ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 283

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
28 oktober 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 1054/2008 van de Commissie van 27 oktober 2008 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1055/2008 van de Commissie van 27 oktober 2008 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 184/2005 van het Europees Parlement en de Raad, wat de kwaliteitscriteria en de kwaliteitsrapporten voor betalingsbalansstatistieken betreft

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1056/2008 van de Commissie van 27 oktober 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2042/2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen ( 1 )

5

 

*

Verordening (EG) nr. 1057/2008 van de Commissie van 27 oktober 2008 tot wijziging van aanhangsel II van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1702/2003 betreffende het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid (EASA-formulier 15a) ( 1 )

30

 

*

Verordening (EG) nr. 1058/2008 van de Commissie van 27 oktober 2008 tot annulering van de registratie van een benaming die is geregistreerd in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Arroz del Delta del Ebro (BGA))

32

 

*

Verordening (EG) nr. 1059/2008 van de Commissie van 27 oktober 2008 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Arroz del Delta del Ebro of Arròs del Delta de l’Ebre (BOB))

34

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (Gecodificeerde versie) ( 1 )

36

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2008/815/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 20 oktober 2008 tot goedkeuring van bepaalde nationale programma’s voor de bestrijding van salmonella bij koppels slachtkuikens van Gallus gallus (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 5699)  ( 1 )

43

 

 

2008/816/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 20 oktober 2008 tot wijziging van Beschikking 2003/467/EG wat betreft de erkenning van bepaalde bestuurlijke gebieden van Polen als officieel vrij van enzoötische boviene leukose (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 5987)  ( 1 )

46

 

 

2008/817/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 22 oktober 2008 tot wijziging van Beschikking 2007/777/EG wat betreft de invoer in de Gemeenschap van bepaalde vleesproducten uit Nieuw-Caledonië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6050)  ( 1 )

49

 

 

 

*

Bericht aan de lezer (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/1


VERORDENING (EG) Nr. 1054/2008 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2008

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 oktober 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

106,4

MA

44,4

MK

35,9

TR

70,0

ZZ

64,2

0707 00 05

JO

162,5

TR

131,2

ZZ

146,9

0709 90 70

TR

134,0

ZZ

134,0

0805 50 10

AR

108,8

MA

95,3

TR

96,6

ZA

85,2

ZZ

96,5

0806 10 10

BR

231,8

TR

117,8

US

240,8

ZZ

196,8

0808 10 80

CA

96,2

CN

90,8

MK

37,6

NZ

74,2

US

144,3

ZA

88,8

ZZ

88,7

0808 20 50

CL

60,3

CN

64,9

TR

125,5

ZA

94,6

ZZ

86,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/3


VERORDENING (EG) Nr. 1055/2008 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2008

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 184/2005 van het Europees Parlement en de Raad, wat de kwaliteitscriteria en de kwaliteitsrapporten voor betalingsbalansstatistieken betreft

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 184/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen (1), en met name op artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 184/2005 stelt een gemeenschappelijk kader vast voor de systematische productie van communautaire statistieken over de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen.

(2)

Ingevolge artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 184/2005 moeten de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen, alsmede de inhoud en de frequentie van de kwaliteitsrapporten worden vastgesteld.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij Verordening (EG) nr. 184/2005 ingestelde Betalingsbalanscomité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De lidstaten dienen elk jaar een kwaliteitsrapport in, dat is opgesteld in overeenstemming met de in de bijlage neergelegde regels.

Artikel 2

De lidstaten dienen hun kwaliteitsrapport elk jaar uiterlijk op 30 november in.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2008.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 35 van 8.2.2005, blz. 23.


BIJLAGE

1.   Inleiding

Het kwaliteitsrapport bevat zowel kwantitatieve als kwalitatieve kwaliteitsindicatoren. De Commissie (Eurostat) verstrekt voor elke lidstaat de resultaten van de kwantitatieve indicatoren, berekend op basis van de ingediende gegevens. De lidstaten interpreteren en becommentariëren deze resultaten in het licht van hun verzamelmethoden.

2.   Tijdschema

Elk jaar verstrekt de Commissie (Eurostat) de lidstaten uiterlijk eind oktober ontwerpdocumenten voor de kwaliteitsrapporten, die al gedeeltelijk zijn ingevuld met de meeste kwantitatieve indicatoren en met andere informatie waarover de Commissie (Eurostat) beschikt.

Elk jaar dienen de lidstaten uiterlijk op 30 november de ingevulde kwaliteitsrapporten bij de Commissie (Eurostat) in.

3.   Kwaliteitscriteria

De volgende kwaliteitscriteria worden relevant geacht: tijdigheid en dekking van de gegevens, degelijkheid van de methoden, stabiliteit, plausibiliteit, samenhang en nauwkeurigheid. De component „nauwkeurigheid” is begripsmatig wel van belang, maar zal afzonderlijk als nevencomponent worden behandeld omdat die met de kwaliteit aan de inputzijde samenhangt.

3.1.   Tijdigheid en dekking van de gegevens die bij de Commissie (Eurostat) worden ingediend

Deze component heeft betrekking op de inachtneming van de termijnen voor de indiening van de gegevens en op de beschikbaarheid van de gegevens voor de referentieperioden met de juiste geografische indeling en de juiste indeling naar post en economische activiteit.

3.2.   Degelijkheid van de methoden

De degelijkheid van de methoden heeft betrekking op de naleving van internationaal aanvaarde normen, richtsnoeren en goede praktijken.

In het kader van deze component wordt een beperkt aantal van jaar tot jaar verschillende vragen over de methodiek gesteld, waarbij het zwaartepunt op de naleving van de internationaal overeengekomen normen ligt. De lidstaten beschrijven ook de belangrijkste methodologische veranderingen tijdens de referentieperiode en de invloed ervan op de kwaliteit van de gegevens.

3.3.   Stabiliteit

De stabiliteit heeft betrekking op de mate waarin de uiteindelijke waarde overeenkomt met de aanvankelijk geschatte waarde.

Het gaat hierbij om een onderzoek naar de omvang en de richting van de herzieningen, alsmede om de mate van overeenstemming tussen de trend op basis van de aanvankelijke schattingen en die op basis van de uiteindelijke schattingen.

3.4.   Plausibiliteit

Plausibiliteit betekent dat er geen onverklaarde veranderingen zijn.

De lidstaten evalueren hun interne controleprocedures (sterke en zwakke punten) en beschrijven nieuwe plannen voor verbetering.

3.5.   Samenhang

Er moet zowel naar de samenhang binnen de geleverde dataset (interne samenhang), als naar de samenhang met andere soortgelijke datasets (externe samenhang) worden gekeken.

3.6.   Nauwkeurigheid

Nauwkeurigheid heeft betrekking op de mate waarin de (uiteindelijke) schatting overeenkomt met de werkelijke waarde voor de populatie.

Dit omvat een beschrijvende analyse van de belangrijkste uitdagingen ter verbetering van de dekking, op basis van een reeks parameters. Dit criterium wordt behandeld als een aanvullende kwaliteitscomponent, waarmee geen rekening wordt gehouden bij de algemene kwaliteitsbeoordeling.


28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/5


VERORDENING (EG) Nr. 1056/2008 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2042/2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gelet op Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name op artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 7, lid 6, van Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (2), heeft het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna „het Agentschap” genoemd) een evaluatie gemaakt van de gevolgen van de bepalingen uit bijlage I (deel M) van die verordening.

(2)

Het Agentschap heeft vastgesteld dat de huidige bepalingen van bijlage I (deel M) bij Verordening (EG) nr. 2042/2003 te strikte eisen opleggen aan luchtvaartuigen die geen commercieel luchttransport uitvoeren en met name aan luchtvaartuigen die niet tot de categorie „complexe motoraangedreven luchtvaartuigen” behoren.

(3)

Wegens het verstrijken van de periode waarbinnen de lidstaten de mogelijkheid hadden om een afwijking te vragen voor luchtvaartuigen die geen commercieel luchttransport uitvoeren, als bepaald in artikel 7, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 2042/2003, wat de meeste lidstaten ook hebben gedaan, zijn de bepalingen van bijlage I (deel M) vanaf 28 september 2008 volledig van toepassing in alle lidstaten, tenzij tijdig wijzigingen worden goedgekeurd.

(4)

Het Agentschap acht het aangewezen om ingrijpende wijzigingen aan te brengen in Verordening (EG) nr. 2042/2003, en met name in bijlage I (deel M), teneinde de bestaande vereisten aan te passen aan de complexiteit van de verschillende categorieën luchtvaartuigen en soorten luchtvaartactiviteiten, zonder de veiligheid in het gedrang te brengen.

(5)

Om de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de betrokken partijen de kans te geven zich voldoende vertrouwd te maken met de nieuwe vereisten van deel M, en om zich eraan aan te passen, moeten zij de mogelijkheid krijgen de toepassing van deel M op luchtvaartuigen die geen commercieel luchttransport uitvoeren voor een periode van één of twee jaar uit te stellen, naargelang de bepalingen in kwestie.

(6)

Verordening (EG) nr. 2042/2003 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De bepalingen van deze verordening houden rekening met de mededeling van de Commissie van 11 januari 2008 — „Een agenda voor een duurzame toekomst van de algemene en zakenluchtvaart” (3).

(8)

De maatregelen in deze verordening zijn gebaseerd op het advies dat het Agentschap heeft uitgebracht in overeenstemming met artikel 17, lid 2, onder b), en artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2042/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 2 worden de volgende punten k) en l) toegevoegd:

„k)

„ELA1-luchtvaartuig” (ELA — European Light Aircraft):

i)

een vleugelvliegtuig, zweefvliegtuig of gemotoriseerd zweefvliegtuig met een maximale startmassa van minder dan 1 000 kg dat niet geclassificeerd is als complex motoraangedreven luchtvaartuig;

ii)

een ballon ontworpen voor een gas- of heteluchtvolume van ten hoogste 3 400 m3 voor heteluchtballonnen, 1 050 m3 voor gasballonnen, 300 m3 voor Rozier-ballonnen;

iii)

een zeppelin ontworpen voor maximaal twee inzittenden en een gas- of heteluchtvolume van ten hoogste 2 500 m3 voor heteluchtzeppelins en 1 000 m3 voor gaszeppelins,

l)

„LSA-luchtvaartuig” (LSA — Light Sport Aeroplane): een licht sportvliegtuig met de volgende kenmerken:

i)

een maximale startmassa van ten hoogste 600 kg;

ii)

een maximale overtreksnelheid in de landingsconfiguratie (VS0) van ten hoogste 45 knopen gekalibreerde luchtsnelheid (Calibrated Air Speed (CAS)) bij de hoogste gecertificeerde vertrekmassa en de meest kritische zwaartepuntligging van het luchtvaartuig;

iii)

niet meer dan twee zitplaatsen, waarvan één voor de piloot;

iv)

een enkele niet-turbinemotor uitgerust met een propeller;

v)

zonder drukkajuit.”

2.

In artikel 3 wordt lid 4 toegevoegd:

„4.   Elk certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid of een gelijkwaardig document afgegeven in overeenstemming met de nationale voorschriften en geldig op 28 september 2008 voor luchtvaartuigen die niet in het commerciële luchttransport worden gebruikt, is geldig tot de vervaldatum of tot 28 september 2009 indien dit eerder is. Nadat de geldigheidstermijn is verstreken, kan de bevoegde autoriteit het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid of een gelijkwaardig document opnieuw afgeven voor één jaar dan wel eenmalig verlengen met één jaar indien de nationale voorschriften zulks toestaan. Nadat ook die termijn is verstreken kan de bevoegde autoriteit het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid of een gelijkwaardig document opnieuw afgeven voor één jaar dan wel eenmalig verlengen met één jaar indien de nationale voorschriften zulks toestaan. Daarna is het opnieuw afgeven of verlengen van dit certificaat of een gelijkwaardig document niet meer toegestaan. Indien op grond van deze bepalingen de registratie van luchtvaartuigen binnen de Europese Unie wordt overgedragen, wordt een nieuw certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid afgegeven overeenkomstig punt M.A. 904.”.

3.

In artikel 4 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:

„4.   Bewijzen van vrijgave voor gebruik en certificaten van geschiktheid voor gebruik die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn afgegeven door een overeenkomstig de nationale voorschriften erkende onderhoudsorganisatie worden gelijkwaardig geacht aan de vereiste certificaten in het kader van de punten M.A.801 en M.A.802 van bijlage I (deel M), naargelang van het geval.”.

4.

Artikel 5, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Certificeringspersoneel is gekwalificeerd in overeenstemming met de bepalingen van bijlage III, uitgezonderd de bepalingen in de punten M.A.606(h), M.A.607(b), M.A.801(d) en M.A.803 van bijlage I en in punt 145.A.30(j) van bijlage II (deel 145) en aanhangsel IV bij bijlage II (deel 145).”.

5.

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   In afwijking van lid 1:

a)

zijn de bepalingen van bijlage I, uitgezonderd de punten M.A.201(h)(2) en M.A.708(c), van toepassing vanaf 28 september 2005;

b)

is punt M.A.201(f) van bijlage I bij toepassing op luchtvaartuigen van exploitanten uit derde landen die geen commercieel luchttransport uitvoeren vanaf 28 september 2009.”,

b)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) komt als volgt te luiden:

„a)

de bepalingen van bijlage I voor luchtvaartuigen die geen commercieel luchttransport uitvoeren, tot uiterlijk 28 september 2009;”

ii)

het volgende punt g) wordt toegevoegd:

„g)

de vereiste voor luchtvaartuigen die geen commercieel luchttransport uitvoeren, behalve grote luchtvaartuigen, om in de volgende bepalingen tot 28 september 2010 te voldoen aan bijlage III (deel 66):

M.A.606(g) en M.A.801(b)2 van bijlage I (deel M),

145.A.30(g) en (h) van bijlage II (deel 145).”.

6.

De bijlagen I en II worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die van haar publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2008.

Voor de Commissie

Antonio TAJANI

Vicevoorzitter


(1)  PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.

(2)  PB L 315 van 28.11.2003, blz. 1.

(3)  COM(2007) 869 def.


BIJLAGE

1.

Bijlage I (deel M) bij Verordening (EG) nr. 2042/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In punt M.1, lid 4, wordt het volgende punt iii) toegevoegd:

„iii)

In afwijking van lid 4, onder i), wanneer de permanente luchtwaardigheid van een niet voor commercieel luchttransport gebruikt luchtvaartuig wordt beheerd door een krachtens sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M), erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid die niet onderworpen is aan het toezicht door de lidstaat van registratie en enkel in afspraak met de lidstaat van registratie vóór de goedkeuring van het onderhoudsprogramma:

a)

de door de lidstaat aangewezen instantie die belast is met het toezicht op de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, of

b)

het Agentschap indien de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid in een derde land is gevestigd.”.

2)

In punt M.A.201 wordt punt e) vervangen door:

„e)

Om te voldoen aan de verantwoordelijkheden uit hoofde van punt a),

i)

kan de eigenaar van een luchtvaartuig de met de permanente luchtwaardigheid verbonden taken uitbesteden aan een overeenkomstig sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M) erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid. In dit geval is de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van deze taken.

ii)

Een eigenaar die zelf de permanente luchtwaardigheid van zijn luchtvaartuig wenst te beheren, zonder contract in de zin van aanhangsel I, kan niettemin een beperkt contract afsluiten met een overeenkomstig sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M) erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, voor de ontwikkeling van het onderhoudsprogramma en de goedkeuring ervan overeenkomstig punt M.A. 302. In dat geval wordt via het beperkte contract de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en goedkeuring van het onderhoudsprogramma overgedragen aan de gecontracteerde managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid.”.

3)

Onder punt M.A. 201, komt de inleidende zin van punt i) als volgt te luiden: „Wanneer een exploitant door een lidstaat wordt verzocht om voor zijn commerciële activiteiten, andere dan commercieel luchttransport, over een vergunning te beschikken, dan dient hij:”.

4)

In punt M.A.202 wordt punt a) vervangen door:

„a)

Elke conform punt M.A.201 verantwoordelijke persoon of organisatie rapporteert elke vastgestelde toestand van een luchtvaartuig of onderdeel die de vliegveiligheid in het gedrang brengt aan de door de lidstaat van registratie aangeduide bevoegde autoriteit, de organisatie die verantwoordelijk is voor het typeontwerp of aanvullende typeontwerp en, indien toepasselijk, de lidstaat van de exploitant.”.

5)

Punt M.A.302 wordt als volgt vervangen:

„M.A.302   Onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen

a)

Het onderhoud van een luchtvaartuig gebeurt aan de hand van een onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen.

b)

Het onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen en alle daaropvolgende wijzigingen dienen te worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.

c)

Als de permanente luchtwaardigheid van het luchtvaartuig wordt beheerd door een overeenkomstig sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M) erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, mogen het onderhoudsprogramma en de wijzigingen worden goedgekeurd via een indirecte goedkeuringsprocedure.

i)

In dat geval wordt de indirecte goedkeuringsprocedure vastgesteld door de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid in het kader van de beschrijving van het beheer van de permanente luchtwaardigheid en wordt ze goedgekeurd door de bevoegde autoriteit die voor die managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid verantwoordelijk is.

ii)

De managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid maakt geen gebruik van de procedure voor indirecte goedkeuring indien de organisatie niet onder toezicht staat van de lidstaat van registratie, tenzij in overeenstemming met punt M.1, lid 4, punt ii) of iii), naar gelang van toepassing, is overeengekomen de verantwoordelijkheid voor de goedkeuring van het onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen over te dragen aan de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid.

d)

Het onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen dient in overeenstemming te zijn met:

i)

instructies van de bevoegde autoriteit;

ii)

instructies inzake de permanente luchtwaardigheid, gegeven door de houder van het typecertificaat, het beperkt typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de goedkeuring van het ontwerp voor een grote reparatie, een ETSO-autorisatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1702/2003 en de bijlage (deel 21);

iii)

aanvullende of andere instructies van de eigenaar of van de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, zodra die zijn goedgekeurd overeenkomstig punt M.A. 302, behalve wat betreft de intervallen van veiligheidstaken als bedoeld in punt e), die mogen worden uitgebreid, op voorwaarde dat ze in het kader van punt g) een positieve herbeoordeling ondergaan en overeenkomstig punt M.A.302(b) het voorwerp hebben uitgemaakt van een rechtstreekse goedkeuring.

e)

Het onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen dient de details incl. de frequentie te bevatten van alle uit te voeren onderhoudstaken, met inbegrip van specifieke taken die verband houden met het soort en het specifieke karakter van de vluchten.

f)

Voor grote luchtvaartuigen dient het onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen een betrouwbaarheidsprogramma te omvatten wanneer het is gebaseerd op logica van de onderhoudsstuurgroep of op conditietoezicht.

g)

Het onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen wordt periodiek herbeoordeeld en zo nodig bijgewerkt. De herbeoordelingen waarborgen dat het programma effectief blijft in het licht van tijdens de exploitatie opgedane ervaring en instructies van de bevoegde autoriteit, terwijl rekening wordt gehouden met nieuwe en/of gewijzigde onderhoudsinstructies van houders van typecertificaten en van aanvullende typecertificaten en door elke andere organisatie die dergelijke gegevens conform de bijlage (deel 21) bij Verordening (EG) nr. 1702/2003 publiceert.”.

6)

In punt M.A.305 komt punt b) als volgt te luiden:

„b)

De administratie van de permanente luchtwaardigheid van een luchtvaartuig dient te bestaan uit:

1.

een luchtvaartuiglogboek, motorlogboek(en) of motormodulelogkaarten, propellerlogboek(en) en logkaarten voor elk onderdeel met beperkte levensduur, en

2.

indien vereist onder punt M.A.306 voor commercieel luchttransport of door de lidstaat voor commerciële activiteiten, andere dan commercieel luchttransport, het technisch logboek van de exploitant.”.

7)

In M.A.403(b) wordt „volgens M.A.801(b)1, M.A.801(b)2 of deel 145” vervangen door „volgens M.A.801(b)1, M.A.801(b)2, M.A.801(c), M.A.801(d) of bijlage II, deel 145”.

8)

In punt M.A. 501, onder a), worden de woorden „tenzij in deel 145 en subdeel F anders is bepaald” vervangen door de woorden „tenzij in de bijlage (deel 21) bij Verordening (EG) nr. 1702/2003, bijlage II (deel 145) of subdeel F, sectie A, van bijlage I bij deze verordening anders is bepaald”.

9)

Punt M.A.502 wordt als volgt vervangen:

„M.A.502   Onderdelenonderhoud

a)

Het onderdelenonderhoud dient te worden uitgevoerd door de onderhoudsorganisaties die krachtens sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) of bijlage II (deel 145) op gepaste manier zijn erkend.

b)

In afwijking van a) mag onderhoud van een onderdeel in overeenstemming met gegevens over het onderhoud van luchtvaartuigen of, indien overeengekomen met de bevoegde autoriteit, in overeenstemming met gegevens over het onderhoud van onderdelen, worden uitgevoerd door een krachtens sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) of bijlage II (deel 145) erkende organisatie met een classificatie categorie A alsmede door krachtens M.A.801(b)2 erkend certificeringspersoneel, maar alleen wanneer die onderdelen op het luchtvaartuig zijn gemonteerd. Een dergelijke organisatie of certificeringspersoneel mag een dergelijk onderdeel voor onderhoud nochtans tijdelijk demonteren om de toegang tot het onderdeel te vergemakkelijken, tenzij de demontage extra onderhoudswerk doet ontstaan waarin de bepalingen van deze paragraaf niet voorzien. Onderdelenonderhoud dat in overeenstemming met deze paragraaf is uitgevoerd, komt niet in aanmerking voor verstrekking van een EASA-formulier 1 en moet voldoen aan de in punt M.A.801 bepaalde vereisten inzake de vrijgave van een luchtvaartuig.

c)

In afwijking van a) mag onderhoud van een motor/APU (Auxiliary Power Unit) in overeenstemming met gegevens over het onderhoud van motoren/APU’s of, indien overeengekomen met de bevoegde autoriteit, in overeenstemming met gegevens over het onderhoud van onderdelen, worden uitgevoerd door een krachtens sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) of bijlage II (deel 145) erkende organisatie met een classificatie categorie B, maar alleen wanneer die onderdelen op de motor/APU zijn gemonteerd. Een dergelijke organisatie met een classificatie categorie B mag een dergelijk onderdeel voor onderhoud nochtans tijdelijk demonteren om de toegang tot het onderdeel te vergemakkelijken, tenzij de demontage extra onderhoudswerk doet ontstaan waarin de bepalingen van deze paragraaf niet voorzien.

d)

In afwijking van a) en punt M.A.801(b)2 mag onderhoud aan een gemonteerd of tijdelijk gedemonteerd onderdeel van een ELA1-luchtvaartuig dat niet in het commercieel luchttransport wordt gebruikt, indien het geschiedt overeenkomstig de gegevens voor onderhoud van onderdelen, worden uitgevoerd door krachtens M.A.801(b)2 erkend certificeringspersoneel, tenzij het gaat om:

1.

revisie van andere onderdelen dan motoren of propellers, en

2.

revisie van motoren en propellers voor andere luchtvaartuigen dan CS-VLA-, CS-22- en LSA-luchtvaartuigen.

Onderdelenonderhoud dat overeenkomstig d) is uitgevoerd, komt niet in aanmerking voor verstrekking van een EASA-formulier 1 en moet voldoen aan de in punt M.A.801 bepaalde vereisten inzake de vrijgave van een luchtvaartuig.”.

10)

Punt M.A.503 wordt als volgt vervangen:

„M.A.503   Onderdelen met beperkte levensduur

Geïnstalleerde onderdelen met beperkte levensduur mogen de goedgekeurde levensduurbeperking niet overschrijden zoals gespecificeerd in het goedgekeurde onderhoudsprogramma en de luchtwaardigheidsrichtlijnen, met uitzondering van het bepaalde in M.A.504(c).”.

11)

In punt M.A.504 komt punt b) als volgt te luiden:

„b)

Onbruikbare onderdelen moeten worden geïdentificeerd en opgeslagen op een veilige plaats en onder controle van een erkende onderhoudsorganisatie, tot een beslissing is genomen over de verdere status van een dergelijk onderdeel. Voor niet in het commercieel luchttransport gebruikte luchtvaartuigen, behalve grote luchtvaartuigen, kan de persoon of organisatie die het onderdeel onbruikbaar verklaarde, het beheer over het onderdeel na het als onbruikbaar te hebben aangemerkt nochtans overdragen aan de eigenaar van het luchtvaartuig, mits de overdracht in het luchtvaartuig-, motor-, of componentlogboek wordt vermeld.”.

12)

Punt M.A.601 wordt als volgt vervangen:

„M.A.601   Toepassingsgebied

In dit subdeel worden de vereisten bepaald waaraan een organisatie moet voldoen om in aanmerking te komen voor afgifte of voortzetting van een goedkeuring voor het onderhoud van luchtvaartuigen en onderdelen die niet zijn opgesomd in M.A.201(g).”.

13)

In punt M.A.604(a), komen de punten 5 en 6 als volgt te luiden:

„5.

een lijst van het certificeringspersoneel en de certificeringsactiviteiten waarvoor het gekwalificeerd is, en;

6.

een lijst met locaties waar onderhoud plaatsvindt, samen met een algemene beschrijving van de aanwezige voorzieningen;”.

14)

In punt M.A.606 wordt het volgende punt h) toegevoegd:

„h)

In afwijking van g) mag de organisatie, indien zij ondersteuning bij het onderhoud verleent aan exploitanten van het commerciële luchtverkeer, gebruikmaken van personeel dat gekwalificeerd is in overeenstemming met de volgende bepalingen, voor zover de gepaste procedures zijn goedgekeurd in het kader van het handboek van de organisatie:

1.

voor een regelmatig aan de vlucht voorafgaand luchtwaardigheidsvoorschrift waarin specifiek wordt gesteld dat de vliegtuigbemanning dit luchtwaardigheidsvoorschrift mag uitvoeren, mag de organisatie de gezagvoerder van het luchtvaartuig een beperkte toestemming van certificeringspersoneel toekennen op grond van de bevoegdverklaring in het bezit van de bemanning, op voorwaarde dat de organisatie garandeert dat genoemde gezagvoerder voldoende praktische training heeft ondergaan om te waarborgen dat deze in staat is het luchtwaardigheidsvoorschrift overeenkomstig de vereiste norm uit te voeren;

2.

in het geval van een vlucht van een luchtvaartuig vanuit een onderhoudslocatie, mag de organisatie een beperkte toestemming van certificeringspersoneel toekennen aan de gezagvoerder op grond van de bevoegdverklaring in het bezit van de bemanning, op voorwaarde dat de organisatie garandeert dat genoemde gezagvoerder voldoende praktische training heeft ondergaan om te waarborgen dat deze de vastgestelde taak overeenkomstig de vereiste norm kan uitvoeren.”.

15)

Punt M.A.607 wordt als volgt vervangen:

„M.A.607   Certificeringspersoneel

a)

Naast M.A.606(g) kan certificeringspersoneel zijn bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien de organisatie ervoor heeft gezorgd:

1.

dat het certificeringspersoneel kan aantonen dat het voldoet aan de vereisten van punt 66.A.20(b) van bijlage III (deel 66), tenzij in bijlage III (deel 66) wordt verwezen naar de regelgeving van de lidstaat, in welk geval het dient te beantwoorden aan de vereisten van die regelgeving, en

2.

dat het certificeringspersoneel een adequaat begrip heeft van het desbetreffende, te onderhouden luchtvaartuig en/of luchtvaartuigonderdeel(en), en tevens van de ermee verbonden organisatieprocedures.

b)

In volgende onvoorziene gevallen, wanneer een luchtvaartuig elders dan op de hoofdbasis aan de grond wordt gehouden, op een locatie waar geen geschikt certificeringspersoneel aanwezig is, mag de onderhoudsorganisatie die werd gecontracteerd voor onderhoudsondersteuning een eenmalige certificeringsvergunning afgeven:

1.

aan een van zijn werknemers die een typekwalificatie bezit op een luchtvaartuig van een soortgelijke technologie, constructie en systemen, of

2.

aan een persoon met minimaal drie jaar onderhoudservaring die in het bezit is van een geldige ICAO-onderhoudsvergunning voor luchtvaartuigen met bevoegdheid voor het type luchtvaartuig dat gecertificeerd moet worden, vooropgesteld dat er op genoemde locatie geen organisatie is die over de geschikte goedkeuring overeenkomstig het onderhavige deel beschikt, en de contracterende organisatie bewijzen aangaande de ervaring en de vergunning van genoemde persoon verkrijgt en registreert.

Alle dergelijke gevallen dienen aan de bevoegde autoriteit te worden gemeld binnen de zeven dagen na de afgifte van een dergelijke certificeringsvergunning. De erkende onderhoudsorganisatie die de eenmalige certificeringsvergunning afgeeft, dient ervoor te zorgen dat elk onderhoud, dat de vliegveiligheid kan beïnvloeden, opnieuw wordt gecontroleerd.

c)

De erkende onderhoudsorganisatie dient alle details i.v.m. het certificeringspersoneel in te schrijven en een lopende lijst van alle certificeringspersoneel bij te houden, samen met de reikwijdte van de erkenning als onderdeel van het handboek van de organisatie overeenkomstig M.A.604(a)5”.

16)

In punt M.A.608, onder a), wordt punt 1 als volgt vervangen:

„1.

de uitrusting en de gereedschappen te bezitten, zoals gespecificeerd in de in punt M.A.609 vervatte onderhoudsgegevens of geverifieerde gelijkwaardige gegevens als bedoeld in het handboek van de onderhoudsorganisatie, die noodzakelijk zijn voor het routineonderhoud binnen het toepassingsgebied van de erkenning, en”.

17)

Punt M.A.610 wordt als volgt vervangen:

„M.A.610   Onderhoudswerkopdrachten

Vóór de aanvang van het onderhoud moet een schriftelijke werkopdracht overeengekomen worden tussen de organisatie en de om onderhoud verzoekende organisatie teneinde duidelijk het uit te voeren onderhoud vast te leggen.”.

18)

In punt M.A.613 wordt punt a) vervangen door:

„a)

Bij de voltooiing van alle vereiste onderdelenonderhoud conform onderhavig subdeel, dient overeenkomstig punt M.A.802 een bewijs van vrijgave voor gebruik voor onderdelen te worden afgegeven. EASA-formulier 1 wordt afgegeven voor alle onderdelen, behalve voor onderdelen die zijn onderhouden conform de punten M.A.502(b) en M.A.502(d) en onderdelen die zijn vervaardigd conform punt M.A.603(b).”.

19)

Punt M.A.615 wordt als volgt vervangen:

„M.A.615   Bevoegdheden van de organisatie

De overeenkomstig sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) erkende organisatie mag:

a)

elk luchtvaartuig en/of onderdeel waarvoor ze werd erkend, onderhouden in de locaties die in het erkenningscertificaat en in het handboek van de onderhoudsorganisatie gespecificeerd zijn;

b)

gespecialiseerde diensten laten verrichten bij een andere passend gekwalificeerde organisatie onder controle van de onderhoudsorganisatie en overeenkomstig de gepaste procedures die deel uitmaken van het door de bevoegde autoriteit goedgekeurde handboek van de onderhoudsorganisatie;

c)

op elke plaats elk luchtvaartuig en/of luchtvaartuigonderdeel onderhouden waarvoor erkenning is afgegeven naar aanleiding van de noodzaak dergelijk onderhoud uit te voeren als gevolg van ofwel de onbruikbare staat van het luchtvaartuig ofwel de noodzaak van ondersteunend incidenteel onderhoud, behoudens de in het handboek van de onderhoudsorganisatie uiteengezette voorwaarden;

d)

bewijzen van vrijgave voor gebruik afgeven bij voltooiing van onderhoud conform punt M.A.612 of punt M.A.613.”.

20)

Punt M.A.703 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) komt als volgt te luiden:

„a)

De goedkeuring wordt aangegeven op een door de bevoegde autoriteit afgegeven certificaat (zie bijlage VI).”;

ii)

het volgende punt c) wordt toegevoegd:

„c)

De reikwijdte van de goedkeuring wordt overeenkomstig punt M.A.704 bepaald in de beschrijving van het beheer van de permanente luchtwaardigheid.”.

21)

Punt M.A.704 wordt als volgt gewijzigd:

i)

onder a) komt punt 3 als volgt te luiden:

„3.

de titel(s) en na(a)m(en) van personen waarnaar wordt verwezen in de punten M.A.706(a), M.A.706(c), M.A.706(d) en M.A.706(i);”;

ii)

onder a) wordt het volgende punt 9 toegevoegd:

„9.

de lijst met goedgekeurde onderhoudsprogramma's voor luchtvaartuigen of, voor luchtvaartuigen die geen commercieel luchttransport uitvoeren, de lijst met „generieke” en „basis”-onderhoudsprogramma's”;

iii)

punt c) komt als volgt te luiden:

„c)

Niettegenstaande b) kunnen via een indirecte goedkeuringsprocedure kleine wijzigingen in het handboek indirect worden goedgekeurd. De kleine wijziging wordt bepaald in de indirecte goedkeuringsprocedure, die door de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid wordt vastgesteld als onderdeel van het handboek en wordt goedgekeurd door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor die managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid.”.

22)

Aan punt M.A.706 worden de volgende punten i) en j) toegevoegd:

„i)

Voor organisaties die certificaten van herbeoordeling van de luchtwaardigheid verlengen overeenkomstig de punten M.A.711(a)4 en M.A.901(f), duidt de organisatie de daartoe bevoegde personen aan, na goedkeuring van de bevoegde autoriteit.

j)

De organisatie definieert en actualiseert in de beschrijving van het beheer van de permanente luchtwaardigheid de titel(s) en na(a)m(en) van personen waarnaar wordt verwezen in de punten M.A.706(a), M.A.706(c), M.A.706(d) en M.A.706(i).”.

23)

In punt M.A.707 wordt punt a) vervangen door:

„a)

Om toestemming te krijgen voor het uitvoeren van herbeoordelingen van de luchtwaardigheid, dient een erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid over het geschikte luchtwaardigheidspersoneel te beschikken om de in subdeel I van sectie A bedoelde herzieningscertificaten of aanbevelingen uit te geven.

1.

Voor alle in het commercieel luchttransport gebruikte luchtvaartuigen, en luchtvaartuigen met een maximale startmassa van meer dan 2 730 kg, behalve ballonnen, dient dit personeel te beschikken over:

a.

ten minste vijf jaar ervaring op het gebied van permanente luchtwaardigheid, en

b.

een gepaste licentie overeenkomstig bijlage III (deel 66) of een nationaal erkende en voor de luchtvaartuigcategorie geschikte kwalificatie voor onderhoudspersoneel (indien bijlage III (deel 66) verwijst naar nationale regelgeving) of een luchtvaartdiploma of equivalent, en

c.

formele training in luchtvaartonderhoud, en

d.

een positie binnen de erkende organisatie met gepaste verantwoordelijkheden.

e.

onverminderd de punten „a” tot „d” kan de in punt M.A.707(a)1(b) bepaalde vereiste worden vervangen door vijf jaar ervaring in permanente luchtwaardigheid aanvullend op die welke reeds ingevolge punt M.A.707(a)1a is voorgeschreven.

2.

Voor alle niet in het commercieel luchttransport gebruikte luchtvaartuigen met een maximale startmassa van 2 730 kg of lager, en ballonnen, dient dit personeel te beschikken over:

a.

ten minste drie jaar ervaring in permanente luchtwaardigheid, en

b.

een gepaste licentie overeenkomstig bijlage III (deel 66) of een nationaal erkende en voor de luchtvaartuigcategorie geschikte kwalificatie voor onderhoudspersoneel (indien bijlage III (deel 66) verwijst naar nationale regelgeving) of een luchtvaartdiploma of equivalent, en

c.

geschikte training in luchtvaartonderhoud, en

d.

een positie binnen de erkende organisatie met gepaste verantwoordelijkheden.

e.

Onverminderd de punten „a” tot „d” kan de in punt M.A.707(a)2b bepaalde vereiste worden vervangen door vier jaar ervaring in permanente luchtwaardigheid aanvullend op die welke reeds ingevolge punt M.A.707(a)2a is voorgeschreven.”.

24)

In punt M.A.708(b) wordt punt 2 als volgt vervangen:

„2.

het onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen en de wijzigingen daarvan ter goedkeuring voorleggen aan de bevoegde autoriteit, indien nog niet bestreken door een procedure voor indirecte goedkeuring in overeenstemming met punt M.A.302(c), en een kopie van het programma bezorgen aan de eigenaar van niet-commercieel ingezette luchtvaartuigen,”.

25)

Punt M.A.709 wordt als volgt vervangen:

„M.A.709   Documentatie

a)

De erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid dient geldende onderhoudsgegevens te bezitten en te gebruiken overeenkomstig punt M.A.401 voor het uitvoeren van permanente luchtwaardigheidstaken als bedoeld in punt M.A.708. Deze gegevens kunnen verstrekt worden door de eigenaar of door de exploitant, op voorwaarde dat er een geschikt contract is gesloten met die eigenaar of exploitant. In dat geval dient de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid deze gegevens enkel tijdens de duur van het contract te bewaren, behalve indien anders bepaald in punt M.A.714.

b)

Voor luchtvaartuigen die geen commercieel luchttransport uitvoeren, mag de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid „generieke” en/of „basis”-onderhoudsprogramma's ontwikkelen met het oog op de initiële goedkeuring en/of verlenging van de reikwijdte van de erkenning, zonder dat er sprake dient te zijn van de in aanhangsel I bij deze bijlage (deel M) bedoelde contracten. Deze „generieke” en/of „basis”-onderhoudsprogramma's sluiten niet uit dat er te gepasten tijde een onderhoudsprogramma voor luchtvaartuigen moet worden vastgesteld overeenkomstig punt M.A.302, vooraleer de in punt M.A.711 bedoelde bevoegdheden worden uitgeoefend.”.

26)

Punt M.A.711 wordt als volgt vervangen:

„M.A.711   Bevoegdheden van de organisatie

a)

Een overeenkomstig sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) erkende organisatie mag:

1.

de permanente luchtwaardigheid beheren van luchtvaartuigen voor niet-commercieel luchttransport zoals opgesomd in het goedkeuringscertificaat;

2.

de permanente luchtwaardigheid beheren van luchtvaartuigen voor commercieel luchttransport wanneer die opgesomd zijn in zowel haar goedkeuringscertificaat als haar vergunning tot vluchtuitvoering;

3.

regelingen treffen om beperkte taken van permanente luchtwaardigheid uit te voeren met een andere organisatie die binnen haar kwaliteitssysteem werkt, zoals opgesomd in het goedkeuringscertificaat;

4.

binnen de voorwaarden van punt M.A.901(f) een certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid verlengen dat door de bevoegde autoriteit of door een andere krachtens sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M) erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid is afgegeven;

b)

Een in een van de lidstaten geregistreerde, erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid kan, aanvullend, de toelating krijgen om de in punt M.A.710 bedoelde herbeoordeling van de luchtwaardigheid uit te voeren, en:

1.

het bijbehorende certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid afgeven en te gepasten tijde verlengen binnen de voorwaarden van punt M.A.901(c)2 of punt M.A.901(e)2, en

2.

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie een aanbeveling verstrekken voor de herbeoordeling van de luchtwaardigheid.”.

27)

In punt M.A.712 wordt punt f) vervangen door:

„f)

In geval van een kleine organisatie die zich niet bezighoudt met het beheer van de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen die in het commercieel luchttransport worden gebruikt, mag het kwaliteitssysteem vervangen worden door regelmatige organisatorische herzieningen, die door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd, behalve wanneer de organisatie certificaten van herbeoordeling van de luchtwaardigheid afgeeft voor luchtvaartuigen met een maximale startmassa van meer dan 2 730 kg, behalve ballonnen. Indien er geen kwaliteitssysteem is, mag de organisatie geen beheerstaken inzake permanente luchtwaardigheid uitbesteden aan andere partijen.”.

28)

In punt M.A.714, komt punt b) als volgt te luiden:

„b)

Indien de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid de in punt M.A.711(b) bedoelde bevoegdheid bezit, moet zij een kopie bewaren van elk afgegeven of, voor zover van toepassing, verlengd certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid en elke afgegeven aanbeveling, samen met alle documenten ter staving. De organisatie dient bovendien een kopie van elk certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid te bewaren dat zij heeft verlengd ingevolge de in punt M.A.711(a)4 bedoelde bevoegdheid.”.

29)

Punt M.A.801 wordt als volgt vervangen:

„M.A.801   Bewijs van vrijgave voor gebruik voor luchtvaartuigen

a)

Behalve voor luchtvaartuigen die zijn vrijgegeven voor gebruik door een overeenkomstig bijlage II (deel 145) erkende organisatie, moet het bewijs van vrijgave voor gebruik uitgereikt worden in overeenstemming met onderhavig subdeel.

b)

Een luchtvaartuig kan slechts worden vrijgegeven voor gebruik indien er een bewijs van vrijgave voor gebruik is uitgereikt na voltooiing van alle onderhoud, zodra alle vereiste onderhoud correct werd uitgevoerd, door:

1.

geschikt certificeringspersoneel namens de overeenkomstig sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) erkende onderhoudsorganisatie, of

2.

certificeringspersoneel in naleving van de in bijlage III (deel 66) bepaalde vereisten, behalve voor complexe onderhoudstaken, zoals opgesomd in aanhangsel VII bij deze bijlage, waarop punt 1 van toepassing is, of

3.

de piloot-eigenaar, zoals bepaald in punt M.A.803;

c)

In afwijking van punt M.A.801(b)2 voor ELA1-luchtvaartuigen die niet in het commercieel luchttransport worden gebruikt, mogen in aanhangsel VII opgesomde complexe onderhoudstaken voor luchtvaartuigen worden vrijgegeven door het in punt M.A.801(b)2 bedoelde certificeringspersoneel.

d)

In afwijking van punt M.A.801(b) mag de eigenaar in onvoorziene gevallen, wanneer een luchtvaartuig aan de grond wordt gehouden op een locatie waar geen in het kader van deze bijlage of bijlage II (deel 145) erkende onderhoudsorganisatie of geschikt certificeringspersoneel aanwezig is, om het even welke persoon met ten minste drie jaar gepaste onderhoudservaring en geschikte kwalificaties toestemming verlenen om onderhoud te verrichten overeenkomstig de normen zoals uiteengezet in subdeel D van deze bijlage en het luchtvaartuig vrij te geven. In dat geval:

1.

vergaart en bewaart de eigenaar in de onderhoudsgegevens van het luchtvaartuig details over de uitgevoerde werkzaamheden en de kwalificaties van de persoon in kwestie die het certificaat afgeeft, en

2.

zorgt hij ervoor dat dat onderhoud opnieuw wordt gecontroleerd en vrijgegeven door een daartoe bevoegd persoon als bepaald in punt M.A.801(b) of een organisatie die is erkend overeenkomstig sectie A, subdeel F van deze bijlage (deel M), of bijlage II (deel 145), en dit zo snel mogelijk en binnen de zeven dagen, en

3.

stelt hij binnen zeven dagen na de afgifte van een dergelijke certificeringstoelating de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, indien die werd gecontracteerd in overeenstemming met punt M.A.201(e), of, ingeval een dergelijk contract niet werd gesloten, de bevoegde autoriteit hiervan in kennis.

e)

In geval van een vrijgave voor gebruik overeenkomstig punt M.A.801(b)2 of punt M.A.801(c) mag het certificeringspersoneel bij het uitvoeren van de onderhoudstaken worden bijgestaan door één of meer personen die rechtstreeks en permanent onder haar controle staan.

f)

Een bewijs van vrijgave voor gebruik bevat ten minste:

1.

de basisgegevens van het uitgevoerde onderhoud, en

2.

de datum waarop het onderhoud werd uitgevoerd, en

3.

de identiteit van de organisatie en/of persoon die de vrijgave voor gebruik toekent, inclusief:

i)

een verwijzing naar de overeenkomstig sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) erkende onderhoudsorganisatie en het certificeringspersoneel dat dergelijk certificaat heeft uitgereikt, of

ii)

in geval van een bewijs van vrijgave voor gebruik overeenkomstig punt M.A.801(b)2 of punt M.A.801(c), de identiteit en indien van toepassing, het licentienummer van het certificeringspersoneel dat dergelijk certificaat heeft uitgereikt;

4.

de eventuele beperkingen van de luchtwaardigheid of de activiteiten.

g)

In afwijking van b) en niettegenstaande het bepaalde in h) mag, wanneer het voorgeschreven onderhoud niet kan worden uitgevoerd, een vrijgavebewijs worden afgeleverd binnen de goedgekeurde beperkingen van het luchtvaartuig. Dat feit dient, samen met eventuele beperkingen van de luchtwaardigheid of de activiteiten, te worden vermeld in het vrijgavebewijs voor het luchtvaartuig, vooraleer dat wordt verstrekt als onderdeel van de onder f), punt 4, vereiste informatie.

h)

Een bewijs van vrijgave voor gebruik mag niet worden uitgereikt in geval van een bekende niet-naleving die de vliegveiligheid in het gedrang brengt.”.

30)

Punt M.A.802 wordt als volgt vervangen:

„M.A.802   Bewijs van vrijgave voor gebruik voor onderdelen

a)

Een bewijs van vrijgave voor gebruik dient uitgereikt te worden bij de voltooiing van elk onderhoud aan een luchtvaartuigonderdeel in overeenstemming met punt M.A.502.

b)

Het certificaat van geschiktheid voor gebruik, aangeduid als EASA-formulier 1, vormt het bewijs van vrijgave voor gebruik voor onderdelen, behalve wanneer dergelijk onderhoud aan luchtvaartuigonderdelen is uitgevoerd in overeenstemming met punt M.A.502(b) of punt M.A.502(d), in welk geval het onderhoud onderworpen is aan procedures voor de vrijgave van luchtvaartuigen volgens punt M.A.801.”.

31)

Punt M.A.803 wordt als volgt vervangen:

„M.A.803   Toelating piloot-eigenaar

a)

Om als piloot-eigenaar in aanmerking te komen, moet de persoon:

1.

een geldig vliegbewijs hebben (of een gelijkwaardig document) dat door een lidstaat is afgegeven of geldig verklaard voor het type of de classificatie van het luchtvaartuig, en

2.

eigenaar of mede-eigenaar zijn van het luchtvaartuig; die eigenaar moet:

i)

een van de natuurlijke personen op het registratieformulier zijn, of

ii)

lid zijn van een recreatieve non-profitorganisatie met rechtspersoonlijkheid, waarbij de rechtspersoon als eigenaar of exploitant op het registratiedocument is vermeld en rechtstreeks betrokken zijn bij de besluitvormingsprocessen van de rechtspersoon en door de rechtspersoon zijn aangewezen om piloot-eigenaaronderhoud te verrichten.

b)

Voor alle motoraangedreven luchtvaartuigen voor privaat gebruik van eenvoudig ontwerp met een maximale startmassa van 2 730 kg of minder, zweefvliegtuigen, gemotoriseerde zweefvliegtuigen en ballonnen, mag de piloot-eigenaar een bewijs van vrijgave voor gebruik afgeven na beperkt piloot-eigenaaronderhoud als bedoeld in aanhangsel VIII.

c)

De reikwijdte van het beperkt piloot-eigenaaronderhoud dient bepaald te worden in het in punt M.A.302 bedoelde onderhoudsprogramma voor het luchtvaartuig.

d)

Het bewijs van vrijgave voor gebruik dient in de logboeken te worden opgetekend en de basisgegevens van het uitgevoerde onderhoud te bevatten, alsook de gebruikte onderhoudsgegevens, de uitvoeringsdatum ervan en de identiteit, de handtekening en het vliegbewijsnummer van de piloot-eigenaar die het certificaat uitgeeft.”.

32)

Punt M.A.901 wordt als volgt vervangen:

„M.A.901   Herbeoordeling van de luchtwaardigheid van een luchtvaartuig

Om de geldigheid van het bewijs van luchtwaardigheid van een luchtvaartuig te verzekeren moet een periodieke herbeoordeling van de luchtwaardigheid van het luchtvaartuig en de gegevens met betrekking tot zijn permanente luchtwaardigheid worden uitgevoerd.

a)

Een certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid wordt uitgereikt conform aanhangsel III (EASA-formulier 15a of 15b) na voltooiing van een voldoende herbeoordeling van de luchtwaardigheid. Het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid is één jaar geldig.

b)

Een luchtvaartuig in een gecontroleerde omgeving is een luchtvaartuig dat i) tijdens de afgelopen 12 maanden doorlopend werd beheerd door een krachtens sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M), erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid en ii) tijdens de afgelopen 12 maanden onderhouden werd door krachtens sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M), of bijlage II (deel 145) erkende onderhoudsorganisaties. Dit omvat de in punt M.A.803(b) bedoelde onderhoudstaken die zijn uitgevoerd en vrijgegeven voor gebruik conform punt M.A.801(b)2 of punt M.A.801(b)3.

c)

Voor luchtvaartuigen die commercieel luchttransport uitvoeren en luchtvaartuigen met een maximale startmassa van 2 730 kg of meer, behalve ballonnen, die zich in een gecontroleerde omgeving bevinden, mag de onder b) bedoelde managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, als zij naar behoren werd gemachtigd en indien in overeenstemming met punt k):

1.

een certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid afgeven conform punt M.A.710, en,

2.

voor de certificaten van herbeoordeling van de luchtwaardigheid die ze heeft afgegeven en wanneer het luchtvaartuig binnen een gecontroleerde omgeving is gebleven, de geldigheid van het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid tweemaal voor telkens één jaar verlengen;

d)

Voor luchtvaartuigen die commercieel luchttransport uitvoeren en luchtvaartuigen met een maximale startmassa van 2 730 kg of meer, behalve ballonnen, die i) zich niet in een gecontroleerde omgeving bevinden of ii) waarvan de permanente luchtwaardigheid wordt beheerd door een managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid die niet bevoegd is om herbeoordelingen van de luchtwaardigheid uit te voeren, wordt het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid verstrekt door de bevoegde autoriteit, na een voldoende beoordeling op grond van een aanbeveling van een krachtens sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M), erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid en samen met het verzoek van de eigenaar of exploitant verzonden. Deze aanbeveling moet gebaseerd zijn op een conform punt M.A.710 uitgevoerde herbeoordeling van de luchtwaardigheid.

e)

Voor luchtvaartuigen die geen commercieel luchttransport uitvoeren en luchtvaartuigen met een maximale startmassa van 2 730 kg of minder, en ballonnen, mag elke krachtens sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M), erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, als zij door de eigenaar of exploitant werd aangesteld en naar behoren werd gemachtigd en indien in overeenstemming met punt k):

1.

het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid afgeven conform punt M.A.710, en,

2.

voor certificaten van herbeoordeling van de luchtwaardigheid die ze heeft afgegeven, wanneer het luchtvaartuig binnen een gecontroleerde omgeving onder haar beheer is gebleven, de geldigheid van het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid tweemaal voor telkens één jaar verlengen;

f)

In afwijking van de punten M.A.901(c)2 en M.A.901(e)2 mag de onder b) bedoelde managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid, indien in overeenstemming met punt k), voor luchtvaartuigen die zich in een gecontroleerde omgeving bevinden, de geldigheid van een door de bevoegde autoriteit of een andere krachtens sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M), erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid verstrekt certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid tweemaal voor telkens één jaar verlengen.

g)

In afwijking van de punten M.A.901(e) en M.A.901(i)2 mag het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid, voor ELA1-luchtvaartuigen die niet in het commercieel luchttransport worden gebruikt en waarop M.A.201(i) geen betrekking heeft, ook door de bevoegde autoriteit worden verstrekt na een voldoende beoordeling, op grond van een aanbeveling door gecertificeerd personeel, waarbij moet zijn voldaan aan de vereisten van bijlage III (deel 66) en punt M.A.707(a)2(a), en samen met het verzoek van de eigenaar of de exploitant verzonden. Deze aanbeveling moet gebaseerd zijn op een overeenkomstig punt M.A.710 uitgevoerde herbeoordeling van de luchtwaardigheid en mag niet meer dan twee opeenvolgende jaren worden verleend.

h)

Telkens wanneer omstandigheden het bestaan van een mogelijk veiligheidsrisico aantonen, voert de bevoegde autoriteit zelf de herbeoordeling van de luchtwaardigheid uit en verstrekt zij zelf het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid.

i)

Naast het bepaalde onder h) mag de bevoegde autoriteit de herbeoordeling van de luchtwaardigheid uitvoeren en het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid zelf verstrekken in de volgende gevallen:

1.

voor luchtvaartuigen die geen commercieel luchttransport uitvoeren, als het luchtvaartuig beheerd wordt door een krachtens sectie A, subdeel G, van deze bijlage (deel M), erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid die in een derde land is gevestigd.

2.

voor alle ballonnen en luchtvaartuigen met een maximale startmassa van 2 730 kg of minder, indien de eigenaar daarom verzoekt.

j)

Als de bevoegde autoriteit zelf de herbeoordeling van de luchtwaardigheid uitvoert en/of het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid uitreikt, zal de eigenaar of exploitant de bevoegde autoriteit voorzien van:

1.

de documentatie waar de bevoegde autoriteit om vraagt, en

2.

geschikt onderdak op de gepaste plaats voor haar personeel, en

3.

indien noodzakelijk, de steun van passend gekwalificeerd personeel conform bijlage III (deel 66) of gelijkwaardige personeelsvereisten als bepaald in punt 145.A.30(j)(1) en (2) van bijlage II (deel 145).

k)

Een certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid mag niet worden verstrekt of verlengd indien de organisatie bewijzen heeft of redenen heeft om aan te nemen dat het luchtvaartuig niet luchtwaardig is.”.

33)

In punt M.A.904 komen de punten a) en b) als volgt te luiden:

„a)

Wanneer een luchtvaartuig uit een derde land in het register van een lidstaat wordt ingevoerd, dient de aanvrager:

1.

de lidstaat van het register te vragen om de afgifte van een nieuw bewijs van luchtwaardigheid overeenkomstig de bijlage (deel 21) bij Verordening (EG) nr. 1702/2003, en

2.

voor niet-nieuwe luchtvaartuigen een herbeoordeling van de luchtwaardigheid op passende wijze te laten uitvoeren overeenkomstig punt M.A.901, en

3.

alle onderhoud te laten uitvoeren om te voldoen aan het goedgekeurde onderhoudsprogramma overeenkomstig punt M.A.302.

b)

Wanneer de managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid ervan overtuigd is dat het luchtvaartuig aan de vereisten voldoet, dan stuurt het, voor zover van toepassing, een gedocumenteerde aanbeveling voor de afgifte van een certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid naar de lidstaat van registratie.”.

34)

Punt M.B.301 wordt als volgt gewijzigd:

i)

onder b) wordt „M.A.302(e)” vervangen door „M.A.302(c)”;

ii)

onder d) worden „M.A.302(c) en (d)” vervangen door „M.A.302(d), (e) en (f)”.

35)

In punt M.B.302 wordt „artikel 10, lid 3” vervangen door „artikel 14, lid 4”.

36)

Punt M.B.303, onder a), komt als volgt te luiden:

„a)

De bevoegde autoriteit dient een steekproefprogramma te ontwikkelen om de luchtwaardigheidsstatus van de vloot luchtvaartuigen in zijn register te controleren.”.

37)

In punt M.B.303 wordt het volgende punt i) toegevoegd:

„i)

Om gepaste activiteiten voor tenuitvoerlegging te bevorderen, dienen bevoegde autoriteiten informatie uit te wisselen over vastgestelde gevallen van niet-naleving overeenkomstig punt h).”.

38)

Punt M.B.606 wordt als volgt vervangen:

„M.B.606   Wijzigingen

a)

De bevoegde autoriteit dient voor elke wijziging binnen de organisatie gemeld in overeenstemming met punt M.A.617 te voldoen aan de relevante elementen van de initiële goedkeuring.

b)

De bevoegde autoriteit mag de voorwaarden voorschrijven waaronder de erkende onderhoudsorganisatie mag werken tijdens dergelijke wijzigingen, tenzij zij bepaalt dat de erkenning moet worden opgeschort wegens de aard of de omvang van de wijzigingen.

c)

Voor elke wijziging in het handboek van de onderhoudsorganisatie geldt het volgende:

1.

In geval van rechtstreekse goedkeuring van de wijzigingen overeenkomstig punt M.A.604(b) dient de bevoegde autoriteit te verifiëren dat de in het handboek gespecificeerde procedures voldoen aan deze bijlage (deel M), alvorens de erkende organisatie formeel op de hoogte te brengen van de goedkeuring.

2.

Indien een indirecte goedkeuringsprocedure wordt gebruikt voor de goedkeuring van de wijzigingen overeenkomstig punt M.A.604(c), zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat i) het slechts lichte wijzigingen betreft en ii) het een adequate controle heeft over de goedkeuring van de wijzigingen om ervoor te zorgen dat zij in overeenstemming blijven met de vereisten in deze bijlage (deel M).”.

39)

Punt M.A.706 wordt als volgt vervangen:

„M.B.706   Wijzigingen

a)

De bevoegde autoriteit dient voor elke in overeenstemming met punt M.A.713 gemelde wijziging binnen de organisatie te voldoen aan de relevante elementen van de initiële goedkeuring.

b)

De bevoegde autoriteit mag de voorwaarden voorschrijven waaronder de erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid mag werken tijdens dergelijke wijzigingen, tenzij zij bepaalt dat de erkenning moet worden opgeschort wegens de aard of de omvang van de wijzigingen.

c)

Voor elke wijziging in de beschrijving van het beheer van de permanente luchtwaardigheid geldt het volgende:

1.

In geval van rechtstreekse goedkeuring van de wijzigingen overeenkomstig punt M.A.704(b) dient de bevoegde autoriteit te verifiëren of de in de beschrijving gespecificeerde procedures voldoen aan deze bijlage (deel M), alvorens de erkende organisatie formeel op de hoogte te brengen van de goedkeuring.

2.

Indien een indirecte goedkeuringsprocedure wordt gebruikt voor de goedkeuring van de wijzigingen overeenkomstig punt M.A.704(c), zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat i) het slechts lichte wijzigingen betreft en ii) het een adequate controle heeft over de goedkeuring van de wijzigingen om ervoor te zorgen dat zij in overeenstemming blijven met de vereisten in deze bijlage (deel M).”.

40)

In punt M.B.901 wordt „M.A.902(d)” vervangen door „punt M.A.901”.

41)

Punt M.A.902 wordt als volgt vervangen:

„M.B.902   Herbeoordeling van de luchtwaardigheid door de bevoegde autoriteit

a)

Wanneer de bevoegde autoriteit de herbeoordeling van de luchtwaardigheid uitvoert en het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid EASA-formulier 15a (aanhangsel III) uitreikt, dient de bevoegde autoriteit een herbeoordeling van de luchtwaardigheid uit te voeren overeenkomstig punt M.A.710.

b)

De bevoegde autoriteit moet over het gepaste personeel voor herbeoordeling van de luchtwaardigheid beschikken om de herbeoordelingen van de luchtwaardigheid uit te voeren.

1.

Voor alle in het commercieel luchttransport gebruikte luchtvaartuigen, en luchtvaartuigen met een maximale startmassa van meer dan 2 730 kg, behalve ballonnen, dient dit personeel te beschikken over:

a.

ten minste vijf jaar ervaring op het gebied van permanente luchtwaardigheid, en

b.

een gepaste licentie overeenkomstig bijlage III (deel 66) of een nationaal erkende en voor de luchtvaartuigcategorie geschikte kwalificatie voor onderhoudspersoneel (indien bijlage III (deel 66) verwijst naar nationale regelgeving) of een luchtvaartdiploma of equivalent, en

c.

formele training in luchtvaartonderhoud, en

d.

een functie met aangepaste verantwoordelijkheden.

Onverminderd de punten „a” tot en met „d” kan de in punt M.B.902(b)1b bepaalde vereiste worden vervangen door vijf jaar ervaring in permanente luchtwaardigheid aanvullend op die welke reeds ingevolge punt M.B.902(b)1a is voorgeschreven.

2.

Voor alle niet in het commercieel luchttransport gebruikte luchtvaartuigen met een maximale startmassa van 2 730 kg of lager, en ballonnen, dient dit personeel te beschikken over:

a.

ten minste drie jaar ervaring op het gebied van permanente luchtwaardigheid, en

b.

een gepaste licentie overeenkomstig bijlage III (deel 66) of een nationaal erkende en voor de luchtvaartuigcategorie geschikte kwalificatie voor onderhoudspersoneel (indien bijlage III (deel 66) verwijst naar nationale regelgeving) of een luchtvaartdiploma of equivalent, en

c.

geschikte training in luchtvaartonderhoud, en

d.

een functie met aangepaste verantwoordelijkheden.

Onverminderd de punten „a” tot en met „d” kan de in punt M.B.902(b)2b bepaalde vereiste worden vervangen door vier jaar ervaring in permanente luchtwaardigheid aanvullend op die welke reeds ingevolge punt M.B.902(b)2a is voorgeschreven.

c)

De bevoegde autoriteit dient een lijst van alle personeel voor herbeoordeling van de luchtwaardigheid bij te houden, die de details moet bevatten van elke passende kwalificatie en die samen bewaard wordt met een opsomming van relevante ervaring en training in management van permanente luchtwaardigheid.

d)

De bevoegde autoriteit dient toegang te hebben tot de toepasselijke gegevens zoals gespecificeerd in de punten M.A.305, M.A.306 en M.A.401 bij de uitvoering van de herbeoordeling van de luchtwaardigheid.

e)

Nadat de herbeoordeling van de luchtwaardigheid op bevredigende wijze is afgerond, reikt het personeel dat de herbeoordeling uitvoerde het formulier 15a uit.”.

42)

De punten 5.1 en 5.2 van aanhangsel I „Regeling betreffende permanente luchtwaardigheid” worden als volgt vervangen:

„5.1.

Verplichtingen van de erkende organisatie:

1.

de reikwijdte van haar erkenning dient het luchtvaartuigtype te bestrijken;

2.

de hierna vermelde voorwaarden eerbiedigen om de permanente luchtwaardigheid te behouden van de luchtvaartuigen:

a)

voor het luchtvaartuig een onderhoudsprogramma op punt stellen, inclusief eventueel ontwikkelde betrouwbaarheidsprogramma's, voor zover van toepassing,

b)

de onderhoudstaken mededelen (in het onderhoudsprogramma) die conform punt M.A.803(c) door de piloot-eigenaar kunnen worden uitgevoerd,

c)

de goedkeuring van het onderhoudsprogramma van het luchtvaartuig organiseren,

d)

na goedkeuring, een kopie van het onderhoudsprogramma van het luchtvaartuig aan de eigenaar bezorgen,

e)

een overbruggingsinspectie organiseren met het vorige onderhoudsprogramma van het luchtvaartuig,

f)

ervoor zorgen dat alle onderhoud wordt uitgevoerd door een erkende onderhoudsorganisatie,

g)

ervoor zorgen dat alle toepasselijke luchtwaardigheidsrichtlijnen worden toegepast,

h)

ervoor zorgen dat alle defecten die tijdens een periodieke onderhoudsbeurt en/of herbeoordelingen van de luchtwaardigheid worden ontdekt of aan de eigenaar werden gerapporteerd, door een erkende onderhoudsorganisatie worden hersteld,

i)

het periodiek onderhoud coördineren, evenals de toepassing van luchtwaardigheidsrichtlijnen, het vervangen van onderdelen met beperkte levensduur en de vereisten van onderdeleninspectie,

j)

de eigenaar informeren telkens wanneer het luchtvaartuig naar een erkende onderhoudsorganisatie moet worden gebracht,

k)

alle technische documenten beheren,

l)

alle technische documenten archiveren;

3.

de goedkeuring organiseren van wijzigingen aan het luchtvaartuig overeenkomstig de bijlage (deel 21) bij Verordening (EG) nr. 1702/2003, alvorens die worden verwezenlijkt;

4.

de goedkeuring organiseren van herstellingen aan het luchtvaartuig overeenkomstig de bijlage (deel 21) bij Verordening (EG) nr. 1702/2003, alvorens die worden uitgevoerd;

5.

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie informeren telkens wanneer het luchtvaartuig door de eigenaar niet aan de erkende onderhoudsorganisatie wordt aangeboden, zoals vereist door de erkende organisatie;

6.

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie inlichten telkens wanneer onderhavige regeling niet werd nageleefd;

7.

wanneer nodig, de herbeoordeling van de luchtwaardigheid van het luchtvaartuig uitvoeren en het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid of de aanbeveling aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie afgeven;

8.

binnen tien dagen een kopie van elk afgegeven of verlengd certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid opsturen naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie;

9.

elk voorval rapporteren, zoals voorzien in de toepasselijke voorschriften;

10.

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie inlichten telkens wanneer onderhavige regeling door een van de partijen niet wordt nageleefd;

5.2.

Verplichtingen van de eigenaar:

1.

een algemeen begrip hebben van het goedgekeurde onderhoudsprogramma;

2.

een algemeen begrip hebben van deze bijlage (deel M);

3.

het luchtvaartuig aanbieden bij de erkende onderhoudsorganisatie, zoals overeengekomen met de erkende organisatie en op het in de aanvraag van de erkende organisatie aangegeven ogenblik;

4.

het luchtvaartuig niet wijzigen zonder voorafgaand overleg met de erkende organisatie;

5.

de erkende organisatie inlichten over alle uitzonderlijk en zonder medeweten en controle van de erkende organisatie uitgevoerd onderhoud;

6.

via het logboek aan de erkende organisatie alle defecten rapporteren die tijdens vluchten werden gevonden;

7.

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie inlichten telkens wanneer onderhavige regeling door één van de partijen niet wordt nageleefd;

8.

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie en de erkende organisatie inlichten wanneer het luchtvaartuig wordt verkocht;

9.

elk voorval rapporteren, zoals voorzien in de toepasselijke voorschriften;

10.

op regelmatige basis de erkende organisatie de vlieguren van het luchtvaartuig en om het even welke andere gebruiksgegevens mededelen zoals overeengekomen met de erkende organisatie;

11.

het bewijs van vrijgave voor gebruik optekenen in de logboeken zoals vermeld in punt M.A.803(d) bij uitvoering van piloot-eigenaaronderhoud zonder de beperkingen te overschrijden van de lijst van onderhoudstaken zoals aangegeven in het goedgekeurde onderhoudsprogramma (punt M.A.803(c));

12.

de erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid die verantwoordelijk is voor het beheer van de permanente luchtwaardigheid van het luchtvaartuig niet meer dan 30 dagen na de voltooiing van een piloot-eigenaaronderhoud overeenkomstig punt M.A.305(a) inlichten.”.

43)

Aanhangsel II, sectie 2 „INVULLEN VAN HET VRIJGAVECERTIFICAAT DOOR DE OPSTELLER” wordt als volgt gewijzigd:

a)

In vak 13, vierde alinea, wordt het achtste streepje als volgt vervangen:

„—

Het in punt M.A.613 bedoelde bewijs van vrijgave voor gebruik voor onderdelen”;

b)

Vak 19 wordt vervangen door:

„Vak 19 Voor onderhoud door krachtens sectie A, subdeel F van bijlage I (deel M) bij Verordening (EG) nr. 2042/2003 erkende onderhoudsorganisaties wordt het vakje „andere verordening als gespecificeerd in vak 13” aangekruist en wordt het bewijs van vrijgave voor gebruik geleverd in vak 13.

Het volgende bewijs van vrijgave voor gebruik voor onderdelen als bedoeld in punt M.A.613 wordt opgenomen in vak 13:

„Verklaart dat, tenzij anders vermeld in dit vak, het in vak 12 genoemde en in dit vak omschreven werk is uitgevoerd overeenkomstig de vereisten van sectie A, subdeel F, van bijlage I (deel M) bij Verordening (EG) nr. 2042/2003, en dat het stuk met betrekking tot dit werk geschikt voor vrijgave voor gebruik wordt geacht. DIT IS GEEN VRIJGAVE OVEREENKOMSTIG BIJLAGE II (DEEL 145) BIJ VERORDENING (EG) Nr. 2042/2003.”

De certificeringsverklaring „tenzij anders vermeld in dit vak” is bedoeld voor de volgende situaties:

i)wanneer het onderhoud niet kon worden voltooid;ii)wanneer het onderhoud afweek van de door deze bijlage (deel M) vereiste norm;iii)wanneer het onderhoud is uitgevoerd overeenkomstig een vereiste die niet onder deze bijlage (deel M) valt. In dit geval moet in vak 13 het specifieke nationale voorschrift worden vermeld.

Deze gevallen of combinaties daarvan moeten in vak 13 worden gespecificeerd.”.

44)

Aanhangsel III wordt vervangen door:

„Aanhangsel III

Certificaten van herbeoordeling van de luchtwaardigheid

Image

Image

45)

In aanhangsel IV worden de punten 4 en 5 vervangen door:

„4.

Een classificatie Categorie A houdt in dat de krachtens sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) erkende onderhoudsorganisatie uitsluitend onderhoud aan het luchtvaartuig en alle luchtvaartuigonderdelen (met inbegrip van motoren/APU’s) mag uitvoeren, in overeenstemming met de onderhoudsgegevens van het luchtvaartuig of, indien de bevoegde autoriteit daar specifiek mee instemt, in overeenstemming met de onderhoudsgegevens van de onderdelen, terwijl de onderdelen in kwestie op het luchtvaartuig gemonteerd zijn. Een erkende onderhoudsorganisatie met een classificatie Categorie A mag een onderdeel voor onderhoud nochtans tijdelijk demonteren om de toegang tot het onderdeel te vergemakkelijken, tenzij de demontage extra onderhoudswerk doet ontstaan waarin de bepalingen van deze paragraaf niet voorzien. Dit wordt gecontroleerd aan de hand van een voor de lidstaat aanvaardbare controleprocedure die in het handboek van de onderhoudsorganisatie is opgenomen. Onder „Beperkingen” wordt de reikwijdte van dergelijk onderhoud aangegeven, en aldus de reikwijdte van de erkenning.

5.

Een classificatie Categorie B houdt in dat de krachtens sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) erkende onderhoudsorganisatie uitsluitend onderhoud mag uitvoeren aan de gedemonteerde motor en/of de gedemonteerde APU en aan onderdelen van motoren/APU’s in overeenstemming met de onderhoudsgegevens van de motor en/of APU of, indien de bevoegde autoriteit daar specifiek mee instemt, in overeenstemming met de onderhoudsgegevens van de onderdelen, terwijl de onderdelen in kwestie aan de motor en/of de APU gemonteerd zijn. Een erkende onderhoudsorganisatie met een classificatie Categorie B mag een onderdeel voor onderhoud nochtans tijdelijk demonteren om de toegang tot het onderdeel te vergemakkelijken, tenzij de demontage extra onderhoudswerk doet ontstaan waarin de bepalingen van deze paragraaf niet voorzien. Onder „Beperkingen” wordt de reikwijdte van dergelijk onderhoud aangegeven, en aldus de reikwijdte van de erkenning. Een volgens sectie A, subdeel F, van deze bijlage (deel M) erkende onderhoudsorganisatie met een classificatie Categorie B mag ook onderhoud plegen aan een geïnstalleerde motor tijdens groot onderhoud en lijnonderhoud, behoudens een controleprocedure die in het handboek van de onderhoudsorganisatie is opgenomen. Indien een dergelijke activiteit door de lidstaat is toegestaan, moet dit worden verwerkt in de reikwijdte van de werkzaamheden in het handboek van de onderhoudsorganisatie.”.

46)

Aanhangsel VI wordt vervangen door:

„Aanhangsel VI

Certificaat van erkenning van een managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid als bedoeld in bijlage I (deel M), subdeel G

Image

Image

47)

Aanhangsel VII wordt als volgt gewijzigd:

a)

de eerste zin wordt vervangen door: „Hieronder worden de complexe onderhoudstaken vermeld waarnaar wordt verwezen in de punten M.A.502(d)3, M.A.801(b)2 en M.A.801(c):”,

b)

de volgende punten 3, 4 en 5 worden toegevoegd:

„3.

De uitvoering van de volgende onderhoudswerkzaamheden aan een zuigermotor:

a)

ontmanteling en daaropvolgende montage van een zuigermotor voor andere doeleinden dan (i) het verkrijgen van toegang tot de zuiger/cilinderconstructies of (ii) het verwijderen van de afscherming van de hulpapparatuur aan de achterzijde voor inspectie en/of vervanging van oliepompconstructies indien zulk werk geen verwijdering en terugplaatsing van interne tandwielen met zich meebrengt;

b)

verwijderen en weer terugplaatsen van reductietandwielen;

c)

lassen of hard solderen van verbindingen anders dan kleine lasreparaties aan uitlaten, uitgevoerd door een passend erkende of geautoriseerde lasser, maar met uitsluiting van de vervanging van onderdelen;

d)

het manipuleren van afzonderlijke onderdelen van eenheden die zijn aangeleverd nadat ze op de testbank zijn getest, met uitzondering van de vervanging of bijstelling van stukken die na inbedrijfstelling gewoon te vervangen of bij te stellen zijn.

4.

Het balanceren van een propeller, behalve

a)

voor het certificaat van statisch balanceren indien vereist door het onderhoudshandboek;

b)

dynamisch balanceren bij geïnstalleerde propellers met behulp van elektronische balanceerapparatuur indien toegestaan door het onderhoudshandboek of andere erkende luchtwaardigheidsgegevens.

5.

Elke aanvullende taak waarvoor het vereist is:

a)

gebruik te maken van gespecialiseerde gereedschappen, uitrustingen of installaties, of

b)

belangrijke coördinatieprocedures te hanteren vanwege de lange duur van de taken en de betrokkenheid van meerdere personen.”.

48)

Aanhangsel VIII wordt vervangen door:

„Aanhangsel VIII

Beperkt onderhoud door piloot-eigenaar

Behalve aan de vereisten van bijlage I (deel M) moet worden beantwoord aan de volgende basisbeginselen alvorens enig onderhoud gepleegd wordt onder de voorwaarden die gelden voor piloot-eigenaaronderhoud:

a)

Deskundigheid en verantwoordelijkheid

1.

De piloot-eigenaar is te allen tijde verantwoordelijk voor eender welk onderhoud dat hij pleegt.

2.

Alvorens enig piloot-eigenaaronderhoud te plegen, dient de piloot-eigenaar ervan overtuigd te zijn dat hij de deskundigheid bezit om de taak in kwestie uit te voeren. Het is de verantwoordelijkheid van piloot-eigenaars om zich de standaardonderhoudspraktijken voor hun luchtvaartuig en het onderhoudsprogramma van het luchtvaartuig eigen te maken. Indien de piloot-eigenaar niet de deskundigheid bezit om de onderhoudstaak uit te voeren, kan deze taak niet door de piloot-eigenaar worden vrijgegeven.

3.

De piloot-eigenaar (of zijn krachtens subdeel G, sectie A, van deze bijlage erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid) is er verantwoordelijk voor dat de taken van de piloot-eigenaar op grond van genoemde basisbeginselen in het onderhoudsprogramma worden vastgesteld en dat dit document tijdig wordt geactualiseerd.

4.

De goedkeuring van het onderhoudsprogramma dient te geschieden in overeenstemming met punt M.A.302.

b)

Taken

De piloot-eigenaar mag eenvoudige visuele inspecties of handelingen verrichten om de algemene staat en normale werking van het casco en van de motoren, systemen en onderdelen na te gaan en deze te controleren op zichtbare schade.

Onderhoudstaken mogen niet door de piloot-eigenaar worden verricht wanneer de taak:

1.

voor de veiligheid van cruciaal belang is, de luchtwaardigheid van het luchtvaartuig nadelig zou beïnvloeden bij een incorrecte uitvoering ervan, of indien het een onderhoudstaak betreft die van invloed is op de vliegveiligheid zoals gespecificeerd in punt M.A.402(a), en/of

2.

de verwijdering noodzakelijk maakt van hoofdonderdelen of —constructies, en/of

3.

wordt uitgevoerd conform een luchtwaardigheidsrichtlijn of een luchtwaardigheidsbeperking (Airworthiness Limitation Item — ALI), tenzij specifiek toegestaan in die richtlijn of ALI, en/of

4.

het gebruik vergt van speciale werktuigen, geijkte gereedschappen (met uitzondering van momentsleutels en krimpgereedschap), en/of

5.

het gebruik vergt van testapparatuur of speciale testen (bv. niet-destructief onderzoek, systeemtests of operationele controles voor avionische apparatuur), en/of

6.

bestaat uit occasionele speciale inspecties (bv. een „heavy landing check”), en/of

7.

van invloed is op systemen die essentieel zijn voor IFR-vluchten, en/of

8.

is opgenomen in aanhangsel VII of deel uitmaakt van een onderhoudstaak voor onderdelen in overeenstemming met punt M.A.502.

De criteria 1 tot en met 8 prevaleren boven minder beperkende instructies die conform „M.A.302(d) Onderhoudsprogramma” zijn uitgereikt.

Elke taak beschreven in het vlieghandboek voor de vluchtvoorbereiding van het luchtvaartuig (voorbeeld: bevestigen van de vleugels van het zweefvliegtuig of aan de vlucht voorafgaande voorbereidingen) wordt als een taak voor de piloot beschouwd en niet als een taak in het kader van piloot-eigenaaronderhoud, wat betekent dat er geen bewijs van vrijgave voor gebruik voor nodig is.

c)

Uitvoering van de taken voor en de administratie van piloot-eigenaaronderhoud

De in punt M.A.401 vermelde onderhoudsgegevens moeten bij het plegen van piloot-eigenaaronderhoud altijd beschikbaar zijn en worden nageleefd. Details van de gegevens in verband met het verrichten van piloot-eigenaaronderhoud moeten conform punt M.A.803(d) worden opgenomen in het bewijs van vrijgave voor gebruik.

De piloot-eigenaar moet de erkende managementorganisatie voor permanente luchtwaardigheid die verantwoordelijk is voor de permanente luchtwaardigheid van het luchtvaartuig (indien van toepassing) niet meer dan 30 dagen na de voltooiing van de piloot-eigenaaronderhoud overeenkomstig punt M.A.305(a) inlichten.”.

2.

Bijlage II (deel 145) bij Verordening (EG) nr. 2042/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In punt 145.A.50 wordt punt a) vervangen door:

„a)

Bewijzen van vrijgave voor gebruik dienen door bevoegd certificeringspersoneel te worden afgegeven namens de organisatie nadat genoemd personeel heeft geverifieerd dat al het opgedragen onderhoud op de juiste manier door de organisatie is uitgevoerd overeenkomstig de procedures die zijn uiteengezet in punt 145.A.70, rekening houdend met de beschikbaarheid en het gebruik van de in punt 145.A.45 vermelde onderhoudsgegevens, en dat er geen sprake is van niet-naleving waarvan bekend is dat het de vliegveiligheid in het gedrang brengt.”.

2)

In aanhangsel II „Klasse- en classificatiesysteem erkenning organisaties” worden de alinea’s 4 en 5 als volgt vervangen:

„4.

Een classificatie Categorie A houdt in dat de krachtens bijlage II (deel 145) erkende onderhoudsorganisatie uitsluitend onderhoud aan het luchtvaartuig en alle luchtvaartuigonderdelen (met inbegrip van motoren/APU’s) mag uitvoeren, in overeenstemming met de onderhoudsgegevens van het luchtvaartuig of, indien de bevoegde autoriteit daar specifiek mee instemt, in overeenstemming met de onderhoudsgegevens van de onderdelen, terwijl de onderdelen in kwestie aan het luchtvaartuig gemonteerd zijn. Een krachtens bijlage II (deel 145) erkende onderhoudsorganisatie met een classificatie Categorie A mag een onderdeel voor onderhoud nochtans tijdelijk demonteren om de toegang tot het onderdeel te vergemakkelijken, tenzij de demontage extra onderhoudswerk doet ontstaan waarin de bepalingen van deze paragraaf niet voorzien. Dit wordt gecontroleerd aan de hand van een voor de lidstaat aanvaardbare controleprocedure die in het handboek van de onderhoudsorganisatie is opgenomen. Onder „Beperkingen” wordt de reikwijdte van dergelijk onderhoud aangegeven, en aldus de reikwijdte van de erkenning.

5.

Een classificatie Categorie B houdt in dat de volgens deel 145 erkende onderhoudsorganisatie uitsluitend onderhoud mag uitvoeren aan de gedemonteerde motor of de gedemonteerde APU en aan onderdelen van motoren/APU’s, in overeenstemming met de onderhoudsgegevens van de motor of de APU of, indien de bevoegde autoriteit daar specifiek mee instemt, in overeenstemming met de onderhoudsgegevens van de onderdelen, terwijl de onderdelen in kwestie aan de motor of de APU gemonteerd zijn. Een krachtens bijlage II (deel 145) erkende onderhoudsorganisatie met een classificatie Categorie B mag een onderdeel voor onderhoud nochtans tijdelijk demonteren om de toegang tot het onderdeel te vergemakkelijken, tenzij de demontage extra onderhoudswerk doet ontstaan waarin de bepalingen van deze paragraaf niet voorzien. Onder „Beperkingen” wordt de reikwijdte van dergelijk onderhoud aangegeven, en aldus de reikwijdte van de erkenning. Een volgens bijlage II (deel 145) erkende onderhoudsorganisatie met een classificatie Categorie B mag ook onderhoud plegen aan een geïnstalleerde motor tijdens groot onderhoud en lijnonderhoud, behoudens een voor de lidstaat aanvaardbare controleprocedure die in het handboek van de onderhoudsorganisatie is opgenomen. Indien een dergelijke activiteit door de lidstaat is toegestaan, moet dit ook tot uiting komen in de reikwijdte van de werkzaamheden in het handboek van de onderhoudsorganisatie.”.


28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/30


VERORDENING (EG) Nr. 1057/2008 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2008

tot wijziging van aanhangsel II van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1702/2003 betreffende het certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid (EASA-formulier 15a)

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name op artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2042/2003 van de Commissie van 20 november 2003 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (2) is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1056/2008 (3).

(2)

Het in aanhangsel II van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie van 24 september 2003 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (4) bedoelde certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid dient te worden vervangen om rekening te houden met de in Verordening (EG) nr. 2042/2003 aangebrachte wijzigingen.

(3)

De maatregelen in deze verordening zijn gebaseerd op het advies (5) dat het Agentschap heeft uitgebracht in overeenstemming met artikel 17, lid 2, onder b), en artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Aanhangsel II (certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid, EASA-formulier 15a) van de bijlage (deel 21) bij Verordening (EG) nr. 1702/2003 wordt vervangen door de in de bijlage bij deze verordening opgenomen tekst.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2008.

Voor de Commissie

Antonio TAJANI

Vicevoorzitter


(1)  PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.

(2)  PB L 315 van 28.11.2003, blz. 1.

(3)  Zie bladzijde 5 van dit Publicatieblad.

(4)  PB L 243 van 27.9.2003, blz. 6.

(5)  Advies nr. 02/2008.


BIJLAGE

„Aanhangsel II

Certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid

Image


28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/32


VERORDENING (EG) Nr. 1058/2008 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2008

tot annulering van de registratie van een benaming die is geregistreerd in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Arroz del Delta del Ebro (BGA))

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 12, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 12, lid 2, tweede alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Spanje ingediende aanvraag tot annulering van de registratie van de benaming „Arroz del Delta del Ebro” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaar is aangetekend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, dient de registratie van die benaming te worden geannuleerd.

(3)

In het licht van deze gegevens dient de benaming bijgevolg te worden geschrapt in het „register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen”.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor beschermde geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De registratie van de in de bijlage opgenomen benaming wordt geannuleerd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 314 van 22.12.2007, blz. 44.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten en fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

SPANJE

Arroz del Delta del Ebro (BGA)


28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/34


VERORDENING (EG) Nr. 1059/2008 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2008

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Arroz del Delta del Ebro of Arròs del Delta de l’Ebre (BOB))

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Spanje ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Arroz del Delta del Ebro” of „Arròs del Delta de l’Ebre” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 314 van 22.12.2007, blz. 46.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten en fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

SPANJE

Arroz del Delta del Ebro of Arròs del Delta de l’Ebre (BOB)


RICHTLIJNEN

28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/36


RICHTLIJN 2008/94/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2008

betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever

(Gecodificeerde versie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 137, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

In punt 7 van het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers, dat op 9 december 1989 is goedgekeurd, wordt gesteld dat de verwezenlijking van de interne markt moet leiden tot een verbetering van de levensstandaard en arbeidsvoorwaarden voor de werknemers in de Gemeenschap en dat daar waar nodig deze verbetering moet leiden tot een verdere ontwikkeling van bepaalde aspecten van de arbeidsreglementering, zoals de procedures inzake collectief ontslag of die in verband met faillissementen.

(3)

Er zijn voorzieningen nodig om werknemers bij insolventie van de werkgever te beschermen en hun een minimum aan bescherming te bieden, in het bijzonder om de honorering van hun onvervulde aanspraken te garanderen met inachtneming van de noodzaak van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling in de Gemeenschap. Daartoe moeten de lidstaten een fonds oprichten dat de honorering van de onvervulde loonaanspraken van de betrokken werknemers waarborgt.

(4)

Met het oog op een billijke bescherming van de betrokken werknemers is het passend de staat van insolventie te definiëren in het licht van de wetgevingstendensen terzake in de lidstaten en dit begrip uit te breiden tot andere insolventieprocedures dan liquidatie. Teneinde de betalingsverplichting van het waarborgfonds vast te stellen, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben in dit verband te bepalen dat een toestand van insolventie die aanleiding geeft tot verscheidene insolventieprocedures, behandeld zal worden alsof het om één enkele insolventieprocedure ging.

(5)

Er moet voor worden gezorgd dat de werknemers zoals bedoeld in Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (5), Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (6) en Richtlijn 91/383/EEG van de Raad van 25 juni 1991 ter aanvulling van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeidbetrekkingen (7), niet van de werkingssfeer van deze richtlijn worden uitgesloten.

(6)

Om de rechtszekerheid van de werknemers bij insolventie van ondernemingen met activiteiten in verscheidene lidstaten te waarborgen en de rechten van de werknemers te versterken in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moet er voor een bepaling worden gezorgd waarin uitdrukkelijk wordt vastgesteld welk fonds in deze gevallen bevoegd is ter zake van de honorering van de loonaanspraken, en die als doel van de samenwerking tussen de bevoegde overheidsdiensten van de lidstaten bepaalt dat de onvervulde aanspraken van de werknemers zo spoedig mogelijk gehonoreerd moeten worden. Bovendien moet voor de nodige samenwerking tussen de bevoegde overheidsdiensten van de lidstaten worden gezorgd, opdat de desbetreffende bepalingen juist worden toegepast.

(7)

De lidstaten kunnen ten aanzien van de verplichtingen van de waarborgfondsen beperkingen vaststellen die verenigbaar zijn met de sociale doelstelling van de richtlijn en waarin de onderscheiden niveaus van de betalingsaanspraken kunnen worden verdisconteerd.

(8)

Om met name in grensoverschrijdende gevallen gemakkelijker te kunnen vaststellen welke soorten insolventieprocedures toepassing vinden, moet ervoor worden gezorgd dat de lidstaten de insolventieprocedures waarbij het waarborgfonds wordt ingeschakeld, aan de Commissie en de andere lidstaten meedelen.

(9)

Daar de doelstelling van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(10)

De Commissie dient aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor te leggen over de tenuitvoerlegging en toepassing van deze richtlijn, waarbij met name wordt ingegaan op de nieuwe arbeidsvormen die in de lidstaten ontstaan.

(11)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel C, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1

1.   Deze richtlijn is van toepassing op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie in de zin van artikel 2, lid 1, verkeren.

2.   De lidstaten kunnen bij wijze van uitzondering de aanspraken van bepaalde categorieën werknemers van de werkingssfeer van deze richtlijn uitsluiten op grond van het bestaan van andere waarborgen, indien vaststaat dat deze de belanghebbenden een zelfde mate van bescherming bieden als deze richtlijn.

3.   Indien een dergelijke bepaling al van toepassing is in hun nationale wetgeving, kunnen de lidstaten de volgende categorieën van de werkingssfeer van deze richtlijn blijven uitsluiten:

a)

huispersoneel in dienst van een natuurlijk persoon;

b)

deelvissers.

Artikel 2

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt een werkgever geacht in staat van insolventie te verkeren wanneer is verzocht om opening van een in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat neergelegde, op de insolventie van de werkgever berustende collectieve procedure die ertoe leidt dat deze het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel of ten dele verliest en dat een curator of een persoon met een vergelijkbare functie wordt aangewezen, en wanneer de uit hoofde van de genoemde wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegde autoriteit:

a)

hetzij heeft besloten tot opening van de procedure;

b)

hetzij heeft geconstateerd dat de onderneming of de vestiging van de werkgever definitief is gesloten, en dat het beschikbare vermogen ontoereikend is om opening van de procedure te rechtvaardigen.

2.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het nationale recht met betrekking tot de definitie van de termen „werknemer”, „werkgever”, „bezoldiging”, „verkregen recht” of „recht in wording”.

De lidstaten mogen echter de volgende categorieën niet van de werkingssfeer van deze richtlijn uitsluiten:

a)

deeltijdwerkers in de zin van Richtlijn 97/81/EG;

b)

werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de zin van Richtlijn 1999/70/EG;

c)

werknemers met een uitzendarbeidbetrekking in de zin van artikel 1, punt 2, van Richtlijn 91/383/EEG.

3.   De lidstaten kunnen het verkrijgen van het recht van werknemers op het voordeel van deze richtlijn niet laten afhangen van een minimale duur van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding.

4.   Deze richtlijn belet de lidstaten niet de bescherming van werknemers uit te breiden tot andere insolventiegevallen, zoals feitelijke blijvende stopzetting van betalingen, die zijn vastgesteld door middel van andere in de nationale wetgeving neergelegde procedures, die verschillen van de in lid 1 genoemde.

Dergelijke procedures brengen evenwel geen waarborgverplichting voor de instellingen van de overige lidstaten met zich mee in de gevallen als bedoeld in hoofdstuk IV.

HOOFDSTUK II

BEPALINGEN INZAKE WAARBORGFONDSEN

Artikel 3

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat waarborgfondsen onder voorbehoud van artikel 4 de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, met inbegrip van de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding, indien de nationale wetgeving hierin voorziet.

De aanspraken die het waarborgfonds honoreert, betreffen de onbetaalde lonen over een periode vóór en/of, in voorkomend geval, na een door de lidstaten vastgestelde datum.

Artikel 4

1.   De lidstaten hebben de bevoegdheid om de in artikel 3 bedoelde betalingsverplichting van de waarborgfondsen te beperken.

2.   Indien de lidstaten van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid gebruikmaken, stellen zij de periode vast waarover het waarborgfonds de onvervulde aanspraken honoreert. Deze periode mag echter niet korter zijn dan een periode die betrekking heeft op de bezoldiging over de laatste drie maanden van de arbeidsbetrekking vóór en/of na de in artikel 3, tweede alinea, bedoelde datum.

De lidstaten kunnen bepalen dat deze minimumperiode van drie maanden binnen een referentieperiode van ten minste zes maanden dient te vallen.

De lidstaten met een referentieperiode van ten minste achttien maanden kunnen de periode waarvoor het waarborgfonds de onvervulde aanspraken honoreert, tot acht weken beperken. In dit geval wordt de minimumperiode berekend op basis van de voor de werknemer meest gunstige perioden.

3.   De lidstaten kunnen plafonds vaststellen voor de betalingen door het waarborgfonds. Deze plafonds mogen evenwel niet lager zijn dan een minimum dat sociaal verenigbaar is met het sociale doel van deze richtlijn.

Indien de lidstaten van deze bevoegdheid gebruikmaken, delen zij aan de Commissie mee welke methoden zij hanteren om het plafond vast te stellen.

Artikel 5

De lidstaten stellen de nadere regels vast voor de organisatie, de financiering en de werking van de waarborgfondsen en nemen daarbij met name de volgende beginselen in acht:

a)

het vermogen van de fondsen moet gescheiden zijn van het bedrijfskapitaal van de werkgevers en dient zodanig te zijn gevormd dat het niet vatbaar is voor beslag bij een procedure wegens insolventie;

b)

de werkgevers moeten in de financiering bijdragen, tenzij de overheid voor de volledige financiering zorgt;

c)

de verplichting om aanspraken te honoreren rust op het fonds, ongeacht of de verplichtingen om bij te dragen tot de financiering werden nagekomen.

HOOFDSTUK III

BEPALINGEN INZAKE SOCIALE ZEKERHEID

Artikel 6

De lidstaten kunnen voorschrijven dat de artikelen 3, 4 en 5 niet gelden voor de premiebedragen uit hoofde van nationale wettelijke stelsels van sociale zekerheid of uit hoofde van voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de nationale wettelijke stelsels van sociale zekerheid.

Artikel 7

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het niet-betalen aan hun verzekeringsinstellingen van door de werkgever vóór het intreden van diens insolventie verschuldigde premiebedragen uit hoofde van de nationale wettelijke stelsels van sociale zekerheid, het recht van de werknemer op prestaties ten aanzien van deze verzekeringsinstellingen niet nadelig beïnvloedt, voor zover de loonpremies op het uitgekeerde loon zijn ingehouden.

Artikel 8

De lidstaten vergewissen zich ervan dat de nodige maatregelen worden getroffen om de belangen van de werknemers en die van de personen die de onderneming of vestiging van de werkgever op de datum van het intreden van de insolventie van de werkgever reeds hebben verlaten, te beschermen met betrekking tot hun verkregen rechten of hun rechten in wording op ouderdomsuitkeringen, met inbegrip van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, uit hoofde van voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de nationale wettelijke stelsels van sociale zekerheid.

HOOFDSTUK IV

BEPALINGEN INZAKE GRENSOVERSCHRIJDENDE GEVALLEN

Artikel 9

1.   Wanneer een onderneming met activiteiten op het grondgebied van ten minste twee lidstaten in staat van insolventie verkeert in de zin van artikel 2, lid 1, is het waarborgfonds dat bevoegd is om de onvervulde aanspraken van de werknemers te honoreren, het fonds van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemers gewoonlijk hun arbeid verrichten of verrichtten.

2.   De omvang van de rechten van de werknemers wordt bepaald door het recht waaronder het bevoegde waarborgfonds valt.

3.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen de beslissingen in het kader van een insolventieprocedure in de zin van artikel 2, lid 1, waarvan de opening is gevraagd in een andere lidstaat, in aanmerking worden genomen om de staat van insolventie van de werkgever in de zin van deze richtlijn vast te stellen.

Artikel 10

1.   Ter uitvoering van artikel 9 zorgen de lidstaten voor uitwisseling van terzake dienende informatie tussen de bevoegde overheidsdiensten en/of de in artikel 3, eerste alinea, bedoelde waarborgfondsen, waardoor met name de onvervulde loonaanspraken ter kennis van het bevoegde waarborgfonds kunnen worden gebracht.

2.   De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de relevante informatie van hun bevoegde overheidsdiensten en/of waarborgfondsen mee. De Commissie stelt deze informatie ter beschikking van het publiek.

HOOFDSTUK V

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers.

De toepassing van deze richtlijn vormt onder geen beding een reden ter rechtvaardiging van een achteruitgang ten opzichte van de in de lidstaten heersende toestand met betrekking tot het algemene beschermingsniveau van werknemers op het door deze richtlijn bestreken terrein.

Artikel 12

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten:

a)

om de nodige maatregelen te treffen met het oog op het voorkomen van misbruiken;

b)

om de in artikel 3 bedoelde verplichting tot honorering van aanspraken of de in artikel 7 bedoelde verplichting tot garantie te weigeren of te beperken, indien blijkt dat nakoming van de verplichting niet gerechtvaardigd is wegens het bestaan van speciale banden tussen werkgever en werknemer en van gemeenschappelijke belangen die hun beslag hebben gekregen in bedrieglijke samenheuling tussen hen;

c)

om de in artikel 3 bedoelde verplichting tot honorering van aanspraken of de in artikel 7 bedoelde verplichting tot garantie te weigeren of te beperken, indien een werknemer in eigen persoon of samen met nauwe verwanten eigenaar was van een essentieel deel van de onderneming of de vestiging van de werkgever en aanzienlijke invloed had op de activiteiten ervan.

Artikel 13

De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de soorten nationale insolventieprocedures die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, alsook van alle daarop betrekking hebbende wijzigingen.

De Commissie maakt deze kennisgevingen bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 14

De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 15

Uiterlijk op 8 oktober 2010 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de uitvoering en toepassing van de artikelen 1 tot en met 4, 9 en 10, artikel 11, tweede alinea, artikel 12, onder c), en artikelen 13 en 14 in de lidstaten.

Artikel 16

Richtlijn 80/987/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage I, genoemde besluiten, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel C, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 17

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 18

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2008.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

J.-P. JOUYET


(1)  PB C 161 van 13.7.2007, blz. 75.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 19 juni 2007 (PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 71) en besluit van de Raad van 25 september 2008.

(3)  PB L 283 van 28.10.1980, blz. 23.

(4)  Zie bijlage I, delen A en B.

(5)  PB L 14 van 20.1.1998, blz. 9.

(6)  PB L 175 van 10.7.1999, blz. 43.

(7)  PB L 206 van 29.7.1991, blz. 19.


BIJLAGE I

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 16)

Richtlijn 80/987/EEG van de Raad

(PB L 283 van 28.10.1980, blz. 23)

Richtlijn 87/164/EEG van de Raad

(PB L 66 van 11.3.1987, blz. 11)

Richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 270 van 8.10.2002, blz. 10)

DEEL B

Niet ingetrokken wijzigingsbesluit

(bedoeld in artikel 16)

Toetredingsakte van 1994

DEEL C

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 16)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

80/987/EEG

23 oktober 1983

 

87/164/EEG

 

1 januari 1986

2002/74/EG

7 oktober 2005

 


BIJLAGE II

Concordantietabel

Richtlijn 80/987/EEG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 8 bis

Artikel 9

Artikel 8 ter

Artikel 10

Artikel 9

Artikel 11

Artikel 10

Artikel 12

Artikel 10 bis

Artikel 13

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 14

Artikel 12

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 13

Artikel 18

Bijlage I

Bijlage II


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/43


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2008

tot goedkeuring van bepaalde nationale programma’s voor de bestrijding van salmonella bij koppels slachtkuikens van Gallus gallus

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 5699)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/815/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (1), en met name op artikel 6, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 heeft tot doel erop toe te zien dat er adequate en doeltreffende maatregelen worden getroffen voor de detectie en de bestrijding van salmonella en andere zoönoseverwekkers in alle stadia van productie, verwerking en distributie, in het bijzonder op het niveau van de primaire productie, teneinde de prevalentie ervan en het risico voor de volksgezondheid te verminderen.

(2)

Die verordening bepaalt dat communautaire doelstellingen voor de vermindering van de prevalentie van de in bijlage I daarbij vermelde zoönoses en zoönoseverwekkers bij bepaalde dierpopulaties moeten worden vastgesteld.

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 646/2007 van de Commissie van 12 juni 2007 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een communautaire doelstelling voor het verminderen van de prevalentie van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium bij slachtkuikens (2) is een communautaire doelstelling voor de vermindering van de prevalentie van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium bij slachtkuikens op het niveau van de primaire productie vastgesteld.

(4)

Om de communautaire doelstelling te verwezenlijken, moeten de lidstaten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2160/2003 nationale programma’s voor de bestrijding van salmonella bij koppels slachtkuikens van Gallus gallus vaststellen en bij de Commissie indienen.

(5)

Bepaalde lidstaten hebben dergelijke programma’s ingediend; deze zijn in overeenstemming bevonden met de desbetreffende communautaire veterinaire wetgeving en met name met Verordening (EG) nr. 2160/2003.

(6)

Die nationale bestrijdingsprogramma’s moeten dan ook worden goedgekeurd.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De door de in de bijlage vermelde lidstaten ingediende nationale programma’s voor de bestrijding van salmonella bij koppels slachtkuikens van Gallus gallus worden goedgekeurd.

Artikel 2

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 december 2008.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(2)  PB L 151 van 13.6.2007, blz. 21.


BIJLAGE

België

Bulgarije

Tsjechië

Denemarken

Duitsland

Estland

Ierland

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Cyprus

Letland

Litouwen

Luxemburg

Malta

Hongarije

Nederland

Oostenrijk

Polen

Portugal

Roemenië

Slovenië

Slowakije

Finland

Zweden

Verenigd Koninkrijk


28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/46


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2008

tot wijziging van Beschikking 2003/467/EG wat betreft de erkenning van bepaalde bestuurlijke gebieden van Polen als officieel vrij van enzoötische boviene leukose

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 5987)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/816/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (1), en met name op bijlage D, hoofdstuk I, onder E,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage D bij Richtlijn 64/432/EEG wordt bepaald dat lidstaten of delen van lidstaten als officieel vrij van enzoötische boviene leukose kunnen worden erkend ten aanzien van de rundveebeslagen, indien zij aan bepaalde in die richtlijn vastgestelde voorwaarden voldoen.

(2)

De lijsten van delen van lidstaten die vrij zijn van enzoötische boviene leukose worden vastgesteld in Beschikking 2003/467/EG van de Commissie van 23 juni 2003 houdende erkenning van bepaalde lidstaten en delen van lidstaten als officieel tuberculosevrij, officieel brucellosevrij en officieel vrij van enzoötische boviene leukose ten aanzien van de rundveebeslagen (2).

(3)

Polen heeft bij de Commissie documenten ingediend waaruit blijkt dat 29 bestuurlijke gebieden (powiaty) binnen de hogere bestuurlijke eenheden (województwa) Mazowieckie, Podlaskie en Warminsko-mazurskie voldoen aan de in Richtlijn 64/432/EEG vastgestelde voorwaarden om te worden erkend als gebieden in Polen die officieel vrij zijn van enzoötische boviene leukose.

(4)

Na de evaluatie van die documenten moeten die powiaty in Polen worden erkend als gebieden van die lidstaat die officieel vrij zijn van enzoötische boviene leukose.

(5)

Beschikking 2003/467/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64.

(2)  PB L 156 van 25.6.2003, blz. 74.


BIJLAGE

In hoofdstuk 2 van bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG wordt de tweede alinea betreffende Polen vervangen door:

„In Polen:

Województwo Dolnośląskie

Powiaty:

bolesławiecki, dzierżoniowski, głogowski, górowski, jaworski, jeleniogórski, Jelenia Góra, kamiennogórski, kłodzki, legnicki, Legnica, lubański, lubiński, lwówecki, milicki, oleśnicki, oławski, polkowicki, strzeliński, średzki, świdnicki, trzebnicki, wałbrzyski, Wałbrzych, wołowski, wrocławski, Wrocław, ząbkowicki, zgorzelecki, złotoryjski.

Województwo Lubelskie

Powiaty:

bialski, Biała Podlaska, biłgorajski, chełmski, Chełm, hrubieszowski, janowski, krasnostawski, kraśnicki, lubartowski, lubelski, Lublin, łęczyński, łukowski, opolski, parczewski, puławski, radzyński, rycki, świdnicki, tomaszowski, włodawski, zamojski, Zamość.

Województwo Kujawsko-pomorskie

Powiaty:

aleksandrowski, chełmiński, golubsko-dobrzyński, grudziądzki, Grudziądz, toruński, Toruń, wąbrzeski.

Województwo Łódzkie

Powiaty:

bełchatowski, brzeziński, kutnowski, łaski, łęczycki, łowicki, łódzki, Łódź, opoczyński, pabianicki, pajęczański, piotrkowski, Piotrków Trybunalski, poddębicki, radomszczański, rawski, sieradzki, skierniewicki, Skierniewice, tomaszowski, wieluński, wieruszowski, zduńskowolski, zgierski.

Województwo Małopolskie

Powiaty:

brzeski, bocheński, chrzanowski, dąbrowski, gorlicki, krakowski, Kraków, limanowski, miechowski, myślenicki, nowosądecki, nowotarski, Nowy Sącz, oświęcimski, olkuski, proszowicki, suski, tarnowski, Tarnów, tatrzański, wadowicki, wielicki.

Województwo Mazowieckie

Powiaty:

białobrzeski, garwoliński, grójecki, gostyniński, grodziski, kozienicki, lipski, Płock, płocki, pruszkowski, przysuski, Radom, radomski, sochaczewski, szydłowiecki, warszawski zachodni, zwoleński, żyrardowski.

Województwo Opolskie

Powiaty:

brzeski, głubczycki, kędzierzyńsko-kozielski, kluczborski, krapkowicki, namysłowski, nyski, oleski, opolski, Opole, prudnicki, strzelecki.

Województwo Podkarpackie

Powiaty:

bieszczadzki, brzozowski, dębicki, jarosławski, jasielski, kolbuszowski, krośnieński, Krosno, leski, leżajski, lubaczowski, łańcucki, mielecki, niżański, przemyski, Przemyśl, przeworski, ropczycko-sędziszowski, rzeszowski, Rzeszów, sanocki, stalowowolski, strzyżowski, Tarnobrzeg, tarnobrzeski.

Województwo Podlaskie

Powiaty:

augustowski, bielski, hajnowski, siemiatycki, sokólski, wysokomazowiecki, zambrowski.

Województwo Śląskie

Powiaty:

będziński, bielski, Bielsko-Biała, bieruńsko-lędziński, Bytom, Chorzów, cieszyński, częstochowski, Częstochowa, Dąbrowa Górnicza, gliwicki, Gliwice, Jastrzębie Zdrój, Jaworzno, Katowice, kłobucki, lubliniecki, mikołowski, Mysłowice, myszkowski, Piekary Śląskie, pszczyński, raciborski, Ruda Śląska, rybnicki, Rybnik, Siemianowice Śląskie, Sosnowiec, świętochłowice, tarnogórski, Tychy, wodzisławski, Zabrze, zawierciański, Żory, żywiecki.

Województwo Świętokrzyskie

Powiaty:

buski, jędrzejowski, kazimierski, kielecki, Kielce, konecki, opatowski, ostrowiecki, pińczowski, sandomierski, skarżyski, starachowicki, staszowski, włoszczowski.

Województwo Warmińsko-mazurskie

Powiaty:

ełcki, giżycki, gołdapski, olecki.

Województwo Wielkopolskie

Powiaty:

jarociński, kaliski, Kalisz, kępiński, kolski, koniński, Konin, krotoszyński, ostrzeszowski, słupecki, turecki, wrzesiński.”


28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/49


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 22 oktober 2008

tot wijziging van Beschikking 2007/777/EG wat betreft de invoer in de Gemeenschap van bepaalde vleesproducten uit Nieuw-Caledonië

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 6050)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/817/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van Richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG (1), en met name op artikel 10, lid 2, onder a),

Gelet op Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (2), en met name op artikel 8, inleidende zin, punt 1, eerste alinea, en punt 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 2007/777/EG van de Commissie van 29 november 2007 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften en het model van de certificaten voor bepaalde uit derde landen ingevoerde vleesproducten en behandelde magen, blazen en darmen voor menselijke consumptie en tot intrekking van Beschikking 2005/432/EG (3) bevat voorschriften voor de invoer van zendingen van bepaalde vleesproducten voor menselijke consumptie in de Gemeenschap. Deel 2 van bijlage II bij die beschikking bevat de lijst van derde landen en delen daarvan waaruit die producten mogen worden ingevoerd. In die beschikking worden ook modelcertificaten en voorschriften inzake de voor deze producten vereiste behandelingen vastgesteld.

(2)

Nieuw-Caledonië heeft verzocht om vleesproducten van als huisdier gehouden runderen en bepaald wild alsmede bepaalde delen van die dieren naar de Gemeenschap te mogen uitvoeren.

(3)

De Commissie heeft in Nieuw-Caledonië een audit uitgevoerd waaruit bleek dat de bevoegde veterinaire autoriteit van dat derde land passende garanties biedt voor de naleving van de communautaire wetgeving, overeenkomstig artikel 8, punt 1, eerste alinea, van Richtlijn 2002/99/EG.

(4)

De invoer in de Gemeenschap van vleesproducten van als huisdier gehouden runderen en bepaald wild en van bepaalde delen van die dieren uit Nieuw-Caledonië moet derhalve worden toegestaan, waarbij die producten om veterinaire redenen de niet-specifieke behandeling als omschreven in deel 4 van bijlage II bij Beschikking 2007/777/EG moeten ondergaan.

(5)

Beschikking 2007/777/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Deel 2 van bijlage II bij Beschikking 2007/777/EG wordt vervangen door de tekst van de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 oktober 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 62 van 15.3.1993, blz. 49.

(2)  PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(3)  PB L 312 van 30.11.2007, blz. 49.


BIJLAGE

„DEEL 2

Derde landen of delen daarvan waaruit vleesproducten en behandelde magen, blazen en darmen in de Europese Unie mogen worden ingevoerd

(zie deel 4 van deze bijlage voor de verklaring van de in de tabel gebruikte codes)

ISO-code

Land van oorsprong of deel daarvan

1.

Als huisdier gehouden runderen

2.

Gekweekt evenhoevig wild, met uitzondering van wilde varkens

Als huisdier gehouden schapen en geiten

1.

Als huisdier gehouden varkens

2.

Gekweekt evenhoevig wild

(wilde varkens)

Als huisdier gehouden eenhoevigen

1.

Pluimvee

2.

Gekweekt vederwild

(met uitzondering van loopvogels)

Gekweekte loopvogels

Tamme konijnen en gekweekte leporidae

Vrij evenhoevig wild

(met uitzondering van wilde varkens)

Wilde varkens

Wilde eenhoevigen

Wilde leporidae

(konijnen en hazen)

Vrij vederwild

Niet als huisdier gehouden landzoogdieren

(met uitzondering van hoefdieren en leporidae)

AR

Argentinië AR

C

C

C

A

A

A

A

C

C

XXX

A

D

XXX

Argentinië AR-1 (1)

C

C

C

A

A

A

A

C

C

XXX

A

D

XXX

Argentinië AR-2 (1)

A (2)

A (2)

C

A

A

A

A

C

C

XXX

A

D

XXX

AU

Australië

A

A

A

A

D

D

A

A

A

XXX

A

D

A

BH

Bahrein

B

B

B

B

XXX

XXX

A

C

C

XXX

A

XXX

XXX

BR

Brazilië

XXX

XXX

XXX

A

D

D

A

XXX

XXX

XXX

A

D

XXX

Brazilië BR-1

XXX

XXX

XXX

A

XXX

A

A

XXX

XXX

XXX

A

A

XXX

Brazilië BR-2

C

C

C

A

D

D

A

C

XXX

XXX

A

D

XXX

Brazilië BR-3

XXX

XXX

XXX

A

A

XXX

A

XXX

XXX

XXX

A

D

XXX

BW

Botswana

B

B

B

B

XXX

A

A

B

B

A

A

XXX

XXX

BY

Belarus

C

C

C

B

XXX

XXX

A

C

C

XXX

A

XXX

XXX

CA

Canada

A

A

A

A

A

A

A

A

A

XXX

A

A

A

CH

Zwitserland (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CL

Chili

A

A

A

A

A

A

A

B

B

XXX

A

A

XXX

CN

China

B

B

B

B

B

B

A

B

B

XXX

A

B

XXX

China CN-1

B

B

B

B

D

B

A

B

B

XXX

A

B

XXX

CO

Colombia

B

B

B

B

XXX

A

A

B

B

XXX

A

XXX

XXX

ET

Ethiopië

B

B

B

B

XXX

XXX

A

B

B

XXX

A

XXX

XXX

GL

Groenland

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

A

XXX

XXX

XXX

A

A

A

HK

Hongkong

B

B

B

B

D

D

A

B

B

XXX

A

XXX

XXX

HR

Kroatië

A

A

D

A

A

A

A

A

D

XXX

A

A

XXX

IL

Israël

B

B

B

B

A

A

A

B

B

XXX

A

A

XXX

IN

India

B

B

B

B

XXX

XXX

A

B

B

XXX

A

XXX

XXX

IS

IJsland

A

A

B

A

A

A

A

A

B

XXX

A

A

XXX

KE

Kenia

B

B

B

B

XXX

XXX

A

B

B

XXX

A

XXX

XXX

KR

Zuid-Korea

XXX

XXX

XXX

XXX

D

D

A

XXX

XXX

XXX

A

D

XXX

MA

Marokko

B

B

B

B

XXX

XXX

A

B

B

XXX

A

XXX

XXX

ME

Montenegro

A

A

D

A

D

D

A

D

D

XXX

A

XXX

XXX

MG

Madagaskar

B

B

B

B

D

D

A

B

B

XXX

A

D

XXX

MK

voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (4)

A

A

B

A

XXX

XXX

A

B

B

XXX

A

XXX

XXX

MU

Mauritius

B

B

B

B

XXX

XXX

A

B

B

XXX

A

XXX

XXX

MX

Mexico

A

D

D

A

D

D

A

D

D

XXX

A

D

XXX

MY

Maleisië MY

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

Maleisië MY-1

XXX

XXX

XXX

XXX

D

D

A

XXX

XXX

XXX

A

D

XXX

NA

Namibië (1)

B

B

B

B

D

A

A

B

B

A

A

D

XXX

NC

Nieuw-Caledonië

A

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

A

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

NZ

Nieuw-Zeeland

A

A

A

A

A

A

A

A

A

XXX

A

A

A

PY

Paraguay

C

C

C

B

XXX

XXX

A

C

C

XXX

A

XXX

XXX

RS

Servië (5)

A

A

D

A

D

D

A

D

D

XXX

A

XXX

XXX

RU

Rusland

C

C

C

B

XXX

XXX

A

C

C

XXX

A

XXX

A

SG

Singapore

B

B

B

B

D

D

A

B

B

XXX

A

XXX

XXX

SZ

Swaziland

B

B

B

B

XXX

XXX

A

B

B

A

A

XXX

XXX

TH

Thailand

B

B

B

B

A

A

A

B

B

XXX

A

D

XXX

TN

Tunesië

C

C

B

B

A

A

A

B

B

XXX

A

D

XXX

TR

Turkije

XXX

XXX

XXX

XXX

D

D

A

XXX

XXX

XXX

A

D

XXX

UA

Oekraïne

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

XXX

A

XXX

XXX

XXX

A

XXX

XXX

US

Verenigde Staten

A

A

A

A

A

A

A

A

A

XXX

A

A

XXX

UY

Uruguay

C

C

B

A

D

A

A

XXX

XXX

XXX

A

D

XXX

ZA

Zuid-Afrika (1)

C

C

C

A

D

A

A

C

C

A

A

D

XXX

ZW

Zimbabwe (1)

C

C

B

A

D

A

A

B

B

XXX

A

D

XXX

XXX

Geen certificaat vastgesteld; de invoer van vleesproducten en behandelde magen, blazen en darmen die zijn vervaardigd met vlees van deze diersoort is niet toegestaan.”


(1)  Zie deel 3 van deze bijlage voor minimumeisen voor de behandeling van gepasteuriseerde vleesproducten en biltong.

(2)  Voor vleesproducten en behandelde magen, blazen en darmen die zijn bereid met vers vlees van dieren die zijn geslacht na 1 maart 2002.

(3)  In overeenstemming met de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over de handel in landbouwproducten.

(4)  voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië; voorlopige code die geenszins vooruitloopt op de definitieve nomenclatuur voor dit land, die zal worden vastgesteld na afsluiting van de lopende onderhandelingen in het kader van de Verenigde Naties.

(5)  Uitgezonderd Kosovo zoals omschreven in Resolutie 1244 van 10 juni 1999 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

XXX

Geen certificaat vastgesteld; de invoer van vleesproducten en behandelde magen, blazen en darmen die zijn vervaardigd met vlees van deze diersoort is niet toegestaan.”


28.10.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/s3


BERICHT AAN DE LEZER

De instellingen hebben besloten in hun teksten niet langer te verwijzen naar de laatste wijziging van de aangehaalde besluiten.

Tenzij anders vermeld, zijn de besluiten waarnaar in de hierin gepubliceerde teksten wordt verwezen, de besluiten zoals die momenteel van kracht zijn.