ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 196

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
28 juli 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 895/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 896/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op dihydromyrcenol van oorsprong uit India

3

 

*

Verordening (EG) nr. 897/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1623/2000 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de marktmechanismen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt

20

 

*

Verordening (EG) nr. 898/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad ten aanzien van de vangstbeperkingen voor de visserij op sprot in ICES-zones II a (EG-wateren) en IV (EG-wateren)

22

 

*

Verordening (EG) nr. 899/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de aanpassing van de GN-codes voor bepaalde stoffen die de ozonlaag afbreken en mengsels die dergelijke stoffen bevatten, teneinde rekening te houden met de in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad vastgestelde wijzigingen van de gecombineerde nomenclatuur

24

 

*

Verordening (EG) nr. 900/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 betreffende een permanente inschrijving voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker tot het einde van het verkoopseizoen 2007/2008

26

 

*

Verordening (EG) nr. 901/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

31

 

*

Verordening (EG) nr. 902/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

33

 

*

Verordening (EG) nr. 903/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

35

 

*

Verordening (EG) nr. 904/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

37

 

 

Verordening (EG) nr. 905/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor boter voor de 68e bijzondere inschrijving in het kader van de permanente openbare inschrijving als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2771/1999

39

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2007/534/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 13 september 2006 in een procedure op grond van artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Zaak COMP/F/38.456 — Bitumen (Nederland)) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 4090)

40

 

 

2007/535/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 27 juli 2007 tot beëindiging van de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van dihydromyrcenol van oorsprong uit India

45

 

 

Europese Centrale Bank

 

 

2007/536/EG

 

*

Richtsnoer van de Europese Centrale Bank van 20 juli 2007 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2006/28 betreffende het beheer van de externe reserves van de Europese Centrale Bank door de nationale centrale banken en de juridische documentatie voor operaties met betrekking tot de externe reserves van de Europese Centrale Bank (ECB/2007/6)

46

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

 

2007/537/GBVB

 

*

Besluit DARFUR/6/2007 van het Politiek en Veiligheidscomité van 18 juli 2007 tot benoeming van de militair adviseur van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Sudan

48

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG

 

 

2007/538/EG

 

*

Besluit van de raad van bestuur van Europol van 18 juli 2007 tot instemming met de door Europol vastgestelde voorwaarden en procedures ter aanpassing van de in het aanhangsel van het besluit van de raad van bestuur van Europol van 16 november 1999 genoemde bedragen betreffende de belasting op door Europol aan zijn personeelsleden betaalde salarissen en emolumenten

49

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/1


VERORDENING (EG) Nr. 895/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 756/2007 (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 41).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 27 juli 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

TR

90,5

ZZ

90,5

0707 00 05

TR

124,3

ZZ

124,3

0709 90 70

TR

87,5

ZZ

87,5

0805 50 10

AR

62,0

UY

54,4

ZA

60,1

ZZ

58,8

0806 10 10

BR

161,0

EG

160,0

MA

144,4

TR

178,8

ZZ

161,1

0808 10 80

AR

94,8

AU

160,4

BR

89,4

CL

98,7

CN

100,6

NZ

105,2

US

106,2

ZA

101,5

ZZ

107,1

0808 20 50

AR

84,6

CL

76,9

NZ

80,2

TR

137,4

ZA

117,4

ZZ

99,3

0809 10 00

TR

172,4

ZZ

172,4

0809 20 95

CA

324,1

TR

283,0

US

326,2

ZZ

311,1

0809 30 10, 0809 30 90

TR

155,2

ZZ

155,2

0809 40 05

IL

73,8

ZZ

73,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/3


VERORDENING (EG) Nr. 896/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op dihydromyrcenol van oorsprong uit India

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna de „basisverordening” genoemd), en met name op artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding van de procedure

(1)

Op 11 november 2006 heeft de Commissie met een bericht (hierna „het bericht van inleiding” genoemd) in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van dihydromyrcenol van oorsprong uit India aangekondigd.

(2)

De antidumpingprocedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 29 september 2006 werd ingediend door de volgende communautaire producenten: Destilaciones Bordas Chinchurreta S.A. en Sensient Fragrances S.A. (hierna de „klagers” genoemd), die een groot deel, in dit geval meer dan 25 %, van de totale productie van dihydromyrcenol in de Gemeenschap vertegenwoordigen. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal inzake invoer van het genoemde product met dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om tot inleiding van een procedure over te gaan.

1.2.   Betrokken partijen en controles ter plaatse

(3)

De Commissie heeft de klagers, andere haar bekende producenten in de Gemeenschap, producenten/exporteurs in India, importeurs en gebruikers van wie bekend was dat zij bij de kwestie betrokken zijn, alsmede hun verenigingen en de vertegenwoordigers van India van de opening van het onderzoek in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn een verzoek indienen om te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daarom met opgave van redenen hadden verzocht, werden gehoord.

(4)

Gezien het kennelijk grote aantal producenten/exporteurs in India en importeurs in de Gemeenschap werd in het bericht van inleiding gewezen op de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van een steekproef voor het vaststellen van dumping en schade. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was — en, zo ja, deze ook samen te stellen —, werd aan alle producenten/exporteurs in India en alle importeurs in de Gemeenschap gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar, zoals vermeld in het bericht van inleiding, basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product tijdens de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006. Slechts twee producenten/exporteurs in India en twee importeurs van het betrokken product in de Gemeenschap hebben zich echter gemeld en binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn de vereiste informatie voor de samenstelling van de steekproef verstrekt. Er werd dan ook beslist dat geen steekproef hoefde te worden samengesteld.

(5)

De Commissie heeft een vragenlijst gestuurd naar alle haar bekende betrokken partijen en naar alle andere partijen die daar binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn om hadden verzocht.

(6)

Er werden antwoorden op de vragenlijst ontvangen van twee Indiase producenten/exporteurs, van vier communautaire producenten van het soortgelijke product, van twee niet met de producenten/exporteurs verbonden importeurs en van één gebruiker in de Gemeenschap.

(7)

De Commissie heeft alle gegevens die voor een voorlopige vaststelling van dumping, schade als gevolg hiervan en het belang van de Gemeenschap nodig werden geacht, ingewonnen en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:

a)

Communautaire producenten

Destilaciones Bordas Chinchurreta S.A., Granada, Spanje;

Sensient Fragrances S.A., Dos Hermanas (Sevilla), Spanje;

Takasago International Chemicals (Europe) S.A., Murcia, Spanje.

b)

Producenten/exporteurs in India

Neeru Enterprises, Rampur;

Privi Organics Limited, Mumbai.

1.3.   Onderzoektijdvak

(8)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006 (hierna het „onderzoektijdvak” of „OT” genoemd). Het onderzoek naar de voor de beoordeling van schade relevante trends had betrekking op de periode van 1 januari 2003 tot het eind van het onderzoektijdvak (hierna de „beoordelingsperiode” genoemd).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(9)

Bij het betrokken product gaat het om dihydromyrcenol met een zuiverheid van 93 of meer gewichtspercenten, dat doorgaans onder de GN-code ex 2905 22 90 wordt aangegeven, van oorsprong uit India (hierna het „betrokken product” genoemd).

(10)

Het betrokken product is een kleurloze tot bleekgele vloeistof met een krachtige, frisse, limoenachtige, zoete citrus- en bloemengeur met weinig of geen terpenische ondertonen, oplosbaar in paraffineolie en alcohol en onoplosbaar in water. Het behoort tot de familie van acyclische terpeenalcoholen. De chemische naam van het product is 2,6-dimethyloct-7-een-2-ol (CAS RN 18479-58-8).

(11)

Het betrokken product wordt vooral gebruikt in detergentia, zeepgeurstoffen en als krachtige ondersteunende noot in citrus- en limoenachtige parfums.

2.2.   Soortgelijk product

(12)

Er werd geconstateerd dat het betrokken product en dihydromyrcenol dat in India op de binnenlandse markt wordt vervaardigd en verkocht, alsmede dihydromyrcenol dat in de Gemeenschap door de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt vervaardigd en verkocht, dezelfde chemische eigenschappen en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Daarom worden deze producten voorlopig beschouwd als gelijk in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   DUMPING

3.1.   Normale waarde

(13)

Om de normale waarde vast te stellen is de Commissie eerst voor elk van de twee medewerkende producenten/exporteurs nagegaan of hun totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product representatief was in verhouding tot hun totale uitvoer van dat product naar de Gemeenschap. Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd geconstateerd dat de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product voor slechts één van de medewerkende ondernemingen representatief was, aangezien het volume van de binnenlandse verkoop van die onderneming meer bedroeg dan 5 % van haar totale uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap.

(14)

Vervolgens heeft de Commissie voor die onderneming op basis van zuiverheid vastgesteld welke op de binnenlandse markt verkochte soorten van het soortgelijke product identiek waren aan of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de soorten die naar de Gemeenschap werden uitgevoerd. Voor elk van deze soorten werd vastgesteld of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een soort werd voldoende representatief geacht wanneer deze in het onderzoektijdvak in totaal minstens 5 % bedroeg van de totale uitvoer van de vergelijkbare soort naar de Gemeenschap. Dit was het geval voor alle binnenlandse soorten die vergelijkbaar zijn met die welke naar de Gemeenschap werden uitgevoerd.

(15)

Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop van elke soort van het betrokken product die in representatieve hoeveelheden werd verkocht, ingevolge artikel 2, lid 4, van de basisverordening kon worden beschouwd als verkoop in het kader van een normale handelstransactie. Hiertoe bepaalde zij voor elke uitgevoerde productsoort het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan niet-verbonden afnemers.

(16)

Aangezien voor alle productsoorten meer dan 80 % van de totale verkoop op de binnenlandse markt plaatsvond tegen een nettoverkoopprijs die gelijk was aan of hoger was dan de berekende productiekosten, en aangezien de gewogen gemiddelde verkoopprijs terzelfder tijd gelijk was aan of hoger was dan de productiekosten, werd de normale waarde per productsoort berekend als het gewogen gemiddelde van alle binnenlandse verkoopprijzen van de soort in kwestie, ongeacht of deze verkopen winstgevend waren of niet.

(17)

Voor de producent/exporteur die tijdens het onderzoektijdvak geen representatieve binnenlandse verkoop van het soortgelijke product had (zie overweging 13), werd de normale waarde krachtens artikel 2, lid 1, van de basisverordening vastgesteld op basis van de binnenlandse prijzen in het kader van normale handelstransacties van de andere producent/exporteur (zie overwegingen 14 tot en met 16).

3.2.   Uitvoerprijs

(18)

Alle verkoop van de twee medewerkende producenten/exporteurs werd rechtstreeks naar niet-verbonden afnemers in de Gemeenschap uitgevoerd. De uitvoerprijs voor die verkoop werd overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de door die niet-verbonden afnemers in de Gemeenschap werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

3.3.   Vergelijking

(19)

De normale waarde werd met de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek. Ten behoeve van een billijke vergelijking werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Voor verschillen in de kosten van vervoer over land en over zee, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, kortingen, commissies, kredietkosten en invoerheffingen werden, indien van toepassing en gerechtvaardigd, correcties toegepast.

3.4.   Dumpingmarges

(20)

Ingevolge artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werden de dumpingmarges voor de twee medewerkende producenten/exporteurs vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde per productsoort met een gewogen gemiddelde uitvoerprijs per productsoort, zoals hierboven vastgesteld.

(21)

Op grond hiervan bedragen de voorlopige dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens Gemeenschap, vóór inklaring:

Onderneming

Voorlopige dumpingmarge

Neeru Enterprises, Rampur

3,3 %

Privi Organics Limited, Mumbai

7,5 %

(22)

Voor niet-medewerkende producenten/exporteurs werd de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens. Hiertoe werd eerst de mate van medewerking vastgesteld. Uit een vergelijking tussen Eurostatgegevens betreffende de invoer van oorsprong uit India en de omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap die door de medewerkende producenten/exporteurs werd aangegeven, is gebleken dat de mate van medewerking hoog was (meer dan 80 %). Om die reden en omdat er geen aanwijzingen waren dat de niet-medewerkende ondernemingen dumping op een lager niveau toepasten, werd het passend geacht de dumpingmarge voor die ondernemingen vast te stellen op het niveau van de hoogste dumpingmarge voor de twee medewerkende ondernemingen. Deze aanpak is in overeenstemming met de vaste praktijk van de EG-instellingen en werd ook nodig geacht om te voorkomen dat niet-medewerking wordt aangemoedigd. De residuele dumpingmarge werd daarom vastgesteld op 7,5 %.

4.   SCHADE

4.1.   Communautaire productie en bedrijfstak van de Gemeenschap

(23)

In de Gemeenschap wordt het soortgelijke product vervaardigd door vijf producenten. Hun output wordt derhalve geacht de communautaire productie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening te vormen.

(24)

Van deze vijf producenten hebben er vier de vragenlijst beantwoord. Een van de respondenten steunde echter niet uitdrukkelijk de klacht, in die zin dat hij er geen standpunt over innam. Deze onderneming kon dan ook niet in de bedrijfstak van de Gemeenschap en bijgevolg ook niet in de schadeanalyse worden opgenomen. De situatie van deze onderneming werd echter in punt 5, Oorzakelijk verband, wel in aanmerking genomen en onderzocht als andere schadefactor.

(25)

Samen vertegenwoordigen de drie resterende medewerkende producenten meer dan 40 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Gemeenschap. Er zij op gewezen dat één van deze producenten in het onderzoektijdvak een aanzienlijke hoeveelheid dihydromyrcenol uit India had ingevoerd. Invoer vormde echter niet zijn kernactiviteit en deze invoer werd geacht te hebben plaatsgevonden als reactie op de invoer met dumping, waardoor de prijzen sterk omlaag werden gedrukt; de onderneming hoopte hiermee haar financiële situatie te verbeteren en haar eigen productie van het soortgelijke product levensvatbaar te houden. Het werd derhalve niet dienstig geacht deze producent van de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap uit te sluiten.

(26)

Gelet op het voorgaande worden de drie in overweging 25 bedoelde communautaire producenten geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening te vormen. Zij worden hierna de „bedrijfstak van de Gemeenschap” genoemd.

4.2.   Bepaling van de relevante communautaire markt

(27)

Om vast te stellen of de bedrijfstak van de Gemeenschap schade heeft geleden en om het verbruik alsmede de ontwikkeling van de diverse economische indicatoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap vast te stellen, werd onderzocht of en in hoeverre bij de analyse rekening moest worden gehouden met het gebruik dat later van het door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde soortgelijke product werd gemaakt.

(28)

Dihydromyrcenol wordt als tussenproduct gebruikt voor de vervaardiging van derivaten, zoals tetrahydromyrcenol en myrcetol, of bij de samenstelling van geurstoffen. Tijdens het onderzoek werd geconstateerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap bepaalde hoeveelheden dihydromyrcenol (ongeveer 10 % van zijn totale productievolume) intern gebruikte voor bovengenoemde doeleinden. Daartoe werd dihydromyrcenol gewoon zonder factuur elders binnen dezelfde onderneming afgenomen; het kwam niet op de vrije markt omdat het door de producent zelf werd gebruikt voor verdere verwerking en/of de vervaardiging van verbindingen. Dergelijke situaties vallen onder intern gebruik.

(29)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft ook dihydromyrcenol aan verbonden partijen in de Gemeenschap en in derde landen verkocht voor wederverkoop of gebruik door die partijen. Tijdens het onderzoek werd echter uitgemaakt dat deze verkoop niet als intern gebruik, d.w.z. verkoop op de markt voor intern gebruik, kan worden beschouwd omdat hij tegen marktprijzen plaatsvond en de kopers de leverancier vrij konden kiezen. Deze verkoop moet integendeel als verkoop op de vrije markt worden beschouwd.

(30)

Het onderscheid tussen de markt voor intern gebruik en de vrije markt is relevant voor de schadeanalyse omdat voor intern gebruik bestemde producten, d.w.z. in dit geval intern gebruik door de producenten zelf, niet rechtstreeks concurreren met ingevoerde producten. De productie voor de verkoop op de vrije markt bleek daarentegen rechtstreeks te concurreren met het ingevoerde product.

(31)

Om een zo volledig mogelijk beeld van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap te verkrijgen, werden voor de gehele dihydromyrcenolactiviteit gegevens verzameld en geanalyseerd en werd naderhand bepaald of de productie voor intern gebruik dan wel voor de vrije markt bestemd was.

(32)

Voor de volgende economische indicatoren betreffende de bedrijfstak van de Gemeenschap is gebleken dat voor een zinvolle analyse en evaluatie vooral moest worden gekeken naar de situatie op de vrije markt: verkoopvolume en verkoopprijzen op de communautaire markt, marktaandeel, groei, winstgevendheid, rendement van investeringen, kasstroom, uitvoervolume en uitvoerprijzen.

(33)

Zoals op basis van het onderzoek werd vastgesteld, konden andere economische indicatoren redelijkerwijs slechts aan de hand van de gehele activiteit worden onderzocht. Productie (zowel voor de markt voor intern gebruik als voor de vrije markt), capaciteit, bezettingsgraad, investeringen, voorraden, werkgelegenheid, productiviteit, lonen en vermogen om kapitaal aan te trekken hangen immers van de gehele activiteit af, ongeacht of de productie voor intern gebruik bestemd is dan wel op de vrije markt wordt verkocht.

(34)

Ten slotte zij erop gewezen dat de ontwikkeling van het interne gebruik door de bedrijfstak van de Gemeenschap in punt 5, Oorzakelijk verband, als andere schadefactor werd onderzocht om te bepalen of zij een invloed op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap kon hebben gehad.

4.3.   Verbruik in de Gemeenschap

(35)

Het verbruik in de Gemeenschap werd bepaald aan de hand van de door de communautaire producenten zelf geproduceerde volumes die bestemd waren voor de vrije verkoop op de communautaire markt en voor intern gebruik door die producenten, en de volumes van de invoer in de Gemeenschap, waarvoor de gegevens van Eurostat werden gebruikt.

(36)

Met betrekking tot Eurostat zij erop gewezen dat in deze statistieken andere producten dan dihydromyrcenol kunnen opgenomen zijn, aangezien dihydromyrcenol onder een ex-GN-code is ingedeeld. De gegevens van Eurostat werden dan ook vergeleken met de marktkennis van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Dientengevolge werd de invoer uit Japan uitgesloten, omdat ervan werd uitgegaan dat deze volledig uit andere producten dan dihydromyrcenol bestond; voor zover bekend wordt dat product in Japan immers niet vervaardigd. Voor de invoer uit andere derde landen dan Japan bleken de statistieken van Eurostat redelijk nauwkeurig te zijn (d.w.z. dat zij geen aanzienlijke hoeveelheden andere producten dan dihydromyrcenol bleken te omvatten, wat het beeld sterk zou vertekenen), zodat deze gegevens ten behoeve van de schadeanalyse en het onderzoek naar het oorzakelijk verband niet werden gecorrigeerd.

(37)

In de eerste helft van de beoordelingsperiode was de communautaire markt voor dihydromyrcenol betrekkelijk stabiel. In 2005 begonnen de cijfers te stijgen en in het onderzoektijdvak werd een niveau bereikt dat 23 % hoger lag dan in 2003, d.w.z. circa 4 400 000 kg.

 

2003

2004

2005

OT

Verbruik (kg)

3 586 447

3 571 795

3 819 904

4 409 093

Index: 2003 = 100

100

100

107

123

Bron: gecontroleerde antwoorden van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de vragenlijst, bij andere communautaire producenten ingewonnen informatie, Eurostat.

4.4.   Invoer uit het betrokken land

4.4.1.   Volume, prijs en marktaandeel van de invoer met dumping uit het betrokken land

(38)

Het volume van de invoer met dumping van het betrokken product in de Gemeenschap is in 2004 enorm toegenomen, namelijk met meer dan 1 600 %. In 2005 is het dan bijna verdubbeld, waarna zich in het onderzoektijdvak een vertraging heeft voorgedaan en uiteindelijk een niveau werd bereikt dat 2 963 % hoger lag dan bij het begin van de beoordelingsperiode, d.w.z. circa 760 000 kg in het onderzoektijdvak in vergelijking met circa 25 000 kg in 2003.

 

2003

2004

2005

OT

Invoer (kg)

24 900

430 600

751 800

762 600

Index: 2003 = 100

100

1 729

3 019

3 063

Bron: Eurostat.

(39)

De gemiddelde invoerprijs is in 2004 met bijna 20 % gedaald, is in 2005 weer opgeklommen tot zijn oorspronkelijke niveau en is in het onderzoektijdvak met 11 % gestegen. Zoals uit de overwegingen 41 en 42 blijkt, lagen de invoerprijzen in het onderzoektijdvak beduidend onder de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

 

2003

2004

2005

OT

Gemiddelde invoerprijs (EUR/kg)

3,45

2,79

3,45

3,81

Index: 2003 = 100

100

81

100

111

Bron: Eurostat.

(40)

Het marktaandeel van de invoer met dumping uit India is tijdens de beoordelingsperiode met bijna 17 procentpunten gestegen, d.w.z. van 0,7 % in 2003 tot 17,3 % in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel is in 2004 aanzienlijk toegenomen, was strookt met de bovenbeschreven forse stijging van de invoervolumes en een constant communautair verbruik. In het onderzoektijdvak zagen de Indiase exporteurs hun marktaandeel in absolute cijfers met 2,4 procentpunten dalen ondanks een toename van het verkoopvolume. Aangezien het verbruik in de Gemeenschap in de beoordelingsperiode echter met slechts 23 % is gestegen, is het duidelijk dat de invoer met dumping uit India op de communautaire markt in die periode veel sterker is toegenomen.

 

2003

2004

2005

OT

Marktaandeel

0,7 %

12,1 %

19,7 %

17,3 %

Index: 2003 = 100

100

1 736

2 835

2 491

Bron: Eurostat.

4.4.2.   Prijsonderbieding

(41)

Voor een analyse van de prijsonderbieding werden de invoerprijzen van de medewerkende producenten/exporteurs met de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap vergeleken aan de hand van gewogen gemiddelden voor rechtstreeks vergelijkbare productsoorten (op basis van zuiverheid) in het onderzoektijdvak. De prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden gecorrigeerd tot het niveau af fabriek en werden vergeleken met de cif-invoerprijzen, grens Gemeenschap, plus invoerrechten. Deze prijsvergelijking werd uitgevoerd voor transacties in hetzelfde handelsstadium, gecorrigeerd waar nodig, en na aftrek van rabatten en kortingen.

(42)

Op basis van de prijzen van de medewerkende producenten/exporteurs werden de onderbiedingsmarges (in procenten van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap) vastgesteld op 5,8 % en 7,4 %.

4.5.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(43)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening onderzocht de Commissie alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap van invloed waren.

(44)

Er wordt aan herinnerd dat in de schadeanalyse rekening moest worden gehouden met het interne gebruik van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap. Zo werd voor het onderzoek van bepaalde schade-indicatoren uitgegaan van de situatie op de vrije markt, terwijl bepaalde andere indicatoren redelijkerwijs alleen konden worden onderzocht door de gehele activiteit in beschouwing te nemen (zie de overwegingen 27 tot en met 34).

a)   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(45)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft zijn productie van het soortgelijke product in de beoordelingsperiode met 6 % verhoogd. In 2004 is de productie stabiel gebleven, in 2005 licht gestegen (2 %) en in het onderzoektijdvak met nog eens vier procentpunten toegenomen. Daar de productiecapaciteit stabiel is gebleven, is de bezettingsgraad door de grotere productievolumes licht verbeterd. In het onderzoektijdvak bedroeg de bezettingsgraad 73 %.

 

2003

2004

2005

OT

Productie (kg)

2 212 266

2 210 328

2 265 113

2 350 588

Index: 2003 = 100

100

100

102

106

Productiecapaciteit (kg)

3 210 000

3 210 000

3 210 000

3 210 000

Index: 2003 = 100

100

100

100

100

Bezettingsgraad

69 %

69 %

71 %

73 %

Index: 2003 = 100

100

100

102

106

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

b)   Voorraden

(46)

De voorraden zijn tussen 2003 en het eind van het onderzoektijdvak toegenomen. De piek in 2004 valt samen met een plotselinge daling van de verkoop, zoals beschreven in overweging 47. In het onderzoektijdvak was het voorraadniveau 8 % hoger dan in 2003.

 

2003

2004

2005

OT

Voorraden (kg)

118 204

222 907

166 724

127 440

Index: 2003 = 100

100

189

141

108

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

c)   Verkoopvolume, verkoopprijs en marktaandeel

(47)

De verkoop van de eigen productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de vrije markt in de Gemeenschap is in 2004 plots met 7 % gedaald. In 2005 lag de verkoop weer iets boven het oorspronkelijke niveau en in het onderzoektijdvak is hij met 19 procentpunten gestegen. Gezien het toegenomen verbruik in 2005 en in het onderzoektijdvak (zie overweging 37) heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn marktpositie echter niet verbeterd. Hij heeft integendeel zijn marktaandeel amper kunnen behouden. De gemiddelde verkoopprijzen van de communautaire productie weerspiegelden de marktontwikkeling. Zij zijn in 2004 sterk gedaald (met 22 %), zijn in 2005 nog eens tien procentpunten gezakt en zijn in het onderzoektijdvak min of meer stabiel gebleven.

 

2003

2004

2005

OT

Verkoop in de EG (kg)

1 233 633

1 147 959

1 274 430

1 506 740

Index: 2003 = 100

100

93

103

122

Marktaandeel

34,4 %

32,1 %

33,4 %

34,2 %

Index: 2003 = 100

100

93

97

99

Verkoopprijs (EUR/kg)

4,55

3,55

3,09

3,15

Index: 2003 = 100

100

78

68

69

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

d)   Winstgevendheid

(48)

De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode fel verslechterd. In 2003 boekte de bedrijfstak van de Gemeenschap met zijn voor de verkoop op de vrije markt bestemde productie van het soortgelijke product nog een winst van 12,3 %. Deze winst is in 2004 omgeslagen in zware verliezen, toen ook het verkoopvolume en de verkoopprijzen scherp daalden. In 2005 is de verliesmarge verdubbeld en in het onderzoektijdvak liet de bedrijfstak van de Gemeenschap een verlies van nagenoeg 17 % optekenen.

 

2003

2004

2005

OT

Winstmarge vóór belastingen

12,3 %

–7,5 %

–15,8 %

–16,9 %

Index: 2003 = 100

100

–60

– 128

– 137

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

e)   Investeringen, rendement van investeringen, kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken

(49)

De investeringen zijn in de beoordelingsperiode sterk gedaald en bedroegen in het onderzoektijdvak nog slechts 7 % van het niveau van 2003, wat verband houdt met het feit dat de bedrijfstak reeds met moderne machines werkt. Zoals uit de tabel in overweging 45 kan worden afgeleid, werd niet in de productiecapaciteit geïnvesteerd, hoewel verwacht werd dat de stijgende trend voor de markt voor dihydromyrcenol zou aanhouden. Het rendement van investeringen, uitgedrukt in nettowinst/-verlies van de bedrijfstak van de Gemeenschap en nettoboekwaarde van zijn investeringen, ontwikkelde zich in overeenstemming met de investeringen en de winst-/verliesmarge. Het is gedaald van 13,7 % in 2003 tot – 26,9 % in het onderzoektijdvak. Ook de kasstroom van de bedrijfstak van de Gemeenschap is sterk gekrompen. De kasinstroom van circa 1 300 000 EUR in 2003 is omgeslagen in een kasuitstroom van meer dan 60 000 EUR in het onderzoektijdvak. Al deze indicatoren bevestigen duidelijk het onvermogen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om kapitaal aan te trekken.

 

2003

2004

2005

OT

Investeringen (EUR)

221 210

44 605

23 435

16 481

Index: 2003 = 100

100

20

11

7

Rendement van investeringen

13,7 %

–7,1 %

–17,3 %

–26,9 %

Index: 2003 = 100

100

–52

– 127

– 197

Kasstroom (EUR)

1 328 345

–48 093

164 355

–61 724

Index: 2003 = 100

100

–4

12

–5

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

f)   Groei

(50)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft zijn marktaandeel behouden ten koste van aanzienlijke verliezen, die onder meer gepaard gingen met een kasuitstroom. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet van de groei van de markt kon profiteren.

g)   Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

(51)

Het aantal werknemers van de bedrijfstak van de Gemeenschap die bij het soortgelijke product betrokken zijn, is ondanks de toegenomen productie (zie overweging 45) gedaald. In het onderzoektijdvak was de werkgelegenheid 15 % lager dan in 2003. Toch zijn de totale arbeidskosten hoger geworden. Zij zijn in 2004 met 13 % gestegen, in 2005 min of meer stabiel gebleven, waarna zij in het onderzoektijdvak licht gedaald zijn tot een niveau dat 6 % boven dat van 2003 lag. In feite zijn de gemiddelde arbeidskosten in de beoordelingsperiode met 24 % gestegen. Deze stijging was toe te schrijven aan de inflatie (ongeveer 3 % in 2004 en 2005 in Spanje) en aan de veranderingen in de werkgelegenheidsstructuur (hoger aandeel gekwalificeerde arbeidskrachten). De productiviteit, uitgedrukt in productie per werknemer per jaar, is tussen 2003 en het eind van het onderzoektijdvak met 24 % gestegen.

 

2003

2004

2005

OT

Werkgelegenheid

44,2

43,7

39,8

37,7

Index: 2003 = 100

100

99

90

85

Arbeidskosten (EUR)

1 401 693

1 580 371

1 554 698

1 480 157

Index: 2003 = 100

100

113

111

106

Gemiddelde arbeidskosten (EUR)

31 741

36 206

39 033

39 282

Index: 2003 = 100

100

114

123

124

Productiviteit (kg per werknemer)

64 329

65 588

72 904

79 546

Index: 2003 = 100

100

102

113

124

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

h)   Hoogte van de dumpingmarge, herstel van eerdere dumping of subsidiëring

(52)

Gezien de omvang van de invoer met dumping uit het betrokken land en de prijzen waartegen het betrokken product werd verkocht, kan het effect van de werkelijke dumpingmarges op de bedrijfstak van de Gemeenschap niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

(53)

Voorts waren er geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak herstellende was van de gevolgen van dumping of subsidiëring in het verleden.

4.6.   Conclusie inzake de schade

(54)

Tijdens de beoordelingsperiode is de laaggeprijsde invoer met dumping uit India enorm toegenomen. Het volume van de invoer met dumping van het betrokken product is tussen 2003 en het eind van het onderzoektijdvak met bijna 3 000 % gestegen. Dit kwam neer op een marktaandeel van meer dan 17 % van de communautaire markt voor dihydromyrcenol in het onderzoektijdvak, vergeleken met slechts 0,7 % in 2003.

(55)

Niettegenstaande dat het verbruik van dihydromyrcenol in de Gemeenschap in de beoordelingsperiode met 23 % is gestegen, kon de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak slechts hetzelfde aandeel in de communautaire markt behouden als in 2003, met name dankzij een toename van de verkoop van zijn productie in 2005 en in het onderzoektijdvak. Zoals echter uit de bovenstaande analyse van de economische indicatoren van de bedrijfstak van de Gemeenschap is gebleken, was dit slechts te verwezenlijken ten koste van zware verliezen, een daling van het rendement van investeringen, en kasuitstroom. In feite kwam de schade met name tot uiting in een sterke daling van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, wat directe en aanzienlijke ongunstige gevolgen had voor de financiële situatie van deze ondernemingen. De prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn immers van 4,55 EUR in 2003 gezakt tot 3,15 EUR in het onderzoektijdvak. Deze daling ging niet gepaard met een overeenkomstige daling van de productiekosten. Daardoor werd de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2004 verliesgevend. De verliezen uit de verkoop van dihydromyrcenol op de communautaire markt zijn verder opgelopen in 2005 en in het onderzoektijdvak, toen de inkomsten uit de verkoop amper volstonden om de vaste kosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap te dekken. Het is duidelijk dat een dergelijke situatie op lange termijn niet vol te houden is.

(56)

Rekening houdend met al deze factoren wordt voorlopig aangenomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

5.1.   Inleiding

(57)

Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade werd veroorzaakt door de invoer met dumping van het betrokken product. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd schade kon hebben geleden, werden ook onderzocht om te voorkomen dat mogelijke schade door deze andere factoren aan de invoer met dumping werd toegeschreven.

5.2.   Gevolgen van de invoer met dumping

(58)

Ten eerste zij eraan herinnerd dat uit het onderzoek gebleken is dat het uit India ingevoerde dihydromyrcenol rechtstreeks concurreert met het door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde en verkochte dihydromyrcenol, daar het wat de chemische eigenschappen betreft gelijk is, uitwisselbaar is en via dezelfde distributiekanalen verhandeld wordt.

(59)

De aanzienlijke toename van de invoer met dumping uit het betrokken land in volume (met bijna 3 000 %) en in aandeel in de communautaire markt (met bijna 17 procentpunten) viel samen met de verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze verslechtering omvatte onder meer een daling van het prijsniveau van de bedrijfstak van de Gemeenschap, waardoor deze in diezelfde periode met slechtere financiële resultaten te kampen kreeg. Met de invoer met dumping werden de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in belangrijke mate onderboden, zodat redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat deze invoer de oorzaak was van de neerwaartse prijsdruk die heeft geleid tot de verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(60)

Een van de belanghebbenden voerde aan dat diverse fabrieken in India zijn opgehouden met de vervaardiging van het betrokken product, waardoor de productiecapaciteit voor dat product in India is gedaald. Daaruit concludeerde deze belanghebbende dat de invoer uit India geen gevaar van schade voor de communautaire producenten inhield. In dit verband heeft het onderzoek bevestigd dat enkele van de producenten die in de in overweging 2 bedoelde klacht worden vermeld, hun productie van dihydromyrcenol in het onderzoektijdvak hebben gestaakt; er werd echter ook geconstateerd dat nieuwe capaciteit is geïnstalleerd. Feit is dat in 2005 ten minste één nieuwe Indiase producent van dihydromyrcenol op de markt is verschenen. Dit argument moet dan ook worden afgewezen.

(61)

Daar duidelijk is vastgesteld dat de sterke stijging van de invoer met dumping tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk onderboden, enerzijds, en de neerwaartse druk op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de verslechterde financiële situatie waarmee deze te kampen kreeg, anderzijds, zich gelijktijdig voordeden, luidt de voorlopige conclusie dat de invoer met dumping een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade.

5.3.   Gevolgen van andere factoren

5.3.1.   Prestaties van andere communautaire producenten

(62)

Zoals in de overwegingen 23 tot en met 26 wordt vermeld, zijn er in de Gemeenschap vijf producenten van het soortgelijke product; twee ervan worden niet geacht deel uit te maken van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De ontwikkeling van het verkoopvolume en het marktaandeel van deze twee ondernemingen wordt hieronder geanalyseerd. In verband met de vertrouwelijkheid kunnen de reële cijfers niet worden bekendgemaakt. Daarom worden alleen indexcijfers vermeld.

(63)

De verkoop in de Gemeenschap van door andere communautaire producenten vervaardigde dihydromyrcenol is in de beoordelingsperiode met 12 % gedaald. Hun marktaandeel nam zelfs met 28 % af omdat de markt in die periode groeide.

 

2003

2004

2005

OT

Verkoop in de EG (kg)

Index: 2003 = 100

100

89

88

88

Marktaandeel

Index: 2003 = 100

100

90

83

72

Bron: bij andere communautaire producenten ingewonnen informatie.

(64)

Op grond van het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de prestaties van de twee andere communautaire producenten de bedrijfstak van de Gemeenschap geen schade hebben toegebracht.

5.3.2.   Intern gebruik door de bedrijfstak van de Gemeenschap

(65)

Zoals in de overwegingen 27 tot en met 34 wordt vermeld, omvatten de activiteiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap met betrekking tot het soortgelijke product onder meer het interne gebruik van dit product voor de vervaardiging van derivaten en/of de samenstelling van parfums. Zoals in de bovengenoemde overwegingen nader wordt uitgelegd, werd het passend geacht het interne gebruik door de bedrijfstak van de Gemeenschap uit te sluiten van de analyse van de schade-indicatoren (waar dit zinvol was) en het te onderzoeken in het kader van andere factoren, d.w.z. andere mogelijke oorzaken van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade.

(66)

Het interne gebruik door de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode licht gedaald. In 2004 is het met 14 % afgenomen en in 2005 met nog eens 14 procentpunten gedaald, waarna het in het onderzoektijdvak tot ongeveer 240 000 kg is gestegen, wat toch nog 5 % minder is dan in 2003. Relatief gezien maakte het interne gebruik circa 10 % van het totale productievolume uit, met uitzondering van 2005, toen het tot 8 % zakte.

 

2003

2004

2005

OT

Intern gebruik (kg)

249 809

215 100

179 954

236 323

Index: 2003 = 100

100

86

72

95

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(67)

Op grond van het bovenstaande en rekening houdend met het feit dat het interne gebruik slechts ongeveer 10 % van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap vertegenwoordigt, wordt voorlopig geconcludeerd dat de ontwikkeling van het interne gebruik niet in aanzienlijke mate kon bijdragen aan de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade.

5.3.3.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(68)

In volume is de uitvoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode licht toegenomen. Het uitvoervolume is in 2004 met 8 % en in 2005 met nog eens 12 procentpunten gestegen, waarna het in het onderzoektijdvak is gedaald tot een niveau dat 4 % boven dat van 2003 lag. Uit de tabel hierna is op te maken dat de eenheidsprijs tussen 2003 en het onderzoektijdvak met 26 % is teruggelopen. Hierbij zij echter opgemerkt dat de uitvoerprijs minder snel is gedaald dan de verkoopprijs in de Gemeenschap en in absolute cijfers aanzienlijk hoger bleef dan deze laatste.

 

2003

2004

2005

OT

Uitgevoerde hoeveelheid van de EG-productie (eenheden)

743 445

803 219

890 242

774 802

Index: 2003 = 100

100

108

120

104

Uitvoerprijs (EUR/eenheid)

4,55

4,05

3,57

3,36

Index: 2003 = 100

100

89

79

74

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(69)

Derhalve kan voorlopig worden geconcludeerd dat de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in aanzienlijke mate aan de aanmerkelijke schade hebben bijgedragen.

5.3.4.   Invoer uit andere derde landen

(70)

De invoer uit andere derde landen dan India werd ook onderzocht. Er zij aan herinnerd dat de door Eurostat meegerekende invoer uit Japan om de in overweging 36 vermelde redenen niet in aanmerking is genomen. Voor dit onderzoek werden geen andere correcties in de gegevens van Eurostat aangebracht.

(71)

Zoals uit de tabel hierna blijkt, is het volume van de invoer uit andere derde landen in de beoordelingsperiode afgenomen. Na een inzinking in 2004 en 2005 trad in het onderzoektijdvak een herstelbeweging op en werd een niveau bereikt dat 4 % onder dat van 2003 lag. Deze ontwikkeling viel duidelijk samen met een stijging van de prijzen van deze invoer in 2004 en 2005 en de daaropvolgende daling ervan in het onderzoektijdvak. In absolute cijfers bleef het prijsniveau van de invoer uit andere derde landen gedurende de gehele beoordelingsperiode aanzienlijk hoger dan het prijsniveau van de invoer uit India (zie overweging 39). Het overeenkomstige aandeel in de communautaire markt van de invoer uit andere derde landen ontwikkelde zich op dezelfde wijze als het volume van de invoer en de marktexpansie; het is tussen 2003 en het eind van het onderzoektijdvak met 22 % gedaald.

 

2003

2004

2005

OT

Invoer (kg)

935 800

756 200

606 700

895 100

Index: 2003 = 100

100

81

65

96

Gemiddelde invoerprijs (EUR/kg)

4,04

4,79

4,75

4,08

Index: 2003 = 100

100

119

118

101

Marktaandeel

26 %

21 %

16 %

20 %

Index: 2003 = 100

100

81

61

78

Bron: Eurostat.

(72)

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de invoer uit andere derde landen dan India de bedrijfstak van de Gemeenschap geen schade heeft toegebracht.

5.3.5.   De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft de schade zelf veroorzaakt

(73)

Een van de belanghebbenden voerde aan dat de bedrijfstak van de Gemeenschap de schade zelf had veroorzaakt omdat de klagers afhankelijk zijn van de invoer van de belangrijkste grondstoffen die voor de vervaardiging van het soortgelijke product worden gebruikt, en bijgevolg niet concurrerend zijn ten opzichte van de andere producenten in de Gemeenschap, en zelfs niet op wereldniveau. In dit verband heeft het onderzoek niet aangetoond dat er aanzienlijke verschillen zijn tussen de toeleveranciers die de klagers en de andere communautaire producenten, of zelfs de medewerkende Indiase producenten, voor hun belangrijkste grondstoffen gebruiken en de prijzen die zij ervoor betalen, zodat de bovenvermelde beweringen niet konden worden gestaafd. Dit argument moet dan ook worden afgewezen.

5.4.   Conclusie betreffende het oorzakelijk verband

(74)

Als conclusie wordt bevestigd dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden en die met name wordt gekenmerkt door een daling van de verkoopprijzen per eenheid, waardoor de financiële situatie aanzienlijk verslechterde, werd veroorzaakt door de invoer met dumping uit het betrokken land. Hoewel het interne gebruik en de uitvoerprestaties in zekere mate kunnen hebben bijgedragen aan de slechtere prestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap, was de ontwikkeling ervan niet van die aard dat het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schadelijke situatie voor de bedrijfstak van de Gemeenschap erdoor werd verbroken.

(75)

Gezien bovenstaande analyse, waarbij de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap duidelijk zijn onderscheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt bevestigd dat deze andere factoren als zodanig de bevinding dat de vastgestelde schade moet worden toegeschreven aan de invoer met dumping, niet ongedaan kunnen maken.

(76)

De voorlopige conclusie luidt derhalve dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping uit het betrokken land aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening.

6.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

6.1.   Algemene opmerkingen

(77)

De Commissie heeft onderzocht of er, ondanks de voorlopige conclusie inzake schadeveroorzakende dumping, dwingende redenen waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Gemeenschap is om in dit geval maatregelen te nemen. Overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de basisverordening werd op basis van al het overgelegde bewijsmateriaal dan ook onderzocht welke gevolgen het al dan niet instellen van maatregelen zou hebben voor alle bij deze procedure betrokken partijen.

6.2.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(78)

De schadeanalyse heeft duidelijk aangetoond dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping schade heeft geleden. De invoer met dumping die de laatste jaren fors is toegenomen, was de oorzaak van de sterke neerwaartse prijsdruk. Met het oog op het behoud van zijn marktpositie en van het volume van zijn verkoop op de vrije markt, wat van doorslaggevend belang is voor de productiekosten, ziet de bedrijfstak van de Gemeenschap zich genoopt te verkopen tegen prijzen die de vaste kosten amper dekken.

(79)

In deze context zou de positie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zonder het instellen van maatregelen op lange termijn niet houdbaar zijn. Hoewel de directe werkgelegenheid in de productie van dihydromyrcenol vrij beperkt is, zouden de negatieve gevolgen daarvoor vooral merkbaar zijn in één geografisch gebied in Spanje, waar het grootste deel van de communautaire productie geconcentreerd is. Indien maatregelen worden genomen en de invoerprijs weer op een niveau komt waarop er geen sprake is van dumping, zal de bedrijfstak van de Gemeenschap op eerlijke handelsvoorwaarden op basis van een comparatief voordeel kunnen concurreren. Verwacht wordt dat het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap zal toenemen en dat de bedrijfstak van de Gemeenschap daardoor van schaalvoordelen zal kunnen profiteren. Voorts wordt verwacht dat de bedrijfstak van de Gemeenschap van de vermindering van de door de invoer met dumping veroorzaakte neerwaartse prijsdruk gebruik zal maken om zijn verkoopprijzen enigszins te verhogen, daar de maatregelen een eind zullen maken aan de tijdens het onderzoektijdvak vastgestelde prijsonderbieding. Deze verwachte positieve gevolgen van maatregelen zullen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat stellen zijn kritieke financiële situatie te verbeteren.

(80)

Het is dan ook duidelijk in het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap maatregelen in te stellen. Als geen maatregelen worden ingesteld, kan dit in de Gemeenschap leiden tot stopzetting van de productie van dihydromyrcenol of zelfs tot bedrijfssluitingen.

6.3.   Belang van gebruikers en consumenten

(81)

Consumentenverenigingen hebben zich niet kenbaar gemaakt noch gegevens verstrekt overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening. Daarom en aangezien dihydromyrcenol alleen wordt gebruikt als grondstof of bestanddeel bij de fabricage van andere tussen- of eindproducten (zie de overwegingen 11 en 28), werd de analyse beperkt tot de gevolgen van de maatregelen voor de gebruikers. Dihydromyrcenol wordt vooral gebruikt in detergentia, zeepgeurstoffen en bepaalde parfums. De betrokken sectoren zijn dus was- en schoonmaakmiddelen, schoonheidsproducten en lichaamsverzorgingsproducten. Er werd een vragenlijst toegezonden aan 13 bekende gebruikers van dihydromyrcenol in de Gemeenschap en aan vier verenigingen op het gebied van smaak- en geurstoffen. De Commissie vroeg onder meer hun mening over de vraag of antidumpingmaatregelen in het belang van de Gemeenschap zouden zijn en wat de gevolgen van deze maatregelen voor hen zouden zijn.

(82)

Er werd één ingevulde vragenlijst ontvangen van een fabrikant van een heel assortiment was-, schoonmaak- en lichaamsverzorgingsmiddelen. Deze wees erop dat het onderzochte product slechts een marginaal deel uitmaakt van al zijn tussen- en eindproducten. Bovendien gebruikte deze onderneming geen dihydromyrcenol van oorsprong uit India, zodat zij geen volledige informatie kon verstrekken. Niettemin nam deze gebruiker aan dat het instellen van maatregelen zou kunnen leiden tot tekorten in de toelevering en tot prijsstijgingen, wat op lange termijn zou kunnen resulteren in veranderingen in de samenstelling van parfums onder invloed van de prijzen. Een andere gebruiker deelde de Commissie mee dat hij geen dihydromyrcenol van oorsprong uit India gebruikte. Deze onderneming maakte geen opmerkingen over de gevolgen van eventuele maatregelen. Van verenigingen werden geen opmerkingen ontvangen.

(83)

Met betrekking tot de ontvangen opmerkingen heeft het onderzoek uitgewezen dat redelijkerwijs geen tekorten in de toelevering van dihydromyrcenol te verwachten zijn, daar de bezettingsgraad in de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak slechts 73 % bedroeg (zie overweging 45). Dihydromyrcenol wordt ook in diverse andere derde landen dan India geproduceerd. Bovendien wordt, gezien de vrij lage dumpingmarges die zijn vastgesteld, geen aanzienlijke prijsstijging verwacht. Gezien het bovenstaande en rekening houdend met het marginale effect van dihydromyrcenol op de kosten van afgeleide producten wordt voorlopig geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen waarschijnlijk geen aanzienlijke gevolgen voor de situatie van de gebruikers in de Gemeenschap zullen hebben.

6.4.   Belang van de niet-verbonden importeurs/handelaars in de Gemeenschap

(84)

Er werd contact opgenomen met 27 bekende importeurs van of handelaars in het betrokken product in de Gemeenschap. Drie van deze ondernemingen deelden de Commissie mee dat zij geen dihydromyrcenol uit India invoerden. Slechts twee niet met de producenten/exporteurs verbonden importeurs hebben uiteindelijk de vragenlijst beantwoord. Eén van hen wees erop dat hij zijn invoer uit India tijdens het onderzoektijdvak had stopgezet omdat zijn leverancier had besloten uitsluitend via bepaalde andere distributeurs te verkopen. Deze importeur maakte geen opmerkingen over de vermoedelijke gevolgen van de maatregelen, daar hij er blijkbaar geen belang meer bij had. Voor de andere medewerkende importeur maakte de verkoop van het betrokken product in de Gemeenschap minder dan 20 % van zijn totale omzet uit, terwijl zijn aandeel in de totale invoer van het betrokken product uit India vrij marginaal was. Deze onderneming maakte geen specifieke opmerkingen over de vermoedelijke gevolgen van eventuele maatregelen voor haar eigen activiteiten. Zij wees er alleen op dat eventuele maatregelen de Indiase producenten zouden aanmoedigen zich aan te passen door hun efficiëntie te vergroten, terwijl de communautaire producenten door de hun geboden bescherming in staat zouden worden gesteld hun inefficiënte productie te handhaven en niet zouden worden gedwongen te herstructureren. In dit verband wordt erop gewezen dat, zoals in overweging 79 wordt aangetoond, de antidumpingmaatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat zouden stellen om, in tegenstelling tot wat hierboven wordt beweerd, zijn verkoopvolume te vergroten en zijn kritieke financiële situatie te verbeteren, waardoor ruimte zou ontstaan om de productie efficiënter te maken. Dit argument moet dan ook worden afgewezen.

(85)

Gezien het bovenstaande en met name rekening houdend met de geringe mate van medewerking van niet-verbonden importeurs/handelaars in de Gemeenschap wordt voorlopig geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen geen uitgesproken negatieve gevolgen voor hun situatie zouden hebben.

6.5.   Conclusie over het belang van de Gemeenschap

(86)

Uit bovenstaande analyse blijkt dat antidumpingmaatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn, omdat van die maatregelen wordt verwacht dat zij een rem zullen zetten op de aanzienlijke invoer tegen dumpingprijzen en een eind zullen maken aan de met deze invoer gepaard gaande prijsonderbieding, waarvan is vastgesteld dat deze aanzienlijke negatieve gevolgen heeft voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Verwacht wordt dat ook de andere communautaire producenten profijt zullen trekken van deze maatregelen.

(87)

Uit de analyse is voorts gebleken dat antidumpingmaatregelen waarschijnlijk geen aanzienlijke gevolgen voor de gebruikers zullen hebben.

(88)

Vanwege de geringe mate van medewerking van niet-verbonden importeurs van of handelaars in het betrokken product in de Gemeenschap kon geen grondige analyse van hun belang worden gemaakt. De conclusie kan echter worden getrokken dat deze ondernemingen besloten niet aan het onderzoek mee te werken omdat hun activiteiten geen aanzienlijke gevolgen zouden ondervinden van maatregelen betreffende de invoer van dihydromyrcenol uit India.

(89)

Alles in aanmerking genomen lijken maatregelen ter bestrijding van schadeveroorzakende dumping de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat te stellen zijn financiële situatie te verbeteren en zijn activiteiten voort te zetten, terwijl de schadelijke gevolgen die de maatregelen voor bepaalde andere marktdeelnemers in de Gemeenschap kunnen hebben, niet onevenredig zijn in vergelijking met de voordelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(90)

Op grond hiervan luidt de voorlopige conclusie dat er geen dwingende redenen van communautair belang zijn om in dit geval geen antidumpingmaatregelen in te stellen.

7.   VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(91)

Gezien de voorlopige conclusies inzake dumping, door de dumping veroorzaakte schade en belang van de Gemeenschap moeten voorlopige maatregelen betreffende de invoer van het betrokken product uit India worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog meer schade lijdt door de invoer met dumping.

7.1.   Schademarge

(92)

De voorlopige antidumpingrechten moeten hoog genoeg zijn om te voorkomen dat de invoer met dumping nog schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt, maar mogen het niveau van de vastgestelde dumpingmarges niet overschrijden. Bij de berekening van de hoogte van het recht waarbij de gevolgen van de schadeveroorzakende dumping worden tenietgedaan, werd ervan uitgegaan dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moeten stellen zijn kosten te dekken en een winst voor belasting te behalen die bij normale concurrentievoorwaarden, d.w.z. wanneer geen invoer met dumping plaatsvindt, redelijkerwijs kan worden gemaakt.

(93)

Op grond van de beschikbare gegevens werd voorlopig vastgesteld dat een winstmarge van 5 % op de omzet kan worden aangemerkt als een passend winstpeil waarop de bedrijfstak van de Gemeenschap zonder schadeveroorzakende dumping zou kunnen rekenen. In 2003, d.w.z. vóór de sterke toename van de invoer met dumping uit India, maakte de bedrijfstak van de Gemeenschap een winst van 12,3 % op zijn verkoop van het soortgelijke product op de vrije markt (zie overweging 48). Het werd echter noodzakelijk geacht deze winstgevendheid te corrigeren voor het feit dat de communautaire en de wereldmarkt voor dihydromyrcenol zijn gegroeid en dat nieuwe capaciteiten zijn opgebouwd, zodat het algemene prijsniveau — ongeacht of er sprake is van invoer met dumping — enigszins is gedaald, terwijl de productiekosten per eenheid min of meer onveranderd zijn gebleven. Derhalve leek een winst — zonder invoer met dumping — van ongeveer 12 % redelijkerwijs niet gerechtvaardigd; in plaats daarvan werd een winstmarge van 5 % op de omzet in de huidige situatie passender geacht.

(94)

De noodzakelijke prijsstijging werd vervolgens vastgesteld door de gewogen gemiddelde invoerprijs, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gemiddelde niet-schadeveroorzakende prijs van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt verkochte producten. Het verschil dat uit deze vergelijking voortvloeide, werd vervolgens uitgedrukt in een percentage van de gemiddelde cif-waarde bij invoer. Deze verschillen lagen voor beide medewerkende producenten/exporteurs boven de vastgestelde dumpingmarges.

7.2.   Voorlopige maatregelen

(95)

Gezien het voorgaande wordt overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening geoordeeld dat voor de medewerkende producenten/exporteurs een voorlopig antidumpingrecht moet worden ingesteld op het niveau van de vastgestelde dumpingmarges.

(96)

Er wordt aan herinnerd dat de mate van medewerking hoog was, zodat het passend werd geacht het recht voor de overige ondernemingen, die niet aan het onderzoek hebben meegewerkt, vast te stellen op het hoogste van de twee voor de medewerkende ondernemingen in te stellen percentages (zie overweging 22). Het residuele recht wordt daarom vastgesteld op 7,5 %.

(97)

Op grond van het voorgaande wordt het voorlopige antidumpingrecht als volgt vastgesteld:

Producent

Voorgesteld antidumpingrecht

Neeru Enterprises, Rampur

3,3 %

Alle andere ondernemingen (met inbegrip van Privi Organics Limited, Mumbai)

7,5 %

(98)

Het bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrecht voor de onderneming in kwestie is gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Het weerspiegelt daarom de situatie die bij dit onderzoek voor deze onderneming werd vastgesteld. Dit recht (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) geldt dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit India die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteit. Het recht is niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde onderneming; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(99)

Verzoeken in verband met de toepassing van dit individuele antidumpingrecht voor de onderneming in kwestie (bv. na de naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) moeten onverwijld aan de Commissie worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of deze oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

(100)

Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het residuele recht niet alleen gelden voor de niet-medewerkende producenten/exporteurs, maar ook voor de producenten die het betrokken product in het onderzoektijdvak niet naar de Gemeenschap hebben uitgevoerd. De laatstgenoemde ondernemingen kunnen evenwel, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, lid 4, tweede alinea, van de basisverordening, verzoeken dat hun situatie individueel wordt onderzocht.

8.   SLOTBEPALING

(101)

Met het oog op de beginselen van behoorlijk bestuur moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen te worden gehoord. Voorts dient te worden opgemerkt dat alle bevindingen betreffende de instelling van rechten in het kader van deze verordening voorlopig zijn en bij de instelling van een definitief recht kunnen worden herzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op dihydromyrcenol met een zuiverheid van 93 of meer gewichtspercenten, ingedeeld onder de GN-code ex 2905 22 90 (Taric-code 2905229010), van oorsprong uit India.

2.   Het voorlopige antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande ondernemingen is geproduceerd, is als volgt:

Producent

Antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

Neeru Enterprises, Rampur, India

3,3 %

A827

Alle andere ondernemingen

7,5 %

A999

3.   Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het in lid 1 bedoelde product dient zekerheid te worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen de betrokken partijen binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen doen toekomen over de toepassing ervan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 van deze verordening is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie,

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB C 275 van 11.11.2006, blz. 25.


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/20


VERORDENING (EG) Nr. 897/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1623/2000 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de marktmechanismen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (1), en met name op de artikelen 33 en 36,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met betrekking tot de steunregeling voor most die wordt gebruikt voor de verrijking van wijn, voorziet artikel 13, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1623/2000 van de Commissie (2) in een op het einde van het wijnoogstjaar 2006/2007 aflopende afwijking voor most die afkomstig is uit andere zones dan de zones CIII a) en CIII b). In afwachting van een diepgaandere wijziging van deze steunregeling in het kader van de voor het wijnoogstjaar 2008/2009 geplande hervorming van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt dient deze afwijking te worden verlengd tot het einde van het wijnoogstjaar 2007/2008.

(2)

Artikel 52, lid 1, vierde alinea, van Verordening (EG) nr. 1623/2000 voorziet voor de wijnoogstjaren 2001/2002 tot en met 2006/2007 in een afwijking van de regeling inzake distillatie van wijn uit druiven van rassen die tegelijk als wijndruivenras en als druivenras voor de bereiding van eau-de-vie van wijn met oorsprongsbenaming zijn ingedeeld. De afwijking heeft betrekking op de „normaal tot wijn verwerkte hoeveelheid”. In afwachting van een diepgaandere wijziging van de regeling in het kader van de voor het wijnoogstjaar 2008/2009 geplande hervorming van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt dient deze afwijking te worden verlengd tot het einde van het wijnoogstjaar 2007/2008.

(3)

In artikel 63 bis, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1623/2000 is vastgesteld welk percentage van de geproduceerde wijn de producenten tot drinkalcohol mogen distilleren. Dit percentage dient te worden vastgesteld voor het wijnoogstjaar 2007/2008.

(4)

Verordening (EG) nr. 1623/2000 dient overeenkomstig te worden gewijzigd.

(5)

Aangezien het volgende wijnoogstjaar op 1 augustus 2007 begint, dient de onderhavige verordening vanaf die datum van toepassing te zijn.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor wijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1623/2000 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in artikel 13, lid 1, tweede alinea, worden de woorden „Voor de wijnoogstjaren 2003/2004 tot en met 2006/2007” vervangen door „Voor de wijnoogstjaren 2003/2004 tot en met 2007/2008”;

2)

in artikel 52, lid 1, vierde alinea, worden de woorden „voor de wijnoogstjaren 2001/2002 tot en met 2006/2007” vervangen door „voor de wijnoogstjaren 2001/2002 tot en met 2007/2008”;

3)

in artikel 63 bis, lid 2, eerste alinea, wordt de laatste zin vervangen door:

„Voor de wijnoogstjaren 2004/2005, 2005/2006, 2006/2007 en 2007/2008 is dat percentage vastgesteld op 25.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)  PB L 194 van 31.7.2000, blz. 45. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2016/2006 (PB L 384 van 29.12.2006, blz. 38).


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/22


VERORDENING (EG) Nr. 898/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad ten aanzien van de vangstbeperkingen voor de visserij op sprot in ICES-zones II a (EG-wateren) en IV (EG-wateren)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (1), en met name op artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De vangstbeperkingen voor de visserij op sprot in ICES-zones II a (EG-wateren) en IV (EG-wateren) zijn voorlopig vastgesteld in bijlage IA bij Verordening (EG) nr. 41/2007.

(2)

Krachtens artikel 5, lid 5, van Verordening (EG) nr. 41/2007 kunnen de vangstbeperkingen door de Commissie worden herzien in het licht van tijdens het eerste halfjaar van 2007 verzamelde wetenschappelijke informatie.

(3)

In het licht van de tijdens het eerste halfjaar van 2007 verzamelde wetenschappelijke informatie moeten de vangstbeperkingen voor sprot in de betrokken zones worden aangepast.

(4)

Bijlage IA bij Verordening (EG) nr. 41/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Aangezien sprot een kortlevende soort is, moeten de vangstbeperkingen zo spoedig mogelijk van toepassing zijn om overbevissing van het bestand in de tussenliggende periode te voorkomen.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IA bij Verordening (EG) nr. 41/2007 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 754/2007 (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 26).


BIJLAGE

Bijlage IA bij Verordening (EG) nr. 41/2007 wordt als volgt gewijzigd:

De tekst met betrekking tot de soort sprot in ICES-zones II a (EG-wateren) en IV (EG-wateren) wordt vervangen door:

„Soort

:

Sprot

Sprattus sprattus

Zone

:

EG-wateren van II a en IV

SPR/2AC4-C

België

1 917

Voorzorgs-TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing.

Denemarken

151 705

Duitsland

1 917

Frankrijk

1 917

Nederland

1 917

Zweden

1 330 (1)

Verenigd Koninkrijk

6 325

EG

167 028

Noorwegen

18 812 (2)

Faeröer

9 160 (3)  (4)  (5)

TAC

195 000


(1)  Met inbegrip van zandspiering.

(2)  Mag enkel in ICES-zone IV (EG-wateren) worden gevist.

(3)  Mag enkel worden gevangen in ICES-zones IV en VI a benoorden 56° 30’ NB. Bijvangst van blauwe wijting wordt in mindering gebracht op het quotum voor blauwe wijting voor de ICES-zones VI a, VI b en VII.

(4)  1 832 ton haring mag worden gevangen met netten met een maaswijdte kleiner dan 32 mm. Als het quotum van 1 832 ton haring is opgebruikt, zijn alle visserijactiviteiten met netten met een maaswijdte kleiner dan 32 mm verboden.

(5)  Vangsten onder toezicht, overeenkomend met 2 % van de visserij-inspanning en tot maximaal 2 500 ton, mogen bestaan uit zandspiering.”.


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/24


VERORDENING (EG) Nr. 899/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de aanpassing van de GN-codes voor bepaalde stoffen die de ozonlaag afbreken en mengsels die dergelijke stoffen bevatten, teneinde rekening te houden met de in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad vastgestelde wijzigingen van de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (1), en met name op artikel 6, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de gecombineerde nomenclatuur voor 2007, die is vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (2), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1549/2006 (3), zijn de codes van de gecombineerde nomenclatuur (GN-codes) voor bepaalde producten gewijzigd. In bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 2037/2000, die betrekking heeft op stoffen die de ozonlaag afbreken en mengsels die dergelijke stoffen bevatten, wordt verwezen naar sommige van die GN-codes. Deze bijlage moet derhalve worden aangepast. Gezien het grote aantal wijzigingen die moeten worden aangebracht, wordt de bijlage om duidelijkheidsredenen volledig vervangen.

(2)

Verordening (EG) nr. 2037/2000 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Aangezien Verordening (EG) nr. 1549/2006 op 1 januari 2007 in werking is getreden, moet deze verordening met ingang van dezelfde datum van toepassing zijn.

(4)

De in deze verordening vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 2037/2000 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Ze is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 733/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 1).

(3)  PB L 301 van 31.10.2006, blz. 1.


BIJLAGE

„BIJLAGE IV

Codes (1) en omschrijvingen van de gecombineerde nomenclatuur voor de in de bijlagen I en III genoemde stoffen per groep

Groep

GN-code

Omschrijving

Groep I

2903 41 00

Trichloorfluormethaan

2903 42 00

Dichloordifluormethaan

2903 43 00

Trichloortrifluorethanen

2903 44 10

Dichloortetrafluorethanen

2903 44 90

Chloorpentafluorethaan

Groep II

2903 45 10

Chloortrifluormethaan

2903 45 15

Pentachloorfluorethaan

2903 45 20

Tetrachloordifluorethanen

2903 45 25

Heptachloorfluorpropanen

2903 45 30

Hexachloordifluorpropanen

2903 45 35

Pentachloortrifluorpropanen

2903 45 40

Tetrachloortetrafluorpropanen

2903 45 45

Trichloorpentafluorpropanen

2903 45 50

Dichloorhexafluorpropanen

2903 45 55

Chloorheptafluorpropanen

Groep III

2903 46 10

Broomchloordifluormethaan

2903 46 20

Broomtrifluormethaan

2903 46 90

Dibroomtetrafluorethanen

Groep IV

2903 14 00

Tetrachloorkoolstof

Groep V

2903 19 10

1,1,1-Trichloorethaan (methylchloroform)

Groep VI

2903 39 11

Broommethaan (methylbromide)

Groep VII

2903 49 30

Hydrobroomfluormethanen, -ethanen of -propanen

Groep VIII

2903 49 10

Hydrochloorfluormethanen, -ethanen of -propanen

Groep IX

ex 2903 49 80

Broomchloormethaan

Mengsels

3824 71 00

Mengsels met chloorfluorkoolstoffen (CFK's), die al dan niet chloorfluorkoolwaterstoffen (HCFK's), perfluorkoolstoffen (PFK's) of fluorkoolwaterstoffen (HFK's) bevatten

3824 72 00

Mengsels met broomchloordifluormethaan, broomtrifluormethaan of dibroomtetrafluorethanen

3824 73 00

Mengsels met broomfluorkoolwaterstoffen (HBFK's)

3824 74 00

Mengsels met chloorfluorkoolwaterstoffen (HCFK's), die al dan niet perfluorkoolstoffen (PFK's) of fluorkoolwaterstoffen (HFK's) bevatten, maar geen chloorfluorkoolstoffen (CFK's)

3824 75 00

Mengsels met tetrachloorkoolstof

3824 76 00

Mengsels met 1,1,1-trichloorethaan (methylchloroform)

3824 77 00

Mengsels met broommethaan (methylbromide) of broomchloormethaan


(1)  Vermelding van „ex” vóór een code betekent dat ook andere dan de in de kolom „Omschrijving” genoemde producten onder deze rubriek kunnen vallen.”


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/26


VERORDENING (EG) Nr. 900/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

betreffende een permanente inschrijving voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker tot het einde van het verkoopseizoen 2007/2008

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 23, lid 4, en artikel 40, lid 1, onder g),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Gezien de situatie op de markt voor suiker in de Gemeenschap en daarbuiten dient een permanente inschrijving voor de uitvoer van witte suiker tot het einde van het verkoopseizoen 2007/2008 te worden geopend om naar gelang van de schommelingen van de wereldmarktprijzen voor suiker restituties bij uitvoer te kunnen vaststellen.

(2)

De in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 vastgestelde algemene voorschriften inzake de inschrijvingsprocedure voor de bepaling van de restituties bij uitvoer van suiker moeten worden toegepast.

(3)

Om te voorkomen dat producten van de sector suiker waarvoor uitvoerrestituties zijn toegekend, weer in de Gemeenschap worden ingevoerd of binnengebracht, mag voor geen van de westelijke Balkanlanden een uitvoerrestitutie voor dergelijke producten worden vastgesteld.

(4)

Overeenkomstig de artikelen 32 en 33 van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad mogen uitvoerrestituties worden vastgesteld om de concurrentiekloof tussen de uitvoer van de Gemeenschap en die van derde landen te overbruggen. De concurrentiepositie van producten die uit de Gemeenschap worden uitgevoerd naar bepaalde dichtbij gelegen bestemmingen en naar derde landen die communautaire producten een preferentiële behandeling bij invoer geven, is momenteel bijzonder gunstig. Daarom moeten de restituties bij uitvoer naar deze bestemmingen worden afgeschaft.

(5)

Gezien het specifieke karakter van deze maatregel moeten bepalingen worden vastgesteld voor de uitvoercertificaten die in het kader van de permanente inschrijving worden afgegeven, met name inzake de termijn voor afgifte van de certificaten, de geldigheidsduur van de certificaten, het bedrag van de zekerheid en de hoeveelheid waarvoor de uit het certificaat voortvloeiende uitvoerverplichting wordt vervuld. De bepalingen van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (2), evenals de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 120/89 van de Commissie van 19 januari 1989 tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor de toepassing van heffingen en belastingen bij uitvoer van landbouwproducten (3), blijven evenwel van toepassing.

(6)

De bij de onderhavige verordening vastgestelde bepalingen komen, wat de deelinschrijvingen vanaf augustus 2007 betreft, in de plaats van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 958/2006 van de Commissie van 28 juni 2006 betreffende een permanente inschrijving voor het verkoopseizoen 2006/2007 voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker (4). Bijgevolg moet de genoemde verordening omwille van de transparantie en de juridische duidelijkheid, met ingang van 1 augustus 2007 worden ingetrokken.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een permanente inschrijving gehouden voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker van GN-code 1701 99 10, voor alle bestemmingen, behalve Andorra, Gibraltar, Ceuta, Melilla, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein, de gemeenten Livigno en Campione in Italië, Helgoland, Groenland, de Faeröer en de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent, Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië (5) en Montenegro en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. Tijdens de duur van deze permanente inschrijving worden deelinschrijvingen gehouden.

2.   De permanente inschrijving wordt gehouden tot en met 25 september 2008.

Artikel 2

1.   Het bericht van inschrijving wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Op basis daarvan stellen de lidstaten een bericht van inschrijving op dat zij elders kunnen bekendmaken of laten bekendmaken.

2.   In het bericht van inschrijving worden met name de inschrijvingsvoorwaarden opgenomen.

3.   Het bericht van inschrijving kan tijdens de duur van de permanente inschrijving worden gewijzigd. Het wordt gewijzigd indien de inschrijvingsvoorwaarden in die periode worden veranderd.

Artikel 3

1.   De termijn voor het indienen van de offertes voor de eerste deelinschrijving:

a)

gaat in op 1 augustus 2007;

b)

verstrijkt op 9 augustus 2007 om 10.00 uur (Brusselse tijd).

2.   De termijn voor het indienen van de offertes voor elk van de volgende deelinschrijvingen:

a)

gaat in op de eerste werkdag na de dag waarop de termijn voor de vorige deelinschrijving is verstreken;

b)

verstrijkt op de volgende data om 10.00 uur (Brusselse tijd):

30 augustus 2007,

13 en 27 september 2007,

11 en 25 oktober 2007,

8 en 22 november 2007,

6 en 20 december 2007,

10 en 31 januari 2008,

14 en 28 februari 2008,

13 en 27 maart 2008,

10 en 24 april 2008,

8 en 29 mei 2008,

12 en 26 juni 2008,

10 en 24 juli 2008,

7 en 28 augustus 2008,

11 en 25 september 2008.

Artikel 4

1.   De offertes in het kader van deze inschrijvingsprocedure worden per fax of e-mail aan de bevoegde instantie in een lidstaat toegezonden op voorwaarde dat deze vormen van transmissie door de bevoegde instantie worden aanvaard.

De bevoegde instantie van de lidstaat mag eisen dat per e-mail toegezonden offertes vergezeld gaan van een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad (6).

2.   De offertes zijn slechts geldig wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

in de offertes worden vermeld:

i)

het referentienummer van de inschrijving waarop de offerte betrekking heeft (nr. 1/2007) en de deelinschrijving;

ii)

de naam, het adres en het btw-nummer van de inschrijver;

iii)

de uit te voeren hoeveelheid witte suiker;

iv)

het bedrag van de uitvoerrestitutie per 100 kg witte suiker, uitgedrukt in euro tot op drie decimalen nauwkeurig;

v)

het bedrag van de zekerheid die overeenkomstig artikel 5, lid 1, voor de onder iii) bedoelde hoeveelheid suiker moet worden gesteld, uitgedrukt in de munteenheid van de lidstaat waar de offerte wordt ingediend;

b)

vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van de offertes wordt het bewijs geleverd dat de inschrijver de in de offerte vermelde zekerheid heeft gesteld;

c)

de uit te voeren hoeveelheid bedraagt ten minste 250 t witte suiker;

d)

de offerte gaat vergezeld van een verklaring van de inschrijver waarin deze zich ertoe verbindt om, bij eventuele toewijzing aan hem, binnen de in artikel 11, lid 2, tweede alinea, vastgestelde termijn het uitvoercertificaat of de uitvoercertificaten aan te vragen voor de uit te voeren hoeveelheden witte suiker;

e)

de offerte gaat vergezeld van een verklaring van de inschrijver waarin deze bevestigt dat het voor uitvoer bestemde product witte suiker is van gezonde handelskwaliteit van GN-code 1701 99 10;

f)

de offerte gaat vergezeld van een verklaring van de inschrijver waarin deze zich ertoe verbindt om bij toewijzing aan hem:

i)

de zekerheid door het betalen van het in artikel 12, lid 3, bedoelde bedrag aan te vullen, indien de uitvoerverplichting die voortvloeit uit het in artikel 11, lid 2, bedoelde uitvoercertificaat, niet werd nagekomen,

ii)

de instantie die het betrokken uitvoercertificaat heeft afgegeven, binnen 30 dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat op de hoogte te brengen van de hoeveelheid of de hoeveelheden waarvoor het uitvoercertificaat niet werd gebruikt.

3.   Een offerte die niet overeenkomstig de leden 1 en 2 wordt ingediend of die andere voorwaarden bevat dan die welke voor de onderhavige inschrijving gelden, wordt niet in aanmerking genomen.

4.   Een ingediende offerte kan niet worden ingetrokken.

5.   In een offerte mag worden vermeld dat zij slechts als ingediend mag worden beschouwd wanneer aan een van de twee of aan beide onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a)

het maximumbedrag van de uitvoerrestitutie moet worden vastgesteld op de dag waarop de termijn voor het indienen van de betrokken offertes verstrijkt;

b)

de toewijzing van de inschrijving moet gelden voor de hele in de offerte vermelde hoeveelheid of voor een bepaald deel ervan.

Artikel 5

1.   Elke inschrijver stelt een zekerheid van 11 EUR per 100 kg voor de uit hoofde van deze inschrijving uit te voeren witte suiker.

Voor degenen aan wie wordt toegewezen, geldt deze zekerheid, onverminderd artikel 12, lid 3, als de zekerheid voor het uitvoercertificaat die bij het indienen van de in artikel 11, lid 2, bedoelde aanvraag moet worden gesteld.

2.   De in lid 1 bedoelde zekerheid wordt, naar keuze van de inschrijver, gesteld in contanten of in de vorm van een garantie van een instelling die voldoet aan de criteria zoals vastgesteld door de lidstaat waar de offerte wordt ingediend.

3.   De in lid 1 bedoelde zekerheid wordt vrijgegeven:

a)

met betrekking tot degenen aan wie niet is toegewezen: voor de hoeveelheid waarvoor niet op de offerte is ingegaan;

b)

met betrekking tot degenen aan wie is toegewezen en die hun uitvoercertificaat niet binnen de in artikel 11, lid 2, tweede alinea, bedoelde termijn hebben aangevraagd: naar rato van 10 EUR per 100 kg witte suiker;

c)

met betrekking tot degenen aan wie is toegewezen: voor de hoeveelheid waarvoor zij in de zin van artikel 31, onder b), en artikel 32, lid 1, onder b) i), van Verordening (EG) nr. 1291/2000 hebben voldaan aan de uitvoerverplichting die voortvloeit uit het in artikel 11, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde uitvoercertificaat, overeenkomstig de voorwaarden van artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1291/2000.

In het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval wordt het vrij te geven gedeelte van de zekerheid in voorkomend geval verminderd met het verschil tussen het maximumbedrag van de uitvoerrestitutie voor de betrokken deelinschrijving en het maximumbedrag van de uitvoerrestitutie voor de daaropvolgende deelinschrijving, indien dit laatste bedrag groter is dan het eerste.

Behalve in geval van overmacht wordt het niet vrijgegeven deel van de zekerheid of de niet vrijgegeven zekerheid verbeurd voor de hoeveelheid suiker waarvoor de overeenkomstige verplichtingen niet zijn nagekomen.

4.   In geval van overmacht stelt de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat de maatregelen voor vrijgave van de zekerheid vast die zij op grond van de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden nodig acht.

Artikel 6

1.   De offertes worden in besloten vergadering onderzocht door de betrokken bevoegde instantie. De personen die bij het onderzoek worden toegelaten, zijn tot geheimhouding verplicht.

2.   De overeenkomstig deze verordening ingediende offertes moeten, mits zij ontvankelijk zijn, uiterlijk anderhalf uur nadat de in het bericht van inschrijving vastgestelde termijn voor de wekelijkse indiening van de offertes verstrijkt, via de lidstaten zonder vermelding van de inschrijvers aan de Commissie worden meegedeeld.

Indien geen offertes zijn ingediend, stellen de lidstaten de Commissie daarvan eveneens binnen de genoemde termijn in kennis.

Artikel 7

1.   Na onderzoek van de ontvangen offertes kan per deelinschrijving een maximumhoeveelheid worden vastgesteld.

2.   Er kan worden besloten geen gevolg te geven aan een bepaalde deelinschrijving.

Artikel 8

1.   Indien de Commissie besluit gevolg te geven aan een deelinschrijving, stelt zij overeenkomstig de in artikel 39, lid 2, van Verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde procedure het maximumbedrag van de uitvoerrestitutie vast. Bij de vaststelling van dit bedrag wordt rekening gehouden met de bestaande situatie en de te verwachten ontwikkeling op de suikermarkt in de Gemeenschap en daarbuiten.

2.   Onverminderd artikel 9 wordt de inschrijving toegewezen aan de inschrijver/inschrijvers die een offerte heeft/hebben ingediend waarin het maximumbedrag van de uitvoerrestitutie of een lager bedrag is vermeld.

Artikel 9

1.   Wanneer voor een deelinschrijving een maximumhoeveelheid is vastgesteld, wordt toegewezen aan de inschrijver in wiens offerte de laagste restitutie is vermeld. Indien de maximumhoeveelheid met deze offerte niet is bereikt, wordt op basis van de vermelde uitvoerrestitutiebedragen in toenemende volgorde toegewezen, totdat de maximumhoeveelheid is bereikt.

2.   Wanneer door het in aanmerking nemen van een bepaalde offerte aan de hand van de in lid 1 aangegeven toewijzingsprocedure de maximumhoeveelheid wordt overschreden, wordt aan de betrokken inschrijver slechts toegewezen tot de hoeveelheid waarmee de maximumhoeveelheid wordt bereikt. Offertes waarin dezelfde restitutie wordt vermeld en die betrekking hebben op zodanige hoeveelheden dat, als zij volledig werden aanvaard, de maximumhoeveelheid zou worden overschreden, worden als volgt in aanmerking genomen:

a)

naar rato van de in elk van die offertes vermelde totale hoeveelheid, of

b)

per inschrijver, tot een vastgestelde maximumhoeveelheid, of

c)

door loting.

Artikel 10

1.   De bevoegde instantie van de betrokken lidstaat stelt alle inschrijvers onmiddellijk in kennis van het resultaat van hun deelname aan de inschrijving. Bovendien zendt deze instantie onverwijld een bericht van toewijzing naar de inschrijvers aan wie is toegewezen.

2.   In het bericht van toewijzing worden ten minste vermeld:

a)

het referentienummer van de inschrijving waarop de offerte betrekking heeft;

b)

de uit te voeren hoeveelheid witte suiker;

c)

het bedrag van de voor de onder b) bedoelde hoeveelheid geldende uitvoerrestitutie per 100 kg witte suiker, uitgedrukt in euro.

Artikel 11

1.   Degene aan wie wordt toegewezen, heeft onder de in lid 2 genoemde voorwaarden voor de toegewezen hoeveelheid recht op een uitvoercertificaat waarin de in de offerte opgenomen uitvoerrestitutie is vermeld.

2.   Degene aan wie wordt toegewezen, is verplicht overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 1291/2000 een uitvoercertificaat voor de hem toegewezen hoeveelheid aan te vragen; in afwijking van artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 120/89 kan deze aanvraag niet worden ingetrokken.

De aanvraag moet uiterlijk op een van de onderstaande dagen worden ingediend:

a)

de laatste werkdag vóór de dag waarop de deelinschrijving van de daaropvolgende week wordt gehouden;

b)

de laatste werkdag van de daaropvolgende week, wanneer in die week geen deelinschrijving wordt gehouden.

3.   Degene aan wie wordt toegewezen, heeft de verplichting om de in de offerte vermelde hoeveelheid uit te voeren en, indien deze verplichting niet is nagekomen, in voorkomend geval het in artikel 12, lid 3, bedoelde bedrag te betalen.

4.   Het in lid 1 bedoelde recht en de in de leden 2 en 3 genoemde verplichtingen kunnen niet worden overgedragen.

Artikel 12

1.   Voor de bepaling van de geldigheidsduur van de certificaten is artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van toepassing.

2.   De uit hoofde van een deelinschrijving afgegeven uitvoercertificaten zijn geldig vanaf de dag waarop deze zijn afgegeven tot het einde van de vijfde kalendermaand volgende op die waarin deze deelinschrijving heeft plaatsgevonden.

3.   Behalve in geval van overmacht betaalt de titularis van het certificaat aan de bevoegde instantie een bepaald bedrag voor de hoeveelheid waarvoor de uitvoerverplichting die voortvloeit uit het in artikel 11, lid 2, bedoelde uitvoercertificaat, niet is nagekomen, indien de in artikel 5, lid 1, bedoelde zekerheid lager is dan het verschil tussen de in artikel 33, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde uitvoerrestitutie die van kracht is op de laatste dag van de geldigheid van het certificaat, alsmede het in dat certificaat vermelde restitutiebedrag.

Het in de eerste alinea bedoelde te betalen bedrag is gelijk aan het verschil tussen het in de eerste alinea bedoelde verschil en de in artikel 5, lid 1, bedoelde zekerheid.

Artikel 13

Verordening (EG) nr. 958/2006 wordt hierbij op 1 augustus 2007 ingetrokken.

Artikel 14

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).

(2)  PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2006 (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 52).

(3)  PB L 16 van 20.1.1989, blz. 19. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1847/2006 (PB L 355 van 15.12.2006, blz. 21).

(4)  PB L 175 van 29.6.2006, blz. 49. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 203/2007 (PB L 61 van 28.2.2007, blz. 2).

(5)  Met inbegrip van Kosovo, onder auspiciën van de Verenigde Naties, krachtens resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad van 10 juni 1999.

(6)  PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12.


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/31


VERORDENING (EG) Nr. 901/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen goederen.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke communautaire voorschriften is vastgesteld voor de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Met toepassing van genoemde algemene regels, dienen de in kolom 1 van de tabel omschreven goederen die zijn opgenomen in de bijlage te worden ingedeeld onder de daarmee corresponderende GN-codes die zijn vermeld in kolom 2, op grond van de motiveringen die zijn opgenomen in kolom 3 van voornoemde tabel.

(4)

Het is wenselijk dat een beroep kan worden gedaan op een door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting betreffende de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, door de rechthebbende, gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2).

(5)

Het Comité douanewetboek heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De goederen omschreven in kolom 1 van de in de bijlage opgenomen tabel worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-codes vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel.

Artikel 2

Op de door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de onderhavige verordening, kan gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92, een beroep worden gedaan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Danuta HÜBNER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 733/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 1).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Product bestaande uit versneden, gefermenteerde en gedroogde bladeren en bladuiteinden van de rooibosplant (Aspalathus linearis).

Na de oogst worden de groene bladeren en bladuiteinden versneden tot stukken van 2 tot 5 mm lengte. Deze worden vervolgens gekneusd, gefermenteerd en gedroogd.

Het product wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de bereidingen van bepaalde soorten kruidenthee (infusions).

1212 99 70

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 1212, 1212 99 en 1212 99 70.

Indeling onder post 1211 is uitgesloten omdat het product niet hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de in de omschrijving van deze post genoemde doeleinden (… van de soort hoofdzakelijk gebruikt in de reukwerkindustrie, in de geneeskunde of voor de insecten- of parasietenbestrijding of voor dergelijke doeleinden).

Het product moet worden ingedeeld als ander plantaardig product hoofdzakelijk gebruikt voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen, als bedoeld bij post 1212.


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/33


VERORDENING (EG) Nr. 902/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen goederen.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke communautaire voorschriften is vastgesteld voor de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Met toepassing van genoemde algemene regels, dienen de in kolom 1 van de tabel omschreven goederen die zijn opgenomen in de bijlage te worden ingedeeld onder de daarmee corresponderende GN-codes die zijn vermeld in kolom 2, op grond van de motiveringen die zijn opgenomen in kolom 3 van voornoemde tabel.

(4)

Het is wenselijk dat een beroep kan worden gedaan op een door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting betreffende de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, door de rechthebbende, gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2).

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De goederen omschreven in kolom 1 van de in de bijlage opgenomen tabel worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-codes vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel.

Artikel 2

Op de door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de onderhavige verordening, kan gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92, een beroep worden gedaan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Danuta HÜBNER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 733/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 1).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Hele knoflookbollen (Allium sativum) op een temperatuur tussen 0 °C en – 5 °C maar niet geheel bevroren.

0703 20 00

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 0703 en 0703 20 00

Het product moet niet onder post 0710 worden ingedeeld aangezien het niet bevroren is in de zin van hoofdstuk 7 (zie ook de GS-toelichting op hoofdstuk 7, algemene opmerkingen, derde alinea).

Het product wordt ingedeeld onder post 0703 als gekoelde knoflook.


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/35


VERORDENING (EG) Nr. 903/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen goederen.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke communautaire voorschriften is vastgesteld voor de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Met toepassing van genoemde algemene regels, dienen de in kolom 1 van de tabel omschreven goederen die zijn opgenomen in de bijlage te worden ingedeeld onder de daarmee corresponderende GN-codes die zijn vermeld in kolom 2, op grond van de motiveringen die zijn opgenomen in kolom 3 van voornoemde tabel.

(4)

Het is wenselijk dat een beroep kan worden gedaan op een door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting betreffende de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, door de rechthebbende, gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2).

(5)

Het Comité douanewetboek heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De goederen omschreven in kolom 1 van de in de bijlage opgenomen tabel worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-codes vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel.

Artikel 2

Op de door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de onderhavige verordening, kan gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92, een beroep worden gedaan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Franco FRATTINI

Vicevoorzitter


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 733/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 1).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Platte velletjes ter grootte van 32 mm × 21 mm, met de volgende ingrediënten (in gewichtspercenten):

natriumalginaat

24-32

maltodextrine

20-28

aromastoffen

5-15

water

5-15

carrageenan

5-15

microkristallijn cellulose

4-10

glycerol

4-10

alsmede lecithine, aspartaam, natriumsacharine, acesulfaam K, neohesperidine DC, kleurstof E102, kleurstof E133.

Het product wordt in de handel gebracht als „ademverfrissende strips” die oplossen op de tong.

2106 90 98

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 2106, 2106 90 en 2106 90 98.

Het product kan niet worden ingedeeld onder post 3306 als product voor mondhygiëne omdat het geen specifieke ingrediënten bevat die bijdragen tot het schoonhouden van de mondholte.

Het product moet worden ingedeeld als product voor menselijke consumptie in de zin van post 2106 omdat het voedingsstoffen bevat (zie de GS-toelichting op post 2106, eerste alinea, onder A en de tweede alinea, B onder 9).


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/37


VERORDENING (EG) Nr. 904/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen goederen.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke communautaire voorschriften is vastgesteld voor de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Met toepassing van genoemde algemene regels, dienen de in kolom 1 van de tabel omschreven goederen die zijn opgenomen in de bijlage te worden ingedeeld onder de daarmee corresponderende GN-codes die zijn vermeld in kolom 2, op grond van de motiveringen die zijn opgenomen in kolom 3 van voornoemde tabel.

(4)

Het is wenselijk dat een beroep kan worden gedaan op een door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting betreffende de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die niet in overeenstemming is met de bepalingen van onderhavige verordening, door de rechthebbende, gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2).

(5)

Het Comité douanewetboek heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De goederen omschreven in kolom 1 van de in de bijlage opgenomen tabel worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-codes vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel.

Artikel 2

Op de door de douaneautoriteiten van de lidstaten verstrekte bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de onderhavige verordening, kan gedurende drie maanden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92, een beroep worden gedaan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Franco FRATTINI

Vicevoorzitter


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 733/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 1).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Kaas van het pasta-filatatype, in blokvorm, vervaardigd door stremsel en thermofiele bacteriën (bv. Streptococcus thermophilus) toe te voegen aan melk. De wei wordt na de stremming afgescheiden. De wrongel wordt vervolgens tot ongeveer 80 °C verwarmd. De wrongel wordt gekneed en gerekt om hem een draderige textuur te geven. Het product wordt daarna in de vereiste afmetingen (1 tot 3 kg) verdeeld en gezouten.

De kaas wordt na vervaardiging in rijpingsfilm gewikkeld en gedurende een tot twee weken bij lage temperatuur (2 tot 4 °C) opgeslagen.

De samenstelling van de kaas is als volgt (in gewichtspercenten):

droge stof

54,2

totaal vetgehalte

23,3

vetgehalte in de droge stof

43,0

watergehalte in de vetvrije stof

59,7

De kaas heeft een naar boter neigende, milde, licht zoute smaak. Hij wordt onder meer gebruikt als kaas voor pizza's.

0406 10 20

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 0406, 0406 10 en 0406 10 20.

Het product heeft de objectieve kenmerken en hoedanigheid, in het bijzonder wat betreft samenstelling, voorkomen en smaak, van een verse kaas en kan kort na de vervaardiging ervan worden geconsumeerd (zie de GS-toelichting op post 0406, eerste alinea, onder 1).

Het product moet daarom niet worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 0406 90, die verwijst naar „andere kaas” dan vermeld in de voorgaande GN-onderverdelingen.


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/39


VERORDENING (EG) Nr. 905/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot vaststelling van de minimumverkoopprijs voor boter voor de 68e bijzondere inschrijving in het kader van de permanente openbare inschrijving als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2771/1999

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 10, onder c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 2771/1999 van de Commissie van 16 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room (2) hebben interventiebureaus bepaalde hoeveelheden boter die in hun bezit zijn, te koop aangeboden door middel van een permanente openbare inschrijving.

(2)

Krachtens artikel 24 bis van Verordening (EG) nr. 2771/1999 wordt op basis van de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen biedingen een minimumverkoopprijs vastgesteld of besloten geen boter toe te wijzen.

(3)

Gezien de ontvangen biedingen, dient een minimumverkoopprijs te worden vastgesteld.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 68e bijzondere inschrijving op grond van Verordening (EG) nr. 2771/1999, waarvoor de termijn voor het indienen van biedingen is verstreken op 24 juli 2007, wordt de minimumverkoopprijs voor boter vastgesteld op 200,00 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 van de Commissie (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(2)  PB L 333 van 24.12.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 688/2007 (PB L 159 van 20.6.2007, blz. 36).


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/40


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 13 september 2006

in een procedure op grond van artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

(Zaak COMP/F/38.456 — Bitumen (Nederland))

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 4090)

(Slechts de teksten in de Nederlandse, de Engelse, de Franse en de Duitse taal zijn authentiek)

(2007/534/EG)

1.   SAMENVATTING VAN DE INBREUK

(1)

De adressaten van de beschikking hebben deelgenomen aan één enkele, voortdurende inbreuk van artikel 81 van het EG-Verdrag, waarbij prijsafspraken werden gemaakt voor het wegenbouwbitumen in Nederland.

1.1.   De bedrijfstak van het wegenbouwbitumen

(2)

Bitumen is een bijproduct bij de productie van brandstof. Gewoonlijk wordt bitumen geproduceerd bij de destillatie van speciale zware ruwe aardolie. Door gebruikmaking van verschillende aardoliën en verschillende verhoudingen tussen de componenten kunnen uiteenlopende soorten bitumen worden geproduceerd die nog verder kunnen worden gemodificeerd door de toevoeging van polymeren om de prestaties te verbeteren. Bitumen wordt in hoofdzaak gebruikt bij de productie van asfalt, waar het als bindmiddel wordt gebruikt om de overige materialen samen te voegen. De rest wordt voor verschillende industriële toepassingen gebruikt.

(3)

Het product waarop deze beschikking betrekking heeft, is bitumen dat gebruikt wordt voor de aanleg van wegen en soortgelijke toepassingen. Dit product wordt ook wel penetratiebitumen genoemd. In deze beschikking zal echter de term „wegenbouwbitumen” worden gebruikt.

(4)

Uit het onderzoek bleek dat het kartel het gehele grondgebied van Nederland bestreek. In 2001, het laatste volledige jaar van de inbreuk, had het kartel naar schatting een omvang van ongeveer 62 miljoen EUR. Een bijzonder kenmerk van de regelingen is dat de collusie niet alleen tussen verkopers, zoals gewoonlijk het geval is, maar tussen verkopers en kopers samen voorkwam. Acht van de negen leveranciers van wegenbouwbitumen en de zes (thans vijf) grootste wegenbouwers, afnemers van het product, namen deel aan het kartel.

(5)

De onderstaande adressaten namen deel aan één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 81 van het EG-Verdrag. Deze inbreuk bestreek het gehele Nederlandse grondgebied en had als de belangrijkste kenmerken dat leveranciers en afnemers gezamenlijke afspraken maakten over de prijzen en de kortingen voor het desbetreffende product.

1.2.   Adressaten en duur van de inbreuk

(6)

Volgende ondernemingen — waarvan sommige als moederonderneming aansprakelijk worden gesteld — hebben met hun rechtspersonen gedurende de aangegeven perioden aan de inbreuk deelgenomen. De aandacht wordt erop gevestigd dat voor bepaalde ondernemingen de beschikking tot meer dan een rechtspersoon is gericht:

 

Leveranciers:

a)

BP: BP plc. van 1 april 1994 tot 15 april 2002, BP Nederland BV van 1 april 1994 tot 1 januari 2000 en BP Refining & Petrochemicals GmbH van 31 december 1999 tot 15 april 2002;

b)

Esha: Esha Holding BV, Smid & Hollander BV en Esha Port Services Amsterdam BV, van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

c)

Klöckner: Klöckner Bitumen BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002 en Sideron Industrial Development van 1 januari 2000 tot 15 april 2002;

d)

Kuwait Petroleum: Kuwait Petroleum Corporation, Kuwait Petroleum International Ltd en Kuwait Petroleum (Nederland) BV, van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

e)

Nynäs: AB Nynäs Petroleum en Nynäs Belgium AB van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

f)

Shell: Shell Petroleum NV, The Shell Transport and Trading Company Ltd en Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

g)

Total: Total Nederland NV van 1 april 1994 tot 15 april 2002 en Total SA van 1 november 1999 tot 15 april 2002;

h)

Wintershall: Wintershall AG van 1 april 1994 tot 31 december 1999.

 

Afnemers:

i)

Ballast Nedam: Ballast Nedam NV en Ballast Nedam Infra BV, van 21 juni 1996 tot 15 april 2002;

j)

BAM: BAM NBM Wegenbouw BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002 en Koninklijke BAM Groep NV van 1 november 2000 tot 15 april 2002;

k)

Dura Vermeer: Vermeer Infrastructuur BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002, Dura Vermeer Groep NV van 13 november 1998 tot 15 april 2002 en Dura Vermeer Infra BV van 1 juli 2000 tot 15 april 2002;

l)

HBG: HBG Civiel BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

m)

Heijmans: Heijmans NV en Heijmans Infrastructuur BV, van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

n)

KWS: Koninklijke Volker Wessels Stevin NV en Koninklijke Wegenbouw Stevin BV, van 1 april 1994 tot 15 april 2002.

1.3.   Werking van het kartel

(7)

De heimelijke praktijken kunnen als volgt worden samengevat: de inbreuk bestond hoofdzakelijk uit prijsafspraakpraktijken met betrekking tot wegenbouwbitumen in Nederland tussen de leveranciers, tussen de afnemers alsook tussen deze leveranciers en afnemers.

(8)

De bewijsstukken die het bestaan van het kartel aantonen, hebben betrekking op de periode tussen 1 april 1994 en 15 april 2002 en houden hoofdzakelijk verband met de praktijk om regelmatig voor de verkoop en afname van wegenbouwbitumen gemeenschappelijke regelingen te treffen over de brutoprijs, over een standaardkorting op de brutoprijs voor de deelnemende wegenbouwers en over een lagere maximale korting op de brutoprijs voor de overige wegenbouwers.

(9)

De Commissie is van oordeel dat het gehele systeem van voorbereidende en gemeenschappelijke vergaderingen, waarbij tussen de groep bitumenleveranciers en de groep wegenbouwers overeenkomsten worden gesloten over brutoprijzen en kortingen voor wegenbouwbitumen in Nederland deel uitmaakt van een algemeen plan en derhalve één enkele en voortgezette inbreuk vormt op artikel 81 van het Verdrag.

2.   GELDBOETEN

2.1.   Basisbedrag

(10)

Het basisbedrag van de geldboete wordt bepaald op basis van de zwaarte en de duur van de inbreuk.

Ernst

(11)

De Commissie houdt bij haar beoordeling van de ernst van de inbreuk rekening met de aard ervan, de feitelijke impact ervan voor de markt — voor zover dat meetbaar is — en de omvang van de desbetreffende geografische markt.

(12)

Gezien de aard van de gepleegde inbreuk, het feit dat deze gevolgen moet hebben gehad en het feit dat zij zich over een aanzienlijk deel van de gemeenschappelijke markt uitstrekte, is de Commissie van oordeel dat de ondernemingen waaraan deze beschikking is gericht een zeer ernstige inbreuk op artikel 81 van het Verdrag hebben begaan.

Gedifferentieerde behandeling

(13)

In de categorie zeer zware inbreuken biedt het scala aan mogelijke boetebedragen de mogelijkheid ondernemingen verschillend te behandelen teneinde rekening te houden met verschillen in het daadwerkelijke economische vermogen van de inbreukmakers om de mededinging aanzienlijke schade te berokkenen. Dit is aangewezen wanneer de respectieve marktaandelen van de bij de inbreuk betrokken ondernemingen aanzienlijk verschillen, zoals in deze zaak het geval is.

(14)

De ondernemingen werden ingedeeld in zes categorieën, naargelang van hun relatieve belang op de relevante markt in 2001, het laatste volledige jaar van de inbreuk.

Voldoende afschrikkende werking

(15)

De Commissie wijst erop dat de bij deze procedure betrokken ondernemingen Shell, BP, Total en Kuwait Petroleum in het boekjaar 2005, het recentste boekjaar vóór deze beschikking, respectievelijk een wereldwijde omzet hadden van 246 miljard EUR, 203 miljard EUR, 143 miljard EUR en 37 miljard EUR. De wereldwijde omzet van alle andere ondernemingen bedroeg minder dan 10 miljard EUR.

(16)

De Commissie is van mening dat het voor deze ondernemingen met een wereldwijde omzet van minder dan 10 miljard EUR, gelet op de omstandigheden van deze zaak, niet nodig is een vermenigvuldigingsfactor toe te passen om een voldoende afschrikkende werking van de geldboeten te garanderen. De Commissie overweegt alleen de geldboeten voor Shell, BP, Total en Kuwait Petroleum te vermenigvuldigen met een factor die is aan de omstandigheden van de zaak is aangepast.

Duur

(17)

Geïndividualiseerde vermenigvuldigingsfactoren worden toegepast overeenkomstig de duur van de door elke onderneming gemaakte inbreuk, die van anderhalf tot acht jaar (zie punt 6) kan variëren.

2.2.   Verzwarende en verzachtende omstandigheden

Verzwarende omstandigheden

(18)

Toen de inbreuk plaatsvond, had de Commissie al verbodsbeschikkingen wegens kartelactiviteiten tegen Shell uitgevaardigd (1). Deze recidive vormt een verzwarende omstandigheid die een verhoging met 50 % van het basisbedrag van de aan Shell op te leggen geldboete rechtvaardigt.

(19)

Tijdens de inspecties weigerde KWS zich te onderwerpen aan de verificatie, hetgeen de inspecteurs ertoe noopte de nationale mededingingsautoriteit en de politie om bijstand te verzoeken. Deze belemmering vormt voor de Commissie een verzwarende omstandigheid, die een verhoging met 10 % van het basisbedrag van de aan KWS op te leggen geldboete rechtvaardigt.

(20)

Shell, binnen de groep van bitumenleveranciers, en KWS, binnen de groep van bitumenafnemers, dragen een bijzondere verantwoordelijkheid voor hun rol als aanstichter en kopstuk van het kartel. Beide ondernemingen waren de drijvende krachten achter het kartel. Deze rol rechtvaardigt een verhoging met 50 % van het basisbedrag van de aan Shell en KWS op te leggen geldboete.

2.3.   Toepassing van het 10 %-omzetplafond

(21)

In artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (2) wordt bepaald dat de geldboete die aan iedere onderneming word opgelegd, niet meer mag bedragen dan 10 % van haar totale omzet. Deze drempelwaarde wordt toegepast op de geldboeten die werden berekend voor Esha (Esha Holding BV, Smid & Hollander BV en Esha Port Services Amsterdam BV) en Klöckner Bitumen BV.

2.4.   Toepassing van de clementieregeling

Immuniteit

(22)

BP heeft de Commissie als eerste op de hoogte gebracht van het bestaan van een bitumenkartel in Nederland en de Commissie verleende BP voorwaardelijke immuniteit voor geldboeten, overeenkomstig punt 15, onder a), van de clementieregeling. BP heeft gedurende de administratieve procedure van de Commissie, onafgebroken en zonder dralen haar volledige medewerking verleend. BP heeft haar betrokkenheid bij de vermoedelijke inbreuk uiterlijk beëindigd op het tijdstip waarop zij op grond van de clementieregeling haar bewijsmateriaal indiende en heeft andere ondernemingen niet tot deelneming aan de inbreuk gedwongen. Derhalve komt BP in aanmerking voor volledige immuniteit.

Punt 23, onder b), eerste streepje (vermindering van 30 tot 50 %)

(23)

Kuwait Petroleum was de tweede onderneming die de Commissie op grond van de clementieregeling benaderde en was ook de eerste onderneming die voldeed aan punt 21 van die regeling. Het door Kuwait Petroleum verstrekte bewijsmateriaal versterkte door de aard ervan het vermogen van de Commissie om de desbetreffende feiten te bewijzen en had bijgevolg een toegevoegde waarde ten opzichte van het bewijsmateriaal waarover de Commissie op dat tijdstip reeds beschikte. Deze toegevoegde waarde was significant; de bestaande informatie werd bevestigd en samen met de informatie waarover de Commissie reeds beschikte, stelde het nieuwe bewijsmateriaal de Commissie in staat om de inbreuk te bewijzen. Er moet rekening mee worden gehouden dat BP slechts af en toe aan het bitumenoverleg met de bitumenafnemers deelnam en dat Kuwait Petroleum als eerste rechtstreeks bewijsmateriaal verstrekte over dit centrale onderdeel van de werking van het kartel. Overeenkomstig punt 23 van de clementieregeling komt Kuwait Petroleum derhalve in aanmerking voor een vermindering van de geldboete ten belope van 30 tot 50 %.

(24)

Voor het vaststellen van de exacte vermindering van de aan Kuwait Petroleum op te leggen geldboete moet ermee rekening worden gehouden dat het door Kuwait Petroleum ingediende clementieverzoek en het door de onderneming verstrekte aanvullende bewijsmateriaal door de nauwkeurigheid ervan, het vermogen van de Commissie om de betrokken feiten te bewijzen, versterkte. Er moet evenwel ook rekening worden gehouden met het feit dat het clementieverzoek meer dan elf maanden na de inspecties van de Commissie werd ingediend en dit pas nadat de Commissie de partijen een verzoek om inlichtingen had toegezonden, waarin zij om nadere feitelijke informatie verzocht. Voorts tilt de Commissie er zwaar aan dat bepaalde belangrijke verklaringen van Kuwait Petroleum over de vermoedelijke deelneming van ExxonMobil aan het kartel naderhand door Kuwait Petroleum werden geherformuleerd en niet konden worden gebruikt als bewijsmateriaal tegen deze onderneming. De Commissie komt dan ook tot de conclusie dat Kuwait Petroleum recht heeft op een vermindering met 30 % van de geldboete die de onderneming anders zou zijn opgelegd.

Andere clementieverzoeken

(25)

Shell heeft eveneens een verzoek ingediend op grond van deel B van de clementieregeling, maar dit verzoek werd niet gehonoreerd wegens het gebrek aan significante toegevoegde waarde van het erin vervatte bewijsmateriaal.

(26)

Nynäs en Total betogen ook dat zij de Commissie vrijwillig zelfincriminerende informatie hebben verstrekt. De Commissie is evenwel van mening dat de verstrekte informatie geen significant toegevoegde waarde heeft op basis waarvan zij de geldboete zou moeten verminderen.

(27)

Wintershall betoogt dat het clementieverzoek van BP ook voor haar zou moeten gelden. Wintershall bestaat evenwel nog steeds los van BP en het was BP, en niet Wintershall, dat besloot bij de Commissie om immuniteit te verzoeken.

3.   BESCHIKKING

(28)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 81 van het EG-Verdrag door, gedurende de aangegeven perioden, regelmatig voor de verkoop en afname van wegenbouwbitumen in Nederland gemeenschappelijke regelingen te treffen over de brutoprijs, over een standaardkorting op de brutoprijs voor de deelnemende wegenbouwers en over een lagere maximale korting op de brutoprijs voor de overige wegenbouwers:

a)

Ballast Nedam: Ballast Nedam NV en Ballast Nedam Infra BV, van 21 juni 1996 tot 15 april 2002;

b)

BAM NBM: BAM NBM Wegenbouw BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002 en Koninklijke BAM Groep NV van 1 november 2000 tot 15 april 2002;

c)

BP: BP plc. van 1 april 1994 tot 15 april 2002, BP Nederland BV van 1 april 1994 tot 1 januari 2000 en BP Refining & Petrochemicals GmbH van 31 december 1999 tot 15 april 2002;

d)

Dura Vermeer: Vermeer Infrastructuur BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002, Dura Vermeer Groep NV van 13 november 1998 tot 15 april 2002 en Dura Vermeer Infra BV van 30 juni 2000 tot 15 april 2002;

e)

Esha: Esha Holding BV, Smid & Hollander BV en Esha Port Services Amsterdam BV, van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

f)

HBG: HBG Civiel BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

g)

Heijmans: Heijmans NV en Heijmans Infrastructuur BV, van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

h)

Klöckner: Klöckner Bitumen BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002 en Sideron Industrial Development van 1 januari 2000 tot 15 april 2002;

i)

Kuwait Petroleum: Kuwait Petroleum Corporation, Kuwait Petroleum International Ltd en Kuwait Petroleum (Nederland) BV, van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

j)

KWS: Koninklijke Volker Wessels Stevin NV en Koninklijke Wegenbouw Stevin BV, van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

k)

Nynäs: AB Nynäs Petroleum en Nynäs Belgium AB van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

l)

Shell: Shell Petroleum NV, The Shell Transport and Trading Company Ltd en Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV van 1 april 1994 tot 15 april 2002;

m)

Total: Total Nederland NV van 1 april 1994 tot 15 april 2002 en Total SA van 1 november 1999 tot 15 april 2002;

n)

Wintershall AG van 1 april 1994 tot 31 december 1999.

(29)

Wegens deze in het vorige punt vermelde inbreuken worden de volgende geldboeten opgelegd:

a)

Ballast Nedam: Ballast Nedam NV en Ballast Nedam Infra BV, hoofdelijk aansprakelijk: 4,65 miljoen EUR;

b)

BAM NBM: BAM NBM Wegenbouw BV: 13,5 miljoen EUR, waarvan Koninklijke BAM Groep NV hoofdelijk aansprakelijk is voor 9 miljoen EUR;

c)

BP: BP plc.: 0 miljoen EUR, waarvan BP Nederland BV hoofdelijk aansprakelijk is voor 0 miljoen EUR en BP Refining & Chemicals GmbH hoofdelijk aansprakelijk is voor 0 miljoen EUR;

d)

Dura Vermeer: Vermeer Infrastructuur BV: 5,4 miljoen EUR, waarvan Dura Vermeer Groep NV hoofdelijk aansprakelijk is voor 3,9 miljoen EUR en Dura Vermeer Infra BV hoofdelijk aansprakelijk is voor 3,45 miljoen EUR;

e)

Esha: Esha Holding BV, Smid & Hollander BV en Esha Port Services Amsterdam BV, hoofdelijk aansprakelijk: 11,5 miljoen EUR;

f)

HBG: HBG Civiel BV: 7,2 miljoen EUR;

g)

Heijmans: Heijmans NV en Heijmans Infrastructuur BV, hoofdelijk aansprakelijk: 17,1 miljoen EUR;

h)

Klöckner: Klöckner Bitumen BV: 10 miljoen EUR, waarvan Sideron Industrial Development BV hoofdelijk aansprakelijk is voor 9 miljoen EUR;

i)

Kuwait Petroleum: Kuwait Petroleum Corporation, Kuwait Petroleum International Ltd en Kuwait Petroleum (Nederland) BV, hoofdelijk aansprakelijk: 16,632 miljoen EUR;

j)

KWS: Koninklijke Volker Wessels Stevin NV en Koninklijke Wegenbouw Stevin BV, hoofdelijk aansprakelijk: 27,36 miljoen EUR;

k)

Nynäs: AB Nynäs Petroleum en Nynäs Belgium AB, hoofdelijk aansprakelijk: 13,5 miljoen EUR;

l)

Shell: Shell Petroleum NV, The Shell Transport and Trading Company Ltd en Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV, hoofdelijk aansprakelijk: 108 miljoen EUR;

m)

Total: Total Nederland NV: 20,25 miljoen EUR, waarvan Total SA hoofdelijk aansprakelijk is voor 13,5 miljoen EUR;

n)

Wintershall AG: 11,625 miljoen EUR.

(30)

De bovengenoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in punt 29 bedoelde inbreuken, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan. Zij onthouden zich voortaan van elke handeling of gedraging als die welke in punt 29 wordt beschreven, alsook van iedere handeling of gedraging die eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg heeft als de inbreuk.

(31)

Een niet-vertrouwelijke versie van de beschikking in de authentieke talen van de zaak kan worden geraadpleegd op de website van DG COMP op het volgende adres: http://ec.europa.eu/comm/competition/index_en.html


(1)  Beschikking 86/398/EEG van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 — Polypropyleen (PB L 230 van 18.8.1986, blz. 1)) en Beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31865 — PVC II (PB L 239 van 14.9.1994, blz. 14)).

(2)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1419/2006 (PB L 269 van 28.9.2006, blz. 1).


28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/45


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot beëindiging van de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van dihydromyrcenol van oorsprong uit India

(2007/535/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (1) (hierna de „basisverordening” genoemd), en met name op artikel 14,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

(1)

Op 11 november 2006 heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) (hierna het „bericht van inleiding” genoemd) de inleiding van een antisubsidieprocedure aangekondigd betreffende de invoer in de Gemeenschap van dihydromyrcenol met een zuiverheid van ten minste 93 gewichtspercenten, van oorsprong uit India, doorgaans aangegeven onder GN-code ex 2905 22 90.

(2)

De antisubsidieprocedure werd overeenkomstig artikel 10 van de basisverordening ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 29 september 2006 werd ingediend door de volgende producenten van de Gemeenschap: Destilaciones Bordas Chinchurreta SA en Sensient Fragrances SA (hierna de „klagers” genoemd), die goed zijn voor een groot deel, in dit geval meer dan 25 %, van de totale communautaire productie van dihydromyrcenol. De klacht bevatte voorlopig bewijsmateriaal van het bestaan van subsidiëring van het genoemde product en de hieruit voortvloeiende aanmerkelijke schade, die voldoende werd geacht om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen.

(3)

De Commissie heeft de Indiase autoriteiten, de haar bekende producenten/exporteurs, importeurs en gebruikers en hun verenigingen en de klagers officieel van de opening van het onderzoek op de hoogte gebracht. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn een verzoek indienen om te worden gehoord.

B.   INTREKKING VAN DE KLACHT

(4)

Bij schrijven van 25 mei 2007 aan de Commissie hebben de klagers de klacht officieel ingetrokken.

(5)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de basisverordening kan de procedure beëindigd worden wanneer de klacht wordt ingetrokken, tenzij die beëindiging het belang van de Gemeenschap niet dient.

(6)

De Commissie was van oordeel dat deze procedure moest worden beëindigd, daar bij het onderzoek niet was gebleken dat de beëindiging daarvan het belang van de Gemeenschap niet diende. De belanghebbenden zijn hiervan in kennis gesteld en hun werd de gelegenheid geboden om opmerkingen te maken. Er werden geen bezwaren naar voren gebracht.

(7)

Gelet op het voorgaande concludeert de Commissie dat de antisubsidieoprocedure betreffende de invoer met subsidie in de Gemeenschap van dihydromyrcenol van oorsprong uit India moet worden beëindigd zonder instelling van compenserende maatregelen,

BESLUIT:

Enig artikel

De antisubsidieprocedure betreffende de invoer van dihydromyrcenol met een zuiverheid van ten minste 93 gewichtspercenten, van oorsprong uit India, aangegeven onder GN-code ex 2905 22 90, wordt beëindigd.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 288 van 21.10.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)  PB C 275 van 11.11.2006, blz. 29.


Europese Centrale Bank

28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/46


RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 20 juli 2007

tot wijziging van Richtsnoer ECB/2006/28 betreffende het beheer van de externe reserves van de Europese Centrale Bank door de nationale centrale banken en de juridische documentatie voor operaties met betrekking tot de externe reserves van de Europese Centrale Bank

(ECB/2007/6)

(2007/536/EG)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op het derde streepje van artikel 105, lid 2,

Gelet op de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid op het derde streepje van artikel 3.1 en artikel 12.1 en artikel 30.6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 30.1 van de statuten wordt de Europese Centrale Bank (ECB) door de nationale centrale banken (NCB’s) van de lidstaten die de euro hebben aangenomen, gedoteerd met externe reserves en is zij ten volle gerechtigd om de aan haar overgedragen externe reserves aan te houden en te beheren.

(2)

Krachtens artikel 9.2 en 12.1 van de statuten kan de ECB via de NCB’s bepaalde taken uitvoeren en kan zij een beroep doen op de NCB’s voor de uitvoering van bepaalde operaties van de ECB. Dienovereenkomstig is de ECB van mening dat de NCB’s de aan de ECB overgedragen externe reserves als gevolmachtigden van de ECB dienen te beheren.

(3)

Conform Richtsnoer ECB/2006/28 van 21 december 2006 betreffende het beheer van de externe reserves van de Europese Centrale Bank door de nationale centrale banken en de juridische documentatie voor operaties met betrekking tot dergelijke reserves (1), voert elke NCB van een deelnemende lidstaat operaties uit met betrekking tot de externe reserves van de ECB als gevolmachtigde van de ECB met gebruikmaking van de in dat richtsnoer genoemde juridische documentatie.

(4)

De definitie van „Europese rechtsgebieden” in Richtsnoer ECB/2006/28 dient te worden gewijzigd om rekening te houden met de toekomstige toetreding van lidstaten tot de EMU.

(5)

Ten einde in de lijst van beleenbare instrumenten een nieuw instrument op te nemen dat verband houdt met als OTC-derivatenoperaties aangemerkte renteswaps, in welk geval voor een bepaalde drempels overschrijdend risico zekerheid wordt gesteld, dient Richtsnoer ECB/2006/28 nader te worden gewijzigd om renteswaps te documenteren als OTC-derivatenoperaties,

HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtsnoer ECB/2006/28 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt als volgt vervangen:

„Voor de toepassing van dit richtsnoer wordt verstaan onder:

„Europese rechtsgebieden”: de rechtsgebieden van alle lidstaten die de euro overeenkomstig het Verdrag hebben aangenomen, alsook Denemarken, Zweden, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk (alleen Engeland en Wales);

„deelnemende NCB”: de NCB van een lidstaat die de euro aangenomen heeft.”.

2)

Artikel 3, lid 1 en artikel 3, lid 2 worden als volgt vervangen:

„1.   Alle operaties met betrekking tot de externe reserves van de ECB worden uitgevoerd met gebruikmaking van de krachtens dit artikel vereiste standaard juridische documentatie. De directie kan besluiten gebruik te maken van een standaardovereenkomst zoals genoemd in bijlage I, punt 1, onder c) of punt 2, onder c) bij dit richtsnoer, in plaats van de overeenkomst zoals genoemd in bijlage I, punt 1, onder a) of punt 2, onder a) bij dit richtsnoer, zulks ten overstaan van een lidstaat ten tijde van de aanneming van de euro, indien er formeel noch inhoudelijk geen juridische voor de ECB aanvaardbare beoordeling beschikbaar is aangaande het gebruik in die lidstaat van de vermelde standaardovereenkomst. De directie stelt de Raad van bestuur onverwijld in kennis van enig uit hoofde van deze bepaling genomen besluit.

2.   Operaties tegen onderpand met betrekking tot de externe reserves van de ECB waaronder repo-overeenkomsten, repo-overeenkomsten met wederinkoop, koop/wederverkoopovereenkomsten en verkoop/terugkoopovereenkomsten, en alle OTC-derivatenoperaties met betrekking tot de externe reserves van de ECB, worden gedocumenteerd onder de in bijlage I genoemde standaardovereenkomsten, zoals die van tijd tot tijd door de ECB kunnen worden vastgelegd of gewijzigd.”.

3)

Bijlage I, punt 2 wordt als volgt vervangen:

„2.

Alle OTC-derivatenoperaties met betrekking tot de externe reserves van de ECB (met inbegrip van renteswaps waarbij voor het risico onderpand als zekerheid wordt verschaft) worden gedocumenteerd met gebruikmaking van de volgende standaardovereenkomsten, in de vorm zoals die van tijd tot tijd door de ECB kan worden vastgelegd of gewijzigd:

a)

De FBE Master Agreement for Financial Transactions (versie 2004) voor operaties met tegenpartijen die georganiseerd zijn, dan wel met rechtspersoonlijkheid krachtens het recht van één van de Europese rechtsgebieden;

b)

De 1992 International Swaps and Derivatives Association Master Agreement (Multicurrency — cross-border, versie naar New Yorks recht) voor operaties met tegenpartijen die georganiseerd zijn, dan wel met rechtspersoonlijkheid krachtens het recht van de Verenigde Staten (federaal of staat), en

c)

De 1992 International Swaps and Derivatives Association Master Agreement (Multi-currency — cross-border, versie naar Engels recht) voor operaties met tegenpartijen die georganiseerd zijn, dan wel met rechtspersoonlijkheid krachtens de wetten van een ander rechtsgebied dan die in de subalinea’s a) of b).”.

Artikel 2

Dit richtsnoer treedt op 27 juli 2007 in werking.

Artikel 3

Dit Richtsnoer is gericht tot de NCB's van de lidstaten die de euro hebben aangenomen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 20 juli 2007.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De President van de ECB

Jean-Claude TRICHET


(1)  PB C 17 van 28.1.2007, blz. 5.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/48


BESLUIT DARFUR/6/2007 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ

van 18 juli 2007

tot benoeming van de militair adviseur van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Sudan

(2007/537/GBVB)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 25, lid 3,

Gelet op Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB van de Raad van 18 juli 2005 inzake het civiel-militaire optreden van de Europese Unie ter ondersteuning van de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan (1), en met name op artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 19 april 2007 Besluit 2007/238/GBVB (2) vastgesteld, houdende benoeming van Torben BRYLLE tot speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor Sudan.

(2)

De SVEU voor Sudan zorgt onder andere voor de coördinatie en de samenhang van de bijdragen van de Unie aan de missie van de Afrikaanse Unie in de regio Darfur in Sudan (AMIS). Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB is, onder het gezag van de SVEU, een EU-Coördinatiecel in Addis Abeba, bestaande uit een politiek adviseur, een militair adviseur en een politieadviseur, belast met de dagelijkse coördinatie met alle relevante EU-actoren en met het Administratief Controle- en Beheerscentrum binnen de commandostructuur van de Afrikaanse Unie in Addis Abeba, om een samenhangende en tijdige steun van de Europese Unie voor AMIS te waarborgen.

(3)

Overeenkomstig artikel 4 van Gemeenschappelijk Optreden 2005/557/GBVB heeft de Raad het Politiek en Veiligheidscomité gemachtigd de militair adviseur van de SVEU te benoemen op voordracht van de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger (SG/HV), welke voordracht is gebaseerd op een aanbeveling van de SVEU.

(4)

Op aanbeveling van de SVEU heeft de SG/HV kolonel Michel BILLARD voorgedragen als militair adviseur van de SVEU.

(5)

Overeenkomstig artikel 6 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en uitvoering van besluiten en acties van de Europese Unie die gevolgen hebben op defensiegebied,

BESLUIT:

Artikel 1

Kolonel Michel BILLARD wordt benoemd tot militair adviseur van de SVEU voor Sudan.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op 24 juli 2007.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2007.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

C. DURRANT PAIS


(1)  PB L 188 van 20.7.2005, blz. 46. Gemeenschappelijk optreden gewijzigd bij Gemeenschappelijk Optreden 2007/245/GBVB (PB L 106 van 24.4.2007, blz. 65).

(2)  PB L 103 van 20.4.2007, blz. 52.


BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG

28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/49


BESLUIT VAN DE RAAD VAN BESTUUR VAN EUROPOL

van 18 juli 2007

tot instemming met de door Europol vastgestelde voorwaarden en procedures ter aanpassing van de in het aanhangsel van het besluit van de raad van bestuur van Europol van 16 november 1999 genoemde bedragen betreffende de belasting op door Europol aan zijn personeelsleden betaalde salarissen en emolumenten

(2007/538/EG)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN EUROPOL,

Gelet op het protocol op grond van artikel K.3 van het Verdrag van de Europese Unie en artikel 41, lid 3, van de Europol-Overeenkomst, betreffende de voorrechten en immuniteiten van Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden (1), en in het bijzonder artikel 10 van dit protocol,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 12 juni 2007 besloten om met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2006 de salarissen en emolumenten van de personeelsleden van Europol aan te passen met 1,5 %.

(2)

De raad van bestuur heeft op 18 juli 2007 besloten de in artikel 4 van het aanhangsel van het besluit van de raad van bestuur van 16 november 1999 (2) genoemde bedragen, met hetzelfde percentage en vanaf dezelfde datum als bepaald in het hierboven genoemde besluit van de Raad van 12 juni 2007 te verhogen.

(3)

Overeenkomstig hetzelfde besluit van de raad van bestuur van 18 juli 2007 dient de directeur de aldus vastgestelde waarden bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie,

BESLUIT ALS VOLGT:

Artikel 1

Met ingang van 1 juli 2006:

1)

Wordt de waarde genoemd in de eerste zin van artikel 4 van het aanhangsel van het besluit van de raad van bestuur van Europol van 16 november 1999 vervangen door 113,68 EUR.

2)

Worden de waarden in euro in de tabel van artikel 4 van het aanhangsel van het besluit van de raad van bestuur van Europol van 16 november 1999 vervangen door:

 

8 % voor bedragen tussen 113,68 en 2 002,41 EUR

 

10 % voor bedragen tussen 2 002,42 en 2 758,01 EUR

 

12,5 % voor bedragen tussen 2 758,02 en 3 160,83 EUR

 

15 % voor bedragen tussen 3 160,84 en 3 589,60 EUR

 

17,5 % voor bedragen tussen 3 589,61 en 3 992,45 EUR

 

20 % voor bedragen tussen 3 992,46 en 4 382,91 EUR

 

22,5 % voor bedragen tussen 4 382,92 en 4 785,73 EUR

 

25 % voor bedragen tussen 4 785,74 en 5 176,21 EUR

 

27,5 % voor bedragen tussen 5 176,22 en 5 579,03 EUR

 

30 % voor bedragen tussen 5 579,04 en 5 969,51 EUR

 

32,5 % voor bedragen tussen 5 969,52 en 6 372,33 EUR

 

35 % voor bedragen tussen 6 372,34 en 6 763,42 EUR

 

40 % voor bedragen tussen 6 763,43 en 7 166,26 EUR

 

45 % voor bedragen hoger dan 7 166,27 EUR.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag volgende op de dag van goedkeuring.

Gedaan te Den Haag, 18 juli 2007.

Jaime FERNANDES

Voorzitter van de raad van bestuur


(1)  PB C 221 van 19.7.1997, blz. 2.

(2)  PB C 65 van 28.2.2001, blz. 8.