ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 92

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
3 april 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 302/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 303/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot instelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat ( 1 )

3

 

*

Verordening (EG) nr. 304/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten ( 1 )

12

 

*

Verordening (EG) nr. 305/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars ( 1 )

17

 

*

Verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur ( 1 )

21

 

*

Verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen ( 1 )

25

 

*

Verordening (EG) nr. 308/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van het model voor de kennisgeving van opleidings- en certificeringsprogramma’s van de lidstaten ( 1 )

28

 

*

Verordening (EG) nr. 309/2008 van de Commissie van 2 april 2008 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen Isle of Man Manx Loaghtan Lamb (BOB)

35

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2008/285/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 19 maart 2008 inzake noodvaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza van wilde eenden in Portugal en maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van dat pluimvee en producten daarvan (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1077)

37

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 163/2008 van de Commissie van 22 februari 2008 tot verlening van een vergunning voor het preparaat lanthaancarbonaat-octahydraat (Lantharenol) als toevoegingsmiddel voor diervoeding (PB L 50 van 23.2.2008)

40

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/1


VERORDENING (EG) Nr. 302/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 april 2008

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 3 april 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 april 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

JO

63,1

MA

43,8

TN

125,1

TR

115,3

ZZ

86,8

0707 00 05

JO

178,8

MA

140,9

TR

197,7

ZZ

172,5

0709 90 70

MA

49,6

TR

87,5

ZZ

68,6

0805 10 20

EG

45,9

IL

55,4

MA

59,2

TN

58,0

TR

58,2

ZZ

55,3

0805 50 10

AR

53,2

IL

117,7

TR

133,1

ZA

138,5

ZZ

110,6

0808 10 80

AR

83,4

BR

80,2

CA

80,7

CL

88,2

CN

86,1

MK

52,8

US

114,1

UY

63,4

ZA

91,2

ZZ

82,2

0808 20 50

AR

77,5

CL

84,0

CN

62,8

ZA

97,3

ZZ

80,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/3


VERORDENING (EG) Nr. 303/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 april 2008

tot instelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van bedrijven en personeel betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (1), met name op artikel 5, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006 is het nodig regels vast te stellen betreffende de kwalificatie van personeel dat op de locatie waar apparatuur in werking is die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat, activiteiten uitvoert die van invloed kunnen zijn op lekkage ervan.

(2)

Er moet worden voorzien in verschillende categorieën van gecertificeerd personeel om te verzekeren dat het personeel gekwalificeerd is voor de activiteiten die het onderneemt en tegelijk kosten te vermijden die niet naar verhouding zijn.

(3)

Personeel dat nog niet gecertificeerd is, maar ingeschreven is voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat, moet voor beperkte tijd toestemming verkrijgen activiteiten te ondernemen waarvoor een dergelijke certificering vereist is om de praktische vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor het examen, op voorwaarde dat het onder toezicht staat van gecertificeerd personeel.

(4)

Personeel dat gekwalificeerd is voor hardsolderen, zachtsolderen of lassen moet toestemming verkrijgen om deze gespecialiseerde activiteiten te ondernemen in de context van een van de activiteiten waarvoor certificering vereist is, op voorwaarde dat het onder toezicht staat van gecertificeerd personeel.

(5)

Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (2) voorziet in technische eisen voor ondernemingen voor de verwerking en opslag in verwerkingsinstallaties van afgedankte apparatuur, inclusief onder meer koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur. Het vereiste kwalificatieniveau voor personeel dat koudemiddel in dergelijke installaties terugwint is, wegens de types van geautomatiseerde terugwinningsapparatuur die beschikbaar zijn in verwerkingsinstallaties voor de ontmanteling van koelkasten, lager dan het niveau dat vereist is voor personeel dat terugwinning in situ uitvoert.

(6)

Een aantal lidstaten beschikt momenteel niet over kwalificerings- of certificeringssystemen. Personeel en ondernemingen moeten bijgevolg beperkt de tijd krijgen om een certificaat te behalen.

(7)

Om overmatige administratieve last te vermijden, moet toegestaan worden een certificeringssysteem op bestaande kwalificeringsstelsels te baseren op voorwaarde dat de vaardigheden en kennis waarin het voorziet en het relevante kwalificeringsstelsel equivalent zijn aan de bij de Verordening beoogde minimumnormen.

(8)

Examinering is een effectieve manier om de geschiktheid van een kandidaat te testen om naar behoren de handelingen uit te voeren die direct lekkage kunnen veroorzaken alsook handelingen die indirect lekkage kunnen veroorzaken.

(9)

Om de opleiding en certificering mogelijk te maken van personeel dat momenteel actief is op de onder deze verordening vallende gebieden zonder hun beroepsactiviteit te onderbreken is een adequate tussenperiode vereist tijdens welke certificering gebaseerd moet zijn op bestaande kwalificeringsstelsels en beroepservaring.

(10)

Officieel aangewezen evaluerings- en certificeringsinstanties moeten de naleving verzekeren van de in deze Verordening opgenomen minimumeisen en daardoor bijdragen tot de effectieve en efficiënte wederzijdse erkenning van certificaten in heel de Gemeenschap.

(11)

Wederzijdse erkenning dient niet van toepassing te zijn op tussentijdse certificaten aangezien de eisen voor het behalen van deze certificaten aanzienlijk lager kunnen zijn dan eisen die in sommige lidstaten bestaan.

(12)

Informatie over het certificeringssysteem voor de afgifte van certificaten die onderworpen zijn aan wederzijdse erkenning moet ter kennis worden gebracht van de Commissie in het formaat dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 308/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot instelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van het formaat voor kennisgeving van de opleidings- en certificeringsprogramma’s van de lidstaten (3). Informatie over tussentijdse certificeringssystemen moet aan de Commissie ter kennis worden gebracht.

(13)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte comité (4),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze Verordening stelt minimumeisen in voor de certificering als bedoeld in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 842/2006 in verband met stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat alsmede de voorwaarden in voor wederzijdse erkenning van in overeenstemming met die eisen afgegeven certificaten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze Verordening is van toepassing op personeel dat de volgende activiteiten uitvoert:

a)

lekkagecontrole van toepassingen die 3 kg of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten en van toepassingen die 6 kg of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten met hermetisch afgesloten systemen die als zodanig zijn gelabeld;

b)

terugwinning;

c)

installatie;

d)

onderhoud of revisie.

2.   De Verordening is eveneens van toepassing op bedrijven die de volgende activiteiten uitvoeren:

a)

installatie;

b)

onderhoud of revisie.

3.   Deze Verordening is niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze Verordening wordt verstaan onder:

1.

„installatie”: aaneenkoppeling van twee of meer apparatuuronderdelen of circuits die gefluoreerde broeikasgaskoudemiddelen bevatten of daartoe bestemd zijn met het oog op het monteren van een systeem op de locatie waar het zal functioneren, inclusief de handeling waarbij koudemiddelleidingen van een systeem worden aaneengekoppeld om een koelcircuit te voltooien ongeacht de noodzaak het systeem na montage te vullen.

2.

„onderhoud of revisie”: alle activiteiten, exclusief terugwinning en lekkagecontroles als gedefinieerd in respectievelijk de artikelen 2, lid 14, en 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 waarbij de circuits die gefluoreerde broeikasgassen bevatten of daartoe bestemd zijn, worden geopend, met name het vullen van het systeem met gefluoreerde broeikasgassen, het wegnemen van een of meer circuit- of apparatuuronderdelen, het hermonteren van twee of meer circuit- of apparatuuronderdelen en het herstellen van lekken.

Artikel 4

Certificering van personeel

1.   Personeel dat de in artikel 2, lid 1, bedoelde activiteiten uitvoert, dient voor de overeenkomstige categorie als vastgesteld in lid 2 van dit artikel houder te zijn van een certificaat als bedoeld in artikel 5 of artikel 6.

2.   Certificaten waaruit blijkt dat de houder voldoet aan de eisen om een of meer van de in artikel 2, lid 1, bedoelde activiteiten te ondernemen, worden verleend voor de volgende personeelscategorieën:

a)

Certificaathouders van categorie I mogen alle in artikel 2, lid 1, bepaalde categorieën uitvoeren;

b)

Certificaathouders van categorie II mogen de onder a) van artikel 2, lid 1, bedoelde activiteiten uitvoeren op voorwaarde dat hierbij het koelcircuit dat gefluoreerde broeikasgassen bevat niet worden geopend. Certificaathouders van categorie II mogen de onder b), c) en d) van artikel 2, lid 1, bedoelde activiteiten uitvoeren in verband met koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die minder dan 3 kg gefluoreerde broeikasgassen bevat, of, indien het om hermetisch afgesloten systemen gaat die als zodanig zijn gelabeld, minder dan 6 kg gefluoreerde broeikasgassen bevat;

c)

Certificaathouders van categorie III mogen de onder b) van artikel 2, lid 1, bedoelde activiteit uitvoeren in verband met koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die minder dan 3 kg gefluoreerde broeikasgassen bevat, of, indien het om hermetisch afgesloten systemen gaat die als zodanig zijn gelabeld, minder dan 6 kg gefluoreerde broeikasgassen bevat;

d)

Certificaathouders van categorie IV mogen de onder a) van artikel 2, lid 1, bedoelde activiteit uitvoeren op voorwaarde dat hierbij het koelcircuit dat gefluoreerde broeikasgassen bevat niet worden geopend.

3.   Lid 1 is niet van toepassing:

a)

gedurende een maximumperiode van 2 jaar op personeel dat een van de in artikel 2, lid 1, bedoelde activiteiten onderneemt en ingeschreven is voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat betreffende de relevante activiteit, mits het de activiteit uitvoert onder toezicht van een persoon die houder is van een certificaat betreffende deze activiteit;

b)

op personeel dat systeem- of apparatuuronderdelen hardsoldeert, zachtsoldeert of last in de context van een van de in artikel 2, lid 1, bedoelde activiteiten en houder is van de krachtens de nationale wetgeving vereiste kwalificatie voor het ondernemen van dergelijke activiteiten, mits het onder toezicht staat van een persoon die houder is van een certificaat betreffende deze activiteit;

c)

op personeel dat gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit onder Richtlijn 2002/96/EG vallende apparatuur die minder dan 3 kg gefluoreerde broeikasgassen bevat, in ruimtes waarvoor een vergunning is afgegeven in overeenstemming met artikel 6, lid 2, van die Richtlijn, mits het personeel in dienst is van het bedrijf dat houder is van de vergunning en een opleidingscursus heeft voltooid over de minimumvaardigheden en -kennis betreffende categorie III als vastgesteld in de bijlage bij deze Verordening, gestaafd met een door de vergunninghouder afgegeven bevoegdheidsattest.

4.   De lidstaten mogen beslissen dat lid 1 gedurende een periode die de in artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum niet overschrijdt niet van toepassing is op personeel dat voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum een of meer van de in artikel 2, lid 1, van deze Verordening bedoelde activiteiten onderneemt.

Dergelijk personeel wordt gedurende de in de eerste alinea bedoelde periode geacht ten aanzien van deze activiteiten gecertificeerd te zijn in het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006.

Artikel 5

Personeelscertificering

1.   Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 10 geeft een certificaat af aan personeel dat geslaagd is voor een door een evalueringsinstantie als bedoeld in artikel 11 georganiseerd theoretisch en praktisch examen betreffende de in de bijlage voor de betrokken categorie vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis.

2.   Het certificaat bevat ten minste het volgende:

a)

de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum;

b)

de categorie van personeelscertificering als gespecificeerd in artikel 4, lid 2, en de activiteiten die de certificaathouder op grond daarvan mag uitvoeren;

c)

afgiftedatum en handtekening van de afgever.

3.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens betrekking heeft op de minimumvaardigheden en -kennis die in de bijlage voor een bepaalde categorie zijn vastgesteld en voldoet aan de eisen van de artikelen 10 en 11, maar het betrokken attest de in lid 2 van dit artikel bedoelde gegevens niet bevat, mag een in artikel 10 bedoelde certificeringsinstantie aan de houder van deze kwalificatie een certificaat voor de overeenkomstige categorie afgeven zonder nieuw examen.

4.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens voldoet aan de eisen van de artikelen 10 en 11 en gedeeltelijk betrekking heeft op de minimumvaardigheden die in de bijlage voor een bepaalde categorie zijn vastgesteld, mogen certificeringsinstanties voor de overeenkomstige categorie een certificaat afgeven mits de aanvrager slaagt voor een door een in artikel 11 bedoelde evalueringsinstantie afgenomen aanvullend examen betreffende de vaardigheden en kennis die niet onder de bestaande certificering vallen.

Artikel 6

Tussentijdse certificaten voor personeel

1.   De lidstaten mogen een systeem van tussentijdse certificering toepassen voor personeel als bedoeld in artikel 2, lid 1 in overeenstemming met de leden 2 of 3, of de leden 2 en 3 van dit artikel.

De tussentijdse certificaten als bedoel in de leden 2 en 3 vervallen uiterlijk op 4 juli 2011.

2.   Personeel dat houder is van een krachtens bestaande kwalificeringssystemen afgegeven attest voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, lid 1, wordt geacht houder te zijn van een tussentijds certificaat.

De lidstaten stellen attesten vast die gelden als tussentijdse certificaten voor de overeenkomstige categorie als genoemd in artikel 4, lid 2.

3.   Aan personeel met beroepservaring op het gebied van de activiteiten die overeenstemmen met de in artikel 4, lid 2, genoemde categorieën die is verworven voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum wordt door een door een lidstaat aangewezen instantie een tussentijds certificaat afgegeven.

Dit tussentijds certificaat bevat de in artikel 4, lid 2, vermelde categorie en de vervaldatum.

Artikel 7

Certificering van bedrijven

1.   In artikel 2, lid 2 bedoelde bedrijven dienen houder te zijn van een in artikel 8 of artikel 9 bedoeld certificaat.

2.   De lidstaten mogen beslissen dat lid 1 gedurende een periode die de in artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum niet overschrijdt niet van toepassing is op bedrijven die voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum betrokken zijn bij een of meer van de in artikel 2, lid 2, van deze Verordening bedoelde activiteiten.

Artikel 8

Bedrijfscertificaten

1.   Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 10 geeft voor een of meer van de in artikel 2, lid 2, bedoelde activiteiten een certificaat af aan een bedrijf mits dit voldoet aan de volgende eisen:

a)

voor de certificeringsplichtige activiteiten voldoende in overeenstemming met artikel 5 gecertificeerd personeel in dienst hebben om het verwachte activiteitenvolume te halen;

b)

het bewijs leveren dat de nodige instrumenten en procedures beschikbaar zijn voor personeel dat certificeringsplichtige activiteiten uitvoert.

2.   Het certificaat bevat ten minste het volgende:

a)

de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum;

b)

de activiteiten die de houder van het certificaat mag verrichten;

c)

afgiftedatum en handtekening van de afgever.

Artikel 9

Tussentijdse certificaten voor bedrijven

1.   De lidstaten mogen een systeem van tussentijdse certificering toepassen voor bedrijven als bedoeld in artikel 2, lid 2, in overeenstemming met de leden 2 of 3, of de leden 2 en 3 van dit artikel.

De tussentijdse certificaten als bedoel in de leden 2 en 3 vervallen uiterlijk op 4 juli 2011.

2.   Bedrijven die krachtens bestaande certificeringssystemen voor in artikel 2, lid 2, bedoelde activiteiten gecertificeerd zijn, worden geacht houder te zijn van een tussentijds certificaat.

De lidstaten stellen attesten vast die gelden als tussentijds certificaat voor de in artikel 2, lid 2, bedoelde activiteiten die de houder mag verrichten.

3.   Aan bedrijven die personeel in dienst hebben dat houder is van een certificaat voor de activiteiten waarvoor certificering in het kader van artikel 2, lid 2, vereist is, wordt door een door de lidstaat aangewezen instantie een tussentijds certificaat afgegeven.

Het tussentijdse certificaat vermeldt de activiteiten die de houder mag uitvoeren en de vervaldatum.

Artikel 10

Certificeringsinstantie

1.   Bij nationale wet- of regelgeving wordt voorzien in een certificeringsinstantie, of door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of andere daartoe gerechtigde instanties wordt een certificeringsinstantie aangewezen die certificaten mag afgeven aan personeel of bedrijven die betrokken zijn bij een of meer van de in artikel 2 bedoelde activiteiten.

De certificeringsinstantie voert op onafhankelijke en onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   De certificeringsinstantie stelt procedures in voor de afgifte, opschorting en intrekking van certificaten en past deze toe.

3.   De certificeringsinstantie houdt een register bij aan de hand waarvan de status van een gecertificeerde persoon of onderneming kan worden gecontroleerd. De administratie toont aan dat het certificeringsproces daadwerkelijk is vervuld. Dit register wordt ten minste 5 jaar bewaard.

Artikel 11

Evalueringsinstantie

1.   Een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of andere daartoe gerechtigde instanties aangewezen evalueringsinstantie organiseert examens voor het in artikel 2, lid 1, bedoelde personeel. Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 10 komt eveneens in aanmerking als evalueringsinstantie.

De evalueringsinstantie voert op onafhankelijke en onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   Examens worden op zodanige wijze gepland en gestructureerd dat op de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis wordt getoetst.

3.   De evalueringsinstantie keurt rapportageprocedures goed en houdt een register bij waarmee de individuele en algemene resultaten van de evaluatie kunnen worden gedocumenteerd.

4.   De evalueringsinstantie zorgt ervoor dat voor een test aangewezen examinatoren goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten en de nodige competentie bezitten op het gebied waarin moet worden geexamineerd. De evalueringsinstantie zorgt er eveneens voor dat de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikbaar zijn voor de praktische tests.

Artikel 12

Kennisgeving

1.   De lidstaten stellen de Commissie tegen 4 juli 2008 in kennis van hun voornemen om een tussentijds certificeringssysteem toe te passen overeenkomstig artikel 6 of artikel 9, of beide.

2.   De lidstaten stellen de Commissie tegen 4 januari 2009 in voorkomend geval in kennis van aangewezen instanties die gerechtigd zijn om tussentijdse certificaten af te geven en van vastgestelde nationale bepalingen op grond waarvan in het kader van bestaande certificeringssystemen afgegeven documenten als tussentijds certificaat worden beschouwd.

3.   De lidstaten stellen de Commissie, onder gebruikmaking van het bij Verordening (EG) nr. 308/2008 ingestelde formaat, tegen 4 januari 2009 in kennis van de namen en contactgegevens van onder artikel 10 vallende certificeringsinstanties voor personeel en bedrijven en van de titels van certificaten voor personeel dat voldoet aan de eisen van artikel 5 en bedrijven die voldoen aan de eisen van artikel 8.

4.   De lidstaten actualiseren de ingevolge lid 3 voorgelegde kennisgeving met relevante nieuwe informatie, en leggen deze zonder uitstel aan de Commissie voor.

Artikel 13

Voorwaarden voor wederzijdse erkenning

1.   Wederzijdse erkenning van in andere lidstaten afgegeven certificaten geldt alleen voor certificaten afgegeven in overeenstemming met artikel 5 voor personeel en artikel 8 voor bedrijven.

2.   De lidstaten mogen houders van in een andere lidstaat afgegeven certificaten om een vertaling vragen van het certificaat in een andere officiële taal van de Gemeenschap.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 april 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 161 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  PB L 37 van 13.2.2003, blz. 24. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2003/108/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 106).

(3)  Zie bladzijde 28 van dit Publicatieblad.

(4)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/540/EG van de Commissie (PB L 198 van 31.7.2007, blz. 35).


BIJLAGE

Minimumeisen ten aanzien van de vaardigheden en kennis die de evalueringsinstanties moeten testen

1.

Het examen voor elk van de in artikel 4, lid 2, genoemde categorieën omvat het volgende:

a)

een theoretische test met een of meer vragen om die vaardigheid of kennis te testen, zoals in de categoriekolommen aangegeven met (T);

b)

een praktische test waarbij de aanvrager de overeenkomstige taak verricht met de relevante materialen, instrumenten en apparatuur, zoals in de categoriekolommen aangegeven met (P).

2.

Het examen heeft betrekking op elk van de vaardigheids- en kennisgroepen 1, 2, 3, 4, 5 en 10

3.

Het examen heeft betrekking op minstens een van de vaardigheids- en kennisgroepen 6, 7, 8 en 9. De kandidaat weet vóór het examen niet in welke van deze vier onderdelen hij zal worden geëxamineerd.

4.

Indien in de categoriekolommen één vak overeenstemt met verschillende vakken (verschillende vaardigheden en kennis) in de kolom van de vaardigheden en kennis betekent dit dat niet noodzakelijk alle vaardigheden en kennis tijdens het examen moeten worden getest.


 

CATEGORIEËN

VAARDIGHEDEN EN KENNIS

I

II

III

IV

1

Elementaire thermodynamica

1.01

Kennis van de elementaire ISO-standaardeenheden zoals voor temperatuur, druk, massa, dichtheid, energie.

T

T

T

1.02

Begrip van de basistheorie van koelsystemen: elementaire thermodynamica (kernbegrippen, -parameters en -processen zoals oververhitting, hogedrukzijde, compressiewarmte, enthalpie, koelwerking, lagedrukzijde, onderkoeling), eigenschappen en thermodynamische transformaties van koudemiddelen inclusief identificatie van zeotropische mengsels en vloeibare toestanden.

T

T

1.03

Gebruik van relevante tabellen en diagrammen en interpretatie ervan in de context van indirecte lekkagecontrole (inclusief controle van de goede werking van het systeem): log p/h diagram, verzadigingstabellen voor een koudemiddel, diagram van één compressiekoelkringloop.

T

T

1.04

Beschrijving van de functie van de hoofdonderdelen van het systeem (compressor, verdamper, condensor, thermostatische expansieventielen) en de thermodynamische transformaties van het koudemiddel.

T

T

1.05

Kennis van de basiswerking van de volgende in een koelsysteem toegepaste onderdelen en hun rol en belang voor preventie en identificatie van koellekkage: a) ventielen (kogelventielen, membranen, bolventielen, ontlastventielen), b) temperatuur- en drukregelaars, c) kijkglazen en vochtindicators, d) ontdooiingsregelaars, e) systeembeschermers, f) meetinstrumenten zoals een manifoldthermometer, g) olieregelsystemen, h) ontvangers, i) vloeistof- en olieafscheiders.

2

Milieueffect van koudemiddelen en overeenkomstige milieuvoorschriften

2.01

Basiskennis van klimaatverandering en het Kyoto-protocol.

T

T

T

T

2.02

Basiskennis van het concept aardopwarmingsvermogen (GWP), het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen en andere stoffen zoals koudemiddelen, het effect van de emissies van gefluoreerde broeikasgassen op het klimaat (grootteorde van hun GWP) en relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006 en relevante verordeningen tot uitvoering van bepalingen van deze Verordening.

T

T

T

T

3

Controles vóór de inwerkingstelling na een lange periode van niet-gebruik, na onderhoud of reparatie, of tijdens de werking

3.01

Uitvoeren van een druktest om de sterkte van het systeem te controleren.

P

P

3.02

Uitvoeren van een druktest om de ondoordringbaarheid van het systeem te controleren.

3.03

Gebruik van een vacuümpomp.

3.04

Lediging van het systeem om lucht en vocht te verwijderen volgens een standaardpraktijk.

3.05

Invullen van de gegevens in het apparatuurregister en invullen van een rapport over een of meer tests en controles die tijdens het onderzoek zijn uitgevoerd.

T

T

4

Lekkagecontroles

4.01

Kennis van potentiële lekkagepunten van koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur.

T

T

T

4.02

Controle van het apparatuurregister vóór een lekkagecontrole en vastleggen van de relevante informatie over terugkerende punten of probleemgebieden die bijzondere aandacht vereisen.

T

T

T

4.03

Visuele en manuele inspectie van heel het systeem in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (1).

P

P

P

4.04

Uitvoering van een lekkagecontrole van het systeem aan de hand van een indirecte methode in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie en het instructieboekje van het systeem.

P

P

P

4.05

Gebruik van draagbare meettoestellen zoals manometers, thermometers en multimeters voor volt/amp/ohm-meting in de context van indirecte methoden voor lekkagecontrole, en interpretatie van de gemeten parameters.

P

P

P

4.06

Uitvoering van een lekkagecontrole van het systeem aan de hand van een van de directe methoden in de zin van Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie.

P

4.07

Uitvoering van een lekkagecontrole van het systeem aan de hand van de directe methoden waarbij het koelcircuit niet wordt geopend, in de zin van Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie.

P

P

4.08

Gebruik van een elektronisch lekdetectieapparaat.

P

P

P

4.09

Invullen van de gegevens in het apparatuurregister.

T

T

T

5

Milieuvriendelijke behandeling van het systeem en koudemiddel tijdens installatie, onderhoud, revisie of terugwinning

5.01

Verbinden en loskoppelen met minimale emissies van meetinstrumenten en leidingen.

P

P

5.02

Ledigen en vullen van een koudemiddelcilinder (koudemiddel zowel in vloeibare als in gasvormige toestand).

P

P

P

5.03

Gebruik van een terugwinningsapparaat om koudemiddel terug te winnen en verbinding en loskoppeling van het terugwinningsapparaat met minimale emissies.

P

P

P

5.04

Aftappen van met F-gas verontreinigde olie uit een systeem.

P

P

P

5.05

Vaststellen van de fase (vloeibaar, gasvormig) en toestand (onderkoeld, verzadigd of oververhit) van het koudemiddel vóór het vullen, om de correcte vulmethode en het correcte vulvolume te garanderen. Vullen van het systeem met koudemiddel (zowel in de vloeibare als in de gasvormige fase) zonder verlies van koudemiddel.

P

P

5.06

Gebruik van weegschalen om het koudemiddel te wegen.

P

P

P

5.07

Invullen in het apparatuurregister van alle relevante informatie betreffende het teruggewonnen of toegevoegde koudemiddel.

T

T

5.08

Kennis van eisen en procedures voor behandeling, opslag en vervoer van verontreinigde koudemiddelen en oliën.

T

T

T

6

Onderdelen: installatie, inwerkingstelling en onderhoud van eentraps- en tweetraps- zuiger-, schroef- en scroll-compressors

6.01

Uitleggen van de basiswerking van een compressor (inclusief capaciteitsregeling en smeersysteem) en de daarop betrekking hebbende risico’s van lekkage of vrijkomen van het koudemiddel.

T

T

6.02

Correcte installatie van een compressor, inclusief regel- en veiligheidsapparatuur, zodat geen koudemiddel lekt of in grote hoeveelheden vrijkomt zodra het systeem in werking is gesteld.

P

6.03

Afstellen van de veiligheids- en regelschakelaars.

P

6.04

Afstellen van de aanzuig- en afvoerventielen.

6.05

Controle van het olieterugvoersysteem.

6.06

In- en uitschakelen van een compressor en regeling van de goede werking van de compressor, inclusief door het verrichten van metingen terwijl de compressor in werking is.

P

6.07

Schrijven van een rapport over de toestand van de compressor, waarin alle problemen in verband met de werking van de compressor worden aangewezen die het systeem zouden kunnen beschadigen en uiteindelijk ertoe zouden kunnen leiden dat, indien niets wordt ondernomen, koudemiddel lekt of vrijkomt.

T

7

Onderdelen: installatie, inwerkingstelling en onderhoud van luchtgekoelde en watergekoelde condensors

7.01

Uitleggen van de basiswerking van een condensor en de risico’s van lekkage die erop betrekking hebben.

T

T

7.02

Afstellen van een uitlaatdrukregeling van de condensor.

P

7.03

Correcte installatie van een condensor, inclusief regel- en veiligheidsapparatuur, zodat geen koudemiddel lekt of in grote hoeveelheden vrijkomt wanneer het systeem in werking is gesteld.

P

7.04

Afstellen van de veiligheids- en regelschakelaars.

P

7.05

Controle van de uitlaat- en vloeistofleidingen.

7.06

Afvoeren van niet-condenseerbare gassen uit de condensor door middel van een inrichting voor ontluchting van de koeling.

P

7.07

In- en uitschakelen van een condensor en controle van de goede werking van de condensor, inclusief door het doen van metingen tijdens de werking ervan.

P

7.08

Controle van het oppervlak van de condensor.

P

7.09

Schrijven van een rapport over de toestand van de condensor waarin alle problemen in verband met de werking worden aangewezen die het systeem zouden kunnen beschadigen en uiteindelijk ertoe zouden kunnen leiden dat, indien niets wordt ondernomen, koudemiddel lekt of vrijkomt.

T

8

Onderdelen: installatie, inwerkingstelling en onderhoud van luchtgekoelde en watergekoelde verdampers

8.01

Uitleggen van de basiswerking van een verdamper (inclusief ontdooisysteem) en risico’s van lekkage die erop betrekking hebben.

T

T

8.02

Afstellen van een verdamperdrukregeling.

P

8.03

Installatie van een verdamper inclusief regel- en veiligheidsapparatuur, zodat geen koudemiddel lekt of in grote hoeveelheden vrijkomt wanneer het systeem in werking is gesteld.

P

8.04

Afstellen van de veiligheids- en regelschakelaars.

P

8.05

Controle van de correcte positie van vloeistof- en zuigleidingen.

8.06

Controle van de persgas-ontdooileiding.

8.07

Afstellen van het verdamperdrukregelventiel.

8.08

In- en uitschakelen van een verdamper en controle van de goede werking van de verdamper, inclusief door het doen van metingen tijdens de werking.

P

8.09

Controle van het oppervlak van de verdamper.

P

8.10

Schrijven van een rapport over de toestand van de verdamper waarin alle problemen in verband met de werking worden aangewezen die het systeem zouden kunnen beschadigen en uiteindelijk ertoe zouden kunnen leiden dat, indien niets wordt ondernomen, koudemiddel lekt of vrijkomt.

T

9

Onderdelen: installatie, inwerkingstelling en revisie van thermostatische expansieventielen (TEV’s) en andere onderdelen

9.01

Uitleggen van de basiswerking van verschillende soorten expansieregelaars (thermostatische expansieventielen, capillaire buizen) en risico’s van lekkage die erop betrekking hebben.

T

T

9.02

Installatie van ventielen in de correcte stand.

P

9.03

Afstellen van een mechanisch/elektronisch TEV.

P

9.04

Afstellen van mechanische en elektronische thermostaten.

9.05

Afstellen van een drukregelventiel.

9.06

Afstellen van mechanische en elektronische drukbegrenzers.

9.07

Controle van de werking van een olieafscheider.

P

9.08

Controle van de toestand van een filterdroger.

9.09

Schrijven van een rapport over de toestand van deze onderdelen waarin alle problemen in verband met de werking worden aangewezen die het systeem zouden kunnen beschadigen en uiteindelijk ertoe zouden kunnen leiden dat, indien niets wordt ondernomen, koudemiddel lekt of vrijkomt.

T

10

Leidingwerk: bouw van een lekdicht leidingsysteem in een koelinstallatie

10.01

Lekdichte verbinding door lassen, hardsolderen en/of zachtsolderen van metalen buizen en leidingen die te gebruiken zijn in koel-, klimaatregelings- of warmtepompsystemen.

P

P

10.02

Vervaardiging/controle van steunen voor leidingen en onderdelen.

P

P


(1)  PB L 335 van 20.12.2007, blz. 10.


3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/12


VERORDENING (EG) Nr. 304/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 april 2008

tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (1), en met name op artikel 5, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006 is het nodig regels vast te stellen ten aanzien van de kwalificatie van personeel dat, op de locatie waar bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende systemen in bedrijf zijn, activiteiten uitvoert die mogelijk lekkage kunnen veroorzaken.

(2)

Personeel dat nog niet gecertificeerd is, maar dat ingeschreven is voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat, moet voor beperkte tijd toestemming krijgen activiteiten te ondernemen waarvoor een dergelijke certificering vereist is, om de praktische vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor het examen, op voorwaarde dat het onder toezicht staat van gecertificeerd personeel.

(3)

Een aantal lidstaten beschikt momenteel niet over kwalificerings- of certificeringssystemen. Personeel en ondernemingen moeten bijgevolg enige tijd krijgen om een certificaat te behalen.

(4)

Om overmatige administratieve lasten te voorkomen, moet worden toegestaan een certificeringssysteem op bestaande kwalificeringsstelsels te baseren, op voorwaarde dat de vaardigheden en kennis waarin het voorziet en het desbetreffende kwalificeringsstelsel equivalent zijn aan de in deze verordening beoogde minimumnormen.

(5)

Examinering is een effectieve manier om te testen of een kandidaat geschikt is om de activiteiten die direct of indirect tot lekkage zouden kunnen leiden, naar behoren uit te voeren.

(6)

Om de opleiding en certificering van personeel dat momenteel actief is op de onder deze verordening vallende gebieden mogelijk te maken zonder hun beroepsactiviteit te onderbreken, is een adequate overgangsperiode vereist tijdens welke certificering gebaseerd moet zijn op bestaande kwalificeringsstelsels en beroepservaring.

(7)

Officieel aangewezen evaluerings- en certificeringsinstanties moeten de naleving verzekeren van de in deze verordening opgenomen minimumeisen en daardoor bijdragen tot de effectieve en efficiënte wederzijdse erkenning van certificaten in de hele Gemeenschap.

(8)

Wederzijdse erkenning dient niet van toepassing te zijn op tussentijdse certificaten, aangezien de eisen voor het behalen van deze certificaten aanzienlijk lager kunnen zijn dan de bestaande eisen in sommige lidstaten.

(9)

Informatie over het certificeringssysteem voor de afgifte van certificaten die onderworpen zijn aan wederzijdse erkenning moet ter kennis worden gebracht van de Commissie volgens het model dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 308/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van het model voor de kennisgeving van de opleidings- en certificeringsprogramma’s van de lidstaten (2). Informatie over tussentijdse certificeringssystemen moet aan de Commissie ter kennis worden gebracht.

(10)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden minimumeisen vastgesteld voor de certificering als bedoeld in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 842/2006 in verband met stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten, alsmede de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van in overeenstemming met die eisen afgegeven certificaten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op personeel dat de volgende activiteiten uitvoert ten aanzien van brandbeveiligingssystemen:

a)

lekkagecontrole van toepassingen die 3 kg of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten;

b)

terugwinning, ook ten aanzien van brandblusapparaten;

c)

installatie;

d)

onderhoud of revisie.

2.   Deze verordening is ook van toepassing op bedrijven die de volgende activiteiten uitvoeren ten aanzien van brandbeveiligingssystemen:

a)

installatie;

b)

onderhoud of revisie.

3.   Deze verordening is niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor houders of de bijbehorende onderdelen van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„installatie”: het voor het eerst, op de plaats waar zij zullen worden toegepast, aansluiten van één of meer blusmiddel met gefluoreerde broeikasgassen bevattende houders of houders die daartoe ontworpen zijn, met de bijbehorende onderdelen, met uitzondering van die onderdelen die niet van invloed zijn op de insluiting van het blusmiddel voordat het wordt gebruikt om vuur te blussen;

2.

„onderhoud of revisie”: alle activiteiten waarbij wordt gewerkt aan de blusmiddel met gefluoreerde broeikasgassen bevattende houders of houders die daartoe ontworpen zijn, of aan de bijbehorende onderdelen, met uitzondering van die onderdelen die niet van invloed zijn op de insluiting van het blusmiddel voordat het wordt gebruikt om vuur te blussen.

Artikel 4

Certificering van personeel

1.   Personeel dat de in artikel 2, lid 1, bedoelde activiteiten uitvoert, dient houder te zijn van een in artikel 5 of artikel 6 bedoeld certificaat.

2.   Lid 1 is gedurende een maximumperiode van één jaar niet van toepassing op personeel dat een van de in artikel 2, lid 1, bedoelde activiteiten uitvoert en dat is ingeschreven voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat voor de betrokken activiteit, mits het de activiteit uitvoert onder toezicht van een persoon die houder is van een certificaat voor de betrokken activiteit.

3.   De lidstaten mogen besluiten dat lid 1 gedurende een periode die de in artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde termijn niet overschrijdt, niet van toepassing is op personeel dat voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum een of meer van de in artikel 2, lid 1, van deze verordening bedoelde activiteiten onderneemt.

Dergelijk personeel wordt gedurende de in de eerste alinea bedoelde periode geacht ten aanzien van die activiteiten gecertificeerd te zijn in het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006.

Artikel 5

Personeelscertificaten

1.   Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 10 geeft een certificaat af aan personeel dat geslaagd is voor een door een evalueringsinstantie als bedoeld in artikel 11 georganiseerd theoretisch en praktisch examen over de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis.

2.   Het certificaat bevat ten minste het volgende:

a)

de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum;

b)

de activiteiten die de houder van het certificaat mag verrichten;

c)

de afgiftedatum en de handtekening van de afgever.

3.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens betrekking heeft op de minimumvaardigheden en -kennis die in de bijlage zijn vastgesteld en voldoet aan de eisen van de artikelen 10 en 11, maar het betrokken attest de in lid 2 bedoelde gegevens niet bevat, mag een in artikel 10 bedoelde certificeringsinstantie aan de houder van deze kwalificatie een certificaat afgeven zonder nieuw examen.

4.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens voldoet aan de eisen van de artikelen 10 en 11 en gedeeltelijk betrekking heeft op de minimumvaardigheden die in de bijlage zijn vastgesteld, mogen certificeringsinstanties een certificaat afgeven mits de aanvrager slaagt voor een door een in artikel 11 bedoelde evalueringsinstantie afgenomen aanvullend examen over de vaardigheden en kennis die niet onder de bestaande certificering vallen.

Artikel 6

Tussentijdse certificaten voor personeel

1.   De lidstaten mogen voor personeel als bedoeld in artikel 2, lid 1, een systeem van tussentijdse certificering toepassen in overeenstemming met de leden 2 en/of 3 van dit artikel.

De tussentijdse certificaten als bedoeld in de leden 2 en 3 vervallen uiterlijk op 4 juli 2010.

2.   Personeel dat houder is van een krachtens een bestaand kwalificeringssysteem afgegeven attest voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, lid 1, wordt geacht houder te zijn van een tussentijds certificaat.

De lidstaten specificeren welke attesten geldig zijn als tussentijds certificaat voor de in artikel 2, lid 1, bedoelde activiteiten die de houder mag verrichten.

3.   Aan personeel met beroepservaring op het gebied van de activiteiten die is verworven voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum, wordt door een door de lidstaat aangewezen instantie een tussentijds certificaat afgegeven.

Het tussentijdse certificaat vermeldt de daaronder vallende activiteiten en de vervaldatum.

Artikel 7

Certificering van bedrijven

1.   In artikel 2, lid 2, bedoelde bedrijven dienen houder te zijn van een in artikel 8 of artikel 9 bedoeld certificaat.

2.   De lidstaten mogen besluiten dat lid 1 gedurende een periode die de in artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde termijn niet overschrijdt, niet van toepassing is op bedrijven die voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum betrokken zijn bij een of meer van de in artikel 2, lid 2, van deze verordening bedoelde activiteiten.

Artikel 8

Bedrijfscertificaten

1.   Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 10 geeft voor een of meer van de in artikel 2, lid 2, bedoelde activiteiten een certificaat af aan een bedrijf, mits dit bedrijf aan de volgende eisen voldoet:

a)

het heeft voldoende in overeenstemming met artikel 5 gecertificeerd personeel in dienst voor de certificeringsplichtige activiteiten om het verwachte activiteitenvolume te halen;

b)

het levert het bewijs dat de nodige instrumenten en procedures beschikbaar zijn voor personeel dat certificeringsplichtige activiteiten uitvoert.

2.   Het certificaat bevat ten minste het volgende:

a)

de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum;

b)

de activiteiten die de houder van het certificaat mag verrichten;

c)

afgiftedatum en handtekening van de afgever.

Artikel 9

Tussentijdse certificaten voor bedrijven

1.   De lidstaten mogen voor bedrijven als bedoeld in artikel 2, lid 2, een systeem van tussentijdse certificering toepassen in overeenstemming met de leden 2 en/of 3 van dit artikel.

De tussentijdse certificaten als bedoeld in de leden 2 en 3 vervallen uiterlijk op 4 juli 2010.

2.   Bedrijven die krachtens een bestaand certificeringssysteem voor in artikel 2, lid 2, bedoelde activiteiten gecertificeerd zijn, worden geacht houder te zijn van een tussentijds certificaat.

De lidstaten specificeren welke attesten geldig zijn als tussentijds certificaat voor de in artikel 2, lid 2, bedoelde activiteiten die de houder mag verrichten.

3.   Aan bedrijven die personeel in dienst hebben dat houder is van een certificaat voor de activiteiten waarvoor certificering in het kader van artikel 2, lid 2, vereist is, wordt door een door de lidstaat aangewezen instantie een tussentijds certificaat afgegeven.

Het tussentijdse certificaat vermeldt de activiteiten die de houder mag uitvoeren en de vervaldatum.

Artikel 10

Certificeringsinstantie

1.   Bij nationale wet- of regelgeving wordt voorzien in een certificeringsinstantie, of door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie wordt een certificeringsinstantie aangewezen die certificaten mag afgeven aan personeel of bedrijven die betrokken zijn bij een of meer van de in artikel 2 bedoelde activiteiten.

De certificeringsinstantie voert op onafhankelijke en onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   De certificeringsinstantie stelt procedures in voor de afgifte, opschorting en intrekking van certificaten en past deze toe.

3.   De certificeringsinstantie houdt een register bij aan de hand waarvan de status van een gecertificeerde persoon of onderneming kan worden gecontroleerd. Dit register toont aan dat het certificeringsproces daadwerkelijk is afgerond. Het register wordt ten minste 5 jaar bewaard.

Artikel 11

Evalueringsinstantie

1.   Een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie aangewezen evalueringsinstantie organiseert examens voor het in artikel 2, lid 1, bedoelde personeel. Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 10 komt eveneens in aanmerking als evalueringsinstantie.

De evalueringsinstantie voert op onafhankelijke en onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   Examens worden op zodanige wijze gepland en gestructureerd dat de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis worden getoetst.

3.   De evalueringsinstantie keurt rapportageprocedures goed en houdt een register bij waarmee de individuele en algemene resultaten van de evaluering kunnen worden gedocumenteerd.

4.   De evalueringsinstantie zorgt ervoor dat voor een test aangewezen examinatoren goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten en de nodige competentie bezitten op het gebied waarin moet worden geexamineerd. De evalueringsinstantie zorgt er eveneens voor dat de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikbaar zijn voor de praktische tests.

Artikel 12

Kennisgeving

1.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 4 juli 2008 in kennis van hun voornemen om een tussentijds certificeringssysteem toe te passen overeenkomstig artikel 6 en/of artikel 9.

2.   In voorkomend geval stellen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 4 januari 2009 in kennis van de aangewezen instanties die gerechtigd zijn om tussentijdse certificaten af te geven en van de vastgestelde nationale bepalingen op grond waarvan in het kader van bestaande certificeringssystemen afgegeven documenten als tussentijds certificaat worden beschouwd.

3.   De lidstaten stellen de Commissie, onder gebruikmaking van het bij Verordening (EG) nr. 308/2008 vastgestelde model, uiterlijk op 4 januari 2009 in kennis van de namen en contactgegevens van de onder artikel 10 vallende certificeringsinstanties voor personeel en bedrijven en van de titels van certificaten voor personeel dat voldoet aan de eisen van artikel 5 en bedrijven die voldoen aan de eisen van artikel 8.

4.   De lidstaten actualiseren de op grond van lid 3 overgelegde kennisgeving met relevante nieuwe informatie, en doen deze zonder uitstel aan de Commissie toekomen.

Artikel 13

Voorwaarden voor wederzijdse erkenning

1.   Wederzijdse erkenning van in andere lidstaten afgegeven certificaten geldt alleen voor certificaten afgegeven in overeenstemming met artikel 5 (voor personeel) en artikel 8 (voor bedrijven).

2.   De lidstaten mogen houders van in een andere lidstaat afgegeven certificaten om een vertaling vragen van het certificaat in een andere officiële taal van de Gemeenschap.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 april 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 161 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  Zie bladzijde 28 van dit Publicatieblad.

(3)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/540/EG van de Commissie (PB L 198 van 31.7.2007, blz. 35).


BIJLAGE

Minimumeisen ten aanzien van de vaardigheden en kennis die de evalueringsinstanties moeten testen

Het in artikel 5, lid 1, en artikel 11, lid 2, bedoelde examen omvat het volgende:

a)

een theoretische test met een of meer vragen om de vaardigheid of kennis in kwestie te testen, in de kolom „Soort test” aangegeven met (T);

b)

een praktische test waarbij de aanvrager de overeenkomstige taak verricht met de relevante materialen, instrumenten en apparatuur, in de kolom „Soort test” aangegeven met (P).


Minimumvaardigheden en -kennis

Soort test

1.

Basiskennis hebben van de relevante milieuproblematiek (klimaatverandering, Kyotoprotocol en het potentieel van gefluoreerde broeikasgassen om opwarming van de aarde te veroorzaken).

T

2.

Basiskennis hebben van relevante technische normen.

T

3.

Basiskennis hebben van de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006 en van de relevante verordeningen houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006.

T

4.

Gedegen kennis hebben van de verschillende soorten brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen op de markt.

T

5.

Gedegen kennis hebben van soorten ventielen, aandrijvingsmechanismen, veilige hantering, preventie van uitstroming en lekkage.

T

6.

Gedegen kennis hebben van apparatuur die en gereedschap dat nodig is voor veilige hantering en veilig werken.

T

7.

In staat zijn om houders van brandbeveiligingssystemen te installeren die ontworpen zijn om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten.

P

8.

Kennis hebben van de juiste praktijken om houders onder druk die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, te verplaatsen.

T

9.

In staat zijn om het apparatuurregister te controleren vóór een lekkagecontrole en om de relevante informatie over terugkerende punten of probleemgebieden die aandacht vereisen, te identificeren.

T

10.

In staat zijn om het systeem te controleren op lekkage in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (1).

P

11.

Kennis hebben van milieuvriendelijke praktijken voor het terugwinnen van gefluoreerde broeikasgassen uit en het daarmee vullen van brandbeveiligingssystemen.

T


(1)  PB L 333 van 19.12.2007, blz. 4.


3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/17


VERORDENING (EG) Nr. 305/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 april 2008

tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (1), en met name op artikel 5, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006 is het nodig regels vast te stellen ten aanzien van de kwalificatie van personeel dat activiteiten aan bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende apparatuur uitvoert die mogelijk lekkage kunnen veroorzaken.

(2)

Personeel dat nog niet gecertificeerd is, maar dat ingeschreven is voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat, moet voor beperkte tijd toestemming krijgen activiteiten te ondernemen waarvoor een dergelijke certificering vereist is, om de praktische vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor het examen, op voorwaarde dat het onder toezicht staat van gecertificeerd personeel.

(3)

Een aantal lidstaten beschikt momenteel niet over kwalificerings- of certificeringssystemen. Personeel moet bijgevolg enige tijd krijgen om een certificaat te behalen.

(4)

Om overmatige administratieve lasten te voorkomen, moet worden toegestaan een certificeringssysteem op bestaande kwalificeringsstelsels te baseren, op voorwaarde dat de vaardigheden en kennis waarin het voorziet en het desbetreffende kwalificeringsstelsel equivalent zijn aan de in deze verordening beoogde minimumnormen.

(5)

Instanties die hoogspanningsschakelaars produceren of bedienen kunnen als evalueringsinstantie, als certificeringsinstantie of als beide worden aangewezen, mits ze aan de betrokken voorwaarden voldoen.

(6)

Examinering is een effectieve manier om te testen of een kandidaat geschikt is om de activiteiten die direct of indirect tot lekkage zouden kunnen leiden, naar behoren uit te voeren.

(7)

Officieel aangewezen evaluerings- en certificeringsinstanties moeten de naleving verzekeren van de in deze verordening opgenomen minimumeisen en daardoor bijdragen tot de effectieve en efficiënte wederzijdse erkenning van certificaten in de hele Gemeenschap.

(8)

Informatie over het certificeringssysteem voor de afgifte van certificaten die onderworpen zijn aan wederzijdse erkenning moet ter kennis worden gebracht van de Commissie volgens het model dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 308/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van het model voor de kennisgeving van de opleidings- en certificeringsprogramma’s van de lidstaten (2).

(9)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening worden minimumeisen vastgesteld voor de certificering van personeel dat bepaalde gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit hoogspanningsschakelaars, alsmede de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van in overeenstemming met die eisen afgegeven certificaten.

Artikel 2

Definities

Voor de doeleinden van deze verordening wordt onder de term „hoogspanningsschakelaars” verstaan: schakelaars en de combinatie daarvan met de bijbehorende controle-, meet-, beschermings- en regelapparatuur, en samenstellingen van dergelijke toestellen en apparatuur met bijbehorende onderlinge verbindingen, accessoires, behuizingen en dragende structuren, bedoeld voor gebruik in verband met het opwekken, het doorgeven, de distributie en de omzetting van elektrische energie bij nominale spanningen van meer dan 1 000 V.

Artikel 3

Certificering van personeel

1.   Personeel dat de in artikel 1 bedoelde activiteit uitvoert, dient houder te zijn van een in artikel 4 bedoeld certificaat.

2.   Lid 1 is gedurende een maximumperiode van één jaar niet van toepassing op personeel dat is ingeschreven voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat, mits het de activiteit uitvoert onder toezicht van een persoon die houder is van een certificaat.

3.   De lidstaten mogen besluiten dat lid 1 gedurende een periode die de in artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde termijn niet overschrijdt, niet van toepassing is op personeel dat voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum de in artikel 1 van deze verordening bedoelde activiteit onderneemt.

Dergelijk personeel wordt gedurende de in de eerste alinea bedoelde periode geacht ten aanzien van die activiteit gecertificeerd te zijn in het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006.

Artikel 4

Afgifte van certificaten aan het personeel

1.   Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 5 geeft een certificaat af aan personeel dat geslaagd is voor een door een evalueringsinstantie als bedoeld in artikel 6 georganiseerd theoretisch en praktisch examen over de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis.

2.   Het certificaat bevat ten minste het volgende:

a)

de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum;

b)

de activiteit die de houder van het certificaat mag verrichten;

c)

de afgiftedatum en de handtekening van de afgever.

3.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens betrekking heeft op de minimumvaardigheden en -kennis die in de bijlage zijn vastgesteld en voldoet aan de eisen van de artikelen 5 en 6, maar het betrokken attest de in lid 2 bedoelde gegevens niet bevat, mag een in artikel 5 bedoelde certificeringsinstantie aan de houder van deze kwalificatie een certificaat afgeven zonder nieuw examen.

4.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens voldoet aan de eisen van de artikelen 5 en 6 en gedeeltelijk betrekking heeft op de minimumvaardigheden die in de bijlage zijn vastgesteld, mogen certificeringsinstanties een certificaat afgeven mits de aanvrager slaagt voor een door een in artikel 6 bedoelde evalueringsinstantie afgenomen aanvullend examen over de vaardigheden en kennis die niet onder de bestaande certificering vallen.

Artikel 5

Certificeringsinstantie

1.   Bij nationale wet- of regelgeving wordt voorzien in een certificeringsinstantie, of door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie wordt een certificeringsinstantie aangewezen die certificaten mag afgeven aan personeel dat betrokken is bij de in artikel 1 bedoelde activiteit.

De certificeringsinstantie voert op onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   De certificeringsinstantie stelt procedures in voor de afgifte, opschorting en intrekking van certificaten en past deze toe.

3.   De certificeringsinstantie houdt een register bij aan de hand waarvan de status van een gecertificeerde persoon kan worden gecontroleerd. Dit register toont aan dat het certificeringsproces daadwerkelijk is afgerond. Het register wordt ten minste 5 jaar bewaard.

Artikel 6

Evalueringsinstantie

1.   Een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie aangewezen evalueringsinstantie organiseert examens voor het in artikel 1 bedoelde personeel. Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 5 komt eveneens in aanmerking als evalueringsinstantie.

De evalueringsinstantie voert op onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   Examens worden op zodanige wijze gepland en gestructureerd dat de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis worden getoetst.

3.   De evalueringsinstantie keurt rapportageprocedures goed en houdt een register bij waarmee de individuele en algemene resultaten van de evaluering kunnen worden gedocumenteerd.

4.   De evalueringsinstantie zorgt ervoor dat voor een test aangewezen examinatoren goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten en de nodige competentie bezitten op het gebied waarin moet worden geëxamineerd. De evalueringsinstantie zorgt er eveneens voor dat de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikbaar zijn voor de praktische tests.

Artikel 7

Kennisgeving

1.   De lidstaten stellen de Commissie, onder gebruikmaking van het bij Verordening (EG) nr. 308/2008 vastgestelde model, uiterlijk op 4 januari 2009 in kennis van de namen en contactgegevens van de onder artikel 5 vallende certificeringsinstanties voor personeel en van de titels van certificaten voor personeel dat voldoet aan de eisen van artikel 4.

2.   De lidstaten actualiseren de op grond van lid 1 overgelegde kennisgeving met relevante nieuwe informatie, en doen deze zonder uitstel aan de Commissie toekomen.

Artikel 8

Voorwaarden voor wederzijdse erkenning

1.   Wederzijdse erkenning van in andere lidstaten afgegeven certificaten geldt alleen voor certificaten afgegeven in overeenstemming met artikel 4.

2.   De lidstaten mogen houders van in een andere lidstaat afgegeven certificaten om een vertaling vragen van het certificaat in een andere officiële taal van de Gemeenschap.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 april 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 161 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  Zie bladzijde 28 van dit Publicatieblad.

(3)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/540/EG van de Commissie (PB L 198 van 31.7.2007, blz. 35).


BIJLAGE

Minimumeisen ten aanzien van de vaardigheden en kennis die de evalueringsinstanties moeten testen

Het in artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 2, bedoelde examen omvat het volgende:

a)

een theoretische test met een of meer vragen om de vaardigheid of kennis in kwestie te testen, in de kolom „Soort test” aangegeven met (T);

b)

een praktische test waarbij de aanvrager de overeenkomstige taak verricht met de relevante materialen, instrumenten en apparatuur, in de kolom „Soort test” aangegeven met (P).


Nr.

Minimumvaardigheden en -kennis

Soort test

1

Basiskennis hebben van de relevante milieuproblematiek (klimaatverandering, Kyotoprotocol en de potentiële opwarming van de aarde), van de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006 en van de relevante verordeningen houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006.

T

2

Kennis hebben van de fysieke, chemische en milieukenmerken van SF6.

T

3

Kennis hebben van het gebruik van SF6 in elektrische installaties (isolatie, het doven van de lichtboog).

T

4

Kennis hebben van de kwaliteit van SF6 volgens de betrokken industriële normen (1).

T

5

Het ontwerp van elektrische installaties begrijpen.

T

6

De kwaliteit van SF6 kunnen controleren.

P

7

SF6 en mengsels met SF6 kunnen terugwinnen en het SF6 kunnen zuiveren.

P

8

SF6 opslaan en vervoeren.

T

9

Apparatuur voor het terugwinnen van SF6 kunnen bedienen.

P

10

Zo nodig gasdichte boorsystemen kunnen bedienen.

P

11

Kennis hebben van het hergebruik van SF6 en van verschillende categorieën hergebruik.

T

12

Aan open SF6-compartimenten kunnen werken.

P

13

Weten hoe bijproducten van SF6 worden geneutraliseerd.

T

14

Kennis hebben van het toezicht op SF6 en van de betrokken verplichtingen op het gebied van het vastleggen van gegevens op grond van nationale of communautaire wetgeving of internationale overeenkomsten.

T


(1)  Bijvoorbeeld IEC 60376 en IEC 60480.


3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/21


VERORDENING (EG) Nr. 306/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 april 2008

tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (1), en met name op artikel 5, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006 is het nodig regels vast te stellen ten aanzien van de kwalificatie van personeel dat aan bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende apparatuur activiteiten uitvoert die mogelijk lekkage kunnen veroorzaken.

(2)

Personeel dat nog niet gecertificeerd is, maar dat ingeschreven is voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat, moet voor beperkte tijd toestemming krijgen activiteiten te ondernemen waarvoor een dergelijke certificering vereist is, om de praktische vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor het examen, op voorwaarde dat het onder toezicht staat van gecertificeerd personeel.

(3)

Een aantal lidstaten beschikt momenteel niet over kwalificerings- of certificeringssystemen. Personeel moet bijgevolg enige tijd krijgen om een certificaat te behalen.

(4)

Om overmatige administratieve lasten te voorkomen, moet worden toegestaan een certificeringssysteem op bestaande kwalificeringsstelsels te baseren, op voorwaarde dat de vaardigheden en kennis waarin het voorziet en het desbetreffende kwalificeringsstelsel equivalent zijn aan de in deze verordening beoogde minimumnormen.

(5)

Instanties die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevattende apparatuur produceren of bedienen, kunnen als evalueringsinstantie, als certificeringsinstantie of als beide worden aangewezen, mits ze aan de betrokken voorwaarden voldoen.

(6)

Om onnodige administratieve kosten te vermijden, moet het een lidstaat waar momenteel geen oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen worden gebruikt, worden toegestaan niet het volledige certificeringssysteem vast te stellen, op voorwaarde dat die lidstaat de nodige regelingen treft om ervoor te zorgen dat zonder onnodig oponthoud certificaten kunnen worden afgegeven, mocht daar in de toekomst om worden verzocht, en dat dus geen onnodige barrières worden opgeworpen voor de toegang tot de markt.

(7)

Examinering is een effectieve manier om te testen of een kandidaat geschikt is om de activiteiten die direct of indirect tot lekkage zouden kunnen leiden, naar behoren uit te voeren.

(8)

Officieel aangewezen evaluerings- en certificeringsinstanties moeten de naleving verzekeren van de in deze verordening opgenomen minimumeisen en daardoor bijdragen tot de effectieve en efficiënte wederzijdse erkenning van certificaten in de hele Gemeenschap.

(9)

Informatie over het certificeringssysteem voor de afgifte van certificaten die onderworpen zijn aan wederzijdse erkenning moet ter kennis worden gebracht van de Commissie volgens het model dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 308/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van het model voor de kennisgeving van de opleidings- en certificeringsprogramma’s van de lidstaten (2).

(10)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening worden minimumeisen vastgesteld voor de certificering van personeel dat bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit apparatuur, alsmede de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van in overeenstemming met die eisen afgegeven certificaten.

Artikel 2

Certificering van personeel

1.   Personeel dat de in artikel 1 bedoelde activiteit uitvoert, dient houder te zijn van een in artikel 4 bedoeld certificaat.

2.   Lid 1 is gedurende een maximumperiode van één jaar niet van toepassing op personeel dat is ingeschreven voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat, mits het de activiteit uitvoert onder toezicht van een persoon die houder is van een certificaat.

3.   De lidstaten mogen besluiten dat lid 1 gedurende een periode die de in artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde termijn niet overschrijdt, niet van toepassing is op personeel dat voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 genoemde datum de in artikel 1 van deze verordening bedoelde activiteit onderneemt.

Dergelijk personeel wordt gedurende de in de eerste alinea bedoelde periode geacht ten aanzien van die activiteit gecertificeerd te zijn in het kader van de eisen van Verordening (EG) nr. 842/2006.

Artikel 3

Afgifte van certificaten aan het personeel

1.   Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 4 geeft een certificaat af aan personeel dat geslaagd is voor een door een evalueringsinstantie als bedoeld in artikel 5 georganiseerd theoretisch en praktisch examen over de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis.

2.   Het certificaat bevat ten minste het volgende:

a)

de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum;

b)

de activiteit die de houder van het certificaat mag verrichten;

c)

de afgiftedatum en de handtekening van de afgever.

3.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens betrekking heeft op de minimumvaardigheden en -kennis die in de bijlage zijn vastgesteld en voldoet aan de eisen van de artikelen 4 en 5, maar het betrokken attest de in lid 2 bedoelde gegevens niet bevat, mag een in artikel 4 bedoelde certificeringsinstantie aan de houder van deze kwalificatie een certificaat afgeven zonder nieuw examen.

4.   Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens voldoet aan de eisen van de artikelen 4 en 5 en gedeeltelijk betrekking heeft op de minimumvaardigheden die in de bijlage zijn vastgesteld, mogen certificeringsinstanties een certificaat afgeven mits de aanvrager slaagt voor een door een in artikel 5 bedoelde evalueringsinstantie afgenomen aanvullend examen over de vaardigheden en kennis die niet onder de bestaande certificering vallen.

Artikel 4

Certificeringsinstantie

1.   Bij nationale wet- of regelgeving wordt voorzien in een certificeringsinstantie, of door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie wordt een certificeringsinstantie aangewezen die certificaten mag afgeven aan personeel dat betrokken is bij de in artikel 1 bedoelde activiteit.

De certificeringsinstantie voert op onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   De certificeringsinstantie stelt procedures in voor de afgifte, opschorting en intrekking van certificaten en past deze toe.

3.   De certificeringsinstantie houdt een register bij aan de hand waarvan de status van een gecertificeerde persoon kan worden gecontroleerd. Dit register toont aan dat het certificeringsproces daadwerkelijk is afgerond. Het register wordt ten minste 5 jaar bewaard.

Artikel 5

Evalueringsinstantie

1.   Een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie aangewezen evalueringsinstantie organiseert examens voor het in artikel 1 bedoelde personeel. Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 4 komt eveneens in aanmerking als evalueringsinstantie.

De evalueringsinstantie voert op onpartijdige wijze haar activiteiten uit.

2.   Examens worden op zodanige wijze gepland en gestructureerd dat de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis worden getoetst.

3.   De evalueringsinstantie keurt rapportageprocedures goed en houdt een register bij waarmee de individuele en algemene resultaten van de evaluering kunnen worden gedocumenteerd.

4.   De evalueringsinstantie zorgt ervoor dat voor een test aangewezen examinatoren goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten en de nodige competentie bezitten op het gebied waarin moet worden geëxamineerd. De evalueringsinstantie zorgt er eveneens voor dat de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikbaar zijn voor de praktische tests.

Artikel 6

Kennisgeving

1.   De lidstaten stellen de Commissie, onder gebruikmaking van het bij Verordening (EG) nr. 308/2008 vastgestelde model, uiterlijk op 4 januari 2009 in kennis van de namen en contactgegevens van de onder artikel 4 vallende certificeringsinstanties voor personeel en van de titels van certificaten voor personeel dat voldoet aan de eisen van artikel 3.

2.   Indien in een lidstaat geen oplosmiddelen op basis van broeikasgassen worden gebruikt, mag die lidstaat besluiten niet eerder een in artikel 4 bedoelde certificeringsinstantie en/of een in artikel 5 bedoelde evalueringsinstantie aan te wijzen, dan dat de behoefte aan een dergelijke certificering ontstaat. In dat geval moet de betrokken lidstaat in het kader van zijn nationale wetgeving de nodige regelingen treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke certificaten zonder onnodig oponthoud kunnen worden afgegeven, mocht in de toekomst om een dergelijke certificering worden verzocht.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 4 januari 2009 in kennis van hun voornemen om van het bepaalde in dit lid gebruik te maken, en van de regelingen die zij hebben getroffen om hieraan te voldoen. Lid 1 is in dat geval niet van toepassing.

3.   De lidstaten actualiseren de op grond van lid 1 overgelegde kennisgeving met relevante nieuwe informatie, en doen deze zonder uitstel aan de Commissie toekomen.

Artikel 7

Voorwaarden voor wederzijdse erkenning

1.   Wederzijdse erkenning van in andere lidstaten afgegeven certificaten geldt alleen voor certificaten afgegeven in overeenstemming met artikel 3.

2.   De lidstaten mogen houders van in een andere lidstaat afgegeven certificaten om een vertaling vragen van het certificaat in een andere officiële taal van de Gemeenschap.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 april 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 161 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  Zie bladzijde 28 van dit Publicatieblad.

(3)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/540/EG van de Commissie (PB L 198 van 31.7.2007, blz. 35).


BIJLAGE

Minimumeisen ten aanzien van de vaardigheden en kennis die de evalueringsinstanties moeten testen

Het in artikel 3, lid 1, en artikel 5, lid 2, bedoelde examen omvat het volgende:

a)

een theoretische test met een of meer vragen om de vaardigheid of kennis in kwestie te testen, in de kolom „Soort test” aangegeven met (T);

b)

een praktische test waarbij de aanvrager de overeenkomstige taak verricht met de relevante materialen, instrumenten en apparatuur, in de kolom „Soort test” aangegeven met (P).


Nr.

Minimumvaardigheden en -kennis

Soort test

1.

Basiskennis hebben van de relevante milieuproblematiek (klimaatverandering, Kyotoprotocol en de potentiële opwarming van de aarde), van de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006 en van de relevante verordeningen houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006.

T

2.

Kennis hebben van de fysieke, chemische en milieukenmerken van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen.

T

3.

Kennis hebben van het gebruik van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen.

T

4.

Oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen kunnen terugwinnen.

P

5.

Kennis hebben van de opslag en het vervoer van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen.

T

6.

Apparatuur voor het terugwinnen kunnen toepassen op apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat.

P


3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/25


VERORDENING (EG) Nr. 307/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 april 2008

tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (1), en met name op artikel 5, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (2) is bepaald dat voor motorvoertuigen vanaf 2011 verplicht klimaatregelingsapparatuur met een laag aardopwarmingsvermogen moet worden ingevoerd. Bij wijze van kortetermijnmaatregel moeten op grond van Verordening (EG) nr. 842/2006 regels worden vastgesteld inzake de juiste kwalificatie van personeel dat bepaalde gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit dergelijke klimaatregelingsapparatuur.

(2)

Personeel dat is ingeschreven voor een opleidingscursus om een opleidingsgetuigschrift te verkrijgen moet voor beperkte tijd toestemming krijgen activiteiten te ondernemen waarvoor een getuigschrift op het gebied van de opleidingscursus vereist is, op voorwaarde dat het onder toezicht staat van personeel dat over een dergelijk getuigschrift beschikt.

(3)

Om de opleiding van en afgifte van getuigschriften aan personeel dat momenteel actief is op de onder deze verordening vallende gebieden mogelijk te maken zonder hun beroepsactiviteit te onderbreken, is een adequate overgangsperiode vereist tijdens welke personeel dat is opgeleid in het kader van bestaande kwalificeringsstelsels, of dat over beroepservaring beschikt, als naar behoren gekwalificeerd moet worden beschouwd voor de doeleinden van Verordening (EG) nr. 842/2006.

(4)

Om overmatige administratieve lasten te voorkomen, moet worden toegestaan bestaande kwalificeringsregelingen te erkennen, op voorwaarde dat de vaardigheden en kennis waarin die voorzien en het desbetreffende kwalificeringsstelsel equivalent zijn aan de in deze verordening beoogde minimumnormen.

(5)

Officieel aangewezen instanties voor de afgifte van getuigschriften moeten de naleving verzekeren van de in deze verordening opgenomen minimumeisen en daardoor bijdragen tot de effectieve en efficiënte wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften in de hele Gemeenschap.

(6)

Informatie over de stelsels voor de afgifte van getuigschriften die onderworpen zijn aan wederzijdse erkenning moet ter kennis worden gebracht van de Commissie volgens het model dat is vastgesteld bij Verordening (EG) 308/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van het model voor de kennisgeving van de opleidings- en certificeringsprogramma’s van de lidstaten (3). De Commissie moet in kennis worden gesteld van informatie over de erkenning, voor een overgangsperiode, van bestaande kwalificeringsstelsels of beroepservaring.

(7)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad (4) opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden minimumeisen vastgesteld voor de opleidingsprogramma’s van personeel dat bepaalde gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2006/40/EG vallende klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen, alsmede de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften die overeenkomstig die eisen zijn afgegeven.

Artikel 2

Opleiding van personeel

1.   Alleen personeel dat over een opleidingsgetuigschrift als bedoeld in artikel 3 beschikt, wordt beschouwd als naar behoren gekwalificeerd om de in artikel 1 bedoelde activiteit uit te voeren.

2.   Lid 1 is gedurende een maximumperiode van 12 maanden niet van toepassing op personeel dat is ingeschreven voor een opleidingscursus voor het behalen van een opleidingsgetuigschrift, mits het de activiteit uitvoert onder toezicht van een persoon die als naar behoren gekwalificeerd wordt beschouwd.

3.   De lidstaten mogen besluiten dat lid 1 uiterlijk tot en met 4 juli 2010 niet van toepassing is op:

a)

personeel dat beschikt over een getuigschrift op grond van bestaande kwalificeringsstelsels voor de in artikel 1 bedoelde activiteit, en dat als zodanig door de lidstaat is aangemerkt; of

b)

personeel met beroepservaring op het gebied van de in artikel 1 bedoelde activiteit die vóór 4 juli 2008 is verworven.

Dergelijk personeel moet voor de in de eerste alinea bedoelde periode worden beschouwd als naar behoren gekwalificeerd om de in artikel 1 bedoelde activiteit uit te voeren.

Artikel 3

Afgifte van opleidingsgetuigschriften aan het personeel

1.   In de nationale wet- en regelgeving wordt voorzien in een instantie voor de afgifte van getuigschriften, of deze wordt door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie aangewezen.

2.   De in lid 1 bedoelde instantie voor de afgifte van getuigschriften geeft opleidingsgetuigschriften af aan personeel dat de opleidingscursus met de in de bijlage genoemde minimumvaardigheden en -kennis heeft afgerond.

3.   Het opleidingsgetuigschrift bevat ten minste het volgende:

a)

de naam van de instantie voor de afgifte van getuigschriften, de volledige naam van de houder en een registratienummer;

b)

de activiteit die de houder van het opleidingsgetuigschrift mag verrichten;

c)

de afgiftedatum en de handtekening van de afgever.

4.   Wanneer een bestaande opleidingscursus betrekking heeft op de minimumvaardigheden en -kennis die in de bijlage zijn vastgesteld, maar het betrokken getuigschrift de in lid 3 bedoelde gegevens niet bevat, mag de in lid 1 bedoelde instantie voor de afgifte van getuigschriften aan de houder van deze kwalificatie een getuigschrift afgeven zonder herhaling van de opleidingscursus.

Artikel 4

Kennisgeving

1.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 4 juli 2008 in kennis van hun voornemen om punt a) of b) van de eerste alinea van artikel 2, lid 3, toe te passen door bestaande kwalificeringsstelsels of stelsels op basis van beroepservaring aan te wijzen op grond waarvan personeel geacht wordt naar behoren gekwalificeerd te zijn.

2.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 4 januari 2009, onder gebruikmaking van het bij Verordening (EG) nr. 308/2008 vastgestelde model, in kennis van de namen en contactgegevens van de onder artikel 3 vallende instanties voor de afgifte van getuigschriften voor personeel en van de titels van opleidingsgetuigschriften voor personeel dat voldoet aan de eisen van artikel 3, lid 2, en van de bijlage.

3.   De lidstaten actualiseren de op grond van lid 2 overgelegde kennisgeving met relevante nieuwe informatie, en doen deze zonder uitstel aan de Commissie toekomen.

Artikel 5

Voorwaarden voor wederzijdse erkenning

1.   De lidstaten erkennen overeenkomstig artikel 3 in andere lidstaten afgegeven opleidingsgetuigschriften.

2.   De lidstaten mogen houders van in een andere lidstaat afgegeven opleidingsgetuigschriften om een vertaling vragen van het getuigschrift in een andere officiële taal van de Gemeenschap.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 april 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 161 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  PB L 161 van 14.6.2006, blz. 12.

(3)  Zie bladzijde 28 van dit Publicatieblad.

(4)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/540/EG van de Commissie, PB L 198 van 31.7.2007, blz. 35.


BIJLAGE

Minimumeisen ten aanzien van de vaardigheden en kennis die in de opleidingsprogramma’s moeten zijn opgenomen

In de in artikel 3, lid 2, bedoelde opleidingscursus zijn de volgende elementen opgenomen:

a)

een theoretische module, zoals in de kolom „Soort module” aangegeven met (T),

b)

een praktische module waarbij de aanvrager de overeenkomstige taak verricht met de relevante materialen, instrumenten en apparatuur, in de kolom „Soort module” aangegeven met (P).


Minimumvaardigheden en -kennis

Soort module

1.   

Kennis van de werking van gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in motorvoertuigen, van de milieueffecten van als koelmiddel gebruikte gefluoreerde broeikasgassen en de desbetreffende milieuvoorschriften

1.1

Basiskennis hebben van de werking van klimaatregelingssystemen in motorvoertuigen.

T

1.2

Basiskennis hebben van het gebruik en de eigenschappen van gefluoreerde broeikasgassen gebruikt als koelmiddel in klimaatregelingssystemen in motorvoertuigen en over de effecten van de uitstoot van die gassen op het milieu (orde van grootte van hun aardopwarmingsvermogen in verband met klimaatverandering).

T

1.3

Basiskennis hebben van de betrokken bepalingen van Verordening (EG) nr. 842/2006 en van Richtlijn 2006/40/EG.

T

2.   

Kennis over de milieuvriendelijke terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen

2.1

Kennis hebben van de gebruikelijke procedures voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.

T

2.2

Kunnen omgaan met een koelmiddelcilinder.

P

2.3

Een terugwinningsapparaat kunnen aansluiten aan en afkoppelen van de toegangspunten van een gefluoreerde broeikasgassen bevattend klimaatregelingssysteem van een motorvoertuig.

P

2.4

Een terugwinningsapparaat kunnen bedienen.

P


3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/28


VERORDENING (EG) Nr. 308/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 april 2008

tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van het model voor de kennisgeving van opleidings- en certificeringsprogramma’s van de lidstaten

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (1), en met name op artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het model voor de kennisgeving moet de vereiste essentiële informatie bevatten om de waarmerking overeenkomstig Verordening (EG) nr. 842/2006 mogelijk te maken van een certificaat of attest dat aan de door de Commissie vastgestelde minimumeisen en voorwaarden voor wederzijdse erkenning voldoet.

(2)

De Commissie heeft minimumeisen en voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel vastgesteld. Met name heeft de Commissie de volgende verordeningen goedgekeurd: Verordening (EG) nr. 303/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (2); Verordening (EG) nr. 304/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten (3); Verordening (EG) nr. 305/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars (4); Verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur (5); en Verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen (6).

(3)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad (7) opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De lidstaten moeten voor de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 842/2006 bedoelde kennisgevingen de volgende formulieren gebruiken:

1.

voor stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur het in bijlage I bij deze verordening vastgestelde kennisgevingsformulier;

2.

voor stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten het in bijlage II bij deze verordening vastgestelde kennisgevingsformulier;

3.

voor hoogspanningsschakelaars het in bijlage III bij deze verordening vastgestelde kennisgevingsformulier;

4.

voor apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat, het in bijlage IV bij deze verordening vastgestelde kennisgevingsformulier;

5.

voor klimaatregelingssystemen in motorvoertuigen het in bijlage V bij deze verordening vastgestelde formulier.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 april 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 161 van 14.6.2006, blz. 1.

(2)  Zie bladzijde 3 van dit Publicatieblad.

(3)  Zie bladzijde 12 van dit Publicatieblad.

(4)  Zie bladzijde 17 van dit Publicatieblad.

(5)  Zie bladzijde 21 van dit Publicatieblad.

(6)  Zie bladzijde 25 van dit Publicatieblad.

(7)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/540/EG van de Commissie (PB L 198 van 31.7.2007, blz. 35).


BIJLAGE I

STATIONAIRE KOEL-, KLIMAATREGELINGS- EN WARMTEPOMPAPPARATUUR

KENNISGEVING

INZAKE DE VASTSTELLING OF AANPASSING DOOR DE LIDSTATEN VAN HUN OPLEIDINGS- EN CERTIFICERINGSVOORSCHRIFTEN VOOR BEDRIJVEN EN PERSONEEL DAT BETROKKEN IS BIJ DE ACTIVITEITEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 1, VAN VERORDENING (EG) Nr. 842/2006 INZAKE BEPAALDE GEFLUOREERDE BROEIKASGASSEN

ALGEMENE INFORMATIE

a)

Lidstaat

 

b)

Kennisgevende instantie

 

c)

Datum van de kennisgeving

 

Deel A

Personeel

Het (De) volgende certificeringssyste(e)m(en) voor personeel dat betrokken is bij de installatie, het onderhoud of de revisie en de lekkagecontrole van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat of bij de terugwinning van die gassen uit dergelijke apparatuur, voldoe(t)(n) aan de minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning die in de artikelen 5 en 13 van Verordening (EG) nr. 303/2008 (1) zijn vastgesteld.

Aard v/h certificaat

Personeelscertificeringsinstantie (naam en contactgegevens)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DEEL B

Bedrijven

(Het) (De) volgende certificeringssyste(e)m(en) voor bedrijven die betrokken zijn bij de installatie, het onderhoud of de revisie van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat, voldoe(t)(n) aan de minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning die in de artikelen 8 en 13 van Verordening (EG) nr. 303/2008 zijn vastgesteld.

Aard v/h certificaat

Bedrijfscertificeringsinstantie (naam en contactgegevens)

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  PB L 92 van 3.4.2008, blz. 3.


BIJLAGE II

STATIONAIRE BRANDBEVEILIGINGSSYSTEMEN EN BRANDBLUSAPPARATEN

KENNISGEVING

INZAKE DE VASTSTELLING OF AANPASSING DOOR DE LIDSTATEN VAN HUN OPLEIDINGS- EN CERTIFICERINGSVOORSCHRIFTEN VOOR BEDRIJVEN EN PERSONEEL DAT BETROKKEN IS BIJ DE ACTIVITEITEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 1, VAN VERORDENING (EG) Nr. 842/2006 INZAKE BEPAALDE GEFLUOREERDE BROEIKASGASSEN

ALGEMENE INFORMATIE

a)

Lidstaat

 

b)

Kennisgevende instantie

 

c)

Datum van de kennisgeving

 

DEEL A

Personeel

(Het) (De) volgende certificeringssyste(e)m(en) voor personeel dat betrokken is bij de installatie, het onderhoud of de revisie en de lekkagecontrole van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten of bij de terugwinning van die gassen uit stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparatuur, voldoe(t)(n) aan de minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning die in de artikelen 5 en 13 van Verordening (EG) nr. 304/2008 (1) zijn vastgesteld.

Aard v/h certificaat

Personeelscertificeringsinstantie (naam en contactgegevens)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DEEL B

Bedrijven

(Het) (De) volgende certificeringssyste(e)m(en) voor bedrijven die betrokken zijn bij de installatie, het onderhoud of de revisie van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten, voldoe(t)(n) aan de minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning die in de artikelen 8 en 13 van Verordening (EG) nr. 304/2008 zijn vastgesteld.

Aard v/h certificaat

Bedrijfscertificeringsinstantie (naam en contactgegevens)

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  PB L 92 van 3.4.2008, blz 12.


BIJLAGE III

HOOGSPANNINGSSCHAKELAARS

KENNISGEVING

INZAKE DE VASTSTELLING OF AANPASSING DOOR DE LIDSTATEN VAN HUN OPLEIDINGS- EN CERTIFICERINGSVOORSCHRIFTEN VOOR PERSONEEL DAT BETROKKEN IS BIJ DE ACTIVITEITEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 1, VAN VERORDENING (EG) Nr. 842/2006 INZAKE BEPAALDE GEFLUOREERDE BROEIKASGASSEN

ALGEMENE INFORMATIE

a)

Lidstaat

 

b)

Kennisgevende instantie

 

c)

Datum van de kennisgeving

 

(Het) (De) volgende certificeringssyste(e)m(en) voor personeel dat betrokken is bij de terugwinning van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars, voldoe(t)(n) aan de minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning die in de artikelen 4 en 8 van Verordening(EG) nr. 305/2008 (1) zijn vastgesteld.

Aard v/h certificaat

Personeelscertificeringsinstantie (naam en contactgegevens)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  PB L 92 van 3.4.2008, blz. 17.


BIJLAGE IV

APPARATUUR DIE OPLOSMIDDELEN OP BASIS VAN GEFLUOREERDE BROEIKASGASSEN BEVAT

KENNISGEVING

INZAKE DE VASTSTELLING OF AANPASSING DOOR DE LIDSTATEN VAN HUN OPLEIDINGS- EN CERTIFICERINGSVOORSCHRIFTEN VOOR PERSONEEL DAT BETROKKEN IS BIJ DE ACTIVITEITEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 1, VAN VERORDENING (EG) Nr. 842/2006 INZAKE BEPAALDE GEFLUOREERDE BROEIKASGASSEN

ALGEMENE INFORMATIE

a)

Lidstaat

 

b)

Kennisgevende instantie

 

c)

Datum van de kennisgeving

 

(Het) (De) volgende certificeringssyste(e)m(en) voor personeel dat betrokken is bij de terugwinning van oplosmiddelen op basis van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur, voldoe(t)(n) aan de minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning die in de artikelen 3 en 7 van Verordening (EG) nr. 306/2008 (1) zijn vastgesteld.

Aard v/h certificaat

Personeelscertificeringsinstantie (naam en contactgegevens)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  PB L 92 van 3.4.2008, blz. 21.


BIJLAGE V

KLIMAATREGELINGSSYSTEMEN IN MOTORVOERTUIGEN

KENNISGEVING

INZAKE DE VASTSTELLING OF AANPASSING DOOR DE LIDSTATEN VAN HUN OPLEIDINGS- EN KWALIFICATIEVOORSCHRIFTEN VOOR PERSONEEL DAT BETROKKEN IS BIJ DE ACTIVITEITEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 1, VAN VERORDENING (EG) Nr. 842/2006 INZAKE BEPAALDE GEFLUOREERDE BROEIKASGASSEN

ALGEMENE INFORMATIE

a)

Lidstaat

 

b)

Kennisgevende instantie

 

c)

Datum van de kennisgeving

 

(Het) (De) volgende opleidingsprogramma(’s) voor personeel dat betrokken is bij de terugwinning van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingssystemen in motorvoertuigen, voldoe(t)(n) aan de minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning die in artikel 2, lid 1, en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 307/2008 (1) zijn vastgesteld.

Aard v/h attest

Personeelsattesteringsinstantie (naam en contactgegevens)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  PB L 92 van 3.4.2008, blz. 25.


3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/35


VERORDENING (EG) Nr. 309/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 april 2008

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen Isle of Man Manx Loaghtan Lamb (BOB)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 5, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Isle of Man Manx Loaghtan Lamb” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Italië heeft overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 510/2006 tegen deze registratie bezwaar aangetekend door met name te verwijzen naar de in artikel 7, lid 3, onder a), van die verordening aangegeven bezwaarreden, namelijk dat niet aan de voorwaarden van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 510/2006 is voldaan.

(3)

De Commissie heeft de betrokken partijen bij brief van 1 juni 2007 verzocht op gepaste wijze overleg te plegen.

(4)

Het Verenigd Koninkrijk en Italië zijn tot een akkoord gekomen en op 4 december 2007 is de Commissie bij brief van dat akkoord in kennis gesteld.

(5)

Italië is krachtens dit akkoord van oordeel dat de door het Verenigd Koninkrijk verstrekte gegevens volstaan en heeft bijgevolg zijn bezwaar ingetrokken.

(6)

Het tussen de betrokken partijen bereikte akkoord vergt geen wijziging van de gegevens die op grond van artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 zijn bekendgemaakt. Bijgevolg moet de benaming „Isle of Man Manx Loaghtan Lamb” overeenkomstig artikel 7, lid 4, van die verordening worden geregistreerd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 april 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)  PB C 3 van 6.1.2006, blz. 3.


BIJLAGE

Categorie 1.1–

Vers vlees (en verse slachtafvallen)

VERENIGD KONINKRIJK

Isle of Man Manx Loaghtan Lamb (BOB)


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/37


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 19 maart 2008

inzake noodvaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza van wilde eenden in Portugal en maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van dat pluimvee en producten daarvan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1077)

(Slechts de tekst in de Portugese taal is authentiek)

(2008/285/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (1), en met name op artikel 54, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2005/94/EG legt vast welke bestrijdingsmaatregelen minimaal moeten worden genomen bij een uitbraak van aviaire influenza bij pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels.

(2)

Sinds september 2007 hebben zich uitbraken van laagpathogene aviaire influenza voorgedaan op bepaalde pluimveehouderijen in het centraal-westelijke deel van Portugal, met name op bedrijven die pluimvee houden dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet. Portugal heeft overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG maatregelen genomen om de verspreiding van deze ziekte te voorkomen.

(3)

Portugal heeft een risicobeoordeling uitgevoerd waaruit bleek dat bedrijven die wilde eenden (Anas platyrhynchos) die bestemd zijn om in het wild te worden uitgezet („wilde eenden”) een groter risico lopen op een besmetting met aviaire-influenzavirussen, met name door contact met wilde vogels, en dat er een significant en onmiddellijk risico voor de verspreiding van aviaire influenza bestaat.

(4)

Portugal beschikt over systemen voor vroege opsporing en bioveiligheidsmaatregelen om het risico van overdracht van aviaire influenza op pluimveekoppels te beperken in de gebieden die door dit land als risicogebieden zijn aangemerkt overeenkomstig Beschikking 2005/734/EG van de Commissie van 19 oktober 2005 tot vaststelling van bioveiligheidsmaatregelen ter beperking van het risico van overdracht van hoogpathogene aviaire influenza, veroorzaakt door het influenza A-virus subtype H5N1, van in het wild levende vogels naar pluimvee en andere in gevangenschap gehouden vogels en tot instelling van een systeem voor vroege opsporing in risicogebieden (2).

(5)

Met betrekking tot de handel in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, heeft Portugal aanvullende maatregelen genomen krachtens Beschikking 2006/605/EG van de Commissie van 6 september 2006 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen voor het intracommunautaire handelsverkeer in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet (3).

(6)

Portugal heeft per brief van 25 januari 2008 een noodvaccinatieprogramma ter goedkeuring aan de Commissie voorgelegd en op 31 januari 2008 een herziene versie daarvan ingediend.

(7)

Volgens dit noodvaccinatieprogramma is Portugal van plan noodvaccinaties uit te voeren op één bedrijf in de regio Lisboa e Vale do Tejo, Ribatejo Norte, Vila Nova da Barquinha, dat waardevolle wilde eenden voor fokdoeleinden houdt, met een bivalent vaccin tegen aviaire-influenzavirussen van het subtype H5 en H7, dat tot en met 31 juli 2008 zal worden gebruikt.

(8)

Het Panel voor diergezondheid en dierenwelzijn heeft in zijn wetenschappelijke adviezen over het gebruik van vaccinatie om aviaire influenza onder controle te krijgen, die in 2005 (4) en 2007 (5) door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid zijn gepubliceerd, gesteld dat nood- en preventieve vaccinatie tegen aviaire influenza een waardevol instrument ter aanvulling van andere maatregelen ter bestrijding van deze ziekte is.

(9)

Bovendien heeft de Commissie het noodvaccinatieprogramma van Portugal samen met de Portugese autoriteiten bestudeerd en meent zij na het aanbrengen van wijzigingen dat het voldoet aan de relevante Gemeenschapswetgeving. Gezien de epidemiologische situatie met betrekking tot laagpathogene aviaire influenza in Portugal, het type bedrijf waar moet worden gevaccineerd en de beperkte omvang van het vaccinatieprogramma, moet het door Portugal ingediende noodvaccinatieprogramma worden goedgekeurd ter aanvulling op de bestrijdingsmaatregelen die deze lidstaat al genomen heeft.

(10)

Voor de door Portugal uit te voeren noodvaccinatie mogen alleen vaccins worden gebruikt die voldoen aan Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (6) of Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (7).

(11)

Daarnaast moet worden gezorgd voor bewaking en monitoring op het bedrijf waar de gevaccineerde wilde eenden worden gehouden en op niet-gevaccineerde pluimveehouderijen, zoals aangegeven in het noodvaccinatieprogramma.

(12)

Ook dienen bepaalde beperkingen te worden toegepast op verplaatsingen van gevaccineerde wilde eenden, hun broedeieren en wilde eenden afkomstig van pluimvee dat is gevaccineerd. Gezien het kleine aantal wilde eenden op het bedrijf waar de noodvaccinatie moet worden uitgevoerd, en om redenen van traceerbaarheid en logistiek, mogen de gevaccineerde vogels dat bedrijf niet verlaten.

(13)

Om de economische impact voor het betrokken bedrijf te beperken, moet worden voorzien in bepaalde afwijkingen van de verplaatsingsbeperkingen voor wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden, aangezien deze verplaatsingen geen specifiek risico voor verspreiding van de ziekte opleveren, op voorwaarde dat bewakings- en monitoringmaatregelen worden genomen en dat aan de specifieke veterinairrechtelijke voorschriften voor intracommunautair handelsverkeer wordt voldaan.

(14)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze beschikking worden bepaalde maatregelen vastgesteld die in Portugal moeten worden genomen indien noodvaccinaties worden uitgevoerd op een bedrijf waar wilde eenden (Anas platyrhynchos) die bestemd zijn om in het wild te worden uitgezet („wilde eenden”) worden gehouden en waar een bijzonder risico van insleep van aviaire influenza bestaat. Die maatregelen omvatten bepaalde beperkingen op de verplaatsing binnen Portugal en de verzending uit Portugal van de gevaccineerde wilde eenden, hun broedeieren en daaruit afkomstige wilde eenden.

2.   Deze beschikking is van toepassing onverminderd de beschermende maatregelen die Portugal overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG en Beschikking 2006/605/EG zal nemen.

Artikel 2

Goedkeuring van het noodvaccinatieprogramma

1.   Het programma voor noodvaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza in Portugal, dat op 25 januari 2008 door Portugal bij de Commissie is ingediend en waarvan op 31 januari 2008 een herziene versie is ingediend, en dat tot en met 31 juli 2008 op een bedrijf in de regio Lisboa e Vale do Tejo, Ribatejo Norte, Vila Nova da Barquinha, moet worden uitgevoerd (het „noodvaccinatieprogramma”), wordt goedgekeurd.

2.   De Commissie publiceert het noodvaccinatieprogramma.

Artikel 3

Voorwaarden voor de uitvoering van het noodvaccinatieprogramma

1.   Portugal zorgt ervoor dat de wilde eenden overeenkomstig het noodvaccinatieprogramma worden gevaccineerd met een bivalent geïnactiveerd heteroloog vaccin tegen aviaire influenza van zowel subtype H5 als subtype H7, dat door die lidstaat overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening (EG) nr. 726/2004 is toegelaten.

2.   Daarnaast draagt Portugal zorg voor bewaking en monitoring op het bedrijf dat gevaccineerde wilde eenden houdt en op niet-gevaccineerde pluimveehouderijen, zoals aangegeven in het noodvaccinatieprogramma.

3.   Portugal zorgt ervoor dat het noodvaccinatieprogramma doelmatig wordt uitgevoerd.

Artikel 4

Merken en beperkingen op verplaatsingen en verzendingen en verwijdering van gevaccineerde wilde eenden

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat gevaccineerde wilde eenden op het in artikel 2, lid 1, bedoelde bedrijf:

a)

individueel worden gemerkt;

b)

niet naar andere pluimveehouderijen in Portugal worden gebracht of naar andere lidstaten worden verzonden.

Na hun voortplantingsperiode moeten deze eenden op humane wijze op het in artikel 2, lid 1, bedoelde bedrijf worden gedood en moeten hun karkassen veilig worden verwijderd.

Artikel 5

Beperkingen op verplaatsingen en verzendingen van broedeieren van het in artikel 2, lid 1 bedoelde bedrijf

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat broedeieren afkomstig van wilde eenden op het in artikel, lid 1 bedoelde bedrijf uitsluitend mogen worden verplaatst naar een broederij in Portugal en niet naar andere lidstaten mogen worden verzonden.

Artikel 6

Beperkingen op de verplaatsingen en verzendingen van wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden

1.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden uitsluitend na het uitbroeden mogen worden verplaatst naar een bedrijf in het monitoringgebied dat in Portugal is vastgesteld rondom het in artikel 2, lid 1 bedoelde bedrijf, zoals aangegeven in het noodvaccinatieprogramma.

2.   In afwijking van lid 1 en op voorwaarde dat de wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden meer dan vier maanden oud zijn, mogen deze:

a)

in Portugal in het wild worden uitgezet, of

b)

naar andere lidstaten worden verzonden op voorwaarde dat:

i)

de resultaten van de bewakings- en monitoringmaatregelen die in het noodvaccinatieprogramma zijn aangegeven, waaronder laboratoriumtests, gunstig zijn, en

ii)

wordt voldaan aan de voorwaarden van Beschikking 2006/605/EG voor de verzending van pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet.

Artikel 7

Gezondheidscertificaten voor het intracommunautaire handelsverkeer in wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden

Portugal zorgt ervoor dat de in artikel 6, lid 2, onder b) bedoelde gezondheidscertificaten voor het intracommunautaire handelsverkeer in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, de volgende zin bevatten:

„Deze zending voldoet aan de bij Beschikking 2008/285/EG vastgestelde veterinairrechtelijke voorwaarden.”.

Artikel 8

Verslaglegging

Portugal brengt binnen één maand na de datum van toepassing van deze beschikking verslag uit aan de Commissie over de uitvoering van het noodvaccinatieprogramma en brengt vervolgens elk kwartaal verslag uit aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

Artikel 9

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de Portugese Republiek.

Gedaan te Brussel, 19 maart 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(2)  PB L 274 van 20.10.2005, blz. 105. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/803/EG (PB L 323 van 8.12.2007, blz. 42).

(3)  PB L 246 van 8.9.2006, blz. 12.

(4)  EFSA Journal (2005) 266, 1-21, Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of Avian Influenza.

(5)  EFSA Journal (2007) 489, Scientific Opinion on Vaccination against avian influenza of H5 and H7 subtypes in domestic poultry and captive birds.

(6)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/28/EG (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 58).

(7)  PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1394/2007 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121).


Rectificaties

3.4.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 92/40


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 163/2008 van de Commissie van 22 februari 2008 tot verlening van een vergunning voor het preparaat lanthaancarbonaat-octahydraat (Lantharenol) als toevoegingsmiddel voor diervoeding

( Publicatieblad van de Europese Unie L 50 van 23 februari 2008 )

Bladzijde 5, in de tabel, onder „Einde van de vergunningsperiode”:

in plaats van:

„6 maart 2018”,

te lezen:

„14 maart 2018”.