ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 178

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
5 juli 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad van 23 juni 2008 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 houdende vaststelling van nationale herstructureringsprogramma’s voor de katoensector

1

 

 

Verordening (EG) nr. 638/2008 van de Commissie van 4 juli 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

7

 

*

Verordening (EG) nr. 639/2008 van de Commissie van 24 juni 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1043/2005 houdende de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen

9

 

*

Verordening (EG) nr. 640/2008 van de Commissie van 4 juli 2008 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2568/91 inzake de kenmerken van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven en de desbetreffende analysemethoden

11

 

*

Verordening (EG) nr. 641/2008 van de Commissie van 4 juli 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 40/2008, wat betreft de lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan

17

 

*

Verordening (EG) Nr. 642/2008 van de commissie van 4 juli 2008 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

19

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2008/551/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 11 december 2007 betreffende Steunmaatregel C 12/07 (ex N 799/06) die Slowakije voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van Glunz&Jensen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 6045)  ( 1 )

38

 

 

2008/552/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 24 juni 2008 tot wijziging van Beschikking 2007/716/EG wat betreft bepaalde inrichtingen in de vlees- en de melksector in Bulgarije (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 2931)  ( 1 )

43

 

 

2008/553/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 30 juni 2008 tot intrekking van Beschikking 2008/377/EG tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 3223)  ( 1 )

45

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG

 

 

2008/554/JBZ

 

*

Begroting voor Europol voor 2009

46

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/1


VERORDENING (EG) Nr. 637/2008 VAN DE RAAD

van 23 juni 2008

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 houdende vaststelling van nationale herstructureringsprogramma’s voor de katoensector

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37, lid 2, derde alinea,

Gelet op de Toetredingsakte van 1979, en met name op punt 6 van het daaraan gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen (1), hierna „Protocol 4” te noemen,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Hoofdstuk 10 bis van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (4), dat is ingevoegd bij artikel 1, punt 20, van Verordening (EG) nr. 864/2004 van de Raad van 29 april 2004 (5), bevat regels betreffende de specifieke betaling voor het gewas katoen.

(2)

Bij arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2006 in zaak C-310/04 (6) is hoofdstuk 10 bis van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wegens schending van het evenredigheidsbeginsel nietig verklaard, waarbij met name is gewezen op de omstandigheid dat „de Raad, die Verordening (EG) nr. 864/2004 heeft vastgesteld, voor het Hof niet heeft aangetoond dat hij bij de vaststelling van de bij die verordening ingestelde nieuwe steunregeling voor katoen zijn beoordelingsbevoegdheid daadwerkelijk heeft uitgeoefend, wat veronderstelde dat rekening werd gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van de situatie, waaronder de aan de katoenteelt verbonden loonkosten en het voortbestaan van de egreneringsbedrijven, die ter beoordeling van de rentabiliteit van die teelt in aanmerking moesten worden genomen” en dat het Hof niet had kunnen „nagaan of de Gemeenschapswetgever, zonder overschrijding van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake, tot het besluit kon komen dat de vaststelling van het bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen op 35 % van het totaalbedrag van de steun onder de vroegere steunregeling, volstond ter bereiking van de in punt 5 van de considerans van Verordening (EG) nr. 864/2004 uiteengezette doelstelling, namelijk de rentabiliteit en dus de voortzetting van die teelt te verzekeren, welke doelstelling overeenkomt met de in lid 2 van Protocol nr. 4 vermelde doelstelling”. Het Hof heeft ook verklaard dat de gevolgen van die nietigverklaring worden opgeschort totdat binnen een redelijke termijn een nieuwe verordening is vastgesteld.

(3)

In overeenstemming met het arrest van het Hof in zaak C-310/04 moet een nieuwe regeling inzake de specifieke betaling voor katoen worden vastgesteld.

(4)

Rekening dient te worden gehouden met alle relevante factoren en omstandigheden die deel uitmaken van de specifieke situatie van de katoensector, waaronder alle elementen die nodig zijn om de rentabiliteit van het gewas katoen te beoordelen. Daartoe is een evaluatie- en raadplegingsproces ondernomen: twee studies werden verricht met betrekking tot de sociaaleconomische en de milieueffecten van de toekomstige steunregeling voor katoen op de katoensector in de Gemeenschap, en ten behoeve van de belanghebbenden werden specifieke seminars en een internetraadpleging georganiseerd.

(5)

De nieuwe regeling moet beantwoorden aan de doelstellingen die zijn omschreven in punt 2 van Protocol 4, namelijk de katoenproductie te ondersteunen in de gebieden van de Gemeenschap waar zij van belang is voor de landbouweconomie, de betrokken producenten in staat te stellen een redelijk inkomen te verwerven en de markt te stabiliseren door structuurverbetering inzake het aanbod en het op de markt brengen.

(6)

Tevens moet de regeling sporen met een beleid van inkomenssteun aan de landbouwers, dat het voornaamste leidende beginsel van het hervormde gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is.

(7)

De ontkoppeling van de rechtstreekse steun aan de producenten en de invoering van de bedrijfstoeslagregeling zijn essentiële elementen in het proces van hervorming van het GLB. Bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 zijn deze elementen ingevoerd voor een reeks van landbouwproducten.

(8)

Om de kerndoelstellingen van de hervorming van het GLB en de doelstellingen van Protocol 4 te bereiken, dient de steun voor katoen grotendeels te worden ontkoppeld en in de bedrijfstoeslagregeling te worden geïntegreerd. Aangezien deze doelstellingen niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt en, gezien de behoefte aan een gemeenschappelijk optreden, derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(9)

De steunregeling voor de katoensector volledig en onmiddellijk in de bedrijfstoeslagregeling integreren zou waarschijnlijk voor de katoenproducerende regio’s van de Gemeenschap een aanzienlijk risico op ontwrichting van de productie meebrengen. Een deel van de steun dient daarom aan de katoenteelt gekoppeld te blijven via een gewasspecifieke betaling per subsidiabele hectare. Het bedrag ervan dient zo te worden berekend dat de in punt 2 van Protocol 4 omschreven doelstellingen worden bereikt, terwijl de katoenregeling ook wordt opgenomen in de hoofdstroom van hervorming en vereenvoudiging van het GLB. Daartoe is het, in het licht van de verrichte evaluatie, verantwoord om per lidstaat het totale beschikbare steunbedrag vast te stellen op 35 % van het nationale aandeel in de zijdelings aan de producenten toegekende steun. Een dergelijk percentage maakt het de katoensector mogelijk zich te ontwikkelen in de richting van levensvatbaarheid op lange termijn, bevordert de duurzame ontwikkeling van de katoenproducerende regio’s en waarborgt de landbouwers een redelijk inkomen.

(10)

De resterende 65 % van het nationale aandeel in de zijdelings aan de producenten toegekende steun dient beschikbaar te zijn voor de bedrijfstoeslagregeling.

(11)

Om milieuredenen moet een basisareaal per producerende lidstaat worden vastgesteld. Bovendien behoren alleen de oppervlakten waarvoor de lidstaten een vergunning hebben verleend, subsidiabel te zijn.

(12)

Er moet per producerende lidstaat een vaste opbrengst per hectare worden vastgesteld. Deze zal — tezamen met de basisareaalvereiste, de algemene plafonnering van de middelen en de overwegend ontkoppelde aard van de regeling — het productiebeperkende karakter van het programma bepalen, terwijl tegelijkertijd de doelstellingen van Protocol 4 worden bereikt.

(13)

Teneinde in de behoeften van de egreneringsindustrie te voorzien dient een minimumkwaliteit van de daadwerkelijk geoogste katoen een voorwaarde te zijn om voor de steun in aanmerking te komen.

(14)

De oprichting van door de lidstaten te erkennen brancheorganisaties dient te worden bevorderd om het de producenten en de egreneringsbedrijven mogelijk te maken de kwaliteit van de katoen te verbeteren. De Gemeenschap dient een zijdelingse bijdrage tot de activiteiten van deze organisaties te leveren via verhoging van de steun voor de bij de organisaties aangesloten landbouwers.

(15)

Verordening (EG) nr. 1782/2003 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

Behalve de nieuwe regeling inzake de specifieke betaling voor katoen, lijkt het passend een tweede reeks voorschriften aan te nemen om de katoensector te helpen zich te stabiliseren in het nieuwe juridische en marktkader.

(17)

Voor zover de aanwezigheid van de egreneringsindustrie in katoenproducerende regio’s nodig is, zou in de behoeften van die sector voldoende kunnen worden voorzien door, onder meer, een minimumkwaliteit vast te stellen voor de daadwerkelijk geoogste katoen, en door de brancheorganisaties in staat te stellen de katoenkwaliteit te verbeteren. Bovendien is het, gezien de overcapaciteit van de egreneringsindustrie, passend te voorzien in aanvullende maatregelen om met het oog op een betere marktgerichtheid het herstructureringsproces ervan te steunen.

(18)

Voorts lijkt het passend om als onderdeel van deze marktgerichtheid maatregelen ter bevordering van specifieke kwaliteitsregelingen en daarmee samenhangende afzetbevorderingsactiviteiten in te voeren. Daartoe dienen nationale programma’s voor de herstructurering van de katoensector te worden opgesteld. Hoewel de betrokken maatregelen door de Gemeenschap moeten worden gefinancierd, moet het aan de lidstaten worden overgelaten om een op de behoeften van hun eigen gebieden toegespitste combinatie te kiezen, zo nodig met inachtneming van regionale bijzonderheden.

(19)

De herstructureringsprogramma’s moeten aan de Commissie worden voorgelegd, opdat deze kan controleren of de maatregelen voldoen aan de in de verordening en de uitvoeringsbepalingen daarvan vastgelegde voorschriften. De lidstaten moeten de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van dergelijke herstructureringsprogramma’s dragen.

(20)

De maatregelen moeten een aanvulling vormen op de maatregelen die reeds bestaan in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (7).

(21)

De maatregelen in die programma’s kunnen onder meer betrekking hebben op de volledige en blijvende ontmanteling van een deel van de egreneringsinrichtingen, om te zorgen voor een meer levensvatbare egreneringsindustrie. Ook investeringen in de egreneringsindustrie kunnen worden ondersteund, als die erop gericht zijn de economische prestatie van de ondernemingen als zodanig te verbeteren. Voorts kan er steun beschikbaar worden gesteld voor loonwerkbedrijven die door de herstructurering van de katoensector worden getroffen.

(22)

Om de kwaliteit van de Europese katoen te verbeteren, dienen landbouwers die deelnemen aan specifieke kwaliteitsregelingen in het kader van die programma’s specifieke steun te ontvangen om een deel van de daarmee gepaard gaande kosten te dekken. Ook voor voorlichtings- en verkoopbevorderingsacties voor katoen die onder deze kwaliteitsregelingen vallen, dient steun te worden verleend.

(23)

De verdeling van de financiële middelen voor de nationale herstructureringsprogramma’s over de lidstaten dient te worden gebaseerd op de specifieke behoeften aan herstructurering en aanpassing in de voornaamste katoenproducerende gebieden. Gezien het tijdelijke doel dat de herstructurering en aanpassing van de katoensector vormt, kunnen de programma’s op verzoek van de lidstaten worden beëindigd, waarna de jaarlijkse begroting voor de herstructureringsprogramma’s kan worden toegevoegd aan het nationale maximum van de betrokken lidstaat voor ontkoppelde betalingen dat is bepaald in bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

(24)

Gezien het ontbreken van een egreneringsindustrie in Portugal en de toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling in Bulgarije behoeft er in die twee lidstaten geen begroting voor nationale herstructureringsprogramma’s te worden toegewezen.

(25)

Om ervoor te zorgen dat de nieuwe steunregeling en de herstructureringsregeling voor de katoensector worden toegepast vanaf het begin van het teeltseizoen, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van het kalenderjaar 2009,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR KATOEN

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003

Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In titel IV wordt hoofdstuk 10 bis vervangen door:

„HOOFDSTUK 10 bis

GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR KATOEN

Artikel 110 bis

Toepassingsgebied

Aan landbouwers die katoen van GN-code 5201 00 produceren, wordt steun verleend onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden.

Artikel 110 ter

Subsidiabiliteit

1.   De steun wordt toegekend per hectare subsidiabel katoenareaal. Om subsidiabel te zijn moet het areaal bestaan uit landbouwgrond waarvoor de lidstaat een vergunning voor de katoenproductie heeft verleend, zijn ingezaaid met toegelaten rassen en daadwerkelijk zijn afgeoogst in normale groeiomstandigheden.

De in artikel 110 bis bedoelde steun wordt betaald voor katoen van gezonde handelskwaliteit.

2.   De lidstaten verlenen de vergunning, respectievelijk de toelating, voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde grond en rassen overeenkomstig uitvoeringsbepalingen en voorwaarden die volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld.

Artikel 110 quater

Basisarealen, vaste opbrengsten en referentiebedragen

1.   De volgende nationale basisarealen worden hierbij vastgesteld:

Bulgarije: 3 342 ha,

Griekenland: 250 000 ha,

Spanje: 48 000 ha,

Portugal: 360 ha.

2.   De volgende vaste opbrengsten voor de referentieperiode worden hierbij vastgesteld:

Bulgarije: 1,2 t/ha,

Griekenland: 3,2 t/ha,

Spanje: 3,5 t/ha,

Portugal: 2,2 t/ha.

3.   Het steunbedrag per subsidiabele hectare wordt bepaald door de in lid 2 vastgestelde opbrengsten te vermenigvuldigen met de volgende referentiebedragen:

Bulgarije: 671,33 EUR,

Griekenland: 251,75 EUR,

Spanje: 400,00 EUR,

Portugal: 252,73 EUR.

4.   Indien in een bepaald jaar het subsidiabele katoenareaal in een bepaalde lidstaat het in lid 1 vastgestelde basisareaal overschrijdt, wordt het in lid 3 voor die lidstaat vastgestelde steunbedrag verlaagd in verhouding tot de overschrijding van het basisareaal.

5.   De nadere voorschriften voor de toepassing van dit artikel worden overeenkomstig de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 110 quinquies

Erkende brancheorganisaties

1.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „erkende brancheorganisatie” verstaan een rechtspersoon die is samengesteld uit katoenproducerende landbouwers en ten minste één egreneringsbedrijf en die activiteiten verricht zoals:

het bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop katoen op de markt wordt gebracht, met name door middel van onderzoeks- en marktstudies,

de opstelling van standaardcontractformulieren die verenigbaar zijn met de voorschriften van de Gemeenschap,

het sturen van de productie in de richting van producten die beter aan de marktbehoeften en de wensen van de consument zijn aangepast, in het bijzonder wat aspecten van kwaliteit en consumentenbescherming betreft,

de actualisering van methoden en middelen ter verbetering van de productkwaliteit,

de ontwikkeling van marketingstrategieën om de afzet van katoen te bevorderen door middel van kwaliteitscertificeringsregelingen.

2.   De lidstaat op het grondgebied waarvan de egreneringsbedrijven zijn gevestigd, erkent de brancheorganisaties die voldoen aan de volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen criteria.

Artikel 110 sexies

Betaling van de steun

1.   De steun per subsidiabele hectare wordt aan de landbouwers toegekend overeenkomstig artikel 110 quater.

2.   Aan de bij een erkende brancheorganisatie aangesloten landbouwers wordt, per subsidiabele hectare binnen het bij artikel 110 quater, lid 1, vastgestelde basisareaal, steun toegekend die met een bedrag van 2 EUR is verhoogd.”.

2.

In artikel 156, lid 2, wordt punt g) vervangen door:

„g)

Titel IV, hoofdstuk 10 bis, is van toepassing met ingang van 1 januari 2009 voor de op of na die datum ingezaaide katoen.”.

HOOFDSTUK 2

NATIONALE HERSTRUCTURERINGSPROGRAMMA’S VOOR DE KATOENSECTOR

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   In dit hoofdstuk worden de voorschriften vastgesteld voor de toewijzing van communautaire financiële middelen aan de lidstaten en het gebruik dat de lidstaten van deze middelen maken in het kader van nationale herstructureringsprogramma’s (hierna „herstructureringsprogramma’s” genoemd) ter financiering van specifieke herstructureringsmaatregelen ten behoeve van de katoensector.

2.   Er wordt geen steun verleend voor:

a)

onderzoeksprojecten en maatregelen ter ondersteuning van onderzoeksprojecten;

b)

maatregelen die in aanmerking komen voor communautaire steun uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Artikel 3

Algemene voorschriften

1.   De herstructureringsprogramma’s moeten verenigbaar zijn met de Gemeenschapswetgeving en coherent zijn met de activiteiten, beleidslijnen en prioriteiten van de Gemeenschap.

2.   De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de herstructureringsprogramma’s en zien erop toe dat deze intern coherent zijn en op een objectieve manier worden opgesteld en uitgevoerd, met inachtneming van de economische situatie van de betrokken producenten en verwerkers en de noodzaak een niet-gegronde ongelijke behandeling van de producenten en verwerkers te vermijden.

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het instellen en verrichten van de nodige controles en het opleggen van sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van de herstructureringsprogramma’s.

Artikel 4

Indiening en toepassing van herstructureringsprogramma’s

1.   Elke producerende lidstaat dient, om de vier jaar en voor het eerst uiterlijk op 1 januari 2009, een ontwerp van een vierjarig herstructureringsprogramma bij de Commissie in, met maatregelen die in overeenstemming zijn met dit hoofdstuk.

Het herstructureringsprogramma wordt bij de Commissie ingediend na overleg met de bevoegde autoriteiten en organisaties in de katoensector.

De lidstaten dienen elk één ontwerpprogramma in waarin specifieke regionale factoren in aanmerking mogen worden genomen.

2.   De herstructureringsprogramma’s worden drie maanden nadat zij bij de Commissie zijn ingediend, van toepassing.

Voldoet een ingediend programma niet aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen, dan stelt de Commissie de betrokken lidstaat daarvan in kennis. De betrokken lidstaat dient in dat geval een herzien programma in bij de Commissie. Het herziene programma wordt twee maanden nadat het is ingediend, van toepassing, tenzij het nog steeds onverenigbaar is met de voorschriften, in welk geval het bepaalde in deze alinea geldt.

3.   Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen in de door de lidstaten ingediende herstructureringsprogramma’s.

Artikel 5

Begrotingstoewijzing

1.   De jaarlijkse begroting voor het herstructureringsprogramma per lidstaat bedraagt, vanaf het begrotingsjaar 2010:

Griekenland: 4,0 miljoen EUR;

Spanje: 6,134 miljoen EUR.

2.   Elke lidstaat kan besluiten het gebruik van het herstructureringsprogramma te beëindigen en de in lid 1 van dit artikel bedoelde jaarlijkse begroting over te brengen naar zijn nationale maximum als vastgesteld in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1782/2003. Dit besluit wordt voor uiterlijk 1 augustus van een bepaald jaar ter kennis gebracht van de Commissie, en is van toepassing op de uit hoofde van het volgende kalenderjaar toegewezen rechtstreekse betalingen. Bij de kennisgeving wordt ook verslag uitgebracht over de uitvoering van het herstructureringsprogramma en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan.

3.   De in lid 2 van dit artikel bedoelde overdracht en de overeenkomstige wijziging van lid 1 van dit artikel worden aangenomen volgens de procedure van artikel 144, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, nadat de Commissie de uitvoering van het herstructureringsprogramma in het licht van de doelstellingen daarvan heeft beoordeeld.

Artikel 6

Algemene regels inzake de financiering van de herstructureringsprogramma’s

1.   De communautaire steun heeft slechts betrekking op subsidiabele uitgaven die worden gedaan na de indiening van het betrokken herstructureringsprogramma overeenkomstig artikel 4, lid 1.

2.   De lidstaten nemen niet deel in de kosten van de maatregelen die in het kader van de herstructureringsprogramma’s door de Gemeenschap worden gefinancierd.

Artikel 7

Subsidiabele maatregelen en begunstigden

1.   Herstructureringsprogramma’s omvatten uitsluitend een of meer van de volgende maatregelen:

a)

volledige en blijvende ontmanteling van egreneringsinrichtingen;

b)

investeringen in de egreneringsindustrie;

c)

deelname door landbouwers aan katoenkwaliteitsregelingen;

d)

activiteiten op het gebied van voorlichting en afzetbevordering;

e)

steun voor loonwerkbedrijven, ten belope van ten hoogste de geleden verliezen.

2.   Begunstigden van de herstructureringsprogramma’s zijn:

a)

de begunstigden van de steun uit hoofde van hoofdstuk IV van Verordening (EG) nr. 1051/2001 van de Raad van 22 mei 2001 betreffende de steun voor de katoenproductie (8) in het verkoopseizoen 2005/2006, voor steun uit hoofde van de in lid 1, onder a), b) en d), bedoelde maatregelen;

b)

de begunstigden van de steun uit hoofde van hoofdstuk 10 bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003, voor steun uit hoofde van de in lid 1, onder c) en d), van dit artikel bedoelde maatregelen;

c)

de erkende brancheorganisaties als gedefinieerd in hoofdstuk 10 bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003, voor steun uit hoofde van de in lid 1, onder d), bedoelde maatregelen;

d)

loonwerkbedrijven, voor steun uit hoofde van de in lid 1, onder e), bedoelde maatregelen, die:

particulieren of ondernemingen zijn die in het kader van een overeenkomst met telers of egreneringsbedrijven in het verkoopseizoen 2005/2006 met hun landbouwmachines hebben gewerkt voor de katoenoogst,

katoen hebben geoogst die is geleverd aan egreneringsinrichtingen die zijn getroffen door de in lid 1, onder a), bedoelde ontmanteling,

en

aantoonbare verliezen hebben geleden ten gevolge van het tekort aan te oogsten katoen.

Artikel 8

Financiële middelen

De in dit hoofdstuk bepaalde maatregelen zijn interventies ter regulering van de landbouwmarkten in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (9).

Artikel 9

Uitvoeringsbepalingen

De uitvoeringsbepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (10) bedoelde procedure.

Artikel 10

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

I. JARC


(1)  PB L 291 van 19.11.1979, blz. 174. Protocol laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1050/2001 (PB L 148 van 1.6.2001, blz. 1).

(2)  Advies van 14 februari 2008 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).

(3)  Advies van 8 mei 2008 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).

(4)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 479/2008 (PB L 148 van 6.6.2008, blz. 1).

(5)  PB L 161 van 30.4.2004, blz. 48; gerectificeerd in PB L 206 van 9.6.2004, blz. 20.

(6)  Jurispr. 2006, blz. I-7285.

(7)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 146/2008 (PB L 46 van 21.2.2008, blz. 1).

(8)  PB L 148 van 1.6.2001, blz. 3. Verordening ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 1782/2003.

(9)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 479/2008.

(10)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 510/2008 van de Commissie (PB L 149 van 7.6.2008, blz. 61).


5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/7


VERORDENING (EG) Nr. 638/2008 VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2008

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 5 juli 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 510/2008 van de Commissie (PB L 149 van 7.6.2008, blz. 61).

(2)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 4 juli 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

39,1

MK

32,3

TR

90,8

ZZ

54,1

0707 00 05

MK

11,6

TR

62,0

ZZ

36,8

0709 90 70

TR

84,4

ZZ

84,4

0805 50 10

AR

102,4

US

79,5

ZA

116,6

ZZ

99,5

0808 10 80

AR

85,3

BR

98,5

CL

99,1

CN

93,8

NZ

116,7

US

88,2

UY

135,9

ZA

91,9

ZZ

101,2

0808 20 50

AR

96,9

CL

98,1

CN

96,2

NZ

142,3

ZA

118,0

ZZ

110,3

0809 10 00

TR

196,2

US

284,0

ZZ

240,1

0809 20 95

TR

368,7

US

486,8

ZZ

427,8

0809 30

TR

197,2

ZZ

197,2

0809 40 05

IL

154,1

ZZ

154,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/9


VERORDENING (EG) Nr. 639/2008 VAN DE COMMISSIE

van 24 juni 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1043/2005 houdende de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 8, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De recente daling van de uitvoerrestituties als gevolg van het gecombineerde effect van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de gestegen prijzen van landbouwproducten op de wereldmarkt hebben geleid tot minder aanvragen om restitutiecertificaten, waardoor de druk op de EU-begroting voor uitvoerrestituties voor goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen, is verminderd. Voor zover de Gemeenschap haar internationale verplichtingen niet dreigt te schenden, is het dienstig de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen, te vereenvoudigen en zo de administratieve lasten voor marktdeelnemers die die goederen uitvoeren, te verlichten.

(2)

Op grond van artikel 27, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie (2) kunnen de uit restitutiecertificaten voortvloeiende rechten onder bepaalde voorwaarden worden overgedragen. Ter wille van een consequente behandeling van certificaten dient de procedure voor die overdrachten waar mogelijk te worden afgestemd op de bepalingen met betrekking tot de overdracht van uit certificaten voortvloeiende rechten zoals neergelegd in Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (3).

(3)

Artikel 32, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 stelt de periode vast waarbinnen de tot betaling gemachtigde instantie de aangevraagde bedragen van uitvoerrestituties op het restitutiecertificaat moet afboeken. Gezien de tijd die nodig is voor de verwerking van de documenten met betrekking tot naar bestemming gedifferentieerde uitvoerrestituties, is deze periode mogelijk ontoereikend en moet zij daarom worden verlengd.

(4)

Artikel 38 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 stelt de voorwaarden vast waaronder de lidstaten de Commissie van de aanvragen in kennis moeten stellen en vervolgens de restitutiecertificaten afgeven. Aangezien intussen efficiëntere verslagleggings- en communicatiesystemen zijn ingevoerd, moeten de termijnen worden aangepast.

(5)

Artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1043/2005 voorziet in een tranchesysteem voor de afgifte van restitutiecertificaten. De geldigheidsduur van die restitutiecertificaten is vastgesteld in artikel 39 van die verordening. Om het functioneren van het systeem van restitutiecertificaten te vergemakkelijken, moet de geldigheidsduur van de onder de eerste tranche afgegeven certificaten en van de op grond van artikel 38 bis aangevraagde certificaten worden verlengd.

(6)

Om in aanmerking te kunnen komen voor een vermindering van het te verbeuren zekerheidsbedrag, bepaalt artikel 45, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 dat ongebruikte certificaten of uittreksels van certificaten uiterlijk op 30 juni van de begrotingsperiode waarvoor zij zijn afgegeven, aan de instantie van afgifte moeten worden teruggezonden. Dankzij de invoering van efficiëntere verslagleggingssystemen kan deze termijn worden verlengd.

(7)

Artikel 47 van Verordening (EG) nr. 1043/2005 bevat bijzondere voorwaarden waaronder aan kleine exporteurs uitvoerrestituties kunnen worden toegekend. Ter wille van de vereenvoudiging moeten kleine exporteurs het recht krijgen restitutiecertificaten te gebruiken zonder hun status van kleine exporteur te verliezen en moet daarnaast de toekenningsdrempel worden opgetrokken.

(8)

Teneinde de in deze verordening vervatte maatregelen tijdig van kracht te laten zijn, dient de verordening op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking te treden.

(9)

Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1043/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 27 wordt vervangen door:

„Artikel 27

1.   De uit certificaten voortvloeiende verplichtingen zijn niet overdraagbaar. De uit certificaten voortvloeiende rechten kunnen door de houder gedurende de geldigheidsduur van het certificaat worden overgedragen, mits de uit elk certificaat of uittreksel daarvan voortvloeiende rechten slechts aan één enkele cessionaris worden overgedragen. Deze overdracht heeft betrekking op de nog niet op het certificaat of uittreksel afgeschreven hoeveelheden.

2.   De cessionaris mag zijn recht niet op zijn beurt overdragen, maar mag het aan de houder retrocederen. De retrocessie heeft betrekking op de nog niet op het certificaat of uittreksel afgeschreven hoeveelheden.

In dit geval brengt de instantie van afgifte in vak 6 van het certificaat één van de in bijlage VIII opgenomen vermeldingen aan.”.

2.

In artikel 32, lid 2, wordt de tweede alinea vervangen door:

„De tot betaling gemachtigde instantie boekt dit bedrag van het restitutiecertificaat af binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van ontvangst van de specifieke aanvraag.”.

3.

In artikel 38 bis wordt lid 2 vervangen door:

„2.   De aanvragen die in de loop van een week zijn ingediend, worden de daaropvolgende maandag door de lidstaten aan de Commissie meegedeeld. De desbetreffende certificaten kunnen worden afgegeven vanaf de woensdag die volgt op de mededeling, op voorwaarde dat de Commissie geen andere maatregelen vaststelt.”.

4.

In artikel 39 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Behoudens de tweede en derde alinea zijn restitutiecertificaten geldig tot de laatste dag van de vijfde maand die volgt op de maand waarin de certificaataanvraag is ingediend, of tot de laatste dag van de begrotingsperiode indien deze op een eerdere datum valt.

Restitutiecertificaten die in overeenstemming met artikel 33, onder a), of artikel 38 bis uiterlijk op 7 november zijn aangevraagd, zijn geldig tot de laatste dag van de tiende maand die volgt op de maand waarin de certificaataanvraag is ingediend.

De in artikel 40 bedoelde restitutiecertificaten zijn geldig tot de laatste dag van de vijfde maand die volgt op de maand waarin de certificaataanvraag is ingediend.

In geval van vaststelling vooraf van de restitutievoeten overeenkomstig artikel 29 blijven deze restitutievoeten geldig tot de laatste dag van de geldigheidstermijn van het certificaat.”.

5.

In artikel 45 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Lid 1 geldt slechts voor certificaten en uittreksels van certificaten die gedurende de begrotingsperiode waarvoor de certificaten zijn afgegeven, aan de instantie van afgifte worden teruggezonden, mits zij uiterlijk op 31 augustus van die periode worden teruggezonden.”.

6.

In artikel 47, lid 2, wordt de eerste alinea vervangen door:

„2.   Artikel 46 is van toepassing op de uitvoer waarvoor de aanvragen die de marktdeelnemer onder de voorwaarden van artikel 32, lid 1, in het desbetreffende begrotingsjaar heeft ingediend, met inbegrip van de indiening van de aanvraag voor de betrokken uitvoer, geen aanleiding geeft tot betaling van meer dan 100 000 EUR.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 juni 2008.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)  PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).

(2)  PB L 172 van 5.7.2005, blz. 24. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 246/2008 (PB L 75 van 18.3.2008, blz. 64).

(3)  PB L 114 van 26.4.2008, blz. 3.


5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/11


VERORDENING (EG) Nr. 640/2008 VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2008

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2568/91 inzake de kenmerken van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven en de desbetreffende analysemethoden

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 113, lid 1, onder a), en artikel 121, onder h), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie van 11 juli 1991 inzake de kenmerken van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven en de desbetreffende analysemethoden (2) worden de chemische en organoleptische kenmerken van olijfolie en olie uit afvallen van olijven vastgesteld, alsmede de methoden om die kenmerken te beoordelen.

(2)

Volgens artikel 2, lid 1, tiende streepje, van Verordening (EEG) nr. 2568/91 wordt voor de beoordeling van de organoleptische kenmerken van olijfolie van de eerste persing de in bijlage XII van die verordening beschreven methode toegepast.

(3)

In november 2007 is door de Internationale Olijfolieraad een herziene methode voor de organoleptische beoordeling van olijfolie van de eerste persing vastgesteld. Deze herziening behelst een actualisering van de beschrijvingen van de positieve en negatieve kenmerken van olijfolie van de eerste persing en van de beschrijving van de methode. Zij behelst tevens een wijziging van de bovengrens voor de waarneming van gebreken in olijfolie van de eerste persing.

(4)

De herziene methode voor de organoleptische beoordeling van olijfolie van de eerste persing van de Internationale Olijfolieraad specificeert tevens de voorwaarden voor het facultatieve gebruik in de etikettering van bepaalde termen en uitdrukkingen in verband met de organoleptische kenmerken van olijfolie van de eerste persing. Er dient te worden bepaald dat de voorzitters van de panels kunnen certificeren dat de olie in overeenstemming is met de definities voor het gebruik van deze termen en uitdrukkingen.

(5)

Verordening (EEG) nr. 2568/91 dient derhalve te worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 2568/91 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In de tabel in bijlage I wordt in de tweede regel en de derde regel van de elfde kolom („Organoleptische beoordeling Mediaan voor de gebreken (Md)”) en in voetnoot 2 het getal „2,5” vervangen door het getal „3,5”.

2.

Bijlage XII wordt vervangen door de tekst in de bijlage van deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 510/2008 van de Commissie (PB L 149 van 7.6.2008, blz. 61).

(2)  PB L 248 van 5.9.1991, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 702/2007 (PB L 161 van 22.6.2007, blz. 11).


BIJLAGE

BIJLAGE XII

METHODE VAN DE INTERNATIONALE OLIJFOLIERAAD VOOR DE ORGANOLEPTISCHE BEOORDELING VAN OLIJFOLIE VAN DE EERSTE PERSING

1.   DOEL EN TOEPASSINGSGEBIED

Deze methode is gebaseerd op besluit nr. DEC-21/95-V/2007 van de Internationale Olijfolieraad van 16 november 2007 inzake de herziene methode voor de organoleptische beoordeling van olijfolie van de eerste persing. Bij dit besluit worden de procedure voor de beoordeling van de organoleptische kenmerken van olijfolie van de eerste persing in de zin van punt 1 van bijlage XVI van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en de methode voor de indeling van deze olie op basis van die kenmerken vastgesteld. De methode bevat tevens aanwijzingen voor een facultatieve etikettering.

De beschreven methode geldt slechts voor olijfolie van de eerste persing en de indeling of de etikettering daarvan op basis van de intensiteit van de waargenomen gebreken, de fruitigheid en de andere positieve kenmerken, bepaald door een groep geselecteerde, getrainde en geteste proevers die samen een panel vormen.

2.   ALGEMEEN

Voor de algemene basisterminologie, de proefruimte, het proefglas en alle andere aspecten in verband met deze methode wordt aanbevolen de voorschriften van de Internationale Olijfolieraad te volgen, met name besluit nr. DEC-21/95-V/2007 van 16 november 2007 inzake de herziene methode voor de organoleptische beoordeling van olijfolie van de eerste persing.

3.   SPECIFIEKE TERMINOLOGIE

3.1.   Positieve kenmerken

Fruitig: het geheel van rechtstreeks en/of retronasaal waargenomen reukgewaarwordingen die kenmerkend zijn voor de olie, afhankelijk van de olijvensoort, afkomstig van gezonde en verse, groene of rijpe vruchten.

Het kenmerk fruitig wordt nader aangeduid met groen, wanneer de reukgewaarwordingen doen denken aan die van groene vruchten, die kenmerkend zijn voor olie die van groene vruchten afkomstig is.

Het kenmerk fruitig wordt nader aangeduid met rijp, wanneer de reukgewaarwordingen doen denken aan die van rijpe vruchten, die kenmerkend zijn voor olie die van groene en rijpe vruchten afkomstig is. Het kenmerk fruitig wordt nader aangeduid met rijp, wanneer het kenmerkend is voor olie die aan rijpe vruchten doet denken en van groene en rijpe vruchten afkomstig is.

Bitter: elementaire smaak die kenmerkend is voor olie die uit groene of rijpende olijven is verkregen en die wordt waargenomen met de papillae vallatae (omwalde papillen), die in V-vorm op de tong liggen.

Scherp: prikkelend gevoel in de mond dat kenmerkend is voor olie die aan het begin van het seizoen voornamelijk uit nog groene olijven is verkregen en dat in de hele mondholte, met name in de keel, kan worden waargenomen.

3.2.   Negatieve kenmerken

Olijvengisting/droesem: flavour die kenmerkend is voor olie uit olijven die onder zodanige omstandigheden zijn opgehoopt of opgeslagen dat de anaerobe vergisting ver gevorderd is, of voor olie die in contact is gebleven met het bezinksel in de tanks en bakken, dat ook een anaeroob vergistingsproces heeft ondergaan.

Schimmel-vochtig: flavour die kenmerkend is voor olie uit olijven waarop schimmels zijn gegroeid doordat de vruchten enkele dagen onder vochtige omstandigheden zijn opgeslagen.

Wijnachtig-azijnachtig/zuur-wrang: flavour die kenmerkend is voor sommige oliën die aan wijn of azijn doen denken. Deze wordt vooral veroorzaakt door een aeroob vergistingsproces van de olijven of de resten olijvenvruchtvlees in persmanden die niet op de juiste wijze zijn gewassen, waardoor azijnzuur, ethylacetaat en ethanol ontstaan.

Metalig: flavour die aan metaal doet denken. Deze is kenmerkend voor olie die tijdens het malen, het mengen, het persen of de opslag lang in contact is geweest met metalen oppervlakken.

Ranzig: flavour van olie die een intens oxidatieproces heeft ondergaan.

Gekookt of verbrand: kenmerkende flavour voor olie die wordt veroorzaakt door te sterke en/of te lange verhitting tijdens de productie en met name door een onjuiste temperatuursregulering bij het mengen van het olijvenvruchtvlees.

Hooi — hout: flavour die kenmerkend is voor sommige oliën die afkomstig zijn van droge olijven.

Robuust: dik en kleverig mondgevoel dat wordt veroorzaakt door sommige oude oliën.

Smeermiddelen: flavour van olie die doet denken aan stookolie, vet of minerale olie.

Vruchtwater: flavour die ontstaat doordat de olie langdurig in contact is geweest met vruchtwater dat een vergistingsproces heeft ondergaan.

Pekel: flavour van olie die afkomstig is van olijven die in pekel zijn bewaard.

Esparto: flavour die kenmerkend is voor olie die afkomstig is van olijven die in nieuwe persmanden van esparto zijn geperst. De flavour kan verschillen naargelang de persmanden van ongedroogd of gedroogd esparto zijn gemaakt.

Grond: flavour van olie die afkomstig is van olijven waar bij het rapen grond of modder aan zat en die niet zijn gewassen.

Wormstekig: flavour van olie die afkomstig is van olijven die ernstig door larven van de olijfvlieg (Bactrocera oleae) zijn aangetast.

Komkommer: flavour van olie die kenmerkend is voor te lange hermetische bewaring, met name in blikken, en die wordt toegeschreven aan de vorming van 2,6-nonadienal.

Vochtig hout: flavour die kenmerkend is voor olie die afkomstig is van olijven die aan de boom door vorst zijn beschadigd.

3.3.   Facultatieve terminologie voor de etikettering

Op verzoek kan de voorzitter van het panel certificeren dat de beoordeelde olie, afhankelijk van de intensiteit en de waarneming van de kenmerken, voor de volgende uitdrukkingen en adjectieven aan de definities voldoet en binnen het desbetreffende bereik valt:

a)

voor elk onder 3.1. vermeld positief kenmerk (fruitig, eventueel nader aangeduid met groen of rijp, scherp en bitter):

i)

de term „intens” kan worden gebruikt wanneer de mediaan van het betrokken kenmerk hoger dan 6 ligt;

ii)

de term „gemiddeld” kan worden gebruikt wanneer de mediaan van het betrokken kenmerk tussen 3 en 6 ligt;

iii)

de term „licht” kan worden gebruikt wanneer de mediaan van het betrokken kenmerk lager dan 3 ligt;

iv)

de betrokken kenmerken kunnen zonder de onder i), ii) en iii) vermelde adjectieven worden gebruikt wanneer de mediaan van het betrokken kenmerk gelijk is aan 3 of hoger dan 3 ligt;

b)

de term „evenwichtig” kan worden gebruikt voor een olie die niet onevenwichtig is. Een olie wordt als onevenwichtig beschouwd als de reuk/smaakgewaarwordingen en het mondgevoel van de olie zodanig zijn dat de mediaan van het kenmerk bitter en/of de mediaan van het kenmerk scherp twee punten hoger ligt dan de mediaan van het kenmerk fruitig;

c)

de uitdrukking „zachte olie” kan worden gebruikt voor een olie waarvan de mediaan van het kenmerk bitter en de mediaan van het kenmerk scherp gelijk is aan 2 of lager dan 2 ligt.

4.   PANEL

Het panel bestaat uit een voorzitter en acht tot twaalf proevers.

De voorzitter van het panel moet degelijk zijn opgeleid, en een kenner en ervaren expert op het gebied van de verschillende soorten olie zijn. Hij/zij is verantwoordelijk voor het panel en de organisatie en het functioneren ervan, de voorbereiding en codering van de monsters, de aanbieding van de monsters aan de proevers en het verzamelen en de statistische bewerking van de gegevens.

De voorzitter van het panel selecteert de proevers en zorgt voor hun training en de controle van hun werk zodat hun bekwaamheid op een voldoende hoog peil blijft.

De proevers voor de organoleptische beoordeling van olijfolie moeten overeenkomstig de leidraad van de Internationale Olijfolieraad voor de selectie, opleiding en controle van gekwalificeerde proevers van olijfolie van de eerste persing worden geselecteerd en getraind op grond van hun vermogen om vergelijkbare monsters van elkaar te onderscheiden.

De panels moeten zich ertoe verbinden deel te nemen aan organoleptische beoordelingen op nationaal, communautair of internationaal niveau voor de periodieke controle en de harmonisatie van de waarnemingscriteria. Panels die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze verordening zijn erkend, moeten de betrokken lidstaat jaarlijks in kennis stellen van alle gegevens over de samenstelling van het panel en het aantal beoordelingen dat zij als erkend panel hebben uitgevoerd.

5.   PROCEDURE VOOR DE ORGANOLEPTISCHE BEOORDELING EN DE INDELING

5.1.   Gebruik van het beoordelingsformulier door de proever

Het door de proever te gebruiken beoordelingsformulier is opgenomen in aanhangsel A.

Elke proever die deel uitmaakt van het panel, moet aan de aangeboden olie ruiken en die daarna proeven. Vervolgens moet hij/zij op de schaal van 10 cm van het beoordelingsformulier de intensiteit vermelden waarmee hij/zij elk van de negatieve en positieve kenmerken waarneemt (1). Wanneer de proever de nadere aanduiding groen of rijp bij het kenmerk fruitig waarneemt, kruist hij/zij het desbetreffende hokje op het beoordelingsformulier aan.

Wanneer negatieve kenmerken worden waargenomen die niet op het beoordelingsformulier worden vermeld, moeten die in de rubriek „overige” worden aangegeven, waarbij van de gedefinieerde termen diegene worden gebruikt die het meeste op deze kenmerken lijken.

5.2.   Gebruik van de gegevens door de voorzitter van het panel

De voorzitter van het panel moet de door de proevers ingevulde beoordelingsformulieren verzamelen; hij/zij moet de voor de verschillende kenmerken toegekende intensiteit controleren; wanneer hij/zij een onregelmatigheid constateert, vraagt hij/zij de proever zijn/haar beoordelingsformulier te herzien en eventueel de test te herhalen.

De voorzitter van het panel kan de door elke proever vermelde gegevens verwerken in een computerprogramma dat overeenkomt met de in aanhangsel B beschreven statistische methode voor de berekening van de mediaan. De gegevens voor een monster worden ingevoerd als een matrix met negen kolommen (die overeenkomen met de negen kenmerken) en n regels (de n proevers van het panel).

Wanneer een negatief kenmerk door ten minste 50 % van de panelleden in de rubriek „overige” wordt vermeld, wordt de mediaan van dit gebrek berekend en wordt de olie dienovereenkomstig ingedeeld.

De voorzitter van het panel kan alleen certificeren dat de beoordeelde olie aan de bij punt 3.3, onder a), vermelde voorwaarden ten aanzien van de termen „groen” en „rijp” voldoet, wanneer ten minste 50 % van de panelleden de nadere aanduiding „groen” of „rijp” van het kenmerk „fruitig” heeft vermeld.

Wanneer een analyse wordt uitgevoerd om na te gaan of aan de normen wordt voldaan, wordt één bepaling gedaan. Bij tegenanalyses moet de voorzitter van het panel de bepaling in duplo laten uitvoeren. Bij analyses die de doorslag moeten geven, wordt de bepaling in triplo uitgevoerd. In deze gevallen wordt de mediaan van de kenmerken op basis van het gemiddelde van de medianen berekend. Alle duplo's/triplo's van deze analyses moeten tijdens aparte bijeenkomsten worden uitgevoerd.

5.3.   Indeling van de olie

De olie wordt aan de hand van de mediaan van de gebreken en de mediaan van het kenmerk fruitig in één van onderstaande categorieën ingedeeld. De mediaan van de gebreken wordt gedefinieerd als de mediaan van het gebrek dat met de grootste intensiteit is waargenomen. De mediaan van de gebreken en de mediaan van de fruitigheid worden met één decimaal weergegeven en de waarde van de robuuste variatiecoëfficiënt mag niet hoger zijn dan 20 %.

De indeling van de olie gebeurt door de waarde van de mediaan van de gebreken en de mediaan van de fruitigheid met onderstaande referentie-intervallen te vergelijken. Aangezien bij de vaststelling van de grenzen van deze intervallen rekening is gehouden met de fout van de methode, worden ze als absoluut beschouwd. Met de computerprogramma's kan de indeling als een tabel met statistische gegevens of grafisch zichtbaar worden gemaakt.

a)   Extra olijfolie van de eerste persing: de mediaan van de gebreken is gelijk aan 0 en de mediaan van de fruitigheid is hoger dan 0.

b)   Olijfolie van de eerste persing: de mediaan van de gebreken is hoger dan 0, maar niet hoger dan 3,5 en de mediaan van de fruitigheid is hoger dan 0.

c)   Olijfolie voor verlichting: de mediaan van de gebreken is hoger dan 3,5; of de mediaan van de gebreken is niet hoger dan 3,5 en de mediaan van fruitigheid is gelijk aan 0.

5.4.   Bijzondere gevallen

Wanneer de mediaan van een ander positief kenmerk dan „fruitig” hoger is dan 5,0, vermeldt de voorzitter van het panel dit op het analysecertificaat.

Aanhangsel A

Beoordelingsformulier voor olijfolie van de eerste persing

Image

Aanhangsel B

METHODE VOOR DE BEREKENING VAN DE MEDIAAN EN DE BETROUWBAARHEIDSINTERVALLEN

Mediaan

Formula

De mediaan wordt gedefinieerd als het reële getal Xm, dat wordt gekenmerkt door het feit dat de waarschijnlijkheid (P) dat de waarden van de verdeling (X) lager dan dat getal (Xm) liggen, kleiner dan of gelijk aan 0,5 is en dat tegelijkertijd de waarschijnlijkheid (P) dat de waarden van de verdeling (X) gelijk aan Xm zijn of lager dan Xm liggen, gelijk aan of groter dan 0,5 is. Volgens een andere definitie is de mediaan het 50e percentiel van een naar opklimmende grootte gerangschikte reeks getallen. Eenvoudiger gezegd: de mediaan is de middelste waarde van een gerangschikte reeks met een oneven aantal getallen of het gemiddelde van de twee middelste waarden van een gerangschikte reeks met een even aantal getallen.

Robuuste standaardafwijking

Om de variabiliteit rond de mediaan op betrouwbare wijze te kunnen schatten moet de robuuste standaardafwijking volgens Stuart en Kendall worden geschat. Met onderstaande formule wordt de asymptotische standaardafwijking S* berekend, d.w.z. de robuuste schatting van de variabiliteit van de betrokken gegevens, waarbij N het aantal waarnemingen is en IQR de interkwartielafstand, die precies 50 % omvat van de gevallen van ongeacht welke waarschijnlijkheidsverdeling:

Formula

De interkwartielafstand wordt berekend op basis van de afstand tussen het 75e en 25e percentiel.

IQR = 75e percentiel – 25e percentiel

Het percentiel is de waarde Xpc, die wordt gekenmerkt door het feit dat de waarschijnlijkheid (P) dat de waarden van de verdeling lager dan Xpc liggen, kleiner dan of gelijk aan een bepaald honderdste is en dat tegelijkertijd de waarschijnlijkheid (P) dat de waarden van de verdeling gelijk aan Xpc zijn of lager dan Xpc liggen, gelijk aan of groter dan het genoemde honderdste is. Het honderdste bepaalt de geselecteerde fractie van de verdeling. In het geval van de mediaan is deze gelijk aan 50/100.

Formula

In de praktijk is het percentiel de verdelingswaarde die overeenkomt met een bepaald oppervlak dat wordt begrensd door de verdelings- of dichtheidskromme. Zo is het 25e percentiel de verdelingswaarde die overeenkomt met een oppervlak van 0,25 of 25/100.

Robuuste variatiecoëfficiënt (%)

De robuuste variatiecoëfficiënt rVC(%) is een dimensieloos getal, dat de procentuele variabiliteit van de geanalyseerde reeks getallen aangeeft. Daarom is deze coëfficiënt zeer nuttig bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de panelleden.

Formula

95%-Betrouwbaarheidsinterval voor de mediaan

Het 95%-betrouwbaarheidsinterval (waarde van de fout van de eerste soort gelijk aan 0,05 of 5 %) is het interval waarop de mediaan zou kunnen variëren wanneer de test een oneindig aantal keren zou kunnen worden herhaald. In de praktijk geeft dit interval de variabiliteit van de test onder de gekozen praktijkomstandigheden aan als men uitgaat van de veronderstelling dat het experiment verscheidene keren zou kunnen worden herhaald. Het interval helpt net als de rVC(%) bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de test.

BIhoog = Me + (c.S*)

BIlaag = Me – (c.S*)

Hierbij is c voor het 95%-betrouwbaarheidsinterval gelijk aan 1,96.


(1)  De proever behoeft een olie niet te proeven wanneer hij/zij alleen door te ruiken een uiterst intens negatief kenmerk waarneemt. Hij/zij dient deze uitzonderlijke situatie op het beoordelingsformulier te vermelden.


5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/17


VERORDENING (EG) Nr. 641/2008 VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 40/2008, wat betreft de lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 40/2008 van de Raad van 16 januari 2008 tot vaststelling, voor 2008, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (1), en met name op bijlage XIII, punt 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Gemeenschap is sinds 1981 partij bij het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (2).

(2)

In maart 2008 heeft de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) een aanbeveling goedgekeurd tot wijziging van de lijst van vaartuigen waarvan is aangetoond dat zij illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij hebben bedreven. Deze aanbeveling moet worden omgezet in Gemeenschapsrecht.

(3)

Verordening (EG) nr. 40/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het aanhangsel van bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 40/2008 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2008.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 19 van 23.1.2008, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 541/2008 van de Commissie (PB L 157 van 17.6.2008, blz. 23).

(2)  PB L 227 van 12.8.1981, blz. 21.


BIJLAGE

In bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 40/2008 wordt het aanhangsel vervangen door:

„Aanhangsel van bijlage XIII

Lijst van vaartuigen en bijbehorende IMO-nummers die volgens gegevens van de NEAFC en de NAFO illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven

IMO-identificatienummer van het vaartuig (1)

Naam van het vaartuig (2)

Vlaggenstaat (2)

7436533

ALFA

Georgië

7612321

AVIOR

Georgië

8522030

CARMEN

voorheen Georgië

7700104

CEFEY

Rusland

8028424

CLIFF

Cambodja

8422852

DOLPHIN

Rusland

7321374

ENXEMBRE

Panama

8522119

EVA

voorheen Georgië

6719419

GORILERO

Sierra Leone

7332218

IANNIS I

Panama

8422838

ISABELLA

voorheen Georgië

8522042

JUANITA

voorheen Georgië

6614700

KABOU

Guinee

7385174

MURTOSA

Togo

8421937

NICOLAY CHUDOTVORETS

Rusland

8914221

POLESTAR

Panama

8522169

ROSITA

voorheen Georgië

7347407

SUNNY JANE

 

8606836

ULLA

voorheen Georgië


(1)  International Maritime Organisation (Internationale Maritieme Organisatie).

(2)  Veranderingen van naam, vlaggenstaat en aanvullende inlichtingen betreffende de vaartuigen zijn te vinden op de NEAFC-website: www.neafc.org”


5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/19


VERORDENING (EG) Nr. 642/2008 VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2008

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding van de procedure

(1)

Op 20 oktober 2007 heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”) aangekondigd.

(2)

De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 6 september 2007 door de Spaanse nationale federatie van verenigingen in de sector groenten- en fruitconserven (Federación Nacional de Asociaciones de la Industria de Conservas Vegetales, FNACV) („de klager”) werd ingediend namens producenten die 100 % van de totale communautaire productie van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) vertegenwoordigen. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal betreffende de dumping van het product en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om een procedure in te leiden.

(3)

Op 9 november 2007 heeft de Commissie de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC op grond van Verordening (EG) nr. 1295/2007 van 5 november 2007 (3) aan een registratieplicht onderworpen.

(4)

Tot 8 november 2007 waren er vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot het betrokken product van kracht. Bij Verordening (EG) nr. 1964/2003 van 7 november 2003 (4) stelde de Commissie voorlopige vrijwaringsmaatregelen in ten aanzien van de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.). Definitieve vrijwaringsmaatregelen volgden bij Verordening (EG) nr. 658/2004 van 7 april 2004 (de „vrijwaringsverordening”) (5). Zowel de voorlopige als de definitieve vrijwaringsmaatregelen bestonden uit een tariefcontingent, d.w.z. er hoefde pas een recht te worden betaald nadat het volume aan rechtenvrije invoer was bereikt.

1.2.   Partijen bij de procedure

(5)

De Commissie heeft de communautaire producenten die de klacht hebben ingediend en hun vereniging, de haar bekende betrokken producenten/exporteurs en hun vereniging, de haar bekende betrokken leveranciers en importeurs en hun verenigingen, en de autoriteiten van de VRC officieel in kennis gesteld van de inleiding van de procedure. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(6)

De klagende producenten, enkele producenten/exporteurs en importeurs en hun respectievelijke verenigingen hebben hun standpunt kenbaar gemaakt. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(7)

In het bericht van inleiding had de Commissie aangegeven dat voor de vaststelling van dumping en schade overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik kon worden gemaakt van een steekproef. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was — en, zo ja, deze ook samen te stellen —, werd aan de producenten/exporteurs en niet-verbonden importeurs gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar overeenkomstig het bericht van inleiding basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak (1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007).

(8)

Om de producenten/exporteurs in de VRC in de gelegenheid te stellen desgewenst om een behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) of een individuele behandeling („IB”) te verzoeken, heeft de Commissie de haar bekende betrokken Chinese ondernemingen BMO- en IB-aanvraagformulieren toegezonden. Vijf ondernemingen/groepen van verbonden ondernemingen vroegen overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening om een BMO of, voor het geval uit het onderzoek zou blijken dat zij niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldeden, om een IB. Uiteindelijk werd echter slechts één onderneming die om een BMO vroeg in de steekproef geselecteerd (zie overweging 26). Negen ondernemingen/groepen van verbonden ondernemingen vroegen alleen om een IB.

(9)

De Commissie heeft vragenlijsten gezonden aan alle haar bekende betrokken communautaire producenten en hun vereniging, alle importeurs die waren geselecteerd in de steekproef en hun verenigingen, haar bekende betrokken leveranciers en de producenten/exporteurs die waren geselecteerd in de steekproef. Bovendien werden vragenlijsten gezonden aan alle producenten in het mogelijke referentieland die door de Commissie waren geïdentificeerd (zie overwegingen 40 en 41).

(10)

Er werden antwoorden op de vragenlijsten ontvangen van vier communautaire producenten, die samen goed zijn voor 100 % van de totale communautaire productie, van de zes niet-verbonden importeurs in de Gemeenschap die in de steekproef waren opgenomen en van hun respectieve verenigingen. Ook werden er antwoorden ontvangen van alle in de steekproef opgenomen Chinese producenten/exporteurs en hun verbonden ondernemingen. Ten slotte werden er ook reacties ontvangen van de vereniging van Chinese producenten en van een vereniging van importeurs.

(11)

De Commissie heeft alle gegevens die nodig werden geacht voor een voorlopige vaststelling van dumping, schade als gevolg hiervan en het belang van de Gemeenschap, ingewonnen en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:

 

Chinese producenten/exporteurs:

Yichang Rosen Foods Co., Ltd., Zhejiang

Huangyan No.1 Canned Food Factory Zhejiang en zijn verbonden handelaar Merry & Co., Ltd., Huangyan

Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd. en zijn verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd., Sanmen.

 

Communautaire producenten:

Halcon Group SA, Murcia, Spanje

Cofrusa SA, Murcia, Spanje

Agriconsa SA, Valencia, Spanje

Videca SA, Valencia, Spanje.

1.3.   Onderzoektijdvak

(12)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007 („het OT”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 oktober 2002 tot het eind van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Algemene opmerkingen

(13)

Mandarijnen worden in de herfst en de winter geoogst. Het oogst- en verwerkingsseizoen vangt begin oktober aan en duurt tot eind januari van het volgende jaar. Het verse product is bestemd voor de versfruitmarkt, voor de sapproductie of om te worden ingeblikt. In de mandarijnenconservenindustrie is het gebruikelijk het seizoen (de periode van 1 oktober tot en met 30 september van het volgende jaar) als basis voor vergelijkingen te nemen en de Commissie heeft dat bij haar analyse overgenomen.

2.2.   Betrokken product

(14)

Bij het betrokken product gaat het om bereide of verduurzaamde mandarijnen, tangerines en satsuma's daaronder begrepen, en clementines, wilkings en andere dergelijke kruisingen van citrusvruchten, zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, zoals omschreven onder GN-post 2008. Deze worden momenteel als volgt geclassificeerd: GN-code 2008 30 55 betreft het betrokken product zonder toegevoegde alcohol, maar met toegevoegde suiker, in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 1 kg; GN-code 2008 30 75 betreft het betrokken product zonder toegevoegde alcohol, maar met toegevoegde suiker, in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 1 kg. Bovendien omvat een gedeelte van ex GN-code 2008 30 90 mandarijnen, tangerines en satsuma's daaronder begrepen, en clementines, wilkings en andere dergelijke kruisingen van citrusvruchten die zijn bereid of verduurzaamd zonder toegevoegde alcohol of toegevoegde suiker (meestal in water of in het eigen sap).

(15)

Het voorlopige onderzoek heeft aangetoond dat het betrokken product wordt verkregen door bepaalde soorten kleine citrusvruchten (voornamelijk satsuma's) te schillen en in partjes te verdelen en deze vervolgens in suikersiroop, sap of water gedompeld te verpakken. Het schillen en in partjes verdelen kan handmatig of machinaal gebeuren.

(16)

Het betrokken product wordt aangeboden in diverse gewichtsklassen om tegemoet te komen aan de eisen van zowel de consumentenmarkt als van cateraars en de levensmiddelenindustrie. De consumentenmarkt wordt grotendeels bediend door de verpakking met een nettogewicht van 312 g (175 g uitlekgewicht), hoewel het marktaandeel van de grotere verpakking van 850 g (480 g uitlekgewicht) toeneemt. Grotere verpakkingen, met name die van 2,65 kg (1 500 g uitlekgewicht) en 3,1 kg (1 700 g uitlekgewicht) worden afgenomen door cateraars en de levensmiddelenindustrie. De verpakking van 2,65 kg wordt in die sector het meest gevraagd.

(17)

Satsuma's, clementines en andere kleine citrusvruchten staan gezamenlijk bekend onder de benaming „mandarijn”. De meeste van deze fruitsoorten zijn geschikt voor consumptie als vers fruit of voor verwerking tot sap en conserven. Zij zijn onderling vergelijkbaar en de bereide of verduurzaamde producten die ervan worden gemaakt, worden daarom als één product beschouwd.

2.3.   Soortgelijk product

(18)

Volgens één Europese importeur was het betrokken product dat uit de VRC werd ingevoerd, van hogere kwaliteit omdat Chinese mandarijnen minder pitten bevatten.

(19)

Net zoals bij de vrijwaringsverordening stelden sommige partijen dat er kwaliteitsverschillen bestaan tussen het betrokken product en het door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde product. Communautaire producenten voerden aan dat consumenten een voorkeur voor hun producten hebben omdat de hygiënestandaarden tijdens het conserveringsproces als hoger worden ervaren.

(20)

De Commissie heeft deze argumenten onderzocht en kwam tot de volgende conclusie:

a)

het ingevoerde product en het communautaire product hebben dezelfde of vergelijkbare fysieke eigenschappen, zoals smaak, grootte, vorm en textuur. Er zijn enige kwaliteitsverschillen, maar deze tastten de basiskenmerken van het product niet aan, noch de perceptie van de gebruiker/consument dat dit één productcategorie is;

b)

het ingevoerde product en het communautaire product werden via vergelijkbare of identieke verkoopkanalen verkocht. Prijsinformatie was gemakkelijk beschikbaar voor de kopers en het betrokken product en het product van de communautaire producenten concurreerden vooral op prijs;

c)

het ingevoerde product en het communautaire product dienen beiden hetzelfde of een vergelijkbaar eindgebruik;

d)

het ingevoerde product en het communautaire product worden door consumenten gezien als uitwisselbaar en zij voldoen aan hetzelfde type vraag. In dit opzicht waren de door bepaalde importeurs geconstateerde verschillen van ondergeschikt belang voor de doeleinden van de analyse in dit gedeelte;

e)

het ingevoerde product en het communautaire product dat normaliter wordt geclassificeerd onder de ex GN-code 2008 30 90 (citrusvruchten zonder toegevoegde alcohol of toegevoegde suiker, meestal in water of in het eigen sap), die niet onder de vrijwaringsmaatregelen vielen, dienen ook hetzelfde of vergelijkbaar eindgebruik en worden door consumenten gezien als volledig uitwisselbaar en voor alle basiskenmerken soortgelijk aan producten die normaliter worden geclassificeerd onder de andere twee GN-codes: 2008 30 55 en 2008 30 75.

Omdat „soortgelijkheid” geen volledig identieke producten vereist, waren kleine verschillen niet voldoende om de algehele conclusie van soortgelijkheid tussen de ingevoerde en communautaire producten te veranderen.

(21)

Daarom luidt de conclusie van de Commissie dat het ingevoerde product en het communautaire product worden beschouwd als soortgelijk in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   STEEKPROEVEN

3.1.   Steekproef van producenten/exporteurs in de VRC

(22)

Gezien het grote aantal producenten/exporteurs in de VRC werd in het bericht van inleiding, overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening, gewezen op de mogelijkheid om voor het vaststellen van dumping gebruik te maken van een steekproef.

(23)

Om de Commissie in staat te stellen te besluiten of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, een steekproef samen te stellen, werd de producenten/exporteurs verzocht zich binnen 15 dagen na publicatie van het bericht van inleiding van het onderzoek kenbaar te maken en basisinformatie over hun verkoop in binnen- en buitenland, een nauwkeurige beschrijving van hun activiteiten met betrekking tot de productie van het betrokken product en de namen en activiteiten van alle verbonden ondernemingen die betrokken zijn bij de productie en/of verkoop van het betrokken product te verstrekken. Ook werden de autoriteiten van de VRC en de vereniging van producenten geraadpleegd.

3.1.1.   Voorselectie van meewerkende producenten/exporteurs

(24)

Zestien ondernemingen/groepen van verbonden ondernemingen in de VRC hebben zich gemeld en verstrekten de gevraagde informatie binnen de termijn die was vastgesteld in het bericht van inleiding. Al deze producenten/exporteurs meldden dat ze tijdens het OT producten naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd en gaven aan te willen meewerken in de steekproef.

(25)

Producenten/exporteurs die zich niet binnen de genoemde periode meldden of niet op tijd de gevraagde informatie verstrekten, werden geacht niet mee te werken aan het onderzoek. Een vergelijking tussen de invoergegevens van Eurostat en de omvang van de uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap zoals deze voor het onderzoektijdvak was gemeld door de in overweging 24 bedoelde ondernemingen, duidt erop dat de medewerking van Chinese producenten/exporteurs erg groot was.

3.1.2.   Selectie van de steekproef

(26)

Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening is bij het selecteren van de steekproef rekening gehouden met de omvang van de uitvoer van de producenten/exporteurs naar de Gemeenschap. Op basis van dit criterium is een steekproef van vier producenten/exporteurs, waarvan er twee met elkaar verbonden waren, gekozen. Volgens de informatie uit de steekproef waren de gekozen ondernemingen tijdens het onderzoektijdvak goed voor meer dan 60 % van de totale omvang van de uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap, zoals die door de in overweging 24 bedoelde ondernemingen gemeld was. Bovendien had een van hen in het OT ook een aanzienlijke binnenlandse omzet met het betrokken product gerealiseerd. Daarom werd overwogen dat een dergelijke steekproef het mogelijk zou maken het onderzoek te beperken tot een redelijk aantal producenten/exporteurs die binnen de beschikbare tijd konden worden onderzocht en die in hoge mate representatief waren. Alle betrokken producenten/exporteurs, evenals hun vereniging en de Chinese autoriteiten, werden geraadpleegd en zij maakten geen bezwaar binnen de daarvoor vastgestelde tijd.

3.2.   Individueel onderzoek

(27)

Geen van de niet in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs vroeg om een individuele dumpingmarge door de met het oog op de toepassing van artikel 17, lid 3, van de basisverordening benodigde informatie binnen de vastgestelde termijn te verstrekken. Daarom is tijdens dit onderzoek geen individueel onderzoek van producenten/exporteurs uitgevoerd.

3.3.   Steekproef van importeurs

(28)

Gezien het grote aantal importeurs dat werd vastgesteld aan de hand van de onderhavige klacht en van het eerdere vrijwaringsonderzoek, is in het bericht van inleiding ook vermeld dat werd overwogen om overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening een steekproef te selecteren. Een groot aantal importeurs bood hun medewerking aan. De qua omvang van hun invoer zes grootste importeurs werden geselecteerd voor de steekproef. Deze importeurs vertegenwoordigen iets meer dan 60 % van de totale invoer in de Gemeenschap.

4.   DUMPING

4.1.   Behandeling als marktgericht bedrijf

(29)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken betreffende producten van oorsprong uit de VRC voor producenten die voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 van dat artikel.

(30)

Voor het gemak zijn deze criteria hieronder kort samengevat:

1.

de besluiten van ondernemingen met betrekking tot prijzen en kosten worden zonder staatsinmenging genomen als reactie op marktsignalen;

2.

de boekhouding wordt door een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de internationale standaarden voor jaarrekeningen gecontroleerd en bestrijkt alle terreinen;

3.

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4.

faillissements- en eigendomswetten bieden rechtszekerheid en stabiliteit;

5.

munteenheden worden tegen de marktkoers omgerekend.

(31)

Bij het onderhavige onderzoek heeft één van de producenten/exporteurs in de steekproef (zie overwegingen 22 tot en met 26) het BMO-aanvraagformulier ingevuld en ingediend.

(32)

Deze producent/exporteur komt niet in aanmerking voor een BMO omdat hij niet heeft aangetoond te voldoen aan de voorwaarden in de eerste drie criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening. Wat criterium 1 betreft, werd bij de controle ter plaatse vastgesteld dat de arbeidscontracten van de onderneming door de werknemers blanco werden ondertekend, d.w.z. zonder dat melding werd gemaakt van een beloning en van het aantal te werken uren. Het was daarom onmogelijk te bepalen onder welke voorwaarden de werknemers aangeworven en betaald werden en, als gevolg daarvan, of de arbeidskosten een afspiegeling vormden van vraag en aanbod. Wat criterium 2 betreft, werd ter plaatse vastgesteld dat fundamentele internationale standaarden voor administratieve verslaglegging noch in de boekhouding noch in de controle daarvan werden opgevolgd (met name registratie op transactiebasis, soldering, verschillen tussen de in de boekhouding vermelde bedragen en het oorspronkelijke documenten, geen getrouwe weergave van transacties), hetgeen de betrouwbaarheid van de boekhouding van de onderneming twijfelachtig maakte. Wat criterium 3 betreft, werd vastgesteld dat de onderneming een aantal subsidies ontving (bv. restitutie van nooit door de leveranciers/telers betaalde btw en bepaalde exportsubsidies van het Fonds ten behoeve van provinciale projecten voor ontwikkeling van buitenlandse handel, alsmede een exportbonus), hetgeen aangeeft dat er nog altijd wezenlijke verstoringen bestaan die voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie.

(33)

Gelet op het voorgaande heeft de enige Chinese producent/exporteur die om een BMO heeft verzocht, niet aangetoond te voldoen aan alle criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening en kon aan hem derhalve geen BMO worden toegekend.

4.2.   Individuele behandeling

(34)

Ingevolge artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt voor landen waarop dat artikel van toepassing is, een voor het gehele land geldend recht vastgesteld, maar kunnen ondernemingen die kunnen aantonen dat ze aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldoen, daarvan worden uitgezonderd.

(35)

De enige producent/exporteur die om een BMO heeft verzocht, verzocht eveneens om een IB voor het geval hem geen BMO zou worden toegekend. De overige producenten/exporteurs d in de steekproef vroegen ook om een IB.

(36)

Voor alle betrokken ondernemingen toonde het voorlopige onderzoek van hun IB-aanvraag aan dat ze voldeden aan de eisen voor een IB zoals vermeld in artikel 9, lid 5, van de basisverordening.

(37)

Er werd derhalve geconcludeerd dat voorlopig een IB moest worden toegekend aan de volgende producenten/exporteurs in de VRC:

Yichang Rosen Foods Co., Ltd., Zhejiang

Huangyan No.1 Canned Food Factory Zhejiang, Huangyan

Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd. en de verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd., Sanmen.

4.3.   Normale waarde

(38)

Om de hierboven genoemde redenen werd geen BMO toegekend aan producenten/exporteurs in de VRC.

(39)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet daarom voor alle Chinese producenten/exporteurs de normale waarde worden vastgesteld.

(40)

Volgens informatie vervat in de klacht wordt het betrokken product buiten de Gemeenschap en het betrokken land niet in aanzienlijke hoeveelheden geproduceerd. Derhalve werd in het bericht van inleiding voorgesteld de normale waarde te baseren op een andere redelijke grondslag, d.w.z. de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor het soortgelijke product in de Gemeenschap. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen ter zake te maken. De Commissie zelf zocht na publicatie van het bericht van inleiding verder naar mogelijke referentielanden. De Commissie verzocht twee ondernemingen in Thailand om medewerking. Een van hen stemde er aanvankelijk in toe, maar reageerde uiteindelijk niet op de vragenlijst. De andere onderneming reageerde helemaal niet.

(41)

Twee producenten/exporteurs uit het betrokken land en een vereniging van importeurs en groothandelaren gaven te kennen niet in te stemmen met het baseren van de normale waarde op de werkelijk betaalde of te betalen prijzen in de Gemeenschap, maar kwamen niet met een andere oplossing die zou voldoen aan de basisverordening.

(42)

Gelet op het bovenstaande werd voorlopig besloten de normale waarde voor alle producenten/exporteurs in de steekproef te baseren op een andere redelijke grondslag, in dit geval de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor het soortgelijke product in de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

(43)

Na de keuze voor de werkelijk betaalde of te betalen prijs in de Gemeenschap, werd de normale waarde berekend aan de hand van de gegevens die ter plaatse bij de in overweging 11 genoemde meewerkende communautaire producenten waren gecontroleerd.

(44)

De binnenlandse verkoop van deze communautaire producenten van het soortgelijke product bleek representatief te zijn in vergelijking met het betrokken product dat naar de Gemeenschap werd uitgevoerd door de producenten/exporteurs in de steekproef.

(45)

Aangezien de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap verliesgevend waren, moesten deze zodanig worden aangepast dat er ook een redelijke winstmarge in was opgenomen, zoals voorzien in artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. De toegepaste marge van 6,8 % was het winstniveau dat werd gerealiseerd in het laatste verwerkingsseizoen (2000/2001) voordat de enorme toename van de invoer uit de VRC tot de instelling van vrijwaringsmaatregelen leidde, m.a.w. het laatste seizoen waarin de marktvoorwaarden nog niet werden beïnvloed door de schadelijke gevolgen van invoer tegen abnormaal lage prijzen.

4.4.   Uitvoerprijzen

(46)

De uitvoerprijzen werden gebaseerd op de werkelijk betaalde prijzen bij verkoop aan onafhankelijke afnemers voor uitvoer uit de VRC naar de Gemeenschap.

4.5.   Vergelijking

(47)

De normale waarde werd met de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek.

(48)

Om een billijke vergelijking te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast in verband met verschillen die van invloed waren op de prijzen en de prijsvergelijking. Waar nodig werden correcties toegepast voor verschillen in de vervoers- en verzekeringskosten en overige vervoersgerelateerde kosten.

4.6.   Dumpingmarge

(49)

Gezien het bovenstaande is de voorlopige dumpingmarge voor alle exporteurs in de VRC overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde per productsoort met een gewogen gemiddelde uitvoerprijs per productsoort, die bepaald en aangepast is zoals hierboven is uitgelegd. Conform de vaste praktijk is een gewogen gemiddelde dumpingmarge berekend voor verbonden producenten/exporteurs. Voor de medewerkende producenten/exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen, is een gewogen gemiddelde dumpingmarge berekend op basis van de dumpingmarges van de ondernemingen in de steekproef. Bovendien is, aangezien de medewerking van de producenten/exporteurs erg groot was (zie overweging 25), de hoogste individuele dumpingmarge van de ondernemingen in de steekproef toegekend aan alle andere ondernemingen.

(50)

Op grond hiervan bedragen de voorlopige dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens Gemeenschap, vóór inklaring:

Yichang Rosen Foods Co., Ltd., Zhejiang 139,6 %

Huangyan No.1 Canned Food Factory Zhejiang, Huangyan 87,4 %

Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd. en de verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd., Sanmen 134,7 %

Medewerkende producenten/exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen 128,4 %

Alle andere ondernemingen 139,6 %.

5.   SCHADE

5.1.   Algemene opmerkingen

(51)

Er moet aan worden herinnerd dat er tijdens het grootste gedeelte van de beoordelingsperiode vrijwaringsmaatregelen van kracht waren voor het product in kwestie. Dit was gerechtvaardigd door het feit dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aan het einde van de periode die werd bestudeerd voor het vrijwaringsonderzoek (de periode 1998/1999-2002/2003) grote schade leed.

5.2.   Communautaire productie en bedrijfstak van de Gemeenschap

(52)

Tijdens het onderhavige onderzoek werd vastgesteld dat het betrokken product in de Gemeenschap werd vervaardigd door vier communautaire producenten, namens wie de klacht werd ingediend (Halcon Group SA, Murcia, Spanje; Cofrusa SA, Murcia, Spanje; Agriconsa SA, Valencia, Spanje; Videca SA, Valencia, Spanje). Geen van deze producenten had banden met Chinese exporteurs of met importeurs van het betrokken product uit de VRC.

(53)

Het onderzoek toonde aan dat de communautaire producenten in het OT ca. 34 100 ton van het betrokken product hadden geproduceerd. Dit vertegenwoordigt 100 % van de totale hoeveelheid van het soortgelijke, in de Gemeenschap geproduceerde product. Daarom worden bovengenoemde communautaire producenten geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening te vormen.

(54)

Tijdens het vrijwaringsonderzoek waren er acht medewerkende producenten in de Gemeenschap. Dat er slechts vier producenten in de Gemeenschap zijn overgebleven is het gevolg van de sluiting van sommige ondernemingen en de fusie van andere.

5.3.   Verbruik in de Gemeenschap

(55)

Het verbruik in de Gemeenschap heeft zich gedurende het tijdvak als volgt ontwikkeld:

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Verbruik in de Gemeenschap (ton)

78 623

90 197

80 065

80 145

78 859

Index (2002/03 = 100)

100

115

102

102

100

(56)

Het verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van de totale omvang van de verkoop van het betrokken product in de EU door de bedrijfstak van de Gemeenschap, plus de verkoop in de EU door voormalige communautaire producenten die tijdens het onderzoektijdvak niet meer produceerden, plus de invoer uit alle derde landen. De cijfers met betrekking tot de totale verkoop van het betrokken product in de EU door de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn ontleend aan gecontroleerde gegevens die door de communautaire producenten zijn verstrekt. De verkoopcijfers voor voormalige communautaire producenten vloeien voort uit schattingen van de klager en zijn gecontroleerd aan de hand van de resultaten van het vrijwaringsonderzoek met inbegrip van bericht C 322/06 dat op 17 december 2005 in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt. Ingevoerde hoeveelheden zijn ontleend aan Eurostat.

(57)

Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, is het verbruik van het betrokken product in de Gemeenschap gedurende de beoordelingsperiode betrekkelijk stabiel geweest, met uitzondering van de toename die werd waargenomen in 2003/04. Deze schijnbare toename van het verbruik kan voornamelijk worden verklaard door het „aanleggen van voorraden” van het betrokken product, zoals beschreven werd in het bericht waarnaar in de vorige overweging werd verwezen. Gegevens van Eurostat bevestigen dit verschijnsel in de nieuwe lidstaten, voorafgaand aan hun toetreden tot de EU in mei 2004. Het is een feit dat de invoer in de nieuwe lidstaten vóór hun toetreden (tijdens het seizoen 2003/2004) opliep tot bijna 15 000 ton en vervolgens aanzienlijk daalde tot ca. 4 000 ton/jaar gemiddeld tijdens de seizoenen 2004/2005, 2005/2006 en 2006/2007. In het OT kan de consumptie als stabiel worden beschouwd op een niveau dat in overeenstemming is met de periode voor het OT (2005 en 2006).

5.4.   Invoer in de Gemeenschap uit de VRC

5.4.1.   Omvang en marktaandeel van de invoer van het betrokken product

(58)

De omvang en het marktaandeel van de invoer uit de VRC hebben zich als volgt ontwikkeld:

Ingevoerde hoeveelheden

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

VRC (ton)

51 193

65 878

49 584

61 456

56 108

Index (2002/03 = 100)

100

129

97

120

110

Bron: Eurostat

Marktaandeel in het verbruik

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

VRC

65,1 %

73 %

61,9 %

76,7 %

71,1 %

(59)

2003/04 geeft een vergelijkbare piek in de invoer uit de VRC te zien als hierboven is aangegeven voor het verbruik in de Gemeenschap. Dit daalde vervolgens weer naar lagere niveaus in 2004/05 (na de toetreding van de nieuwe lidstaten). Het marktaandeel van de invoer uit de VRC blijft constant hoog, aangezien de VRC de belangrijkste exporteur van dit product naar de EU en de rest van de wereld is.

5.4.2.   Invoerprijzen en prijsonderbieding/-bederf

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Prijzen bij invoer uit de VRC

Bron Eurostat (Euro/ton)

595

525

531

612

596

Index (2002 = 100)

100

88

89

103

100

(60)

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de ontwikkeling van de gemiddelde prijzen bij invoer uit de VRC. Gedurende de beoordelingsperiode daalden de prijzen alleen in 2003/04. In het onderzoektijdvak herstelden ze weer tot hun oorspronkelijke niveau uit 2002/2003.

(61)

Er is een vergelijking van de verkoopprijzen op de communautaire markt gedurende het OT uitgevoerd op basis van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de invoer uit het betrokken land. In deze markt is Hamburg het referentiepunt voor de levering van ingevoerde producten en de communautaire productie. Voor de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werd derhalve gekeken naar de prijzen die in rekening werden gebracht aan onafhankelijke afnemers, waar nodig gecorrigeerd tot het niveau voor levering in Hamburg, na aftrek van kortingen en rabatten. Deze prijzen werden vergeleken met de netto-verkoopprijzen van de Chinese producenten/exporteurs, zonder kortingen, en indien nodig gecorrigeerd tot cif Hamburg-prijzen na betaling van de invoerheffingen en de kosten van inklaring. In voorkomend geval omvatte de correctie ook het betaalde vrijwaringsrecht van € 301/ton voor uitvoer die niet onder het contingent viel.

(62)

Uit de vergelijking bleek dat het ingevoerde betrokken product gedurende het OT in de Gemeenschap werd verkocht tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 19,6 % tot en met 35,2 % onderboden, uitgaande van de gegevens die zijn overgelegd door de medewerkende producenten/exporteurs in de steekproef. Bovendien toont de analyse van de prijsontwikkeling van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan dat er sprake is geweest van aanzienlijke belemmeringen voor prijsverhoging (en, gedurende het OT, een neerwaartse druk op de prijzen) (zie hieronder).

5.5.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(63)

Ingevolge artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Gemeenschap een evaluatie van alle economische factoren en indices die van invloed zijn op de situatie van de bedrijfstak van 1 oktober 2002 tot het eind van de beoordelingsperiode.

(64)

Bij onderstaande gegevens over de bedrijfstak gaat het om de informatie over de vier communautaire producenten samen.

(65)

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling aan van de productie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad van de communautaire producenten:

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Productie (ton)

31 238

23 000

28 865

16 149

34 125

Index (2002/03 = 100)

100

73

92

52

109

productiecapaciteit (ton)

74 380

74 380

74 380

66 380

68 380

Index (2002/03 = 100)

100

100

100

89

92

Bezettingsgraad (%)

42 %

31 %

39 %

24 %

50 %

Index (2002/03 = 100)

100

74

93

57

119

(66)

Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, varieerde de productie gedurende het tijdvak vanwege geringere oogsten in 2003/04 en 2005/06. De productiecapaciteit daalde tegen het einde van de beoordelingsperiode. Ongeacht de fluctuerende oogsten bleef de bezettingsgraad tijdens de hele periode erg laag.

(67)

Onderstaande cijfers geven de omvang van de voorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan het einde van elke periode weer.

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Voorraden (ton)

7 159

3 695

6 140

1 688

11 895

Index (2002/03 = 100)

100

52

86

24

166

(68)

Opgemerkt zij dat het betrokken product een lange houdbaarheidsduur (van meer dan drie jaar) heeft, waarin kenmerken als smaak en kleur behouden blijven.

(69)

De voorraden fluctueerden tijdens de hele periode, maar zijn aanzienlijk toegenomen tijdens het OT. Dit lijkt het gevolg te zijn van de druk van de invoer met dumping en de verwachting dat de vrijwaringsmaatregelen zouden verdwijnen, waardoor voor importeurs de weg zou worden vrijgemaakt om het betrokken product niet langer te betrekken bij de bedrijfstak van de Gemeenschap, maar te importeren uit de VRC.

(70)

Onderstaande cijfers tonen de omvang van de verkoop, het marktaandeel en de gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Omvang verkoop bedrijfstak van de Gemeenschap (ton)

17 635

19 705

23 240

17 769

21 387

Index (2002/03 = 100)

100

112

132

101

121

Marktaandeel

22,4 %

21,8 %

29,0 %

22,2 %

27,1 %

Index (2002/03 = 100)

100

97

129

99

121

Gemiddelde verkoopprijzen (EUR/ton)

824,3

819,8

840,6

1 058,7

1 034,6

Index (2002/03 = 100)

100

99

102

128

125

(71)

Ongeacht de vrijwaringsmaatregelen en het verdwijnen van een aantal communautaire producenten (waarvan het marktaandeel afnam van 11,2 % in 2002/03 tot 8,1 % in 2004/05 en vervolgens helemaal wegviel), nam de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap in absolute cijfers iets toe, maar bleef deze gedurende de beoordelingsperiode laag. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode slechts 4,7 procentpunten toegenomen. De gemiddelde verkoopprijzen zijn in de beoordelingsperiode gestegen, maar niet in de mate die nodig is om een normale winst te realiseren, hetgeen onderstreept hoe sterk de gevolgen van de grootschalige invoer uit de VRC tegen zeer lage prijzen voor het prijspeil zijn.

(72)

Over het geheel genomen is het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode toegenomen met ca. 5,2 % om uit te komen op een bescheiden 27,6 %, waaruit blijkt dat het door de druk van de invoer uit de VRC voor de bedrijfstak van de Gemeenschap niet mogelijk was zijn prestaties wezenlijk te verbeteren.

(73)

De hieronder aangegeven winstmarge vóór belastingen heeft betrekking op de omzet van de bedrijfstak van de Gemeenschap en weerspiegelt het feit dat de bedrijfstak verliesgevend bleef, weliswaar enigszins werd geholpen door de instelling van vrijwaringsmaatregelen, maar ook werd bedreigd doordat de maatregelen werden ontweken door het aanleggen van voorraden dat parallel hieraan plaatsvond (zie overweging 57). Het positieve effect van de vrijwaringsmaatregelen komt daarom pas tegen het einde van de beoordelingsperiode tot uiting.

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Winstmarge vóór belastingen

–3 %

–17,6 %

–17,3 %

–12,6 %

–4,3 %

Index (2002 = 100)

100

585

575

420

141

Rendement van investeringen

–3 %

7,2 %

4,3 %

–31,2 %

–28,9 %

(74)

Bovenstaand rendement van investeringen geeft na 2003/04 een neerwaartse trend te zien. Dit wijst ook op een verslechtering van de situatie van de communautaire producenten.

 

2002

2003

2004

2005

2006

Kasstroom (% van totale verkoop)

8,7 %

–0,5 %

–1,6 %

–4,6 %

3,2 %

(75)

Aangezien de communautaire producenten ook ander fruit verwerken, kon de kasstroom alleen worden bestudeerd op het niveau van de totale bedrijfsactiviteiten, maar niet voor het betrokken product alleen. Deze indicator, die derhalve van minder betekenis is, wordt vermeld voor boekjaren (kalenderjaren). Toch is te zien dat de situatie tot 2005 steeds verslechterde en er tijdens het onderzoektijdvak een beperkt herstel optrad.

(76)

Onderstaande tabel toont de trend voor de investeringen door de bedrijfstak van de Gemeenschap.

EUR

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Investeringen

698 358

837 152

994 242

1 110 304

785 109

Index (2002/03 = 100)

100

120

142

159

112

(77)

Ondanks de hierboven geconstateerde negatieve ontwikkeling qua winstgevendheid, heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap de investeringen in het betrokken product verhoogd teneinde de eigen concurrentiepositie ten aanzien van het betrokken product verder te verbeteren. Er is met name in machines geïnvesteerd. Deze stappen hebben in hoge mate bijgedragen tot een grotere efficiëntie van de in de steekproef opgenomen bedrijfstak van de Gemeenschap.

(78)

Aangetoond is dat het vermogen om kapitaal aan te trekken tijdens de beoordelingsperiode beperkt was, onder meer door de negatieve winstmarges bij de productie en het belang van het product in de algehele activiteiten van de ondernemingen in kwestie.

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Aantal werknemers

1 975

1 965

1 837

1 546

2 091

Index (2002/03 = 100)

100

99

93

78

106

Productiviteit (gewerkte uren per ton productie)

17

16,8

16

16,5

15,5

Index (2002/03 = 100)

100

99

94

97

91

Totaal aantal gewerkte uren tijdens het seizoen

531 000

386 000

462 000

266 000

529 000

Index (2002/03 = 100)

100

74

88

60

116

(79)

Het verwerken van het betrokken product is een seizoensgebonden activiteit, die 4 tot 5 maanden duurt en grotendeels door seizoenarbeiders wordt uitgevoerd. Het cijfer voor het aantal werknemers is daarom minder relevant. In plaats daarvan is het totale aantal uren dat tijdens het seizoen wordt gewerkt, de belangrijkste werkgelegenheidsindicator. Bovenstaande tabel laat zien dat de productiviteit in de bedrijfstak van de Gemeenschap gestaag is verbeterd. Tijdens het OT bereikte de productiviteit het hoogste niveau van de totale periode. Als gevolg daarvan nam het aantal uren dat werd gewerkt om 1 ton eindproduct te produceren af van 17 in 2002/03 tot 15,5 in het OT (–9 %). Het aantal arbeiders bereikte tijdens het OT een piek omdat er weer een grote productieomvang nodig was na de geringe hoeveelheden die werden geproduceerd in 2005/06. Dit bleek ook uit het grotere aantal gewerkte uren tijdens het seizoen in het OT. De productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het OT bevestigt de inspanningen die werden verricht om de efficiëntie verder te verbeteren met het oog op de massale instroom van invoer met dumping uit de VRC.

(80)

Wegens de grote schommelingen van het productiepeil zijn gegevens over lonen, uitgedrukt in absolute cijfers, van weinig betekenis. De loonkosten per ton productie zeggen meer en tonen aan dat, ondanks een natuurlijke toename van het uurloon vanwege de inflatie, het voor de bedrijfstak van de Gemeenschap dankzij de productiviteitswinst mogelijk was het loon per geproduceerde ton met 3 procentpunten te verlagen.

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Lonen (euro)

5 022 165

3 927 820

4 558 624

3 350 390

5 317 744

Index

100

78

91

67

106

Loon per ton productie (euro)

161

171

158

207

155

Index

100

106

98

129

97

(81)

De voorlopige dumpingmarge voor het gehele land, genoemd in overweging 50, bevindt zich duidelijk boven het minimale niveau. Bovendien kunnen de gevolgen van de feitelijke dumpingmarge, gezien de omvang van de invoer met dumping en de prijzen van de ingevoerde producten, niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

(82)

Er zijn geen bewijzen van eerdere dumping of subsidiëring voor dit product. Opgemerkt zij echter dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zich herstelt van de gevolgen van de sterk toegenomen invoer, die ernstige schade heeft aangericht en tot gevolg heeft gehad dat de Commissie zowel voorlopige als definitieve vrijwaringsmaatregelen heeft ingesteld, in 2003 en 2004 (zie overweging 4). Zoals in de overwegingen 57 en 70 is vermeld, hebben deze vrijwaringsmaatregelen de bedrijfstak geholpen de eigen positie enigszins te verbeteren, hoewel de voorraden in 2003/2004 enigszins toenamen, en zouden ze, als er geen sprake was geweest van schade veroorzakende dumping, naar verwachting een veel grotere algehele verbetering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap hebben teweeggebracht.

5.6.   Conclusie inzake schade

(83)

Bovenstaande analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap moet worden gezien in het licht van het feit dat er aan het begin van de periode een veel groter aantal communautaire producenten en een aanzienlijk grotere productiecapaciteit waren. Volgens Verordening (EG) nr. 658/2004 en bericht C 322/06 beliep de capaciteit toen ca. 129 000 ton. De eerdergenoemde herstructurering van de sector leidde tot een daling van de productiecapaciteit met meer dan 45 %. In deze context was, mede vanwege het bestaan van vrijwaringsmaatregelen, te verwachten dat de overgebleven vier producenten hun positie konden verbeteren door onder andere een significant gedeelte over te nemen van de omzet van de ondernemingen die de markt verlieten, hun productie en bezettingsgraad aanzienlijk te vergroten en te profiteren van veel betere prijs-kostenverschillen, waardoor ze winst zouden kunnen maken.

(84)

Maar in plaats daarvan is de productie slechts met 9 % toegenomen, is de bezettingsgraad laag gebleven (en alleen maar toegenomen wegens een daling van de capaciteit) en is de verkoop zwak gebelven ondanks een concentratie in de sector, terwijl de voorraden zijn toegenomen met maar liefst 66 %. Men lijdt nog altijd verliezen (– 4,3 %) en het rendement van investeringen is ondanks voortdurende investeringen om de concurrentiepositie verder te verbeteren en een productiviteitstoename van 9 %, nog negatiever geworden (– 28,9 %).

(85)

Hierbij moet worden aangetekend dat de omvang van de invoer met dumping van het betrokken product uit de VRC tijdens de beoordelingsperiode was toegenomen met bijna 10 %, terwijl de verkoopprijs ondanks de gestegen grondstoffenkosten vrijwel gelijk was aan die in 2002,. Bovendien werden de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak in belangrijke mate onderboden door de verkoopprijzen van de invoer met dumping van het betrokken product.

(86)

Al deze factoren in aanmerking nemende, wordt voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3 van de basisverordening heeft geleden.

6.   OORZAKELIJK VERBAND

6.1.   Opmerkingen vooraf

(87)

In overeenstemming met artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening, is ook onderzocht of er een oorzakelijk verband was tussen de invoer met dumping uit de VRC en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd schade kon hebben geleden, werden ook onderzocht om te voorkomen dat mogelijke schade door deze andere factoren aan de invoer met dumping werd toegeschreven.

6.2.   Gevolgen van de invoer uit de VRC

(88)

Er wordt aan herinnerd dat de omvang van de invoer uit de VRC maar liefst 70 % van de markt van de Gemeenschap bleef uitmaken. In de praktijk zijn de gevolgen van deze invoer, gezien hun duidelijke overwicht op de markt, onmiskenbaar een belangrijke oorzaak van de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(89)

Dit wordt nog versterkt door het feit dat de Chinese prijzen de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in aanmerkelijke mate zijn blijven onderbieden — en op een niveau liggen dat aanmerkelijk onder de kosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap ligt, hetgeen op een marktondermijnend gedrag duidt. De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft op de grote omvang van invoer tegen zeer lage prijzen gereageerd door te trachten een redelijk marktaandeel te behouden en de prijzen onder een bepaald maximum te houden. Dit maakte het voor hen onmogelijk een normale winstgevendheid te realiseren.

(90)

Het is dus duidelijk dat er een sterk oorzakelijk verband is tussen de aanzienlijke toename van de omvang van de invoer tegen steeds lagere prijzen en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade.

6.3.   Gevolgen van de invoer uit andere derde landen

(91)

De omvang van de invoer uit andere landen dan de VRC vertegenwoordigde tijdens het OT minder dan 2 % van de totale invoer in de EU. Daarom kunnen de eventuele gevolgen hiervan als marginaal worden beschouwd. Er is beweerd dat de desbetreffende invoer eigenlijk de wederverkoop van Chinese producten betrof. Dit wordt versterkt door het ontbreken van voldoende productie in andere landen, zoals blijkt uit het ontbreken van een geschikt referentieland (zie overwegingen 40 en 41).

6.4.   Gevolgen van veranderingen in de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(92)

Zoals uit de onderstaande tabel kan worden afgeleid, nam de uitvoer door de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens de beoordelingsperiode af.

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Omvang van de uitvoer (ton)

15 376

6 959

3 638

2 630

2 344

Index (2002 = 100)

100

45

24

17

15

(93)

Ooit waren de VS een traditionele markt van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor het betrokken product. Vandaag de dag is de VRC de belangrijkste exporteur naar de VS (en in feite naar de meeste importerende landen), waarbij zij een vergelijkbare strategie van dumpen en in aanmerkelijke mate onderbieden van de uitvoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap naar de VS lijkt te volgen.

(94)

Zelfs indien de bedrijfstak van de Gemeenschap de omvang en de prijzen van de uitvoer op een vergelijkbaar niveau had kunnen houden, wijzen alleen al de mate van penetratie van de invoer uit de VRC en de hoogte van de prijsonderbieding erop dat deze invoer een belangrijk effect op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap had. De verslechtering van de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap moet niet worden gezien als een verbreking van het oorzakelijk verband, maar veeleer als een voorspelling van wat er met de omzet van de bedrijfstak van de Gemeenschap gebeurt als de druk door de invoer met dumping aanhoudt.

6.5.   Gevolgen van wisselkoersschommelingen

(95)

Een andere factor die volgens de bedrijfstak van de Gemeenschap schade heeft veroorzaakt, is de dalende wisselkoers tussen de Chinese RMB en de euro. Tussen oktober 2002 en september 2007 was er een daling van meer dan 40 % in de wisselkoers tussen de Amerikaanse dollar en de euro. Aangezien de koers van de Chinese RMB gekoppeld is aan de Amerikaanse dollar, heeft de uitvoer uit de VRC een concurrentievoordeel ten opzichte van de Europese uitvoer van het betrokken product. Het onderzoek moet uitwijzen of de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden door de invoer met dumping (wat prijzen en hoeveelheden betreft) dan wel of deze schade aan andere factoren is toe te schrijven. Volgens artikel 3, lid 6, van de basisverordening moet worden aangetoond dat het prijspeil van de invoer met dumping schade veroorzaakt. Er wordt alleen gesproken over een verschil in prijspeil, zodat de factoren die dat prijspeil beïnvloeden, niet hoeven te worden geanalyseerd.

6.6.   Aanbod en prijs van grondstoffen

(96)

Een aantal partijen heeft beweerd dat de schade niet het gevolg is van invoer met dumping maar van onvoldoende aanbod en de hoge grondstofprijzen als gevolg van een slechte oogst. Het tijdvak voor het onderzoek naar schade omvat een aantal verschillende oogsten, met soms een lagere en soms een hogere productie van grondstoffen en verschillende prijzen. Deze schommelingen houden echter geen direct verband met de algehele situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals bijvoorbeeld te zien is in onderstaande tabel. In feite is de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens de hele beoordelingsperiode verslechterd, ongeacht het aanbod en de prijs van grondstoffen. Dit duidt erop dat de schade aan de hand van andere factoren moet worden verklaard.

 

2002/03

2003/04

2004/05

2005/06

OT

Kosten per eenheid van de grondstoffen

(euro/ton)

120,8

143,7

163,2

204,5

155,9

Winstmarge vóór belastingen (zie overweging 76)

–3 %

–17,6 %

–17,3 %

–12,6 %

–4,3 %

(97)

Op grond hiervan is er geen aanwijzing dat deze factor van dien aard is dat hij het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap kan hebben verbroken.

6.7.   Investeringen

(98)

Sommige partijen hebben aangevoerd dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap een gevolg is van overinvestering. Deze bewering lijkt echter ongegrond. De investeringen die zijn gedaan door de bedrijfstak van de Gemeenschap betreffen met name verbetering van machines teneinde de efficiëntie te verbeteren. Deze investeringen droegen bij aan productiviteitsverbeteringen die mogelijke stijgingen van de kosten per eenheid op de korte termijn moesten compenseren. Deze investeringen kunnen derhalve niet worden beschouwd als een factor die heeft bijgedragen aan de schade. Dit argument wordt daarom afgewezen.

6.8.   Kwaliteitsverschillen

(99)

Sommige partijen hebben beweerd dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap een gevolg is van de lagere kwaliteit van de producten uit de Gemeenschap. Zoals hierboven in de overwegingen 18 tot en met 21 is uitgelegd, heeft de Commissie de vergelijkbaarheid van producten zorgvuldig onderzocht en vastgesteld dat het product van de Gemeenschap gelijk is aan het Chinese product. De verschillen die tussen de twee producten zijn geconstateerd, waren minimaal en ondersteunden deze bewering niet. Als dergelijke minimale verschillen al een invloed hadden, zouden ze waarschijnlijk van voordeel zijn geweest voor de Chinese producten, wat tot nog hogere prijsonderbieding en prijsbederf zou hebben geleid. Dit argument wordt daarom afgewezen.

6.9.   Conclusie betreffende het oorzakelijk verband

(100)

Concluderend wordt bevestigd dat de aanmerkelijke schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap, die gekenmerkt wordt door een zwakke verkoop, een lage bezettingsgraad en negatieve financiële resultaten, veroorzaakt werd door de betrokken invoer met dumping. Het effect van de overige invoer, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap, valutaschommelingen, het aanbod van grondstoffen, kwaliteitsverschillen of investeringen op de negatieve ontwikkelingen van de bedrijfstak van de Gemeenschap was, zo dit zich al voordeed, beperkt.

(101)

Gezien bovenstaande analyse, waarbij de effecten van alle bekende factoren op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap naar behoren zijn onderscheiden en gescheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt bevestigd dat deze andere factoren er als zodanig niet aan afdoen dat de schade aan de invoer met dumping moet worden toegerekend.

7.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

7.1.   Algemene overwegingen

(102)

Er is onderzocht of er dwingende redenen zijn om te concluderen dat het niet in het belang van de Gemeenschap is om antidumpingmaatregelen in te stellen tegen invoer uit de VRC. Dit werd vastgesteld aan de hand van een beoordeling van alle verschillende betrokken belangen, d.w.z. de belangen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, en die van importeurs en leveranciers.

7.2.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(103)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden onder schade veroorzakende invoer met dumping van het betrokken product uit de VRC. Bovendien vertoonden de hierboven genoemde economische indicatoren van de bedrijfstak van de Gemeenschap verslechterende financiele resultaten tijdens de beoordelingsperiode. Vrijwaringsmaatregelen (zie overweging 4) konden de effecten van de invoer uit de VRC deels te verzachten. Gezien de aard van de schade (aanhoudende verliezen, verlies van binnenlandse verkoop) is een verdere en substantiële verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap onvermijdelijk wanneer er geen maatregelen worden getroffen.

(104)

Het onderzoek toonde aan dat de communautaire productie afkomstig is van vier producenten in de bedrijfstak voor bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.), waar ca. 2 000 werknemers in dienst zijn voor de productie en verkoop van het betrokken product. Het betrokken product maakte ca. 30 % van hun productie uit. Indien geen maatregelen worden ingesteld, blijven de prijzen dalen en lijden de communautaire producenten verder grote verliezen, hetgeen op de middellange tot lange termijn niet vol te houden is. Bovendien zou dit negatieve effecten hebben voor de overige activiteiten van de betrokken ondernemingen. Gezien de investeringen in productiesystemen kan worden verwacht dat bepaalde communautaire producenten niet in staat zijn hun investeringen terug te verdienen als er geen maatregelen worden ingesteld. Het bovenstaande toont aan dat de bedrijfstak van de Gemeenschap duidelijk zou profiteren van het vaststellen van antidumpingmaatregelen.

(105)

Als antidumpingmaatregelen worden ingesteld, is de bedrijfstak van de Gemeenschap zeer waarschijnlijk in staat de verkoopprijzen te verhogen tot een niveau waar men zeker is van een redelijke winstmarge.

(106)

Daarom wordt voorlopig geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen in het belang zijn van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

7.3.   Belang van niet-verbonden importeurs

(107)

Sommige importeurs spraken zich uit tegen maatregelen. Anderen, en dan met name de zes niet-verbonden importeurs die werden opgenomen in de steekproef en die de vragenlijsten hebben ingevuld, waren het echter in principe eens met het instellen van maatregelen omdat zij voor dit product, dat onderhevig is aan mogelijke oogstgerelateerde productieschommelingen, een dubbele aanvoerbron noodzakelijk achtten. Ook onderstreepten zij de noodzaak van marktstabiliteit.

(108)

De Commissie analyseerde ook de gegevens die door de medewerkende importeurs waren verstrekt als antwoord op de vragenlijsten. In alle gevallen is de invoer van het betrokken product uit de VRC slechts een klein gedeelte van hun totale activiteiten. Het is derhalve zeer onwaarschijnlijk dat een maatregel ten aanzien van de invoer van het betrokken product uit de VRC een dermate grote invloed op de situatie van de importeurs heeft dat deze een onevenredig groot voordeel met zich meebrengt voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

7.4.   Belang van de gebruikers

(109)

Het betrokken product wordt voornamelijk gebruikt als voedingsmiddel voor particulier gebruik, als dessert of bijgerecht, en wordt vooral aan de detailhandel verkocht. Wanneer het product in grotere verpakkingen wordt aangeboden, wordt het vooral rechtstreeks verkocht aan de cateringbranche die goed is voor 25 % van het verbruik. Er hebben echter geen cateraars aan het onderzoek meegewerkt.

(110)

Zowel de detailhandel als de cateringbranche kopen, in het kader van hun huidige activiteiten, een breed assortiment producten in, waarin het betrokken product slechts een klein gedeelte van hun behoeften en, als gevolg daarvan, van hun kosten vertegenwoordigt. Het is derhalve zeer onwaarschijnlijk dat een maatregel ten aanzien van de invoer van het betrokken product uit de VRC een dermate grote invloed op de situatie van de gebruikers heeft dat deze een onevenredig groot voordeel met zich meebrengt voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(111)

Bovendien zou het niet instellen van maatregelen op de middellange en lange termijn kunnen leiden tot inkrimping of volledige beëindiging van de activiteiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Er zou dan slechts één aanvoerbron bestaan, die bovendien van nature onderhevig is aan oogstgerelateerde schommelingen. Dit zou niet in het belang van de gebruikers zijn.

(112)

Tijdens het onderzoek werd geen informatie ontvangen die op het tegendeel wees.

7.5.   Belang van de consumenten

(113)

Er werd geen medewerking verleend door consumentenorganisaties. Zelfs als het effect op de prijzen groot zou zijn, maakt het betrokken product zo'n klein gedeelte van de uitgaven voor levensmiddelen van huishoudens uit dat het effect op de consumenten te verwaarlozen is.

(114)

Bovendien zou het niet instellen van maatregelen op de middellange en lange termijn kunnen leiden tot inkrimping of volledige beëindiging van de activiteiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Er zou dan slechts één aanvoerbron bestaan, die bovendien van nature onderhevig is aan oogstgerelateerde schommelingen. Dit zou niet in het belang van de consumenten zijn.

7.6.   Belang van de leveranciers

(115)

De toename van de invoer met dumping uit de VRC veroorzaakt schade voor leveranciers; zij hebben belang bij de maatregelen. De hoeveelheid grondstoffen die zij aan de communautaire producenten leveren, is voor hen een belangrijke bron van omzet. Er zou zich een aanmerkelijke verstoring van de agrarische activiteiten in de betrokken regio in Spanje voordoen indien de productie werd gestaakt, met name omdat bepaalde soorten citrusvruchten vanwege hun smaak en textuur vooral als conserven worden verkocht.

7.7.   Conclusie over het belang van de Gemeenschap

(116)

Gezien het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om geen antidumpingrechten in te stellen op de invoer van bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

8.   VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

8.1.   Schademarge

(117)

De voorlopige antidumpingrechten moeten hoog genoeg zijn om te voorkomen dat de invoer met dumping nog schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt, maar mogen het niveau van de vastgestelde dumpingmarges niet overschrijden. Bij de berekening van de hoogte van het recht waarbij de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping worden geneutraliseerd, is erop gelet dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moeten stellen de productiekosten af te dekken en een algehele winst vóór belastingen te realiseren die redelijkerwijze, bij normale concurrentieverhoudingen — d.w.z. bij het ontbreken van invoer met dumping — kan worden behaald. Er is voor deze berekening voorlopig uitgegaan van een winstmarge vóór belastingen van 6,8 %. Dit was de winst die de bedrijfstak realiseerde voordat de invoer toenam en de bedrijfstak ernstige schade opliep. Deze winstmarge wordt als representatief beschouwd voor de winstgevendheid die de bedrijfstak van de Gemeenschap voor het betrokken product zou realiseren indien er geen sprake was van schade veroorzakende dumping.

(118)

De noodzakelijke prijsstijging werd vervolgens vastgesteld door de gemiddelde invoerprijs, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding (zie de overwegingen 62 tot en met 64), te vergelijken met de niet-schadelijke prijs van het door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt verkochte soortgelijke product. De niet-schadelijke prijs werd verkregen door de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap zodanig aan te passen dat bovengenoemde winstmarge daarin tot uiting komt. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd uitgedrukt in procenten van de totale cif-waarde bij invoer en kwam per onderneming neer op de volgende niveaus die onder de vastgestelde dumpingmarge liggen:

Yichang Rosen Foods Co., Ltd., Zhejiang 91 %

Huangyan No.1 Canned Food Factory Zhejiang, Huangyan 44,6 %

Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd. en de verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd., Sanmen 81,6 %

Medewerkende producenten/exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen 81,1 %

Alle andere ondernemingen 91 %.

8.2.   Voorlopige maatregelen

(119)

Gelet op het voorgaande wordt overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening geoordeeld dat een voorlopig antidumpingrecht moet worden ingesteld dat volgens de regel van het laagste recht gelijk moet zijn aan de vastgestelde dumpingmarge of aan de vastgestelde schademarge indien deze lager is. Aangezien de schademarge in alle gevallen lager is dan de dumpingmarge, moet het algehele niveau van de maatregelen worden gebaseerd op de schademarge.

(120)

Het doel van antidumpingmaatregelen is de gevolgen van schade veroorzakende dumping neutraliseren. De vorm van de maatregelen is een integraal element om dit doel te verwezenlijken. Afhankelijk van de bijzondere kenmerken van het product in kwestie en de desbetreffende markt, moet de vorm van de maatregelen dusdanig zijn dat deze doeltreffend zijn met het oog op het neutraliseren van de bovenbedoelde gevolgen.

(121)

In het onderhavige geval moet, zoals wordt beweerd door zowel communautaire producenten als een aanmerkelijk aantal importeurs, rekening worden gehouden met de volgende specifieke eigenschappen van het product en de markt.

(122)

De vorm van de maatregelen moet dusdanig zijn dat de verschijnselen die zijn waargenomen tijdens het vrijwaringsonderzoek/de vrijwaringsmaatregelen en bij het onderhavige onderzoek worden vermeden. Deze verschijnselen, waaruit een bepaalde vastberadenheid sprak om eventuele maatregelen waar mogelijk te ondermijnen, worden hieronder beschreven.

(123)

Een eerste verschijnsel was het aanleggen van voorraden in de nieuwe lidstaten, vlak vóór hun toetreden, zoals eerder al is vermeld. Voorafgaand aan de uitbreiding van de Europese Unie in 2004 verscheepten Chinese exporteurs aanmerkelijke hoeveelheden van het betrokken product naar de toekomstige lidstaten; zo kwamen deze goederen op het moment dat de lidstaten lid werden van de EU de communautaire markt binnen zonder onderworpen te worden aan vrijwaringsmaatregelen.

(124)

Een tweede verschijnsel was de introductie van nieuwe producttypes die qua benaming buiten de vrijwaringsmaatregelen vielen, maar die dezelfde fysieke en technische kenmerken hadden. Zoals blijkt uit overweging 14, maken deze nu deel uit van het betrokken product waarop de onderhavige antidumpingprocedure betrekking heeft.

(125)

Een derde verschijnsel betrof de prijscompensatie. EU-ondernemingen betrekken doorgaans niet alleen het betrokken product, maar verschillende soorten verwerkte voedingsproducten van Chinese handelaren.

(126)

Dit brengt het risico met zich mee dat het gevolg van een klassieke maatregel zoals een ad-valoremrecht kan worden gecompenseerd door hogere prijzen te berekenen voor andere ingevoerde voedingsproducten. Gezien het bovenstaande is een maatregel nodig die deze verschijnselen, die de doelmatigheid van de maatregelen aanmerkelijk schaden, tot een minimum beperkt. Onder deze omstandigheden moet een recht worden ingesteld in de vorm van een specifiek bedrag per ton, teneinde de efficiëntie van de maatregelen zeker te stellen en een eventuele absorptie van de antidumpingmaatregel door een daling van de uitvoerprijzen tegen te gaan. Dit bedrag wordt bepaald door de schademarge toe te passen op de uitvoerprijzen die bij de berekening van de dumping tijdens het OT voor elk van de ondernemingen werd gebruikt. Het specifieke recht voor alle medewerkende producenten/exporteurs die niet zijn opgenomen in de steekproef, wordt berekend als een gemiddelde van de desbetreffende gegevens van elk van de ondernemingen in de steekproef. Het specifieke recht voor alle overige ondernemingen is het hoogste individuele recht van de ondernemingen in de steekproef. De op deze grondslag berekende specifieke rechten bedragen:

 

Vast recht

(euro/ton)

Yichang Rosen Foods Co., Ltd., Zhejiang

482,2

Huangyan No.1 Canned Food Factory Zhejiang, Huangyan

330

Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd. en de verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd., Sanmen

440,7

Medewerkende producenten/exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen

455,1

Alle andere ondernemingen

482,2

(127)

De bij deze verordening vastgestelde antidumpingrechten voor individuele ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die vervaardigd zijn door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(128)

Verzoeken in verband met de toepassing van deze specifiek voor bepaalde ondernemingen geldende antidumpingrechten (bv. na een naamswijziging van een bedrijf of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

(129)

Er zijn aanmerkelijke verschillen tussen de individuele rechten en er is een aantal producenten/exporteurs. Deze elementen kunnen bevorderend zijn voor pogingen om de uitvoerstromen om te leiden via de traditionele exporteurs die van de laagste rechten profiteren. Mocht dan ook de uitvoer door een van de ondernemingen die profiteren van een lager individueel recht met meer dan 30 % in omvang toenemen, dan zullen de desbetreffende individuele maatregelen worden geacht waarschijnlijk onvoldoende te zijn om de vastgestelde schade veroorzakende dumping op te heffen. Op voorwaarde dat aan de vereiste elementen wordt voldaan, kan er dan een onderzoek worden ingesteld teneinde de vorm of het niveau van de maatregelen op passende wijze te corrigeren.

(130)

Gezien het bovenstaande en de opmerkingen van de bedrijfstak van de Gemeenschap en een aantal importeurs over de vorm van de maatregelen, kan deze kwestie zo nodig tijdens de definitieve fase opnieuw worden bekeken.

(131)

Bij Verordening (EG) nr. 1295/2007 van de Commissie van 5 november 2007 heeft de Commissie de invoer van bepaalde bereide en verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China op grond van artikel 7, lid 1, van de basisverordening onderworpen aan een registratieplicht met het oog op de mogelijke toepassing met terugwerkende kracht van antidumpingmaatregelen. De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft om de toepassing van maatregelen met terugwerkende kracht verzocht. Dit wordt momenteel onderzocht. In het huidige stadium zij opgemerkt dat de beschikbare statistieken inzake de invoer van het betrokken product uit de VRC in de periode november 2007- februari 2008 een stijging van meer dan 60 % te zien geven in vergelijking met dezelfde periode in de voorgaande jaren (van 16 300 ton naar 27 300 ton). Deze stijging ging gepaard met een daling van de gemiddelde prijs van deze invoer met 4 %.

9.   SLOTBEPALING

(132)

Overeenkomstig artikel 7, lid 7, van de basisverordening dienen voorlopige rechten te worden ingesteld voor een periode van zes maanden.

(133)

Met het oog op de beginselen van behoorlijk bestuur moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen te worden gehoord. Bovendien wordt erop gewezen dat de bevindingen inzake het instellen van rechten in het kader van deze verordening voorlopig zijn en bij de vaststelling van eventuele definitieve rechten kunnen worden herzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bereide of verduurzaamde mandarijnen, tangerines en satsuma's daaronder begrepen, en clementines, wilkings en andere dergelijke kruisingen van citrusvruchten, zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, zoals gedefinieerd onder GN-post 2008, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, die vallen onder de GN-codes 2008 30 55, 2008 30 75 en ex 2008 30 90 (TARIC-codes 2008309061, 2008309063, 2008309065, 2008309067, 2008309069).

Artikel 2

De voorlopige antidumpingrechten die van toepassing zijn op de in artikel 1 omschreven producten, zijn als volgt:

Onderneming

euro/ton nettoproductgewicht

Aanvullende Taric-code

Yichang Rosen Foods Co., Ltd., Yichang, Zhejiang

482,2

A 886

Huangyan No.1 Canned Food Factory, Huangyan, Zhejiang

330

A 887

Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd. en de verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd., Sanmen, Zhejiang

440,7

A 888

Medewerkende producenten/exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen, zoals aangegeven in de bijlage

455,1

A 889

Alle andere ondernemingen

482,2

A 999

Artikel 3

1.   Wanneer goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs met het oog op de vaststelling van de douanewaarde derhalve overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (6) verhoudingsgewijs is verminderd, wordt het op basis van artikel 2 berekende antidumpingrecht met hetzelfde percentage verminderd als de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

2.   Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het in artikel 1 bedoelde product dient zekerheid te worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen betreffende douanerechten van toepassing.

Artikel 4

Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen doen toekomen over de toepassing ervan.

Artikel 5

De douaneautoriteiten wordt hierbij opdracht gegeven de registratie van de invoer overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1295/2007 te beëindigen.

Gegevens die zijn verzameld met betrekking tot producten die ten hoogste 90 dagen vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening ten gebruike zijn aangegeven, dienen te worden bewaard tot eventuele definitieve maatregelen in werking treden of tot deze procedure is beëindigd.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2008.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB C 246 van 20.10.2007, blz. 15.

(3)  PB L 288 van 6.11.2007, blz. 22.

(4)  PB L 290 van 8.11.2003, blz. 3.

(5)  PB L 104 van 8.4.2004, blz. 67.

(6)  PB L 253 van 11.1.1993, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 214/2007 (PB L 62 van 1.3.2007, blz. 6).


BIJLAGE

Medewerkende producenten/exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen

Hunan Pointer Foods Co., Ltd., Yongzhou, Hunan

Yichang Jiayuan Foodstuffs Co., Ltd., Yichang, Hubei

Huangyan No.2 Canned Food Factory, Huangyan, Zhejiang

Zhejiang Xinchang Best Foods Co., Ltd., Xinchang, Zhejiang

Guangxi Guiguo Food Co., Ltd., Guilin, Guangxi

Zhejiang Juda Industry Co., Ltd., Quzhou, Zhejiang

Zhejiang Iceman Group Co., Ltd., Jinhua, Zhejiang

Ningbo Guosheng Foods Co., Ltd., Ninghai

Yi Chang Yin He Food Co., Ltd., Yidu, Hubei

Yongzhou Quanhui Canned Food Co., Ltd., Yongzhou, Hunan

Ningbo Orient Jiuzhou Food Trade & Industry Co., Ltd., Yinzhou, Ningbo

Guangxi Guilin Huangguan Food Co., Ltd., Guilin, Guangxi

Ningbo Wuzhouxing Group Co., Ltd., Mingzhou, Ningbo


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/38


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 11 december 2007

betreffende Steunmaatregel C 12/07 (ex N 799/06) die Slowakije voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van Glunz&Jensen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 6045)

(Slechts de tekst in de Slowaakse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/551/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen (1) te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij elektronische aanmelding van 29 november 2006, door de Commissie op 30 november 2006 geregistreerd met referentie A/39718, hebben de Slowaakse autoriteiten overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag, de Commissie in kennis gesteld van hun voornemen om regionale ad-hocinvesteringssteun toe te kennen aan de onderneming Glunz&Jensen s.r.o.

(2)

Op 26 januari 2007 heeft de Commissie een verzoek om inlichtingen (ref. D/50360) tot Slowakije gericht. De Slowaakse autoriteiten hebben bij schrijven van 20 februari 2007 (ref. A/31585) geantwoord.

(3)

Bij schrijven van 24 april 2007 (hierna „het besluit tot inleiding van de procedure” genoemd) heeft de Commissie Slowakije in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden ten aanzien van deze maatregel.

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden verzocht hun opmerkingen kenbaar te maken.

(5)

De Commissie heeft noch van de belanghebbenden, noch van Slowakije opmerkingen ontvangen.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL

II.1.   Doel van de maatregel

(6)

De steunmaatregel heeft tot doel de regionale ontwikkeling te bevorderen van de regio Prešov (oostelijk Slowakije). Volgens de Slowaakse regionalesteunkaart (3) die van toepassing was ten tijde van de aanmelding, was deze regio een steungebied ex artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag met een plafond voor regionale steun dat gelijk was aan 50 % nettosubsidie-equivalent (NSE).

(7)

Het voorgenomen project vormt een ad-hocsteunmaatregel die door de Slowaakse autoriteiten is aangemeld. Deze maatregel valt niet onder een bestaande steunregeling (d.w.z. de rechtsgrondslag van de maatregel wordt in het Toetredingsverdrag niet vermeld als een bestaande steunregeling, het zogeheten interim-mechanisme is niet van toepassing, en de Commissie heeft evenmin na de toetreding van Slowakije tot de EU een steunregeling goedgekeurd die op deze wettelijke bepalingen is gebaseerd).

II.2.   De vorm en aard van de steun

(8)

De aangemelde steun zal worden verleend in de vorm van een belastingvrijstelling die tussen 2007 en 2010 jaarlijks zal worden toegepast. De jaarlijkse vrijstelling bedraagt maximaal 100 % van de vennootschapsbelasting die de ontvanger van de steun, Glunz&Jensen s.r.o., verschuldigd is. Het totale bedrag van de belastingvrijstelling beloopt maximaal 42 miljoen SKK (circa 1,15 miljoen euro) in contante waarde (4). De steun kan niet worden gecumuleerd met steun die voor hetzelfde investeringsproject uit andere bronnen werd ontvangen.

II.3.   Rechtsgrondslag van de ad-hocsteun

(9)

De rechtsgrondslag van de ad-hocsteun is Wet nr. 231/1999, zoals gewijzigd, de Wet op de Inkomstenbelasting nr. 595/2003, zoals gewijzigd, en de Wet op de Inkomstenbelasting nr. 366/1999, zoals gewijzigd en van toepassing sedert 31 december 2003, en in het bijzonder afdeling 52, punt 3, van de Wet op de Inkomstenbelasting nr. 595/2003, zoals gewijzigd, met betrekking tot de sedert 31 december 2003 geldende voorwaarden van afdeling 35bis van de Wet op de Inkomstenbelasting nr.366/1999 (5).

II.4.   Begunstigden

(10)

De begunstigde van de steun, Glunz&Jensen s.r.o., is een grote onderneming, dus geen KMO in de zin van Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (6). Glunz&Jensen s.r.o. is de Slowaakse dochteronderneming van Glunz&Jensen A/S (hierna „Glunz&Jensen” genoemd) met hoofdzetel in Ringsted (Denemarken), die op het tijdstip van kennisgeving ook dochterondernemingen had in Virginia (Verenigde Staten) en Thetford (Verenigd Koninkrijk).

(11)

Glunz&Jensen is 's werelds grootste fabrikant en distributeur van voor de grafische industrie bestemde prepress-ontwikkelmachines voor offset drukplaten en toebehoren met een marktaandeel van ongeveer […] % (7) in Europa.

II.5.   Investeringsproject

(12)

In 2004 is Glunz&Jensen s.r.o. begonnen met de uitvoering van een initiële investering in Slowakije, voor een bedrag van 213 miljoen SKK (ongeveer 5,8 miljoen euro). Het investeringsproject wordt volgens de Slowaakse autoriteiten ten uitvoer gelegd in de periode 2004-2009, en wel in twee fasen: 2004-2006 en 2007-2009.

(13)

Dit project had tot doel de in 2004 in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken aanwezige productieactiviteiten van Glunz&Jensen te verhuizen naar Prešov. Als gevolg van deze verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten, werd de fabriek in Thetford reeds eind 2006 gesloten.

(14)

Glunz&Jensen is voornemens van de fabriek in Prešov haar belangrijkste productiecentrum te maken. In feite worden volgens de Slowaakse autoriteiten alle machines die in Slowaakse fabriek moeten worden geïnstalleerd, rechtstreeks overgebracht uit Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. Derhalve hebben de subsidiabele kosten van het project alleen betrekking op de gebouwen en enige beperkte aanvullende apparatuur.

(15)

De eerste stap in de investeringsfase 2004-2006 was de aankoop van een productiehal en een nog greenfield-site voor toekomstige uitbreidingen. Vervolgens bestond een tweede stap uit de renovatie van de installaties en de aankoop van uitrusting (die niet rechtstreeks verband hielden met de productie). Het totale bedrag voor deze eerste investeringsfase is 128 miljoen SKK (ongeveer 3,5 miljoen euro). Zoals in de aan de aanmelding gehechte verklaringen werd vermeld, heeft Glunz&Jensen s.r.o. voor dit onderdeel van het project geen staatssteun ontvangen en is er evenmin een aanvraag voor steun in behandeling.

(16)

De tweede fase van de investering die in de periode 2007-2009 dient te worden uitgevoerd, stemt overeen met het project dat door de Slowaakse autoriteiten op 29 november 2006 werd aangemeld. Dit onderdeel bestaat in de voortzetting van het initiële project door het optrekken van extra gebouwen en de aankoop van aanvullende uitrusting (IT, vrachtwagens en kantoorinrichting) voor een bedrag van 84 miljoen SKK in contante waarde (ongeveer 2,3 miljoen euro).

(17)

De opening van de productie-eenheid in Slowakije vond plaats in april 2005. Sedertdien is de productie in de fabriek significant gestegen en is de productiviteit aanzienlijk verbeterd. (8)

III.   REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE

(18)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure in deze zaak heeft de Commissie opgemerkt dat zij twijfelde aan de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt op grond van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag en de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (9) van 1998, en wel om de volgende redenen.

Ten eerste bleek dat de beide investeringsfasen deel uitmaken van eenzelfde investeringsproject, aangezien zij een onderdeel vormen van een overkoepelend plan voor de geleidelijke verhuizing van de productielijnen uit Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. In hun aanmelding verwijzen de Slowaakse autoriteiten zelf ook naar de twee fasen als één investeringsproject. „Het door de onderneming Glunz&Jensen ingediende investeringsproject wordt in de periode 2004-2009 uitgevoerd in twee fasen: 2004-2006 en 2007-2009”.

Voorts verklaarde Glunz&Jensen s.r.o. op blz. 6 van de „Aanvraag voor het verstrekken van staatssteun in de vorm van belastingvermindering” die door de begunstigde onderneming bij de Slowaakse autoriteiten werd ingediend en die als bijlage bij de aanmelding werd gevoegd, dat de investeringsperiode loopt van 2004 tot 2008 (10) en dat de totale investeringskosten „meer dan 200 miljoen SKK” bedragen, hetgeen overeenstemt met het bedrag van alle investeringen van Glunz&Jensen s.r.o. in Slowakije.

In het licht van het voorafgaande bleek dat het aangemelde project betrekking had op de tweede fase van een overkoepelend investeringsproject dat reeds in 2004 van start was gegaan.

Aangezien in de door de begunstigde onderneming ingediende steunaanvraag geen onderscheid werd gemaakt tussen de beide investeringsfasen, kon de Commissie bovendien niet uitsluiten dat de investeringsperiode kunstmatig werd opgesplitst in twee fasen om ervoor te zorgen dat de begunstigde in 2006 een steunaanvraag kon indienen.

Ten tweede werd, overeenkomstig de door de Slowaakse autoriteiten verstrekte gegevens, de op 29 juni 2006 ondertekende steunaanvraag pas in november 2006 ingediend, d.w.z. na de aanvang van de eerste fase van de investering in 2004.

Derhalve betwijfelde de Commissie of voldaan was aan de voorwaarde van het stimulerend effect van de steun zoals bedoeld in punt 4.2 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998. De Commissie wees erop dat als algemeen beginsel geldt dat staatssteun die de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt, slechts kan worden goedgekeurd, indien deze negatieve gevolgen ruimschoots gecompenseerd worden door een positieve bijdrage van de desbetreffende staatssteun aan een doelstelling van communautair belang (in dit geval: regionale ontwikkeling). De Commissie was van oordeel dat steun die eind 2006 werd aangevraagd, niet met terugwerkende kracht tot een investeringsbeslissing kan leiden waardoor de werkzaamheden in 2004 en de productieactiviteiten in april 2005, aanvingen.

Ten derde lijkt de overweging dat de beschikbaarheid van de steun voor de begunstigde niet van beslissend belang was om tot verplaatsing over te gaan, te worden bevestigd door zijn opmerking in de steunaanvraag, waarin de redenen voor de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten naar Slowakije worden toegelicht: „De raad van bestuur (van Glunz&Jensen) heeft in de loop van 2003 besloten te onderzoeken of een productie-eenheid in een lagelonenland kon worden gevestigd. Het was de bedoeling de productiekosten te verlagen en toeleveranciers in Midden- en Oost-Europa te ontwikkelen (…). Glunz&Jensen heeft een vergelijkend onderzoek uitgevoerd in elf landen van Midden- en Oost-Europa om de optimale locatie van de dochteronderneming te bepalen. Van deze elf landen werden Tsjechië, Slowakije en Bulgarije nader onderzocht. De conclusie luidde dat in het licht van de bedrijfsactiviteiten van Glunz&Jensen en de combinatie van factoren op de onderzochte markten Slowakije de meest geschikte vestigingsplaats leek te zijn.” (11)

Ten vierde hebben de Slowaakse autoriteiten toegelicht waarom de begunstigde onderneming geen steun voor de eerste investeringsfase had aangevraagd. Volgens hen veronderstelde de onderneming dat het in de periode voorafgaand aan de toetreding van Slowakije tot de EU niet nodig was een goedkeuringsaanvraag in te dienen voor staatssteun in de vorm van belastingverlaging. Glunz&Jensen was van mening dat de aanvraag voor staatssteun slechts moest worden ingediend bij de belastingaangifte voor het jaar waarin de onderneming voor de eerste maal belastingen was verschuldigd.

Volgens de Slowaakse autoriteiten betekent dit dat Glunz&Jensen s.r.o. reeds bij het begin van de tenuitvoerlegging van het investeringsproject in 2004, voornemens was staatssteun aan te vragen.

De Commissie was van mening dat geen rekening kan worden gehouden met het gebrek aan kennis bij de begunstigde onderneming over de te volgen procedure. Zij benadrukte dat de steunverlening in het kader van afdeling 35bis van de Slowaakse Wet op de Inkomstenbelasting nr. 366/1999, zoals gewijzigd, vóór de toetreding van Slowakije tot de Europese Unie niet vanzelfsprekend was, en ook nu niet vanzelfsprekend is, aangezien er geen bestaande steunregeling is die betrekking heeft op de bovenvermelde afdeling. Deze soort steun moest en moet derhalve afzonderlijk bij de Commissie worden aangemeld als ad-hocsteun, zoals blijkt uit de ongeveer 40 aanmeldingen van ad-hocsteun die door Slowakije zijn ingediend overeenkomstig deze rechtsgrondslag in het kader van zogeheten interim-procedure.

Ten slotte blijven er, zelfs indien de steun een stimulerend effect zou hebben, aanzienlijke twijfels bestaan. In de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 (punt 2) wordt namelijk een negatief standpunt ingenomen ten aanzien van ad-hocsteun, tenzij bewezen kan worden dat het effect ervan op de regionale ontwikkeling zwaarder weegt dan de verstoring van de mededinging en de gevolgen voor het handelsverkeer. In dit verband heeft de Commissie het volgende opgemerkt:

Hoewel de maatregel in belangrijke mate bijdraagt tot de regionale ontwikkeling (door de schepping van 155 directe arbeidsplaatsen en ongeveer 30 indirecte arbeidsplaatsen) lijken de negatieve effecten even groot te zijn.

De relevante productmarkt van de begunstigde onderneming is de markt van de voor de grafische industrie bestemde prepress-ontwikkelmachines, met name de „computer-to-plate” („CtP”)-processors. De Commissie stelde vast dat de steun wordt verleend aan een onderneming met een marktaandeel van ongeveer […] % van de Europese markt. De naaste concurrenten (met vermelding van hun marktaandeel) van Glunz&Jensen in Europa zijn: Height Design, […] %, Agfa (Lastra) België […] %, E-graf, Italië […] %, Haase, Duitsland […] % en Ovit, Italië […] %. Gezien de marktpositie van de begunstigde onderneming was de Commissie van mening dat de voorgenomen maatregel grote gevolgen kan hebben voor de mededinging in de relevante, zeer specifieke markt waarop de begunstigde onderneming actief is.

Voorts heeft het project betrekking op een verplaatsing van de productieactiviteiten en de machines van Denemarken en het Verenigd Koninkrijk naar Slowakije. De fabriek in Thetford (Verenigd Koninkrijk) bestond alleen uit een productie-installatie en werd dus eind 2006 gesloten na de verplaatsing van de productie naar Slowakije. Volgens de informatie op de website van de onderneming werden 77 werknemers in Thetford ontslagen. Het Deense bedrijf zal zich in de toekomst richten op verkoop, klantendiensten, O&O en de exploitatie van een proeffabriek. De verplaatsing heeft dus een significant effect op het handelsverkeer tussen de lidstaten.

IV.   OPMERKINGEN VAN SLOWAKIJE EN BELANGHEBBENDEN

(19)

De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen van de Slowaakse autoriteiten of van derden waarmee de twijfel werd weggenomen die bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure was geuit.

V.   BEOORDELING VAN DE MAATREGEL

V.1.   Wettelijkheid van de maatregel

(20)

Door de steunmaatregel aan te melden met een standstill-bepaling die geldt tot zij door de Commissie is goedgekeurd, hebben de Slowaakse autoriteiten voldaan aan de procedurevoorschriften van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag.

V.2.   De vraag of de maatregel staatssteun vormt

(21)

De Commissie is van oordeel dat de maatregel staatssteun vormt in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag, en wel om de volgende redenen, die reeds in het besluit tot inleiding van de procedure zijn vermeld.

V.2.1.   Bekostiging met staatsmiddelen

(22)

Er is sprake van staatsmiddelen, aangezien de maatregel een vrijstelling van de betaling van vennootschapsbelasting inhoudt.

V.2.2.   Economisch voordeel

(23)

Door de maatregel worden de begunstigde van de steun kosten bespaard die hij onder normale marktomstandigheden had moeten dragen. Glunz&Jensen wordt door de maatregel dus bevoordeeld ten opzichte van andere ondernemingen.

V.2.3.   Selectiviteit

(24)

De maatregel is selectief, aangezien hij slechts voor één onderneming geldt.

V.2.4.   Verstoring van de mededinging en het handelsverkeer

(25)

De maatregel beïnvloedt het handelsverkeer tussen de lidstaten aangezien i) de begunstigde onderneming actief is in een sector met een sterk intracommunautair handelsverkeer en ii) de verplaatsing van de activiteiten van Denemarken en het Verenigd Koninkrijk naar Slowakije een aanzienlijk effect heeft op de handelsstromen van de sector.

V.3   Verenigbaarheid

(26)

Aangezien de maatregel staatssteun vormt in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag, moet de verenigbaarheid ervan worden beoordeeld in het licht van de afwijkingen als bedoeld in artikel 87, leden 2 en 3, van het EG-Verdrag. De afwijkingen als bedoeld in artikel 87, lid 2, van het EG-Verdrag, betreffende steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers, steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen, of steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland, zijn in deze zaak niet van toepassing. Bovendien kan de maatregel niet worden beschouwd als een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang en is zij ook niet bestemd om een ernstige verstoring in de Slowaakse economie op te heffen, overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder b), van het EG-Verdrag. De maatregel komt evenmin in aanmerking voor de uitzondering van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag, waarin wordt bepaald dat steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, kunnen worden goedgekeurd, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Evenmin is de regeling bedoeld om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder d), van het EG-Verdrag.

(27)

Artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag voorziet in de goedkeuring van steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst. Uit hoofde van deze afwijking komt de regio Prešov (oostelijk Slowakije) voor steun in aanmerking.

(28)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft de Commissie een toelichting gegeven bij de redenen — samengevat in afdeling 3 van deze beschikking — waarom zij betwijfelde of de maatregel in aanmerking kon komen voor de afwijking van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag. Uit het feit dat noch de Slowaakse regering, noch belanghebbenden opmerkingen hebben ingediend, kan de Commissie slechts concluderen dat deze twijfel gegrond is.

VI.   CONCLUSIE

(29)

De Commissie stelt vast de door de Slowakije aangemelde maatregel, zoals omschreven in overwegingen 6 tot en met 9, niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt op grond van één van de in het EG-Verdrag vermelde afwijkingen en moet worden verboden. Volgens de Slowaakse autoriteiten is de steun niet toegekend en behoeft hij dus niet te worden teruggevorderd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De aangemelde belastingvrijstelling vormt staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

De steunmaatregel ten bedrage van 42 miljoen SKK (1,15 miljoen euro) die Slowakije voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van Glunz&Jensen s.r.o. is met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar.

De steunmaatregel mag bijgevolg niet ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 2

Slowakije deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft getroffen om hieraan te voldoen.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de Slowaakse Republiek.

Gedaan te Brussel, 11 december 2007.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB C 189 van 14.8.2007, blz. 2.

(2)  Idem

(3)  SK 72/2003 — Slowaakse Republiek — Regionale Steunkaart van de Slowaakse Republiek, C(2004) 1757/7 van 28 april 2004.

(4)  Uitgedrukt in de waarde van 2007 en berekend tegen een referentiepercentage van 5,62 % dat van toepassing was op de datum van de aanmelding.

(5)  Zákon č. 231/1999 Z.z. o štátnej pomoci, v znení neskorších predpisov, Zákon č. 595/2003 Z.z. o dani z príjmov, v znení neskorších predpisov a Zákon č. 366/1999 Z.z. o daniach z príjmov, v znení neskorších predpisov, v znení účinnom k 31. decembru 2003, najmä §52 ods.3 zákona č. 595/2003 Z.z. o dani z príjmov, v znení neskorších predpisov, za podmienok uvedených v §35a zákona č. 366/1999 Z.z. o daniach z príjmov, v znení účinnom k 31. decembru 2003.

(6)  PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33.

(7)  Valt onder de geheimhoudingsplicht.

(8)  Gegevens uit het jaarverslag 2005-2006 dat op de website van Glunz&Jensen kan worden geraadpleegd.

(9)  PB C 74 van 10.3.1998, blz. 9.

(10)  Het jaar 2008 lijkt een tikfout die door de begunstigde werd gemaakt bij het invullen van de steunaanvraag. In alle andere ingediende documenten wordt 2009 vermeld als het einde van het project.

(11)  Punt 3 van de aanvraag voor het verstrekken van staatssteun in de vorm van belastingvermindering.


5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/43


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 24 juni 2008

tot wijziging van Beschikking 2007/716/EG wat betreft bepaalde inrichtingen in de vlees- en de melksector in Bulgarije

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 2931)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/552/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 42,

Gelet op Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name op artikel 9, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 2007/716/EG van de Commissie (2) stelt overgangsmaatregelen vast voor structurele voorschriften voor bepaalde inrichtingen in de vlees- en de melksector in Bulgarije die zijn opgenomen in de Verordeningen (EG) nr. 852/2004 en (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad. Zolang die inrichtingen zich in de overgangsfase bevinden, mogen producten afkomstig uit die inrichtingen alleen op de binnenlandse markt worden verkocht of worden gebruikt voor verdere verwerking in Bulgaarse inrichtingen in de overgangsfase.

(2)

Beschikking 2007/716/EG is gewijzigd bij Beschikking 2008/290/EG (3) en Beschikking 2008/330/EG van de Commissie.

(3)

Uit een officiële verklaring van de bevoegde Bulgaarse autoriteit blijkt dat bepaalde inrichtingen in de vlees- en de melksector hun activiteiten hebben gestaakt of hun moderniseringsproces hebben voltooid en nu volledig aan de communautaire wetgeving voldoen. Die inrichtingen moeten daarom worden geschrapt uit de lijst van inrichtingen in de overgangsfase.

(4)

De bijlage bij Beschikking 2007/716/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze beschikking opgenomen inrichtingen worden geschrapt uit de bijlage bij Beschikking 2007/716/EG.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 24 juni 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/41/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 33; gerectificeerd in PB L 195 van 2.6.2004, blz. 12).

(2)  PB L 289 van 7.11.2007, blz. 14. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2008/330/EG (PB L 114 van 26.4.2008, blz. 94).

(3)  PB L 96 van 9.4.2008, blz. 35.


BIJLAGE

Lijst van uit de bijlage bij Beschikking 2007/716/EG te schrappen inrichtingen

Vleesverwerkende inrichtingen

Nr.

Veterinair nr.

Naam inrichting

Stad/straat of dorp/regio

41.

BG 1201006

„Monti-Miyt“ AD

gr. Montana

Nova promishlena zona

53.

BG 1601017

ET „Vet – 33 Gyokchen Rasim“

gr. Asenovgrad mestnost „Gorna voda“

kv. Gorni Voden obl. Plovdiv

70.

BG 2001021

ET „Iva Kris-Stayko Ivanov“

gr. Nova Zagora

Kv.Industrialen

78.

BG 2501009

„Rodopa-2005“ OOD

gr. Targovishte

111.

BG 0802043

„Ptitseklanitsa“ AD

gr. Dobrich

industrialna zona

130.

BG 2302002

„Polo Komers“ OOD

gr. Kostinbrod

IKHT

154.

BG 0805011

„Kati“ OOD

gr. Dobrich,

bul. „3 ti mart“ 57

245.

BG 0804006

„Ani-I“ OOD

gr. Dobrich

ul. „Angel Stoyanov“ 1

298.

BG 1604046

ET „Hristo Darakiev“

gr. Plovdiv

Zemlishte „Plovdiv Zapad“ 24A

308.

BG 1904002

„Aktual“ OOD

gr. Silistra

gr. Silistra

Promishlena zona-Iztok

319.

BG 2204013

„Salam i KO“ OOD

gr. Sofia

ul. „Prof. Tsvetan Lazarov“ 13

332.

BG 2204087

ET „SIAT-Slavcho Iliev“

gr. Sofia

ul. „Moma Irina“ 4


Melkverwerkende inrichtingen

Nr.

Veterinair nr.

Naam inrichting

Stad/straat of dorp/regio

1.

BG 0112004

„Matand“ EOOD

s. Eleshnitsa

28.

BG 1812002

„Laktis-Byala“ AD

gr. Byala

ul. „Stefan Stambolov“ 75

30.

BG 1912004

„Merone – N“ EOOD

gr. Alfatar

49.

BG 1212001

„S i S – 7“ EOOD

gr. Montana

„Vrachansko shose“ 1

82.

BG 0712004

„Cheh-99“ OOD

s. Sokolovo

obsht. Dryanovo

84.

BG0712028

ET „Mik“

gr. Dryanovo

ul. „Shipka„ 226

99.

BG 1312002

„Milk Grup“ EOOD

s. Yunacite

162.

BG 2312026

„Dyado Liben“ OOD

gr. Koprivshtitsa bul. „H. Nencho Palaveev“

195.

BG 0218009

„Helios milk“ EOOD

gr. Aytos


5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/45


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2008

tot intrekking van Beschikking 2008/377/EG tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 3223)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/553/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name op artikel 10, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Slowakije hebben zich uitbraken van klassieke varkenspest voorgedaan.

(2)

Daarom is Beschikking 2008/377/EG van de Commissie van 8 mei 2008 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije (2) vastgesteld ter ondersteuning van de door Slowakije genomen maatregelen krachtens Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (3).

(3)

Uit de door Slowakije verstrekte informatie blijkt dat de uitbraken van klassieke varkenspest in die lidstaat zijn uitgeroeid en het epizoötiologisch onderzoek wijst uit dat de ziekte zich niet verder heeft verspreid.

(4)

Beschikking 2008/377/EG moet daarom worden ingetrokken.

(5)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Beschikking 2008/377/EG wordt ingetrokken.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 315 van 19.11.2002, blz. 14).

(2)  PB L 130 van 20.5.2008, blz. 18. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2008/419/EG (PB L 147 van 6.6.2008, blz. 65).

(3)  PB L 316 van 1.12.2001, blz. 5. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/729/EG van de Commissie (PB L 294 van 13.11.2007, blz. 26).


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG

5.7.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/46


Begroting voor Europol voor 2009 (1)

(2008/554/JBZ)

Europol

Titel

Hoofdstuk

Artikel

Beschrijving

Uitvoering 2007

(EUR)

Begroting 2008

(EUR)

Begroting 2009

(EUR)

Opmerkingen

1

ONTVANGSTEN

 

 

 

 

10

Bijdragen

 

 

 

 

100

Bijdragen van de lidstaten

51 936 872

51 374 870

55 685 934

Van het bedrag voor 2009 zal 7 700 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Onverminderd artikel 38, lid 1 van het Financieel Reglement zal dit bedrag pas worden afgeroepen zodra de raad van bestuur met eenparigheid van stemmen daartoe besluit.

101

Saldo van het begrotingsjaar t-2

9 472 669

9 193 630

6 672 066

 

 

Totaal van hoofdstuk 10

61 409 541

60 568 500

62 358 000

 

11

Overige ontvangsten

 

 

 

 

110

Rente

1 542 845

1 150 000

650 000

 

111

Opbrengsten van belastingen van het Europol-personeel

1 974 351

2 102 500

2 345 000

 

112

Overige

50 340

100 000

55 000

 

 

Totaal van hoofdstuk 11

3 567 536

3 352 500

3 050 000

 

12

Bijdragen van derden

 

 

 

 

121

Projectfinanciering van de Commissie en andere betrokken partijen

p.m.

p.m.

Onverminderd artikel 35 van de Europol-overeenkomst en artikel 16 van het Financieel Reglement kan de raad van bestuur, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de directeur, het bedrag van de kredieten wijzigen, op voorwaarde dat het totaal van de ontvangsten het totaal van de uitgaven dekt (zie begrotingsartikel 321). Dit artikel kan ook bijdragen van andere deelnemende partijen omvatten. De eigen bijdrage van Europol zal via andere artikelen worden gefinancierd.

122

Overige bijdragen van derden

p.m.

p.m.

Onverminderd artikel 35 van de Europol-overeenkomst en artikel 16 van het Financieel Reglement kan de raad van bestuur, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de directeur, het bedrag van de kredieten wijzigen, op voorwaarde dat het totaal van de ontvangsten het totaal van de uitgaven dekt (zie begrotingsartikel 322). Dit artikel kan ook bijdragen van andere deelnemende partijen omvatten. De eigen bijdrage van Europol zal via andere artikelen worden gefinancierd.

 

Totaal van hoofdstuk 12

p.m.

p.m.

 

 

TOTAAL TITEL 1

64 977 077

63 921 000

65 408 000

 

2

PERSONEEL

 

 

 

 

20

Salariskosten

 

 

 

Zie bijlage A. Dit hoofdstuk bestrijkt ook tijdelijk personeel, aangeworven via uitzendbureaus of adviesbureaus, indien dit personeel in een vacature voorziet, en stagiairs.

200

Europol-personeel

35 833 740

42 106 000

41 185 000

 

201

Plaatselijke functionarissen

541 421

655 000

1 345 000

Van dit bedrag zal 650 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

202

Salarisaanpassingen

380 000

395 000

 

 

Totaal van hoofdstuk 20

36 375 161

43 141 000

42 925 000

 

21

Andere personeelskosten

 

 

 

 

210

Werving

423 037

490 000

520 000

 

211

Opleiding Europol-personeel

551 851

460 000

720 000

Van dit bedrag zal 30 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

 

Totaal van hoofdstuk 21

974 888

950 000

1 240 000

 

 

TOTAAL TITEL 2

37 350 049

44 091 000

44 165 000

Van dit bedrag zal 5 025 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

3

OVRIGE UITGAVEN

 

 

 

 

30

Aan activiteiten gerelateerde kosten

 

 

 

 

300

Bijeenkomsten

650 702

710 000

762 500

Van dit bedrag zal 10 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

301

Vertaling

911 112

500 000

669 000

 

302

Drukkosten

177 695

160 000

212 000

Van dit bedrag zal 11 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

303

Reiskosten

1 124 024

1 085 000

1 470 000

Van dit bedrag zal 86 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

304

Studies, adviezen (geen ICT)

118 089

550 000

429 000

Van dit bedrag zal 40 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

305

Deskundigheidsvorming

50 308

65 000

79 500

 

306

Technische apparatuur

23 088

5 000

23 000

 

307

Operationele subsidies

120 659

150 000

150 000

 

 

Totaal van hoofdstuk 30

3 175 677

3 225 000

3 795 000

Van dit bedrag zal 147 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

31

Algemene ondersteuning

 

 

 

 

310

Kosten voor huisvesting

889 158

860 000

1 040 000

Van dit bedrag zal 12 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

311

Vervoermiddelen

212 050

250 000

280 000

 

314

Documentatie en publieke bronnen

250 618

280 000

300 000

Van dit bedrag zal 1 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

315

Subsidies

468 298

480 000

545 000

Van dit bedrag zal 10 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

316

Andere aankopen

42 964

100 000

25 000

 

317

Andere bedrijfskosten

377 873

450 000

465 000

Van dit bedrag zal 25 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

318

Nieuw kantoorgebouw

269 799

Om consequent te zijn, is met ingang van 2008 de begroting voor het nieuwe kantoorgebouw opgenomen onder de ter zake dienende begrotingsartikelen waarop de specifieke kosten betrekking hebben.

 

Totaal van hoofdstuk 31

2 510 761

2 420 000

2 655 000

Van dit bedrag zal 48 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

32

Uitgaven gefinancierd door derden

 

 

 

 

321

Projectfinanciering van de Commissie en andere betrokken partijen

p.m.

p.m.

Onverminderd artikel 35 van de Europol-overeenkomst en artikel 16 van het Financieel Reglement kan de raad van bestuur, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de directeur, het bedrag van de kredieten wijzigen, op voorwaarde dat het totaal van de ontvangsten het totaal van de uitgaven dekt (zie begrotingsartikel 121). De eigen bijdrage van Europol zal via andere artikelen worden gefinancierd. Dit artikel is bedoeld voor uitgaven in verband met uit EU-programma’s gefinancierde projecten.

322

Uitgaven gefinancierd door overige derde partijen

p.m.

p.m.

Onverminderd artikel 35 van de Europol-overeenkomst en artikel 16 van het Financieel Reglement kan de raad van bestuur, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de directeur, het bedrag van de kredieten wijzigen, op voorwaarde dat het totaal van de ontvangsten het totaal van de uitgaven dekt (zie begrotingsartikel 122). De eigen bijdrage van Europol zal via andere artikelen worden gefinancierd.

 

Totaal van hoofdstuk 32

p.m.

p.m.

 

 

TOTAAL TITEL 3

5 686 438

5 645 000

6 450 000

Van dit bedrag zal 800 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

4

INSTANTIES EN ORGANEN

 

 

 

 

40

Salariskosten

 

 

 

Zie bijlage A. Dit hoofdstuk bestrijkt ook tijdelijk personeel, aangeworven via uitzendbureaus of adviesbureaus, indien dit personeel in een vacature voorziet, en stagiairs.

400

Europol-personeel

866 391

960 000

1 000 000

 

401

Plaatselijke functionarissen

p.m.

p.m.

 

402

Salarisaanpassing

10 000

10 000

 

 

Totaal van hoofdstuk 40

866 391

970 000

1 010 000

 

41

Andere bedrijfskosten

 

 

 

 

410

Raad van bestuur

1 955 885

1 835 000

2 390 000

Van dit bedrag zal 450 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

411

Gemeenschappelijk controleorgaan

376 705

600 000

610 000

Van dit bedrag zal 210 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C

412

Kosten in verband met beroepsprocedures

p.m.

p.m.

Er is een fonds ingesteld voor de kosten in verband met beroepsprocedures uit de begroting van 2004 en 2005. Het bedrag van het (huidige) fonds (170 000 EUR) wordt jaarlijks herzien.

413

Financieel controleur

7 083

10 000

13 000

 

414

Gemeenschappelijk controlecomité

35 943

45 000

45 000

 

415

Taskforce Hoofden van politie (Police Chiefs Task Force)

42 186

100 000

50 000

 

 

Totaal van hoofdstuk 41

2 417 802

2 590 000

3 108 000

 

 

TOTAAL TITEL 4

3 284 193

3 560 000

4 118 000

Van dit bedrag zal 660 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

6

ICT (met inbegrip van TECS)

 

 

 

 

62

Informatie- en communicatietechnologie

 

 

 

 

620

Informatietechnologie

3 048 919

4 900 000

4 020 000

Van dit bedrag zal 625 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

621

Communicatietechnologie

4 619 972

3 030 000

3 130 000

Van dit bedrag zal 210 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

622

Adviswerk

2 221 146

1 615 000

1 515 000

Van dit bedrag zal 80 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

623

Analyse-, verbindings-, index- en beveiligingssystemen

2 729 818

985 000

1 960 000

Van dit bedrag zal 300 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

624

Informatiesysteem

551

95 000

50 000

 

 

Totaal van hoofdstuk 62

12 620 405

10 625 000

10 675 000

 

 

TOTAAL TITEL 6

12 620 405

10 625 000

10 675 000

Van dit bedrag zal 1 215 000 EUR in eerste instantie niet worden afgeroepen. Zie artikel 100 en bijlage C.

 

TOTAAL ONTVANGSTEN, DEEL A

64 977 077

63 921 000

65 408 000

 

 

TOTAAL UITGAVEN, DEEL A

58 941 085

63 921 000

65 408 000

 

 

SALDO

6 035 992

 


Gastland

Titel

Hoofdstuk

Artikel

Beschrijving

Uitvoering 2007

(EUR)

Begroting 2008

(EUR)

Begroting 2009

(EUR)

Opmerkingen

7

ONTVANGSTEN, GASTLAND

 

 

 

 

70

Bijdragen

 

 

 

 

700

Bijdrage van het gastland voor beveiliging

2 193 652

2 412 872

2 430 485

Onverminderd artikel 35 van de Europol-overeenkomst en artikel 16 van het Financieel Reglement kan de raad van bestuur, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de directeur, het bedrag van de kredieten wijzigen, op voorwaarde dat het totaal van de ontvangsten het totaal van de uitgaven dekt (zie hoofdstuk 80). Het voorstel van de directeur dient in overeenstemming te zijn met het tussen Europol en het gastland overeengekomen bedrag.

701

Bijdrage van het gastland voor huisvesting

p.m.

p.m.

Onverminderd artikel 35 van de Europol-overeenkomst en artikel 16 van het Financieel Reglement kan de raad van bestuur, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de directeur, het bedrag van de kredieten wijzigen, op voorwaarde dat het totaal van de ontvangsten het totaal van de uitgaven dekt (zie begrotingsartikel 810). Het voorstel van de directeur dient in overeenstemming te zijn met het tussen Europol en het gastland overeengekomen bedrag.

702

Saldo van het begrotingsjaar t-2

266 348

111 128

162 515

 

 

Totaal van hoofdstuk 70

2 460 000

2 524 000

2 593 000

 

71

Overige ontvangsten

 

 

 

 

711

Overige

p.m.

p.m.

 

 

Totaal van hoofdstuk 71

p.m.

p.m.

 

 

TOTAAL TITEL 7

2 460 000

2 524 000

2 593 000

 

8

UITGAVEN, GASTLAND

 

 

 

 

80

Beveiliging

 

 

 

 

800

Beveiligingskosten

2 344 890

2 524 000

2 593 000

Onverminderd artikel 35 van de Europol-overeenkomst en artikel 16 van het Financieel Reglement kan de raad van bestuur, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de directeur, het bedrag van de kredieten wijzigen, op voorwaarde dat het totaal van de ontvangsten het totaal van de uitgaven dekt (zie begrotingsartikel 700). Het voorstel van de directeur dient in overeenstemming te zijn met het tussen Europol en het gastland overeengekomen bedrag.

 

Totaal van hoofdstuk 80

2 344 890

2 524 000

2 593 000

 

81

Kosten voor huisvesting

 

 

 

 

810

Kosten van het gastland voor huisvesting

p.m.

p.m.

Onverminderd artikel 35 van de Europol-overeenkomst en artikel 16 van het Financieel Reglement kan de raad van bestuur, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de directeur, het bedrag van de kredieten wijzigen, op voorwaarde dat het totaal van de ontvangsten het totaal van de uitgaven dekt (zie begrotingsartikel 701). Het voorstel van de directeur dient in overeenstemming te zijn met het tussen Europol en het gastland overeengekomen bedrag.

 

Totaal van hoofdstuk 81

p.m.

p.m.

 

 

TOTAAL TITEL 8

2 344 890

2 524 000

2 593 000

 

 

TOTAAL ONTVANGSTEN, DEEL C

2 460 000

2 524 000

2 593 000

 

 

TOTAAL UITGAVEN, DEEL C

2 344 890

2 524 000

2 593 000

 

 

SALDO, DEEL C

115 110

 

N.B: Aangezien wordt afgerond, kunnen de totaalbedragen van 2007 afwijken van de som van de afzonderlijke bedragen.


(1)  Aangenomen door de Raad op 5 juni 2008.


BIJLAGE A

Personeelsformatie 2009

Titel 2

Schaal

Begroting 2008

Reorganisatie 2008

Nieuwe posten

Begroting 2009

1

1

1

2

3

3

3

3

3

4

20

1

21

5

61

1

62

6

83

–2

4

85

7

108

+2

1

111

8

93

+1

3

97

9

45

–1

1

45

10

11 (1)

3

3

12 (1)

5

5

13 (1)

Totaal

425

11

436


Titel 4

Schaal

Begroting 2008

Reorganisatie 2008

Nieuwe posten

Begroting 2009

1

2

3

4

2

2

5

2

2

6

7

2

2

8

2

2

9

10

11 (2)

12 (2)

13 (2)

Totaal

8

8


Totaal, Titel 2 en Titel 4

Schaal

Begroting 2008

Reorganisatie 2008

Nieuwe posten

Begroting 2009

Totaal

433

11

444


(1)  De ambten in deze schalen betreffen plaatselijke functionarissen voor zover voorzien in het statuut voor het personeel.

(2)  De ambten in deze schalen betreffen plaatselijke functionarissen voor zover voorzien in het statuut voor het personeel.


BIJLAGE B

 

BNI 2007

(EUR miljoen)

BNI-aandeel in 2007 EU-27

(%)

BNI-aandeel 2007 EU-25

(%)

Saldo 2007 EU-27

(EUR)

5/12 van Roemenië & Bulgarije

(EUR)

7/12 saldo van Roemenië & Bulgarije aan EU-25 te herverdelen

(EUR)

Actuele 7/12 saldo-herverdeling aan EU-25

(EUR)

Gecorrigeerd saldo 2007 EU-27

(EUR)

Bijdragen 2009 vóór aftrek 2007

gecorrigeerd saldo 2007

(EUR)

Bijdragen 2009 na aftrek 2007

gecorrigeerd saldo 2007

(EUR)

 

a

b = a/116 942 340

c = a/115 663 051

d = 6 672 066 × b

e = d × 5/12

f = d – e

g = 42 577 × c

h = d – f + g

i

j = i – h

Oostenrijk

2 624 363

2,24

2,27

149 731

 

 

966

150 697

1 399 408

1 248 711

België

3 254 093

2,78

2,81

185 660

 

 

1 198

186 858

1 735 203

1 548 345

Bulgarije (1)

250 734

0,21

 

14 305

5 961

8 345

 

5 961

133 701

127 740

Cyprus

147 960

0,13

0,13

8 442

 

 

54

8 496

78 898

70 402

Tsjechische Republiek

1 101 606

0,94

0,95

62 851

 

 

406

63 257

587 417

524 160

Denemarken

2 259 663

1,93

1,95

128 924

 

 

832

129 755

1 204 936

1 075 181

Estland

124 726

0,11

0,11

7 116

 

 

46

7 162

66 509

59 346

Finland

1 688 352

1,44

1,46

96 328

 

 

622

96 949

900 292

803 343

Frankrijk

18 438 795

15,77

15,94

1 052 013

 

 

6 788

1 058 800

9 832 250

8 773 450

Duitsland

23 148 221

19,79

20,01

1 320 706

 

 

8 521

1 329 227

12 343 491

11 014 264

Griekenland

2 032 580

1,74

1,76

115 967

 

 

748

116 716

1 083 847

967 131

Hongarije

878 113

0,75

0,76

50 100

 

 

323

50 423

468 242

417 819

Ierland

1 563 390

1,34

1,35

89 198

 

 

576

89 774

833 658

743 884

Italië

14 678 365

12,55

12,69

837 464

 

 

5 403

842 867

7 827 050

6 984 182

Letland

166 638

0,14

0,14

9 507

 

 

61

9 569

88 858

79 289

Litouwen

244 476

0,21

0,21

13 948

 

 

90

14 038

130 364

116 325

Luxemburg

260 122

0,22

0,22

14 841

 

 

96

14 937

138 707

123 770

Malta

48 143

0,04

0,04

2 747

 

 

18

2 764

25 672

22 907

Nederland

5 346 690

4,57

4,62

305 052

 

 

1 968

307 020

2 851 054

2 544 034

Polen

2 639 229

2,26

2,28

150 579

 

 

972

151 551

1 407 335

1 255 784

Portugal

1 544 415

1,32

1,34

88 116

 

 

569

88 684

823 539

734 855

Roemenië (1)

1 028 555

0,88

 

58 684

24 451

34 232

24 451

548 464

524 012

Slowakije

454 120

0,39

0,39

25 910

 

 

167

26 077

242 154

216 077

Slovenië

304 908

0,26

0,26

17 396

 

 

112

17 509

162 588

145 080

Spanje

10 078 570

8,62

8,71

575 026

 

 

3 710

578 736

5 374 268

4 795 532

Zweden

3 120 578

2,67

2,70

178 042

 

 

1 149

179 191

1 664 008

1 484 817

Verenigd Koninkrijk

19 514 935

16,69

16,87

1 113 411

 

 

7 184

1 120 595

10 406 088

9 285 493

Algeheel totaal

116 942 340

100,00

100,00

6 672 066

30 412

42 577

42 577

6 672 066

62 358 000

55 685 934

 

Saldo 2007

6 672 066

Overige inkomsten 2009

3 050 000

Totaal Inkomsten

65 408 000

NB: De bron voor de BNI-cijfers is tabel 3 zoals gebruikt ter vaststelling van de algemene EU-begroting voor 2007, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L 203 van 3 augustus 2007, blz. 46. Eventuele verschillen tussen de berekening van bovenvermelde BNI-cijfers en de daadwerkelijke BNI-cijfers voor 2007 zullen bij het afroepen van de begroting voor 2011 worden gecorrigeerd. Mocht de Europol-overeenkomst vervangen worden door een besluit van de Raad, dan zullen de BNI-cijfers worden aangepast en, voor zover nodig, gecorrigeerd, wanneer het restbedrag van 2008 en 2009 in 2010 aan de lidstaten wordt terugbetaald.


(1)  Er wordt op gewezen dat, gezien de slechts gedeeltelijke bijdrage van Roemenië en Bulgarije aan de begroting voor 2007 en het dienovereenkomstige restbedrag voor 2007, slechts aanspraak gemaakt kan worden op een aftrek van 5/12 van de bijdragen voor 2009. Het verschil ter hoogte van 7/12 (8 345 EUR voor Bulgarije resp. 34 232 EUR voor Roemenië) moeten worden herverdeeld over de andere lidstaten, afhankelijk van de gewogen BNI-cijfers.


BIJLAGE C

Bijzonderheden betreffende bedragen die slechts kunnen worden afgeroepen indien de raad van bestuur met eenparigheid van stemmen hiertoe besluit

Per titel van de begroting

Titel

Omschrijving

Bedrag

(EUR)

2

Personeel

5 025 000

3

Overige uitgaven

800 000

4

Instanties en Organen

660 000

6

ICT (incl. TECS)

1 215 000

 

Totaal

7 700 000


BIJLAGE D

Bijzonderheden betreffende het oorspronkelijk en in tweede instantie afroepen van bijdragen uit de begroting 2009

 

Bijdragen 2009 na aftrek 2007 gecorrigeerd saldo 2007

(EUR)

Nog ongewisse, mogelijk af te roepen bedragen, afhankelijk van unaniem besluit raad van bestuur

(EUR)

Mogelijke, extra af te roepen bedragen m.b.t. 10 % van Titel 2, 3 en 4 van de begroting (m.u.v. ontwerp-Raadsbesluit en programma's nieuwe kantoorgebouw), afhankelijk van besluit raad van bestuur

(EUR)

Oorspronkelijk af te roepen bedrag voor 2009

(EUR)

 

a = kolom J bijlage B

b = 2 540 000 × kolom b bijlage B

c = 5 160 000 × kolom b, bijlage B

d = a–b–c

Oostenrijk

1 248 711

57 001

115 798

1 075 911

België

1 548 345

70 679

143 585

1 334 081

Bulgarije (1)

127 740

5 446

11 063

111 231

Cyprus

70 402

3 214

6 529

60 659

Tsjechische Republiek

524 160

23 927

48 608

451 626

Denemarken

1 075 181

49 080

99 706

926 395

Estland

59 346

2 709

5 503

51 134

Finland

803 343

36 671

74 497

692 174

Frankrijk

8 773 450

400 493

813 599

7 559 358

Duitsland

11 014 264

502 782

1 021 399

9 490 083

Griekenland

967 131

44 148

89 686

833 297

Hongarije

417 819

19 073

38 746

360 000

Ierland

743 884

33 957

68 984

640 943

Italië

6 984 182

318 816

647 673

6 017 694

Letland

79 289

3 619

7 353

68 317

Litouwen

116 325

5 310

10 787

100 228

Luxemburg

123 770

5 650

11 478

106 642

Malta

22 907

1 046

2 124

19 737

Nederland

2 544 034

116 131

235 919

2 191 984

Polen

1 255 784

57 324

116 454

1 082 006

Portugal

734 855

33 545

68 146

633 164

Roemenië (1)

524 012

22 340

45 384

456 288

Slowakije

216 077

9 864

20 038

186 176

Slovenië

145 080

6 623

13 454

125 003

Spanje

4 795 532

218 908

444 710

4 131 914

Zweden

1 484 817

67 779

137 693

1 279 344

Verenigd Koninkrijk

9 285 493

423 866

861 083

8 000 544

Algeheel Totaal

55 685 934

2 540 000

5 160 000

47 985 934


(1)  Er wordt op gewezen dat, gezien de slechts gedeeltelijke bijdrage van Roemenië en Bulgarije aan de begroting voor 2007 en het dienovereenkomstige restbedrag voor 2007, slechts aanspraak gemaakt kan worden op een aftrek van 5/12 van de bijdragen voor 2009. Het verschil ter hoogte van 7/12 (8 345 EUR voor Bulgarije resp. 34 232 EUR voor Roemenië) moeten worden herverdeeld over de andere lidstaten, afhankelijk van de gewogen BNI-cijfers.