ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 29

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
2 februari 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 96/2008 van de Commissie van 1 februari 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 97/2008 van de Commissie van 1 februari 2008 tot vaststelling van een aanvullende hoeveelheid ruwe rietsuiker van oorsprong uit de ACS-staten en India voor de voorziening van raffinaderijen voor het verkoopseizoen 2007/2008

3

 

*

Verordening (EG) nr. 98/2008 van de Commissie van 1 februari 2008 tot wijziging van een aantal verordeningen wat betreft de codes van de gecombineerde nomenclatuur voor bepaalde producten van de rundvleessector

5

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2008/90/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 10 juli 2007 betreffende steunmaatregel C 20/06 (ex NN 30/06) door Slovenië ten uitvoer gelegd ten gunste van Novoles Lesna Industrija Straža dd (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3223)  ( 1 )

7

 

 

2008/91/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 10 juli 2007 betreffende steunmaatregel nr. C 19/06 (ex NN 29/06) door Slovenië ten uitvoer gelegd ten gunste van Javor Pivka Lesna Industrija dd (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3227)  ( 1 )

16

 

 

2008/92/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 10 juli 2007 betreffende de Italiaanse steunregelingen C 23/96 (NN 181/95) en C 71/97 (N 144/97) ten gunste van de scheepvaartsector op Sardinië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3257)  ( 1 )

24

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

2.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/1


VERORDENING (EG) Nr. 96/2008 VAN DE COMMISSIE

van 1 februari 2008

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 2 februari 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 februari 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 1 februari 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

138,6

JO

84,0

MA

39,8

SN

192,7

TN

120,5

TR

99,5

ZZ

112,5

0707 00 05

EG

190,8

JO

202,1

MA

54,5

TR

136,3

ZZ

145,9

0709 90 70

MA

63,9

TR

152,1

ZA

79,4

ZZ

98,5

0709 90 80

EG

191,8

ZZ

191,8

0805 10 20

EG

47,9

IL

59,5

MA

69,9

TN

52,7

TR

64,1

ZA

22,3

ZZ

52,7

0805 20 10

IL

107,2

MA

102,9

TR

101,8

ZZ

104,0

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

CN

83,7

EG

57,6

IL

73,0

JM

103,1

MA

110,9

PK

46,3

TR

69,1

US

60,1

ZZ

75,5

0805 50 10

EG

74,2

IL

120,5

MA

83,8

TR

122,7

ZZ

100,3

0808 10 80

CA

103,4

CL

60,8

CN

77,0

MK

39,9

US

116,4

ZZ

79,5

0808 20 50

CL

59,3

CN

83,9

TR

159,1

US

94,8

ZA

93,9

ZZ

98,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


2.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/3


VERORDENING (EG) Nr. 97/2008 VAN DE COMMISSIE

van 1 februari 2008

tot vaststelling van een aanvullende hoeveelheid ruwe rietsuiker van oorsprong uit de ACS-staten en India voor de voorziening van raffinaderijen voor het verkoopseizoen 2007/2008

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 29, lid 4, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 29, lid 4, van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat, om voor een toereikende voorziening van communautaire raffinaderijen te zorgen, in de verkoopseizoenen 2006/2007, 2007/2008 en 2008/2009 de invoerrechten op een aanvullende hoeveelheid ingevoerde ruwe rietsuiker van oorsprong uit de in bijlage VI bij die verordening genoemde staten moeten worden geschorst.

(2)

Die aanvullende hoeveelheid moet overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 950/2006 van de Commissie van 28 juni 2006 tot vaststelling, voor de verkoopseizoenen 2006/2007, 2007/2008 en 2008/2009, van de uitvoeringsbepalingen voor de invoer en de raffinage van suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten en preferentiële overeenkomsten (2) worden berekend aan de hand van een op ramingen berustende en volledige communautaire voorzieningsbalans voor ruwe suiker. Voor het verkoopseizoen 2007/2008 gaf de voorzieningsbalans aan dat een aanvullende hoeveelheid ruwe suiker moet worden ingevoerd om de voorzieningsbehoeften van communautaire raffinaderijen te kunnen dekken.

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 1545/2007 van de Commissie van 20 december 2007 tot vaststelling van de aanvullende hoeveelheid ruwe rietsuiker van oorsprong uit de ACS-staten en India voor de voorziening van raffinaderijen in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2008 (3) is een eerste aanvullende hoeveelheid van 80 000 ton vastgesteld om de meest dringende voorzieningsbehoeften voor de eerste maanden van het verkoopseizoen 2007/2008 te dekken. De extra markttoegang voor suiker in het kader van de economische partnerschapsovereenkomsten zal er niet eerder dan voor het verkoopseizoen 2008/2009 zijn. Een toereikende voorziening van de raffinage-industrie met ruwe suiker voor raffinage voor het verkoopseizoen 2007/2008 is daarom afhankelijk van de beschikbaarheid van aanvullende hoeveelheden. Om die voorziening veilig te stellen dient voor het verkoopseizoen 2007/2008 een extra hoeveelheid aanvullende suiker van 120 000 ton te worden geopend.

(4)

Die toereikende voorziening van de betrokken raffinaderijen kan slechts worden gegarandeerd indien de overeenkomsten tussen de begunstigde landen inzake de traditionele uitvoer in acht worden genomen. Daarom is een uitsplitsing per begunstigde land of groep van begunstigde landen nodig. Voor India wordt een hoeveelheid van 4 000 ton geopend. Daardoor wordt de aanvullende hoeveelheid voor India voor het verkoopseizoen 2007/2008 in overeenstemming gebracht met het aandeel van dit land in de totale aanvullende hoeveelheid voor het verkoopseizoen 2006/2007. De resterende hoeveelheid dient te worden vastgesteld voor de ACS-staten, die zich er collectief toe hebben verbonden onderling procedures voor de toewijzing van de hoeveelheden te zullen toepassen om een adequate voorziening van de betrokken raffinaderijen te garanderen.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Naast de bij Verordening (EG) nr. 1545/2007 vastgestelde hoeveelheden wordt voor het verkoopseizoen 2007/2008 een verdere hoeveelheid aanvullende ruwe rietsuiker vastgesteld die 120 000 ton wittesuikerequivalent bedraagt en als volgt is verdeeld:

a)

116 000 ton, uitgedrukt in witte suiker, van oorsprong uit de in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 318/2006 genoemde staten met uitzondering van India;

b)

4 000 ton, uitgedrukt in witte suiker, van oorsprong uit India.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 februari 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1260/2007 (PB L 283 van 27.10.2007, blz. 1).

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 371/2007 (PB L 92 van 3.4.2007, blz. 6).

(3)  PB L 337 van 21.12.2007, blz. 67.


2.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/5


VERORDENING (EG) Nr. 98/2008 VAN DE COMMISSIE

van 1 februari 2008

tot wijziging van een aantal verordeningen wat betreft de codes van de gecombineerde nomenclatuur voor bepaalde producten van de rundvleessector

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 234/79 van de Raad van 5 februari 1979 inzake de procedure voor aanpassingen van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief voor landbouwproducten (1), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (2) voorziet voor bepaalde producten van de rundvleessector in wijzigingen van de gecombineerde nomenclatuur.

(2)

Bij verordeningen tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (3) zijn voor bepaalde rundvleesproducten in de voorgaande jaren ook wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur aangebracht, die niet allemaal in aanmerking zijn genomen in de volgende verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees: Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (4); Verordening (EG) nr. 1731/2006 van de Commissie van 23 november 2006 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de uitvoerrestituties voor bepaalde rundvleesconserven (5) en Verordening (EG) nr. 545/2007 van de Commissie van 16 mei 2007 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van voor verwerking bestemd bevroren rundvlees (1 juli 2007-30 juni 2008) (6).

(3)

De Verordeningen (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1731/2006 en (EG) nr. 545/2007 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De bij deze verordening vastgestelde wijzigingen moeten van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2008, de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1214/2007.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Punt a) van de tabel wordt als volgt gewijzigd:

a)

de GN-code „0210 90 41” voor „Longhaasjes en omlopen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt” wordt vervangen door GN-code „0210 99 51”;

b)

de GN-code „0210 90 90” voor „Eetbaar meel en poeder, van vlees of slachtafvallen” wordt vervangen door GN-code „0210 99 90”.

2.

Punt b) van de tabel wordt als volgt gewijzigd:

a)

de GN-codes „0206 10 91” en „0206 10 99” voor „Eetbare slachtafvallen van runderen, zonder longhaasjes en omlopen, vers of gekoeld, andere dan bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten” worden vervangen door GN-code „0206 10 98”;

b)

de GN-codes „0206 21 00”, „0206 22 90” en „0206 29 99” voor „Eetbare slachtafvallen van runderen, zonder longhaasjes en omlopen, bevroren, andere dan bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten” worden vervangen door de GN-codes „0206 21 00”, „0206 22 00” en „0206 29 99”;

c)

de GN-code „0210 90 49” voor „Eetbare slachtafvallen van runderen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt, andere dan longhaasjes en omlopen” wordt vervangen door GN-code „0210 99 59”;

d)

de GN-codes „1602 50 31” tot en met „1602 50 80” voor „Andere bereidingen en conserven, van vlees of van slachtafvallen van runderen, andere dan niet-gekookt en niet-gebakken; mengsels van gekookt of gebakken vlees of gekookte of gebakken slachtafvallen met niet-gekookt of niet-gebakken vlees of niet-gekookte of niet-gebakken slachtafvallen” worden vervangen door de GN-codes „1602 50 31” en „1602 50 95”.

Artikel 2

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1731/2006 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Toepassingsgebied

Onverminderd het bepaalde in Verordening (EG) nr. 800/1999 gelden voor de betaling van een uitvoerrestitutie voor conserven van de GN-codes 1602 50 31 9125, 1602 50 31 9325, 1602 50 95 9125 of 1602 50 95 9325 (hierna „de conserven” genoemd) de in deze verordening vastgestelde voorwaarden.”

Artikel 3

In artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 545/2007 wordt de eerste alinea vervangen door:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt als A-product aangemerkt: een verwerkt product van GN-code 1602 10, 1602 50 31 of 1602 50 95, dat geen ander vlees dan rundvlees bevat, met een collageen/eiwitverhouding van maximaal 0,45 en met ten minste 20 gewichtspercenten mager vlees met uitzondering van slachtafvallen en vet, waarbij het vlees en de gelei ten minste 85 % van het totale nettogewicht uitmaken.”.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 februari 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 34 van 9.2.1979, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3290/94 (PB L 349 van 31.12.1994, blz. 105).

(2)  PB L 286 van 31.10.2007, blz. 1.

(3)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1352/2007 van de Commissie (PB L 303 van 21.11.2007, blz. 3).

(4)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(5)  PB L 325 van 24.11.2006, blz. 12.

(6)  PB L 129 van 17.5.2007, blz. 14.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

2.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/7


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 10 juli 2007

betreffende steunmaatregel C 20/06 (ex NN 30/06) door Slovenië ten uitvoer gelegd ten gunste van Novoles Lesna Industrija Straža dd

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3223)

(Slechts de tekst in de Sloveense taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/90/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1),

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Op 1 december 2004 ontving de Commissie een klacht over beweerde steun ten gunste van het Sloveense houtverwerkingsbedrijf Novoles Lesna Industrija Straža dd (hierna „Novoles Straža” genoemd).

(2)

Volgens de klacht zouden er op 27 mei 2004 bij besluit van de Sloveense regering financiële maatregelen zijn verleend aan Novoles Straža op grond van artikel 21 van de Sloveense wet inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden. Deze maatregel was niet bij de Commissie aangemeld omdat de maatregelen door de Sloveense commissie voor staatssteunmonitoring waren goedgekeurd op 23 april 2004 — dus vóór de toetreding. Aangezien echter het relevante criterium om te bepalen wanneer de steun is verleend, het wettelijk bindende besluit is waarbij de bevoegde nationale autoriteit staatssteun toezegt, was de Commissie van oordeel dat de betrokken maatregel nieuwe steun vormde, die op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag had moeten worden aangemeld en die aan artikel 87 van het EG-Verdrag had moeten worden getoetst (2).

(3)

Bij schrijven van 16 mei 2006 heeft de Commissie Slovenië in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden ten aanzien van deze steun.

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (3). Daarin verzocht de Commissie alle belanghebbenden hun opmerkingen kenbaar te maken.

(5)

De Commissie heeft van de belanghebbenden geen opmerkingen ter zake ontvangen.

(6)

Slovenië diende zijn opmerkingen in bij brief van 17 juli 2006. Bij brieven van 11 oktober 2006 en 23 februari 2007 is om additionele inlichtingen verzocht; deze werden op 30 november 2006 en 23 april 2007 verschaft. Daarnaast vond er op 28 juni 2006 een bijeenkomst plaats tussen de diensten van de Commissie en de Sloveense autoriteiten.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL

1.   De begunstigde

(7)

Novoles Straža produceert houten halffabrikaten en meubelen. De onderneming is gevestigd in Straža (Slovenië), in een steungebied ex artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag. In 2003 had zij ongeveer 800 werknemers in dienst. Zij is een van de grotere werkgevers in de sector hout en meubelen in Slovenië.

(8)

De onderneming heeft ook belangen in twee ondernemingen: Novoles-Primara doo (100 %) en Pohištvo Brežice dd (93,7 %). Slovenië verklaarde dat ook deze beide ondernemingen in een zwakke financiële positie verkeerden. Novoles-Primara doo maakte in 2003 nog een zeer kleine winst, terwijl Pohištvo Brežice dd verlies leed.

(9)

De onderneming is eigendom van een aantal natuurlijke en rechtspersonen. Het eigendom is echter zo verbrokkeld dat geen van de eigenaren zodanige zeggenschap over de onderneming kan uitoefenen dat deze kan worden beschouwd als deel uitmakend van een grotere groep. De grootste aandeelhouders zijn immers werknemers en ex-werknemers, die niet door enige aandeelhoudersovereenkomst zijn gebonden; zij hebben een belang van 22,3 %. Daarnaast zijn er nog een aantal PID's (pooblaščene investicijske družbe) die een belang van in totaal 33,4 % hebben. Naar de Commissie echter heeft begrepen, zijn deze PID's investeringsfondsen die louter beheersentiteiten zijn die de aandelen van particuliere aandeelhouders beheren. Deze diverse belangen zijn het resultaat van de privatisering van „maatschappelijk kapitaal” in Slovenië — het concept dus dat ondernemingen eigendom van iedereen waren. Het eigendom van dit maatschappelijke kapitaal werd omgevormd, door de uitgifte van aandeelhouderscertificaten aan de burgers, die deze dan voor aandelen konden inruilen. PID's werden opgericht om de burgers in staat te tellen aan deze omvorming van het eigendom deel te nemen, door de certificaten in aandelen om te zetten. De Sloveense autoriteiten bevestigden dat de PID's geen middelen beschikbaar hebben om de onderneming te helpen haar moeilijkheden te overwinnen.

2.   Financiële positie van de begunstigde onderneming

(10)

De zwakke financiële positie van de onderneming vloeit voort uit het feit dat zij een aanzienlijk deel van haar 1,262 miljard SIT (zo'n 5,3 miljoen EUR (4)) maatschappelijk kapitaal verloren; dit was in april 2004 tot 0,75 miljard SIT teruggevallen. De belangrijkste financiële en operationele indicatoren uit de balans, de winst- en verliesrekening en het kasstroomoverzicht zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Tabel 1

Financiële indicatoren voor Novoles Straža

Indicator

1999

2000

2001

2002

2003

Netto verkoopopbrengsten

6 341 790

6 507 932

6 602 106

8 093 436

6 014 466

Voorraden

880 544

936 471

1 113 218

955 305

1 279 940

Vorderingen

930 585

1 053 433

1 218 067

1 676 595

1 133 643

Winst (verlies)

78 809

109 884

128 843

110 215

(511 149)

Schuldratio

42,1

44,7

47,2

50,2

57,6

(11)

De Sloveense autoriteiten verklaarden dat de onderneming in hoofdzaak verlies lijdt omdat zij haar geplande verkopen niet haalde en tegelijk haar financiële kosten zag toenemen. Dit blijkt uit het feit dat de schuldratio van de onderneming voortdurend steeg en ook haar gemiddelde voorraden aangroeiden.

(12)

In hun antwoord op de inleiding van de procedure verklaarden de Sloveense autoriteiten dat de verkoopvolumes ook waren afgenomen in de periode 2000-2001 en 2002-2003, terwijl de toename in 2002 aan uitzonderlijke gebeurtenissen was toe te schrijven: bouwwerkzaamheden in Kroatië (uitrusten van grote hotelcomplexen), de introductie van een nieuwe meubellijn en het opnemen van inkomsten van twee dochterondernemingen, die per 1 januari 2003 in Novoles Straža zijn geïntegreerd.

(13)

Voorts hebben de Sloveense autoriteiten de Commissie schriftelijke bewijzen verstrekt dat de onderneming er niet in slaagde voldoende vers kapitaal op de kapitaalmarkt aan te trekken. Met name hadden banken Novoles Straža's vraag naar nieuwe financiële middelen afgewezen omdat de onderneming een geringe kredietwaardigheid had en onvoldoende zekerheden kon stellen om die zwakke positie te compenseren. Zelfs een staatsgarantie ten belope van 65 % van het gevraagde bedrag, werd als ontoereikend beschouwd.

3.   Herstructureringsprogramma

(14)

Om haar moeilijkheden te overwinnen, diende Novoles Straža in april 2004 bij het ministerie van Economie voor een herstructureringsperiode 2004-2008 een (in maart 2004 opgesteld) herstructureringsplan in.

(15)

Het plan noemt als de reden voor de huidige toestand van de onderneming de afnemende economische groei op haar belangrijkste exportmarkten (met name Duitsland en de VSA), waar de onderneming 60 % van haar producten afzette. Bovendien was de vraag naar tussenproducten gedaald. De dalende inkomsten in 2003 bereikten een dieptepunt toen de onderneming haar schulden niet meer uit eigen middelen kon voldoen — en dus haar schulden en financiële lasten zag toenemen. Bovendien slaagde de onderneming er door haar organisationele structuur niet in om haar productie op de vraag af te stemmen.

(16)

Om deze moeilijkheden te overwinnen, werd een financiële herstructureringsoperatie gepland — die inmiddels ook is uitgevoerd — met als doel de omzetting van de 1 669 940 776 SIT door hypotheken gedekte kortlopende kredieten in langlopende schulden, onder meer een aantal leningen die voor 65 % door hypotheken waren gedekt, met behulp van een staatsgarantie van 1,1 miljard SIT. Het resterende te herfinancieren bedrag van 569 940 776 SIT werd gefinancierd zonder staatssteun, doch met een hypotheekpercentage van meer dan 100 % van de nominale waarde.

(17)

Voorts wil Novoles Straža haar activiteiten als volgt ombuigen:

verandering van de marketingstrategie: gedeeltelijke overschakeling van de EU- en Noord-Amerikaanse markten naar de markten in Oost-Europa en Rusland. De Sloveense autoriteiten hebben bewijzen verstrekt voor diverse verkoopprojecten die onder meer in Rusland, Slovakije en Servië van de grond beginnen te komen. De afzet op buitenlandse markten zal toenemen tot 77 % in 2008, tegenover 70 % in 2004, waarbij de Oost-Europese markten goed zijn voor 8 % (tegenover 0 % in 2004);

inkrimping van het aandeel tussenproducten ten gunste van afgewerkte producten: het aandeel van de afgewerkte producten zal in 2008 oplopen tot 33 % (tegenover 26 % in 2003) en de eigen merkproducten zullen in 2008 goed zijn voor 26 % (tegenover 20 % in 2003). De tussenproducten zullen daarentegen dalen van 41 % in 2003 tot 31 % in 2008. Tussenproducten blijven niettemin een belangrijk onderdeel van de productie, maar het niet meer uitsluitend om multiplexhout gaan, hetgeen de toegevoegde waarde zal doen toenemen. Het voordeel hiervan voor de onderneming is dat zij kleinere hoeveelheden produceert voor een bekende producent.

(18)

Voorts zal deze ombuiging in de productie gepaard gaan met een technologische herstructurering met als doel een kostenefficiëntere productie en de aanpassing van technologische uitrusting aan vraaggestuurde productie, die tevens aan milieunormen voldoet. Er staan 1 455 miljard SIT (6,06 miljoen EUR) investeringen gepland, waarbij de nadruk vooral ligt op maatregelen met het oog op een verhoging van de productiviteit, een verbetering van de situatie op de werkvloer, een beter gebruik van grondstoffen, energiebesparing en het voldoen aan milieunormen. De Sloveense autoriteiten hebben de Commissie een tabel met investeringen meegedeeld; daarin staan onder meer maatregelen zoals de modernisering van het profitcenter voor multiplexhout, de invoering van een computergestuurd droogproces, modernisering van de productie in het profitcenter voor nieuwe productlijnen, revisie van het energiesysteem en invoering van een nieuw informatiesysteem. De Sloveense autoriteiten hebben aangegeven dat bij de tenuitvoerlegging van de cruciale investeringen, zoals de productie in het profitcenter voor de nieuwe productlijnen of de revisie van het energiesysteem, bepaalde vertragingen zijn opgetreden door het ontbreken van financiële middelen (deze investeringen werden in hoofdzaak uit eigen middelen gefinancierd).

(19)

Ten slotte zet de personeelsherstructurering in op een inkrimping van het personeelsbestand met 96 werknemers en op het aanbieden van specifieke en algemene opleiding aan de overblijvende werknemers. De kosten hiervan ten belope van 537 miljoen SIT zullen slechts ten dele door een subsidie van 283 miljoen SIT (1,2 miljoen EUR) worden gedekt.

(20)

Slovenië diende vijfjaars bedrijfsprognoses in waaruit blijkt dat Novoles Straža dankzij het herstructureringsplan erin zal slagen haar levensvatbaarheid te herstellen.

(21)

De Sloveense autoriteiten hebben de Commissie gegevens verschaft die aan de afzetprognoses ten grondslag liggen. In de eerste plaats hielden de prognoses voor de periode 2005-2007 rekening met een groei van rond 10 % op de West-Europese markten en rond 20 % op de Oost-Europese markten (5). Ten tweede verrekenden zij de verschuiving in de productie van tussenproducten naar afgewerkte producten (59 % afgewerkte producten ten opzichte van 46 %).

(22)

Op basis van deze aannames, gecombineerd met prognoses van verkoopmedewerkers verzameld tijdens handelsbeurzen, via agenten en rechtstreeks bij afnemers, heeft Novoles Straža voor de periode 2004-2008 een verkoopsplan opgesteld.

(23)

Op basis van realistische prognoses verwachtte zij voor de periode 2003-2008 een jaarlijkse groei van tussen 3,6 en 5,7 % in de binnenlandse afzet en van 6,5 tot 8,4 % in de buitenlandse afzet. Zodoende zou door de herstructurering de exploitatiemarge in 2008 op 11,7 % uitkomen. De ratio exploitatiewinst/aandelenkapitaal zou toenemen tot 12,6 % in 2008.

4.   Kosten en financiering van de herstructurering

(24)

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de financiering van de herstructureringskosten.

Tabel 2

Kosten en financiering van de herstructurering

Benodigde financiering (x 1 000 SIT)

Eigen middelen

Subsidies

Garantie

Totaal

Financiële herstructurering

369 000 (6)

 

1 100 000

1 469 000

Herstructurering marketing en ontwikkeling

675 000

 

 

675 000

Technologische herstructurering

1 456 000

 

200 000

1 656 000

Personeelsherstructurering

253 988

282 771

 

536 759

Totaal

2 384 988

282 771

1 300 000

4 337 699

(25)

De onderneming ontving voor in totaal 1 583 miljoen SIT (6,6 miljoen EUR) staatssteun, zij het pas eind 2004 en niet, zoals gepland, medio 2004.

(26)

De belangrijkste steun is een staatsgarantie voor vier leningen ten belope van in totaal 1,3 miljard SIT, waardoor Novoles Straža haar bestaande schulden kan herschikken. De terugbetalingstermijn is zeven jaar, daaronder begrepen een betalingsuitstel van twee jaar. Daarna bedraagt de rente 4,5 %, daaronder begrepen een vast bedrag ten belope van 0,1 % voor het afsluiten en beheren van de krediettransactie. De garantie dekt 100 % van de leningen en wordt ook nog additioneel gedekt door een hypotheek van ten minste 65 %.

(27)

Slovenië betoogt dat 2 385 miljard SIT van de herstructureringskosten uit de eigen middelen van de onderneming worden gefinancierd. De Commissie acht het echter passend om bij dat bedrag nog de 569 miljoen SIT te tellen afkomstig uit de particuliere financiering van de leningen (ten belope van 8,5 %). Een deel van de eigen middelen werd gegenereerd door desinvesteringen (1 323 miljard SIT of 30,5 %) en door afschrijving en waardevermindering (29,76 %). De Sloveense autoriteiten hebben de Commissie een gedetailleerde lijst van deze desinvesteringen verschaft. In 2005 hadden al voor rond 300 miljoen SIT desinvesteringen plaatsgevonden, terwijl nog verdere desinvesteringen gepland staan (die ten dele ook zijn uitgevoerd) voor 2006 (rond 600 miljoen SIT) en voor 2007 en 2008 (450 miljoen SIT).

5.   Marktsituatie en compenserende maatregelen

(28)

Novoles Straža produceert de volgende producten, waarvoor haar marktaandelen in de EU-25 als volgt zijn:

Tabel 3

Marktaandelen

Product

Marktaandeel in 2003

Marktaandeel in 2005

Multiplex (7)

0,14 %

0,13 %

Stoelen en delen daarvan (8)

0,07 %

0,04 %

Meubelen en delen daarvan (9)

0,08 %

0,05 %

Gemiddelde

0,09 %

0,06 %

6.   Overige steun

(29)

De Sloveense autoriteiten hebben de in het besluit tot inleiding van de procedure aangehaalde cijfers gecorrigeerd en verklaard dat Novoles Straža inderdaad in 2004 voordelige leningen had gekregen, maar dat deze leningen, die uit publieke en particuliere middelen ten behoeve van milieudoelstellingen waren verleend, slechts 115,2 miljoen SIT (0,48 miljoen EUR) beliepen en een netto-subsidie-equivalent van 14,9 miljoen SIT (62 000 EUR) hadden. Deze steun werd verleend in het kader van de regeling „Cofinanciering milieu-investeringen” en in februari 2004 goedgekeurd.

(30)

Slovenië meldde ook dat de in 1999 ontvangen steun slechts bestond uit: 18,1 miljoen SIT (75 000 EUR) rentesubsidie, 11,5 miljoen SIT (48 000 EUR) werkgelegenheidssteun, 3,6 miljoen SIT (15 000 EUR) steun voor onderzoek en ontwikkeling, en 1,1 miljoen SIT (4 600 EUR) exportsteun.

(31)

Het eerste soort steun dat in de voorgaande overweging werd vermeld en waarvan aanvankelijk was aangenomen dat het herstructureringssteun betrof, was louter een rentesubsidie die was verleend omdat de rente in Slovenië betrekkelijk hoog was ten opzichte van de rente in het buitenland. Een van de voorwaarden om voor dit programma in aanmerking te komen, was namelijk dat de onderneming een A, B, C of D kredietrating moest hebben en niet in faillissementsprocedures mocht zijn verwikkeld. De onderneming verschafte bewijzen dat zij op dat tijdstip een A/B-rating had.

III.   REDENEN OM DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 88, LID 2, VAN HET EG-VERDRAG IN TE LEIDEN

(32)

In haar schrijven van 16 mei 2006 oordeelde de Commissie dat de betrokken maatregelen nieuwe steun vormden en dus op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag dienden te worden aangemeld en aan artikel 87 van het EG-Verdrag dienden te worden getoetst. Met het oog daarop herhaalde de Commissie dat het relevante criterium het wettelijk bindende besluit is waarin de bevoegde nationale autoriteit toezegt staatssteun te verlenen; dit besluit werd in mei 2004 goedgekeurd.

(33)

Bovendien had de Commissie twijfel geformuleerd over de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt, en met name met de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden van 1999 (10), en wel hierom:

het was niet zeker of de onderneming de gebruikelijke kenmerken had van een onderneming in moeilijkheden, omdat haar verkopen tot 2003 waren gestegen en haar voorraden in 2002 waren gedaald. Bovendien was niet duidelijk of de onderneming deel uitmaakte van een grotere groep;

het was niet duidelijk hoe de onderneming haar levensvatbaarheid op de lange termijn kon herstellen, met name omdat de gegevens die aan de financiële prognoses voor de toekomst ten grondslag lagen, ontbraken;

het was niet duidelijk of de onderneming een belangrijke eigen bijdrage leverde aan de herstructurering omdat er geen duidelijke verklaring was hoe de vermelde eigen middelen zouden worden gegenereerd;

er was geen marktanalyse verschaft die rechtvaardigde dat er geen compenserende maatregelen werden genomen;

het was twijfelachtig of het beginsel dat steun eenmalig dient te zijn, werd nageleefd, omdat de onderneming in 1999 al herstructureringssteun had ontvangen.

IV.   OPMERKINGEN VAN SLOVENIË

(34)

Slovenië benadrukte dat de staatssteun ten gunste van Novoles Straža werd verleend vóór de toetreding van Slovenië tot de Europese Unie, omdat de omvang van de rol van de Staat bekend was vóór de toetreding.

(35)

Ten tweede probeerde Slovenië de twijfel van de Europese Commissie wat betreft de vraag of Novoles Straža nog van een grotere ondernemingsgroep deel uitmaakt, weg te nemen door de specifieke kenmerken van de eigendomsstructuur, zoals die hiervoor is uiteengezet, toe te lichten en door de percentages van de belangen van de aandeelhouders te corrigeren.

(36)

Ten derde heeft Slovenië bewijsmateriaal verschaft dat Novoles Straža een „onderneming in moeilijkheden” is, door een volledigere toelichting te geven bij de algemene trend van de financiële moeilijkheden waarmee de onderneming sinds 1999 te kampen heeft (zoals blijkt uit toenemende voorraden en schulden en afnemende verkopen, met bepaalde buitengewone gebeurtenissen die in 2002 voor een stijging zorgden), met als resultaat dat de onderneming in 2004 geen externe financiering kon krijgen.

(37)

Ten vierde hebben de Sloveense autoriteiten inlichtingen verschaft waaruit blijkt dat de strategie van Novoles Straža is gebaseerd op marktonderzoek en prognoses die de betrekkelijk hoge meubelverkopen bevestigen.

(38)

Ten vijfde heeft Slovenië, wat compenserende maatregelen betreft, een marktstudie verschaft waaruit blijkt dat het marktaandeel van Novoles Straža op de relevante productmarkt in de EU-25 zeer gering is. De Sloveense autoriteiten merkten ook op dat Novoles Straža in een steungebied ex artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag is gevestigd.

(39)

Wat ten slotte de in het verleden ontvangen staatssteun betreft, heeft Slovenië enkele materiële fouten in verband met de ontvangen bedragen gecorrigeerd en heeft het vooral verklaard dat de aanvankelijk als herstructureringssteun aangemerkte steun niet werd verleend ten behoeve van reddings- en herstructureringsdoeleinden in de zin van de richtsnoeren.

V.   BEOORDELING VAN DE STEUN

1.   De vraag of sprake is van staatssteun

(40)

Volgens artikel 87 van het EG-Verdrag zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(41)

De Commissie merkt op dat de steun uit staatsmiddelen aan een individuele onderneming is verleend. Dit is duidelijk het geval bij een rechtstreekse subsidie, maar ook bij een garantie, met name wanneer een onderneming in moeilijkheden verkeert en een 100 %-zekerheid voor de lening wordt gesteld (11). Dankzij de garantie kon de onderneming een grotere lening krijgen dan zij zonder die garantie had kunnen krijgen.

(42)

Aangezien er voor houtproducten handelsverkeer tussen Slovenië en andere lidstaten is, kan de maatregel de positie van de begunstigde onderneming ten opzichte van haar concurrenten in Slovenië en binnen de EU verbeteren. Bijgevolg verstoort de steun de mededinging en beïnvloedt hij het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig. Daarom is de Commissie van oordeel dat de huidige maatregelen ten faveure van Novoles Straža staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag vormen.

2.   De vraag of sprake is van nieuwe staatssteun

(43)

De Sloveense autoriteiten stelden eerst de vraag of de Commissie wel bevoegd was de steun aan de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag te toetsen, omdat de steun vóór de toetreding was verleend. In haar besluit tot inleiding van de procedure verklaarde de Commissie dat het relevante criterium om te bepalen of de steun vóór dan wel na de toetreding ten uitvoer was gelegd, het juridisch bindende besluit is waarin de bevoegde nationale autoriteiten toezeggen de steun te verlenen (12). Is dergelijk besluit niet vóór de toetreding genomen, dan vormt de maatregel nieuwe steun, zelfs indien het risico van de Staat voordien bekend was.

(44)

De Commissie blijft bij haar aanvankelijke conclusie dat het bindende besluit waarin de bevoegde nationale autoriteiten toezegden de steun te verlenen, niet vóór de toetreding van kracht werd. In de desbetreffende Sloveense bepalingen staat dat de steun wordt verleend bij regeringsbesluit op voorstel van het bevoegde ministerie. Ondanks dat voorafgaande besluiten van de interdepartementale deskundigencommissie en van het bevoegde ministerie inderdaad noodzakelijk zijn om te steun te verlenen, zijn zij toch niet voldoende om de steun toe te kennen. De eindbeslissing ligt bij de regering. In deze zaak werd het regeringsbesluit op 27 mei 2004 afgekondigd, terwijl Slovenië per 1 mei 2004 tot de Europese Unie was toegetreden. Bijgevolg vormen de maatregelen nieuwe steun en dienden zij op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag te worden aangemeld en aan artikel 87 van het EG-Verdrag te worden getoetst.

3.   Verenigbaarheid van de steun

(45)

Aangezien de betrokken steun herstructureringssteun is, is hij alleen met de gemeenschappelijke markt verenigbaar indien hij aan de criteria van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (13) (hierna „de richtsnoeren” genoemd) voldoet.

(46)

Gelet op de opmerkingen van Slovenië en de informatie die in de loop van het onderzoek is verzameld, is de Commissie tot de volgende conclusies gekomen ten aanzien van de punten die haar de formele onderzoekprocedure deden inleiden.

3.1.   Kwam de onderneming in aanmerking?

(47)

Gelet op de door Slovenië verschafte informatie is de Commissie van oordeel dat uit de prestaties van de onderneming, zoals die in de punten 24 tot en met 27 werden beschreven, blijkt dat het inderdaad een onderneming in moeilijkheden was toen de staatssteun werd verleend. De Commissie tekent met name aan dat de problemen pasten in een tendens voor de periode 2000-2004 en niet louter een uitzonderlijke omstandigheid in 2003. Bovendien verschaften de Sloveense autoriteiten afdoende bewijsmateriaal dat de onderneming in 2004 niet in staat zou zijn geweest haar kortlopende schulden zelf te herfinancieren. Een en ander is niet in tegenspraak met het feit dat de onderneming erin slaagde enige herfinanciering te krijgen zonder steun, aangezien dit gebeurde door een hoog percentage zekerheden te stellen, dat de onderneming niet voor het volledige te herfinancieren bedrag had kunnen verschaffen.

(48)

De Commissie neemt voorts nota van de verklaringen van Slovenië betreffende de aard van het eigendom van Novoles Straža. Gezien het passieve karakter en de beperkte financiële middelen van de institutionele eigenaren van Novoles Straža en het fragmentaire karakter van de overige eigenaren, accepteert de Commissie dat de onderneming niet de nodige financiële middelen van haar aandeelhouders had kunnen krijgen. Om diezelfde redenen, en rekening houdend met het feit dat geen enkele eigenaar meer dan 22 % van het aandelenkapitaal van Novoles Straža in handen heeft, is de Commissie ook van oordeel dat Novoles Straža niet van een grotere bedrijvengroep deel uitmaakt.

(49)

De Commissie aanvaardt dan ook dat Novoles Straža voor herstructureringssteun in aanmerking kwam.

3.2.   Herstel van de levensvatbaarheid

(50)

De Commissie heeft in haar besluit tot inleiding van de procedure aangegeven dat niet duidelijk was hoe het herstructureringsplan Novoles Straža in staat zou stellen haar levensvatbaarheid op de lange termijn te herstellen. Dit hield vooral verband met de vijfjaars financiële prognoses die aangaven hoe de onderneming zich dankzij de herstructureringsmaatregelen waarschijnlijk zou gaan ontwikkelen. De Commissie merkte op dat Slovenië niet de informatie had verschaft die de Commissie nodig heeft om de aannames van de in het kader van het herstructureringsplan verwachte prestaties van Novoles Straža te kunnen beoordelen.

(51)

In de loop van de procedure heeft Slovenië de in de overwegingen 21 en 22 vermelde aanvullende informatie verschaft. In deze informatie wordt de grondslag voor deze aannames adequaat toegelicht. De Commissie tekent aan dat de verkoopsprognoses voor Novoles Straža thans misschien eerder optimistisch kunnen lijken, nu de sector in 2005-2006 te kampen kreeg met felle concurrentie uit het Verre Oosten, hetgeen resulteerde in een overaanbod en neerwaartse prijsdruk. Toch is niet duidelijk of deze informatie al begin 2004 bekend was. Bovendien merkte de Commissie in 2006 zelf op dat de productie en het verbruik van multiplexhout in de voorbije paar jaar aanzienlijk is gestegen, waarbij zich voor bepaalde kwaliteiten een sterke exportmarkt ontwikkelt (14). Aangezien de Commissie geen bewijs van het tegendeel heeft ontvangen waardoor de aannames van de onderneming of de eigen aannames van de Commissie ter discussie zouden komen te staan, ziet zij geen redenen om die te betwisten. Daarom vindt de Commissie dat de prognoses niet onwaarschijnlijk lijken en is haar twijfel op dat punt weggenomen.

(52)

In het besluit tot inleiding van de procedure kwam de Commissie ook tot de bevinding dat het herstructureringsplan diverse interne maatregelen bevatte die, mochten ze worden uitgevoerd, de onderneming zouden helpen een omslag te maken. Tijdens haar onderzoek heeft de Commissie informatie verkregen dat de onderneming nog niet alle geplande herstructureringsmaatregelen ten uitvoer heeft gelegd. Volgens de Sloveense autoriteiten was de reden daarvoor onder meer de vertraging bij het uitkeren van de staatssteun en het feit dat de exploitatieresultaten slechter uitvielen dan verwacht. In dat verband doet de Commissie opmerken dat in het kader van het herstructureringsplan de technische herstructurering vooral uit eigen middelen diende te worden gefinancierd. Toch was dit zwakke punt vooraf nog niet aan het licht gekomen en kon het zelfs worden gerechtvaardigd doordat de staatssteun inderdaad tot het noodzakelijke minimum beperkt diende te blijven, met name voor een lidstaat die zich aan de vooravond van de toetreding aan een dergelijk plan committeerde (15). Daarom zal de Commissie in dit bijzondere geval dit zwakke punt niet als voldoende beschouwen om het bestaan van een levensvatbaar herstructureringsplan ter discussie te stellen. Toch wil de Commissie herhalen dat steun alleen kan worden goedgekeurd indien het herstructureringsplan volledig ten uitvoer wordt gelegd (punt 43 van de richtsnoeren) en wordt gemonitord (punt 45 van de richtsnoeren).

(53)

De Commissie verwacht dan ook dat Slovenië, overeenkomstig het punt 46 van de richtsnoeren, ten minste twee monitoringverslagen indient: één betreffende 2007 tegen eind januari 2008, en één betreffende 2008 tegen eind januari 2009. Die verslagen dienen nadere informatie te bevatten over de financiële prestaties van de onderneming en over de uitgevoerde investeringen. De Commissie tekent aan dat, zelfs indien de onderneming haar levensvatbaarheid herstelt zonder alle investeringen uit te voeren, zij misschien toch een deel van de staatssteun zal moeten terugbetalen indien de geplande investeringen niet volledig worden uitgevoerd (16).

3.3.   Steun tot het minimum beperkt

(54)

De steun is ook tot het minimum beperkt. Met name is de twijfel van de Commissie ten aanzien van de vraag of een belangrijke eigen bijdrage wordt geleverd, weggenomen. Volgens het punt 40 van de richtsnoeren dient de steun beperkt te zijn tot het strikte minimum dat noodzakelijk is voor het herstel van de levensvatbaarheid, waarbij van de begunstigde wordt verwacht dat deze uit eigen middelen een belangrijke bijdrage aan het herstructureringsplan leveren.

(55)

De verklaringen van de Sloveense autoriteiten betreffende de eigen bijdrage zijn, zoals aangegeven in de overweging 27, voldoende gedetailleerd om de Commissie in staat te stellen na te gaan of de ondernemingen in de periode 2005-2008 een aanzienlijk aantal desinvesteringen heeft uitgevoerd of zal uitvoeren dat overeenstemt met 30,5 % van de herstructureringskosten. Voorts tekent de Commissie aan dat Novoles Straža voor 8,5 % extra financiering heeft gevonden, vrij van steun.

(56)

Niettemin herhaalt de Commissie dat zij afschrijvingen niet als een eigen bijdrage kan aanvaarden omdat daarmee geen middelen aan de onderneming beschikbaar worden gesteld en zulks ook afhankelijk is van toekomstige activiteiten die het gevolg zijn van de verschafte staatssteun (17).

(57)

Daarom komt de Commissie alles samengenomen uit op een eigen bijdrage van 39 % die kan worden aangemerkt als een belangrijke bijdrage in de zin van de richtsnoeren van 1999 (18).

(58)

Bovendien is de steun ook beperkt tot het voor het herstel van de levensvatbaarheid strikt noodzakelijke minimum, aangezien de steun in wezen de dringendste herfinancieringsbehoeften dekt voor kortlopende leningen die vervallen, en de onderneming dus niet de beschikking krijgt over extra liquiditeiten.

3.4.   Compenserende maatregelen

(59)

Volgens de punten 35 en 36 van de richtsnoeren dienen maatregelen te worden genomen om de nadelige gevolgen van de staatssteun voor concurrenten zoveel mogelijk te beperken. Toch zijn volgens het punt 36 van de richtsnoeren dergelijke compenserende maatregelen niet vereist wanneer het aandeel van de begunstigde onderneming op de relevante markt verwaarloosbaar is. In die gevallen zijn compenserende maatregelen dus geen voorwaarden om steun met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te kunnen verklaren.

(60)

De Commissie betwist de stellingen van de Sloveense autoriteiten niet dat Novoles Straža actief is op diverse productmarkten, die worden omschreven als de markten voor multiplex, stoelen en overig meubilair. Wat multiplex betreft, tekent de Commissie aan dat in een concentratiezaak een marktonderzoek grotendeels heeft bevestigd dat de verschillende soorten houtplaat zoals multiplex, hardboard, onbewerkte spaanplaat en gecoate spaanplaat, decoratief laminaat (HPL/CPL), en houten paneeldelen voor meubelen en de bouwsector, tot afzonderlijke productmarkten behoren (19).

(61)

Met het oog op de afbakening van de relevante markt heeft Slovenië de Commissie een marktstudie meegedeeld waarin de marktaandelen voor de relevante productmarkten in de EU-25 zijn vermeld. Wat dit betreft, heeft de Commissie weinig redenen om af te wijken van de aanname in voetnoot 20 van de richtsnoeren dat de relevante markt de EER is. Zij herinnert er aan dat zij voordien in een concentratiezaak (20) een aantal marktonderzoeken heeft uitgevoerd naar de Europese sector houtproducten (daaronder met name begrepen spaanplaat) en dat zij daarbij concludeerde dat de relevante markt ruimer was dan de nationale markt en ten minste grensoverschrijdend regionaal was. Dit bleek ook uit grote grensoverschrijdende handelsstromen. Dat er ook voor multiplex vergelijkbare handelsstromen bestaan, wordt bevestigd door de door de interne deskundigen van de Commissie verschafte cijfers. (Ook is de intracommunautaire uitvoer van Novoles Straža goed voor het overgrote deel van haar omzet (60 %).) Voorts bleek de grensoverschrijdende, regionale markt verband te houden met een afstand van rond 1 000 km, waarbij de afstand varieerde naar gelang de toegevoegde waarde van de producten — gecoate producten werden zelfs over een grotere afstand verhandeld dan niet-gecoate producten. Aangezien multiplex al een product van hogere kwaliteit is en de uitvoer vooral betrekking heeft op met fineer bekleed multiplex, liggen de vervoerskosten voor multiplex lager dan voor spaanplaat (en zelfs lager voor stoelen en anderen meubelen uit multiplex). Op basis van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de relevante markt voor de door Novoles Straža vervaardigde producten zoniet de hele EER of de EU-25 dient te omvatten, dan toch een groot deel van de EU-25.

(62)

Aangezien het marktaandeel van Novoles Straža in de EU-25 in ieder geval niet meer dan 0,13 % bedraagt, en het in beginsel niet meer dan dubbel zo groot zou zijn indien de geografische markt met de helft werd verminderd, is de Commissie van oordeel dat het marktaandeel nog steeds ver onder 1 % ligt, hetgeen, in samenhang met het feit dat de markt een groot aantal kleine en middelgrote producenten omvat, als verwaarloosbaar kan worden beschouwd (21). Bijgevolg zijn geen compenserende maatregelen nodig om te garanderen dat de staatssteun met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is.

3.5.   Overige steun

(63)

Tot slot heeft Slovenië de Commissie afdoende informatie verschaft over alle overige steun die de onderneming had ontvangen, om behoorlijk te kunnen nagaan of het beginsel dat steun eenmalig dient te zijn, werd nageleefd. Volgens het in de punten 48 e.v. van de richtsnoeren beschreven beginsel dat herstructureringssteun eenmalig dient te zijn, kan de Commissie geen herstructureringssteun goedkeuren ten faveure van een onderneming die voordien herstructureringssteun heeft ontvangen. De Commissie is van oordeel dat dit beginsel vereist dat rekening wordt gehouden met alle herstructureringssteun die in de tien jaar vóór de te onderzoeken steun is verleend, ongeacht of de eerste staatssteun werd verleend vooraleer de steunverlenende lidstaat tot de EU toetrad.

(64)

De Commissie tekent in de eerste plaats aan dat de onderneming in het verleden geen herstructureringssteun heeft ontvangen. Wat betreft met name de 18,1 miljoen SIT (75 000 EUR) steun die in 1999 als rentesubsidie werd verleend, is de twijfel dat het hier misschien om herstructureringssteun ging, weggenomen omdat de onderneming in die periode een A/B-rating had en dus niet als onderneming in moeilijkheden kon worden beschouwd — en de steun dus ook niet kan worden beschouwd als herstructureringssteun die een schending van de voorwaarde dat steun eenmalig dient te zijn, met zich brengt.

(65)

Voorts tekent de Commissie aan dat de Sloveense autoriteiten een materiële fout in een eerdere verklaring hebben gecorrigeerd, fout die de Commissie had overgenomen in haar besluit tot inleiding van de procedures, hetgeen betekent dat alle in die beschikking vermelde steunmaatregelen als dusdanig de-minimissteun vormen (22). Bovendien hebben de Sloveense autoriteiten verklaard dat al die steun welke vóór de toetreding was verleend, voor andere doelstellingen dan herstructurering was bestemd. Aangezien de beoordeling van die steun dus buiten de bevoegdheid van de Commissie valt en die steun, ondanks dat de onderneming in moeilijkheden verkeerde, toch geen herstructureringssteun is op grond van de richtsnoeren van 1999 (23), treedt de voorwaarde dat steun eenmalig dient te zijn, niet in werking door een van de eerder toegekende steunmaatregelen.

VI.   CONCLUSIE

(66)

Op grond van het bovenstaande komt de Commissie tot de bevinding dat de betrokken steun herstructureringssteun is die voldoet aan de voorwaarden van de toepasselijke richtsnoeren, de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun van 1999. Daarom concludeert de Commissie dat, ondanks dat Slovenië de herstructureringssteun ten gunste van Novoles Straža in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag ten uitvoer heeft gelegd, de staatssteun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De door Slovenië ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van Novoles Straža is overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag en de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar.

Artikel 2

1.   Het herstructureringsplan wordt volledig ten uitvoer gelegd. Alle nodige maatregelen worden genomen om te garanderen dat het plan ten uitvoer wordt gelegd.

2.   De tenuitvoerlegging van het plan wordt gemonitord aan de hand van jaarlijkse verslagen die Slovenië de Commissie meedeelt. Een verslag over de activiteiten in 2007 wordt ingediend tegen eind januari 2008 en een verslag over de activiteiten in 2007 wordt ingediend tegen eind januari 2009. Deze verslagen bevatten nadere informatie over de financiële prestaties van de onderneming en over de uitgevoerde investeringen.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de Republiek Slovenië.

Gedaan te Brussel, 10 juli 2007.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB C 194 van 18.8.2006, blz. 22.

(2)  Nadere gegevens over de procedure werden beschreven in het besluit tot inleiding van de procedure (zie noot 1) en blijven relevant in het kader van onderhavige beschikking.

(3)  Cf. noot 1.

(4)  Begin 2006 was de wisselkoers: 1 EUR = 240 SIT.

(5)  Deze gegevens zijn gebaseerd op beoordelingen door Euromonitor 2003.

(6)  Door de Commissie ingevuld bedrag.

(7)  US Harmonized Tariff Schedule, codes 4412 14 00, 4412 19 00, 4412 93 00.

(8)  US Harmonized Tariff Schedule, codes 9401 61 00, 9401 69 00, 9401 90 30.

(9)  US Harmonized Tariff Schedule, codes 9403 60 10, 9403 60 90, 9403 90 30.

(10)  Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(11)  Zie de punten 2.1.2 en 4.2 van de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties, PB C 71 van 11.3.2000, blz. 14.

(12)  Zie het besluit tot inleiding van de procedure (cf. noot 1), de punten 20 e.v.

(13)  Aangezien de steun in mei 2004 werd verleend, dient de steun te worden getoetst aan de richtsnoeren van 1999: de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(14)  Zie http://ec.europa.eu/enterprise/forest_based/tradeflows_en.html

(15)  Vgl. het punt 32 van de richtsnoeren. De lidstaat committeerde zich immers vóór de toetreding aan het plan, terwijl de steun pas nadien werd verleend.

(16)  Zie het besluit van de Commissie van 13 september 2006 betreffende Steunmaatregel nr. N 350/2006 — Změna restrukturalizačního plánu společnosti MSO, PB C 280 van 18.11.2006, blz. 4.

(17)  Dit werd bevestigd in het punt 17 van het besluit van de Commissie van 22 februari 2006 betreffende Steunmaatregel nr. N 464/05, Restruktūrizavimo pagalba AB Kauno ketaus liejykla (PB C 270 van 7.11.2006, blz. 5) en, wat betreft kasstromen getoetst aan de richtsnoeren van 1999, in Beschikking nr. 2002/185/EG van de Commissie van 12 juni 2001 betreffende staatssteun van Duitsland ten gunste van Technische Glaswerke Ilmenau GmbH, Duitsland (PB L 62 van 5.3.2002, blz. 30, overweging 106) en Beschikking nr. 2000/698/EG van de Commissie van 13 juni 2000 betreffende de door Duitsland toegekende staatssteun ten gunste van Wildauer Kurbelwelle GmbH (PB L 287 van 14.11.2000, blz. 51, overweging 52).

(18)  Zie ook Beschikking nr. 2003/282/EG van de Commissie van 27 november 2002 betreffende de staatssteun die Duitsland heeft verleend aan Doppstadt GmbH (PB L 108 van 30.4.2003, blz. 8, overweging 74) en Beschikking nr. 2002/200/EG van de Commissie van 3 juli 2001 betreffende de staatssteun die Spanje ten uitvoer heeft gelegd en voornemens is ten uitvoer te leggen voor de herstructurering van Babcock Wilcox España SA (PB L 67 van 9.3.2002, blz. 50).

(19)  Beschikking van de Commissie van 28 juni 2006 betreffende zaak nr. IV/M.4165 — Sonae Industria/Hornitex, overweging 11.

(20)  Beschikking van de Commissie van 28 juni 2006 betreffende zaak nr. IV/M.4165 — Sonae Industria/Hornitex, overweging 13.

(21)  Ten minste in het licht van andere aan de richtsnoeren van 1999 getoetste zaken; zie Beschikking nr. 2007/509/EG van de Commissie van 20 december 2006 betreffende steunmaatregel C 3/2005 (ex N 592/2004 (ex PL 51/2004)) die Polen voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van Fabryka Samochodów Osobowych SA (voorheen DAEWOO — FSO Motor SA), PB L 187 van 19.7.2007, blz. 30, de overwegingen 38 e.v.

(22)  Zie Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de minimis-steun, PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30.

(23)  De situatie zou anders zijn op grond van het punt 20 van de richtsnoeren van 2004.


2.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/16


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 10 juli 2007

betreffende steunmaatregel nr. C 19/06 (ex NN 29/06) door Slovenië ten uitvoer gelegd ten gunste van Javor Pivka Lesna Industrija dd

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3227)

(Slechts de tekst in de Sloveense taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/91/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1),

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Op 1 december 2004 ontving de Commissie een klacht over beweerde steun ten gunste van het Sloveense houtverwerkingsbedrijf Javor Pivka Lesna Industrija dd (hierna „Javor Pivka” genoemd).

(2)

Volgens de klacht zouden er op 27 mei 2004 bij besluit van de Sloveense regering financiële maatregelen zijn verleend aan Javor Pivka op grond van artikel 21 van de Sloveense wet inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden. Voorts bleek dat deze maatregel niet bij de Commissie was aangemeld omdat de maatregelen door de Sloveense interdepartementale commissie voor staatssteun waren goedgekeurd op 23 april 2004 — dus vóór de toetreding. Aangezien echter het relevante criterium om te bepalen wanneer de steun is verleend het wettelijk bindende besluit is waarbij de bevoegde nationale autoriteit staatssteun toezegt, was de Commissie van oordeel dat de betrokken maatregel nieuwe steun vormde, die dus op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag had moeten worden aangemeld en aan artikel 87 van het EG-Verdrag had moeten worden getoetst (2).

(3)

Bij schrijven van 16 mei 2006 heeft de Commissie Slovenië in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden ten aanzien van deze steun.

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (3). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregelen te maken.

(5)

De Commissie heeft van de belanghebbenden geen opmerkingen ter zake ontvangen.

(6)

Slovenië diende zijn opmerkingen in bij brief van 17 juli 2006. Bij brief van 23 februari 2007 (ref. D/50797) verzocht de Commissie om aanvullende gegevens, die op 23 april 2007 werden verstrekt. Daarnaast vond er op 28 juni 2006 een bijeenkomst plaats tussen de diensten van de Commissie en de Sloveense autoriteiten.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL

1.   De begunstigde

(7)

Javor Pivka produceert houten halffabrikaten en meubelen. De onderneming is gevestigd in de regio Pivka (Slovenië), een steungebied ex artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag. In 2003 had zij ongeveer 800 werknemers in dienst. Zij heeft vier volledige dochterondernemingen.

(8)

Het eigendom van de onderneming is verspreid over zo'n 1 264 aandeelhouders: negen investeringsmaatschappijen of andere rechtspersonen die 60 % van de aandelen in handen hebben, terwijl de resterende 40 % van de aandelen is verdeeld over 1 255 aandeelhouders, van wie er geen meer dan 1 % van aandelen in handen heeft (4).

(9)

In de jaren voorafgaand aan de steunverlening had Javor Pivka financiële problemen. De belangrijkste financiële en operationele indicatoren zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Tabel 1

Financiële indicatoren voor Javor Pivka

Indicator (× 1 000 SIT) (5)

2000

2001

2002

2003

Netto verkoopopbrengsten

8 114 374

7 884 954

8 174 323

8 124 711

Voorraad afgewerkte producten, werk in uitvoering

867 609

1 030 323

894 302

1 121 632

Netto exploitatieresultaat

56 566

– 137 030

– 303 729

– 578 268

Gecumuleerde winst/verlies

56 566

–80 464

– 384 193

– 962 461

Cashflow

480 468

333 324

104 522

– 162 879

2.   Herstructureringsprogramma

(10)

Om zijn moeilijkheden te overwinnen, diende Javor Pivka in april 2004 bij het ministerie van Economie voor de periode 2004-2008 een herstructureringsplan in.

(11)

Daarin verklaarde de onderneming dat haar moeilijkheden het gevolg waren van een zwakke concurrentiepositie als gevolg van invoer door goedkope producenten uit ontwikkelingslanden naar haar traditionele exportmarkten (met name Duitsland en de VSA). Om deze concurrentie aan te kunnen en haar levensvatbaarheid te herstellen, was het volgens Javor Pivka nodig om haar productiviteit op te voeren door technologische modernisering en kostenreductie, en om zichzelf te herpositioneren op nichemarkten met een hogere marge en op nieuwe geografische markten.

(12)

Met het oog daarop werden in het herstructureringsprogramma de volgende maatregelen voorgesteld:

(13)

Technologische herstructurering: dit betekende een volledige modernisering van verouderde uitrusting en productieprogramma's. Doel was niet het verhogen van de capaciteit, maar van de productiviteit en het voldoen aan de vragen van klanten, door nieuwe producten in te voeren en een aanpassing aan ecologische productienormen. Dankzij nieuwe productie-installaties zou de onderneming ook kunnen overschakelen van tussenproducten naar verder afgewerkte producten met een hogere toegevoegde waarde (met name in de multiplexlijn). De kosten van dit onderdeel van het herstructureringsplan waren als volgt gedekt: 50 % door een staatsgarantie gedekte bankkredieten en de resterende 50 % uit de eigen middelen van Javor Pivka.

(14)

Herstructurering van het personeelsbestand: dit deel van het plan hield de inkrimping van het personeelsbestand in, met zo'n 100 ontslagen (met recht op een ontslagvergoeding), en opleiding van de 700 resterende werknemers om hun vaardigheden aan te passen aan de nieuwe eisen van het herstructureringsprogramma.

(15)

Aanpassing van de zakelijke strategie: een ander onderdeel van het herstructureringsplan bestond erin dat de onderneming zich aanpast aan de gewijzigde vraag- en concurrentiesituatie op de traditionele markten van de onderneming door zich te herpositioneren op nieuwe, winstgevendere nichemarkten en door nieuwe markten te betreden (Rusland (vooral voor meubelen) en Zuidoost-Europa). Wat producten betreft, wil de onderneming zich gaan toeleggen op verdere afgewerkte multiplex, speciale multiplex voor de bouwsector en, in de meubelsector, speciale stoelen voor ziekenhuizen, bejaardentehuizen en andere dergelijke instellingen.

(16)

Reorganisatie van de ondernemingsstructuur: om de levensvatbaarheid van de onderneming te herstellen, zal ook een zekere reorganisatie van de onderneming nodig zijn (bv. fuseren van dochterondernemingen en scherper toezicht op de kosten door afdelingen verkoop, inkoop en financiën te centraliseren). De kosten van deze maatregelen moesten volledig worden gedekt door Javor Pivka's eigen middelen.

(17)

Financiële herstructurering: onvoldoende liquide middelen resulteerden in stijgende schulden en toenemende financiële lasten. Met de financiële herstructurering werd beoogd de financieringsmiddelen en haar aflossingstermijnen te herschikken zodat haar bestaande en langetermijnbetalingscapaciteit gevrijwaard blijft. Binnen dit onderdeel zou de nadruk liggen op schuldherschikking, vermindering van de rentelasten, verlenging van de aflossingstermijnen en het verkrijgen van betalingsuitstel voor de hoofdsom.

3.   Kosten en financiering van de herstructurering

(18)

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de financiering van de herstructureringskosten (6).

Tabel 2

Kosten en financiering van de herstructurering

Benodigde financiering (× 1 000 SIT)

Eigen middelen

Subsidies

Garantie

Totaal

Financiële herstructurering

400 000

0

0

400 000

Herstructurering markt

496 000

0

0

496 000

Technologische herstructurering

999 000

0

1 100 000

2 099 000

Herstructurering personeelsbestand

219 750

382 250

0

602 000

Herstructurering organisatie

4 900

0

0

4 900

Totaal

2 119 650

382 250

1 100 000

3 601 900

(19)

Het belangrijkste onderdeel van de steun uit staatsmiddelen zijn staatsgaranties voor 1,1 miljard SIT leningen die Javor Pivka's technologische herstructurering moeten financieren. Als zekerheid voor deze garanties ontvingen de Sloveense autoriteiten een hypotheek op de activa van Javor Pivka ten belope van een bedrag dat met het door de garanties gedekte bedrag overeenstemt — dus 1,1 miljard SIT (rond 4,584 miljoen EUR).

(20)

Daarnaast werd steun verleend in de vorm van een subsidie van 382 250 000 SIT (rond 1 592 000 EUR) ten behoeve van de kosten van de herstructurering van het personeelsbestand. Deze steun dekt de ontslagvergoedingen voor ontslagen werknemers en de opleidingskosten voor de werknemers die in dienst blijven.

(21)

Slovenië betoogde dat Javor Pivka 2 119 650 000 SIT (rond 8 832 000 EUR) zou bijdragen aan de herstructurering, of 53,7 % van de totale kosten.

4.   Marktsituatie

(22)

Javor Pivka produceert de volgende producten, waarvoor zijn marktaandelen in de EU als volgt zijn (de cijfers betreffen 2003 en de CN-nummers verwijzen naar de Gecombineerde Nomenclatuur):

a)

Panelen voor bekistingen (GN 4418 40): 3,91 %

b)

Triplex- en multiplexhout (GN 4412): 0,18 %

c)

Fineerplaten (GN 4408): 0,22 %

d)

Zitmeubelen van hout (GN 9401 61 + 9401 69 + 9401 90 30): 0,08 %

(23)

Het totale marktaandeel van Javor Pivka in 2003 bedroeg voor zijn productassortiment op de EU-25-markt 0,21 %.

III.   REDENEN OM DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 88, LID 2, VAN HET EG-VERDRAG IN TE LEIDEN

(24)

Zoals al aangegeven, hebben de Sloveense autoriteiten de maatregelen ten gunste van Javor Pivka niet aangemeld. In haar schrijven van 16 mei 2006 tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag zette de Commissie nader uiteen waarom de betrokken maatregelen nieuwe steun vormden, die op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag had moeten worden aangemeld en aan artikel 87 van het EG-Verdrag had moeten worden getoetst.

(25)

Bovendien had de Commissie twijfel geformuleerd over de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt, en met name met de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden van 1999 (7) (hierna „de richtsnoeren” genoemd), en wel hierom:

a)

de Commissie betwijfelde dat Javor Pivka op grond van de richtsnoeren wel voor herstructureringssteun in aanmerking kwam. Met name vroeg de Commissie zich af of het een onderneming „in moeilijkheden” in de zin van de richtsnoeren was, aangezien haar zwakke prestatie in 2003 een uitzonderlijke omstandigheid kon zijn in plaats van deel van een trend. De Commissie was ook niet zeker of Javor Pivka behoorde tot een grotere groep ondernemingen en of hij niet de nodige middelen van zijn eigenaren kon krijgen;

b)

het was niet duidelijk hoe de onderneming haar levensvatbaarheid op de lange termijn zou herstellen, aangezien de Commissie onvoldoende gegevens waren verstrekt om de toekomstige prestaties in het kader van het herstructureringsplan te beoordelen;

c)

er was geen marktanalyse verschaft die rechtvaardigde dat er geen compenserende maatregelen werden genomen;

d)

de Commissie betwijfelde ook dat de steun tot het noodzakelijke minimum beperkt bleef, omdat zij niet zeker was of Javor Pivka een belangrijke eigen bijdrage aan de herstructurering van de onderneming had geleverd, daar niet duidelijk was waar de eigen middelen vandaan zouden komen;

e)

ten slotte verzocht de Commissie om informatie over alle overige steun die Javor Pivka in 2004 was verleend, om zeker te zijn dat de onderneming voordien geen reddings- en herstructureringssteun had ontvangen. Anders zou de in de punten 48 tot 51 van de richtsnoeren uiteengezette voorwaarde dat steun eenmalig dient te zijn, niet zijn nageleefd, waardoor de onderneming dit soort steun niet meer opnieuw zou mogen ontvangen.

IV.   OPMERKINGEN VAN SLOVENIË

(26)

Tijdens de formele procedure heeft Slovenië de volgende opmerkingen gemaakt.

1.   Nieuwe steun of steun verleend vóór de toetreding

(27)

Slovenië benadrukte dat het besluit om steun te verlenen dat voor de Sloveense staat verbindend was, werd genomen op grond van het gunstige advies van de interdepartementale deskundigencommissie. Aangezien dit besluit werd genomen op 6 april 2004 — vóór de toetreding van Slovenië tot de Europese Unie — en de steun na de toetreding niet meer van toepassing was, was Slovenië van oordeel dat de steun vóór de toetreding was verleend, zodat artikel 87 en artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag hierop niet van toepassing zijn.

2.   Kwam de onderneming in aanmerking?

2.1   Het begrip onderneming „in moeilijkheden”

(28)

Slovenië toonde aan, onder meer aan de hand van de prestatie-indicatoren in tabel 1, dat Javor Pivka meerdere kenmerken van een onderneming in moeilijkheden vertoonde, en dat het niet om een op zich staande gebeurtenis in 2003 ging, maar om een trend die over een periode van vier jaar (2000-2003) viel waar te nemen.

(29)

In dat verband merkte Slovenië op dat Javor Pivka er niet in slaagde zijn netto verkoopopbrengsten over de betrokken periode te verhogen. Het exploitatieresultaat was over de hele periode negatief (behalve in 2000) en de verliezen namen toe in de periode 2001-2003. Het lopende verlies bedroeg in 2003 bijna de helft van het aandelenkapitaal van de onderneming. De return on sales (RoS), de return on equity (RoE) en de return on assets (RoA) waren alle negatief en waren in de periode 2001-2003 voortdurend verslechterd. De vrije cashflow uit operaties was in die periode gedaald en was in 2003 negatief. Deze negatieve tendens bereikte een dieptepunt toen Javor Pivka in 2003 op de rand van het faillissement stond.

2.2   Eigendomsstructuur Javor Pivka

(30)

Slovenië lichtte de eigendomsstructuur van Javor Pivka toe door te wijzen op de specifieke kenmerken van het privatiseringsmodel dat Slovenië na het eind van het communistische bewind had toegepast. Slovenië paste de speciale notie toe dat het kapitaal geen identificeerbare — particuliere of publieke — eigenaren had, maar „maatschappelijk kapitaal” was dat eigendom was van de brede bevolking. Het privatiseringsproces wilde dit abstracte concept vertalen in duidelijkere eigendomsstructuren via eigendomscertificaten die onder de bevolking werden verdeeld. Deze certificaten konden dan worden ingeruild tegen aandelen in vroegere „maatschappelijke” ondernemingen.

(31)

Bij dit proces werd een belangrijke rol gespeeld door de zogeheten erkende investeringsmaatschappijen (pooblaščene investicijske družbe — kortweg „PID” genoemd) en beheersmaatschappijen (družbe za upravljanje — „DZU's”), die werden opgericht om particuliere investeerders in staat te stellen hun certificaten te poolen. Deze certificaten werden vervolgens door de PID's omgezet in aandelen in diverse geprivatiseerde ondernemingen, terwijl de individuele beleggers op hun beurt aandelen in de PID ontvingen in plaats van rechtstreeks in de geprivatiseerde ondernemingen (het optreden van de PID valt enigszins te vergelijken met dat van een investeringsfonds).

(32)

Toch hadden de PID's geen vrij beschikbare middelen (hun investeringsmiddelen waren de certificaten) en ontbrak het hun aan professionele vaardigheden en ervaring om een actieve rol te spelen op het gebied van corporate governance. Bijgevolg zijn zij passieve eigenaren geweest, die weinig of geen rol hebben gespeeld in het beheer van de ondernemingen waarvan zij eigenaar waren.

(33)

Deze passieve investeerders maken een groot deel uit van de eigenaren van Javor Pivka (rond 44 % van het aandelenkapitaal). Zij beschikken niet over vers kapitaal om in de onderneming te investeren. Toen het herstructureringsplan werd opgesteld, werden namelijk alle institutionele eigenaren uitgenodigd deel te nemen aan de herfinanciering, maar niemand ging op deze oproep in. Nog eens 40 % van het aandelenkapitaal is verdeeld over 1 255 kleine aandeelhouders, zodat ten minste 80 % van het eigendom van Javor Pivka niet actief wordt beheerd.

3.   Herstel van de levensvatbaarheid

(34)

Wat dit punt betreft, verklaarde Slovenië dat de prognoses voor Javor Pivka's prestaties in het kader van het herstructureringsplan en het daarop volgende herstel van de levensvatbaarheid waren gebaseerd op in het herstructureringsplan verwerkte marktanalyses, verkoopprognoses in de diverse segmenten van de onderneming en marktonderzoek.

(35)

Om de betrouwbaarheid van die prognoses aan te tonen, verschafte Slovenië verdere additionele informatie. Met name verantwoordde Slovenië de bronnen voor de gegevens waarop de prognoses waren gebaseerd en gaf het verkoopprognoses voor de periode 2004-2006, uitgesplitst naar specifieke artikelen binnen het productassortiment van de onderneming.

4.   Compenserende maatregelen

(36)

Slovenië betoogde op dit punt dat geen compenserende maatregelen vereist waren, omdat er, gelet op Javor Pivka's verwaarloosbare marktaandeel, geen buitensporige mededingingsdistorsie is. Voorts voerde Slovenië aan dat bij de beoordeling of compenserende maatregelen nodig zijn, rekening dient te worden gehouden met het feit dat Javor Pivka is gevestigd in een regionaalsteungebied ex artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag (zie punt 54 van de richtsnoeren).

5.   Eigen bijdrage

(37)

Slovenië noemde de bronnen van Javor Pivka's eigen bijdragen zoals die in de tabel in overweging 18 van deze beschikking zijn uiteengezet. De herkomst van deze middelen is als volgt: het afstoten van activa (financiële activa en vastgoed) moest 958 427 170 SIT opleveren; nog eens 900 miljoen SIT zou komen van bankleningen tegen marktvoorwaarden, vrij van steun, en het resterende bedrag zou afkomstig zijn van de „afschrijving en waardevermindering” van activa (naar verwachting in totaal 1 111 786 000 SIT in de periode 2004-2006).

6.   Overige steun

(38)

Wat dit laatste punt betreft, deelde Slovenië de Commissie mee dat Javor Pivka staatssteun had ontvangen ten behoeve maatregelen voor energiebesparing. Deze steun was verleend in het kader van een regeling ter bevordering van hernieuwbare energiebronnen, efficiënt energiegebruik en warmtekrachtkoppeling. De steun was op 1 september 2003 verleend en op 19 februari 2004 uitgekeerd. Deze informatie werd door documenten gestaafd.

V.   BEOORDELING VAN DE STEUN

1.   De vraag of sprake is van staatssteun

(39)

Volgens artikel 87 van het EG-Verdrag zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(40)

De Commissie merkt op dat de steun uit staatsmiddelen aan een individuele onderneming is verleend. Ook is voldaan aan het criterium „begunstiging van een bepaalde onderneming”. Wat betreft de steun die in de vorm van een subsidie is verleend, ligt het voordeel voor de begunstigde voor de hand. In het geval van de garantie, kan het voordeel minder voor de hand liggend lijken, omdat Javor Pivka zekerheden heeft gesteld in de vorm van een hypotheek in ruil voor de garantie. Toch hebben de Sloveense autoriteiten ermee ingestemd om in ruil voor een hypotheek een garantie te verlenen in een ratio van 1:1 (het hypotheekbedrag is dus gelijk aan het door de garantie gedekte bedrag). Zakelijke kredietverstrekkers zouden evenwel geen lening hebben verstrekt tegen een hypotheekratio van lager dan 2,5:1. Javor Pivka zou toentertijd niet in staat zijn geweest voldoende hypotheken aan te bieden als zekerheid voor hetzelfde krediet tegen commerciële voorwaarden. De hypotheek die voor de garantie werd verleend, bestond toentertijd namelijk uit het volledige, nog onbezwaarde eigendom van Javor Pivka. Bijgevolg werd Javor Pivka door de garantie van de Sloveense autoriteiten begunstigd, omdat de onderneming een grotere lening kon krijgen dan zij anders had kunnen krijgen in ruil voor de zekerheden die zij kon stellen.

(41)

Aangezien er voor bewerkte houtproducten en meubelen handelsverkeer tussen Slovenië en andere lidstaten is, kan de maatregel de positie van de begunstigde onderneming ten opzichte van haar concurrenten in Slovenië en de EU verbeteren. Bijgevolg kan de steun de mededinging verstoren en het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden.

(42)

Daarom is de Commissie van oordeel dat de betrokken garantie en subsidie staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag vormen.

2.   Het bestaan van staatssteun

(43)

De Sloveense autoriteiten stelden eerst de vraag of de Commissie wel bevoegd was de steun aan de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag te toetsen, omdat de steun vóór de toetreding was verleend. Zoals de Commissie in haar besluit tot inleiding van de procedure had toegelicht, is het relevante criterium om te bepalen of de steun vóór of na de toetreding is verleend, het wettelijk bindende besluit waarbij de bevoegde nationale autoriteit staatssteun toezegt (8). Is dergelijk besluit niet vóór de toetreding genomen, dan vormt de maatregel nieuwe steun, zelfs indien de omvang van de rol van de staat voordien bekend was.

(44)

In deze zaak concludeert de Commissie dat het bindende besluit waarin de bevoegde nationale autoriteiten toezegden de steun te verlenen, niet vóór de toetreding van kracht werd. In de desbetreffende Sloveense bepalingen staat dat de steun wordt verleend bij regeringsbesluit op voorstel van het bevoegde ministerie. Ondanks dat voorafgaande besluiten van de interdepartementale deskundigencommissie en van het bevoegde ministerie inderdaad noodzakelijk zijn om te steun te verlenen, zijn zij toch niet voldoende om de steun toe te kennen. De eindbeslissing ligt bij de regering. In deze zaak werd het regeringsbesluit op 27 mei 2004 afgekondigd, terwijl Slovenië al per 1 mei 2004 tot de Europese Unie was toegetreden. Bijgevolg vormen de maatregelen nieuwe steun en dienden zij op grond van artikel 88 van het EG-Verdrag te worden aangemeld en aan artikel 87 van het EG-Verdrag te worden getoetst.

3.   Verenigbaarheid van de steun

(45)

Aangezien de betrokken steun herstructureringssteun is, is hij alleen met de gemeenschappelijke markt verenigbaar indien hij aan de criteria van de richtsnoeren voldoet.

(46)

Gelet op de opmerkingen van Slovenië en de informatie die in de loop van het onderzoek is verzameld, is de Commissie tot de volgende conclusies gekomen ten aanzien van de punten die haar de formele onderzoekprocedure deden inleiden.

3.1   Kwam de onderneming in aanmerking?

(47)

Gelet op de door Slovenië verschafte informatie is de Commissie van oordeel dat uit de prestaties van Javor Pivka, zoals die in deel II.1 werden beschreven, blijkt dat het op het tijdstip dat de staatssteun werd verleend inderdaad een onderneming in moeilijkheden betrof. De Commissie tekent met name aan dat Javor Pivka te kampen had met toenemende verliezen, een dalende omzet en een afnemende cashflow. De Commissie tekent verder aan dat de problemen pasten in een tendens voor de periode 2000-2004 en niet louter een uitzonderlijke gebeurtenis in 2003 waren.

(48)

De Commissie neemt voorts ook nota van de verklaringen van Slovenië betreffende de eigendomsstructuur van Javor Pivka. Gezien het passieve karakter en de geringe financiële middelen van de institutionele eigenaren van Javor Pivka en het over de overige aandeelhouders verbrokkelde eigendom, accepteert de Commissie dat de onderneming niet de nodige financiële middelen van haar aandeelhouders had kunnen krijgen. Om diezelfde redenen, en rekening houdend met het feit dat geen enkele eigenaar meer dan 15 % van het aandelenkapitaal van Javor Pivka in handen heeft, is de Commissie ook van oordeel dat Javor Pivka geen deel uitmaakt van een grotere bedrijvengroep.

(49)

De Commissie aanvaardt dan ook dat Javor Pivka voor herstructureringssteun in aanmerking kwam.

3.2   Herstel van de levensvatbaarheid

(50)

De Commissie heeft in haar besluit tot inleiding van de procedure aangegeven dat het onduidelijk was hoe het herstructureringsplan Javor Pivka in staat zou stellen zijn levensvatbaarheid op de lange termijn te herstellen. Dit hield vooral verband met de vijfjaarsprognoses die aangaven hoe de onderneming zich dankzij de herstructureringsmaatregelen waarschijnlijk zou ontwikkelen. De Commissie merkte op dat Slovenië niet de informatie had verschaft die de Commissie nodig heeft om de aannames betreffende de in het kader van het herstructureringsplan verwachte prestaties van Javor Pivka te kunnen beoordelen.

(51)

Tijdens de procedure diende Slovenië de additionele informatie in waarvan sprake in deel IV.3. In deze informatie wordt de grondslag voor deze aannames adequaat toegelicht. De Commissie tekent aan dat de prognoses voor Javor Pivka's verkoopprestaties thans misschien eerder optimistisch kunnen lijken, nu de sector in 2005-2006 te kampen kreeg met felle concurrentie uit het Verre Oosten, hetgeen resulteerde in een overaanbod en neerwaartse prijsdruk. Toch is niet duidelijk of deze informatie al begin 2004 bekend was. Bovendien merkte de Commissie in 2006 zelf op dat de productie en het verbruik van multiplexhout in de voorbije paar jaar aanzienlijk is gestegen, waarbij zich voor bepaalde kwaliteiten een sterke exportmarkt ontwikkelt (9). Aangezien de Commissie geen bewijs van het tegendeel heeft ontvangen waardoor de aannames van de onderneming of de eigen aannames van de Commissie ter discussie zouden komen te staan, ziet zij geen redenen om die te betwisten. Daarom vindt de Commissie dat de prognoses uit 2004 niet onwaarschijnlijk lijken en is haar twijfel op dat punt weggenomen.

3.3   Compenserende maatregelen

(52)

Volgens de punten 35 en 36 van de richtsnoeren dienen maatregelen te worden genomen om de nadelige gevolgen van de staatssteun voor concurrenten zoveel mogelijk te beperken. Toch zijn dergelijke compenserende maatregelen niet vereist wanneer het aandeel van de begunstigde onderneming op de relevante markt verwaarloosbaar is. In die gevallen zijn compenserende maatregelen dus geen voorwaarden om steun met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te kunnen verklaren.

(53)

De Commissie merkt op dat Javor Pivka, volgens de door de Sloveense autoriteiten verstrekte informatie, op diverse productmarkten actief was (multiplex, panelen voor bekistingen, fineerplaten en meubelen; zie overweging 22 van deze beschikking). Wat multiplex betreft, merkt de Commissie in de eerste plaats op dat in een concentratiezaak een marktonderzoek grotendeels heeft bevestigd dat de verschillende soorten houtplaat zoals multiplex, hardboard, onbewerkte spaanplaat en gecoate spaanplaat, decoratief laminaat (HPL/CPL) en houten paneeldelen voor meubelen en de bouwsector, tot afzonderlijke productmarkten behoren (10).

(54)

Met het oog op de afbakening van de relevante markt heeft Slovenië de Commissie een marktstudie meegedeeld waarin de marktaandelen voor de relevante productmarkten in de EU-25 zijn vermeld. Wat dit betreft, heeft de Commissie weinig redenen om af te wijken van de aanname in voetnoot 20 van de richtsnoeren dat de relevante markt de EER is. Zij herinnert eraan dat zij voordien in een concentratiezaak (11) een aantal marktonderzoeken heeft uitgevoerd naar de Europese sector houtproducten (daaronder met name begrepen spaanplaat) en dat zij daarbij concludeerde dat de relevante markt ruimer was dan de nationale markt en ten minste grensoverschrijdend regionaal was. Dit bleek ook uit grote grensoverschrijdende handelsstromen. Dat er ook voor multiplex vergelijkbare handelsstromen bestaan, wordt bevestigd door de door Slovenië verschafte cijfers en door de interne deskundigen van de Commissie. (Deze vaststelling vindt verdere bevestiging in het feit dat de intracommunautaire uitvoer van Javor Pivka goed is voor het overgrote deel van zijn omzet (55 %).) Voorts bleek er een „grensoverschrijdende, regionale markt” te bestaan die verband houdt met een afstand van rond 1 000 km, waarbij de afstand varieerde naar gelang de toegevoegde waarde van de producten — gecoate producten werden zelfs over een grotere afstand verhandeld dan niet-gecoate producten. Aangezien multiplex al een product van hogere kwaliteit is en de uitvoer vooral betrekking heeft op multiplex, liggen de vervoerskosten lager dan voor spaanplaat (en zelfs lager voor stoelen en andere multiplex meubelen). Op basis van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de relevante markt voor de door Javor Pivka vervaardigde producten zo niet de hele EER of de EU-25 dient te omvatten, dan toch een groot deel van de EU-25.

(55)

Aangezien het marktaandeel van Javor Pivka in de EU-25, zoals in punt II.4 aangegeven, 0,21 % bedraagt voor zijn hele productassortiment (in 2003), en dit aandeel in beginsel niet meer dan dubbel zo groot zou zijn indien de geografische markt met de helft werd verminderd, is de Commissie van oordeel dat het marktaandeel nog steeds ver onder 1 % ligt, hetgeen, in samenhang met het feit dat de markt een groot aantal kleine en middelgrote producenten omvat, als verwaarloosbaar kan worden beschouwd (12). Omdat deze beschikking is gebaseerd op de richtsnoeren van 1999, zijn er ook geen compenserende maatregelen nodig om te garanderen dat de staatssteun met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is.

3.4   Steun tot het minimum beperkt

(56)

Volgens punt 40 van de richtsnoeren moet de steun tot het voor de uitvoering van de herstructurering strikt noodzakelijke minimum zijn beperkt en wordt van de begunstigden van de steun verwacht dat zij met eigen middelen, „zo nodig door de verkoop van activa wanneer deze niet onontbeerlijk zijn voor het voortbestaan van de onderneming of door externe financiering tegen marktvoorwaarden”, een belangrijke bijdrage aan het herstructureringsplan leveren.

(57)

De eigen bijdrage van Javor Pivka aan de herstructurering werd in punt IV.5 beschreven. Vooraf dient te worden opgemerkt dat de Commissie waardevermindering van activa niet als een reële eigen bijdrage kan accepteren (13), omdat de onderneming daardoor geen middelen beschikbaar krijgt en zulks ook afhangt van toekomstige activiteiten die het gevolg zijn van de verstrekte staatssteun (14). Middelen uit deze bron kunnen dus niet in aanmerking worden genomen om de eigen bijdrage van Javor Pivka te berekenen.

(58)

Daartegenover staat dat de door Javor Pivka afgestoten activa niet van essentieel belang lijken te zijn voor de overleving van de onderneming en dat de opbrengsten van deze verkoop dus een reële eigen bijdrage vormen. Hetzelfde geldt voor de middelen die werden verzameld via leningen bij banken tegen marktvoorwaarden en vrij van steun. Alles samen genomen, komen de middelen uit deze bronnen uit op 2 119 650 000 SIT, hetgeen de Commissie beschouwt als Javor Pivka's eigen bijdrage aan de herstructurering.

(59)

De eigen bijdrage stemt overeen met 45,5 % van de totale herstructureringskosten, hetgeen kan worden beschouwd als een belangrijke bijdrage in de zin van de richtsnoeren (15). De steun lijkt ook tot het strikt noodzakelijke minimum te zijn beperkt, aangezien daarmee alleen de extra middelen worden verschaft die nodig zijn voor de technologische herstructurering en de herstructurering van het personeelsbestand, en de onderneming daarmee niet de beschikking krijgt over extra kasmiddelen.

3.5   Overige steun

(60)

Volgens het in de punten 48 tot 51 van de richtsnoeren beschreven beginsel dat herstructureringssteun eenmalig dient te zijn, kan de Commissie geen herstructureringssteun goedkeuren ten faveure van een onderneming die voordien herstructureringssteun heeft ontvangen. De Commissie is van oordeel dat dit beginsel vereist dat rekening wordt gehouden met alle herstructureringssteun die in de tien jaar vóór de te onderzoeken steun is verleend, ongeacht of de eerste staatssteun werd verleend vooraleer de steunverlenende lidstaat tot de EU toetrad. Staatssteun die voor andere doeleinden dan herstructurering wordt verleend, is in dit opzicht niet relevant.

(61)

Slovenië betoogde dat het doel van deze steun was energiebesparingen ten behoeve van het milieu te bevorderen. Er zijn geen elementen opgedoken die de Commissie aan deze gegevens zouden doen twijfelen. Daarom accepteert de Commissie dat deze steun niet ten behoeve van de herstructurering werd verleend en dat hij dus niet in aanmerking dient te worden genomen bij de toepassing van het beginsel dat herstructureringssteun eenmalig dient te zijn.

4.   Aanvullende opmerking

(62)

Tijdens de procedure is gebleken dat de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan vertraging opliep en dat sommige onderdelen van de technologische herstructurering niet volgens plan zijn uitgevoerd. Toch lijken deze problemen bij de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan nog niet zichtbaar te zijn geweest op het tijdstip dat de steun werd verleend. Daarom kunnen zij ook niet worden aangegrepen om ter discussie te stellen dat met het plan de levensvatbaarheid van Javor Pivka kan worden hersteld. Toch wil de Commissie herhalen dat steun alleen kan worden goedgekeurd indien het herstructureringsplan volledig ten uitvoer wordt gelegd (punt 43 van de richtsnoeren) en wordt gemonitord (punt 45 van de richtsnoeren).

(63)

De Commissie verwacht dan ook dat Slovenië, overeenkomstig punt 46 van de richtsnoeren, ten minste twee monitoringverslagen indient: één betreffende 2007 tegen eind januari 2008, en één betreffende 2008 tegen eind januari 2009. Die verslagen dienen nadere informatie te bevatten over de financiële prestaties van de onderneming en over de uitgevoerde investeringen. De Commissie benadrukt dat indien de onderneming niet alle in het herstructureringsplan voorziene investeringen uitvoert, zij misschien een deel van de staatsteun zal moeten terugbetalen, zelfs indien zij erin slaagt haar levensvatbaarheid te herstellen (16).

VI.   CONCLUSIE

(64)

Op grond van het bovenstaande komt de Commissie tot de bevinding dat de betrokken steun herstructureringssteun is die voldoet aan de voorwaarden van de toepasselijke richtsnoeren: de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun van 1999. Daarom concludeert de Commissie dat, ondanks dat Slovenië de herstructureringssteun ten gunste van Javor Pivka in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag ten uitvoer heeft gelegd, de staatssteun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De door Slovenië ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van Javor Pivka is overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag en de in 1999 goedgekeurde communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar.

Artikel 2

1.   Het herstructureringsplan wordt volledig ten uitvoer gelegd. Alle nodige maatregelen worden genomen om te garanderen dat het plan ten uitvoer wordt gelegd.

2.   De tenuitvoerlegging van het plan wordt gemonitord aan de hand van jaarlijkse verslagen die Slovenië de Commissie meedeelt. Een verslag over de activiteiten in 2007 wordt ingediend tegen eind januari 2008 en een verslag over de activiteiten in 2007 wordt ingediend tegen eind januari 2009. Deze verslagen bevatten nadere informatie over de financiële prestaties van de onderneming en over de uitgevoerde investeringen.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de Republiek Slovenië.

Gedaan te Brussel, 10 juli 2007.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  PB C 194 van 18.8.2006, blz. 26.

(2)  Nadere gegevens over de procedure werden beschreven in het besluit tot inleiding van de procedure (zie noot 1) en blijven relevant in het kader van onderhavige beschikking.

(3)  Zie voetnoot 1.

(4)  Cijfers per 30.1.2004.

(5)  Alle omrekeningen van bedragen in SIT in EUR zijn louter indicatief en gebaseerd op een wisselkoers van 1 EUR = 240 SIT.

(6)  Tijdens de procedure verklaarde Slovenië dat de kosten van de financiële herstructurering buiten het herstructureringsprogramma stonden en zouden worden gedekt door commerciële leningen die Javor Pivka zonder enige staatssteun had gekregen. Het betrokken bedrag van 400 miljoen SIT werd door Slovenië niet in de kosten van het herstructureringsprogramma opgenomen. De Commissie is echter van mening dat de financiële herstructurering een integrerend en noodzakelijk onderdeel van het herstructureringsprogramma is en dat de kosten ervan dan ook in de herstructureringskosten moeten worden opgenomen. De financiering ervan dient, voor zover die plaatsvindt via leningen tegen marktvoorwaarden en vrij van enige steun, te worden beschouwd als Javor Pivka's eigen bijdrage. De Commissie heeft in deze tabel, evenals elders in deze beschikking, deze bedragen opgenomen in de kosten van de herstructurering en in de eigen middelen.

(7)  Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(8)  Zie het besluit tot inleiding van de procedure (cf. noot 1), de punten 19 en 20, alsmede Beschikking nr. 2007/509/EG van de Commissie van 20 december 2006 betreffende steunmaatregel C 3/2005 (ex N 592/2004 (ex PL 51/2004)) die Polen voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van Fabryka Samochodów Osobowych SA (voorheen DAEWOO — FSO Motor SA), PB L 187 van 19.7.2007, blz. 30, de overwegingen 38 e.v.

(9)  Zie http://ec.europa.eu/enterprise/forest_based/tradeflows_en.html

(10)  Beschikking van de Commissie van 28 juni 2006 betreffende zaak nr. IV/M.4165 — Sonae Industria/Hornitex, overweging 11.

(11)  Beschikking van de Commissie van 28 juni 2006 betreffende zaak nr. IV/M.4165 — Sonae Industria/Hornitex.

(12)  Tenminste in het licht van andere aan de richtsnoeren van 1999 getoetste zaken; zie de beschikking in de zaak-Fabryka Samochodów Osobowych SA, reeds aangehaald, de overwegingen 38 e.v.

(13)  Besluit van de Commissie van 22 februari 2006 betreffende Steunmaatregel nr. N 464/05, Restruktūrizavimo pagalba AB Kauno ketaus liejykla, PB C 270 van 7.11.2006, blz. 5, overweging 17.

(14)  Dit werd bevestigd, wat betreft kasstromen getoetst aan de richtsnoeren van 1999, in Beschikking nr. 2002/185/EG van de Commissie van 12 juni 2001 betreffende staatssteun van Duitsland ten gunste van Technische Glaswerke Ilmenau GmbH, Duitsland (PB L 62 van 5.3.2002, blz. 30, overweging 106) en Beschikking nr. 2000/698/EG van de Commissie van 13 juni 2000 betreffende de door Duitsland toegekende staatssteun ten gunste van Wildauer Kurbelwelle GmbH (PB L 287 van 14.11.2000, blz. 51, overweging 52) en, wat betreft de richtsnoeren van 2004, in de zaak-AB Kauno (zie noot 12).

(15)  Zie ook Beschikking nr. 2003/282/EG van de Commissie van 27 november 2002 betreffende de staatssteun die Duitsland heeft verleend aan Doppstadt GmbH (PB L 108 van 30.4.2003, blz. 8, overweging 74) en Beschikking nr. 2002/200/EG van de Commissie van 3 juli 2001 betreffende de staatssteun die Spanje ten uitvoer heeft gelegd en voornemens is ten uitvoer te leggen voor de herstructurering van Babcock Wilcox España SA (PB L 67 van 9.3.2002, blz. 50).

(16)  Zie het besluit van de Commissie van 13 september 2006 betreffende Steunmaatregel nr. N 350/06 — Změna restrukturalizačního plánu společnosti MSO, PB C 280 van 18.11.2006, blz. 4.


2.2.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/24


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 10 juli 2007

betreffende de Italiaanse steunregelingen C 23/96 (NN 181/95) en C 71/97 (N 144/97) ten gunste van de scheepvaartsector op Sardinië

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3257)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/92/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben verzocht hun opmerkingen kenbaar te maken,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   DE PROCEDURE

(1)

Bij schrijven van 24 juni 1996 (1) heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag (ex artikel 93, lid 2) in te leiden ten aanzien van een onrechtmatige steunregeling die de regio Sardinië ten uitvoer had gelegd ten gunste van scheepvaartmaatschappijen die schepen willen bouwen, verwerven, aanpassen of repareren (hierna „de oorspronkelijke steunregeling” genoemd).

(2)

Na de inleiding van de procedure heeft de Italiaanse regering de Commissie haar opmerkingen doen toekomen bij schrijven van 31 oktober 1996 (DG VII — Transport A/23443). De autoriteiten van de regio Sardinië hebben hun opmerkingen gezonden bij brieven van 11 oktober 1996 (DG VII — Transport A/21870) en 22 januari 1997. De overige lidstaten noch andere belanghebbenden hebben opmerkingen ingediend binnen de termijn van één maand te rekenen vanaf de bekendmaking van het besluit tot inleiding van de procedure. Wel zij hier vermeld dat enkele belanghebbenden hun opmerkingen hebben gemaakt na het verstrijken van die termijn.

(3)

Op 21 oktober 1997 heeft de Commissie Beschikking 98/95/EG gegeven, waarbij de betrokken steunregeling onverenigbaar werd verklaard met de gemeenschappelijke markt (2). Op 12 november 1997 is deze beschikking de Italiaanse autoriteiten ter kennis gebracht (SG(97) D/9375).

(4)

Bij schrijven van 14 november 1997 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag (ex artikel 93, lid 2) in te leiden ten aanzien van de Sardijnse regionale wet nr. 9 van 15 februari 1996 tot wijziging van de oorspronkelijke steunregeling ten faveure van scheepvaartmaatschappijen (3). De Italiaanse autoriteiten hebben op 16 januari 1998 (DG VII — Transport A/1221) en 23 december 1997 (DG VII — Transport A/144) hun opmerkingen gemaakt. De overige lidstaten noch andere belanghebbenden hebben opmerkingen ingediend binnen de vastgestelde termijn van één maand te rekenen vanaf de bekendmaking van het besluit tot inleiding van de procedure.

(5)

Op 19 oktober 2000 heeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 19 oktober 2000 in de gevoegde zaken-Sardegna Lines en Servizi Marittimi della Sardegna (4) Beschikking 98/95/EG nietig verklaard wegens onvoldoende motivering wat betreft het bestaan van ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer.

(6)

Na een schrijven van de Commissie van 23 november 2006 (D(2006) 224962) waarin de Italiaanse autoriteiten om inlichtingen werd gevraagd, werd bij e-mail van 8 maart 2007 een antwoord gezonden (TRENA/26193).

2.   BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL

2.1.   De oorspronkelijke regeling

(7)

Na een klacht in 1993 had de Commissie kennis gekregen van een steunregeling die de regio Sardinië had ingesteld ten faveure van scheepvaartmaatschappijen die schepen willen bouwen, verwerven, verbouwen of repareren. Het ging met name om kredieten en financiële leasing, die tegen gunstige voorwaarden werden verleend en die aanvankelijk uitsluitend werden verleend aan ondernemingen die hun hoofdzetel, fiscale vestigingsplaats en thuishaven op het grondgebied van de regio Sardinië hebben.

(8)

De betrokken regeling werd ingesteld bij de Sardijnse regionale wet nr. 20 van 15 mei 1951 (hierna „wet nr. 20/1951” genoemd), achtereenvolgens gewijzigd bij regionale wet nr. 15 van 11 juli 1954 (hierna „wet nr. 15/1954” genoemd) en regionale wet nr. 11 van 4 juni 1988 (hierna „wet nr. 11/1988” genoemd). Bij wet nr. 20/1951, gewijzigd bij wet nr. 15/1954, is een fonds in het leven geroepen voor kredieten ten behoeve van scheepvaartmaatschappijen die voornemens zijn schepen te bouwen, te kopen, te verbouwen of te repareren. Deze kredieten konden uitsluitend worden toegekend aan ondernemingen die hun maatschappelijke zetel, hun fiscale woonplaats en hun thuishaven in het gebied van de regio Sardinië hadden.

(9)

Deze kredieten mochten niet méér belopen dan 20 % van de investering in het geval van bouw, verbouwing of reparatie van schepen waarvoor de aanvrager uit hoofde van de destijds geldende nationale wetgeving reeds steun had gekregen. Ingeval geen dergelijke steun uit hoofde van de nationale wetgeving was verleend, mocht het krediet niet meer dan 60 % van de investeringskosten bedragen.

(10)

Volgens wet nr. 20/1951 mochten de rente, de commissies en de verdere kosten van de kredieten niet meer bedragen dan 4,5 % per jaar van het geleende bedrag wanneer de betrokken onderneming reeds steun krachtens de vigerende nationale wetgeving was verleend, en 3,5 % in alle overige gevallen (een gemiddelde rentekorting van 10-12 procentpunt). Het kapitaal diende te worden terugbetaald in ten hoogste twaalf tranches, vanaf het derde jaar na het in de vaart brengen van het schip waarvoor het krediet was verleend.

(11)

Met de artikelen 99 en 100 van wet nr. 11/1988 werden substantiële aanpassingen aan de steunregeling doorgevoerd, maar deze wijzigingen werden niet bij de Commissie gemeld. De steunregeling was dus in haar gewijzigde vorm niet-aangemelde steun.

(12)

Aan de voorwaarden van wet nr. 20/1951 voor de toekenning van steun aan de begunstigde ondernemingen zijn de volgende voorwaarden toegevoegd:

„a)

de onderneming heeft haar werkelijke hoofdzetel, haar administratieve zetel en haar scheepvaartbedrijf, en, indien van toepassing, haar voornaamste magazijnen, opslagruimten en bijkomende faciliteiten permanent in een van de havens van de regio;

b)

alle schepen van de onderneming zijn ingeschreven in een van de havens van de regio;

c)

de onderneming gebruikt de havens van de regio als het centrum van haar scheepvaartactiviteiten, zodat zij in het kader van die activiteiten normale aanloophavens worden en, wanneer de onderneming geregelde diensten exploiteert, deze diensten hun eindbestemming in één of meer van deze havens hebben of de desbetreffende schepen die haven of havens regelmatig aandoen;

d)

de onderneming verbindt zich ertoe, verbouwings- en herstelwerkzaamheden in een haven van de regio te laten uitvoeren, voor zover de Sardijnse scheepswerven de vereiste capaciteit hebben en er geen overmacht, onvermijdelijke bevrachtingseisen of duidelijke economische of tijdsbeperkingen bestaan;

e)

wat de bemanning van schepen met meer dan 250 brutoregisterton (brt) betreft, stelt de onderneming een speciale bemanningslijst vast voor alle categorieën zeelieden die nodig zijn om het schip waarvoor steun is aangevraagd te bemannen; zij werft uitsluitend bemanningsleden aan die zijn geregistreerd op de algemene bemanningslijst van de haven van inschrijving, en selecteert uit deze lijsten, zowel de speciale als de algemene, alle bemanningsleden, met als enige beperking de nationale wetgeving op de indienstneming van zeelieden.”

(13)

Voorts werd met wet nr. 11/1988 voor de Sardijnse autoriteiten de mogelijkheid ingevoerd om een bijdrage in de vorm van een rentesubsidie te verlenen aan de scheepvaartmaatschappijen die leasing als financieringsinstrument boven kredieten verkiezen. Deze subsidie is gelijk aan het verschil tussen de werkelijke kosten van een krediet, berekend tegen de referentierentevoet op de Italiaanse markt voor scheepskredieten, en de rentelasten van een krediet voor hetzelfde bedrag berekend tegen een rente van 5 % (dit saldo stemt overeen met een gemiddelde rentekorting van rond 10 procentpunt).

(14)

Aan het einde van het contract kan de leasingnemer de schepen waarvoor een subsidie is uitgekeerd, verwerven tegen een bedrag van 1 % van de aanschafprijs. Volgens de Italiaanse autoriteiten (schrijven van 5 juni 1998 en antwoord van 1 juli 1998) heeft in de zin van wet nr. 11/1988 geen financiële leasing plaatsgevonden.

(15)

Volgens de gegevens waarover de Commissie beschikt is sinds de inwerkingtreding van de oorspronkelijke steunregeling voor in totaal 12 697 450 000 ITL (rond 6,5 miljoen EUR) aan kredieten verstrekt. De laatste financiering waartoe zou zijn besloten, zou in december 1991 hebben plaatsgevonden.

(16)

In hun laatste brief (van 8 maart 2007) betogen de Italiaanse autoriteiten dat de op basis van de wet van 1988 toegekende financiering de aanschaf van schepen tussen 24 en 138 brt betrof. Die schepen zouden in hoofdzaak bestemd zijn voor vervoersactiviteiten in de kustvaart, op een markt die toentertijd nog niet voor concurrentie was opengesteld.

2.2.   Twijfel ten aanzien van de oorspronkelijke steunregeling waarop de procedure betreffende Steunmaatregel nr. C 23/96 ziet

(17)

Bij de inleiding van de procedure op 24 juni 1996 formuleerde de Commissie, op basis van de haar ter beschikking staande informatie, ernstige twijfel ten aanzien van de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt, en wel hierom:

de steunregeling bevatte discriminerende voorwaarden op grond van nationaliteit, omdat als een van de voorwaarden voor toekenning van de steun werd gesteld dat de begunstigde ondernemingen Sardijnse bemanningsleden in dienst moeten hebben;

de regeling was in strijd met het beginsel van vrijheid van vestiging, omdat een van de voorwaarden voor de toekenning van steun was dat de begunstigde ondernemingen hun wettelijke zetel op Sardinië hadden;

de regeling omvatte steun ter stimulering van investeringen in schepen op voorwaarden die met het Gemeenschapsrecht strijdig konden zijn.

2.3.   De bij wet nr. 9 van 15 februari 1996 gewijzigde steunregeling

(18)

Om wet nr. 20/1951 in overeenstemming te brengen met het Gemeenschapsrecht en de richtsnoeren ter zake, hebben de regionale autoriteiten bij regionale wet nr. 9 van 15 februari 1996 (hierna „wet nr. 9/1996” genoemd) de oorspronkelijke steunregeling als volgt gewijzigd:

a)

de op nationaliteit gebaseerde discriminerende elementen zijn geschrapt;

b)

een nieuwe voorwaarde is ingevoerd, op basis waarvan een voorkeur geldt voor innovatieve en high-techvervoersmiddelen;

c)

technische aanpassingen zijn doorgevoerd: de looptijd van de kredieten/financiële leasing mag niet meer dan 12 jaar bedragen en het bedrag ervan moet 70 % van de verwachte kosten onderschrijden, met een maximum van 40 miljard ITL (rond 20 miljoen EUR) per schip; de steun wordt verleend in de vorm van een rentesubsidie die overeenstemt met het saldo tussen het afschrijvingspercentage berekend tegen het referentiepercentage voor scheepskredieten in Italië, en het percentage berekend als 36 % van datzelfde referentiepercentage;

d)

een systeem wordt ingesteld om er op toe te zien dat niet tweemaal steun wordt verleend (door de nationale en door de regionale autoriteiten) ten behoeve van dezelfde kredieten/financiële leasing.

2.4.   Twijfel geformuleerd in het kader van de procedure betreffende Steunmaatregel nr. C 71/97

(19)

In haar besluit van 14 december 1997 heeft de Commissie weliswaar nota genomen van het feit dat de aangemelde steunregeling geen bepalingen meer bevatte die een discriminatie bevatten welke het recht op vestiging zou schenden, maar had zij ernstige twijfel of de wijzigingen wel met de gemeenschappelijke markt verenigbaar waren, en wel hierom:

risico op conflicten met de toen voor de scheepsbouwsector vigerende communautaire regels (5);

de steunregeling was in strijd met toentertijd geldende communautaire richtsnoeren betreffende overheidssteun voor het zeevervoer (6);

het bestaan van onrechtmatige exploitatiesteun, toegekend in de vorm van leasing tegen gunstige voorwaarden voor de aanschaf van schepen.

2.5.   Beschikking 98/95/EG van de Commissie

(20)

In haar Beschikking 98/95/EG merkte de Commissie, zonder zich uit te spreken over de nadien aangebrachte wijzigingen, de krachtens de oorspronkelijke regeling als staatssteun aan, omdat „a) de begunstigde ondernemingen worden ontheven van een financiële last die zij normaal zouden moeten dragen (normale marktrente en andere lasten uit leningen of leasing); b) deze last met overheidsmiddelen (in het bijzonder van de Sardinische overheid) [wordt] bekostigd; c) de steun selectief [is] (hij is gereserveerd voor de scheepvaartsector); d) de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig [beïnvloedt]”.

(21)

Wat punt d) betreft, stelde de Commissie in haar besluit tot inleiding van de procedure vast dat „meer dan 90 % van de goederen uit de lidstaten over zee naar Sardinië wordt vervoerd en dat meer dan 90 % van de goederen die afkomstig zijn uit Sardinië langs dezelfde weg naar de lidstaten wordt vervoerd. Daarnaast wordt vastgesteld, dat 65 % van het vervoer van toeristen (passagiers met voertuigen) tussen de Gemeenschap en Sardinië door scheepvaartmaatschappijen wordt verzorgd.” De Commissie tekende voorts aan dat de Italiaanse autoriteiten in hun opmerkingen die cijfers niet hadden betwist, en dat de steunregeling evenmin als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, is aan te merken.

(22)

In het licht van het bovenstaande concludeerde de Commissie dat:

a)

de financiële steun die krachtens wet nr. 11/1988 was verleend, staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 87, lid 1) vormde;

b)

de steun in strijd met artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3) was verleend, en

c)

in die zaak geen van de afwijkingen van artikel 92 van toepassing was.

Bijgevolg had de Commissie geëist dat Italië de onrechtmatige steun die op grond van de steunregeling uit 1988 was verleend, zou terugvorderen (artikel 2).

2.6.   Het arrest van 19 oktober 2000 en de juridische gevolgen ervan

(23)

In zijn arrest van 19 oktober 2000 in de gevoegde zaken Sardegna Lines en Servizi Marittimi della Sardegna (7) heeft het Hof van Justitie Beschikking 98/95/EG nietig verklaard wegens onvoldoende motivering wat betreft het bestaan van ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer.

(24)

Het Hof had vastgesteld dat de Commissie zich had beperkt tot de blote stelling dat de steun van selectieve aard is en aan de scheepvaartsector op Sardinië is voorbehouden en de vaststelling dat meer dan 90 % van de goederen tussen de lidstaten en Sardinië over zee wordt vervoerd en 65 % van het vervoer van toeristen (passagiers met voertuigen) tussen de Gemeenschap en Sardinië door scheepvaartmaatschappijen wordt verzorgd, maar niets had vermeld over de mededinging tussen de Sardijnse scheepvaartmaatschappijen en de scheepvaartmaatschappijen die in de andere lidstaten zijn gevestigd. Volgens het Hof heeft de Commissie aldus buiten beschouwing gelaten dat cabotage met de eilanden in de Middellandse Zee tot 1 januari 1999 was uitgesloten van de liberalisatie van de zeevervoerdiensten binnen de lidstaten.

(25)

Ten slotte merkte het Hof op dat de Commissie weliswaar had vastgesteld dat de steunregeling ten gunste van de Sardijnse reders een schending was van de fundamentele beginselen van de vrijheid van vestiging en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, maar zich niet op die schending had gebaseerd om de verstoring van het handelsverkeer tussen lidstaten aan te tonen.

(26)

In het arrest van 19 oktober 2000 werd de heropening bevolen van de formele onderzoekprocedure die bij besluit van 24 juni 1996 was ingeleid. Bijgevolg staat het aan de Commissie een nieuwe eindbeschikking te geven.

(27)

De Commissie dient niet alleen een nieuwe beschikking te geven na de gedeeltelijke nietigverklaring van Beschikking 98/95/EG door het Hof, maar zij dient zich ook uit te spreken over de aanpassing van de regeling die bij wet nr. 9/1996 werd ingevoerd, maatregel waarop de inleiding van de onderzoekprocedure van 14 november 1997 ziet. De Commissie had destijds weliswaar besloten de beide regelingen afzonderlijk te onderzoeken, maar in onderhavige beschikking dient zij deze regelingen gezamenlijk te onderzoeken om de impact van beide regelingen te kunnen bepalen.

3.   OPMERKINGEN VAN ITALIË

3.1.   Opmerkingen ten aanzien van de oorspronkelijke steunregeling ingediend in het kader van de procedure betreffende Steunmaatregel nr. C 23/96

(28)

In het kader van de procedure betreffende Steunmaatregel nr. C 23/96 hadden de Italiaanse autoriteiten de Commissie bij schrijven van 31 oktober 1996 de wijzigingen meegedeeld die zij aan de oorspronkelijke steunregeling hadden aangebracht om die, in hun ogen, met het Gemeenschapsrecht in overeenstemming te brengen. De voornaamste wijziging was de goedkeuring van regionale wet nr. 9/1996 waarmee de discriminerende bepalingen op grond van nationaliteit en de bepalingen die het beginsel van vrijheid van vestiging schonden, werden ingetrokken. De Italiaanse autoriteiten deelden de Commissie voorts mee dat zij een controlemechanisme hadden ingevoerd om uit te sluiten dat tweemaal steun werd verleend (door de nationale en door de regionale autoriteiten).

(29)

Bij brieven van 11 oktober 1996 en 22 januari 1997 rechtvaardigden de regionale autoriteiten de noodzaak van de uit de aanpassingen van wet nr. 9/1996 voortvloeiende aanpassingen onder meer door te wijzen op de moeilijke economische situatie op Sardinië, dat als regio van doelstelling 1 is erkend.

3.2.   Opmerkingen ten aanzien van de gewijzigde steunregeling ingediend in het kader van de procedure betreffende Steunmaatregel nr. C 71/97

(30)

Wat betreft de opmerkingen die in het kader van de procedure betreffende Steunmaatregel nr. C 71/97 werden ingediend, voerden de Italiaanse autoriteiten in de eerste plaats aan dat zij de communautaire voorschriften waarnaar de Commissie in haar besluit tot inleiding van de procedure verwees, onmogelijk konden kennen. Zij voerden namelijk aan dat Verordening (EG) nr. 3094/95 van de Raad (8), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1904/96 van de Raad, en de communautaire richtsnoeren betreffende overheidssteun voor het zeevervoer van 1997 pas na de bekendmaking van wet nr. 9/1996 waren bekendgemaakt.

(31)

Ten tweede benadrukte Italië dat de maatregelen waarin door wet nr. 9/1996 wordt voorzien, niet ten uitvoer zijn gelegd en dat er tegenover derden nog geen enkele financiële verbintenis was aangegaan. Voorts betoogde Italië dat de voorziene maatregelen noodzakelijk waren om het hoofd te bieden aan het ontbreken van schaalvoordelen in de koopvaardijsector en het passagiersvervoer in een eilandregio zoals Sardinië.

(32)

Tot slot verklaarden de Italiaanse autoriteiten zich bereid de wettekst aan te passen en aan alle geldende communautaire normen te voldoen.

4.   BEOORDELING VAN DE STEUN

4.1.   Beoordeling van de oorspronkelijke regeling van toepassing in de periode 1988-1996

(33)

De Commissie is van oordeel dat de Italiaanse autoriteiten, door het niet aanmelden van de betrokken steunregeling ten gunste van de op Sardinië geregistreerde ondernemingen die schepen wilden bouwen, verwerven, aanpassen of repareren, hun verplichtingen uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, (ex artikel 93, lid 3) niet zijn nagekomen. Zelfs indien de regeling immers is ingesteld vóór de inwerkingtreding van het Verdrag, dan nog zijn met wet nr. 11/1988 aanzienlijke wijzigingen aangebracht aan de steunregeling die bij wet nr. 20/1951 en wet nr. 15/1954 is ingesteld. De in 1988 ingevoerde wijzigingen hadden dus bij de Commissie moeten worden aangemeld en vormen dus nieuwe, niet-aangemelde steun. Deze kwalificatie is trouwens niet door de Italiaanse autoriteiten betwist in de opmerkingen die zij na de inleiding van de procedure van 24 juni 1996 indienden, en wordt dus in deze beschikking bevestigd.

(34)

De Commissie merkt op dat de betrokken maatregel staatssteun vormt in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag. De Sardijnse ondernemingen kregen immers een gunstigere rente dan de marktrente en zagen hun andere extra kosten in verband met de kredieten en de financiële leasing verminderd. Daardoor werden zij van financiële lasten bevrijd die zij, onder normale omstandigheden, hadden moeten dragen. De Commissie tekent aan dat deze lasten werden gefinancierd uit publieke middelen en dat de steun selectief was omdat hij was voorbehouden voor op Sardinië gevestigde ondernemingen uit de scheepvaartsector.

(35)

Voorts merkt de Commissie op dat de maatregel het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig beïnvloedt. De door de Italiaanse autoriteiten ten uitvoer gelegde regeling ziet immers op Sardijnse scheepvaartmaatschappijen over het algemeen, ongeacht of zij cabotagediensten verrichten of internationale vervoersdiensten. Het is inderdaad zo dat met Verordening (EEG) nr. 3577/92 (9), waarmee de markt voor cabotage in het zeevervoer binnen de Gemeenschap is geliberaliseerd, de liberalisatie van de cabotage met de eilanden in de Middellandse Zee tot 1 januari 1999 was uitgesloten. Daartegenover staat echter dat de beïnvloeding van het handelsverkeer op de markt voor zeevervoersdiensten tussen verschillende lidstaten — met name het Franse, Spaanse en Italiaanse vasteland — niet van het toepassingsbereik van die verordening is uitgesloten. In dat verband zij opgemerkt dat de betrokken steun niet beperkt bleef tot cabotage — dus tot de zeevervoersdiensten binnen de Italiaanse territoriale wateren — die vanaf 1 januari 1999 was geliberaliseerd, maar ook betrekking had op de Sardijnse scheepvaartmaatschappijen die op de al sinds 1986 geliberaliseerde markt voor internationale zeevervoersdiensten (10) actief zijn, en dus mogelijk met andere communautaire marktdeelnemers konden concurreren.

(36)

Uit de gegevens waarover de Commissie beschikt (11), blijkt immers dat er in de periode 1992-1997 onder meer zeevervoer door commerciële zeeschepen (en kruisvaartschepen) was, van en naar havens op Sardinië, van en naar andere bestemmingen binnen en buiten de Gemeenschap. Met name zij gewezen op de aanwezigheid van een Franse maatschappij die vanuit Toulon op Sardinië vaart, en van twee Italiaanse maatschappijen die vanuit Corsica op Sardinië varen. Deze omstandigheden bewijzen dat er in die periode (de periode 1988-1996) een impact op het handelsverkeer voor internationale zeevervoersdiensten tussen Italië en bepaalde lidstaten was.

(37)

In hun laatste brief van 8 maart 2007 betogen de Italiaanse autoriteiten dat de op basis van wet nr. 11/1988 toegekende financiering de aanschaf van schepen tussen 24 en 138 ton betrof. Die schepen zouden in hoofdzaak bestemd zijn voor vervoersactiviteiten in de kustvaart, op een markt die toentertijd nog niet voor concurrentie was opengesteld. Gebleken is echter dat in ten minste twee gevallen de regeling ook is toegepast voor de aanschaf van veerboten voor het vervoer van passagiers met voertuigen tussen Sardinië en het vasteland, die andere nationale en communautaire marktdeelnemers konden beconcurreren. De Italiaanse autoriteiten hebben verklaard dat zij voor de betrokken periode niet beschikken over gegevens betreffende het passagiers- en vrachtvervoer tussen Sardinië en de rest van Italië of tussen Sardinië en andere landen van de Gemeenschap.

(38)

Voorts zij aangetekend dat Verordening (EEG) nr. 3577/92 betreffende de cabotage niet uitsloot dat er concurrentie was tussen de ondernemingen op de markt voor het zeevervoer tussen Sardinië en het Italiaanse schiereiland in de periode vóór 1 januari 1999, omdat buitenlandse ondernemingen het recht hadden om in Italië cabotagediensten in het zeevervoer te verrichten, als ze hun schepen in die lidstaat lieten registreren, zonder dat zij evenwel aanspraak konden maken op de aan de Sardijnse reders voorbehouden steunregeling. Voorts heeft deze regeling ten gevolge gehad dat de scheepvaartmaatschappijen uit andere lidstaten werden ontmoedigd dochterondernemingen in Italië op te richten met het oog op het verrichten van cabotagediensten in het zeevervoer met Sardinië, aangezien zij in ieder geval niet voor de betrokken steun in aanmerking konden komen en hadden moeten concurreren met andere ondernemingen die wel dit soort steun hadden kunnen krijgen.

(39)

Om de hierna nader uiteen te zetten redenen kan geen van de afwijkingen van artikel 87, leden 2 en 3, (ex artikel 92, leden 2 en 3) in deze zaak worden toegepast.

(40)

De Italiaanse autoriteiten verklaren dat de steun noodzakelijk was om de ontwikkeling mogelijk te maken van een regio die zich in een moeilijke economische situatie bevindt.

(41)

Ondanks dat Sardinië een regio is die voor regionale steun in aanmerking komt, kan de afwijking van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag niet worden toegepast omdat de betrokken steun niet is verleend om de regionale ontwikkeling te bevorderen, doch enkel beperkt is tot het begunstigen van scheepvaartmaatschappijen. De Italiaanse autoriteiten hebben namelijk onvoldoende aangetoond hoe de regeling ten faveure van de Sardijnse scheepvaartmaatschappijen de ontwikkeling van de regio mogelijk had kunnen maken in de zin van de toentertijd geldende communautaire regels, de mededeling van de Commissie inzake de wijze van toepassing van artikel 92, lid 3, onder a) en c), op regionale steunmaatregelen (12). Zelfs indien de regio Sardinië voorkomt op de lijst van regio's die ten behoeve van artikel 92, lid 3, onder a), (cf. bijlage I bij genoemde mededeling) wordt voorgesteld, is nog niet aangetoond dat de maatregel noodzakelijk was voor initiële investeringen of het scheppen van werkgelegenheid, noch dat deze kon worden aangemerkt als exploitatiesteun, die beperkt is in de tijd en dient om bijzondere of permanente handicaps van de regio te compenseren, en zo de duurzame en evenwichtige ontwikkeling van de lidstaat mogelijk maakt, zonder een capaciteitoverschot in de betrokken sector te veroorzaken.

(42)

Bovendien dient volgens die mededeling de regionale steun de communautaire kaderregelingen en richtsnoeren voor bepaalde sectoren zoals de scheepsbouw na te leven, hetgeen, zoals verder zal worden aangetoond, bij deze steunregeling niet het geval is.

(43)

Bijgevolg komt de steun niet in aanmerking voor de afwijking van artikel 87, lid 3, onder a).

(44)

Evenmin kan een beroep worden gedaan op de afwijking van artikel 87, lid 3, onder c), betreffende steun om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken, aangezien de betrokken regeling niet voldoet aan de communautaire richtsnoeren zoals die in de periode 1988-1996 van toepassing waren. Volgens de toentertijd geldende regels, de richtsnoeren voor het onderzoek van steunmaatregelen van de staten aan scheepvaartondernemingen in de Gemeenschap (1989), hoofdstuk II (13), kon deze steun worden verleend mits daardoor de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Volgens de zevende alinea van datzelfde hoofdstuk II „[zou] dan ook het gemeenschappelijk belang worden gediend door maatregelen beogende in de eerste plaats het onder communautaire vlag houden van schepen, d.w.z. het tegengaan van de ontwikkelingen naar het onder goedkope vlag brengen, met name via verbetering van de technologische scheepsuitrusting en in de tweede plaats de tewerkstelling van zoveel mogelijk zeelieden uit de Gemeenschap op deze schepen”. In deze zaak hebben de Italiaanse autoriteiten geen afdoende informatie verschaft om aan te tonen dat de oorspronkelijke regeling van de regio Sardinië kon worden gerechtvaardigd door een verbetering van de veiligheid van de schepen of het behoud van banen voor zeelieden uit de Gemeenschap.

(45)

Voorts kan, volgens hoofdstuk III, punt 6, van diezelfde richtsnoeren betreffende staatssteun aan scheepvaartmaatschappijen, de steun enkel aan deze ondernemingen worden uitgekeerd ten behoeve van het bouwen, verbouwen of repareren van schepen mits de maxima uit de communautaire regels en met name Richtlijn 87/167/EEG van de Raad van 26 januari 1987 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (14), die werd gevolgd door Richtlijn 90/684/EEG van de Raad (15) en Verordening (EG) nr. 3094/95 van de Raad (16), worden nageleefd. In artikel 4 van Richtlijn 87/167/EEG was bepaald: „Productiesteun ten behoeve van de scheepsbouw of -verbouwing kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits het totale bedrag van de steun voor een bepaald contract in subsidie-equivalent niet meer bedraagt dan een gemeenschappelijk steunplafond, uitgedrukt in een percentage van de waarde van het contract vóór de steun, hierna „plafond” genoemd.”

(46)

In dat verband staat het aan de nationale autoriteiten om de naleving te garanderen van de communautaire regels inzake steunverlening aan de scheepsbouw, regels waarop de Commissie geen afwijkingen kan toestaan. Omdat het voor zich spreekt dat de naleving van de communautaire regels een van de voorwaarden is om de betrokken steun verenigbaar te kunnen verklaren, dient de lidstaat de naleving van die regels aan te tonen door „alle gegevens te verstrekken aan de hand waarvan [de Commissie] kan nagaan, of aan de voorwaarden voor de gevraagde afwijking is voldaan” (arrest van 28 april 1993, zaak C-364/90, Italië /Commissie, Jurispr. 1993, blz. I-2097, de punten 20 e.v.).

(47)

Aangezien de Italiaanse autoriteiten geen enkele informatie hebben verschaft ten aanzien van het feit dat bij het totale toegekende steunbedrag het plafond van artikel 4 van Richtlijn 87/167/EEG werd nageleefd (17), en bij gebreke van enige andere informatie over de verenigbaarheid van de oorspronkelijke maatregel met genoemde verordening en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 3094/95 (18), dient te Commissie te concluderen dat de steun zelfs niet bestaanbaar is met de regels inzake de scheepsbouw (19).

(48)

Bovendien kan op deze afwijkingen geen beroep worden gedaan om een steunregeling goed te keuren die met de algemene Verdragsbeginselen in strijd is. De Commissie is namelijk van oordeel dat de steunregeling voor Sardijnse rederijen met het Gemeenschapsrecht onbestaanbaar is omdat diverse van de aanvullende voorwaarden die bij wet nr. 11/1988 zijn ingevoerd, de basisbeginselen van de vrijheid van vestiging (artikel 52) en het verbod op elke discriminatie op grond van nationaliteit (artikel 6 en artikel 48, lid 2) schenden.

(49)

In strijd met artikel 52 van het Verdrag was in de steunregeling niet alleen bepaald dat de begunstigde onderneming op Sardinië moest zijn gevestigd, maar ook dat haar administratieve zetel en haar scheepvaartbedrijf, alsmede haar eventuele voornaamste magazijnen, opslagruimten en bijkomende faciliteiten permanent in een van de havens van de regio dienden te zijn gevestigd. Voorts werd geëist dat alle schepen van de begunstigde onderneming — en dus niet alleen de schepen die krachtens deze regeling steun hebben ontvangen — op Sardinië zijn geregistreerd.

(50)

Daarnaast volgt uit artikel 99, onder e), van wet nr. 11/1988, en gelijk het Hof van Justitie in zijn arrest van 19 oktober 2000 aantekende (punt 19), de verplichting dat op schepen van meer dan 250 ton een minimumaantal van de aan boord werkzame zeelieden moeten zijn ingeschreven in de algemene bemanningslijst van de Sardijnse haven waar het schip is geregistreerd. Voor de begunstigde onderneming bestond dus de verplichting een bepaald percentage lokale zeevarenden in dienst te nemen, ook al zouden zeevarenden van elders de uit te voeren taken hebben kunnen uitvoeren, hetgeen dus een schending is van het beginsel dat discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt. Hieruit volgt dat de betrokken steun strijdig is met de basisbeginselen van het Gemeenschapsrecht.

4.2.   Beoordeling van de oorspronkelijke regeling als gewijzigd bij wet nr. 9/1996 die vanaf 1996 van kracht was

(51)

De Commissie is van oordeel dat de bij wet nr. 9/1996 gewijzigde regeling staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, vormt, en wel hierom: a) de begunstigde ondernemingen worden, dankzij subsidies voor rente en andere extra kosten voor kredieten of leasing, bevrijd van financiële lasten die zij normaal gesproken zouden moeten dragen; b) die lasten bleven nog steeds gefinancierd uit publieke middelen; c) de steun is selectief omdat hij is voorbehouden voor ondernemingen die in de scheepvaartsector actief zijn, en d) de maatregel beïnvloedt het handelsverkeer tussen lidstaten omdat de gewijzigde regeling scheepvaartmaatschappijen betreft die ten behoeve van het vracht- en passagiersvervoer schepen willen bouwen, verwerven, aanpassen of repareren, met als vertrek- of aankomsthaven Sardinië en andere Sardijnse eilanden. Zoals eerder al is aangegeven, zijn de ondernemingen die voor de steun in aanmerking komen, niet alleen actief op de — sinds 1 januari 1999 geliberaliseerde — markt voor cabotage, maar ook op de markt voor internationaal zeevervoer, die sinds 1986 is geliberaliseerd (20). In ieder geval bestaat er geen twijfel over dat deze regeling, voor zover zij thans nog van kracht is, de mededinging in een sinds 1999 volledig geliberaliseerde sector blijft beïnvloeden.

(52)

Op grond van de in oktober 1996 en januari 1997 door de Italiaanse autoriteiten verstrekte inlichtingen heeft geen enkele begunstigde steun ontvangen in de zin van wet nr. 9/1996. Aangezien deze steun in het verleden niet is verleend, is de Commissie van oordeel dat het niet nodig is in onderhavige beschikking de verenigbaarheid ervan met de toentertijd geldende communautaire regels na te gaan. Omdat deze steun echter in de toekomst kan worden verleend, dient de verenigbaarheid ervan te worden getoetst aan de thans geldende communautaire regels, de communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer van 2004 (21) (hierna „de communautaire richtsnoeren van 2004” genoemd).

(53)

De gewijzigde steunregeling bevat niet langer bepalingen die een discriminatie op grond van nationaliteit inhouden, noch een schending van het beginsel van vrijheid van vestiging. De Commissie is evenwel van oordeel dat de gewijzigde regeling niet voldoet aan de voorwaarden van de communautaire richtsnoeren van 2004, noch in aanmerking komt voor de afwijkingen van artikel 87, lid 3, onder a) en c), en wel hierom.

(54)

Volgens punt 5 van de communautaire richtsnoeren van 2004 werken subsidies voor vlootvernieuwing veelal concurrentieverstorend. In deze zaak is de Commissie van oordeel dat de betrokken steun niet past in een structurele hervorming met als doel inkrimping van de totale capaciteit. Evenmin is de steun bedoeld om de apparatuur aan boord van schepen te verbeteren of om het gebruik van veiligere schepen te bevorderen. Wat dat betreft, is het aan de hand van het gegeven dat volgens de gewijzigde steunregeling de steun is bestemd voor innovatieve en high-techvervoersmiddelen, niet mogelijk, bij gebreke van een definitie van dit soort technologie en de desbetreffende kosten, de daadwerkelijke reikwijdte van de ingevoerde wijziging te beoordelen.

(55)

De Commissie is van oordeel dat deze regeling evenmin kan worden aangemerkt als regionale steun in de zin van punt 6 van de communautaire richtsnoeren regionale steun. Sardinië is inderdaad weliswaar een achterstandsgebied, maar de Italiaanse autoriteiten hebben onvoldoende aangetoond dat de voordelen van de regeling naar de desbetreffende regio zullen terugvloeien (punt 5, vierde alinea, van de communautaire richtsnoeren van 2004), of dat de regeling in overeenstemming is met de geldende communautaire richtsnoeren regionale steun (22).

(56)

Voorts is de Commissie van oordeel dat, om de eerder uiteengezette redenen, de steunregeling de economieën van andere lidstaten schade berokkent en de mededinging tussen lidstaten zodanig wordt veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad (punt 2 van de communautaire richtsnoeren van 2004).

(57)

De Commissie merkt voorts op dat, volgens de communautaire richtsnoeren van 2004, eventuele investeringssteun moet voldoen aan de communautaire voorschriften die in de scheepsbouwsector van toepassing zijn, namelijk Verordening (EG) nr. 1540/98 (23). Aangetekend zij hier dat artikel 3, lid 1, van deze verordening als volgt luidt: „Tot en met 31 december 2000 kan productiesteun voor contracten inzake scheepsbouw of -verbouwing, maar niet inzake scheepsreparatie, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits het totale bedrag van alle vormen van steun voor een bepaald contract (inclusief het subsidie-equivalent van de aan de reder of aan derden toegekende steun) in subsidie-equivalent niet meer bedraagt dan een gemeenschappelijk steunplafond, uitgedrukt in een percentage van de waarde van het contract vóór de steun.” Aangezien Italië geen enkele informatie heeft verschaft dat voor alle soorten steun die voor een bepaald contract is verleend, het totaalbedrag, uitgedrukt in subsidie-equivalent, een gemeenschappelijk steunplafond, uitgedrukt als percentage van de waarde van het contract vóór de steun, niet overschrijdt, dient te worden geconstateerd dat met de maatregel artikel 3, lid 1, niet wordt nageleefd.

(58)

Bovendien is in artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1540/98, bepaald: „Steun in de vorm van door de overheid gesteunde kredietfaciliteiten, die aan nationale of buitenlandse reders of derden wordt verleend voor scheepsbouw of -verbouwing, kan verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt en wordt voor het plafond niet meegerekend, op voorwaarde dat de steun in overeenstemming is met de resolutie van de OESO-Raad van 3 augustus 1981 (overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen), dan wel met een overeenkomst die de genoemde overeenkomst wijzigt of daarvoor in de plaats treedt.” De Commissie beschikt evenmin over inlichtingen waaruit blijkt dat de steun in het kader van de gewijzigde regeling in overeenstemming is met de resolutie van de OESO-Raad van 3 augustus 1981.

(59)

Volgens artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1540/98 kan steun ten behoeve van innovatie in bestaande scheepsbouw-, scheepsverbouwings- en scheepsreparatiewerven tot een bruto-intensiteit van hoogstens 10 % verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt, mits de steun betrekking heeft op de industriële toepassing van innoverende producten en processen die daadwerkelijk en wezenlijk nieuw zijn, dat wil zeggen dat zij thans niet door andere marktdeelnemers van de sector commercieel worden gebruikt in de Gemeenschap, en die een risico voor technologische of industriële mislukking inhouden. Bovendien dient dit soort steun beperkt te zijn tot het ondersteunen van de uitgaven ten behoeve van investeringen en engineeringactiviteiten die rechtstreeks en uitsluitend verband houden met het innoverende deel van het project en dient het bedrag en de intensiteit van de steun beperkt te zijn tot hetgeen strikt noodzakelijk is, rekening houdend met de graad van risico die met het project verband houdt. Zoals eerder al werd aangegeven, is het, aangezien volgens de gewijzigde steunregeling de steun is bestemd voor innovatieve en high-techvervoersmiddelen, niet mogelijk om, bij gebreke van een definitie van dit soort technologie en de desbetreffende kosten, de daadwerkelijke reikwijdte van de ingevoerde wijziging te beoordelen. Bijgevolg dient de Commissie te concluderen dat de gewijzigde steunregeling evenmin in overeenstemming is met de regels inzake steunverlening aan de scheepsbouw.

(60)

Tot slot kunnen de afwijkingen van artikel 87, lid 3, onder a) en c), (ex artikel 92, lid 3, onder a) en c)) niet worden toegepast omdat het aan de nationale autoriteiten staat de naleving van de communautaire regels inzake steunverlening aan scheepswerven na te leven, regel waarop de Commissie geen afwijkingen kan toestaan. Aangezien het voor zich spreekt dat de naleving van de communautaire regels een van de voorwaarden is om de betrokken steun verenigbaar te verklaren, dient deze naleving van de regels te worden aangetoond door de lidstaat die alle gegevens dient te verschaffen aan de hand waarvan de Commissie kan nagaan of aan de voorwaarden voor de gevraagde afwijking is voldaan.

(61)

Geconcludeerd dient te worden dat de oorspronkelijke regeling die in de periode 1998-1996 ten uitvoer is gelegd, onrechtmatig en onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

(62)

Hieruit volgt dat het bedrag van de steun als gevolg van de toekenning van kredieten (voor in totaal 12 697 450 000 ITL), die krachtens regionale wet nr. 11/1988 tegen gunstige voorwaarden waren verleend, door de begunstigden dient te worden terugbetaald overeenkomstig de procedures en de bepalingen van het Italiaanse recht. Aangezien geen enkele subsidie is verleend ten behoeve van financiële leasing, dient daarvan geen terugvordering te worden gevorderd.

(63)

De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigden ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

(64)

Aangezien de Commissie niet rechtstreeks het steunelement noch het totaalbedrag van de van elk van de begunstigden terug te vorderen steunbedrag heeft kunnen bepalen, staat het aan de Italiaanse autoriteiten deze elementen te bepalen en aan de Commissie de bedragen mee te delen die van elke begunstigde moeten worden teruggevorderd.

(65)

Wat betreft de steunregeling die werd gewijzigd bij wet nr. 9/1996 en die vanaf 1996 van kracht was, constateert de Commissie dat vanaf dat jaar geen enkele steun is verleend, maar concludeert zij dat deze regeling staatssteun vormt die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Aangezien krachtens die regeling geen enkele subsidie is uitgekeerd, dient daarvan geen terugvordering te worden gelast,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De staatsteun in de vorm van kredieten en financiële leasing die, krachtens wet nr. 20 van 15 mei 1951 van de regio Sardinië, gewijzigd bij wet nr. 11 van 4 juni 1988, aan scheepvaartmaatschappijen is verleend, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

1.   Italië neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en reeds onwettig ter beschikking gestelde steun terug te vorderen, steun die overeenstemt met het verschil tussen het totale bedrag aan rente en andere extra kosten dat de begunstigden zouden hebben betaald volgens de normale marktvoorwaarden die golden op het tijdstip dat het krediet werd afgesloten, en het totale bedrag aan rente en extra kosten dat de begunstigden zelf daadwerkelijk hebben betaald.

2.   De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures voor zover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking toelaten. De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigden ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

3.   Wat betreft het saldo van de op de datum van kennisgeving van deze beschikking nog uitstaande kredieten, neemt Italië maatregelen zodat de door de kredietnemer nog te betalen krediet- of leasingtermijnen tegen normale marktvoorwaarden worden betaald.

Artikel 3

De staatsteunregeling in de vorm van kredieten en financiële leasing die, krachtens wet nr. 20 van 15 mei 1951 van de regio Sardinië, gewijzigd bij regionale wet nr. 9 van 1996, aan scheepvaartmaatschappijen is verleend, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 4

Italië trekt de in de artikelen 1 en 3 bedoelde steunregeling in.

Artikel 5

Italië deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 6

De onderhavige beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 10 juli 2007.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vicevoorzitter


(1)  Steunmaatregel nr. C 23/96 (NN 181/95), PB C 368 van 12. 6.12.1996, blz. 2.

(2)  PB L 20 van 27.1.1998, blz. 30.

(3)  Steunmaatregel nr. C 71/97 (NN 144/97), PB C 386 van 20.12.1997, blz. 6.

(4)  Arrest van 19 oktober 2000, gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99, Italiaanse Republiek en Sardegna Lines - Servizi Marittimi della Sardegna SpA / Commissie, Jurispr. 2000, blz. I-8855.

(5)  Richtlijn 90/684/EEG van de Raad van 21 december 1990 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB L 380 van 31.12.1990, blz. 27) en Verordening (EG) nr. 3094/95 van de Raad van 22 december 1995 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB L 332 van 30.12.1995, blz. 1), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1904/96 van de Raad van 27 september 1996 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 3094/95 betreffende steunverlening aan de scheepsbouw (PB L 251 van 3.10.1996, blz. 5).

(6)  Financiële en fiscale maatregelen betreffende zeevervoertransacties met in de Gemeenschap geregistreerde schepen, SEC(89) 921 definitief van 3.8.1989, en communautaire richtsnoeren betreffende overheidssteun voor het zeevervoer, PB C 205 van 5.7.1997, blz. 5.

(7)  Arrest in gevoegde zaken C-15/98 en C105/98, reeds aangehaald.

(8)  Cf. noot 5.

(9)  Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer), PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7.

(10)  Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, PB L 378 van 31.12.1986, blz. 1.

(11)  Gegevens geregistreerd door de havenkapitein van Olbia.

(12)  Zie met name hoofdstuk I, punt 6, van de mededeling van de Commissie inzake de wijze van toepassing van artikel 92, lid 3, onder a) en c), van het EEG-Verdrag op regionale steunmaatregelen (PB C 212 van 12.8.1988, blz. 2), gewijzigd in 1990 en 1994 (PB C 163 van 4.7.1990, blz. 5 en 6, en PB C 364 van 20.12.1994).

(13)  SEC (89) 921 definitief van 3.8.1989, Bijlage I.

(14)  PB L 69 van 12.3.1987, blz. 55.

(15)  PB L 380 van 31.12.1990, blz. 27.

(16)  PB L 332 van 30.12.1995, blz. 1, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1904/96, PB L 251 van 3.10.1996, blz. 5.

(17)  In artikel 4 is het volgende bepaald: „Productiesteun ten behoeve van de scheepsbouw of -verbouwing kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits het totale bedrag van de steun voor een bepaald contract in subsidie-equivalent niet meer bedraagt dan een gemeenschappelijk steunplafond, uitgedrukt in een percentage van de waarde van het contract vóór de steun, hierna „plafond” genoemd.”

(18)  Lid 1: „Steun aan reders of aan derden in de vorm van overheidskredieten en -garanties voor de bouw of verbouwing, doch niet de reparatie van schepen, kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd op voorwaarde dat deze maatregelen stroken met de voorwaarden die zijn neergelegd in het Memorandum van Overeenstemming inzake exportkredieten voor schepen van de OESO, of met een overeenkomst tot wijziging of vervanging daarvan. […].” Lid 3: „De steun die een lidstaat aan zijn reders of aan derden in die Staat voor scheepsbouw of -verbouwing verleent, mag bij de plaatsing van orders niet tot concurrentievervalsing tussen nationale werven en werven van andere lidstaten leiden.”

(19)  Trouwens, wat betreft de toepassing van de regels betreffende de scheepsbouw, dient te worden opgemerkt dat, zoals de Advocaat-generaal in zijn conclusies heeft verklaard (de punten 34-38), ondanks dat steun aan de scheepsbouw ook steun aan rederijen kan omvatten, de Commissie de steunregeling van 1988 toch correct heeft aangemerkt als steun aan de rederijen, die uitsluitend in het licht van de minder zware verplichtingen van het Verdrag dient te worden beoordeeld, aangezien de Italiaanse autoriteiten de aanmeldingsverplichting van artikel 11 van genoemde richtlijn hebben geschonden.

(20)  Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, PB L 378 van 31.12.1986, blz. 1.

(21)  Mededeling C(2004) 43 van de Commissie — Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer, PB C 13 van 17.1.2004, blz. 3.

(22)  Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013, PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13.

(23)  Verordening (EG) nr. 1540/98 van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw, PB L 202 van 18.7.1998, blz. 1.