ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 198

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
31 juli 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 906/2007 van de Raad van 23 juli 2007 tot beëindiging van het tussentijds nieuw onderzoek van antidumpingmaatregelen die bij Verordening (EG) nr. 1910/2006 betreffende de invoer van televisiecamerasystemen van oorsprong uit Japan zijn ingesteld en tot intrekking van de antidumpingmaatregelen die bij Verordening (EG) nr. 1910/2006 zijn ingesteld

1

 

*

Verordening (EG) nr. 907/2007 van de Raad van 23 juli 2007 tot intrekking van het antidumpingrecht op ureum van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad bij het vervallen van die maatregel en tot beëindiging van de gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken overeenkomstig artikel 11, lid 3, inzake de invoer van dat product van oorsprong uit Rusland

4

 

 

Verordening (EG) nr. 908/2007 van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

20

 

 

Verordening (EG) nr. 909/2007 van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

22

 

 

Verordening (EG) nr. 910/2007 van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van het op de restitutie voor granen toe te passen correctiebedrag

24

 

 

Verordening (EG) nr. 911/2007 van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mout

26

 

 

Verordening (EG) nr. 912/2007 van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van het op de restitutie voor mout toe te passen correctiebedrag

28

 

 

Verordening (EG) nr. 913/2007 van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van de restituties die gelden voor de in het kader van communautaire en nationale voedselhulpacties geleverde producten van de sectoren granen en rijst

30

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2007/539/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 4 juli 2007 tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan

32

 

 

2007/540/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 30 juli 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot het gebruik van halon 2402 in Bulgarije (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3594)

35

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/1


VERORDENING (EG) Nr. 906/2007 VAN DE RAAD

van 23 juli 2007

tot beëindiging van het tussentijds nieuw onderzoek van antidumpingmaatregelen die bij Verordening (EG) nr. 1910/2006 betreffende de invoer van televisiecamerasystemen van oorsprong uit Japan zijn ingesteld en tot intrekking van de antidumpingmaatregelen die bij Verordening (EG) nr. 1910/2006 zijn ingesteld

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna „de basisverordening” genoemd), en met name op artikel 11, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   GELDENDE MAATREGELEN

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 2042/2000 van de Raad (2) werden definitieve antidumpingrechten ingesteld op televisiecamerasystemen van oorsprong uit Japan, momenteel vallende onder de GN-codes ex 8525 80 19, ex 8528 49 35, ex 8528 49 91, ex 8528 59 90, ex 8529 90 92, ex 8529 90 97, ex 8537 10 91, ex 8537 10 99 en 8543 70 90 (GN-codes sinds 1 januari 2007).

(2)

In december 2006 bevestigde de Raad deze maatregelen bij Verordening (EG) nr. 1910/2006 (3) na een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening (hierna de „oorspronkelijke maatregelen” genoemd).

B.   PROCEDURE

(3)

Op 4 april 2006 heeft de Commissie een klacht ontvangen over vermeende schade veroorzakende dumping door de invoer van bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan.

(4)

De klacht werd ingediend door Grass Valley Nederland BV namens communautaire producenten die overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening samen een groot deel van de totale productie van bepaalde camerasystemen voor hun rekening nemen.

(5)

Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal inzake dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om tot inleiding van een antidumpingprocedure over te gaan.

(6)

De Commissie heeft door de bekendmaking van een bericht (hierna het „bericht van inleiding” genoemd) in het Publicatieblad van de Europese Unie  (4) dienovereenkomstig een antidumpingprocedure ingeleid betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde camerasystemen, momenteel vallende onder de GN-codes ex 8525 80 19, ex 8525 80 91, ex 8528 49 10, ex 8528 49 35, ex 8528 49 91, ex 8528 59 10, ex 8528 59 90, ex 8529 90 92, ex 8529 90 97, ex 8537 10 91, ex 8537 10 99, ex 8543 70 90 en ex 9002 90 00 (GN-codes sinds 1 januari 2007), van oorsprong uit Japan.

(7)

In het bericht van inleiding werd het product omschreven als bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan bestaande uit:

a)

een camerakop:

i)

met geïntegreerde zoeker, zoekeraansluiting of zoekerfunctie;

ii)

met geïntegreerd optisch blok, frontmodule of gelijkaardige inrichting (zie onderstaande beschrijving), dan wel met een aansluiting of aansluitingsmogelijkheid daarvoor;

iii)

in dezelfde behuizing als de camera-adapter of in een afzonderlijke behuizing;

b)

een camera-adapter die al dan niet deel uitmaakt van de camerakop;

c)

een optisch blok, frontmodule of soortgelijke inrichting met een of meer beeldsensoren met een effectieve diagonaal van het lichtgevoelige scanoppervlak van ten minste 6 mm, al dan niet geïntegreerd in de camerakop;

d)

een zoeker; al dan niet geïntegreerd in de camerakop;

e)

een basisstation of camerabesturingseenheid („CCU” of camera control unit) die door middel van een kabel of anderszins, bijvoorbeeld door een draadloze verbinding, met de camera is verbonden;

f)

een bedieningspaneel („OCP” of operational control panel) of soortgelijke inrichting voor het bedienen van afzonderlijke camera's (met name voor kleurinstelling, lensopening of diafragma);

g)

een centraal regelpaneel („MCP” of master control panel) of centrale regeleenheid („MSU” of master set-up unit) voor het overzicht en de afstandsbediening van verschillende camera's;

h)

een adapter zoals een „large lens adapter” of „superXpander” die het mogelijk maakt boxtype lenzen op draagbare camera's te gebruiken,

die hetzij als een geheel of afzonderlijk worden ingevoerd, van oorsprong uit Japan.

De camerasystemen behoeven niet noodzakelijkerwijs uit alle bovengenoemde onderdelen te bestaan.

De hierboven genoemde verschillende onderdelen (behalve de camerakop) van een camerasysteem kunnen niet afzonderlijk functioneren en kunnen niet voor andere camerasystemen dan die van een bepaalde producent worden gebruikt.

Lenzen en recorders die niet in dezelfde behuizing zijn opgenomen als de camerakop vallen niet onder de productomschrijving.

Het betrokken product kan worden gebruikt voor omroep en nieuwsgaring, het digitaal opnemen van films en voor andere professionele doeleinden, zoals onder meer voor het maken van materiaal voor onderwijs, amusement, reclame en documentair videomateriaal, zowel voor interne als externe distributie.

(8)

Het product waarop de oorspronkelijke maatregelen betrekking hebben, valt geheel en al onder de hierboven vermelde productdefinitie.

(9)

De Commissie heeft derhalve door middel van hetzelfde bericht overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening een tussentijds nieuw onderzoek geopend naar de maatregelen die bij Verordening (EG) nr. 2042/2000 werden ingesteld. Met dit tussentijds nieuw onderzoek werd beoogd na te gaan of Verordening (EG) nr. 2042/2000 moest worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zou worden vastgesteld dat er maatregelen moesten worden ingesteld ten aanzien van bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan, die derhalve ook op televisiecamerasystemen betrekking zouden hebben waarop maatregelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2042/2000 van toepassing zijn. In dit geval zou het niet juist zijn om de bij Verordening (EG) nr. 2042/2000 ingestelde maatregelen nog langer te handhaven en zou Verordening (EG) nr. 2042/2000 dienovereenkomstig moeten worden gewijzigd.

(10)

Verordening (EG) nr. 2042/2000 zou op 29 december 2006 vervallen. Vóór deze datum verlengde de Raad, zoals vermeld in overweging 2 hierboven, bij Verordening (EG) nr. 1910/2006, die op 22 december 2006 in werking trad, de geldende definitieve antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van televisiecamerasystemen. Het met betrekking tot Verordening (EG) nr. 2042/2000 geopende nieuwe onderzoek werd daarom automatisch uitgebreid tot Verordening (EG) nr. 1910/2006.

(11)

De Commissie heeft de haar bekende betrokken producenten/exporteurs, importeurs en verenigingen van respectievelijk importeurs en exporteurs, de vertegenwoordigers van het land van uitvoer, gebruikers, leveranciers van grondstoffen en de klagende communautaire producent officieel van de opening van het onderzoek in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn een verzoek indienen om te worden gehoord; aan alle betrokkenen werden vragenlijsten toegezonden.

C.   INTREKKING VAN DE KLACHT, BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE EN INTREKKING VAN DE GELDENDE DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(12)

Grass Valley Nederland BV heeft bij schrijven van 12 april 2007 aan de Commissie de klacht officieel ingetrokken. Bij hetzelfde schrijven heeft Grass Valley eveneens zijn steun ingetrokken voor de oorspronkelijke maatregelen ten aanzien van de invoer van televisiecamerasystemen van oorsprong uit Japan, die overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1910/2006 na een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen waren ingesteld.

(13)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de basisverordening kan de procedure worden beëindigd wanneer de klacht wordt ingetrokken, tenzij dit strijdig met het belang van de Gemeenschap is.

(14)

De Commissie heeft de procedure met betrekking tot de invoer in de Gemeenschap van bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan bij Besluit 2007/539/EG (5) beëindigd, aangezien uit het onderzoek geen overwegingen naar voren zijn gekomen waaruit zou blijken dat de beëindiging van de procedure niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn.

(15)

Zoals in overweging 8 vermeld, zijn eveneens definitieve antidumpingrechten van toepassing op televisiecamerasystemen van oorsprong uit Japan die vallen onder de productomschrijving van de procedure betreffende de invoer van bepaalde camerasystemen.

(16)

Zoals in overweging 12 vermeld, heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap door middel van het hierboven genoemde schrijven laten weten dat hij deze maatregelen niet meer steunt en om intrekking ervan verzocht.

(17)

Daarom werd besloten dat de bestaande maatregelen dienden te worden ingetrokken, aangezien uit het onderzoek geen overwegingen naar voren zijn gekomen waaruit zou blijken dat de intrekking van de maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn.

D.   CONCLUSIE

(18)

De belanghebbenden zijn hiervan in kennis gesteld en zijn in de gelegenheid gesteld om hierover opmerkingen te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen die erop wezen dat de beëindiging van het tussentijds nieuw onderzoek en de intrekking van de geldende antidumpingmaatregelen niet in het belang van de Gemeenschap zouden zijn.

(19)

Derhalve wordt geconcludeerd dat dit nieuwe onderzoek moet worden beëindigd en dat de definitieve antidumpingrechten op televisiecamerasystemen van oorsprong uit Japan moeten worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het nieuwe onderzoek van Verordening (EG) nr. 1910/2006 wordt beëindigd en de bij Verordening (EG) nr. 1910/2006 ingestelde antidumpingrechten op televisiecamerasystemen van oorsprong uit Japan worden ingetrokken.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

L. AMADO


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 38. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1909/2006 (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 1).

(3)  PB L 365 van 21.12.2006, blz. 7.

(4)  PB C 117 van 18.5.2006, blz. 8.

(5)  PB L 198 van 31.7.2007, blz. 32.


31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/4


VERORDENING (EG) Nr. 907/2007 VAN DE RAAD

van 23 juli 2007

tot intrekking van het antidumpingrecht op ureum van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad bij het vervallen van die maatregel en tot beëindiging van de gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken overeenkomstig artikel 11, lid 3, inzake de invoer van dat product van oorsprong uit Rusland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 11, leden 2 en 3,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg met het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

De Raad heeft in maart 1995 bij Verordening (EG) nr. 477/95 (2) definitieve antidumpingrechten ingesteld op ureum van oorsprong uit de Russische Federatie („Rusland”). Deze antidumpingrechten waren gelijk aan het verschil tussen 115 ECU per ton en de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, indien deze laatste lager is. Het tot die maatregelen leidende onderzoek wordt hierna aangeduid als „het oorspronkelijke onderzoek”. Na een onderzoek bij het vervallen van het oorspronkelijke recht dat op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening werd geopend, besloot de Raad bij Verordening (EG) nr. 901/2001 (3) dat de maatregelen moesten worden gehandhaafd. Momenteel gelden variabele rechten op basis van een minimuminvoerprijs (MIP) van 115 EUR per ton („de bestaande maatregelen”). Het tot handhaving van de maatregelen leidende onderzoek bij het vervallen van de maatregelen wordt hierna aangeduid als „het vorige nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen”.

(2)

In december 2003 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 2228/2003 (4) een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek beëindigd dat op initiatief van de Commissie op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening was geopend om na te gaan of de vorm van de maatregelen nog geschikt was. De bestaande maatregelen werden niet gewijzigd.

2.   Verzoeken om een nieuw onderzoek

(3)

In augustus 2005 heeft de Commissie een bericht bekendgemaakt dat de bestaande maatregelen op korte termijn zouden vervallen (5). Zij ontving op 9 februari 2006 een verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening en een verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening, dat alleen de vorm van de maatregelen betrof.

(4)

Deze verzoeken werden ingediend door de European Fertilizer Manufacturers Association (EFMA) („de indiener van het verzoek”) namens producenten die samen een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de totale productie van ureum in de Gemeenschap voor hun rekening nemen.

(5)

De indiener van het verzoek beweerde, op grond van voldoende voorlopig bewijsmateriaal, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting of herhaling van de dumping en schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als gevolg van de invoer van ureum van oorsprong uit Rusland („het betrokken land”) en dat de vorm van de bestaande maatregelen ontoereikend is om de schadelijke gevolgen van de dumping op te heffen.

(6)

Bovendien werd op 14 september 2006 een verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van Verordening (EG) nr. 901/2001 ontvangen van Joint Stock Company „Mineral and Chemical Company EuroChem” („EuroChem”), een producent/exporteur van ureum in Rusland waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn.

(7)

In het verzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening verstrekte EuroChem voorlopig bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de omstandigheden op basis waarvan de maatregelen waren genomen, voor dit bedrijf waren veranderd en dat deze veranderingen van blijvende aard waren. EuroChem verstrekte bewijzen waaruit bleek dat een vergelijking tussen de eigen kosten en de uitvoerprijzen van dit bedrijf zou leiden tot een vermindering van de dumping tot ver beneden het niveau van de huidige maatregelen. Daarom hoeven de maatregelen volgens EuroChem niet meer op het huidige niveau te worden gehandhaafd om de gevolgen van dumping te neutraliseren, daar dit niveau gebaseerd is op de eerder vastgestelde dumpingmarge.

(8)

Daar de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening en twee gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening te openen, heeft zij deze drie onderzoeken door middel van bekendmakingen in het Publicatieblad van de Europese Unie  (6) geopend.

3.   Onderzoek

3.1.   Onderzoektijdvak

(9)

Het onderzoek bij het vervallen van de maatregelen naar de voortzetting of herhaling van dumping had betrekking op de periode van 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006 („het nieuwe onderzoektijdvak” of „NOT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling of het waarschijnlijk is dat de schade zal voortduren of opnieuw zal optreden, had betrekking op de periode van 2002 tot het eind van het nieuwe onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”). Het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek om na te gaan of de vorm van de maatregelen nog geschikt was, had betrekking op dezelfde beoordelingsperiode als het onderzoek bij het vervallen van de maatregelen. Voor het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek dat beperkt was tot dumping door EuroChem liep het onderzoektijdvak van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006.

3.2.   Bij het onderzoek betrokken partijen

(10)

De Commissie heeft de haar bekende betrokken producenten/exporteurs in Rusland, importeurs en gebruikers en hun verenigingen, de vertegenwoordigers van het betrokken land van uitvoer, de indiener van het verzoek en de haar bekende communautaire producenten officieel van de opening van de twee nieuwe onderzoeken in kennis gesteld. Belanghebbenden kregen de gelegenheid om binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(11)

De Commissie heeft EuroChem, de indiener van het verzoek, en de vertegenwoordigers van Rusland officieel in kennis gesteld van de opening van het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek dat beperkt was tot dumping door dit bedrijf. Belanghebbenden kregen de gelegenheid om binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(12)

Alle belanghebbenden die daarom met opgave van redenen hadden verzocht, werden gehoord.

(13)

Voor het nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen en het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar de vorm van de maatregelen werd, wegens het schijnbaar grote aantal producenten en importeurs in de Gemeenschap en producenten/exporteurs in Rusland, overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening besloten na te gaan of gebruik moest worden gemaakt van een steekproef. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft de Commissie bovengenoemde partijen overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening verzocht binnen 15 dagen na de opening van het onderzoek contact met haar op te nemen en haar de in het bericht van inleiding gevraagde gegevens te verstrekken.

(14)

Van de importeurs in de Gemeenschap verstrekte er slechts één de in het bericht van inleiding gevraagde informatie en verklaarde zich bereid de diensten van de Commissie verdere medewerking te verlenen. Daarom werd besloten dat een steekproef van de importeurs niet nodig was.

(15)

Negen communautaire producenten vulden het formulier voor de samenstelling van de steekproef naar behoren in en zegden formeel hun verdere medewerking aan het onderzoek toe. Van deze negen bedrijven zijn er vier in de steekproef opgenomen, die wegens de omvang van hun productie en verkoop van ureum in de Gemeenschap representatief werden geacht voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. In het nieuwe onderzoektijdvak vertegenwoordigden de vier in de steekproef opgenomen communautaire producenten ongeveer 50 % van de totale productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals hieronder gedefinieerd in overweging 63, terwijl de bovengenoemde negen communautaire producenten ongeveer 60 % van de productie in de Gemeenschap vertegenwoordigden. De steekproef omvatte de grootste representatieve productie- en verkoophoeveelheden van ureum in de Gemeenschap die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht.

(16)

Vijf producenten/exporteurs stuurden het formulier voor de samenstelling van de steekproef binnen de termijn ingevuld terug en zegden formeel toe verder aan het onderzoek te zullen meewerken. Deze vijf producenten/exporteurs vertegenwoordigden 60 % van de totale Russische uitvoer naar de Gemeenschap tijdens het nieuwe onderzoektijdvak.

(17)

Overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening werd op basis van de grootste representatieve exporthoeveelheid van ureum naar de Gemeenschap die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht, een steekproef van drie producenten/exporteurs samengesteld. Deze drie producenten/exporteurs vertegenwoordigden 50 % van de totale Russische uitvoer naar de Gemeenschap tijdens het nieuwe onderzoektijdvak.

(18)

Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werd met de betrokken partijen overleg gepleegd over de samengestelde steekproeven; zij maakten geen bezwaar tegen de selectie.

(19)

Op grond van aanvullende informatie werd later vastgesteld dat een van de drie in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs in feite niet tot de producenten/exporteurs met de grootste exporthoeveelheid naar de Gemeenschap behoorde. Deze producent/exporteur is daarom van de steekproef uitgesloten en vervangen door de producent/exporteur die als vierde was gerangschikt. De aldus aangepaste steekproef vertegenwoordigde 48 % van de totale Russische uitvoer naar de Gemeenschap tijdens het nieuwe onderzoektijdvak.

(20)

Aan de vier in de steekproef opgenomen communautaire producenten, de drie in de steekproef opgenomen Russische producenten/exporteurs en alle importeurs en gebruikers die zichzelf hadden aangemeld, werd een vragenlijst toegezonden.

(21)

De vier in de steekproef opgenomen communautaire producenten, de drie Russische producenten/exporteurs in de steekproef, een niet-verbonden importeur en zeven gebruikers in de Gemeenschap stuurden de vragenlijst ingevuld terug. Bovendien hebben verschillende importeurs en gebruikers en hun verenigingen opmerkingen ingediend zonder de vragenlijst in te vullen.

(22)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor haar analyses nodig achtte, ingewonnen en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:

a)

in de steekproef opgenomen communautaire producenten:

Fertiberia SA, Madrid, Spanje;

Nitrogénművek Zrt., Pétfűrdo, Hongarije;

SKW Stickstoffwerke Piesteritz GmbH, Lutherstadt Wittenberg, Duitsland;

Yara nv, Brussel, België en zijn verbonden producent Yara Sluiskil bv, Sluiskil, Nederland;

b)

in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs in Rusland:

JSC Mineral and Chemical Company („Eurochem”), Moskou, Rusland, en zijn twee verbonden productiebedrijven:

OJSC Azot („NAK Azot”), Novomoskovsk, Rusland, en

OJSC Nevinnomyssky Azot („Nevinka Azot”), Nevinnomyssk, Rusland;

JSC Minudobrenia, Perm, Rusland;

JSC Acron, Veliki Novgorod, Rusland.

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(23)

Het betrokken product is hetzelfde als in het oorspronkelijke onderzoek en in het vorige nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen, d.w.z. ureum ingedeeld onder de GN-codes 3102 10 10 en 3102 10 90, van oorsprong uit Rusland.

(24)

De belangrijkste grondstof voor ureum is ammoniak, dat op zijn beurt uit aardgas wordt geproduceerd. Het kan zowel een vaste als een vloeibare vorm hebben. In vaste vorm kan ureum voor landbouw- en industriële toepassingen worden gebruikt. In de landbouw wordt het als meststof gebruikt of als additief in veevoer. In de industrie wordt het gebruikt als grondstof voor de productie van bepaalde soorten lijm en kunststoffen. Vloeibaar ureum kan zowel als meststof als voor industriële doeleinden worden gebruikt. Hoewel ureum dus verschillende vormen kan hebben, zijn de chemische eigenschappen steeds gelijk; alle vormen kunnen voor dit onderzoek dan ook als één product worden beschouwd.

2.   Soortgelijk product

(25)

Dit nieuwe onderzoek bevestigde wat in het oorspronkelijke onderzoek en het vorige nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen al was vastgesteld, namelijk dat het betrokken product en het door de communautaire producenten geproduceerde en op de communautaire markt verkochte ureum, alsook het op de Russische binnenlandse markt geproduceerde en verkochte ureum, dezelfde chemische eigenschappen hebben en in wezen voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Daarom worden al deze producten beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING

1.   Voortzetting van dumping tijdens het nieuwe onderzoektijdvak

(26)

Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening is nagegaan of tijdens het nieuwe onderzoektijdvak dumping plaatsvond, en zo ja, of het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting van dumping zal leiden.

1.1.   Algemeen

(27)

Zoals hierboven in overweging 16 is aangegeven, werkten vijf Russische producenten/exporteurs van ureum aan het onderzoek mee. Deze vijf producenten vertegenwoordigden tijdens het nieuwe onderzoektijdvak 60 % van de uitvoer van ureum van oorsprong uit Rusland naar de Gemeenschap, wat overeenkomt met 1,39 miljoen ton. De invoer in de Gemeenschap van het betrokken product van oorsprong uit Rusland vertegenwoordigde 16 % van het verbruik in de Gemeenschap, dat tijdens het nieuwe onderzoektijdvak 8,98 miljoen ton bedroeg.

(28)

Het niveau van medewerking was dus hoog.

1.2.   Normale waarde

(29)

Er zij op gewezen dat één producent/exporteur een meerderheidsbelang heeft in twee verbonden ondernemingen, die beide ureum produceren en uitvoeren. De in overweging 19 bedoelde steekproef omvat daarom vier bedrijven.

(30)

In de eerste plaats werd voor elk van de vier bedrijven nagegaan of hun totale binnenlandse verkoop van ureum representatief was overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening, d.w.z. of deze 5 % of meer bedroeg van de totale uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap. Het onderzoek toonde aan dat alle vier de bedrijven representatieve hoeveelheden ureum op de binnenlandse markt verkochten.

(31)

Om vast te stellen of de binnenlandse verkoop van ureum in het kader van normale handelstransacties plaatsvond, moesten de fabricagekosten worden bepaald. In dit verband wordt erop gewezen dat de energiekosten, zoals elektriciteit en gas, een groot deel van de fabricagekosten en een aanzienlijk deel van de totale productiekosten uitmaken. Daarom werd overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening onderzocht of de administratie van de betrokken partijen een redelijk beeld gaf van de aan de vervaardiging en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten.

(32)

Er waren geen aanwijzingen dat de administratie geen redelijk beeld van de elektriciteitskosten gaf. Daarbij wordt onder meer opgemerkt dat de elektriciteitsprijzen die de Russische producenten in het nieuwe onderzoektijdvak betaalden, overeenkwamen met de internationale marktprijzen, zoals uit een vergelijking met andere landen zoals Canada en Noorwegen naar voren kwam. Voor de gasprijzen lag de situatie evenwel anders.

(33)

Uit de gepubliceerde gegevens van internationaal erkende, in energiemarkten gespecialiseerde bronnen bleek namelijk dat de Russische producenten abnormaal lage gasprijzen betaalden. De prijzen bedroegen slechts een vijfde van de uitvoerprijzen van aardgas uit Rusland en lagen ook aanzienlijk lager dan de gasprijzen die de communautaire producenten betaalden. Alle beschikbare gegevens duiden erop dat de binnenlandse gasprijzen in Rusland gereguleerd waren en ver onder de marktprijzen lagen die op de niet-gereguleerde markten voor aardgas werden betaald. Omdat de administratie van de vier bedrijven geen redelijk beeld van de gaskosten gaf, moesten deze kosten overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening worden gecorrigeerd. De fabricagekosten van de in de steekproef opgenomen bedrijven zijn dienovereenkomstig aangepast.

(34)

Aangezien geen reële gegevens over de gasprijzen op de Russische binnenlandse markt beschikbaar waren, moesten overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening gasprijzen worden vastgesteld „op een andere redelijke basis, zoals aan de hand van gegevens over andere representatieve markten”. De gecorrigeerde prijs werd gebaseerd op de gemiddelde uitvoerprijs van Russisch gas aan de Duits-Tsjechische grens („Waidhaus”), exclusief transportkosten. Waidhaus is het voornaamste leveringspunt voor Russisch gas aan de Europese Unie, die de grootste afnemer van Russisch aardgas is en waar de prijzen een redelijk beeld van de kosten geven; daarom kan deze markt als representatief worden beschouwd.

(35)

Na de bovengenoemde correctie van de fabricagekosten hadden nog slechts twee bedrijven een representatieve binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties. Voor deze twee bedrijven werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening gebaseerd op hun binnenlandse verkoop van het soortelijke product.

(36)

Voor de andere twee bedrijven werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening vastgesteld op basis van de binnenlandse verkoopprijzen van de in overweging 35 genoemde twee producenten die een representatieve binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties hadden. Met het oog op de vertrouwelijkheid kon deze informatie niet in detail openbaar worden gemaakt, aangezien een van de twee bedrijven waaraan informatie is ontleend, verbonden was met een bedrijf waarvoor de normale waarde is vastgesteld. Als de informatie bekend zou worden gemaakt, zou dit bedrijf vertrouwelijke bedrijfsgegevens over het andere bedrijf kunnen afleiden.

1.3.   Uitvoerprijs

(37)

In alle gevallen waarin het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werd uitgevoerd, werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, d.w.z. aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

(38)

Voor één producent/exporteur, die via een verbonden handelaar in Zwitserland handelde, werd de uitvoerprijs berekend aan de hand van de wederverkoopprijzen van die verbonden handelaar aan onafhankelijke afnemers. Er werden correcties toegepast voor alle kosten tussen aankoop en wederverkoop, zoals vervoerskosten, verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten en er werd een redelijke winstmarge toegevoegd.

1.4.   Vergelijking

(39)

De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken in het stadium af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs mogelijk te maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Dienovereenkomstig werden er in voorkomend geval correcties toegepast voor verschillen in de kosten van vervoer, op- en overslag, laden en lossen en aanverwante kosten, kredietkosten, commissielonen en verpakkingskosten, waar die met gecontroleerd bewijsmateriaal waren gestaafd.

1.5.   Voortzetting van dumping

(40)

Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd de dumpingmarge voor iedere producent/exporteur vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs.

(41)

Uit het onderzoek bleek dat tijdens het nieuwe onderzoektijdvak de dumping doorgaans lager was dan tijdens het vorige nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen. De dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, waren niettemin aanzienlijk, variërend van 6 tot 23 %.

2.   Waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping

2.1.   Effect van intrekking van de bestaande maatregelen op de invoer met dumping

(42)

Zoals aangegeven is in overweging 1, gelden momenteel rechten op basis van een MIP van 115 EUR per ton. Aanvankelijk beïnvloedde deze MIP de Russische prijzen voor de uitvoer van ureum naar de Gemeenschap, maar zoals in overweging 67 wordt aangegeven, liggen deze prijzen sinds 2003 aanmerkelijk boven de MIP. Tijdens het nieuwe onderzoektijdvak lagen de gemiddelde Russische uitvoerprijzen 68 % boven de MIP.

(43)

Er kan dan ook worden geconcludeerd dat de bestaande maatregelen geen invloed hadden op de prijzen, noch op de hoeveelheden van de uitvoer van ureum van oorsprong uit Rusland. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat intrekking van de bestaande maatregelen effect zal hebben op de prijzen of hoeveelheden van de uitvoer van ureum van oorsprong uit Rusland.

(44)

Niettemin werd in het onderzoek ook gekeken naar de mogelijke effecten van i) de bestaande reservecapaciteit en mogelijke nieuwe capaciteit in Rusland en ii) de waarschijnlijkheid dat andere verkoop naar de Gemeenschap wordt verlegd. Hierop wordt hieronder ingegaan.

2.2.   Reservecapaciteit

(45)

De indiener van het verzoek heeft bij zijn verzoek bewijsmateriaal gevoegd waaruit blijkt dat in totaal negen projecten op stapel staan waarbij in de periode 2005-2007 in Rusland aanzienlijke nieuwe capaciteit beschikbaar zal komen als gevolg van revisies, moderniseringen en het oplossen van knelpunten, waardoor de bestaande capaciteit met ten minste 10 % zal toenemen.

2.2.1.   Medewerkende producenten

(46)

De mogelijke consequenties van de bestaande reservecapaciteit werden onderzocht. De in de steekproef opgenomen Russische producenten hebben in de beoordelingsperiode hun productiecapaciteit met ongeveer 5 % kunnen vergroten, en hun productie met ongeveer 15 % opgevoerd. Dit betekent dat hun nominale reservecapaciteit tot 170 000 ton is gedaald, en dus ongeveer 6 % van de productiecapaciteit bedraagt:

 

2002

2003

2004

2005

NOT

Capaciteit

2 567 648

2 567 648

2 567 648

2 640 100

2 686 591

Productie

2 179 525

2 213 096

2 364 564

2 537 327

2 516 367

Reservecapaciteit

388 123

354 552

203 084

102 773

170 224

(47)

Vijf van de negen projecten die in het verzoek werden genoemd, betroffen medewerkende producenten/exporteurs. Twee projecten waren tijdens de beoordelingsperiode reeds voltooid, en dragen dus niet bij tot een vergroting van de reservecapaciteit ten opzichte van het nieuwe onderzoektijdvak. Een van de genoemde projecten bleek de capaciteit nauwelijks te vergroten.

(48)

Voor de twee grootste projecten, die verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van de in overweging 46 genoemde capaciteitstoename, is vastgesteld dat het bedrijf niet alleen in ureumcapaciteit investeert, maar ook in downstreamproductiefaciliteiten voor producten als ureumformaldehydeharsen (UF-harsen) en oplossingen van ureum en ammoniumnitraat (UAN). Deze projecten zijn in een vergevorderd stadium of zijn na het nieuwe onderzoektijdvak inmiddels voltooid. Daarom kan ervan uit worden gegaan dat het grootste deel van de capaciteit van dit project niet voor verkoop aan onafhankelijke afnemers wordt gebruikt, maar intern voor de vervaardiging van deze downstreamproducten dient. In de volgende alinea blijft dit deel dan ook buiten beschouwing.

(49)

Hieruit volgt dat de drie projecten de capaciteit die beschikbaar is voor verkoop aan onafhankelijke afnemers, met ongeveer 150 000 à 200 000 ton zullen vergroten. Dit komt overeen met 10 tot 15 % van de totale Russische uitvoer naar de Gemeenschap tijdens het nieuwe onderzoektijdvak of een potentieel marktaandeel van 1,5 tot 2 % op de communautaire markt.

2.2.2.   Niet-medewerkende producenten

(50)

De totale reservecapaciteit, uitgedrukt als percentage van de productiecapaciteit in Rusland, komt overeen met de reservecapaciteit die voor de medewerkende producenten is vastgesteld, overeenkomstig de informatie die de indiener van het verzoek heeft verstrekt. Daarom wordt de reservecapaciteit van de niet-medewerkende producenten tijdens het nieuwe onderzoektijdvak eveneens op 5 %, ofwel 140 000 ton, vastgesteld.

(51)

Vier van de negen projecten die in het verzoek werden genoemd, betroffen niet-medewerkende producenten/exporteurs. Deze projecten zijn beoordeeld op grond van de beschikbare gegevens. Voor één project werd vastgesteld dat het geen betrekking had op het betrokken product, maar op methanol. Een tweede project was tijdens de beoordelingsperiode reeds voltooid, en draagt dus niet bij tot een vergroting van de reservecapaciteit ten opzichte van het nieuwe onderzoektijdvak. Een derde project betrof een geringe investering van minder dan 1 miljoen EUR per jaar, en werd daarom geacht geen merkbare invloed op de Russische capaciteit te hebben. Het laatste project zou de capaciteit met ongeveer 100 000 ton kunnen doen toenemen (wat overeenkomt met ongeveer 7 % van de totale Russische uitvoer naar de Gemeenschap tijdens het nieuwe onderzoektijdvak of een potentieel marktaandeel van 1 % op de communautaire markt).

2.2.3.   Conclusie betreffende de reservecapaciteit

(52)

Uit het onderzoek blijkt dat op middellange termijn een aanvullende capaciteit van bijna 500 000 ton beschikbaar komt. Omdat een aanzienlijk deel van deze aanvullende capaciteit als gevolg van revisies, moderniseringen en het oplossen van knelpunten echter intern voor de vervaardiging van downstreamproducten zal worden gebruikt, wordt geconcludeerd dat slechts ongeveer de helft van deze hoeveelheid voor verkoop aan onafhankelijke afnemers beschikbaar komt.

(53)

Aangezien de Russische binnenlandse markt klein is en er geen aanwijzingen zijn dat hierin in de toekomst verandering zal komen, zal elke stijging van de productie voor de uitvoer bestemd zijn. Omdat de nominale bezettingsgraad van de Russische producenten rond de 95 % ligt, komen slechts beperkte aanvullende hoeveelheden voor uitvoer beschikbaar.

(54)

De bestaande reservecapaciteit en de in de nabije toekomst verwachte aanvullende capaciteit die niet intern wordt gebruikt, bedragen samen zo’n 550 000 tot 600 000 ton, ofwel 40 % van de totale Russische uitvoer naar de Gemeenschap tijdens het nieuwe onderzoektijdvak, hetgeen overeenkomt met een potentieel marktaandeel op de communautaire markt van ongeveer 6 %. Volgens voorspellingen van in meststoffen gespecialiseerde adviesbureaus, die de indiener van het verzoek heeft verstrekt, zou de wereldvraag naar ureum echter ongeveer gelijk opgaan met de verwachte mondiale capaciteitstoename. De aanvullende hoeveelheden die voor de uitvoer beschikbaar komen, kunnen dus terechtkomen in de gebieden waar een toegenomen vraag bestaat. Waarschijnlijk zal de Russische uitvoer naar de Gemeenschap dus alleen aanzienlijk toenemen als de vraag evenredig groeit, wat betekent dat de aanvullende uitvoer geen negatieve invloed op het prijsniveau op de communautaire markt heeft.

(55)

Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de hoeveelheid van de Russische uitvoer met dumping naar de Gemeenschap zal worden beïnvloed door de Russische reservecapaciteit.

2.3.   Waarschijnlijkheid dat andere verkoop naar de Gemeenschap wordt verlegd

(56)

Tijdens het nieuwe onderzoektijdvak lagen de af-fabriekprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs voor uitvoer naar de Gemeenschap zo’n 1 tot 5 % lager dan de uitvoerprijzen naar andere derde landen. Ook de binnenlandse prijzen waren hoger dan de uitvoerprijzen naar de Gemeenschap; dit gold in het bijzonder voor bedrijven in afgelegen gebieden als gevolg van het grote verschil in vervoerskosten.

(57)

Volgens de indiener van het verzoek wordt er met name in Noord-Afrika en het Midden-Oosten veel geïnvesteerd in de productiecapaciteit voor ureum. Deze nieuwe capaciteit zou de kansen van de Russische exporteurs op andere markten verkleinen, waardoor de uitvoer van Russisch ureum naar de Gemeenschap zou toenemen. Op grond van de in overweging 54 genoemde voorspellingen is echter geconcludeerd dat deze investeringen geen grote invloed zullen hebben op het mondiale evenwicht tussen vraag en aanbod, omdat de toename van de wereldvraag naar verwachting gelijke tred zal houden met de toename van de wereldwijde capaciteit.

(58)

Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de hoeveelheid van de Russische uitvoer met dumping naar de Gemeenschap zal worden beïnvloed door het verleggen van andere verkoop naar de Gemeenschap.

2.4.   Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping

(59)

Op grond van bovenstaande analyse, en met name omdat de bestaande maatregelen geen invloed hebben op de uitvoerprijzen naar de Gemeenschap, wordt geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat de dumping wordt voortgezet als de maatregelen worden ingetrokken.

D.   DEFINITIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

(60)

In de Gemeenschap wordt het soortgelijke product vervaardigd door zestien producenten wier productie als de totale communautaire productie in de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening wordt beschouwd. Acht van de zestien bedrijven zijn bij de uitbreiding van de Europese Unie in 2004 communautaire producenten geworden.

(61)

Van de zestien communautaire producenten hebben negen bedrijven aan het onderzoek meegewerkt, die alle in het verzoek om een nieuw onderzoek werden genoemd. Drie andere producenten hebben binnen de gestelde termijn contact opgenomen en de voor de steekproef vereiste informatie verstrekt. Zij hebben echter niet aangeboden verder mee te werken. Geen enkele communautaire producent heeft bezwaar gemaakt tegen het gevraagde nieuwe onderzoek.

(62)

De volgende negen producenten waren dus tot medewerking bereid:

Achema AB (Litouwen),

AMI Agrolinz Melamine International GmbH (Oostenrijk),

Chemopetrol a.s. (Tsjechië),

Duslo a. s. (Slowakije),

Fertiberia SA (Spanje),

Grande Paroisse SA (Frankrijk),

Nitrogénművek Zrt. (Hongarije),

SKW Stickstoffwerke Piesteritz GmbH (Duitsland),

Yara: bestaande uit Yara France SA (Frankrijk), Yara Italia S.p.a. (Italië), Yara Brunsbuttel GmbH (Duitsland) en Yara Sluiskil bv (Nederland) (7).

(63)

Deze negen communautaire producenten namen tijdens het nieuwe onderzoektijdvak ongeveer 60 % van de totale communautaire productie voor hun rekening, dus een groot deel van de totale communautaire productie van het soortgelijke product. Zij worden dus als de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening beschouwd en zullen hierna als „de bedrijfstak van de Gemeenschap” worden aangeduid. De zeven niet-medewerkende communautaire producenten worden hierna aangeduid als „andere communautaire producenten”.

(64)

Zoals hierboven al is vermeld, is een steekproef van vier bedrijven geselecteerd. Alle in de steekproef opgenomen communautaire producenten hebben medewerking verleend en hebben de vragenlijst binnen de termijn beantwoord. Daarnaast hebben de overige vijf medewerkende producenten bepaalde algemene gegevens voor de schadeanalyse verstrekt.

E.   SITUATIE OP DE COMMUNAUTAIRE MARKT

1.   Verbruik in de Gemeenschap

(65)

Het zichtbare ureumverbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van de door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens en gegevens van Eurostaat over de totale EU-invoer. In verband met de uitbreiding van de Europese Unie in 2004 werd voor de duidelijkheid en coherentie van de analyse het verbruik gedurende de gehele beoordelingsperiode gebaseerd op de markt van de EU-25. Omdat dit onderzoek vóór de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Gemeenschap is geopend, betreft de analyse de EU-25.

(66)

Van 2002 tot het eind van het nieuwe onderzoektijdvak nam het verbruik in de Gemeenschap met 4 % toe.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

Totaal verbruik in de Gemeenschap (t)

8 651 033

8 945 707

8 954 402

8 873 804

8 978 696

Index (2002 = 100)

100

103

104

103

104

2.   Omvang, marktaandeel en prijzen van de invoer uit Rusland

(67)

De ontwikkeling van de omvang, het marktaandeel en de gemiddelde prijzen van de invoer uit Rusland is hieronder weergegeven. De cijfers zijn van Eurostat.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

Omvang van de invoer (t)

1 375 543

1 429 565

1 783 742

1 404 863

1 393 277

Index (2002 = 100)

100

104

130

102

101

Marktaandeel

16 %

16 %

20 %

16 %

16 %

Prijzen van de invoer

(EUR/t)

119

133

154

180

193

Index (2002 = 100)

100

112

129

151

162

(68)

Afgezien van de piek in 2004, die het gevolg was van het aanleggen van voorraden in de tien nieuwe EU-lidstaten voorafgaand aan hun toetreding op 1 mei 2004, waren de omvang van de invoer uit Rusland en het marktaandeel daarvan gedurende de hele beoordelingsperiode vrij constant. De prijzen van de invoer uit Rusland stegen tijdens de beoordelingsperiode van 119 tot 193 EUR/ton. Deze ontwikkeling weerspiegelt de gunstige marktvoorwaarden die ook in overweging 85 worden vermeld.

(69)

Uit de prijzen van de invoer uit Rusland blijkt dat de Russische producenten vanaf het begin van de beoordelingsperiode (2002) aanzienlijk hogere prijzen rekenden voor de uitvoer naar de Gemeenschap dan de minimuminvoerprijs van 115 EUR/ton.

(70)

Voor de berekening van de prijsonderbieding tijdens het nieuwe onderzoektijdvak werden de af-fabriekprijzen die de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden afnemers berekende, vergeleken met de cif-importprijzen, grens Gemeenschap, van de medewerkende producenten/exporteurs van het betrokken land, naar behoren gecorrigeerd om de prijs inclusief lossen, inklaring en invoerrechten („landed cost”) weer te geven. De vergelijking toonde aan dat de prijzen van de invoer uit Rusland niet lager waren dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

3.   Invoer uit andere landen

(71)

In onderstaande tabel wordt de omvang van de invoer uit andere derde landen tijdens de beoordelingsperiode weergegeven. Ook hier zijn de cijfers zijn van Eurostat.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

Omvang van de invoer uit Egypte (t)

579 830

629 801

422 892

385 855

457 056

Marktaandeel

7 %

7 %

5 %

4 %

5 %

Prijzen van de invoer uit Egypte

(EUR/t)

149

163

178

220

224

Omvang van de invoer uit Roemenië (t)

260 298

398 607

235 417

309 195

239 335

Marktaandeel

3 %

4 %

3 %

3 %

3 %

Prijzen van de invoer uit Roemenië

(EUR/t)

123

142

175

197

209

Omvang van de invoer uit Kroatië (t)

126 400

179 325

205 921

187 765

187 362

Marktaandeel

1 %

2 %

2 %

2 %

2 %

Prijzen van de invoer uit Kroatië (EUR/t)

125

135

145

172

177

Omvang van de invoer uit alle andere landen dan bovengenoemde (t)

663 940

605 063

536 345

580 311

492 659

Marktaandeel

8 %

7 %

6 %

7 %

5 %

Prijzen van de invoer uit alle andere landen dan bovengenoemde (EUR/t)

128

172

169

206

216

(72)

De omvang van de uitvoer uit Egypte en Roemenië blijkt tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak te zijn gedaald, terwijl de omvang van de uitvoer uit Kroatië toenam van 126 000 ton in 2002 tot 187 000 ton in het nieuwe onderzoektijdvak. Het aandeel van Kroatië op de communautaire markt bleef echter stabiel op 1 tot 2 %. De prijzen van de uitvoer naar de Gemeenschap van Egypte waren tijdens de hele beoordelingsperiode hoger dan de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap; vanaf 2004 gold dit ook voor de prijzen van de uitvoer uit Roemenië. De prijzen van Kroatië lagen daarentegen tijdens de hele beoordelingsperiode onder de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Het aandeel van Kroatië op de communautaire markt is echter tijdens de beoordelingsperiode niet gegroeid. Er zij op gewezen dat de invoer uit Kroatië sinds januari 2002 onder Verordening (EG) nr. 92/2002 van de Raad (8) valt, dat wil zeggen dat hierop een antidumpingrecht van 9,01 EUR per ton van toepassing is.

4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(73)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening onderzocht de Commissie alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap van invloed waren.

4.1.   Opmerkingen vooraf

(74)

Wanneer gebruik wordt gemaakt van een steekproef, is het vaste praktijk bepaalde schade-indicatoren (productie, productiecapaciteit, productiviteit, voorraden, verkoopvolume, marktaandeel, groei en werkgelegenheid) voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel („BG” in onderstaande tabellen) te analyseren en schade-indicatoren die betrekking hebben op de resultaten van individuele bedrijven (prijzen, winstgevendheid, lonen, investeringen, rendement van investeringen, kasstroom en het vermogen om kapitaal aan te trekken) aan de hand van gegevens over de communautaire producenten in de steekproef („SP” in onderstaande tabellen) te onderzoeken.

4.2.   Gegevens over de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel

a)    Productie

(75)

Tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak bleef de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde hoeveelheid, inclusief de productie voor intern gebruik, constant op 4,3 miljoen ton, afgezien van een tijdelijke lichte toename in 2003. Ook het aandeel in de totale productie van de productie voor intern gebruik was vrij constant, rond de 20 %, waaruit blijkt dat de productie voor intern gebruik geen invloed heeft op de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

BG: productie (t)

4 311 986

4 540 021

4 331 387

4 369 705

4 322 214

Index (2002 = 100)

100

105

100

101

100

BG: productie voor intern gebruik

832 919

837 701

842 643

899 173

893 573

Index (2002 = 100)

100

101

101

108

107

In % van de totale productie

19,3 %

18,5 %

19,5 %

20,6 %

20,7 %

b)    Capaciteit en bezettingsgraad

(76)

De productiecapaciteit nam tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak licht toe (5 %). Omdat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde hoeveelheid constant bleef, daalde de bezettingsgraad in de beoordelingsperiode licht, van 84 % in 2002 tot 81 % in het nieuwe onderzoektijdvak. Zoals in het vorige nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen al werd vermeld, kan de ammoniak die voor de productie van ureum wordt gebruikt, echter ook voor de productie van andere meststoffen worden gebruikt. De bezettingsgraad voor de ureumproductie wordt dus mede beïnvloed door de ontwikkeling van andere meststoffen, waardoor de bezettingsgraad als schade-indicator aan betekenis inboet.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

BG: productiecapaciteit (t)

5 109 600

5 153 906

5 156 743

5 402 760

5 362 590

Index (2002 = 100)

100

101

101

106

105

BG: bezettingsgraad

84 %

88 %

84 %

81 %

81 %

Index (2002 = 100)

100

104

100

96

96

c)    Voorraden

(77)

De eindvoorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap varieerden sterk in de beoordelingsperiode. Van 2002 tot en met 2005 werd een toename van 27 % geregistreerd, terwijl in de laatste drie maanden van het nieuwe onderzoektijdvak (januari t/m maart 2006) een sterke daling plaatsvond. De sterke fluctuaties van de voorraadniveaus kunnen worden verklaard door de seizoensinvloeden op de verkoop en doordat ureum voor intern gebruik gezamenlijk wordt opgeslagen met ureum dat op de vrije markt wordt verkocht. Daarom zijn de voorraden als schade-indicator van minder betekenis.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

BG: eindvoorraden (t)

253 853

238 888

262 194

322 766

223 941

Index (2002 = 100)

100

94

103

127

88

d)    Omvang van de verkoop

(78)

De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt daalde tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak licht, met 3 %.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

BG: omvang van de verkoop in de Gemeenschap (t)

3 155 215

3 242 758

3 054 663

2 996 471

3 048 955

Index (2002 = 100)

100

103

97

95

97

e)    Marktaandeel

(79)

Ook het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap is tijdens de beoordelingsperiode licht gedaald, van 36,5 % in 2002 tot 34,0 % tijdens het nieuwe onderzoektijdvak.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

BG: marktaandeel

36,5 %

36,3 %

34,1 %

33,8 %

34,0 %

Index (2002 = 100)

100

99

93

93

93

f)    Groei

(80)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft in de beoordelingsperiode iets (1,5 procentpunt) aan marktaandeel ingeboet, bij een licht groeiende markt (4 %). Het door de bedrijfstak van de Gemeenschap verloren marktaandeel is niet ten goede gekomen aan de Russische exporteurs, aangezien het marktaandeel van de invoer uit Rusland tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak constant was, zoals aangegeven is in overweging 67. Aangezien tegelijkertijd het marktaandeel van de invoer uit andere landen met 3,5 procentpunt afnam, moet worden geconcludeerd dat het door de bedrijfstak van de Gemeenschap verloren marktaandeel door andere communautaire producenten is overgenomen.

g)    Werkgelegenheid

(81)

De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Gemeenschap is tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak met 6 % gedaald, bij een licht groeiende productie; de productiviteit is dus vergroot.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

BG: werkgelegenheid i.v.m. het betrokken product

1 233

1 228

1 157

1 161

1 164

Index (2002 = 100)

100

100

94

94

94

h)    Productiviteit

(82)

De productie per werknemer per jaar van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak met 6 % toe doordat het aantal werknemers met hetzelfde percentage daalde, bij een constante productie.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

BG: productiviteit (ton per werknemer)

3 497

3 697

3 744

3 764

3 713

Index (2002 = 100)

100

106

107

108

106

i)    Hoogte van de dumpingmarge

(83)

Omdat i) de uit Rusland ingevoerde hoeveelheid tijdens de beoordelingsperiode vrij constant was, ii) de prijzen van de invoer uit Rusland in dezelfde periode aanzienlijk zijn gestegen en iii) tijdens het nieuwe onderzoektijdvak geen prijsonderbieding plaatsvond en iv) gezien de algemene financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, worden de gevolgen van de hoogte van de in het nieuwe onderzoektijdvak vastgestelde werkelijke dumpingmarge voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als onbelangrijk beschouwd, zodat deze marge geen indicator van betekenis is.

j)    Herstel van de effecten van eerdere dumping

(84)

Uit de hierboven en hieronder onderzochte indicatoren blijkt duidelijk dat de economische en financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk is verbeterd.

4.3.   Gegevens over de in de steekproef opgenomen communautaire producenten

a)    Verkoopprijzen en factoren die van invloed zijn op de binnenlandse prijzen

(85)

De gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de in de steekproef opgenomen communautaire producenten aan niet-verbonden afnemers nam tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak fors toe als gevolg van de gunstige internationale marktvoorwaarden voor ureum in die periode.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

SP: eenheidsprijzen op de communautaire markt (EUR/t)

137

149

164

188

199

Index (2002 = 100)

100

109

120

137

145

b)    Lonen

(86)

Tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak steeg het gemiddelde loon per werknemer licht, met 11 %.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

SP: jaarlijkse arbeidskosten per werknemer (1 000 EUR)

47

50

50

52

52

Index (2002 = 100)

100

106

106

111

111

c)    Investeringen

(87)

De jaarlijkse investeringen in het soortgelijke product van de vier in de steekproef opgenomen producenten hebben zich tijdens de beoordelingsperiode positief ontwikkeld, d.w.z. zij zijn tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak met 10 % gestegen, ook al waren er enkele schommelingen.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

SP: netto-investeringen (1 000 EUR)

116 186

114 079

128 191

140 967

128 259

Index (2002 = 100)

100

98

110

121

110

d)    Winstgevendheid en rendement van de investeringen

(88)

De winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten liet tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak een aanzienlijke verbetering zien en bereikte in het nieuwe onderzoektijdvak een niveau van 16,9 %. Bij het oorspronkelijke onderzoek was in dit verband vastgesteld dat zonder schade veroorzakende dumping een winstmarge van 5 % haalbaar was. Het rendement van de investeringen, uitgedrukt in procenten van de nettoboekwaarde van de investeringen, liep grotendeels gelijk met de ontwikkeling van de winstgevendheid. Tijdens de beoordelingsperiode werd het rendement van de investeringen meer dan verdrievoudigd.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

SP: winstgevendheid van de Europese Gemeenschap verkoop aan niet-verbonden afnemers (% van de nettoverkoop)

7,3 %

10,9 %

17,7 %

18,4 %

16,9 %

Index (2002 = 100)

100

149

242

252

232

SP: rendement van investeringen (in % van de nettoboekwaarde)

13,3 %

27,2 %

45,7 %

47,0 %

45,9 %

Index (2002 = 100)

100

205

344

353

345

e)    Kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken

(89)

In de beoordelingsperiode is de kasstroom meer dan verdrievoudigd. Deze ontwikkeling was in overeenstemming met de ontwikkeling van de algemene winstgevendheid en het rendement van de investeringen in de beoordelingsperiode.

 

2002

2003

2004

2005

NOT

SP: kasstroom (1 000 EUR)

30 283

52 110

84 340

99 110

105 287

Index (2002 = 100)

100

172

279

327

348

(90)

Uit het onderzoek bleek niet dat de in de steekproef opgenomen communautaire producenten moeilijkheden hadden ondervonden bij het aantrekken van kapitaal.

5.   Conclusie

(91)

Tussen 2002 en het eind van het nieuwe onderzoektijdvak nam het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap licht af, evenals de op de communautaire markt verkochte hoeveelheid. Daar staat tegenover dat de algemene financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens de beoordelingsperiode enorm is verbeterd ten opzichte van de periode vóór het vorige nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen in 2001, toen besloten werd de sinds 1995 bestaande maatregelen te handhaven.

(92)

In de beoordelingsperiode steeg de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten aanzienlijk en in elk jaar van de beoordelingsperiode lag de winstgevendheid boven het streefniveau van het oorspronkelijke onderzoek. Ook het rendement van de investeringen en de kasstroom verveelvoudigden. De door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde hoeveelheid bleef constant. De verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten ontwikkelden zich tijdens de hele beoordelingsperiode positief. De loonontwikkeling was gematigd en de bedrijfstak van de Gemeenschap is blijven investeren.

(93)

De zeer positieve ontwikkeling van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap vond plaats bij Russische uitvoerprijzen naar de Gemeenschap die aanzienlijk boven de MIP lagen, hoewel het invoer met dumping betrof. In de hele beoordelingsperiode hebben de Russische uitvoerprijzen dus geen invloed gehad op de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(94)

Na op de hoogte te zijn gebracht van de bevindingen van de Commissie, heeft de indiener van het verzoek aangevoerd dat de nettowinstgevendheid van de ureumindustrie, uitgedrukt als het bedrijfsresultaat in procenten van de omzet, op lange termijn zou moeten liggen op 25 %. Dit zou overeenkomen met een winstmarge vóór belastingen van 36 %. Volgens de indiener van het verzoek werd dit gerechtvaardigd door de kosten van de bouw van een nieuwe ammoniak-/ureumfabriek, waarvoor een rendement van 11 % van de investeringen nodig zou zijn (hetgeen zou overeenkomen met een winstmarge vóór belastingen van 36 %). Er zij in dit verband op gewezen dat de indiener van het verzoek in het kader van deze procedure niet eerder melding heeft gemaakt van een dergelijk hoog streefniveau voor de winstgevendheid, en dat in het oorspronkelijke onderzoek is vastgesteld dat zonder schade veroorzakende dumping een winstmarge van 5 % haalbaar was. Voorts heeft het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest in zaak T-210/95 bevestigd dat „de door de Raad te hanteren winstmarge ter berekening van de richtprijs waarbij de schade kan worden opgeheven, ten hoogste de winstmarge dient te zijn die de communautaire industrie onder normale concurrentievoorwaarden, zonder invoer met dumping, in redelijkheid mag verwachten” (9). In dezelfde zaak is ook bevestigd dat voor het „argument dat de Gemeenschapsinstellingen moeten uitgaan van de winstmarge die nodig is om het voortbestaan van de communautaire industrie en een voldoende kapitaalopbrengst te garanderen, […] geen grondslag [is] te vinden in de basisverordening” (10). In dit geval heeft de indiener van het verzoek geen bewijsmateriaal aangedragen waaruit blijkt dat de winst van de bedrijfstak van de Gemeenschap zonder de invoer met dumping op het gevraagde niveau zou liggen. De indiener van het verzoek heeft evenmin aangetoond welke winstmarge de bedrijfstak van de Gemeenschap zonder de invoer met dumping zou kunnen behalen. Dit argument werd daarom van de hand gewezen.

(95)

Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van voortzetting van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

F.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE

(96)

Aangezien er geen sprake is van voortzetting van aanmerkelijke schade door invoer uit het betrokken land, was de analyse er vooral op gericht te bepalen hoe waarschijnlijk het is dat opnieuw aanmerkelijke schade optreedt als de bestaande maatregelen worden ingetrokken. In dit verband is gekeken naar het effect van de bestaande maatregelen op de omvang en prijzen van de invoer uit Rusland. Bovendien zijn de mogelijke effecten van de bestaande reservecapaciteit en mogelijke nieuwe capaciteit in Rusland onderzocht, evenals de waarschijnlijkheid dat Russische producenten andere verkoop naar de Gemeenschap verleggen.

1.   Invloed van de bestaande maatregelen op de omvang en prijzen van de invoer

(97)

Uit onderstaande tabel blijkt dat de prijzen van de Russische uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap sinds 2002 steeds boven de MIP van 115 EUR per ton hebben gelegen, en van 2003 tot het eind van de beoordelingsperiode zelfs aanzienlijk erboven. Tijdens het nieuwe onderzoektijdvak lag de gemiddelde prijs van de Russische uitvoer naar de communautaire markt 68 % boven de MIP. Hieruit blijkt duidelijk dat de Russische uitvoerprijzen in ieder geval sinds 2003 niet door de bestaande maatregelen zijn beïnvloed.

 

Gemiddelde prijs per eenheid (EUR/t)

2002

2003

2004

2005

NOT

Gemiddelde Russische uitvoerprijs

119

133

154

180

193

MIP

115

115

115

115

115

Russische prijzen: % boven MIP

3 %

16 %

34 %

56 %

68 %

Bron voor Russische prijzen: Eurostat.

(98)

Bij verder ongewijzigde omstandigheden is er dan ook geen reden waarom de Russische producenten/exporteurs lagere prijzen zouden toepassen als de bestaande maatregelen worden ingetrokken, aangezien zij eerder veel hogere prijzen hebben toegepast.

(99)

Bovendien hebben de Russische exporteurs, zoals aangegeven in overweging 67, de omvang van hun uitvoer naar de communautaire markt tijdens de hele beoordelingsperiode vrij constant gehouden, hoewel de bestaande maatregelen sinds 2002 geen praktisch effect op de uitvoerprijzen hadden en dus geen belemmering vormden om de Russische uitvoer te vergroten.

(100)

Bij verder ongewijzigde omstandigheden is het dus onwaarschijnlijk dat de Russische producenten/exporteurs aanvullenden hoeveelheden op de communautaire markt zullen afzetten als de bestaande maatregelen worden ingetrokken, aangezien de bestaande maatregelen geen effect hadden op de door Rusland uitgevoerde hoeveelheden.

(101)

Geconcludeerd wordt daarom dat het onwaarschijnlijk is dat intrekking van de maatregelen gevolgen heeft voor de door de Russische exporteurs gehanteerde uitvoerprijzen, de door de importeurs in de Gemeenschap betaalde invoerprijzen of de hoeveelheden van de Russische uitvoer naar de Gemeenschap, omdat de bestaande maatregelen geen effect op die prijzen en hoeveelheden hadden. Intrekking van de maatregelen heeft dus geen gevolgen voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bijgevolg kan niet worden geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap optreedt als de bestaande maatregelen worden ingetrokken.

(102)

Ondanks die conclusie werden in het onderzoek ook de beweringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap over de mogelijke effecten van de bestaande reservecapaciteit en mogelijke nieuwe capaciteit in Rusland en de waarschijnlijkheid dat andere verkoop van de Russische producenten naar de Gemeenschap wordt verlegd, onderzocht, zoals hieronder wordt uiteengezet.

2.   Russische reservecapaciteit

(103)

Zoals uiteengezet is in de overwegingen 46 en 50 beschikte geen van de in de steekproef opgenomen Russische bedrijven tijdens het nieuwe onderzoektijdvak over reservecapaciteit van enige betekenis, en werd de totale reservecapaciteit van de Russische producenten op ongeveer 5 % geschat. Deze onderzoeksbevindingen stemmen geheel overeen met de argumentatie van de indiener van het verzoek.

(104)

Zoals in overweging 52 is aangegeven, is ook vastgesteld dat de negen projecten die de indiener van het verzoek heeft genoemd geen grote nadelige gevolgen voor de communautaire markt zullen hebben, omdat een aanzienlijk deel van de met deze projecten verkregen aanvullende hoeveelheid intern zal worden gebruikt. Bovendien zal de Russische uitvoer naar de Gemeenschap, zoals aangegeven is in overweging 54, waarschijnlijk alleen aanzienlijk toenemen als de vraag evenredig groeit, en dan zal de aanvullende uitvoer geen negatieve invloed op het prijsniveau op de communautaire markt hebben.

(105)

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de Russische producenten als gevolg van revisies, moderniseringen en het oplossen van knelpunten slechts beperkte aanvullende hoeveelheden beschikbaar zullen hebben om hun afzet te vergroten. Dit duidt erop dat de Russische producenten op basis van de Russische reservecapaciteit niet in staat zullen zijn hun uitvoer naar de communautaire markt aanzienlijk te vergroten.

3.   Waarschijnlijkheid dat andere verkoop naar de Gemeenschap wordt verlegd

(106)

Zoals aangegeven in overweging 67, is de invoer uit Rusland naar de communautaire markt in de hele beoordelingsperiode vrij constant gebleven met een marktaandeel in het verbruik in de Gemeenschap van ongeveer 16 %, afgezien van een piek in 2004 (ongeveer 20 %). Dit ondanks het feit dat de bestaande maatregelen tijdens de hele beoordelingsperiode geen praktisch effect op de uitvoerprijzen en -hoeveelheden hadden en dus geen belemmering vormden om de Russische uitvoer te vergroten.

(107)

Uit het onderzoek blijkt dat tijdens het nieuwe onderzoektijdvak de af-fabriekprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs voor uitvoer naar de Gemeenschap zo’n 1 tot 5 % lager waren dan de uitvoerprijzen naar andere derde landen. Zoals aangegeven in overweging 56, waren ook de Russische binnenlandse af-fabriekprijzen hoger dan de uitvoerprijzen naar de Gemeenschap; dit gold in het bijzonder voor bedrijven in afgelegen gebieden als gevolg van het reeds genoemde grote verschil in vervoerskosten. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat de communautaire markt in vergelijking met andere belangrijke markten wat betreft prijzen niet bijzonder interessant is voor Russische producenten.

(108)

Zoals aangegeven in overweging 57, heeft de indiener van het verzoek bovendien aangevoerd dat met name in Noord-Afrika (Algerije en Egypte) en het Midden-Oosten (Iran) veel aanvullende capaciteit wordt opgebouwd. De hieruit voortvloeiende productie zou de prijzen op de wereldmarkt onder druk zetten, waardoor het vermogen van Russische exporteurs om een plaats op deze markten te verwerven zou afnemen. Dit zou hen ertoe aanzetten hun uitvoer naar de communautaire markt te vergroten. Op grond van de in overweging 54 genoemde voorspellingen is echter geconcludeerd dat deze investeringen geen grote invloed zullen hebben op het mondiale evenwicht tussen vraag en aanbod, omdat de toename van de wereldvraag naar verwachting gelijke tred zal houden met de toename van de wereldwijde capaciteit. Bovendien blijkt uit het onderzoek dat het marktaandeel van de Russen op de Aziatische markten (in het bijzonder in de Volksrepubliek China) en de Afrikaanse markten al aanzienlijk is teruggelopen, en dat zij de druk op de Latijns-Amerikaanse markten vrij goed weerstaan. Gezien het voorspelde mondiale evenwicht tussen vraag en aanbod, lijkt het argument dat de Russische producenten/exporteurs overal behalve in Europa meer marktaandeel zullen verliezen, niet steekhoudend.

(109)

De indiener van het verzoek heeft aangevoerd dat het oneerlijke kostenvoordeel voor de Russische producenten door de dubbele prijsstelling voor gas onder meer tot aanzienlijke prijsonderbieding door de Russische exporteurs zou kunnen leiden ingeval de internationale vraag-aanbodsituatie ongunstig zou worden. Hoewel dit niet kan worden uitgesloten, omdat uit het onderzoek blijkt dat de kostenstructuur van de Russische exporteurs inderdaad aanzienlijk wordt vertekend door de dubbele prijsstelling voor gas van Rusland, zou de mogelijke prijsonderbieding geen rechtstreeks gevolg zijn van de intrekking van de maatregelen, maar van andere omstandigheden.

(110)

Bijgevolg kan niet geconcludeerd worden dat de Russische producenten van plan zijn aanzienlijke hoeveelheden die momenteel naar derde landen worden uitgevoerd of op de binnenlandse markt worden afgezet, naar de communautaire markt te verleggen of hun prijzen te verlagen als gevolg van de intrekking van de maatregelen, al kan niet worden uitgesloten dat dit als gevolg van andere omstandigheden zal gebeuren.

4.   Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van herhaling van de schade

(111)

Zoals hierboven is aangetoond, hebben de bestaande maatregelen geen gevolgen gehad voor de door de Russische exporteurs gehanteerde uitvoerprijzen, de door de importeurs in de Gemeenschap betaalde invoerprijzen of de hoeveelheden van de Russische uitvoer naar de Gemeenschap. Toch heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap, ondanks de voortzetting van de invoer met dumping uit Rusland, geen schade geleden. Intrekking van de bestaande maatregelen zal dus geen gevolgen hebben voor de Russische uitvoerprijzen of -hoeveelheden, en geen verandering brengen in de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(112)

De analyse van de andere exogene factoren die de indiener van het verzoek heeft aangevoerd, brengt geen verandering in bovenstaande conclusie, omdat deze factoren redelijkerwijs niet kunnen leiden tot een toename van de hoeveelheden en een verlaging van de prijzen van de invoer uit Rusland naar de communautaire markt.

(113)

Bijgevolg kan niet worden geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap optreedt als de bestaande maatregelen worden ingetrokken.

G.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(114)

Alle partijen zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wil aanbevelen de bestaande maatregelen in te trekken. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken.

(115)

Uit het bovenstaande volgt dat de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op ureum van oorsprong uit Rusland moeten worden ingetrokken en dat de procedure moet worden beëindigd, zoals is bepaald in artikel 11, lid 2, van de basisverordening.

(116)

In verband met de aanzienlijke vertekening van de kostenstructuur van de Russische exporteurs als gevolg van de dubbele prijsstelling voor gas van Rusland, zoals beschreven in overweging 109, wordt het nodig geacht de ontwikkeling van de invoer van ureum van oorsprong uit Rusland op de voet te volgen, zodat snel passende maatregelen kunnen worden genomen als de situatie daarom vraagt.

(117)

Aangezien in overeenstemming met de vorige overwegingen de bestaande maatregelen moeten worden ingetrokken en de procedure moet worden stopgezet, dienen ook het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek om na te gaan of de vorm van de maatregelen nog geschikt was en het gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek naar dumping door EuroChem, te worden beëindigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het antidumpingrecht op ureum, ingedeeld onder de GN-codes 3102 10 10 en 3102 10 90, van oorsprong uit Rusland, wordt ingetrokken en de procedure met betrekking tot deze invoer wordt beëindigd.

Artikel 2

De gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken inzake de antidumpingmaatregelen ten aanzien van ureum, ingedeeld onder de GN-codes 3102 10 10 en 3102 10 90, van oorsprong uit Rusland, worden beëindigd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

L. AMADO


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB L 49 van 4.3.1995, blz. 1.

(3)  PB L 127 van 9.5.2001, blz. 11.

(4)  PB L 339 van 24.12.2003, blz. 1.

(5)  PB C 209 van 26.8.2005, blz. 2.

(6)  PB C 105 van 4.5.2006, blz. 12; PB C 23 van 1.2.2007, blz. 8.

(7)  Er wordt op gewezen dat de naam van de „Hydro Agri”-ondernemingen van het oorspronkelijke onderzoek en het vorige nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen, inmiddels is veranderd in „Yara”.

(8)  PB L 17 van 19.1.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 73/2006 (PB L 12 van 18.1.2006, blz. 1).

(9)  Arrest in zaak T-210/95, EFMA/Raad, Jurispr. 1995, blz. II-3291, punt 60.

(10)  Ibid., punt 59.


31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/20


VERORDENING (EG) Nr. 908/2007 VAN DE COMMISSIE

van 30 juli 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 31 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 756/2007 (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 41).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

60,9

TR

59,9

XS

52,4

ZZ

57,7

0707 00 05

TR

92,9

ZZ

92,9

0709 90 70

TR

87,1

ZZ

87,1

0805 50 10

AR

56,8

UY

57,7

ZA

60,2

ZZ

58,2

0806 10 10

BR

161,0

EG

152,5

MA

149,9

TR

179,5

ZZ

160,7

0808 10 80

AR

95,0

AU

160,4

BR

86,2

CL

84,5

CN

83,6

NZ

101,6

US

105,4

ZA

101,2

ZZ

102,2

0808 20 50

AR

59,6

CL

80,4

NZ

98,3

TR

140,4

ZA

109,5

ZZ

97,6

0809 10 00

TR

174,2

ZZ

174,2

0809 20 95

CA

324,1

TR

286,3

US

338,2

ZZ

316,2

0809 30 10, 0809 30 90

TR

162,2

ZZ

162,2

0809 40 05

IL

108,5

ZZ

108,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/22


VERORDENING (EG) Nr. 909/2007 VAN DE COMMISSIE

van 30 juli 2007

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt van de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

De restituties moeten worden vastgesteld met inachtneming van de elementen als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (2).

(3)

Voor meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge moet de restitutie worden berekend met inachtneming van de hoeveelheid granen benodigd voor de vervaardiging van de betreffende producten. Deze hoeveelheden zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1501/95.

(4)

De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor sommige producten kunnen een differentiatie van de restitutie naar bestemming nodig maken.

(5)

De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan tussentijds worden gewijzigd.

(6)

De toepassing van deze regelen op de huidige situatie in de sector granen en met name op de noteringen of prijzen van deze producten in de Gemeenschap en op de wereldmarkt voert tot het vaststellen van de bedragen van de restitutie zoals vermeld in de bijlage.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer in ongewijzigde staat van de in artikel 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten, met uitzondering van mout, worden op de in de bijlage aangegeven bedragen vastgesteld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 6).

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1996/2006 (PB L 398 van 30.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor granen en meel, gries en griesmeel van tarwe of van rogge

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

1001 10 00 9200

EUR/t

1001 10 00 9400

A00

EUR/t

0

1001 90 91 9000

EUR/t

1001 90 99 9000

A00

EUR/t

1002 00 00 9000

A00

EUR/t

0

1003 00 10 9000

EUR/t

1003 00 90 9000

A00

EUR/t

1004 00 00 9200

EUR/t

1004 00 00 9400

A00

EUR/t

0

1005 10 90 9000

EUR/t

1005 90 00 9000

A00

EUR/t

0

1007 00 90 9000

EUR/t

1008 20 00 9000

EUR/t

1101 00 11 9000

EUR/t

1101 00 15 9100

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9130

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9150

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9170

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9180

C01

EUR/t

0

1101 00 15 9190

EUR/t

1101 00 90 9000

EUR/t

1102 10 00 9500

A00

EUR/t

0

1102 10 00 9700

A00

EUR/t

0

1102 10 00 9900

EUR/t

1103 11 10 9200

A00

EUR/t

0

1103 11 10 9400

A00

EUR/t

0

1103 11 10 9900

EUR/t

1103 11 90 9200

A00

EUR/t

0

1103 11 90 9800

EUR/t

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

C01

:

Alle derde landen met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Servië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein en Zwitserland.


31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/24


VERORDENING (EG) Nr. 910/2007 VAN DE COMMISSIE

van 30 juli 2007

tot vaststelling van het op de restitutie voor granen toe te passen correctiebedrag

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 15, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 moet bij uitvoer van granen de op de dag van indiening van de aanvraag van een certificaat geldende restitutie op verzoek worden toegepast op uitvoer die tijdens de geldigheidsduur van het certificaat moet plaatsvinden. In dat geval kan op de restitutie een correctiebedrag worden toegepast.

(2)

Op grond van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (2) kan een correctiebedrag worden vastgesteld voor de in artikel 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten. Dit correctiebedrag moet worden berekend met inachtneming van de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 genoemde elementen.

(3)

Op grond van de situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten kan het noodzakelijk zijn het correctiebedrag naar gelang van de bestemming te differentiëren.

(4)

Het correctiebedrag moet volgens dezelfde procedure als de restitutie worden vastgesteld. Het kan tussentijds worden gewijzigd.

(5)

Uit de bovengenoemde bepalingen volgt dat het correctiebedrag moet worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het correctiebedrag op de vooraf vastgestelde restituties bij uitvoer van de in artikel 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten, met uitzondering van mout, wordt vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 6).

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1996/2006 (PB L 398 van 30.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

bij de Verordening van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van het op de restitutie voor granen toe te passen correctiebedrag

(in EUR/t)

Productcode

Bestemming

Lopend

8

1e term.

9

2e term.

10

3e term.

11

4e term.

12

5e term.

1

6e term.

2

1001 10 00 9200

1001 10 00 9400

A00

0

0

0

0

0

1001 90 91 9000

1001 90 99 9000

C01

0

0

0

0

0

1002 00 00 9000

A00

0

0

0

0

0

1003 00 10 9000

1003 00 90 9000

C02

0

0

0

0

0

1004 00 00 9200

1004 00 00 9400

C03

0

0

0

0

0

1005 10 90 9000

1005 90 00 9000

A00

0

0

0

0

0

1007 00 90 9000

1008 20 00 9000

1101 00 11 9000

1101 00 15 9100

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9130

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9150

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9170

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9180

C01

0

0

0

0

0

1101 00 15 9190

1101 00 90 9000

1102 10 00 9500

A00

0

0

0

0

0

1102 10 00 9700

A00

0

0

0

0

0

1102 10 00 9900

1103 11 10 9200

A00

0

0

0

0

0

1103 11 10 9400

A00

0

0

0

0

0

1103 11 10 9900

1103 11 90 9200

A00

0

0

0

0

0

1103 11 90 9800

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

C01

:

Alle derde landen met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Servië, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Liechtenstein en Zwitserland.

C02

:

Algerije, Saoedi Arabië, Bahrein, Egypte, de Verenigde Arabische Emiraten, Iran, Irak, Israël, Jordanië, Koeweit, Libanon, Libië, Marokko, Mauritanië, Oman, Qatar, Syrië, Tunesië en Jemen.

C03

:

Alle landen met uitzondering van Noorwegen, Zwitserland en Liechenstein.


31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/26


VERORDENING (EG) Nr. 911/2007 VAN DE COMMISSIE

van 30 juli 2007

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mout

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), inzonderheid op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van die verordening genoemde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

De restituties moeten worden vastgesteld met inachtneming van de elementen als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (2).

(3)

Voor mout moet de restitutie worden berekend met inachtneming van de hoeveelheid granen benodigd voor de vervaardiging van de betreffende producten. Deze hoeveelheden zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1501/95.

(4)

De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor zekere producten kunnen een differentiatie van de restitutie, naar gelang van de bestemming, nodig maken.

(5)

De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan in de tussentijd worden gewijzigd.

(6)

Bij toepassing van deze regelen op de huidige situatie in de sector granen en met name op de noteringen of prijzen van deze producten in de Gemeenschap en op de wereldmarkt, moet de restitutie op de in de bijlage vermelde bedragen worden vastgesteld.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer van de in artikel 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde mout worden op de in de bijlage aangegeven bedragen vastgesteld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 6).

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1996/2006 (PB L 398 van 30.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer voor mout

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

1107 10 19 9000

A00

EUR/t

0,00

1107 10 99 9000

A00

EUR/t

0,00

1107 20 00 9000

A00

EUR/t

0,00

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).


31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/28


VERORDENING (EG) Nr. 912/2007 VAN DE COMMISSIE

van 30 juli 2007

tot vaststelling van het op de restitutie voor mout toe te passen correctiebedrag

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 15, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 moet bij uitvoer van granen de op de dag van indiening van de aanvraag van een certificaat geldende restitutie op verzoek worden toegepast op uitvoer die tijdens de geldigheidsduur van het certificaat moet plaatsvinden. In dat geval kan op de restitutie een correctiebedrag worden toegepast.

(2)

Op grond van Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen (2), kan een correctiebedrag worden vastgesteld voor de in artikel 1, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde mout. Het correctiebedrag moet worden berekend met inachtneming van de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 genoemde elementen.

(3)

Uit de bovengenoemde bepalingen volgt dat het correctiebedrag moet worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het in artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde correctiebedrag dat van toepassing is op de vooraf vastgestelde restituties bij uitvoer van mout, wordt vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 6).

(2)  PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1996/2006 (PB L 398 van 30.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van het op de restitutie voor mout toe te passen correctiebedrag

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

(EUR/t)

Productcode

Bestemming

Lopend

8

1e term.

9

2e term.

10

3e term.

11

4e term.

12

5e term.

1

1107 10 11 9000

A00

0

0

0

0

0

0

1107 10 19 9000

A00

0

0

0

0

0

0

1107 10 91 9000

A00

0

0

0

0

0

0

1107 10 99 9000

A00

0

0

0

0

0

0

1107 20 00 9000

A00

0

0

0

0

0

0


(EUR/t)

Productcode

Bestemming

6e term.

2

7e term.

3

8e term.

4

9e term.

5

10e term.

6

11e term.

7

1107 10 11 9000

A00

0

0

0

0

0

0

1107 10 19 9000

A00

0

0

0

0

0

0

1107 10 91 9000

A00

0

0

0

0

0

0

1107 10 99 9000

A00

0

0

0

0

0

0

1107 20 00 9000

A00

0

0

0

0

0

0


31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/30


VERORDENING (EG) Nr. 913/2007 VAN DE COMMISSIE

van 30 juli 2007

tot vaststelling van de restituties die gelden voor de in het kader van communautaire en nationale voedselhulpacties geleverde producten van de sectoren granen en rijst

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), en met name op artikel 14, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2681/74 van de Raad van 21 oktober 1974 betreffende de communautaire financiering van de uitgaven in verband met de levering van landbouwproducten als voedselhulp (3) is bepaald dat het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, het gedeelte van de uitgaven financiert dat overeenkomt met de desbetreffende restituties bij uitvoer die overeenkomstig de betrokken communautaire voorschriften zijn vastgesteld.

(2)

Om de opstelling en het beheer van de begroting voor de communautaire voedselhulpacties te vergemakkelijken en om de lidstaten in staat te stellen het bedrag van de communautaire deelname in de financiering van de nationale voedselhulpacties te kennen, moet het bedrag van de voor deze acties toegekende restituties worden vastgesteld.

(3)

De algemene voorschriften en de uitvoeringsbepalingen die in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 voor de uitvoerrestituties zijn vastgesteld, zijn van overeenkomstige toepassing op bovenbedoelde transacties.

(4)

De specifieke criteria die in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de uitvoerrestituties voor rijst zijn vastgesteld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1785/2003.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De geldende restituties voor de producten van de sectoren granen en rijst geleverd voor de communautaire en nationale voedselhulpacties, uitgevoerd in het kader van internationale verdragen of andere aanvullende programma's of die in het kader van andere communautaire acties gratis worden geleverd, worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 6).

(2)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 797/2006 van de Commissie (PB L 144 van 31.5.2006, blz. 1).

(3)  PB L 288 van 25.10.1974, blz. 1.


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 30 juli 2007 tot vaststelling van de restituties die gelden voor de in het kader van communautaire en nationale voedselhulpacties geleverde producten van de sectoren granen en rijst

(EUR/t)

Productcode

Bedrag van de restitutie

1001 10 00 9400

0,00

1001 90 99 9000

0,00

1002 00 00 9000

0,00

1003 00 90 9000

0,00

1005 90 00 9000

0,00

1006 30 92 9100

0,00

1006 30 92 9900

0,00

1006 30 94 9100

0,00

1006 30 94 9900

0,00

1006 30 96 9100

0,00

1006 30 96 9900

0,00

1006 30 98 9100

0,00

1006 30 98 9900

0,00

1006 30 65 9900

0,00

1007 00 90 9000

0,00

1101 00 15 9100

0,00

1101 00 15 9130

0,00

1102 10 00 9500

0,00

1102 20 10 9200

29,83

1102 20 10 9400

25,57

1103 11 10 9200

0,00

1103 13 10 9100

38,36

1104 12 90 9100

0,00

NB: Productcodes: zie de Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), zoals gewijzigd.


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/32


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 4 juli 2007

tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan

(2007/539/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna „de basisverordening” genoemd), en met name op artikel 9,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   ONDERHAVIG ONDERZOEK

(1)

Op 4 april 2006 heeft de Commissie een klacht ontvangen over invoer met schade veroorzakende dumping van bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan.

(2)

De klacht werd op grond van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening ingediend door Grass Valley Nederland BV namens communautaire producenten die goed zijn voor een groot deel van de productie van de hier bedoelde camerasystemen in de Gemeenschap.

(3)

De klacht bevatte voorlopig bewijsmateriaal van het bestaan van dumping en de hieruit voortvloeiende aanmerkelijke schade, die voldoende werd geacht om de inleiding van een antidumpingprocedure te rechtvaardigen.

(4)

De Commissie heeft door de bekendmaking van een bericht van inleiding in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) een antidumpingprocedure ingeleid betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde camerasystemen, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8525 80 19, ex 8528 49 35, ex 8528 49 91, ex 8528 59 90, ex 8529 90 92, ex 8529 90 97, ex 8537 10 91, ex 8537 10 99 en 8543 70 90 (GN-codes sinds 1 januari 2007), van oorsprong uit Japan.

(5)

In het bericht van inleiding werd het product omschreven als zijnde bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan bestaande uit:

a)

een camerakop:

i)

met geïntegreerde zoeker, zoekeraansluiting of zoekerfunctie,

ii)

met geïntegreerd optisch blok, frontmodule of gelijkaardige inrichting (zie onderstaande beschrijving), dan wel met een aansluiting of aansluitingsmogelijkheid daarvoor,

iii)

in dezelfde behuizing als de camera-adapter of in een afzonderlijke behuizing;

b)

een camera-adapter die al dan niet deel uitmaakt van de camerakop;

c)

een optisch blok, frontmodule of soortgelijke inrichting met één of meer beeldsensoren met een effectieve diagonaal van het lichtgevoelige scanoppervlak van ten minste 6 mm, al dan niet geïntegreerd in de camerakop;

d)

een zoeker, al dan niet geïntegreerd in de camerakop die al dan niet deel uitmaakt van de camerakop;

e)

een basisstation of camerabesturingseenheid („camera control unit” (CCU)) die door middel van een kabel of anderszins, bijvoorbeeld door een draadloze verbinding, met de camera is verbonden;

f)

een bedieningspaneel („operational control panel” (OCP)) of soortgelijke inrichting voor het bedienen van afzonderlijke camera's (met name voor kleurinstelling, lensopening of diafragma);

g)

een centraal regelpaneel („master control panel” (MCP)f) of centrale regeleenheid („master set-up unit” (MSU)f) voor het overzicht en de afstandsbediening van verschillende camera's;

h)

een adapter zoals een „large lens adapter” of „superXpander” die het mogelijk maakt boxtype-lenzen op draagbare camera's te gebruiken,

die hetzij als een geheel of afzonderlijk worden ingevoerd, van oorsprong uit Japan.

De camerasystemen behoeven niet noodzakelijkerwijs uit alle bovengenoemde onderdelen te bestaan.

De hierboven genoemde verschillende onderdelen (behalve de camerakop) van een camerasysteem kunnen niet afzonderlijk functioneren en kunnen niet voor andere camerasystemen dan die van een bepaalde producent worden gebruikt.

Lenzen en recorders die niet in dezelfde behuizing zijn opgenomen als de camerakop, vallen niet onder de productomschrijving.

Het betrokken product kan worden gebruikt voor omroep en nieuwsgaring, het digitaal opnemen van films en voor andere professionele doeleinden, zoals onder meer voor het maken van materiaal voor onderwijs, amusement, reclame en van documentair videomateriaal, voor zowel interne als externe distributie.

(6)

Het product waarop Verordening (EG) nr. 2042/2000 van de Raad (3) betrekking heeft, namelijk televisiecamerasystemen van oorsprong uit Japan, momenteel vallende onder de GN-codes ex 8525 80 19, ex 8528 49 35, ex 8528 49 91, ex 8528 59 90, ex 8529 90 92, ex 8529 90 97, ex 8537 10 91, ex 8537 10 99 en 8543 70 90 (GN-codes sinds 1 januari 2007), valt geheel en al onder de voorafgaand vermelde productdefinitie. In december 2006 bevestigde de Raad deze maatregelen bij Verordening (EG) nr. 1910/2006 (4) na een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening, hierna „de oorspronkelijke maatregelen” genoemd. De oorspronkelijke maatregelen komen aan de orde in de parallelle Verordening (EG) nr. 906/2007 van de Raad (5).

(7)

De Commissie heeft de betrokken producenten/exporteurs, importeurs en verenigingen van importeurs of exporteurs, de vertegenwoordigers van het exporterende land, de gebruikers, de consumentenorganisaties en de communautaire producenten die de klacht hebben ingediend, officieel van de opening van het onderzoek op de hoogte gebracht. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn een verzoek indienen om te worden gehoord; aan alle betrokkenen werden vragenlijsten toegezonden.

B.   INTREKKING VAN DE KLACHT EN BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE

(8)

Bij brief van 12 april 2007 aan de Commissie heeft Grass Valley Nederland BV de klacht officieel ingetrokken.

(9)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de basisverordening kan de procedure worden beëindigd wanneer de klacht wordt ingetrokken, tenzij dit strijdig met het belang van de Gemeenschap is.

(10)

De Commissie was van oordeel dat deze procedure diende te worden beëindigd, daar bij het onderzoek niet is gebleken dat dit strijdig met het belang van de Gemeenschap is. De belanghebbenden zijn hiervan in kennis gesteld en zijn in de gelegenheid gesteld om hierover opmerkingen te maken. Er zijn geen opmerkingen ontvangen als zou beëindiging van de procedure strijdig met het belang van de Gemeenschap zijn.

(11)

De Commissie is daarom tot de conclusie gekomen dat de antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan zonder de instelling van antidumpingmaatregelen dient te worden beëindigd.

(12)

De in dit besluit vermelde bepalingen zijn in overeenstemming met het advies van het Raadgevend Comité,

BESLUIT:

Enig artikel

De antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde camerasystemen van oorsprong uit Japan wordt hierbij beëindigd.

Gedaan te Brussel, 4 juli 2007.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB C 117 van 18.5.2006, blz. 8.

(3)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 38. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1909/2006 (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 1).

(4)  PB L 365 van 21.12.2006, blz. 7.

(5)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.


31.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 198/35


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 30 juli 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot het gebruik van halon 2402 in Bulgarije

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3594)

(2007/540/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (1), en met name op artikel 4, lid 4, onder iv),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Tijdens de bij artikel 4, lid 4, onder iv), van Verordening (EG) nr. 2037/2000 voorziene toetsing, en na overleg met de lidstaten, is de Commissie tot de volgende bevindingen gekomen met betrekking tot het gebruik van halon 2402.

(2)

Overeenkomstig de verplichtingen van het Protocol van Montreal betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen is de productie van halon 2402 in ontwikkelde landen stopgezet op 1 januari 1994. Sindsdien kan halon 2402 alleen nog worden verkregen bij gespecialiseerde opslagfaciliteiten die halon hebben opgeslagen dat door alternatieven is vervangen.

(3)

Halon 2402 wordt in Bulgarije nog steeds gebruikt in bepaalde toepassingen voor brand- en explosiebestrijding in militaire landvoertuigen, schepen en luchtvaartuigen. Roemenië heeft meegedeeld dat het geen halon 2402 meer gebruikt.

(4)

Bij de vervanging van brandbestrijdingsapparatuur met halonen door alternatieve middelen voor brandbestrijding moet rekening worden gehouden met de beschikbaarheid van technisch en economisch haalbare alternatieven of technologieën die met het oog op milieu en gezondheid aanvaardbaar zijn. Wanneer apparatuur voor brand- en explosiebeveiliging bij militaire toepassingen wordt aangepast door de installatie van apparatuur zonder halonen, moet dit zodanig worden gepland dat een onaanvaardbare aantasting van de verdedigingsmogelijkheden van de lidstaten wordt voorkomen. Vaak moeten er speciale begrotingsmiddelen en een bepaalde tijd voor omschakeling op een alternatief worden uitgetrokken om de alternatieve brandbeschermingsmiddelen zodanig aan te passen dat ze veilig en effectief kunnen functioneren. Op dit ogenblik bestaan er geen technisch en economisch haalbare alternatieven voor dergelijke toepassingen.

(5)

Overeenkomstig artikel 4, lid 4, onder v), van Verordening (EG) nr. 2037/2000 moet halonen bevattende apparatuur die niet in de lijst van kritische toepassingen van bijlage VII is opgenomen, uiterlijk op 31 december 2003 buiten gebruik worden gesteld en moeten de halonen overeenkomstig artikel 16 worden teruggewonnen. Om een vrijstelling voor het gebruik van halon 2402 in kritische toepassingen toe te staan in Bulgarije, dat op 1 januari 2007 tot de Europese Unie is toegetreden, moet bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 2037/2000 zodanig worden aangepast dat dit branddovend middel in specifieke toepassingen mag worden gebruikt.

(6)

Verordening (EG) nr. 2037/2000 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 2037/2000 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 30 juli 2007.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

Aan bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 2037/2000 wordt de volgende tekst toegevoegd:

„Gebruik van halon 2402, uitsluitend in Bulgarije:

in luchtvaartuigen voor de beveiliging van bemanningscabines, motorgondels, vrachtruimten, droge ruimten (dry bays) en voor het inert maken van brandstoftanks,

in bemande ruimten en motorkamers van militaire landvoertuigen en zeeschepen.”.