ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 55

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
28 februari 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 171/2008 van de Raad van 25 februari 2008 tot handhaving van Verordening (EG) nr. 71/97 tot uitbreiding van het antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China

1

 

*

Verordening (EG) nr. 172/2008 van de Raad van 25 februari 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op ferrosilicium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland

6

 

 

Verordening (EG) nr. 173/2008 van de Commissie van 27 februari 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

21

 

*

Verordening (EG) nr. 174/2008 van de Commissie van 27 februari 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 994/2007 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op ferrosilicium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland

23

 

 

Verordening (EG) nr. 175/2008 van de Commissie van 27 februari 2008 inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 327/98 geopende tariefcontingenten voor de deelperiode februari 2008

25

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2008/166/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 13 november 2007 — Steunmaatregel van de Staten C 39/06 (ex NN 94/05) — Toepassing van de Regeling voor personen die voor het eerst aandeelhouder zijn in het Verenigd Koninkrijk (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5398)  ( 1 )

27

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

28.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/1


VERORDENING (EG) Nr. 171/2008 VAN DE RAAD

van 25 februari 2008

tot handhaving van Verordening (EG) nr. 71/97 tot uitbreiding van het antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9, artikel 11, lid 3, en artikel 13, lid 4,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

In september 1993 stelde de Raad bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 (2) een definitief antidumpingrecht van 30,6 % in op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”). Op grond van het recentste nieuwe onderzoek werd dit recht bij Verordening (EG) nr. 1095/2005 van de Raad (3) („de hoofdmaatregel”) tot 48,5 % verhoogd.

(2)

Naar aanleiding van een onderzoek in verband met de bewering dat bovengenoemd antidumpingrecht werd ontweken door de rijwielen in de Gemeenschap uit Chinese onderdelen te assembleren, heeft de Raad in januari 1997 bij Verordening (EG) nr. 71/97 (4) op grond van artikel 13 van de basisverordening het antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de VRC uitgebreid tot hoofdbestanddelen van rijwielen van oorsprong uit de VRC („de antiontwijkingsmaatregel”). In de antiontwijkingsmaatregel is ook bepaald dat assembleurs die de maatregel inzake rijwielen niet ontwijken, van de tot rijwielonderdelen uitgebreide maatregel kunnen worden vrijgesteld om hen in staat te stellen rechtenvrij Chinese rijwielonderdelen in te voeren.

(3)

Verordening (EG) nr. 88/97 (5) tot goedkeuring van de vrijstelling van de invoer van bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, van bovengenoemde uitbreiding („de vrijstellingsregeling”), die het rechtskader voor de werking van de vrijstellingsregeling vastlegt, werd in juni 1997 door de Commissie aangenomen.

(4)

Uit de drie bovengenoemde maatregelen volgt dat momenteel een antidumpingrecht van 48,5 % van toepassing is op rijwielen van oorsprong uit de VRC en dat dit recht is uitgebreid tot bepaalde onderdelen van rijwielen van oorsprong uit de VRC, maar dat communautaire assembleurs die de maatregel niet ontwijken van het recht op onderdelen van rijwielen kunnen worden vrijgesteld.

2.   Motivering van het nieuwe onderzoek

(5)

Sinds de uitbreiding van de maatregel tot de invoer van bepaalde rijwielonderdelen heeft de Commissie een groot aantal in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen vrijstelling van de antiontwijkingsmaatregel verleend. De Commissie is nieuwe vrijstellingsaanvragen blijven ontvangen, zodat het aantal aanvragers aanzienlijk is gestegen. Tegelijk waren er geen duidelijke aanwijzingen van ontwijkingspraktijken door ondernemingen aan wie een vrijstelling is toegekend.

(6)

Voorts beschikte de Commissie over voldoende voorlopig bewijsmateriaal om aannemelijk te maken dat ontwijkingspraktijken niet zouden worden voortgezet en zich niet opnieuw zouden voordoen als de antiontwijkingsmaatregel werd ingetrokken.

(7)

Bovendien was de antiontwijkingsmaatregel al tien jaar van kracht en was deze sinds de instelling ervan nog nooit aan een nieuw onderzoek onderworpen.

(8)

Daar de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om op grond van artikel 13, lid 4, en artikel 11, lid 3, van de basisverordening een nieuw onderzoek naar de antiontwijkingsmaatregel te openen, heeft zij door middel van een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie  (6) de procedure op 28 november 2006 hiervoor ingeleid.

3.   Onderzoek

(9)

Het onderzoek had tot doel na te gaan of de antiontwijkingsmaatregel van kracht moest blijven.

3.1.   Onderzoektijdvak

(10)

Het onderzoek had betrekking op de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006 („het nieuwe onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn om te beoordelen of het waarschijnlijk is dat de ontwijking wordt voortgezet of zich opnieuw voordoet, had betrekking op de periode van 2003 tot het eind van het nieuwe onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

3.2.   Bij het onderzoek betrokken partijen

(11)

De Commissie heeft de haar bekende communautaire assembleurs en hun verenigingen officieel van de opening van het nieuwe onderzoek in kennis gesteld. Belanghebbenden kregen de gelegenheid om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(12)

Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(13)

Daar kennelijk een groot aantal communautaire assembleurs bij dit nieuwe onderzoek betrokken is, werd het passend geacht om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van steekproeven. Om de Commissie in staat te stellen een steekproef samen te stellen, heeft zij de betrokken partijen overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening verzocht binnen 15 dagen na de opening van het onderzoek contact met haar op te nemen en haar de in het bericht van opening gevraagde gegevens te verstrekken.

(14)

Een groot aantal communautaire assembleurs, namelijk 158 ondernemingen, heeft het steekproefformulier naar behoren ingevuld en ermee ingestemd verder aan het onderzoek mee te werken. Van deze 158 ondernemingen zijn er acht in de steekproef opgenomen, die wegens de omvang van hun assemblage en verkoop van rijwielen in de Gemeenschap representatief werden geacht voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. De acht geselecteerde assembleurs zijn goed voor bijna een derde van de totale productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende het nieuwe onderzoektijdvak, terwijl de 158 assembleurs nagenoeg de volledige productie in de Gemeenschap voor hun rekening namen. De steekproef omvatte de grootste representatieve productie- en verkoophoeveelheid van rijwielen in de Gemeenschap die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht.

(15)

Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werd met de betrokken partijen overleg gepleegd over de samenstelling van de steekproef; zij maakten geen bezwaar tegen de selectie.

(16)

De acht in de steekproef opgenomen assembleurs kregen derhalve een vragenlijst toegezonden, die zij alle ingevuld hebben teruggestuurd.

(17)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor haar onderzoek nodig achtte, verzameld en gecontroleerd en heeft een controlebezoek gebracht aan de volgende assembleurs in de steekproef:

Planet’Fun SA, Périgny, Frankrijk,

Decathlon Italia Srl, Milaan, Italië,

F.lli Masciaghi SPA, Basiano, Italië,

Denver Srl, Dronero-Cuneo, Italië.

B.   BETROKKEN PRODUCT

(18)

Het nieuwe onderzoek heeft betrekking op hoofdbestanddelen van rijwielen, namelijk:

geverfde of geanodiseerde of gepolijste en/of gelakte rijwielframes, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 8714 91 10,

geverfde of geanodiseerde of gepolijste en/of gelakte rijwielvorken, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 8714 91 30,

derailleurs (kettingschakelaars), momenteel ingedeeld onder GN-code 8714 99 50,

pedaalaandrijvingen, momenteel ingedeeld onder GN-code 8714 96 30,

tandwielen voor vrijloop, momenteel ingedeeld onder GN-code 8714 93 90, al dan niet in stellen aangeboden,

andere remmen, momenteel ingedeeld onder GN-code 8714 94 30,

remhendels, momenteel ingedeeld onder GN-code 8714 94 90, al dan niet in stellen aangeboden,

volledige wielen, al dan niet met binnenbanden, buitenbanden en kettingrad, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 8714 99 90,

sturen, momenteel ingedeeld onder GN-code 8714 99 10, al dan niet aangeboden met een boutsteel, rem- en/of versnellingshendel daaraan vast,

van oorsprong uit de Volksrepubliek China („het betrokken product”). Deze GN-codes zijn slechts ter informatie vermeld.

C.   ONTWIJKING VAN DE ANTIONTWIJKINGSMAATREGEL EN BLIJVENDE AARD

1.   Rechtskader

(19)

Teneinde overeenkomstig overweging 9 na te gaan of de antiontwijkingsmaatregel van kracht moest blijven, werd onderzocht of deze tijdens het nieuwe onderzoektijdvak door middel van assemblagepraktijken werd ontweken en of deze omstandigheden van blijvende aard waren.

(20)

Meer in het bijzonder werd onderzocht of tijdens het nieuwe onderzoektijdvak werd voldaan aan de criteria voor ontwijking door assemblage, die zijn vastgelegd in artikel 13, lid 2, van de basisverordening, en of het waarschijnlijk was dat aan deze criteria zou worden voldaan, mocht de antiontwijkingsmaatregel worden ingetrokken.

(21)

Gemakshalve worden deze criteria hier nog eens vermeld. Assemblage wordt geacht ontwijking in te houden wanneer:

„a)

de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn; en

b)

de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt; en

c)

de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke product, wordt ondermijnd, en wordt bewezen dat er dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden.”.

2.   Ontwijking tijdens het nieuwe onderzoektijdvak

(22)

Er werd onderzocht of de communautaire assembleurs de geldende antiontwijkingsmaatregel tijdens het nieuwe onderzoektijdvak hadden ontweken.

(23)

Alle aan het onderzoek medewerkende ondernemingen waren communautaire assembleurs die van de antiontwijkingsmaatregel waren vrijgesteld, dus die geen antidumpingrechten hoefden te betalen op Chinese rijwielonderdelen die zij voor de assemblage van rijwielen invoerden en gebruikten, mits die Chinese onderdelen niet meer uitmaakten dan 60 % van de totale waarde van de onderdelen van de geassembleerde rijwielen. Uit het onderzoek bleek dat de in de steekproef opgenomen communautaire assembleurs hieraan voldeden daar hun gebruik van Chinese onderdelen niet meer dan 60 % uitmaakte.

(24)

Na evaluatie van de gegevens van de acht in de steekproef opgenomen communautaire assembleurs en van de 158 ingevulde en teruggestuurde steekproefformulieren werd vastgesteld dat het aandeel van Chinese onderdelen voor de acht in de steekproef opgenomen assembleurs gemiddeld 37 % bedroeg en dus een heel stuk onder de 60 %-drempel lag. Het gemiddelde aandeel voor alle medewerkende assembleurs samen was gedurende het nieuwe onderzoektijdvak zelfs nog kleiner, namelijk 29 %.

(25)

Onderstaande grafiek geeft het aandeel van de Chinese onderdelen in 2003, 2004 en 2005 weer.

Image

(26)

Aangezien dus niet werd voldaan aan een van de criteria voor ontwijking, werd vastgesteld dat de betrokken assembleurs de bestaande maatregelen niet ontweken en dat zij aan de voorwaarden voor hun vrijstelling voldeden.

(27)

Het percentage medewerkende communautaire assembleurs lag zeer hoog, namelijk op meer dan 90 % wat het aantal door communautaire assembleurs verkochte rijwielen betreft, en er was geen bewijsmateriaal waaruit bleek dat de hoofdmaatregel door andere rijwielassembleurs werd ontweken. Aangezien er geen bewijzen zijn die op het tegendeel wijzen, kan worden geconcludeerd dat de hoofdmaatregel gedurende het nieuwe onderzoektijdvak niet is ontweken.

3.   Blijvende aard

(28)

Op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening werd voorts onderzocht of het niet-voorkomen van antiontwijkingspraktijken van blijvende aard was, dat wil zeggen of het niet waarschijnlijk was dat deze zich opnieuw zouden voordoen indien de antiontwijkingsmaatregel werd ingetrokken.

3.1.   Aanvang of aanmerkelijke toename van de assemblagewerkzaamheden

(29)

Eerst werd onderzocht of er na intrekking van de antiontwijkingsmaatregel sprake zou zijn van de aanvang of aanmerkelijke toename van assemblagewerkzaamheden. In dit verband zij eraan herinnerd dat bij het oorspronkelijke antiontwijkingsonderzoek werd vastgesteld dat de assemblage van rijwielen met Chinese onderdelen na de instelling van de hoofdmaatregel in 1993 aanzienlijk was toegenomen en dat die toename voortduurde tot 1997, toen de antiontwijkingsmaatregel werd ingesteld. Er deden zich aanzienlijke wijzigingen in het handelspatroon voor: de invoer van Chinese rijwielen daalde scherp, terwijl de invoer van Chinese onderdelen snel steeg. Deze ervaring wijst erop dat de invoer van Chinese onderdelen en de assemblage van rijwielen met behulp van deze onderdelen zonder antiontwijkingsmaatregel opnieuw zou kunnen toenemen.

(30)

Bovendien is uit het onderzoek gebleken dat Chinese rijwielonderdelen doorgaans goedkoper zijn dan rijwielonderdelen van andere oorsprong. Dus als sommige communautaire assembleurs meer gebruik zouden maken van Chinese onderdelen, zouden andere, om te kunnen concurreren, waarschijnlijk ook meer Chinese onderdelen gaan gebruiken.

(31)

Gezien het bovenstaande kan niet worden uitgesloten dat intrekking van de antiontwijkingsmaatregel tot een aanzienlijke toename van de invoer van Chinese rijwielonderdelen en van assemblagewerkzaamheden zou leiden.

3.2.   De 60 %-drempel voor Chinese onderdelen

(32)

Er werd onderzocht of het waarschijnlijk is dat bij intrekking van de antiontwijkingsmaatregel de waarde van Chinese onderdelen in door communautaire ondernemingen geassembleerde rijwielen meer dan 60 % gaat uitmaken van de totale waarde van alle onderdelen van het geassembleerde product.

(33)

Zoals al in overweging 24 is gezegd, lag in het nieuwe onderzoektijdvak het gemiddelde aandeel van Chinese onderdelen voor alle medewerkende assembleurs samen op 29 %, dus ver onder de 60 %-drempel. Het gemiddelde aandeel voor de acht in de steekproef opgenomen producenten lag iets hoger, namelijk op 37 %.

(34)

Uit het onderzoek bleek dat onderstaande redenen tot op zekere hoogte kunnen verklaren waarom de communautaire assembleurs veel minder Chinese onderdelen gebruikten dan de 60 % die hun op grond van de vrijstellingsregels was toegestaan:

eerst en vooral moet voor elk model van de vrijgestelde communautaire producenten worden voldaan aan de 60 %-regel, waarbij de hoogwaardige modellen (waarvoor minder of geen Chinese onderdelen worden gebruikt) een vertekenend effect hebben op het gemiddelde aandeel van Chinese onderdelen;

daarnaast schommelen de prijzen van ingevoerde onderdelen, de vervoerskosten en de wisselkoersen constant en zijn er andere praktische redenen waarom de communautaire assembleurs een zekere speelruimte moeten aanhouden om niet te riskeren dat zij hun recht op vrijstelling verliezen.

(35)

Het is echter heel moeilijk te weten of bovenstaande argumenten een afdoende verklaring zijn voor het aanzienlijke verschil tussen het huidige aandeel van door communautaire assembleurs gebruikte Chinese rijwielonderdelen en de 60 % die op grond van de regels betreffende ontwijking en de vrijstellingsregeling is toegestaan.

(36)

Daarnaast beweerden sommige communautaire assembleurs dat zij alleen maar minder dan 60 % Chinese rijwielonderdelen invoerden omdat zij wilden voldoen aan hun verplichtingen in verband met de hun toegekende vrijstelling.

(37)

Zoals al in overweging 30 is gezegd, zijn Chinese rijwielonderdelen doorgaans goedkoper dan rijwielonderdelen van andere oorsprong en is het dus mogelijk dat de communautaire assembleurs meer Chinese onderdelen zullen gaan gebruiken om gelijke tred te houden met hun concurrenten.

(38)

De situatie geeft dus een enigszins gemengd beeld te zien. Enerzijds bestaat er door het aanzienlijke verschil tussen het werkelijke en het toegestane aandeel van Chinese onderdelen geen duidelijk risico dat de rijwielassembleurs op korte termijn de 60 %-drempel zullen overschrijden.

(39)

Anderzijds zou het op middellange termijn voor de betrokken rijwielassembleurs nog altijd vrij interessant zijn om meer dan de toegestane 60 % in te voeren, waardoor zij de hoofdmaatregel opnieuw zouden kunnen gaan ontwijken door de invoer in de Gemeenschap van zogenaamde SKD- of CKD-pakketten („semi-knocked down” of „completely knocked down”), d.w.z. bijna complete rijwielen in afzonderlijke kisten. Hierdoor zouden de ontwijkingspraktijken die in de jaren negentig vóór de instelling van de antiontwijkingsmaatregel gebruikelijk waren, opnieuw hun intrede doen, met als gevolg een duidelijke overschrijding van de 60 %-drempel.

(40)

Alle gegevens in aanmerking nemende lijkt er een zeker risico te bestaan dat de 60 %-drempel bij intrekking van de maatregelen wordt overschreden, daar het zeer aantrekkelijk zou zijn meer in te voeren dan deze drempel toestaat.

(41)

Wat de 25 %-regel voor de toegevoegde waarde betreft, die een uitzondering vormt op de 60 %-regel, werd op basis van de 158 teruggestuurde steekproefformulieren vastgesteld dat tijdens het nieuwe onderzoektijdvak door de communautaire assembleurs gemiddeld 20 % aan waarde werd toegevoegd. Wat de acht in de steekproef opgenomen ondernemingen betreft, was de gemiddelde toegevoegde waarde tijdens het nieuwe onderzoektijdvak 22 %. Daar in de Gemeenschap weinig rijwielonderdelen worden vervaardigd, zou deze toegevoegde waarde hoogstwaarschijnlijk niet de 25 %-drempel overschrijden indien het aandeel van Chinese onderdelen boven de 60 % zou komen te liggen. Het is dus niet waarschijnlijk dat de communautaire assembleurs meer dan 25 % aan de waarde zouden toevoegen.

3.3.   Ondermijning van de corrigerende werking van het recht ten aanzien van de verkoopprijzen of hoeveelheden, en dumping

(42)

Het was nodig te onderzoeken of bij intrekking van de antiontwijkingsmaatregel de corrigerende werking van het antidumpingrecht zou worden ondermijnd en zich opnieuw dumping zou voordoen. In de huidige marktomstandigheden, dat wil zeggen met antiontwijkingsmaatregel en vrijstellingsregeling, was het echter onmogelijk een redelijke analyse uit te voeren om na te gaan of de werking van het recht op het gebied van verkoopprijzen zou worden ondermijnd en of dumping zou plaatsvinden, aangezien de communautaire prijzen voor de berekening hadden moeten worden gebaseerd op een situatie waarin rijwielen uitsluitend uit Chinese onderdelen zijn samengesteld. De rijwielen die tijdens het nieuwe onderzoektijdvak in de Gemeenschap werden geassembleerd, bestonden echter uit onderdelen van uiteenlopende oorsprong, waaronder de Gemeenschap, de VRC en andere derde landen.

(43)

Er zij echter aan herinnerd dat bij het onderzoek dat tot instelling van de antiontwijkingsmaatregel in 1997 leidde, werd aangetoond dat de corrigerende werking van het recht op Chinese rijwielen ten aanzien van de verkoopprijzen werd ondermijnd en dat er sprake was van dumping. Bij gebrek aan vergelijkbare prijzen voor het nieuwe onderzoektijdvak behouden de conclusies van dit eerdere onderzoek ten aanzien van ondermijning en dumping, zoals uiteengezet in de overwegingen 19 tot en met 24 van de antiontwijkingsmaatregel, hun geldigheid.

D.   CONCLUSIES

(44)

Uit het nieuwe onderzoek is gebleken dat de maatregelen momenteel niet worden ontweken. Er wordt echter ook aangetoond dat het risico dat de ontwijking zich opnieuw voordoet, niet volledig kan worden uitgesloten. Op basis van bovenstaande analyse lijkt er op middellange termijn een, weliswaar beperkt, risico te bestaan dat de huidige situatie waarbij geen ontwijking plaatsvindt, bij intrekking van de antiontwijkingsmaatregel niet zal voortduren, omdat de communautaire assembleurs hun assemblageactiviteiten aanzienlijk zouden kunnen opvoeren door meer Chinese rijwielonderdelen te gebruiken dan de toegestane 60 %, waardoor de corrigerende werking van het antidumpingrecht op Chinese rijwielen zou worden ondermijnd.

(45)

De antiontwijkingsmaatregel wordt derhalve gehandhaafd, teneinde te waarborgen dat de hoofdmaatregel, d.w.z. het antidumpingrecht op rijwielen, aan zijn doel beantwoordt en niet door ontwijking in de vorm van assemblagepraktijken kan worden ondermijnd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De uitbreiding, bij Verordening (EG) nr. 71/97, van het antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot rijwielonderdelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China blijft gehandhaafd en het nieuwe onderzoek betreffende de invoer van deze producten wordt beëindigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

A. VIZJAK


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB L 228 van 9.9.1993, blz. 1.

(3)  PB L 183 van 14.7.2005, blz. 1.

(4)  PB L 16 van 18.1.1997, blz. 55.

(5)  PB L 17 van 21.1.1997, blz. 17.

(6)  PB C 289 van 28.11.2006, blz. 15.


28.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/6


VERORDENING (EG) Nr. 172/2008 VAN DE RAAD

van 25 februari 2008

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op ferrosilicium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9,

Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorlopige maatregelen

(1)

De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 994/2007 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op ferrosilicium („FeSi”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7202 21 00, 7202 29 10 en 7202 29 90, van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”), Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland.

1.2.   Vervolg van de procedure

(2)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten voorlopige antidumpingmaatregelen in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd. De Commissie heeft alle nadere informatie verzameld en geverifieerd die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.

(3)

De Commissie heeft haar onderzoek in verband met de belangen van de Gemeenschap voortgezet en de gegevens geanalyseerd die sommige gebruikers in de Gemeenschap na de instelling van de voorlopige antidumpingmaatregelen in de vragenlijst hadden verstrekt.

(4)

In overweging 166 van de voorlopige verordening beloofde de Commissie de gevolgen van de voorlopige maatregelen voor de situatie van de gebruikers nog eens nauwgezet te zullen analyseren voordat zij tot een definitieve vaststelling zou overgaan.

(5)

Daartoe nam de Commissie rechtstreeks en via verenigingen contact op met en zond zij vragenlijsten naar ongeveer 500 gieterijen in de Gemeenschap, aangezien deze categorie verwerkende bedrijven vóór de instelling van de voorlopige maatregelen geen bijzondere belangstelling voor de procedure aan de dag had gelegd. Bovendien werd alle staalproducenten die in de voorlopige fase hun medewerking hadden verleend, verzocht aanvullende informatie te verstrekken teneinde de Commissie in staat te stellen eventuele gevolgen van de voorlopige maatregelen voor hun activiteit te analyseren.

(6)

Slechts zeven gieterijen vulden de vragenlijst in, terwijl van acht staalproducenten aanvullende informatie werd ontvangen. Alle zeven gieterijen en drie staalproducenten verstrekten de informatie die nodig was om de gevolgen van de voorlopige maatregelen voor hun economische situatie grondig te analyseren.

(7)

Gezien de ingewikkelde structuur waarbinnen de Chinese producent/exporteur die een behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) had verkregen gedurende het onderzoektijdvak opereerde, werd aanvullende informatie gevraagd om tot definitieve bevindingen te komen. Zoals in overweging 49 van de voorlopige verordening al werd aangeduid, werd bovendien nader onderzoek gedaan naar de kosten van de Chinese producent/exporteur die zijn elektriciteit bij een verbonden leverancier betrekt, voor zover deze kosten betrekking hebben op de productie van FeSi.

(8)

In verband hiermee werden drie afzonderlijke controles ter plaatse verricht bij de volgende ondernemingen:

Erdos, Ordos City, Binnen-Mongolië, stroomleverancier in de VRC;

Trompetter Guss, Chemnitz, Duitsland, gebruiker (gieterij) in de Gemeenschap;

Arcelor Mittal, Genk, België, gebruiker (staalproducent) in de Gemeenschap.

(9)

De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

(10)

De Commissie heeft alle belanghebbenden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de aanbeveling te doen een definitief antidumpingrecht op FeSi van oorsprong uit de VRC, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland in te stellen en de bedragen waarvoor uit hoofde van het voorlopige recht zekerheid was gesteld, definitief te innen. De belanghebbenden konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken.

(11)

Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek van de Commissie naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2003 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(12)

Zoals in de overwegingen 15 en 16 van de voorlopige verordening is aangegeven, voerden diverse exporteurs aan dat slakken die aanzienlijk minder dan 45 % silicium bevatten, d.w.z. FeSi met een lage zuiverheidsgraad, van het onderzoek zouden moeten worden uitgesloten, omdat ze niet dezelfde fysische eigenschappen en toepassingen zouden hebben. De Commissie zegde toe de kwestie nog eens te zullen uitzoeken. Na de mededeling van de voorlopige bevindingen werden van diverse belanghebbenden ter zake nadere inlichtingen ontvangen.

(13)

Om te beginnen moet in dit verband worden opgemerkt dat het in dit onderzoek bij het betrokken product gaat om FeSi met ten minste 4 % ijzer en meer dan 8 % doch minder dan 96 % silicium. Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat slakken met een siliciumgehalte van minder dan 45 % in de staalindustrie kunnen worden gebruikt in de vorm van briketten, net zoals FeSi met een siliciumgehalte van meer dan 45 %. Daarom kan worden geconcludeerd dat slakken dezelfde fysische eigenschappen hebben als en verwisselbaar zijn met andere soorten FeSi met een hoger siliciumgehalte. De voorlopige conclusies in overweging 16 van de voorlopige verordening dat FeSi met een lage zuiverheidsgraad als betrokken product moet worden beschouwd, worden dan ook bevestigd.

(14)

Eén niet-verbonden importeur voerde aan dat geatomiseerd FeSi-poeder met een siliciumgehalte van 15 % of 45 % van de productomschrijving van dit onderzoek moet worden uitgesloten. Uitsluiting van geatomiseerd FeSi-poeder van het onderzoek is evenwel niet gerechtvaardigd, vooral omdat FeSi met een siliciumgehalte van 15 % of 45 % onder de definitie van het betrokken product valt. Bovendien voerde de importeur na te zijn gehoord geen enkel bewijs voor zijn argument aan, ondanks een verzoek daartoe van de Commissie. Het argument moet daarom worden afgewezen.

2.2.   Soortgelijk product

(15)

Aangezien er geen opmerkingen over het soortgelijke product werden ontvangen, wordt overweging 17 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   DUMPING

3.1.   Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO)

(16)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde een van de Chinese producenten/exporteurs zijn in overweging 26 van de voorlopige verordening opgenomen opmerking over de wijziging van de geraamde gebruiksduur van zijn activa. Hij voerde echter geen nieuwe argumenten aan ter staving van zijn bewering dat de voorlopige bevindingen ten aanzien van de BMO-situatie, zoals beschreven in overweging 23 van de voorlopige verordening, niet correct zouden zijn.

(17)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de BMO werden ontvangen, worden de overwegingen 18 tot en met 26 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.   Individuele behandeling (IB)

(18)

Aangezien er geen opmerkingen over de individuele behandeling werden ontvangen, worden de overwegingen 27 tot en met 31 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.3.   Normale waarde

3.3.1.   Referentieland

(19)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde één Chinese producent/exporteur aan dat Noorwegen geen geschikt referentieland is omdat de hoge stroomkosten niet representatief zouden zijn voor de bedrijfstak in de rest van de wereld en Noorse producenten minder gemakkelijk aan grondstoffen zouden kunnen komen dan Chinese producenten. Volgens de producent/exporteur zouden Noorse producenten voorts vooral op de exportmarkt verkopen omdat hun productie voor het binnenland grotendeels voor intern verbruik bestemd is en zouden zij vooral FeSi-soorten voor speciale toepassingen produceren, terwijl Chinese producenten/exporteurs gedurende het onderzoektijdvak alleen standaardsoorten produceerden. De producent/exporteur verlangde daarom een aanpassing van de Noorse normale waarde.

(20)

Ook al verkopen Noorse producenten, zoals in overweging 35 van de voorlopige verordening werd vermeld, wegens de omvang van de binnenlandse markt en de concurrentievoorwaarden op die markt grote hoeveelheden op de exportmarkten, toch wordt Noorwegen een geschikt referentieland geacht.

(21)

Wat de andere argumenten van de onderneming betreft, werd vastgesteld dat het aandeel van elektriciteit in de productiekosten voor Chinese producenten veel groter is dan voor Noorse ondernemingen. Bovendien verstrekte de Chinese exporteur geen bewijs dat de stroomprijs in Noorwegen hoger was of dat de beweerde moeilijke toegang tot grondstoffen van invloed was op de normale waarde in Noorwegen. Deze argumenten werden derhalve afgewezen.

(22)

Vastgesteld werd evenwel dat de Noorse producenten in Noorwegen FeSi-soorten van een andere zuiverheidsgraad verkochten dan die welke uit de VRC naar de Gemeenschap werden uitgevoerd. Daarom werd een aanpassing gegrond geacht, zoals in overweging 25 wordt uiteengezet.

(23)

Aangezien er geen andere opmerkingen over het referentieland werden ontvangen, worden de overwegingen 32 tot en met 36 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.3.2.   Methode voor de vaststelling van de normale waarde

(24)

Aangezien er geen opmerkingen over de methode voor de vaststelling van de normale waarde werden ontvangen, worden de overwegingen 37 tot en met 47 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.3.3.   Vaststelling van de normale waarde

A.   VRC

(25)

Eén Chinese producent/exporteur die geen BMO verkreeg, voerde aan dat de normale waarde niet juist was berekend omdat er geen rekening mee was gehouden dat het bij het in Noorwegen verkochte product om andere soorten ging dan bij het uit de VRC uitgevoerde soortgelijke product. Na onderzoek van dit argument werd het passend geacht de normale waarde opnieuw te berekenen en rekening te houden met de verschillen in fysieke eigenschappen tussen de op de Noorse binnenlandse markt verkochte productsoorten en de uit de VRC naar de Gemeenschap uitgevoerde productsoorten. De normale waarde werd berekend per productsoort, met correcties voor de verontreiniging met titaan en het FeSi-gehalte voor productsoorten die niet direct konden worden vergeleken.

(26)

De ene Chinese producent/exporteur aan wie een BMO was verleend, maakt deel uit van een zeer grote Chinese groep van bijna honderd verbonden ondernemingen die in verschillende bedrijfstakken werkzaam zijn. Wegens de complexe structuur van de groep en de consolidatieactiviteiten waarbij ook ondernemingen betrokken zijn die FeSi produceren en verkopen, werden bijgewerkte gegevens over de groep gevraagd en onderzocht. Bovendien werd in overweging 49 van de voorlopige verordening al gezegd dat de kosten voor de productie en de verkoop van elektriciteit nader zouden worden onderzocht.

(27)

Uit het aanvullende onderzoek bleek dat de prijs die de producent/exporteur bij een verbonden leverancier voor zijn elektriciteit betaalde, moest worden afgewezen omdat die prijs niet alle productiekosten dekte. Verder werden de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) van de producent/exporteur aangepast om rekening te houden met het volledige kostenbedrag in verband met de productie van het betrokken product. Uit het onderzoek kwam namelijk naar voren dat een deel van die kosten door verbonden partijen werden betaald en bij de berekening van de voorlopige normale waarde niet in aanmerking waren genomen.

(28)

Nadat overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening bovengenoemde correcties waren aangebracht, werd vastgesteld dat de binnenlandse verkoopprijzen voor alle soorten van het betrokken product die ook naar de Gemeenschap werden uitgevoerd, niet winstgevend waren. Daarom moest de normale waarde voor de onderneming worden berekend. Dit gebeurde door bij de eigen productiekosten van de onderneming bedragen voor gecorrigeerde VAA-kosten, zoals hierboven beschreven, op te tellen. Omdat de onderneming geen winstgevende transacties maakte en het niet mogelijk was de winst van andere Chinese producenten/exporteurs voor dezelfde algemene categorie producten te gebruiken, werd een winstmarge van 5 % toegepast om de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening te berekenen. Deze winstmarge komt overeen met die welke werd gebruikt voor de berekening van de normale waarde voor de producent/exporteur in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (overweging 45 van de voorlopige verordening). Er werd geen informatie verstrekt waaruit zou moeten blijken dat dit bedrag aan winst de winst die gewoonlijk door andere exporteurs of producenten op de verkoop van producten van dezelfde algemene categorie op de Chinese markt wordt gemaakt, te boven zou gaan.

B.   EGYPTE

(29)

Nadat de voorlopige maatregelen waren ingesteld, voerde een van de Egyptische producenten/exporteurs aan dat bij de berekening van de normale waarde een lagere winstmarge moest worden toegepast, in overeenstemming met die voor de producent/exporteur uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

(30)

De normale waarden werden berekend volgens de in de overwegingen 43 tot en met 45 van de voorlopige verordening neergelegde methoden. De gebruikte winstmarge is een afspiegeling van de marktsituatie in Egypte en is toegepast overeenkomstig de eisen in de aanhef van artikel 2, lid 6, van de basisverordening. De toegepaste marge was daarom gebaseerd op de werkelijke winstgevende binnenlandse verkoop van het soortgelijke product door de producent/exporteur zelf in het kader van normale handelstransacties gedurende het onderzoektijdvak. De basisverordening voorziet niet in vervanging van dit winstpeil door een ander winstpeil, zoals de betroken onderneming voorstelt. Het argument moest daarom worden afgewezen.

C.   KAZACHSTAN

(31)

Aangezien er geen opmerkingen over de vaststelling van de normale waarde voor Kazachstan werden ontvangen, wordt overweging 51 van de voorlopige verordening bevestigd.

D.   VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACEDONIË

(32)

Aangezien er geen opmerkingen over de vaststelling van de normale waarde voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië werden ontvangen, wordt overweging 52 van de voorlopige verordening bevestigd.

E.   RUSLAND

(33)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde een van de Russische producenten/exporteurs aan dat voor de berekening van de normale waarde andere wisselkoersen werden gebruikt dan die van de tijdstippen waarop de verkopen werkelijk plaatsvonden. Na controle werd vastgesteld dat het argument gerechtvaardigd was en werd de berekening dienovereenkomstig gewijzigd.

(34)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen betwistte één Russische producent/exporteur de correctie van zijn energiekosten; hij voerde aan dat de door de Russische autoriteiten vastgestelde energieprijzen niet verplicht zijn maar enkel indicatieve waarde hebben. De onderneming toonde aan dat zij meer betaalde dan de aanbevolen prijs en dat haar stroomleverancier winst maakte. Verder voerde zij aan dat de stroomleverancier als een van de weinige in Rusland onafhankelijk is en niet behoort tot het Verenigde Elektriciteitssysteem van Rusland, zodat hij niet betrokken is bij de in het OESO-verslag aan de orde gestelde kruissubsidies, waarvan in de voorlopige verordening gewag wordt gemaakt.

(35)

In het licht van de door de onderneming onderbouwde argumenten over elektriciteit behoeven de energiekosten bij de definitieve berekening van de normale waarde niet te worden gecorrigeerd.

3.4.   Uitvoerprijs

A.    VRC

(36)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen wees een van de Chinese producenten/exporteurs erop dat bij de berekening van de uitvoerprijs de wisselkoers tussen de RMB en de euro werd toegepast die aan het eind van het onderzoektijdvak van kracht was, waardoor de waarde van de wisselkoers te hoog uitviel. De onderneming stelde voor in plaats daarvan de gemiddelde wisselkoers voor het onderzoektijdvak te gebruiken. Na onderzoek van dit argument werd besloten bij de definitieve berekening gebruik te maken van de gemiddelde wisselkoers voor de maand waarin de werkelijke verkooptransacties plaatsvonden.

(37)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de Chinese uitvoerprijzen werden ontvangen, worden de overwegingen 55 en 56 van de voorlopige verordening bevestigd.

B.    EGYPTE

(38)

Na de instelling van de voorlopige maatregelen voerde een van de Egyptische producenten/exporteurs aan dat er fouten waren gemaakt bij de toepassing van de wisselkoersen op de uitvoertransacties naar de Gemeenschap en ook bij de vaststelling van de gewogen gemiddelde nettowaarde van de uitvoer van sommige soorten van het betrokken product. Vastgesteld werd dat deze argumenten terecht waren en de uitvoerprijzen werden dienovereenkomstig herzien.

C.    KAZACHSTAN

(39)

Aangezien er geen opmerkingen over de Kazachse uitvoerprijzen werden ontvangen, wordt overweging 58 van de voorlopige verordening bevestigd.

D.    VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACEDONIË

(40)

Aangezien er geen opmerkingen over de vaststelling van de uitvoerprijzen voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië werden ontvangen, wordt overweging 59 van de voorlopige verordening bevestigd.

E.    RUSLAND

(41)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde een van de Russische producenten/exporteurs aan dat de winstmarge van zijn verbonden importeur in de Europese Gemeenschap, die overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening voor de berekening van de uitvoerprijs werd gebruikt, te hoog was. Voor de voorlopige berekening van de uitvoerprijs werd namelijk gebruikgemaakt van de winst van de betrokken verbonden importeur. In overeenstemming met de vaste praktijk van de instellingen moet het te gebruiken winstbedrag evenwel gebaseerd zijn op de winst van niet-verbonden importeurs. Daarom moest de in het voorlopige stadium gebruikte winstmarge worden gecorrigeerd. Het effect van deze verandering was dat het gebruikte winstbedrag iets groter werd, terwijl de onderneming juist beweerde dat de winst overdreven was.

(42)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde een andere Russische producent/exporteur aan dat de voorlopige berekening van zijn uitvoerprijs niet correct was omdat de VAA-kosten en de winst van zijn verbonden handelsonderneming op de Britse Maagdeneilanden en de vervoerskosten van de prijs voor de eerste onafhankelijke afnemer werden afgetrokken om de prijs af fabriek te berekenen. De onderneming stelde dat de handelsonderneming in feite de verkoopafdeling van de fabrikant is. Beide ondernemingen staan onder een gemeenschappelijk beheer; zij voeren op elkaar aansluitende taken uit die gewoonlijk onder de verantwoordelijkheid van een enkele bestuursstructuur vallen. Bovendien werd erop gewezen dat de handelsonderneming niet in andere producten handelde. Op grond hiervan beweerde de onderneming dat buitensporige bedragen werden afgetrokken om de prijs af fabriek vast te stellen. In dit verband werd vastgesteld dat de handelsonderneming facturen naar de afnemers in de Gemeenschap stuurde en hun betalingen ontving. Opgemerkt zij ook nog dat de verkopen door de verbonden handelaar een handelsmarge omvatten. Bovendien waren de VAA-kosten in de jaarrekening van de handelaar opgenomen. De onderneming toonde niet aan dat deze kosten niet werden gemaakt bij de verkoop van het betrokken product naar de Gemeenschap. Daarom werd het argument van de onderneming afgewezen. Evenals bij de in de vorige overweging voor de andere Russische producent/exporteur vermelde correctie van het winstpeil dat voor de berekening van de uitvoerprijs werd gebruikt, moest ook in dit geval de in het voorlopige stadium gebruikte winstmarge worden gecorrigeerd. Het gevolg van deze verandering was dat het gebruikte winstpeil iets werd verlaagd.

3.5.   Vergelijking

3.5.1.   Invoerheffingen

(43)

Na de instelling van de voorlopige maatregelen voerde een van de Egyptische producenten/exporteurs aan dat voor hem een correctie moest worden toegepast wegens de betaling van douanerechten op ingevoerde grondstoffen die waren gebruikt voor de vervaardiging van het betrokken product dat op de binnenlandse markt was verkocht.

(44)

Overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening wordt een correctie aangebracht voor een bedrag dat overeenkomt met alle invoerheffingen of indirecte belastingen die op het soortgelijke product en de fysiek daarin verwerkte materialen worden geheven, wanneer dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer, en die voor het naar de Gemeenschap uitgevoerde product niet worden geïnd of worden terugbetaald.

(45)

Voor één grondstof die voor de productie van het betrokken op de binnenlandse markt verkochte product wordt gebruikt, wordt de aanspraak op een correctie voor invoerrechten aanvaard, omdat is aangetoond dat passende invoerrechten werden betaald op de grondstof die werd ingevoerd en fysiek in het in Egypte verkochte betrokken product werd verwerkt. De aanspraak op een correctie voor twee andere ingevoerde grondstoffen moest evenwel worden afgewezen omdat bij het onderzoek bleek dat die invoer tijdens het onderzoektijdvak in zijn geheel werd gebruikt voor de uitvoer van het betrokken product. De onderneming heeft niet aangetoond dat zij tijdens het onderzoektijdvak invoerrechten had betaald die vervolgens niet werden vergoed en bijgevolg ten laste kwamen van het op de binnenlandse markt verkochte soortgelijke product.

3.5.2.   Handelsstadium

(46)

Een van de Egyptische producenten/exporteurs vroeg om een correctie voor verschil in handelsstadium omdat er een verschil zou zijn tussen de verkoop op de binnenlandse markt en de verkoop op de exportmarkt. De onderneming voerde aan dat op de binnenlandse markt alleen aan eindgebruikers wordt verkocht, terwijl de verkoop naar de Gemeenschap voor handelaren bestemd was. Zij verschafte informatie en vroeg om een speciale correctie uit hoofde van artikel 2, lid 10, onder d), ii), van de basisverordening.

(47)

Een verzoek om een correctie voor verschil in handelsstadium uit hoofde van artikel 2, lid 10, onder d), i), van de basisverordening kan echter alleen worden overwogen wanneer wordt aangetoond dat er sprake is van permanente en duidelijke verschillen in functies en prijzen tussen de onderscheiden handelsstadia op de binnenlandse markt.

(48)

In het onderhavige geval werd na de mededeling van de voorlopige bevindingen bevestigd dat alle binnenlandse verkopen in Egypte voor eindgebruikers bestemd waren. Een verschil in handelsstadium tussen de binnenlandse verkoop en de uitvoer kan niet overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder d), i), van de basisverordening worden gekwantificeerd omdat er geen sprake is van relevante verschillen in handelsstadium op de binnenlandse markt van Egypte.

(49)

Wat de uitvoer van de onderneming naar de Gemeenschap betreft, werd na een analyse van de opmerkingen die de onderneming na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft gemaakt, bevestigd dat alle verkopen voor handelaren bestemd waren. In overeenstemming met artikel 2, lid 10, onder d), ii), van de basisverordening werd onderzocht of er redenen waren om op verzoek van de onderneming op grond van haar eigen gegevens een speciale correctie te maken.

(50)

De door de onderneming verstrekte gegevens werden evenwel geen geschikte basis voor de kwantificering van een speciale correctie geacht. Omdat artikel 2, lid 10, onder d), i), bepaalt dat de omvang van de correctie op de marktwaarde van het verschil moet worden gebaseerd, werd ervan uitgegaan dat indien kon worden aangetoond dat er op de Gemeenschapsmarkt sprake is van een prijsverschil naargelang het type afnemer, dit als een voldoende basis voor een soortgelijke kwantificering van de marktwaarde van het verschil overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder d), ii), zou kunnen worden beschouwd. Daarom werd de van de verschillende belanghebbenden in de Gemeenschap ontvangen informatie over hun verkopen aan verschillende soorten afnemers onderzocht. Vastgesteld werd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt verschillende prijzen hanteerde naargelang het soort afnemer (in dit verband werden prijzen bij verkoop aan eindgebruikers en handelaren onderzocht). Daarom werd besloten een speciale correctie ter hoogte van het genoemde prijsverschil toe te passen op de normale waarde van de Egyptische exporteur.

(51)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen op grond waarvan het de bedoeling was definitieve maatregelen aan te bevelen, voerde een van de Russische exporteurs aan dat er sprake zou zijn van discriminatie wanneer hij een verlangde correctie voor een verschil in handelsstadium niet kreeg, daar zo’n correctie wel aan een van de Egyptische exporteurs was verleend. Vastgesteld werd dat er, wat de Russische exporteur betreft, geen rechtvaardiging is voor een dergelijke correctie. Bij een controle van de door de onderneming verstrekte gegevens bleken er op de Russische markt geen permanente prijsverschillen voor FeSi in de onderscheiden handelsstadia te zijn. Op grond hiervan was een correctie ingevolge artikel 2, lid 10, onder d), i), van de basisverordening niet gerechtvaardigd.

(52)

Afgezien van de in overweging 50 vermelde correctie worden de overwegingen 61 tot en met 63 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.6.   Dumpingmarges

3.6.1.   Algemene methode

(53)

Uit een nadere analyse na de voorlopige fase bleek dat de mate van medewerking vanuit Rusland verkeerd was ingeschat. Terwijl de medewerking in feite ongeveer 100 % bedroeg, werd deze geschat op 32 % (overweging 76 van de voorlopige verordening). Daarom moet de residuele dumpingmarge op het niveau van de onderneming met de hoogste dumpingmarge worden vastgesteld (en niet op grond van de in de voorlopige fase gebruikte methode, namelijk de gewogen gemiddelde dumpingmarge voor de meest representatieve productsoort met de hoogste dumpingmarge).

(54)

Aangezien geen andere opmerkingen over de algemene methode voor de berekening van de dumpingmarge werden ingediend, worden de overwegingen 64 tot en met 68 (afgezien van de in overweging 46 beschreven wijziging) van de voorlopige verordening bevestigd.

3.6.2.   Dumpingmarges

A.   VRC

(55)

Voor de ondernemingen die een BMO of een individuele behandeling verkregen, werd de gewogen gemiddelde normale waarde van elke naar de Gemeenschap uitgevoerde soort van het betrokken product in overeenstemming met artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de desbetreffende soort van het betrokken product.

(56)

Op grond hiervan zijn de definitieve dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens Gemeenschap, vóór inklaring:

Erdos Xijin Kuangye Co., Ltd 15,6 %,

Lanzhou Good Land Ferroalloy Factory Co., Ltd 29,0 %.

(57)

De basis voor de voor het gehele land geldende dumpingmarge werd vastgesteld in overweging 71 van de voorlopige verordening. In het licht van de hierboven beschreven veranderingen in de Chinese normale waarden en uitvoerprijzen is ook de voor het gehele land geldende dumpingmarge aangepast; zij bedraagt nu 55,6 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, voor inklaring.

B.   EGYPTE

(58)

Na de instelling van de voorlopige maatregelen klaagde een van de Egyptische ondernemingen over de wijze waarop het antidumpingrecht was berekend, maar zonder haar klacht nader toe te lichten. Zij voerde evenwel geen bewijsmateriaal aan. Het argument moest daarom worden afgewezen.

(59)

De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-invoerprijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn:

The Egyptian Ferroalloys Company, Caïro 15,4 %,

Egyptian Chemical Industries KIMA, Caïro 24,8 %,

alle andere 24,8 %.

C.   KAZACHSTAN

(60)

Omdat geen medewerking werd verleend, werd alleen een dumpingmarge voor het gehele land vastgesteld. De definitieve dumpingmarge, uitgedrukt in procenten van de cif-invoerprijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, is vastgesteld op 37,1 %.

D.   VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACEDONIË

(61)

De medewerkende producent/exporteur is de enige bekende producent van FeSi in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-invoerprijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn:

SILMAK DOOEL Export Import, Jegunovce 5,4 %,

alle andere 5,4 %.

E.   RUSLAND

(62)

De twee medewerkende producenten/exporteurs zijn de enige bekende producenten van FeSi in Rusland. De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-invoerprijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn:

Chemk Group (Chelyabinsk Electrometallurgical Integrated Plant en Kuznetsk Ferroalloy Works), Tsjeljabinsk en Novokuznetsk 22,7 %,

ICT-groep van ondernemingen (Bratsk Ferroalloy Plant, TD North West Ferro Alloy Company en Bakersfield Marketing Ltd), Bratsk en Sint-Petersburg 17,8 %,

alle andere 22,7 %.

4.   SCHADE

4.1.   Definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(63)

Sommige belanghebbenden voerden aan dat de schadebeoordeling niet op geaggregeerde basis dient te geschieden, maar voor elke onderneming afzonderlijk, omdat de schadeontwikkeling in de Gemeenschap van producent tot producent zou uiteenlopen.

(64)

Ingevolge artikel 3, lid 5, van de basisverordening moet het schadeonderzoek een beoordeling van alle relevante factoren omvatten die op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap van invloed zijn. De term „bedrijfstak van de Gemeenschap” wordt in artikel 4 van de basisverordening gedefinieerd als alle producenten in de Gemeenschap van soortgelijke producten of diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale communautaire productie uitmaakt. Hieruit blijkt duidelijk dat de schade moet worden vastgesteld voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel en niet door te kijken naar de situatie van iedere communautaire producent afzonderlijk.

(65)

Op grond hiervan werden de verzoeken afgewezen en worden de overwegingen 78 tot en met 80 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.2.   Verbruik in de Gemeenschap

(66)

Eén belanghebbende voerde aan dat de Commissie in haar voorlopige verordening belangrijke informatie in verband met haar schadeanalyse achterwege laat, zoals een overzicht van de vraag naar FeSi per maand, de prijsontwikkeling op de EU-markt en de ontwikkeling van de prijzen en kosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(67)

De basisverordening verlangt niet dat de communautaire producenten of andere belanghebbenden maandgegevens voor de beoordelingsperiode verstrekken. Dit wordt voor alle belanghebbenden te belastend geacht en het is gangbare praktijk voor het onderzoek van de dumping en de schade jaargegevens te verlangen. Bovendien leverde de belanghebbende niet het bewijs dat in het onderhavige geval een analyse per maand noodzakelijk is om de schade te kunnen vaststellen. De tabellen in de overwegingen 81, 85, 96 en 97 van de voorlopige verordening geven een goed beeld van het verbruik in de Gemeenschap, de prijzen op de communautaire markt, de winst en dus ook de ontwikkeling van de kosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

4.3.   Invoer in de Gemeenschap uit de betrokken landen

(68)

Eén belanghebbende voerde aan dat voor de schadebeoordeling de invoer uit Rusland niet mag worden gecumuleerd met die uit de VRC omdat voor deze invoer op de communautaire markt andere mededingingsvoorwaarden zouden gelden. Met name beweerde hij dat i) de meeste Chinese producenten/exporteurs niet op marktvoorwaarden opereerden, ii) de Russische ondernemingen via verbonden ondernemingen verkochten, terwijl de Chinese producenten/exporteurs rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers verkochten, iii) de dumping- en prijsonderbiedingsmarge voor Chinese ondernemingen veel hoger is dan voor Russische ondernemingen, en iv) Chinese producenten/exporteurs de EU-markt in toenemende mate veroveren: hun invoer was in de eerste zes maanden van 2006 50 % hoger dan die van de Russische producenten/exporteurs.

(69)

Wat de eerste bewering betreft, zij opgemerkt dat het feit dat de meeste Chinese producenten/exporteurs niet op marktvoorwaarden opereren, volgens artikel 3, lid 4, van de basisverordening geen reden is om niet te cumuleren. Of een product al dan niet op marktvoorwaarden voor de binnenlandse markt vervaardigd is, is derhalve niet van belang voor een besluit over cumulatie van de invoer.

(70)

Ten aanzien van de tweede bewering, over het verschil in verkoopkanalen, zij opgemerkt dat, ook al maken de Russische producenten/exporteurs gebruik van verbonden handelaren, de uit de VRC en uit Rusland ingevoerde soortgelijke producten in de Gemeenschap aan dezelfde categorieën afnemers worden verkocht, namelijk gebruikers en handelaren.

(71)

Wat de derde bewering, over de dumping- en de prijsonderbiedingsmarge, betreft, moet worden opgemerkt dat voor beide landen een dumpingmarge boven de de minimis-drempel is vastgesteld, zoals wordt verlangd in voorwaarde a) van artikel 3, lid 4, van de basisverordening, en dat er voor beide landen sprake bleek te zijn van prijsonderbieding.

(72)

Over de laatste bewering, over het invoervolume, moet worden opgemerkt dat de uit Rusland (en uit de VRC) ingevoerde hoeveelheid niet te verwaarlozen is, zoals wordt verlangd in voorwaarde a) van artikel 3, lid 4, van de basisverordening, aangezien de betrokken landen in het onderzoektijdvak een marktaandeel hadden van respectievelijk 18 % en 21 %.

(73)

Om al deze redenen is het niet-cumuleren van de invoer uit Rusland niet gerechtvaardigd en wordt het argument afgewezen.

(74)

Een andere belanghebbende voerde aan dat de Commissie geen analyse van het verschil in mededingingsvoorwaarden tussen de producten uit de betrokken landen maakte en verzocht daarom de gevolgen van de invoer met dumping uit Egypte voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap afzonderlijk te beoordelen.

(75)

Zoals de overwegingen 83 en 89 van de voorlopige verordening laten zien, werden de mededingingsvoorwaarden tussen de ingevoerde producten geanalyseerd op het punt van de soortgelijkheid van de producten en het gedrag van de exporteur (namelijk de ingevoerde hoeveelheid, de ontwikkeling en het niveau van de prijs van de ingevoerde producten en van de mate waarin er sprake was van onderbieding van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de vergelijkbaarheid van de verkoopkanalen). Daarbij werd vastgesteld dat voldaan werd aan de voorwaarden die een cumulatieve beoordeling van de invoer uit de betrokken landen rechtvaardigen. Op grond hiervan moest het verzoek worden afgewezen en wordt overweging 84 van de voorlopige verordening bevestigd.

(76)

Een Egyptische producent/exporteur voerde ook aan dat zijn beperkte uitvoervolume gedurende het onderzoektijdvak de bedrijfstak van de Gemeenschap geen schade had toegebracht en dat zijn situatie daarom afzonderlijk moest worden beoordeeld. Volgens artikel 3, lid 4, van de basisverordening worden de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Gemeenschap uitsluitend cumulatief beoordeeld indien, onder meer, wordt vastgesteld dat de omvang van de invoer uit elk bij bet onderzoek betrokken land niet te verwaarlozen is. Aangezien is vastgesteld dat de invoer uit Egypte gedurende het onderzoektijdvak een marktaandeel van 3,7 % bereikte, was deze invoer niet te verwaarlozen in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(77)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de overwegingen 82 tot en met 89 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.   Prijsonderbieding

(78)

Een belanghebbende voerde aan dat de in de voorlopige verordening vastgestelde prijsonderbiedingsmarges met 3 tot 5 % moeten worden verlaagd om rekening te houden met „plaatselijk” aangekocht FeSi, omdat de staalproducent in de Gemeenschap een toeslag zou betalen voor uit de Europese Unie afkomstige grondstoffen wegens de betrouwbaarheid, de kwaliteit en de leveringstermijnen.

(79)

In de overwegingen 38 en 87 tot en met 89 van de voorlopige verordening wordt uiteengezet op welke grondslag de door de bedrijfstak van de Gemeenschap gefactureerde prijzen werden vergeleken met de prijzen van de betrokken exporteurs. In de vergelijking wordt rekening gehouden met de verschillende productkwaliteiten, zoals omschreven in overweging 13 van de voorlopige verordening. Wat de betrouwbaarheid en de leveringstermijnen betreft, bleek uit het onderzoek overigens niet dat er sprake was van betaling van een toeslag of dat dit potentiële concurrentievoordeel in de door de bedrijfstak van de Gemeenschap aan de staalproducenten gefactureerde prijzen was verdisconteerd. Tot slot voerde de belanghebbende geen bewijzen aan ter staving van zijn argument, dat derhalve moest worden afgewezen.

4.5.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(80)

Enkele belanghebbenden uitten hun twijfels ten aanzien van de in overweging 93 van de voorlopige verordening gebruikte methode voor de berekening van de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Met name stelden zij voor bij de vaststelling van de capaciteit rekening te houden met sluitingen wegens onderhoud en stroomstoringen, en niet uit te gaan van de theoretische nominale capaciteit, zoals in de voorlopige verordening.

(81)

Tijdens het onderzoek is gebleken dat de machines van de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende de beoordelingsperiode slechts tijdelijk en niet regelmatig voor onderhoud en stroomstoringen stillagen. Opgemerkt zij nog dat zelfs wanneer er correcties in de productiecapaciteit moesten worden aangebracht, zoals de belanghebbenden voorstellen, dit niet van invloed zou zijn op de trend ten aanzien van de productiecapaciteit en de bezettingsgraad. Ook de conclusies inzake het bestaan van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap zouden gelijk zijn gebleven. Het verzoek om de productiecapaciteit anders te omschrijven, moet bijgevolg worden afgewezen.

(82)

Op grond van bovenstaande feiten en overwegingen wordt de conclusie in de overwegingen 107 tot en met 110 van de voorlopige verordening bevestigd, dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

(83)

Sommige belanghebbenden voerden aan dat de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade en de invoer met dumping niet op geaggregeerde basis dient te geschieden, maar voor elke onderneming afzonderlijk, omdat de factoren van het oorzakelijk verband van producent tot producent zouden uiteenlopen.

(84)

Zoals hierboven in overweging 64 al over de schade is opgemerkt, bevat artikel 3, leden 5, 6 en 7, van de basisverordening geen rechtsgrond om het oorzakelijk verband te beoordelen voor elk van de tot de bedrijfstak van de Gemeenschap behorende producenten afzonderlijk. De term „bedrijfstak van de Gemeenschap” wordt in artikel 4 van de basisverordening gedefinieerd als alle producenten in de Gemeenschap van soortgelijke producten of diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale communautaire productie uitmaakt.

5.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(85)

Er zij aan herinnerd dat de omvang van de invoer met dumping uit de betrokken landen en het marktaandeel ervan gedurende de beoordelingsperiode aanzienlijk zijn toegenomen. Het was ook duidelijk dat de sterke toename van de invoer met dumping in de tijd samenviel met de verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze was niet in staat zijn verkoopprijzen te verhogen tot een niveau dat nodig was om zijn volledige kosten te dekken, omdat zijn prijzen tijdens het onderzoektijdvak werden onderboden door de invoer met dumping.

(86)

Op grond daarvan worden de bevindingen en conclusies in de overwegingen 112 tot en met 114 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.   Prijsvorming voor ferrosilicium

(87)

Enkele belanghebbenden voerden aan dat FeSi op de wereldmarkt wordt verhandeld en dat de marktprijzen het gevolg zijn van fluctuaties in de vraag van de staalindustrie en niet op de kosten zijn gebaseerd.

(88)

In markteconomieën worden prijzen onder normale marktomstandigheden gevormd door het niveau van vraag en aanbod op de markt voor een bepaald product. Er kunnen evenwel nog andere factoren meespelen, zoals de aanwezigheid van laaggeprijsde producten die met dumping zijn ingevoerd en die een grote invloed op het prijspeil hebben. In het onderhavige geval bleek uit het onderzoek inderdaad dat de prijsvormingsmechanismen voor FeSi beïnvloed werden door de aanwezigheid van grote hoeveelheden met dumping ingevoerde producten. Hoewel zeker waar is dat de mondiale vraag naar FeSi, met name van de staalindustrie, in sommige delen van de beoordelingsperiode van invloed was op de prijsvorming, blijkt uit de beschikbare informatie dat er ook perioden waren waarin de contractprijzen voor FeSi ondanks een toegenomen vraag daalden.

(89)

Dezelfde belanghebbenden verschaften informatie over de ontwikkeling van de productie van ruwstaal en roestvrij staal in de Europese Unie en de prijzen voor FeSi op de spotmarkt vanaf 2002. Uit deze gegevens trokken de belanghebbenden de conclusie dat de FeSi-prijzen alleen door de vraag (vooral van de staalproducenten) gestuurd konden zijn. Analyse van deze informatie bevestigde evenwel de conclusie in overweging 88 dat zelfs op communautair niveau de FeSi-prijzen in bepaalde perioden daalden hoewel de vraag van de staalindustrie toenam.

(90)

Daarom moet het argument dat het lage prijspeil voor FeSi door de vraag werd bepaald en niet door de invoer met dumping worden afgewezen.

5.3.   Concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(91)

Eén belanghebbende voerde aan dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade enkel en alleen te wijten was aan een gebrek aan concurrentievermogen van de communautaire producenten en niet aan de invoer met dumping. Deze belanghebbende haalde met name een werkdocument (3) aan waarin grondstoffen en energie werden genoemd als de belangrijkste factoren voor het concurrentievermogen van de metaalindustrie in de EU.

(92)

Dat werkdocument komt echter niet tot de conclusie dat de Europese ferrolegeringenindustrie niet concurrerend is. Er wordt wel op gewezen dat die bedrijfstak te kampen heeft met een toename van de invoer uit derde landen, zoals de VRC, Rusland, Oekraïne, Brazilië en Kazachstan. Volgens het document kan dit op langere termijn een bedreiging voor de duurzaamheid van de ferrolegeringenindustrie in de Europese Unie worden wanneer niet snel wordt gezorgd voor mededingingsvoorwaarden die gelijk zijn aan die voor concurrenten uit derde landen (4). Op grond hiervan werd het argument afgewezen.

(93)

Dezelfde belanghebbende betoogde verder nog dat de meeste communautaire producenten al niet meer winstgevend waren voordat er sprake was van schade veroorzakende dumping op de communautaire markt. Daarom zou de zwakke economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet zijn veroorzaakt door de invoer met dumping, maar door de kwetsbare kostenstructuur.

(94)

Zoals in overweging 97 van de voorlopige verordening duidelijk is aangetoond, was de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2003 nog winstgevend; de winstmarge vóór belastingen bedroeg toen 2,3 % en in 2004 nam deze nog toe tot 2,7 %. In 2005 nam de winstgevendheid sterk af en was er sprake van een verlies ter hoogte van 9,2 % van de omzet. De verliezen waren in het onderzoektijdvak het grootst (– 12,9 %). In dit verband wordt eraan herinnerd dat het onderzoektijdvak een deel van 2005 besloeg. Het argument dat de bedrijfstak van de Gemeenschap al voordat de schade veroorzakende dumping plaatsvond, niet meer winstgevend was, moet derhalve worden afgewezen.

5.4.   Invoer uit andere derde landen

(95)

Ten aanzien van de invoer uit andere derde landen zijn geen nieuwe opmerkingen gemaakt, zodat de in overweging 121 van de voorlopige verordening opgenomen conclusie dat deze invoer niet aanmerkelijk aan de door de bedrijfstak van de Gemeenschapgeleden schade heeft bijgedragen, wordt bevestigd.

5.5.   Gevolgen van andere factoren

5.5.1.   Opmerkingen van de belanghebbenden

(96)

Diverse belanghebbenden herhaalden hun argumenten van voor de instelling van voorlopige maatregelen, dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, veroorzaakt zou zijn door andere factoren dan de invoer met dumping. Aan deze argumenten is in de voorlopige verordening al de nodige aandacht besteed. Het argument dat de bedrijfstak van de Gemeenschap de schade aan zichzelf te wijten zou hebben, kwam aan de orde in de overwegingen 134 tot en met 136 van de voorlopige verordening en dat met betrekking tot het inzakken van de vraag in overweging 124 van die verordening. Ook al zijn er geen nieuwe elementen aangedragen om deze argumenten te schragen, toch wordt hieronder nader ingegaan op de belangrijkste bevindingen en conclusies in de voorlopige verordening.

5.5.1.1.   Hogere productiekosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(97)

Volgens verscheidene belanghebbenden is de aanmerkelijke schade gedurende het onderzoektijdvak te wijten aan de sterke kostenstijging, met name voor grondstoffen en elektriciteit, waarmee de bedrijfstak van de Gemeenschap te kampen had en aan de verminderde productiecapaciteit van één communautaire producent.

(98)

Wat de beweerde vermindering van de productiecapaciteit van een van de communautaire producenten betreft, zij eraan herinnerd dat in verband hiermee de capaciteit is gecorrigeerd, zoals in overweging 93 van de voorlopige verordening is uiteengezet.

(99)

Wat de kostenstijging betreft, voerde de bedrijfstak van de Gemeenschap aan dat kostenstijgingen in de legeringenindustrie gewoonlijk op wereldwijde schaal plaatsvinden en dus ook overal ter wereld dezelfde invloed hebben. Een analyse van de prijsontwikkeling van de belangrijkste kostenposten in de beoordelingsperiode laat zien dat de kosten zijn toegenomen (voor elektriciteit, kwartsiet en elektrodepasta). Uit het onderzoek is evenwel gebleken dat deze kostenstijging weliswaar ten dele kon worden opgevangen door hogere verkoopprijzen, maar dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de aanwezigheid van laaggeprijsde, met dumping ingevoerde producten deze kostenstijging niet volledig in de verkoopprijzen kon doorberekenen. De overwegingen 131 tot en met 140 worden daarom bevestigd.

(100)

Diverse belanghebbenden voerden aan dat één specifieke communautaire producent problemen met zijn stroomleverancier had, waardoor er in 2005 en 2006 minder kon worden geproduceerd. Volgens hen is dat de enige verklaring voor de daling van de productie en de afzet door de bedrijfstak van de Gemeenschap en de daling van de winstgevendheid.

(101)

Zoals hierboven in overweging 84 al is gezegd, wordt de oorzaak van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel geanalyseerd. En ook al zouden de gegevens met betrekking tot deze producent van de schadebeoordeling kunnen worden uitgesloten, dan nog blijven de voor de rest van de bedrijfstak van de Gemeenschap waargenomen ontwikkelingen zeer negatief en geven ze nog steeds een aanmerkelijke schade te zien. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

5.5.2.   Conclusie betreffende het oorzakelijk verband

(102)

Gezien bovenstaande analyse, waarbij de effecten van alle andere bekende factoren op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap naar behoren zijn onderscheiden, en zijn gescheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt bevestigd dat deze andere factoren er als zodanig niet aan afdoen dat de aanmerkelijke schade aan de invoer met dumping moet worden toegerekend.

(103)

Derhalve luidt de conclusie dat de invoer met dumping van FeSi van oorsprong uit de VRC, Kazachstan, Egypte, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland aanmerkelijke schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft toegebracht in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening.

(104)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de overwegingen 137 tot en met 140 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

6.1.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap en van de andere communautaire producent

(105)

Sommige belanghebbenden voerden aan dat de FeSi-markt sinds het eind van het onderzoektijdvak weer hersteld is en dat de prijzen recordhoogten hebben bereikt. De bedrijfstak van de Gemeenschap zou de productie dus kunnen hervatten en zijn winstgevendheid kunnen vergroten zonder dat antidumpingmaatregelen moeten worden ingesteld. Bovendien zouden alleen producenten/exporteurs uit derde landen waarop de antidumpingmaatregelen niet van toepassing zijn, van de instelling van maatregelen profiteren en niet de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(106)

Volgens artikel 6, lid 1, van de basisverordening wordt informatie die betrekking heeft op de tijd na het onderzoektijdvak normaliter niet in aanmerking genomen. Weliswaar blijkt uit de beschikbare informatie dat de FeSi-prijzen in de maanden na het onderzoektijdvak inderdaad zijn gestegen, maar de prijzen voor de belangrijkste kosteninputs voor FeSi zijn in dezelfde periode ook gestegen. Op grond hiervan kan niet worden geconcludeerd dat er in zodanige mate een herstel voor de bedrijfstak van de Gemeenschap is ingetreden dat de instelling van maatregelen niet meer gerechtvaardigd is. Dit argument moest bijgevolg worden afgewezen.

(107)

Ten aanzien van het argument dat in feite alleen producenten/exporteurs uit derde landen waarvoor geen antidumpingmaatregelen gelden, van de instelling van maatregelen zouden profiteren en niet de bedrijfstak van de Gemeenschap, zij eraan herinnerd dat het doel van antidumpingmaatregelen een correctie van de handelsverstorende effecten van dumping en het herstel van een effectieve mededinging op de communautaire markt is. De invoer uit de betrokken landen zal derhalve niet worden geweerd van de communautaire markt waar sprake zal zijn van een effectieve mededinging die alle marktdeelnemers ten goede zal komen. Ook de bedrijfstak van de Gemeenschap zal de vruchten plukken van het herstel van een effectieve mededinging op de communautaire markt. Op basis daarvan wordt het argument ongegrond geacht en moet het daarom worden afgewezen.

(108)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 143 tot en met 149 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.2.   Belang van de grondstoffenleveranciers

(109)

Aangezien er na de mededeling van de voorlopige bevindingen geen opmerkingen van de leveranciers werden ontvangen, worden de overwegingen 150 tot en met 152 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.3.   Belang van de importeurs

(110)

Volgens een belanghebbende die FeSi uit de VRC invoert en dit vooral aan gieterijen levert, zou de instelling van antidumpingmaatregelen ernstige gevolgen voor de ijzergieterijen hebben en kunnen leiden tot de sluiting van ondernemingen en bijgevolg tot banenverlies op de communautaire markt.

(111)

Zoals in overweging 115 is uiteengezet, bleek, ondanks een zeer beperkte medewerking van de gieterijen, uit een nader onderzoek na de instelling van voorlopige maatregelen dat het niet waarschijnlijk is dat de instelling van maatregelen belangrijke negatieve gevolgen voor de gieterijen heeft. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(112)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 153 tot en met 158 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.4.   Belang van de gebruikers

(113)

Zoals hierboven in de overwegingen 3 tot en met 5 is uiteengezet, werd nader onderzoek gedaan naar het mogelijke effect van voorlopige maatregelen op de situatie van de verwerkende bedrijven, met name de gieterijen en staalproducenten. Hoewel er meer dan 500 vragenlijsten naar de belanghebbenden werden verzonden, was hun medewerking, zoals in overweging 5 is gezegd, zeer gering.

(114)

Bij de aanvullende analyse werd gekeken naar de twee belangrijkste gebruikersgroepen, de staalproducenten en de gieterijen. Op grond van de ontvangen aanvullende informatie werd bevestigd dat FeSi gemiddeld ongeveer 0,7 % van de productiekosten van de staalproducenten uitmaakt. Voor gieterijen bleek dit aandeel hoger te zijn (1,4 % van de productiekosten).

(115)

Op grond daarvan wordt verwacht dat het effect van de maatregelen op de staalbedrijven en de gieterijen bij een gemiddeld definitief recht van 23,4 % niet groot zal zijn, aangezien het hun financiële resultaten met maximaal 0,16 % respectievelijk 0,33 % zal beïnvloeden. En zelfs bij deze percentages staan hiertegenover de gunstige gevolgen die de correctie van de handelsverstoring op de communautaire markt als geheel zal hebben. Wanneer in deze analyse rekening wordt gehouden met het feit dat ongeveer de helft van het communautaire verbruik door invoer uit de betrokken landen wordt gedekt, dan is het effect van de maatregelen op de financiële resultaten van de verwerkende industrieën nog aanzienlijk kleiner.

(116)

Overweging 166 van de voorlopige verordening wordt dan ook bevestigd.

6.5.   Vroegere procedures

(117)

Diverse belanghebbenden voerden aan dat omdat in het verleden ingestelde antidumpingmaatregelen niet het gewenste heilzame effect voor de bedrijfstak van de Gemeenschap hadden gehad, de instellingen in 2001 besloten die antidumpingmaatregelen te laten vervallen (zie overweging 129 van Besluit 2001/230/EG van de Commissie van 21 februari 2001 tot beëindiging van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit Brazilië, de Volksrepubliek China, Kazachstan, Rusland, Oekraïne en Venezuela (5)).

(118)

Zonder op de juistheid van dit argument in te gaan, moet erop worden gewezen dat de basisverordening verlangt dat besluiten worden genomen op basis van de verzamelde en gedurende het desbetreffende onderzoek geanalyseerde informatie en niet op basis van vroegere onderzoeken. Bovengenoemde hypothese van deze belanghebbenden is dus voor de huidige zaak irrelevant en moet worden afgewezen.

6.6.   Conclusie over het belang van de Gemeenschap

(119)

Gezien de resultaten van het nadere onderzoek van het belang van de Gemeenschap bij de hierboven beschreven zaak worden de bevindingen en conclusies in de overwegingen 141 tot en met 168 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

7.1.   Schademarge

(120)

Verscheidene belanghebbenden betwistten de voorlopige bevinding dat een onderneming in deze sector onder normale concurrentievoorwaarden redelijkerwijs een winstmarge van 5 % kan behalen.

(121)

Een van de belanghebbenden voerde aan dat de winstmarge van de bedrijfstak van de Gemeenschap die voor de vaststelling van de schademarge wordt gebruikt, moet worden vastgesteld op het niveau van de winst die de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2003 behaalde, namelijk 2,3 %, en in geen geval op een hoger niveau dan in 2004, wat een buitengewoon voorspoedig jaar voor de legeringensector was.

(122)

De vaststelling van de schademarge moet worden gebaseerd op een evaluatie van het niveau van de winstmarge op de verkoop van het soortgelijke product op de communautaire markt die de bedrijfstak van de Gemeenschap redelijkerwijs mag verwachten wanneer er geen sprake is van invoer met dumping. De voor een bepaald onderzoek aan het begin van de beoordelingsperiode gerealiseerde winstmarge kan worden beschouwd als de winst die zonder invoer met dumping werd behaald. Ten tijde van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregel dat leidde tot beëindiging van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van FeSi van oorsprong uit Brazilië, de VRC, Kazachstan, Rusland, Oekraïne en Venezuela bedroeg de door de bedrijfstak van de Gemeenschap gerealiseerde winst bij afwezigheid van invoer met dumping echter 11,2 % (zie overweging 105 van Besluit 2001/230/EG van de Commissie). De winstmarge van 5 % waarvan in het huidige onderzoek wordt uitgegaan (zie overweging 171 van de voorlopige verordening) is dan ook vrij conservatief. Op grond hiervan moest het argument worden afgewezen.

(123)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de schademarge werden ontvangen, worden de overwegingen 169 tot en met 171 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.   Vorm en hoogte van de rechten

(124)

Gelet op het voorgaande moeten overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening definitieve antidumpingrechten worden ingesteld die hoog genoeg zijn om een eind te maken aan de door de invoer met dumping veroorzaakte schade, maar die het niveau van de vastgestelde dumpingmarge niet mogen overschrijden.

(125)

In verband met de na de mededeling van de voorlopige bevindingen van sommige belanghebbenden ontvangen opmerkingen en de in deze verordening beschreven herzieningen, zijn bepaalde marges gewijzigd.

(126)

De definitieve rechten zijn als volgt:

Land

Onderneming

Schademarge

Dumpingmarge

Antidumpingrecht

VRC

Erdos Xijin Kuang Co., Ltd, Qipanjing Industry Park

21,4 %

15,6 %

15,6 %

Lanzhou Good Land Ferroalloy Factory Co., Ltd, Xicha Village

31,4 %

29,0 %

29,0 %

Alle andere ondernemingen

31,2 %

55,6 %

31,2 %

Rusland

Chelyabinsk Electrometallurgical Integrated Plant, Chelyabinsk en Kuznetsk Ferroalloy Works, Novokuznetsk

31,3 %

22,7 %

22,7 %

Bratsk Ferroalloy Plant, Bratsk

18,8 %

17,8 %

17,8 %

Alle andere ondernemingen

31,3 %

22,7 %

22,7 %

Egypte

The Egyptian Ferroalloys Company, Cairo

27,1 %

15,4 %

15,4 %

Egyptian Chemical Industries KIMA, Cairo

18,0 %

24,8 %

18,0 %

Alle andere ondernemingen

18,0 %

24,8 %

18,0 %

Kazachstan

Alle ondernemingen

33,9 %

37,1 %

33,9 %

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

Alle ondernemingen

19,0 %

5,4 %

5,4 %

(127)

Sommige belanghebbenden stelden voor om in plaats van een ad-valoremrecht een minimuminvoerprijs vast te stellen. Dit werd in dit geval echter geen geschikte maatregel geacht. FeSi wordt in allerlei verschillende soorten met sterk uiteenlopende prijzen ingevoerd. Bovendien is de hoogte van het recht voor alle medewerkende exporteurs verschillend (soms gebaseerd op de dumpingmarge en anders op de schademarge), waardoor er veel verschillende minimuminvoerprijzen nodig zouden zijn. Vaststelling van een minimuminvoerprijs zou daarom een uiterst ondoelmatige maatregel zijn. Het voorstel wordt daarom afgewezen.

(128)

De bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen van het onderhavige onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit de betrokken landen die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(129)

Verzoeken in verband met de toepassing van deze specifiek voor bepaalde ondernemingen geldende antidumpingrechten (bv. na een naamswijziging van een bedrijf of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie (6) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

7.3.   Verbintenissen

(130)

De door de producent/exporteur in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië aangeboden verbintenis werd in de voorlopige fase bij de voorlopige verordening aanvaard. Na de mededeling van de definitieve bevindingen boden één producent/exporteur uit Egypte, de twee medewerkende producenten uit Ruslanden en een van de Chinese exporteurs overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening een prijsverbintenis aan.

(131)

Sinds de instelling van de voorlopige maatregelen gaven het betrokken product en het soortgelijke product evenwel een aanzienlijke prijsvolatiliteit te zien, zodat FeSi niet langer geschikt lijkt voor een vaste prijsverbintenis. Ter oplossing van dit probleem werd onderzocht of het mogelijk is de minimuminvoerprijs te koppelen aan de hand van de prijs van de belangrijkste kosteninput. Vastgesteld werd evenwel dat de prijsvolatiliteit op de markt niet alleen door een stijging van de prijs van de belangrijkste kosteninput kan worden verklaard, zodat het niet mogelijk is de minimuminvoerprijzen aan de prijs van de belangrijkste kosteninput te koppelen. Op grond hiervan luidde de conclusie dat de door de exporteurs aangeboden verbintenissen niet kunnen worden aanvaard.

(132)

Bij haar onderzoek van de vraag of de vier na de mededeling van de definitieve bevindingen aangeboden verbintenissen konden worden aanvaard, onderzocht de Commissie ook de bruikbaarheid van de in de voorlopige fase aanvaarde verbintenis van de producent/exporteur uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië onder de gewijzigde omstandigheden in verband met de prijsvolatiliteit. Als gevolg van de hierboven beschreven grote prijsvolatiliteit is de in de verbintenis opgenomen minimuminvoerprijs niet langer toereikend om het bij het onderzoek vastgestelde schadelijke effect van de dumping op te heffen. In de maanden na de aanvaarding van de verbintenis zijn de prijzen namelijk aanzienlijk gestegen. Omdat de minimuminvoerprijs niet aan een andere prijs kan worden gekoppeld, luidde de conclusie dat de verbintenissen in de huidige vorm, namelijk met vaste minimumprijzen, niet langer bruikbaar waren. Daarom moest de aanvaarding van de door de producent/exporteur uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië aangeboden verbintenis worden ingetrokken. In verband daarmee trok de Commissie haar aanvaarding van de verbintenis in bij Verordening (EG) nr. 174/2008 van de Commissie (7).

7.4.   Definitieve inning van de voorlopige rechten en speciaal toezicht

(133)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de uit hoofde van de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten als zekerheid gestelde bedragen definitief te innen tot het bedrag van de ingestelde definitieve rechten. Wanneer het definitieve recht lager is dan het voorlopige recht, moeten de voorlopige, als zekerheid gestelde bedragen die het bedrag van het definitieve recht overschrijden, worden vrijgegeven. Wanneer het definitieve recht hoger is dan het voorlopige recht, wordt uitsluitend het bedrag dat uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid werd gesteld, definitief geïnd.

(134)

Om, gelet op het grote verschil tussen de hoogte van de rechten, het gevaar van ontwijking van de rechten zoveel mogelijk te beperken, moeten in dit geval bijzondere maatregelen worden genomen om de goede toepassing van de antidumpingrechten te garanderen. Deze bijzondere maatregelen, die alleen van toepassing zijn op ondernemingen waarvoor een individueel recht is vastgesteld, omvatten de overlegging van een geldige, conform de voorwaarden in de bijlage opgestelde handelsfactuur aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. Voor invoer die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaat, geldt het residuele antidumpingrecht dat van toepassing is op alle andere exporteurs.

(135)

Indien het volume van de uitvoer door de ondernemingen die een lager individueel recht genieten, na de instelling van de antidumpingmaatregelen aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op ferrosilicium, ingedeeld onder de GN-codes 7202 21 00, 7202 29 10 en 7202 29 90 en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland.

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, van de door onderstaande ondernemingen vervaardigde producten bedraagt:

Land

Onderneming

Antidumpingrecht

(%)

Aanvullende Taric-code

Volksrepubliek China

Erdos Xijin Kuangye Co., Ltd, Qipanjing Industry Park

15,6

A829

Lanzhou Good Land Ferroalloy Factory Co., Ltd, Xicha Village

29,0

A830

Alle andere ondernemingen

31,2

A999

Egypte

The Egyptian Ferroalloys Company, Cairo

15,4

A831

Alle andere ondernemingen

18,0

A999

Kazachstan

Alle ondernemingen

33,9

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

Alle ondernemingen

5,4

Rusland

Bratsk Ferroalloy Plant, Bratsk

17,8

A835

Alle andere ondernemingen

22,7

A999

3.   De individuele rechten voor de in lid 2 genoemde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur, opgesteld conform de voorwaarden in de bijlage, wordt overgelegd. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het antidumpingrecht dat voor alle andere ondernemingen geldt, toegepast.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige antidumpingrechten die op grond van Verordening (EG) nr. 994/2007 zijn ingesteld op ferrosilicium, ingedeeld onder de GN-codes 7202 21 00, 7202 29 10 en 7202 29 90 en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland, worden definitief geïnd. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven. Wanneer het definitieve recht hoger is dan het voorlopige recht, wordt uitsluitend het bedrag dat uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid werd gesteld, definitief geïnd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

A. VIZJAK


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB L 223 van 29.8.2007, blz. 1.

(3)  Commission Staff Working Document, Analysis of economic indicators of the EU metals industry: the impact of raw materials and energy supply on competitiveness, Brussel, 2 augustus 2006, SEC(2006) 1069.

(4)  Op. cit., blz. 88.

(5)  PB L 84 van 23.3.2001, blz. 36.

(6)  Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat B, B-1049 Brussel.

(7)  Zie bladzijde 23 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE

De in artikel 1, lid 3, bedoelde geldige handelsfactuur moet een door een werknemer van de onderneming ondertekende verklaring bevatten met de volgende gegevens:

1.

de naam en functie van de werknemer van de onderneming die de handelsfactuur heeft opgesteld;

2.

de volgende verklaring: „Ondergetekende verklaart dat de [hoeveelheid] ferrosilicium die naar de Europese Gemeenschap is uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (betrokken land). Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”.


28.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/21


VERORDENING (EG) Nr. 173/2008 VAN DE COMMISSIE

van 27 februari 2008

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 februari 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 februari 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 27 februari 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

JO

69,6

MA

47,6

TN

129,8

TR

92,1

ZZ

84,8

0707 00 05

JO

190,5

MA

64,7

TR

203,0

ZZ

152,7

0709 90 70

MA

90,3

TR

142,6

ZZ

116,5

0709 90 80

EG

54,8

ZZ

54,8

0805 10 20

AR

69,8

EG

43,5

IL

52,7

MA

49,3

TN

47,3

TR

73,3

ZA

57,8

ZZ

56,2

0805 20 10

IL

116,5

MA

113,8

ZZ

115,2

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

IL

84,3

MA

152,0

PK

48,1

TR

73,3

ZZ

89,4

0805 50 10

AR

48,9

EG

85,4

IL

90,4

TR

114,7

UY

52,4

ZA

79,7

ZZ

78,6

0808 10 80

AR

102,3

CA

86,4

CL

63,5

CN

76,6

MK

42,4

US

108,6

UY

89,9

ZA

106,7

ZZ

84,6

0808 20 50

AR

89,9

CL

76,0

CN

113,3

US

123,2

ZA

97,7

ZZ

100,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


28.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/23


VERORDENING (EG) Nr. 174/2008 VAN DE COMMISSIE

van 27 februari 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 994/2007 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op ferrosilicium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 8,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 30 november 2006 kondigde de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) de inleiding aan van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van ferrosilicium (FeSi) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland.

(2)

De Commissie stelde bij Verordening (EG) nr. 994/2007 (3) een voorlopig antidumpingrecht in op ferrosilicium (FeSi), momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7202 21 00, 7202 29 10 en 7202 29 90, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland. De op die invoer van toepassing zijnde maatregelen bestaan in een ad-valoremrecht, behalve voor een producent/exporteur in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, van wie in voornoemde verordening een verbintenis werd aanvaard.

(3)

Uit het onderzoek naar de vraag of de prijsverbintenis praktisch uitvoerbaar blijft, bleek dat de FeSi-prijzen na de instelling van de voorlopige maatregelen en de aanvaarding van de verbintenis bleven schommelen. Over het algemeen bleek dat de FeSi-prijzen een aanzienlijke volatiliteit vertoonden. Gezien deze volatiliteit werd op grond van de bevindingen van het onderzoek geconcludeerd dat de vastgestelde minimuminvoerprijzen (MIP's) van de verbintenis niet langer een deugdelijke maatregel zijn.

(4)

Ter oplossing van dit probleem werd onderzocht of het mogelijk is de minimuminvoerprijs te indexeren aan de hand van de prijs van de belangrijkste kosteninput. Er werd echter geconcludeerd dat de prijsvolatiliteit op de markt niet alleen door een stijging van de prijs van de belangrijkste kosteninput kan worden verklaard, zodat het niet mogelijk is de minimuminvoerprijzen te indexeren. Daarom werd geconcludeerd dat de verbintenis in haar huidige vorm, namelijk met vastgestelde minimumprijzen, niet langer werkbaar is en dat het door het vaste karakter van de minimumprijs gestelde probleem niet door een prijsindexering kan worden opgelost. Daarom werd geconcludeerd dat FeSi niet meer geschikt wordt geacht voor een vaste prijsverbintenis (zie ook de overwegingen 131 en 132 van Verordening (EG) nr. 172/2008 van de Raad (4)) en dat de aanvaarding van de door de betrokken onderneming aangeboden verbintenis moet worden ingetrokken.

(5)

De betrokken onderneming werd in kennis gesteld van de conclusies van de Commissie en kreeg de mogelijkheid commentaar te leveren.

(6)

De onderneming voerde aan dat de redenering van de Commissie voor de intrekking van de verbintenis in tegenspraak is met haar analyse van het belang van de Gemeenschap, aangezien zij in haar mededeling van feiten en overwegingen aan de onderneming heeft verklaard: „Weliswaar blijkt uit de beschikbare informatie dat de FeSi-prijzen in de maanden na het onderzoektijdvak inderdaad zijn gestegen, maar de prijzen voor de belangrijkste kosteninputs voor FeSi zijn in dezelfde periode ook gestegen”.

(7)

In dit verband wordt erop gewezen dat in die mededeling, als bevestigd in overweging 106 van Verordening (EG) nr. 172/2008, geen correlatie wordt vastgesteld tussen de prijsontwikkeling van FeSi en de inputkosten, maar de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt toegelicht. Overeenkomstig de vaste praktijk van de Commissie met betrekking tot de indexering van MIP's, kunnen MIP's immers alleen worden geindexeerd in gevallen waarin de prijs van het product waarvoor de verbintenis geldt, varieert afhankelijk van de belangrijkste input. In dit geval vertoonden de kosten van de belangrijkste input (elektriciteit) geen sterke correlatie met de stijging van de prijs van FeSi. Zelfs indien er een correlatie was tussen de prijzen van FeSi en de belangrijkste input daarvan, bestaat er, gezien de uiteenlopende elektriciteitsprijzen op de verschillende markten, geen geschikte bron van informatie over de elektriciteitsprijzen als basis voor de indexering van een MIP, in tegenstelling tot prijzen voor andere goederen zoals olie. Bovendien vormen andere grondstoffen zoals cokes en kwartsiet ook belangrijke maar wisselende componenten van de productiekosten van FeSi. Indien de MIP's werden geïndexeerd aan de hand van de prijs van elk van deze inputs, zouden complexe indexeringsformules moeten worden vastgesteld, die de bepaling van de indexeringsparameters en de werkbaarheid van de verbintenissen uiterst ingewikkeld zouden maken. Daarom werd geconcludeerd dat het niet mogelijk is de minimuminvoerprijzen te indexeren aan de hand van de prijs van de belangrijkste kosteninput en bijgevolg werd het argument van de onderneming afgewezen.

(8)

De onderneming voerde verder aan dat het in strijd is met de praktijk van de Commissie om het niveau of de vorm van de voorlopig vastgestelde en/of de in het definitieve stadium voorgestelde maatregel te veranderen op grond van informatie die een periode na het onderzoektijdvak bestrijkt. Overeenkomstig de bepalingen van de verbintenis was de onderneming ervan op de hoogte dat de Commissie de aanvaarding van de verbintenis te allen tijde kan intrekken wanneer de omstandigheden veranderen of omdat de monitoring en handhaving van de verbintenis praktisch onuitvoerbaar blijken te zijn en er geen voor de Commissie aanvaardbare oplossing wordt gevonden. Daarom werd het argument afgewezen.

(9)

De onderneming voerde ook aan dat de Commissie in haar beoordeling van de doeltreffendheid van de verbintenis tot een verkeerde conclusie kwam, deels omdat zij gebruikmaakte van niet-gecontroleerde gegevens die betrekking hebben op de tijd na het onderzoektijdvak. In dit verband wordt erop gewezen dat de Commissie haar gewone praktijk volgde, aangezien zij voor haar analyse in hoofdzaak gebruikmaakte van Eurostat-gegevens, alsook van het door de onderneming ingediende periodieke verslag over de verbintenis. Dit argument werd bijgevolg afgewezen.

(10)

Overeenkomstig artikel 8, lid 9, van de basisverordening en ook overeenkomstig de bepalingen van de verbintenis op grond waarvan de Commissie de aanvaarding van de verbintenis eenzijdig kan intrekken, heeft de Commissie geconcludeerd dat de aanvaarding van de door Silmak Dooel Export Import, Jegunovce, aangeboden verbintenis moest worden ingetrokken.

(11)

Tegelijk met deze verordening heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 172/2008 een definitief antidumpingrecht op ferrosilicium van oorsprong uit onder meer de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië ingesteld, dat van toepassing zal zijn op de invoer van dit door de betrokken producent/exporteur vervaardigde product,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De aanvaarding van de door Silmak Dooel Export Import, Jegunovce, aangeboden verbintenis in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van ferrosilicium van oorsprong uit onder meer de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië wordt ingetrokken.

Artikel 2

Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 994/2007 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 februari 2008.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB C 291 van 30.11.2006, blz. 34.

(3)  PB L 223 van 29.8.2007, blz. 1.

(4)  Zie bladzijde 6 van dit Publicatieblad.


28.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/25


VERORDENING (EG) Nr. 175/2008 VAN DE COMMISSIE

van 27 februari 2008

inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 327/98 geopende tariefcontingenten voor de deelperiode februari 2008

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 327/98 van de Commissie van 10 februari 1998 inzake de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst (2), en met name op artikel 5, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 327/98 van de Commissie betreft de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst die zijn verdeeld over landen van oorsprong en vervolgens over verscheidene deelperioden, overeenkomstig bijlage IX bij die verordening en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 60/2008 van de Commissie waarbij in de maand februari 2008 een extra deelperiode is ingesteld voor het tariefcontingent voor de invoer van volwitte en halfwitte rijst van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (3).

(2)

De maand februari is de tweede deelperiode van 2008 voor het in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgestelde contingent met volgnummer 09.4127.

(3)

Blijkens de gegevens die overeenkomstig artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 327/98 zijn verstrekt, hebben voor het contingent met volgnummer 09.4127 de aanvragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening zijn ingediend gedurende de eerste tien werkdagen van de maand februari 2008, betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid.

(4)

Derhalve dient overeenkomstig artikel 5, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 327/98 voor het contingent met volgnummer 09.4127 de totale hoeveelheid te worden vastgesteld die beschikbaar is voor de volgende deelperiode,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De totale hoeveelheid die in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 327/98 vastgestelde contingent met volgnummer 09.4127 beschikbaar is voor de volgende contingentsdeelperiode, wordt vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 februari 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 797/2006 van de Commissie (PB L 144 van 31.5.2006, blz. 1). Verordening (EG) nr. 1785/2003 wordt met ingang van 1 september 2008 vervangen door Verordening (EG) nr. 1234/2007 (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).

(2)  PB L 37 van 11.2.1998, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1538/2007 (PB L 337 van 21.12.2007, blz. 49).

(3)  PB L 22 van 25.1.2008, blz. 6.


BIJLAGE

Hoeveelheden die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 327/98 moeten worden toegewezen voor de deelperiode februari 2008, respectievelijk beschikbaar zijn voor de daaropvolgende deelperiode

Het bij artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 327/98 vastgestelde contingent voor volwitte of halfwitte rijst van GN-code 1006 30:

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode februari 2008

Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode april 2008

(kg)

Verenigde Staten van Amerika

09.4127

 (1)

12 365 684


(1)  De aanvragen hebben betrekking op hoeveelheden die kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de beschikbare hoeveelheden: alle aanvragen zijn derhalve ontvankelijk.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

28.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/27


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 13 november 2007

Steunmaatregel van de Staten C 39/06 (ex NN 94/05) — Toepassing van de „Regeling voor personen die voor het eerst aandeelhouder zijn” in het Verenigd Koninkrijk

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5398)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/166/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Gelet op Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (1), en met name op artikel 6, lid 1, en artikel 14,

Na de belanghebbende derden overeenkomstig de genoemde bepalingen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (2),

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij brief van 15 juni 2004 werd de Commissie er door een burger van het Verenigd Koninkrijk van in kennis gesteld dat de Shetland Islands Council, de overheidsinstantie van het Verenigd Koninkrijk voor de Shetlandeilanden, onrechtmatige steun had verleend. Bij brieven van 24 augustus 2004, 4 februari 2005, 11 mei 2005 en 16 december 2005 verzocht de Commissie het Verenigd Koninkrijk inlichtingen over die steun te verstrekken. Het Verenigd Koninkrijk verstrekte de Commissie nadere inlichtingen bij brieven van 10 december 2004, 6 april 2005, 8 september 2005 en 31 januari 2006.

(2)

Bij brief van 13 september 2006 bracht de Commissie het Verenigd Koninkrijk op de hoogte van haar besluit de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van de steunmaatregel in te leiden. Het Verenigd Koninkrijk maakte zijn opmerkingen over de steunmaatregel bij brief van 16 oktober 2006.

(3)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 30 november 2006 (3). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de steunmaatregel te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING

(4)

De Shetland Islands Council heeft betalingen aan de visserijsector verricht in het kader van twee algemene steunmaatregelen, nl. „Aid to the Fish Catching and Processing Industry” (steun voor de visserijsector en de visverwerkende industrie) en „Aid to the Fish Farming Industry” (steun voor de viskwekerijsector), die in feite bestonden uit tal van verschillende steunregelingen die sinds de jaren 1970 van kracht waren. Een van deze regelingen was de zogenoemde „First time shareholders scheme” (regeling voor personen die voor het eerst aandeelhouder zijn), hieronder „de regeling” genoemd. In het kader van die regeling, die van kracht was van 1982 tot en met 14 januari 2005, konden subsidies worden gegeven als bijdrage naast de eigen financiële inspanningen die werden geleverd voor de aankoop van een aandeel in een bestaand of een nieuw vissersvaartuig. De steun werd alleen verleend aan wie ouder was dan 18 en nog geen aandeel in een vissersvaartuig bezat.

(5)

De steun bedroeg 50 % van de kosten van de aankoop van het aandeel, met een maximum van 7 500 GBP wanneer het een bestaand vaartuig betrof en van 15 000 GBP wanneer het een nieuw vaartuig betrof. De overige 50 % kon alleen worden gefinancierd met de eigen bijdrage van de begunstigden, die zij uit hun eigen spaartegoeden of via een gezinslening moesten betalen. Het steunbedrag kon nooit groter zijn dan 25 % van de waarde van het vaartuig.

(6)

De steun werd verleend op voorwaarde dat het vaartuig gedurende de volgende vijf jaar voltijds voor de visserij werd ingezet en de begunstigde eigenaar van zijn aandeel in het vaartuig bleef gedurende een periode van vijf jaar die begon op de datum van ontvangst van de steun.

(7)

De Commissie twijfelde er ernstig aan of de steun die in het kader van de regeling werd verleend aan personen die voor het eerst een aandeel in een tweedehands vaartuig hadden verworven, verenigbaar kon zijn met punt 2.2.3.3 van de Richtsnoeren voor het onderzoek van de steunmaatregelen van de staten in de visserij- en aquacultuursector van respectievelijk 1994, 1997 en 2001 (4). Met name twijfelde zij eraan of de regeling voldeed aan de voorwaarde dat de steun alleen mocht worden verleend aan vaartuigen die niet ouder waren dan 10 jaar (5), respectievelijk 20 jaar (6), en nog minstens 10 jaar konden worden gebruikt. Voorts twijfelde de Commissie aan de verenigbaarheid van het steunpercentage dat in het kader van de regeling werd gehanteerd, nl. 25 % van de werkelijke kosten van de aankoop van het vaartuig, wat niet lijkt te stroken met de richtsnoeren van 2001, die vanaf 1 juli 2001 van toepassing waren op de bestaande steunregelingen en op grond waarvan slechts een steunpercentage van 20 % mocht worden gehanteerd (7).

In verband met de steun die werd verstrekt voor de aankoop van een aandeel in een nieuw vaartuig was de Commissie van mening dat de regeling geen verwijzing leek te bevatten naar het referentieniveau voor de omvang van de visserijvloot, de hygiëne en veiligheidsvoorschriften of de verplichting tot registratie van het vaartuig in het vlootregister, zoals nochtans vereist bij de artikelen 6, 7, 9 en 10 en bijlage III van Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (8), als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2369/2002 van 20 december 2002 (9). Voorts leek de regeling ook geen bepalingen te bevatten met betrekking tot de aanvullende voorwaarden die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2792/1999, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2369/2002.

III.   OPMERKINGEN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK

(8)

In zijn antwoord van 16 oktober 2006 verstrekte het Verenigd Koninkrijk nadere gegevens over de steun die in het kader van de regeling werd verleend. Het wees erop dat in totaal 581 750 GBP in dat kader werd verleend, en niet 8 000 000 GBP zoals de Commissie had vermeld in haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag. Voorts wees het Verenigd Koninkrijk erop dat na 1 juli 2001 geen steun voor nieuwe vaartuigen werd verleend en dat het bijgevolg niet relevant was zich af te vragen of de regeling na die datum wel verenigbaar was.

(9)

In verband met de steun voor de aankoop van een aandeel in een tweedehands vaartuig bevestigde het Verenigd Koninkrijk dat de regeling geen enkele voorwaarde inzake de leeftijd van het vaartuig bevatte, noch een bepaling die inhield dat de betrokken vaartuigen nog ten minste tien jaar moesten kunnen worden gebruikt. Het Verenigd Koninkrijk voerde evenwel aan dat in de regeling was bepaald dat het vaartuig de volgende vijf jaar voltijds voor de visserij moest worden ingezet en dat deze bepaling impliciet de verbintenis inhield dat het vaartuig nog ten minste gedurende die periode voor de visserij zou worden gebruikt.

(10)

Het Verenigd Koninkrijk legde een lijst voor van de 78 gevallen waarin tussen 25 april 1996 en 15 juli 2003 telkens een steunbedrag van 7 500 GBP werd verleend voor de aankoop van een aandeel in een tweedehands vaartuig, met vermelding van de naam van de begunstigde en de naam en de leeftijd van het vaartuig. Het steunpercentage varieerde van 0,12 % tot 25 %. Na 1 januari 2001 was het steunpercentage nooit hoger dan 3,75 %.

(11)

Het Verenigd Koninkrijk wees erop dat 36 van die 78 subsidies niet in overeenstemming met de voorschriften leken te zijn, maar dat in 28 van die gevallen de subsidies reeds waren ingevorderd of het invorderingsproces na verlies, inbeslagneming, verkoop of stillegging van het betrokken vaartuig nog aan de gang was. In twee van de acht overige gevallen werd de subsidie niet teruggevorderd aangezien het vaartuig pas verloren was gegaan nadat de genoemde periode van vijf jaar was afgelopen. Bijgevolg concludeerde het Verenigd Koninkrijk dat er nog slechts zes subsidies mogelijkerwijs niet met de voorschriften in overeenstemming waren; zij hadden betrekking op vaartuigen die nog steeds in gebruik waren of op later in gebruik genomen vaartuigen waarop het voordeel van de betrokken subsidie werd overgedragen.

(12)

Tot slot stelde het Verenigd Koninkrijk dat, als de Commissie een negatieve beschikking geeft, zij niet mag eisen dat de vóór 3 juni 2003 verleende steun wordt teruggevorderd, aangezien die terugvordering in strijd zou zijn met het beginsel van de bescherming van de legitieme verwachtingen. In dit verband verwees het Verenigd Koninkrijk naar Beschikking 2003/612/EG van de Commissie van 3 juni 2003 inzake leningen voor de aankoop van visserijquota op de Shetlandeilanden (Verenigd Koninkrijk) (10) en Beschikking 2006/226/EG van de Commissie van 7 december 2005 betreffende investeringen van Shetland Leasing and Property Developments Ltd op de Shetlandeilanden (Verenigd Koninkrijk) (11), waarin is bepaald dat de Shetland Islands Council er tot 3 juni 2003 terecht is vanuit gegaan dat de voor die steun gebruikte middelen privémiddelen, en geen overheidsmiddelen waren.

IV.   BEOORDELING VAN DE STEUNMAATREGEL

(13)

Eerst moet worden uitgemaakt of de maatregel als staatssteun kan worden beschouwd en zo ja, of hij verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

(14)

De steun is toegekend aan een beperkt aantal bedrijven in de visserijsector en heeft dus een selectief karakter. De steun werd door de Shetland Islands Council uit staatsmiddelen verleend en kwam bedrijven ten goede die rechtstreeks concurreren met andere bedrijven in de visserijsector, zowel in het Verenigd Koninkrijk als in andere lidstaten. Daarom vervalst de steun de mededinging of dreigt hij die te vervalsen en lijkt het hierbij te gaan om staatssteun in de zin van artikel 87 van het EG-Verdrag.

(15)

Volgens het Verenigd Koninkrijk werden de twee in overweging 4 vermelde algemene regelingen reeds toegepast vóór de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Economische Gemeenschap. De Commissie merkt evenwel op dat de regeling voor personen die voor het eerst aandeelhouder zijn, pas in 1982 is ingesteld. Hoe het ook zij, door het ontbreken van documenten over het verleden, kon het Verenigd Koninkrijk niet bewijzen dat de steunmaatregelen reeds bestonden voordat het Verenigd Koninkrijk tot de Gemeenschap toetrad. Bovendien heeft het Verenigd Koninkrijk bevestigd dat de steunregelingen in de loop van de jaren zijn gewijzigd en dat die wijzigingen nooit overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag (ex artikel 93, lid 3) ter kennis van de Commissie zijn gebracht. Bijgevolg moeten de steunmaatregelen als nieuwe steunregelingen worden beschouwd.

(16)

Bij Verordening (EG) nr. 659/1999 is geen verjaringstermijn vastgesteld voor het onderzoek van „onrechtmatige steun” zoals die is omschreven in artikel 1, onder f), van die verordening, namelijk steun die tot uitvoering wordt gebracht voordat de Commissie haar conclusie kan trekken wat betreft de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt. In artikel 15 van die verordening is evenwel bepaald dat de bevoegdheid van de Commissie om de terugvordering van de steun te eisen, verjaart na een termijn van tien jaar, dat deze termijn ingaat op de dag waarop de onrechtmatige steun aan de begunstigde is verleend en dat de verjaring wordt gestuit door elke maatregel van de Commissie. Bijgevolg oordeelt de Commissie dat in dit geval geen onderzoek nodig is naar de steun die verjaard is, d.w.z. de steun die werd verleend méér dan tien jaar voordat de Commissie enige maatregel nam.

(17)

De Commissie is van oordeel dat de verjaring in dit geval werd gestuit door haar verzoek om informatie dat zij het Verenigd Koninkrijk op 24 augustus 2004 heeft toegezonden. Bijgevolg is de steun die vóór 24 augustus 1994 aan de begunstigden werd verleend, verjaard. Daarom heeft de Commissie alleen de steun beoordeeld die tussen 24 augustus 1994 en januari 2005 werd verleend.

(18)

Staatssteun kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd wanneer die in aanmerking komt voor een van de uitzonderingen waarin het EG-Verdrag voorziet. Met betrekking tot staatssteun in de visserijsector worden steunmaatregelen van de staten geacht in overeenstemming te zijn met de gemeenschappelijke markt indien voldaan is aan de voorwaarden van de Richtsnoeren voor het onderzoek van staatssteun in de visserij- en aquacultuursector. In punt 5.3, tweede alinea, van de richtsnoeren van 2004 is bepaald dat „Onrechtmatige steun in de zin van artikel 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 659/1999 zal worden beoordeeld overeenkomstig de richtsnoeren die van toepassing zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de steun”. Dit strookt ook met de algemene regels die de Commissie heeft gegeven in haar mededeling betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (12). Bijgevolg moet de steun worden getoetst op de verenigbaarheid ervan met de richtsnoeren van 1994, 1997 en 2001.

(19)

Wat betreft de steun die is verleend voor de aankoop van een aandeel in een nieuw vaartuig, heeft de Commissie in haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag erop gewezen dat de steun die vóór 1 juli 2001 werd verleend, kan worden geacht verenigbaar te zijn met de gemeenschappelijke markt. Na die datum leken de voorwaarden van de regeling evenwel niet langer te stroken met de nadien geldende voorwaarden en daarom twijfelde de Commissie er ernstig aan of de na die datum verleende steun wel verenigbaar was.

(20)

Uit de informatie die het Verenigd Koninkrijk heeft verstrekt, kan worden opgemaakt dat na 1 juli 2001 geen steun is verleend voor de aankoop van een aandeel in een nieuw vaartuig en dat de regeling sinds 14 januari 2005 niet langer van kracht is.

(21)

Volgens punt 2.2.3.3 van de richtsnoeren van 1994, 1997 en 2001 kan steun slechts verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden geacht als het vaartuig nog ten minste tien jaar kan worden gebruikt. Voorts moet het vaartuig volgens de richtsnoeren van 1994 en 1997 ten minste 10 jaar oud zijn, en volgens de richtsnoeren van 2001 ten minste 20 jaar oud.

(22)

De regeling houdt geen voorwaarden in inzake de leeftijd van de vaartuigen, en het Verenigd Koninkrijk heeft bevestigd dat er geen andere voorwaarden of maatregelen waren die konden garanderen dat aan deze voorwaarde werd voldaan. Voorts werd in het kader van de regeling niet geëist dat de vaartuigen nog ten minste tien jaar werden gebruikt. Hierdoor is de regeling duidelijk onverenigbaar met de richtsnoeren van 1994, 1997 en 2001.

(23)

Die onverenigbaarheid kan niet worden opgeheven door de bepaling in de regeling dat het aandeel in het vaartuig ten minste vijf jaar moet worden behouden en dat het vaartuig gedurende die periode voor de visserij moet worden gebruikt. Deze bepaling garandeert alleen dat de vaartuigen operationeel zullen zijn tijdens de eerste vijf jaar, dus slechts gedurende de helft van de periode die in de richtsnoeren is vastgesteld.

(24)

Daarom wordt geoordeeld dat de steun die in het kader van de regeling voor de aankoop van een aandeel in een tweedehands vaartuig werd verleend, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

(25)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 moet de Commissie, in het geval van negatieve beschikkingen inzake onrechtmatige steun, bepalen dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen moet nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen.

(26)

Het Verenigd Koninkrijk heeft aangevoerd dat de Commissie niet mag eisen dat de steun wordt teruggevorderd als die terugvordering in strijd zou zijn met het beginsel van de bescherming van de legitieme verwachtingen, en beweert dat dit beginsel in dit geval van toepassing is.

(27)

De middelen die voor de financiering van de regeling zijn gebruikt, zijn dezelfde als die welke zijn aangewend voor de steun ten aanzien waarvan de Commissie een negatieve beschikking heeft gegeven bij de Beschikkingen 2003/612/EG en 2006/226/EG (zie overweging 12 van de onderhavige beschikking). In die gevallen was de Commissie van oordeel dat deze middelen met het oog op de toepassing van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag als staatsmiddelen moesten worden beschouwd. Tegelijk erkende de Commissie dat, in de specifieke context van die gevallen, de autoriteiten van de Shetlandeilanden en de andere betrokken instanties, door de combinatie van een aantal elementen, legitieme verwachtingen met betrekking tot het privékarakter van de betrokken middelen hadden gecreëerd, waardoor het niet mogelijk was de onverenigbare staatssteun terug te vorderen.

(28)

De Commissie is evenwel van mening dat in het onderhavige geval de elementen waarmee in de Beschikkingen 2003/612/EG en 2006/226/EG rekening is gehouden, niet op dezelfde wijze kunnen worden toegepast en dat er geen legitieme verwachtingen werden gecreëerd. De Commissie wijst met name op de handelswijze en de verklaringen van het Verenigd Koninkrijk, waaruit duidelijk blijkt dat de bevoegde autoriteiten op de tijdstippen waarop de steun werd verleend, ervan overtuigd waren dat de regeling de facto een staatssteunregeling was en dat de daarvoor geldende regels van toepassing waren.

(29)

De Commissie is tot die conclusie gekomen vanuit de constatering dat de betrokken regeling, in tegenstelling tot de steun ten aanzien waarvan de Beschikkingen 2003/612/EG en 2006/226/EG werden gegeven, is ingesteld als een normale steunregeling en betrekking heeft op rechtstreeks aan de vissers verleende subsidies die rechtstreeks zijn toegekend door de Shetland Islands Council. Voorts blijkt in dit specifieke geval duidelijk dat het Verenigd Koninkrijk zelf van mening was dat de regels voor de staatssteun van toepassing waren, aangezien het de uitgaven voor de regeling altijd heeft gemeld in de jaarlijkse verslagen over staatssteun die het overeenkomstig de door de Gemeenschap opgelegde verplichtingen aan de Commissie voorlegde. In zijn antwoord op vragen van de Commissie heeft het Verenigd Koninkrijk het volgende gesteld (brief van 10 december 2004): „Zoals vereist, werden de betalingen in het kader van de regelingen gedurende vele jaren vermeld in het jaarregister voor staatssteun en werd jaarlijks een overzicht naar de Commissie gestuurd” en (brief van 6 april 2005): „Onze autoriteiten hebben jarenlang te goeder trouw gehandeld en geleefd in de overtuiging dat de regelingen in overeenstemming waren met de richtsnoeren voor staatssteun.”.

(30)

Gelet op deze verklaringen en op de specifieke kenmerken van het onderhavige geval is de Commissie van mening dat de eis tot terugvordering van de steun niet kan worden geacht in strijd te zijn met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht. Bijgevolg is de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van mening dat het Verenigd Koninkrijk alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigden van de regeling terug te vorderen (ongeacht de reeds genomen maatregelen), behalve in die gevallen waarin Verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004 (13) van toepassing is.

(31)

In dit verband moet erop worden gewezen dat de terug te vorderen steun overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 659/1999 rente moet omvatten om te garanderen dat de daadwerkelijke mededinging wordt hersteld. Deze rente moet op samengestelde grondslag worden berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (14). Daarom moet het Verenigd Koninkrijk garanderen dat ook de reeds geïnde bedragen of de bedragen waarvan de inning nog aan de gang is, aan die voorwaarde zullen voldoen en dat het, als bij de terugvordering geen rente is aangerekend, de nodige maatregelen zal nemen om ook het betrokken rentebedrag bij de begunstigden in te vorderen.

(32)

De Commissie verzoekt het Verenigd Koninkrijk haar de bijgevoegde vragenlijst betreffende de huidige stand van de terugvorderingsprocedure terug te sturen en een lijst op te stellen van de begunstigden van wie steun moet worden teruggevorderd.

V.   CONCLUSIE

(33)

In het licht van de beoordeling in deel IV is de Commissie van mening dat het Verenigd Koninkrijk, in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag, in het kader van de regeling onrechtmatige steun heeft verleend.

(34)

De Commissie is van oordeel dat de steun die in het kader van de regeling is verleend, niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is voor wat betreft de steun die is verleend voor de eerste aankoop van een aandeel in een tweedehands vissersvaartuig.

(35)

Aangezien na 1 juli 2001 geen steun werd verleend voor de eerste aankoop van een aandeel in een nieuw vissersvaartuig, wordt alle dergelijke steun die in het kader van de regeling werd verstrekt, verenigbaar geacht met de gemeenschappelijke markt,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   De staatssteun die het Verenigd Koninkrijk in het kader van de Regeling voor personen die voor het eerst aandeelhouder zijn (hieronder „de regeling” genoemd) heeft verleend, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor wat betreft de steun die is verstrekt voor de eerste aankoop van een aandeel in een nieuw vissersvaartuig.

2.   De staatssteun die het Verenigd Koninkrijk in het kader van de regeling heeft verleend, is niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor wat betreft de steun die is verstrekt voor de eerste aankoop van een aandeel in een tweedehands vissersvaartuig.

Artikel 2

De in artikel 1, lid 2, van deze beschikking bedoelde individuele steun vormt geen staatssteun als wordt voldaan aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 875/2007.

Artikel 3

1.   Het Verenigd Koninkrijk neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1, lid 2, bedoelde steun die in het kader van de regeling is verleend, van de begunstigden terug te vorderen, met uitzondering van de in artikel 2 bedoelde steun.

2.   De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop zij ter beschikking van de begunstigden zijn gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

3.   De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie.

4.   Met ingang van de datum waarop deze beschikking wordt gegeven, annuleert het Verenigd Koninkrijk alle uitstaande betalingen van de in artikel 1, lid 2, bedoelde steun die in het kader van de regeling is toegekend.

Artikel 4

1.   De in artikel 1, lid 2, bedoelde steun die in het kader van de regeling is verleend, wordt onmiddellijk en op doeltreffende wijze teruggevorderd.

2.   Het Verenigd Koninkrijk ziet erop toe dat deze beschikking binnen vier maanden na de datum van de kennisgeving ervan wordt uitgevoerd.

Artikel 5

1.   Binnen twee maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking verstrekt het Verenigd Koninkrijk de Commissie de volgende informatie:

a)

de lijst van de begunstigden die steun als bedoeld in artikel 1 van deze beschikking hebben ontvangen, voor zover die steun niet aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 875/2007 voldoet, en het totale steunbedrag dat elk van hen heeft ontvangen;

b)

het totale bedrag (hoofdsom en rente) dat van elke begunstigde moet worden teruggevorderd;

c)

een gedetailleerde beschrijving van de maatregelen die reeds zijn genomen of die zullen worden genomen om aan deze beschikking te voldoen; en

d)

documenten waaruit blijkt dat de begunstigden zijn aangemaand de steun terug te betalen.

2.   Het Verenigd Koninkrijk houdt de Commissie op de hoogte van de vooruitgang die bij de nationale maatregelen ter uitvoering van deze beschikking wordt gemaakt, totdat de in artikel 1, lid 2, bedoelde steun die in het kader van de regeling werd verleend, volledig is terugbetaald.

Het verstrekt onmiddellijk alle informatie die de Commissie wenst te krijgen over de maatregelen die reeds zijn genomen of die zullen worden genomen om aan deze beschikking te voldoen.

Het verstrekt ook gedetailleerde gegevens over de steunbedragen en de invorderingsrente die reeds door de begunstigden zijn terugbetaald.

Artikel 6

Deze beschikking is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 13 november 2007.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)  PB C 291 van 30.11.2006, blz. 5.

(3)  PB C 291 van 30.11.2006, blz. 5.

(4)  PB C 260 van 17.9.1994, blz. 3, PB C 100 van 27.3.1997, blz. 12, en PB C 19 van 20.1.2001, blz. 7.

(5)  Richtsnoeren van 1994 en 1997.

(6)  Richtsnoeren van 2001.

(7)  Punt 2.2.3.3, onder c), van de Richtsnoeren voor het onderzoek van de steunmaatregelen van de staten in de visserij- en aquacultuursector van 2001.

(8)  PB L 337 van 30.12.1999, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1421/2004 (PB L 260 van 6.8.2004, blz. 1).

(9)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 49.

(10)  PB L 211 van 21.8.2003, blz. 63.

(11)  PB L 81 van 18.3.2006, blz. 36.

(12)  PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22.

(13)  PB L 193 van 25.7.2007, blz. 6.

(14)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1935/2006 (PB L 407 van 30.12.2006).