ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 317

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
5 december 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 1419/2007 van de Raad van 29 november 2007 tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i's) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1420/2007 van de Raad van 4 december 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op siliciummangaan van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Kazachstan en tot beëindiging van de procedure met betrekking tot siliciummangaan van oorsprong uit Oekraïne

5

 

 

Verordening (EG) nr. 1421/2007 van de Commissie van 4 december 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

32

 

*

Verordening (EG) nr. 1422/2007 van de Commissie van 4 december 2007 tot wijziging van de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft hun toepassingsdrempels inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten ( 1 )

34

 

*

Verordening (EG) nr. 1423/2007 van de Commissie van 4 december 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1291/2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten

36

 

*

Verordening (EG) nr. 1424/2007 van de Commissie van 4 december 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2304/2002 houdende uitvoering van Besluit 2001/822/EG van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap en tot toewijzing van de indicatieve bedragen in het kader van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds

38

 

*

Verordening (EG) nr. 1425/2007 van de Commissie van 3 december 2007 tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in ICES-zone IV; IIa (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van België voeren

55

 

*

Verordening (EG) nr. 1426/2007 van de Commissie van 3 december 2007 tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in ICES-zone VIIb-k, VIII, IX en X; CECAF 34.1.1 (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van België voeren

57

 

*

Verordening (EG) nr. 1427/2007 van de Commissie van 3 december 2007 tot vaststelling van een verbod op de visserij op leng in ICES-zone IV (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van België voeren

59

 

*

Verordening (EG) nr. 1428/2007 van de Commissie van 4 december 2007 tot wijziging van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën ( 1 )

61

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2007/786/EG

 

*

Besluit van de Raad van 22 oktober 2007 betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

63

Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie

65

 

 

2007/787/EG

 

*

Besluit van de Raad van 29 november 2007 betreffende de sluiting van het protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie

75

 

 

Commissie

 

 

2007/788/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 13 september 2007 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het Europese Gemeenschap-Verdrag (Zaak COMP/E-2/39.140 — DaimlerChrysler) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 4275)

76

 

 

2007/789/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 4 december 2007 tot schorsing van het bij Verordening (EG) nr. 1420/2007 ingestelde definitieve antidumpingrecht op siliciummangaan van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Kazachstan

79

 

 

Europese Centrale Bank

 

 

2007/790/EG

 

*

Beschikking van de Europese Centrale Bank van 23 november 2007 inzake de goedkeuring met betrekking tot de omvang van de muntenuitgifte in 2008 (ECB/2007/16)

81

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Besluit 2007/791/GBVB van de Raad van 4 december 2007 tot uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina

83

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/1


VERORDENING (EG) Nr. 1419/2007 VAN DE RAAD

van 29 november 2007

tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i's) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9 en artikel 11, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1470/2001 (2) heeft de Raad na een onderzoek definitieve antidumpingrechten van 0 tot 66,1 % ingesteld op geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen („CFL-i's”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (VRC). Daarvoor had de Commissie bij Verordening (EG) nr. 255/2001 (3) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 866/2005 (4) heeft de Raad de geldende antidumpingmaatregelen uitgebreid tot de invoer van CFL-i's verzonden uit de Socialistische Republiek Vietnam, de Islamitische Republiek Pakistan en de Republiek der Filipijnen en al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Socialistische Republiek Vietnam, de Islamitische Republiek Pakistan of de Republiek der Filipijnen. Aanleiding tot de uitbreiding was een antiontwijkingsonderzoek op grond van artikel 13 van de basisverordening.

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 1322/2006 (5) heeft de Raad de geldende antidumpingmaatregelen gewijzigd. Aanleiding tot de wijziging was een tussentijds nieuw onderzoek betreffende de productomschrijving. Als resultaat van het onderzoek werden gelijkstroomlampen bij de wijzigingsverordening uitgesloten van het toepassingsgebied van de maatregelen. De antidumpingmaatregelen golden dienovereenkomstig alleen voor wisselstroomlampen (met inbegrip van elektronische compacte fluorescerende gasontladingslampen die zowel op wissel- als op gelijkstroom werken).

(4)

Bij Verordening (EG) nr. 1205/2007 (6) heeft de Raad de geldende antidumpingmaatregelen verlengd. Aanleiding tot de verlenging was een op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening ingesteld onderzoek bij het vervallen van de maatregelen.

(5)

Het onderzoek is geopend naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening. Het verzoek werd ingediend door de Community Federation of Lighting Industry of Compact Fluorescent Lamps Integrated („de indiener van het verzoek”).

(6)

Daar de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om de opening van een dergelijk nieuw onderzoek te rechtvaardigen, heeft zij dit op 8 september 2006 overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening geopend (7). Het tussentijdse nieuwe onderzoek betreft uitsluitend de dumpingmarge voor één producent/exporteur, Lisheng Electronic & Lighting (Xiamen) Co. Ltd.

(7)

De Commissie heeft de indiener van het verzoek, de producent/exporteur in de VRC en de vertegenwoordigers van de regering van het land van uitvoer officieel van de opening van het nieuwe onderzoek in kennis gesteld.

(8)

Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden binnen de in het bericht van opening vermelde termijn een verzoek indienen om te worden gehoord.

(9)

Om de nodige gegevens voor haar onderzoek te verkrijgen, heeft de Commissie vragenlijsten naar de betrokken producent/exporteur gestuurd. Deze heeft de vragenlijsten ingevuld teruggestuurd, waarna bij de producent/exporteur en bij andere, met de producent/exporteur verbonden ondernemingen een controle ter plaatse is uitgevoerd, namelijk bij:

Lisheng Electronic & Lighting (Xiamen) Co. Ltd;

Verbonden onderneming in de VRC:

Megaman Electrical & Lighting Ltd (Xiamen);

Verbonden ondernemingen in Hongkong:

Neonlite Electronic & Lighting Ltd (HK);

Electric Light Systems Ltd (HK);

Verbonden importeur in de Gemeenschap:

IDV, Import- und Direkt-Vertriebs-Ges.mbH, Duitsland.

(10)

Het onderzoektijdvak voor het tussentijdse nieuwe onderzoek betreffende de dumpingmarge voor de producent/exporteur Lisheng Electronic & Lighting (Xiamen) Co. Ltd liep van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006.

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(11)

Het betrokken product is dat zoals bepaald in de wijzigingsverordening, d.w.z. elektronische compacte fluorescerende gasontladingslampen die op wisselstroom werken (met inbegrip van die welke zowel op wissel- als op gelijkstroom werken) en uitgerust zijn met een of meer glazen buizen, waarbij alle verlichtingselementen en elektronische componenten aan de lampvoet bevestigd of in de lampvoet geïntegreerd zijn, van oorsprong uit de Volksrepubliek China („het betrokken product”), momenteel ingedeeld onder GN-code ex 8539 31 90.

(12)

Zoals bij het oorspronkelijke onderzoek bleken de in de VRC vervaardigde en aldaar op de binnenlandse markt verkochte CFL-i's en de uit de VRC uitgevoerde CFL-i's dezelfde fysieke en technische basiskenmerken en dezelfde toepassingen te hebben. Zoals in de verlengingsverordening werd geconcludeerd, gaat het dus om soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   DUMPING

(13)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening moet bij antidumpingonderzoeken inzake invoer van oorsprong uit de VRC de normale waarde overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 van dat artikel worden vastgesteld voor producenten/exporteurs die kunnen aantonen dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, d.w.z. dat zij het soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen.

(14)

Hoewel bij het oorspronkelijke onderzoek aan de Chinese producent/exporteur een BMO werd toegekend, moest bij het tussentijdse nieuwe onderzoek worden nagegaan of nog altijd aan de desbetreffende criteria werd voldaan. Op grond van artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening werd derhalve een BMO-aanvraagformulier verzonden dat door de Chinese producent/exporteur en de met hem verbonden onderneming Megaman Electrical & Lighting Ltd (Xiamen) ingevuld werd teruggestuurd.

(15)

Gemakshalve worden de BMO-criteria hieronder nog eens kort samengevat:

1.

besluiten van ondernemingen en de door hen gemaakte kosten zijn een reactie op marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis;

2.

bedrijven beschikken over een duidelijke boekhouding die door een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de internationale standaarden voor jaarrekeningen (IAS) wordt gecontroleerd en alle terreinen bestrijkt;

3.

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4.

faillissements- en eigendomswetten bieden rechtszekerheid en stabiliteit;

5.

munteenheden worden tegen de marktkoers omgerekend.

(16)

Zoals hierboven al werd vermeld, verzamelde en controleerde de Commissie bij haar bezoek aan de producent/exporteur en de met hem verbonden onderneming Megaman Electrical & Lighting Ltd alle noodzakelijk geachte gegevens die in de BMO-aanvragen waren verstrekt. Uit het onderzoek bleek dat de Chinese producent/exporteur aan alle criteria voor een BMO voldeed.

(17)

Om de normale waarde vast te stellen, werd eerst gecontroleerd of de totale binnenlandse verkoop van de producent/exporteur representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening, d.w.z. of deze verkoop ten minste 5 % van de totale naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid van het betrokken product bedroeg.

(18)

Uit het onderzoek kwam naar voren dat de binnenlandse verkoop van de producent/exporteur niet als representatief kon worden beschouwd en dat de normale waarde daarom overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening moest worden vastgesteld, d.w.z. dat zij aan de hand van de productiekosten in het land van uitvoer, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten („VAA-kosten”) en winst, moest worden berekend.

(19)

De normale waarde werd dienovereenkomstig vastgesteld op basis van de gegevens van de producent/exporteur over de fabricagekosten voor de voor binnenlands verbruik bestemde producten.

(20)

Het was evenwel niet mogelijk de bedragen voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA) en winst overeenkomstig de aanhef van artikel 2, lid 6, van de basisverordening te baseren op feitelijke gegevens over de productie en de verkoop van het soortgelijke product in het kader van normale handelstransacties.

(21)

Er werd onderzocht of de VAA-kosten en de winst in overeenstemming met artikel 2, lid 6, onder a) en b), konden worden vastgesteld. Aangezien echter geen andere exporteurs bij dit nieuwe onderzoek betrokken waren, kon de methode van artikel 2, lid 6, onder a), namelijk de berekening op basis van het gewogen gemiddelde van de werkelijke bedragen voor andere exporteurs, niet worden gebruikt. Ook de methode van artikel 2, lid 6, onder b), viel af, omdat geen producten in dezelfde categorie op de binnenlandse markt werden verkocht.

(22)

Daarom heeft de Commissie een gewogen gemiddelde berekend aan de hand van de VAA-kosten en de winst van twee medewerkende producenten/exporteurs in het referentieland dat bij het nieuwe onderzoek in het verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, was gebruikt, die wel in het kader van normale handelstransacties op hun binnenlandse markt verkochten. De gemiddelde VAA-kosten en de winst van deze medewerkende producenten/exporteurs in Zuid-Korea werden overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening opgeteld bij de fabricagekosten van de betrokken producent/exporteur voor de uitgevoerde productsoorten.

(23)

De uitvoer naar de Gemeenschap van de producent/exporteur vond zowel rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers als via verbonden importeurs in een derde land en in de Gemeenschap plaats. Waar het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werd uitgevoerd, werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, d.w.z. aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

(24)

Waar de verkoop via een verbonden importeur of handelaar had plaatsgevonden, werd de uitvoerprijs berekend aan de hand van de wederverkoopprijzen van die verbonden importeur aan onafhankelijke afnemers. Overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening werden correcties toegepast voor alle kosten tussen de invoer en de wederverkoop, inclusief de VAA-kosten en een redelijke winstmarge. De winstmarge werd vastgesteld aan de hand van de gegevens die waren verstrekt door niet-verbonden medewerkende handelaren/importeurs op de communautaire markt.

(25)

Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Voor de onderzochte producent/exporteur werden, waar van toepassing en gerechtvaardigd, correcties toegepast voor de kosten van vervoer, zeevracht, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, verpakking, krediet, waarborgen, garanties en commissies.

(26)

Met betrekking tot de correctie voor kredietkosten voert de producent/exporteur aan dat in plaats van de kredietrente de depositorente zou moeten worden gebruikt, omdat de onderneming over voldoende liquide middelen beschikt en haar kredietkosten daarom beperkt zijn tot gederfde rente-inkomsten op haar bankdeposito's.

(27)

In overeenstemming met de vaste praktijk van de communautaire instellingen werd het niet passend geacht bij de berekening van de correctie voor kredietkosten uit te gaan van de depositorente, aangezien het hierbij gaat om alternatieve en niet om werkelijke kosten.

(28)

In dit verband zij opgemerkt dat de rente die afnemers bij achterstallige betaling in rekening wordt gebracht, erop duidt dat de onderneming daarbij uitgaat van de kredietrentevoet en niet van de depositorentevoet.

(29)

Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd de gemiddelde gewogen normale waarde van elke soort van het naar de Gemeenschap uitgevoerde betrokken product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van elke overeenkomstige soort van het betrokken product. Uit deze vergelijking kwam naar voren dat de dumpingmarge voor de producent/exporteur in het nieuwe onderzoektijdvak onder de de minimis-drempel lag.

D.   CONCLUSIE

(30)

Op basis hiervan werd geconcludeerd dat de omstandigheden met betrekking tot de dumping, die bij het oorspronkelijke onderzoek reden waren de maatregelen voor de onderneming vast te stellen, niet zijn gewijzigd. Het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening moet derhalve worden beëindigd.

E.   BEËINDIGING VAN HET NIEUWE ONDERZOEK

(31)

Gelet op bovenstaande overwegingen moet het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek ten aanzien van Lisheng Electronic & Lighting (Xiamen) Co. Ltd worden beëindigd zonder wijziging van Verordening (EG) nr. 1205/2007.

(32)

De Commissie heeft alle belanghebbenden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voorstelde deze procedure te beëindigen. De standpunten die haar daarop kenbaar werden gemaakt, werden onderzocht, maar waren geen reden bovenstaande conclusies te wijzigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op geïntegreerde elektronische compacte fluorescerende gasontladingslampen vervaardigd door Lisheng Electronic & Lighting (Xiamen) Co. Ltd en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, dat op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 384/96 werd geopend, wordt hierbij beëindigd zonder dat Verordening (EG) nr. 1205/2007 wordt gewijzigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 november 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINO


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB L 195 van 19.7.2001, blz. 8.

(3)  PB L 38 van 8.2.2001, blz. 8.

(4)  PB L 145 van 9.6.2005, blz. 1.

(5)  PB L 244 van 7.9.2006, blz. 1.

(6)  PB L 272 van 17.10.2007, blz. 1.

(7)  PB C 217 van 8.9.2006, blz. 2.


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/5


VERORDENING (EG) Nr. 1420/2007 VAN DE RAAD

van 4 december 2007

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op siliciummangaan van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Kazachstan en tot beëindiging van de procedure met betrekking tot siliciummangaan van oorsprong uit Oekraïne

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg met het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Opening van het onderzoek

(1)

Op 6 september 2006 heeft de Commissie met een bericht („het bericht van inleiding”) in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van siliciummangaan (waaronder ferrosilicomangaan) („SiMn”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”), Kazachstan en Oekraïne („de betrokken landen”) aangekondigd.

(2)

De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 24 juli 2006 is ingediend door het Comité de Liaison des Industries de Ferro-Alliages (Euroalliages) („de klager”) namens producenten die goed zijn voor een groot deel — in dit geval meer dan 50 % — van de totale productie van siliciummangaan in de Gemeenschap („de klagende producenten”). De bij de klacht gevoegde prima facie bewijzen inzake dumping van siliciummangaan van oorsprong uit de betrokken landen en daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade werden toereikend geacht om een antidumpingprocedure in te leiden.

(3)

Eén belanghebbende voerde aan dat de Commissie ook een procedure met betrekking tot invoer van oorsprong uit India had moeten inleiden. Ten tijde van de inleiding van de huidige procedure beschikte de Commissie echter niet over voldoende bewijs voor schadelijke dumping om inleiding van een procedure tegen invoer van oorsprong uit India in te leiden, gelet op de vereisten van artikel 5, lid 2, van de basisverordening.

2.   Partijen bij de procedure

(4)

De Commissie heeft de klager, de klagende producenten en de andere bekende communautaire producenten, de producenten/exporteurs in de betrokken landen, de haar bekende betrokken importeurs/handelaren en hun verenigingen, leveranciers en gebruikers en de vertegenwoordigers van de betrokken exporterende landen van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. Belanghebbenden kregen de gelegenheid om binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken om te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(5)

Om de producenten/exporteurs in de VRC en in Kazachstan in staat te stellen desgewenst een verzoek in te dienen om als marktgerichte onderneming of individueel te worden behandeld, heeft de Commissie de haar bekende betrokken producenten/exporteurs en de autoriteiten van de VRC en van Kazachstan de desbetreffende formulieren toegezonden. Vier groepen van producenten/exporteurs in de VRC en één producent/exporteur in Kazachstan verzochten om behandeling als marktgerichte onderneming overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening, dan wel om individuele behandeling indien uit het onderzoek mocht blijken dat zij niet voldoen aan de voorwaarden om voor behandeling als marktgerichte onderneming in aanmerking te komen.

(6)

Gezien het kennelijk grote aantal producenten/exporteurs in de VRC en importeurs in de Gemeenschap heeft de Commissie in het bericht van inleiding aangegeven dat bij dit onderzoek naar eventuele dumping en schade overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik kan worden gemaakt van een steekproef.

(7)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was — en, zo ja, deze ook samen te stellen —, werd aan alle producenten/exporteurs in de VRC en alle importeurs in de Gemeenschap gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar, zoals vermeld in het bericht van inleiding, basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product tijdens de periode van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006.

(8)

Wat de producenten/exporteurs in de VRC betrof, werd besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was, aangezien slechts vier groepen van ondernemingen die gedurende de onderzoeksperiode SiMn naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd, verklaarden dat zij bereid waren om deel uit te maken van een dergelijke steekproef.

(9)

Van de importeurs die in de Europese Gemeenschap invoeren, hebben slechts twee niet-verbonden importeurs zich gemeld en de verlangde inlichtingen tijdig verstrekt. Er werd dan ook beslist dat een steekproef niet noodzakelijk was.

(10)

De Commissie heeft een vragenlijst gestuurd naar alle haar bekende belanghebbenden en naar alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijnen hadden gemeld. Er zijn reacties op de vragenlijst ontvangen van vier communautaire producenten, vier groepen van producenten/exporteurs in de VRC, de enige Kazachse producent/exporteur, drie Oekraïense producenten/exporteurs, twee niet-verbonden importeurs en negen niet-verbonden gebruikers in de Gemeenschap. Voorts dienden twee gebruikers opmerkingen in zonder de vragenlijst te beantwoorden.

(11)

Een van de groepen van producenten/exporteurs in de VRC stemde echter in een later stadium niet in met een geplande controle ter plaatse van de in hun BMO/IB-verzoeken en de antwoorden op de vragenlijst verstrekte informatie. Derhalve heeft de Commissie, na de betrokken ondernemingen gewezen te hebben op de consequenties van niet-medewerking, zoals bepaald in artikel 18, lid 1, van de basisverordening, de genoemde ondernemingen verder als niet aan de procedure medewerkend beschouwd en alle door hen verstrekte informatie buiten beschouwing gelaten.

(12)

De Commissie verzamelde en verifieerde alle gegevens die zij, wat de VRC en Kazachstan betreft, met het oog op BMO of IB en, wat alle betrokken landen betreft, voor een vaststelling van dumping, de hieruit voortvloeiende schade en het belang van de Gemeenschap noodzakelijk achtte. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle verricht.

a)

Communautaire producenten:

Eramet Comilog Manganese, Parijs, Frankrijk

Ferroatlantica, Madrid, Spanje

Huta Łaziska SA, Łaziska Górne, Polen

OFZ, a.s., Istebné, Slowakije.

b)

Gebruikers in de Gemeenschap:

Compañía Española de Laminación, S.L., Castellbisbal, Spanje

Mittal Steel Poland SA (Arcelor SA), Kraków, Polen.

c)

Niet-verbonden importeurs:

Metalleghe S.P.A., Brescia, Italië.

d)

Producenten/exporteurs in de VRC:

Minmetals Group

Minmetals (Guizhou) Ferro-Alloys Co., Ltd, Guiyang

Guiyang Huaxi Minmetals Ferro-Alloys Co., Ltd, Qingzhen

China Minmetals Shenzhen Co., Ltd, Shenzhen

Minmetals Shanghai Pudong Trading Co., Ltd, Shanghai

China National Minerals Co., Ltd, Beijing

Minmetals Orient Import & Export Trading Co., Ltd, Beijing.

Jilin Group

Jilin Ferroalloys Co., Ltd, Jilin City

Jilin Ferroalloy Imp & Exp Co., Ltd, Jilin City.

Shanxi Jinneng Group

Shanghai Jinneng International Trade Co. Ltd, Shanghai

Datong Jinneng Jinli Ferroalloy Co. Ltd, Datong

Shanxi Jinneng Group Jinguan Ferroalloy, Datong

Datong Jinneng Industrial Silicon Co. Ltd, Datong.

e)

Producent/exporteur in Kazachstan:

OJSC Kazchrome („Kazchrome”), Aktyubinsk en Aksu.

f)

Producenten/exporteurs in Oekraïne:

PJSC Nikopol Ferroalloys Plant („NFP”), Nikopol en de verbonden handelaren

SPIG „Interpipe” Corporation, Dniepopetrovsk

Nikopolskie Ferrosplavy LLC, Dniepopetrovsk

JSC Stakhanov Ferroalloys Plant („Stakhanov”), Stakhanov

OJSC Zaporozhye Ferroalloys Plant („Zaporozhye”), Zaporozhye.

g)

Verbonden handelaren in Zwitserland:

Steelex SA, Lugano, verbonden aan PJSC Nikopol Ferroalloys Plant

ENRC, Kloten, verbonden aan OJSC Kazchrome.

(13)

Omdat voor producenten/exporteurs in China en Kazachstan die niet als marktgerichte onderneming kunnen worden beschouwd, een normale waarde moest worden vastgesteld op basis van de gegevens voor een referentieland, vond een controlebezoek plaats bij onderstaande producent en de verbonden handelsmaatschappij in de Verenigde Staten van Amerika (VS):

Eramet Marietta, Inc., Marietta, Ohio (producent)

Eramet North America, Inc., Coraopolis, Pennsylvania (verbonden handelsmaatschappij).

3.   Onderzoektijdvak

(14)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2002 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(15)

Het betrokken product is siliciummangaan (waaronder ferrosilicomangaan) („SiMn”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Kazachstan en Oekraïne („het betrokken product”), dat doorgaans onder de GN-codes 7202 30 00 en ex 8111 00 11 wordt aangegeven.

(16)

Het betrokken product wordt in de staalindustrie gebruikt voor desoxidatie en als legering. Het wordt in hoofdzaak vervaardigd uit mangaanerts en silicium, die worden gemengd en in een oven tot smelttemperatuur worden gebracht.

(17)

Er bestaan verschillende kwaliteiten van SiMn en het kan uiteenlopende gehaltes ijzer (Fe), mangaan (Mn), silicium (Si) en koolstof (C) hebben. Wat het koolstofgehalte betreft, kan onderscheid gemaakt worden tussen SiMn met een zeer laag koolstofgehalte, dat van hogere kwaliteit is (en waarvoor een hogere prijs betaald wordt), en SiMn met een hoger koolstofgehalte, dat als de standaardkwaliteit beschouwd kan worden. SiMn wordt verkocht in de vorm van poeder, korrels of brokken van verschillende formaten. Niettegenstaande deze verschillen worden alle kwaliteiten en korrel- of klompgrootten als één enkel product beschouwd, aangezien zij in het algemeen dezelfde chemische en fysieke kenmerken en gebruiksdoeleinden hebben.

2.   Soortgelijk product

(18)

Uit het onderzoek bleek dat het SiMn dat in de Gemeenschap door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerd en verkocht wordt, het SiMn dat op de binnenlandse markten van de VRC, Kazachstan en Oekraïne, en op de binnenlandse markt van de VS, die uiteindelijk als referentieland gekozen zijn, geproduceerd en verkocht wordt, en het SiMn dat in de Gemeenschap wordt ingevoerd vanuit de VRC, Kazachstan en Oekraïne, dezelfde fundamentele chemische en fysieke kenmerken hebben en in hoofdzaak voor dezelfde doeleinden gebruikt worden. Daarom worden al deze producten beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

(19)

Eén producent/exporteur voerde aan dat ruw mangaan, gewoonlijk aangegeven onder GN-code 8111 00 11, niet onder het onderzoek zou moeten vallen. Wat dit punt betreft, bevestigt de Commissie dat, zoals aangegeven in overweging 15, het betrokken product siliciummangaan is, en niet ruw mangaan; maar dit omvat ook ruw siliciummangaan. SiMn wordt gewoonlijk aangegeven onder GN-code 7202 30 00, maar het kan afhankelijk van het ijzergehalte ook aangegeven worden als ruw siliciummangaan of siliciummangaanpoeder onder GN-code 8111 00 11.

C.   DUMPING

1.   Behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”)

(20)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt in antidumpingonderzoeken betreffende de invoer uit China en Kazachstan de normale waarde vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 van dat artikel voor producenten/exporteurs die hebben aangetoond dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening; dit zijn de producenten/exporteurs, die kunnen aantonen dat zij bij de vervaardiging en verkoop van het betrokken product op marktvoorwaarden werken. Ter informatie worden deze criteria hieronder kort samengevat:

1.

besluiten van bedrijven worden genomen als reactie op marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis, en kosten geven marktvoorwaarden weer;

2.

bedrijven beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt;

3.

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4.

de betrokken bedrijven zijn onderworpen aan faillissements- en eigendomswetten die stabiliteit en juridische zekerheid verschaffen;

5.

omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.

(21)

Vier groepen van Chinese producenten/exporteurs verzochten aanvankelijk overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening om behandeling als markgerichte onderneming en dienden het desbetreffende aanvraagformulier binnen de vastgestelde termijn in. Een van deze groepen besloot echter in een later stadium niet aan het onderzoek mee te werken (zoals vermeld in overweging 11). Daarom werden alleen de verzoeken van de overige drie in overweging 12 genoemde Chinese groepen van producenten/exporteurs, die wel hun medewerking verleenden, in behandeling genomen. Al deze groepen omvatten zowel producenten van het betrokken product als aan deze producenten verbonden ondernemingen die een rol spelen bij de verkoop van het betrokken product. Het behoort tot de vaste praktijk van de Commissie om na te gaan of een groep verbonden ondernemingen in haar geheel voldoet aan de voorwaarden voor een BMO.

(22)

De enige Kazachse producent/exporteur verzocht overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening om behandeling als markgericht bedrijf en heeft binnen de vastgestelde termijn het desbetreffende aanvraagformulier ingediend.

(23)

Voor de meewerkende producenten/exporteurs heeft de Commissie alle gegevens verzameld die zij nodig achtte en de in het aanvraagformulier verstrekte gegevens ter plaatse gecontroleerd, voor zover dat noodzakelijk werd geacht.

1.1.   Behandeling van Chinese producenten/exporteurs als marktgericht bedrijf

(24)

Uit het onderzoek bleek dat geen van de in overweging 12 genoemde Chinese producenten/exporteurs in aanmerking kwam voor een BMO, aangezien zij niet voldeden aan criterium 1 van artikel 2, lid 7, onder c) van de basisverordening; bovendien voldeed een groep niet aan criterium 2 en een andere niet aan criterium 3. Daarnaast bestonden er met betrekking tot de groep die niet aan de criteria 1 en 2 voldeed sterke twijfels ten aanzien van criterium 3. Ook diende deze groep geen volledige reeks BMO-formulieren en geen antwoorden op de vragenlijst in van de verbonden ondernemingen die bij de productie van en/of de handel in het betrokken product betrokken zijn.

(25)

Wat criterium 1 betreft, heeft geen van de betrokken Chinese groepen van ondernemingen aangetoond aan dit criterium te voldoen. Al deze groepen bleken uiteindelijk staatseigendom te zijn en hebben geen bewijzen overlegd die afdoende werden geacht om vermoedens van aanzienlijke staatsinmenging in managementbeslissingen te ontkrachten. Het kon dus niet worden uitgesloten dat deze ondernemingen in aanzienlijke mate aan controle en inmenging door de staat onderworpen waren.

(26)

Voor één groep van ondernemingen werd naast het niet-voldoen aan criterium 1 ook vastgesteld dat de groep niet kon aantonen dat er geen verstoringen van betekenis waren die nog voortvloeiden uit het vroegere systeem zonder markteconomie (criterium 3), gezien het feit dat een onderneming van de groep kosteloze leningen had ontvangen van de moederonderneming, die een staatsbedrijf was.

(27)

Ook voor een andere groep van ondernemingen werd naast het niet voldoen aan criterium 1 vastgesteld dat de groep niet kon aantonen dat er geen verstoringen van betekenis waren die nog voortvloeiden uit het vroegere systeem zonder markteconomie, met name gezien het feit dat gedurende het onderzoektijdvak ruilhandel plaatsvond. Deze zelfde groep heeft ook niet aangetoond dat de boekhoudingen van verschillende gecontroleerde onderdelen van de groep gecontroleerd werden door een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen, gezien het feit dat op instructie van de moederonderneming bepaalde basisbeginselen van correcte boekhouding, met name ten aanzien van de afschrijving van vaste activa, veronachtzaamd waren; de accountants van de betrokken ondernemingen hadden deze overtreding van de regels geaccepteerd.

(28)

Verder had binnen deze zelfde groep ten minste één onderneming die kennelijk betrokken was bij de handel in het betrokken product geen BMO-verzoek of antwoord op de vragenlijst ingediend, waardoor de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie twijfelachtig werd.

(29)

De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om op deze bevindingen te reageren. De opmerkingen van twee Chinese groepen van producenten/exporteurs bevatten geen nieuwe feiten die van invloed zouden kunnen zijn op de bevindingen betreffende de toekenning van een BMO.

(30)

Gelet op het voorafgaande heeft geen van de groepen van Chinese producenten/exporteurs aangetoond dat zij voldoen aan alle criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, zodat hun geen BMO kon worden toegekend.

1.2.   Behandeling van de enige Kazachse producent/exporteur als marktgerichte onderneming

(31)

De enige Kazachse producent/exporteur heeft aangetoond aan alle vijf criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening te voldoen en kwam dus in aanmerking voor een BMO. De producent/exporteur en de bedrijfstak van de Gemeenschap (zie overweging 91) werden in de gelegenheid gesteld om op deze bevindingen te reageren. De commentaren die zijn ontvangen van de bedrijfstak van de Gemeenschap bevatten geen nieuwe feiten die van invloed zouden kunnen zijn op de bevindingen betreffende de toekenning van een BMO.

2.   Individuele behandeling („IB”)

(32)

Ingevolge artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt voor landen waarop dat artikel van toepassing is, een voor het gehele land geldend recht vastgesteld, maar kunnen ondernemingen die kunnen aantonen dat ze aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldoen, daarvan worden uitgezonderd.

(33)

Alle Chinese producenten/exporteurs die verzochten als marktgerichte onderneming te worden behandeld, verzochten tevens om individuele behandeling voor zover zij niet als marktgerichte onderneming konden worden beschouwd.

(34)

Op basis van de beschikbare informatie werd vastgesteld dat geen van deze groepen van ondernemingen had aangetoond aan alle voorwaarden van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voor een IB te voldoen. Met name werd vastgesteld dat de ondernemingen niet voldeden aan het criterium van artikel 9, lid 5, onder c), van de basisverordening dat een meerderheid van de aandelen in handen van particulieren dient te zijn, aangezien deze ondernemingen, zoals uiteengezet in overweging 25, uiteindelijk alle staatseigendom zijn. Hun verzoeken moesten dus worden afgewezen.

3.   Normale waarde

3.1.   Algemene methode

i)   Algemene representativiteit

(35)

Om de normale waarde vast te stellen, heeft de Commissie eerst overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening onderzocht of voor iedere betrokken producent/exporteur in Kazachstan en Oekraïne de binnenlandse verkoop van het betrokken product aan niet-verbonden afnemers representatief was, d.w.z. of de totale verkochte hoeveelheid ten minste 5 % bedroeg van de totale hoeveelheid van het betrokken product die naar de Gemeenschap was uitgevoerd.

ii)   Vergelijking van de productsoorten

(36)

Vervolgens heeft zij vastgesteld welke productsoorten die op de binnenlandse markt werden verkocht door producenten/exporteurs met een in het algemeen representatieve binnenlandse verkoop identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten.

iii)   Representativiteit per productsoort

(37)

Voor elke door de producenten/exporteurs op hun binnenlandse markt verkochte productsoort die direct vergelijkbaar was met de productsoort die voor uitvoer naar de Gemeenschap was verkocht, werd onderzocht of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een bepaalde productsoort werd voldoende representatief geacht wanneer in het onderzoektijdvak van die productsoort op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers een totaal volume was verkocht dat ten minste 5 % bedroeg van de totale hoeveelheid van de vergelijkbare productsoort die naar de Gemeenschap was uitgevoerd.

iv)   Onderzoek of de verkoop in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden

(38)

Daarna heeft de Commissie voor elke producent/exporteur in Kazachstan en Oekraïne onderzocht of de binnenlandse verkoop van elke productsoort in representatieve hoeveelheden kon worden beschouwd als verkoop die had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties in de zin van artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Hiertoe werd voor elke uitgevoerde productsoort het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers in het onderzoektijdvak vastgesteld.

(39)

Voor iedere productsoort waarvan meer dan 80 % op de binnenlandse markt was verkocht tegen een prijs die niet lager was dan de kostprijs en waarvan de gewogen gemiddelde verkoopprijs gelijk was aan of hoger dan de gewogen gemiddelde productiekosten, was de normale waarde het gewogen gemiddelde van alle binnenlandse verkoopprijzen van die soort.

(40)

Wanneer de winstgevende verkoop van een productsoort 80 % of minder van de totale verkoop van die soort bedroeg, of wanneer de gewogen gemiddelde prijs van die soort lager was dan de productiekosten, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, die werd berekend als het gewogen gemiddelde van de winstgevende verkoop van alleen die soort, mits deze 10 % of meer van de totale verkoop van die soort bedroeg.

(41)

Wanneer de winstgevende verkoop van een soort minder dan 10 % van de totale verkoop van die soort bedroeg, werd geoordeeld dat die soort in onvoldoende hoeveelheden was verkocht om de binnenlandse prijs als geschikte basis voor de vaststelling van de normale waarde te kunnen gebruiken.

(42)

Wanneer voor een bepaalde door een producent/exporteur verkochte soort geen gebruik kon worden gemaakt van de binnenlandse prijs om de normale waarde vast te stellen, moest een andere methode worden gebruikt. Ingevolge artikel 2, lid 3, van de basisverordening berekende de Commissie dan een normale waarde.

(43)

Hiertoe werd aan de — eventueel gecorrigeerde — productiekosten van de uitgevoerde soorten van elke exporteur een redelijk bedrag voor VAA-kosten (verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten) en een redelijke winstmarge toegevoegd.

(44)

In alle gevallen werden de VAA-kosten en de winst vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening. De Commissie heeft met het oog hierop onderzocht of de VAA-kosten en de winst van elk van de betrokken producenten/exporteurs bij verkoop op de binnenlandse markt betrouwbare gegevens waren.

3.2.   Referentieland

(45)

Volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet de normale waarde voor producenten/exporteurs in landen met een overgangseconomie aan wie geen behandeling als marktgerichte onderneming wordt toegestaan, worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie („referentieland”) of op basis van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, of, indien zulks niet mogelijk is, op elke andere redelijke grondslag.

(46)

In het bericht van inleiding had de Commissie haar voornemen te kennen gegeven om Brazilië als geschikt referentieland voor de vaststelling van de normale waarde voor China en Kazachstan te kiezen, en belanghebbenden werd verzocht hun reacties mee te delen. Geen enkele belanghebbende maakte bezwaar tegen dit voorstel.

(47)

De Commissie heeft de haar bekende producenten in Brazilië om medewerking verzocht, en later ook producenten in andere potentiële referentielanden, namelijk India, Japan, Noorwegen, Zuid-Afrika en de VS. Positieve reacties werden echter alleen van producenten in Noorwegen en de VS ontvangen. Op basis van door drie Noorse ondernemingen verstrekte informatie werd geconcludeerd dat de binnenlandse markt voor SiMn in Noorwegen zeer klein was. De Noorse markt werd derhalve niet geacht voldoende representatief te zijn voor de vaststelling van de normale waarde voor China en Kazachstan.

(48)

De enige bekende producent in de VS ontving een vragenlijst en de in de reactie daarop verstrekte gegevens werden ter plaatse geverifieerd. Het volume van de binnenlandse verkoop van deze producent in de VS bleek aanzienlijk te zijn en voldoende representatief in vergelijking met het volume van de uitvoer van het betrokken product uit China en Kazachstan naar de Gemeenschap. Voorts kan de Amerikaanse markt als open worden beschouwd, aangezien de invoerrechten laag zijn (meestbegunstigingsrecht van 3,9 % van de fob-prijs). Uit het onderzoek blijkt dat de invoer van SiMn op de markt van de VS een aanzienlijke omvang had. De markt van de VS werd derhalve geacht een competitieve markt te zijn en in voldoende mate representatief voor de vaststelling van de normale waarde voor China en Kazachstan.

(49)

Belanghebbenden werd verzocht hun reacties mede te delen en drie belanghebbenden lieten weten bezwaar te hebben tegen de keuze van de VS als referentieland. Eén Chinese groep van producenten/exporteurs voerde om te beginnen aan dat er op de markt van de VS onvoldoende concurrentie is, aangezien 1. de medewerkende producent de enige producent op de binnenlandse markt is, en 2. het volume van de invoer in de VS gering is als gevolg van antidumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer van siliciummangaan uit de voornaamste producerende landen. In de tweede plaats werd gesteld dat het feit dat de medewerkende producent in de VS verbonden is aan een van de klagende producenten aanleiding is tot twijfels over de betrouwbaarheid en representativiteit van de verstrekte gegevens over kosten en prijzen. In de derde plaats werd aangevoerd dat rekening gehouden zou moeten worden met het feit dat de situatie met betrekking tot de beschikbaarheid van grondstoffen in de VS, waar geen binnenlandse bronnen van de voornaamste grondstof zijn, anders ligt dan in de VRC, waar dat wel het geval is. In de vierde plaats werd aangevoerd dat een land met een meer met de VRC vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling een passender referentieland zou zijn dan de VS.

(50)

De Chinese producent/exporteur voerde aan dat India of in tweede instantie Oekraïne een betere keuze zou zijn, hoofdzakelijk omdat deze landen qua concurrentie en marktvoorwaarden beter konden worden vergeleken met China. Als derde mogelijkheid werd voorgesteld de normale waarde voor de VRC te bepalen op basis van de gegevens die verstrekt waren door de Chinese producenten die voor een BMO in aanmerking kwamen. En ten slotte werd gesteld dat als de VS toch als referentieland gehandhaafd zouden blijven, de normale waarde aangepast zou moeten worden om rekening te houden met verschillen inzake de beschikbaarheid van grondstoffen en de productiekosten, die in de VS hoger zouden zijn door hogere arbeidskosten en milieukosten.

(51)

De opmerkingen van twee andere belanghebbenden voegden inhoudelijk weinig toe aan bovengenoemde opmerkingen van de Chinese producent/exporteur.

(52)

De Commissie had verschillende Indiase producenten om medewerking verzocht, maar ondanks enige aanvankelijke positieve signalen kon uiteindelijk geen medewerking worden verkregen. Het was derhalve niet mogelijk India als referentieland te nemen. Wat Oekraïne betreft, werd bij het onderzoek naar dat land een aanzienlijke mate van dumping vastgesteld (zie overweging 87). De vaste praktijk schrijft voor dat een land dat betrokken is bij dumping niet als referentieland wordt genomen. Wat het derde voorstel betreft, het bepalen van de normale waarde voor de VRC op basis van de gegevens die verstrekt waren door de Chinese producenten die voor een BMO in aanmerking kwamen, kan worden volstaan met verwijzing naar artikel 2, lid 7, onder a) van de basisverordening, dat duidelijk aangeeft dat gebruik moet worden gemaakt van een „derde land met een markteconomie”. Afgezien daarvan bleek geen van de medewerkende Chinese producenten in aanmerking te komen voor een BMO.

(53)

Wat de specifieke bezwaren betreffende de geschiktheid van de VS als referentieland betreft, zij gewezen op het volgende: ten eerste, wat het beweerde gebrek aan concurrentie op de binnenlandse markt betreft, heeft het onderzoek, zoals reeds vermeld in overweging 48, aangetoond dat de medewerkende producent weliswaar de enige producent in de VS is, maar dat er anderzijds aanzienlijke hoeveelheden siliciummangaan in de VS werden ingevoerd. In feite bedroeg de invoer tijdens de onderzoekperiode een veelvoud van de binnenlandse verkoop van de medewerkende producent in de VS. In dit verband zij er ook op gewezen dat het feit dat er in een bepaald land handelsbeschermingsmaatregelen van toepassing zijn op het betrokken product niet betekent dat dat land niet als referentieland gekozen kan worden, aangezien het doel van antidumpingmaatregelen juist is de eerlijke concurrentie op de markt in kwestie te herstellen.

(54)

De bewering dat de relatie tussen de medewerkende onderneming in de VS en een Europese producent van invloed zou kunnen zijn op de betrouwbaarheid van de verstrekte gegevens werd door de bevindingen van het onderzoek niet bevestigd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat deze relatie een verstorend effect zou hebben op de prijzen, de productiekosten en de winstgevendheid van de producent in de Verenigde Staten, en de Commissie heeft zich overtuigd van de juistheid en betrouwbaarheid van de voor dit onderzoek verstrekte informatie.

(55)

Ten slotte zijn ook de argumenten betreffende de beschikbaarheid van grondstoffen en de verschillen in de kosten nader onderzocht. De prijs van de voornaamste grondstof (mangaanerts) voor de productie van siliciummangaan door de medewerkende Amerikaanse onderneming werd vergeleken met de prijzen die de Chinese ondernemingen voor mangaanerts betaalden, en er werden geen wezenlijke verschillen geconstateerd. Daar komt bij dat de Chinese medewerkende producenten eveneens een deel van hun behoefte aan mangaanerts importeerden. Dit argument en het verzoek om aanpassing werden daarom afgewezen.

(56)

Wat de andere aangevoerde factoren betreft, zoals het peil van economische ontwikkeling en de arbeids- en milieukosten, had de belanghebbende partij zijn beweringen onvoldoende onderbouwd, en deze factoren werden niet geacht relevant te zijn voor de beslissing of de VS al of niet een passend referentieland was, of een aanpassing van de normale waarde te rechtvaardigen. Daar kosten en prijzen in het algemeen niet als een werkbare basis worden beschouwd om de normale waarde te bepalen in landen die onder artikel 2, lid 7, van de basisverordening vallen, druist een dergelijke vergelijking in feite in tegen het doel van de aanwending van de in artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening genoemde methoden.

(57)

Gelet op het voorgaande werd geconcludeerd dat de USA een geschikt referentieland was in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

3.3.   Volksrepubliek China

(58)

Nadat de VS als referentieland was gekozen, werd overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening de normale waarde voor Chinese producenten/exporteurs, aan geen van welke een BMO was toegekend, vastgesteld op basis van geverifieerde informatie van de enige medewerkende producent in de VS.

(59)

De in de overwegingen 35 tot en met 44 beschreven algemene methode is toegepast op de medewerkende producent in het referentieland. Aangezien de binnenlandse verkoop van SiMn door de medewerkende producent in de VS gedurende het onderzoektijdvak niet in het kader van normale handelstransacties plaatsvond, werd de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. De winstmarge voor de berekening van de normale waarde werd overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder b) van de basisverordening vastgesteld op basis van de winstmarge die van toepassing was op dezelfde algemene categorie producten voor de producent in de VS. Er is rekening gehouden met de verkoop-, algemene en administratieve kosten van de medewerkende producent in de VS bij alle binnenlandse verkoop gedurende het onderzoektijdvak.

3.4.   Kazachstan

(60)

De in de overwegingen 35 tot en met 44 beschreven algemene methode is toegepast op de enige medewerkende producent/exporteur in Kazachstan, aan wie een BMO was toegekend. Aangezien de binnenlandse verkoop van geringe omvang was, moest de normale waarde berekend worden overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. Het bleek dat de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product door Kazchrome niet representatief was en dat de binnenlandse verkoop van deze producent van dezelfde algemene categorie producten niet in het kader van normale handelstransacties plaatsvond. Daarom werden de voor de berekening van de normale waarde gebruikte bedragen van de verkoop-, algemene en administratieve kosten en van winsten oorspronkelijk gebaseerd, overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening, op het gewogen gemiddelde van deze bedragen voor de medewerkende Oekraïense producenten bij hun binnenlandse verkoop van het soortgelijke product. Na de definitieve mededeling van feiten en overwegingen voerde de producent/exporteur aan dat de voor het bepalen van de VAA-kosten en de winst gebruikte methode niet passend was, aangezien bij de medewerkende Oekraïense producenten/exporteurs een aanzienlijke mate van dumping was vastgesteld. De Kazachse producent/exporteur stelde dat de berekening veeleer op basis van de in het referentieland vastgestelde bedragen van VAA-kosten en winst gebaseerd zou moeten worden. Naar aanleiding van deze opmerkingen werd geconcludeerd dat het onder de gegeven omstandigheden inderdaad niet juist was de berekening op de winsten van de Oekraïense producenten te baseren. Derhalve werd overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening opnieuw onderzocht op welke basis de bedragen voor VAA en winst zouden kunnen worden vastgesteld. In dit verband werd nagegaan of de VAA-kosten en de winst van de onderneming met betrekking tot SiMn gebruikt konden worden om het relevante bedrag vast te stellen. Aangezien de Kazachse onderneming geacht wordt onder marktvoorwaarden te opereren, en om de situatie op de binnenlandse markt zo precies mogelijk weer te geven, werd besloten dat de gewogen gemiddelde VAA-kosten en de winst die werd behaald op de binnenlandse verkoop van SiMn aan niet-verbonden en verbonden afnemers als basis gebruikt zou worden, overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening. Er zij op gewezen dat de VAA en de winst bij de binnenlandse verkoop aan niet-verbonden en aan verbonden afnemers nauwelijks verschilden, wat erop wees dat de relatie nauwelijks invloed had op VAA en winst. Bovendien bleek de binnenlandse verkoop plaats te vinden in het kader van normale handelstransacties, en op een redelijk significant niveau (2,8 % van het volume van de uitvoer van SiMn naar de Gemeenschap). Aangezien artikel 2, lid 6, van de basisverordening bepaalt dat normaliter gebruik moet worden gemaakt van de eigen VAA en winst van een onderneming bij binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties, werd het verzoek om gebruik te maken van gegevens van de producent in het referentieland afgewezen.

3.5.   Oekraïne

(61)

De in de overwegingen 35 tot en met 44 beschreven algemene methode is toegepast op alle drie producenten/exporteurs in Oekraïne. Voor het grootste deel van de verkoop moest de normale waarde berekend worden, aangezien er te weinig binnenlandse verkoop van vergelijkbare producten plaatsvond. Overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder b), van de basisverordening werden de voor de berekening van de normale waarde gebruikte bedragen van de verkoop-, algemene en administratieve kosten en van de winsten gebaseerd op de feitelijke gegevens van de ondernemingen betreffende de verkoop, in het kader van normale handelstransacties, van dezelfde algemene categorie van producten.

4.   Uitvoerprijs

(62)

De producenten/exporteurs voerden rechtstreeks uit naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap of via buiten de Gemeenschap gevestigde verbonden of niet-verbonden handelsmaatschappijen.

(63)

Bij de rechtstreekse uitvoer naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap of via buiten de Gemeenschap gevestigde verbonden of niet-verbonden handelsmaatschappijen werden de uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het product.

(64)

Bij uitvoer naar de Gemeenschap via verbonden handelsmaatschappijen in een derde land werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de eerste wederverkoopprijzen van deze verbonden handelsmaatschappijen aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap.

4.1.   Volksrepubliek China

(65)

Aangezien aan geen van de medewerkende Chinese producenten/exporteurs een BMO/IB kon worden toegekend, werden de gegevens betreffende hun uitvoer niet gebruikt voor het vaststellen van individuele dumpingmarges maar alleen voor de berekening van het voor het gehele land geldende recht, zoals uiteengezet in overweging 79 hieronder.

(66)

Alle drie medewerkende groepen van producenten/exporteurs in de VRC verkochten bij al hun uitvoer rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap. De uitvoerprijzen werden daarom vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

4.2.   Kazachstan

(67)

De enige meewerkende producent/exporteur voerde het betrokken product uit naar de Gemeenschap via een verbonden handelsmaatschappij in een derde land. De exportprijs van deze onderneming werd derhalve vastgesteld op basis van de door de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap aan de handelsmaatschappij betaalde wederverkoopprijs.

4.3.   Oekraïne

(68)

Twee producenten/exporteurs in Oekraïne verrichtten hun uitvoer naar de Gemeenschap uitsluitend via niet-verbonden handelsmaatschappijen in een derde land buiten de Gemeenschap, en de derde Oekraïense producent/exporteur verkocht een deel van zijn uitvoer naar de Gemeenschap aan een onafhankelijke handelsmaatschappij in Oekraïne voor uitvoer naar de Gemeenschap. In beide gevallen werd de uitvoerprijs vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen bij verkoop aan de handelsmaatschappij voor uitvoer naar de Gemeenschap.

(69)

Een deel van de verkoop van de derde producent/exporteur vond plaats via een keten van verbonden ondernemingen en uiteindelijk door een verbonden handelsmaatschappij in een derde land. In deze gevallen werd de uitvoerprijs vastgesteld op basis van de prijzen van deze verbonden handelsmaatschappij bij wederverkoop aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap.

5.   Vergelijking

(70)

De normale waarde en de uitvoerprijzen werden vergeleken in hetzelfde handelsstadium, af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijzen te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(71)

Op basis hiervan werden, voor zover dit nodig en gerechtvaardigd was, voor alle onderzochte Kazachse en Oekraïense producenten/exporteurs correcties toegestaan voor verschillen in handelsstadium, de kosten van vervoer, verzekering, laden, overladen, lossen en aanverwante kosten, verpakking, krediet, en servicekosten (waarborgen/garanties).

(72)

De VAA-kosten die gebruikt zijn voor de berekening van de normale waarde voor de Kazachse producent/exporteur, overeenkomstig de in overweging 60 beschreven methode, omvatten kosten voor binnenlands transport en verzekering. Daarom werd, hoewel geen verzoek daartoe was ingediend, een ex officio aanpassing van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder e) verricht om de VAA-kosten te reduceren met het bedrag van de kosten van binnenlands vervoer en verzekering.

(73)

De enige medewerkende producent/exporteur in Kazachstan, Kazchrome, voerde aan dat hij samen met zijn verbonden handelsmaatschappij in Zwitserland, ENRC, „één enkele economische entiteit” vormde. De producent/exporteur stelde dat om die reden, hoewel de verkoopprijs van de handelsmaatschappij gebruikt diende te worden voor het bepalen van de uitvoerprijs, geen aanpassingen nodig waren voor transportkosten, VAA-kosten en de winst van de handelsmaatschappij.

(74)

Deze bewering is nader onderzocht. Het bleek dat ENRC en Kazchrome weliswaar verbonden ondernemingen waren, maar met eigen rechtspersoonlijkheid. Bovendien bestond tussen deze twee entiteiten een verkoper-koperrelatie. De conclusie was dan ook dat ENRC bij de verkoop van de producten van Kazchrome in de Gemeenschap een rol vervulde die vergelijkbaar was met die van een agent die op commissiebasis werkt. Verder werd vastgesteld dat de gehele verkoop van Kazchrome aan de Gemeenschap via ENRC plaatsvond, maar dat deze handelaar geen rol speelde in de binnenlandse verkoopkanalen van Kazchrome. Verder werd geconcludeerd dat bij de aanpassing van de uitvoerprijs ook rekening gehouden moest worden met de transportkosten vanaf de fabriek, rekening houdende met uiteenlopende verkoopvoorwaarden, om een billijke vergelijking tussen uitvoerprijs en normale waarde af fabriek te verzekeren.

(75)

Dit argument moest dus worden afgewezen en de uitvoerprijs werd aangepast voor de commissies, overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening, en voor het transport overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder e). De hoogte van de commissie werd berekend aan de hand van rechtstreeks bewijsmateriaal over de uitoefening van die taak. In deze context werd bij de berekening van de commissie rekening gehouden met de VAA-kosten die ENRC maakte om het door Kazchrome geproduceerde betrokken product te verkopen, en met een winstmarge voor ENRC, die in dit geval gebaseerd werd op de door een aan het onderzoek meewerkende niet-verbonden importeur aangegeven winstmarge.

(76)

Voor de Oekraïense producent, die uiteindelijk verkocht via een verbonden handelaar in een derde land (zie overweging 69), werd op de uitvoerprijs een correctie voor de commissies toegepast, overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening, in de gevallen waar de verkoop plaatsvond via deze verbonden handelaar, aangezien de functie van deze handelaar vergelijkbaar was met die van een op commissiebasis werkende agent. De betrokken onderneming, NFP, en de verbonden handelaar, Steelex SA, bleken aparte rechtspersonen te zijn en (direct of indirect) te werken op basis van een verkoper-koperrelatie. Bovendien werd voor verkoop aan de Gemeenschap via Steelex SA een commissie betaald. Het door de instellingen van de Gemeenschap berekende commissiebedrag was gebaseerd op rechtstreekse bewijzen van het bestaan van dergelijke functies. In deze context werd rekening gehouden met de VAA-kosten die SA maakte om het door NFP geproduceerde betrokken product te verkopen, en met een winstmarge als aangegeven door een aan het onderzoek meewerkende niet-verbonden importeur. Bovendien verrichte NFP een deel van zijn verkoop aan de Gemeenschap door Steelex SA via een in een ander derde land gevestigde niet-verbonden handelaar. Voor deze verkoop, en in aanvulling op de commissie voor Steelex SA, werd het redelijk geacht een correctie toe te passen voor een commissie voor de niet-verbonden handelaar, overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening, aangezien ook deze handelaar functies had die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent. Deze commissie werd vastgesteld op basis van een handelsmarge op de verkoop in kwestie.

(77)

Eén Oekraïense producent/exporteur vroeg overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder j), van de basisverordening een correctie voor omrekening van valuta. Dit verzoek was gebaseerd op de schommelingen van de wisselkoers tussen de datum van de factuur en de datum van de betaling. Artikel 2, lid 10, onder j, van de basisverordening bepaalt echter dat de factuurdatum geacht wordt de datum van verkoop te zijn; de toepasselijke wisselkoers is dus die van die datum. Dit verzoek werd derhalve van de hand gewezen.

6.   Dumpingmarges

6.1.   Volksrepubliek China

(78)

Aangezien geen van de medewerkende producenten/exporteurs in de VRC een BMO of IB had gekregen, werd een dumpingmarge voor de hele VRC berekend aan de hand van een wegingsfactor van de cif-waarde van iedere groep exporteurs, d.w.z. zowel de medewerkende als de niet-medewerkende.

(79)

Daartoe werd eerst de dumpingmarge berekend voor de medewerkende Chinese producenten/exporteurs overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening, op basis van vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde van het referentieland per productsoort met een gewogen gemiddelde uitvoerprijs per productsoort, vastgesteld zoals hierboven aangegeven.

(80)

Er zij op gewezen dat de invoer van de VRC zowel SiMn met een normaal koolstofgehalte als SiMn met een laag koolstofgehalte omvatte. De medewerkende producent in het referentieland produceerde echter alleen SiMn met een normaal koolstofgehalte. Daarom werd bij de vergelijking alleen gebruik gemaakt van gegevens betreffende deze gemeenschappelijke productsoort.

(81)

Vervolgens werd, op basis van de beschikbare gegevens, de dumpingmarge vastgesteld voor alle niet-medewerkende producenten/exporteurs, overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening.

(82)

Om de dumpingmarge voor niet-medewerkende producenten/exporteurs vast te stellen, werd eerst de omvang van de niet-medewerking bepaald. Hiertoe werd het door de medewerkende Chinese producenten/exporteurs gemelde volume van de uitvoer naar de Gemeenschap vergeleken met het totale volume van de invoer van oorsprong uit de VRC, op basis van de importstatistieken van Eurostat. Uit deze vergelijking bleek dat de mate van medewerking gering was: de uitvoer van de medewerkende producenten vertegenwoordigde minder dan 29 % van de totale invoer in de Gemeenschap vanuit de VRC gedurende het onderzoektijdvak.

(83)

De dumpingmarge voor de exportvolumen van niet-medewerkende Chinese producenten/exporteurs werd vastgesteld op basis van de hoogste vastgestelde dumpingmarge voor de medewerkende producenten/exporteurs voor SiMn met een normaal koolstofgehalte. Deze benadering werd gerechtvaardigd geacht omdat er geen aanwijzingen waren dat enige niet-medewerkende producent dumping bedreef op een lager niveau dan de medewerkende producenten/exporteurs. Daarom werd een gemiddelde, voor het gehele land geldende dumpingmarge berekend, met als wegingsfactor de cif-waarde van iedere groep exporteurs, zowel de medewerkende als de niet-medewerkende. Hierbij bleek dat de dumpingmarge voor het gehele land, in procenten van de cif-invoerprijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, 60,1 % bedraagt.

6.2.   Kazachstan

(84)

Afgaande op de klacht, de informatie van de producent/exporteur die tot medewerking bereid was, en andere statistische gegevens, werd geconcludeerd dat OJSC Kazchrome de enige Kazachse producent/exporteur van siliciummangaan is. Aangezien er geen aanwijzingen waren dat enige producent/exporteur opzettelijk niet meewerkte, werd het passend geacht de residuele dumpingmarge op hetzelfde niveau vast te stellen als voor OJSC Kazchrome.

(85)

In procenten van de cif-prijs grens EG, vóór inklaring, zijn de dumpingmarges derhalve:

OJSC Kazchrome: 6,5 %;

Alle andere ondernemingen: 6,5 %.

6.3.   Oekraïne

(86)

Afgaande op de klacht, de informatie van de producenten/exporteurs die tot medewerking bereid waren, en andere statistische gegevens, werd geconcludeerd dat de mate van medewerking in de Oekraïne boven de 80 % lag. Het werd daarom passend geacht de residuele dumpingmarge vast te stellen op het niveau van de hoogste vastgestelde dumpingmarge voor een medewerkende producent/exporteur in dat land.

(87)

De dumpingmarges, in procenten van de invoerprijs cif grens EG, vóór inklaring, bedroegen:

PJSC Nikopol Ferroalloys Plant: 39,1 %;

JSC Stakhanov Ferroalloys Plant: 53,4 %;

OJSC Zaporozhye Ferroalloys Plant: 56,7 %;

Alle andere ondernemingen: 56,7 %.

D.   SCHADE

1.   Algemeen

(88)

In 1998 werden antidumpingmaatregelen opgelegd op de invoer van SiMn van oorsprong uit de VRC en Oekraïne (Verordening (EG) nr. 495/98 van de Raad (3)). Deze maatregelen liepen begin maart 2003 af. Tijdens het eerste deel van de beoordelingsperiode waren er dus maatregelen van toepassing op de invoer uit twee van de betrokken landen. Met dit feit is rekening gehouden bij de analyse van de schade. Zoals aangegeven in overweging 118 hieronder, blijkt uit de ontwikkeling ten aanzien van de winstgevendheid duidelijk dat het vervallen van de antidumpingmaatregelen in maart 2003 geen wezenlijke invloed had op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de periode daarna. Daarom is geconcludeerd dat, in weerwil van de beweringen van sommige belanghebbenden, het jaar 2002 beschouwd kan worden als een goede basis voor de berekening van de in de overwegingen 93 tot en met 141 genoemde indices.

(89)

SiMn is een belangrijke grondstof voor de productie van staal. Tegen het einde van 2003 steeg de vraag naar staal sterk, wereldwijd maar vooral in Azië, en deze stijging zette zich door in de eerste helft van 2004. In combinatie met tegenvallende productie van SiMn in Azië leidde dit tot een ongekende stijging van de prijzen in de loop van 2004. Bij de analyse van de schade is rekening gehouden met deze ongewone omstandigheden, om te voorkomen dat het beeld daardoor te sterk beïnvloed zou worden.

2.   Communautaire productie en bedrijfstak van de Gemeenschap

(90)

In de Gemeenschap wordt het soortgelijke product vervaardigd door vijf producenten. Hun output wordt derhalve geacht de communautaire productie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening te vormen.

(91)

Van deze vijf producenten gaven er vier, allen lid van de klagende vereniging, binnen de in het bericht van inleiding gestelde termijn blijk van hun interesse in medewerking aan de procedure. Zij werkten naar behoren aan het onderzoek mee. Deze vier producenten bleken goed te zijn voor een groot deel (ongeveer 88 %) van de totale communautaire productie van het soortgelijke product. Deze vier medewerkende producenten vormen derhalve de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening en zullen hierna als „bedrijfstak van de Gemeenschap” worden aangeduid. De overblijvende communautaire producent zal „de andere communautaire producent” worden genoemd. Deze andere communautaire producent verzette zich niet tegen de klacht.

3.   Verbruik in de Gemeenschap

(92)

Het verbruik van de Gemeenschap werd vastgesteld op basis van het eigen productievolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap, rekening houdende met schommelingen van de voorraden, met het volume van de invoer en de uitvoer voor de markt van de Gemeenschap, op basis van gegevens van Eurostat, en wat de andere communautaire producent betreft, met schattingen door de producenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(93)

In het onderzoektijdvak was de communautaire markt voor het betrokken product en het soortgelijke product ongeveer 9 % groter dan in 2002, namelijk ongeveer 914 000 ton. Gedurende de beoordelingsperiode bereikte het verbruik een piek in 2004, 14 % hoger dan in 2002, maar in de daaropvolgende twee jaar daalde het weer.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Totaal EG-verbruik (ton)

835 419

882 607

953 692

921 654

914 240

Index (2002 = 100)

100

106

114

110

109

4.   Invoer uit de betrokken landen

a)   Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer

(94)

De Commissie heeft onderzocht of de gevolgen van de invoer met dumping uit de betrokken landen cumulatief moesten worden beoordeeld op basis van de criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening.

(95)

De dumpingmarge voor elk betrokken land was meer dan het minimum, de uit elk van deze landen ingevoerde hoeveelheid was niet te verwaarlozen, en een cumulatieve beoordeling was opportuun gezien de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten uit de betrokken landen en het soortgelijke product uit de Gemeenschap. Deze soortgelijke concurrentieverhoudingen bleken uit het feit dat het uit de betrokken landen ingevoerde betrokken product en het door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde en op de communautaire markt verkochte soortgelijke product vergelijkbaar waren en via dezelfde handelskanalen werden gedistribueerd. Bovendien ging het om substantiële invoervolumen die in significante marktaandelen resulteerden. Aangezien echter bij de invoer vanuit Oekraïne geen sprake was van onderbieding, zoals aangegeven in overweging 104, werd geconcludeerd dat de invoer vanuit Oekraïne apart beoordeeld diende te worden.

(96)

De producent/exporteur in Kazachstan voerde aan dat Kazachstan niet tezamen met de VRC beschouwd zou moeten worden bij de beoordeling van de schade, gezien het feit dat Kazachstan zich volledig anders gedraagt op de markt. Deze producent/exporteur argumenteerde onder andere dat de ontwikkeling van de Kazachse invoervolumen, waarden en marktaandeel in de Gemeenschap sterk verschilde van die van de andere betrokken landen en dat ook de mix van producten verschillend was. De Commissie erkende dat gedurende de beoordelingsperiode het invoervolume en het marktaandeel van Kazachstan over het geheel gezien afnamen (het marktaandeel was 5,8 % in 2002 en 4,6 % gedurende het onderzoektijdvak). Anderzijds waren zowel het volume als het marktaandeel van de invoer uit Kazachstan gedurende de beoordelingsperiode relatief stabiel en op een peil dat niet als onbetekenend kan worden beschouwd. Bovendien is uit het onderzoek gebleken dat de ontwikkeling van de prijzen van de invoer uit Kazachstan niet wezenlijk verschilt van die van de andere betrokken landen. Derhalve, en ook in het licht van de in de overwegingen 73 tot en met 75 genoemde punten, kan niet worden geconcludeerd dat het marktgedrag van Kazachstan volledig anders is dan dat van de VRC; het verzoek moet daarom worden afgewezen.

(97)

In het licht van het bovenstaande werd geoordeeld dat ten aanzien van de VRC en Kazachstanaan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening was voldaan. De invoer vanuit deze twee betrokken landen werd daarom cumulatief beoordeeld, en de invoer vanuit Oekraïne apart.

b)   Volume

(98)

Het volume van de invoer van het betrokken product vanuit de VRC en Kazachstan in de Gemeenschap nam gestaag toe van ongeveer 48 000 ton in 2002 tot ongeveer 162 000 ton in 2004, om daarna weer af te nemen tot ongeveer 96 000 ton gedurende het onderzoektijdvak. Tussen 2002 en het einde van het onderzoektijdvak nam het volume van de invoer vanuit deze landen met 99 % toe.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Volume van de invoer uit de VRC en Kazachstan (ton)

48 091

66 509

162 227

142 993

95 491

Index (2002 = 100)

100

138

337

297

199

Marktaandeel van de invoer uit de VRC en Kazachstan

5,8 %

7,5 %

17,0 %

15,5 %

10,4 %

Prijs van de invoer uit de VRC en Kazachstan (EUR/ton)

462

464

829

689

564

Index (2002 = 100)

100

101

179

149

122

(99)

Het volume van de invoer van het betrokken product vanuit Oekraïne in de Gemeenschap daalde licht van ongeveer 154 000 ton in 2002 tot ongeveer 138 000 ton in 2003 en 2004, en nam daarna weer toe tot ongeveer 180 000 ton in 2005 en ongeveer 210 000 ton gedurende het onderzoektijdvak. Tussen 2002 en het onderzoektijdvak nam het volume van de invoer vanuit dit land met 36 % toe.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Volume van de invoer vanuit Oekraïne (ton)

154 391

137 683

137 514

179 993

210 302

Index (2002 = 100)

100

89

89

117

136

Marktaandeel van de invoer vanuit Oekraïne

18,5 %

15,6 %

14,4 %

19,5 %

23,0 %

Prijs van de invoer vanuit Oekraïne

(EUR/ton)

508

490

912

602

550

Index (2002 = 100)

100

97

180

118

108

c)   Marktaandeel

(100)

Het marktaandeel van de invoer vanuit de VRC en Kazachstan bedroeg 5,8 % in 2002. Dit aandeel steeg in 2003 en opnieuw in 2004, en bereikte in dat jaar 17 %. In 2005 daalde het marktaandeel licht tot 15,5 %, en gedurende het onderzoektijdvak verder tot 10,4 %. In totaal nam het marktaandeel tussen 2002 en het onderzoektijdvak met 4,6 procentpunten toe, tot bijna het dubbele van het marktaandeel in 2002.

(101)

Het marktaandeel van de invoer vanuit Oekraïne bedroeg 18,5 % in 2002. Dit aandeel nam af in 2003 en opnieuw in 2004, tot 14,4 % in dat jaar. In 2005 steeg het marktaandeel tot 19,5 %, en gedurende het onderzoektijdvak verder tot 23 %. In totaal steeg het marktaandeel tussen 2002 en het einde van het onderzoektijdvak met 4,5 procentpunten.

d)   Prijzen

i)   Prijsontwikkeling

(102)

In 2004 stegen de prijzen van SiMn wereldwijd tot ongekende hoogte, als gevolg van een ongewoon sterke vraag en een beperkt aanbod, zoals uiteengezet in overweging 89. Dit effect is terug te vinden in de prijzen van de invoer uit de betrokken landen voor dat jaar en een deel van 2005. Dit was echter niet van invloed op de prijzen gedurende het onderzoektijdvak. Over het geheel gezien nam de gemiddelde prijs van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC en Kazachstan met 22 % toe tussen 2002 en het einde van het onderzoektijdvak, terwijl de gemiddelde prijs van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit Oekraïne in diezelfde periode met 8 % toenam.

ii)   Prijsonderbieding

(103)

Voor elke productsoort is er een prijsvergelijking gemaakt tussen de gemiddelde verkoopprijzen in de Gemeenschap van de producent/exporteur en die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Daartoe zijn de prijzen die de bedrijfstak van de Gemeenschap berekende aan niet-verbonden afnemers vergeleken met de prijzen van medewerkende producenten/exporteurs in de betrokken landen. Waar nodig werden correcties toegepast om rekening te houden met verschillen in het handelsstadium en de kwaliteit van producten.

(104)

Uit de vergelijking bleek dat gedurende het onderzoektijdvak in de Gemeenschap verkocht SiMn van oorsprong uit de VRC en Kazachstan 4,5 % lager geprijsd was dan de producten van de bedrijfstak van de Gemeenschap; de onderbieding bedroeg dus over het geheel gezien 4,5 % op een gewogen gemiddelde basis. De prijzen van de invoer uit Oekraïne lagen ongeveer op hetzelfde niveau als die van de bedrijfstak van de Gemeenschap (er was dus geen sprake van onderbieding).

(105)

Om te verzekeren dat bij het berekenen van de onderbieding prijzen in hetzelfde handelsstadium vergeleken werden, werden de prijzen af fabriek van de bedrijfstak van de Gemeenschap vergeleken met de prijzen van de geïmporteerde goederen op het moment dat zij op het grondgebied van de Gemeenschap aankwamen, gecorrigeerd voor de kosten van lossen en inklaring. Eén belanghebbende betwistte de met betrekking tot de Kazachse onderneming gebruikte methode en stelde dat de basis voor de berekening van de invoerprijs de cif-prijs op het punt van inklaring in een haven van de EU diende te zijn, en niet de prijs van de geïmporteerde goederen op het moment dat zij het grondgebied van de Gemeenschap bereikten (in dit geval de landgrens met Litouwen). Er werden echter geen overtuigende argumenten aangevoerd waarom het noodzakelijk zou zijn om voor deze onderneming een andere berekeningsmethode toe te passen. Er zij bovendien op gewezen dat de cif-prijzen op het punt van inklaring van de Kazachse invoer een aanzienlijk bedrag voor transportkosten omvatten nadat de goederen de grens van de Gemeenschap in Litouwen gepasseerd zijn, en het vergelijken van deze prijzen met de prijzen af fabriek van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou discriminerend zijn ten opzichte van de laatste, aangezien de prijzen af fabriek geen transportkosten omvatten. Daarom wordt geconcludeerd dat de toegepaste methode de meest passende is, en wordt het verzoek afgewezen.

5.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(106)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening onderzocht de Commissie alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap van invloed waren.

a)   Productie

(107)

De productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg van een niveau van ongeveer 241 000 ton in 2002 tot een piek van ongeveer 255 000 ton in 2004, vanwege de ongewoon sterke vraag zoals uiteengezet in overweging 89, om daarna te dalen in 2005 en weer licht te stijgen in het onderzoektijdvak. In totaal nam de productie tijdens de beoordelingsperiode met 6 % af tot ongeveer 226 000 ton in het onderzoektijdvak. Er zij op gewezen dat één communautaire producent de productie van SiMn staakte gedurende 2003 en een groot deel van het onderzoektijdvak.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Productie (ton)

241 784

220 073

255 671

221 402

226 142

Index (2002 = 100)

100

91

106

92

94

b)   Capaciteit en bezettingsgraad

(108)

De productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleef gedurende de beoordelingsperiode stabiel op een niveau van 325 000 ton.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Productiecapaciteit (ton)

325 226

325 537

325 254

326 068

326 696

Index (2002 = 100)

100

100

100

100

100

Bezettingsgraad

74 %

68 %

79 %

68 %

69 %

Index (2002 = 100)

100

91

106

91

93

(109)

De bezettingsgraad bedroeg in 2002 74 %. Dit cijfer daalde tot 68 % in 2003, en nam weer toe tot 79 % in 2004, alvorens te dalen tot 69 % in het onderzoektijdvak. Dit weerspiegelt de schommelingen van het productievolume zoals beschreven in overweging 107.

c)   Voorraden

(110)

Het peil van de eindvoorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam met 45 % af in 2003, maar steeg in 2004 weer tot bijna het niveau van 2002. De sterke daling van de voorraden aan het einde van 2003 was toe schrijven aan de reactie op de buitengewone stijging van de vraag, zoals vermeld in overweging 89. De eindvoorraden namen vervolgens met 22 % toe in 2005, alvorens in het onderzoektijdvak weer aanzienlijk te dalen tot een niveau van 30 % onder dat van 2002. Deze algemene inkrimping van de eindvoorraden verklaart het feit dat het volume van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de EG over het geheel gezien stabiel bleef (zie overweging 111), ondanks de daling van de productie zoals beschreven in overweging 107.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Eindvoorraad (ton)

21 017

11 561

20 983

25 682

14 618

Index (2002 = 100)

100

55

100

122

70

d)   Verkoopvolume

(111)

Het volume van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Gemeenschap verkochte eigen producten gedurende het onderzoektijdvak bedroeg ongeveer 227 000 ton, dezelfde hoeveelheid als in 2002. In 2003 en 2005 lag de verkoop echter respectievelijk 6 % en 8 % lager. In 2004 lag de verkoop hoger, op 104 % van het niveau van 2002 en van het onderzoektijdvak, vanwege de in overweging 89 aangegeven oorzaken.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Volume EG-verkoop aan niet-verbonden afnemers (ton)

227 571

213 778

236 494

208 687

227 690

Index (2002 = 100)

100

94

104

92

100

e)   Marktaandeel

(112)

De bedrijfstak van de Gemeenschap had in 2002 een marktaandeel van 27,2 %. In 2003 daalde dit tot 24,2 %, waarna in 2004 een herstel tot 24,8 % optrad. In 2005 daalde het marktaandeel weer tot 22,6 %. Gedurende het onderzoektijdvak was er sprake van een licht herstel tot 24,9 %. In de loop van de beoordelingsperiode verloor de bedrijfstak van de Gemeenschap 2,3 procentpunten van zijn marktaandeel.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap

27,2 %

24,2 %

24,8 %

22,6 %

24,9 %

Index (2002 = 100)

100

89

91

83

91

f)   Groei

(113)

Tussen 2002 en het einde van het onderzoektijdvak steeg het verbruik in de Gemeenschap met 9 procentpunten, het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt nam niet toe, en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam af met 2,3 procentpunten. Het verkoopvolume en het marktaandeel van de VRC en Oekraïne daarentegen namen toe in diezelfde periode. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet van enige groei van de communautaire markt kon profiteren.

g)   Werkgelegenheid

(114)

Het werkgelegenheidspeil van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam eerst met 32 % af tussen 2002 en 2003, steeg met 27 procentpunten in 2004, en nam daarna weer af met 13 procentpunten in 2005 en nog eens met 26 procentpunten in het onderzoektijdvak. Gedurende de beoordelingsperiode bleef het productievolume relatief stabiel, op een niveau van tussen 91 % en 106 % van het niveau van 2002. Voor de producent die de productie van SiMn staakte in het onderzoektijdvak, zoals vermeld in overweging 107, was de schommeling van de productie sterker gedurende de beoordelingsperiode, en dat werd weerspiegeld in de schommeling van het aantal werknemers. Tussen 2002 en het einde van de beoordelingsperiode daalde de werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Gemeenschap met 44 %: van ongeveer 700 tot 400 personen. Daaruit blijkt dat de efficiëntie van de bedrijfstak van de Gemeenschap verbeterd is, aangezien de productie in diezelfde periode met slechts 6 % afnam.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Werkgelegenheid (aantal personen)

702

475

668

577

391

Index (2002 = 100)

100

68

95

82

56

h)   Productiviteit

(115)

De productiviteit van het personeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap, uitgedrukt als output (in tonnen) per werknemer per jaar, bedroeg aan het begin van de beoordelingsperiode 344 ton, steeg daarna ieder jaar met uitzondering van 2004, en was aan het einde van het onderzoektijdvak 68 % hoger dan in 2002. Dit stemt overeen met het feit dat de werkgelegenheid afnam met 44 % in de beoordelingsperiode, en de productie met slechts 6 %. De toename van de productiviteit is gedeeltelijk toe te schrijven aan het feit dat het personeel sterker ingekrompen werd bij die communautaire producenten waar de productiviteit aanvankelijk relatief laag was.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Productiviteit (ton per werknemer)

344

463

383

384

578

Index (2002 = 100)

100

135

111

111

168

i)   Lonen

(116)

Het gemiddelde loon per werkgever steeg met 26 % tussen 2002 en 2003, bleef op een vergelijkbaar niveau in 2004 en steeg weer in 2005; aan het einde van het onderzoektijdvak was het 77 % hoger dan in 2002. Deze stijging van de gemiddelde loonkosten is gedeeltelijk toe te schrijven aan het feit dat het personeel vooral sterk ingekrompen werd bij die communautaire producenten waar de gemiddelde lonen aanvankelijk relatief laag waren.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Jaarlijkse arbeidskosten per werknemer (EUR)

17 602

22 102

21 636

22 459

31 092

Index (2002 = 100)

100

126

123

128

177

j)   Factoren die van invloed zijn op de verkoopprijzen

(117)

De eenheidsprijzen bij de verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden afnemers stegen in totaal met 14 % tussen 2002 en het einde van het onderzoektijdvak. In 2004 waren de prijzen ongewoon hoog vanwege de wereldwijd ongewoon sterke vraag en het beperkte aanbod, zoals vermeld in overweging 89. Het effect van deze situatie werkte gedeeltelijk nog door in 2005, toen de prijzen weer naar een normaler peil terugkeerden; maar uiteindelijk lagen de prijzen aan het einde van het onderzoektijdvak 14 % hoger dan in 2002.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Eenheidsprijs EG-markt (EUR/ton)

521

526

928

640

593

Index (2002 = 100)

100

101

178

123

114

k)   Winstgevendheid en rendement van de investeringen

(118)

Gedurende de beoordelingsperiode nam de winstgevendheid van de verkoop van het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Gemeenschap, uitgedrukt als percentage van de nettoverkoop, toe van 0,8 % in 2002 tot 3,1 % in 2003, daarna tot 37,2 % in 2004 als gevolg van de in overweging 89 beschreven situatie, en daalde vervolgens weer tot 7,0 % in 2005 en tot 2,5 % aan het einde van het onderzoektijdvak. De winstgevendheid nam dus met 1,7 procentpunten toe tussen 2002 en het einde van het onderzoektijdvak.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Winstgevendheid EG-verkoop aan niet-verbonden afnemers (% van nettoverkoop)

0,8 %

3,1 %

37,2 %

7,0 %

2,5 %

Index (2002 = 100)

100

385

4 668

884

313

Rendement investeringen (winst in % van nettoboekwaarde)

3,6 %

11,0 %

410,2 %

24,4 %

10,4 %

Index (2002 = 100)

100

303

11 252

668

284

(119)

Het rendement van de investeringen, uitgedrukt als de winst in procenten van de netto boekwaarde van de investering, hield ongeveer gelijke tred met de trend van de winstgevendheid. Dit rendement nam toe van 3,6 % in 2002 tot 11 % in 2003, bedroeg door buitengewone omstandigheden 410 % in 2004, daalde weer tot 24 % in 2005 en bedroeg 10,4 % aan het einde van het onderzoektijdvak. De totale toename over de beoordelingsperiode bedroeg derhalve 6,8 procentpunten.

l)   Kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken

(120)

De netto kasstroom van bedrijfsactiviteiten was vrijwel nul in 2002. Dit nam toe tot ongeveer 9 miljoen EUR in 2003 en 83 miljoen EUR in 2004, alvorens weer te dalen tot ongeveer 16 miljoen EUR in 2005 en 17 miljoen aan het einde van het onderzoektijdvak. Er waren geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap problemen had met het aantrekken van kapitaal.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Kasstroom (EUR)

132

9 551

83 701

16 445

17 092

Index (2002 = 100)

100

7 214

63 220

12 421

12 910

m)   Investeringen

(121)

De jaarlijkse investeringen van de bedrijfstak in de productie van het soortgelijke product vervijfvoudigden tussen 2002 en 2003 en daalden in 2004 weer ongeveer naar het niveau van 2002. In 2004-2005 namen de investeringen opnieuw toe tot ongeveer het achtvoudige, en daalden daarna weer licht in het onderzoektijdvak. In totaal namen de investeringen met ongeveer 900 % toe tussen 2002 en het einde van het onderzoektijdvak. De investeringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden hoofdzakelijk door één producent gedaan en het is gebleken dat het vooral om onderhoud en vernieuwing van bestaande uitrusting ging, en niet om uitbreiding van de capaciteit.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Netto investeringen (x 000 EUR)

1 528

8 376

2 351

17 365

15 333

Index (2002 = 100)

100

548

154

1 136

1 003

n)   Omvang van de dumpingmarge

(122)

Gezien het volume, het marktaandeel en de prijzen van de invoer uit de betrokken landen valt het effect van de omvang van de feitelijke dumpingmarges op de bedrijfstak van de Gemeenschap niet te verwaarlozen.

o)   Herstel van eerdere dumping

(123)

Zoals aangegeven in overweging 88 blijkt uit de ontwikkeling van de winstgevendheid duidelijk dat de opheffing van de antidumpingmaatregelen betreffende SiMn in maart 2003 geen wezenlijke invloed had op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de daaropvolgende periode.

6.   Conclusie inzake de schade

(124)

In een context van stijgend verbruik slonk het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende de beoordelingsperiode met 2,3 procentpunten, tot 24,9 %. Tegelijkertijd nam de productie af met 6 % en de bezettingsgraad met 5 procentpunten. Bovendien was de bedrijfstak van de Gemeenschap gedwongen werknemers te ontslaan. Anderzijds vertoonden enkele schade-indicatoren een positieve trend in de beoordelingsperiode, zoals de winstgevendheid, de kasstroom, het rendement van de investeringen, en de verkoopprijs, die met 14 % steeg. Bij een meer diepgaande analyse van de gegevens blijkt echter dat gezien de aard van deze economische activiteit een winstmarge van 2,5 % niet als voldoende beschouwd wordt, aangezien op dat niveau het overleven van de bedrijfstak niet gegarandeerd is. De prijsverhoging was voldoende om de stijging van de grondstoffenprijzen te compenseren, maar niet om de winstmarge op een aanvaardbaar niveau te brengen. Hoewel dus een aantal indicatoren positieve trends vertonen, was de bedrijfstak van de Gemeenschap geenszins in staat om van de toename van het verbruik op de markt van de Gemeenschap te profiteren, zoals blijkt uit het slinkende marktaandeel, de daling van de productie en de geringe winstgevendheid.

(125)

Aangezien één communautaire producent het soortgelijke product niet continu gedurende de gehele beoordelingsperiode produceerde, en de productie volledig staakte in 2003 en het grootste deel van het onderzoektijdvak, zoals opgemerkt in overweging 107, werd het effect van deze onderbreking nader onderzocht. Uit de analyse bleek echter dat door de relatief geringe totale productie van deze producent de onderbrekingen daarvan slechts een gering effect hadden op het totale schadebeeld, en de schade-indicatoren niet wezenlijk opdreven. Dit blijkt wel uit het feit dat het uitsluiten van deze producent van de berekening nauwelijks tot hogere prestatiecijfers zou leiden. Met name de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou, met 3,2 % in het onderzoektijdvak, nog steeds verre van bevredigend zijn, terwijl de productie en de bezettingsgraad nog steeds negatieve trends zouden vertonen. Derhalve wordt geconcludeerd dat de schade die de EU-bedrijfstak heeft geleden niet uitsluitend aan deze communautaire producent kan worden toegeschreven.

(126)

Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.

E.   OORZAKELIJK VERBAND

1.   Inleiding

(127)

Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping heeft geleden, als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd schade kon hebben geleden, werden eveneens onderzocht, om te voorkomen dat mogelijke schade door deze andere factoren aan de invoer met dumping zou worden toegeschreven.

2.   Gevolgen van de invoer met dumping

(128)

Tussen 2002 en het onderzoektijdvak steeg de invoer met dumping van het betrokken product van oorsprong uit de VRC en Kazachstan met 99 % en steeg het marktaandeel van deze invoer op de communautaire markt met ongeveer 4,6 procentpunten. De gemiddelde prijs van de ingevoerde producten is tussen 2002 en het einde van het onderzoektijdvak met 22 % gestegen, maar de prijzen bleven in de beoordelingsperiode over het algemeen onder die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. In diezelfde periode steeg de invoer met dumping van het betrokken product van oorsprong uit Oekraïne met 36 % en steeg het marktaandeel van deze invoer op de communautaire markt met ongeveer 4,5 procentpunten. De gemiddelde prijs van de ingevoerde producten is tussen 2002 en het einde van het onderzoektijdvak met 8 % gestegen, maar de prijzen bleven in de beoordelingsperiode over het algemeen dicht bij die van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(129)

Zoals aangegeven in overweging 104, bedroeg de onderbieding van de invoer uit de VRC en Kazachstan in totaal 4,5 % op een gewogen gemiddelde basis, terwijl bij de invoer uit de Oekraïne geen sprake was van onderbieding.

(130)

Gezien de onderbieding van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer vanuit de VRC en Kazachstan is de conclusie dat deze invoer met dumping een neerwaartse druk op de prijzen uitoefende, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in staat was zijn verkoopprijzen te verhogen tot het voor een duurzame winst noodzakelijke niveau. Er bestaat dus een duidelijk oorzakelijk verband tussen die invoer en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade. Wat Oekraïne betreft, is de conclusie daarentegen, overwegende dat er bij de invoer geen sprake is van onderbieding en dat de schademarge voor Oekraïne minimaal is (zie overwegingen 168 en 169), dat er geen duidelijk oorzakelijk verband is tussen invoer uit Oekraïne en door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade.

3.   Gevolgen van andere factoren

a)   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(131)

Uit onderstaande tabel blijkt dat het exportvolume in de beoordelingsperiode met 40 % afnam. De eenheidsprijs van deze verkoop bleef relatief stabiel, afgezien van 2004.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Volume exportverkoop (ton)

12 056

16 445

10 524

9 713

7 191

Index (2002 = 100)

100

136

87

81

60

Prijs exportverkoop (EUR/ton)

598

522

787

592

578

Index (2002 = 100)

100

87

132

99

97

(132)

Er zij echter op gewezen dat export een onbetekenende rol speelt in de context van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap, en gedurende de beoordelingsperiode slechts ongeveer 3 tot 7 % van de totale verkoop vertegenwoordigde. Daarom wordt geoordeeld dat de exportactiviteiten in generlei opzicht kunnen hebben bijgedragen tot de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

b)   Invoer uit andere derde landen

(133)

De analyse van de invoer vanuit derde landen is gebaseerd op gegevens van Eurostat. Voor een aantal landen konden deze gegevens worden vergeleken met de door de belanghebbenden verstrekte en gecontroleerde informatie, en daarbij bleek dat de gegevens van Eurostat betrouwbaar waren.

(134)

De totale invoer uit alle landen, afgezien van de betrokken landen, nam in de beoordelingsperiode met ongeveer 6 % af, namelijk van ongeveer 377 000 ton in 2002 tot ongeveer 354 000 ton in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van deze invoer slonk van ongeveer 45 % tot ongeveer 39 %. De invoer vanuit andere derde landen komt hoofdzakelijk uit Noorwegen, India, Zuid-Afrika en Brazilië.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Volume van de invoer van alle andere derde landen (ton)

376 919

437 205

393 857

364 250

353 802

Index (2002 = 100)

100

116

104

97

94

Marktaandeel van alle andere derde landen

45,1 %

49,5 %

41,3 %

39,5 %

38,7 %

Prijs van de invoer van alle andere derde landen (EUR/ton)

523

528

823

691

597

Index (2002 = 100)

100

101

157

132

114

Bron: Eurostat.

(135)

De invoer uit Noorwegen daalde met ongeveer 11 % en het marktaandeel van deze invoer nam in de loop van de beoordelingsperiode met 4,9 procentpunten af (OT = 21,9 %). Over het geheel gezien lag de gemiddelde prijs van de invoer uit Noorwegen gedurende de gehele beoordelingsperiode hoger dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Het is mogelijk dat bij de invoer van SiMn met een laag koolstofgehalte de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in zekere mate onderboden werden, maar aangezien deze kwaliteitsklasse maar een klein deel (ongeveer 5 %) uitmaakt van de totale productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, en omdat er over het geheel gezien geen sprake is van onderbieding, en zowel het volume van de invoer als het marktaandeel afgenomen zijn, werd geconcludeerd dat de invoer vanuit Noorwegen niet had bijdragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade.

Noorwegen

2002

2003

2004

2005

OT

Volume van de invoer (ton)

224 253

213 838

178 639

200 310

200 272

Index (2002 = 100)

100

95

80

89

89

Marktaandeel van de invoer

26,8 %

24,2 %

18,7 %

21,7 %

21,9 %

Prijs van de invoer (EUR/ton)

574

604

956

765

656

Index (2002 = 100)

100

105

167

133

114

Bron: Eurostat.

(136)

De invoer uit India nam toe met meer dan 300 % en het marktaandeel van deze invoer nam in de loop van de beoordelingsperiode met 7,3 procentpunten toe (OT = 9,7 %). Tegelijkertijd lag de gemiddelde prijs van de invoer vanuit India iets hoger dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap (m.a.w. geen onderbieding). Aangezien er bij de invoer vanuit India geen sprake was van onderbieding, wordt geconcludeerd dat er geen duidelijke bewijzen zijn dat de invoer vanuit India had bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade.

India

2002

2003

2004

2005

OT

Volume van de invoer (ton)

19 954

33 497

31 593

48 123

89 017

Index (2002 = 100)

100

168

158

241

446

Marktaandeel van de invoer

2,4 %

3,8 %

3,3 %

5,2 %

9,7 %

Prijs van de invoer (EUR/ton)

479

449

804

591

521

Index (2002 = 100)

100

94

168

123

109

Bron: Eurostat.

(137)

De invoer uit Zuid-Afrika daalde met ongeveer 38 % en het marktaandeel van deze invoer nam in de loop van de beoordelingsperiode met 2,5 procentpunten af (OT = 3,2 %). De gemiddelde prijs van de invoer vanuit Zuid-Afrika lag lager dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap en op ongeveer hetzelfde niveau als die van de betrokken landen. Daarom wordt geoordeeld dat de invoer uit Zuid-Afrika mogelijk mede de oorzaak kan zijn geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. Aangezien de invoer vanuit Zuid-Afrika echter aanzienlijk is afgenomen en slechts een klein marktaandeel vertegenwoordigt, wordt hierdoor naar het oordeel van de Commissie het oorzakelijk verband tussen de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden en de invoer met dumping vanuit de VRC en Kazachstan niet verbroken.

Zuid-Afrika

2002

2003

2004

2005

OT

Volume van de invoer vanuit Zuid-Afrika (ton)

47 808

81 330

58 753

52 640

29 531

Index (2002 = 100)

100

170

123

110

62

Marktaandeel van de invoer vanuit Zuid-Afrika

5,7 %

9,2 %

6,2 %

5,7 %

3,2 %

Prijs van de invoer vanuit Zuid-Afrika (EUR/ton)

417

429

660

611

501

Index (2002 = 100)

100

103

158

147

120

Bron: Eurostat.

(138)

De invoer uit andere derde landen, waaronder Brazilië, daalde met ongeveer 59 % en het marktaandeel van deze invoer nam in de loop van de beoordelingsperiode met ongeveer 6,4 procentpunten af (OT = 3,8 %). Tegelijkertijd lag de gemiddelde prijs van de invoer vanuit andere derde landen hoger dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap (d.w.z. geen onderbieding). Aangezien bij deze invoer geen sprake was van onderbieding en de trend dalend was, wordt geconcludeerd dat die niet bijdroeg tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade.

Andere derde landen (inclusief Brazilië)

2002

2003

2004

2005

OT

Volume van de invoer (ton)

84 904

108 539

124 872

63 178

34 982

Index (2002 = 100)

100

128

147

74

41

Marktaandeel van de invoer

10,2 %

12,3 %

13,1 %

6,9 %

3,8 %

Prijs van de invoer (EUR/ton)

460

476

713

598

528

Index (2002 = 100)

100

104

155

130

115

Bron: Eurostat.

c)   Concurrentie van de andere communautaire producent

(139)

Zoals in overweging 91 is aangegeven, werkte één EG-producent niet aan het onderzoek mee. Op basis van door de medewerkende communautaire producenten in de loop van het onderzoek verstrekte informatie wordt het volume van de verkoop in de Gemeenschap van de bedoelde producent geschat op ongeveer 30 000 ton per jaar in de loop van de beoordelingsperiode. Het marktaandeel bleef in de beoordelingsperiode stabiel op ongeveer 3 %. Het verkoopvolume en het marktaandeel van deze andere communautaire producent namen dus niet toe ten koste van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Over de door deze producent gehanteerde prijzen was geen informatie beschikbaar.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Verkoop in de EG van andere communautaire producenten (ton)

30 000

30 000

30 000

30 000

30 000

Index (2002 = 100)

100

100

100

100

100

Marktaandeel van andere communautaire producenten

3,6 %

3,4 %

3,1 %

3,3 %

3,3 %

Index (2002 = 100)

100

95

88

91

91

Bron: Onderzoek, klacht.

(140)

Gezien bovenstaande opmerkingen en bij gebrek aan bewijs van het tegendeel luidt de conclusie dat de andere communautaire producent niet aan de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade heeft bijgedragen.

d)   Productiekosten (grondstoffen)

(141)

De voornaamste elementen van de totale kosten van productie zijn grondstoffen (ongeveer 45-55 %) en elektriciteit (ongeveer 20-30 %). De directe arbeidskosten vertegenwoordigen ongeveer 5 % van de kosten. De productiekosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap namen van 2002 tot en met het onderzoekstijdvak met 12 % toe.

 

2002

2003

2004

2005

OT

Productiekosten per eenheid

(EUR/ton)

517

510

583

595

578

Index (2002 = 100)

100

99

113

115

112

(142)

Volgens sommige belanghebbenden was de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade te wijten aan de stijging van de productiekosten. Wat de kosten van grondstoffen betreft: dit zijn over het algemeen producten die in principe op de internationale markt verhandeld worden, en daarom wordt ervan uitgegaan dat de prijsstijging op alle producenten van SiMn hetzelfde effect gehad heeft, en dat zij normaliter gedwongen zouden zijn geweest al hun prijzen te verhogen. Dat betekent dat de schade niet veroorzaakt werd door de algemene stijging van de grondstoffenprijzen op zichzelf, maar door het feit dat door de invoer met dumping waardoor de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderboden werden, deze bedrijfstak niet in staat was te verkopen tegen een prijs waarbij een voldoende winstmarge gerealiseerd kon worden. Wat de arbeidskosten betreft, blijkt uit de gegevens betreffende productiviteit, zoals aangegeven in overweging 115, dat de bedrijfstak van de Gemeenschap over het algemeen in staat is geweest de stijging van de kosten te compenseren met verhoging van de efficiëntie en de productiviteit. Enkele belanghebbenden noemden de elektriciteitskosten als de voornaamste reden waarom de bedrijfstak van de Gemeenschap schade zou hebben geleden. De Commissie heeft echter vastgesteld dat de elektriciteitsprijzen voor industriële gebruikers in de landen waar de bedrijfstak van de Gemeenschap gevestigd is, vergelijkbaar waren met de prijzen op de andere belangrijke markten in de wereld, en dat deze kosten dus niet beschouwd kunnen worden als een bron van schade door eigen toedoen. De elektriciteitskosten kunnen wel enige invloed gehad hebben op de totale prestaties, maar alleen in het geval van één communautaire producent die problemen had met de stroomtoevoer als gevolg van een geschil met de leverancier over de sterke prijsstijgingen. De conclusie is dat over het geheel gezien de gestegen productiekosten niet hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade.

e)   Schade door eigen toedoen

(143)

Aangezien de investeringen van één communautaire producent sterk toenamen in 2004-2005 (zie overweging 121), is nagegaan of hier sprake was van schade door eigen toedoen. Deze investering hadden een rechtstreeks effect op de productiekosten en dus op de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Uit de analyse is gebleken dat gezien het geringe gewicht van deze investeringen in verhouding tot de totale productiekosten het effect op de winstgevendheid marginaal was. De conclusie is dus dat de investeringen van één bepaalde communautaire producent bijgedragen kunnen hebben tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, maar niet in die mate dat daardoor het oorzakelijk verband tussen de dumping en de schade wordt verbroken.

f)   Daling van de vraag naar siliciummangaan als gevolg van de staalproductiecyclus

(144)

Enkele belanghebbenden voerden aan dat de dalende vraag naar staal in de tweede helft van 2004 en de eerste helft van 2005, en de dalende vraag naar SiMn als gevolg daarvan, die volgde op de in overweging 89 beschreven ongekende stijging van de vraag, bijgedragen had tot de moeilijke situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Uit het onderzoek is echter gebleken dat het verbruik in de Gemeenschap over de gehele beoordelingsperiode met 9 % toenam. Dit argument moet daarom worden afgewezen.

4.   Conclusie betreffende het oorzakelijk verband

(145)

Aangezien de toename van de invoer met dumping uit China en Kazachstan, het groeiende marktaandeel van deze invoer en de geconstateerde prijsonderbieding samenvielen met de verslechtering van de toestand van de bedrijfstak van de Gemeenschap, moet worden geconcludeerd dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening veroorzaakt is door de invoer met dumping.

(146)

Andere factoren werden geanalyseerd maar bleken geen wezenlijke rol te spelen bij de geleden schade. Wat betreft Oekraïne, dat een marktaandeel van 23 % vertegenwoordigt, wordt geconcludeerd dat, aangezien er over het geheel gezien geen sprake was van onderbieding, de invoer uit dit land niet heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade. De invoer uit Zuid-Afrika kan mogelijk hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, maar gezien het geringe marktaandeel en het slinkende volume ervan niet in die mate dat daardoor het vastgestelde oorzakelijk verband met de invoer vanuit de VRC en Kazachstan wordt verbroken. Gezien het ontbreken van onderbieding, de invoervolumen en de trends zijn er ook geen aanwijzingen dat invoer vanuit India of andere derde landen (inclusief Brazilië) heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade. De investeringen van één communautaire producent kunnen hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, maar gezien het relatief geringe gewicht van deze investeringen niet in die mate dat daardoor het oorzakelijk verband wordt verbroken. Verder heeft geen enkele andere bekende factor, zoals bijvoorbeeld de exportprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap, de concurrentie van de andere communautaire producent, de stijging van de productiekosten of de marktcyclus van staal, bijgedragen tot de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(147)

Uitgaande van de hierboven vermelde analyse, waarbij een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de gevolgen van alle andere bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden, in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening, door de invoer uit China en Kazachstan.

F.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

(148)

De Commissie heeft onderzocht of er, ondanks de conclusies inzake dumping, schade en oorzakelijk verband, dwingende redenen waren om te concluderen dat het in dit bijzondere geval niet in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen te nemen. Met het oog hierop heeft de Commissie overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de basisverordening een onderzoek ingesteld naar de waarschijnlijke gevolgen van maatregelen voor alle betrokken partijen en naar de waarschijnlijke consequenties van het achterwege laten van maatregelen.

1.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(149)

In het licht van het voorafgaande moeten maatregelen worden ingesteld betreffende de invoer vanuit de VRC en Kazachstan. Het valt te verwachten dat de instelling van dergelijke maatregelen zal leiden tot een stijging van de prijzen van SiMn uit deze landen, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap de gelegenheid zou krijgen zijn situatie te verbeteren door hogere prijzen en mogelijk ook door meer verkoop en een groter marktaandeel. Wanneer geen maatregelen worden ingesteld, valt te verwachten dat de invoer tegen lage prijzen vanuit de VRC en Kazachstan zal doorgaan en de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn situatie niet zal kunnen verbeteren.

(150)

Het product met een laag koolstofgehalte vertegenwoordigt slechts 5 % van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en wordt hoofdzakelijk uit Noorwegen ingevoerd, en daarnaast ook uit de VRC. De Commissie meent dat wanneer er maatregelen worden ingesteld, de wegval van de invoer uit de VRC weliswaar in zekere mate gecompenseerd zou kunnen worden door invoer vanuit Noorwegen, maar de maatregelen zouden ook de bedrijfstak van de Gemeenschap de gelegenheid bieden om zijn eigen productie en verkoop van het product met een laag koolstofgehalte op te voeren om aan de vraag te voldoen.

2.   Belang van de andere EG-producenten

(151)

Naast de bedrijfstak van de Gemeenschap is er slechts één andere producent in de Gemeenschap. Bij gebrek aan medewerking van deze producent, en dus bij gebrek aan nauwkeurige gegevens over zijn activiteiten, wordt zijn productie op basis van informatie van medewerkende communautaire producenten op 10 à 15 % van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap geschat. Als er antidumpingmaatregelen worden ingesteld, kan de in de overwegingen 149 en 150 beschreven ontwikkeling voor de bedrijfstak van de Gemeenschap ook voor deze andere communautaire producent worden verwacht.

3.   Belang van de niet-verbonden importeurs in de Gemeenschap

(152)

Twee onafhankelijke importeurs van het betrokken product werkten mee aan de procedure door vragenlijsten in te vullen en in te zenden.

(153)

Deze importeurs gaven uiting aan hun bezorgdheid, voor het geval dat er maatregelen zouden worden ingesteld, met betrekking tot i) het negatieve effect op het aanbod binnen de Gemeenschap, gezien het feit dat de totale productiecapaciteit in de Gemeenschap slechts ongeveer een derde van het verbruik kan dekken, en ii) het negatieve effect van eventuele maatregelen op de kosten van het betrokken product, dat een essentiële grondstof voor de productie van staal is, en daarmee op de hele staalproductie in de Gemeenschap.

(154)

Wat de aanbodsituatie in de Gemeenschap betreft, is het waar dat het verbruik momenteel ongeveer driemaal de huidige productiecapaciteit bedraagt, en dat de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak slechts aan ongeveer 25 % van de vraag van de Gemeenschap kon voldoen. Anderzijds werkte de bedrijfstak van de Gemeenschap op een bezettingsgraad van ongeveer 70 % gedurende het onderzoektijdvak, en op 70 à 80 % in de beoordelingsperiode als geheel. De bedrijfstak is dus in staat de productie aanzienlijk op te voeren. Aangezien verder slechts relatief beperkte ingevoerde hoeveelheden aan maatregelen onderworpen zullen zijn (zoals aangegeven in de overwegingen 149 en 150) en de eventuele terugval van de invoer vanuit de betrokken landen gecompenseerd zal kunnen worden door uitvoer van andere landen, meent de Commissie dat de instelling van rechten geen al te groot effect zal hebben op de beschikbaarheid van het product voor importeurs. Behalve door de communautaire producenten en door de bij het onderzoek betrokken landen wordt de markt van de Gemeenschap ook, en wel voor bijna 40 % van het verbruik, door andere landen bevoorraad, met name door Noorwegen, India, Zuid-Afrika en Brazilië. Deze landen hebben in het verleden gezamenlijk nog grotere hoeveelheden aan de Gemeenschap geleverd.

(155)

De Commissie erkent dat de instelling van maatregelen kan leiden tot verstoringen op de korte termijn door mogelijke vertragingen bij het opvoeren van de productie van de Gemeenschap, en doordat sommige gebruikers eventueel genoodzaakt kunnen zijn nieuwe of alternatieve leveranciers te zoeken.

(156)

Wat de importeurs betreft, kan worden vastgesteld dat ook wanneer de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn productie, verkoop en marktaandeel in de Gemeenschap zou opvoeren, er nog steeds aanzienlijke hoeveelheden ingevoerd zouden moeten worden, aangezien de bedrijfstak niet meer dan ongeveer 30 % van de behoefte kan dekken. De Commissie is zich ervan bewust dat de winstmarge van importeurs over het algemeen relatief smal is en negatief beïnvloed zou kunnen worden door verstoringen op korte termijn wanneer gebruikers nieuwe of alternatieve leveranciers moeten zoeken, maar meent dat importeurs in staat zijn om hun marges te beschermen door eventuele kostenstijgingen door te geven aan de gebruikers.

4.   Belang van de gebruikers

(157)

Tien gebruikers van het betrokken product in de metaalindustrie werkten mee aan de procedure door vragenlijsten in te vullen en in te zenden of door opmerkingen in te dienen. Verder werden opmerking ontvangen van de European Confederation of Iron en Steel Industries (Eurofer).

(158)

De gebruikers toonden zich even bezorgd over mogelijke onvoldoende aanvoer en stijgende kosten voor eindgebruikers als de importeurs, zoals aangegeven in overweging 153. Om de in overweging 154 aangegeven redenen wordt geconcludeerd dat de instelling van maatregelen geen ernstige schadelijke gevolgen op middellange termijn zou hebben op de aanbodsituatie in de Gemeenschap.

(159)

Het rechtstreekse effect van een stijging van de prijs van SiMn op de productiekosten van staal zou beperkt blijven, aangezien SiMn hoogstens 1 % van de productiekosten van koolstofstaal vertegenwoordigt, en nog minder bij roestvrij staal. Op basis van door de vereniging van de bedrijfstak (Eurofer) verstrekte informatie betreffende de totale jaarlijkse kosten van het gebruik van SiMn door de bedrijfstak schat de Commissie dat zelfs een aanzienlijke stijging van 20 % van de prijs van alle SiMn de winstgevendheid van de staalproducenten (die momenteel winsten van 10 à 40 % behalen) met niet meer dan ongeveer 0,2 % zou reduceren. Aangezien de voorgestelde maatregelen aanzienlijk minder ingrijpend zijn en op slechts maximaal 10 % van het verbruik van de Gemeenschap van toepassing zouden zijn (aangenomen dat de invoer waarop de maatregelen van toepassing zijn niet vervangen zou worden door invoer uit andere landen), zou het effect op de winstgevendheid van de staalindustrie uiterst gering zijn.

(160)

Ook is aangevoerd dat de markt voor SiMn een wereldwijde markt is en dat de vraag op die markt evenredig met de groeiende vraag naar staal blijft stijgen. Wanneer de vraag sneller stijgt dan het aanbod, kan dat tot aanzienlijke prijsstijgingen leiden, zoals in 2004 het geval was. Een tijdelijke verstoring van het evenwicht tussen vraag en aanbod in de Gemeenschap, zoals bedoeld in overweging 155, zou op korte termijn kunnen leiden tot prijsstijgingen die nog hoger liggen dan het bedrag van de opgelegde rechten. Aangezien de markt voor SiMn echter wereldwijd is, gaat de Commissie ervan uit dat het prijsniveau in de Gemeenschap bepaald wordt door de wisselwerking van vraag en aanbod op de wereldmarkt en dat de prijzen in de Gemeenschap, op langere termijn beschouwd, niet wezenlijk zullen afwijken van de wereldprijzen, gezien de aanzienlijke invoer vanuit andere landen. Bovendien zullen de staalproducenten, die momenteel redelijk goede winsten maken (10 à 40 %), het effect van eventuele prijsstijgingen van het betrokken product, dat gezien het relatief kleine aandeel van SiMn in de totale kosten van de staalproductie beperkt zal zijn, op hun afnemers kunnen afwentelen.

(161)

De gebruikers betwijfelden verder de effectiviteit van de instelling van maatregelen en voerden aan dat de instelling en opheffing van eerdere maatregelen weinig effect had gehad op de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap. In dit verband zij opgemerkt dat het doel van antidumpingmaatregelen natuurlijk is eerlijke marktvoorwaarden te herstellen, teneinde een bedrijfstak van de Gemeenschap die aanmerkelijke schade door dumping heeft geleden, in staat te stellen zich te herstellen; maar het feit dat een dergelijk herstel in het verleden niet in alle gevallen heeft plaatsgevonden, is geen reden om verder geen antidumpingmaatregelen meer te overwegen waar dat gerechtvaardigd is.

(162)

Enkele gebruikers wezen erop dat in de afgelopen tien jaar de communautaire staalindustrie geleden heeft onder gestegen kosten als gevolg van antidumpingmaatregelen betreffende een verscheidenheid van grondstoffen die uitsluitend of hoofdzakelijk voor de staalproductie gebruikt worden. Zij wezen er verder op dat er naast de onderhavige procedure nog enkele andere procedures lopen met betrekking tot grondstoffen die voor de productie van staal gebruikt worden. Zij voerden aan dat het gecombineerde effect daarvan was dat de communautaire staalproducenten internationaal gezien benadeeld worden. Wat eerdere maatregelen betreft, zij opgemerkt dat de meeste daarvan niet langer van toepassing zijn. Wat het cumulatieve effect van maatregelen betreffende verschillende soorten grondstoffen betreft, dient men te bedenken dat het doel van antidumpingmaatregelen is het effect van verstoorde marktvoorwaarden als gevolg van invoer met dumping te elimineren. Zo gezien, zouden antidumpingmaatregelen, ook wanneer die gelden voor meerdere grondstoffen die in dezelfde industrie gebruikt worden, geen verstorend effect moeten hebben. Hoe dan ook, het effect van de voorgestelde maatregelen op de staalindustrie zou in dit geval te verwaarlozen zijn, zoals uiteengezet in overweging 159.

(163)

Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde Eurofer het argument dat de instelling van maatregelen niet in het algemeen belang van de Gemeenschap zou zijn, aangezien die zouden leiden tot hogere kosten voor gebruikers en weinig effect zouden hebben op de verbetering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Er werd echter geen nieuwe informatie aangevoerd om dit argument te onderbouwen, en de Commissie handhaaft dan ook haar standpunt zoals uiteengezet in het voorafgaande (overwegingen 157 tot en met 162), en concludeert dat het effect van de instelling van een antidumpingrecht op de financiële situatie van de gebruikers over het geheel gezien waarschijnlijk te verwaarlozen zal zijn.

5.   Conclusie over het belang van de Gemeenschap

(164)

Kort samengevat verwacht de Commissie dus dat de instelling van maatregelen betreffende de invoer vanuit de VRC en Kazachstan — ondanks de beschikbaarheid van beperkte en slinkende hoeveelheden SiMn op de markt van andere landen (bv. Zuid-Afrika en Noorwegen voor SiMn met een laag koolstofgehalte) en van leveranciers die niet aan maatregelen onderworpen zijn, tegen prijzen die vergelijkbaar zijn met die van de VRC en Kazachstan vóór de instelling van rechten — de bedrijfstak van de Gemeenschap, en ook de andere communautaire producent, gelegenheid zal geven om verbetering te brengen in hun situatie door meer verkoop, hogere verkoopprijzen en een groter marktaandeel. Er kunnen eventueel bepaalde negatieve effecten optreden in de vorm van hogere kosten voor gebruikers, wanneer zij genoodzaakt zijn nieuwe of alternatieve leveranciers te vinden, maar in totaal zal het effect op de gebruikers van de instelling van maatregelen betreffende de VRC en Kazachstan naar verwachting te verwaarlozen zijn. Gelet op het voorafgaande luidt de conclusie dat er in dit geval geen dwingende redenen zijn om geen maatregelen te nemen en dat dergelijke maatregelen in het belang van de Gemeenschap zijn.

G.   DEFINITIEVE MAATREGELEN

(165)

Eventuele antidumpingmaatregelen moeten toereikend zijn om de door de invoer met dumping veroorzaakte schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap weg te nemen, doch zonder de vastgestelde dumpingmarges te overschrijden. Bij de berekening van de hoogte van het recht waarbij de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping worden geneutraliseerd, werd geoordeeld dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moeten stellen een winst voor belasting te maken die redelijkerwijze, bij normale concurrentieverhoudingen — dat wil zeggen in afwezigheid van invoer met dumping — kan worden verwezenlijkt.

(166)

De bedrijfstak van de Gemeenschap stelde dat een winstmarge van 8 % van de omzet beschouwd zou moeten worden als een passend niveau, dat de bedrijfstak redelijkerwijze zou moeten kunnen behalen als er geen schadelijke dumping plaatsvindt. Deze stelling werd nader onderzocht en het bleek dat bij deze winstmarge kapitaalinvesteringen in relatief korte tijd terugverdiend zouden kunnen worden. Verder bleek uit het onderzoek dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zelf over het algemeen kapitaalinvesteringen over een langer tijdskader afschreef. Om die reden meent de Commissie dat een winstmarge van 5 %, het niveau dat gehanteerd werd bij het onderzoek dat tot de eerdere antidumpingmaatregelen heeft geleid, een passend niveau is dat de bedrijfstak van de Gemeenschap redelijkerwijze zou moeten kunnen bereiken in afwezigheid van schadelijke dumping.

(167)

De noodzakelijke prijsstijging werd vervolgens vastgesteld door de gewogen gemiddelde invoerprijs, zoals bepaald voor de berekening van de prijsonderbieding, per productsoort te vergelijken met de niet-schadelijke prijs van het door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de interne markt verkochte soortgelijke product. De niet-schadelijke prijs werd verkregen door de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan te passen aan bovengenoemde winstmarge. Het verschil dat uit deze vergelijking voortvloeide, werd vervolgens uitgedrukt als percentage van de totale cif-waarde bij invoer. Aangezien aan geen van de medewerkende Chinese producenten/exporteurs een BMO of IB was toegekend, werd een schademarge voor de gehele VRC berekend op basis van de prijzen van Comext.

(168)

Op basis van deze prijsvergelijking werden de volgende schademarges vastgesteld:

Oekraïne: alle ondernemingen

1,6 %

OJSC Kazchrome

7,3 %

China

8,2 %

(169)

Gelet op het voorafgaande en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, wordt geoordeeld dat op de invoer van SiMn van oorsprong uit Kazachstan en in de VRC een definitief antidumpingrecht moet worden ingesteld, dat volgens de regel van het laagste recht gelijk moet zijn aan de dumpingmarge, of aan de schademarge indien deze lager is. Gelet op artikel 9, lid 3, van de basisverordening dient het onderzoek betreffende Oekraïne beëindigd te worden, aangezien de schademarge voor dat land onder het minimumniveau ligt.

(170)

Derhalve, en om de al in de overwegingen 165 tot en met 169 genoemde redenen, worden de volgende antidumpingrechten voorgesteld:

Land

Onderneming

Recht

Kazachstan

Alle ondernemingen

6,5 %

China

Alle ondernemingen

8,2 %

H.   VERBINTENISSEN

(171)

Na de bekendmaking van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan werd overwogen de instelling van definitieve antidumpingrechten aan te bevelen, heeft de producent/exporteur in Kazachstan overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening een prijsverbintenis aangeboden. De prijs van het betrokken product was in de afgelopen jaren aan sterke schommelingen onderhevig en een prijsverbintenis is daarom praktisch gezien nauwelijks zinvol. Om dit bezwaar te ondervangen, heeft de producent/ exporteur aangeboden om de minimuminvoerprijs te koppelen aan de prijs van de voornaamste grondstof, namelijk mangaanerts. De schommelingen van de prijs van het betrokken product kunnen echter niet verklaard worden uit de schommelingen van de prijs van de voornaamste grondstof, en het is dan ook niet doenlijk de minimuminvoerprijzen aan de prijsindex van deze grondstof te koppelen. Als alternatieve mogelijkheid bood de producent/exporteur ook aan om de minimuminvoerprijs te indexeren op basis van zijn eigen productiekosten zoals die uit de gecontroleerde boekhouding blijken. Ook deze benadering is echter niet aanvaardbaar, aangezien de ontwikkeling van de kosten niet noodzakelijk overeenkomt met de ontwikkeling van de prijzen. Bovendien wordt een dergelijke verbintenis als onwerkbaar beschouwd omdat het voor de Commissie bijzonder moeilijk zou zijn om constant de ontwikkeling van de kosten te volgen. Op basis hiervan werd geconcludeerd dat de door de exporteur aangeboden verbintenis onaanvaardbaar is,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op siliciummangaan (waaronder ferrosilicomangaan), dat valt onder de GN-codes 7202 30 00 en ex 8111 00 11 (Taric-code 8111001110) en van oorsprong is uit de Volksrepubliek China en Kazachstan.

2.   De antidumpingrechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven en door de hieronder genoemde producenten vervaardigde producten, zijn als volgt:

Land

Fabrikant

Recht

Kazachstan

Alle ondernemingen

6,5 %

China

Alle ondernemingen

8,2 %

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De procedure betreffende de invoer van siliciummangaan van oorsprong uit Oekraïne wordt bij dezen beëindigd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 december 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

F. TEIXEIRA DOS SANTOS


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB C 214 van 6.9.2006, blz. 14.

(3)  PB L 62 van 3.3.1998, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 154/2003 (PB L 25 van 30.1.2003, blz. 25).


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/32


VERORDENING (EG) Nr. 1421/2007 VAN DE COMMISSIE

van 4 december 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 5 december 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 december 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 756/2007 (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 41).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 4 december 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

114,0

MA

63,5

SY

68,2

TR

97,5

ZZ

85,8

0707 00 05

JO

196,3

MA

52,5

TR

80,2

ZZ

109,7

0709 90 70

MA

57,9

TR

82,6

ZZ

70,3

0709 90 80

EG

301,9

ZZ

301,9

0805 10 20

AR

28,9

AU

15,0

SZ

38,2

TR

50,7

ZA

40,1

ZW

17,7

ZZ

31,8

0805 20 10

MA

66,5

ZZ

66,5

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

CN

62,5

HR

21,2

IL

66,9

TR

81,9

UY

95,3

ZZ

65,6

0805 50 10

EG

61,3

TR

102,4

ZA

104,9

ZZ

89,5

0808 10 80

AR

87,7

CA

87,3

CL

86,0

CN

78,9

MK

31,5

US

83,6

ZA

95,7

ZZ

78,7

0808 20 50

AR

71,1

CN

45,5

TR

141,1

ZZ

85,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/34


VERORDENING (EG) Nr. 1422/2007 VAN DE COMMISSIE

van 4 december 2007

tot wijziging van de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft hun toepassingsdrempels inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (1), en met name op artikel 69,

Gelet op Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (2), en met name op artikel 78,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 94/800/EG van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (3) heeft de Raad de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (hierna „de overeenkomst” te noemen) gesloten. De overeenkomst moet gelden voor elke overheidsopdracht met een waarde die gelijk is aan of hoger dan de bedragen (hierna „drempels” te noemen) die in de overeenkomst zijn genoemd en in bijzondere trekkingsrechten zijn uitgedrukt.

(2)

Een van de doelstellingen van de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG is dat de aanbestedende diensten die deze richtlijnen volgen, tevens aan de verplichtingen van de overeenkomst voldoen. Daarvoor is het nodig dat de drempels die in deze richtlijnen zijn vastgesteld voor overheidsopdrachten die ook onder de overeenkomst vallen, zodanig worden aangepast dat zij overeenkomen met de tegenwaarde in euro van de drempels die in de overeenkomst zijn vastgesteld, naar beneden afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van duizend EUR.

(3)

Omwille van de samenhang moeten ook de niet onder de overeenkomst vallende drempels in de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG worden aangepast.

(4)

Daarom moeten de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2004/17/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

onder a) wordt „422 000 EUR” vervangen door „412 000 EUR”;

b)

onder b) wordt „5 278 000 EUR” vervangen door „5 150 000 EUR”.

2.

Artikel 61 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt „422 000 EUR” vervangen door „412 000 EUR”;

b)

in lid 2 wordt „422 000 EUR” vervangen door „412 000 EUR”.

Artikel 2

Richtlijn 2004/18/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

onder a) wordt „137 000 EUR” vervangen door „133 000 EUR”;

b)

onder b) wordt „211 000 EUR” vervangen door „206 000 EUR”;

c)

onder c) wordt „5 278 000 EUR” vervangen door „5 150 000 EUR”.

2.

Artikel 8, eerste alinea, wordt als volgt gewijzigd:

a)

onder a) wordt „5 278 000 EUR” vervangen door „5 150 000 EUR”;

b)

onder b) wordt „211 000 EUR” vervangen door „206 000 EUR”.

3.

In artikel 56 wordt „5 278 000 EUR” vervangen door „5 150 000 EUR”.

4.

In artikel 63, lid 1, eerste alinea, wordt „5 278 000 EUR” vervangen door „5 150 000 EUR”.

5.

Artikel 67, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

onder a) wordt „137 000 EUR” vervangen door „133 000 EUR”;

b)

onder b) wordt „211 000 EUR” vervangen door „206 000 EUR”;

c)

onder c) wordt „211 000 EUR” vervangen door „206 000 EUR”.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 december 2007.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie


(1)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/97/EG van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 107).

(2)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/97/EG.

(3)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1.


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/36


VERORDENING (EG) Nr. 1423/2007 VAN DE COMMISSIE

van 4 december 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1291/2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 9, lid 2, en op de overeenkomstige bepalingen in de overige verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (2) kunnen elektronische certificaten worden afgegeven.

(2)

Uit de ervaring blijkt dat, om de invoer en uitvoertransacties efficiënter te laten verlopen, artikel 25 kan worden verbeterd, in die zin dat duidelijk kan worden gemaakt dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat de certificaten in elektronische vorm kan bewaren en beheren en ze niet langer aan de importeur of de exporteur hoeft af te geven en dat, als uitvoergegevens elektronisch worden ingegeven en doorgestuurd naar de autoriteit van afgifte, het afschrijven op het elektronische uitvoer of voorfixatiecertificaat en de visering daarvan elektronisch kunnen gebeuren.

(3)

Verordening (EG) nr. 1291/2000 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van alle betrokken comités van beheer,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.   In afwijking van artikel 24 kan een lidstaat toestaan dat het certificaat:

a)

wordt ingediend bij de instantie van afgifte of de met de betaling van de restitutie belaste autoriteit;

b)

in de gevallen waarin artikel 19 van toepassing is, wordt opgeslagen in de databank van de instantie van afgifte of van de met de betaling van de restitutie belaste autoriteit.”.

b)

Lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De lidstaat wijst de autoriteit aan die voor de afschrijving op en de visering van het certificaat bevoegd is.

De afschrijving op en de visering van het certificaat worden evenwel ook geacht te hebben plaatsgevonden als:

a)

er een per computer vervaardigd document voorhanden is waarin de uitgevoerde hoeveelheden zijn gespecificeerd; dit document moet aan het certificaat worden gehecht en samen ermee worden opgeborgen;

b)

de uitgevoerde hoeveelheden in een officiële elektronische databank van de betrokken lidstaat zijn ingevoerd en er een koppeling bestaat tussen deze gegevens en het elektronische certificaat; de lidstaten kunnen ervoor kiezen deze gegevens te archiveren door gebruik te maken van een papieren versie van de elektronische documenten.

Als afschrijvingsdatum geldt de datum van aanvaarding van de in artikel 24, lid 1, bedoelde aangifte.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 december 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 6).

(2)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2006 (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 52).


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/38


VERORDENING (EG) Nr. 1424/2007 VAN DE COMMISSIE

van 4 december 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2304/2002 houdende uitvoering van Besluit 2001/822/EG van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap en tot toewijzing van de indicatieve bedragen in het kader van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Gemeenschap (hierna „het LGO-besluit” genoemd) (1), en met name op artikel 23,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2304/2002 van de Commissie van 20 december 2002 houdende uitvoering van Besluit 2001/822/EG van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap (het LGO-besluit) (2),

Gelet op het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn (3) (hierna „het Intern Akkoord tot vaststelling van het tiende EOF” genoemd),

Gelet op het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De bepalingen van Verordening (EG) nr. 2304/2002 die overeenkomstig artikel 23 van het LGO-besluit zijn goedgekeurd, moeten als gevolg van de recente vaststelling van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds (hierna „het tiende EOF” genoemd), in overeenstemming met de wijzigingen van dat besluit worden gebracht. Die bepalingen moeten ook in overeenstemming worden gebracht met de herziene tekst van de desbetreffende artikelen van bijlage IV bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de groep landen van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, die op 23 juni 2000 in Cotonou is ondertekend (5) (de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst).

(2)

Rekening houdend met de specifieke behoeften, capaciteiten en beperkingen van de landen en gebieden overzee (hierna „de LGO” genoemd), dient de financiële steun van het tiende EOF aan de LGO te worden toegekend in de vorm van begrotingssteun, op voorwaarde dat de LGO bij het beheer van hun overheidsuitgaven zorgen voor voldoende transparantie, verantwoordingsplicht en doeltreffendheid. Bovendien moeten de procedures voor overheidsopdrachten van de LGO voldoen aan de normen van het Financieel Reglement van het tiende EOF inzake transparantie en openheid. Uitgaande van de ervaring met het negende EOF mag de financiële bijstand van het tiende EOF alleen voor projecten of programma’s worden verstrekt wanneer zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, dat wil zeggen wanneer niet aan de voorwaarden voor begrotingssteun is voldaan.

(3)

De enkelvoudige programmeringsdocumenten (EPD) moeten met het oog op hun goedkeuring alle nodige elementen bevatten op basis waarvan de Commissie het in artikel 20, lid 4, van het LGO-besluit bedoelde financieringsbesluit kan nemen.

(4)

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van bijlage II A bis bij het LGO-besluit dient in de EPD bijzondere aandacht te worden geschonken aan maatregelen ter versterking van het beheer en de institutionele capaciteit van de begunstigde LGO en wanneer passend aan het waarschijnlijke tijdschema van de voorgenomen acties, onder meer op financieel, fiscaal en justitieel gebied.

(5)

Er moeten regelingen worden getroffen voor de programmering van de toewijzing uit hoofde van het tiende EOF ter ondersteuning van regionale samenwerking en integratie, teneinde de LGO beter in staat te stellen de uitdagingen aan te gaan waarmee zij als kleine insulaire micro-economieën worden geconfronteerd, bijvoorbeeld door regionale initiatieven voor rampenparaatheid en rampenbestrijding. In dit verband is vooral coördinatie nodig tussen steun voor regionale samenwerking en integratie en steun op territoriaal niveau. Er moet ook bijzondere aandacht worden besteed aan samenwerking tussen de LGO, de ACS-landen en, in coördinatie met andere communautaire financieringsinstrumenten, de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag bedoelde ultraperifere regio’s.

(6)

De indicatieve bedragen die uit hoofde van het tiende EOF aan de begunstigde LGO worden toegewezen, moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 3, lid 5, van bijlage II A bis bij het LGO-besluit.

(7)

Over de in deze verordening vastgestelde maatregelen is overleg met de LGO gepleegd.

(8)

De bij deze Verordening vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 24 van het LGO-besluit vastgestelde comité van het EOF-LGO,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2304/2002 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden de procedures vastgelegd voor de programmering en tenuitvoerlegging van en het toezicht op de financiële steun van de Gemeenschap voor de LGO die door de Commissie in het kader van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) wordt beheerd in overeenstemming met de bepalingen van het LGO-besluit en het Financieel Reglement van het tiende EOF.”.

2.

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Territoriale programmering

De in het kader van het LGO-besluit met niet-terugvorderbare steun uit het tiende EOF gefinancierde acties worden zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van het Intern Akkoord tot vaststelling van het tiende EOF geprogrammeerd door middel van de goedkeuring van een EPD overeenkomstig het model in de bijlage bij deze Verordening.”.

3.

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

Opstelling van het EPD

1.   De bevoegde autoriteiten van de LGO stellen na overleg met een zo groot mogelijk aantal actoren in het ontwikkelingsproces een voorstel voor het EPD op en steunen daarbij op de opgedane ervaring en de beste praktijken.

Elk voorstel voor een EPD moet worden aangepast aan de behoeften en de specifieke situatie van de LGO. De voorstellen omvatten resultaatgerichte indicatoren voor controle en bevorderen de plaatselijke verantwoordelijkheid voor de samenwerkingsprogramma’s.

2.   De LGO, de betrokken lidstaat en de Commissie bespreken het voorstel voor het EPD via de desbetreffende delegatie, voor zover dit van toepassing is.

De LGO verstrekt alle nodige informatie, waaronder de resultaten van uitvoerbaarheidsstudies, om de beoordeling van het ontwerp-EPD door de Commissie zo doeltreffend mogelijk te maken.

3.   De financiële toewijzing uit het tiende EOF wordt in beginsel verstrekt in de vorm van begrotingssteun, behalve onder uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden.

Wanneer niet aan de voorwaarden voor begrotingssteun is voldaan, voorziet het EPD in maatregelen om de nodige voorwaarden voor begrotingssteun te creëren.

Discrepanties tussen de analyse van de LGO en de Gemeenschap worden aangegeven.”.

4.

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

Evaluatie van het EPD door de Commissie

De Commissie evalueert het voorstel voor het EPD om na te gaan of het alle vereiste elementen bevat en in overeenstemming is met de doelstellingen van het LGO-besluit, deze verordening en het desbetreffende beleid van de Gemeenschap.

De Commissie evalueert tevens het voorstel voor een EPD om na te gaan of het alle vereiste elementen bevat aan de hand waarvan de Commissie het in artikel 20, lid 4, van het LGO-besluit bedoelde financieringsbesluit kan nemen.

Zij stelt de Europese Investeringsbank in kennis van het ontwerp dat zij heeft ontvangen.

Onverminderd artikel 4, lid 3, beslist de Commissie of de financiële bijstand uit het tiende EOF wordt verstrekt in de vorm van begrotingssteun, op voorwaarde dat een voorafgaande beoordeling heeft plaatsgevonden van de transparantie, verantwoordingsplicht en doeltreffendheid van het beheer van de overheidsuitgaven en van de openheid en transparantie van overheidsopdrachten overeenkomstig de normen van het Financieel Reglement van het tiende EOF, dan wel in de vorm van steun voor programma’s of projecten.”.

5.

Artikel 6 wordt vervangen door:

„Artikel 6

Regionale programma’s

1.   De artikelen 3 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing op de financiële steun voor regionale samenwerking en integratie overeenkomstig artikel 3, lid 2, van bijlage II A bis bij het LGO-besluit.

De Commissie houdt bij haar beoordeling van de voorstellen speciaal rekening met het verwachte effect op de integratie van de begunstigde LGO in de regio waartoe zij behoren.

Er wordt zoveel mogelijk gezorgd voor coördinatie met de programma’s op territoriaal niveau en met de maatregelen voor de ACS-landen en/of de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag bedoelde ultraperifere regio’s. Dit kan onder meer de vaststelling omvatten van de prioriteiten en specifieke middelen voor de versterking van de samenwerking met de ACS-landen en/of de ultraperifere regio’s alsmede methoden voor het bepalen en coördineren van de selectie van maatregelen van gemeenschappelijk belang.

De vastlegging van de uitgaven moet worden voorafgegaan door een financieringsbesluit van de Commissie betreffende de steun voor projecten en programma’s.

2.   Om een voldoende omvang te bereiken en de efficiency te vergroten kunnen regionale en territoriale middelen worden gecombineerd voor het financieren van regionale programma’s met een duidelijk territoriale component.

3.   Artikel 8 en de artikelen 16 tot en met 30 zijn van overeenkomstige toepassing op regionale programma’s.”.

6.

Artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

Gebruik van de reserve

1.   De Commissie kent de middelen van reserve B op basis van de in artikel 22 van deze Verordening bedoelde tussentijdse evaluatie toe voor de in artikel 3, lid 4, onder b), van bijlage II A bis bij het LGO-besluit bedoelde doelstellingen. De Commissie past de eerder toegewezen indicatieve bedragen dienovereenkomstig aan en stelt de LGO en de lidstaten in kennis van haar besluit inzake de nieuwe toewijzingen.

2.   Met het oog op de vastlegging van de middelen vastgesteld in artikel 28 en bijlage II D bij het LGO-besluit moet elke LGO die meent te voldoen aan de criteria voor de toekenning van de daarin vermelde steun, een volledig verzoek indienen op de door de Commissie daartoe verstrekte formulieren en daarin alle informatie vermelden die voor de beoordeling vereist is.

Het verzoek moet uiterlijk aan het eind van het jaar volgend op het jaar waarvoor de aanvullende steun wordt gevraagd, bij de Commissie worden ingediend.

De Commissie brengt de LGO zo spoedig mogelijk op de hoogte van haar besluit.”.

7.

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

Vastleggingen

1.   De uitgaven voor financiële steun aan de LGO worden door de Commissie vastgelegd overeenkomstig het Financieel Reglement van het tiende EOF.

2.   In het kader van het EPD wordt de vastlegging van de uitgaven voorafgegaan door een financieringsbesluit van de Commissie dat in beginsel betrekking heeft op begrotingssteun, behalve onder uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden.

3.   Buiten het bestek van het EPD worden de uitgaven uit de niet-toegewezen reserve B, die overeenkomstig artikel 3, lid 4, van bijlage II A bis bij het LGO-besluit is ingesteld, door de Commissie vastgelegd en uitgevoerd overeenkomstig het Financieel Reglement van het tiende EOF.”.

8.

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Betalingsgemachtigden

De financiële instellingen in de LGO waarbij de Commissie overeenkomstig het Financieel Reglement van het tiende EOF rekeningen opent met het oog op de tenuitvoerlegging van de samenwerking met de LGO, treden op als „betalingsgemachtigden”.

Deposito’s bij betalingsgemachtigden in de Gemeenschap zijn rentedragend.

De betalingsgemachtigden ontvangen geen vergoeding voor hun diensten en over de deposito’s is geen rente verschuldigd.”.

9.

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

Algemene voorschriften voor opdrachten

1.   De procedures die van toepassing zijn op de gunning van opdrachten worden in de financieringsovereenkomsten vermeld.

2.   Wanneer financiële steun wordt toegekend in de vorm van begrotingssteun, zijn de procedures voor overheidsopdrachten van de betrokken LGO van toepassing.

3.   In alle andere gevallen gelden voor de gunning van opdrachten de desbetreffende bepalingen van het Financieel Reglement van het tiende EOF.”.

10.

Artikel 13 wordt vervangen door:

„Artikel 13

Delegaties

1.   Indien de Commissie wordt vertegenwoordigd door een delegatie onder leiding van een hoofd van de delegatie, stelt zij de betrokken LGO daarvan in kennis. In dergelijke gevallen zijn de bepalingen van het Financieel Reglement van het tiende EOF betreffende ordonnateurs en gesubdelegeerde rekenplichtigen van toepassing.

2.   Het hoofd van de delegatie is de belangrijkste contactpersoon voor de verschillende samenwerkingsactoren in de betrokken LGO. Hij werkt nauw samen met de territoriale ordonnateur.

3.   Het hoofd van de delegatie ontvangt de nodige instructies en gedelegeerde bevoegdheden om alle werkzaamheden op grond van deze Verordening te bevorderen en te bespoedigen.

4.   Het hoofd van de delegatie stelt de autoriteiten van de LGO regelmatig in kennis van de werkzaamheden van de Gemeenschap die direct betrekking hebben op samenwerking tussen de Gemeenschap en de betrokken LGO.”.

11.

Artikel 14 wordt vervangen door:

„Artikel 14

Territoriale ordonnateur

1.   De regering van elke LGO wijst een territoriale ordonnateur aan die haar vertegenwoordigt bij alle transacties die worden gefinancierd uit de door de Commissie en de Bank beheerde middelen van het EOF. De territoriale ordonnateur benoemt een of meer adjuncten om hem in geval van verhindering te vervangen en stelt de Commissie van die benoeming in kennis. Indien aan de voorwaarden voor institutionele capaciteit en gezond financieel beheer is voldaan, kan de territoriale ordonnateur zijn taken voor de uitvoering van de betrokken programma’s en projecten delegeren aan het bevoegde orgaan van de LGO-administratie. De territoriale ordonnateur stelt de Commissie in kennis van die delegatie.

Wanneer de Commissie moeilijkheden constateert bij de uitvoering van procedures betreffende het beheer van de EOF-middelen, legt zij in overleg met de territoriale ordonnateur alle nodige contacten om het probleem te verhelpen en passende maatregelen te treffen.

De territoriale ordonnateur is uitsluitend financieel bevoegd voor de uitvoerende taken waarmee hij is belast.

Wanneer de middelen van het EOF gedecentraliseerd worden beheerd en onverminderd de aanvullende bevoegdheden die door de Commissie worden toegekend, wordt de territoriale ordonnateur met de volgende taken belast:

a)

hij is verantwoordelijk voor de coördinatie, programmering, regelmatige controle en jaarlijkse, tussentijdse en eindevaluatie van de uitvoering van de samenwerking en, voor zover van toepassing, voor de coördinatie met de donoren;

b)

hij is verantwoordelijk voor de opstelling, indiening en evaluatie van programma’s en projecten, en werkt daarbij nauw samen met de Commissie;

c)

hij stelt aanbestedingsdossiers op en, waar van toepassing, verzoeken tot het indienen van voorstellen;

d)

hij legt vóór de uitschrijving van aanbestedingen en, waar van toepassing, van verzoeken tot het indienen van voorstellen, de aanbestedingsdossiers en, waar van toepassing, de verzoeken tot het indienen van voorstellen met het oog op goedkeuring voor aan de Commissie;

e)

hij schrijft in nauwe samenwerking met de Commissie aanbestedingen uit en publiceert, waar van toepassing, verzoeken tot het indienen van voorstellen;

f)

hij ontvangt inschrijvingen en, waar van toepassing, voorstellen en doet kopieën van inschrijvingen toekomen aan de Commissie; hij ziet toe op de opening van de inschrijvingen en neemt binnen de geldigheidstermijn een besluit over de resultaten van de beoordeling van de inschrijvingen, rekening houdend met de nodige tijd voor de goedkeuring van de contracten;

g)

hij verzoekt de Commissie aanwezig te zijn bij de opening van de inschrijvingen en, waar van toepassing, de voorstellen, en informeert de Commissie over de resultaten van de beoordeling van de inschrijvingen en voorstellen met het oog op de goedkeuring van de voorstellen voor de gunning van opdrachten en subsidies;

h)

hij dient met het oog op goedkeuring contracten en programmabestekken en eventuele aanvullingen daarvan in bij de Commissie;

i)

hij ondertekent de door de Commissie goedgekeurde opdrachten en aanvullingen daarvan;

j)

hij zorgt voor de betaalbaarstellingen en verstrekt de betalingsopdrachten binnen de grenzen van de hem toegekende kredieten;

k)

hij neemt tijdens de uitvoering van de werkzaamheden alle vereiste aanpassingsmaatregelen voor een uit economisch en technisch oogpunt bevredigende uitvoering van de goedgekeurde programma’s en projecten.

2.   Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden heeft de territoriale ordonnateur, met inachtneming van de verplichting tot kennisgeving aan de Commissie, beslissingsbevoegdheid op de volgende gebieden:

a)

kleine technische wijzigingen en aanpassingen van de programma’s en projecten, voor zover deze geen wijziging in de gekozen technische oplossingen inhouden en binnen de in de financieringsovereenkomst vastgestelde voorziening voor aanpassingen blijven;

b)

wijziging van de plaats van uitvoering van meervoudige projecten of programma’s indien dit om technische, economische of sociale redenen verantwoord is;

c)

toepassing of kwijtschelding van boeten wegens termijnoverschrijding;

d)

akten betreffende ontheffing van borgtochten;

e)

aankoop van goederen, ongeacht hun oorsprong, op de plaatselijke markt;

f)

gebruik van bouwmaterieel en -werktuigen die niet van oorsprong uit de LGO, de lidstaten of de ACS-staten zijn, op voorwaarde dat in de LGO, de lidstaten of de ACS-staten geen vergelijkbare goederen worden geproduceerd;

g)

onderaanneming;

h)

eindoplevering, op voorwaarde dat de Commissie aanwezig is bij de voorlopige oplevering, de desbetreffende processen-verbaal voor gezien ondertekent en zo nodig aanwezig is bij de eindoplevering, met name wanneer gezien de omvang van de opmerkingen bij de voorlopige oplevering uitgebreide correcties nodig zijn;

i)

aanwerving van consultants en andere deskundigen voor technische bijstand.

3.   Daarnaast is de territoriale ordonnateur belast met:

a)

de opstelling van het jaarverslag en, na goedkeuring door het toezichtcomité, de indiening van het verslag bij de Commissie;

b)

de uitvoering van de in artikel 22 bedoelde tussentijdse evaluatie;

c)

de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de organen die deelnemen aan het beheer en de uitvoering van de EOF-programma’s, een afzonderlijke boekhouding voeren dan wel een adequate boekhoudkundige codering hanteren van alle verrichtingen die betrekking hebben op de bijstand;

d)

de nodige maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 16, 19, 24 en 30.

4.   Bij de indiening van het in artikel 21 bedoelde jaarverslag onderzoeken de Commissie en de territoriale ordonnateur de belangrijkste resultaten van het voorbije jaar.

Na deze evaluatie kan de Commissie opmerkingen bij de territoriale ordonnateur indienen. De territoriale ordonnateur brengt de Commissie op de hoogte van de naar aanleiding van deze opmerkingen genomen maatregelen. Indien de Commissie in naar behoren gemotiveerde gevallen van mening is dat de genomen maatregelen niet voldoende zijn, kan zij de LGO en de territoriale ordonnateur aanbevelingen doen om aanpassingen aan te brengen ter verbetering van de doeltreffendheid van de regelingen voor het toezicht of het beheer, samen met de motivering van deze aanbevelingen.

Bij ontvangst van dergelijke aanbevelingen moet de territoriale ordonnateur vervolgens aantonen welke maatregelen hij heeft genomen ter verbetering van de regelingen voor toezicht of beheer of moet hij toelichten waarom dergelijke maatregelen niet zijn genomen.”.

12.

Artikel 22 wordt vervangen door:

„Artikel 22

Tussentijdse evaluatie

1.   Er wordt een tussentijdse evaluatie verricht om de eerste resultaten van het EPD, hun relevantie en de mate waarin de doelstellingen zijn verwezenlijkt te onderzoeken.

De evaluatie omvat ook het gebruik van de financiële middelen en het verloop van het toezicht en de tenuitvoerlegging.

2.   De evaluatie wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de Commissie, in samenwerking met de territoriale ordonnateur en de betrokken lidstaat.

De evaluatie wordt in de regel tussen 30 en 42 maanden na de inwerkingtreding van het Intern Akkoord tot vaststelling van het tiende EOF uitgevoerd.

In het EPD kan een andere termijn worden vastgesteld, met name voor de indicatoren die in geval van begrotingssteun worden vastgesteld.

De evaluatie wordt uitgevoerd door een onafhankelijk beoordelaar, aan het toezichtcomité voorgelegd en vervolgens aan de Commissie toegezonden.

3.   De Commissie onderzoekt de relevantie en de kwaliteit van de evaluatie op grond van de in het EPD vastgestelde criteria, onder meer met betrekking tot de financiële toewijzing van het EOF.”.

13.

Artikel 27 wordt vervangen door:

„Artikel 27

Aanpassing van EOF-toewijzingen

Aan de hand van de resultaten van toezicht, controle en evaluatie en rekening houdend met de opmerkingen van het toezichtcomité kan de Commissie de bedragen en voorwaarden in het oorspronkelijke EPD op eigen initiatief of op voorstel van de betrokken LGO aanpassen in het licht van de huidige behoeften en prestaties van die LGO en rekening houdend met de recentste statistische gegevens betreffende die LGO.

Deze aanpassing vindt normaal plaats naar aanleiding van de in artikel 22 bedoelde tussentijdse evaluatie of in geval van onregelmatigheden zo spoedig mogelijk, overeenkomstig de bij artikel 24 van het LGO-besluit vastgestelde procedure.”.

14.

Artikel 29 wordt vervangen door:

„Artikel 29

Terugvordering en terugbetalingen

1.   Elke terugbetaling die aan de Commissie moet worden gedaan, moet zijn uitgevoerd uiterlijk op de vervaldag die is vermeld in de overeenkomstig het Financieel Reglement van het tiende EOF opgestelde inningsopdracht. Deze vervaldag is de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin de opdracht is gegeven.

2.   Elke vertraging bij de terugbetaling geeft aanleiding tot rente wegens te late betaling, te rekenen vanaf de in lid 1 bedoelde vervaldag tot de datum van de feitelijke betaling. De toegepaste rentevoet is 1,5 procentpunt hoger dan die welke de Europese Centrale Bank toepast bij haar voornaamste herfinancieringstransacties op de eerste werkdag van de maand waarin de vervaldag valt.

3.   De territoriale ordonnateur houdt een rekening bij van de terug te vorderen bedragen aan reeds betaalde communautaire bijstand en zorgt ervoor dat die bedragen zonder ongerechtvaardigd uitstel worden teruggevorderd.

De begunstigde betaalt het teruggevorderde bedrag samen met de rente wegens te late betaling terug door het betrokken bedrag in mindering te brengen op zijn volgende uitgavendeclaratie en betalingsaanvraag die hij bij de Commissie indient of, indien dat niet genoeg is, door een terugbetaling aan de Gemeenschap.

De territoriale ordonnateur zendt de Commissie jaarlijks een overzicht toe van de op die datum nog niet geïnde teruggevorderde bedragen, ingedeeld naar het jaar waarin de terugvorderingsprocedure is gestart.”.

15.

De bijlage wordt vervangen door een nieuwe bijlage, waarvan de tekst is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

In overeenstemming met artikel 3, lid 5, van bijlage II A bis bij het LGO-besluit worden de volgende indicatieve bedragen in het kader van het tiende EOF toegewezen.

(in miljoen EUR)

LGO

Indicatieve toewijzing van het tiende EOF

Nieuw-Caledonië

19,81

Frans Polynesië

19,79

Wallis en Futuna

16,49

Mayotte

22,92

Saint-Pierre en Miquelon

20,74

Aruba

8,88

Nederlandse Antillen

24

Falklandeilanden

4,13

Turks- en Caicoseilanden

11,85

Anguilla

11,7

Montserrat

15,66

Sint-Helena en onderhorigheden (Ascension, Tristan da Cunha)

16,63

Pitcairn

2,4

Regionale samenwerking en integratie

40

Niet-toegewezen reserve B

15

Artikel 3

Deze verordening wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening treedt in werking op de dag van de inwerkingtreding van het Intern Akkoord tot vaststelling van het tiende EOF.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 december 2007.

Voor de Commissie

Louis MICHEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit 2007/249/EG (PB L 109 van 26.4.2007, blz. 33).

(2)  PB L 348 van 21.12.2002, blz. 82.

(3)  PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(4)  Nog niet gepubliceerd — COM(2007) 410 definitief van 16.7.2007.

(5)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3. Overeenkomst laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 1/2006 van de ACS-EG-Raad van ministers (PB L 247 van 9.9.2006, blz. 22).


BIJLAGE

„BIJLAGE

STANDAARDSTRUCTUUR VOOR ENKELVOUDIGE PROGRAMMERINGSDOCUMENTEN (EPD) VOOR LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE IN HET KADER VAN HET TIENDE EOF

De volledige tekst met inbegrip van de samenvatting en de hoofdstukken 1 tot en met 6 moet beperkt blijven tot vijftien bladzijden (aantal woorden) plus bijlagen.

DEEL A:   SAMENWERKINGSSTRATEGIE

Samenvatting

De EPD moeten beginnen met een samenvatting van een halve bladzijde. Hierin moet een overzicht worden gegeven van de belangrijkste politieke, institutionele, economische, sociale en ecologische problemen waarmee de LGO op middellange en lange termijn wordt geconfronteerd, het hoofddoel van het EPD, de belangrijkste redenen voor de keuze van de concentratiesector en de algemene verdeling van de middelen.

Hoofdstuk 1:   Samenwerkingsdoelstellingen van de EG

In dit hoofdstuk worden de ruime samenwerkingsdoelstellingen van de Europese Gemeenschap uitdrukkelijk genoemd zoals die zijn vastgesteld in het EG-Verdrag, het LGO-besluit, internationale overeenkomsten en de recente verklaring over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap.

Hoofdstuk 2:   Analyse van de situatie op politiek, economisch, sociaal en milieugebied

Dit hoofdstuk moet handelen over de belangrijkste ontwikkelingen/problemen van het binnenlandse beleid en relevante aspecten van het externe beleid, waaronder de politieke situatie, handelsaspecten, de economische en sociale situatie, milieuaspecten en ten slotte de duurzaamheid van het huidige beleid en de uitdagingen op middellange termijn.

Dit hoofdstuk moet analytisch en niet louter beschrijvend zijn. De analyse moet dialooggestuurd zijn en (indien van toepassing) in nauwe samenwerking met andere donoren en met de medewerking van niet-overheidsactoren worden opgesteld.

Voor zover dit relevant is, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de tenuitvoerlegging van internationale beginselen inzake goed bestuur op het gebied van financiën, belastingen en justitie, rekening houdend met de reikwijdte en het tijdschema van de hervormingen in dit verband.

Er moet ook speciaal worden gelet op de beschikbaarheid van recente statistische gegevens.

Hoofdstuk 3:   Beleidsagenda van de LGO

Dit hoofdstuk bevat een beknopt overzicht van de doelstellingen van de regering als uiteengezet in officiële beleidsdocumenten, plannen op middellange en lange termijn, hervormingsstrategieën of ontwikkelingsprogramma’s. Hierin moet tevens worden aangegeven op welke wijze de regering van plan is die doelstellingen te verwezenlijken.

Hoofdstuk 4:   Analyse van de vroegere en huidige EG-samenwerking

In dit hoofdstuk moet een beknopt overzicht worden gegeven van de resultaten en de uit de voorbije en huidige EG-samenwerking getrokken lessen. Er moet rekening worden gehouden met aanbevelingen uit relevante evaluaties van de LGO, specifieke sectoren of projecten.

In een paragraaf over coherentie (EG-beleidsmix) moet een analyse worden gemaakt van het verband tussen het EPD en andere communautaire beleidslijnen, middelen en instrumenten. Programma’s van EU-lidstaten en andere donoren (indien van toepassing) moeten in grote lijnen worden weergegeven. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan coördinatie tussen territoriale en regionale programma’s en samenwerking met de ACS-landen en de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag bedoelde ultraperifere regio’s.

Hoofdstuk 5:   Responsstrategie

In dit hoofdstuk moeten de strategische keuzen voor de EG-samenwerking worden uiteengezet, met vermelding van het gebied/de sector waarop de bijstand zal worden geconcentreerd. Die keuzen moeten logisch voortvloeien uit:

de EG-beleidsdoelstellingen;

een analyse van de situatie en de ontwikkelingsstrategie van de LGO, waarin de relevantie en duurzaamheid van de ondersteunende strategie worden vastgesteld;

de conclusies die zijn getrokken in het kader van de analyse van de beleidsmix/de coherentie;

de indicatieve omvang van de beschikbare middelen;

de uit voorbije en lopende EG-activiteiten getrokken lessen;

de complementariteit met de steun van andere belangrijke donoren en de eigen programma’s van de regering. De steun van de Gemeenschap moet worden geconcentreerd op gebieden waarop zij een comparatief voordeel of speciale expertise heeft.

Dit hoofdstuk moet ook een beknopte evaluatie van de institutionele capaciteit omvatten en waar passend een overzicht bieden van de mogelijke behoeften aan institutionele opbouw en capaciteitsontwikkeling of, zo nodig, steun voor maatregelen ter versterking van het bestuur, onder meer op het gebied van financiën, belastingen en justitie.

Indien steun voor programma’s of projecten wordt voorgesteld, moet een beschrijving worden gegeven van de uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden op grond waarvan geen begrotingssteun kan worden verstrekt. Indien niet aan de voorwaarden voor begrotingssteun is voldaan, moet een beschrijving worden gegeven van de maatregelen om ervoor te zorgen dat de nodige voorwaarden voor begrotingssteun worden gecreëerd.

DEEL B:   TERRITORIAAL PROGRAMMA

Hoofdstuk 6:   Territoriaal programma

In dit hoofdstuk wordt het territoriaal programma van de LGO gepresenteerd, dat is gebaseerd op en volledig overeenstemt met de strategische analyse. Het territoriaal programma is een integrerend deel van het EPD en moet de volgende hoofdstukken omvatten:

OPTIE A:   PROGRAMMA TER ONDERSTEUNING VAN HET SECTORAAL BELEID

Projectgegevens

Benaming

 

Totale kosten

Preciseer: Bijdrage van de Europese Gemeenschap en indien van toepassing, van de begunstigde LGO (en andere donoren indien van toepassing)

Steunmethode/wijze van beheer

Programma ter ondersteuning van het sectoraal beleid:

sectorale begrotingssteun (gecentraliseerd beheer);

gemeenschappelijk fonds (gecentraliseerd (direct of indirect)/gedecentraliseerd/gezamenlijk beheer);

projecttype (gecentraliseerd (direct of indirect)/gedecentraliseerd/gezamenlijk beheer).

DAC-code

 

Sector

 

1.   Motivering en LGO-kader

Economische en sociale situatie

Belangrijkste conclusies van de evaluatie van de macro-economische situatie, met name op middellange tot lange termijn.

Indien de bijstand in de vorm van begrotingssteun plaatsvindt, vermeld de volgende gegevens:

macro-economische situatie: structuur van het bbp; recente economische resultaten en verwachte tendensen, onder meer inzake groei van het bbp en inflatie; overheidsfinanciën, begrotingstekort, schuldenlast en bedrag van de achterstallen; verdeling van de uitgaven over de sleutelsectoren; betalingsbalans van de lopende en de kapitaalrekening, reserves; monetaire situatie; rol van de externe bijstand in de economie; betrekkingen met het Internationaal Monetair Fonds;

armoedeprofiel en -tendensen: ontwikkeling van het reële bbp per hoofd; samenhang tussen het groeicijfer en de armoedebestrijding; resultaten van armoede-enquêtes; belangrijkste sociale indicatoren vergeleken met andere landen; ontwikkeling van de indicatoren in de voorbije jaren (voor zover beschikbaar);

bereiken van het criterium voor de toekenning van begrotingssteun, namelijk dat er een voldoende stabiele macro-economische situatie bestaat.

Samenwerkingsbeleid van de begunstigde LGO

Belangrijkste beleidslijnen, strategische prioriteiten en richtsnoeren:

belangrijkste kenmerken van het nationale ontwikkelingsbeleid en de ontwikkelingsstrategie (analyse van de huidige situatie, toelichting van beleid en strategie, actieplan(nen), financiële en begrotingsvooruitzichten op middellange termijn, meting, controle en evaluatie van resultaten);

realiteitsgehalte van beleid en strategie (bijvoorbeeld het verband tussen groei en armoedebestrijding, strategische richtsnoerenen);

eigen verantwoordelijkheid van de regering in het algemeen en het vakministerie in het bijzonder voor het beleid en de strategie.

Sectoraal programma van de overheid

Oorsprong en stand van zaken van het sectorale overheidsprogramma:

belangrijkste vaststellingen van de evaluatie van het sectoraal beleid, de sectorale begroting en de financiële vooruitzichten op middellange termijn (indien beschikbaar) alsook het verband met het territoriale strategische kader;

evaluatie van de institutionele capaciteit;

algemeen kader voor toezicht op de tenuitvoerlegging van sectorale beleidslijnen en strategieën.

Indien de bijstand in de vorm van begrotingssteun geschiedt, belangrijkste conclusies van de evaluatie van het beheer van de overheidsfinanciën:

kwaliteit van het bestaande beheerssysteem voor de overheidsfinanciën, met inbegrip van specifieke problemen en hervormingen van die sector;

evaluatie van de lopende verbeteringen van het beheer van de overheidsfinanciën.

Indien gekozen wordt voor begrotingssteun, vermelden dat aan de relevante subsidiabiliteitscriteria is voldaan:

een duidelijk omschreven sectoraal beleid en

een duidelijk omschreven programma voor een beter beheer van de overheidsfinanciën.

Lessen uit het verleden

Vermelding van toetsingen, beoordelingen, controleresultaten en evaluaties van eerdere relevante maatregelen.

Aanvullende maatregelen

Algemeen overzicht van de lopende EG-activiteiten, activiteiten van andere donoren en/of activiteiten van de begunstigde LGO die een aanvulling op deze activiteit vormen.

Donorcoördinatie

Beschrijving van het coördinatieproces met de begunstigde LGO en/of andere donoren, met name de lidstaten.

2.   Beschrijving

Doelstellingen en verwachte resultaten

Doelstellingen en belangrijkste elementen van het sectorale overheidsprogramma en daarvoor relevante doelstellingen van het huidige programma ter ondersteuning van het sectorale beleid.

Verwachte resultaten van het sectorale overheidsprogramma en het programma ter ondersteuning van het sectorale beleid; specifieke activiteiten die in het kader van dat ondersteuningsprogramma moeten worden uitgevoerd.

Actoren

Beschrijving van de voornaamste actoren, met inbegrip van de begunstigden; raadpleging van het maatschappelijk middenveld en andere partners; eigen verantwoordelijkheid en evaluatie van de institutionele capaciteit.

Risico’s en hypothesen

Omschrijving van de belangrijkste risico’s en overzicht van de maatregelen voor risicobeperking; gegevens ter staving van de duurzaamheid van de voorgestelde maatregel. Indien de bijstand in de vorm van begrotingssteun wordt verstrekt, moeten de risico’s in verband met de naleving van de financieringscriteria worden vermeld.

Sectoroverschrijdende aspecten

Ecologische duurzaamheid, gendergelijkheid, goed bestuur en mensenrechten.

3.   Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerleggingsmethode

Kies de relevante optie in overeenstemming met de geselecteerde financieringsvorm:

gecentraliseerd beheer;

gezamenlijk beheer op basis van een overeenkomst met een internationale organisatie;

gedecentraliseerd beheer op basis van een financieringsovereenkomst met een LGO (gebruik deze optie in geval van gedeeltelijk gecentraliseerde en gedeeltelijk gedecentraliseerde tenuitvoerlegging).

In geval van gedecentraliseerde procedures voor overheidsopdrachten en subsidies:

controleert de Commissie van tevoren de procedures voor overheidsopdrachten van meer dan 50 000 EUR en achteraf de procedures voor overheidsopdrachten van 50 000 EUR of minder,

of

controleert de Commissie achteraf de procedures voor overheidsopdrachten (er kan alleen voor volledige decentralisatie worden gekozen indien volledig is voldaan aan de in het Financieel Reglement vastgestelde decentralisatiecriteria).

In geval van gedecentraliseerde betalingen (wat alleen mogelijk is wanneer de procedures voor toekenning van de overheidsopdrachten gedecentraliseerd zijn):

worden de betalingen voor exploitatiekosten en overheidsopdrachten aan de hand van de programmabestekken tot de volgende maxima gedecentraliseerd:

Werken

Leveranties

Diensten

Subsidies

< 300 000 EUR

< 150 000 EUR

< 200 000 EUR

≤ 100 000 EUR

of

worden de betalingen volledig gedecentraliseerd (er kan alleen voor volledige decentralisatie worden gekozen indien volledig aan de in het Financieel Reglement vastgestelde decentralisatiecriteria is voldaan).

Procedures voor overheidsopdrachten en subsidies

De volgende zin moet ongewijzigd worden ingevoegd met betrekking tot activiteiten waarvoor EG-procedures gelden: „Alle overheidsopdrachten voor de tenuitvoerlegging van de activiteit moeten worden toegekend en uitgevoerd overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde en gepubliceerde procedures en standaarddocumenten voor de tenuitvoerlegging van externe activiteiten die op het tijdstip van de aanvang van de betrokken procedure van kracht zijn.”.

De volgende zin moet ongewijzigd worden ingevoegd indien de overeenkomst met een internationale organisatie voorziet in de toepassing van de regels en procedures van die organisatie, die voldoen aan de internationale normen: „Alle overheidsopdrachten voor de tenuitvoerlegging van de activiteit moeten worden toegekend en uitgevoerd overeenkomstig de procedures en standaarddocumenten die door de desbetreffende internationale organisatie zijn vastgesteld en gepubliceerd.”.

Indien andere regels en procedures dan die van de Europese Gemeenschap van toepassing zijn, moeten zij nader worden omschreven en voldoen aan de criteria van het Financieel Reglement.

Begroting en tijdschema

Indicatieve uitsplitsing van het totale bedrag naar belangrijkste componenten, met inbegrip van evaluatie, audits en zichtbaarheid; vermeld waar passend de bijdrage van de begunstigde LGO per begrotingspost en geef aan of de bijdrage in natura dan wel in geld wordt verstrekt.

Vermeld waar mogelijk de financieringspercentages voor subsidies en overheidsopdrachten; vermeld voor opdrachten de categorie (diensten, leveranties, werken) en voor subsidies de belangrijkste categorie begunstigden.

Vermeld indien van toepassing het indicatieve tijdschema voor het starten van de procedures voor overheidsopdrachten of de oproep tot het indienen van voorstellen.

Indien de bijstand in de vorm van begrotingssteun plaatsvindt, vermeld het indicatieve tijdschema voor de maandelijkse betalingen, waar passend met een indeling in vaste en variabele tranches.

Vermeld de uitvoeringsperiode in maanden vanaf de ondertekening van de financieringsovereenkomst (of een contract of ander tenuitvoerleggingsakkoord indien geen financieringsovereenkomst wordt ondertekend).

Controle van de resultaten en betalingscriteria

Beschrijving van de regelingen voor controle van de resultaten.

Prestatie-indicatoren voor het programma ter ondersteuning van het sectorale beleid; samenhang met het algemene kader voor de evaluatie van de prestaties van het sectorale overheidsprogramma; procedure voor prestatiecontrole; verificatiemethoden; middelen om de prestatiemeting te versterken (waar nodig).

Wanneer de bijstand plaatsvindt in de vorm van begrotingssteun of een gemeenschappelijk fonds: algemene voorwaarden voor de betaling van alle tranches; gebieden waarop specifieke voorwaarden voor de betaling van afzonderlijke tranches zullen worden vastgesteld.

Voor de beleidsterreinen van de concentratiesector moeten input-, output-, resultaat- en voor zover mogelijk impactindicatoren worden vastgesteld. De indicatoren moeten voldoen aan de SMART-criteria (specifiek, meetbaar op korte en middellange termijn, haalbaar, realistisch en tijdgebonden) en moeten een uitgangspunt, een streefcijfer en een duidelijke einddatum omvatten om vergelijkingen bij de jaarlijkse, de tussentijdse en de eindevaluatie mogelijk te maken.

Evaluaties en audits

Beschrijving van de evaluaties (tussentijdse en eindevaluatie en evaluatie achteraf) en de auditregelingen.

Communicatie en zichtbaarheid

Beschrijving van de activiteiten inzake communicatie en zichtbaarheid.

OPTIE B:   ALGEMENE BEGROTINGSSTEUN

Projectgegevens

Benaming

 

Totale kosten

EG-bijdrage

Steunmethode/beheersvorm

Algemene begrotingssteun — gecentraliseerd beheer

DAC-code

 

Sector

 

1.   Motivering en LGO-kader

Economische en sociale situatie

Macro-economische situatie: structuur van het bbp; recente economische prestaties inzake groei van het bbp en inflatie; overheidsfinanciën, begrotingstekort, schuldenlast en bedrag van de achterstallen; verdeling van de uitgaven over de sleutelsectoren; betalingsbalans van de lopende rekening en de kapitaalrekening, reserves; monetaire situatie; rol van de externe bijstand in de economie; overzicht van de belangrijkste voorbije en verwachte tendensen van de macro-economische variabelen; betrekkingen tussen het partnerland en het Internationaal Monetair Fonds; alle speciale onderwerpen van macro-economisch belang die relevant zijn voor de LGO.

Armoedeprofiel en -tendensen: ontwikkeling van het reële bbp per hoofd; samenhang tussen het groeicijfer en de armoedebestrijding; resultaten van armoede-enquêtes; belangrijkste sociale indicatoren vergeleken met andere landen; ontwikkeling van de indicatoren in de voorbije jaren (voor zover beschikbaar).

Vermeld dat is voldaan aan het criterium voor de toekenning van begrotingssteun, namelijk dat er een op stabiliteit gericht macro-economisch beleid is of binnenkort zal worden vastgesteld en dat dit beleid door de Europese Gemeenschap moet worden gesteund.

Samenwerkingsbeleid en -strategie van de begunstigde LGO

Belangrijkste prioriteiten en richtsnoeren op beleids- en strategisch gebied:

LGO-beleid en -strategie:

belangrijkste kenmerken van het beleid en de strategie van de LGO (analyse van de huidige situatie, uiteenzetting van beleid en strategie, actieplan(nen), financiële en begrotingsvooruitzichten op middellange termijn, meting, controle en evaluatie van resultaten);

haalbaarheid van het beleid en de strategie (bijvoorbeeld verband tussen groei en armoedebestrijding, strategische richtsnoeren);

eigen verantwoordelijkheid voor beleid en strategie.

Prestatiemeting: bestaan van een controleprocedure met prestatie-indicatoren om het bereiken van doelstellingen te meten; samenhang met de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en politieke en economische aanpassing aan de Europese Unie; bestaan van een programma om de kwaliteit van de gehanteerde prestatie-indicatoren te waarborgen.

Vermeld dat is voldaan aan het criterium voor de toekenning van begrotingssteun, namelijk dat een goed uitgewerkt ontwikkelings- of hervormingsbeleid en -strategie is of binnenkort zal woren vastgesteld en dat dit beleid door de Europese Gemeenschap moet worden gesteund.

Sectoraal beleid (waar passend)

Overzicht van de kenmerken van de belangrijkste sectoren en sectorale beleidslijnen op de door dit programma bestreken prioritaire gebieden.

Overheidsfinanciën

Belangrijkste aspecten van de overheidsfinanciën op twee essentiële gebieden:

Beheer van de overheidsfinanciën:

evaluatie van de kwaliteit van het bestaande beheerssysteem voor de overheidsfinanciën;

evaluatie van de verbeteringen van het beheer van de overheidsfinanciën, met inbegrip van de verbintenis van de LGO-autoriteiten om de prestaties van het beheer van de overheidsfinanciën te verbeteren; relevantie en mate van tenuitvoerlegging van de hervormingsstrategie; relevantie en mate van coördinatie en uitvoering van de programma’s voor capaciteitsontwikkeling op het gebied van het beheer van de overheidsfinanciën;

vermelding dat is voldaan aan het criterium voor de toekenning van begrotingssteun, namelijk dat er een geloofwaardig en relevant programma voor een beter beheer van de overheidsfinanciën bestaat.

Nationale begroting en financiële vooruitzichten op middellange termijn: omvang van de begrotingssteun naar verhouding van de begroting; aard en toepassingsgebied van de begroting (met inbegrip van de structuur van begrotingsinkomsten en -uitgaven; samenhang tussen LGO-beleid en -strategie en begrotingstoewijzingen en -uitgaven; begrotingsstrategie (met inbegrip van duurzaamheid van de begroting, duurzaamheid van de schuldpositie, begrotingsregels en financieringsstrategieën); maatregelen ter verbetering van de kosten-batensituatie; stand van de financiële vooruitzichten op middellange termijn (met inbegrip van toepassingsgebied, mate van integratie in het begrotingsproces en mate van bijsturing in overeenstemming met beleidslijnen en strategieën).

Lessen uit het verleden

Overzicht van de opgedane ervaringen, met inbegrip van de resultaten van toetsingen, beoordelingen, controles en evaluaties van eerdere maatregelen die relevant zijn voor dit specifieke programma.

Aanvullende maatregelen

Algemeen overzicht van de lopende EG-maatregelen, maatregelen van andere donoren en/of maatregelen van de begunstigde LGO die dit programma aanvullen.

Donorcoördinatie

Beschrijving van de coördinatie met de begunstigde LGO en/of andere donoren, met name de lidstaten.

2.   Beschrijving

Doelstellingen

Algemene doelstellingen: deze doelstellingen zijn overgenomen van het beleid en de strategie van de LGO en omvatten meestal een bijdrage tot de brede ontwikkelingsdoelstellingen en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, zoals groei, armoedebestrijding, veiligheid en goed nabuurschap, integratie in de wereldeconomie en economisch partnerschap.

Specifiek doel: dit doel is overgenomen van het beleid en de strategie van de LGO en verwijst naar specifieke aspecten van de algemene strategie. Het betreft vaak het verbeteren van de macro-economische stabiliteit, het beheer van de overheidsfinanciën, de tenuitvoerlegging van hervormingen en verbeteringen van de prestatie van overheids- en sociale diensten.

Verwachte resultaten en belangrijkste activiteiten

Verwachte resultaten: deze betreffen vaak het verbeteren van de werking van het openbaar ambt of de overheidssector in het algemeen, met inbegrip van de levering van goederen en diensten door die sector, alsook verbeteringen van het kader voor het overheidsbeleid en de overheidsuitgaven. Deze goederen en diensten dragen bij tot de algemene doelstellingen, zoals armoedebestrijding en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling.

De activiteiten omvatten aspecten betreffende beleidsdialoog, capaciteitsontwikkeling en de controle van de voorwaarden voor de uitbetaling van begrotingssteun. De ingezette middelen (of inputs) hangen hoofdzakelijk af van de hoogte van de begrotingssteun, waarbij moet worden vermeld wat de omvang van deze steun is naar verhouding van de belangrijkste macro-economische variabelen.

Actoren

Beschrijving van de voornaamste actoren, met inbegrip van begunstigden; raadpleging van het maatschappelijk middenveld en andere partners; eigen verantwoordelijkheid en evaluatie van de institutionele capaciteit.

Risico’s en hypothesen

Vaststelling van de voornaamste risico’s, met name betreffende de criteria voor de toekenning van steun en overzicht van risicobeperkende maatregelen.

Sectoroverschrijdende aspecten

Ecologische duurzaamheid, gendergelijkheid, goed bestuur en mensenrechten.

3.   Tenuitvoerlegging

Begroting en tijdschema

Totale begroting en indicatief tijdschema van de maandelijkse betalingen, zo nodig met een indeling in vaste en variabele tranches.

Duur van de uitvoering in maanden vanaf de ondertekening van de financieringsovereenkomst.

Begrotingstoewijzingen voor aanvullende steunmaatregelen.

Procedure van de begrotingssteun

Specificeer: direct/indirect; gericht/niet-gericht; beleid en strategie op korte/middellange termijn (waar nodig).

Procedures voor overheidsopdrachten en subsidies

Uitsluitend voor aanvullende steun zoals technische bijstand, audits of evaluaties. De volgende zin moet ongewijzigd worden ingevoegd: „Alle overheidsopdrachten voor de tenuitvoerlegging van de activiteit moeten worden toegekend en uitgevoerd overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde en gepubliceerde procedures en standaarddocumenten voor de tenuitvoerlegging van externe activiteiten, die op het tijdstip van de start van de betrokken procedure van kracht zijn.”.

Controle van de resultaten en betalingscriteria

Beschrijving van de regelingen voor controle van de resultaten, algemene voorwaarden voor de betaling van alle tranches, specifieke voorwaarden voor de betaling van afzonderlijke tranches. Voor de beleidsterreinen die onder de concentratiesector vallen, moeten input-, output-, resultaat- en voor zover mogelijk impactindicatoren worden aangegeven. De indicatoren moeten in overeenstemming zijn met de SMART-criteria (specifiek, meetbaar op korte/middellange termijn, haalbaar, realistisch en tijdgebonden) en moeten een startpunt, een streefcijfer en een duidelijke termijn omvatten teneinde bij de jaarlijkse, tussentijdse en eindevaluatie vergelijkingen mogelijk te maken.

Evaluaties en audits

Beschrijving van de evaluaties (tussentijdse evaluatie, eindevaluatie en evaluatie achteraf) en de audits.

Communicatie en zichtbaarheid

Beschrijving van de activiteiten betreffende communicatie en zichtbaarheid.

OPTIE C:   PROJECTBENADERING

Projectgegevens

Benaming

 

Totale kosten

Specificeer: Bijdrage van de Europese Gemeenschap en indien van toepassing, van de begunstigde LGO (en andere donoren indien van toepassing)

Steunmethode/beheersvorm

Projectbenadering — gecentraliseerd (direct of indirect)/gedecentraliseerd/gezamenlijk beheer

DAC-code

 

Sector

 

1.   Motivering

Sectorale context

Kenmerken en beleidslijnen van de betrokken sector of thematisch gebied (waar passend op regionaal niveau) en belangrijkste problemen die door het project moeten worden opgelost.

Lessen uit het verleden

Vermelding van toetsingen, beoordelingen, controleresultaten en evaluaties van eerdere relevante maatregelen.

Aanvullende maatregelen

Algemeen overzicht van de lopende EG-activiteiten, activiteiten van andere donoren en/of activiteiten van de begunstigde LGO die een aanvulling op deze activiteit vormen.

Donorcoördinatie

Beschrijving van het coördinatieproces met de begunstigde LGO en/of andere donoren, met name de lidstaten.

2.   Beschrijving

Doelstellingen

Algemene en specifieke doelstellingen van de EG-steun.

Verwachte resultaten en belangrijkste activiteiten

Strategie die is gekozen voor het oplossen van de geconstateerde problemen; beschrijving van de verwachte resultaten en van de wijze waarop zij zullen worden bereikt.

Actoren

Beschrijving van de voornaamste actoren, met inbegrip van de begunstigden; raadpleging van het maatschappelijk middenveld en waar nodig andere partners; eigen verantwoordelijkheid en beoordeling van de institutionele capaciteit.

Risico’s en hypothesen

Omschrijving van de belangrijkste risico’s en overzicht van de maatregelen voor risicobeperking, met inbegrip van voorwaarden waaraan voor en tijdens de uitvoering moet worden voldaan; gegevens ter staving van de duurzaamheid van de voorgestelde maatregelen.

Sectoroverschrijdende aspecten

Ecologische duurzaamheid, gendergelijkheid, goed bestuur en mensenrechten.

3.   Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerleggingsmethode

Kies de relevante optie in overeenstemming met de geselecteerde financieringsvorm:

gecentraliseerd beheer;

gezamenlijk beheer door de sluiting van een overeenkomst met een internationale organisatie;

gedecentraliseerd beheer door de ondertekening van een financieringsovereenkomst met een LGO (gebruik deze optie in geval van gedeeltelijk gecentraliseerde en gedeeltelijk gedecentraliseerde tenuitvoerlegging).

Vermeld welke taken (procedures voor overheidsopdrachten en subsidies/betalingen) gecentraliseerd of gedecentraliseerd zullen zijn en welke instanties bevoegd zullen zijn voor het sluiten van contracten en betalingen.

In geval van gedecentraliseerde procedures voor overheidsopdrachten en subsidies:

controleert de Commissie van tevoren de procedures voor overheidsopdrachten van meer dan 50 000 EUR en achteraf de procedures voor overheidsopdrachten van minder dan of gelijk aan 50 000 EUR,

of

controleert de Commissie achteraf de procedures voor overheidsopdrachten (er kan alleen worden gekozen voor volledige decentralisatie indien volledig is voldaan aan de in het Financieel Reglement vastgestelde decentralisatiecriteria).

In geval van gedecentraliseerde betalingen (wat alleen mogelijk is wanneer de procedures voor de toekenning van overheidsopdrachten gedecentraliseerd zijn):

worden de betalingen voor exploitatiekosten en overheidsopdrachten aan de hand van de programmabestekken tot de volgende maxima gedecentraliseerd:

Werken

Leveranties

Diensten

Subsidies

< 300 000 EUR

< 150 000 EUR

< 200 000 EUR

≤ 100 000 EUR

of

worden de betalingen volledig gedecentraliseerd (er kan alleen voor volledige decentralisatie worden gekozen indien volledig aan de in het Financieel Reglement vastgestelde decentralisatiecriteria is voldaan).

Procedures voor overheidsopdrachten en subsidies

Met betrekking tot activiteiten waarvoor de EG-procedures gelden, moet de volgende zin ongewijzigd worden ingevoegd: „Alle overheidsopdrachten voor de tenuitvoerlegging van de activiteit moeten worden toegekend en uitgevoerd overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde en gepubliceerde procedures en standaarddocumenten voor de tenuitvoerlegging van externe activiteiten die op het tijdstip van de start van de betrokken procedures van kracht zijn.”.

De volgende zin moet ongewijzigd worden ingevoegd indien de overeenkomst met een internationale organisatie voorziet in de toepassing van de regels en procedures van die organisatie, die aan de internationale normen voldoen: „Alle overheidsopdrachten voor de tenuitvoerlegging van de activiteit moeten worden toegekend en uitgevoerd overeenkomstig de procedures en standaarddocumenten die door de desbetreffende internationale organisatie zijn vastgesteld en gepubliceerd.”.

Indien andere regels en procedures dan die van de Europese Gemeenschap van toepassing zijn, moeten zij nader worden omschreven en voldoen aan de criteria van het Financieel Reglement.

Begroting en tijdschema

Indicatieve uitsplitsing van het totale bedrag naar belangrijkste componenten, met inbegrip van evaluaties, audits en zichtbaarheid. Vermeld waar passend de bijdrage van de begunstigde LGO per begrotingspost en geef aan of de bijdrage in natura dan wel in geld wordt verstrekt.

Vermeld wanneer mogelijk de financieringspercentages voor subsidies en overheidsopdrachten; vermeld voor opdrachten de categorie (diensten, leveranties, werken) en voor subsidies de belangrijkste categorie begunstigden.

Vermeld indien van toepassing het indicatieve tijdschema voor de start van de procedures voor overheidsopdrachten of de oproep tot het indienen van voorstellen.

Verwachte duur van de uitvoering in maanden vanaf de ondertekening van de financieringsovereenkomst (of een contract of ander tenuitvoerleggingsakkoord indien geen financieringsovereenkomst wordt ondertekend).

Controle van de resultaten

Beschrijving van de regelingen voor controle van de resultaten; overzicht van de belangrijkste indicatoren voor het meten van vorderingen. Voor de beleidsterreinen die onder de concentratiesector vallen, moeten input-, output-, resultaat- en voor zover mogelijk impactindicatoren worden vermeld. De indicatoren moeten in overeenstemming zijn met de SMART-criteria (specifiek, meetbaar op korte/middellange termijn, haalbaar, realistisch en tijdgebonden) en een startpunt, een streefcijfer en een duidelijke termijn omvatten teneinde bij de jaarlijkse, tussentijdse en eindevaluatie vergelijkingen mogelijk te maken.

Evaluaties en audits

Beschrijving van de regelingen voor evaluaties (tussentijdse evaluaties, eindevaluaties, evaluaties achteraf) en audits

Communicatie en zichtbaarheid

Beschrijving van de activiteiten betreffende communicatie en zichtbaarheid.”


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/55


VERORDENING (EG) Nr. 1425/2007 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2007

tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in ICES-zone IV; IIa (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van België voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2007 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2007 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2007 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2007.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(2)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9), gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6.

(3)  PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 898/2007 van de Commissie (PB L 196 van 28.7.2007, blz. 22).


BIJLAGE

Nr.

78

Lidstaat

België

Bestand

COD/2AC4.

Soort

Kabeljauw (Gadus morhua)

Zone

IV; IIa (EG-wateren)

Datum

15.11.2007


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/57


VERORDENING (EG) Nr. 1426/2007 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2007

tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in ICES-zone VIIb-k, VIII, IX en X; CECAF 34.1.1 (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van België voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2007 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2007 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2007 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2007.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(2)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9), gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6.

(3)  PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 898/2007 van de Commissie (PB L 196 van 28.7.2007, blz. 22).


BIJLAGE

Nr.

79

Lidstaat

België

Bestand

COD/7X7A34.

Soort

Kabeljauw (Gadus morhua)

Zone

VIIb-k, VIII, IX en X; CECAF 34.1.1 (EG-wateren)

Datum

15.11.2007


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/59


VERORDENING (EG) Nr. 1427/2007 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2007

tot vaststelling van een verbod op de visserij op leng in ICES-zone IV (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van België voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2007 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2007 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2007 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2007.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(2)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9), gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6.

(3)  PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 898/2007 van de Commissie (PB L 196 van 28.7.2007, blz. 22).


BIJLAGE

Nr.

80

Lidstaat

België

Bestand

LIN/04.

Soort

Leng (Molva molva)

Zone

IV (EG-wateren)

Datum

15.11.2007


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/61


VERORDENING (EG) Nr. 1428/2007 VAN DE COMMISSIE

van 4 december 2007

tot wijziging van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name op artikel 23, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden uitroeiingsmaatregelen vastgesteld die moeten worden getroffen na bevestiging van een overdraagbare spongiforme encefalopathie (TSE) bij schapen en geiten.

(2)

In het kader van de mededeling van de Commissie „Het TSE-stappenplan” (2) van 15 juli 2005 en in lijn met het werkprogramma 2006-2007 van SANCO inzake TSE's (3) van 17 juli 2007 heeft de Commissie Verordening (EG) nr. 727/2007 van 26 juni 2007 tot wijziging van de bijlagen I, III, VII en X bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën vastgesteld. Verordening (EG) nr. 999/2001, aldus gewijzigd, voorziet in de toepassing van bepaalde maatregelen bij bevestiging van een TSE in een bedrijf met schapen of geiten, waar de aanwezigheid van boviene spongiforme encefalopathie (BSE) is uitgesloten.

(3)

Aangezien de structuur van de sector voor schapen en geiten in de gehele Gemeenschap zeer verschillend is, heeft Verordening (EG) nr. 999/2001, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 727/2007, de mogelijkheid ingevoerd om alternatieve beleidsmaatregelen toe te passen, mits op communautair niveau geharmoniseerde voorschriften worden vastgesteld.

(4)

Vóór de daarin bij Verordening (EG) nr. 727/2007 aangebrachte wijzigingen voorzag bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 in een afwijking betreffende de vernietiging van schapen en geiten na de bevestiging op een bedrijf van een geval van TSE bij dergelijke dieren. Dienovereenkomstig konden de lidstaten besluiten om onder bepaalde voorwaarden de vernietiging van de dieren maximaal vijf fokjaren op te schorten. Die afwijking is echter niet opgenomen in bijlage VII bij de gewijzigde Verordening (EG) nr. 999/2001, aangezien zij niet langer nodig was.

(5)

Op 17 juli 2007 heeft Frankrijk in zaak T-257/07 bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen beroep tegen de Commissie ingesteld en de nietigverklaring van bepaalde bepalingen van Verordening (EG) nr. 727/2007, met name betreffende de toe te passen maatregelen op met TSE besmette koppels, subsidiair de volledige nietigverklaring van die verordening gevorderd. In zijn beschikking van 28 september 2007 heeft het Gerecht als voorlopige maatregel de toepassing van deze bepalingen geschorst totdat een definitief arrest wordt gewezen.

(6)

Ingevolge die beschikking hebben de lidstaten niet langer de mogelijkheid om de geschorste maatregelen toe te passen. Daarom kunnen bepaalde lidstaten moeilijkheden ondervinden om tot de onmiddellijke vernietiging van de betrokken dieren over te gaan.

(7)

Daarom moet opnieuw de afwijking worden ingevoerd die gold voordat de desbetreffende bepalingen van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 bij Verordening (EG) nr. 727/2007 zijn gewijzigd, om de lidstaten, wanneer de frequentie van het ARR-allel binnen het ras of op het bedrijf klein is of wanneer het nodig geacht wordt inteelt te voorkomen, in staat te stellen de vernietiging van de dieren maximaal vijf fokjaren op te schorten, gerekend vanaf de datum van die beschikking.

(8)

Verordening (EG) nr. 999/2001 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage VII, hoofdstuk A, punt 2.3, van Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt het volgende punt f) toegevoegd:

„f)

Wanneer de frequentie van het ARR-allel binnen het ras of op het bedrijf klein is of wanneer het nodig geacht wordt inteelt te voorkomen, mag een lidstaat besluiten om de vernietiging van de in punt 2.3, onder b), i) en ii), bedoelde dieren maximaal vijf fokjaren op te schorten.”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 28 september 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 december 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 727/2007 van de Commissie (PB L 165 van 27.6.2007, blz. 8).

(2)  COM(2005) 322 def.

(3)  SEC(2006) 1527.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/63


BESLUIT VAN DE RAAD

van 22 oktober 2007

betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

(2007/786/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 310 juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin,

Gelet op de Toetredingsakte van 2005, en met name op artikel 6, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 oktober 2006 heeft de Raad de Commissie gemachtigd namens de Europese Gemeenschap en haar lidstaten met Israël te onderhandelen over de aanpassing van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds (1), hierna de „Euro-mediterrane overeenkomst” genoemd. Deze onderhandelingen zijn nodig in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU.

(2)

Deze onderhandelingen zijn ondertussen tot tevredenheid van de Commissie afgerond.

(3)

Artikel 9, lid 2, van het met Israël overeengekomen protocol voorziet erin dat het protocol vóór de inwerkintreding ervan voorlopig wordt toegepast.

(4)

Onder voorbehoud van sluiting op een later tijdstip, moet het protocol namens de Europese Gemeenschap en haar lidstaten worden ondertekend en voorlopig worden toegepast,

BESLUIT:

Artikel 1

Het protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst wordt namens de Europese Gemeenschap en haar lidstaten ondertekend, onder voorbehoud van sluiting.

De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad is gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) namens de Europese Gemeenschap en haar lidstaten over te gaan tot ondertekening van het protocol.

Artikel 3

Op voorwaarde van wederkerigheid, wordt het protocol voorlopig toegepast met ingang van 1 januari 2007, in afwachting van de voltooiing van de voor de sluiting ervan vereiste procedures.

Gedaan te Luxemburg, 22 oktober 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

J. SILVA


(1)  PB L 147 van 21.6.2000, blz. 3.


PROTOCOL

bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

IERLAND,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK HONGARIJE,

DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

hierna „de lidstaten” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie,

en

DE EUROPESE GEMEENSCHAP, hierna „de Gemeenschap” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie en de Commissie,

enerzijds, en

de staat Israël, hierna „Israël” genoemd,

anderzijds,

OVERWEGENDE dat de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds, hierna „de Euro-mediterrane overeenkomst” genoemd, op 20 november 1995 in Brussel is ondertekend en op 1 juni 2000 in werking is getreden,

OVERWEGENDE dat het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie en de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden op 25 april 2005 in Luxemburg is ondertekend en op 1 januari 2007 in werking is getreden,

OVERWEGENDE dat, overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005, de toetreding van de nieuwe overeenkomstsluitende partijen tot de Euro-mediterrane overeenkomst moet worden overeengekomen door de sluiting van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst,

OVERWEGENDE dat, overeenkomstig artikel 21 van de Euro-mediterrane overeenkomst, tussen de partijen overleg is gevoerd, teneinde de wederzijdse belangen van de Gemeenschap en Israël in aanmerking te kunnen nemen,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

De Republiek Bulgarije en Roemenië, hierna „de nieuwe lidstaten” genoemd, worden partij bij de Euro-mediterrane overeenkomst, en dienen, op dezelfde wijze als de andere lidstaten, de teksten van de Euro-mediterrane overeenkomst, alsmede de gemeenschappelijke verklaringen, verklaringen en briefwisselingen goed te keuren en er nota van te nemen.

HOOFDSTUK EEN

WIJZIGINGEN IN DE TEKST VAN DE EURO-MEDITERRANE OVEREENKOMST, MET INBEGRIP VAN DE BIJLAGEN EN PROTOCOLLEN

Artikel 2

Landbouwproducten, bewerkte landbouwproducten en visserijproducten

1.   Tabel 1 van bijlage VI bij de Euro-mediterrane overeenkomst, die tariefconcessies bevat voor de invoer in de Gemeenschap van goederen van oorsprong uit Israël, wordt aangevuld met de als volgt gedefinieerde tariefconcessie:

„GN-code (1)

Omschrijving van de goederen (2)

Jaarlijks contingent

(in t)

Concessie binnen de contingentsmaxima

ex 2106 90 98

Citrusbasis voor de bereiding van frisdranken en andere dranken met ten minste 30 gewichtspercenten geconcentreerd vruchtensap en maximaal 50 % sucrose, geen melk of producten op basis van melk bevattend

5 550 (3)

33 % verlaging van het agrarisch element

2.   Verdere tariefconcessies tot aanpassing van bilaterale concessies voor landbouwproducten, bewerkte landbouwproducten of visserijproducten worden door de partijen overeengekomen overeenkomstig het bepaalde in de bijlage.

Artikel 3

Oorsprongsregels

Protocol 4 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, wordt de verwijzing naar de nieuwe lidstaten geschrapt.

2.

Bijlage IVa wordt vervangen door:

„Bulgaarse versie

Износителят на продуктите, които се обхващатот този документ (митническо разрешение № … (1)) декларира, че освен когато ясно е отбелязано друго, тези продукти са с … преференциален произход (2).

Spaanse versie

El exportador de los productos incluidos en el presente documento [autorización aduanera no … (1)] declara que, salvo indicación clara en sentido contrario, estos productos gozan de un origen preferencial … (2).

Tsjechische versie

Vývozce výrobků uvedených v tomto dokumentu (číslo povolení … (1)) prohlašuje, že kromě zřetelně označených mají tyto výrobky preferenční původ v … (2).

Deense versie

Eksportøren af varer, der er omfattet af nærværende dokument, (toldmyndighedernes tilladelse nr. … (1)), erklærer, at varerne, medmindre andet tydeligt er angivet, har præferenceoprindelse i … (2).

Duitse versie

Der Ausführer (Ermächtigter Ausführer; Bewilligungs-Nr. … (1)) der Waren, auf die sich dieses Handelspapier bezieht, erklärt, dass diese Waren, soweit nicht anders angegeben, präferenzbegünstigte … (2) Ursprungswaren sind.

Estse versie

Käesoleva dokumendiga hõlmatud toodete eksportija (tolli kinnitus nr … (1)) deklareerib, et need tooted on … (2) sooduspäritoluga, välja arvatud juhul, kui on selgelt näidatud teisiti.

Griekse versie

Ο εξαγωγέας των προϊόντων που καλύπτονται από το παρόν έγγραφο [άδεια τελωνείου υπ' αριθ. … (1)] δηλώνει ότι, εκτός εάν δηλώνεται σαφώς άλλως, τα προϊόντα αυτά είναι προτιμησιακής καταγωγής … (2).

Engelse versie

The exporter of the products covered by this document (customs authorisation No … (1)) declares that, except where otherwise clearly indicated, these products are of … (2) preferential origin.

Franse versie

L’exportateur des produits couverts par le présent document [autorisation douanière no … (1)] déclare que, sauf indication claire du contraire, ces produits ont l’origine préférentielle … (2).

Italiaanse versie

L’esportatore delle merci contemplate nel presente documento [autorizzazione doganale n. … (1)] dichiara che, salvo espressa indicazione contraria, le merci sono di origine preferenziale … (2).

Letse versie

Eksportētājs produktiem, kuri ietverti šajā dokumentā (muitas pilnvara Nr. … (1)), deklarē, ka, izņemot tur, kur ir citādi skaidri noteikts, šiem produktiem ir priekšrocību izcelsme no … (2).

Litouwse versie

Šiame dokumente išvardintų prekių eksportuotojas (muitinès liudijimo Nr. … (1)) deklaruoja, kad, jeigu kitaip nenurodyta, tai yra … (2) preferencinès kilmés prekés.

Hongaarse versie

A jelen okmányban szereplő áruk exportőre (vámfelhatalmazási szám: … (1)) kijelentem, hogy eltérő jelzés hiányában az áruk preferenciális … (2) származásúak.

Maltese versie

L-esportatur tal-prodotti koperti b’dan id-dokument (awtorizzazzjoni tad-dwana nru … (1)) jiddikjara li, ħlief fejn indikat b’mod ċar li mhux hekk, dawn il-prodotti huma ta’ oriġini preferenzjali … (2).

Nederlandse versie

De exporteur van de goederen waarop dit document van toepassing is (douanevergunning nr. … (1)), verklaart dat, behoudens uitdrukkelijke andersluidende vermelding, deze goederen van preferentiële … oorsprong zijn (2).

Poolse versie

Eksporter produktów objętych tym dokumentem (upoważnienie władz celnych nr … (1)) deklaruje, że z wyjątkiem gdzie jest to wyraźnie określone, produkty te mają … (2) preferencyjne pochodzenie.

Portugese versie

O exportador dos produtos cobertos pelo presente documento [autorização aduaneira n.o … (1)], declara que, salvo expressamente indicado em contrário, estes produtos são de origem preferencial … (2).

Roemeense versie

Exportatorul produselor la care se referă acest document [autorizația vamală nr. … (1)] declară că, exceptând cazul în care în mod expres este indicat altfel, aceste produse sunt de origine preferențială … (2).

Sloveense versie

Izvoznik blaga, zajetega s tem dokumentom (pooblastilo carinskih organov št. … (1)) izjavlja, da, razen če ni drugače jasno navedeno, ima to blago preferencialno … (2) poreklo.

Slowaakse versie

Vývozca výrobkov uvedených v tomto dokumente [číslo povolenia … (1)] vyhlasuje, že okrem zreteľne označených, majú tieto výrobky preferenčný pôvod v … (2).

Finse versie

Tässä asiakirjassa mainittujen tuotteiden viejä (tullin lupa n:o … (1)) ilmoittaa, että nämä tuotteet ovat, ellei toisin ole selvästi merkitty, etuuskohteluun oikeutettuja … alkuperätuotteita (2).

Zweedse versie

Exportören av de varor som omfattas av detta dokument (tullmyndighetens tillstånd nr. … (1)) försäkrar att dessa varor, om inte annat tydligt markerats, har förmånsberättigande … ursprung (2).

Hebreeuwse versie

Image

3.

Bijlage IVb wordt vervangen door:

„Bulgaarse versie

Износителят на продуктите, които се обхващат от този документ [митническо разрешение № … (1)] декларира, че освен когато ясно е отбелязано друго, тези продукти са с … преференциален произход (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Spaanse versie

El exportador de los productos incluidos en el presente documento [autorización aduanera no … (1)] declara que, salvo indicación clara en sentido contrario, estos productos gozan de un origen preferencial. … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Tsjechische versie

Vývozce výrobků uvedených v tomto dokumentu (číslo povolení … (1)) prohlašuje, že kromě zřetelně označených mají tyto výrobky preferenční původ v … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Deense versie

Eksportøren af varer, der er omfattet af nærværende dokument, (toldmyndighedernes tilladelse nr. … (1)), erklærer, at varerne, medmindre andet tydeligt er angivet, har præferenceoprindelse i … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Duitse versie

Der Ausführer (Ermächtigter Ausführer; Bewilligungs-Nr. … (1)) der Waren, auf die sich dieses Handelspapier bezieht, erklärt, dass diese Waren, soweit nicht anders angegeben, präferenzbegünstigte … (2) Ursprungswaren sind:

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Estse versie

Käesoleva dokumendiga hõlmatud toodete eksportija (tolli kinnitus nr … (1)) deklareerib, et need tooted on … (2) sooduspäritoluga, välja arvatud juhul, kui on selgelt näidatud teisiti:

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Griekse versie

Ο εξαγωγέας των προϊόντων που καλύπτονται από το παρόν έγγραφο [άδεια τελωνείου υπ' αριθ. … (1)] δηλώνει ότι, εκτός εάν δηλώνεται σαφώς άλλως, τα προϊόντα αυτά είναι προτιμησιακής καταγωγής … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Engelse versie

The exporter of the products covered by this document (customs authorisation No … (1)) declares that, except where otherwise clearly indicated, these products are of … (2) preferential origin:

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Franse versie

L’exportateur des produits couverts par le présent document [autorisation douanière no … (1)] déclare que, sauf indication claire du contraire, ces produits ont l’origine préférentielle … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Italiaanse versie

L’esportatore delle merci contemplate nel presente documento [autorizzazione doganale n. … (1)] dichiara che, salvo espressa indicazione contraria, le merci sono di origine preferenziale … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Letse versie

Eksportētājs produktiem, kuri ietverti šajā dokumentā (muitas pilnvara Nr. … (1)), deklarē, ka, izņemot tur, kur ir citādi skaidri noteikts, šiem produktiem ir priekšrocību izcelsme no … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Litouwse versie

Šiame dokumente išvardintų prekių eksportuotojas (muitinės liudijimo Nr. … (1)) deklaruoja, kad, jeigu kitaip nenurodyta, tai yra … (2) preferencinės kilmės prekės:

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Hongaarse versie

A jelen okmányban szereplő áruk exportőre (vámfelhatalmazási szám: … (1)) kijelentem, hogy eltérő jelzés hiányában az áruk preferenciális … (2) származásúak:

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Maltese versie

L-esportatur tal-prodotti koperti b’dan id-dokument (awtorizzazzjoni tad-dwana nru … (1)) jiddikjara li, ħlief fejn indikat b’mod ċar li mhux hekk, dawn il-prodotti huma ta’ oriġini preferenzjali … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Nederlandse versie

De exporteur van de goederen waarop dit document van toepassing is (douanevergunning nr. … (1)), verklaart dat, behoudens uitdrukkelijke andersluidende vermelding, deze goederen van preferentiële … oorsprong zijn (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Poolse versie

Eksporter produktów objętych tym dokumentem (upoważnienie władz celnych nr … (1)) deklaruje, że z wyjątkiem gdzie jest to wyraźnie określone, produkty te mają … (2) preferencyjne pochodzenie:

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Portugese versie

O exportador dos produtos cobertos pelo presente documento [autorização aduaneira n.o … (1)], declara que, salvo expressamente indicado em contrário, estes produtos são de origem preferencial … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Roemeense versie

Exportatorul produselor la care se referă acest document [autorizația vamală nr. … (1)] declară că, exceptând cazul în care în mod expres este indicat altfel, aceste produse sunt de origine preferențială … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Sloveense versie

Izvoznik blaga, zajetega s tem dokumentom (pooblastilo carinskih organov št … (1)) izjavlja, da, razen če ni drugače jasno navedeno, ima to blago preferencialno … (2) poreklo:

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Slowaakse versie

Vývozca výrobkov uvedených v tomto dokumente [číslo povolenia … (1)] vyhlasuje, že okrem zreteľne označených, majú tieto výrobky preferenčný pôvod v … (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Finse versie

Tässä asiakirjassa mainittujen tuotteiden viejä (tullin lupa n:o … (1)) ilmoittaa, että nämä tuotteet ovat, ellei toisin ole selvästi merkitty, etuuskohteluun oikeutettuja … alkuperätuotteita (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Zweedse versie

Exportören av de varor som omfattas av detta dokument (tullmyndighetens tillstånd nr. … (1)) försäkrar att dessa varor, om inte annat tydligt markerats, har förmånsberättigande … ursprung (2):

cumulation applied with … (name of the country/countries)

no cumulation applied (3).

Hebreeuwse versie

Image

HOOFDSTUK TWEE

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 4

Bewijs van oorsprong en administratieve samenwerking

1.   Bewijzen van oorsprong die op de juiste wijze door Israël of een van de nieuwe lidstaten zijn afgegeven in het kader van bilaterale vrijhandelsovereenkomsten of autonome regelingen die deze landen onderling toepassen, worden in de betrokken landen in het kader van dit protocol aanvaard, mits:

a)

de verkrijging van de oorsprong met zich meebrengt dat een preferentieel tarief wordt gehanteerd overeenkomstig de in de interimovereenkomst tussen de Euro-mediterrane overeenkomst of in het stelsel van algemene preferenties van de Gemeenschap opgenomen preferentiële tariefmaatregelen;

b)

het bewijs van oorsprong en de vervoersdocumenten uiterlijk op de dag vóór de datum van toetreding zijn afgegeven;

c)

het bewijs van oorsprong binnen een periode van vier maanden na de toetreding bij de douaneautoriteiten is ingediend.

Indien goederen vóór de datum van toetreding zijn aangegeven voor invoer in Israël of een nieuwe lidstaat op grond van op dat tijdstip tussen Israël en die nieuwe lidstaat geldende bilaterale vrijhandelsovereenkomsten of autonome regelingen, kunnen op grond van die overeenkomsten of regelingen nadien afgegeven bewijzen van oorsprong ook worden aanvaard, mits het bewijs binnen vier maanden na de datum van toetreding aan de douaneautoriteiten wordt overgelegd.

2.   Israël en de nieuwe lidstaten mogen vergunningen waarmee de status van „toegelaten exporteur” is verleend in het kader van bilaterale vrijhandelsovereenkomsten of autonome regelingen die zij onderling toepassen, blijven gebruiken, mits:

a)

een dergelijke bepaling ook is opgenomen in de door Israël vóór de toetredingsdatum met de Gemeenschap gesloten overeenkomst, en

b)

de toegelaten exporteurs de regels van oorsprong uit hoofde van die overeenkomst toepassen.

Deze vergunningen worden uiterlijk één jaar na de datum van toetreding vervangen door nieuwe vergunningen die onder de voorwaarden van de Euro-mediterrane overeenkomst worden afgegeven.

3.   Verzoeken om controle achteraf van bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven op grond van bilaterale vrijhandelsovereenkomsten of autonome regelingen bedoeld in de leden 1 en 2 hierboven kunnen door de bevoegde douaneautoriteiten van Israël of de nieuwe lidstaten worden ingediend en worden door die autoriteiten aanvaard gedurende een periode van drie jaar na de afgifte van het betrokken bewijs van oorsprong. Die controles worden verricht overeenkomstig de bilaterale vrijhandelsovereenkomsten die op de datum van afgifte van de bewijzen van oorsprong van kracht waren.

Artikel 5

Goederen in doorvoer

1.   De bepalingen van de Euro-mediterrane overeenkomst zijn van toepassing op goederen die uit Israël naar een van de nieuwe lidstaten of uit een van de nieuwe lidstaten naar Israël worden uitgevoerd, die voldoen aan de bepalingen van protocol nr. 4 en die op de datum van toetreding onderweg zijn of in tijdelijke opslag zijn in een douane-entrepot of een vrije zone in Israël of in die nieuwe lidstaat.

2.   In dergelijke gevallen kan preferentiële behandeling worden verleend, mits binnen vier maanden na de datum van toetreding bij de douaneautoriteiten van het land van invoer een bewijs van oorsprong wordt ingediend dat achteraf is afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer.

ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 6

Israël verbindt zich ertoe geen claim, verzoek of beroep in te dienen, noch concessies te wijzigen of in te trekken op grond van de artikelen XXIV.6 en XXVIII van de GATT 1994 betreffende landbouwproducten, bewerkte landbouwproducten of visserijproducten naar aanleiding van deze uitbreiding van de Gemeenschap, onder voorbehoud, wat betreft andere producten dan die vallende onder GN-code 2106 90 98, van de afronding van de onderhandelingen over een nieuw aanvullend protocol tot aanpassing van de bilaterale handelsconcessies voor landbouwproducten, bewerkte landbouwproducten of visserijproducten, overeenkomstig de bijlage bij dit protocol.

Artikel 7

Dit protocol vormt een integrerend onderdeel van de Euro-mediterrane overeenkomst.

Ook de bijlage bij dit protocol vormt daarvan een integrerend onderdeel.

Artikel 8

1.   Dit protocol wordt door de Gemeenschap, door de Raad van de Europese Unie namens de lidstaten en door Israël volgens hun eigen procedures goedgekeurd.

2.   De partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de procedures bedoeld in lid 1. De akten van goedkeuring worden neergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.

Artikel 9

1.   Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand volgende op de datum waarop de laatste akte van goedkeuring is neergelegd.

2.   Dit protocol is voorlopig van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel is artikel 2, lid 1, van dit protocol van toepassing met ingang van de eerste dag van de eerste maand volgende op de datum van ondertekening van het protocol.

Artikel 10

Dit protocol is opgesteld in tweevoud in elk van de officiële talen van de partijen, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 11

De tekst van de Euro-mediterrane overeenkomst, met inbegrip van de bijlagen en protocollen die daarvan een integrerend onderdeel zijn, alsmede de slotakte en de daaraan gehechte verklaringen, worden opgesteld in de Bulgaarse en de Roemeense taal (4), en deze teksten zijn evenzeer authentiek als de oorspronkelijke teksten.

De Associatieraad stelt deze teksten vast.

Съставено в Брюксел, 31 октомври 2007 г.

Hecho en Bruselas, el 31 de octubre de 2007.

V Bruselu dne 31. října 2007.

Udfærdiget i Bruxelles, den 31. oktober 2007.

Geschehen zu Brüssel am 31. Oktober 2007.

Brüsselis, 31. oktoober 2007.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις 31 Οκτωβρίου 2007.

Done at Brussels on the 31 October 2007, which corresponds to the 19th day of Heshvan in the year five thousend seven hundred and sixty eight in the Hebrew calendar.

Fait à Bruxelles, le 31 octobre 2007.

Fatto a Bruxelles, addì 31 ottobre 2007.

Briselē, 2007. gada 31. oktobrī.

Priimta Briuselyje, 2007 m. spalio 31 d.

Kelt Brüsszelben, 2007. október 31-én.

Magħmul fi Brussell, 31 ta' Ottubru 2007.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2007.

Sporządzono w Brukseli, dnia 31 października 2007 r.

Feito em Bruxelas, em 31 de Outubro de 2007.

Întocmit la Bruxelles, 31 octombrie 2007.

V Bruseli 31. októbra 2007.

V Bruslju, dne 31. oktobra 2007.

Tehty Brysselissä 31. lokakuuta 2007.

Som skedde i Bryssel den 31 oktober 2007.

Image

За държавите-членки

Por los Estados miembros

Za členské státy

For medlemsstaterne

Für die Mitgliedstaaten

Liikmesriikide nimel

Για τα κράτη μέλη

For the Member States

Pour les États membres

Per gli Stati membri

Dalībvalstu vārdā —

Valstybių narių vardu

A tagállamok részéről

Għall-Istati Membri

Voor de lidstaten

W imieniu państw członkowskich

Pelos Estados-Membros

Pentru statele membre

Za členské štáty

Za države članice

Jäsenvaltioiden puolesta

På medlemsstaternas vägnar

Image

Image

За Европейската общност

Por las Comunidades Europeas

Za Evropská společenství

For Det Europæiske Fællesskab

Für die Europäische Gemeinschaft

Euroopa Ühenduste nimel

Για τις Ευρωπαϊκές Κοινότητες

For the European Community

Pour les Communautés européennes

Per le Comunità europee

Eiropas Kopienas vārdā —

Europos bendrijų vardu

Az Európai Közösség részéről

Għall-Komunitajiet Ewropej

Voor de Europese Gemeenschappen

W imieniu Wspólnot Europejskiej

Pelas Comunidades Europeias

Pentru Comunitatea Europeană

Za Európske spoločenstvá

Za Evropsko skupnost

Euroopan yhteisöjen puolesta

För Europeiska gemenskapernas vägnar

Image

Image

Image

За Държавата Израел

Por el Estado de Israel

Za Stát Izrael

For Staten Israel

Für den Staat Israel

Iisraeli Riigi nimel

Για τα Κράτος του Ισραήλ

For the State of Israel

Pour l'État d'Israël

Per lo Stato di Israele

Izraēlas Valsts vārdā —

Izraelio Valstybės vardu

Izrael Állam részéről

Għall-Istat ta' Iżrael

Voor de Staat Israël

W imieniu Państwa Izrael

Pelo Estado de Israel

Pentru statul Israel

Za Izraelský štát

Za Državo Izrael

Israelin valtion puolesta

På Staten Israels vägnar

Image

Image


(1)  GN-codes overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1549/2006 (PB L 301 van 31.10.2006, blz. 1).

(2)  Wanneer „ex” GN-codes zijn vermeld, is de GN-code tezamen met de daarbij horende omschrijving bepalend voor de toepassing van de preferentiële regeling.

(3)  Voor 2007 wordt dit contingent vastgesteld op 3 240 t.”

(4)  De Bulgaarse en de Roemeense versie worden later bekendgemaakt in een speciale uitgave van het Publicatieblad.

BIJLAGE

betreffende de regelingen die van toepassing zijn op de handelsconcessies voor landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten en visserijproducten

De partijen komen overeen dat het huidige handelsvolume en zijn markttoegangsvoorwaarden tussen Israël en Bulgarije en tussen Israël en Roemenië in het kader van de bestaande bilaterale vrijhandelsovereenkomsten, geldt als de minimumhoeveelheid voor de aanpassing van de bilaterale handelsconcessies voor landbouwproducten, bewerkte landbouwproducten en visserijproducten in de Euro-mediterrane overeenkomst die in het kader van een nieuw aanvullend protocol ten uitvoer worden gelegd.


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/75


BESLUIT VAN DE RAAD

van 29 november 2007

betreffende de sluiting van het protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie

(2007/787/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 310 juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, tweede zin, en artikel 300, lid 3, tweede alinea,

Gelet op de Toetredingsakte van 2005, en met name op artikel 6, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds (2), werd op 31 oktober 2007 namens de Gemeenschap en haar lidstaten ondertekend.

(2)

Het protocol dient te worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Enig artikel

Het protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en van Roemenië tot de Europese Unie, wordt goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap en haar lidstaten.

De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht (3).

Gedaan te Brussel, 29 november 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LINO


(1)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(2)  PB L 147 van 21.6.2000, blz. 3.

(3)  Zie bladzijde 65 van dit Publicatieblad.


Commissie

5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/76


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 13 september 2007

inzake een procedure op grond van artikel 81 van het Europese Gemeenschap-Verdrag

(Zaak COMP/E-2/39.140 — DaimlerChrysler)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 4275)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2007/788/EG)

(1)

Deze beschikking is gegeven overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1) en is gericht tot DaimlerChrysler AG (hierna „DaimlerChrysler”); zij heeft betrekking op de verstrekking van technische informatie met het oog op de reparatie van voertuigen van de merken Mercedes-Benz en Smart.

(2)

Technische informatie bestaat uit gegevens, procedés en instructies die noodzakelijk zijn om de ondeugdelijke/defecte/versleten onderdelen van een motorvoertuig na te zien, te repareren en te vervangen of om gebreken in een voertuigsysteem te verhelpen. Zij omvat zeven hoofdcategorieën:

algemene parameters (documentatie over alle referentiewaarden en instelpunten van de meetbare waarden met betrekking tot het voertuig, zoals koppelafstelling, remspeling, hydraulische en pneumatische druk);

diagrammen en beschrijvingen van de fasen van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden (servicehandleidingen, technische documenten zoals bouwplannen, de beschrijving van het gereedschap dat wordt gebruikt om een bepaalde reparatie uit te voeren, en diagrammen zoals bedradingsschema’s en hydraulica);

tests en diagnoses (inclusief diagnostische foutcodes en troubleshooting-codes, software en andere informatie die nodig is om gebreken aan voertuigen te diagnostiseren); deze informatie is grotendeels, maar niet volledig, opgenomen in gespecialiseerd elektronisch gereedschap;

codes, software en andere informatie die nodig is om de elektronische controle-eenheden („electronic control units — ECU’s”) waarmee een voertuig is uitgerust, te herprogrammeren, opnieuw af te stellen of te herstarten. Deze categorie houdt verband met de vorige categorie, aangezien vaak hetzelfde elektronische gereedschap wordt gebruikt om een defect te diagnostiseren en vervolgens de noodzakelijke aanpassingen te doen via de ECU’s om het defect te verhelpen;

informatie over onderdelen, zoals onderdelencatalogi met codes en beschrijvingen, en voertuigidentificatiemethoden (d.w.z., gegevens betreffende een specifiek voertuig waarmee een reparateur de individuele codes kan identificeren van de onderdelen die bij de assemblage zijn gemonteerd, evenals de dienovereenkomstige codes van compatibele originele vervangingsonderdelen voor dat bepaalde voertuig);

bijzondere informatie (terugroepberichten en kennisgeving van geregeld voorkomende defecten);

opleidingsmateriaal.

(3)

In december 2006 leidde de Commissie de onderzoekprocedure in, en richtte zij een voorlopige beoordeling aan DaimlerChrysler waarin zij meedeelde dat de overeenkomsten van de onderneming met haar servicepartners aanleiding gaven tot twijfels over de verenigbaarheid ervan met artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag.

(4)

Volgens de voorlopige beoordeling van de Commissie leek DaimlerChrysler te hebben verzuimd om, ruim na het verstrijken van de in Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie (2) genoemde overgangsperiode, bepaalde categorieën technische informatie vrij te geven. Bovendien had DaimlerChrysler toen de Commissie het onderzoek instelde, nog geen effectief systeem tot stand gebracht om onafhankelijke reparateurs zonder verdere verplichtingen toegang te verschaffen tot deze technische informatie. DaimlerChrysler heeft de toegankelijkheid van haar technische informatie in de loop van het onderzoek van de Commissie weliswaar verbeterd, met name door speciaal daarvoor in juni 2005 een website op te zetten („TI website”), maar de aan onafhankelijke reparateurs beschikbaar gestelde informatie leek nog steeds onvolledig.

(5)

De Commissie stelde in haar voorlopige beoordeling vast dat de relevante markten die door de betrokken praktijk werden beïnvloed, de markt voor het verrichten van reparatie- en onderhoudsdiensten aan personenauto’s was en de markt voor de verstrekking van technische informatie aan reparateurs. De erkende netwerken voor Mercedes-Benz en Smart hadden zeer grote marktaandelen op de eerste van deze markten, terwijl DaimlerChrysler op de tweede markt de enige leverancier was die alle technische informatie kon verstrekken die de reparateurs van haar voertuigen nodig hadden.

(6)

In feite verlangen de overeenkomsten van DaimlerChrysler op het gebied van service en onderdelendistributie van de leden van de erkende netwerken dat zij een volledig gamma van merkspecifieke reparatiediensten kunnen uitvoeren, en dat zij optreden als groothandelaren in onderdelen. De Commissie vreest dat de mogelijke negatieve effecten van dergelijke overeenkomsten kunnen worden versterkt doordat DaimlerChrysler onafhankelijke reparateurs geen passende toegang verleent tot technische informatie, en daardoor ondernemingen uitsluit die, in het kader van een ander bedrijfsmodel, bereid en in staat zouden zijn reparatiediensten aan te bieden.

(7)

De voorlopige conclusie van de Commissie was dat de regelingen die DaimlerChrysler had getroffen om technische informatie aan onafhankelijke reparateurs te verstrekken, niet overeenkwamen met de behoeften van deze reparateurs, noch wat de reikwijdte van de beschikbare informatie, noch wat de toegankelijkheid ervan betreft, en dat deze handelwijze, in combinatie met soortgelijke praktijken van andere autoproducenten, kan hebben bijgedragen tot een verzwakking van de marktpositie van onafhankelijke reparateurs. Hierdoor kan de consument op zijn beurt in hoge mate zijn benadeeld doordat er sprake was van een belangrijke beperking van de keuze aan onderdelen, hogere prijzen voor reparatiediensten, een minder grote keuze aan reparatiebedrijven, potentiële veiligheidskwesties en geen toegang tot innovatieve reparatiebedrijven.

(8)

Bovendien zou het kennelijke verzuim van DaimlerChrysler om onafhankelijke reparateurs een passende toegang tot technische informatie te verstrekken, erin kunnen resulteren dat de overeenkomsten met haar servicepartners niet in aanmerking komen voor de uitzondering van Verordening (EG) nr. 1400/2002; immers krachtens artikel 4, lid 2, van die verordening is de daarin vervatte uitzondering niet van toepassing wanneer de leverancier van motorvoertuigen weigert onafhankelijke reparateurs toegang te verlenen tot technische informatie, diagnose- en andere apparatuur, gereedschap, met inbegrip van eventuele relevante software of de opleiding die noodzakelijk is om deze motorvoertuigen te kunnen repareren en onderhouden. Zoals in overweging 26 van de verordening wordt verduidelijkt mogen de toegangsvoorwaarden in geen geval tussen erkende en onafhankelijke marktdeelnemers discrimineren.

(9)

Tenslotte kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat de overeenkomsten tussen DaimlerChrysler en haar erkende reparateurs, gezien het gebrek aan toegang tot technische informatie, vermoedelijk niet in aanmerking kwamen voor de uitzondering van artikel 81, lid 3.

(10)

Op 14 februari 2007 deed DaimlerChrysler bepaalde toezeggingen om aan de bezorgdheden tegemoet te komen die de Commissie in haar voorlopige beoordeling te kennen had gegeven.

(11)

Volgens deze toezeggingen wordt de reikwijdte van de te verstrekken informatie bepaald door het beginsel van non-discriminatie tussen onafhankelijke en erkende reparateurs. In dit verband zal DaimlerChrysler ervoor zorgen dat alle technische informatie, gereedschap, uitrusting, software en opleiding die noodzakelijk zijn voor de reparatie en het onderhoud van haar voertuigen en die aan erkende reparateurs en/of onafhankelijke importeurs van de merken Mercedes-Benz en Smart in alle EU-lidstaten door of namens DaimlerChrysler worden verstrekt, ook aan onafhankelijke reparateurs ter beschikking zullen worden gesteld.

(12)

In de toezeggingen wordt nader bepaald dat „technische informatie” in de zin van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1400/2002 alle informatie omvat die met het oog op de reparatie of het onderhoud van motorvoertuigen van de merken Mercedes-Benz en Smart aan erkende reparateurs wordt verstrekt. Het gaat met name om software, foutcodes en andere parameters, met inbegrip van de update daarvan, die nodig zijn voor werkzaamheden aan elektronische controle-eenheden (ECU’s) met het oog op het invoeren of herstellen van de door DaimlerChrysler aanbevolen afstellingen, methodes voor voertuigidentificatie, onderdelencatalogi, praktische oplossingen op basis van praktijkervaring met betrekking tot problemen die bij en met een bepaald model of bepaalde serie vaak voorkomen, en terugroepberichten of andere berichten over reparaties die door erkende reparateurs kosteloos kunnen worden uitgevoerd.

(13)

Toegang tot gereedschap omvat toegang tot elektronische diagnoseapparatuur en ander reparatiegereedschap, met inbegrip van de desbetreffende software, de periodieke update daarvan, alsmede serviceverrichtingen voor dat gereedschap.

(14)

De toezeggingen verbinden DaimlerChrysler en met DaimlerChrysler verbonden ondernemingen, maar zijn niet rechtstreeks verbindend voor onafhankelijke importeurs van motorvoertuigen van de merken Mercedes-Benz en Smart. DaimlerChrysler is daarom bereid om in lidstaten waar zij via onafhankelijke importeurs voertuigen van de merken Mercedes-Benz en/of Smart distribueert, alles in het werk te stellen om deze importeurs contractueel te verplichten onafhankelijke reparateurs kosteloos en op niet-discriminerende wijze via hun nationale commerciële websites alle technische informatie of taalversies van technische informatie te verstrekken die zij in de lidstaat waar zij actief zijn ter beschikking hebben gesteld van erkende reparateurs en die niet op de TI-website beschikbaar is voor onafhankelijke reparateurs.

(15)

Overeenkomstig overweging 26 van verordening (EG) nr. 1400/2000, is DaimlerChrysler evenwel niet verplicht onafhankelijke reparateurs technische informatie te verstrekken die een derde in staat kan stellen in het voertuig gemonteerde antidiefstalapparatuur te omzeilen of buiten werking te stellen en/of elektronische apparatuur te herijken (3) of apparatuur te manipuleren die de snelheid van motorvoertuigen begrenst. Zoals elke uitzondering in het kader van de EU-wetgeving, moet overweging 26 strikt worden uitgelegd. In de toezeggingen wordt gesteld dat, indien DaimlerChrysler zich op de uitzondering beroept als grond voor haar weigering om onafhankelijke reparateurs toegang te bieden tot technische informatie, zij er wel op dient toe te zien dat de geweigerde informatie zich beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de in overweging 26 bedoelde bescherming te bieden, en dat het ontbreken van de desbetreffende informatie onafhankelijke reparateurs er niet van weerhoudt andere dan de in overweging 26 bedoelde verrichtingen uit te voeren, met inbegrip van werkzaamheden aan apparaten zoals elektronische controle-eenheden voor motorbesturing, airbags, voorspanners voor veiligheidsgordels of elementen van de centrale vergrendeling.

(16)

Artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1400/2002 bepaalt dat technische informatie beschikbaar moet worden gesteld op een wijze die evenredig is met de behoeften van de onafhankelijke reparateur. Dit houdt zowel in dat de informatie zonder verdere verplichtingen ter beschikking wordt gesteld, als dat bij het vaststellen van de prijzen rekening wordt gehouden met de mate waarin de onafhankelijke reparateurs gebruikmaken van de informatie.

(17)

Overeenkomstig dit beginsel wordt in de toezeggingen nader bepaald dat DaimlerChrysler ervoor zorgt dat de TI-website alle technische informatie bevat over modellen die na 1996 op de markt zijn gebracht, en erop toeziet alle bijgewerkte informatie steeds op de TI-website of een nieuwe website waarop dergelijke informatie wordt gepubliceerd, beschikbaar is. Indien bepaalde segmenten technische informatie over modellen die na 1996 op de markt zijn gebracht of taalversies daarvan die door DaimlerChrysler of met DaimlerChrysler verbonden ondernemingen aan erkende reparateurs in een bepaalde lidstaat worden verstrekt, niet op de TI-website beschikbaar zijn, wordt DaimlerChrysler geacht haar toezeggingen in dit verband te zijn nagekomen wanneer zij deze informatie zonder onnodige vertraging en kosteloos op haar commerciële website in de betreffende lidstaat voor onafhankelijke reparateurs toegankelijk heeft gemaakt.

(18)

DaimlerChrysler ziet er te allen tijde op toe dat de TI-website gemakkelijk te vinden is en een gelijkwaardige functionaliteit biedt als de methodes die worden gebruikt voor het verstrekken van technische informatie aan leden van de erkende netwerken van DaimlerChrysler. Wanneer DaimlerChrysler of een andere namens DaimlerChrysler optredende onderneming technische informatie in een bepaalde EU-taal ter beschikking stelt van erkende reparateurs, ziet DaimlerChrysler erop toe dat deze taalversie van de informatie onmiddellijk op de TI-website wordt geplaatst.

(19)

DaimlerChrysler heeft de jaarlijkse toegangskosten voor de TI-website vastgesteld op 1 254 EUR (1 239 EUR voor toegang tot het hoofdgedeelte, het zogeheten WIS-net; de elektronische onderdelencatalogus is kosteloos, afgezien van een jaarlijkse bijdrage van 15 EUR voor administratieve kosten). Om aan het in de verordening genoemde evenredigheidsbeginsel te voldoen is DaimlerChrysler echter bereid de kosten voor toegang tot WIS-net pro rata per maand, week, dag en uur in rekening te brengen voor respectievelijk 180, 70, 20 en 4 EUR. DaimlerChrysler is bereid deze kostenstructuur voor de toegang tot de site te handhaven en de kosten niet méér te verhogen dan het gemiddelde inflatiepercentage in de EU.

(20)

De toezeggingen van DaimlerChrysler doen geen afbreuk aan bestaande of toekomstige vereisten op grond van de Gemeenschapswetgeving of de nationale wetgeving, die de reikwijdte van de technische informatie welke DaimlerChrysler ter beschikking moet stellen van onafhankelijke bedrijven kunnen uitbreiden en/of gunstiger methodes kunnen voorschrijven voor de terbeschikkingstelling van dergelijke informatie.

(21)

Wanneer een onafhankelijke reparateur of vereniging van dergelijke reparateurs hierom verzoekt, is DaimlerChrysler bereid akkoord te gaan met arbitrage voor geschillenbeslechting met betrekking tot het verschaffen van technische informatie. Op deze arbitrage zijn de geldende nationale regels voor arbitrage van toepassing evenals de bepalingen van materieel recht die DaimlerChrysler contractueel is overeengekomen met zijn erkende reparateurs in de lidstaat waar de verzoekende partij is gevestigd. DaimlerChrysler verbindt zich ertoe op verzoek informatie over deze regels te verstrekken. Het arbitragehof omvat drie arbiters die in overeenstemming met die regels zijn benoemd. De arbitrage doet geen afbreuk aan het recht om zich tot de bevoegde nationale rechtbank te wenden.

(22)

Gezien deze toezeggingen komt de Commissie tot de conclusie dat er niet langer gronden voor een optreden harerzijds bestaan. De toezeggingen zijn verbindend tot en met 31 mei 2010.

(23)

Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft op 9 juli 2007 een gunstig advies uitgebracht.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikęlen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1419/2006 (PB L 269 van 28.9.2006, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (PB L 203 van 1.8.2002, blz. 30). Verordening gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(3)  D.w.z. de oorspronkelijke instelling van een ECU op een niet door DaimlerChrysler aanbevolen manier te wijzigen.


5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/79


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 4 december 2007

tot schorsing van het bij Verordening (EG) nr. 1420/2007 ingestelde definitieve antidumpingrecht op siliciummangaan van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Kazachstan

(2007/789/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 14, lid 4,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

(1)

De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 1420/2007 (2) een definitief antidumpingrecht ingesteld op siliciummangaan (waaronder ferrosilicomangaan) (SiMn), dat valt onder de GN-codes 7202 30 00 en ex 8111 00 11 (Taric-code 8111001110) en van oorsprong is uit de Volksrepubliek China (VRC) en Kazachstan („het betrokken product”). De hoogte van het antidumpingrecht is 8,2 % voor het product van oorsprong uit de VRC en 6,5 % voor het product van oorsprong uit Kazachstan.

(2)

De Commissie heeft informatie verkregen over een verandering van de marktvoorwaarden, die heeft plaatsgevonden na het oorspronkelijke onderzoektijdvak zoals aangegeven in Verordening (EG) nr. 1420/2007, en die een schorsing van de ingestelde maatregelen zou kunnen rechtvaardigen, overeenkomstig artikel 14, lid 4, van de basisverordening. De Commissie heeft dan ook onderzocht of een dergelijke schorsing inderdaad gerechtvaardigd zou zijn.

B.   MOTIVERING

(3)

Volgens artikel 14, lid 4, van de basisverordening kunnen antidumpingmaatregelen in het belang van de Gemeenschap worden geschorst indien de marktverhoudingen tijdelijk zodanig zijn gewijzigd dat het onwaarschijnlijk is dat als gevolg van de schorsing opnieuw schade ontstaat, en mits de bedrijfstak van de Gemeenschap in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken en met die opmerkingen rekening is gehouden. Voorts wordt in artikel 14, lid 4, bepaald dat de antidumpingmaatregelen te allen tijde weer kunnen worden ingesteld, wanneer de reden voor schorsing niet langer bestaat.

(4)

Sinds het oorspronkelijke onderzoektijdvak zijn de wereldmarktprijzen van SiMn gestegen, wat wees op een verandering van de marktsituatie en -voorwaarden. Daarom heeft de Commissie een nader onderzoek verricht om de recente ontwikkeling van de verhandelde volumes en de prijzen van het betrokken product in de periode van 1 juli 2006 tot 30 september 2007 te kunnen beoordelen, alsmede het effect daarvan op de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade en op het algemeen belang van de Gemeenschap.

(5)

Op basis van de verzamelde informatie werd vastgesteld dat de marktprijzen van SiMn op de markt van de Gemeenschap vanaf het oorspronkelijke onderzoektijdvak tot het derde kwartaal van 2007 met ongeveer 69 % zijn gestegen, d.w.z. van gemiddeld 622 EUR/ton in het derde kwartaal van 2006 tot gemiddeld 1 051 EUR/ton in het derde kwartaal van 2007. Een zeer aanzienlijke stijging met ongeveer 42 % kon worden vastgesteld tussen het tweede en het derde kwartaal van 2007. Deze trends zijn ook terug te vinden op andere belangrijke markten in de wereld en bij de invoer van SiMn in de Gemeenschap.

(6)

SiMn is een belangrijke grondstof voor de productie van staal. De hierboven beschreven prijsverhogingen kunnen worden toegeschreven aan een tijdelijk beperkt aanbod in combinatie met een sterkere vraag naar SiMn als gevolg van de wereldwijd gestegen vraag naar staal. Uit ervaringen met eerdere plotselinge prijsstijgingen, zoals die in 2004, is gebleken dat dergelijke verstoringen van het evenwicht tussen vraag en aanbod op deze markt van tijdelijke aard zijn. Gewoonlijk dalen de prijzen weer naar het langetermijnniveau zodra de extra capaciteit voor de productie van SiMn volledig benut wordt.

(7)

Tussen het oorspronkelijke onderzoektijdvak en de periode van 1 oktober 2006 tot 30 september 2007 nam het marktaandeel van de invoer van SiMn van oorsprong uit de VRC en Kazachstan af met 0,6 procentpunt, tot 9,8 % van het totale verbruik van de Gemeenschap. Dit verbruik is met 20 % gestegen.

(8)

De situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap is sinds het oorspronkelijke onderzoektijdvak verbeterd. Tussen het oorspronkelijke onderzoektijdvak en de periode van 1 oktober 2006 tot 30 september 2007 namen de volumes van verkoop en productie met respectievelijk 15 % en 19 % toe. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde echter met 1,1 procentpunt naar 23,8 %. De winsten stegen aanzienlijk en de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap bereikte in het derde kwartaal van 2007 een niveau van 42 %, aanzienlijk meer dan het niveau van 5 % dat in het oorspronkelijke onderzoek als een passend winstniveau werd aangemerkt.

(9)

Zoals aangegeven in de overwegingen 157 tot en met 163 van Verordening (EG) nr. 1420/2007 werd verwacht dat de instelling van de maatregelen in kwestie negatieve, zij het beperkte, gevolgen voor de gebruikers zou hebben in de vorm van extra kosten omdat er alternatieve leveranciers gevonden zouden moeten worden. Gezien de tijdelijke verandering van de marktvoorwaarden, en het feit dat daardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap momenteel geen schade ondervindt, zouden eventuele negatieve gevolgen voor de gebruikers weggenomen kunnen worden door de maatregelen te schorsen. Geconcludeerd kan dus worden dat schorsing in het algemene belang van de Gemeenschap is.

(10)

Gezien de tijdelijke aard van de gewijzigde marktverhoudingen, en met name de hoge prijzen van SiMn in de Gemeenschap — ver boven het niveau waaronder schade wordt geleden, zoals vastgesteld bij het oorspronkelijk onderzoek — alsmede het klaarblijkelijke gebrek aan evenwicht tussen de vraag naar en het aanbod van het betrokken product, is het volgens de Commissie niet waarschijnlijk is dat de door de invoer van het betrokken product uit de VRC en Kazachstan veroorzaakte schade zich als gevolg van de schorsing opnieuw zou voordoen. Voorgesteld wordt derhalve de huidige maatregelen voor een periode van negen maanden te schorsen overeenkomstig artikel 14, lid 4, van de basisverordening.

C.   RAADPLEGING VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

(11)

Overeenkomstig artikel 14, lid 4, van de basisverordening heeft de Commissie de bedrijfstak van de Gemeenschap in kennis gesteld van haar voornemen om de bestaande antidumpingmaatregelen te schorsen. De bedrijfstak van de Gemeenschap is in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken en heeft geen bezwaar gemaakt tegen de schorsing van de antidumpingmaatregelen.

D.   CONCLUSIE

(12)

De Commissie is derhalve van oordeel dat is voldaan aan alle voorwaarden voor schorsing van het antidumpingrecht op het betrokken product, overeenkomstig artikel 14, lid 4, van de basisverordening. Het antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 1420/2007 is ingesteld, dient derhalve te worden geschorst voor een periode van negen maanden.

(13)

De Commissie zal de ontwikkeling van de invoer en de prijzen van het betrokken product volgen. Mocht het betrokken product uit de VRC en Kazachstan weer in aanzienlijke hoeveelheden tegen dumpingprijzen worden ingevoerd en mocht de bedrijfstak van de Gemeenschap hierdoor weer schade lijden, dan zal de Commissie de nodige stappen nemen om het antidumpingrecht opnieuw in te stellen, rekening houdende met de materiële voorschriften voor schadebeoordeling. Zo nodig kan ook een tussentijds nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening geopend worden,

BESLUIT:

Artikel 1

Het bij Verordening (EG) nr. 1420/2007 ingestelde definitieve antidumpingrecht op de invoer van siliciummangaan (waaronder ferrosilicomangaan), dat valt onder de GN-codes 7202 30 00 en ex 8111 00 11 (Taric-code 8111001110) en van oorsprong is uit de Volksrepubliek China en Kazachstan, wordt voor een periode van negen maanden geschorst.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 4 december 2007.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  Zie bladzijde 5 van dit Publicatieblad.


Europese Centrale Bank

5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/81


BESCHIKKING VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 23 november 2007

inzake de goedkeuring met betrekking tot de omvang van de muntenuitgifte in 2008

(ECB/2007/16)

(2007/790/EG)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 106, lid 2,

Gelet op artikel 1 van Beschikking 2007/503/EG van de Raad van 10 juli 2007 overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Verdrag betreffende de aanneming van de eenheidsmunt door Cyprus op 1 januari 2008 (1),

Gelet op artikel 1 van Beschikking 2007/503/EG van de Raad van 10 juli 2007 overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Verdrag betreffende de aanneming van de eenheidsmunt door Malta op 1 januari 2008 (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft vanaf 1 januari 1999 het alleenrecht tot goedkeuring van de omvang van de uitgifte van munten door de lidstaten die de euro hebben aangenomen (hierna de „deelnemende lidstaten”).

(2)

De in artikel 4 van het Toetredingsverdrag van 2003 bedoelde derogatie van Cyprus en Malta is met ingang van 1 januari 2008 ingetrokken.

(3)

De dertien huidige deelnemende lidstaten, Cyprus en Malta hebben hun van een toelichting betreffende de gevolgde schattingsmethodologie voorziene schattingen van de omvang van de uitgifte van euromunten in 2008 ter goedkeuring aan de ECB voorgelegd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring met betrekking tot de omvang van de uitgifte van euromunten in 2008

De ECB keurt hierbij de omvang van de uitgifte van euromunten door de deelnemende lidstaten in 2008, zoals in onderstaande tabel beschreven, goed.

(miljoen EUR)

 

Uitgifte van munten bestemd voor de circulatie en uitgifte van munten voor verzamelaars (niet bestemd voor de circulatie) in 2008

België

130,0

Duitsland

655,0

Ierland

114,0

Griekenland

97,3

Spanje

550,0

Frankrijk

500,0

Italië

375,2

Cyprus

147,4

Luxemburg

49,0

Malta

56,7

Nederland

57,5

Oostenrijk

185,0

Portugal

50,0

Slovenië

39,0

Finland

60,0

Artikel 2

Slotbepaling

Deze beschikking is gericht tot de deelnemende lidstaten.

Gedaan te Frankfurt am Main, 23 november 2007.

De President van de ECB

Jean-Claude TRICHET


(1)  PB L 186 van 18.7.2007, blz. 29.

(2)  PB L 186 van 18.7.2007, blz. 32.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/83


BESLUIT 2007/791/GBVB VAN DE RAAD

van 4 december 2007

tot uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB van de Raad van 19 november 2007 inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (1), en met name op artikel 12, lid 1, juncto artikel 23, lid 2, tweede streepje, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 19 november 2007 Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB aangenomen waarin is bepaald dat de EUPM tot en met 31 december 2009 zal worden voortgezet. Het financieel referentiebedrag voor 2008 en 2009 wordt op jaarbasis vastgesteld.

(2)

Het mandaat van de EUPM zal worden uitgevoerd in een mogelijk verslechterende situatie die de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als uiteengezet in artikel 11 van het Verdrag kan schaden,

BESLUIT:

Artikel 1

1.   Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met de uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB voor 2008 bedraagt 14 800 000 EUR.

2.   De uit het in lid 1 genoemde bedrag gefinancierde uitgaven worden beheerd volgens de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie, met dien verstande dat eventuele prefinancieringen geen eigendom van de Gemeenschap blijven. Onderdanen van derde staten mogen inschrijven bij aanbestedingen.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 4 december 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

F. TEIXEIRA DOS SANTOS


(1)  PB L 303 van 21.11.2007, blz. 40.