing is, is het kenmerk optioneel.

1.

De tekensetdefinities zijn beschikbaar op http://europa.eu.int/idabc/en/chapter/556used; voor ERS moet gebruik worden gemaakt van: Western character set (UTF-8).

2.

Alle codes (of passende verwijzingen) zullen worden vermeld op een nader te bepalen plaats op de website van DG Visserij, die kan worden geraadpleegd op het volgende adres: http://ec.europa.eu/fisheries/cfp/control_enforcement_nl.htm (o.m. codes voor correcties, havens, visgronden, uitvaarintenties, redenen voor terugkeer naar de haven, type vissoorten/doelsoorten, codes voor het binnenvaren van inspannings- en instandhoudingsgebieden en andere codes of referenties).

3.

Alle 3-tekencodes zijn XML-elementen (codes van 3 tekens), alle 2-tekencodes zijn XML-kernmerken.

4.

De XML-voorbeeldfiles en de XSD-referentiedefinitie voor de bovenstaande bijlage worden op de website van de Europese Commissie geplaatst, op een nader te bepalen plaats.

5.

Alle gewichten in de tabel worden uitgedrukt in kilogram, zonodig tot op 2 decimalen nauwkeurig.


4.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/24


VERORDENING (EG) Nr. 1078/2008 VAN DE COMMISSIE

van 3 november 2008

tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad, wat betreft de uitgaven van de lidstaten voor de verzameling en het beheer van de basisgegevens over de visserij

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad van 22 mei 2006 houdende communautaire financieringsmaatregelen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid en op het gebied van het zeerecht (1), en met name op artikel 31,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (2) is een basis vastgesteld voor het verrichten van wetenschappelijke analyses van de visserij en voor het verstrekken van degelijk wetenschappelijk advies voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

(2)

De Commissie moet een communautair meerjarenprogramma overeenkomstig Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad aannemen op basis waarvan de lidstaten nationale meerjarenprogramma’s voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens moeten vaststellen.

(3)

Artikel 9 van Verordening (EG) nr. 861/2006 voorziet in communautaire financiering voor maatregelen op het gebied van het verzamelen van basisgegevens. Bovendien moet de Commissie krachtens artikel 24 van die verordening elk jaar een besluit nemen over de jaarlijkse communautaire bijdrage voor dergelijke maatregelen.

(4)

In het belang van een gezond financieel beheer moeten de regels en procedures worden vastgesteld die de lidstaten moeten volgen, willen zij in aanmerking komen voor communautaire financiële steun met betrekking tot uitgaven op het gebied van gegevensverzameling. Niet-naleving van deze regels en procedures dient te leiden tot uitsluiting van uitgaven.

(5)

De jaarlijkse communautaire bijdrage moet worden gebaseerd op jaarlijkse begrotingsramingen die moeten worden getoetst aan de door de lidstaten vastgestelde nationale programma’s.

(6)

Met het oog op een efficiënte toewijzing van de Gemeenschapsmiddelen dient de jaarlijkse begrotingsraming in overeenstemming te zijn met de in het nationale programma opgenomen maatregelen.

(7)

Omwille van de vereenvoudiging moet worden vastgesteld volgens welke regels en in welke vorm de lidstaten de jaarlijkse, met de uitvoering van de nationale programma’s samenhangende begrotingsraming moeten indienen. Enkel rechtstreeks met de uitvoering van de nationale programma’s gepaard gaande uitgaven die de lidstaten naar behoren hebben gemotiveerd en daadwerkelijk hebben gedaan, mogen als subsidiabel worden beschouwd. In dit verband is het eveneens dienstig de rol en de verplichtingen van bij de uitvoering van de nationale programma’s betrokken partners en subcontractanten te verduidelijken.

(8)

Met betrekking tot de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde mogelijkheid tot wijziging van de technische aspecten van de meerjarige nationale programma’s, moet worden bepaald volgens welke regels de lidstaten op een correcte manier wijzigingen kunnen aanbrengen aan de voor een adequate uitvoering van de nationale programma’s vereiste middelen. De lidstaten moet worden toegestaan om middelen van de ene naar de andere kostencategorie over te hevelen indien dat de uitvoering van het nationale programma ten goede komt.

(9)

Er moeten regels worden vastgesteld om te garanderen dat de aanvragen tot vergoeding van uitgaven in overeenstemming zijn met het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de jaarlijkse communautaire bijdrage. De procedure voor de indiening en de goedkeuring van dergelijke aanvragen dient deel uit te maken van deze regels. Aanvragen die niet aan die voorschriften voldoen, moeten in voorkomend geval worden geannuleerd.

(10)

De betalingen dienen in twee tranches te worden verricht om de lidstaten reeds tijdens de periode van uitvoering van het programma toegang te geven tot de communautaire financiële bijdrage.

(11)

Om een correct gebruik van de Gemeenschapsmiddelen te waarborgen, moeten de Commissie en de Rekenkamer in staat worden gesteld de naleving van de bij deze verordening vastgestelde bepalingen te controleren en dienen beide instellingen daartoe alle gegevens te krijgen die relevant zijn voor het uitvoeren van de in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 861/2006 bedoelde audits en financiële correcties.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden bepalingen vastgesteld voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad, wat betreft de uitgaven van de lidstaten voor de verzameling en het beheer van de basisgegevens over de visserij.

Artikel 2

Indiening van de jaarlijkse begrotingsraming

1.   Lidstaten die voor de uitvoering van hun in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde meerjarenprogramma, hierna „het nationale programma” genoemd, een financiële bijdrage van de Gemeenschap wensen te ontvangen, dienen uiterlijk op 31 maart van het jaar vóór de periode van uitvoering van dat programma de volgende gegevens in:

a)

een jaarlijkse begrotingsraming voor het eerste jaar van uitvoering van het nationale programma, en

b)

indicatieve jaarlijkse begrotingsramingen voor elk van de volgende jaren van uitvoering van het nationale programma.

2.   De lidstaten dienen voor elk jaar van uitvoering van het programma, dat volgt op het eerste uitvoeringsjaar, een definitieve jaarlijkse begrotingsraming in wanneer deze verschilt van de reeds ingediende indicatieve begrotingsraming. De definitieve jaarlijkse begrotingsramingen worden uiterlijk op 31 oktober voorafgaand aan het betrokken uitvoeringsjaar, ingediend.

3.   Met betrekking tot het eerste nationale programma, voor de periode 2009-2010, worden de jaarlijkse begrotingsramingen uiterlijk op 15 oktober 2008 ingediend.

Artikel 3

Inhoud van de jaarlijkse begrotingsraming

1.   De jaarlijkse begrotingsraming bevat de geplande jaaruitgaven die een lidstaat voor de uitvoering van zijn nationaal programma verwacht te moeten doen.

2.   De jaarlijkse begrotingsraming wordt in de volgende vorm ingediend:

a)

per uitgavencategorie, als bedoeld in bijlage I bij de onderhavige verordening;

b)

per module, als omschreven in het besluit van de Commissie tot vaststelling van het communautaire meerjarenprogramma inzake de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens betreffende de visserij- en de aquacultuursector, en

c)

waar relevant, per regio, als omschreven in artikel 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 665/2008 van de Commissie (3).

3.   De lidstaten dienen de jaarlijkse begrotingsraming elektronisch in aan de hand van de door de Commissie opgestelde en door haar aan de lidstaten toegezonden financiële formulieren.

Artikel 4

Evaluatie van de jaarlijkse begrotingsraming

1.   De Commissie toetst de jaarlijkse begrotingsraming aan het overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 199/2008 goedgekeurde nationale programma.

2.   De Commissie kan een lidstaat in het kader van de evaluatie van de jaarlijkse begrotingsraming verzoeken om verduidelijking van de betrokken uitgaven. De lidstaat dient deze verduidelijking uiterlijk 15 kalenderdagen na het verzoek van de Commissie te verschaffen.

3.   Indien binnen de in lid 2 vastgestelde termijn onvoldoende verduidelijking door de lidstaat wordt verschaft, kan de Commissie in voorkomend geval de betrokken uitgaven uitsluiten van de betrokken, voor goedkeuring ingediende jaarlijkse begrotingsraming.

Artikel 5

Communautaire financiële bijdrage

Voor de goedkeuring van de jaarlijkse begrotingsraming en het besluit over de jaarlijkse communautaire financiële bijdrage voor elk nationaal programma houdt de Commissie zich aan de in artikel 24 van Verordening (EG) nr. 861/2008 bedoelde procedure en gaat zij uit van de resultaten van de in artikel 4 bedoelde evaluatie van de jaarlijkse begrotingsraming.

Artikel 6

Wijziging van de goedgekeurde jaarlijkse begrotingsraming

1.   De lidstaten wordt toegestaan bedragen die zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 5 goedgekeurde jaarlijkse begrotingsraming en die betrekking hebben op dezelfde regio, over te hevelen van de ene naar de andere module en van de ene kostencategorie naar de andere, op voorwaarde dat:

a)

de overhevelingen betrekking hebben op maximaal 50 000 EUR of 10 % van de totale, voor de regio goedgekeurde begroting indien deze minder dan 500 000 EUR bedraagt;

b)

zij de lidstaten in kennis stellen van de noodzaak van een overheveling.

2.   Andere wijzigingen van de overeenkomstig artikel 5 goedgekeurde jaarlijkse begrotingsraming moeten door de Commissie worden goedgekeurd vóór de uitgaven worden gedaan.

Artikel 7

Subsidiabele uitgaven

1.   Om in aanmerking te komen voor de communautaire financiële bijdrage, moeten de uitgaven:

a)

daadwerkelijk door de lidstaat zijn gedaan;

b)

betrekking hebben op een in het nationale programma opgenomen actie;

c)

zijn opgenomen in de jaarlijkse begrotingsraming;

d)

behoren tot één van de in bijlage I opgenomen categorieën;

e)

betrekking hebben op een actie die wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 199/2008 en de bepalingen ter uitvoering van die verordening;

f)

identificeerbaar en verifieerbaar zijn, en met name zijn geregistreerd in de boekhouding van de lidstaat en de partners van die lidstaat;

g)

zijn bepaald overeenkomstig de gebruikelijke boekhoudnormen en in overeenstemming zijn met de in de nationale wetgeving vastgestelde eisen;

h)

redelijk en gerechtvaardigd zijn en voldoen aan de vereisten van goed financieel beheer, met name wat zuinigheid en efficiëntie betreft;

i)

zijn gedaan tijdens de in het nationale programma geplande periode van uitvoering van de actie.

2.   Subsidiabele uitgaven moeten betrekking hebben op:

a)

de volgende activiteiten op het gebied van gegevensverzameling:

verzameling van gegevens op de in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde bemonsteringsplaatsen, aan de hand van rechtstreekse bemonstering of interviews en vragen,

toezicht op zee op commerciële en recreatievisserij, als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 199/2008,

onderzoeken op zee, als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 199/2008;

b)

de volgende activiteiten op het gebied van gegevensbeheer, als bedoeld in het in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde communautaire meerjarenprogramma:

de ontwikkeling van databanken en websites,

het invoeren van gegevens (opslag),

kwaliteitscontrole en validering van de gegevens,

verwerking van primaire gegevens tot geaggregeerde gegevens,

verwerking van primaire sociaaleconomische gegevens tot metagegevens;

c)

de volgende activiteiten op het gebied van het gebruik van gegevens, als bedoeld in het in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde communautaire meerjarenprogramma:

productie van gegevensreeksen en de toepassing daarvan ter ondersteuning van wetenschappelijke analyses met het oog op advies inzake visserijbeheer,

ramingen op het gebied van biologische parameters (leeftijd, gewicht, geslacht, groeistadium, vruchtbaarheid),

voorbereiding van gegevensreeksen voor de beoordeling van bestanden, biologisch-economische modellering en de overeenkomstige wetenschappelijke analyse.

Artikel 8

Niet-subsidiabele uitgaven

De volgende uitgaven komen niet in aanmerking voor de communautaire financiële bijdrage:

a)

winstmarges, provisies en oninbare vorderingen;

b)

verschuldigde rente en bankkosten;

c)

gemiddelde arbeidskosten;

d)

indirecte kosten, met name voor gebouwen en locaties, administratie, ondersteunend personeel, kantoorvoorzieningen, infrastructuur, exploitatie en onderhoud, zoals telecommunicatiekosten, goederen en diensten;

e)

kosten van materiaal dat niet wordt gebruikt voor gegevensverzameling en -beheer, zoals scanners, printers, mobiele telefoons, walkietalkies, videoapparatuur- en camera’s;

f)

aankoop van voertuigen;

g)

distributie-, marketing- en reclamekosten met betrekking tot producten of commerciële activiteiten;

h)

representatiekosten, behalve die welke door de Commissie als strikt noodzakelijk voor de uitvoering van het nationale programma worden beschouwd;

i)

luxe- en publiciteitsuitgaven;

j)

alle uitgaven voor andere, door een derde partij gefinancierde programma’s of projecten;

k)

alle uitgaven ter bescherming van de resultaten van de in het kader van het nationale programma verrichte werkzaamheden;

l)

alle terugvorderbare soorten heffingen (inclusief btw);

m)

middelen die gratis ter beschikking van de lidstaat worden gesteld;

n)

de waarde van bijdragen in natura;

o)

onnodige of ondoordachte uitgaven.

Artikel 9

Uitvoering van de programma’s

1.   De lidstaten mogen bij de uitvoering van de nationale programma’s een beroep doen op partners. De partners dienen organisaties te zijn die in de nationale programma’s expliciet worden vernoemd als partijen die de lidstaten helpen bij de uitvoering van het volledige nationale programma of een aanzienlijk deel daarvan. De partners moeten rechtstreeks betrokken zijn bij de technische uitvoering van één of meer in de nationale programma’s vastgestelde taken en moeten bij de uitvoering van de nationale programma’s dezelfde verplichtingen in acht nemen als de lidstaten.

2.   Partners mogen in het kader van het programma niet optreden als subcontractant van de lidstaten of van andere partners.

3.   Specifieke, in het nationale programma vastgestelde taken mogen tijdens een nader bepaalde periode worden uitgevoerd door subcontractanten, die evenwel niet als partners worden beschouwd. Subcontractanten dienen natuurlijke of rechtspersonen te zijn die diensten verlenen aan lidstaten en/of partners. Uitbesteding aan subcontractanten tijdens de uitvoering van het programma, waarin in het oorspronkelijke programmavoorstel niet is voorzien, dient vooraf schriftelijk door de Commissie te worden goedgekeurd.

Artikel 10

Indiening van vergoedingsaanvragen

1.   Aanvragen voor vergoeding van uitgaven die voor de uitvoering van het nationale programma zijn gedaan, dienen jaarlijks uiterlijk op 31 mei na het betrokken kalenderjaar door de lidstaten te worden ingediend. Deze aanvragen bestaan uit:

a)

een brief met daarin de totale aangevraagde vergoeding en een duidelijke vermelding van de in bijlage II bedoelde gegevens;

b)

een financieel verslag, uitgesplitst per uitgavencategorie, module en, in voorkomend geval, regio als aangegeven in de in artikel 3, lid 3, bedoelde financiële formulieren. Het financiële verslag moet worden ingediend aan de hand van het formulier dat door de Commissie is opgesteld en door haar aan de lidstaten is toegezonden;

c)

een uitgavendeclaratie conform bijlage III, en

d)

de in bijlage I bedoelde bewijsstukken.

2.   De vergoedingsaanvragen worden elektronisch bij de Commissie ingediend.

3.   Bij de indiening van de vergoedingsaanvragen doen de lidstaten het nodige om te verifiëren en te controleren dat:

a)

de uitgevoerde acties en de declaratie van de uitgaven die zijn gedaan in het kader van het in artikel 5 bedoelde besluit, in overeenstemming zijn met het door de Commissie goedgekeurde nationale programma;

b)

de vergoedingsaanvraag voldoet aan de in de artikelen 7 en 8 vastgestelde voorwaarden;

c)

de uitgaven zijn gedaan overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 861/2006, de onderhavige verordening, het in artikel 5 bedoelde besluit en de Gemeenschapswetgeving inzake het plaatsen van overheidsopdrachten.

Artikel 11

Evaluatie van de vergoedingsaanvragen

1.   De Commissie toetst de vergoedingsaanvragen aan de bepalingen van deze verordening.

2.   De Commissie kan in het kader van haar evaluatie van de vergoedingsaanvragen de lidstaten om verduidelijking verzoeken. De lidstaten dienen deze verduidelijking uiterlijk 15 kalenderdagen na het verzoek van de Commissie te verschaffen.

Artikel 12

Uitsluiting van uitgaven van vergoeding

Indien een lidstaat binnen de in artikel 11, lid 2, vastgestelde termijn onvoldoende verduidelijking verschaft en de vergoedingsaanvraag volgens de Commissie niet aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden voldoet, verzoekt de Commissie die lidstaat om binnen 15 kalenderdagen zijn opmerkingen aan haar over te leggen. Indien het onderzoek bevestigt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, weigert de Commissie de betrokken uitgaven geheel of gedeeltelijk te vergoeden en vordert zij, in voorkomend geval, ten onrechte verrichte betalingen terug of annuleert zij de nog niet betaalde bedragen.

Artikel 13

Goedkeuring van de vergoedingsaanvragen

De Commissie keurt de vergoedingsaanvragen goed op basis van de resultaten van de in de artikelen 11 en 12 vastgestelde procedure.

Artikel 14

Betalingen

1.   De communautaire financiële bijdrage die overeenkomstig artikel 8 voor elk jaar van uitvoering van het nationale programma aan een lidstaat wordt verleend, wordt in de volgende twee tranches betaald:

a)

een voorschot ten belope van 50 % van de communautaire bijdrage. Deze betaling wordt verricht na mededeling aan de lidstaat van het in artikel 5 bedoelde besluit en na ontvangst van een brief waarin het voorschot wordt aangevraagd en waarin de in bijlage II bedoelde gegevens duidelijk worden vermeld;

b)

het saldo op basis van de in artikel 10 bedoelde vergoedingsaanvraag. Deze betaling wordt verricht uiterlijk 45 dagen nadat de Commissie de in artikel 12 bedoelde vergoedingsaanvraag heeft goedgekeurd.

2.   De in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde sanctie in de vorm van verlagingen wordt toegepast op de in lid 1, onder b), bedoelde jaarlijkse saldobetaling.

3.   Zodra het saldo is betaald, worden geen aanvullende kostendeclaraties en bewijsstukken meer aanvaard.

Artikel 15

Munteenheid

1.   De jaarlijkse begrotingsramingen en de vergoedingsaanvragen worden uitgedrukt in euro.

2.   Met betrekking tot het eerste jaar van uitvoering van het nationale programma passen lidstaten die niet aan de derde fase van de economische en monetaire unie deelnemen, de wisselkoers toe die op 1 maart vóór de periode van uitvoering van dat programma wordt bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie. Met betrekking tot het eerste nationale programma, voor de periode 2009-2010, is die datum 1 oktober 2008.

3.   Met betrekking tot de jaren na het eerste jaar van uitvoering van het nationale programma passen lidstaten die niet aan de derde fase van de economische en monetaire unie deelnemen, de wisselkoers toe die op 1 oktober van het jaar vóór de periode van uitvoering van dat programma, wordt bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

4.   Lidstaten die niet aan de derde fase van de economische en monetaire unie deelnemen, vermelden welke wisselkoers zij in de jaarlijkse begrotingsramingen en de vergoedingsaanvragen hebben toegepast.

Artikel 16

Audits en financiële correcties

De lidstaten verstrekken de Commissie en de Rekenkamer alle door die instellingen gewenste informatie met betrekking tot de in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 861/2006 bedoelde audits en financiële correcties.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing op uitgaven die met ingang van 1 januari 2009 worden gedaan.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 november 2008.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 160 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  PB L 60 van 5.3.2008, blz. 1.

(3)  PB L 186 van 15.7.2008, blz. 3.


BIJLAGE I

Subsidiabiliteit van voor de uitvoering van nationale programma’s gedane uitgaven

Subsidiabel zijn uitgaven die tot één of meer van de volgende categorieën behoren:

a)

Personeelskosten:

personeelskosten die uitsluitend worden gemaakt voor wetenschappelijk en technisch personeel gedurende de tijd die dit personeel daadwerkelijk aan het nationale programma besteedt,

de personeelskosten worden berekend op basis van de daadwerkelijk aan het nationale programma bestede werktijd en de daadwerkelijke arbeidskosten (salaris, sociale kosten, sociale zekerheid en pensioensbijdragen), exclusief alle andere kosten,

de tarieven per uur/dag worden berekend op basis van een grondslag van 210 gewerkte dagen per jaar,

de door het personeel aan het programma bestede tijd moet volledig worden geregistreerd (in de tijdtabellen) en ten minste één keer per maand door de verantwoordelijke persoon worden geviseerd. De tijdtabellen worden de Commissie op haar verzoek ter beschikking gesteld.

b)

Reiskosten:

de reiskosten worden vastgesteld volgens de eigen regels van de lidstaat of partner. Reizen buiten de Gemeenschap die niet in het nationale programma zijn gespecificeerd, dienen vooraf door de Commissie te worden goedgekeurd.

c)

Kosten van duurzame goederen:

duurzame goederen moeten ten minste zo lang als de werkzaamheden aan het programma duren, meegaan. Zij worden geregistreerd in de inventaris van duurzame goederen van de lidstaat of de partners, of worden als activa beschouwd overeenkomstig de boekhoudmethoden, -regels en -beginselen van de betrokken lidstaat of partners,

voor de berekening van de subsidiabele uitgaven wordt met betrekking tot duurzame goederen uitgegaan van een verwachte levensduur van 36 maanden in het geval van computerapparatuur met een waarde van maximaal 25 000 EUR, en van 60 maanden in het geval van andere goederen. Het subsidiabele bedrag is afhankelijk van de verwachte levensduur van de goederen in verhouding tot de looptijd van het programma, op voorwaarde dat de voor de berekening van dit bedrag gebruikte periode begint op de startdag van het programma, of de datum van aankoop van de goederen wanneer de goederen na de startdag van het programma zijn aangekocht, en eindigt op de dag waarop het programma wordt afgerond. Bovendien moet rekening worden gehouden met het gebruik van de goederen gedurende deze periode,

duurzame goederen kunnen in de laatste zes maanden vóór de startdag van het nationale programma bij uitzondering worden aangekocht of geleased met een optie tot aankoop,

de geldende regels inzake overheidsopdrachten zijn tevens van toepassing op de aankoop van duurzame goederen,

uitgaven met betrekking tot duurzame goederen moeten worden gestaafd met gewaarmerkte facturen waarin de leveringsdatum is vermeld, en moeten samen met de uitgavendeclaratie bij de Commissie worden ingediend.

d)

Kosten van niet-duurzame goederen, onder meer voor informaticadoeleinden:

kosten voor de aankoop, de productie, de herstelling of het gebruik van goederen of apparaten die naar verwachting minder lang zullen meegaan dan de werkzaamheden aan het programma duren. Deze goederen of apparaten worden niet geregistreerd in de inventaris van duurzame goederen van de lidstaat of de partners, of worden niet als activa beschouwd overeenkomstig de boekhoudmethoden, -regels en -beginselen van de betrokken lidstaat of partners,

deze goederen of apparaten moeten zo duidelijk worden beschreven dat een besluit over de subsidiabiliteit van de kosten ervan kan worden genomen,

subsidiabele kosten voor informatica zijn kosten voor het ontwikkelen en aan de lidstaten ter beschikking stellen van software die bestemd is voor het beheer en het gebruik van databanken.

e)

Kosten van vaartuigen:

met betrekking tot in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde onderzoeken op zee, onder meer door gecharterde vaartuigen, zijn uitsluitend huur- en andere exploitatiekosten subsidiabel. Samen met de uitgavendeclaratie moet een gewaarmerkte kopie van de factuur bij de Commissie worden ingediend,

wanneer het vaartuig eigendom van de lidstaat of de partner is, dient samen met de uitgavendeclaratie een gedetailleerde berekening met vermelding van de gebruikte methode voor de berekening van de aangerekende exploitatiekosten, bij de Commissie te worden ingediend.

f)

Kosten van aanbesteding/externe bijstand:

lidstaten en/of partners die zelf geen standaard en geen niet-innovatieve diensten kunnen aanbieden, kunnen voor de levering van dergelijke diensten een beroep doen op subcontractanten/externe bijstand. De kosten hiervan mogen niet meer bedragen dan 20 % van de goedgekeurde totale jaarbegroting. Wanneer de kosten van de in het kader van het nationale programma uitbestede diensten samen het hierboven vastgestelde maximum overschrijden, is voorafgaande schriftelijke goedkeuring door de Commissie vereist,

uitbestedingen moeten door de lidstaat/partner worden georganiseerd overeenkomstig de toepasselijke regels inzake openbare aanbestedingen en moeten in overeenstemming zijn met de communautaire richtlijnen inzake de procedures voor openbare aanbestedingen,

alle facturen van de subcontractanten moeten een duidelijke verwijzing naar het nationale programma en de betrokken module bevatten (d.w.z. nummer en titel of beknopte titel). Alle facturen moeten voldoende gedetailleerd zijn om identificatie van de afzonderlijke, onder de geleverde dienst vallende elementen mogelijk te maken (d.w.z. een duidelijke omschrijving en de kosten van elk element),

de lidstaten en de partners moeten ervoor zorgen dat in elke uitbestedingsovereenkomst uitdrukkelijk wordt bepaald dat de Commissie en de Rekenkamer bij subcontractanten die middelen van de Gemeenschap hebben ontvangen, controles van documenten kunnen verrichten en controles ter plaatse kunnen uitvoeren,

landen van buiten de Gemeenschap kunnen na voorafgaande schriftelijke goedkeuring door de Commissie als subcontractant aan een nationaal programma deelnemen, indien de bijdrage van deze landen als noodzakelijk voor de uitvoering van communautaire programma’s wordt beschouwd,

samen met de uitgavendeclaratie moeten een gewaarmerkte kopie van de overeenkomst met de subcontractant, alsmede bijbehorende betalingsbewijzen, bij de Commissie worden ingediend.

g)

Andere specifieke kosten:

extra of onvoorziene uitgaven die niet tot één van de hierboven opgesomde categorieën behoren, mogen slechts na voorafgaande goedkeuring door de Commissie als kosten van het programma in rekening worden gebracht, tenzij in de jaarlijkse begrotingsraming reeds in deze kosten is voorzien.

h)

Ondersteuning voor wetenschappelijk advies:

dagvergoedingen en reiskosten zijn overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 665/2008 subsidiabel, mits zij in verband staan met de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 665/2008 bedoelde vergaderingen,

samen met de uitgavendeclaratie moet een gewaarmerkte kopie van de reisdocumenten bij de Commissie worden ingediend.


BIJLAGE II

Inhoud van de brief met het bedrag dat als vergoeding of als voorschot wordt aangevraagd

De brief met het bedrag dat als vergoeding of als voorschot wordt aangevraagd, dient de volgende gegevens te bevatten:

1.

het betrokken besluit van de Commissie (betrokken artikel en bijlage);

2.

de verwijzing naar het nationale programma;

3.

het van de Commissie gevraagde bedrag in euro, exclusief btw;

4.

het type aanvraag (voorschot, saldobetaling);

5.

het nummer van de bankrekening waarop het betrokken bedrag moet worden overgemaakt.


BIJLAGE III

UITGAVENDECLARATIE

(via de officiële kanalen versturen naar eenheid MARE.C4)

OVERHEIDSUITGAVEN IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET NATIONALE PROGRAMMA VOOR GEGEVENSVERZAMELING

Besluit van de Commissie van/nr. …

Nationaal referentienr. (indien van toepassing) …

VERKLARING

Ondergetekende, …, verklaart als vertegenwoordiger van …, de autoriteit die verantwoordelijk is voor de relevante financiële en controleprocedures, te hebben vastgesteld dat voor het nationale programma voor gegevensverzameling van 200… alle in de bijgevoegde documenten opgenomen subsidiabele bedragen, ten belope van … EUR (het tot op twee decimalen exacte bedrag), in 200… zijn betaald. Deze bedragen samen maken de totale kostprijs van het nationale programma uit en stemmen overeen met een bijdrage door de Gemeenschap van 50 %.

Met betrekking tot het hierboven bedoelde programma werd reeds een tranche van … EUR ontvangen.

Ondergetekende verklaart tevens dat de uitgavendeclaratie accuraat is en dat in de betalingsaanvraag rekening is gehouden met eventuele terugvorderingen.

De activiteiten hebben plaatsgevonden in overeenstemming met de doelstellingen die zijn vastgesteld in het betrokken besluit en met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 199/2006 van de Raad en Verordening (EG) nr. 861/2002 van de Raad, met name wat betreft:

de naleving van de Gemeenschapswetgeving en de op grond daarvan vastgestelde instrumenten, met name inzake aanbestedingen en het plaatsen van overheidsopdrachten,

de toepassing van beheers- en controleprocedures op de financiële steun, met name voor het verifiëren van de levering van de gecofinancierde goederen en diensten en van de waarheidsgetrouwheid van de uitgaven ten aanzien waarvan een aanvraag is ingediend, voor het voorkomen, opsporen en corrigeren van onregelmatigheden, voor het vervolgen van fraude en voor het terugvorderen van ten onrechte betaalde bedragen.

De gedane uitgaven zijn opgenomen in de bijgevoegde tabellen. Tevens bijgevoegd zijn gewaarmerkte kopieën van facturen voor duurzame goederen en kosten van vaartuigen. De originelen van alle bewijsstukken en facturen blijven beschikbaar gedurende minimaal drie jaar na de betaling van het saldo door de Commissie.

Datum: …/…/…

Naam (in hoofdletters), stempel, functie, en handtekening van de bevoegde autoriteit

Lijst van bijgevoegde stukken:


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

4.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/34


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 30 april 2008

betreffende Steunmaatregel C 21/07 (ex N 578/06) die Hongarije voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van IBIDEN Hungary Gyártó Kft.

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1342)

(Slechts de tekst in de Hongaarse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/830/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1) en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Bij elektronisch schrijven van 30 augustus 2006, op dezelfde datum geregistreerd bij de Commissie, hebben de Hongaarse autoriteiten bij de Commissie aanmelding gedaan van de toepassing van bestaande regionale steunregelingen ten gunste van een initieel investeringsproject van IBIDEN Hungary Gyártó Kft. De aanmelding gebeurde conform de meldingsplicht voor afzonderlijk aan te melden projecten zoals bepaald in punt 24 van de Multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten 2002 (2) (hierna: MSK 2002).

(2)

Bij schrijven van 13 oktober 2006 (D/58881) en 13 maart 2007 (D/51161) heeft de Commissie om nadere inlichtingen verzocht.

(3)

Bij schrijven geregistreerd bij de Commissie op 14 november 2006 (A/39085), 3 januari 2007 (A/30004), 15 januari 2007 (A/30441) en 27 maart 2007 (A/32641) hebben de Hongaarse autoriteiten aan de Commissie gevraagd om de termijn voor het verstrekken van aanvullende inlichtingen te verlengen, wat de Commissie heeft toegestaan.

(4)

De Hongaarse autoriteiten hebben nadere inlichtingen verstrekt bij schrijven geregistreerd bij de Commissie op 31 januari 2007 (A/30990) en 15 mei 2007 (A/34072).

(5)

Op 11 december 2006 en op 25 april 2007 vonden er bijeenkomsten plaats van de Hongaarse autoriteiten en de diensten van de Commissie waarbij ook vertegenwoordigers van IBIDEN Hungary Gyártó Kft. aanwezig waren.

(6)

De Commissie heeft Hongarije bij schrijven van 10 juli 2007 in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de steunmaatregel.

(7)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel te maken.

(8)

De Commissie heeft van de belanghebbenden vier opmerkingen ter zake ontvangen:

a)

bij schrijven van 25 oktober 2007, geregistreerd bij de Commissie op dezelfde datum (A/38842);

b)

bij schrijven van 22 november 2007, geregistreerd bij de Commissie op 24 november 2007 (A/39732);

c)

bij schrijven van 23 november 2007, geregistreerd bij de Commissie op dezelfde datum (A/39711);

d)

bij schrijven van 26 november 2007, geregistreerd bij de Commissie op 27 november 2007 (A/39740).

(9)

Bij schrijven van 4 december 2007 (D/54826) heeft de Commissie deze opmerkingen doorgezonden aan Hongarije om het in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.

(10)

Het standpunt van Hongarije over de opmerkingen van de belanghebbenden werd ontvangen bij schrijven van 4 januari 2008, geregistreerd bij de Commissie op dezelfde datum (A/151).

2.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE STEUN

2.1.   Doel van de maatregel

(11)

De Hongaarse autoriteiten zijn voornemens de regionale ontwikkeling te bevorderen door regionale investeringssteun te verstrekken aan IBIDEN Hungary Gyártó Kft. voor de bouw van een nieuwe installatie voor de productie van keramische substraten voor dieseldeeltjesfilters in het industriepark Dunavarsány, in de regio Centraal-Hongarije (provincie Pest), die in aanmerking komt voor steunmaatregelen op grond van artikel 87, lid 3, onder a) van het EG-Verdrag met een maximale steunintensiteit van 40 % nettosubsidie-equivalent (NSE) voor de periode 2004-2006 (4).

2.2.   De begunstigde

(12)

De begunstigde van de steun is „IBIDEN Hungary Gyártó Kft.” (hierna: IBIDEN HU). Het gesteunde project beoogt de oprichting van een tweede productievestiging binnen de keramische divisie van IBIDEN voor keramische substraten voor dieseldeeltjesfilters in de Europese Unie, naast IBIDEN DPF France S.A.S. in Frankrijk (opgericht in 2001).

(13)

IBIDEN HU werd op 5 mei 2004 opgericht door IBIDEN European Holdings BV (Nederland) en IBIDEN Co., Ltd. (Japan). IBIDEN European Holdings BV is een volle dochteronderneming van IBIDEN Co., Ltd., die op haar beurt een vennootschap op aandelen met tal van inbrengers is: bedrijven (bijvoorbeeld banken) en particuliere lichamen. IBIDEN HU is voor 99 % in handen van IBIDEN European Holdings BV en voor 1 % van IBIDEN Co., Ltd. IBIDEN DPF France S.A.S. is sinds einde 2005 voor 100 % in handen van IBIDEN European Holdings BV.

Image

(14)

De moederonderneming IBIDEN Co., Ltd. is een multinationale onderneming die in 1912 werd opgericht als een bedrijf dat elektriciteit opwekt. De zetel van de onderneming is gevestigd in Gifu, Japan. De activiteiten van het bedrijf kunnen worden ondergebracht in vijf segmenten die elk het volgende aandeel hadden in de jaaromzet voor 2005: 50 % voor de elektronicadivisie, 22 % voor de keramische divisie, 16 % voor de divisie behuizingmaterialen, 4 % voor de divisie bouwmaterialen en 8 % voor andere kleine divisies (zoals olieproducten, informatiediensten, kunsthars, landbouw, vee- en visserijverwerkende departementen). Volgens het jaarverslag van 2006 (5) bestaat de IBIDEN-groep uit 47 dochterondernemingen en één gelieerde onderneming, die niet actief is in de keramische sector. In 2006 bedroeg de geconsolideerde netto omzet 319,0 miljard yen, het bedrijfsresultaat bedroeg 43,6 miljard yen en de nettowinst bedroeg 27,2 miljard yen. In hetzelfde jaar stelde de Groep 10 115 werknemers tewerk in haar bedrijfsvertegenwoordigingen en fabrieken over de hele wereld.

2.3.   Investeringsproject

2.3.1.   Het nieuwe investeringsproject van IBIDEN HU in Dunavarsány

(15)

Het aangemelde project betreft de tweede fase van een investeringsproject, waarbij een installatie zal worden gebouwd voor de productie van keramische substraten voor dieseldeeltjesfilters in het industriepark Dunavarsány.

(16)

Bij schrijven van 1 april 2005 hebben de Hongaarse autoriteiten de Commissie, overeenkomstig punt 36 van de MSK 2002 (6), informatie verstrekt over de staatssteun die aan IBIDEN HU werd toegewezen voor de eerste fase van het investeringsproject.

(17)

De Hongaarse autoriteiten geven aan dat de twee fasen van de investering door IBIDEN HU in het industriepark Dunavarsány beschouwd moeten worden als één enkel investeringsproject in de betekenis van punt 49 van de MSK 2002: de twee investeringsfasen betreffen dezelfde productievestiging, dezelfde onderneming, hetzelfde product en ze werden aangevat binnen een periode van drie jaar.

(18)

Volgens de informatie die de Hongaarse autoriteiten hebben verstrekt over de twee investeringsfasen, zal de productie van keramische substraten voor dieseldeeltjesfilters plaatsvinden in twee nieuw te bouwen gebouwen van respectievelijk 24 000 m2 en 30 900 m2 in het industriepark Dunavarsány. Tegen 2007 zullen er vier productielijnen geplaatst zijn in gebouw I en vijf in gebouw II.

(19)

Tegen 2007 zal het project in totaal 1 100 nieuwe directe banen creëren in Dunavarsány.

(20)

De Hongaarse autoriteiten bevestigen dat er gedurende vijf jaar na de voltooiing van de investering in de gesteunde voorziening geen andere producten zullen worden vervaardigd dan de producten waarop het investeringsproject betrekking heeft.

(21)

Bovendien bevestigen de Hongaarse autoriteiten dat de begunstigde heeft aanvaard om de investering ter plaatse te behouden voor een minimale periode van vijf jaar na de voltooiing van de investering.

2.3.2.   Tijdschema van het investeringsproject van IBIDEN HU in Dunavarsány

(22)

De werkzaamheden van het investeringsproject zijn reeds begonnen in oktober 2004. De productie in verband met het project startte in augustus 2005 in gebouw I en in mei 2006 in gebouw II. Naar verwachting zou de volledige capaciteit in verband met het project behaald worden in april 2007. Tabel I geeft meer informatie over het tijdschema van het project:

Tabel I

Tijdschema van het investeringsproject

 

Start van het project

Start van de productie

Einde van het project

Volledige productiecapaciteit

Fase I

6.10.2004

1.8.2005

1.1.2006

1.5.2006

(jaarlijks 1,2 miljoen stuks)

Fase II

20.6.2005

3.5.2006

31.3.2007

1.4.2007

(jaarlijks 1,2 miljoen stuks extra)

2.4.   Kostprijs van het investeringsproject

(23)

De totale in aanmerking komende investeringskosten van het project bedragen 47 570 933 882 HUF (190,83 miljoen EUR) in nominale waarde. De contante waarde van dit bedrag is 41 953 072 670 HUF (168,30 miljoen EUR) (7). Tabel II geeft een opsplitsing van de totale in aanmerking komende kosten per jaar en per categorie.

Tabel II

In aanmerking komende investeringskosten (fasen I en II) nominale waarde in miljoen HUF

 

2004

2005

2006

2007

Totaal

Terreinen

[…] (8)

[…]

[…]

[…]

[…]

Infrastructuur

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

Gebouwen

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

Nutsvoorzieningen

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

Machines

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

In aanmerking komende investering

[…]

[…]

[…]

[…]

47 571

Fase I

Fase II

Fase I

Fase II

Fase I

Fase II

Fase I

Fase II

 

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

2.5.   Financiering van het project

(24)

De Hongaarse autoriteiten hebben bevestigd dat de eigen bijdrage van de begunstigde hoger is dan 25 % van de in aanmerking komende kosten, en vrij is van overheidssteun.

2.6.   Rechtsgrondslag

(25)

De financiële steun aan IBIDEN HU wordt verleend op basis van de volgende twee rechtsgronden:

a)

Het ministerie van Economie en Transport zal steun verlenen op grond van het programma „HU 1/2003 — Programma ten behoeve van investeringsbevordering” (9). Dit programma heeft als rechtsgrondslag „Besluit 1/2001 (I.5.) van de minister van Economie inzake het Programma ten behoeve van het ondernemerschap” en „Besluit 19/2004 (II. 27.) van de minister van Economie en Transport inzake gedetailleerde regels van bepaalde steunprogramma' van het ministerie”.

b)

Het ministerie van Financiën zal een belastingaftrek toekennen op basis van het programma „Belastingvoordeel ten gunste van ontwikkeling” (10). Dit programma werd vastgesteld bij „Wet LXXXI van 1996 inzake vennootschaps- en dividendbelasting” en bij „Regeringsbesluit 275/2003 (XII.24.) inzake het Belastingvoordeel ten gunste van ontwikkeling”.

2.7.   Steunbedrag en steunintensiteit

(26)

Het totale steunbedrag in nominale waarde beloopt 15 591 233 750 HUF (62,55 miljoen EUR), oftewel 9 793 809 933 HUF (39,29 miljoen EUR) in contante waarde. Op basis van de in aanmerking komende kosten die in punt 23 hierboven werden besproken, stemt dit overeen met een steunintensiteit van 22,44 % nettosubsidie-equivalent (NSE) (11).

(27)

De steun wordt verstrekt in de vorm van de volgende twee steuninstrumenten. Ten eerste verleent het ministerie van Economie en Transport een subsidie voor een totaal bedrag in nominale waarde van 3 592 000 000 HUF (14,41 miljoen EUR) gespreid over de periode 2005 tot 2007. Ten tweede verstrekt het ministerie van Financiën een vennootschapsbelastingaftrek (12) die geraamd wordt op 11 999 223 750 HUF (48,14 miljoen EUR) in nominale waarde, gespreid over de periode 2007 tot 2016. De subsidie bedraagt 3 118 450 763 HUF (12,51 miljoen EUR) in contante waarde en de contante waarde van de belastingaftrek is 6 675 359 170 HUF (26,78 miljoen EUR).

(28)

De Hongaarse autoriteiten vermeldden dat er aan IBIDEN HU al steun was verstrekt voor een bedrag van 7 411 828 735 HUF (29,73 miljoen EUR) in contante waarde (11 745 422 640 HUF of 47,12 miljoen EUR in nominale waarde) op grond van de bestaande regionale steunprogramma' (13) voor het maximaal toelaatbare steunbedrag dat werd vastgelegd in punt 24 van de MSK 2002. Voor de eerste fase van het investeringsproject verstrekte het ministerie van Financiën op 25 februari 2005 steun voor een bedrag van 4 832 595 058 HUF (19,39 miljoen EUR) in contante waarde (8 773 422 640 HUF of 35,20 miljoen EUR in nominale waarde); het ministerie van Economie en Transport verstrekte op 3 maart 2005 steun voor een bedrag van 1 875 354 000 HUF (7,52 miljoen EUR) in contante waarde (2 142 000 000 HUF of 8,60 miljoen EUR in nominale waarde). Voor de tweede fase van de investering verstrekte het ministerie van Economie en Transport op 22 december 2006 steun voor een bedrag van 703 879 677 HUF (2,82 miljoen EUR) in contante waarde (830 000 000 HUF of 3,33 miljoen EUR in nominale waarde).

(29)

Volgens de Hongaarse autoriteiten is het aan te melden steunbedrag bijgevolg het verschil tussen het totaalbedrag van de steun en de reeds verstrekte steun, d.w.z. 2 381 981 198 HUF (9,56 miljoen EUR) in contante waarde (in nominale waarde is dit bedrag 3 845 801 110 HUF of 15,43 miljoen EUR).

(30)

Wat het resterende steunbedrag betreft dat voor de tweede fase van de investering toegekend moet worden, hebben de Hongaarse autoriteiten het besluitvormingsproces opgeschort tot de beschikking van de Commissie. Bijgevolg is de machtiging voor de aangemelde steun afhankelijk van de goedkeuring van de Commissie.

(31)

De Hongaarse autoriteiten bevestigen dat de steun voor het project niet mag worden gecumuleerd met steun die voor dezelfde in aanmerking komende kosten werd ontvangen van andere lokale, regionale, nationale of communautaire bronnen.

(32)

De Hongaarse autoriteiten bevestigen dat de steunaanvragen voor de eerste fase van het investeringsproject op 5 december 2003 werden ingediend bij het ministerie van Economie en Transport en op 16 september 2004 bij het ministerie van Financiën. De steunaanvragen voor de tweede fase van het investeringsproject werden respectievelijk op 28 maart 2005 en op 31 mei 2005 ingediend. De respectieve steunaanvragen waren reeds ingediend voordat de werkzaamheden aan de eerste fase van het project op 6 oktober 2004 en die aan de tweede fase van het project op 20 juni 2005 aanvingen.

2.8.   Algemene verbintenissen

(33)

De Hongaarse autoriteiten hebben zich ertoe verbonden om de Commissie het volgende te verstrekken:

binnen twee maanden na het toekennen van de steun, een kopie van de ondertekende steun-/investeringsovereenkomst(en) tussen de subsidiërende autoriteit en de begunstigde;

om de vijf jaar, vanaf de goedkeuring van de steun door de Commissie, een tussentijds verslag (met informatie over de uitbetaalde steunbedragen, de uitvoering van de steunovereenkomst en andere investeringsprojecten die in dezelfde vestiging/fabriek werden gestart);

een uitvoerig eindverslag binnen zes maanden na betaling van de laatste schijf van de steun, op basis van het aangemelde betalingsschema.

3.   REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

(34)

Het aangemelde project betreft de productie van „keramische substraten voor dieseldeeltjesfilters” (hierna: DPF), die bestemd zijn voor personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen met dieselmotor. Het keramische deel, dat door IBIDEN HU wordt geproduceerd, is een halffabricaat (TIER 3-niveau) dat vervolgens onder marktvoorwaarden wordt verkocht aan zelfstandige ondernemingen, die de substraten voorzien van een coating van edelmetaal waardoor een gecoate deeltjesfilter ontstaat (TIER 2-niveau). De gecoate DPF's worden vervolgens verkocht aan producenten van uitlaatspruitstukken (TIER 1-niveau), die op hun beurt rechtstreeks aan de autoassemblagefabrieken leveren.

(35)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure gaf de Commissie aan dat de Hongaarse autoriteiten een ruime definitie van de relevante markt voorstelden, welke beide voornaamste onderdelen van het uitlaatgasbehandelingssysteem van voertuigen met dieselmotoren omvat, namelijk oxidatiekatalysatoren voor dieselmotoren („Diesel Oxidation Catalysts — DOC”), die gassen (bijvoorbeeld CO en HC) en tot op zekere hoogte de oplosbare organische fractie van vaste deeltjes behandelen, en dieseldeeltjesfilters („Diesel Particulate Filters”, hierna: DPF's) (14), die dienen voor het opvangen van de onoplosbare fractie van vaste deeltjes, d.w.z. roet. Zij beweren dat deze apparaten sterk op elkaar lijken omdat ze allebei tot doel hebben de schadelijke stoffen in emissies te verminderen en dat zij daarom tot dezelfde relevante markt behoren. Verder betogen zij dat de productieprocessen en -technologie van beide apparaten vrijwel identiek zijn.

(36)

In haar besluit om in onderhavig geval de formele onderzoeksprocedure in te leiden, merkte de Commissie op dat zij twijfelde aan de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt op basis van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag en op basis van de MSK 2002. De Commissie merkte eveneens op dat de benadering van de Hongaarse autoriteiten in verband met de relevante markt niet werd ondersteund door de twee onafhankelijke marktstudies (de studie van Frost & Sullivan Ltd („F&S”)  (15) en die van AVL List GMBH („AVL”))  (16), die door de Hongaarse autoriteiten werden voorgelegd.

(37)

De Commissie betwijfelde met name of DOC en DPF als substituten kunnen worden beschouwd die tot dezelfde relevante productmarkt van nabehandelingsapparaten behoren en de Commissie meende, op het ogenblik dat de formele onderzoeksprocedure werd ingeleid, dat de relevante productmarkt beperkter was en uitsluitend substraten van dieseldeeltjesfilters omvat die bij dieselmotoren in het uitlaatsysteem moeten worden aangebracht.

(38)

Ten eerste merkte de Commissie op dat de voornaamste functie van DPF's erin bestaat om vaste anorganische en onoplosbare vaste deeltjes (d.w.z. roet) op te vangen, terwijl DOC's tot doel hebben schadelijke gassen en de oplosbare organische fractie in vaste deeltjes te zuiveren, zonder dat zij echter roet kunnen opvangen. Weliswaar is er enige overlapping tussen de twee functies in zoverre de gecoate DPF eveneens tot op zekere hoogte schadelijke gassen behandelt, maar dit neemt niet weg dat er in het uitlaatgasbehandelingssysteem een afzonderlijke DOC nodig is. Beide onderdelen zullen naast elkaar blijven bestaan en moeten in de onderzochte periode (d.w.z. tot 2008) beide worden ingebouwd. Voor toekomstige Euro 5-6-technologieën zal het gebruik van DOC's voor de oxidatie van CO, HC en de oplosbare organische fractie worden voortgezet. Bijgevolg merkte de Commissie op dat er geen sprake leek te zijn van substitueerbaarheid aan de vraagzijde, aangezien het twee onderscheiden, complementaire apparaten betreft.

(39)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure merkte de Commissie ook op dat, volgens een van de studies, een echt multifunctioneel product, dat de functies van zowel DOC als DPF in één keramische monoliet verenigt, onlangs op de markt werd gebracht door de firma Eberspächer en werd gebruikt in de Volkswagen Passat. De Commissie betwijfelde echter of het product van IBIDEN HU geschikt is voor zulke volledige multifunctionaliteit.

(40)

Ten tweede merkte de Commissie op dat de substitueerbaarheid aan aanbodzijde eveneens twijfelachtig was. Er werden geen concrete bewijzen geleverd dat DOC-producenten met dezelfde uitrusting en zonder aanzienlijke extra investeringskosten ook substraten voor DPF's zouden kunnen vervaardigen of vice versa. Daarenboven is de substitueerbaarheid twijfelachtig omdat de prijs van een DPF ongeveer viermaal zo hoog is als die van een DOC.

(41)

Ten slotte merkt de Commissie op dat, hoewel de steun lijkt te voldoen aan de voorwaarden van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 (17), zij betwijfelde of het marktaandeel van de begunstigde op de relevante markt lager is dan 25 % zoals door punt 24, onder a) van de MSK 2002 wordt voorgeschreven. Uit de marktstudies die door de Hongaarse autoriteiten werden voorgelegd, blijkt dat het aandeel van IBIDEN op de DPF-markt in Europa in volume zowel vóór als na de investering aanzienlijk groter is dan 25 %. Bijgevolg is niet voldaan aan de voorwaarde van punt 24, onder a) van MSK 2002 als de markt voor DPF als de relevante markt wordt beschouwd. Op de gecombineerde markt van DPF en DOC echter, die door de Hongaarse autoriteiten als de relevante markt wordt beschouwd, zou het marktaandeel van IBIDEN zowel vóór als na de investering echter minder dan 25 % in volume bedragen.

4.   OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN

(42)

In antwoord op de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure ontving de Commissie opmerkingen van de volgende belanghebbenden:

a)

De begunstigde van de steun IBIDEN Hungary Gyártó Kft.;

b)

Aerosol & Particle Technology Laboratory, Thermi-Thessaloniki, Griekenland, een centrum voor onderzoek en technologie;

c)

Saint-Gobain Industrie Keramik Rödental GmbH, Rödental, Duitsland, een concurrent (hierna: Saint-Gobain);

d)

Een belanghebbende die, conform artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (18), de Commissie heeft verzocht om zijn identiteit geheim te houden.

(43)

De argumenten die door de vermelde belanghebbenden worden aangehaald, kunnen als volgt worden samengevat.

4.1.   Relevante productmarkt volgens IBIDEN HU en Aerosol & Particle Technology Laboratory

(44)

IBIDEN HU, de begunstigde van de steun, en Aerosol & Particle Technology staan een brede definitie van de markt voor, die alle onderdelen (voornamelijk DOC en DPF) van het uitlaatgasbehandelingssysteem van voertuigen met dieselmotoren zou omvatten. Zij merken op dat DOC en DPF sterk op elkaar lijken, omdat ze allebei tot doel hebben de schadelijke stoffen in emissies te verminderen en dat zij daarom tot dezelfde relevante productmarkt behoren.

(45)

Volgens dit standpunt zouden zowel DOC als DPF worden beschouwd als onderdelen die vaste deeltjes verwijderen, ook al geeft IBIDEN HU toe dat DOC ondoelmatig is voor de verwerking van de onoplosbare fractie van vaste deeltjes (d.w.z. roet). De belanghebbenden betogen dat het product van IBIDEN HU tot dezelfde markt behoort als DOC omdat het, naast zijn hoofdfunctie die bestaat uit het filteren van roet, ook HC en CO kan filteren. De autofabrikanten moeten dan beslissen of zij het apparaat voor de uitlaatgasbehandeling opbouwen uit afzonderlijke onderdelen voor het verwijderen van schadelijke gasvormige stoffen en voor de behandeling van deeltjes dan wel of zij hiervoor het multifunctionele onderdeel gebruiken.

(46)

IBIDEN HU erkent echter in zijn ingediende tekst dat het gecombineerde gebruik van DPF en DOC noodzakelijk is om te voldoen aan de regelgeving betreffende emissies, ondanks het feit dat de extra functie van de DPF van IBIDEN HU de gassen (HC en CO) beter helpt verwijderen. Een goed ontwikkelde DPF van hoge kwaliteit kan de omvang van de DOC die autofabrikanten in hun auto's moeten installeren, verkleinen en de complexiteit ervan verminderen en daarom heeft de DPF een enorme invloed gehad op de DOC en vice versa, wat betekent dat als het ene apparaat complexer wordt, het andere apparaat daarop moet inspelen.

(47)

Zowel IBIDEN HU als Aerosol & Particle Technology Laboratory verwijzen naar een trend in de technologische ontwikkeling van DOC en DPF die leidt tot een nieuwe generatie filters die de voordelen, kenmerken en vroegere technologie in één toestel zou verenigen, waarbij de DOC en DPF op hetzelfde monolietsubstraat worden gecombineerd (Volkswagen bijvoorbeeld heeft al nabehandelingsonderdelen van de vierde generatie ingevoerd in zijn Passat-model, waarbij uitsluitend een DPF en geen DOC wordt gebruikt). IBIDEN HU gaf echter aan dat het momenteel de DPF van de „derde generatie” vervaardigt (19) en voortdurende productverbeteringen doorvoert zodat deze kan worden omgezet in DPF van de „vierde generatie”, die alle functionaliteiten van de DOC kunnen bevatten.

(48)

IBIDEN HU vermeldde ook dat, ofschoon de Commissie in haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure het tegendeel suggereert, de prijs van het product van IBIDEN in werkelijkheid niet vier keer zo hoog is als de prijs van een DOC. IBIDEN HU vervaardigt een halffabricaat en daarom is het eindproduct (gecoate DPF) veel duurder dan het halffabricaat van IBIDEN HU. De huidige ervaring van de sector toont aan dat de marktprijs van het apparaat na coating, aanbrengen van de behuizing („inblikken”) en de mat 2,5 keer hoger is dan die van het substraat, het product van de IBIDEN-groep: in 2007 bijvoorbeeld bedroeg de marktprijs van een DPF 453 EUR en die van het substraat (halffabricaat) slechts […] EUR, terwijl de marktprijs van een DOC in 2 007 102 EUR bedroeg (20).

(49)

Wat de substitueerbaarheid aan de aanbodzijde betreft, beweert IBIDEN HU dat de productietechnologieën van DOC en DPF zeer goed op elkaar lijken: de voornaamste verschillen zijn dat er voor een DPF een dichtingsproces wordt toegevoegd bij dat van de DOC en dat de snijfase vroeger gebeurt dan bij een DOC.

(50)

IBIDEN HU beweert bovendien dat er, volgens diverse studies, waaronder een document van Johnson Matthey Japan, fabrikanten zijn die zowel DOC als DPF vervaardigen, zodat het onderscheid tussen DOC-fabrikanten en DPF-fabrikanten vervaagt.

4.2.   Relevante productmarkt volgens Saint-Gobain en de belanghebbende wiens identiteit geheim wordt gehouden

(51)

Twee van de vier belanghebbenden — Saint-Gobain en de belanghebbende wiens identiteit geheim wordt gehouden — steunden de twijfel die de Commissie uitte in de beslissing tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure. Volgens hen mogen DOC en DPF niet worden beschouwd als substituten en behoren zij bijgevolg niet tot dezelfde relevante productmarkt. Daarom beweren zij dat alleen de DPF-markt in onderhavig geval de relevante productmarkt is. Volgens deze belanghebbenden zijn de voornaamste redenen daarvoor als volgt:

4.2.1.   Geen substitueerbaarheid aan de vraagzijde

(52)

De belanghebbenden geven aan dat de belangrijkste kenmerken van de substraten voor een DOC en een DPF van elkaar verschillen: een DOC-substraat is doorgaans vervaardigd van niet-poreus cordieriet dat bestand is tegen een temperatuur van 400 °C of van roestvrije metaalfolie. Een DPF-substraat is doorgaans vervaardigd van poreus siliciumcarbide dat bestand moet zijn tegen 1 000 °C (deze weerstand tegen zulke hoge temperaturen is nodig om roet af te branden en blokkering van de gecoate filter te voorkomen). Omwille van de zeer uiteenlopende thermische kenmerken kunnen de klanten dus niet overschakelen van substraten voor DPF naar substraten voor DOC en omgekeerd, indien er zich een relatieve prijsstijging voordoet voor een van de producten.

(53)

Omdat het materiaal dat wordt gebruikt voor de DPF-substraten hogere prestaties kan leveren, is er volgens Saint-Gobain ook een prijsverschil tussen de twee onderdelen: een substraat (zonder de kosten voor het coaten en inblikken van de katalysator) van een DPF kost gemiddeld 120 EUR, terwijl een substraat van een DOC gemiddeld tussen 12 EUR en 20 EUR kost (ook zonder de kosten voor het coaten en inblikken van de katalysator). Daarom, zo beweert Saint-Gobain, kunnen DPF-fabrikanten uiteraard om technische redenen niet naar een DOC-substraat overschakelen (wat ze anders wel zouden doen gezien het prijsverschil) en zal een DOC-fabrikant een DOC-substraat niet vervangen door een DPF-substraat omdat dit in vergelijking met een DOC-substraat een veel duurder product zou geven zonder oxidatiefunctie.

(54)

Saint-Gobain en de belanghebbende wiens identiteit geheim wordt gehouden, beklemtonen ook de verschillen in gebruik van een DOC en een DPF (21): een DOC heeft eerst en vooral tot doel om bepaalde gassen te oxideren door middel van een chemische reactie, terwijl een DPF eerst en vooral tot doel heeft om roet te filteren met behulp van een mechanisch proces. Onder bepaalde omstandigheden voert een DPF — als bijkomstig effect — weliswaar enkele functies van de DOC uit, maar het volledige oxidatie-effect kan niet worden bereikt zonder de installatie van beide apparaten. Zelfs de gecoate DPF die gebruik maakt van het door IBIDEN HU vervaardigde substraat bezit niet alle functies van een DOC, omdat hij alleen dient om voldoende temperatuur te leveren voor de afbranding van het roet, maar niet hetzelfde zuiverende effect heeft als een volledig functionerende DOC. Zij beweren dat, volgens de verwachtingen van tal van autofabrikanten en leveranciers in de automobielsector, een DOC en een DPF afzonderlijke apparaten zullen blijven die naast elkaar worden ingebouwd in het uitlaatgassysteem.

4.2.2.   Geen substitueerbaarheid aan de aanbodzijde

(55)

Bovendien wijzen Saint-Gobain en de belanghebbende wiens identiteit geheim wordt gehouden, erop dat de productieprocessen voor DOC- en DPF-substraten sterk van elkaar verschillen: het niet-poreus cordieriet dat voor het DOC-substraat wordt aangewend, wordt in de lucht gesinterd bij een temperatuur van 400 °C. Siliciumcarbide, het materiaal dat wordt gebruikt voor een DPF-substraat (en dat ook het materiaal is van het door IBIDEN HU vervaardigde substraat) moet op een zeer hoge temperatuur (meer dan 2 000 °C) in een zuurstofvrije atmosfeer worden aangemaakt. Dit temperatuursverschil alleen al is zo belangrijk dat een van de meest essentiële en dure productie-elementen niet kan worden gebruikt om beide producttypes te vervaardigen.

(56)

Bovendien is een substraat voor de DOC altijd een honingraatcilinder uit één stuk, met kanalen die niet gedicht zijn. Een substraat voor het DPF wordt doorgaans gevormd door verschillende filterelementen aan elkaar te lijmen, en de kanalen van het DPF zijn gedicht. Voor de vervaardiging van DPF-substraten is een zuurstofvrije sinteroven voor hoge temperaturen en dichtingsuitrusting nodig, voor de productie van DOC-substraten niet. De belanghebbenden beweren bijgevolg dat het niet mogelijk is om DPF te vervaardigen op de productielijnen voor DOC en vice versa.

5.   OPMERKINGEN VAN DE HONGAARSE AUTORITEITEN

(57)

De Hongaarse autoriteiten steunen het standpunt van Aerosol & Particle Technology Laboratory en IBIDEN Hungary Gyártó Kft. in verband met het relevante product, de markt, prijs, kenmerken van de vraagzijde en de aanbodzijde.

(58)

Volgens de Hongaarse autoriteiten is de moderne dieselemissieregeling gebaseerd op de integratie van verschillende functionaliteiten op systeemniveau. De onderlinge afhankelijkheid van alle onderdelen (zoals DOC en DPF) in een systeem voor dieselemissieregeling heeft geleid tot aanvoerketens waarbij verschillende spelers betrokken zijn, die bestaan uit fabrikanten van substraat, coating en uitlaatgassystemen, en de prestatiekenmerken van elk afzonderlijk onderdeel creëren uitdagingen voor de aanvoerketen in zijn geheel. Daarom moet het systeem voor dieselemissieregeling of het dieselnabehandelingssysteem worden beschouwd als het relevante product.

(59)

Zij beweren ook dat het product van IBIDEN HU een multifunctioneel onderdeel is dat ingebouwd is in het uitlaatpijpsysteem. De combinatie van dit product en een DOC vormt een nabehandelingsapparaat van de derde generatie. Bovendien is het product van IBIDEN HU een halffabricaat omdat het op een verder niveau zal worden gecoat. Zonder coating is het product niet volledig functioneel en mag het niet worden opgenomen in de categorie van afgewerkte producten als een DPF van de derde generatie. Dat wordt ondersteund door het feit dat het eindproduct veel duurder is dan het halffabrikaat van IBIDEN HU: de huidige marktprijs van het eindproduct is 2,5 keer hoger dan dat van de filter die door IBIDEN HU wordt vervaardigd.

(60)

Bovendien vermelden de Hongaarse autoriteiten dat DPF's in de praktijk worden ingebouwd in de meeste auto's met dieselmotor, en dat voor fabrikanten die een DOC nodig hebben ook een DPF noodzakelijk is. De vraag creëert een gemeenschappelijke markt voor de producten, aangezien dezelfde fabrikanten dezelfde werkwijzen, infrastructuur en inspanningen aanwenden om de producten te verkrijgen. Aan aanbodzijde maken de DOC- en DPF-fabrikanten doorgaans gebruik van dezelfde fabricageprocessen, productietechnologie en materialen. Wat de materialen betreft, wordt er cordieriet gebruikt voor zowel DOC's als DPF's. In de productie ondergaan ze dezelfde processen, zoals voorbereiding van de grondstof, mengen, temperen, spuitgieten, drogen, afwerken en aanblazen. De enige verschillen tussen de productieprocessen van beide producten zijn een extra stadium (dichten) en een verschillende volgorde voor een ander stadium (snijden). Bijgevolg zijn dezelfde fabrikanten betrokken bij het aanbod, en concurreren DOC en DPF met elkaar op de markt voor de nabehandeling van uitlaatgassen.

(61)

De Hongaarse autoriteiten beklemtonen dat IBIDEN HU in staat is substraten voor deeltjesfilters te vervaardigen met dezelfde uitrusting en zonder aanzienlijke investeringskosten, zoals elke fabrikant met dezelfde productietechnologie dat zou kunnen. Aangezien de DPF een vorm van ontwikkelde DOC is, betreft de kostprijs van de aanpassing niet de initiële investering in een andere productielijn, maar wel een essentiële ontwikkeling van de productiemiddelen.

(62)

Bovendien wijzen de Hongaarse autoriteiten erop dat er ook een duidelijke trend te zien is in de technologische ontwikkeling van DOC en DPF, die leidt naar een nieuwe generatie filters die de voordelen, kenmerken en vroegere technologie in één onderdeel zou kunnen verenigen, zodat daardoor een combinatie van een DOC en een DPF wordt gevormd. Wanneer de relevante markt wordt omschreven en het marktaandeel wordt berekend, dient de DOC ook in aanmerking genomen te worden omdat dit een met een DPF gecombineerd nabehandelingsapparaat vormt, en beide samen instaan voor naleving van de regelgeving.

(63)

In het licht van bovenstaande argumenten menen de Hongaarse autoriteiten dat de enige verdedigbare bepaling van de relevante markt de volledige markt voor dieselnabehandelingsapparaten is, waartoe zowel DPF als DOC behoren. Volgens de studie uitgevoerd door AVL, een onafhankelijk bedrijf voor marktonderzoek, is het marktaandeel van IBIDEN in de markt voor dieselnabehandelingsapparaten minder dan 25 % zowel vóór als na de investering, wat bijgevolg voldoet aan de voorwaarde in punt 24, onder a) van MSK 2002. Daarom menen de Hongaarse autoriteiten dat de Commissie de procedure volgens artikel 88, onder c) dient af te ronden met een positieve beschikking.

6.   BEOORDELING VAN DE STEUN

6.1.   Bestaan van staatssteun in de betekenis van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag

(64)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure concludeerde de Commissie dat de financiële steun die door de Hongaarse autoriteiten werd verstrekt aan IBIDEN Hungary Gyártó Kft. op basis van de bestaande regionale steunregelingen (HU 1/2003 „Programma ten behoeve van investeringsbevordering” en N 504/2004 „Belastingvoordeel ten gunste van ontwikkeling”) in de vorm van een subsidie en een belastingaftrek staatssteun vormen in de betekenis van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag. De Hongaarse autoriteiten hebben deze conclusie niet betwist.

6.2.   Meldingsplicht, wettelijkheid van de steun en toepasselijke wetgeving

(65)

Door de maatregel in 2006 aan te melden, hebben de Hongaarse autoriteiten voldaan aan de individuele meldingsplicht van punt 24 van de MSK 2002.

(66)

Conform punt 63 en voetnoot 58 van de Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013 (22), heeft de Commissie de steunmaatregel beoordeeld volgens de voorschriften van de Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 1998 (hierna: RAG) en de MSK 2002.

6.3.   Verenigbaarheid van de steun met de RAG

(67)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure gaf de Commissie aan dat de steun werd toegekend volgens de voorwaarden van de bestaande regionale steunmaatregelen (23) en besloot zij dat de standaardcriteria voor verenigbaarheid die in de RAG werden bepaald (zoals verenigbaarheidscriteria betreffende initiële investering in de regio die voor regionale steun in aanmerking komt, de in aanmerking komende kosten, de eigen bijdrage, het stimulerende effect, het behoud van de investering, cumulatie) werden nageleefd.

6.4.   Verenigbaarheid van de steun met de voorschriften van de MSK 2002

6.4.1.   Eén enkel investeringsproject

(68)

Punt 49 van de MSK 2002 vermeldt dat een investeringsproject niet op kunstmatige wijze mag worden verdeeld in onderprojecten om aan de voorschriften van de kaderregeling te ontkomen. Een „investeringsproject” omvat alle investeringen in vaste activa in een productie-installatie in een periode van drie jaar (24). Een productie-installatie is een geheel van economisch onscheidbare vaste activa die een welomlijnde technische functie vervullen, waartussen een materiële of functionele band bestaat en die op duidelijk omschreven doelstellingen zijn gericht, zoals de vervaardiging van een bepaald product.

(69)

Aangezien IBIDEN HU in het verleden al regionale steun gekregen heeft voor de eerste fase van het investeringsproject op dezelfde plaats en aangezien de aanmelding verwijst naar de tweede fase van het investeringsproject, moet er worden vastgesteld of de twee fasen deel uitmaken van hetzelfde investeringsproject.

(70)

In dit opzicht merkt de Commissie op dat de twee investeringsfases dezelfde productie-installatie betreffen (het industriepark Dunavarsány, in de regio Centraal-Hongarije), evenals hetzelfde bedrijf (IBIDEN HU), hetzelfde product (keramische substraten voor dieseldeeltjesfilters) en dat de werkzaamheden van elk project zijn aangevat in een periode van drie jaar (de eerste fase startte in 2004, de tweede in 2005). Bijgevolg is de Commissie van mening dat voldaan is aan de criteria van de definitie van een „productie-installatie” in punt 49 van de MSK 2002 en dat de twee fasen van de investering deel uitmaken van hetzelfde investeringsproject.

(71)

Bovendien merkt de Commissie op dat de Hongaarse autoriteiten akkoord gaan dat de twee fasen van de investering door IBIDEN HU in het industriepark Dunavarsány beschouwd moeten worden als één investeringsproject.

6.4.2.   Steunintensiteit

(72)

Aangezien de eerste en tweede fase van de investering samen als één enkel investeringsproject worden beschouwd, worden ze beide in aanmerking genomen voor de berekening van de maximale steunintensiteit van het project.

(73)

Aangezien de geplande in aanmerking komende uitgaven 41 953 072 670 HUF (168,30 miljoen EUR) bedragen in contante waarde en het toepasselijke standaard regionale steunplafond 40 % (nettosubsidie-equivalent) is, bedraagt de aangepaste maximale hoogte van het steunbedrag in nettosubsidie-equivalent na toepassing van het mechanisme voor schaalverkleining in punten 21 en 22 van de MSK 2002, 23,34 %.

(74)

Aangezien de steunintensiteit van het project 22,44 % nettosubsidie-equivalent bedraagt en derhalve lager is dan de maximale hoogte van het steunbedrag, toegestaan volgens het mechanisme voor schaalverkleining (23,34 % nettosubsidie-equivalent), beantwoordt de voorgestelde intensiteit van het gehele pakket van steunmaatregelen aan het aangepaste regionale steunplafond.

6.4.3.   Verenigbaarheid met de regels in punt 24, onder a) en b), van de MSK 2002.

(75)

Aangezien het totale steunbedrag van 9 793 809 933 HUF (39,29 miljoen EUR) in contante waarde hoger is dan het afzonderlijke aanmeldingsplafond van 30 miljoen EUR, moet worden nagegaan of de aangemelde steun beantwoordt aan punt 24, onder a) en b), van de MSK 2002.

(76)

De beslissing van de Commissie om regionale steun toe te staan voor grote investeringsprojecten die vallen onder punt 24 van de MSK 2002 hangt af van het marktaandeel van de begunstigde vóór en na de investering en van de door de investering ontstane capaciteit. Om de betrokken metingen van punt 24, onder a) en b), van de MSK 2002 uit te voeren, moet de Commissie eerst het product of de producten identificeren die betrokken zijn bij de investering, en het betrokken product en de geografische markten bepalen.

6.4.3.1.   Product waarop het investeringsproject betrekking heeft

(77)

Volgens punt 52 van de MSK 2002 betekent „betrokken product” het product waarop het investeringsproject betrekking heeft, alsmede, in voorkomend geval, een product dat als vervanging daarvoor wordt beschouwd, hetzij door de consument (wegens de kenmerken van de producten, hun prijs en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd), hetzij door de producent (ten gevolge van flexibiliteit van de productie-installaties). Wanneer het project betrekking heeft op een tussenproduct waarvoor geen markt bestaat, worden ook van dit product afgeleide producten als betrokken product aangemerkt.

(78)

Het aangemelde project betreft de productie van „keramische substraten voor dieseldeeltjesfilters („DPF”)”. Een DPF is een onderdeel van voertuigen dat wordt ingebouwd in het uitlaatgasbehandelingssysteem van voertuigen met dieselmotoren en dat de uitlaatgassen zuivert die worden voortgebracht door de verbrandingsmotor (25).

(79)

Het keramische onderdeel, dat door IBIDEN HU wordt vervaardigd, is een tussenproduct. Nadat dit in de fabriek is vervaardigd (TIER 3-niveau), wordt het onder marktvoorwaarden via IBIDEN Deutschland GmbH (26) verkocht aan zelfstandige ondernemingen (de belangrijkste klanten zijn […], […] en […]), die de substraten van een coating van edelmetaal voorzien waardoor de DPF een gecoate DPF wordt (TIER 2-niveau). De gecoate DPF's worden vervolgens verkocht aan producenten van uitlaatspruitstukken (TIER 1-niveau), die op hun beurt rechtstreeks aan de autoassemblagefabrieken leveren. De eindgebruikers van de keramische substraten zijn personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen met dieselmotor.

(80)

Uit het investeringsproject volgen geen andere producten voor verkoop op de markt of voor gebruik in andere fabrieken van de IBIDEN-groep. De Hongaarse autoriteiten hebben bevestigd dat er gedurende vijf jaar na de voltooiing van het project/de volledige productie in de gesteunde voorziening geen andere producten zullen worden vervaardigd dan de aangemelde en beoordeelde producten.

(81)

Gezien het bovenstaande, zal de Commissie het keramische substraat voor DPF, dat ingebouwd wordt in personenauto's en lichte bedrijfswagens met dieselmotor, beschouwen als het product waarop het investeringsproject betrekking heeft.

6.4.3.2.   Betrokken product en geografische markten

(82)

De definitie van de betrokken productmarkt vergt een onderzoek van de andere producten die kunnen worden beschouwd als vervanging van het product waarop het investeringsproject betrekking heeft in de betekenis van punt 52 van de MSK 2002. In dit verband, en rekening houdend met de opmerkingen van de belanghebbenden en de Hongaarse autoriteiten, heeft de Commissie bekeken welke producten kunnen worden beschouwd als vervanging voor DPF. De samenvatting van deze analyse wordt hierna gegeven.

1.   Algemeen overzicht van het uitlaatgasbehandelingssysteem

(83)

Emissiereductie is een complex domein met tal van interacties tussen technologieën, invloed op brandstofbesparingen, rijprestaties, duurzaamheid en kosten. Maatregelen voor emissiereductie kunnen in twee grote groepen worden ondergebracht:

a)

ontwikkelingen van het verbrandingssysteem om de emissies van de motor te beperken; en

b)

emissiebeheersingstechnologieën met behulp van een „nabehandeling” van de uitlaatgassen van de motor (alleen deze groep is van belang voor onderhavig geval).

(84)

De uitlaatgassen van dieselmotoren bevatten gevaarlijke stoffen: een grote hoeveelheid vaste deeltjes (zoals roet en oplosbare organische fractie (27)), en gevaarlijke gassen (zoals koolwaterstoffen („HC”), koolstofoxiden („COx”), stikstofoxiden („NOx”)). Deze stoffen worden behandeld door het uitlaatgasbehandelingssysteem dat in voertuigen wordt ingebouwd.

(85)

Bijgevolg zijn er bepaalde onderdelen in dat systeem die gevaarlijke stoffen zuiveren. In het algemeen zijn dit apparaten: 1. die de gasdeeltjes zuiveren en 2. die de vaste deeltjes (waaronder roet) zuiveren. De volgende twee nabehandelingsapparaten voor emissies, die voor onderhavig geval van belang zijn, worden gebruikt in personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen met dieselmotor:

a)

„DOC” — Diesel Oxidation Catalyst, d.w.z. oxidatiekatalysator voor dieselmotoren, die schadelijke gassen (voornamelijk koolwaterstoffen („HC”), koolstofoxiden („COx”)) onderdrukt en, als bijkomstig effect, ook tot op zekere hoogte de oplosbare organische fractie van vaste deeltjes elimineert, maar die geen roet kan behandelen. Een DOC is, net zoals een DPF, opgebouwd uit een binnenste vast substraat waar de uitlaatgassen doorheen geleid worden via kanalen. Wanneer de uitlaatgassen door de kanalen stromen, reageren ze met de katalysatoren (platina en palladium) op de wand van het substraat. Sinds 2000 worden er DOC's aangebracht in vrijwel alle personenautomodellen met dieselmotor in de EER om te voldoen aan striktere emissienormen in verband met de beperking van schadelijke gassen in de emissies.

b)

„DPF” — Diesel Particulate Filter, d.w.z. een dieseldeeltjesfilter die dient om de onoplosbare fractie van de vaste deeltjes, met name roet, op te vangen. Dit gebeurt door middel van mechanisch filteren. De uitlaatgassen stromen in de kanalen van de honingraatstructuur van de DPF en worden door de wanden gestuwd omdat de kanalen om beurten zijn dichtgemaakt. Het substraat dient als filter en het roet wordt op de wanden afgezet. De DPF raakt echter verzadigd met roet en kan maar functioneel blijven op voorwaarde dat het roet geëlimineerd wordt door verbranding (regeneratie van de filter).

(86)

DPF's werden voor het eerst in serie vervaardigd in 2000 in de Peugeot 607 dieselauto en zijn sindsdien algemeen verspreid geraakt, met een forse toename in de voorbije 3-4 jaar. Deze toename is gedeeltelijk toe te schrijven aan belastingvoordelen in verschillende landen voor dieselvoertuigen die met een DPF zijn uitgerust, en gedeeltelijk aan de meer milieubewuste benadering van de consument, en ook aan de anticipatie op striktere emissienormen, vooral met betrekking tot de grenswaarden voor vaste deeltjes (in de EER wordt emissiereductie geregeld door de „Euro” emissienormen). Voordat Euro 5 (28) in 2009 in werking treedt, zal naar verwachting een toenemend aantal dieselvoertuigen al met een DPF zijn uitgerust. Deze trend zal de markt voor DPF's de volgende jaren verder doen uitbreiden.

(87)

Er kunnen verschillende DPF-types onderscheiden worden op grond van het materiaal van de filter (bijvoorbeeld keramiek, cordieriet of metaal) en de filterregeneratiemethode. Regeneratie is noodzakelijk om de zich ophopende deeltjes te verwijderen (namelijk af te branden). In de praktijk gebeurt dit ofwel met behulp van een additief dat met de brandstof is vermengd en dat de oxidatietemperatuur verlaagt (dit staat bekend als een „niet gecoate DPF met door brandstof vervoerde katalysator”) of met behulp van een coating van edelmetaal die de wanden van het substraat bedekt en helpt bij het afbrandingsproces (dit staat bekend als een „gecoate DPF” of een „geïmpregneerde gekatalyseerde DPF”).

(88)

Dankzij deze coating van edelmetaal behandelt dit type van gecoate DPF, zij het in beperkte mate, ook HC- en CO-gassen door middel van een chemisch oxidatieproces. Het product van IBIDEN HU behoort tot deze categorie. Het is een keramisch substraat dat vervolgens wordt gecoat op TIER 2-niveau, en daarna wordt ingebouwd in het uitlaatspruitstuk op TIER 1-niveau.

2.   De bepaling van de relevante productmarkt volgens de opmerkingen van de belanghebbenden en de Hongaarse autoriteiten

(89)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure drukte de Commissie haar twijfels uit, die hierboven werden samengevat, of DOC en DPF wel als substituten kunnen worden beschouwd die tot dezelfde relevante productmarkt behoren.

(90)

De Commissie is van mening dat de argumenten die door IBIDEN HU, de begunstigde van de steun, de belanghebbende Aerosol & Particle Technology Laboratory en door de Hongaarse autoriteiten naar voren werden gebracht, de oorspronkelijke twijfels van de Commissie niet wegnemen, en dat deze twijfels werden bevestigd door de opmerkingen van Saint-Gobain en de belanghebbende wiens naam geheim is gehouden. De Commissie merkt in het bijzonder het volgende op:

(91)

De substraten van DPF en DOC behoren niet tot dezelfde relevante productmarkt aangezien hun productkenmerken verschillen. Bijgevolg is er noch aan de vraagzijde, noch aan de aanbodzijde substitueerbaarheid tussen de twee producten.

(92)

Vanuit de vraagzijde gezien, merkt de Commissie op dat er aanzienlijke verschillen zijn in productkenmerken, bedoeld gebruik en prijs tussen de substraten voor DPF en de substraten voor DOC:

a)

Zoals aangetoond door de belanghebbenden worden de substraten voor DOC meestal gemaakt van niet-poreus cordieriet. Het materiaal dat voor het DOC-substraat wordt aangewend, moet bestand zijn tegen een interne temperatuur van ongeveer 400 °C in de DOC. Het referentiemateriaal dat voor de DPF-substraten wordt gebruikt is siliciumcarbide. Het DPF-substraat moet poreus zijn om het roet te kunnen filteren. Door de noodzakelijke regeneratie van DPF moet het substraat gemaakt zijn van een materiaal dat bestand is tegen zeer hoge temperaturen (ongeveer 1 000 °C voor een gecoate DPF) en tegen herhaalde thermische schokken. Bijgevolg kunnen de klanten omwille van de zeer uiteenlopende thermische kenmerken dus niet van substraten voor DPF overschakelen naar substraten voor DOC en omgekeerd, indien er zich een relatieve prijsstijging voordoet voor een van de producten.

b)

Wat de prijs betreft, steunt de Commissie het standpunt van Saint-Gobain en de belanghebbende wiens identiteit geheim wordt gehouden in dit opzicht en merkt zij op dat er een groot prijsverschil is tussen de substraten van DOC en DPF, omdat de materialen voor de substraten van DPF hoogwaardiger materialen zijn waarvan de productie hogere kosten met zich meebrengt (zo moet er bijvoorbeeld een zuurstofvrije sinteroven voor hoge temperaturen worden gebruikt). Volgens de door de belanghebbenden ingediende opmerkingen schommelt de gemiddelde prijs per eenheid voor het DPF-substraat tussen 120-180 EUR (zonder de kostprijs van de katalysatorcoating en het inblikken), terwijl de prijs voor een DOC-substraat schommelt tussen 12 EUR en 20 EUR (ook zonder de kostprijs van de katalysatorcoating en het inblikken). Dat prijsverschil geeft aan dat substraten voor DPF niet tot dezelfde markt behoren als substraten voor DOC, omdat DPF-fabrikanten van TIER 2-niveau om technische redenen niet kunnen overschakelen op de aankoop van een DOC-substraat (anders zouden ze dat wel doen omwille van het grote prijsverschil) en omdat een DOC-fabrikant een DOC-substraat niet zou vervangen door een DPF-substraat omdat dit een veel duurder product geeft zonder een oxidatiefunctie die vergelijkbaar is met die van een DOC-substraat.

c)

Wat het gebruik betreft waarvoor zij zijn bestemd, merkt de Commissie, uitgaande van de opmerkingen ingediend door de belanghebbenden, op dat de voornaamste doelstelling van een DOC bestaat uit de oxidatie van bepaalde gassen in de dieseluitlaat zodat er na een chemische reactie minder gevaarlijke stoffen overblijven. De voornaamste functie van een DPF is het uitfilteren van roet door middel van een mechanisch filterproces. Onder bepaalde omstandigheden voert een DPF — als bijkomstig effect — weliswaar enkele functies van de DOC uit, maar het volledige oxidatie-effect kan niet worden bereikt zonder de installatie van beide apparaten. Bovendien vervult een DOC-apparaat geen enkele functie van een DPF, omdat een DOC geen roet filtert. Autofabrikanten en leveranciers in de automobielsector verwachten dat DOC en DPF afzonderlijke apparaten zullen blijven die naast elkaar worden ingebouwd in het uitlaatgassysteem (29).

d)

De oxidatie die wordt uitgevoerd door de katalysatoren van het DPF-substraat van IBIDEN HU dient om voldoende hoge temperaturen op te wekken voor de verbranding van het roet, maar heeft niet hetzelfde zuiverende effect als een volledig functionerende DOC. De belanghebbenden hebben er in hun opmerkingen dan ook op gewezen dat het zogenaamde multifunctionele product van IBIDEN HU de behoefte aan een afzonderlijke DOC in het uitlaatgasbehandelingssysteem niet wegneemt. De Hongaarse autoriteiten en de begunstigde van de steun geven ook toe dat het zogenaamde multifunctionele product van IBIDEN HU omwille van de huidige wetgeving nog altijd samen met de DOC moet worden ingebouwd.

e)

De Commissie merkt op dat de overtuiging van IBIDEN HU en de Hongaarse autoriteiten in verband met de tendens om een combinatie (van DOC en DPF) in één oplossing aan te wenden een weerspiegeling kan zijn van de toekomstige trend in emissiebeheersingstechnologieën, maar dat het geen weerspiegeling is van de huidige situatie die door de Commissie wordt geanalyseerd. Bijgevolg zullen zowel DPF als DOC naast elkaar blijven bestaan en zullen ze samen worden ingebouwd in de te onderzoeken periode (van 2003 tot 2008, d.w.z. één jaar voor de aanvang en één jaar na de voltooiing van het investeringsproject). Zoals door de ramingen op basis van marktgegevens in een van de studies wordt aangetoond, blijven DOC's het belangrijkste onderdeel voor emissiebeheersing dat in alle auto's met dieselmotor wordt geïnstalleerd in de betrokken periode. De studie bevestigt ook dat voor toekomstige Euro 5- en Euro 6-technologieën het gebruik van DOC's voor de oxidatie van CO, HC en de oplosbare organische fractie zal worden voortgezet.

f)

Bovendien merkt de Commissie op dat de marktstudie van Frost & Sullivan, een advies- en onderzoeksbureau dat onafhankelijk is van de sector, alleen DPF analyseert als een zelfstandig product dat deeltjes behandelt en dat deze studie niet verwijst naar DOC.

(93)

Vanuit het standpunt van de aanbodzijde zijn er bovendien verschillen in de productieprocessen van de DOC- en DPF-substraten. Aangezien het DPF-substraat tegen hoge temperaturen bestand moet zijn, moet de grondstof (voornamelijk siliciumcarbide) worden aangemaakt bij zeer hoge temperaturen en in een zuurstofvrije atmosfeer. Het cordieriet dat vooral gebruikt wordt voor het DOC-substraat wordt gesinterd in de lucht en bij een relatief veel lagere temperatuur. Bovendien is het substraat voor DOC een honingraatcilinder uit één stuk, terwijl het DPF-substraat wordt gevormd door verschillende filterelementen aan elkaar te lijmen. Bovendien zijn de kanalen van de DPF gedicht, en die van de DOC niet. Daaruit volgt dat voor de productie van het DPF-substraat een zuurstofvrije sinteroven voor hoge temperaturen nodig is, evenals een lijmsysteem en dichtingsapparatuur, terwijl deze uitrusting niet nodig is voor de productie van het DOC-substraat. Bijgevolg blijkt dat het niet mogelijk is om DPF- en DOC-substraten te vervaardigen op dezelfde productielijn zonder aanmerkelijke extra kosten.

(94)

Wat betreft het argument van IBIDEN HU en de Hongaarse autoriteiten dat er fabrikanten zijn die zowel DOC als DPF vervaardigen, en dat het onderscheid tussen DOC- en DPF-fabrikanten aldus vervaagt, meent de Commissie dat het niet relevant is of dezelfde fabrikant al dan niet beide producten kan vervaardigen. Wel relevant is of dezelfde uitrusting kan worden gebruikt voor de productie van beide substraten zonder aanmerkelijke bijkomende kosten. Dit werd niet aangetoond door de belanghebbenden of de Hongaarse autoriteiten. Er werden met name geen concrete bewijzen geleverd van fabrikanten van DOC-substraten die ook substraten voor DPF's vervaardigen met dezelfde uitrusting zonder aanmerkelijke extra investeringskosten, of vice versa.

(95)

In het licht van bovenvermelde argumenten meent de Commissie dat, ook al behoren een DOC en een DPF, samen met de andere onderdelen (bijvoorbeeld „Lean NOx Trap” die de NOx in het uitlaatgas moet verminderen) tot het systeem voor nabehandeling/dieselemissieregeling van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen met dieselmotor, het feit alleen dat zij naast elkaar bestaan in hetzelfde uitlaatgassysteem of dat zij elkaars ontwikkeling beïnvloeden, betekent niet dat zij aan vraagzijde en/of aanbodzijde substitueerbaar zijn, aangezien het hier gaat om twee afzonderlijke onderdelen met verschillende kenmerken, een verschillende prijs en een verschillend gebruiksdoeleinde. Wat de substitueerbaarheid aan de aanbodzijde betreft, zijn er bovendien verschillen in de productieprocessen van de DOC- en DPF-substraten. Dat leidt tot de conclusie dat er aan aanbodzijde geen substitueerbaarheid is tussen de DOC-substraten en de DPF-substraten.

(96)

Op grond van het bovenstaande en voor de toepassing van deze beschikking meent de Commissie dat de relevante productmarkt uitsluitend substraten voor dieseldeeltjesfilters bestrijkt die worden ingebouwd in de uitlaatsystemen van personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen met dieselmotor.

3.   Relevante geografische markt

(97)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure meende de Commissie dat de relevante geografische markt de gehele EER zou moeten zijn ten gevolge van de verschillen in emissieregelgeving en kwaliteitsnormen voor brandstof ten opzichte van derde landen en het lagere aandeel van dieselvoertuigen in andere belangrijke automarkten (30). Momenteel lijkt de vraag naar nabehandelingssystemen voor lichte bedrijfsvoertuigen met dieselmotor zeer laag in andere markten dan de EER. Met de ontwikkeling van meer geavanceerde nabehandelingsapparaten voor dieselvoertuigen, die dan in staat zullen zijn om te beantwoorden aan de vereisten in verband met uitlaatgasemissies in sommige derde landen, zal de markt voor nabehandelingsapparaten naar verwachting pas na 2008 geografisch uitbreiding nemen.

(98)

Geen van de belanghebbenden, noch de Hongaarse autoriteiten hebben deze conclusie betwist. Op basis van het bovenstaande en voor de toepassing van deze beschikking meent de Commissie dat de relevante geografische markt voor DPF de gehele EER is.

6.4.3.3.   Marktaandeel

(99)

Volgens punt 24, onder a) van de MSK 2002 zal een afzonderlijk aan te melden investeringsproject niet in aanmerking komen voor investeringssteun als de begunstigde van de steun vóór de investering meer dan 25 % van de afzet van het betrokken product voor zijn rekening neemt of na de investering zijn afzet wellicht tot meer dan 25 % zal zien oplopen.

(100)

Om te onderzoeken of het project overeenstemt met punt 24, onder a), van de MSK 2002, moet het marktaandeel van de begunstigde van de steun op groepsniveau vóór en na de investering worden geanalyseerd. Aangezien de investering van IBIDEN HU een aanvang nam in 2004 en de volledige productiecapaciteit van 2,4 miljoen stuks per jaar naar verwachting in 2007 bereikt zou worden, heeft de Commissie het marktaandeel in 2003 en 2008 onderzocht.

(101)

De Hongaarse autoriteiten hebben bevestigd dat er geen joint ventures of langdurige marketingovereenkomsten bestaan tussen IBIDEN en andere bedrijven in de keramische sector.

(102)

De Hongaarse autoriteiten hebben marktgegevens verstrekt afkomstig uit de volgende bronnen: Frost & Sullivan Ltd en AVL List GmbH. Het marktaandeel van de IBIDEN-groep in de DPF-markt vóór de aanvang van het project en na voltooiing ervan uitgedrukt in volume voor Europa wordt in Tabel III hierna weergegeven.

Tabel III

Marktaandeel van IBIDEN op groepsniveau in Europa

(Gegevens in aantal stuks)

 

2003

2008

Afzet van IBIDEN-groep

[…]

[…]

Totaal DPF-markt

702 000

6 340 000

Aandeel in DPF-markt

[…] %

[…] %

Bron: Frost & Sullivan Ltd ().

(103)

De door de Hongaarse autoriteiten voorgelegde studies tonen aan dat het marktaandeel van IBIDEN op groepsniveau in de DPF-markt zowel vóór als na de investering in Europa […] %-[…] % bedraagt, uitgedrukt in volume (32) en dus de limiet van 25 % in hoge mate overschrijdt (33). Derhalve is de voorwaarde van punt 24, onder a), van de MSK 2002 niet vervuld.

6.4.3.4.   Toename productiecapaciteit/groeiendemarkttest

(104)

Punt 24 van de MSK 2002 bepaalt dat afzonderlijk aan te melden projecten niet voor investeringssteun in aanmerking komen als een van de in punt 24 vermelde voorwaarden niet is vervuld. Ook al wordt, zoals hoger aangegeven, de voorwaarde in punt 24, onder a) van de MSK 2002 niet vervuld, toch heeft de Commissie ook onderzocht of het investeringsproject voldoet aan de andere voorwaarde die wordt vermeld in punt 24, onder b) van de MSK 2002. Volgens punt 24, onder b) van de MSK 2002 zal een afzonderlijk aan te melden investeringsproject niet voor investeringssteun in aanmerking komen als de door het project ontstane capaciteit groter is dan 5 % van de omvang van de markt, welke wordt gemeten aan de hand van gegevens over het schijnbare verbruik van het betrokken product, tenzij het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage van het schijnbare verbruik over de laatste vijf jaar hoger lag dan de gemiddelde jaarlijkse groei van het bbp van de Europese Economische Ruimte.

(105)

In dit verband merkt de Commissie op dat, zoals aangetoond in Tabel IV hierna, het jaarlijkse groeipercentage van het schijnbare verbruik (gemeten als totale afzet) in Europa van DPF over de laatste vijf jaar aanzienlijk hoger lag dan de gemiddelde jaarlijkse groei van het bbp van de EER (34).

Tabel IV

Groeiendemarkttest

(Afzet in stuks)

 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

CAGR (35)

DPF

29 000

290 000

702 000

1 169 000

1 791 000

2 957 000

152,17 %

bbp (in miljoen EUR in constante prijzen 1995) (EU-27)

8 197 605,0

8 295 193,5

8 402 482,6

8 610 427,6

8 765 680,7

9 027 663,9

1,95 %

(106)

Bijgevolg besluit de Commissie dat de onderzochte steun beantwoordt aan punt 24, onder b), van de MSK 2002. De steun is echter niet in overeenstemming met punt 24, onder a), van de MSK 2002, zoals hoger uiteengezet.

6.5.   Negatieve gevolgen van de steun en conclusie

(107)

In overeenstemming met de regels voor regionale steun werd er aan IBIDEN HU reeds steun verstrekt voor een bedrag van 7 411 828 735 HUF (29,73 miljoen EUR) in contante waarde (11 745 422 640 HUF of 47,12 miljoen EUR in nominale waarde) op grond van de bestaande stelsels voor regionale steun (36) tot aan het maximum voor afzonderlijk aan te melden projecten, vastgelegd in punt 24 van de MSK 2002. Het steunbedrag, dat aan de onderhavige melding onderworpen is, is het verschil tussen het totaalbedrag van de steun en de reeds verstrekte steun, namelijk 2 381 981 198 HUF (9,56 miljoen EUR) in contante waarde (in nominale waarde is dit bedrag 3 845 801 110 HUF of 15,43 miljoen EUR).

(108)

Punt 24 van de MSK 2002 bepaalt dat afzonderlijk aan te melden projecten niet voor investeringssteun in aanmerking komen als een van de in punt 24 vermelde voorwaarden niet is vervuld. Zoals hierboven aangetoond, voldoet de onderzochte steun niet aan punt 24, onder a) van de MSK 2002 omdat het marktaandeel van IBIDEN op groepsniveau in de DPF-markt in Europa zowel vóór als na de investering aanzienlijk hoger is dan 25 %.

(109)

Het grote marktaandeel van IBIDEN weerspiegelt de belangrijke positie die het bedrijf in de DPF-markt inneemt. Volgens de studie van Frost & Sullivan Ltd („F&S”) (37) en opmerkingen vanwege de belanghebbenden, bekleedt IBIDEN een uitstekende positie in de Europese markt voor DPF, aangezien het bedrijf een van de twee grootste fabrikanten van filtersubstraten ter wereld is (de andere grote fabrikant is NGK). De Commissie merkt op dat de DPF-markt in Europa de voorbije jaren enorm is gegroeid, aangezien alle voertuigfabrikanten de technologie toepassen om te voldoen aan de Euro-emissiegrenswaarden. Het is een zeer rendabele markt die ook in de toekomst wellicht een sterke ontwikkeling zal kennen. De steun die aan aanmelding onderworpen is zou de leidende positie van IBIDEN in deze markt nog versterken, waardoor het voor nieuwkomers moeilijker zou zijn om hun positie in deze markt te consolideren. De steun die aan deze aanmelding onderworpen is, zou dus wellicht leiden tot een aanzienlijke verstoring van de mededinging.

(110)

Op grond van de voorgaande overwegingen besluit de Commissie dat de steun die aan aanmelding onderworpen is niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Aangezien de steun van 2 381 981 198 HUF (9,56 miljoen EUR) in contante waarde (in nominale waarde is dit bedrag 3 845 801 110 HUF of 15,43 miljoen EUR) nog niet is verleend, is terugvordering ervan niet vereist,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De steunmaatregel ten bedrage van 2 381 981 198 HUF in contante waarde (3 845 801 110 HUF in nominale waarde), die de Republiek Hongarije voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van IBIDEN Hungary Gyártó Kft. is niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Deze steunmaatregel mag bijgevolg niet ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 2

De Republiek Hongarije deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking de maatregelen mee welke zijn genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de Republiek Hongarije.

Gedaan te Brussel, 30 april 2008.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB C 224 van 25.9.2007, blz. 2.

(2)  Mededeling van de Commissie — Multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten, PB C 70 van 19.3.2002, blz. 8, zoals gewijzigd door de mededeling van de Commissie inzake de wijziging van de multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten (2002) met betrekking tot de opstelling van een lijst van sectoren die met structurele problemen te kampen hebben, alsmede inzake een voorstel voor dienstige maatregelen overeenkomstig artikel 88, lid 1, EG-Verdrag betreffende de automobielindustrie en de sector synthetische vezels, PB C 263 van 1.11.2003, blz. 3.

(3)  Cf. noot 1.

(4)  Schrijven van de Commissie van 9 juli 2004, C(2004) 2773/5 betreffende HU 12/2003 — Regionalesteunkaart van Hongarije voor de periode van 1 mei 2004 tot 31 december 2006.

(5)  Voor het boekjaar dat een einde nam op 31 maart 2006.

(6)  Teneinde de doorzichtigheid en een efficiënte controle op de regionale steun voor grote investeringsprojecten te garanderen, voorziet punt 36 van de MSK 2002 in een bijzonder „doorzichtigheidsmechanisme”. Volgens dat mechanisme moeten de lidstaten op een standaardformulier informatie verstrekken wanneer op grond van de MSK 2002 steun wordt verleend voor projecten waarvoor geen meldingsplicht bestaat met subsidiabele kosten van meer dan 50 miljoen EUR.

(7)  Berekend volgens de regels van de onderliggende steunregeling, op basis van een wisselkoers van 249,28 HUF/EUR (geldig op 31 augustus 2004) en een referentierentevoet van 8,59 %.

(8)  Voor deze informatie geldt de geheimhoudingsplicht.

(9)  HU 1/2003 „Programma ten behoeve van investeringsbevordering” werd ingediend volgens de tussentijdse procedure en door de Commissie aanvaard als bestaande steun volgens de betekenis van bijlage IV, hoofdstuk 3, lid 1, onder c) (overeenkomstig artikel 22), van het Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie.

(10)  HU 3/2004 „Programma van belastingvoordeel ten gunste van ontwikkeling” werd ingediend volgens de tussentijdse procedure en door de Commissie aanvaard als bestaande steun volgens de betekenis van bijlage IV, hoofdstuk 3, lid 1, onder c) (overeenkomstig artikel 22), van het Verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie. Het amendement op dit programma werd aangemeld bij de Commissie (zaak nummer N 504/2004) en door haar goedgekeurd op 23 december 2004 (ref. C(2004)5652).

(11)  In deze beschikking wordt het nettosubsidie-equivalent (NSE) berekend op basis van de in Hongarije geldende standaard vennootschapsbelastingvoet (16 %).

(12)  De belastingaftrek is gelimiteerd met betrekking tot de globale contante waarde.

(13)  HU 1/2003 „Programma ten behoeve van investeringsbevordering” en N 504/2004 (ex HU 3/2004) „Programma van belastingvoordeel ten gunste van ontwikkeling”.

(14)  Verschillen in het beoogde gebruik tussen de eindproducten, DPF en DOC, zijn een weerspiegeling van de verschillende aanwendingen van hun respectieve substraten. Daarom zal in de beschikking DPF als alternatief worden gebruikt voor substraat van DPF.

(15)  „Strategic analysis of the European market for Diesel Particulate Filters”, oktober 2006. De firma Frost & Sullivan is actief in advies en onderzoek van de markt/sectoren.

(16)  „Market survey on PM reduction after-treatment devices”, maart 2007. AVL List is nauw betrokken bij het ontwerp en de ontwikkeling van verbrandingsmotoren. De studie van AVL, waartoe door IBIDEN HU opdracht werd gegeven voor deze zaak, betoogt dat zowel DOC als DPF behoren tot de relevante productmarkt. De gegevens en analyse die in de studie van AVL worden gepresenteerd, bevestigen dit argument echter niet, d.w.z. tal van elementen/gegevens in de studie wijzen erop dat er geen substitueerbaarheid is, en niet het tegenovergestelde.

(17)  PB C 74 van 10.3.1998, blz. 9.

(18)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(19)  Het concept van achtereenvolgende generaties van het product wordt gehanteerd door IBIDEN HU en verwijst naar de evolutie van de technologie.

(20)  Wat betreft de marktprijs van 102 EUR voor de DOC, zoals opgegeven in de studie van AVL, blijkt dat deze ook verwijst naar de DOC-prijs na coating op TIER 2-niveau. Daarom zou de prijs van het DOC-substraat neerwaarts moeten worden aangepast op dezelfde manier als IBIDEN de DPF-substraatprijzen aanpaste.

(21)  Verschillen in het beoogde gebruik tussen de eindproducten, DPF en DOC, zijn een weerspiegeling van de verschillende aanwendingen van hun respectieve substraten.

(22)  PB C 54 van 4.3.2006, blz.13.

(23)  HU 1/2003 „Programma ten behoeve van investeringsbevordering” en N 504/2004 (ex HU 3/2004) „Belastingvoordeel ten gunste van ontwikkeling”.

(24)  Omdat investeringsprojecten gedurende verschillende jaren kunnen lopen, wordt de periode van drie jaar in principe berekend vanaf de aanvang van de werkzaamheden voor elk project.

(25)  DPF's zijn nog niet vereist door de huidige Europese wetgeving, maar zijn al wel ingebouwd in bepaalde motorvoertuigen. Vanaf september 2009 worden er nieuwe grenswaarden verplicht voor nieuwe types personenauto's met dieselmotor (categorie M1) en lichte bedrijfsvoertuigen (categorie N1 klasse I) met een referentiemassa die niet hoger mag zijn dan 2 610 kg (deze grenswaarden zullen vanaf september 2010 van toepassing zijn voor klassen II en III van voertuigen in de categorieën N1 en N2). Dit zal in de praktijk tot gevolg hebben dat er DPF's moeten worden ingebouwd om te voldoen aan de grenswaarden.

(26)  De Hongaarse autoriteiten hebben bevestigd dat IBIDEN Deutschland GmbH een handels- en marketingbedrijf is en dat het geen onderdelen voor uitlaatgasbehandeling vervaardigt. Geen van de andere bedrijven van de IBIDEN-groep voert een verdere verwerking uit van de door IBIDEN HU vervaardigde onderdelen.

(27)  Oplosbare organische fractie: zoals organische stoffen afgeleid van motorolie en brandstof.

(28)  Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.

(29)  Deze trend wordt, zoals aangetoond door Saint-Gobain, benadrukt door de verschillende presentaties die in 2007 tijdens diverse deskundigenfora werden gegeven door General Motors, DaimlerChrysler, Johnson Matthey, Hyundai en Arvin Meritor.

(30)  Volgens de marktstudie van AVL hebben moderne systemen voor de nabehandeling van uitlaatgas zwavelvrije dieselbrandstof nodig om doeltreffende en duurzame prestaties te realiseren. Dieselbrandstof met een laag zwavelgehalte werd in 2005 in de Europese Unie ingevoerd en zal in 2009 verplicht zijn.

(31)  De gegevens verzameld door AVL verwijzen naar een iets kleinere markt dan die van F&S en zouden leiden tot onverenigbaarheden aangezien het afzetvolume van de begunstigde in Europa vóór de investering (d.w.z. in 2003) hoger is dan de totale, door AVL geraamde afzet. Daarom werden de cijfers over de DPF-markt van de F&S-studie gehanteerd, waar zulke onverenigbaarheden zich niet voordeden. Bovendien is de hantering van de hogere F&S-gegevens in het voordeel van de begunstigde, maar zelfs in dit scenario ligt het marktaandeel ver boven 25 %. De studie van F&S verwijst rechtstreeks naar het aantal verkochte DPF's of het aantal DPF's dat naar verwachting zal verkocht worden op de markt, rekening houdend met alle DPF-fabrikanten. Op te merken valt nog dat de studies weliswaar naar DPF verwijzen, namelijk een afgewerkt product verderop in het productieproces, maar dat het volume aan verkochte substraten in de praktijk gelijk is aan het aantal verkochte DPF's.

(32)  Het keramische substraat van IBIDEN HU is een halffabricaat dat verder verwerkt moet worden (namelijk coaten, inblikken) op de volgende niveaus van de waardeketen (uitgevoerd door onafhankelijke ondernemingen). Aangezien de waardegegevens in de overgelegde studies alleen verwijzen naar de afgewerkte DPF, waarvan de prijs veel hoger is dan die van het product van IBIDEN, en omdat er geen betrouwbare gegevens werden ingediend over de prijs van het halffabricaat, meent de Commissie dat in onderhavig geval de analyse in volume uitgedrukt diende te worden. In elk geval zou, als IBIDEN DPF-substraten verkoopt tegen een prijs die de gemiddelde marktprijs benadert, het marktaandeel uitgedrukt in waarde vergelijkbaar zijn.

(33)  Volgens door Saint-Gobain verstrekte gegevens is het marktaandeel van IBIDEN in de EER hoger dan 25 % uitgedrukt in waarde, zelfs in een hypothetische markt die substraten voor zowel DPF als DOC (DPF- + DOC-markt) omvat. Dit argument wordt echter niet bevestigd door de studie van AVL (waartoe opdracht werd gegeven door de begunstigde), aangezien deze studie aanzienlijk hogere prijzen van DOC's vermeldt en het marktaandeel uitgedrukt in waarde aldus lager blijft dan 25 % in de gecombineerde markt (wat de marktprijs van de DOC betreft zoals deze in de studie van AVL wordt meegedeeld, lijkt het er echter op dat deze verwijst naar de DOC-prijs na coating op TIER 2-niveau, wat een verklaring zou zijn voor de aanzienlijk hogere prijs in vergelijking met de prijs die door Saint-Gobain voor het substraat wordt opgegeven). Op basis van de beschikbare informatie kan daarom niet worden besloten of het marktaandeel van IBIDEN in zulke hypothetische markt in de EER zou liggen boven of onder 25 % uitgedrukt in waarde.

(34)  Omwille van praktische redenen werden de bbp-cijfers van de EU-27 in aanmerking genomen.

(35)  CAGR: Compound annual growth rate, samengesteld jaarlijks groeipercentage.

(36)  HU 1/2003 „Programma ten behoeve van investeringsbevordering” en N 504/2004 (ex HU 3/2004) „Belastingvoordeel ten gunste van ontwikkeling”.

(37)  „Strategic analysis of the European market for Diesel Particulate Filters”, oktober 2006. De firma Frost & Sullivan is actief in advies en onderzoek van de markt/sectoren.


4.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/50


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2008

tot vaststelling van een nieuwe termijn voor de indiening van dossiers voor bepaalde stoffen die in het kader van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG bedoelde tienjarige werkprogramma dienen te worden beoordeeld

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6266)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/831/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name op artikel 16, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB van Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld.

(2)

Voor een aantal van de in die lijst vermelde combinaties van stoffen/productsoorten hebben alle deelnemers zich teruggetrokken of heeft de als rapporteur voor de beoordeling aangewezen lidstaat binnen de in artikel 9, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 1451/2007 vastgestelde termijn geen dossier ontvangen.

(3)

De Commissie heeft dit derhalve overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 aan de lidstaten meegedeeld. Deze mededeling is ook op 8 november 2007 langs elektronische weg openbaar gemaakt.

(4)

Voor sommige van deze stoffen en productsoorten hebben bedrijven overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 binnen drie maanden na de elektronische bekendmaking van deze mededeling aangegeven dat zij geïnteresseerd zijn in het overnemen van de taak van deelnemer.

(5)

Derhalve moet overeenkomstig artikel 12, lid 3, tweede alinea, van die verordening een nieuwe termijn voor de indiening van dossiers voor deze stoffen en productsoorten worden vastgesteld.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Voor de in de bijlage opgenomen stoffen en productsoorten is 1 december 2009 de nieuwe termijn voor de indiening van dossiers.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)  PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.


BIJLAGE

Stoffen en productsoorten waarvoor 1 december 2009 de nieuwe termijn voor de indiening van dossiers is

Naam

EC-nummer

CAS-nummer

Productsoort

RLS

1,2-Benzisothiazool-3(2H)-on

220-120-9

2634-33-5

2

ES

2,2′-Dithiobis[N-methylbenzamide]

219-768-5

2527-58-4

6

PL

2,2′-Dithiobis[N-methylbenzamide]

219-768-5

2527-58-4

13

PL

2-Butanon, peroxide

215-661-2

1338-23-4

1

HU

2-Butanon, peroxide

215-661-2

1338-23-4

2

HU

2-Butanon, peroxide

215-661-2

1338-23-4

3

HU

2-Butanon, peroxide

215-661-2

1338-23-4

6

HU

2-Chlooraceetamide

201-174-2

79-07-2

3

EE

2-Chlooraceetamide

201-174-2

79-07-2

6

EE

2-Chlooraceetamide

201-174-2

79-07-2

13

EE

Dodecylguanidine, monohydrochloride

237-030-0

13590-97-1

6

ES

Ethyleenoxide

200-849-9

75-21-8

2

NO

Glyoxal

203-474-9

107-22-2

2

FR

Glyoxal

203-474-9

107-22-2

3

FR

Glyoxal

203-474-9

107-22-2

4

FR

Hexa-2,4-dieenzuur/sorbinezuur

203-768-7

110-44-1

6

DE

Mengsel van cis- en trans-p-menthaan-3,8-diol/citriodiol

255-953-7

42822-86-6

1

UK

Mengsel van cis- en trans-p-menthaan-3,8-diol/citriodiol

255-953-7

42822-86-6

2

UK

Oligo(2-(2-ethoxy)ethoxyethylguanidiniumchloride)

Polymeer

374572-91-5

1

FR

Oligo(2-(2-ethoxy)ethoxyethylguanidiniumchloride)

Polymeer

374572-91-5

5

FR

Oligo(2-(2-ethoxy)ethoxyethylguanidiniumchloride)

Polymeer

374572-91-5

6

FR

Oligo(2-(2-ethoxy)ethoxyethylguanidiniumchloride)

Polymeer

374572-91-5

13

FR

Poly(hexamethyleendiamineguanidiniumchloride)

Polymeer

57028-96-3

1

FR

Poly(hexamethyleendiamineguanidiniumchloride)

Polymeer

57028-96-3

5

FR

Poly(hexamethyleendiamineguanidiniumchloride)

Polymeer

57028-96-3

6

FR

Poly(hexamethyleendiamineguanidiniumchloride)

Polymeer

57028-96-3

13

FR

Polyvinylpyrrolidonjood

Polymeer

25655-41-8

1

SE

Kalium-(E,E)-hexa-2,4-dienoaat

246-376-1

24634-61-5

6

DE

Pyridine-2-thiol-1-oxide, natriumzout

223-296-5

3811-73-2

2

SE

Pyridine-2-thiol-1-oxide, natriumzout

223-296-5

3811-73-2

3

SE

Salicylzuur

200-712-3

69-72-7

1

LT

Salicylzuur

200-712-3

69-72-7

2

LT

Salicylzuur

200-712-3

69-72-7

3

LT

Salicylzuur

200-712-3

69-72-7

4

LT

Siliciumdioxide, amorf

231-545-4

7631-86-9

3

FR

Zilverchloride

232-033-3

7783-90-6

3

SE

Zilverchloride

232-033-3

7783-90-6

4

SE

Zilverchloride

232-033-3

7783-90-6

5

SE

Zilverchloride

232-033-3

7783-90-6

13

SE

Zwaveldioxide

231-195-2

7446-09-5

1

DE

Zwaveldioxide

231-195-2

7446-09-5

2

DE

Zwaveldioxide

231-195-2

7446-09-5

4

DE

Zwaveldioxide

231-195-2

7446-09-5

5

DE

Zwaveldioxide

231-195-2

7446-09-5

6

DE

Zwaveldioxide

231-195-2

7446-09-5

13

DE

Thiabendazool

205-725-8

148-79-8

2

ES

Thiabendazool

205-725-8

148-79-8

13

ES

Triclosan

222-182-2

3380-34-5

3

DK

Polymeer van formaldehyde en acroleïne

Polymeer

26781-23-7

3

HU


4.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/53


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 3 november 2008

betreffende de niet-opneming van bromuconazool in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6290)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/832/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 8, lid 2, vierde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat een lidstaat gedurende een periode van twaalf jaar na de kennisgeving van die richtlijn mag toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I bij die richtlijn opgenomen werkzame stoffen bevatten en die twee jaar na de datum van kennisgeving van de richtlijn reeds op de markt zijn, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht terwijl deze stoffen in het kader van een werkprogramma geleidelijk worden onderzocht.

(2)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Bromuconazool is in die lijst opgenomen.

(3)

Voor bromuconazool zijn de uitwerking op de menselijke gezondheid en het milieueffect overeenkomstig het bepaalde in de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 en (EG) nr. 1490/2002 beoordeeld voor een aantal door de kennisgever voorgestelde toepassingen. Bovendien worden in die verordeningen de als rapporteur optredende lidstaten aangewezen die overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1490/2002 de desbetreffende evaluatieverslagen met aanbevelingen bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) moeten indienen. Voor bromuconazool was de rapporterende lidstaat België en was alle relevante informatie ingediend op 14 november 2005.

(4)

Het evaluatieverslag is door de lidstaten en de EFSA (in haar werkgroep Evaluatie) intercollegiaal getoetst en op 26 maart 2008 bij de Commissie ingediend in de vorm van de conclusie van de EFSA betreffende de intercollegiale toetsing van de risico-evaluatie van de werkzame stof bromuconazool als pesticide (4). Dit verslag is door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 11 juli 2008 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor bromuconazool.

(5)

Tijdens de evaluatie van deze werkzame stof is een aantal problemen vastgesteld. Het was op basis van de beschikbare informatie met name niet mogelijk om de eventuele verontreiniging van het oppervlaktewater en het grondwater te evalueren. Bovendien zijn er uit het oogpunt van de ecotoxicologie problemen vanwege het grote risico voor in het water levende organismen. Bijgevolg kon op basis van de beschikbare informatie niet worden geconcludeerd dat bromuconazool voldeed aan de criteria voor opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG.

(6)

De Commissie heeft de kennisgever verzocht haar zijn opmerkingen over de resultaten van de intercollegiale toetsing te doen toekomen en aan te geven of hij al dan niet van plan was om de stof verder te ondersteunen. De kennisgever heeft zijn opmerkingen ingediend en deze zijn zorgvuldig onderzocht. Ondanks de door de kennisgever aangevoerde argumenten blijven de hierboven vermelde problemen echter bestaan en de evaluaties op basis van de verstrekte en tijdens de vergaderingen van deskundigen van de EFSA beoordeelde gegevens hebben niet aangetoond dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die bromuconazool bevatten, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden in het algemeen aan de eisen van artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG voldoen.

(7)

Bromuconazool mag daarom niet in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG worden opgenomen.

(8)

De nodige maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de verleende toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die bromuconazool bevatten, binnen een bepaalde termijn worden ingetrokken en niet worden verlengd, en dat voor dergelijke producten geen nieuwe toelatingen worden verleend.

(9)

De looptijd van eventuele door de lidstaten toegestane termijnen voor de verwijdering, de opslag, het op de markt brengen of het gebruik van bestaande voorraden gewasbeschermingsmiddelen die bromuconazool bevatten, moet worden beperkt tot twaalf maanden om het mogelijk te maken dat de bestaande voorraden nog gedurende ten hoogste één extra groeiseizoen worden gebruikt, zodat gewasbeschermingsmiddelen die bromuconazool bevatten nog gedurende 18 maanden na de vaststelling van deze beschikking beschikbaar blijven voor de landbouwers.

(10)

Deze beschikking laat de indiening van een aanvraag voor bromuconazool overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG en de nadere uitvoeringsbepalingen die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie (5), met het oog op de eventuele opneming van deze stof in bijlage I bij die richtlijn onverlet.

(11)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Bromuconazool wordt niet als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen.

Artikel 2

De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die bromuconazool bevatten, uiterlijk op 3 mei 2009 worden ingetrokken;

b)

met ingang van de datum van bekendmaking van deze beschikking geen toelatingen voor bromuconazool bevattende gewasbeschermingsmiddelen meer worden verleend of verlengd.

Artikel 3

Eventuele door de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Richtlijn 91/414/EEG toegestane termijnen lopen zo snel mogelijk en uiterlijk op 3 mei 2010 af.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 3 november 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)  PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)  EFSA Scientific Report (2008) 136, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance bromuconazole (definitieve versie: 26 maart 2008).

(5)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.


4.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/s3


BERICHT AAN DE LEZER

De instellingen hebben besloten in hun teksten niet langer te verwijzen naar de laatste wijziging van de aangehaalde besluiten.

Tenzij anders vermeld, zijn de besluiten waarnaar in de hierin gepubliceerde teksten wordt verwezen, de besluiten zoals die momenteel van kracht zijn.