ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 286

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
29 oktober 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2008 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren, en houdende wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 1627/94 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 3317/94

33

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

*

Besluit van de Raad van 8 juli 2008 betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van een Protocol bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

45

Protocol bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

46

 

 

 

*

Bericht aan de lezers (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

29.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 286/1


VERORDENING (EG) Nr. 1005/2008 VAN DE RAAD

van 29 september 2008

houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Gemeenschap is verdragsluitende partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 („UNCLOS”), heeft de Overeenkomst van de Verenigde Naties voor de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden van 4 augustus 1995 („VN-Visbestandenovereenkomst”) bekrachtigd en heeft ingestemd met de Overeenkomst om te bevorderen dat vissersvaartuigen op de volle zee de internationale maatregelen voor instandhouding en beheer van de visbestanden naleven van 24 november 1993 van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties („FAO-Nalevingsovereenkomst”). In die bepalingen is hoofdzakelijk het beginsel neergelegd dat alle staten een plicht hebben om passende maatregelen voor een duurzaam beheer van de mariene hulpbronnen vast te stellen en om daartoe met elkaar samen te werken.

(2)

Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (3) is een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt, te garanderen.

(3)

Illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) vormt een van de ernstigste bedreigingen voor de duurzame exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen, namelijk een bedreiging die het fundament zelf van het gemeenschappelijk visserijbeleid en van de internationale inspanningen ter bevordering van een betere „governance” van de oceanen in gevaar brengt. Ook voor de mariene biodiversiteit betekent IOO-visserij een grote bedreiging die moet worden aangepakt in overeenstemming met de doelstellingen zoals omschreven in de mededeling van de Commissie „Het biodiversiteitsverlies tegen 2010 — en daarna — tot staan brengen”.

(4)

De FAO heeft in 2001 een internationaal actieplan om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen aangenomen, dat door de Gemeenschap is bekrachtigd. Regionale visserijorganisaties hebben voorts met de actieve steun van de Gemeenschap een reeks maatregelen vastgesteld die erop gericht zijn illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij tegen te gaan.

(5)

De Gemeenschap dient in overeenstemming met de door haar in internationaal verband aangegane verbintenissen, en gezien de omvang en urgentie van het probleem, haar optreden tegen IOO-visserij aanzienlijk uit te breiden en nieuwe regelgevende maatregelen vast te stellen om alle aspecten van het fenomeen te bestrijken.

(6)

Het optreden van de Gemeenschap moet hoofdzakelijk gericht zijn tegen de onder de definitie van IOO-visserij vallende gedragingen en die de ernstigste schade toebrengen aan het mariene milieu, aan de duurzaamheid van de visbestanden en aan de sociaaleconomische positie van de vissers die zich aan de regels inzake de instandhouding en het beheer van de visserijhulpbronnen houden.

(7)

In overeenstemming met de definitie van IOO-visserij dient de werkingssfeer van deze verordening zich uit te strekken tot de visserijactiviteiten die worden verricht op volle zee en in de zeewateren onder de jurisdictie of soevereiniteit van de kuststaten, met inbegrip van de zeewateren onder de jurisdictie of soevereiniteit van de lidstaten.

(8)

Met het oog op een behoorlijke aanpak van de interne dimensie van IOO-visserij is het voor de Gemeenschap van essentieel belang de nodige maatregelen vast te stellen om de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid te verbeteren. In afwachting van de herziening van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (4) dienen daartoe bepalingen te worden opgenomen in de onderhavige verordening.

(9)

De communautaire voorschriften, en in het bijzonder titel II van Verordening (EEG) nr. 2847/93, voorzien in een alomvattend systeem om toezicht te houden op het legale karakter van de vangsten van communautaire vissersvaartuigen. Het systeem dat momenteel geldt voor visserijproducten die door vissersvaartuigen van derde landen zijn gevangen en in de Gemeenschap worden ingevoerd, garandeert geen gelijkwaardig controleniveau. Deze tekortkoming vormt voor buitenlandse marktdeelnemers die IOO-visserij bedrijven een belangrijke drijfveer om hun producten in de Gemeenschap te verhandelen en zo hun activiteiten winstgevender te maken. De Gemeenschap heeft als grootste afzetgebied voor en grootste importeur van visserijproducten ter wereld een specifieke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de in haar grondgebied ingevoerde visserijproducten niet van IOO-visserij afkomstig zijn. Daarom dient een nieuwe regeling te worden ingesteld om te zorgen voor een behoorlijke controle van de aanbodketen van in de Gemeenschap ingevoerde visserijproducten.

(10)

De communautaire voorschriften betreffende de toegang tot de communautaire havens voor vissersvaartuigen die de vlag van een derde land voeren, dienen te worden aangescherpt om te zorgen voor een adequate controle op het legale karakter van de door dergelijke vaartuigen aangelande visserijproducten. Dit moet met name inhouden dat vissersvaartuigen die de vlag van een derde land voeren, slechts toegang tot de communautaire havens krijgen als zij in staat zijn om precieze en door hun vlaggenstaat gevalideerde informatie te verstrekken over het legale karakter van hun vangsten.

(11)

Overladingen op zee ontsnappen aan elke behoorlijke controle door vlaggen- of kuststaten en zijn voor marktdeelnemers die IOO-visserij bedrijven een gebruikelijke manier om de illegale aard van hun vangsten te verhullen. Het is daarom gerechtvaardigd dat de Gemeenschap overladingen slechts toestaat indien deze plaatsvinden in aangewezen havens van de lidstaten, in havens van derde landen tussen communautaire vissersvaartuigen, of buiten de communautaire wateren tussen communautaire vissersvaartuigen en vissersvaartuigen die geregistreerd zijn als vrachtvaartuigen onder het toezicht van een regionale visserijorganisatie.

(12)

Bepaald dient te worden onder welke voorwaarden, volgens welke procedure en met welke frequentie de lidstaten controles, inspecties en verificaties moeten verrichten op basis van risicobeheer.

(13)

De handel met de Gemeenschap in visserijproducten die afkomstig zijn van IOO-visserij, moet worden verboden. Om dat verbod doeltreffend te maken en te garanderen dat alle verhandelde visserijproducten die worden ingevoerd in of uitgevoerd uit de Gemeenschap zijn geoogst in overeenstemming met de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen en, in voorkomend geval, de andere relevante voorschriften die voor het betrokken vissersvaartuig gelden, dient een certificeringsregeling te worden ingesteld die geldt voor elke handel in visserijproducten met de Gemeenschap.

(14)

De Gemeenschap moet bij de uitvoering van de certificeringsregeling rekening houden met de capaciteitsbeperkingen in de ontwikkelingslanden.

(15)

In het kader van die regeling dient aan de invoer van visserijproducten in de Gemeenschap de voorwaarde te worden verbonden dat een certificaat wordt overgelegd. Dat certificaat moet informatie bevatten waarmee het legale karakter van de betrokken producten wordt aangetoond. Het moet door de vlaggenstaat van de vissersvaartuigen die de betrokken vis hebben gevangen, zijn gevalideerd; die staat heeft immers op grond van het internationale recht de plicht ervoor te zorgen dat vissersvaartuigen die zijn vlag voeren de internationale regels betreffende de instandhouding en het beheer van de visserijhulpbronnen naleven.

(16)

Het is van essentieel belang dat die certificeringsregeling geldt voor alle invoer in en uitvoer uit de Gemeenschap van producten van de zeevisserij. De regeling dient ook te gelden voor visserijproducten die in een ander land dan de vlaggenstaat zijn vervoerd of be- of verwerkt voordat zij het grondgebied van de Gemeenschap bereiken. Daarom moeten voor deze laatste producten specifieke eisen gelden om te garanderen dat op het grondgebied van de Gemeenschap geen andere producten aankomen dan die waarvan het legale karakter door de vlaggenstaat is gevalideerd.

(17)

Het is van belang om te garanderen dat voor alle ingevoerde visserijproducten een gelijk controleniveau geldt, ongeacht het volume of de frequentie van de handel, door specifieke procedures in te voeren voor de toekenning van de status van „erkend marktdeelnemer”.

(18)

De uitvoer van vangsten van de vlag van een lidstaat voerende vissersvaartuigen moet eveneens aan de certificeringsregeling worden onderworpen in het kader van de samenwerking met derde landen.

(19)

Wanneer het voornemen bestaat de bedoelde producten in te voeren in een lidstaat, moet die lidstaat de geldigheid kunnen controleren van de vangstcertificaten waarvan de betrokken zending vergezeld gaat, en moet hij het recht hebben invoer te weigeren als de in deze verordening met betrekking tot het vangstcertificaat gestelde voorwaarden niet vervuld zijn.

(20)

Het is van belang dat controle-, inspectie- en verificatieactiviteiten met betrekking tot visserijproducten bij doorvoer of overlading in de eerste plaats worden verricht door de lidstaat van eindbestemming, teneinde de doeltreffendheid ervan te verbeteren.

(21)

Om de controleautoriteiten in de lidstaten te helpen bij hun taak toezicht te houden op het legale karakter van de visserijproducten die met de Gemeenschap worden verhandeld en ook om de communautaire marktdeelnemers te kunnen waarschuwen, dient een communautair alarmeringssysteem te worden opgezet om, in voorkomend geval, informatie te verspreiden over gegronde twijfel aan de naleving door bepaalde derde landen van de geldende instandhoudings- en beheersregels.

(22)

Het is van essentieel belang dat de Gemeenschap afschrikkende maatregelen vaststelt tegen vissersvaartuigen die IOO-visserij bedrijven zonder dat hun vlaggenstaat wegens die IOO-visserij passende maatregelen tegen hen treft.

(23)

Daartoe moet de Commissie in samenwerking met de lidstaten, het Communautair Bureau voor visserijcontrole, derde landen en andere instanties op basis van risicobeheer onderzoeken welke vissersvaartuigen vermoedelijk IOO-visserij bedrijven en moet zij de bevoegde vlaggenstaat om informatie over de juistheid van de bevindingen verzoeken.

(24)

Om onderzoeken te vergemakkelijken die betrekking hebben op vissersvaartuigen waarvan wordt vermoed dat zij IOO-visserij hebben bedreven, en om te voorkomen dat de vermeende inbreuk wordt voortgezet, moeten die vissersvaartuigen door de lidstaten aan specifieke controle- en inspectie-eisen worden onderworpen.

(25)

Wanneer er op basis van de verkregen informatie voldoende gronden zijn om te oordelen dat een vissersvaartuig dat de vlag van een derde land voert IOO-visserij heeft bedreven en dat de bevoegde vlaggenstaat niet doeltreffend tegen die IOO-visserij is opgetreden, plaatst de Commissie dat vaartuig op de communautaire lijst van IOO-vaartuigen.

(26)

Wanneer er op basis van de verkregen informatie voldoende gronden zijn om te oordelen dat een communautair vissersvaartuig IOO-visserij heeft bedreven en dat de bevoegde vlaggenlidstaat niet doeltreffend tegen die IOO-visserij is opgetreden overeenkomstig deze verordening en Verordening (EEG) nr. 2847/93, plaatst de Commissie dat vaartuig op de communautaire lijst van IOO-vaartuigen.

(27)

Als tegenwicht voor het ontbreken van een effectief optreden van vlaggenstaten tegen vissersvaartuigen die hun vlag voeren en op de communautaire lijst van IOO-vaartuigen zijn geplaatst, en ter beperking van verdere visserijactiviteiten door die vaartuigen, treffen de lidstaten tegen die vaartuigen passende maatregelen.

(28)

Ter vrijwaring van de rechten van de op de communautaire lijst van IOO-vissersvaartuigen geplaatste vaartuigen en van hun vlaggenstaten dient de procedure voor plaatsing op die lijst de mogelijkheid te behelzen dat de vlaggenstaat de Commissie op de hoogte brengt van de genomen maatregelen en, waar mogelijk, dat de betrokken eigenaar of de betrokken exploitanten in elk stadium van de procedure worden gehoord en dat een vissersvaartuig van die lijst wordt geschrapt wanneer de criteria voor opneming van dat vissersvaartuig in die lijst niet langer vervuld zijn.

(29)

Om binnen de Gemeenschap één enkel kader te bieden en proliferatie van lijsten van bij IOO-visserij betrokken vissersvaartuigen te voorkomen, dienen vissersvaartuigen die op door regionale visserijorganisaties opgestelde IOO-lijsten staan, automatisch op de overeenkomstige door de Commissie op te stellen lijst te worden geplaatst.

(30)

Het feit dat sommige staten verzaken aan de krachtens internationaal recht op hen rustende plicht als vlaggen-, haven-, kust- of afzetstaat passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat hun vissersvaartuigen of onderdanen de regels betreffende de instandhouding en het beheer van de visserijbestanden naleven, is een van de belangrijkste oorzaken van IOO-visserij en dat verzuim dient door de Gemeenschap te worden aangepakt.

(31)

Daartoe dient de Gemeenschap ter aanvulling van haar optreden op internationaal en regionaal niveau het recht te hebben om aan de hand van transparante, duidelijke, objectieve, op internationale normen berustende criteria na te gaan welke staten niet meewerken en om ten aanzien van die staten, na hun voldoende tijd te hebben geboden om te reageren op een voorafgaande kennisgeving, niet-discriminerende, legitieme en evenredige maatregelen, met inbegrip van handelsmaatregelen, te nemen.

(32)

Het komt de Raad toe handelsmaatregelen te nemen ten aanzien van andere staten. Aangezien de vaststelling van de lijst van niet-meewerkende landen tot gevolg zal hebben dat tegenmaatregelen op handelsgebied ten aanzien van de betrokken landen worden getroffen, is het aangewezen dat de Raad zich het recht voorbehoudt in dit geval de uitvoeringsbevoegdheden rechtstreeks uit te oefenen.

(33)

Onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat, is het van essentieel belang dat onderdanen van de lidstaten effectief worden weerhouden van medewerking aan of ondersteuning van IOO-visserij door vissersvaartuigen die de vlag van een derde land voeren en vissen buiten de Gemeenschap. Daarom is het noodzakelijk dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen en onderling en met derde landen samenwerken om na te gaan welke van hun onderdanen IOO-visserij verrichten, ervoor zorgen dat de betrokken onderdanen op gepaste wijze worden gestraft, en de activiteiten van hun onderdanen die buiten de Gemeenschap bemoeienis hebben met vissersvaartuigen van derde landen, verifiëren.

(34)

Dat nog steeds zeer veel ernstige inbreuken op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden begaan binnen de communautaire wateren of door communautaire marktdeelnemers, is in belangrijke mate te wijten aan het feit dat de in de wetgeving van de lidstaten opgenomen sancties bij ernstige inbreuken op die regels niet voldoende afschrikkend zijn. Hierbij komt nog dat de hoogte van de sancties van lidstaat tot lidstaat sterk verschilt, wat illegale exploitanten ertoe aanspoort hun illegale activiteiten te verrichten in de maritieme wateren of op het grondgebied van de lidstaten waar de sancties het laagst zijn. Om dit zwakke punt aan te pakken is het dienstig om, voortbouwend op de bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EEG) nr. 2847/93, de administratieve maximumsancties bij ernstige inbreuken op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid binnen de Gemeenschap te harmoniseren, rekening houdend met de waarde van de visserijproducten die door het plegen van de ernstige inbreuk zijn verkregen, de eventuele herhaling van de inbreuken en de waarde van de schade die is berokkend aan de betrokken visbestanden en het betrokken mariene milieu, en tevens te voorzien in maatregelen tot onmiddellijke tenuitvoerlegging en aanvullende maatregelen.

(35)

Naast de gedragingen die een ernstige inbreuk op de regels betreffende visserijactiviteiten vormen, moeten ook het verrichten van zakelijke activiteiten die rechtstreeks samenhangen met IOO-visserij, onder meer de handel in of de invoer van visserijproducten die afkomstig zijn van IOO-visserij, of de vervalsing van documenten, worden beschouwd als ernstige inbreuken die de vaststelling van geharmoniseerde administratieve maximumsancties door de lidstaten vereisen.

(36)

De sancties voor ernstige inbreuken op deze verordening dienen ook ten aanzien van rechtspersonen te gelden, aangezien dergelijke inbreuken voor een groot deel in het belang of ten bate van rechtspersonen worden begaan.

(37)

De bepalingen betreffende waarnemingen van vissersvaartuigen op zee die binnen bepaalde regionale visserijorganisaties zijn vastgesteld, dienen in de Gemeenschap op geharmoniseerde wijze ten uitvoer te worden gelegd.

(38)

Samenwerking tussen de lidstaten, de Commissie en derde landen is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat gevallen van IOO-visserij naar behoren worden onderzocht en bestraft en dat de bij deze verordening vastgestelde maatregelen kunnen worden toegepast. Ter verbetering van die samenwerking moet een systeem voor wederzijdse bijstand worden opgezet.

(39)

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel is het, teneinde de fundamentele doelstelling — een einde te maken aan IOO-visserij — te verwezenlijken, noodzakelijk en passend regels vast te stellen met betrekking tot de maatregelen waarin deze verordening voorziet. Deze verordening gaat overeenkomstig artikel 5, derde alinea, van het Verdrag niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.

(40)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5).

(41)

Uitgangspunt bij deze verordening is dat het bij IOO-visserij gaat om overtredingen van geldende wet- of regelgeving die bijzonder ernstig zijn omdat zij de verwezenlijking van de doelstellingen van de geschonden regels sterk bemoeilijken en de duurzaamheid van de betrokken visbestanden of de instandhouding van het mariene milieu in gevaar brengen. Gezien de beperkte werkingssfeer van deze verordening, moet de uitvoering ervan voortbouwen en een aanvulling vormen op de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2847/93, die het basiskader biedt voor de controle en het toezicht op de visserijactiviteiten in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid. In overeenstemming daarmee versterkt de onderhavige verordening de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2847/93 op het gebied van de inspectie in de haven van vissersvaartuigen van derde landen, die nu worden ingetrokken en vervangen door de in hoofdstuk II van de onderhavige verordening opgenomen regeling betreffende de inspectie in de haven. Bovendien bevat hoofdstuk IX van de onderhavige verordening een sanctieregeling die specifiek geldt voor IOO-visserijactiviteiten. De bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2847/93 die betrekking hebben op sancties, blijven derhalve van toepassing op andere overtredingen van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid dan die waarop de onderhavige verordening betrekking heeft.

(42)

De bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens is geregeld bij Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (6), welke verordening volledig van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens voor de doeleinden van de onderhavige verordening, in het bijzonder ten aanzien van de rechten van de betrokkenen op het gebied van de toegang tot en de rectificatie, afscherming en wissing van gegevens en de kennisgeving van deze laatste handelingen aan derden, welke rechten derhalve niet nader zijn uitgewerkt in de onderhavige verordening.

(43)

De inwerkingtreding van bepalingen van deze verordening betreffende aangelegenheden die zijn geregeld bij de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1093/94 (7), (EG) nr. 1447/1999 (8), (EG) nr. 1936/2001 (9) en (EG) nr. 601/2004 (10) van de Raad, dient te leiden tot de gedeeltelijke of volledige intrekking van die verordeningen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

1.   Bij deze verordening wordt een communautair systeem vastgesteld om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 neemt elke lidstaat overeenkomstig het Gemeenschapsrecht passende maatregelen om de doeltreffendheid van dat systeem te waarborgen. Elke lidstaat stelt voldoende middelen beschikbaar aan zijn bevoegde autoriteiten om deze in staat te stellen hun taken zoals vastgesteld bij deze verordening te verrichten.

3.   Het in lid 1 vastgestelde systeem geldt voor alle IOO-visserij en daarmee verbonden activiteiten die worden verricht op het grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is, in de communautaire wateren, in de zeewateren onder de soevereiniteit of de jurisdictie van derde landen en in volle zee. IOO-visserij in de maritieme wateren van de in bijlage II bij het Verdrag vermelde landen en gebieden overzee dienen te worden behandeld als IOO-visserij in de maritieme wateren van derde landen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserij” of „IOO-visserij”: visserijactiviteiten die illegaal, ongemeld of ongereglementeerd zijn;

2.

„illegale visserij”: visserijactiviteiten die:

a)

door nationale of buitenlandse vissersvaartuigen in wateren onder de jurisdictie van een staat worden verricht zonder de toestemming van die staat of in strijd met zijn wet- en regelgeving;

b)

worden verricht door vissersvaartuigen die de vlag van een bij een bevoegde regionale visserijorganisatie aangesloten staat voeren, maar handelen in strijd met instandhoudings- en beheersmaatregelen die door die organisatie zijn aangenomen en waaraan die staat is gebonden, of in strijd met toepasselijke bepalingen van het geldende internationale recht, of

c)

in strijd zijn met het nationale recht of internationale verplichtingen, met inbegrip van die welke zijn aangegaan door staten die samenwerken met een bevoegde regionale visserijorganisatie;

3.

„ongemelde visserij”: visserijactiviteiten die:

a)

in strijd met nationale wet- en regelgeving niet of onjuist zijn gemeld bij de bevoegde nationale autoriteit, of

b)

zijn ondernomen in het gebied waarvoor een regionale visserijorganisatie bevoegd is, en in strijd met de meldprocedures van die organisatie niet of onjuist zijn gemeld;

4.

„ongereglementeerde visserij”: visserijactiviteiten die:

a)

in het werkgebied van een bevoegde regionale visserijorganisatie door vissersvaartuigen zonder nationaliteit of door vissersvaartuigen die de vlag voeren van een staat die geen partij is bij die organisatie, of door een visserijentiteit worden verricht op een wijze die niet in overeenstemming is of in strijd is met de instandhoudings- en beheersmaatregelen van die organisatie, of

b)

in gebieden of op visbestanden waarvoor geen instandhoudings- of beheersmaatregelen gelden, worden verricht door vissersvaartuigen op een wijze die niet in overeenstemming is met de verantwoordelijkheid die staten op grond van het internationale recht dragen voor de instandhouding van levende mariene hulpbronnen;

5.

„vissersvaartuig”: elk vaartuig, ongeacht de omvang, dat wordt ingezet of is bedoeld om te worden ingezet voor de commerciële exploitatie van visbestanden, met inbegrip van ondersteuningsvaartuigen, vaartuigen voor visverwerking, vaartuigen waarop vangsten worden overgeladen en transportvaartuigen die zijn uitgerust voor het vervoer van visserijproducten, met uitzondering van containerschepen;

6.

„communautair vissersvaartuig”: een vissersvaartuig onder de vlag van een lidstaat en geregistreerd in de Gemeenschap;

7.

„vismachtiging”: recht om visserijactiviteiten te verrichten gedurende een bepaalde periode, in een bepaald gebied of voor een bepaalde soort van visserij;

8.

„visserijproducten”: alle producten van hoofdstuk 03 of post 1604 of 1605 van de gecombineerde nomenclatuur die is vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (11), met uitzondering van de in bijlage I bij onderhavige verordening vermelde producten;

9.

„instandhoudings- en beheersmaatregelen”: maatregelen voor de instandhouding en het beheer van een of meer soorten van de levende mariene hulpbronnen die worden vastgesteld en die van kracht zijn overeenkomstig de toepasselijke regels van het internationale recht en/of het Gemeenschapsrecht;

10.

„overlading”: het lossen van alle visserijproducten aan boord van een vissersvaartuig of een gedeelte daarvan in een ander vissersvaartuig;

11.

„invoer”: het binnenbrengen in het grondgebied van de Gemeenschap van visserijproducten, ook met het oog op overlading in havens op dat grondgebied;

12.

„onrechtstreekse invoer”: invoer in de Gemeenschap van op het grondgebied van een ander derde land dan de vlaggenstaat van het vissersvaartuig dat de vangst verricht heeft;

13.

„uitvoer”: elke verplaatsing van visserijproducten die zijn geoogst door vaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, naar een derde land, ongeacht of het een verplaatsing vanaf het grondgebied van de Gemeenschap, vanuit derde landen of vanaf visgronden betreft;

14.

„wederuitvoer”: elke verplaatsing van eerder in het grondgebied van de Gemeenschap ingevoerde visserijproducten vanaf dat grondgebied naar elders;

15.

„regionale visserijorganisatie”: een subregionale, regionale of soortgelijke organisatie met een krachtens internationaal recht erkende bevoegdheid om instandhoudings- en beheersmaatregelen vast te stellen voor levende mariene hulpbronnen waarvoor zij verantwoordelijkheid draagt op grond van het verdrag of de overeenkomst waarbij zij is opgericht of ingesteld;

16.

„verdrag- of overeenkomstsluitende partij”: een verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij het internationale verdrag of de internationale overeenkomst tot oprichting van een regionale visserijorganisatie, alsmede elk van de staten, visserijentiteiten of andere entiteiten die met die organisatie samenwerken en waaraan in het kader van die organisatie de status van samenwerkende niet-verdrag- of overeenkomstsluitende partij is toegekend;

17.

„waarneming”: elke waarneming van een vissersvaartuig dat onder een of meer van de in artikel 3, lid 1, bepaalde criteria kan vallen, door een met inspectie op zee belaste bevoegde autoriteit van een lidstaat, of door de kapitein van een communautair vissersvaartuig of een vissersvaartuig van een derde land;

18.

„gezamenlijke visserijactiviteit”: elke activiteit van twee of meer vissersvaartuigen waarbij vangst vanuit het vistuig van een vissersvaartuig aan boord van een ander vissersvaartuig wordt gebracht, of waarbij de door de vissersvaartuigen gebruikte techniek één gemeenschappelijk vistuig vereist;

19.

„rechtspersoon”: elke juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van staten of andere publiekrechtelijke lichamen bij de uitoefening van hun openbare macht, en van publiekrechtelijke organisaties;

20.

„risico”: de kans dat zich bij de invoer in of de uitvoer uit het grondgebied van de Gemeenschap van visserijproducten een gebeurtenis voordoet die de correcte toepassing van deze verordening of van de instandhoudings- en beheersmaatregelen in de weg staat;

21.

„risicobeheer”: het systematisch in kaart brengen van risico’s en het toepassen van alle maatregelen die vereist zijn om de blootstelling aan risico’s te beperken. Dit omvat activiteiten zoals het verzamelen van gegevens en informatie, het analyseren en beoordelen van risico’s, het voorschrijven en ondernemen van actie, en het regelmatig toezien op en herzien van het proces en de procesresultaten, op basis van internationale, communautaire of nationale bronnen of strategieën;

22.

„volle zee”: alle delen van de zee als omschreven in artikel 86 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee („UNCLOS”);

23.

„zending”: producten die gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden verzonden of die vergezeld gaan van één vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt.

Artikel 3

Vissersvaartuigen die IOO-visserij bedrijven

1.   Van een vissersvaartuig wordt aangenomen dat het IOO-visserij heeft bedreven indien wordt aangetoond dat het, in strijd met de instandhoudings- en beheersmaatregelen die gelden in het gebied waar het die activiteiten heeft verricht:

a)

heeft gevist zonder een geldige visvergunning of vismachtiging of een geldig visdocument, afgegeven door de vlaggenstaat of de betrokken kuststaat, of

b)

zijn verplichtingen inzake het registreren en melden van vangstgegevens of met de vangst verband houdende gegevens, waaronder gegevens die middels systeem van de controle op vissersvaartuigen via satelliet moeten worden verzonden of voorafgaande kennisgevingen overeenkomstig artikel 6, niet heeft vervuld, of

c)

heeft gevist in een gesloten gebied, tijdens een gesloten seizoen, zonder quotum of na volledige benutting van het quotum of onder een gestelde dieptegrens, of

d)

gerichte visserij heeft bedreven op een bestand waarvoor een vangstmoratorium of -verbod geldt, of

e)

gebruik heeft gemaakt van vistuig dat verboden of niet conform de voorschriften is, of

f)

zijn kentekens, de identiteit of de registratie heeft vervalst of verborgen heeft gehouden, of

g)

bewijsmateriaal dat van belang is in het kader van een onderzoek, verborgen heeft gehouden, met dergelijk bewijsmateriaal heeft geknoeid of dergelijk bewijsmateriaal heeft doen verdwijnen, of

h)

de werkzaamheden heeft bemoeilijkt van functionarissen bij het uitvoeren van hun taak van controle op de naleving van de geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen, of van waarnemers bij het uitvoeren van hun taak, namelijk de naleving van de geldende communautaire regels na te gaan, of

i)

ondermaatse vis aan boord heeft genomen, heeft overgeladen of heeft aangeland, in strijd met de geldende wetgeving, of

j)

vangsten heeft overgeladen op of heeft deelgenomen aan gezamenlijke visserijactiviteiten met, of heeft gezorgd voor ondersteuning of bevoorrading van andere vissersvaartuigen waarvan is geconstateerd dat zij IOO-visserij als bedoeld in deze verordening hebben bedreven, in het bijzonder vaartuigen die zijn opgenomen in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen of in de lijst van IOO-vaartuigen van een regionale visserijorganisatie, of

k)

in het gebied van een regionale visserijorganisatie visserijactiviteiten heeft verricht op een wijze die onverenigbaar is met of indruist tegen de instandhoudings- en beheersmaatregelen van die organisatie, en de vlag voert van een staat die geen partij is bij die organisatie, of die niet samenwerkt met die organisatie zoals door die organisatie is vastgesteld, of

l)

geen nationaliteit heeft en derhalve een staatloos vaartuig is, overeenkomstig de internationale wetgeving.

2.   De in lid 1 vermelde activiteiten worden beschouwd als ernstige inbreuken overeenkomstig artikel 42, naargelang van de ernst van de betrokken inbreuk, welke wordt beoordeeld door de bevoegde autoriteit van de lidstaat, op grond van criteria als aangerichte schade, waarde, omvang van de inbreuk of herhaling.

HOOFDSTUK II

INSPECTIE VAN VISSERSVAARTUIGEN VAN DERDE LANDEN IN HAVENS VAN LIDSTATEN

AFDELING 1

voorwaarden waaronder vissersvaartuigen van derde landen toegang hebben tot een haven

Artikel 4

Regelingen inzake inspectie in de haven

1.   Met als doel IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, wordt een doeltreffende regeling inzake inspectie in de haven voor vissersvaartuigen van derde landen die de havens van de lidstaten aandoen, nageleefd.

2.   De toegang tot de havens van de lidstaten, de toegang tot havendiensten en het in die havens verrichten van activiteiten op het gebied van aanlanding of overlading zijn verboden voor vissersvaartuigen van derde landen, tenzij deze vaartuigen voldoen aan de in deze verordening gestelde eisen, met uitzondering van situaties van overmacht of noodsituaties in de zin van artikel 18 van het UNCLOS („overmacht of noodsituaties”) voor het verlenen van diensten die strikt noodzakelijk zijn om die situaties te verhelpen.

3.   Overladingen tussen vissersvaartuigen van derde landen of tussen die vaartuigen en vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, zijn in de communautaire wateren verboden en mogen uitsluitend in een haven plaatsvinden, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

4.   Buiten de communautaire wateren is het vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, niet toegestaan om op zee overladingen van vangsten van vissersvaartuigen van derde landen te verrichten, tenzij de vissersvaartuigen onder auspiciën van een regionale visserijorganisatie als transportvaartuig zijn geregistreerd.

Artikel 5

Aangewezen havens

1.   De lidstaten wijzen havens of plaatsen dicht bij de kust aan waar aanlandingen of overladingen van visserijproducten en havendiensten als bedoeld in artikel 4, lid 2, zijn toegestaan.

2.   Vissersvaartuigen van derde landen krijgen uitsluitend in aangewezen havens toegang tot havendiensten en mogen alleen in dergelijke havens activiteiten op het gebied van aanlanding of overlading verrichten.

3.   De lidstaten doen de Commissie jaarlijks uiterlijk op 15 januari een lijst van de aangewezen havens toekomen. Eventuele latere wijzigingen van die lijst worden de Commissie meegedeeld ten minste 15 dagen voordat de wijziging van kracht wordt.

4.   De Commissie maakt de lijst van de aangewezen havens onverwijld bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en op haar website.

Artikel 6

Voorafgaande kennisgeving

1.   De kapiteins van vissersvaartuigen van derde landen of hun vertegenwoordigers doen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarvan zij een aangewezen haven of aanlandingsvoorzieningen wensen te gebruiken, ten minste 3 werkdagen vóór de geschatte tijd van aankomst in de haven de volgende gegevens toekomen:

a)

de identificatiegegevens van het vaartuig;

b)

de naam van de aangewezen haven van bestemming en de met het aandoen van die haven beoogde doeleinden, zoals aanlanding, overlading of toegang tot diensten;

c)

de vismachtiging of, in voorkomend geval, machtiging tot het ondersteunen van visserijactiviteiten of tot het overladen van visserijproducten;

d)

data waarop de visreis heeft plaatsgevonden;

e)

geschatte datum en tijd van aankomst in de haven;

f)

de hoeveelheden van elke soort die zich aan boord bevinden of, in voorkomend geval, een negatieve vangstmelding;

g)

de zone of zones waar de vangsten zijn gedaan of waar overlading heeft plaatsgevonden, ongeacht of dat in de communautaire wateren, in zones onder de jurisdictie of soevereiniteit van een derde land of op volle zee was;

h)

de aan te landen of over te laden hoeveelheden van elke soort.

De kapitein van een vissersvaartuig van een derde land of zijn vertegenwoordiger is ontheven van de toezending van de onder a), c), d), g) en h) bedoelde gegevens wanneer een vangstcertificaat overeenkomstig hoofdstuk III is gevalideerd voor de aanlanding of overlading van de gehele vangst op het grondgebied van de Gemeenschap.

2.   De in lid 1 bedoelde aanmelding gaat vergezeld van een overeenkomstig hoofdstuk III gevalideerd vangstcertificaat indien het vissersvaartuig van een derde land visserijproducten aan boord heeft. Het bepaalde in artikel 14 betreffende de erkenning van vangstdocumenten of havenstaatcontroleformulieren die deel uitmaken van door regionale visserijorganisaties vastgestelde vangstdocumentatie- of havenstaatcontroleregelingen, is van overeenkomstige toepassing.

3.   De Commissie kan, volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure, bepaalde categorieën vissersvaartuigen van derde landen voor een beperkte, verlengbare periode ontheffing van de in lid 1 bepaalde verplichting verlenen of een andere aanmeldingstermijn stellen met inaanmerkingneming van, onder meer, het soort visserijproduct, de afstand tussen de visgronden, de aanlandingsplaatsen en de havens waar de betrokken vaartuigen zijn geregistreerd of in een lijst zijn opgenomen.

4.   Dit artikel geldt onverminderd de bijzondere bepalingen die zijn vastgesteld in tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten visserijovereenkomsten.

Artikel 7

Toestemming

1.   Onverminderd artikel 37, punt 5), krijgt een vissersvaartuig van een derde land pas toestemming om de haven binnen te varen indien de in artikel 6, lid 1, bedoelde gegevens volledig zijn en, wanneer dat vissersvaartuig visserijproducten aan boord heeft, vergezeld gaan van het vangstcertificaat als bedoeld in artikel 6, lid 2.

2.   Toestemming om in de haven activiteiten op het gebied van aanlanding of overlading aan te vangen kan pas worden verleend na de in lid 1 voorgeschreven controle van de volledigheid van de verstrekte gegevens en, in voorkomend geval, na een overeenkomstig afdeling 2 verrichte inspectie.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel kan de havenlidstaat toestemming tot het binnenvaren van de haven en tot volledige of gedeeltelijke aanlanding verlenen wanneer de in artikel 6, lid 1, bedoelde gegevens niet volledig zijn of de controle of verificatie ervan nog hangende is, maar in dergelijke gevallen houdt hij de betrokken visserijproducten in opslag onder controle van de bevoegde autoriteiten. De visserijproducten worden pas vrijgegeven om te worden verkocht, overgenomen of vervoerd zodra de in artikel 6, lid 1, bedoelde informatie is ontvangen of het controle- of verificatieproces is voltooid. Wordt dit proces niet binnen 14 dagen na de aanlanding voltooid, dan kan de havenlidstaat de visserijproducten in beslag nemen en zich ervan ontdoen overeenkomstig de nationale voorschriften. De opslagkosten worden gedragen door de marktdeelnemers.

Artikel 8

Registratie van activiteiten op het gebied van aanlanding of overlading

1.   De kapiteins van vissersvaartuigen van derde landen of hun vertegenwoordigers dienen bij de autoriteiten van de lidstaat waarvan zij de aangewezen havens of de aanlandings- of overladingsvoorzieningen gebruiken, vóór de aanvang van de aanlandings- of overladingsactiviteiten indien mogelijk langs elektronische weg een aangifte in die de voor aanlanding of overlading bestemde hoeveelheden visserijproducten per soort vermeldt, alsmede de datum en plaats van elke vangst. De kapiteins en hun vertegenwoordigers zijn verantwoordelijk voor de juistheid van deze aangiften.

2.   De lidstaten bewaren het origineel van de in lid 1 bedoelde aangiften of een afdruk indien zij langs elektronische weg zijn toegezonden, gedurende drie jaar of langer overeenkomstig de nationale voorschriften.

3.   De procedures en de formulieren voor de aangifte van aanlandingen en overladingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure.

4.   Vóór het einde van de eerste maand van elk kalenderkwartaal delen de lidstaten de Commissie door elektronische transmissie mee welke hoeveelheden door vissersvaartuigen van derde landen tijdens het voorgaande kwartaal in hun havens zijn aangeland en/of overgeladen.

AFDELING 2

Inspecties in de havens

Artikel 9

Algemene beginselen

1.   De lidstaten inspecteren in hun aangewezen havens jaarlijks ten minste 5 % van de aanlandings- en overladingsactiviteiten die door vissersvaartuigen van derde landen worden verricht, zulks overeenkomstig de benchmarks die volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld op basis van risicobeheer en onverminderd hogere percentages die door regionale visserijorganisaties zijn vastgesteld.

2.   De volgende vissersvaartuigen worden in ieder geval geïnspecteerd:

a)

overeenkomstig artikel 48 waargenomen vissersvaartuigen;

b)

vissersvaartuigen die gesignaleerd zijn in een overeenkomstig hoofdstuk IV in het kader van het communautaire alarmeringssysteem gepubliceerd bericht;

c)

vissersvaartuigen waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 25 heeft geconstateerd dat zij vermoedelijk IOO-visserij hebben bedreven;

d)

vissersvaartuigen die vermeld zijn op een door een regionale visserijorganisatie opgestelde lijst van IOO-vaartuigen waarvan overeenkomstig artikel 30 kennis is gegeven aan de lidstaten.

Artikel 10

Inspectieprocedure

1.   De met de inspecties belaste functionarissen (hierna „de functionarissen” genoemd) zijn bevoegd tot het onderzoeken van alle relevante zones, dekken en ruimten van het vissersvaartuig, de al dan niet be- of verwerkte vangsten, de netten of het andere vistuig, de uitrusting en alle relevante documenten die naar hun oordeel onderzocht moeten worden om de naleving van de geldende wet- en regelgeving en de internationale beheers- en instandhoudingsmaatregelen te controleren. De functionarissen kunnen ook eenieder ondervragen die geacht wordt over informatie betreffende de te inspecteren materie te beschikken.

2.   De inspecties behelzen het toezicht op de volledige aanlandings- of overladingsactiviteiten en een kruiscontrole van de in de vooraf toegezonden aanlandingsmelding vermelde hoeveelheden per soort en de aangelande of overgeladen hoeveelheden per soort.

3.   De functionarissen ondertekenen hun inspectieverslag in aanwezigheid van de kapitein van het vissersvaartuig, die het recht heeft alle door hem relevant geachte informatie toe te voegen of te laten toevoegen. De functionarissen vermelden in het logboek dat een inspectie heeft plaatsgevonden.

4.   Een kopie van het inspectieverslag wordt aan de kapitein van het vissersvaartuig overhandigd en kunnen door de kapitein van het vaartuig aan de eigenaar van het vaartuig worden toegezonden.

5.   De kapitein verleent medewerking en assistentie bij de inspecties van het vissersvaartuig en mag de functionarissen bij de uitoefening van hun taken niet hinderen, intimideren of proberen te beïnvloeden.

Artikel 11

Procedure in het geval van inbreuken

1.   Indien de functionaris het op grond van de bij de inspectie verzamelde informatie bewezen acht dat een vissersvaartuig volgens de in artikel 3 bepaalde criteria IOO-visserij heeft bedreven, handelt hij als volgt:

a)

hij noteert de vermoedelijke inbreuk in het inspectieverslag;

b)

hij neemt alle nodige maatregelen voor een veilige bewaring van het bewijsmateriaal betreffende die vermoedelijke inbreuk;

c)

hij zendt het inspectieverslag onmiddellijk toe aan de bevoegde autoriteit.

2.   Indien de resultaten van de inspectie bewijs opleveren dat een vissersvaartuig van een derde land volgens de in artikel 3 bepaalde criteria IOO-visserij heeft bedreven, verleent de bevoegde autoriteit van de havenlidstaat dit vaartuig geen toestemming zijn vangst aan te landen of over te laden.

3.   De inspecterende lidstaat die overeenkomstig lid 2 geen toestemming verleent tot het verrichten van activiteiten op het gebied van aanlanding of overlading, doet zijn besluit, vergezeld van een kopie van het inspectieverslag, onmiddellijk toekomen aan de Commissie of een door haar aangewezen instantie, die het onmiddellijk doorzendt aan de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vissersvaartuig met kopie aan de vlaggenstaat of -staten van de overladende vaartuigen indien het geïnspecteerde vissersvaartuig heeft deelgenomen aan overladingsactiviteiten. In voorkomend geval wordt er tevens een kopie van het besluit toegezonden aan de uitvoerend secretaris van de regionale visserijorganisatie in wier werkgebied de vangst is gedaan.

4.   Wanneer de vermoedelijke inbreuk op volle zee heeft plaatsgevonden, werkt de havenlidstaat met de vlaggenstaat samen bij het onderzoeken van de vermoedelijke inbreuk en past hij in voorkomend geval de sancties toe waarin zijn recht voorziet, op voorwaarde dat de vlaggenstaat overeenkomstig het internationale recht uitdrukkelijk heeft ingestemd met de overdracht van zijn jurisdictie. Wanneer de vermoedelijke inbreuk heeft plaatsgevonden in de maritieme wateren van een derde land, werkt de havenlidstaat tevens samen met de kuststaat bij het onderzoeken van de vermoedelijke inbreuk en past hij in voorkomend geval de sancties toe waarin zijn recht voorziet, op voorwaarde dat de kuststaat overeenkomstig het internationale recht uitdrukkelijk heeft ingestemd met de overdracht van zijn jurisdictie.

HOOFDSTUK III

VANGSTCERTIFICERINGSREGELING VOOR DE INVOER EN DE UITVOER VAN VISSERIJPRODUCTEN

Artikel 12

Vangstcertificaten

1.   De invoer in de Gemeenschap van visserijproducten die zijn verkregen door IOO-visserij, is verboden.

2.   Om het bij lid 1 ingestelde verbod doeltreffend te maken, mogen visserijproducten slechts in de Gemeenschap worden ingevoerd indien zij vergezeld gaan van een vangstcertificaat overeenkomstig deze verordening.

3.   Het in lid 2 bedoelde vangstcertificaat wordt gevalideerd door de vlaggenstaat van het vissersvaartuig dat of de vissersvaartuigen die de vangsten heeft, respectievelijk hebben gedaan waarvan de visserijproducten afkomstig zijn. Het wordt gebruikt om te certificeren dat die vangsten zijn gedaan overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving en de geldende internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen.

4.   Het vangstcertificaat bevat alle gegevens die zijn gespecificeerd in het in bijlage II opgenomen model, en wordt gevalideerd door een overheidsinstantie van de vlaggenstaat die gemachtigd is om te bevestigen dat de gegevens accuraat zijn. Met instemming van de vlaggenstaten en in het kader van de bij artikel 20, lid 4, ingestelde samenwerking, mag het vangstcertificaat elektronisch worden opgesteld, gevalideerd of ingediend of worden vervangen door elektronische traceerbaarheidssystemen die hetzelfde niveau van controle door de autoriteiten bieden.

5.   De in bijlage I opgenomen lijst van producten die worden uitgesloten van het toepassingsgebied van het vangstcertificaat kan jaarlijks worden geëvalueerd op basis van de resultaten van de overeenkomstig de hoofdstukken II, III, IV, V, VIII, X en XII verzamelde informatie en kan volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure worden gewijzigd.

Artikel 13

In het kader van een regionale visserijorganisatie overeengekomen en van kracht zijnde vangstdocumentatieregelingen

1.   De vangstdocumenten en welke daarmee samenhangende documenten dan ook die zijn gevalideerd overeenkomstig door een regionale organisatie voor visserijbeheer vastgestelde vangstdocumentatieregelingen ten aanzien waarvan door de Commissie is erkend dat zij voldoen aan de in deze verordening gestelde eisen, worden aanvaard als vangstcertificaten voor de visserijproducten die afkomstig zijn van de soorten waarvoor die vangstdocumentatieregelingen gelden, en zijn onderworpen aan de controle- en verificatievoorschriften waaraan de lidstaat van invoer overeenkomstig artikel 16 en artikel 17 moet voldoen, en aan de bij artikel 18 vastgestelde bepalingen inzake de weigering van invoer. De lijst van die vangstdocumentatieregelingen wordt vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure.

2.   Lid 1 geldt onverminderd de specifieke van kracht zijnde verordeningen waarbij de betrokken vangstdocumentatieregelingen in Gemeenschapsrecht zijn omgezet.

Artikel 14

Indirecte invoer van visserijproducten

1.   Om visserijproducten die één enkele zending vormen en die in dezelfde vorm naar de Gemeenschap worden vervoerd vanuit een derde land dat niet de vlaggenstaat is in te voeren, moet de importeur bij de autoriteiten van de lidstaten van invoer het volgende indienen:

a)

het door de vlaggenstaat gevalideerde vangstcertificaat, respectievelijk vangstcertificaten, en

b)

het gedocumenteerde bewijs dat de visserijproducten geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen, opnieuw laden of een behandeling om ze in goede oorspronkelijke staat te bewaren, en dat ze in het derde land onder toezicht van de bevoegde autoriteiten zijn gebleven.

Het gedocumenteerde bewijs wordt geleverd door middel van:

i)

in voorkomend geval, het enig vervoersdocument dat het vervoer vanaf het grondgebied van de vlaggenstaat via het derde land dekt, of

ii)

een door de bevoegde autoriteiten van het derde land afgegeven document:

met een exacte omschrijving van de visserijproducten, de data waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn en, in voorkomend geval, de namen van de schepen of andere vervoermiddelen waarvan gebruik is gemaakt, en

met een beschrijving van de voorwaarden waaronder de visserijproducten in dat derde land verbleven.

Wanneer voor de betrokken soorten een door een regionale visserijorganisatie vastgestelde vangstdocumentatieregeling geldt die overeenkomstig artikel 13 is erkend, kan bovenbedoeld document worden vervangen door het wederuitvoercertificaat in het kader van de vangstdocumentatieregeling, mits het derde land heeft voldaan aan de in dat verband geldende eisen inzake kennisgeving.

2.   Om visserijproducten die één enkele zending vormen en die zijn be- of verwerkt in een derde land dat niet de vlaggenstaat is in te voeren, moet de importeur bij de autoriteiten van de lidstaten van invoer een overeenkomstig het model in bijlage IV door het be- of verwerkingsbedrijf in dat derde land opgestelde en door de bevoegde autoriteiten van dat land bekrachtigde verklaring indienen:

a)

met een exacte vermelding van de niet be- of verwerkte producten, de be- of verwerkte producten en de respectieve hoeveelheden;

b)

met de vermelding dat de be- of verwerkte producten in het derde land zijn verkregen door be- of verwerking van vangsten die vergezeld gingen van door de vlaggenstaat gevalideerde vangstcertificaten, en

c)

vergezeld van:

i)

het oorspronkelijke vangstcertificaat, respectievelijk de oorspronkelijke vangstcertificaten, wanneer de betrokken vangsten volledig zijn gebruikt voor de be- of verwerking van de visserijproducten die in één enkele zending zijn uitgevoerd, of

ii)

een kopie van het oorspronkelijke vangstcertificaat, respectievelijk de oorspronkelijke vangstcertificaten, wanneer de betrokken vangsten gedeeltelijk zijn gebruikt voor de be- of verwerking van de visserijproducten die in één enkele zending zijn uitgevoerd.

Wanneer voor de betrokken soorten een door een regionale visserijorganisatie vastgestelde vangstdocumentatieregeling geldt die overeenkomstig artikel 13 is erkend, kan de verklaring worden vervangen door het wederuitvoercertificaat in het kader van de vangstdocumentatieregeling, mits het derde land van be- of verwerking heeft voldaan aan de in dat verband geldende eisen inzake kennisgeving.

3.   De in lid 1, onder b), respectievelijk lid 2 van dit artikel bedoelde documenten en verklaring kunnen langs elektronische weg worden ingediend in het kader van de bij artikel 20, lid 4, ingestelde samenwerking.

Artikel 15

Uitvoer van vangsten die zijn gedaan door vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren

1.   Vangsten van vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, mogen slechts worden uitgevoerd met een vangstcertificaat dat overeenkomstig artikel 12, lid 4, door de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat is gevalideerd, indien zulks vereist is in het kader van de bij artikel 20, lid 4, ingestelde samenwerking.

2.   De vlaggenlidstaten stellen de Commissie in kennis van hun autoriteiten die bevoegd zijn voor de validering van de in lid 1 bedoelde vangstcertificaten.

Artikel 16

Indiening en controle van de vangstcertificaten

1.   Het gevalideerde vangstcertificaat wordt door de importeur aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin het product moet worden ingevoerd, overgelegd ten minste drie werkdagen vóór de geschatte tijd van aankomst op de plaats van binnenkomst op het grondgebied van de Gemeenschap. De termijn van drie werkdagen kan worden aangepast naar gelang het soort visserijproduct, de afstand tot de plaats van binnenkomst op het grondgebied van de Gemeenschap of het gebruikte vervoermiddel. De bevoegde autoriteiten controleren het vangstcertificaat op basis van risicobeheer in het licht van de informatie die is vervat in de kennisgeving welke overeenkomstig de artikelen 20 en 22 van de vlaggenstaat is ontvangen.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen importeurs waaraan de status van „erkend marktdeelnemer” is verleend, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat in kennis stellen van de aankomst van de producten binnen de in lid 1 bedoelde termijn, en het gevalideerde vangstcertificaat en de gerelateerde documenten als bedoeld in artikel 14 ter beschikking van de autoriteiten houden met het oog op de controle overeenkomstig lid 1 of verificaties overeenkomstig artikel 17.

3.   De criteria voor de toekenning van de status van „erkend marktdeelnemer” aan een importeur door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat omvatten onder meer de volgende elementen:

a)

de importeur moet gevestigd zijn op het grondgebied van die lidstaat;

b)

hij moet een toereikend aantal invoeroperaties met een toereikend volume verrichten om te rechtvaardigen dat de in lid 2 bedoelde procedure wordt toegepast;

c)

hij moet een passende staat van dienst hebben op het gebied van de naleving van de vereisten van instandhoudings- en beheersmaatregelen;

d)

hij moet een toereikend systeem hebben voor het beheer van commerciële, en, in voorkomend geval, vervoers- en be- en verwerkingsregisters, waardoor passende controles en verificaties voor de doelstellingen van deze verordening mogelijk zijn;

e)

er moeten voorzieningen zijn wat betreft de verrichting van die controles en verificaties;

f)

in voorkomend geval, praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de verrichte activiteit, en

g)

in voorkomend geval, aangetoonde financiële solvabiliteit.

De lidstaten delen de Commissie zo spoedig mogelijk na de toekenning van de status van „erkend marktdeelnemer” de namen en adressen mee van de „erkende marktdeelnemers”. De Commissie stelt deze informatie langs elektronische weg ter beschikking van de lidstaten.

De regels met betrekking tot de status van „erkend marktdeelnemer” worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 17

Verificaties

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen alle verificaties uitvoeren die zij nodig achten om ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze verordening correct worden toegepast.

2.   Verificaties kunnen met name bestaan in het onderzoeken van de producten, het verifiëren van de gegevens in de aangifte en van het bestaan en de echtheid van documenten, het onderzoeken van de boekhouding van marktdeelnemers en van andere bescheiden, het inspecteren van de vervoermiddelen, inclusief containers, en opslagplaatsen die voor de producten worden gebruikt, en het verrichten van officiële onderzoeken en andere soortgelijke handelingen naast het inspecteren van de vissersvaartuigen in de haven overeenkomstig hoofdstuk II.

3.   De verificaties worden toegespitst op de risico’s die zijn geïdentificeerd op basis van de criteria die in het kader van het risicobeheer op nationaal of communautair niveau zijn ontwikkeld. De lidstaten stellen de Commissie binnen 30 werkdagen na 29 oktober 2008 van hun nationale criteria in kennis en werken deze informatie bij. De communautaire criteria worden bepaald volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure.

4.   Er worden verificaties verricht in de volgende gevallen:

a)

de verifiërende autoriteit van de lidstaat heeft redenen om de echtheid in twijfel te trekken van het vangstcertificaat zelf of van het valideringsstempel of van de valideringshandtekening van de betrokken autoriteit van de vlaggenstaat, of

b)

de verifiërende autoriteit van de lidstaat bezit informatie die eraan doet twijfelen of het vissersvaartuig de geldende wet- en regelgeving en de geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen naleeft dan wel of is voldaan aan andere in deze verordening gestelde eisen, of

c)

de vissersvaartuigen, de visserijondernemingen of andere marktdeelnemers zijn gesignaleerd in verband met vermoedelijke IOO-visserij, inclusief de vissersvaartuigen die bij een regionale visserijorganisatie zijn gesignaleerd uit hoofde van een instrument dat die organisatie heeft vastgesteld met het oog op de vaststelling van lijsten van vaartuigen die vermoedelijk IOO-visserij hebben verricht, of

d)

vlaggenstaten of landen van wederuitvoer zijn bij een regionale visserijorganisatie gesignaleerd uit hoofde van een instrument dat die organisatie heeft vastgesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van handelsmaatregelen ten aanzien van vlaggenstaten, of

e)

een alarmeringsbericht is bekendgemaakt overeenkomstig artikel 23, lid 1.

5.   De lidstaten kunnen besluiten om willekeurige verificaties uit te voeren, naast de in lid 3 en lid 4 bedoelde verificaties.

6.   Voor verificatiedoeleinden kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat de bijstand inroepen van de bevoegde autoriteiten van de vlaggenstaat of van een ander derde land dan de in artikel 14 bedoelde vlaggenstaat, in welk geval:

a)

in het bijstandsverzoek de redenen worden vermeld waarom de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat gegronde twijfel koesteren wat betreft de geldigheid van het certificaat of van de daarin opgenomen verklaringen en/of aan de overeenstemming van de producten met instandhoudings- en beheersmaatregelen. Een kopie van het vangstcertificaat, alsmede informatie of documenten waaruit zou blijken dat de gegevens in het certificaat onjuist zijn, worden toegezonden ter staving van het bijstandsverzoek. Het verzoek wordt onverwijld aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenstaat of van een ander derde land dan de in artikel 14 bedoelde vlaggenstaat gezonden;

b)

de verificatieprocedure wordt voltooid binnen 15 dagen na de datum van het verificatieverzoek. Indien de bevoegde autoriteiten van de betrokken vlaggenstaat deze termijn niet in acht kunnen nemen, kunnen de verifiërende autoriteiten in de lidstaat op verzoek van de vlaggenstaat of van een ander derde land dan de in artikel 14 bedoelde vlaggenstaat een verlenging van de antwoordtermijn met ten hoogste nogmaals 15 dagen toestaan.

7.   De vrijgave en het in de handel brengen van de producten worden opgeschort in afwachting van de resultaten van de verificatieprocedures als bedoeld in de leden 1 tot en met 6. De opslagkosten worden gedragen door de marktdeelnemer.

8.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de bevoegde autoriteiten die belast zijn met de controles en verificaties van de vangstcertificaten overeenkomstig artikel 16 en de leden 1 tot en met 6 van onderhavig artikel.

Artikel 18

Weigering van invoer

1.   In de volgende gevallen weigeren de bevoegde autoriteiten van de lidstaten indien nodig de invoer in de Gemeenschap van visserijproducten zonder dat zij enig aanvullend bewijs hoeven te verlangen of een bijstandsverzoek aan de vlaggenstaat hoeven te zenden:

a)

de importeur heeft geen vangstcertificaat voor de betrokken producten kunnen overleggen of heeft zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 16, lid 1 of lid 2, niet kunnen nakomen;

b)

de in te voeren producten zijn niet dezelfde als die welke in het vangstcertificaat zijn vermeld;

c)

het vangstcertificaat is niet gevalideerd door de overheid van de in artikel 12, lid 3, bedoelde vlaggenstaat;

d)

het vangstcertificaat bevat niet alle vereiste gegevens;

e)

de importeur is niet in staat te bewijzen dat de visserijproducten voldoen aan de in artikel 14, lid 1 of lid 2, gestelde voorwaarden;

f)

een vissersvaartuig dat in het vangstcertificaat is vermeld als vaartuig waarvan de vangsten afkomstig zijn, is opgenomen op de communautaire lijst van IOO-vaartuigen of op de in artikel 30 bedoelde lijst van IOO-vaartuigen;

g)

het vangstcertificaat is gevalideerd door de autoriteiten van een vlaggenstaat die overeenkomstig artikel 31 is aangemerkt als niet-meewerkend land.

2.   In voorkomend geval weigeren de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, na een bijstandsverzoek zoals bedoeld in artikel 17, lid 6, de invoer in de Gemeenschap van welke visserijproducten dan ook in de volgende gevallen:

a)

zij hebben een antwoord ontvangen waarin staat dat de exporteur niet gerechtigd was om de validering van een vangstcertificaat te verzoeken, of

b)

zij hebben een antwoord ontvangen waarin staat dat de producten niet aan de instandhoudings- en beheersmaatregelen voldoen of dat andere voorwaarden van dit hoofdstuk niet zijn vervuld, of

c)

zij hebben binnen de gestelde termijn geen antwoord ontvangen, of

d)

zij hebben een antwoord ontvangen dat de in het verzoek gestelde vragen niet afdoende beantwoordt.

3.   Indien de invoer van visserijproducten overeenkomstig lid 1 of lid 2 wordt geweigerd, kunnen de lidstaten die visserijproducten in beslag nemen en vernietigen, zich ervan ontdoen of verkopen overeenkomstig de nationale wetgeving. De opbrengsten van de verkoop mogen voor liefdadigheidsdoeleinden worden gebruikt.

4.   Elke persoon heeft het recht beroep aan te tekenen tegen de overeenkomstig lid 1, lid 2 of lid 3 door de bevoegde autoriteiten genomen besluiten die hem aangaan. Het recht van beroep wordt uitgeoefend overeenkomstig de in de betrokken lidstaat geldende bepalingen.

5.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten geven kennis van de weigeringen van invoer aan de vlaggenstaat en, in voorkomend geval, aan het andere derde land dan de in artikel 14 bedoelde vlaggenstaat. Een kopie van de kennisgeving wordt aan de Commissie gezonden.

Artikel 19

Doorvoer en overlading

1.   Wanneer visserijproducten op de plaats van binnenkomst op het grondgebied van de Europese Gemeenschap onder een regeling inzake douanevervoer worden geplaatst en worden vervoerd naar een andere lidstaat waar ze onder een andere douaneregeling zullen worden geplaatst, worden in die lidstaat de bepalingen van de artikelen 17 en 18 toegepast.

2.   Wanneer visserijproducten op de plaats van binnenkomst op het grondgebied van de Europese Gemeenschap onder een regeling inzake douanevervoer worden geplaatst en worden vervoerd naar een andere plaats in dezelfde lidstaat waar ze onder een andere douaneregeling zullen worden geplaatst, kan die lidstaat de bepalingen van de artikelen 16, 17 en 18 toepassen op de plaats van binnenkomst of op de plaats van bestemming. De lidstaten brengen de Commissie zo spoedig mogelijk de maatregelen ter kennis die voor de toepassing van dit lid zijn aangenomen, en werken die informatie bij. De Commissie maakt deze kennisgevingen bekend op haar website.

3.   Wanneer visserijproducten op de plaats van binnenkomst op het grondgebied van de Gemeenschap worden overgeladen en over zee worden vervoerd naar een andere lidstaat, worden in die lidstaat de bepalingen van de artikelen 17 en 18 toegepast.

4.   De lidstaten van overlading delen aan de lidstaten van bestemming de op de vervoersdocumenten vermelde informatie mee betreffende de aard van de visserijproducten, het gewicht ervan, de laadhaven en de bevrachter in het derde land, de namen van de transportvaartuigen en de havens van overlading en bestemming, zulks zodra die informatie bekend is en vóór de verwachte datum van aankomst in de haven van bestemming.

Artikel 20

Mededelingen door de vlaggenstaten en samenwerking met derde landen

1.   Vangstcertificaten die door een bepaalde vlaggenstaat voor de doeleinden van deze verordening zijn gevalideerd, kunnen slechts worden aanvaard indien de Commissie een kennisgeving van die vlaggenstaat heeft ontvangen waarin wordt gecertificeerd dat:

a)

hij nationale regelingen heeft ingesteld voor de tenuitvoerlegging van, de controle inzake en de handhaving van de door zijn vissersvaartuigen na te leven wet- en regelgeving en instandhoudings- en beheersmaatregelen;

b)

zijn overheidsinstanties gemachtigd zijn om de waarheidsgetrouwheid van de in de vangstcertificaten opgenomen gegevens te bevestigen en om op verzoek van de lidstaten verificaties betreffende die certificaten te verrichten. De kennisgeving bevat ook de nodige informatie ter identificatie van die instanties.

2.   De gegevens die moeten worden verstrekt in de in lid 1 bedoelde kennisgeving zijn aangegeven in bijlage III.

3.   De Commissie stelt de vlaggenstaat in kennis van de ontvangst van de overeenkomstig lid 1 toegezonden kennisgeving. Indien de vlaggenstaat niet alle in lid 1 genoemde gegevens heeft verstrekt, deelt de Commissie de vlaggenstaat mee welke gegevens ontbreken en verzoekt zij hem een nieuwe kennisgeving te bezorgen.

4.   De Commissie werkt, waar dat passend is, administratief samen met derde landen op gebieden in verband met de uitvoering van de vangstcertificeringsbepalingen van deze verordening, onder meer inzake het gebruik van elektronische media voor het opstellen, valideren of indienen van de vangstcertificaten, en, waar dat passend is, voor de documenten als bedoeld in artikel 14, leden 1 en 2.

Die samenwerking strekt ertoe:

a)

ervoor te zorgen dat de in de Gemeenschap ingevoerde visserijproducten afkomstig zijn van vangsten die in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving of instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn gedaan;

b)

de vervulling door de vlaggenstaten van de formaliteiten die zijn verbonden aan de toegang voor vissersvaartuigen tot havens, de invoer van visserijproducten en de in hoofdstukken II en III gestelde eisen inzake de verificatie van vangstcertificaten te faciliteren;

c)

te voorzien in de uitvoering van audits ter plaatse door de Commissie of een door haar aangewezen instantie om na te gaan of de samenwerkingsregeling daadwerkelijk wordt uitgevoerd;

d)

te voorzien in het scheppen van een kader voor de uitwisseling van informatie tussen de twee partijen ter ondersteuning van de uitvoering van de samenwerkingsregeling.

5.   De in lid 4 vastgestelde samenwerking mag echter niet worden opgevat als een voorafgaande voorwaarde voor de toepassing van dit hoofdstuk op invoer die afkomstig is van vangsten die zijn gedaan door vissersvaartuigen die de vlag voeren van ongeacht welke staat.

Artikel 21

Wederuitvoer

1.   Wederuitvoer van producten die overeenkomstig dit hoofdstuk onder dekking van een vangstcertificaat zijn ingevoerd, is toegestaan, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waaruit de wederuitvoer moet plaatsvinden de afdeling „wederuitvoer” van het vangstcertificaat invullen, of van een kopie van dat vangstcertificaat wanneer de visserijproducten die bestemd zijn voor wederuitvoer slechts een gedeelte vormen van de ingevoerde producten.

2.   De in artikel 16, lid 2, omschreven procedure is van overeenkomstige toepassing wanneer de wederuitvoer van de visserijproducten door een erkende marktdeelnemer wordt verricht.

3.   De lidstaten melden hun voor de validering en de verificatie van het gedeelte „wederuitvoer” van vangstcertificaten bevoegde nationale autoriteiten overeenkomstig de in artikel 15 bedoelde procedure bij de Commissie aan.

Artikel 22

Bijhouden van een register en verspreiding van informatie

1.   De Commissie houdt een register bij van staten en hun overeenkomstig dit hoofdstuk aangemelde bevoegde autoriteiten; dat register bevat gegevens betreffende:

a)

de lidstaten die overeenkomstig respectievelijk artikel 15, artikel 16, artikel 17 en artikel 21, hun autoriteiten die bevoegd zijn voor de validering, de controle en de verificatie van vangstcertificaten en wederuitvoercertificaten hebben aangemeld;

b)

de vlaggenstaten waarvoor overeenkomstig artikel 20, lid 1, kennisgevingen zijn ontvangen, onder vermelding van die staten waarvoor overeenkomstig artikel 20, lid 4, een samenwerking met derde landen is aangegaan.

2.   De Commissie maakt de lijst van de staten en hun bevoegde autoriteiten als bedoeld in lid 1 bekend op haar website en in het Publicatieblad van de Europese Unie en werkt die informatie regelmatig bij. De Commissie stelt de nadere gegevens betreffende de met de validering en de verificatie van vangstcertificaten belaste autoriteiten van de vlaggenstaten langs elektronische weg ter beschikking van de voor de validering en verificatie van vangstcertificaten verantwoordelijke autoriteiten in de lidstaten.

3.   De Commissie maakt de lijst van de overeenkomstig artikel 13 erkende vangstdocumentatieregelingen bekend op haar website en in het Publicatieblad van de Europese Unie en werkt deze lijst op regelmatige basis bij.

4.   De lidstaten bewaren de originelen van de vangstcertificaten die met het oog op invoer zijn ingediend, de vangstcertificaten die met het oog op uitvoer zijn gevalideerd en de gevalideerde gedeelten voor wederuitvoer van vangstcertificaten gedurende drie jaar of langer, overeenkomstig de nationale voorschriften.

5.   Erkende marktdeelnemers bewaren het origineel van de in lid 4 bedoelde documenten gedurende drie jaar of langer, overeenkomstig de nationale voorschriften.

HOOFDSTUK IV

COMMUNAUTAIR ALARMERINGSSYSTEEM

Artikel 23

Alarmering

1.   Wanneer overeenkomstig hoofdstuk II, III, V, VI, VII, VIII, X of XI verkregen informatie aanleiding geeft tot gegronde twijfel over de naleving, door vissersvaartuigen of visserijproducten uit bepaalde derde landen, van de geldende wet- en regelgeving, inclusief de geldende wet- en regelgeving die door derde landen in het kader van de in artikel 20, lid 4, bedoelde administratieve samenwerking is medegedeeld, of van internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen, maakt de Commissie op haar website en in het Publicatieblad van de Europese Unie (C-reeks) een alarmeringsbericht bekend om de marktdeelnemers te waarschuwen en om ervoor te zorgen dat de lidstaten overeenkomstig dit hoofdstuk passende maatregelen nemen ten aanzien van de betrokken derde landen.

2.   De Commissie deelt de in lid 1 bedoelde informatie onverwijld mee aan de autoriteiten van de lidstaten en aan de betrokken vlaggenstaat en, in voorkomend geval, aan een ander derde land dan de in artikel 14 bedoelde vlaggenstaat.

Artikel 24

Reactie op een alarmering

1.   Bij ontvangst van de krachtens artikel 23, lid 2, medegedeelde informatie handelen de lidstaten in voorkomend geval en op basis van risicobeheer als volgt:

a)

zij identificeren de voor invoer bestemde zendingen visserijproducten die onderweg zijn en die onder het alarmeringsbericht vallen, en volgen een verificatie van het vangstcertificaat en, in voorkomend geval, van de in artikel 14 bedoelde documenten overeenkomstig het bepaalde in artikel 18;

b)

zij nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat toekomstige voor invoer bestemde zendingen visserijproducten die onder het alarmeringsbericht vallen, worden onderworpen aan de verificatie van het vangstcertificaat en, in voorkomend geval, van de in artikel 14 bedoelde documenten overeenkomstig het bepaalde in artikel 17;

c)

zij identificeren de eerdere zendingen van visserijproducten die onder het alarmeringsbericht vallen, en verrichten de passende verificaties, met inbegrip van de verificatie van eerder overgelegde vangstcertificaten;

d)

overeenkomstig de regels van het internationale recht winnen zij de nodige inlichtingen in over de vissersvaartuigen die onder het alarmeringsbericht vallen, of onderwerpen zij die vaartuigen aan de nodige onderzoeken of inspecties op zee, in havens of op welke andere aanlandingsplaatsen dan ook.

2.   De lidstaten delen de Commissie zo spoedig mogelijk de conclusies van hun verificaties en verificatieverzoeken en de acties die zijn ondernomen in het geval dat vast is komen te staan dat geldende wet- en regelgeving of internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen niet werd of werden nageleefd.

3.   Indien de Commissie in het licht van de conclusies die kunnen worden getrokken uit de overeenkomstig lid 1 verrichte verificaties, besluit dat de gegronde twijfel die aanleiding gaf tot het alarmeringsbericht niet langer bestaat, handelt zij onverwijld als volgt:

a)

zij maakt op haar website en in het Publicatieblad van de Europese Unie een daartoe strekkend bericht bekend dat het eerdere alarmeringsbericht intrekt;

b)

zij informeert de vlaggenstaat en in voorkomend geval het andere derde land dan de in artikel 14 bedoelde vlaggenstaat over de intrekking, en

c)

zij informeert de lidstaten langs passende kanalen.

4.   Indien de Commissie in het licht van de conclusies die kunnen worden getrokken uit de overeenkomstig lid 1 verrichte verificaties, besluit dat de gegronde twijfel die aanleiding gaf tot het alarmeringsbericht blijft bestaan, handelt zij onverwijld als volgt:

a)

zij actualiseert het alarmeringsbericht door een nieuwe bekendmaking op haar website en in het Publicatieblad van de Europese Unie;

b)

zij informeert de vlaggenstaat en in voorkomend geval het andere derde land dan de in artikel 14 bedoelde vlaggenstaat;

c)

zij informeert de lidstaten langs passende kanalen, en

d)

in voorkomend geval, legt zij de zaak voor aan de regionale visserijorganisatie wier instandhoudings- en beheersmaatregelen mogelijk zijn overtreden.

5.   Indien de Commissie in het licht van de conclusies die kunnen worden getrokken uit de overeenkomstig lid 1 verrichte verificaties, besluit dat er voldoende gronden zijn om aan te nemen dat de geconstateerde feiten een geval van niet-naleving van geldende wet- en regelgeving of internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen zouden kunnen vormen, handelt zij onverwijld als volgt:

a)

zij maakt op haar website en in het Publicatieblad van de Europese Unie een nieuw, daartoe strekkend alarmeringsbericht bekend;

b)

zij informeert de vlaggenstaat en volgt de passende procedures en/of neemt de passende maatregelen, overeenkomstig de hoofdstukken V en VI;

c)

zij informeert in voorkomend geval het andere derde land dan de in artikel 14 bedoelde vlaggenstaat;

d)

zij informeert de lidstaten langs passende kanalen, en

e)

in voorkomend geval, legt zij de zaak voor aan de regionale visserijorganisatie wier instandhoudings- en beheersmaatregelen mogelijk zijn overtreden.

HOOFDSTUK V

IDENTIFICATIE VAN DE VISSERSVAARTUIGEN DIE IOO-VISSERIJ BEDRIJVEN

Artikel 25

Vermeende IOO-visserij

1.   De Commissie of een door haar aangewezen instantie verzamelt en analyseert:

a)

alle informatie over IOO-visserij verkregen overeenkomstig de hoofdstukken II, III, IV, VIII, X en XI, en/of

b)

naargelang van het geval, alle andere relevante informatie, zoals:

i)

de vangstgegevens;

ii)

de uit de nationale statistieken en andere betrouwbare bronnen afkomstige handelsinformatie;

iii)

de op vaartuigen betrekking hebbende registers en databases;

iv)

de informatie die beschikbaar is in het kader van de programma’s betreffende vangstdocumenten of statistische documenten van regionale visserijorganisaties;

v)

de verslagen over waarnemingen of andere activiteiten met betrekking tot vissersvaartuigen waarvan wordt aangenomen dat zij IOO-visserij bedrijven als bedoeld in artikel 3 en de door regionale visserijorganisaties onder de aandacht gebrachte of vastgestelde lijsten van IOO-vaartuigen;

vi)

de verslagen uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 2847/93 over vissersvaartuigen waarvan wordt aangenomen dat zij IOO-visserijbedrijven als bedoeld in artikel 3;

vii)

alle andere relevante informatie die is verkregen onder meer in de havens en op de visgronden.

2.   De lidstaten kunnen de Commissie op elk moment alle aanvullende informatie verstrekken die relevant zou kunnen zijn voor de vaststelling van de communautaire lijst van IOO-vaartuigen. De Commissie of een door haar aangewezen instantie geeft de informatie samen met al het verstrekte bewijsmateriaal door aan de lidstaten en aan de betrokken vlaggenstaten.

3.   De Commissie of een door haar aangewezen instantie houdt een dossier bij over elk vissersvaartuig met een vermeende betrokkenheid bij IOO-visserij, en werkt het dossier bij telkens wanneer nieuwe informatie wordt verkregen.

Artikel 26

Vermoedelijke IOO-visserij

1.   De Commissie gaat na voor welke vissersvaartuigen overeenkomstig artikel 25 voldoende informatie is verkregen om aan te nemen dat die vissersvaartuigen mogelijk IOO-visserij bedrijven, en of die informatie een officiële navraag bij de betrokken vlaggenstaat rechtvaardigt.

2.   De Commissie stelt de vlaggenstaten waarvan vissersvaartuigen overeenkomstig lid 1 zijn geïdentificeerd daarvan in kennis, waarbij zij officieel worden verzocht een onderzoek in te stellen naar de vermeende IOO-visserij van de betrokken vaartuigen die hun vlag voeren. In die kennisgeving:

a)

wordt alle door de Commissie verzamelde informatie met betrekking tot vermeende IOO-visserij aan de vlaggenstaat verstrekt;

b)

wordt de vlaggenstaat officieel verzocht alle nodige maatregelen te nemen om een onderzoek naar de vermeende IOO-visserij in te stellen en om de resultaten van dat onderzoek tijdig aan de Commissie mee te delen;

c)

wordt de vlaggenstaat officieel verzocht onmiddellijk handhavingsmaatregelen te nemen mochten de ten aanzien van het betrokken vissersvaartuig geformuleerde beweringen gegrond blijken te zijn, en de Commissie over de genomen maatregelen te informeren;

d)

wordt de vlaggenstaat verzocht de eigenaar en, in voorkomend geval, de exploitant van het betrokken vissersvaartuig in kennis te stellen van de gedetailleerde motivering voor de voorgenomen opneming in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen en van de gevolgen die de opneming van het vissersvaartuig in die lijst overeenkomstig artikel 37 zou hebben. De vlaggenstaten wordt tevens verzocht de Commissie informatie over de eigenaren of, in voorkomend geval, de exploitanten van de betrokken vissersvaartuigen te verstrekken om ervoor te zorgen dat die personen overeenkomstig artikel 27, lid 2, kunnen worden gehoord;

e)

wordt de vlaggenstaat in kennis gesteld van de bepalingen van de hoofdstukken VI en VII.

3.   De Commissie stelt de vlaggenlidstaten waarvan vissersvaartuigen overeenkomstig lid 1 zijn geïdentificeerd in kennis van een officieel verzoek een onderzoek in te stellen naar de vermeende IOO-visserij van de betrokken vaartuigen die hun vlag voeren. Door middel van die kennisgeving:

a)

wordt alle door de Commissie verzamelde informatie met betrekking tot vermeende IOO-visserij aan de vlaggenstaat verstrekt;

b)

wordt een officieel verzoek tot de vlaggenlidstaat gericht om overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2847/93 alle nodige maatregelen te nemen met het oog op het onderzoek van de vermeende IOO-visserij of, in voorkomend geval, verslag uit te brengen over alle maatregelen die reeds zijn genomen om die visserij te onderzoeken en om de resultaten van dat onderzoek tijdig aan de Commissie mee te delen;

c)

wordt de vlaggenlidstaat officieel verzocht tijdig handhavingsmaatregelen te nemen mochten de ten aanzien van het betrokken vissersvaartuig geformuleerde beweringen gegrond blijken te zijn, en de Commissie over de genomen maatregelen te informeren;

d)

wordt de vlaggenlidstaat verzocht de eigenaar en, in voorkomend geval, de exploitant van het vissersvaartuig in kennis te stellen van de gedetailleerde motivering voor de voorgenomen opneming in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen en van de gevolgen die de opneming van het vaartuig in die lijst overeenkomstig artikel 37 zou hebben. De vlaggenlidstaten wordt tevens verzocht de Commissie informatie over de eigenaren en, in voorkomend geval, de exploitanten van de betrokken vissersvaartuigen te verstrekken om ervoor te zorgen dat die personen overeenkomstig artikel 27, lid 2, kunnen worden gehoord.

4.   De Commissie geeft de informatie over de vissersvaartuigen waarvan wordt aangenomen dat zij IOO-visserij bedrijven door aan alle lidstaten om de toepassing van Verordening (EEG) nr. 2847/93 te vergemakkelijken.

Artikel 27

Vaststelling van de communautaire lijst van IOO-vaartuigen

1.   De Commissie stelt overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 54, lid 2, de communautaire lijst van IOO-vaartuigen vast. Deze lijst bevat de vissersvaartuigen waarvoor, na de overeenkomstig de artikelen 25 en 26 genomen maatregelen, aan de hand van de overeenkomstig deze verordening verkregen informatie vast is komen te staan dat zij IOO-visserij bedrijven, en waarvan de vlaggenstaten geen gevolg hebben gegeven aan de officiële verzoeken als bedoeld in artikel 26, lid 2, onder b) en onder c), en artikel 26, lid 3, onder b) en c), in antwoord op die IOO-visserij.

2.   Alvorens een vissersvaartuig op de communautaire lijst van IOO-vaartuigen te plaatsen, verstrekt de Commissie de eigenaar en, in voorkomend geval, de exploitanten van het betrokken vissersvaartuig een gedetailleerde motivering voor de opneming in de lijst, alsmede alle gegevens die het vermoeden staven dat het vissersvaartuig IOO-visserij heeft bedreven. De motivering maakt melding van het recht op het verzoeken om of het verstrekken van aanvullende informatie en biedt de eigenaar en, in voorkomend geval, de exploitanten de mogelijkheid te worden gehoord en hun zaak te bepleiten; zij dienen daartoe over toereikende tijd en middelen te beschikken.

3.   Wanneer wordt besloten een vissersvaartuig op de communautaire lijst van IOO-vaartuigen te plaatsen, deelt de Commissie dat besluit en de redenen ervoor aan de eigenaar en, in voorkomend geval, de exploitanten van het vissersvaartuig mee.

4.   De verplichtingen die de leden 2 en 3 de Commissie opleggen, gelden onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat voor het vissersvaartuig, en slechts voor zover de Commissie over de relevante informatie ter identificatie van de eigenaar en de exploitanten van het vissersvaartuig beschikt.

5.   De Commissie stelt de vlaggenstaat in kennis van de opneming van het vissersvaartuig in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen en verstrekt de vlaggenstaat een gedetailleerde motivering voor de opneming in de lijst.

6.   De Commissie verzoekt de vlaggenstaten met vissersvaartuigen op de communautaire lijst van IOO-vaartuigen:

a)

de eigenaren van de vissersvaartuigen in kennis te stellen van de opneming van die vaartuigen in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen, van de redenen voor de opneming in die lijst en van de gevolgen die de opneming in die lijst overeenkomstig artikel 37 zal hebben, en

b)

alle nodige maatregelen te nemen om de IOO-visserij te beëindigen, waaronder zo nodig de intrekking van de registratie of de visvergunningen van de betrokken vissersvaartuigen, en de Commissie over de genomen maatregelen te informeren.

7.   Dit artikel is niet van toepassing op communautaire vissersvaartuigen indien de vlaggenlidstaat maatregelen heeft genomen overeenkomstig lid 8.

8.   Communautaire vissersvaartuigen worden niet opgenomen in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen indien de vlaggenlidstaat overeenkomstig deze verordening en overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2847/93 maatregelen heeft genomen tegen overtredingen die ernstige inbreuken als bedoeld in artikel 3, lid 2, vormen, onverminderd de maatregelen die door regionale visserijorganisaties zijn genomen.

Artikel 28

Schrapping van vissersvaartuigen van de communautaire lijst van IOO-vaartuigen

1.   De Commissie schrapt een vissersvaartuig van de communautaire lijst van IOO-vaartuigen volgens de procedure als bedoeld in artikel 54, lid 2, indien de vlaggenstaat van het vissersvaartuig aantoont dat:

a)

het vaartuig geen enkele van de IOO-visserijactiviteiten waarvoor het op de lijst is geplaatst, heeft verricht, of

b)

doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties zijn opgelegd als reactie op de betrokken IOO-visserijactiviteiten, met name wat betreft vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2847/93.

2.   De eigenaar of, in voorkomend geval, de exploitant van een op de communautaire lijst van IOO-vaartuigen geplaatst vissersvaartuig kan bij de Commissie een verzoek tot herziening van de status van dat vaartuig indienen wanneer de vlaggenstaat nalaat om overeenkomstig lid 1 te handelen.

De Commissie overweegt schrapping van het vissersvaartuig van de lijst slechts indien:

a)

de eigenaar of de exploitant het bewijs verstrekt dat het vissersvaartuig niet langer IOO-visserij bedrijft, of

b)

het in de lijst opgenomen vissersvaartuig is gezonken of gesloopt.

3.   In alle andere gevallen overweegt de Commissie de schrapping van het vissersvaartuig van de lijst slechts indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

sinds de opneming van het vissersvaartuig in de lijst is een periode van ten minste twee jaar verstreken waarin de Commissie met betrekking tot het vaartuig geen verdere meldingen van vermeende IOO-visserij als bedoeld in artikel 25 heeft ontvangen, of

b)

de eigenaar verstrekt informatie over de huidige activiteiten van het vissersvaartuig waaruit blijkt dat het zijn activiteiten verricht in volledige overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving en/of instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de takken van visserij waaraan het deelneemt, of

c)

het betrokken vissersvaartuig of de eigenaar of exploitant ervan heeft geen directe of indirecte operationele of financiële banden met andere vaartuigen, eigenaren of exploitanten ten aanzien waarvan wordt aangenomen of is bevestigd dat zij IOO-visserij bedrijven.

Artikel 29

Inhoud, bekendmaking en bijhouden van de communautaire lijst van IOO-vaartuigen

1.   De communautaire lijst van IOO-vaartuigen bevat voor elk vissersvaartuig de volgende gegevens:

a)

de naam en eventuele eerdere namen;

b)

de vlag en eventuele eerdere vlaggen;

c)

de eigenaar en indien relevant eventuele eerdere eigenaren, met inbegrip van economische eigenaren;

d)

de exploitant en indien relevant eventuele eerdere exploitanten;

e)

de roepnaam en eventuele eerdere roepnamen;

f)

het Lloyds/IMO-nummer (indien voorhanden);

g)

foto’s, indien voorhanden;

h)

de datum van de eerste opneming in de lijst van IOO-vaartuigen;

i)

een samenvatting van de activiteiten die opneming van het vaartuig in de lijst rechtvaardigen, samen met verwijzingen naar alle relevante documenten die informatie over en bewijzen voor die activiteiten bevatten.

2.   De Commissie maakt de communautaire lijst van IOO-vaartuigen bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en neemt alle nodige maatregelen om bekendheid te geven aan de lijst, waaronder plaatsing ervan op haar website.

3.   De Commissie werkt de communautaire lijst van IOO-vaartuigen om de drie maanden bij en zorgt voor een systeem om de bijwerkingen automatisch ter kennis te brengen van de lidstaten, de regionale visserijorganisaties en elk lid van de civiele samenleving dat daarom verzoekt. Voorts doet de Commissie de lijst toekomen aan de FAO en aan de regionale visserijorganisaties met het oog op versterking van de op het voorkomen, tegengaan en beëindigen van IOO-visserij gerichte samenwerking tussen de Gemeenschap en die organisaties.

Artikel 30

Door regionale visserijorganisaties vastgestelde lijsten van IOO-vaartuigen

1.   Behalve de in artikel 27 bedoelde vissersvaartuigen worden ook de vissersvaartuigen die zijn opgenomen in de door regionale visserijorganisaties vastgestelde lijsten van IOO-vaartuigen, opgenomen in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen, overeenkomstig de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure. Die vaartuigen worden van de communautaire lijst van IOO-vaartuigen geschrapt overeenkomstig de besluiten die de betrokken regionale visserijorganisatie over hen neemt.

2.   De Commissie ontvangt jaarlijks van regionale visserijorganisaties de lijsten van de vissersvaartuigen waarvan wordt aangenomen dat zij bij IOO-visserij zijn betrokken, en de vissersvaartuigen waarvoor een dergelijke betrokkenheid is bevestigd, en deelt die lijsten aan de lidstaten mee.

3.   Telkens wanneer de in lid 2 bedoelde lijsten worden aangevuld, vaartuigen van die lijsten worden geschrapt en/of die lijsten worden gewijzigd, deelt de Commissie dit onmiddellijk aan de lidstaten mee. Artikel 37 geldt voor de vaartuigen die voorkomen op de aldus gewijzigde lijsten van IOO-vaartuigen van de regionale visserijorganisaties, vanaf het tijdstip waarop die gewijzigde lijsten aan de lidstaten zijn meegedeeld.

HOOFDSTUK VI

NIET-MEEWERKENDE DERDE LANDEN

Artikel 31

Identificatie van niet-meewerkende derde landen

1.   De Commissie identificeert volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure de derde landen die naar haar mening niet meewerken bij de bestrijding van IOO-visserij.

2.   De in lid 1 bedoelde identificatie is gebaseerd op de beoordeling van alle overeenkomstig de hoofdstukken II, III, IV, V, VIII, X en XI verkregen informatie of, naargelang van het geval, alle andere relevante informatie zoals de vangstgegevens, de uit de nationale statistieken en andere betrouwbare bronnen afkomstige handelsinformatie, de op vaartuigen betrekking hebbende registers en databases, de informatie die beschikbaar is in het kader van de programma’s betreffende vangstdocumenten of statistische documenten van regionale visserijorganisaties, en de door regionale visserijorganisaties vastgestelde lijsten van IOO-vaartuigen, alsmede alle andere informatie die is verkregen in de havens en op de visgronden.

3.   Een derde land kan als niet-meewerkend derde land worden geïdentificeerd indien het zich niet kwijt van de taken die het krachtens internationaal recht als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat dient te vervullen wat betreft de te ondernemen actie om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.

4.   Voor de doeleinden van lid 3 baseert de Commissie zich hoofdzakelijk op het onderzoek van de maatregelen die het betrokken derde land heeft genomen ten aanzien van:

a)

herhaalde IOO-visserij waarvoor genoegzaam is gedocumenteerd dat deze zijn verricht of ondersteund door vissersvaartuigen die de vlag van het betrokken land voeren, door onderdanen van het betrokken land of door vissersvaartuigen die in zijn maritieme wateren bedrijvig zijn of zijn havens gebruiken, of

b)

de toegang die van IOO-visserij afkomstige visserijproducten hebben tot zijn markt.

5.   Voor de toepassing van lid 3 houdt de Commissie rekening met de volgende elementen:

a)

de omstandigheid of het betrokken derde land doeltreffend met de Gemeenschap samenwerkt door te reageren op verzoeken van de Commissie om IOO-visserij en daarmee verband houdende activiteiten te onderzoeken, bevindingen over dergelijke activiteiten mee te delen of vervolgactie ten aanzien van dergelijke activiteiten te ondernemen;

b)

de omstandigheid of het betrokken derde land doeltreffende handhavingsmaatregelen heeft genomen ten aanzien van de voor IOO-visserij verantwoordelijke marktdeelnemers, en met name of sancties zijn toegepast die streng genoeg waren om de overtreders de uit IOO-visserij voortvloeiende voordelen te ontnemen;

c)

de voorgeschiedenis en de aard van, de omstandigheden bij en de omvang en de ernst van de betrokken gebeurtenissen die duiden op IOO-visserij;

d)

in het geval van ontwikkelingslanden, de bestaande capaciteit van hun bevoegde autoriteiten.

6.   Voor de toepassing van artikel 3 betrekt de Commissie ook de volgende elementen in de overweging:

a)

de bekrachtiging door de betrokken derde landen van of hun toetreding tot internationale visserij-instrumenten, waaronder met name UNCLOS, de VN-Visbestandenovereenkomst en de FAO-Nalevingsovereenkomst;

b)

de status van het betrokken derde land als verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij regionale visserijorganisaties of zijn akkoord om de door deze organisaties vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen toe te passen;

c)

elk handelen of nalaten van het betrokken derde land dat geldende wet- en regelgeving of internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen minder doeltreffend kan hebben gemaakt.

7.   Waar dat passend is, worden specifieke beperkingen waarmee ontwikkelingslanden te kampen hebben, in het bijzonder wat het toezicht, de controle en de bewaking met betrekking tot visserijactiviteiten betreft, naar behoren in aanmerking genomen bij de toepassing van dit artikel.

Artikel 32

Stappen met betrekking tot landen die zijn aangemerkt als niet-meewerkend derde land

1.   De Commissie geeft de betrokken landen onverwijld kennis van de mogelijkheid dat zij op grond van de bij artikel 31 vastgestelde criteria als niet-meewerkend derde land kunnen worden aangemerkt. Zij vermeldt in die kennisgeving het volgende:

a)

de reden of redenen voor die aanmerking met al het ondersteunende bewijsmateriaal dat beschikbaar is;

b)

de gelegenheid die wordt geboden om de Commissie een schriftelijk antwoord met betrekking tot het aanmerkingsbesluit en andere relevante informatie te bezorgen, bijvoorbeeld bewijsmateriaal dat de argumenten voor de aanmerking weerlegt of, indien van toepassing, een actieplan met het oog op verbetering en de maatregelen die zijn genomen om de situatie te verhelpen;

c)

het recht op het verzoeken om of het verstrekken van aanvullende informatie;

d)

de in artikel 38 aangegeven gevolgen van hun aanmerking als niet-meewerkend derde land.

2.   De Commissie richt in de in lid 1 bedoelde kennisgeving ook een verzoek tot het betrokken derde land om alle nodige maatregelen te nemen teneinde de betrokken IOO-visserijactiviteiten te beëindigen en eventuele toekomstige activiteiten van die aard te voorkomen, alsmede om elk handelen of nalaten zoals bedoeld in artikel 31, lid 6, onder c), te verhelpen.

3.   De Commissie doet haar kennisgeving en verzoek door middel van meer dan één communicatiemiddel aan het betrokken derde land toekomen. De Commissie poogt van dat land de bevestiging te verkrijgen dat het de kennisgeving heeft ontvangen.

4.   De Commissie geeft het betrokken derde land voldoende tijd om op de kennisgeving te antwoorden, alsmede een redelijke termijn om de situatie te verhelpen.

Artikel 33

Vaststelling van een lijst van niet-meewerkende derde landen

1.   De Raad neemt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit inzake de lijst van niet-meewerkende derde landen.

2.   De Commissie stelt het betrokken land onverwijld in kennis van zijn aanmerking als niet-meewerkend derde land en van de overeenkomstig artikel 38 toegepaste maatregelen, waarbij zij het land verzoekt de bestaande situatie te verhelpen en informatie te verstrekken over de maatregelen die worden genomen om naleving van de instandhoudings- en beheersmaatregelen door zijn vissersvaartuigen te waarborgen.

3.   Na een overeenkomstig lid 1 genomen besluit stelt de Commissie de lidstaten daarvan onverwijld in kennis en verzoekt hen te zorgen voor de onmiddellijke toepassing van de bij artikel 38 vastgestelde maatregelen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle maatregelen die zij in antwoord op dat verzoek hebben genomen.

Artikel 34

Schrapping van de lijst van niet-meewerkende derde landen

1.   Op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen schrapt de Raad een derde land van de lijst van niet-meewerkende derde landen indien het betrokken derde land aantoont dat de situatie die zijn opneming in de lijst rechtvaardigde, is verholpen. Bij het nemen van een besluit tot schrapping wordt ook in aanmerking genomen of het betrokken derde land concrete maatregelen heeft genomen die een blijvende verbetering van de situatie kunnen bewerkstelligen.

2.   Na een overeenkomstig lid 1 genomen besluit stelt de Commissie de lidstaten onverwijld in kennis van de opheffing van de in artikel 38 bedoelde maatregelen ten aanzien van het betrokken land.

Artikel 35

Bekendmaking van de lijst van niet-meewerkende derde landen

De Commissie maakt de lijst van niet-meewerkende derde landen bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en neemt alle nodige maatregelen om bekendheid te geven aan deze lijst, waaronder plaatsing ervan op haar website. De Commissie werkt de lijst regelmatig bij en zorgt voor een systeem om de bijwerkingen automatisch ter kennis te brengen van de lidstaten, de regionale visserijorganisaties en elk lid van de civiele samenleving dat daarom verzoekt. Voorts doet de Commissie de lijst van niet-meewerkende derde landen toekomen aan de FAO en aan de regionale visserijorganisaties met het oog op versterking van de op het voorkomen, tegengaan en beëindigen van IOO-visserij gerichte samenwerking tussen de Gemeenschap en die organisaties.

Artikel 36

Noodmaatregelen

1.   Indien er bewijs is dat de door een derde land vastgestelde maatregelen afbreuk doen aan de door een regionale visserijorganisatie aangenomen instandhoudings- en beheersmaatregelen, kan de Commissie in overeenstemming met haar internationale verplichtingen noodmaatregelen vaststellen met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. De Commissie kan een nieuw besluit nemen om de geldigheidsduur van de noodmaatregelen met ten hoogste zes maanden te verlengen.

2.   De in lid 1 bedoelde noodmaatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden:

a)

vissersvaartuigen die zijn gemachtigd om te vissen en die de vlag van het betrokken derde land voeren, wordt geen toegang tot de havens van de lidstaten verleend, behalve in geval van overmacht of in noodsituaties als bedoeld in artikel 4, lid 2, voor het verlenen van diensten die strikt noodzakelijk zijn om die situaties te verhelpen;

b)

vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, wordt niet toegestaan deel te nemen aan gezamenlijke visserijactiviteiten met vaartuigen die de vlag van het betrokken land voeren;

c)

vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, wordt niet toegestaan te vissen in maritieme wateren onder de jurisdictie van het betrokken derde land, onverminderd de bepalingen van bilaterale visserijovereenkomsten;

d)

de levering van levende vis ten behoeve van de visteelt in maritieme wateren onder de jurisdictie van de betrokken staat wordt niet toegestaan;

e)

levende vis die is gevangen door vissersvaartuigen die de vlag van het betrokken derde land voeren, wordt niet aanvaard voor de visteelt in maritieme wateren onder de jurisdictie van een lidstaat.

3.   De noodmaatregelen zijn onmiddellijk van kracht. Zij worden ter kennis van de lidstaten en van het betrokken derde land gebracht en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

4.   De betrokken lidstaten kunnen het in lid 1 bedoelde besluit van de Commissie binnen 10 werkdagen nadat zij de kennisgeving hebben ontvangen, voorleggen aan de Raad.

5.   De Raad kan binnen één maand na de datum van ontvangst van het schrijven waarbij een besluit aan hem is voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

HOOFDSTUK VII

MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN VISSERSVAARTUIGEN EN STATEN DIE BIJ IOO-VISSERIJ ZIJN BETROKKEN

Artikel 37

Optreden ten aanzien van vissersvaartuigen die zijn opgenomen in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen

Ten aanzien van vissersvaartuigen die zijn opgenomen in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen („IOO-vissersvaartuigen”) gelden de volgende maatregelen:

1.

de vlaggenlidstaten dienen geen verzoeken om vismachtigingen voor IOO-vissersvaartuigen bij de Commissie in;

2.

de lopende vismachtigingen of speciale visdocumenten die door vlaggenlidstaten zijn afgegeven voor IOO-vissersvaartuigen, worden ingetrokken;

3.

de IOO-vissersvaartuigen die de vlag van een derde land voeren, worden niet gemachtigd tot vissen in de communautaire wateren en het is verboden dergelijke vaartuigen te charteren;

4.

de vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, mogen op geen enkele wijze bijstand verlenen voor of zich bezighouden met activiteiten op het gebied van de be- of verwerking van vis waarbij ook IOO-vissersvaartuigen betrokken zijn, of samen met dergelijke vaartuigen deelnemen aan overladingsactiviteiten of gezamenlijke visserijactiviteiten;

5.

de IOO-vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, mogen behalve in geval van overmacht of in noodsituaties alleen hun thuishavens en geen enkele andere communautaire haven binnenvaren. De IOO-vissersvaartuigen die de vlag van een derde land voeren, mogen behalve in geval van overmacht of in noodsituaties niet een haven van een lidstaat binnenvaren. Als alternatieve maatregel mag een lidstaat een IOO-vissersvaartuig toestemming verlenen om zijn havens binnen te varen met dien verstande dat de vangsten die zich aan boord bevinden, en in voorkomend geval het vistuig dat op grond van door regionale visserijorganisaties vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen is verboden, in beslag zullen worden genomen. De lidstaten leggen ook beslag op de vangsten en, in voorkomend geval, op het op grond van die maatregelen verboden vistuig aan boord van de IOO-vissersvaartuigen die wegens een overmacht- of noodsituatie toestemming hebben gekregen om hun havens binnen te varen;

6.

de IOO-vissersvaartuigen die de vlag van een derde land voeren, worden in havens niet van proviand of brandstof voorzien of door andere dienstverlening geholpen, behalve in geval van overmacht of in noodsituaties;

7.

de IOO-vissersvaartuigen die de vlag van een derde land voeren, krijgen geen toestemming om de bemanning te vervangen, behalve voor zover dat in een overmachtsituatie of een noodsituatie noodzakelijk is;

8.

de lidstaten staan IOO-vissersvaartuigen niet toe hun vlag te voeren;

9.

de invoer van door IOO-vissersvaartuigen gevangen visserijproducten is verboden en derhalve worden de vangstcertificaten die dergelijke producten begeleiden, aanvaard noch gevalideerd;

10.

de uitvoer of wederuitvoer, voor be- of verwerking, van visserijproducten die afkomstig zijn van IOO-vissersvaartuigen, is verboden;

11.

IOO-vissersvaartuigen die noch vis, noch een bemanning aan boord hebben, mogen een haven binnenvaren om te worden gesloopt, onverminderd mogelijke vervolging en sancties tegen dat vaartuig en de betrokken rechtspersonen of natuurlijke personen.

Artikel 38

Optreden ten aanzien van niet-meewerkende derde landen

Ten aanzien van niet-meewerkende derde landen gelden de volgende maatregelen:

1.

de invoer in de Gemeenschap van visserijproducten die zijn gevangen door vissersvaartuigen die de vlag van een niet-meewerkend derde land voeren, is verboden en derhalve worden vangstcertificaten die dergelijke producten begeleiden, niet aanvaard. wanneer de aanmerking als niet-meewerkend derde land overeenkomstig artikel 31 is gerechtvaardigd door het feit dat dat land geen passende maatregelen heeft vastgesteld ten aanzien van IOO-visserij die een bepaald bestand of een bepaalde soort treffen, kan het invoerverbod tot dat bestand of die soort beperkt blijven;

2.

de aankoop door communautaire marktdeelnemers van een vissersvaartuig dat de vlag van een niet-meewerkend derde land voert, is verboden;

3.

het omvlaggen van vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, naar de vlag van een niet-meewerkend derde land is verboden;

4.

de lidstaten staan niet toe dat vissersvaartuigen die hun vlag voeren, charterovereenkomsten met niet-meewerkende derde landen sluiten;

5.

de uitvoer van communautaire vissersvaartuigen naar niet-meewerkende derde landen is verboden;

6.

particuliere handelsregelingen tussen onderdanen van een lidstaat en niet-meewerkende derde landen die tot doel hebben dat een vissersvaartuig dat de vlag van die lidstaat voert, de vangstmogelijkheden van niet-meewerkende derde landen benut, zijn verboden;

7.

gezamenlijke visserijactiviteiten waarbij vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, samenwerken met een vissersvaartuig dat de vlag van een niet-meewerkend derde land voert, zijn verboden;

8.

de Commissie stelt de opzegging voor van alle bestaande bilaterale visserijovereenkomsten of partnerschapsovereenkomsten inzake visserij met niet-meewerkende derde landen die voorzien in de beëindiging van de overeenkomst wanneer het derde land zijn verplichtingen inzake de bestrijding van IOO-visserij niet nakomt;

9.

de Commissie begint geen onderhandelingen om bilaterale visserijovereenkomsten of partnerschapsovereenkomsten inzake visserij met niet-meewerkende derde landen te sluiten.

HOOFDSTUK VIII

ONDERDANEN

Artikel 39

Onderdanen die IOO-visserij bedrijven of ondersteunen

1.   De aan de jurisdictie van lidstaten onderworpen onderdanen van lidstaten („onderdanen”) ondersteunen noch bedrijven IOO-visserij, wat onder meer inhoudt dat zij niet aanmonsteren op of geen exploitant of economische eigenaar zijn van vissersvaartuigen.

2.   Onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat, werken de lidstaten onderling en met derde landen samen en nemen zij in overeenstemming met het nationale recht en het Gemeenschapsrecht alle passende maatregelen om de onderdanen te identificeren die IOO-visserij ondersteunen of bedrijven.

3.   Onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat, nemen de lidstaten binnen de grenzen van en in overeenstemming met hun geldende wet- en regelgeving passende maatregelen ten aanzien van onderdanen van wie is vastgesteld dat zij IOO-visserij ondersteunen of bedrijven.

4.   De lidstaten delen de Commissie de namen mee van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van het verzamelen en verifiëren van gegevens over de activiteiten van de in dit hoofdstuk bedoelde onderdanen en voor de verslaglegging aan en de samenwerking met de Commissie.

Artikel 40

Preventie en sancties

1.   De lidstaten moedigen hun onderdanen aan om alle gegevens mee te delen betreffende de juridische, economische of financiële belangen die zij hebben bij of betreffende de controle die zij voeren over vissersvaartuigen die de vlag van een derde land voeren, alsmede de namen van de betrokken vaartuigen.

2.   De onderdanen verkopen geen enkel vissersvaartuig aan en voeren geen enkel vissersvaartuig uit naar marktdeelnemers die zijn betrokken bij de exploitatie, het beheer of de eigendom van vissersvaartuigen die zijn opgenomen in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen.

3.   Onverminderd de andere in het Gemeenschapsrecht vastgestelde bepalingen betreffende financiële middelen van de overheid, verlenen de lidstaten geen enkele overheidssteun in het kader van nationale steunregelingen of uit communautaire fondsen aan marktdeelnemers die zijn betrokken bij de exploitatie, het beheer of de eigendom van vissersvaartuigen die zijn opgenomen in de communautaire lijst van IOO-vaartuigen.

4.   De lidstaten streven ernaar inlichtingen in te winnen over het bestaan van regelingen tussen hun onderdanen en een derde land die het mogelijk maken om vissersvaartuigen die hun vlag voeren, naar dat derde land om te vlaggen. Zij informeren de Commissie daarover door haar een lijst van de betrokken vissersvaartuigen te bezorgen.

HOOFDSTUK IX

MAATREGELEN TOT ONMIDDELLIJKE TENUITVOERLEGGING, SANCTIES EN BEGELEIDENDE SANCTIES

Artikel 41

Werkingssfeer

Dit hoofdstuk geldt in het geval van:

1.

ernstige inbreuken die gepleegd zijn binnen het grondgebied van lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is, of binnen de maritieme wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie, met uitzondering van de wateren die grenzen aan de in bijlage II bij het Verdrag vermelde landen en gebieden, of

2.

ernstige inbreuken die gepleegd zijn door vissersvaartuigen van de Gemeenschap of door onderdanen van de lidstaten;

3.

ernstige inbreuken die geconstateerd zijn binnen het grondgebied of binnen de wateren als bedoeld in punt 1 van dit artikel maar die gepleegd zijn op de volle zee of binnen de jurisdictie van een derde land en die bestraft worden overeenkomstig artikel 11, lid 4.

Artikel 42

Ernstige inbreuken

1.   Voor de doeleinden van deze verordening wordt onder „ernstige inbreuk” verstaan:

a)

de activiteiten die op grond van de in artikel 3 bepaalde criteria worden beschouwd als IOO-visserij;

b)

het verrichten van zakelijke activiteiten die rechtstreeks samenhangen met IOO-visserij, onder meer de handel in of de invoer van visserijproducten;

c)

de vervalsing van documenten als bedoeld in deze verordening of het gebruik van dergelijke valse of ongeldige documenten.

2.   De ernst van de inbreuk wordt beoordeeld door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, op grond van de criteria omschreven in artikel 3, lid 2.

Artikel 43

Maatregelen tot onmiddellijke tenuitvoerlegging

1.   Wanneer een natuurlijke persoon ervan wordt verdacht een ernstige inbreuk in de zin van artikel 42 te hebben gepleegd of op heterdaad is betrapt bij het plegen van een dergelijke inbreuk of een rechtspersoon ervan wordt verdacht voor dergelijke inbreuk aansprakelijk te zijn, beginnen de lidstaten een volledig onderzoek naar de inbreuk en nemen zij overeenkomstig hun nationale recht en afhankelijk van de ernst van de inbreuk maatregelen tot onmiddellijke tenuitvoerlegging, zoals met name:

a)

de visserijactiviteiten onmiddellijk doen stopzetten;

b)

het vissersvaartuig koers doen zetten naar een haven;

c)

het vervoermiddel zich met het oog op inspectie naar een andere plaats doen begeven;

d)

een zekerheidstelling verlangen;

e)

vistuig, vangsten of visserijproducten in beslag nemen;

f)

het betrokken vissersvaartuig of vervoermiddel tijdelijk stilleggen;

g)

de vismachtiging opschorten.

2.   De maatregelen tot tenuitvoerlegging zijn van dien aard dat voortzetting van de betrokken ernstige inbreuk wordt voorkomen en het de bevoegde autoriteiten mogelijk wordt gemaakt het onderzoek ernaar te voltooien.

Artikel 44

Sancties bij ernstige inbreuken

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een natuurlijke persoon die een ernstige inbreuk heeft gepleegd, of een rechtspersoon die aansprakelijk is voor een ernstige inbreuk, kan worden gestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties.

2.   De lidstaten leggen een maximumstraf op van ten minste vijf keer de waarde van de visserijproducten die door het plegen van de ernstige inbreuk zijn verkregen.

Bij herhaling van een ernstige inbreuk binnen een periode van 5 jaar leggen de lidstaten een maximumstraf op van ten minste acht keer de waarde van de visserijproducten die door het plegen van de ernstige inbreuk zijn verkregen.

Bij het opleggen van deze straffen houden de lidstaten tevens rekening met de waarde van de schade die is berokkend aan de betrokken visbestanden en het betrokken mariene milieu.

3.   De lidstaten kunnen daarnaast of als alternatieve maatregel doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties opleggen.

Artikel 45

Begeleidende sancties

De in dit hoofdstuk bedoelde sancties kunnen gepaard gaan met andere sancties of maatregelen, en met name:

1.

de inbeslagneming van het bij de inbreuk betrokken vissersvaartuig;

2.

de tijdelijke stillegging van het vissersvaartuig;

3.

de inbeslagneming van verboden vistuig, vangsten of visserijproducten;

4.

de schorsing of intrekking van de vismachtiging;

5.

de vermindering of intrekking van visserijrechten;

6.

de tijdelijke of permanente uitsluiting van het recht nieuwe visserijrechten te verkrijgen;

7.

een tijdelijke of permanente ontzegging van toegang tot overheidssteun of -subsidies;

8.

de schorsing of intrekking van de status van „erkend marktdeelnemer” die is verleend overeenkomstig artikel 16, lid 3.

Artikel 46

Totale niveau van de sancties en de begeleidende sancties

Het totale niveau van de sancties en de begeleidende sancties wordt zo berekend dat wordt zeker gesteld dat de verantwoordelijke personen de economische voordelen die zij aan hun ernstige inbreuken te danken hebben, daadwerkelijk kwijtraken, onverminderd het legitieme recht hun beroep uit te oefenen. Daartoe moet ook rekening worden gehouden met de uit hoofde van artikel 43 genomen maatregelen tot onmiddellijke tenuitvoerlegging.

Artikel 47

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.   Rechtspersonen worden aansprakelijk gesteld voor ernstige inbreuken die in hun belang gepleegd zijn door een natuurlijke persoon die hetzij als individu, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon handelt en die binnen de rechtspersoon een beslissende positie bekleedt op basis van:

a)

de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, of

b)

de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of

c)

de bevoegdheid om binnen de rechtspersoon controle uit te oefenen.

2.   Een rechtspersoon kan mogelijk aansprakelijk worden gesteld indien een gebrek aan toezicht of controle door een natuurlijke persoon als bedoeld in lid 1 het mogelijk heeft gemaakt dat in het belang van die rechtspersoon een ernstige inbreuk is gepleegd door een onder het gezag van die rechtspersoon staande natuurlijke persoon.

3.   De aansprakelijkheid van een rechtspersoon sluit niet uit dat procedures worden gevoerd tegen natuurlijke personen die de betrokken inbreuken hebben gepleegd, ertoe hebben aangezet of er medeplichtig aan zijn.

HOOFDSTUK X

UITVOERING VAN DE BINNEN SOMMIGE REGIONALE VISSERIJORGANISATIES VASTGESTELDE BEPALINGEN BETREFFENDE WAARNEMINGEN VAN VISSERSVAARTUIGEN

Artikel 48

Waarneming op zee

1.   De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de visserijactiviteiten die zijn onderworpen aan de regels betreffende waarneming op zee welke zijn aangenomen in regionale visserijorganisaties en welke bindend zijn voor de Gemeenschap.

2.   Wanneer een bevoegde autoriteit van een lidstaat die verantwoordelijk is voor inspecties op zee een vissersvaartuig waarneemt dat activiteiten verricht die als IOO-visserij kunnen worden beschouwd, stelt zij onmiddellijk een verslag over die waarneming op. Deze verslagen en de resultaten van de door die lidstaat op dat vissersvaartuig ingestelde onderzoeken worden beschouwd als bewijsmateriaal voor gebruik bij de toepassing van de identificatie- en handhavingsmechanismen waarin deze verordening voorziet.

3.   Indien de kapitein van een communautair vissersvaartuig of van een vissersvaartuig van een derde land een vissersvaartuig waarneemt dat activiteiten zoals bedoeld in lid 2 verricht, kan die kapitein die waarneming met zo veel mogelijk informatie documenteren, zoals:

a)

de naam en een beschrijving van het vissersvaartuig;

b)

de roepnaam van het vissersvaartuig;

c)

het registratienummer en, in voorkomend geval, het Lloyds/IMO-nummer van het vissersvaartuig;

d)

de vlaggenstaat van het vissersvaartuig;

e)

de positie (breedte, lengte) ten tijde van de eerste identificatie;

f)

de datum/UTC-tijd ten tijde van de eerste identificatie;

g)

een foto of foto’s van het vissersvaartuig ter staving van de waarneming;

h)

alle andere relevante informatie over de waargenomen activiteiten van het betrokken vissersvaartuig.

4.   Waarnemingsverslagen worden onverwijld toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat van het vissersvaartuig dat de waarneming heeft verricht, welke autoriteit deze verslagen zo spoedig mogelijk doorzendt aan de Commissie of de door deze aangewezen instantie. De Commissie of de door de Commissie aangewezen instantie informeert dan onmiddellijk de vlaggenstaat van het waargenomen vissersvaartuig. De Commissie of de door de Commissie aangewezen instantie zendt het waarnemingsverslag vervolgens door aan alle lidstaten en, waar dat passend is, aan de uitvoerend secretaris van de relevante regionale visserijorganisaties met het oog op verdere maatregelen in overeenstemming met de door die organisaties vastgestelde maatregelen.

5.   Een lidstaat die van de bevoegde autoriteit van een verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij een regionale visserijorganisatie een waarnemingsverslag ontvangt waarin de activiteiten worden gemeld van een vissersvaartuig dat zijn vlag voert, verstrekt dat verslag en alle relevante informatie zo spoedig mogelijk aan de Commissie of de door de Commissie aangewezen instantie, die deze informatie vervolgens doorzendt aan de uitvoerend secretaris van de betrokken regionale visserijorganisatie met het oog op verdere maatregelen in overeenstemming met de door die organisatie vastgestelde maatregelen, naargelang van het geval.

6.   Dit artikel geldt onverminderd strengere bepalingen die zijn vastgesteld door regionale visserijorganisaties waarbij de Gemeenschap een verdrag- of overeenkomstsluitende partij is.

Artikel 49

Verstrekking van informatie over waargenomen vissersvaartuigen

1.   De lidstaten die genoegzaam gedocumenteerde informatie over waargenomen vissersvaartuigen verkrijgen, zenden die informatie onverwijld door aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie in het formaat dat is vastgesteld overeenkomstig de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure.

2.   De Commissie of de door haar aangewezen instantie onderzoekt ook naar behoren gedocumenteerde informatie over waargenomen vissersvaartuigen die is verstrekt door burgers, door organisaties van de civiele samenleving, met inbegrip van milieuorganisaties, of door vertegenwoordigers van belanghebbenden in de visserijsector of de handel in visserijproducten.

Artikel 50

Onderzoek betreffende waargenomen vissersvaartuigen

1.   De lidstaten openen zo spoedig mogelijk een onderzoek naar de activiteiten van de hun vlag voerende vissersvaartuigen die overeenkomstig artikel 49 zijn waargenomen.

2.   De lidstaten stellen de Commissie of de door haar aangewezen instantie zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen twee maanden na de kennisgeving van het waarnemingsverslag overeenkomstig artikel 48, lid 4, indien mogelijk langs elektronische weg, gedetailleerd in kennis van de opening van het onderzoek en van de maatregelen die zij ten aanzien van de hun vlag voerende waargenomen vissersvaartuigen hebben genomen of voornemens zijn te nemen. Aan de Commissie of de door haar aangewezen instantie wordt met passende regelmaat verslag uitgebracht over de vorderingen bij het onderzoek naar de activiteiten van het waargenomen vissersvaartuig. Na afloop van het onderzoek wordt de Commissie of de door haar aangewezen instantie een eindverslag over het resultaat bezorgd.

3.   De andere lidstaten dan de betrokken vlaggenlidstaat verifiëren in voorkomend geval of de gemelde waargenomen vissersvaartuigen in maritieme wateren onder hun jurisdictie activiteiten hebben verricht dan wel of van die vaartuigen afkomstige visserijproducten op hun grondgebied zijn aangeland of ingevoerd, en onderzoeken de gegevens betreffende de naleving van de relevante instandhoudings- en beheersmaatregelen door die vaartuigen. De lidstaten stellen de Commissie of de door haar aangewezen instantie en de betrokken vlaggenlidstaat onverwijld in kennis van het resultaat van hun verificaties en onderzoeken.

4.   De Commissie of de door haar aangewezen instantie deelt alle lidstaten de overeenkomstig de leden 2 en 3 ontvangen informatie mee.

5.   Dit artikel geldt onverminderd de bepalingen van hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en onverminderd de bepalingen die zijn vastgesteld door regionale visserijorganisaties waarbij de Gemeenschap verdrag- of overeenkomstsluitende partij is.

HOOFDSTUK XI

WEDERZIJDSE BIJSTAND

Artikel 51

Wederzijdse bijstand

1.   De administratieve autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze verordening in de lidstaten, werken onderling en met de administratieve autoriteiten van derde landen en met de Commissie samen om de naleving van deze verordening te waarborgen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt een systeem voor wederzijdsebijstandsverlening ingesteld dat onder meer bestaat in een door de Commissie of een door haar aangewezen instantie te beheren geautomatiseerd informatiesysteem, het „informatiesysteem over IOO-visserij”, om de bevoegde autoriteiten bij te staan bij het voorkomen, onderzoeken en vervolgen van IOO-visserij.

3.   Uitvoeringsbepalingen voor dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure.

HOOFDSTUK XII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 52

Uitvoering

De voor de uitvoering van deze verordening benodigde maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 53

Financiering

De lidstaten kunnen verlangen dat de betrokken exploitanten bijdragen in de aan de uitvoering van deze verordening verbonden kosten.

Artikel 54

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 30 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 opgerichte comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.

Artikel 55

Verplichtingen inzake verslaglegging

1.   De lidstaten dienen om de twee jaar en telkens uiterlijk op 30 april van het volgende kalenderjaar bij de Commissie een verslag in over de toepassing van deze verordening.

2.   De Commissie stelt op basis van de door de lidstaten ingediende verslagen en haar eigen constateringen om de drie jaar een verslag op dat wordt voorgelegd aan het Europees Parlement en aan de Raad.

3.   Uiterlijk op 29 oktober 2013 verricht de Commissie een evaluatie van het effect van deze verordening op IOO-visserij.

Artikel 56

Intrekkingen

Artikel 28 ter, lid 2, de artikelen 28 sexies, 28 septies en 28 octies en artikel 31, lid 2, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2847/93, Verordening (EG) nr. 1093/94, Verordening (EG) nr. 1447/1999, de artikelen 8, 19 bis, 19 ter, 19 quater, 21, 21 ter en 21 quater van Verordening (EG) nr. 1936/2001 en de artikelen 26 bis, 28, 29, 30 en 31 van Verordening (EG) nr. 601/2004 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2010.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 57

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 september 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

M. BARNIER


(1)  Advies uitgebracht op 23 mei 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies uitgebracht op 29 mei 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Advies uitgebracht na niet verplichte raadpleging.

(3)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(4)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1.

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(7)  Verordening (EG) nr. 1093/94 van de Raad van 6 mei 1994 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vissersvaartuigen van derde landen vangsten rechtstreeks mogen aanlanden en verkopen in de havens van de Gemeenschap (PB L 121 van 12.5.1994, blz. 3).

(8)  Verordening (EG) nr. 1447/1999 van de Raad van 24 juni 1999 tot vaststelling van een lijst van gedragingen die een ernstige inbreuk vormen op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 167 van 2.7.1999, blz. 5).

(9)  Verordening (EG) nr. 1936/2001 van de Raad van 27 september 2001 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 263 van 3.10.2001, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (PB L 97 van 1.4.2004, blz. 16).

(11)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.


BIJLAGE I

Lijst van producten die zijn uitgesloten van de definitie van „visserijproducten” in artikel 2, punt 8

Producten van de zoetwatervisserij

Aquacultuurproducten verkregen uit pootvis of larven

Siervissen

Oesters, levend

Kamschelpen, inclusief wijde mantels, van de geslachten Pecten, Chlamys of Placopecten, levend, vers of gekoeld

Jakobsschelpen (Pecten maximus), bevroren

Andere kamschelpen, vers of gekoeld

Mosselen

Andere dan uit zee verkregen slakken

Toebereide en geconserveerde weekdieren


BIJLAGE II

Vangstcertificaat en wederuitvoercertificaat van de Europese Gemeenschap

Image

Image

Image

Aanhangsel

Gegevens in verband met het vervoer

Image


BIJLAGE III

Kennisgevingen door de vlaggenstaten

1.

Inhoud van de in artikel 20 bedoelde kennisgevingen door de vlaggenstaten

De Commissie verzoekt de vlaggenstaten haar in kennis te stellen van de namen, adressen en officiële stempelafdrukken van de overheidsinstanties op hun grondgebied die zijn gemachtigd om:

a)

vissersvaartuigen onder hun vlag te registreren;

b)

visvergunningen te verlenen aan hun vaartuigen en die vergunningen te schorsen en in te trekken;

c)

de waarheidsgetrouwheid van de gegevens in de in artikel 13 bedoelde vangstcertificaten te bevestigen en dergelijke certificaten te valideren;

d)

de door hun vissersvaartuigen na te leven wet- en regelgeving en instandhoudings- en beheersmaatregelen ten uitvoer te leggen en te handhaven en controles in dat verband te verrichten;

e)

verificaties betreffende de genoemde vangstcertificaten te verrichten om de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in het kader van de in artikel 20, lid 4, bedoelde administratieve samenwerking bij te staan;

f)

specimina van hun vangstcertificaat overeenkomstig het in bijlage II opgenomen model mee te delen, en

g)

deze kennisgevingen te actualiseren.

2.

Door regionale visserijorganisaties vastgestelde vangstdocumentatieregelingen als bedoeld in artikel 13

Indien een door een regionale visserijorganisatie vastgestelde vangstdocumentatieregeling voor de toepassing van deze verordening als een vangstcertificeringsregeling is erkend, worden kennisgevingen door vlaggenstaten in het kader van die vangstdocumentatieregeling geacht kennisgevingen overeenkomstig punt 1 van deze bijlage te zijn en worden de bepalingen van deze bijlage geacht van overeenkomstige toepassing te zijn.


BIJLAGE IV

Verklaring overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen

Hierbij wordt bevestigd dat de be- of verwerkte visserijproducten … (omschrijving product en code gecombineerde nomenclatuur) zijn verkregen uit vangsten die zijn ingevoerd onder dekking van onderstaand vangstcertificaat/onderstaande vangstcertificaten:

Image

Naam en adres van het be- of verwerkingsbedrijf:

Naam en adres van de exporteur (indien verschillend van het be- of verwerkingsbedrijf):

Erkenningsnummer van het be- of verwerkingsbedrijf:

Nummer en datum gezondheidscertificaat:

Image

Bekrachtiging door de bevoegde autoriteit:

Image


29.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 286/33


VERORDENING (EG) Nr. 1006/2008 VAN DE RAAD

van 29 september 2008

betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren, en houdende wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 1627/94 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 3317/94

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 3317/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake machtiging tot het verrichten van visserijactiviteiten in de wateren van een derde land in het kader van een visserijovereenkomst (1) is de procedure vastgesteld voor de machtiging van communautaire vissersvaartuigen tot het verrichten van visserijactiviteiten in de onder de jurisdictie van derde landen vallende wateren in het kader van visserijovereenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen. De in die verordening vastgestelde procedure wordt geacht niet langer te voldoen aan de behoeften met betrekking tot de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de bilaterale visserijovereenkomsten en uit de multilaterale overeenkomsten en verdragen die in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s) of soortgelijke regelingen zijn goedgekeurd. Bovendien volstaat die verordening niet langer om de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) te realiseren, vooral niet wat betreft de duurzame visserij en de controle.

(2)

Naar aanleiding van het „Actieplan 2006-2008 voor een vereenvoudiging en verbetering van het gemeenschappelijk visserijbeleid”, naar voren gebracht in de mededeling van 8 december 2005 van de Commissie aan de Raad en de gewijzigde omstandigheden waarin de visserij buiten de communautaire wateren wordt uitgeoefend sinds de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 3317/94, en om aan de internationale verplichtingen te voldoen, is het nodig een algemene communautaire regeling in te stellen voor de machtiging tot alle visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren. Daarnaast moeten ook de regels inzake de toegang van de onder de vlag van een derde land varende vissersvaartuigen tot de communautaire wateren, die momenteel in verschillende andere rechtsteksten zijn vastgesteld, opnieuw worden omschreven en, voor zover dat dienstig is, worden afgestemd op de regels die gelden voor de communautaire vissersvaartuigen.

(3)

De communautaire vissersvaartuigen zouden uitsluitend toestemming mogen krijgen om buiten de communautaire wateren visserijactiviteiten te verrichten nadat zij daartoe zijn gemachtigd door de bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor de machtiging tot het verrichten van de betrokken visserijactiviteiten, zoals de bevoegde instantie van het derde land in de wateren waarvan de activiteiten plaatsvinden, de instantie die bevoegd is om te machtigen tot het verrichten van visserijactiviteiten in internationale wateren waarvoor in het kader van een ROVB of soortgelijke regeling vastgestelde bepalingen gelden, of, wanneer het gaat om visserijactiviteiten in volle zee die onder geen enkele overeenkomst vallen, de bevoegde instanties van de lidstaten, onverminderd specifieke communautaire wetgeving betreffende visserijactiviteiten in volle zee.

(4)

Het is van belang de bevoegdheden van de Commissie en de lidstaten met betrekking tot de procedure voor het machtigen van communautaire vissersvaartuigen om visserijactiviteiten buiten de communautaire wateren te verrichten, duidelijk te omschrijven; in dit verband zou de Commissie moeten kunnen garanderen dat aan de internationale verplichtingen en de GVB-voorschriften wordt voldaan, dat de verzoeken om aanvragen door te sturen volledig zijn en dat zij worden doorgestuurd binnen de in de betrokken overeenkomsten vastgestelde termijnen.

(5)

Communautaire vissersvaartuigen zouden alleen in aanmerking mogen komen voor het verkrijgen van een machtiging om buiten de communautaire wateren visserijactiviteiten te verrichten voor zover een aantal criteria met betrekking tot de internationale verplichtingen van de Gemeenschap en met betrekking tot de voorschriften en doelstellingen van het GVB vervuld zijn.

(6)

Indien de procedure van de Raad tot vaststelling van het besluit over de voorlopige toepassing van een nieuw protocol bij een bilaterale visserijovereenkomst met een derde land, waarin onder meer de verdeling van de vangstmogelijkheden over de lidstaten wordt vastgesteld, niet vóór de datum van deze voorlopige toepassing kan worden beëindigd, moet het, teneinde iedere onderbreking van de visserijactiviteiten van communautaire vaartuigen te vermijden, de Commissie op tijdelijke basis worden toegestaan om, gedurende een periode van zes maanden na het verstrijken van het vorige protocol, aanvragen voor vismachtigingen naar het betrokken derde land door te sturen.

(7)

Om ervoor te zorgen dat de vangstmogelijkheden waarover de Gemeenschap in het kader van de partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied beschikt, volledig worden benut, moet de Commissie worden gemachtigd om de vangstmogelijkheden die de ene lidstaat niet gebruikt, tijdelijk toe te wijzen aan een andere lidstaat, onverlet de verdeling van de vangstmogelijkheden over of de uitwisseling van vangstmogelijkheden tussen de lidstaten krachtens het betrokken protocol.

(8)

Onder partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied worden de overeenkomsten verstaan die zijn bedoeld in de Raadsconclusies van 15 juli 2004 en die op het moment van hun sluiting of voorlopige toepassing als zodanig door de Raad zijn omschreven.

(9)

De bepalingen inzake de controle op het gebruik van de aan communautaire vissersvaartuigen toegewezen vangstmogelijkheden buiten de communautaire wateren en van de aan derde landen toegewezen vangstmogelijkheden binnen de communautaire wateren moeten op elkaar worden afgestemd en moeten het mogelijk maken dat tijdig wordt opgetreden om te voorkomen dat lidstaten of derde landen hun vangstmogelijkheden overschrijden.

(10)

Met het oog op de consequente en doeltreffende vervolging van inbreuken moet de mogelijkheid worden geboden om ten volle gebruik te maken van de inspectie- en toezichtrapporten die worden opgesteld door de inspecteurs van de Commissie, de inspecteurs van de Gemeenschap, de inspecteurs van de lidstaten en de inspecteurs van derde landen.

(11)

Alle gegevens over de krachtens visserijovereenkomsten verrichte visserijactiviteiten van de communautaire vissersvaartuigen die buiten de communautaire wateren vissen, zouden actueel moeten zijn en, voor zover dienstig, toegankelijk moeten zijn voor de betrokken lidstaten en derde landen. Hiertoe moet een communautair informatiesysteem voor vismachtigingen worden opgezet.

(12)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (2). Deze bepalingen kunnen ook voorzien in vrijstellingen ten aanzien van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen als die verplichtingen een last zouden vormen die onevenredig zwaar is in vergelijking met het economische belang van de activiteit; de efficiëntie gebiedt dat die vrijstellingen worden vastgesteld volgens de beheersprocedure van artikel 4 van Besluit 1999/468/EG.

(13)

Verordening (EG) nr. 3317/94 en de bepalingen inzake de toegang van vissersvaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten (3) en Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (4), moeten worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied en doelstellingen

Deze verordening bevat bepalingen met betrekking tot:

a)

de machtiging van communautaire vissersvaartuigen om:

i)

in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, visserijactiviteiten te verrichten in het kader van een visserijovereenkomst tussen de Gemeenschap en dat land, of

ii)

visserijactiviteiten te verrichten waarvoor instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn getroffen in het kader van een regionale organisatie voor visserijbeheer of soortgelijke regeling waarbij de Gemeenschap verdrag- of overeenkomstsluitende partij of samenwerkende niet-verdrag- of overeenkomstsluitende partij is (hierna „ROVB” genoemd), of

iii)

buiten de communautaire wateren visserijactiviteiten te verrichten waarvoor geen visserijovereenkomst of een ROVB is gesloten;

b)

de machtiging van vissersvaartuigen van derde landen om in de communautaire wateren visserijactiviteiten te verrichten;

en de verplichting tot rapportering over de activiteiten waarvoor machtiging is gegeven.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„overeenkomst”: een visserijovereenkomst die is gesloten of waarvoor een voorlopige toepassing is aangenomen overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag;

b)

„regionale organisatie voor visserijbeheer”: een subregionale of regionale organisatie of soortgelijke regeling met een krachtens internationaal recht erkende bevoegdheid om instandhoudings- en beheersmaatregelen vast te stellen voor levende mariene rijkdommen waarvoor zij op grond van het verdrag of de overeenkomst waarbij zij is opgericht of ingesteld, verantwoordelijkheid draagt;

c)

„visserijactiviteiten”: het vangen, aan boord houden, verwerken of overladen van vis;

d)

„communautair vissersvaartuig”: een communautair vissersvaartuig in de zin van artikel 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (5);

e)

„communautair vlootregister”: het communautaire gegevensbestand over de vissersvloot als bedoeld in artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002;

f)

„vangstmogelijkheid”: de vangstmogelijkheid in de zin van artikel 3, onder q), van Verordening (EG) nr. 2371/2002;

g)

„machtigende instantie”: instantie die bevoegd is om communautaire vissersvaartuigen te machtigen tot het verrichten van visserijactiviteiten in het kader van een overeenkomst, of vissersvaartuigen uit derde landen die in de communautaire wateren vissen;

h)

„vismachtiging”: recht om visserijactiviteiten te verrichten gedurende een bepaalde periode, in een bepaald gebied of voor een bepaalde soort van visserij;

i)

„visserijinspanning”: de visserijinspanning in de zin van artikel 3, onder h), van Verordening (EG) nr. 2371/2002;

j)

„elektronische transmissie”: het elektronisch versturen van gegevens, waarbij inhoud, formaat en protocol door de Commissie zijn vastgesteld of door de overeenkomstsluitende partijen zijn overeengekomen;

k)

„type visserij”: een onderverdeling van de vloot op basis van criteria zoals met name de soort van vaartuigen, de soort van visserijactiviteiten en het gebruikte vistuig;

l)

„ernstige inbreuk”: een ernstige inbreuk als omschreven in Verordening (EG) nr. 1447/1999 van de Raad van 24 juni 1999 tot vaststelling van een lijst van gedragingen die een ernstige inbreuk vormen op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid (6) of een ernstige inbreuk op of ernstige schending van de betrokken overeenkomst;

m)

„IUU-lijst”: lijst van vissersvaartuigen waarvan in het kader van een ROVB of krachtens Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (7) door de Commissie is vastgesteld dat zij betrokken waren bij illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij;

n)

„communautair informatiesysteem voor vismachtigingen”: het informatiesysteem dat door de Commissie wordt opgezet overeenkomstig artikel 12;

o)

„vissersvaartuigen van een derde land”:

vaartuigen, ongeacht van welke afmeting, waarvan de hoofd- of nevenactiviteit bestaat in de vangst van visserijproducten;

vaartuigen die, ook indien zij de visserijactiviteit niet zelf beoefenen, visserijproducten van andere vaartuigen overladen;

vaartuigen aan boord waarvan visserijproducten vóór het verpakken één of meer van de volgende bewerkingen ondergaan: fileren, versnijden tot moten, onthuiden, fijnmaken, bevriezen en/of verwerken;

en die de vlag voeren van en/of geregistreerd zijn in een derde land.

HOOFDSTUK II

VISSERIJACTIVITEITEN VAN COMMUNAUTAIRE VISSERSVAARTUIGEN BUITEN DE COMMUNAUTAIRE WATEREN

DEEL I

Algemene bepalingen

Artikel 3

Algemene bepaling

Alleen communautaire vissersvaartuigen waarvoor overeenkomstig deze verordening een vismachtiging is afgegeven, hebben het recht visserijactiviteiten te verrichten buiten de communautaire wateren.

DEEL II

Machtigingen voor visserijactiviteiten in het kader van overeenkomsten

Artikel 4

Indiening van verzoeken

1.   Uiterlijk vijf werkdagen vóór de in de betrokken overeenkomst vastgestelde uiterste datum voor het doorsturen van de aanvragen, of, als er geen uiterste datum in de overeenkomst is vastgesteld, overeenkomstig de in de overeenkomst vervatte regeling en onverminderd specifieke bepalingen in de communautaire wetgeving, dienen de lidstaten via elektronische transmissie bij de Commissie vismachtigingsaanvragen voor de betrokken vissersvaartuigen in.

2.   De in lid 1 bedoelde aanvragen bevatten het identificatienummer in het communautaire vlootregister en de internationale radioroepnaam van het vaartuig, alsmede alle andere gegevens die vereist zijn krachtens de betrokken overeenkomst of die volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure worden voorgeschreven.

Artikel 5

Machtigingscriteria

1.   De lidstaten dienen bij de Commissie alleen aanvragen in om vismachtigingen voor onder hun vlag varende vissersvaartuigen:

a)

voor vissersvaartuigen die reeds visserijactiviteiten uitvoeren en die in de voorgaande twaalf maanden gedurende welke zij, krachtens de betrokken overeenkomst of, in het geval van een nieuwe overeenkomst, krachtens de aan die overeenkomst voorafgaande overeenkomst, visserijactiviteiten uitvoerden, in voorkomend geval aan de voorwaarden voldeden die in die overeenkomst voor die periode waren vastgesteld,

b)

die conform het nationale recht van de lidstaat gedurende de twaalf maanden voorafgaand aan de vismachtigingsaanvraag op grond van een ernstige inbreuk aan een sanctieprocedure onderworpen waren of als verdachte van een ernstige inbreuk werden beschouwd en/of wanneer het vaartuig een nieuwe eigenaar heeft die kan garanderen dat aan de voorwaarden zal worden voldaan,

c)

die niet op de IOO-lijst staan, en

d)

waarvoor de gegevens in het communautaire vlootregister en het communautaire informatiesysteem voor vismachtigingen volledig en juist zijn, en

e)

die een visvergunning hebben als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1281/2005 van de Commissie van 3 augustus 2005 betreffende het beheer van de visvergunningen en de minimuminformatie welke deze moeten bevatten (8), en

f)

waarvoor de krachtens de betrokken overeenkomst vereiste gegevens beschikbaar en toegankelijk zijn voor de machtigende instantie, en

g)

waarvoor de vismachtigingsverzoeken in overeenstemming zijn met de betrokken overeenkomst en met deze verordening.

2.   Elke lidstaat ziet erop toe dat de aanvragen voor vismachtigingen waarvoor hij om doorsturing verzoekt, in verhouding staan tot de vangstmogelijkheden waarover die lidstaat in het kader van de betrokken overeenkomst beschikt.

Artikel 6

Het doorsturen van aanvragen

1.   Binnen vijf werkdagen nadat de Commissie het verzoek van de lidstaat heeft ontvangen, stuurt zij de aanvragen overeenkomstig dit artikel door naar de betrokken machtigende instantie.

2.   De Commissie onderzoekt de verzoeken voor het doorsturen van de aanvragen en houdt daarbij rekening met:

a)

de vangstmogelijkheden die de Raad aan elke lidstaat heeft toegewezen op grond van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 of artikel 37 van het Verdrag, en

b)

de in de betrokken overeenkomst en in de onderhavige verordening vastgestelde voorwaarden.

3.   De Commissie gaat na:

a)

of aan de voorwaarden van artikel 5 wordt voldaan, en

b)

of de aanvragen voor vismachtigingen waarvoor de betrokken lidstaten om doorsturing hebben verzocht, stroken met de krachtens de betrokken overeenkomst beschikbare vangstmogelijkheden, rekening houdend met de aanvragen van alle lidstaten.

Artikel 7

Niet-doorsturing van aanvragen

1.   De Commissie stuurt aanvragen niet aan de machtigende instantie door als:

a)

de door de lidstaat verstrekte in artikel 4, lid 2, bedoelde gegevens over het betrokken vaartuig onvolledig zijn;

b)

de vangstmogelijkheden voor de betrokken lidstaat, de technische specificaties in overweging nemende, niet volstaan voor de aanvragen die de lidstaat indient;

c)

niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de betrokken overeenkomst en van deze verordening.

2.   Als de Commissie één of meer aanvragen niet doorstuurt, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan onverwijld in kennis, met opgave van redenen.

Indien de lidstaat het oneens is met de redenen van de Commissie, stuurt hij binnen vijf werkdagen de Commissie gegevens of documenten toe ter staving van zijn bezwaren. De Commissie herbekijkt de aanvraag aan de hand van die informatie.

Artikel 8

Gegevensverstrekking

1.   De Commissie stelt de vlaggenlidstaat er onverwijld via elektronische transmissie van in kennis dat de machtigende instantie een vismachtiging heeft verleend dan wel heeft besloten een bepaald vissersvaartuig geen vismachtiging te verlenen.

Als dit in of op grond van de betrokken overeenkomst vereist is, worden de begeleidende en originele documenten op papier en/of langs elektronische weg toegestuurd.

2.   De vlaggenlidstaten delen de eigenaars van de betrokken vissersvaartuigen de overeenkomstig lid 1 ontvangen informatie onmiddellijk mee.

3.   Als een machtigende instantie de Commissie meedeelt dat zij heeft besloten een vismachtiging die in het kader van een overeenkomst voor een communautair vissersvaartuig is afgegeven, te schorsen of in te trekken, stelt de Commissie de vlaglidstaat van dat vaartuig onmiddellijk via elektronische transmissie daarvan in kennis. De vlaggenlidstaat stuurt de informatie onmiddellijk door naar de eigenaar van dat vaartuig.

4.   De Commissie verricht in overleg met de vlaggenlidstaat en de betrokken machtigende instantie controles om na te gaan of de beslissing om de machtiging te schorsen of in te trekken in overeenstemming is met de betrokken overeenkomst, en informeert beiden over de resultaten daarvan.

Artikel 9

Continuïteit van visserijactiviteiten

1.   Indien

het protocol bij een bilaterale visserijovereenkomst met een derde land dat de vangstmogelijkheden verdeelt waarin die overeenkomst voorziet, is verstreken, en

door de Commissie een nieuw protocol is geparafeerd maar nog geen besluit is genomen over de sluiting of voorlopige toepassing ervan,

kan de Commissie, gedurende een periode van zes maanden na het verstrijken van het oude protocol en onverminderd de bevoegdheid van de Raad om te beslissen over de sluiting of de voorlopige toepassing van het nieuwe protocol, aanvragen voor vismachtigingen naar het betrokken derde land doorzenden overeenkomstig deze verordening.

2.   Communautaire vaartuigen die in het kader van een visserijovereenkomst gemachtigd zijn te vissen, mogen, na het verstrijken van de geldigheid van de vismachtigingen, gedurende maximaal zes maanden na de datum van verstrijken, krachtens die overeenkomst blijven vissen in overeenstemming met de voorschriften van de overeenkomst, mits het wetenschappelijke advies zulks toestaat.

3.   In dat verband past de Commissie de verdeelsleutel voor de vangstmogelijkheden van het vorige protocol voor lid 1 en van het bestaande protocol voor lid 2 toe.

Artikel 10

Onderbenutting van de vangstmogelijkheden in de context van partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied

1.   Als, in de context van een partnerschapsovereenkomst op visserijgebied, op basis van het in artikel 4 van deze verordening bedoelde verzoek voor het doorsturen van de aanvragen blijkt dat de vismachtigingen of de vangstmogelijkheden die krachtens een overeenkomst aan de Gemeenschap zijn toegewezen, niet volledig worden benut, stelt de Commissie de betrokken lidstaten daarvan in kennis en verzoekt zij hen te bevestigen dat zij niet volledig gebruikmaken van die vangstmogelijkheden. Indien niet wordt geantwoord binnen de termijnen waartoe bij de sluiting van de partnerschapsovereenkomst op visserijgebied wordt besloten, wordt dit beschouwd als een bevestiging dat de vaartuigen van de betrokken lidstaat hun vangstmogelijkheden in de gegeven periode niet volledig benutten.

2.   Na bevestiging door de betrokken lidstaat maakt de Commissie een raming van de niet benutte vangstmogelijkheden en stelt zij die raming ter beschikking van de lidstaten.

3.   De lidstaten die van de in lid 2 bedoelde niet benutte vangstmogelijkheden wensen gebruik te maken, doen bij de Commissie een lijst toekomen van alle vaartuigen waarvoor zij van plan zijn een vismachtigingsaanvraag in te dienen, alsmede, overeenkomstig artikel 4, het verzoek voor het doorsturen van de aanvragen voor elk van die vaartuigen.

4.   De Commissie beslist, in nauw overleg met de betrokken lidstaten, over de nieuwe toewijzing.

Als een lidstaat bezwaar maakt tegen deze nieuwe toewijzing, neemt de Commissie volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure een besluit, waarbij zij rekening houdt met de in bijlage I vastgestelde criteria, en stelt zij de betrokken lidstaten daarvan in kennis.

5.   Het doorsturen van de aanvragen overeenkomstig dit artikel laat de verdeling van de vangstmogelijkheden over of de uitwisseling van vangstmogelijkheden tussen de lidstaten, overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002, onverlet.

6.   Zolang de in lid 1 bedoelde termijnen niet zijn vastgesteld, mag de Commissie niet worden belet om het in de leden 1 tot en met 4 beschreven mechanisme toe te passen.

DEEL III

Visserijactiviteiten die niet onder een overeenkomst vallen

Artikel 11

Algemene bepalingen

1.   Een exploitant van een communautair vissersvaartuig die van plan is visserijactiviteiten in volle zee uit te voeren in wateren die niet onder een overeenkomst of een ROVB vallen, brengt de autoriteiten van de vlaggenlidstaat van die visserijactiviteiten op de hoogte.

Onverminderd communautaire wetgeving betreffende visserijactiviteiten in volle zee, zijn communautaire vissersvaartuigen enkel gerechtigd visserijactiviteiten in volle zee uit te voeren in wateren die niet onder een overeenkomst of een ROVB vallen indien hun vlaggenlidstaat hen daartoe overeenkomstig de nationale voorschriften heeft gemachtigd.

De lidstaten stellen de Commissie tien dagen vóór het begin van de in de eerste alinea bedoelde visserijactiviteiten in kennis van de vaartuigen die overeenkomstig genoemde alinea zijn gemachtigd om te vissen, en vermelden daarbij de vissoorten, het vistuig, de periode en het gebied waarvoor de machtiging geldt.

2.   Iedere lidstaat streeft ernaar inlichtingen in te winnen over het bestaan van regelingen tussen zijn onderdanen en een derde land in het kader waarvan vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, visserijactiviteiten mogen uitvoeren in de wateren onder de jurisdictie of de soevereiniteit van een derde land, en doet de Commissie via elektronische transmissie een lijst van de betrokken vaartuigen toekomen.

3.   Dit deel is alleen van toepassing op vaartuigen met een totale lengte van meer dan 24 m.

DEEL IV

Rapporteringsverplichtingen en sluiting van visserijactiviteiten

Artikel 12

Communautair informatiesysteem voor vismachtigingen

1.   De Commissie zet een communautair informatiesysteem voor vismachtigingen op dat gegevens bevat over de machtigingen die krachtens deze verordening worden afgegeven. Zij creëert daarvoor een beveiligde website.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de in het kader van een overeenkomst of een ROVB vereiste gegevens met betrekking tot vismachtigingen in het communautaire informatiesysteem voor vismachtigingen worden opgenomen. Zij zien erop toe dat deze gegevens voortdurend worden bijgewerkt.

Artikel 13

Rapportering van vangst- en visserijinspanningsgegevens

1.   Communautaire vissersvaartuigen waarvoor krachtens deel II of deel III een vismachtiging is afgegeven, sturen elke week hun bevoegde nationale instantie de gegevens toe over hun vangsten en, indien voorgeschreven, hun visserijinspanning. Deze gegevens zijn toegankelijk voor de Commissie, als zij daarom vraagt.

Niettegenstaande de eerste alinea, sturen de communautaire vissersvaartuigen met een totale lengte van meer dan 24 m met ingang van 1 januari 2010 elke dag de gegevens over hun vangsten en, indien voorgeschreven, over hun visserijinspanning naar hun bevoegde nationale instantie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1566/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van voorschriften voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1966/2006 van de Raad betreffende de elektronische registratie en melding van visserijactiviteiten en een systeem voor teledetectie (9). Met ingang van 1 januari 2011 geldt hetzelfde voor communautaire vissersvaartuigen met een totale lengte van meer dan 15 m.

2.   De lidstaten verzamelen de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens en delen de Commissie, of een daartoe door de Commissie aangewezen instantie, voor de 15e van elke kalendermaand via elektronische transmissie de gevangen hoeveelheden mee voor elk bestand, elke groep bestanden of elk type visserij, en als dit krachtens de betrokken overeenkomst of een verordening ter uitvoering van die overeenkomst vereist is, delen zij ook mee hoe groot de visserijinspanning was die de onder hun vlag varende vaartuigen hebben geleverd in de voorafgaande maand in de wateren die onder een overeenkomst vallen, of in de voorafgaande zes maanden bij visserijactiviteiten buiten de communautaire wateren die niet onder een overeenkomst vallen.

3.   De Commissie beslist volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure in welke vorm de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens doorgestuurd moeten worden.

Artikel 14

Controle op de vangsten en op de visserijinspanning

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 2371/2002 zien de lidstaten erop toe dat wordt voldaan aan de in de betrokken overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot de rapportering van vangstgegevens en, indien voorgeschreven, visserijinspanningsgegevens.

Artikel 15

Sluiting van de visserij

1.   Onverminderd artikel 26, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en artikel 21, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 verbiedt een lidstaat, wanneer hij van mening is dat zijn beschikbare vangstmogelijkheden worden geacht te zijn opgebruikt, onmiddellijk de visserijactiviteiten voor het betrokken gebied, vistuig of bestand of de betrokken groep bestanden. Deze bepaling geldt onverminderd specifieke bepalingen van de betrokken overeenkomst.

2.   Als de beschikbare vangstmogelijkheden van een lidstaat zowel in vangstbeperkingen als in visserijinspanningsbeperkingen zijn uitgedrukt, verbiedt de lidstaat de visserijactiviteiten voor het betrokken gebied, vistuig of bestand of de betrokken groep bestanden zodra een van deze vangstmogelijkheden wordt geacht te zijn opgebruikt. Teneinde de visserij te kunnen voortzetten in verband met niet-opgebruikte vangstmogelijkheden die zich ook richt op de opgebruikte vangstmogelijkheden, stellen de lidstaten de Commissie in kennis van technische maatregelen die geen negatief effect hebben op de opgebruikte vangstmogelijkheden. Deze bepaling geldt onverminderd specifieke bepalingen van de betrokken overeenkomst.

3.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van elk verbod op visserijactiviteiten waartoe overeenkomstig dit artikel is besloten.

4.   Als de Commissie van oordeel is dat de voor de Gemeenschap of een lidstaat beschikbare vangstmogelijkheden worden geacht te zijn opgebruikt, stelt zij de betrokken lidstaten daarvan in kennis en verzoekt zij hen de visserijactiviteiten te verbieden overeenkomstig de leden 1, 2 en 3.

5.   Zodra de visserijactiviteiten overeenkomstig lid 1 of lid 2 verboden zijn, worden de vismachtigingen voor het visbestand of de groepen visbestanden in kwestie geschorst.

Artikel 16

Schorsing van vismachtigingen

1.   Indien een machtigende instantie in het kader van een visserijovereenkomst de Commissie ervan in kennis stelt dat zij besloten heeft een vismachtiging voor een onder de vlag van een lidstaat varend vissersvaartuig te schorsen of in te trekken, doet de Commissie hiervan onverwijld mededeling aan de vlaggenlidstaat. In voorkomend geval voert de Commissie, volgens de procedures van de betrokken overeenkomst, in overleg met de vlaggenlidstaat en met de machtigende instantie van het betrokken derde land de nodige verificaties uit en legt zij de resultaten aan die vlaggenlidstaat en eventueel aan de machtigende instantie van het derde land voor.

2.   De schorsing door een machtigende instantie van een derde land van een door dat land aan het betrokken communautaire vissersvaartuig verleende vismachtiging heeft tot gevolg dat het visdocument in het kader van de overeenkomst door de vlaggenlidstaat voor de gehele periode van de schorsing van de vismachtiging voor het betrokken vaartuig wordt geschorst.

Bij definitieve intrekking van de vismachtiging door de machtigende instantie van een derde land trekt de vlaggenlidstaat het aan het betrokken vaartuig in het kader van de betrokken overeenkomst verleende visdocument onverwijld in.

3.   De inspectie- en toezichtrapporten die worden opgesteld door de inspecteurs van de Commissie, de inspecteurs van de Gemeenschap, de inspecteurs van de lidstaten of de inspecteurs van een derde land dat partij is bij de betrokken overeenkomst, vormen in alle lidstaten toelaatbaar bewijsmateriaal bij administratieve of gerechtelijke procedures. Voor de vaststelling van feiten worden zij op dezelfde voet behandeld als inspectie- en toezichtrapporten van de lidstaten.

DEEL V

Toegang tot gegevens

Artikel 17

Toegang tot gegevens

1.   Onverminderd de verplichtingen op grond van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (10), worden de gegevens die de lidstaten overeenkomstig dit hoofdstuk aan de Commissie of aan een door de Commissie aangewezen instantie overleggen, op de beveiligde website die aan het communautaire informatiesysteem voor vismachtigingen gekoppeld is, ter beschikking gesteld aan alle betrokken gebruikers die geautoriseerd zijn door:

a)

de lidstaten;

b)

de Commissie, of een door de Commissie aangewezen instantie, voor wat betreft controle en inspectie.

Voor deze gebruikers zijn alleen die gegevens toegankelijk die zij nodig hebben in het kader van de verlening van de vismachtigingen en/of hun inspectieactiviteiten, en waarvoor de regels gelden inzake de geheimhouding;

2.   De eigenaar van een vaartuig dat in het communautaire informatiesysteem voor vismachtigingen is geregistreerd, of zijn vertegenwoordiger, kan een elektronische kopie krijgen van de in het register opgenomen gegevens als hij daartoe via zijn nationale bestuursdiensten een officieel verzoek bij de Commissie indient.

HOOFDSTUK III

VISSERIJACTIVITEITEN VAN VAARTUIGEN VAN DERDE LANDEN IN DE COMMUNAUTAIRE WATEREN

Artikel 18

Algemene bepalingen

1.   Vissersvaartuigen van derde landen mogen:

a)

visserijactiviteiten in de communautaire wateren verrichten op voorwaarde dat overeenkomstig dit hoofdstuk een vismachtiging voor die vaartuigen is afgegeven;

b)

vis aanlanden, overladen in havens of verwerken op voorwaarde dat zij daarvoor van tevoren een machtiging hebben gekregen van de lidstaat in de wateren waarvan de activiteit zal plaatsvinden.

2.   Vissersvaartuigen van derde landen die krachtens een overeenkomst per 31 december van een bepaald kalenderjaar zijn gemachtigd om visserijactiviteiten te verrichten, mogen die activiteiten krachtens die overeenkomst voortzetten vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar totdat de Commissie overeenkomstig artikel 20 een besluit heeft genomen inzake de afgifte van een vismachtiging voor die vaartuigen voor dat laatstbedoelde jaar.

Artikel 19

Toesturing van de aanvragen van derde landen

1.   Het betrokken derde land dient, op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst waarbij aan dat land vangstmogelijkheden in de communautaire wateren zijn toegekend, via elektronische transmissie bij de Commissie een lijst in van de vaartuigen die zijn vlag voeren en/of daar zijn geregistreerd en voornemens zijn van die vangstmogelijkheden gebruik te maken.

2.   Binnen de in de betrokken overeenkomst of door de Commissie vastgestelde termijn dienen de bevoegde instanties van het derde land via elektronische transmissie bij de Commissie de aanvragen in voor vismachtigingen voor de vissersvaartuigen die de vlag van dat land voeren, en delen daarbij de internationale radioroepnaam van de vaartuigen en alle andere gegevens mee die vereist zijn krachtens de betrokken overeenkomst of die volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure worden voorgeschreven.

Artikel 20

Afgifte van vismachtigingen

1.   De Commissie onderzoekt de aanvragen voor vismachtigingen, rekening houdend met de aan het derde land toegekende vangstmogelijkheden en geeft de vismachtigingen af overeenkomstig de door de Raad vastgestelde maatregelen en met inachtneming van de in de betrokken overeenkomst vastgestelde bepalingen.

2.   De Commissie stelt de bevoegde instanties van het derde land en de lidstaten in kennis van de afgegeven vismachtigingen.

Artikel 21

Machtigingscriteria

De Commissie geeft slechts vismachtigingen af voor vissersvaartuigen van derde landen als:

a)

die vaartuigen voor een vismachtiging krachtens de betrokken overeenkomst in aanmerking komen en, in voorkomend geval, zijn opgenomen in de lijst van vaartuigen waarvoor gemeld is dat zij visserijactiviteiten zullen uitvoeren krachtens die overeenkomst;

b)

die vaartuigen in de voorgaande twaalf maanden gedurende welke zij, krachtens de betrokken overeenkomst of, in het geval van een nieuwe overeenkomst, krachtens de aan die overeenkomst voorafgaande overeenkomst, visserijactiviteiten uitvoerden, in voorkomend geval aan de voorwaarden voldeden die in de overeenkomst voor die periode waren vastgesteld;

c)

die vaartuigen conform het nationale recht van de lidstaat gedurende de twaalf maanden voorafgaand aan de vismachtigingsaanvraag, op grond van een ernstige inbreuk aan een sanctieprocedure onderworpen waren of als verdachte van een ernstige inbreuk werden beschouwd en/of wanneer het vaartuig een nieuwe eigenaar heeft die kan garanderen dat aan de voorwaarden zal worden voldaan, en

d)

die niet op de IUU-lijst staan, en

e)

voor die vaartuigen de op grond van de betrokken overeenkomst vereiste gegevens beschikbaar zijn, en

f)

de aanvragen voor die vaartuigen voldoen aan de betrokken overeenkomst en dit hoofdstuk.

Artikel 22

Algemene verplichtingen

Vissersvaartuigen van derde landen waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk een vismachtiging is afgegeven, moeten voldoen aan de bepalingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid inzake instandhoudings- en controlemaatregelen en aan de bepalingen inzake de visserij door communautaire vissersvaartuigen in de visserijzone waar zij hun activiteiten verrichten, alsmede aan de bepalingen van de betrokken overeenkomst.

Artikel 23

Rapportering van en controle op de vangsten en de visserijinspanning

1.   De vissersvaartuigen van derde landen die visserijactiviteiten verrichten in de communautaire wateren sturen hun nationale autoriteiten en de Commissie, of een door de Commissie aangewezen instantie, elke week de gegevens toe die:

a)

vereist zijn op grond van de betrokken overeenkomst;

b)

door de Commissie worden vastgesteld volgens de in de betrokken overeenkomst vastgestelde procedure, of

c)

worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure.

Niettegenstaande de eerste alinea sturen vissersvaartuigen uit derde landen met een totale lengte van meer dan 24 m deze gegevens met ingang van 1 januari 2010 elke dag elektronisch. Met ingang van 1 januari 2011 geldt hetzelfde voor vissersvaartuigen uit derde landen met een totale lengte van meer dan 15 m.

2.   Voor zover dit op grond van de betrokken overeenkomst vereist is, verzamelen de derde landen de vangstgegevens die hun vaartuigen overeenkomstig lid 1 hebben doorgestuurd, en vóór de 15de van elke kalendermaand sturen zij via elektronische transmissie de Commissie, of een door de Commissie aangewezen instantie, voor elk bestand, elke groep bestanden of elk type visserij, de hoeveelheden door die alle onder hun vlag varende vaartuigen in de voorbije maand in de communautaire wateren hebben gevangen.

3.   De in lid 2 vermelde vangstgegevens zijn voor de lidstaat op diens verzoek toegankelijk en onderworpen aan de regels inzake de geheimhouding bij de verwerking van dergelijke gegevens.

Artikel 24

Sluiting van de visserij

1.   Als de aan het betrokken derde land toegekende vangstmogelijkheden worden geacht te zijn opgebruikt, stelt de Commissie het betrokken derde land en de bevoegde controle-instanties van de lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis. Om het voortzetten mogelijk te maken van visserijactiviteiten op niet-opgebruikte vangstmogelijkheden die ook gericht zijn op de opgebruikte vangstmogelijkheden, stellen de derde landen de Commissie technische maatregelen voor die geen negatief effect hebben op de opgebruikte vangstmogelijkheden. Deze bepaling geldt onverminderd specifieke bepalingen van de betrokken overeenkomst.

2.   Vanaf de datum van de kennisgeving van de Commissie worden de vismachtigingen die zijn afgegeven voor de vaartuigen die de vlag van dat land voeren, geacht te zijn geschorst voor de betrokken visserijactiviteiten en mogen de vaartuigen die visserijactiviteiten niet langer verrichten.

3.   Als een schorsing van visserijactiviteiten overeenkomstig lid 2 betrekking heeft op alle activiteiten waarvoor de vismachtigingen zijn verleend, worden deze vismachtigingen geacht te zijn ingetrokken.

4.   Het derde land ziet erop toe dat de betrokken vissersvaartuigen onverwijld in kennis worden gesteld van de toepassing van dit artikel en dat zij alle betrokken visserijactiviteiten stopzetten.

5.   Zodra de visserijactiviteiten overeenkomstig lid 1 of lid 2 zijn verboden, worden de vismachtigingen voor elk betrokken bestand of elke betrokken groep bestanden geschorst.

Artikel 25

Niet-naleving

1.   Onverminderd gerechtelijke procedures uit hoofde van het nationaal recht, stellen de lidstaten de Commissie onverwijld in kennis van elke inbreuk die met betrekking tot een vissersvaartuig van een derde land wordt vastgesteld en verband houdt met visserijactiviteiten die krachtens de betrokken overeenkomst in de communautaire wateren worden verricht.

2.   Voor vissersvaartuigen van derde landen die de in de betrokken overeenkomst vastgestelde verplichtingen niet zijn nagekomen, worden gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden geen visvergunningen of speciale visdocumenten afgegeven.

De Commissie stelt de autoriteiten van het betrokken derde land in kennis van de naam en de kenmerken van de vissersvaartuigen van derde landen die naar aanleiding van een inbreuk op de voorschriften van de betrokken overeenkomst de volgende maand of maanden niet meer in het visserijgebied van de Gemeenschap mogen vissen.

3.   De Commissie stelt de controle-instanties van de lidstaten in kennis van de maatregelen die zij op grond van lid 2 heeft genomen.

HOOFDSTUK IV

UITVOERINGSMAATREGELEN

Artikel 26

Uitvoeringsbepalingen

De bepalingen voor de uitvoering van deze verordening kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure. Deze bepalingen kunnen ook voorzien in vrijstellingen ten aanzien van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen als die verplichtingen een last zouden vormen die onevenredig zwaar is in vergelijking met het economische belang van de activiteit.

Artikel 27

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde Comité voor de visserij en de aquacultuur.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twintig werkdagen.

HOOFDSTUK V

GEMEENSCHAPPELIJKE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 28

Internationale verplichtingen

Deze verordening laat de in de betrokken overeenkomsten vastgestelde bepalingen en de bepalingen die de Gemeenschap voor de uitvoering daarvan heeft vastgesteld, onverlet.

Artikel 29

Wijzigingen en intrekkingen

1.   In Verordening (EEG) nr. 2847/93 worden de artikelen 18, 28 ter, 28 quater en 28 quinquies geschrapt.

2.   In Verordening (EG) nr. 1627/94 worden artikel 3, lid 2, artikel 4, lid 2, artikel 9 en artikel 10 geschrapt.

3.   Verordening (EG) nr. 3317/94 wordt ingetrokken.

4.   Verwijzingen naar de geschrapte bepalingen gelden als verwijzingen naar de bepalingen van de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 30

Inwerkingtreding

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 blijft van toepassing totdat de verordening tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen bedoeld in artikel 13 van de onderhavige verordening in werking is getreden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 september 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

M. BARNIER


(1)  PB L 350 van 31.12.1994, blz. 13

(2)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(3)  PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7.

(4)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1.

(5)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(6)  PB L 167 van 2.7.1999, blz. 5.

(7)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(8)  PB L 203 van 4.8.2005, blz. 3.

(9)  PB L 340 van 22.12.2007, blz. 46.

(10)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.


BIJLAGE I

Criteria voor de in artikel 10 bedoelde nieuwe toewijzing

Voor de nieuwe toewijzing van de vangstmogelijkheden houdt de Commissie met name rekening met:

de datum van elk van de ontvangen verzoeken;

de voor de nieuwe toewijzing beschikbare vangstmogelijkheden;

het aantal ontvangen verzoeken;

het aantal verzoekende lidstaten;

als de vangstmogelijkheden volledig of gedeeltelijk gebaseerd zijn op de visserijinspanning of de vangsten: de verwachte visserijinspanning of verwachte vangsten van elk van de betrokken vaartuigen.


BIJLAGE II

Verordening (EG) nr. 1627/94

Overeenkomstige bepaling in deze verordening

Artikel 3, lid 2

Hoofdstuk III

Artikel 4, lid 2

Hoofdstuk III

Artikel 9

Artikelen 19-21

Artikel 10

Artikel 25

Verordening (EEG) nr. 2847/93

Overeenkomstige bepaling in deze verordening

Artikel 18

Artikel 13

Artikel 28 ter

Artikel 18

Artikel 28 quater

Artikel 22

Artikel 28 quinquies

Artikel 24


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

29.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 286/45


BESLUIT VAN DE RAAD

van 8 juli 2008

betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van een Protocol bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

(2008/800/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 310 in samenhang met artikel 300, lid 2, eerste alinea, tweede zin,

Gelet op de aan het Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 6, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 oktober 2006 heeft de Raad de Commissie gemachtigd namens de Gemeenschap en haar lidstaten onderhandelingen te openen met de Republiek Kroatië met het oog op de sluiting van een Protocol bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie.

(2)

Deze onderhandelingen zijn met succes afgerond, en onder voorbehoud van de sluiting ervan op een later tijdstip, dient het protocol namens de Gemeenschap te worden ondertekend.

(3)

Het protocol is voorlopig van toepassing met ingang van 1 augustus 2007,

BESLUIT:

Artikel 1

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon of de personen aan te wijzen die bevoegd is/zijn namens de Europese Gemeenschap over te gaan tot ondertekening van het Protocol bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, zulks onder voorbehoud van sluiting ervan op een later tijdstip.

Artikel 2

In afwachting van zijn inwerkingtreding is het protocol met ingang van 1 augustus 2007 voorlopig van toepassing.

De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2008.

Voor de Raad

De voorzitster

C. LAGARDE


PROTOCOL

bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK HONGARIJE,

MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

hierna „de lidstaten” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en

DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE,

hierna „de Gemeenschappen” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie en de Commissie,

enerzijds, en

DE REPUBLIEK KROATIË,

anderzijds,

GELET OP de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië (hierna „de nieuwe lidstaten” genoemd) tot de Europese Unie en daarmee tot de Gemeenschap op 1 januari 2007,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, (hierna „de SAO” genoemd), is op 29 oktober 2001 te Luxemburg ondertekend en op 1 februari 2005 in werking getreden.

(2)

Het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (hierna „het Toetredingsverdrag” genoemd) is op 25 april 2005 te Luxemburg ondertekend.

(3)

De Republiek Bulgarije en Roemenië zijn op 1 januari 2007 tot de Europese Unie toegetreden.

(4)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de aan het Toetredingsverdrag gehechte Toetredingsakte wordt de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de SAO geregeld door sluiting van een protocol bij de SAO.

(5)

Overeenkomstig artikel 36, lid 3, van de SAO heeft overleg plaatsgevonden om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de in deze overeenkomst vastgestelde wederzijdse belangen van de Gemeenschap en Kroatië,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN:

AFDELING I

OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN

Artikel 1

De Republiek Bulgarije en Roemenië worden partij bij de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, die op 29 oktober 2001 te Luxemburg is ondertekend, en dienen, op dezelfde wijze als de andere lidstaten, de tekst van de overeenkomst en die van de gemeenschappelijke verklaringen, en de unilaterale verklaringen die aan de op diezelfde datum ondertekende slotakte zijn gehecht goed te keuren dan wel er nota van te nemen.

AANPASSINGEN VAN DE TEKST VAN DE SAO EN DE BIJLAGEN EN PROTOCOLLEN DAARBIJ

AFDELING II

LANDBOUWPRODUCTEN

Artikel 2

Landbouwproducten in strikte zin

1.   Bijlage IV a) en bijlage IV c) bij de SAO worden vervangen door de tekst van bijlage I bij dit protocol.

2.   Bijlage IV b) en bijlage IV d) bij de SAO worden vervangen door de tekst van bijlage II bij dit protocol.

3.   Bijlage IV e) bij de SAO wordt vervangen door de tekst van bijlage III bij dit protocol.

4.   Bijlage IV f) bij de SAO wordt vervangen door de tekst van bijlage IV bij dit protocol.

5.   Bijlage IV g) bij de SAO wordt vervangen door de tekst van bijlage V bij dit protocol.

Artikel 3

Visserijproducten

1.   Bijlage V a) bij de SAO wordt vervangen door de tekst van bijlage VI bij dit protocol.

2.   Bijlage V b) bij de SAO wordt vervangen door de tekst van bijlage VII bij dit protocol.

Artikel 4

Verwerkte landbouwproducten

Bijlage I en bijlage II bij protocol nr. 3 van de SAO worden vervangen door de tekst van bijlage VIII bij dit protocol.

Artikel 5

Wijnovereenkomst

Bijlage I (Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kroatië betreffende wederzijdse preferentiële handelsconcessies voor bepaalde wijnen, als bedoeld in artikel 27, lid 4, van de SAO) bij het Aanvullend Protocol tot aanpassing van de handelsaspecten van de SAO, om rekening te houden met de uitkomst van de onderhandelingen tussen de partijen over wederzijdse preferentiële handelsconcessies voor bepaalde wijnen, de wederzijdse erkenning, bescherming en controle van wijnbenamingen en de wederzijdse erkenning, bescherming en controle van benamingen van gedistilleerde dranken en gearomatiseerde dranken, wordt vervangen door de tekst van bijlage IX bij dit protocol.

AFDELING III

OORSPRONGSREGELS

Artikel 6

Protocol nr. 4 bij de SAO wordt vervangen door de tekst van bijlage X bij dit protocol.

OVERGANGSBEPALINGEN

AFDELING IV

Artikel 7

WTO

De Republiek Kroatie verbindt zich ertoe geen claim, verzoek of beroep in te dienen, noch concessies te wijzigen of in te trekken op grond van de artikelen XXIV.6 en XXVIII van de GATT 1994 naar aanleiding van de uitbreiding van de Gemeenschap in 2007.

Artikel 8

Bewijs van oorsprong en administratieve samenwerking

1.   Bewijzen van oorsprong die op de juiste wijze door de Republiek Kroatië of een nieuwe lidstaat worden afgegeven in het kader van preferentiële overeenkomsten of autonome regelingen die deze landen onderling toepassen, moeten in de betrokken landen worden aanvaard, mits:

a)

de aanvaarding van het bewijs van oorsprong betekent dat een preferentieel tarief wordt gehanteerd overeenkomstig de in de SAO opgenomen preferentiële tariefmaatregelen;

b)

het bewijs van oorsprong en de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag vóór de datum van toetreding zijn afgegeven;

c)

het bewijs van oorsprong binnen een periode van vier maanden na de toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend.

Indien goederen vóór de datum van toetreding zijn aangegeven voor invoer in de Republiek Kroatië of een nieuwe lidstaat op grond van op dat moment tussen de Republiek Kroatië en die nieuwe lidstaat geldende preferentiële overeenkomsten of autonome regelingen, kunnen op grond van die overeenkomsten of regelingen nadien afgegeven bewijzen van oorsprong ook worden aanvaard, mits het bewijs binnen vier maanden na de datum van toetreding aan de douaneautoriteiten wordt overgelegd.

2.   De Republiek Kroatië en de nieuwe lidstaten mogen vergunningen waarmee de status van „toegelaten exporteur” is verleend in het kader van preferentiële overeenkomsten of autonome regelingen die zij onderling toepassen, blijven gebruiken, mits:

a)

een dergelijke bepaling ook is opgenomen in de door Kroatië vóór de toetredingsdatum met de Gemeenschap gesloten overeenkomst, en

b)

de toegelaten exporteurs de op grond van die overeenkomst geldende oorsprongsregels toepassen.

Deze vergunningen moeten uiterlijk één jaar na de datum van toetreding worden vervangen door nieuwe vergunningen die onder de voorwaarden van de SAO zijn afgegeven.

3.   Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven op grond van de preferentiële overeenkomsten en autonome regelingen als bedoeld in de leden 1 en 2, moeten gedurende een periode van drie jaar na de afgifte van het betrokken bewijs van oorsprong worden aanvaard door de bevoegde douaneautoriteiten van de Republiek Kroatië en de lidstaten, en kunnen gedurende een periode van drie jaar vanaf de aanvaarding van het bewijs van oorsprong nog worden gedaan door die autoriteiten ter rechtvaardiging van een invoeraangifte.

Artikel 9

Goederen in doorvoer

1.   De bepalingen van de SAO kunnen worden toegepast op goederen die van de Republiek Kroatië naar een van de nieuwe lidstaten of van een van de nieuwe lidstaten naar de Republiek Kroatië worden geëxporteerd, welke goederen voldoen aan de bepalingen van protocol nr. 4 bij de SAO en die op de datum van toetreding ofwel onderweg zijn of in tijdelijke opslag zijn in een douane-entrepot of in een vrije zone in de Republiek Kroatië of in die nieuwe lidstaat.

2.   In dergelijke gevallen mag preferentiële behandeling worden verleend, mits binnen vier maanden na de datum van toetreding bij de douaneautoriteiten van het land van invoer een bewijs van oorsprong wordt ingediend dat achteraf is afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer.

Artikel 10

Tariefcontingenten in 2007

Voor het jaar 2007 moeten de hoeveelheden van de nieuwe tariefcontingenten en de toename van de hoeveelheden van de bestaande tariefcontingenten worden berekend naar rata van de basishoeveelheden, rekening houdend met de vóór 1 augustus 2007 verstreken periode.

ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

AFDELING V

Artikel 11

Dit protocol en de bijbehorende bijlagen vormen een integrerend onderdeel van de SAO.

Artikel 12

1.   Dit protocol wordt door de Gemeenschap, door de Raad van de Europese Unie namens de lidstaten, en door de Republiek Kroatië volgens hun eigen procedures goedgekeurd.

2.   De partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de in lid 1 bedoelde procedures. De akten van goedkeuring worden nedergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.

Artikel 13

1.   Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand volgende op de datum waarop de laatste akte van goedkeuring is nedergelegd.

2.   Indien niet alle akten van goedkeuring van dit protocol vóór 1 augustus 2007 zijn nedergelegd, is dit protocol voorlopig van toepassing met ingang van 1 augustus 2007.

Artikel 14

Dit protocol is opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Kroatische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 15

De tekst van de SAO, de bijlagen en de protocollen die daarvan een integrerend onderdeel vormen, de slotakte en de daaraan gehechte verklaringen worden opgemaakt in de Bulgaarse en de Roemeense taal. De teksten in deze talen zijn evenzeer authentiek als de oorspronkelijke teksten (1). De Stabilisatie- en associatieraad moet deze teksten goedkeuren.

Съставено в Брюксел на петнадесети юли две хиляди и осма година.

Hecho en Bruselas, el quince de julio de dos mil ocho.

V Bruselu dne patnáctého července dva tisíce osm.

Udfærdiget i Bruxelles den femtende juli to tusind og otte.

Geschehen zu Brüssel am fünfzehnten Juli zweitausendacht.

Kahe tuhande kaheksanda aasta juulikuu viieteistkümnendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις δέκα πέντε Ιουλίου δύο χιλιάδες οκτώ.

Done at Brussels on the fifteenth day of July in the year two thousand and eight.

Fait à Bruxelles, le quinze juillet deux mille huit.

Fatto a Bruxelles, addì quindici luglio duemilaotto.

Briselē, divtūkstoš astotā gada piecpadsmitajā jūlijā.

Priimta du tūkstančiai aštuntų metų liepos penkioliktą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-nyolcadik év július tizenötödik napján.

Magħmul fi Brussell, fil-ħmistax-il jum ta' Lulju tas-sena elfejn u tmienja.

Gedaan te Brussel, de vijftiende juli tweeduizend acht.

Sporządzono w Brukseli dnia piętnastego lipca roku dwa tysiące ósmego.

Feito em Bruxelas, em quinze de Julho de dois mil e oito.

Întocmit la Bruxelles, la data de cincisprezece iulie 2008.

V Bruseli dňa pätnásteho júla dvetisícosem.

V Bruslju, dne petnajstega julija leta dva tisoč osem.

Tehty Brysselissä viidentenätoista päivänä heinäkuuta vuonna kaksituhattakahdeksan.

Som skedde i Bryssel den femtonde juli tjugohundraåtta.

Sastavljeno u Bruxellesu, dana petnaestog srpnja godine dvije tisuće osme.

За държавите-членки

Por los Estados miembros

Za členské státy

For medlemsstaterne

Für die Mitgliedstaaten

Liikmesriikide nimel

Για τα κράτη μέλη

For the Member States

Pour les États membres

Per gli Stati membri

Dalībvalstu vārdā

Valstybių narių vardu

A tagállamok részéről

Għall-Istati Membri

Voor de lidstaten

W imieniu Państw Członkowskich

Pelos Estados-Membros

Pentru statele membre

Za členské štáty

Za države članice

Jäsenvaltioiden puolesta

På medlemsstaternas vägnar

Za države članice

Image

За Европейската общност

Por las Comunidades Europeas

Za Evropská společenství

For De Europæiske Fællesskaber

Für die Europäischen Gemeinschaften

Euroopa ühenduste nimel

Για τις Ευρωπαϊκές Κοινότητες

For the European Communities

Pour les Communautés européennes

Per le Comunità europee

Eiropas Kopienu vārdā

Europos Bendrijų vardu

Az Európai Közösségek részéről

Għall-Komunitajiet Ewropej

Voor de Europese Gemeenschappen

W imieniu Wspólnot Europejskich

Pelas Comunidades Europeias

Pentru Comunitatea Europeană

Za Európske spoločenstvá

Za Evropski skupnosti

Euroopan yhteisöjen puolesta

På europeiska gemenskapernas vägnar

Za Europske zajednice

Image

За Република Хърватия

Por la República de Croacia

Za Chorvatskou republiku

For Republikken Kroatien

Für die Republik Kroatien

Horvaatia Vabariigi nimel

Για τη Δημοκρατία της Κροατίας

For the the Republic of Croatia

Pour la République de Croatie

Per la Repubblica di Croazia

Horvātijas Republikas vārdā

Kroatijos Respublikos vārdu

a Horvát Köztársaság részéről

r-Repubblika tal-Kroazja

Voor de Republiek Kroatië

W imieniu Republiki Chorwacji

Pela República da Croácia

Pentru Republica Croaţia

Za Chorvátsku republiku

Za Republiko Hrvaško

Kroatian tasavallan puolesta

På Republiken Kroatiens vägnar

Za Republiku Hrvatsku

Image


(1)  De Bulgaarse en de Roemeense versie van de overeenkomst worden later in de bijzondere uitgave van het Publicatieblad bekendgemaakt.

BIJLAGE I

BIJLAGE IV a) EN IV c)

Tariefconcessies van Kroatië voor landbouwproducten (met nulrecht voor onbeperkte hoeveelheden) bedoeld in artikel 27, lid 3, onder a), i) en artikel 27, lid 3, onder b), i)

Kroatische tariefcode (1)

0105 19 20

1001 10 00

2005 60 00

2009 80 99 10

0105 19 90

1002 00 00 10

2007 91

2009 80 99 20

0106 90 00 10

1003 00 10

2008 19

2009 90 11

0205 00

1004 00 00 10

2008 20

2009 90 19

0206

1005 10

2008 30

2009 90 21

0208

1006

2008 80

2009 90 29

0407 00 30

1007 00

2008 99 36

2009 90 39 10

0407 00 90

1008

2008 99 38

2009 90 49 10

0410 00 00

1106

2008 99 49 10

2009 90 59 10

0504 00 00

1108

2008 99 67 10

2009 90 79 10

0604

1109 00 00

2008 99 99 10

2009 90 97 10

0714

1209

2009 11

2009 90 98 10

0801

1210

2009 19 11

2301

0802

1211

2009 19 19

2302 10

0803 00

1212 99 30

2009 19 98 10

2302 40

0804 10 00

1212 99 41

2009 29 11

2303 10

0804 30 00

1212 99 49

2009 29 19

2303 20

0805 40 00

1212 99 70

2009 29 99 10

2303 30 00

0805 50

1213 00 00

2009 39 11

2304 00 00

0805 90 00

1214

2009 39 19

2305 00 00

0806 20

1301

2009 39 39 10

2306 41 00

0807 20 00

1302

2009 49 11

2306 49 00

0811

1501 00 11

2009 49 19

2306 90 05

0812

1501 00 19 10

2009 49 99 10

2307 00

0813

1501 00 90

2009 79 11

2308 00

0814 00 00

1502 00

2009 79 19

2309 10

0901 11 00

1503 00

2009 79 99 10

 

0901 12 00

1504

2009 80 11

 

0902

1516 10

2009 80 19

 

0904

1603 00

2009 80 34

 

0905 00 00

1702 11 00

2009 80 35

 

0906

1702 19 00

2009 80 36

 

0907 00 00

1702 60

2009 80 38

 

0908

1703 10 00

2009 80 69 10

 

0909

2003 10

2009 80 96 10

 

0910

2003 20 00

2009 80 97 10

 


(1)  Zoals vastgesteld in het Kroatische douanetarief — gepubliceerd in NN 134/2006, zoals gewijzigd.

BIJLAGE II

BIJLAGE IV b) EN IV d)

Tariefconcessies van Kroatië voor landbouwproducten (met nulrecht binnen een contingent, vanaf 1 augustus 2007) bedoeld in artikel 27, lid 3, onder a), ii) en artikel 27, lid 3, onder c), i)

Kroatische tariefcode

Omschrijving

Jaarlijks contingent (in t)

Jaarlijkse toename (in t)

0103 91

0103 92

Levende varkens, andere dan fokdieren van zuiver ras

625

25

0104

Levende schapen en geiten

1 500

0201

Vlees van runderen, vers of gekoeld

200

0204

Vlees van schapen of van geiten, vers, gekoeld of bevroren

1 325

5

0207

Vlees en eetbare slachtafvallen van pluimvee (bedoeld bij post 0105), vers, gekoeld of bevroren

870

30

0210

Vlees en eetbare slachtafvallen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt; meel en poeder van vlees of van eetbare slachtafvallen

545

15

0401

Melk en room, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

17 250

150

0402

Melk en room, ingedikt of met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

17 750

700

0405 10

Boter

330

10

0406

Kaas en wrongel

2 500

100

0406 excl 0406 90 78

Kaas en wrongel, andere dan Gouda

800

0406 90 78

Gouda

350

0409 00 00

Natuurhonig

20

0602

Andere levende planten (wortels daaronder begrepen), stekken en enten; champignonbroed

12

0602 90 10

Champignonbroed

9 400

0701 90 10

Aardappelen, vers of gekoeld, bestemd voor de vervaardiging van zetmeel

1 000

0702 00 00

Tomaten, vers of gekoeld

9 375

375

0703 20 00

Knoflook, vers of gekoeld

1 250

50

0712

Gedroogde groenten, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid

1 050

0805 10

Sinaasappelen, vers of gedroogd

31 250

1 250

0805 20

Mandarijnen (tangerines en satsuma’s daaronder begrepen); clementines, wilkings en dergelijke kruisingen van citrusvruchten, vers of gedroogd

3 000

120

0806 10

Druiven, vers

10 000

400

0808 10 (1)

Appelen, vers

5 800

 

0809 10 00

Abrikozen, vers

1 250

50

0810 10 00

Aardbeien, vers

250

10

1002 00 00

Rogge

1 000

100

1101 00

Meel van tarwe of van mengkoren

250

1103

Gries, griesmeel en pellets van granen

100

1206 00

Zonnebloempitten, ook indien gebroken

125

5

1507

Sojaolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1 230

10

1509

Olijfolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

450

20

1514 19

1514 99

Koolzaad-, raapzaad-, en mosterdzaadolie, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd, andere dan ruwe olie

100

1602 41

1602 42

1602 49

Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen of van bloed, van varkens

375

15

1701

Rietsuiker en beetwortelsuiker, alsmede chemisch zuivere sacharose, in vaste vorm

7 125

285

2002

Tomaten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur

6 150

240

2004 90

Andere groenten en mengsels van groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren

125

5

2005 91 00

2005 99

Andere groenten en mengsels van groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren

200

2007 99

Jam, vruchtengelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta, door koken of stoven verkregen, met of zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, andere dan gehomogeniseerde bereidingen of van citrusvruchten

130

2009 12 00

2009 19 91

2009 19 98

Sinaasappelsap, niet bevroren, met een brixwaarde van niet meer dan 67

2 250

90

2009 71

2009 79

2009 80

2009 90

Appelsap, sap van andere vruchten of groenten, mengsels van sappen

200

2009 80 50

2009 80 61

2009 80 63

2009 80 69

2009 80 71

2009 80 73

2009 80 79

 

 

 

 

Sap van andere vruchten of groenten, met een brixwaarde van niet meer dan 67

375

15

2009 80 85

2009 80 86

2009 80 88

2009 80 89

2009 80 95

2009 80 96

2009 80 97

2009 80 99

 

 

 

2106 90 30

2106 90 51

2106 90 55

2106 90 59

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen: suikerstroop, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen

550

2302 30

Zemelen, slijpsel en andere resten van het zeven, van het malen of van andere bewerkingen van tarwe, ook indien in pellets

6 200

2309 90

Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, andere dan honden- en kattenvoer, opgemaakt voor de verkoop in het klein

1 350


(1)  Het contingent wordt toegewezen in de periode van 21 februari-14 september.

BIJLAGE III

BIJLAGE IV e)

Tariefconcessies van Kroatië voor landbouwproducten (50 % van het meestbegunstigingsrecht, voor onbeperkte hoeveelheden) bedoeld in artikel 27, lid 3, onder c), ii)

Kroatische tariefcode

Omschrijving

0104

Levende schapen en geiten

0105

Levend pluimvee (hanen, kippen, eenden, ganzen, kalkoenen en parelhoenders):

 

met een gewicht van niet meer dan 185 g:

0105 12 00

– –

kalkoenen

 

andere:

0105 94 00

– –

hanen en kippen:

0105 94 00 30

– – –

opfokhennen

0105 94 00 40

– – –

jonge leghennen

0209 00

Spek (ander dan doorregen spek), alsmede varkensvet en vet van gevogelte, niet gesmolten noch anderszins geëxtraheerd, vers, gekoeld, bevroren, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt

0404

Wei, ook indien ingedikt of met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen; producten bestaande uit natuurlijke bestanddelen van melk, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, elders genoemd noch elders onder begrepen

0407 00

Vogeleieren in de schaal, vers, verduurzaamd of gekookt:

 

van pluimvee:

0407 00 30

– –

andere:

0407 00 30 40

– – –

kalkoeneieren

0601

Bollen, knollen en wortelstokken, ook indien in blad of in bloei; cichoreiplanten en -wortels, andere dan die bedoeld bij post 1212

0602

Andere levende planten (wortels daaronder begrepen), stekken en enten; champignonbroed

0603

Afgesneden bloemen, bloesems en bloemknoppen, voor bloemstukken of voor versiering, vers, gedroogd, gebleekt, geverfd, geïmpregneerd of op andere wijze geprepareerd

0708

Peulgroenten, ook indien gedopt, vers of gekoeld

0710

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren

0711

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie

0712

Gedroogde groenten, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid

0713

Gedroogde zaden van peulgroenten, ook indien gepeld (bijvoorbeeld spliterwten)

0901

Koffie, cafeïnevrije koffie daaronder begrepen, ook indien gebrand; bolsters en schillen, van koffie; koffiesurrogaten die koffie bevatten, ongeacht de mengverhouding:

 

koffie, gebrand:

0901 21 00

– –

waaruit geen cafeïne is verwijderd

0901 22 00

– –

waaruit cafeïne is verwijderd

1003 00

Gerst:

1003 00 90

andere:

1003 00 90 10

– –

voor het brouwen

1004 00 00

Haver

1005

Mais:

1005 90 00

andere

1104

Op andere wijze bewerkte granen (bijvoorbeeld gepeld, geplet, in vlokken, gepareld, gesneden of gebroken), andere dan rijst bedoeld bij post 1006; graankiemen, ook indien geplet, in vlokken of gemalen

1105

Meel, gries, poeder, vlokken, korrels en pellets, van aardappelen

1702

Andere suiker, chemisch zuivere lactose, maltose, glucose en fructose (levulose) daaronder begrepen, in vaste vorm; suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen; kunsthonig, ook indien met natuurhonig vermengd; karamel:

1702 30

glucose en glucosestroop, in droge toestand geen of minder dan 20 gewichtspercenten fructose bevattend

1702 40

glucose en glucosestroop, in droge toestand 20 of meer doch minder dan 50 gewichtspercenten fructose bevattend, met uitzondering van invertsuiker:

2005

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

2005 40 00

erwten (Pisum sativum)

 

bonen (Vigna spp., Phaseolus spp.):

2005 51 00

– –

bonen, gedopt

2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

2008 50

abrikozen

2008 70

perziken, nectarines daaronder begrepen

2009

Ongegiste vruchtensappen (druivenmost daaronder begrepen) en ongegiste groentesappen, zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

 

ananassap

2009 41

– –

met een brixwaarde van niet meer dan 20:

2009 41 10

– – –

met een waarde van meer dan 30 EUR per 100 kg nettogewicht, toegevoegde suiker bevattend

 

druivensap (druivenmost daaronder begrepen):

2009 69

– –

andere

2206 00

Andere gegiste dranken (bijvoorbeeld appelwijn, perenwijn, honigdrank); mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken, elders genoemd noch elders onder begrepen

2302

Zemelen, slijpsel en andere resten van het zeven, van het malen of van andere bewerkingen van granen of van peulvruchten, ook indien in pellets:

2302 30

van tarwe

2306

Perskoeken en andere vaste afvallen, verkregen bij de winning van plantaardige vetten of oliën, ook indien fijngemaakt of in pellets, andere dan die bedoeld bij post 2304 of 2305:

2306 90

andere

2309

Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren:

2309 90

andere

BIJLAGE IV

BIJLAGE IV f)

Tariefconcessies van Kroatië voor landbouwproducten (50 % van het meestbegunstigingsrecht binnen een contingent, vanaf 1 augustus 2007) bedoeld in artikel 27, lid 3, onder c), iii)

Kroatische tariefcode

Omschrijving

Jaarlijks contingent

(in t)

Jaarlijkse toename

(in t)

0102 90

Levende runderen, andere dan fokdieren van zuiver ras

250

10

0202

Vlees van runderen, bevroren

3 750

150

0203

Vlees van varkens, vers, gekoeld of bevroren

9 125

365

0701

Aardappelen, vers of gekoeld

15 000

600

0703 10

0703 90 00

Uien, sjalotten, prei en andere eetbare looksoorten, vers of gekoeld

12 790

500

0704 90 10

Wittekool en rodekool, vers of gekoeld

160

0706 10 00

Wortelen en rapen, vers of gekoeld

140

0706 90 30

0706 90 90

Mierikswortel (Cochlearia armoracia), wortelen, rapen, kroten, schorseneren, knolselderij, radijs en dergelijke eetbare wortelen en knollen, vers of gekoeld

110

0807 11 00

0807 19 00

Meloenen (watermeloenen daaronder begrepen), vers

7 035

275

0808 10

Appelen, vers

6 900

300

1101 00

Meel van tarwe of van mengkoren

1 025

45

1103

Gries, griesmeel en pellets van granen

9 750

390

1107

Mout, ook indien gebrand

19 750

750

1517 10 90

Margarine, andere dan vloeibare margarine, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

150

1601 00

Worst van alle soorten, van vlees, van slachtafvallen of van bloed; bereidingen van deze producten, voor menselijke consumptie

2 250

90

1602 10 t/m

1602 39,

1602 50 t/m

1602 90

Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen of van bloed, andere dan van varkens

650

30

2009 50

2009 90

Tomatensap; mengsels van sappen

100

2401

Ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak

250

10

BIJLAGE V

BIJLAGE IV g)

Tariefconcessies van Kroatië voor landbouwproducten bedoeld in artikel 27, lid 3, onder g)

De douanerechten voor de goederen in deze bijlage worden met ingang van 1 augustus 2007 toegepast zoals hier aangegeven

Kroatische tariefcode

Omschrijving

Jaarlijks contingent (in t)

Recht binnen contingent

0102 90 05

0102 90 21

0102 90 29

0102 90 41

0102 90 49

0102 90 71

Levende runderen (huisdieren) met een gewicht van niet meer dan 300 kg en slachtdieren met een gewicht van meer dan 300 kg, andere dan fokdieren van zuiver ras

9 000

15 %

0103 91

0103 92

Levende varkens, andere dan fokdieren van zuiver ras

2 550

15 %

ex ex 0105 94 00

Levende hanen en kippen, met een gewicht van meer dan 185 g doch niet meer dan 2 000 g

90

10 %

0203

Vlees van varkens, vers, gekoeld of bevroren

3 570

25 %

0401

Melk en room, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

12 600

EUR 4,2/100 kg

0707 00

Komkommers of augurken, vers of gekoeld

200

10 %

0709 51 00

0709 59 10

0709 59 30

0709 59 90

Champignons, vers of gekoeld

400

10 %

0709 60 10

Niet-scherpsmakende pepers, vers of gekoeld

400

12 %

0710 21 00

0710 22 00

0710 90 00

Erwten (Pisum sativum), peultjes en bonen (Vigna spp., Phaseolus spp.) en mengsels van groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren

1 500

7 %

1001 90 99

Spelt, zachte tarwe en mengkoren, niet bestemd voor zaaidoeleinden

20 800

15 %

1005 90 00

Mais, met uitzondering van zaden

20 000

9 %

1206 00 91

1206 00 99

Zonnebloempitten, ook indien gebroken, andere dan voor zaaidoeleinden

2 160

6 %

1517 10 90

Margarine, andere dan vloeibare margarine, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

1 200

20 %

1601 00

Worst van alle soorten, van vlees, van slachtafvallen of van bloed; bereidingen van deze producten, voor menselijke consumptie

1 900

10 %

1602 10 00 t/m 1602 39

Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen of van bloed:

gehomogeniseerde bereidingen;

van levers van dieren van alle soorten;

van pluimvee bedoeld bij post 0105

240

10 %

1602 41

1602 42

1602 49

Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen of van bloed, van varkens

180

10 %

1702 40

Glucose en glucosestroop, in droge toestand 20 of meer doch minder dan 50 gewichtspercenten fructose bevattend, met uitzondering van invertsuiker

1 000

5 %

1703 90 00

Melasse verkregen bij de extractie of de raffinage van suiker, andere dan van rietsuiker

14 500

14 %

2001

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur

1 740

15 %

2008 50

2008 60

2008 70

Abrikozen, kersen en perziken, met inbegrip van nectarines, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol

22

6 %

BIJLAGE VI

BIJLAGE V a)

Producten bedoeld in artikel 28, lid 1

Voor invoer van de volgende producten van oorsprong uit Kroatië in de Europese Gemeenschap gelden onderstaande concessies.

GN-code

Omschrijving

Jaarlijks contingent

0301 91 10

0301 91 90

0302 11 10

0302 11 20

0302 11 80

0303 21 10

0303 21 20

0303 21 80

0304 19 15

0304 19 17

ex 0304 19 19

ex 0304 19 91

0304 29 15

0304 29 17

ex 0304 29 19

ex 0304 99 21

ex 0305 10 00

ex 0305 30 90

0305 49 45

ex 0305 59 80

ex 0305 69 80

Forel (Salmo trutta, Oncorhynchus mykiss, Oncorhynchus clarki, Oncorhynchus aguabonita, Oncorhynchus gilae, Oncorhynchus apache en Oncorhynchus chrysogaster): levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

TC: 30 t tegen 0 %

Boven het TC: 70 % van meestbegunstigingsrecht

0301 93 00

0302 69 11

0303 79 11

ex 0304 19 19

ex 0304 19 91

ex 0304 29 19

ex 0304 99 21

ex 0305 10 00

ex 0305 30 90

ex 0305 49 80

ex 0305 59 80

ex 0305 69 80

Karper: levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

TC: 210 t tegen 0 %

Boven het TC: 70 % van meestbegunstigingsrecht

ex 0301 99 80

0302 69 61

0303 79 71

ex 0304 19 39

ex 0304 19 99

ex 0304 29 99

ex 0304 99 99

ex 0305 10 00

ex 0305 30 90

ex 0305 49 80

ex 0305 59 80

ex 0305 69 80

Zeebrasem (Dentex dentex en Pagellus spp.): levend; vers, gekoeld of bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

TC: 35 t tegen 0 %

Boven het TC: 30 % van meestbegunstigingsrecht

ex 0301 99 80

0302 69 94

ex 0303 77 00

ex 0304 19 39

ex 0304 19 99

ex 0304 29 99

ex 0304 99 99

ex 0305 10 00

ex 0305 30 90

ex 0305 49 80

ex 0305 59 80

ex 0305 69 80

Zeebaars (Dicentrarchus labrax): levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

TC: 650 t tegen 0 %

Boven het TC: 30 % van meestbegunstigingsrecht

1604

Bereidingen en conserven van vis; kaviaar en kaviaarsurrogaten bereid uit kuit

TC: 1 585 t tegen 0 %

Boven het TC: verlaagd tarief, zie hieronder

Boven het tariefcontingent zijn de rechten voor alle producten van post 1604, met uitzondering van bereidingen en conserven van sardines en bereidingen en conserven van ansjovis, 50 % van het meestbegunstigingsrecht. Voor bereidingen en conserven van sardines en ansjovis boven het tariefcontingent is het volledige meestbegunstigingsrecht van toepassing.

BIJLAGE VII

BIJLAGE V b)

Producten bedoeld in artikel 28, lid 2

Voor invoer van de volgende producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap in Kroatië gelden onderstaande concessies.

GN-code

Omschrijving

Jaarlijks contingent

0301 91 10

0301 91 90

0302 11 10

0302 11 20

0302 11 80

0303 21 10

0303 21 20

0303 21 80

0304 19 15

0304 19 17

ex 0304 19 19

ex 0304 19 91

0304 29 15

0304 29 17

ex 0304 29 19

ex 0304 99 21

ex 0305 10 00

ex 0305 30 90

0305 49 45

ex 0305 59 80

ex 0305 69 80

Forel (Salmo trutta, Oncorhynchus mykiss, Oncorhynchus clarki, Oncorhynchus aguabonita, Oncorhynchus gilae, Oncorhynchus apache en Oncorhynchus chrysogaster): levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

TC: 25 t tegen 0 %

Boven het TC: 70 % van meestbegunstigingsrecht

0301 93 00

0302 69 11

0303 79 11

ex 0304 19 19

ex 0304 19 91

ex 0304 29 19

ex 0304 99 21

ex 0305 10 00

ex 0305 30 90

ex 0305 49 80

ex 0305 59 80

ex 0305 69 80

Karper: levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

TC: 30 t tegen 0 %

Boven het TC: 70 % van meestbegunstigingsrecht

ex 0301 99 80

0302 69 61

0303 79 71

ex 0304 19 39

ex 0304 19 99

ex 0304 29 99

ex 0304 99 99

ex 0305 10 00

ex 0305 30 90

ex 0305 49 80

ex 0305 59 80

ex 0305 69 80

Zeebrasem (Dentex dentex en Pagellus spp.): levend; vers, gekoeld of bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

TC: 35 t tegen 0 %

Boven het TC: 30 % van meestbegunstigingsrecht

ex 0301 99 80

0302 69 94

ex 0303 77 00

ex 0304 19 39

ex 0304 19 99

ex 0304 29 99

ex 0304 99 99

ex 0305 10 00

ex 0305 30 90

ex 0305 49 80

ex 0305 59 80

ex 0305 69 80

Zeebaars (Dicentrarchus labrax): levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

TC: 60 t tegen 0 %

Boven het TC: 30 % van meestbegunstigingsrecht

1604

Bereidingen en conserven van vis; kaviaar en kaviaarsurrogaten bereid uit kuit

TC: 315 t tegen 0 %

Boven het TC: verlaagd tarief, zie hieronder

Boven het tariefcontingent zijn de rechten voor alle producten van post 1604, met uitzondering van bereidingen en conserven van sardines en bereidingen en conserven van ansjovis, 50 % van het meestbegunstigingsrecht. Voor bereidingen en conserven sardines en ansjovis boven het tariefcontingent is het volledige meestbegunstigingsrecht van toepassing.

BIJLAGE VIII

BIJLAGE I

Rechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op goederen van oorsprong uit Kroatië

(producten bedoeld in artikel 25 van de SAO)

De rechten bij invoer in de Gemeenschap zijn nul voor de hierna genoemde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Kroatië.

GN-code

Omschrijving

0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

0403 10

yoghurt:

 

– –

gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

 

– – –

in poeder, in korrels of in andere vaste vorm en met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen:

0403 10 51

– – – –

van niet meer dan 1,5 gewichtspercent

0403 10 53

– – – –

van meer dan 1,5 doch niet meer dan 27 gewichtspercenten

0403 10 59

– – – –

van meer dan 27 gewichtspercenten

 

– – –

andere, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen:

0403 10 91

– – – –

van niet meer dan 3 gewichtspercenten

0403 10 93

– – – –

van meer dan 3 doch niet meer dan 6 gewichtspercenten

0403 10 99

– – – –

van meer dan 6 gewichtspercenten

0403 90

andere:

 

– –

gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

 

– – –

in poeder, in korrels of in andere vaste vorm en met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen:

0403 90 71

– – – –

van niet meer dan 1,5 gewichtspercent

0403 90 73

– – – –

van meer dan 1,5 doch niet meer dan 27 gewichtspercenten

0403 90 79

– – – –

van meer dan 27 gewichtspercenten

 

– – –

andere, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen:

0403 90 91

– – – –

van niet meer dan 3 gewichtspercenten

0403 90 93

– – – –

van meer dan 3 doch niet meer dan 6 gewichtspercenten

0403 90 99

– – – –

van meer dan 6 gewichtspercenten

0405

Boter en andere van melk afkomstige vetstoffen; zuivelpasta’s:

0405 20

zuivelpasta’s:

0405 20 10

– –

met een vetgehalte van 39 of meer gewichtspercenten doch minder dan 60 gewichtspercenten

0405 20 30

– –

met een vetgehalte van 60 of meer gewichtspercenten doch niet meer dan 75 gewichtspercenten

0511

Producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen; dode dieren van de soorten bedoeld bij hoofdstuk 1 of 3, niet geschikt voor menselijke consumptie:

 

andere:

0511 99

– –

andere:

 

– – –

echte sponzen:

0511 99 39

– – – –

andere

0710

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren:

0710 40 00

suikermais

0711

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie:

0711 90

andere groenten; mengsels van groenten:

 

– –

groenten:

0711 90 30

– – –

suikermais

1302

Plantensappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agaragar en andere uit plantaardige producten verkregen plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd:

 

plantensappen en plantenextracten:

1302 12 00

– –

van zoethout

1302 13 00

– –

van hop

1302 20

pectinestoffen, pectinaten en pectaten:

1302 20 10

– –

in droge toestand

1302 20 90

– –

andere

1505 00

Wolvet en daaruit verkregen vetstoffen, lanoline daaronder begrepen:

1505 00 10

ruw wolvet

1516

Dierlijke en plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, geheel of gedeeltelijk gehydrogeneerd, veresterd, opnieuw veresterd of geëlaïdiniseerd, ook indien geraffineerd, doch niet verder bereid:

1516 20

plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan:

1516 20 10

– –

gehydrogeneerde ricinusolie, zogenaamde „opal wax”

1517

Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516:

1517 10

margarine, andere dan vloeibare margarine:

1517 10 10

– –

met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

1517 90

andere:

1517 90 10

– –

met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

 

– –

andere:

1517 90 93

– – –

mengsels en bereidingen voor menselijke consumptie van de soorten gebruikt als preparaten voor het insmeren van bakvormen

1518 00

Standolie en andere dierlijke of plantaardige oliën, alsmede fracties daarvan, gekookt, geoxideerd, gedehydreerd, gezwaveld, geblazen of op andere wijze chemisch gewijzigd, andere dan die bedoeld bij post 1516; mengsels en bereidingen van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, niet geschikt voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

1518 00 10

ynoxine

 

andere:

1518 00 91

– –

Standolie en andere dierlijke of plantaardige oliën, alsmede fracties daarvan, gekookt, geoxideerd, gedehydreerd, gezwaveld, geblazen of op andere wijze chemisch gewijzigd, andere dan die bedoeld bij post 1516

 

– –

andere:

1518 00 95

– – –

mengsels en bereidingen van dierlijke vetten en oliën of van dierlijke en plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, niet geschikt voor menselijke consumptie

1518 00 99

– – –

andere

1521

Plantaardige was (andere dan triglyceriden), bijenwas, was van andere insecten, alsmede walschot (spermaceti), ook indien geraffineerd of gekleurd:

1521 90

andere:

 

– –

bijenwas, was van andere insecten, ook indien geraffineerd of gekleurd:

1521 90 99

– – –

andere

1522 00

Dégras; afvallen, afkomstig van de behandeling van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was:

1522 00 10

dégras

1704

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen)

1803

Cacaopasta, ook indien ontvet

1804 00 00

Cacaoboter, cacaovet en cacao-olie

1805 00 00

Cacaopoeder, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

1806

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten

1901

Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen

1902

Deegwaren, ook indien gekookt of gevuld (met vlees of andere zelfstandigheden) dan wel op andere wijze bereid, zoals spaghetti, macaroni, noedels, lasagne, gnocchi, ravioli en cannelloni; couscous, ook indien bereid:

 

deegwaren, niet gekookt, noch gevuld of op andere wijze bereid:

1902 11 00

– –

waarin ei is verwerkt

1902 19

– –

andere

1902 20

gevulde deegwaren (ook indien gekookt of op andere wijze bereid):

 

– –

andere:

1902 20 91

– – –

gekookt of gebakken

1902 20 99

– – –

andere

1902 30

andere deegwaren

1902 40

couscous

1903 00 00

Tapioca en soortgelijke producten bereid uit zetmeel, in de vorm van vlokken, korrels, parels en dergelijke

1904

Graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren (bijvoorbeeld cornflakes); granen (andere dan mais) in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel, gries en griesmeel), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen

1905

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel

2001

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur:

2001 90

andere:

2001 90 30

– –

suikermais (Zea mays var. saccharata)

2001 90 40

– –

broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

2001 90 60

– –

palmharten

2004

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

2004 10

aardappelen:

 

– –

andere:

2004 10 91

– – –

in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

2004 90

andere groenten en mengsels van groenten:

2004 90 10

– –

suikermais (Zea mays var. saccharata)

2005

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

2005 20

aardappelen:

2005 20 10

– – –

in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

2005 80 00

suikermais (Zea mays var. saccharata)

2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

noten, grondnoten en andere zaden, ook indien onderling vermengd:

2008 11

– –

grondnoten:

2008 11 10

– – –

pindakaas

 

andere, mengsels, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2008 19, daaronder begrepen:

2008 91 00

– –

palmharten

2008 99

– –

andere:

 

– – –

zonder toegevoegde alcohol:

 

– – – –

zonder toegevoegde suiker:

2008 99 85

– – – – –

mais, andere dan suikermais (Zea mays var. saccharata)

2008 99 91

– – – – –

broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

2101

Extracten, essences en concentraten, van koffie, van thee of van maté, en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie, van thee of van maté; gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan

2102

Gist, ook indien inactief; andere eencellige micro-organismen, dood (andere dan de vaccins bedoeld bij post 3002); samengesteld bakpoeder:

2102 10

levende gist

2102 20

inactieve gist; andere eencellige micro-organismen, dood:

 

– –

inactieve gist:

2102 20 11

– – –

in tabletten, in blokken of in dergelijke vormen, dan wel in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 1 kg

2102 20 19

– – –

andere

2102 30 00

samengesteld bakpoeder

2103

Sausen en preparaten voor sausen; samengestelde kruiderijen en dergelijke producten; mosterdmeel en bereide mosterd:

2103 10 00

sojasaus

2103 20 00

tomatenketchup en andere tomatensausen

2103 30

mosterdmeel en bereide mosterd:

2103 30 90

– –

bereide mosterd

2103 90

andere:

2103 90 90

– –

andere

2104

Preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon; samengestelde gehomogeniseerde producten voor menselijke consumptie

2105 00

Consumptie-ijs, ook indien cacao bevattend

2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

2106 10

proteïneconcentraten en getextureerde proteïnestoffen

2106 90

andere

2106 90 20

– –

samengestelde alcoholhoudende preparaten, andere dan op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken

 

– –

andere:

2106 90 92

– – –

bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, sacharose, isoglucose, zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel

2106 90 98

– – –

andere

2202

Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, alsmede andere alcoholvrije dranken, andere dan de vruchten- en groentesappen bedoeld bij post 2009

2203 00

Bier van mout

2205

Vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen

2207

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van 80 % vol. of meer; ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte

2208

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80 % vol.; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten:

2208 40

rum en andere gedistilleerde dranken verkregen door het distilleren van gegiste suikerrietproducten

2208 90

andere

 

– –

ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80 % vol., in verpakkingen inhoudende:

2208 90 91

– – –

niet meer dan 2 l

2208 90 99

– – –

meer dan 2 l

2402

Sigaren, cigarillo’s en sigaretten, van tabak of van tabakssurrogaten

2403

Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; „gehomogeniseerde” en „gereconstitueerde” tabak; tabaksextracten en tabakssauzen

2905

Acyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan:

 

andere meerwaardige alcoholen:

2905 43 00

– –

mannitol

2905 44

– –

D-glucitol (sorbitol)

2905 45 00

– –

glycerol

3301

Etherische oliën (ook indien daaruit de terpenen zijn afgesplitst), vast of vloeibaar; harsaroma’s; door extractie verkregen oleoharsen; geconcentreerde oplossingen van etherische oliën in vet, in vette oliën, in was of in dergelijke stoffen, verkregen door enfleurage of door maceratie; terpeenhoudende bijproducten, afgesplitst uit etherische oliën; gedistilleerd aromatisch water en waterige oplossingen van etherische oliën:

3301 90

andere:

 

– –

door extractie verkregen oleoharsen:

3301 90 21

– – –

van zoethout en van hop

3302

Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van één of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de industrie; andere bereidingen op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken:

3302 10

van de soort gebruikt in de voedingsmiddelen- en drankenindustrie:

 

– –

van de soort gebruikt in de drankenindustrie:

 

– – –

bereidingen die alle essentiële aromatische stoffen van een bepaalde drank bevatten:

3302 10 10

– – – –

met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5 % vol.

 

– – – –

andere:

3302 10 21

– – – – –

bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, sacharose, isoglucose, glucose of zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel

3302 10 29

– – – – –

andere

3501

Caseïne, caseïnaten en andere derivaten van caseïne; lijm van caseïne:

3501 10

caseïne:

3501 10 50

– –

bestemd voor andere industriële doeleinden dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie of van veevoeder

3501 10 90

– –

andere

3501 90

andere:

3501 90 90

– –

andere

3505

Dextrine en ander gewijzigd zetmeel (bijvoorbeeld voorgegelatineerd of veresterd zetmeel); lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel:

3505 10

dextrine en ander gewijzigd zetmeel:

3505 10 10

– –

dextrine

 

– –

ander gewijzigd zetmeel:

3505 10 90

– – –

andere

3505 20

lijm

3809

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, in de papierindustrie, in de lederindustrie of in dergelijke industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

3809 10

op basis van zetmeel of van zetmeelhoudende stoffen

3823

Industriële eenwaardige vetzuren; bij raffinage verkregen acid oils; industriële vetalcoholen:

 

industriële eenwaardige vetzuren; bij raffinage verkregen acid oils:

3823 11 00

– –

stearinezuur

3823 12 00

– –

oliezuur

3823 13 00

– –

tallvetzuren

3823 19

– –

andere

3823 70 00

industriële vetalcoholen

3824

Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten en preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen:

3824 60

sorbitol, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2905 44

BIJLAGE II

Lijst 1: Goederen van oorsprong uit de Gemeenschap waarvoor Kroatië de rechten afschaft

GN-code

Omschrijving

0501 00 00

Mensenhaar, onbewerkt, ook indien gewassen of ontvet; afval van mensenhaar

0502

Haar van varkens of van wilde zwijnen; dassenhaar en ander dierlijk haar, voor borstelwerk; afval van dit haar

0505

Vogelhuiden en andere delen van vogels, met veren of dons bezet, veren en delen van veren (ook indien bijgesneden) en dons, ruw, gereinigd, ontsmet of op andere wijze behandeld ter voorkoming van bederf, doch niet verder bewerkt; poeder en afval, van veren of van delen van veren:

0506

Beenderen en hoornpitten, ruw, ontvet of eenvoudig voorbehandeld (doch niet in vorm gesneden), met zuur behandeld of ontdaan van gelatine; poeder en afval van deze stoffen

0507

Ivoor, schildpad, walvisbaarden (walvisbaardhaar daaronder begrepen), horens, geweien, hoeven, nagels, klauwen en snavels, ruw of eenvoudig voorbehandeld, doch niet in vorm gesneden; poeder en afval van deze stoffen

0508 00 00

Koraal en dergelijke stoffen, ruw of eenvoudig voorbehandeld, doch niet verder bewerkt; schelpen en schalen, van schaaldieren, van weekdieren of van stekelhuidigen, alsmede rugplaten van inktvissen, ruw of eenvoudig voorbehandeld, doch niet in vorm gesneden, alsmede poeder en afval van deze stoffen

0510 00 00

Grijze amber, bevergeil, civet en muskus; Spaanse vlieg; gal, ook indien gedroogd; klieren en andere stoffen van dierlijke oorsprong, die worden gebruikt voor het bereiden van farmaceutische producten, vers, gekoeld, bevroren of anderszins voorlopig geconserveerd

0511

Producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen; dode dieren van de soorten bedoeld bij hoofdstuk 1 of 3, niet geschikt voor menselijke consumptie:

 

andere:

0511 99

– –

andere:

 

– – –

echte sponzen:

0511 99 31

– – – –

ruw

0511 99 39

– – – –

andere

0511 99 85

– – –

andere:

ex 0511 99 85

– – – –

paardenhaar (crin) en afval van paardenhaar, ook indien in vliezen, al dan niet op een onderlaag

0710

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren:

0710 40 00

suikermais

0711

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie:

0711 90

andere groenten; mengsels van groenten:

 

– –

groenten:

0711 90 30

– – –

suikermais

0903 00 00

Maté

1212

Sint-jansbrood, zeewier en andere algen, suikerbieten en suikerriet, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in poedervorm; vruchtenpitten, ook indien in de steen en andere plantaardige producten (ongebrande cichoreiwortels van de variëteit Cichorium intybus sativum daaronder begrepen) hoofdzakelijk gebruikt voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

1212 20 00

zeewier en andere algen

1302

Plantensappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agaragar en andere uit plantaardige producten verkregen plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd:

 

plantensappen en plantenextracten:

1302 12 00

– –

van zoethout

1302 13 00

– –

van hop

1302 19

– –

andere

1302 20

pectinestoffen, pectinaten en pectaten

 

plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd, verkregen uit plantaardige producten:

1302 31 00

– –

agaragar

1302 32

– –

plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd, uit sint-jansbrood, uit sint-jansbroodpitten of uit guarzaden:

1302 32 10

– – –

uit sint-jansbrood of uit sint-jansbroodpitten

1401

Plantaardige stoffen van de soort hoofdzakelijk gebruikt in de mandenmakerij of voor vlechtwerk (bijvoorbeeld bamboe, rotting, riet, bies, teen, raffia, lindebast, alsmede gezuiverd, gebleekt of geverfd stro van graangewassen)

1404

Plantaardige producten, elders genoemd noch elders onder begrepen

1505 00

Wolvet en daaruit verkregen vetstoffen, lanoline daaronder begrepen

1506 00 00

Andere dierlijke vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1515

Andere plantaardige vetten en vette oliën (jojobaolie daaronder begrepen), alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd:

1515 90

andere:

1515 90 11

– –

tungolie; jojobaolie, oiticicaolie; myricawas en japanwas; fracties van deze producten:

ex 1515 90 11

– – –

jojobaolie en fracties daarvan

1516

Dierlijke en plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, geheel of gedeeltelijk gehydrogeneerd, veresterd, opnieuw veresterd of geëlaïdiniseerd, ook indien geraffineerd, doch niet verder bereid:

1516 20

plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan:

1516 20 10

– –

gehydrogeneerde ricinusolie, zogenaamde „opal wax”

1518 00

Standolie en andere dierlijke of plantaardige oliën, alsmede fracties daarvan, gekookt, geoxideerd, gedehydreerd, gezwaveld, geblazen of op andere wijze chemisch gewijzigd, andere dan die bedoeld bij post 1516; mengsels en bereidingen van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, niet geschikt voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

1518 00 10

linoxyne

 

andere:

1518 00 91

– –

standolie en andere dierlijke of plantaardige oliën, alsmede fracties daarvan, gekookt, geoxideerd, gedehydreerd, gezwaveld, geblazen of op andere wijze chemisch gewijzigd, andere dan die bedoeld bij post 1516

 

– –

andere:

1518 00 95

– – –

mengsels en bereidingen van dierlijke vetten en oliën of van dierlijke en plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, niet geschikt voor menselijke consumptie

1518 00 99

– – –

andere

1520 00 00

Ruwe glycerol; glycerolwater en glycerollogen

1521

Plantaardige was (andere dan triglyceriden), bijenwas, was van andere insecten, alsmede walschot (spermaceti), ook indien geraffineerd of gekleurd

1522 00

Dégras; afvallen, afkomstig van de behandeling van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was:

1522 00 10

dégras

1702

Andere suiker, chemisch zuivere lactose, maltose, glucose en fructose (levulose) daaronder begrepen, in vaste vorm; suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen; kunsthonig, ook indien met natuurhonig vermengd; karamel:

1702 50 00

chemisch zuivere fructose

1702 90

andere, daaronder begrepen invertsuiker en andere suiker en suikerstropen die in droge toestand 50 gewichtspercenten fructose bevatten:

1702 90 10

– –

chemisch zuivere maltose

1704

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen):

1704 10

kauwgom, ook indien bedekt met een laagje suiker

1803

Cacaopasta, ook indien ontvet

1804 00 00

Cacaoboter, cacaovet en cacao-olie

1805 00 00

Cacaopoeder, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

1901

Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen:

1901 10 00

bereidingen voor de voeding van kinderen, opgemaakt voor de verkoop in het klein

1901 20 00

mengsels en deeg, voor de bereiding van bakkerswaren bedoeld bij post 1905

1901 90

andere

1902

Deegwaren, ook indien gekookt of gevuld (met vlees of andere zelfstandigheden) dan wel op andere wijze bereid, zoals spaghetti, macaroni, noedels, lasagne, gnocchi, ravioli en cannelloni; couscous, ook indien bereid:

 

deegwaren, niet gekookt, noch gevuld of op andere wijze bereid:

1902 11 00

– –

waarin ei is verwerkt

1902 19

– –

andere

1902 20

gevulde deegwaren (ook indien gekookt of op andere wijze bereid):

 

– –

andere:

1902 20 91

– – –

gekookt of gebakken

1902 20 99

– – –

andere

1902 30

andere deegwaren

1902 40

couscous

1903 00 00

Tapioca en soortgelijke producten bereid uit zetmeel, in de vorm van vlokken, korrels, parels en dergelijke

1904

Graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren (bijvoorbeeld cornflakes); granen (andere dan mais) in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel, gries en griesmeel), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen

2001

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur:

2001 90

andere:

2001 90 30

– –

suikermais (Zea mays var. saccharata)

2001 90 40

– –

broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

2001 90 60

– –

palmharten

2004

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

2004 10

aardappelen:

 

– –

andere:

2004 10 91

– – –

in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

2004 90

andere groenten en mengsels van groenten:

2004 90 10

– –

suikermais (Zea mays var. saccharata)

2005

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

2005 20

aardappelen:

2005 20 10

– –

in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

2005 80 00

suikermais (Zea mays var. saccharata)

2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

noten, grondnoten en andere zaden, ook indien onderling vermengd:

2008 11

– –

grondnoten:

2008 11 10

– – –

pindakaas

 

andere, mengsels met andere dan die van post 2008 19 daaronder begrepen:

2008 91 00

– –

palmharten

2008 99

– –

andere:

 

– – –

zonder toegevoegde alcohol:

 

– – – –

zonder toegevoegde suiker:

2008 99 85

– – – – –

mais, andere dan suikermais (Zea mays var. saccharata)

2008 99 91

– – – – –

broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

2101

Extracten, essences en concentraten, van koffie, van thee of van maté, en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie, van thee of van maté; gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan

2102

Gist, ook indien inactief; andere eencellige micro-organismen, dood (andere dan de vaccins bedoeld bij post 3002); samengesteld bakpoeder

2103

Sausen en preparaten voor sausen; samengestelde kruiderijen en dergelijke producten; mosterdmeel en bereide mosterd

2104

Preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon; samengestelde gehomogeniseerde producten voor menselijke consumptie

2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

2106 10

proteïneconcentraten en getextureerde proteïnestoffen

2106 90

andere:

2106 90 20

– –

samengestelde alcoholhoudende preparaten, andere dan op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken

 

– –

andere:

2106 90 92

– – –

bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, sacharose, isoglucose of zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel

2106 90 98

– – –

andere

2201

Water, natuurlijk of kunstmatig mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, noch gearomatiseerd; ijs en sneeuw:

2201 90 00

andere

2203 00

Bier van mout

2207

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van 80 % vol. of meer; ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte

2208

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80 % vol.; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten:

2208 20

dranken, gedistilleerd uit wijn of druivenmoer

2208 30

whisky

2208 40

rum en andere gedistilleerde dranken verkregen door het distilleren van gegiste suikerrietproducten

2208 50

gin en jenever

2208 60

wodka

2208 70

likeuren

2208 90

andere:

 

– –

arak, in verpakkingen inhoudende:

2208 90 11

– – –

niet meer dan 2 l

2208 90 19

– – –

meer dan 2 l

 

– –

pruimenbrandewijn, perenbrandewijn en kersenbrandewijn, in verpakkingen inhoudende:

2208 90 33

– – –

niet meer dan 2 l

ex 2208 90 33

– – – –

perenbrandewijn en kersenbrandewijn, doch geen pruimenbrandewijn (slivovitz of šljivovica)

2208 90 38

– – –

meer dan 2 l

ex 2208 90 38

– – – –

perenbrandewijn en kersenbrandewijn, doch geen pruimenbrandewijn (slivovitz of šljivovica)

 

– –

andere gedistilleerde dranken en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, in verpakkingen inhoudende:

 

– – –

niet meer dan 2 l

2208 90 41

– – – –

ouzo

 

– – – –

andere:

 

– – – – –

gedistilleerde dranken:

 

– – – – –

uit fruit:

2208 90 45

– – – – – – –

calvados

2208 90 48

– – – – – – –

andere

 

– – – – – –

andere:

2208 90 52

– – – – – – –

zogenaamde „Korn”

2208 90 54

– – – – – – –

tequila

2208 90 56

– – – – – – –

andere

2208 90 69

– – – – –

andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten

 

– – –

meer dan 2 l

 

– – – –

gedistilleerde dranken:

2208 90 71

– – – – –

uit fruit

2208 90 75

– – – – –

tequila

2208 90 77

– – – – –

andere

2208 90 78

– – – –

andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten

 

– –

ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80 % vol., in verpakkingen inhoudende:

2208 90 91

– – –

niet meer dan 2 l

2208 90 99

– – –

meer dan 2 l

2402

Sigaren, cigarillo’s en sigaretten, van tabak of van tabakssurrogaten:

2402 10 00

sigaren en cigarillo’s, tabak bevattend

2403

Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; „gehomogeniseerde” en „gereconstitueerde” tabak; tabaksextracten en tabakssausen:

 

andere:

2403 91 00

– –

„gehomogeniseerde” en „gereconstitueerde” tabak;

2403 99

– –

andere

2905

Acyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan:

 

andere meerwaardige alcoholen:

2905 43 00

– –

mannitol

2905 44

– –

D-glucitol (sorbitol)

2905 45 00

– –

glycerol

3301

Etherische oliën (ook indien daaruit de terpenen zijn afgesplitst), vast of vloeibaar; harsaroma’s; door extractie verkregen oleoharsen; geconcentreerde oplossingen van etherische oliën in vet, in vette oliën, in was of in dergelijke stoffen, verkregen door enfleurage of door maceratie; terpeenhoudende bijproducten, afgesplitst uit etherische oliën; gedistilleerd aromatisch water en waterige oplossingen van etherische oliën:

3301 90

andere:

 

– –

door extractie verkregen oleoharsen:

3301 90 21

– – –

van zoethout en van hop

3301 90 30

– – –

andere

3302

Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van één of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de industrie; andere bereidingen op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken:

3302 10

van de soort gebruikt in de voedingsmiddelen- en drankenindustrie:

 

– –

van de soort gebruikt in de drankenindustrie:

 

– – –

bereidingen die alle essentiële aromatische stoffen van een bepaalde drank bevatten:

3302 10 10

– – – –

met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5 % vol.

 

– – – –

andere:

3302 10 21

– – – – –

bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, sacharose, isoglucose, glucose of zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel

3302 10 29

– – – – –

andere

3501

Caseïne, caseïnaten en andere derivaten van caseïne; lijm van caseïne:

3501 10

caseïne

3501 90

andere:

3501 90 90

– –

andere

3505

Dextrine en ander gewijzigd zetmeel (bijvoorbeeld voorgegelatineerd of veresterd zetmeel); lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel:

3505 10

dextrine en ander gewijzigd zetmeel:

3505 10 10

– –

dextrine

 

– –

ander gewijzigd zetmeel:

3505 10 90

– – –

andere

3505 20

lijm

3809

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, in de papierindustrie, in de lederindustrie of in dergelijke industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

3809 10

op basis van zetmeel of van zetmeelhoudende stoffen

3823

Industriële eenwaardige vetzuren; bij raffinage verkregen acid oils; industriële vetalcoholen:

 

industriële eenwaardige vetzuren; bij raffinage verkregen acid oils:

3823 11 00

– –

stearinezuur

3823 12 00

– –

oliezuur

3823 13 00

– –

tallvetzuren

3823 19

– –

andere

3823 70 00

industriële vetalcoholen

3824

Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten en preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen:

3824 60

sorbitol andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2905 44

Lijst 2: Contingenten en rechten die bij invoer in Kroatië van toepassing zijn op goederen van oorsprong uit de Gemeenschap

Aantekening: De producten in deze tabel komen binnen de hieronder vermelde contingenten voor een nulrecht in aanmerking. Het toepasselijk recht voor hoeveelheden boven deze contingenten bedraagt 50 % van het meestbegunstigingsrecht.

GN-code

Omschrijving

Jaarlijks contingent

0403 10 51

0403 10 53

0403 10 59

0403 10 91

0403 10 93

0403 10 99

0403 90 71

0403 90 73

0403 90 79

0403 90 91

0403 90 93

0403 90 99

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

2 390 t

0405 20 10

0405 20 30

Zuivelpasta’s met een vetgehalte van 39 of meer gewichtspercenten doch niet meer dan 75 gewichtspercenten

68 t

1517 10 10

1517 90 10

1517 90 93

Margarine en mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten; mengsels en bereidingen voor menselijke consumptie van de soorten gebruikt als preparaten voor het insmeren van bakvormen

700 t

2201 10 11

2201 10 19

2201 10 90

Mineraalwater en spuitwater

16 907 t

2205 10 10

2205 10 90

2205 90 10

2205 90 90

Vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen

420 hl

ex 2208 90 33

ex 2208 90 38

Pruimenbrandewijn (slivovitz of šljivovica), met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80 % vol.

170 hl

2402 20 10

2402 20 90

2402 90 00

Sigaretten, tabak bevattend; sigaren, cigarillo’s en sigaretten, van tabakssurrogaten

35 t

2403 10 10

2403 10 90

Rooktabak, ook indien tabakssurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding

42 t

Lijst 3: Contingenten en rechten die bij invoer in Kroatië van toepassing zijn op goederen van oorsprong uit de Gemeenschap

Aantekening: De producten in deze tabel komen binnen de hieronder vermelde contingenten voor een nulrecht in aanmerking. Het toepasselijk recht voor hoeveelheden boven deze contingenten bedraagt 40 % van het meestbegunstigingsrecht.

GN-code

Omschrijving

Jaarlijks contingent (in t)

1704 90 10

1704 90 30

1704 90 51

1704 90 55

1704 90 61

1704 90 65

1704 90 71

1704 90 75

1704 90 81

1704 90 99

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen), andere dan kauwgom, geen cacao bevattend

1 250

1806

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten

2 410

1905

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel

4 390

2105 00

Consumptie-ijs, ook indien cacao bevattend

1 430

2202

Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, alsmede andere alcoholvrije dranken, andere dan de vruchten- en groentesappen bedoeld bij post 2009

18 100

Lijst 4: Contingenten en rechten die bij invoer in Kroatië van toepassing zijn op goederen van oorsprong uit de Gemeenschap

Aantekening: De producten in deze tabel komen binnen de hieronder vermelde jaarlijkse contingenten voor een nulrecht in aanmerking. Voor de hoeveelheden boven de contingenten gelden de voorwaarden van bijlage II, lijst 1, bij protocol nr. 3.

GN-code

Omschrijving

Jaarlijks contingent (in t)

2103 90 30

2103 90 90

Aromatische bitters met een alcoholvolumegehalte van 44,2 of meer doch niet meer dan 49,2 % vol., bevattende 1,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten gentianine, kruiden en diverse ingrediënten en met een suikergehalte van 4 of meer doch niet meer dan 10 gewichtspercenten, in verpakkingen met een inhoudsruimte van niet meer dan 0,5 l; andere sausen en preparaten voor sausen; samengestelde kruiderijen en dergelijke producten, tomatenketchup en andere tomatensausen; mangochutney, vloeibaar

300

BIJLAGE IX

BIJLAGE I

OVEREENKOMST

TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE REPUBLIEK KROATIË BETREFFENDE WEDERZIJDSE PREFERENTIËLE HANDELSCONCESSIES VOOR BEPAALDE WIJNEN

1.

Concessies van toepassing op de invoer van producten van oorsprong uit Kroatië in de Gemeenschap met ingang van 1 augustus 2007:

GN-code

Omschrijving

Recht

Jaarlijkse hoeveelheid (hl)

Jaarlijkse toename (hl)