ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 257

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
3 oktober 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 1145/2007 van de Commissie van 2 oktober 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1146/2007 van de Commissie van 2 oktober 2007 tot vaststelling van een programma voor de toewijzing aan de lidstaten van aan het begrotingsjaar 2008 toe te rekenen middelen voor de levering van levensmiddelen uit de interventievoorraden aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1147/2007 van de Commissie van 1 oktober 2007 tot vaststelling van een verbod op de visserij op Groenlandse heilbot in NAFO-gebied 3 LMNO door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren

9

 

*

Verordening (EG) nr. 1148/2007 van de Commissie van 2 oktober 2007 tot vaststelling van een verbod op de visserij op bericyiden in ICES-zone I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII, XIV (wateren van de Gemeenschap en wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van derde landen vallen) door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

11

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2007/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 september 2007 tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat betreft de beperking van het op de markt brengen van bepaalde kwikhoudende meettoestellen ( 1 )

13

 

 

DOOR HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD GEZAMENLIJK AANGENOMEN BESLUITEN

 

*

Besluit nr. 1149/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 september 2007 tot vaststelling van het specifieke programma Civiel recht voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemene programma Grondrechten en justitie

16

 

*

Besluit nr. 1150/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 september 2007 tot vaststelling van het specifieke programma Drugspreventie en -voorlichting voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemene programma Grondrechten en justitie

23

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

2007/636/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 28 september 2007 betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor een in de lidstaten uit te voeren onderzoek naar de prevalentie van Salmonella spp. in beslagen van fokvarkens (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 4434)

30

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

3.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/1


VERORDENING (EG) Nr. 1145/2007 VAN DE COMMISSIE

van 2 oktober 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 3 oktober 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 oktober 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 756/2007 (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 41).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 2 oktober 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

42,1

TR

97,2

XS

28,3

ZZ

55,9

0707 00 05

EG

135,3

JO

151,2

TR

110,0

ZZ

132,2

0709 90 70

JO

139,2

TR

115,1

ZZ

127,2

0805 50 10

AR

83,7

TR

91,9

UY

82,6

ZA

70,8

ZZ

82,3

0806 10 10

BR

275,6

IL

284,6

MK

11,8

TR

104,7

US

230,0

ZZ

181,3

0808 10 80

AR

87,7

AU

173,8

BR

45,1

CL

83,4

NZ

91,9

US

96,7

ZA

79,6

ZZ

94,0

0808 20 50

CN

69,7

TR

124,2

ZA

78,1

ZZ

90,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


3.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/3


VERORDENING (EG) Nr. 1146/2007 VAN DE COMMISSIE

van 2 oktober 2007

tot vaststelling van een programma voor de toewijzing aan de lidstaten van aan het begrotingsjaar 2008 toe te rekenen middelen voor de levering van levensmiddelen uit de interventievoorraden aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3730/87 van de Raad van 10 december 1987 houdende algemene voorschriften voor de levering van levensmiddelen uit interventievoorraden aan bepaalde organisaties met het oog op verstrekking aan de meest hulpbehoevenden in de Gemeenschap (1), en met name op artikel 6,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2799/98 van de Raad van 15 december 1998 tot vaststelling van het agromonetaire stelsel voor de euro (2), en met name op artikel 3, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 3149/92 van de Commissie van 29 oktober 1992 houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de levering van levensmiddelen uit interventievoorraden aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap (3) moet de Commissie een distributieprogramma vaststellen dat moet worden gefinancierd met de voor het begrotingsjaar 2008 beschikbare kredieten. In dat programma moet voor elk van de lidstaten die aan de actie deelnemen, met name worden bepaald welke financiële middelen maximaal beschikbaar worden gesteld voor de uitvoering van zijn deel van het programma en welke hoeveelheid van elke soort producten uit de interventievoorraden mag worden genomen.

(2)

De bij het programma voor het begrotingsjaar 2008 betrokken lidstaten hebben overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3149/92 de nodige gegevens verstrekt.

(3)

Voor de verdeling van de middelen moet rekening worden gehouden met de opgedane ervaring en met de mate waarin de lidstaten gebruik hebben gemaakt van de middelen die hun in de voorgaande begrotingsjaren waren toegewezen.

(4)

Artikel 2, lid 3, punt 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3149/92 voorziet in de toewijzing van bedragen voor de aankoop op de markt van producten die tijdelijk niet beschikbaar zijn in de interventievoorraden. Aangezien de interventievoorraden granen, mageremelkpoeder en rijst momenteel zeer klein zijn en er reeds maatregelen zijn genomen voor de verkoop van die voorraden op de markt, respectievelijk voor de distributie ervan in het kader van Verordening (EEG) nr. 3149/92 en aangezien ook niet te verwachten is dat in 2007 nog hoeveelheden van deze levensmiddelen zullen worden aangekocht, dienen de bovenbedoelde toewijzingen te worden bepaald opdat de granen, het mageremelkpoeder en de rijst die nodig zijn voor de uitvoering van het programma voor het begrotingsjaar 2008, kunnen worden aangekocht op de markt.

(5)

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3149/92 voorziet in de overdracht tussen lidstaten van producten die niet beschikbaar zijn in de interventievoorraden van de lidstaat waar zij nodig zijn voor de uitvoering van het jaarprogramma. Derhalve dient onder de bij artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 3149/92 vastgestelde voorwaarden toestemming te worden verleend voor de intracommunautaire overdrachten die nodig zijn voor de uitvoering van het programma voor 2008.

(6)

Voor de toepassing van het programma moet het ontstaansfeit in de zin van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2799/98 worden geacht te hebben plaatsgevonden op de begindatum van het boekjaar voor het beheer van de interventievoorraden.

(7)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3149/92 heeft de Commissie de belangrijkste organisaties die vertrouwd zijn met de problemen van de meest behoeftigen in de Gemeenschap, in het kader van de opstelling van dit programma geraadpleegd.

(8)

Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor 2008 worden ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3730/87 levensmiddelen aan de meest behoeftigen in de Gemeenschap verstrekt overeenkomstig het in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgestelde jaarprogramma voor de verstrekking van levensmiddelen.

Artikel 2

De bedragen die aan de lidstaten worden toegewezen voor de aankoop, op de markt, van de granen, het mageremelkpoeder en de rijst die nodig zijn in het kader van het in artikel 1 bedoelde programma, worden vastgesteld in bijlage II.

Artikel 3

De intracommunautaire overdracht van de in bijlage III bij de onderhavige verordening vermelde producten wordt toegestaan onder de bij artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 3149/92 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 4

Voor de uitvoering van het in artikel 1 van de onderhavige verordening bedoelde jaarprogramma wordt de datum van het in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2799/98 bedoelde ontstaansfeit vastgesteld op 1 oktober 2007.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 oktober 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 352 van 15.12.1987, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2535/95 (PB L 260 van 31.10.1995, blz. 3).

(2)  PB L 349 van 24.12.1998, blz. 1.

(3)  PB L 313 van 30.10.1992, blz. 50. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 758/2007 (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 47).


BIJLAGE I

JAARPROGRAMMA VOOR DE VERSTREKKING VAN LEVENSMIDDELEN VOOR HET BEGROTINGSJAAR 2008

a)

Voor de uitvoering van het programma in de lidstaat beschikbaar gestelde financiële middelen:

(In euro's)

Lidstaat

Bedrag

Belgique/België

8 461 690

България

6 883 712

Česká republika

155 443

Eesti

192 388

Éire/Ireland

155 965

Elláda

13 228 830

España

50 419 083

France

48 605 224

Italia

66 367 975

Latvija

153 910

Lietuva

4 249 149

Luxembourg

81 090

Magyarország

7 788 270

Malta

360 603

Polska

47 640 750

Portugal

12 568 188

România

23 126 824

Slovenija

1 429 303

Suomi/Finland

2 631 603

Total

294 500 000

b)

Uit de interventievoorraden van de Gemeenschap te nemen hoeveelheid product, bestemd voor verstrekking in de lidstaat binnen de grenzen van het onder a) vastgestelde bedrag:

(In tonnen)

Lidstaat

Suiker

Belgique/België

4 154

България

6 385

Česká republika

67

España

6 500

France

3 718

Italia

7 000

Lietuva

2 889

Magyarország

1 544

Malta

397

Polska

14 826

Portugal

1 627

România

15 157

Slovenija

769

Totaal

65 034


BIJLAGE II

Toewijzingen aan de lidstaten voor de aankoop van producten op de markt van de Gemeenschap binnen de grenzen van de in bijlage I, onder a), vastgestelde bedragen:

(In EUR)

Lidstaat

Granen

Rijst

Mageremelkpoeder

Belgique/België

2 120 960

800 000

3 300 000

България

1 990 461

1 768 251

 

Česká republika

36 472

 

81 843

Eesti

182 358

 

 

Éire/Ireland

 

 

147 834

Elláda

4 535 189

 

8 003 986

España

11 144 100

1 800 000

32 030 700

France

8 718 857

5 225 181

30 516 427

Italia

10 637 550

2 800 000

46 438 083

Latvija

145 886

 

 

Lietuva

1 463 223

606 607

706 455

Luxembourg

 

 

76 864

Magyarország

5 713 309

 

1 000 000

Malta

62 275

25 078

82 327

Polska

16 569 956

 

22 164 340

Portugal

1 208 732

1 423 588

8 575 856

România

15 355 270

 

 

Slovenija

173 087

102 509

746 140

Suomi/Finland

1 620 960

 

873 450

Totaal

81 678 645

14 551 214

154 744 304


BIJLAGE III

In het kader van het programma voor het begrotingsjaar 2008 toegestane intracommunautaire overdrachten van suiker

 

Hoeveelheid

(in tonnen)

Houder

Geadresseerde

1.

3 718

BIRB, België

ONIGC, France

2.

2 889

BIRB, België

The Lithuanian Agricultural and Food Products Market regulation Agency, Lietuva

3.

6 385

MVH, Magyarország

ДФЗ, България

4.

14 826

MVH, Magyarország

ARR, Polska

5.

15 157

MVH, Magyarország

APIA, România

6.

769

MVH, Magyarország

AAMRD, Slovenija

7.

397

AGEA, Italia

National Research and Development Centre, Malta

8.

1 627

FEGA, España

INGA, Portugal


3.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/9


VERORDENING (EG) Nr. 1147/2007 VAN DE COMMISSIE

van 1 oktober 2007

tot vaststelling van een verbod op de visserij op Groenlandse heilbot in NAFO-gebied 3 LMNO door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2007 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2007 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2007 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 oktober 2007.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(2)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9), gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6.

(3)  PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 898/2007 van de Commissie (PB L 196 van 28.7.2007, blz. 22).


BIJLAGE

Nr.

21

Lidstaat

Portugal

Bestand

GHL/N3LMNO

Soort

Groenlandse heilbot (Reinhardtius hippoglossoides)

Zone

NAFO 3LMNO

Datum

28.8.2007


3.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/11


VERORDENING (EG) Nr. 1148/2007 VAN DE COMMISSIE

van 2 oktober 2007

tot vaststelling van een verbod op de visserij op bericyiden in ICES-zone I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII, XIV (wateren van de Gemeenschap en wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van derde landen vallen) door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 2015/2006 van de Raad van 19 december 2006 tot vaststelling, voor 2007 en 2008, van de vangstmogelijkheden voor vaartuigen van de Gemeenschap voor bepaalde bestanden van diepzeevissen (3) zijn quota voor 2007 en 2008 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2007 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2007 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 oktober 2007.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(2)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9), gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6.

(3)  PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 898/2007 van de Commissie (PB L 196 van 28.7.2007, blz. 22).


BIJLAGE

Nr.

38

Lidstaat

Spanje

Bestand

ALF/1X14-

Soort

Bericyden (Beryx spp.)

Zone

I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII, XIV (wateren van de Gemeenschap en wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van derde landen vallen)

Datum

10.8.2007


RICHTLIJNEN

3.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/13


RICHTLIJN 2007/51/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 september 2007

tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat betreft de beperking van het op de markt brengen van bepaalde kwikhoudende meettoestellen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de mededeling van de Commissie van 28 januari 2005 over de strategie van de Gemeenschap voor kwik, waarin aan alle toepassingen van kwik aandacht wordt besteed, wordt geconcludeerd dat het wenselijk zou zijn op communautair niveau beperkingen in te stellen voor het op de markt brengen van bepaalde kwikhoudende, niet-elektrische of niet-elektronische meet- en regelapparatuur, de belangrijkste groep kwikhoudende producten waarvoor tot dusver geen communautaire maatregelen zijn genomen.

(2)

Het instellen van beperkingen voor het op de markt brengen van kwikhoudende meettoestellen zou voordelen opleveren voor het milieu, en op lange termijn voor de menselijke gezondheid, doordat wordt voorkomen dat kwik in de afvalstroom terechtkomt.

(3)

Uit het beschikbare feitenmateriaal betreffende meet- en regeltoestellen blijkt dat, rekening houdend met de technische en economische uitvoerbaarheid, onmiddellijke beperkende maatregelen alleen moeten gelden voor meettoestellen voor verkoop aan het grote publiek en met name voor alle koortsthermometers.

(4)

De invoer van kwikhoudende meettoestellen die meer dan 50 jaar oud zijn betreft antiquiteiten of cultuurgoederen zoals gedefinieerd in Verordening (EEG) nr. 3911/92 van de Raad van 9 december 1992 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen (3). Die handel is beperkt in omvang en lijkt geen risico te vormen voor de gezondheid van de mens of het milieu. Deze handel hoeft derhalve niet beperkt te worden.

(5)

Op dit moment worden kwikbarometers slechts door een paar kleine gespecialiseerde bedrijven vervaardigd en hoofdzakelijk als decoratieve producten aan het grote publiek verkocht. Voor het op de markt brengen van dergelijke barometers dient in een aanvullende periode van geleidelijke eliminatie te worden voorzien zodat de fabrikanten hun onderneming kunnen aanpassen aan de beperking en op de productie van kwikvrije barometers kunnen overstappen.

(6)

Om het vrijkomen van kwik in het milieu tot een minimum te beperken en de geleidelijke eliminatie van de resterende kwikhoudende meettoestellen voor professioneel en industrieel gebruik te garanderen, met name sfygmomanometers in de gezondheidszorg, moet de Commissie de beschikbaarheid in kaart brengen van betrouwbare veiligere alternatieven die technisch en economisch uitvoerbaar zijn. Wat sfygmomanometers in de gezondheidszorg betreft dienen medische deskundigen te worden geraadpleegd om er zeker van te zijn dat naar behoren kan worden voldaan aan de behoefte aan diagnose en behandeling van specifieke medische aandoeningen.

(7)

Overeenkomstig deze richtlijn mag alleen het op de markt brengen van nieuwe meettoestellen worden beperkt. Deze beperking mag dus niet gelden voor toestellen die reeds in gebruik zijn of tweedehands worden verkocht.

(8)

De verschillen tussen de door de lidstaten vastgestelde wetten of bestuursrechtelijke maatregelen betreffende de beperking van kwik in diverse meet- en regeltoestellen kunnen handelsbelemmeringen opwerpen en de concurrentie in de Gemeenschap verstoren, en kunnen bijgevolg een rechtstreekse invloed hebben op de totstandbrenging en de werking van de interne markt. Het lijkt dan ook noodzakelijk de wetten van de lidstaten op het gebied van meet- en regeltoestellen onderling aan te passen door geharmoniseerde bepalingen vast te stellen betreffende kwikhoudende producten, en aldus de interne markt in stand te houden en tegelijkertijd een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu te waarborgen.

(9)

Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (4) moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

Deze richtlijn laat de communautaire wetgeving onverlet waarbij minimumvoorschriften voor de bescherming van werknemers zijn vastgelegd, vervat in Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk (5) en daarop gebaseerde bijzondere richtlijnen, met name Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico’s van chemische agentia op het werk (6).

(11)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (7) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 3 oktober 2008 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 3 april 2009.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen aan de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 25 september 2007.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

M. LOBO ANTUNES


(1)  PB C 318 van 23.12.2006, blz. 115.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 14 november 2006 (PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 111), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 19 april 2007 (PB C 109 E van 15.5.2007, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 10 juli 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 395 van 31.12.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(4)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 201. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/139/EG van de Commissie (PB L 384 van 29.12.2006, blz. 94).

(5)  PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/30/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 165 van 27.6.2007, blz. 21).

(6)  PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2007/30/EG.

(7)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.


BIJLAGE

Het volgende punt wordt ingevoegd in bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG:

„19 bis

Kwik

CAS-nr. 7439-97-6

1.

Mag niet op de markt worden gebracht:

a)

in koortsthermometers;

b)

in andere meettoestellen bedoeld voor verkoop aan het grote publiek (bv. manometers, barometers, sfygmomanometers, andere thermometers dan koortsthermometers).

2.

De beperking van punt 1, onder b), is niet van toepassing op:

a)

meettoestellen die op 3 oktober 2007 meer dan 50 jaar oud zijn; of

b)

barometers (met uitzondering van de barometers bedoeld onder a)) tot 3 oktober 2009.

3.

Uiterlijk op 3 oktober 2009 evalueert de Commissie de beschikbaarheid van betrouwbare, veiligere en technisch en economisch haalbare alternatieven voor kwikhoudende sfygmomanometers en andere meettoestellen in de gezondheidszorg en voor ander professioneel en industrieel gebruik.

Op basis van die evaluatie of zodra nieuwe informatie over betrouwbare veiligere alternatieven voor sfygmomanometers en andere kwikhoudende meettoestellen beschikbaar is, stelt de Commissie zo nodig een wetgevingsvoorstel op om de beperkingen in punt 1 uit te breiden tot sfygmomanometers en andere meettoestellen in de gezondheidszorg en voor andere professioneel of industrieel gebruik, zodat kwik in meettoestellen geleidelijk geëlimineerd wordt overal waar dit technisch en economisch uitvoerbaar is.”.


DOOR HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD GEZAMENLIJK AANGENOMEN BESLUITEN

3.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/16


BESLUIT Nr. 1149/2007/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 september 2007

tot vaststelling van het specifieke programma „Civiel recht” voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemene programma „Grondrechten en justitie”

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 61, onder c), en artikel 67, lid 5,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Gemeenschap heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Hiertoe dient de Gemeenschap onder meer maatregelen te nemen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt.

(2)

In aansluiting op vorige programma’s, zoals Grotius (2) en de actie Robert Schuman (3), werd bij Verordening (EG) nr. 743/2002 van de Raad (4) voor de periode 2002-2006 een algemeen communautair kader voor activiteiten ter vergemakkelijking van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken vastgesteld.

(3)

De Europese Raad van Brussel van 4 en 5 november 2004 heeft het Haags programma „Versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie” (5) aangenomen (hierna het „Haags programma” genoemd).

(4)

De Raad en de Commissie hebben in juni 2005 een actieplan aangenomen ter uitvoering van het Haags programma (6).

(5)

De ambitieuze doelstellingen van het Verdrag en het Haags programma moeten worden verwezenlijkt door een flexibel en doeltreffend programma vast te stellen waarmee planning en uitvoering kunnen worden vergemakkelijkt.

(6)

Het programma „Civiel recht” moet, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, voorzien in initiatieven van de Commissie, in acties ter ondersteuning van organisaties die justitiële samenwerking in burgerlijke zaken bevorderen en vergemakkelijken, alsmede in acties ter ondersteuning van specifieke projecten.

(7)

Een algemeen programma „Civiel recht” om de wederzijdse kennis van de rechtsstelsels van de lidstaten te verbeteren, zal belemmeringen voor de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken helpen opheffen, wat de werking van de interne markt zal verbeteren.

(8)

Volgens het Haags programma vergt de versterking van het onderling vertrouwen een nadrukkelijke inspanning om het wederzijdse begrip tussen de justitiële autoriteiten en de verschillende rechtsstelsels te verbeteren; in dit verband wordt aan Europese netwerken van nationale overheden bijzondere aandacht en steun gegeven.

(9)

Dit besluit voorziet in de mogelijkheid tot medefinanciering van de werkzaamheden van bepaalde Europese netwerken, voor zover met de uitgaven een doelstelling van algemeen Europees belang wordt nagestreefd. Deze medefinanciering hoeft evenwel niet te impliceren dat die netwerken onder toekomstige programma’s zullen vallen, en mag niet beletten dat de werkzaamheden van andere Europese netwerken overeenkomstig dit besluit in aanmerking komen voor steun.

(10)

Instellingen, verenigingen of netwerken die uit hoofde van het programma „civiel recht” een subsidie ontvangen, dienen bekendheid te geven aan de ontvangen communautaire steun, overeenkomstig de door de Commissie vast te stellen zichtbaarheidsrichtsnoeren.

(11)

Dit besluit stelt voor de gehele duur van het programma de financiële middelen vast die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormen in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (7).

(12)

Aangezien de doelstellingen van dit besluit niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het programma beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat dit besluit niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(13)

Bij de toepassing van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (8) (hierna „het Financieel Reglement” genoemd) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (9), die de financiële belangen van de Europese Gemeenschap beschermen, moet worden gestreefd naar eenvoud en samenhang bij de keuze van de begrotingsinstrumenten, beperking van het aantal gevallen waarin de Commissie rechtstreeks verantwoordelijk is voor de uitvoering en het beheer van de begrotingsinstrumenten, en evenredigheid tussen de hoogte van de middelen en de administratieve lasten voor de besteding ervan.

(14)

Tevens moeten passende maatregelen worden getroffen om onregelmatigheden en fraude te voorkomen en moeten de nodige stappen worden gezet om verloren gegane, ten onrechte betaalde of verkeerd bestede middelen terug te vorderen overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (10), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (11), en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (12).

(15)

Krachtens het Financieel Reglement is voor exploitatiesubsidies een basisbesluit vereist.

(16)

De maatregelen ter uitvoering van dit besluit moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (13), waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen maatregelen voor welke de beheersprocedure geldt en maatregelen voor welke de raadplegingsprocedure geldt. De raadplegingsprocedure is in bepaalde gevallen om redenen van doelmatigheid het meest aangewezen.

(17)

Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Besluit 1999/468/EG dient het Europees Parlement door de Commissie te worden geïnformeerd over de procedures van het comité in verband met de uitvoering van dit programma. Het Europees Parlement dient in het bijzonder het ontwerp-jaarprogramma te ontvangen wanneer dit wordt ingediend bij het beheerscomité. Het Europees Parlement dient bovendien de resultaten te ontvangen van de stemming en een beknopt verlag van de vergaderingen van dit comité.

(18)

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben, overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, kennis gegeven van hun wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van dit besluit.

(19)

Denemarken neemt, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, niet deel aan de aanneming van dit besluit. Dit besluit is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken.

(20)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft advies uitgebracht over dit besluit (14).

(21)

Teneinde de doeltreffende en tijdige uitvoering van dit programma te verzekeren, is dit besluit met ingang van 1 januari 2007 van toepassing,

BESLUITEN:

Artikel 1

Vaststelling van het programma

1.   In dit besluit wordt het specifieke programma „Civiel recht” (hierna „het programma” genoemd) vastgesteld als onderdeel van het algemene programma „Grondrechten en justitie”, om bij te dragen tot de geleidelijke totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

2.   Het programma bestrijkt de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

3.   In dit besluit wordt onder „lidstaat” verstaan, de lidstaten met uitzondering van Denemarken.

Artikel 2

Algemene doelstellingen

1.   Dit programma heeft de volgende algemene doelstellingen:

a)

bevordering van de justitiële samenwerking om bij te dragen aan de totstandbrenging van een ware Europese rechtsruimte in burgerlijke zaken, die is gebaseerd op wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen;

b)

bevordering van het wegnemen van de hinderpalen voor een goed verloop van grensoverschrijdende civielrechtelijke procedures in de lidstaten;

c)

verbetering van het dagelijkse leven van burgers en bedrijven door deze in staat te stellen hun rechten in de gehele Europese Unie te doen gelden, met name door de toegang tot de rechter te vergemakkelijken;

d)

verbetering van de contacten, de uitwisseling van informatie en de netwerken tussen justitiële, gerechtelijke en bestuurlijke autoriteiten en beoefenaars van juridische beroepen, onder meer door steun te verlenen voor de justitiële opleiding, met het oog op meer wederzijds begrip tussen deze autoriteiten en beroepsbeoefenaars.

2.   Zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen en bevoegdheden van de Europese Gemeenschap, dragen de algemene doelstellingen van het programma bij tot de ontwikkeling van het communautaire beleid, en meer bepaald tot de totstandbrenging van een justitiële ruimte.

Artikel 3

Specifieke doelstellingen

Dit programma heeft de volgende specifieke doelstellingen:

a)

de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken bevorderen teneinde:

i)

rechtszekerheid te waarborgen en de toegang tot de rechter te verbeteren;

ii)

de wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken te bevorderen;

iii)

uit verschillen in civiel recht en civielrechtelijke procedures voortvloeiende belemmeringen voor grensoverschrijdende geschilbeslechting weg te nemen en de hiertoe noodzakelijke verenigbaarheid van de wetgevingen te bevorderen;

iv)

te zorgen voor een goede rechtsbedeling door jurisdictiegeschillen te voorkomen;

b)

de wederzijdse kennis van de civiele rechtsstelsels van de lidstaten verbeteren en netwerkvorming, wederzijdse samenwerking, uitwisseling en verspreiding van informatie, ervaringen en beste praktijken, bevorderen en versterken;

c)

zorgen voor de juiste uitvoering, de correcte en concrete toepassing en de evaluatie van de instrumenten van de Gemeenschap op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken;

d)

de informatie over de rechtsstelsels van de lidstaten en de toegang tot de rechter verbeteren;

e)

de scholing van beoefenaars van juridische beroepen in het Unie- en het Gemeenschapsrecht bevorderen;

f)

evalueren onder welke algemene voorwaarden het wederzijdse vertrouwen, met volledige inachtneming van de onafhankelijkheid van de rechtspleging, kan worden versterkt;

g)

faciliteren van de werking van het bij Beschikking 2001/470/EG van de Raad (15) opgerichte Europese justitiële netwerk in burgerlijke en handelszaken.

Artikel 4

Acties

Met het oog op de verwezenlijking van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde algemene en specifieke doelstellingen kunnen met inachtneming van de in de jaarlijkse werkprogramma’s bedoeld in artikel 9, lid 2, gestelde voorwaarden in het kader van dit programma de volgende soorten acties worden ondersteund:

a)

specifieke acties op initiatief van de Commissie, zoals studies en onderzoek, opiniepeilingen en onderzoeken, de vaststelling van indicatoren en gemeenschappelijke methodologieën, verzameling, ontwikkeling en verspreiding van gegevens en statistieken, seminars, conferenties en vergaderingen van deskundigen, op het grote publiek gerichte campagnes en evenementen; ontwikkeling en onderhoud van websites; het opstellen en verspreiden van voorlichtingsmateriaal; ondersteuning en beheer van netwerken van nationale deskundigen; analyse, toezicht en evaluatie;

b)

specifieke transnationale projecten in het belang van de Gemeenschap, die worden ingediend door een autoriteit of een ander orgaan van een lidstaat, een internationale of een niet-gouvernementele organisatie en waarbij in ieder geval ten minste twee lidstaten, of ten minste één lidstaat en één andere staat, te weten een toetredend land of een kandidaat-lidstaat, betrokken zijn;

c)

activiteiten van niet-gouvernementele organisaties of andere entiteiten die overeenkomstig de algemene doelstellingen van het programma een doel van algemeen Europees belang nastreven, volgens de in de jaarlijkse werkprogramma’s uiteengezette voorwaarden; of

d)

subsidies voor huishoudelijke uitgaven ten behoeve van de medefinanciering van uitgaven in verband met het permanente werkprogramma van het Europees netwerk van de Raden voor de rechtspraak en van het netwerk van voorzitters van de Hoge Rechtscolleges van de Europese Unie, voor zover met die uitgaven een doelstelling van algemeen Europees belang wordt nagestreefd, door de uitwisseling te bevorderen van ideeën en ervaringen over de rechtspraak, de organisatie en de werkwijze van de leden van deze netwerken bij de uitoefening van hun justitiële en/of adviserende taken, met name met betrekking tot het Gemeenschapsrecht.

Artikel 5

Deelnemers

1.   De volgende landen kunnen aan de acties van het programma deelnemen: de toetredende landen, de kandidaat-lidstaten en de bij het stabilisatie- en associatieproces betrokken landen van de westelijke Balkan, volgens de in de met die landen gesloten of te sluiten associatieovereenkomsten of aanvullende protocollen vastgelegde voorwaarden inzake de deelname aan communautaire programma’s.

2.   Bij de projecten kunnen beoefenaars van juridische beroepen uit Denemarken worden betrokken, alsook uit niet aan het programma deelnemende kandidaat-lidstaten indien dit tot hun voorbereiding op de toetreding zou bijdragen, en uit andere niet aan het programma deelnemende derde landen, wanneer deelneming de doelstellingen van de projecten dient.

Artikel 6

Doelgroepen

1.   Dit programma is onder meer gericht op beoefenaars van juridische beroepen, de nationale autoriteiten en de burgers van de Unie in het algemeen.

2.   Voor de toepassing van dit besluit worden beschouwd als beoefenaars van juridische beroepen onder meer: rechters, leden van het openbaar ministerie, advocaten, procureurs, notarissen, academisch en wetenschappelijk personeel, departementale ambtenaren, gerechtsmedewerkers, gerechtsdeurwaarders, gerechtstolken en leden van andere bij de burgerlijke rechtspleging betrokken beroepsgroepen.

Artikel 7

Toegang tot het programma

Dit programma staat open voor instellingen en openbare of particuliere organisaties, waaronder beroepsorganisaties, universiteiten, onderzoeksinstituten en instituten waar beoefenaars van juridische beroepen een opleiding op het gebied van juridische en gerechtelijke aangelegenheden krijgen, internationale organisaties en niet-gouvernementele organisaties van de lidstaten.

Artikel 8

Financieringsvormen

1.   Communautaire financiering kan de volgende juridische vormen aannemen:

a)

subsidies;

b)

overheidsopdrachten.

2.   Communautaire subsidies worden toegekend na een oproep tot het indienen van voorstellen en worden verstrekt in de vorm van exploitatiesubsidies en subsidies voor acties. Het maximale medefinancieringspercentage wordt in de jaarlijkse werkprogramma’s vastgesteld.

3.   Voorts is voorzien in uitgaven voor begeleidende maatregelen door middel van contracten voor overheidsopdrachten, in welk geval de communautaire financiering de aankoop van diensten en goederen dekt. Het gaat daarbij onder meer om uitgaven met betrekking tot voorlichting en communicatie, voorbereidende werkzaamheden, tenuitvoerlegging, toezicht, controles en evaluatie van projecten, beleidsinitiatieven, programma’s en wetgeving.

Artikel 9

Uitvoeringsmaatregelen

1.   De Commissie voert de communautaire financiële bijstand uit overeenkomstig het Financieel Reglement.

2.   Voor de uitvoering van het programma stelt de Commissie, binnen de grenzen van de in artikel 2 omschreven algemene doelstellingen, een jaarlijks werkprogramma vast met specifieke doelstellingen, thematische prioriteiten, de in artikel 8, lid 3, bedoelde begeleidende maatregelen en zo nodig een lijst van andere acties.

3.   Het jaarlijkse werkprogramma wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 10, lid 2.

4.   Bij de evaluatie- en gunningsprocedures met betrekking tot subsidies voor acties wordt onder meer rekening gehouden met de volgende criteria:

a)

conformiteit van de voorgestelde actie met het jaarlijkse werkprogramma, de in de artikelen 2 en 3 uiteengezette doelstellingen en de soorten acties uiteengezet in artikel 4;

b)

de kwaliteit van de voorgestelde actie qua ontwerp, organisatie, presentatie en verwachte resultaten;

c)

het bedrag van de gevraagde communautaire financiering en de mate waarin dit bedrag in verhouding staat tot de verwachte resultaten; en

d)

het effect van de verwachte resultaten op de in de artikelen 2 en 3 omschreven doelstellingen en op de in artikel 4 bedoelde acties.

5.   De aanvragen voor de in artikel 4, onder d), bedoelde exploitatiesubsidies worden geëvalueerd op grond van de volgende punten:

a)

de mate van overeenstemming met de doelstellingen van het programma;

b)

de kwaliteit van de geplande activiteiten;

c)

het van deze activiteiten te verwachten multiplicatoreffect op het publiek;

d)

de geografische uitstraling van de activiteiten;

e)

de rol van de burgers in de structuren van de desbetreffende organen;

f)

de verhouding tussen de kosten en baten van de voorgestelde activiteiten.

6.   De Commissie onderzoekt de uit hoofde van artikel 4, onder b) en c), ingediende voorgestelde acties. Besluiten over deze acties worden aangenomen volgens de procedure van artikel 11, lid 2.

Artikel 10

Beheerscomité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een beheerscomité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Artikel 11

Raadgevend comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een raadgevend comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

Artikel 12

Complementariteit

1.   Er wordt gestreefd naar synergie en complementariteit met andere instrumenten van de Gemeenschap, met name het specifieke programma „Strafrecht” van het algemene programma „Grondrechten en justitie” en de algemene programma’s „Veiligheid en bescherming van de vrijheden” en „Solidariteit en beheer van de migratiestromen”. Statistische gegevens over civiel recht zullen in samenwerking met de lidstaten worden opgesteld, zo nodig aan de hand van het communautair statistisch programma.

2.   In uitzonderingsgevallen kunnen middelen van het programma worden gedeeld met andere instrumenten van de Gemeenschap, met name het specifieke programma „Strafrecht” van het algemene programma „Grondrechten en justitie”, om uitvoering te geven aan acties die aan de doelstellingen van beide programma’s beantwoorden.

3.   Voor in het kader van dit besluit gefinancierde acties wordt voor hetzelfde doel geen bijstand uit andere financiële instrumenten van de Unie of Gemeenschap verleend. De begunstigden van het programma stellen de Commissie in kennis van de financiering die zij uit de begroting van de Europese Unie en andere bronnen ontvangen, alsook van hun lopende financieringsaanvragen.

Artikel 13

Begrotingsmiddelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van dit besluit worden voor de in artikel 1 vermelde periode vastgesteld op 109 300 000 EUR.

2.   De begrotingsmiddelen die worden toegewezen voor de acties waarin dit programma voorziet, worden jaarlijks opgevoerd in de algemene begroting van de Europese Unie. De beschikbare jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van het financieel kader.

Artikel 14

Toezicht

1.   De Commissie ziet erop toe dat de begunstigde voor alle in het kader van het programma gefinancierde acties technische en financiële voortgangsverslagen indient. Binnen drie maanden na de beëindiging van de actie wordt tevens een eindverslag ingediend. De Commissie bepaalt vorm en inhoud van deze verslagen. De Commissie stelt deze verslagen beschikbaar aan de lidstaten.

2.   Onverminderd de controles die overeenkomstig artikel 248 van het Verdrag door de Rekenkamer worden uitgevoerd in samenwerking met de bevoegde nationale controle-instanties of diensten, en onverminderd eventuele uit hoofde van artikel 279, lid 1, eerste alinea, onder b), van het Verdrag uitgevoerde controles, mogen ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie met betrekking tot in het kader van het programma gefinancierde acties ter plaatse controles al dan niet steekproefsgewijs uitvoeren.

3.   De Commissie ziet erop toe dat ter uitvoering van dit programma gesloten contracten en overeenkomsten met name voorzien in toezicht en financiële controle door de Commissie (of een door haar gevolmachtigde vertegenwoordiger), zo nodig ter plaatse, en in controles door de Rekenkamer.

4.   De Commissie ziet erop toe dat gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de laatste betaling voor een gegeven actie, de begunstigde van de communautaire financiële steun alle bescheiden met betrekking tot uitgaven voor de betrokken actie ter beschikking van de Commissie houdt.

5.   Op basis van de resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen en steekproefsgewijze controles verzekert de Commissie, indien nodig, dat de omvang van de oorspronkelijk goedgekeurde financiële steun en de daaraan verbonden voorwaarden, alsook het tijdschema van de betalingen worden aangepast.

6.   De Commissie ziet erop toe dat al het nodige wordt gedaan om te verifiëren dat de gefinancierde acties correct en overeenkomstig dit besluit en het Financieel Reglement worden uitgevoerd.

Artikel 15

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.   De Commissie ziet erop toe dat bij de uitvoering van uit hoofde van dit besluit gefinancierde acties de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale handelingen, zulks door de uitvoering van doeltreffende controles en de terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig de Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95, (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EG) nr. 1073/1999.

2.   Ten aanzien van in het kader van dit besluit gefinancierde communautaire acties zijn de Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95 en (Euratom, EG) nr. 2185/96 van toepassing op elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van de inbreuken op een in het kader van dit programma vastgelegde contractuele verplichting, die bestaat in handelen of nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Europese Unie of de door de Europese Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld door een onverschuldigde uitgave.

3.   De Commissie verzekert dat de voor een actie toegekende financiering wordt verminderd, geschorst of teruggevorderd indien zij onregelmatigheden vaststelt, met inbegrip van de niet-naleving van de bepalingen van dit besluit of van de individuele beschikking of het contract of de overeenkomst waarbij de betrokken financiële steun werd toegekend, of indien aan het licht komt dat, zonder dat de Commissie daarvoor om toestemming werd verzocht, de actie werd gewijzigd op een manier die in strijd is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van het project.

4.   Indien de termijnen niet in acht werden genomen of indien slechts een deel van de toegekende financiële steun gerechtvaardigd blijkt in het licht van de voortgang die met de uitvoering van de actie wordt gemaakt, maakt de begunstigde binnen een vastgestelde termijn zijn opmerkingen aan de Commissie kenbaar. Indien de begunstigde geen bevredigend antwoord verstrekt, verzekert de Commissie dat de rest van de financiële steun kan worden geschrapt en dat de terugbetaling van de reeds betaalde bedragen wordt geëist.

5.   De Commissie ziet erop toe dat alle onverschuldigd uitbetaalde bedragen aan de Commissie worden terugbetaald. Bedragen die niet tijdig worden terugbetaald, worden verhoogd met een achterstandsrente, volgens de in het Financieel Reglement vastgestelde voorwaarden.

Artikel 16

Evaluatie

1.   Om de tenuitvoerlegging van de in het kader van dit programma geplande activiteiten te kunnen volgen, wordt dit programma regelmatig geëvalueerd.

2.   De Commissie zorgt voor een regelmatige, onafhankelijke externe evaluatie van het programma.

3.   De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad de volgende documenten in:

a)

een jaarlijkse uiteenzetting over de uitvoering van het jaarprogramma;

b)

uiterlijk op 31 maart 2011, een tussentijds evaluatieverslag over de behaalde resultaten en de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het programma, evenals over het werk dat de begunstigden van exploitatiesubsidies, bedoeld in artikel 4, onder d), hebben verricht;

c)

uiterlijk op 30 augustus 2012, een mededeling over de voortzetting van dit programma;

d)

uiterlijk op 31 december 2014, een verslag met de evaluatie achteraf.

Artikel 17

Bekendmaking van acties

De Commissie maakt jaarlijks de lijst bekend van acties die in het kader van dit programma worden gefinancierd, met een korte beschrijving van elk project.

Artikel 18

Zichtbaarheid

De Commissie stelt richtsnoeren vast om de zichtbaarheid van de in het kader van dit besluit verstrekte financiering te garanderen.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Gedaan te Straatsburg, 25 september 2007.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

M. LOBO ANTUNES


(1)  Advies van het Europees Parlement van 14 december 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 13 juni 2007 (PB C 171 E van 24.7.2007, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 11 juli 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 18 september 2007.

(2)  Gemeenschappelijk Optreden 96/636/JBZ van 28 oktober 1996 door de Raad goedgekeurd op basis van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie met betrekking tot een stimulerings- en uitwisselingsprogramma voor beoefenaars van juridische beroepen („Grotius”) (PB L 287 van 8.11.1996, blz. 3); Verordening (EG) nr. 290/2001 van de Raad van 12 februari 2001 tot verlenging van het stimulerings- en uitwisselingsprogramma voor beoefenaars van juridische beroepen op civielrechtelijk gebied (Grotius-civiel) (PB L 43 van 14.2.2001, blz. 1).

(3)  Besluit nr. 1496/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een actieprogramma ter verbetering van de bekendheid van de juridische beroepskringen met het Gemeenschapsrecht (actie Robert Schuman) (PB L 196 van 14.7.1998, blz. 24).

(4)  PB L 115 van 1.5.2002, blz. 1.

(5)  PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.

(6)  PB C 198 van 12.8.2005, blz. 1.

(7)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(8)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 (PB L 390 van 30.12.2006, blz. 1).

(9)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 (PB L 111 van 28.4.2007, blz. 13).

(10)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(11)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(12)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(13)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(14)  PB C 69 van 21.3.2006, blz. 1.

(15)  PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.


3.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/23


BESLUIT Nr. 1150/2007/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 september 2007

tot vaststelling van het specifieke programma „Drugspreventie en -voorlichting” voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemene programma „Grondrechten en justitie”

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 152,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het Verdrag is bepaald dat bij de omschrijving en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid dient te worden verzekerd. Het optreden van de Gemeenschap dient daartoe een bijdrage tot het verwezenlijken van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid te omvatten.

(2)

Het optreden van de Gemeenschap moet een aanvulling vormen op nationale beleidsmaatregelen die gericht zijn op de verbetering van de volksgezondheid, het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid en de beperking van gezondheidsschade die samenhangt met drugsverslaving, met inbegrip van beleidsmaatregelen inzake voorlichting en preventie.

(3)

Volgens onderzoek hangt een groot aantal ziekten en sterfgevallen in Europa samen met drugsverslaving en vormt de schade aan de gezondheid door drugsverslaving derhalve een belangrijk probleem voor de volksgezondheid.

(4)

In de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de resultaten van de eindevaluatie van de EU-drugsstrategie en het EU-actieplan inzake drugs (2000-2004) werd erop gewezen dat het maatschappelijk middenveld regelmatig moet worden betrokken bij de opstelling van het EU-drugsbeleid.

(5)

Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008) (4) voorziet in de ontwikkeling van strategieën en maatregelen inzake drugsverslaving, aangezien deze een van de belangrijke aan leefwijze gebonden gezondheidsdeterminanten vormt.

(6)

In zijn aanbeveling 2003/488/EG van 18 juni 2003 betreffende de preventie en beperking van gezondheidsschade die samenhangt met drugsverslaving (5) heeft de Raad de lidstaten aanbevolen de preventie van drugsverslaving en de vermindering van de daarmee samenhangende risico’s tot een doelstelling van het volksgezondheidsbeleid te maken en daartoe alomvattende strategieën te ontwikkelen en uit te voeren.

(7)

In december 2004 heeft de Europese Raad de drugsstrategie voor 2005-2012 van de Europese Unie aangenomen, die betrekking heeft op alle drugsgerelateerde activiteiten van de Europese Unie en waarin de belangrijkste doelstellingen worden vastgesteld. Deze doelstellingen voorzien in het bereiken van een hoog niveau van gezondheidsbescherming, welzijn en sociale samenhang door het voorkomen en beperken van drugsgebruik, verslaving en drugsgerelateerde schade aan de volksgezondheid en de maatschappij.

(8)

De Raad heeft het EU-drugsactieplan (2005-2008) (6) aangenomen als een cruciaal instrument voor het omzetten van de drugsstrategie 2005-2012 van de Europese Unie in concrete acties. Het actieplan moet uiteindelijk het drugsgebruik onder de bevolking aanzienlijk terugdringen en de schade die de volksgezondheid en de maatschappij oplopen als gevolg van het gebruik van en de handel in illegale drugs, verminderen.

(9)

Het specifieke programma „Drugspreventie- en voorlichting” vastgesteld op grond van dit besluit (hierna „programma” genoemd) is gericht op de uitvoering van doelstellingen die zijn geformuleerd in de EU-drugsstrategie 2005-2012 en de EU-drugsactieplannen 2005-2008 en 2009-2012, zulks door steun te verlenen aan projecten voor de preventie van drugsgebruik, en tevens door aandacht te besteden aan methoden voor beperking en behandeling van drugsgerelateerde schade, met inachtneming van de meest recente wetenschappelijke ontwikkelingen.

(10)

Het is belangrijk en noodzakelijk om de ernstige onmiddellijke en langetermijngevolgen te erkennen van drugs voor de gezondheid, de psychologische en sociale ontwikkeling, met inbegrip van de gelijke kansen van de betrokkenen, en voor personen, gezinnen en gemeenschappen, en de hoge sociale en economische kosten voor de maatschappij in haar geheel te erkennen.

(11)

Bijzondere aandacht is nodig voor het drugsgebruik onder jongeren, die de meest kwetsbare groep in de samenleving vormen. Bij de preventie gaat het er vooral om jongeren aan te moedigen een gezonde leefwijze aan te houden.

(12)

De Europese Gemeenschap kan een meerwaarde geven aan de acties van de lidstaten op het gebied van preventie en voorlichting, waaronder behandeling en beperking van drugsgerelateerde schade, door deze acties aan te vullen en synergie-effecten te bevorderen.

(13)

Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7) dient het Europees Parlement door de Commissie op de hoogte te worden gehouden van comitéprocedures met betrekking tot de uitvoering van dit programma. Het Europees Parlement dient met name het ontwerp-jaarprogramma te ontvangen zodra dat bij het beheerscomité is ingediend. Bovendien dient het Europees Parlement de stemuitslagen en beknopte verslagen van de vergaderingen van dit comité te ontvangen.

(14)

Er moet worden gezorgd voor complementariteit met de technische expertise van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving („het Centrum”) door gebruik te maken van de door het centrum ontwikkelde methodologie en beste praktijken en door het centrum te betrekken bij de voorbereiding van het jaarlijkse werkprogramma.

(15)

Aangezien de doelstellingen van dit besluit, vanwege de behoefte aan gegevensuitwisseling op communautair niveau en verspreiding van goede praktijken overal in de Gemeenschap, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de noodzaak van een gecoördineerde en multidisciplinaire aanpak en de omvang en de gevolgen van het programma beter op communautair niveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat dit besluit niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(16)

Gezien het belang van de zichtbaarheid van de communautaire financiering dient de Commissie aan te geven hoe kan worden verzekerd dat iedere autoriteit, niet-gouvernementele organisatie, internationale organisatie of andere entiteit die uit hoofde van het programma subsidie ontvangt, dit op passende wijze onder de aandacht brengt.

(17)

Dit besluit stelt voor de gehele looptijd van het programma de financiële middelen vast die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormen in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (8).

(18)

Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (9) (hierna „het Financieel Reglement” genoemd) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (10), die de financiële belangen van de Europese Gemeenschap beschermen, moeten worden toegepast, waarbij moet worden gestreefd naar eenvoud en samenhang bij de keuze van de begrotingsinstrumenten, beperking van het aantal gevallen waarin de Commissie rechtstreeks verantwoordelijk is voor de uitvoering en het beheer van de begrotingsinstrumenten, en evenredigheid tussen de hoogte van de middelen en de administratieve lasten voor de besteding ervan.

(19)

Tevens moeten passende maatregelen worden genomen om onregelmatigheden en fraude te voorkomen en moeten de nodige stappen worden gezet om verloren gegane, ten onrechte betaalde of verkeerd bestede middelen terug te vorderen overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (11), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (12), en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (13).

(20)

Krachtens het Financieel Reglement is voor exploitatiesubsidies een basisbesluit vereist.

(21)

De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG, waarbij moet worden aangegeven voor welke maatregelen de beheersprocedure en voor welke de raadplegingsprocedure geldt. De raadplegingsprocedure is in bepaalde gevallen om redenen van doelmatigheid het meest geschikt.

(22)

Teneinde de doeltreffende en tijdige uitvoering van het programma te verzekeren, is dit besluit met ingang van 1 januari 2007 van toepassing,

BESLUITEN:

Artikel 1

Vaststelling en draagwijdte van het programma

1.   Bij dit besluit wordt het specifieke programma „Drugspreventie en -voorlichting” (hierna „het programma” genoemd) vastgesteld als onderdeel van het programma „Grondrechten en justitie”, teneinde bij te dragen tot het verzekeren van een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en tot het beperken van drugsgerelateerde gezondheidsschade.

2.   Het programma bestrijkt de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

Artikel 2

Algemene doelstellingen

Het programma heeft de volgende algemene doelstellingen:

a)

drugsgebruik, verslaving en drugsgerelateerde schade voorkomen en beperken;

b)

bijdragen tot de verbetering van de voorlichting over drugsgebruik; en

c)

de uitvoering van de EU-drugsstrategie ondersteunen.

Artikel 3

Specifieke doelstellingen

Dit programma heeft de volgende specifieke doelstellingen:

a)

transnationale acties bevorderen door:

i)

multidisciplinaire netwerken uit te bouwen;

ii)

de verdere ontwikkeling te garanderen van de kennisbasis, de uitwisseling van informatie en de vaststelling en verspreiding van goede praktijken, met name door opleiding, studiebezoeken en uitwisseling van personeel;

iii)

meer aandacht te krijgen voor de gezondheids- en maatschappelijke problemen ten gevolge van drugsgebruik, en bevordering van een open dialoog met het oog op een beter inzicht in de drugsproblematiek; en

iv)

maatregelen te steunen die gericht zijn op voorkoming van het drugsgebruik, onder andere door, met inachtneming van de meest recente wetenschappelijke ontwikkelingen, aandacht te besteden aan methoden voor de behandeling en de beperking van drugsgerelateerde schade;

b)

het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de uitvoering en ontwikkeling van de EU-drugsstrategie en EU-actieplannen; en

c)

zorg te dragen voor het toezicht op en de uitvoering van de specifieke acties in het kader van de drugsactieplannen 2005-2008 en 2009-2012, alsmede voor de evaluatie van deze uitvoering. Het Europees Parlement wordt via zijn deelname aan de stuurgroep evaluatie van de Commissie bij het evaluatieproces betrokken.

Artikel 4

Acties

Met het oog op de verwezenlijking van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde algemene en specifieke doelstellingen kunnen in het kader van dit programma de volgende soorten acties worden ondersteund, onder de in het jaarlijkse werkprogramma als bedoeld in artikel 9, lid 2, vastgestelde voorwaarden:

a)

specifieke acties van de Commissie, zoals studies en onderzoek, opiniepeilingen en onderzoeken, vaststelling van indicatoren en gemeenschappelijke methodologieën, verzameling, ontwikkeling en verspreiding van gegevens en statistieken, seminars, conferenties en vergaderingen van deskundigen, op het publiek gerichte campagnes en evenementen, ontwikkeling en onderhoud van websites; opstelling en verspreiding van voorlichtingsmateriaal; ondersteuning en beheer van netwerken van nationale deskundigen; analyse, toezicht en evaluatie;

b)

specifieke transnationale projecten van communautair belang die door ten minste twee lidstaten of ten minste één lidstaat en een andere staat die een toetredende staat of kandidaat-lidstaat kan zijn, worden ingediend, onder de in het jaarlijkse werkprogramma vastgestelde voorwaarden; of

c)

activiteiten van niet-gouvernementele organisaties of andere entiteiten die overeenkomstig de algemene doelstellingen van het programma een doel van algemeen Europees belang nastreven, onder de in het jaarlijkse werkprogramma vastgestelde voorwaarden.

Artikel 5

Deelname

De volgende landen kunnen aan de acties van het programma deelnemen:

a)

de EVA-staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst; en

b)

de kandidaat-lidstaten en de bij het stabilisatie- en associatieproces betrokken landen van de westelijke Balkan, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de met die landen gesloten of te sluiten associatieovereenkomsten of hun aanvullende protocollen inzake de deelname aan communautaire programma’s.

Bij de projecten kunnen kandidaat-lidstaten worden betrokken die niet aan het programma deelnemen, indien dit tot hun voorbereiding op de toetreding zou bijdragen, dan wel andere derde landen of internationale organisaties die niet aan het programma deelnemen, indien de doelstellingen van de projecten daarmee gediend zijn.

Artikel 6

Doelgroepen

1.   Dit programma is gericht op alle groepen die zich direct of indirect bezighouden met de drugsproblematiek.

2.   Wat drugs betreft, zijn jongeren, vrouwen, kwetsbare groepen en mensen die in sociaal achtergestelde gebieden leven, risicogroepen en moeten ze dus als doelgroepen worden beschouwd. Andere doelgroepen zijn, onder meer, leraren en onderwijzend personeel, ouders, maatschappelijk werkers, lokale en nationale autoriteiten, medisch en paramedisch personeel, gerechtelijk personeel, rechtshandhavings- en penitentiaire autoriteiten, niet-gouvernementele organisaties, vakorganisaties en religieuze gemeenschappen.

Artikel 7

Toegang tot het programma

Het programma staat open voor openbare of particuliere organisaties en instellingen (lokale autoriteiten op het bevoegde niveau, universiteitsfaculteiten en onderzoekscentra) die actief zijn op het gebied van voorlichting over en preventie van drugsgebruik, inclusief de beperking en behandeling van drugsgerelateerde schade.

Commerciële instellingen en organisaties hebben enkel samen met niet-commerciële organisaties of overheidsorganisaties toegang tot subsidies in het kader van het programma.

Artikel 8

Financieringsvormen

1.   Communautaire financiering kan de volgende juridische vormen aannemen:

a)

subsidies; of

b)

overheidsopdrachten.

2.   Behalve in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen als omschreven in het Financieel Reglement, worden communautaire subsidies toegekend na een oproep tot het indienen van voorstellen, en verstrekt in de vorm van exploitatiesubsidies en subsidies voor acties.

In het jaarlijkse werkprogramma wordt het minimumpercentage van de jaarlijkse uitgaven bestemd voor subsidies en het maximale medefinancieringspercentage vastgesteld.

3.   Voorts is voorzien in uitgaven voor begeleidende maatregelen door middel van contracten voor overheidsopdrachten, in welk geval de communautaire financiering de aankoop van goederen en diensten dekt. Het gaat daarbij, onder meer, om uitgaven met betrekking tot voorlichting en communicatie, voorbereidende werkzaamheden, uitvoering, toezicht, controles en evaluatie van projecten, beleidsinitiatieven, programma’s en wetgeving.

Artikel 9

Uitvoeringsmaatregelen

1.   De Commissie voert de communautaire bijstand uit overeenkomstig het Financieel Reglement.

2.   Voor de uitvoering van het programma stelt de Commissie, binnen de grenzen van de in artikel 2 omschreven algemene doelstellingen, een jaarlijks werkprogramma vast, rekening houdend met de technische expertise van het Centrum. In het programma worden specifieke doelstellingen, thematische prioriteiten, een beschrijving van de in artikel 8 bedoelde begeleidende maatregelen en eventueel een lijst van andere acties vastgesteld.

Het eerste jaarlijkse werkprogramma wordt uiterlijk op 23 januari 2008 goedgekeurd.

3.   Het jaarlijkse werkprogramma wordt vastgesteld volgens de in artikel 10, lid 3, neergelegde beheersprocedure.

4.   Bij de evaluatie- en gunningsprocedures met betrekking tot subsidies aan acties wordt, onder meer, rekening gehouden met de volgende criteria:

a)

conformiteit van de voorgestelde actie met het jaarlijkse werkprogramma, de in de artikelen 2 en 3 uiteengezette doelstellingen en de soorten acties uiteengezet in artikel 4;

b)

de kwaliteit van de voorgestelde actie qua ontwerp, organisatie, presentatie en verwachte resultaten ervan;

c)

het bedrag van de gevraagde communautaire financiering en de mate waarin dit bedrag in verhouding staat tot de verwachte resultaten; en

d)

het effect van de verwachte resultaten op de in de artikelen 2 en 3 omschreven doelstellingen en op de in artikel 4 vermelde acties.

5.   De aanvragen voor de in artikel 4, onder c), bedoelde exploitatiesubsidies worden geëvalueerd op grond van de volgende punten:

a)

de mate van overeenstemming met de doelstellingen van het programma;

b)

de kwaliteit van de geplande activiteiten;

c)

het van deze activiteiten te verwachten multiplicatoreffect op het publiek;

d)

de geografische en sociale uitstraling van de activiteiten;

e)

de rol van de burgers in de structuren van de desbetreffende organen;

f)

de verhouding tussen de kosten en de baten van de voorgestelde activiteiten.

6.   Besluiten die betrekking hebben op in artikel 4, onder a), vermelde, voorgestelde acties, worden door de Commissie aangenomen overeenkomstig de beheersprocedure bedoeld in artikel 10, lid 3. Besluiten die betrekking hebben op in artikel 4, onder b) en c), vermelde, voorgestelde projecten en acties worden door de Commissie aangenomen overeenkomstig de raadplegingsprocedure bedoeld in artikel 10, lid 2.

Beslissingen omtrent aanvragen voor subsidies waarbij commerciële instellingen en organisaties betrokken zijn, worden door de Commissie genomen overeenkomstig de beheersprocedure bedoeld in artikel 10, lid 3.

Artikel 10

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Artikel 11

Complementariteit

1.   Er wordt gestreefd naar synergie en complementariteit met andere instrumenten van de Gemeenschap, met name het algemene programma „Veiligheid en bescherming van de vrijheden”, het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, en het communautaire programma op het gebied van de volksgezondheid. Er wordt gezorgd voor complementariteit met de door het Centrum ontwikkelde methodologie en beste praktijken, met name met betrekking tot de statistische gegevens over drugs.

2.   Middelen van het programma kunnen worden gecombineerd met andere instrumenten van de Gemeenschap, met name de algemene programma’s „Veiligheid en bescherming van de vrijheden”, „Solidariteit en beheer van de migratiestromen” en het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, om acties ten uitvoer te leggen die aan de doelstellingen van alle programma’s beantwoorden.

3.   Voor in het kader van dit besluit gefinancierde acties wordt voor hetzelfde doel geen financiële bijstand uit andere financiële instrumenten van de Gemeenschap verleend. De Commissie eist dat de begunstigden van het programma de Commissie in kennis stellen van de financiering die zij uit de algemene begroting van de Europese Unie en andere bronnen ontvangen, alsook van hun lopende financieringsaanvragen.

Artikel 12

Begrotingsmiddelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van dit besluit van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 worden vastgesteld op 21 350 000 EUR.

2.   De begrotingsmiddelen die worden toegewezen voor de acties waarin dit programma voorziet, worden jaarlijks opgevoerd in de algemene begroting van de Europese Unie. De beschikbare jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van het financieel kader.

Artikel 13

Toezicht

1.   De Commissie ziet erop toe dat de begunstigde voor alle in het kader van het programma gefinancierde acties technische en financiële voortgangsverslagen indient. Binnen drie maanden na de beëindiging van de actie wordt tevens een eindverslag ingediend. Vorm en inhoud van deze verslagen worden door de Commissie bepaald.

2.   De Commissie ziet erop toe dat de uit de uitvoering van het programma voortvloeiende contracten en overeenkomsten met name voorzien in toezicht en financiële controle door de Commissie (of een door haar gevolmachtigde vertegenwoordiger), zo nodig door controles ter plaatse, met inbegrip van steekproefsgewijze controles, en in controles door de Rekenkamer.

3.   De Commissie eist dat de begunstigde van de financiële steun gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de laatste betaling voor een gegeven actie, alle bescheiden met betrekking tot uitgaven voor de betrokken actie ter beschikking van de Commissie houdt.

4.   Op basis van de resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen en controles ter plaatse, past de Commissie, indien nodig, de omvang van de oorspronkelijk goedgekeurde financiële steun en de daaraan verbonden voorwaarden, alsook het tijdschema van de betalingen aan.

5.   De Commissie doet al het nodige om te verifiëren dat de gefinancierde acties correct en in overeenstemming met de bepalingen van dit besluit en het Financieel Reglement worden uitgevoerd.

Artikel 14

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.   De Commissie ziet erop toe dat bij de uitvoering van uit hoofde van dit besluit gefinancierde acties de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten, door doeltreffende controles en de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en, indien er onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig de Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95, (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EG) nr. 1073/1999.

2.   Ten aanzien van de via dit besluit gefinancierde communautaire acties zijn de Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95 en (Euratom, EG) nr. 2185/96 van toepassing op elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van inbreuken op een in het kader van dit programma vastgelegde contractuele verplichting, die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Europese Unie of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld door een onverschuldigde uitgave.

3.   De Commissie vermindert of schorst de voor een actie toegekende financiële bijstand of vordert deze terug, indien zij onregelmatigheden vaststelt, met inbegrip van de niet-naleving van de bepalingen van dit besluit of van de individuele beschikking of het contract of de overeenkomst waarbij de betrokken financiële steun werd toegekend, of indien aan het licht komt dat, zonder dat de Commissie daarvoor om toestemming werd verzocht, de actie werd gewijzigd op een manier die in strijd is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van het project.

4.   Indien de termijnen niet in acht werden genomen, of indien slechts een deel van de toegekende financiële steun gerechtvaardigd blijkt in het licht van de voortgang die met de uitvoering van de actie wordt gemaakt, vraagt de Commissie dat de begunstigde binnen een vastgestelde termijn zijn opmerkingen kenbaar maakt. Indien de begunstigde geen bevredigend antwoord verstrekt, kan de Commissie de rest van de financiële bijstand schrappen en de terugbetaling van de reeds betaalde bedragen eisen.

5.   De Commissie ziet erop toe dat alle onverschuldigd uitbetaalde bedragen aan de Commissie worden terugbetaald. Bedragen die niet tijdig worden terugbetaald, worden verhoogd met een achterstandsrente, volgens de in het Financieel Reglement vastgestelde voorwaarden.

Artikel 15

Evaluatie

1.   Om de uitvoering van de in het kader van dit programma geplande activiteiten te kunnen volgen, wordt het programma regelmatig geëvalueerd.

2.   De Commissie zorgt voor een regelmatige, onafhankelijke en externe evaluatie van het programma.

3.   De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad de volgende documenten in:

a)

een jaarlijkse presentatie over de uitvoering van het programma;

b)

uiterlijk op 31 maart 2011 een tussentijds evaluatieverslag over de behaalde resultaten en de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het programma;

c)

uiterlijk op 30 augustus 2012 een mededeling over de voortzetting van het programma; en

d)

uiterlijk op 31 december 2014 een verslag over de evaluatie achteraf.

Artikel 16

Bekendmaking van projecten

De Commissie maakt jaarlijks de lijst bekend van projecten die in het kader van het programma worden gefinancierd, met een korte beschrijving van elk project.

Artikel 17

Zichtbaarheid

De Commissie stelt richtsnoeren vast om de zichtbaarheid van de uit hoofde van dit besluit toegekende financiering te waarborgen.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2007, behalve artikel 9, leden 2 en 3, en artikel 10, lid 3, die van toepassing zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Gedaan te Straatsburg, 25 september 2007.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

M. LOBO ANTUNES


(1)  PB C 69 van 21.3.2006, blz. 1.

(2)  PB C 192 van 16.8.2006, blz. 25.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 14 december 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 23 juli 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van het Europees Parlement van 6 september 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  PB L 271 van 9.10.2002, blz. 1. Besluit gewijzigd bij Besluit nr. 786/2004/EG (PB L 138 van 30.4.2004, blz. 7).

(5)  PB L 165 van 3.7.2003, blz. 31.

(6)  PB C 168 van 8.7.2005, blz. 1.

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(8)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(9)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 (PB L 390 van 30.12.2006, blz. 1).

(10)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 (PB L 111 van 28.4.2007, blz. 13).

(11)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(12)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(13)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

3.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/30


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2007

betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor een in de lidstaten uit te voeren onderzoek naar de prevalentie van Salmonella spp. in beslagen van fokvarkens

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 4434)

(2007/636/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 90/424/EEG stelt de procedures vast voor de toekenning van een financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van gerichte veterinaire maatregelen, waaronder acties op technisch en wetenschappelijk gebied. Krachtens deze beschikking onderneemt de Gemeenschap of helpt zij de lidstaten bij het ondernemen van acties op technisch en wetenschappelijk gebied die voor de ontwikkeling van de communautaire wetgeving op veterinair gebied en voor de ontwikkeling van onderwijs en opleiding op veterinair gebied nodig zijn.

(2)

Krachtens artikel 4 van en bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (2) moet een communautaire doelstelling voor het verminderen van de prevalentie van salmonella bij populaties van beslagen van fokvarkens worden vastgesteld.

(3)

De taskforce voor de verzameling van gegevens over zoönosen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft op 30 april 2007 een verslag goedgekeurd over een voorstel voor technische specificaties voor een basisstudie naar de prevalentie van salmonella bij fokvarkens (Report on a proposal for technical specifications for a baseline study on the prevalence of Salmonella in breeding pigs (3) („het EFSA-verslag”).

(4)

Om de communautaire doelstelling vast te stellen zijn vergelijkbare gegevens over het percentage met salmonella besmette fokvarkensbedrijven in de lidstaten nodig. Aangezien dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn, moet een speciaal onderzoek worden uitgevoerd om de prevalentie van salmonella bij fokvarkens gedurende een voldoende lange periode te monitoren om met eventuele seizoensgebonden afwijkingen rekening te houden. Het onderzoek moet op het EFSA-verslag zijn gebaseerd.

(5)

De EFSA beveelt ook een aanvullende bemonstering aan voor de schatting van de prevalentie binnen de bedrijven. Deze bemonstering moet worden uitgevoerd door een aantal lidstaten die geografisch de verschillende situaties in de Gemeenschap vertegenwoordigen.

(6)

Het onderzoek moet technische gegevens verschaffen die nodig zijn voor de ontwikkeling van de communautaire wetgeving op veterinair gebied. Gezien het belang van de verzameling van vergelijkbare gegevens over de prevalentie van salmonella bij fokvarkens in de lidstaten, moeten de lidstaten van de Gemeenschap een financiële bijdrage krijgen voor de uitvoering van de specifieke voorschriften van het onderzoek. De uitgaven voor laboratoriumtests moeten tot een bepaald maximumbedrag voor 100 % worden vergoed. Alle andere gemaakte kosten, zoals bemonsterings-, reis- en administratiekosten, komen niet voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap in aanmerking.

(7)

De financiële bijdrage van de Gemeenschap zal alleen worden verleend als het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Gemeenschapsrecht en als aan bepaalde andere voorwaarden wordt voldaan.

(8)

De financiële bijstand van de Gemeenschap wordt verleend voor zover de voorgenomen maatregelen doeltreffend worden uitgevoerd en op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten alle nodige informatie verstrekken binnen de daarvoor vastgestelde termijnen.

(9)

Om redenen van administratieve doelmatigheid moeten alle voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap gedeclareerde uitgaven in euro worden uitgedrukt. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (4) moet de omrekening van de uitgaven in een andere valuta dan de euro geschieden tegen de meest recente koers die de Europese Centrale Bank heeft vastgesteld vóór de eerste dag van de maand waarin de aanvraag door de betrokken lidstaat wordt ingediend.

(10)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze beschikking worden de voorschriften vastgesteld voor de toekenning van een financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van een in de lidstaten uit te voeren basisonderzoek ter beoordeling van de prevalentie van Salmonella spp. in de gehele Gemeenschap bij op bedrijfsniveau bemonsterde fokvarkens („het onderzoek”).

De resultaten van het onderzoek worden gebruikt voor de vaststelling van een communautaire doelstelling, als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 2160/2003, en om na te gaan wat de beste aanpak is om in de toekomst de verwezenlijking van deze doelstelling te evalueren.

Artikel 2

Definitie

Voor de toepassing van deze beschikking wordt verstaan onder „bevoegde autoriteit”: de autoriteit of autoriteiten van een lidstaat, als aangewezen overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2160/2003.

Artikel 3

Reikwijdte van het onderzoek

1.   De lidstaten voeren een onderzoek uit ter beoordeling van de prevalentie van Salmonella spp. bij fokvarkens, die overeenkomstig bijlage I op bedrijfsniveau worden bemonsterd.

2.   Het onderzoek strekt zich uit over een periode van één jaar, ingaande op 1 januari 2008.

Artikel 4

Uitvoering van bemonstering en analysen

De bemonstering en de analysen worden overeenkomstig de technische specificaties van bijlage I door de bevoegde autoriteit of onder haar toezicht uitgevoerd.

Artikel 5

Voorwaarden voor de toekenning van de financiële bijdrage van de Gemeenschap

1.   De financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van de analysen wordt aan de lidstaten toegekend tot het maximale totaalbedrag voor medefinanciering, als vastgesteld in bijlage II voor de duur van het onderzoek.

2.   De in lid 1 bedoelde financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt toegekend aan de lidstaten, op voorwaarde dat het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van de bepalingen inzake mededinging en inzake de gunning van overheidsopdrachten, en mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de uitvoering van het onderzoek moeten uiterlijk op 1 januari 2008 in werking treden;

b)

een voortgangsverslag over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2008 met de in punt 5.1 van bijlage I vermelde gegevens moet uiterlijk op 31 mei 2008 bij de Commissie worden ingediend;

c)

een eindverslag over de uitvoering van het onderzoek, vergezeld van bewijsstukken ter staving van de in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 door de lidstaten voor de analysen gemaakte kosten en de behaalde resultaten, moet uiterlijk op 28 februari 2009 bij de Commissie worden ingediend;

d)

het onderzoek moet doeltreffend worden uitgevoerd.

De bewijsstukken ter staving van de gemaakte kosten, als bedoeld in lid 2, onder c), omvatten ten minste de in bijlage III vermelde informatie.

3.   Indien het in lid 2, onder c), bedoelde eindverslag niet wordt ingediend, wordt de door de Gemeenschap te betalen financiële bijdrage progressief verminderd met 25 % van het totaalbedrag op 31 maart 2009, met 50 % op 30 april 2009 en met 100 % op 31 mei 2009.

Artikel 6

Maximaal te vergoeden bedragen

De financiële bijdrage van de Gemeenschap in de aan de lidstaten te vergoeden kosten voor analysen in het kader van het onderzoek bedragen ten hoogste:

a)

20 EUR per test voor de bacteriologische detectie van Salmonella spp.;

b)

30 EUR voor serotypering van de relevante isolaten.

Artikel 7

Gegevensverzameling, beoordeling en rapportage

1.   De bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de opstelling van het jaarlijkse nationale verslag overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) verzamelt en beoordeelt de resultaten van het onderzoek.

2.   De Commissie zendt de nationale gegevens en de beoordeling, als bedoeld in lid 1, toe aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, die deze onderzoekt.

3.   De nationale gegevens en resultaten worden op zodanige wijze openbaar gemaakt dat de vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd.

Artikel 8

Omrekeningskoers voor de uitgaven

Wanneer de uitgaven van een lidstaat zijn gedaan in een andere valuta dan de euro, rekent de betrokken lidstaat deze om in euro onder toepassing van de meest recente wisselkoers die de Europese Centrale Bank heeft vastgesteld vóór de eerste dag van de maand waarin de aanvraag voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap door de betrokken lidstaat wordt ingediend.

Artikel 9

Toepassing

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 10

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 28 september 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006.

(3)  The EFSA Journal (2007) 99, 1-28.

(4)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 378/2007 (PB L 95 van 5.4.2007, blz. 1).

(5)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31.


BIJLAGE I

Technische specificaties als bedoeld in artikel 3, lid 1, artikel 4 en artikel 5, lid 2, onder b)

1.   OVERZICHT VAN HET ONDERZOEK

Het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig het overzicht in figuur 1.

Figuur 1:   Overzicht van het onderzoek

Image

2.   STEEKPROEFKADER

2.1.   De afbakening van de populatie

Het onderzoek wordt uitgevoerd in bedrijven die ten minste 80 % van de fokvarkenspopulatie in een lidstaat uitmaken. Er worden bij voorkeur bedrijven met 50 fokvarkens of meer bemonsterd. Als die bedrijven met 50 fokvarkens of meer geen 80 % van het nationale bestand van fokvarkens omvatten, worden ook kleinere bedrijven met minder dan 50 fokvarkens bemonsterd.

Bedrijven met fokvarkens worden ingedeeld in „fokbedrijven” of in „productiebedrijven”. Fokbedrijven verkopen gelten en/of beren voor fokdoeleinden. Zij verkopen in de regel 40 % of meer van de gelten die zij kweken voor de fok, terwijl de rest wordt verkocht om te worden geslacht. Productiebedrijven verkopen daarentegen in hoofdzaak varkens om te worden gemest of te worden geslacht.

De salmonellaprevalentie moet afzonderlijk worden gemeten in fokbedrijven (deel 1 van het onderzoek) en in productiebedrijven (deel 2 van het onderzoek), die de beslagen omvatten, als aangegeven in figuur 2, maar exclusief de uit gespeende biggen tot en met mestvarkens bestaande beslagen.

Figuur 2:   Overzicht van bedrijven

Image

2.2.   De steekproef en de steekproefstrategie

Beide delen van het onderzoek hebben een soortgelijke, uit twee fasen bestaande steekproefopzet. In de eerste fase wordt in elke lidstaat uit de fokbedrijven een aselecte steekproef van bedrijven getrokken en uit de groep van productiebedrijven wordt een tweede aselecte steekproef getrokken. Het aantal vereiste bedrijven wordt besproken in punt 2.3. In de tweede fase wordt binnen elk geselecteerd bedrijf een aantal hokken voor bemonstering geselecteerd (zie punt 2.2.2).

2.2.1.   Eerste fase: selectie van bedrijven

Elke lidstaat moet twee steekproefkaders vaststellen. Het eerste somt alle in aanmerking komende fokbedrijven (gewoonlijk bedrijven met ten minste 50 fokvarkens — zie punt 2.1) en het tweede alle in aanmerking komende productiebedrijven op. Het vereiste aantal bedrijven voor elk deel van het onderzoek zal dan aselect uit elke lijst worden geselecteerd. Een aselecte steekproef moet ervoor zorgen dat het onderzoek bedrijven met beslagen van diverse grootten omvat uit alle regio's van een lidstaat waar varkens worden gehouden. Er wordt erkend dat er in sommige lidstaten slechts weinig bedrijven (bv. minder dan 10 % van alle in aanmerking komende bedrijven) met zeer grote beslagen zijn. Daarom is het mogelijk dat een aselecte selectie tot gevolg heeft dat geen van deze zeer grote beslagen worden geselecteerd. Een lidstaat mag vóór de selectie van de bedrijven gebruikmaken van een stratificatiecriterium — hij mag bijvoorbeeld een stratum vaststellen dat 10 % van de grootste beslagen bevat en 10 % van de vereiste steekproefgrootte aan dit stratum toewijzen. Een lidstaat mag de steekproef ook over administratieve regio's stratificeren volgens het aandeel van de in aanmerking komende beslagen in elke regio. Elke overwogen stratificatie moet worden beschreven in het verslag dat een lidstaat bij de Commissie indient overeenkomstig punt 5.1.

Als een geselecteerd bedrijf niet kan worden bemonsterd (als het bijvoorbeeld niet meer bestaat wanneer de bemonstering wordt uitgevoerd), wordt een nieuw bedrijf aselect uit hetzelfde steekproefkader geselecteerd. Als een stratificatie (bijvoorbeeld voor beslaggrootte of regio) werd toegepast, moet het nieuwe bedrijf uit hetzelfde stratum worden geselecteerd.

De primaire steekproefgrootte (aantal te bemonsteren bedrijven) wordt voor zover mogelijk ongeveer gelijkelijk over het jaar verdeeld om met de verschillende seizoenen rekening te houden. Er worden elke maand monsters genomen van ongeveer een twaalfde van het aantal bedrijven.

Bedrijven in de openlucht moeten in het onderzoek worden opgenomen maar voor dit productietype is geen verplichte stratificatie vereist.

2.2.2.   Tweede fase: bemonstering in het bedrijf

In elk geselecteerd fokbeslag en productiebeslag zullen de te bemonsteren hokken, uitlopen of groepen fokvarkens, ouder dan zes maanden, aselect worden geselecteerd.

Het aantal te bemonsteren hokken, uitlopen of groepen moet evenredig worden toegewezen volgens de aantallen fokvarkens in de verschillende productiefasen (drachtig, niet-drachtig en andere categorieën fokvarkens). De te bemonsteren leeftijdscategorieën worden niet exact voorgeschreven, maar deze informatie wordt tijdens de bemonstering verzameld.

Fokvarkens die onlangs in het beslag zijn aangekomen en in quarantaine worden gehouden, mogen niet in het onderzoek worden opgenomen.

2.3.   De berekening van de steekproefgrootte

2.3.1.   Primaire steekproefgrootte (steekproefgrootte in de eerste fase)

Er wordt een regelmatige berekening van de primaire steekproefgrootte voor de fokbedrijven en een tweede regelmatige berekening van de primaire steekproefgrootte voor de productiebedrijven uitgevoerd. De primaire steekproefgrootte is het aantal te bemonsteren fokbedrijven en het aantal te bemonsteren productiebedrijven in elke lidstaat en wordt vastgesteld op grond van de volgende criteria onder toepassing van een enkelvoudige aselecte steekproefmethode:

a)

het totale aantal fokbedrijven (fokbedrijven, deel 1 van het onderzoek);

b)

het totale aantal productiebedrijven (productiebedrijven, deel 2 van het onderzoek);

c)

jaarlijkse verwachte prevalentie (p): 50 %;

d)

gewenste betrouwbaarheidsgraad (Z): 95 %, overeenkomend met een Zα-waarde van 1,96;

e)

nauwkeurigheid (L): 7,5 %;

f)

onder gebruikmaking van deze waarden en de formule:

Formula

De berekening wordt eerst uitgevoerd voor de fokbedrijven en daarna voor de productiebedrijven. In elk geval zijn de aannamen voor de punten c)-e) hierboven gelijk.

Als in het steekproefkader voor fokbeslagen of in het steekproefkader voor productiebeslagen 100 000 of meer bedrijven voorkomen, kan de populatie om praktische redenen als oneindig worden beschouwd en bedraagt het aantal uit dat steekproefkader aselect te selecteren bedrijven 171 (zie tabel 1). Wanneer het aantal fokbeslagen of productiebeslagen minder bedraagt dan 100 000, wordt een eindigepopulatiecorrectiefactor toegepast en hoeven minder bedrijven te worden bemonsterd, als aangegeven in tabel 1.

Als er bijvoorbeeld in een lidstaat 1 000 bedrijven zijn die behoren tot de groep productiebedrijven en 250 die behoren tot de groep fokbedrijven, moeten 147 bedrijven uit de groep productiebedrijven en 102 bedrijven uit de groep fokbedrijven worden bemonsterd.

Tabel 1

Aantal bedrijven met in elk deel van het onderzoek te bemonsteren fokvarkens als functie van de eindige populatiegrootte (totaal aantal bedrijven met fokvarkens in de lidstaten)

Aantal bedrijven met fokvarkens (N)

Steekproefgrootte (n) voor eindigepopulatiegrootte 7,5 % nauwkeurigheid

100 000

171

10 000

169

5 000

166

2 000

158

1 000

147

500

128

250

102

150

80

125

73

100

64

90

59

80

55

70

50

60

45

50

39

40

33

30

26

20

18

10

10

Op non-respons wordt geanticipeerd, bv. door de steekproefgrootte in elke groep met 10 % te vergroten. Niet-geschikte bedrijven worden tijdens het onderzoek vervangen (zie punt 2.2.1).

Ingeval een schatting van het aantal „fokbedrijven” vóór het begin van het onderzoek niet mogelijk is, wordt een aantal bedrijven voor bemonstering geselecteerd, als aangegeven in tabel 1, op grond van het totale aantal bedrijven met zeugen (X-bedrijven). Het aantal te bemonsteren bedrijven wordt met ten minste 30 % ((X + 30 %) bedrijven) verhoogd. Vóór het begin van het onderzoek stelt de bevoegde autoriteit een aantal fokbedrijven vast, gelijk aan ten minste deze extra 30 %. Bij het bezoek aan de bedrijven zal het bedrijf volgens de hierboven vermelde definities als fok- of productiebedrijf worden ingedeeld.

2.3.2.   Secundaire steekproefgrootte (steekproefgrootte in de tweede fase)

In elk geselecteerd bedrijf worden routinefecesmonsters (zie punt 3.1) verzameld van tien aselect gekozen hokken, uitlopen of groepen fokvarkens. Zo nodig (bijvoorbeeld in stallen voor zuigende biggen of wanneer zeugen in kleine groepen van minder dan tien dieren worden gehouden) kan een groep uit meer dan één hok bestaan. Ten minste tien afzonderlijke fokvarkens moeten bijdragen tot elk routinemonster.

Wanneer in kleine bedrijven of bedrijven met grote aantallen buiten in paddocks gehouden fokvarkens het aantal hokken, uitlopen of groepen minder dan tien bedraagt, is bemonstering van elk hok, elke uitloop of elke groep vereist, zodat in totaal tien routinemonsters worden ingediend.

3.   VERZAMELING VAN MONSTERS IN DE BESLAGEN

3.1.   Type en bijzonderheden van het routinemonster

Het voor bacteriologische analyse verzamelde materiaal moet bestaan uit verse feces uit het gehele bedrijf dat de onderzoekeenheid vormt. Aangezien elk bedrijf uniek is, wordt vóór het begin van de bemonstering besloten welke hokken, uitlopen of groepen binnen het bedrijf worden bemonsterd. Het verzamelde monster wordt ter vermijding van kruisbesmetting in een afzonderlijke container gedaan en naar het laboratorium gezonden.

Elk gepoold monster weegt in totaal ten minste 25 g en voor de verzameling van deze gepoolde fecesmonsters zijn twee benaderingen mogelijk:

1)

wanneer binnen een hok of een uitloop een accumulatie van gemengde feces aanwezig is, kan een grote swab (bv. 20 cm × 20 cm) worden gebruikt om een monster van de fecesmassa te nemen, waarbij ervoor wordt gezorgd dat ten minste 25 g gemengd materiaal wordt verzameld. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door de swab te bewegen langs een 2 m breed zigzagpad, zodat hij goed met fecesmateriaal wordt bekleed. Bijvoorbeeld bij warm weer of op een lattenvloer mag de swab zo nodig worden bevochtigd met een geschikte vloeistof zoals drinkwater.

2)

wanneer geen dergelijke accumulatie aanwezig is, bijvoorbeeld op een veld, een grote uitloop, in een biggenstal of in hokken of andere behuizing met kleine aantallen varkens per groep, worden uit de afzonderlijke versefecesmassa's of -plaatsen afzonderlijke grepen geselecteerd, zodat minimaal tien afzonderlijke dieren bijdragen aan een totaal monstervolume van ten minste 25 g. De plaatsen waar deze grepen worden verzameld, moeten op representatieve wijze over het betrokken gebied zijn verspreid.

Wanneer praktisch mogelijk, wordt de voorkeur gegeven aan benadering 1. Bij deze benadering moeten ten minste tien afzonderlijke varkens bijdragen aan elk genomen monster, anders wordt benadering 2 toegepast.

3.2.   Aanvullende bemonstering voor de studie naar de prevalentie binnen de bedrijven

Tien bedrijven, die aselect zijn geselecteerd uit de totale steekproef van fokbedrijven en productiebedrijven, worden ook onderworpen aan een meer intensieve bemonstering. In deze bedrijven worden tien routinemonsters verzameld op dezelfde wijze als hierboven beschreven (punt 3.1). Bovendien worden tien individuele monsters van ten minste 30 g in elk geselecteerd hok verzameld en zodanig geïdentificeerd dat deze tien individuele monsters met het routinemonster uit dat hok kunnen worden geassocieerd. Er worden bijgevolg in totaal tien routinemonsters en 100 (10 × 10) individuele monsters van elk van deze tien bedrijven verzameld. De verwerking van deze monsters wordt beschreven in punt 4.3.1.

Deze bemonstering moet worden uitgevoerd in Tsjechië, Denemarken, Roemenië, Slovenië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.

3.3.   Informatie over het monster

Alle relevante informatie betreffende het monster moet op een door de bevoegde autoriteit opgesteld monsterformulier worden geregistreerd, zodat aan de gegevensvoorschriften van deel 5 kan worden voldaan.

Elk monster en het bijbehorende monsterformulier moeten voorzien zijn van een uniek nummer dat van de monsterneming tot en met de analyse wordt gebruikt en van de code van het hok. De bevoegde autoriteit draagt zorg voor de invoering en gebruikmaking van een systeem voor unieke nummering.

3.4.   Vervoer van de monsters

De monsters worden bij voorkeur bewaard bij een temperatuur van + 2 tot + 8 °C en staan tijdens het vervoer niet bloot aan externe verontreiniging. De monsters worden zo spoedig mogelijk binnen 36 uur per exprespost of per koerierdienst naar het laboratorium gezonden en moeten daar uiterlijk 72 uur na de bemonstering aankomen.

4.   ANALYSEMETHODEN IN LABORATORIA

4.1.   Laboratoria

De analyse en de serotypering vinden plaats in het nationale referentielaboratorium. Indien het nationale referentielaboratorium niet over de capaciteit beschikt om alle analysen te verrichten, of indien het referentielaboratorium niet het laboratorium is dat gewoonlijk de tests uitvoert, kunnen de bevoegde autoriteiten besluiten een beperkt aantal andere laboratoria die betrokken zijn bij het officiële toezicht op salmonella voor het verrichten van de analysen aan te wijzen. Deze laboratoria beschikken over bewezen ervaring in het gebruik van de vereiste detectiemethode, passen een kwaliteitsborgingssysteem toe overeenkomstig ISO-norm 17025 en staan onder toezicht van het nationale referentielaboratorium.

4.2.   Ontvangst van de monsters

In het laboratorium worden de monsters koel bewaard tot het bacteriologische onderzoek, dat bij voorkeur wordt uitgevoerd binnen 24 uur na ontvangst zodat met de analyse uiterlijk 96 uur na de verzameling van het monster wordt begonnen.

4.3.   Analyse van het monster

De lidstaten garanderen dat alle betrokken partijen voldoende zijn opgeleid om de analysen uit te voeren.

4.3.1.   Voorbereiding

In het laboratorium worden de routinemonsters zorgvuldig en grondig gemengd voordat 25 g voor analyse wordt verzameld.

Voor de evaluatie van de prevalentie binnen het bedrijf overeenkomstig punt 3.2 moet elk van de individuele verzamelde monsters (30 g) in twee delen worden verdeeld. Eén deel met een gewicht van ten minste 25 g wordt zorgvuldig en grondig gemengd en vervolgens afzonderlijk gecultiveerd. Het resterende tweede deel moet worden gebruikt voor de bereiding van een kunstmatig gepoold monster van de tien individuele monsters in het/de geselecteerde hok, groep of uitloop. Dit tweede deel wordt bereid door het samenvoegen van tien keer 2,5 g van de individuele monsters tot een kunstmatig gepoold monster van 25 g. De kunstmatig gepoolde monsters worden vóór de analyse zorgvuldig en grondig gemengd. In totaal worden tien routinemonsters, tien kunstmatig gepoolde monsters en 100 individuele monsters geanalyseerd van elk van de tien bedrijven die voor de schatting van de prevalentie binnen het bedrijf zijn geselecteerd.

4.3.2.   Detectie- en identificatiemethoden

4.3.2.1.   Detectie van salmonella

De gebruikte methode is de door het communautaire referentielaboratorium (CRL) voor salmonella in Bilthoven, Nederland, aanbevolen methode. Deze methode wordt beschreven in bijlage D van ISO 6579: „Detection of Salmonella spp. in animal faeces and in samples of the primary production stage”. De laatste versie van bijlage D moet worden gebruikt.

4.3.2.2.   Serotypering van salmonella

Alle geïsoleerde en als Salmonella spp. bevestigde stammen worden door het nationaal referentielaboratorium voor salmonella geserotypeerd volgens het Kaufmann-White-schema.

Voor de kwaliteitsborging worden 16 typeerbare stammen en 16 niet-typeerbare isolaten naar het CRL voor salmonella gestuurd. Per kwartaal wordt een bepaald aantal isolaten naar het communautaire referentielaboratorium gestuurd. Als minder stammen zijn geïsoleerd, worden alle stammen naar het CRL gestuurd.

4.3.2.3.   Faagtypering van salmonella

Als een faagtypering van isolaten van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium wordt uitgevoerd (optioneel), wordt gebruikgemaakt van de methoden die zijn beschreven door het WHO reference centre for phage typing of Salmonella van de Health Protection Agency (HPA), Colindale, Londen.

5.   VERSLAGEN VAN DE LIDSTATEN

5.1.   Algemene beschrijving van de uitvoering van het onderzoek

Een verslag in tekstformaat, dat ten minste omvat:

a)

Lidstaat

b)

Beschrijving van de populatie bedrijven met fokvarkens

1)

Fokbedrijven

i)

Totaal aantal fokbedrijven

ii)

Totaal aantal raszuivere bedrijven

iii)

Totaal aantal vermeerderingsbedrijven

iv)

Aantal volgens plan te bemonsteren fokbedrijven en aantal fokbedrijven dat daadwerkelijk is bemonsterd; aantal voor bemonstering geplande bedrijven die toch niet zijn bemonsterd en de reden daarvoor

v)

Opmerkingen over de algemene representativiteit van het programma voor de bemonstering van fokbedrijven

2)

Productiebedrijven

i)

Totaal aantal productiebedrijven

ii)

Totaal aantal bedrijven met zuigende/gespeende biggen

iii)

Totaal aantal gesloten bedrijven

iv)

Aantal volgens plan te bemonsteren productiebedrijven en aantal productiebedrijven dat daadwerkelijk is bemonsterd; aantal voor bemonstering geplande bedrijven die toch niet zijn bemonsterd en de reden daarvoor

v)

Eventuele opmerkingen over de algemene representativiteit van het programma voor de bemonstering van productiebedrijven

c)

Aantal verkregen en geanalyseerde monsters:

i)

van fokbedrijven

ii)

van productiebedrijven

iii)

van bemonsterde bedrijven voor de studie naar de prevalentie binnen de bedrijven

d)

Algemene resultaten

i)

Prevalentie van fokbedrijven en productiebedrijven die zijn besmet met salmonella en serovars van salmonella

ii)

Resultaat van de studie naar de prevalentie binnen de bedrijven

e)

Lijst van de verantwoordelijke laboratoria in de basisstudie voor salmonella

i)

Detectie

ii)

Serotypering

iii)

Faagtypering (indien uitgevoerd).

5.2.   Volledige gegevens over elk bemonsterd bedrijf en overeenkomstige testresultaten

De lidstaten leggen de resultaten van het onderzoek elektronisch voor in de vorm van ruwe gegevens onder gebruikmaking van een door de Commissie verstrekte data dictionary en gegevensverzamelingsformulieren. Deze dictionary en deze formulieren worden door de Commissie vastgesteld.

5.2.1.   De volgende informatie wordt in de lidstaten verzameld voor elk bedrijf dat voor bemonstering is geselecteerd

a)

Code van het bedrijf

b)

Productietype van het bedrijf

i)

Overdekt tegenover „een of meer productiefasen buiten”

ii)

Raszuiver bedrijf, vermeerderingsbedrijf, bedrijf met zuigende biggen, gesloten bedrijf, bedrijf met zuigende biggen en gespeende biggen

c)

Grootte van het bedrijf: het aantal op het tijdstip van de bemonstering aanwezige fokvarkens (inventaris van volwassen dieren)

d)

Vervangingsbeleid: alle vervangingsfokvarkens aangekocht; sommige vervangingsfokvarkens zelf gekweekt of alle vervangingsfokvarkens zelf gekweekt

e)

(Vrijwillig:) Klinische symptomen van diarree: waren er symptomen van diarree in de drie maanden voor de bemonstering?

5.2.2.   De volgende informatie wordt in de lidstaten verzameld voor elk monster dat naar het laboratorium wordt gestuurd

a)

Code van het monster

b)

Code van het bij de eerste analyse betrokken laboratorium

c)

Datum van de bemonstering

d)

Begindatum van de laboratoriumanalyse

e)

Detectie van salmonella: kwalitatief resultaat (positief/negatief)

f)

Serotypering van salmonella: gedetecteerde serovar(s) (er kunnen er meer dan één zijn)

g)

Leeftijd van de varkens: alle gelten tegenover fokvarkens van verschillende leeftijd

h)

Geslacht : alleen zeugen; zeugen en beren of alleen beren

i)

Productiefase: moederschap; dekken, dracht (andere?)

j)

Behuizing: lattenvloer (volledig/gedeeltelijk); harde vloer; diep stro of andere

k)

Voeder: worden de varkens in dit hok, deze uitloop of deze groep uitsluitend met mengvoeder gevoerd?

l)

Voedersupplement: wordt aan het voeder een salmonellareducerende stof toegevoegd (zoals organisch zuur, een probioticum)?

m)

Systematisch gebruik van antibiotica: worden aan alle dieren van deze groep op welke wijze ook antibiotica toegediend?

n)

De laatste datum van toediening van antimicrobiële stoffen aan de dieren (in de laatste vier weken)

5.2.3.   De volgende aanvullende informatie wordt in de lidstaten verzameld voor elk individueel monster dat naar het laboratorium wordt gestuurd in het kader van de bemonstering voor de prevalentie binnen de bedrijven

a)

Code van het gepoolde monster

b)

Detectie van salmonella in elk individueel monster: kwalitatief resultaat (positief/negatief)

c)

Serotypering van salmonella in elk individueel monster: gedetecteerde serovar(s) (er kunnen er meer dan één zijn).


BIJLAGE II

Maximale financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de lidstaten, als bedoeld in artikel 5

Lidstaat

Maximaal totaalbedrag voor de medefinanciering van analysen (EUR)

België – BE

59 800

Bulgarije – BG

52 260

Tsjechië – CZ

102 960

Denemarken – DK

98 280

Duitsland – DE

57 980

Estland – EE

9 360

Ierland – IE

43 420

Griekenland – EL

39 260

Spanje – ES

82 680

Frankrijk – FR

82 680

Italië – IT

79 300

Cyprus – CY

20 020

Letland – LV

3 380

Litouwen – LT

13 780

Luxemburg – LU

11 960

Hongarije – HU

74 360

Malta – MT

0

Nederland – NL

87 100

Oostenrijk – AT

59 020

Polen – PL

85 020

Portugal – PT

54 860

Roemenië – RO

107 900

Slovenië – SI

81 120

Slowakije – SK

54 080

Finland – FI

64 740

Zweden – SE

81 120

Verenigd Koninkrijk – UK

102 960

Totaal

1 609 400


BIJLAGE III

Image